Het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed van grote internationale techbedrijven?1
Ja.
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde, de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke journalistiek?
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen, als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie (AI)?
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde, wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale «scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale «scraping».
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien van auteursrecht en AI?
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet, onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen. Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid – en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners. De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten. De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting op dit terrein te heroverwegen?
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur wel over uitgelaten.4
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving, zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie, voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven en de positie van mediabedrijven?
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse (vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na verwerking daarvan naar het parlement.
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten van AI op mediapluriformiteit?
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
De vele boetes voor het niet op tijd betalen van de e-tol op de A24 |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Regels voor nieuwe e-tol niet voor iedereen duidelijk: 200.000 boetes» (NOS, 19 oktober 2025)1 en «Betaalherinnering voor e-tolweg A24 kost je vanaf nu geld» (NU.nl, 7 december 2025)2?
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichten? Ontvangt u ook signalen over de digitale toegankelijkheid van de e-tolweg, en zo ja, wat is daarvan de strekking?
De tolheffing op de A24 is voor het merendeel van de gebruikers duidelijk; echter nog niet voor iedereen. Dat is ook in lijn met de verwachtingen vooraf: een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. De inzet is erop gericht dat steeds meer gebruikers de tol tijdig betalen, zodat het aantal betalingsherinneringen en boetes afneemt. Hierin is ook een duidelijke positieve trend waarneembaar. In de eerste helft van 2025 werd ca. 80% van de tolritten op tijd betaald. Begin december was dit gestegen tot ca. 90%. Dit resulteert in een daling van het aantal verstuurde betalingsherinneringen en boetes. Naar verwachting zet deze dalende trend de komende maanden verder door.
Er zijn signalen bekend over de digitale toegankelijkheid van het systeem. Zo heeft de Nationale ombudsman aangegeven dat het tolsysteem onnodige lasten legt bij burgers, en mensen uitsluit die niet digitaal vaardig zijn. Bij het klantcontactcentrum van e-TOL betreft het merendeel van de vragen algemene vragen over tolheffing, de wijze van betalen of vragen naar aanleiding van betalingsherinneringen of boetes. Er zijn slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid. Dit betrof personen die niet in staat waren om digitaal te betalen. In dergelijke gevallen wordt ondersteuning geboden om aan de verplichtingen te voldoen.
Het feit dat digitale toegankelijkheid in het klantcontact niet specifiek naar voren komt neemt niet weg dat het systeem ingewikkeld kan zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Bent u het met de indieners eens dat meer dan 200.000 uitgedeelde boetes wijst op een structurele tekortkoming in de voorlichting over de e-tolheffing?
Nee, deze stelling wordt niet gedeeld. De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Dit is ook gebleken bij vergelijkbare elektronische tolwegen in het buitenland. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Klopt het dat één op de vijf automobilisten die via de e-tolweg reizen de tol niet op tijd betalen? Is deze verhouding in lijn met wat u vooraf had verwacht?
Ten tijde van de berichtgeving van de NOS (19 oktober jl.) werd inderdaad ca. één op de vijf tolritten niet tijdig betaald. Ca. 80% van de tolritten werd daarmee wel tijdig betaald. Dat is in lijn met de inschattingen die voor het jaar 2025 in de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 20263 zijn opgenomen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Is in de geplande periode van 25 jaar waarin tol zal worden geheven rekening gehouden met deze hoge inkomsten uit boetes en aanmaningen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor de duur van die periode?
In de ramingen in de begroting is rekening gehouden met inkomsten uit betalingsherinneringen en boetes. Dit omdat in artikel 11 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet TTH) is vastgelegd dat de netto-opbrengsten uit tolheffing, betalingsherinneringen en boetes volledig ten goede komen aan de aflossing van de tolopgave. Met de tolheffing op de A24 wordt een financieringsbehoefte gedekt van € 405 miljoen (bedrag in contante waarde en in prijspeil 2025). De tolheffing wordt beëindigd als deze tolopgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan.
De duur van de tolheffing hangt af van het aantal gebruikers van de A24, het betaalgedrag van deze gebruikers en de uitvoeringskosten van tolheffing. Deze factoren zijn momenteel nog sterk in ontwikkeling, waardoor de precieze duur van de tolheffing nu nog onduidelijk is. De ramingen in de begroting over betalingsherinneringen en boetes betreffen slechts indicatieve inschattingen. Er wordt niet gestuurd op het realiseren van de geraamde inkomsten: er wordt gestuurd op naleving van de tolplicht.
Kunt u verklaren waarom maar liefst één op de vijf automobilisten de e-tol niet (kunnen) betalen? In hoeverre is dit een gevolg van problemen met de digitale toegankelijkheid?
Er zijn verschillende redenen waarom gebruikers de tol niet tijdig betalen. Zo zijn er gebruikers die de verkeersborden over het hoofd zien, het systeem (nog) niet helemaal begrijpen of simpelweg vergeten te betalen. Ook zijn er gebruikers die de herinneringsbrief (ten onrechte) als een factuur hebben beschouwd. Er zijn geen indicaties dat specifiek de digitale toegankelijkheid een verklaring is voor het feit dat de tolheffing niet tijdig wordt betaald. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft u inzicht in de achtergrond van de mensen die beboet worden? Zo ja, raakt dit disproportioneel doelgroepen in een kwetsbare sociaaleconomische positie?
Bij de handhaving van de tolheffing worden geen gegevens verwerkt over de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen. Conform de Wet TTH worden alleen gegevens verwerkt die nodig zijn om een betalingsherinnering of boete te kunnen versturen. Het gaat dan onder meer om de naam, het adres en de woonplaats van de houder van het voertuig waarvoor niet tijdig tol is betaald.
Wel komt de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen soms aan de orde in het klantcontact dat plaatsvindt. Het komt voor dat iemand meerdere boetes van soms verschillende overheidsorganisaties heeft ontvangen en deze niet allemaal (tegelijkertijd) kan betalen. Waar mogelijk wordt in dit soort gevallen maatwerk toegepast. De tolheffing is om deze reden aangesloten op de Betalingsregeling Rijk4, waarmee het CJIB als Rijksincasso-organisatie namens de aangesloten overheidsorganisaties tot een betalingsregeling kan komen die rekening houdt met de afloscapaciteit van de betrokkene.
Heeft u zicht op het aantal automobilisten dat herhaaldelijk de boete niet heeft (kunnen) betalen? Kunt u een beeld schetsen van hoeveel automobilisten door het niet (kunnen) betalen van de boetes een aanzienlijk bedrag verschuldigd is?
Er is recent een analyse uitgevoerd naar gebruikers die meerdere boetes hebben ontvangen en hun betaalgedrag. Hieruit blijkt dat er na één jaar tolheffing 3.466 personen of bedrijven zijn die 10 of meer tolboetes hebben ontvangen. In 1.730 van deze gevallen is nog geen enkele boete betaald. Conform het beleid dat handhaving op maatschappelijk verantwoorde wijze plaatsvindt, wordt getracht in contact te komen met gebruikers met meerdere openstaande herinneringen of boetes. Doel hiervan is ondersteuning bieden bij het betalen en voorkomen dat personen in de problemen komen. De handhaving kan daarbij tijdelijk worden gepauzeerd. Ook wordt in bepaalde gevallen coulant opgetreden.
Erkent u dat, door de tolheffing uitsluitend digitaal te doen, er een verhoogd risico is dat de ongeveer 2,5 miljoen mensen3 die moeite hebben met digitale dienstverlening disproportioneel beboet worden?
Nee, dit wordt niet erkend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan het systeem ingewikkeld zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat mensen die minder digitaal vaardig zijn nadeel ondervinden of disproportioneel worden beboet. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Welke maatregelen heeft u genomen om automobilisten in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden in staat te stellen om tijdig en gemakkelijk de tol te betalen?
De tol kan op twee manieren worden betaald: door aan te melden voor automatisch betalen of door per rit te betalen op e-tol.nl. Gebruikers hebben een vrije keuze hoe ze willen betalen, maar geadviseerd wordt om automatisch te betalen. Daarmee worden immers herinneringen en boetes voorkomen. Het aanmelden voor automatisch betalen is zo makkelijk mogelijk gemaakt en wordt ook in de communicatie benadrukt.
Gebruikers die vragen hebben over de tolheffing of ondersteuning nodig hebben bij het verrichten van betalingen of het aanmelden voor automatisch betalen, kunnen terecht bij het klantcontactcentrum. Dat geldt uiteraard ook voor personen in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden. Ook met ondersteuning van het klantcontactcentrum is het verrichten van betaalhandelingen niet voor iedereen mogelijk. In het klantcontact wordt in dergelijke gevallen aangeraden om hulp te vragen aan familie, vrienden of buren. Ook kunnen mensen terecht bij een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). IDO’s zijn vaak gevestigd in bibliotheken en bieden hulp en ondersteuning bij digitale overheidsdiensten. Alle IDO’s hebben van RDW informatie ontvangen over de tolheffing. Medewerkers van IDO’s in de omgeving van de A24 hebben daarnaast een aanvullende training gekregen.
Waarom heeft u besloten om ook de betalingsherinnering geld te laten kosten als een automobilist niet binnen 72 uur digitaal tol betaalt? Is dit niet een impliciete vorm van dwang om mensen te bewegen tot automatische betalingen?
Reeds bij de parlementaire behandeling van de Wet TTH in 2015 was bekend dat alleen in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening zou worden gebracht. Dit om gebruikers te laten wennen aan het tolsysteem. Op 7 december jl. is het eerste jaar tolheffing geëindigd en is gestart met het in rekening brengen van de vergoeding van € 9 bij een betalingsherinnering. Dit bedrag is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt met het versturen van een betalingsherinnering en de verdere afhandeling daarvan. Het is niet bedoeld als (impliciet) dwangmiddel om mensen te bewegen tot automatische betalingen. Wel wordt verwacht dat deze maatregel als bijeffect heeft dat het aantal tijdige betalingen toeneemt. Dit mede omdat sommige weggebruikers de herinneringsbrief tot aan 7 december jl. (ten onrechte) als een factuur beschouwden.
Op welke manier zijn ervaringsdeskundigen, laaggeletterden en kennisorganisaties voor digitale toegankelijkheid betrokken bij het inrichten van de e-tolheffing? Voldoet dit volledig aan de eisen voor digitale toegankelijkheid?
Bij het ontwerpen van het tolsysteem is aandacht geweest voor digitale toegankelijkheid. Zo zijn bijvoorbeeld zogeheten klantreizen opgesteld, waarbij potentiële gebruikers met verschillende achtergronden en kenmerken de processtappen van het tolheffingsproces hebben doorlopen (van het zien van een verkeersbord over tolheffing tot het ontvangen van een boete en de processtappen daartussenin). Deze klantreizen hebben waardevolle inzichten opgeleverd die zijn meegenomen om het systeem gebruiksvriendelijk te maken.
Ook bij de communicatie over tolheffing (in bijvoorbeeld brieven, de website e-tol.nl en campagnemateriaal) is aandacht voor toegankelijkheid. Bijvoorbeeld door het gebruik van begrijpelijke taal op taalniveau B1. Daarnaast geldt dat overheidswebsites (zoals de website e-tol.nl) moeten voldoen aan de toegankelijkheidseisen zoals beschreven in de Wet digitale overheid (Wdo). De website heeft status B6 en voldoet daarmee aan de wettelijke eisen. Het streven is de website verder te verbeteren naar status A.
Welke mogelijkheden hebben mensen die de tol niet digitaal kunnen of willen betalen om alsnog hun betaling te doen? Zijn deze mogelijkheden voldoende helder en toegankelijk?
De betaling van de tol is alleen digitaal mogelijk, door te betalen via de website e-tol.nl (met iDEAL of creditcard) of door aan te melden voor automatisch betalen. Bij automatisch betalen zijn er, afhankelijk van de gekozen aanbieder, opties om te betalen per factuur, creditcard, automatische incasso of door een saldo op het account te storten (prepaid). Informatie over betaalmogelijkheden is beschikbaar op de website e-tol.nl en kan ook worden opgevraagd bij het klantcontactcentrum.
Welke kosten-batenanalyse ligt ten grondslag aan de keuze voor e-tolheffing? Welke alternatieven zijn onderzocht, zoals een ouderwets tolhuisje?
In de memorie van toelichting bij de Wet TTH7 is uitgebreid ingegaan op de afweging om bij de A24/Blankenburgverbinding en de toekomstige ViA15 te kiezen voor een free flow-tolsysteem en niet voor een «klassiek» systeem met een tolplein met slagbomen. Aspecten die een rol hebben gespeeld in de afweging zijn gebruikersgemak, doorstroming, verkeersveiligheid, betaalmogelijkheden en handhaving. Bij de A24 bleek een tolplein met slagbomen fysiek onmogelijk inpasbaar in het wegontwerp en zou het daarnaast leiden tot filevorming en reistijdverlies. Dit terwijl de A24 bedoeld is om de doorstroming in de regio Rijnmond te verbeteren.
Bent u het met de indieners eens dat, gezien de nieuwigheid van de e-tol en het risico dat vooral mensen met weinig digitale vaardigheden worden beboet, terughoudendheid en ruimhartigheid moet worden betracht bij de tolheffing?
Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 en 10 is daarom ingezet op goede communicatie over de tolheffing, goede ondersteuning aan gebruikers en op coulance bij de handhaving. Ook zijn in het eerste jaar van de tolheffing gratis betalingsherinneringen gestuurd aan gebruikers die de tol niet tijdig hebben betaald.
Bent u bereid om, vanwege de zorgen rondom de digitale toegankelijkheid van de e-tolheffing, de periode waarin geen administratiekosten worden gerekend te verlengen?
Nee, dit is niet wenselijk. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er bij het klantcontactcentrum slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid van het systeem. Conform de Wet TTH is in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening gebracht en wordt dat sinds 7 december jl. wel gedaan. Die vergoeding is nodig omdat voor het versturen en afhandelen van betalingsherinneringen substantiële uitvoeringskosten worden gemaakt. Daarnaast is een gratis betalingsherinnering niet rechtvaardig ten opzichte van gebruikers die wel op tijd tol betalen, omdat zij indirect meebetalen aan de kosten hiervan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Europese digitale wetgeving geldt voor alle bedrijven die actief zijn in de EU, ongeacht hun vestigingsplaats. Van ongelijke behandeling van Amerikaanse bedrijven is dus geen sprake. Mogelijke tegenmaatregelen vanwege vermeende ongelijke behandeling, inclusief mogelijke maatregelen gericht op Europese techbedrijven, ziet dit kabinet als onterecht.
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Voor zover bekend is de aankondiging om tegenmaatregelen te nemen tegen Europese techbedrijven, naast het bericht van de United States Trade Representative (USTR) op X, niet formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten.
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
In zijn algemeenheid heeft het kabinet geregeld contact met Nederlandse en Europese bedrijven. Onze boodschap is dat het kabinet blijft staan achter de Europese digitale regels die zorgen voor een veilige, eerlijke en gelijkwaardige concurrentie tussen bedrijven en de handhaving daarvan. De EU stelt zelf de regels op voor diensten die in de Unie worden aangeboden en handhaaft deze regels ook. Eventuele tegenacties tegen Nederlandse en Europese bedrijven zal het kabinet volgen en uiteraard zal het kabinet daarbij in gezamenlijkheid met de Europese Commissie en lidstaten opkomen voor hun belangen.
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
De positie van de VS ten aanzien van Europese digitale wet- en regelgeving is bij ons bekend. Het is daarom van belang om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse techbedrijven over het belang (van naleving) van digitale wet- en regelgeving voor zover het de diensten betreft die in Unie worden geleverd, en om te proberen om zorgen over vermeende ongelijke behandeling van Amerikaanse techbedrijven weg te nemen.
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Het kabinet zet zich binnen de EU actief in om de Commissie te ondersteunen in het daadkrachtig optreden in haar rol als toezichthouder voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Tevens heeft Nederland begin vorig jaar met tien andere lidstaten een brief gestuurd aan de Commissie waarin wordt gevraagd volledig gebruik te maken van de handhavingscapaciteiten van de Digital Services Act (DSA). Er is ook gesproken met Eurocommissaris Virkkunen, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de DSA en de Digital Markets Act (DMA). Tijdens dit gesprek is, in lijn met de motie Kathmann, aandacht gevraagd voor het belang van naleving van, en handhaving op de zeer grote onlineplatforms en de zeer grote onlinezoekmachines, ongeacht waar ze vandaan komen. Inmiddels heeft de Commissie ook daadwerkelijk handhavingsbesluiten genomen wegens overtredingen van de DMA respectievelijk de DSA. Op nationaal niveau geldt dat dat de bevoegde toezichthouders, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), hun taken onafhankelijk uitvoeren. Wel blijft het kabinet in gesprek met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders, volgt het kabinet hun werkzaamheden, en biedt het kabinet waar mogelijk en nodig ondersteuning.
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
De EU gaat over haar eigen wet- en regelgeving. In het kader van de simplificatie-agenda werkt de EU aan het verminderen van onnodige regelgeving. Dit doet het kabinet waar mogelijk en nodig om de Europese concurrentiepositie te versterken, niet om concessies te doen aan derde landen. De Kamer is middels een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet ten aanzien van de digitale omnibus.4
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 7. Daarbij vindt het kabinet dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet moet gebeuren. Aanpassing van regelgeving is gerechtvaardigd wanneer regelgeving ook bedrijven onnodig of disproportioneel in de weg kan zitten, wat zeer noodzakelijke investeringen in de EU en daarmee samenhangende economische groei kan belemmeren.
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Een officiële gezamenlijke Europese reactie op de aankondiging op X om tegenmaatregelen te nemen gericht op Europese techbedrijven is (vooralsnog) niet voorzien. Wel heeft de Europese Commissie op 24 december 2025 een publiek statement gepubliceerd, waarin zij de visa-restricties afkeurt die de VS heeft opgelegd aan een vijftal Europeanen vanwege beschuldigingen van censuur, waaronder voormalig Eurocommissaris Thierry Breton.5 Ook dit kabinet en andere individuele Europese leiders, hebben hun zorgen uitgesproken en de actie veroordeeld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Ja.
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Ja.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Ja.
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind dat de medewerkers van het OM in hun werk al te lang worden gehinderd door slecht functionerende ICT en betreur dit zeer.
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Ja, ik deel de mening dat er voor de medewerkers in ieder geval niet genoeg zichtbare verbetering heeft plaatsgevonden. De ICT-inbreuk in juli 20258 heeft de problemen – in ieder geval tijdelijk – nog eens vergroot. De snel gegroeide ontevredenheid is daarmee goed verklaarbaar en terecht.
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de ICT-problemen bij mij bekend zijn, vind ik het erg vervelend en betreur ik dat zo veel medewerkers hier zo veel hinder van ondervinden.
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
De implementatie van het nieuwe wetboek vraagt inderdaad aanpassingen van de ICT. De ICT-opgave van het OM is in relatie tot het nieuwe wetboek groot. Op dit moment wordt door alle ketenorganisaties uitgegaan van inwerkingtreding van het nieuwe wetboek op 1 april 2029. Ook de planning van het OM is daarop gericht. Het OM kan op dit moment voor de ICT echter geen garanties geven ten aanzien van de haalbaarheid van deze planning. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Verwacht wordt dat de eventuele effecten daarvan, waaronder die met betrekking tot de implementatie van het nieuwe wetboek, in het voorjaar van 2026 bekend zijn.
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
De dagelijkse ICT-problemen hinderen het werk en leiden daarmee tot een hogere werkdruk. Dit zou, hoewel dit niet in kwantitatief opzicht inzichtelijk is te maken, een negatief effect kunnen hebben op de prestaties van het OM. De ICT-inbreuk heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe voorraden en zal daarmee waarschijnlijk een tijdelijk negatief effect hebben op de doorlooptijden. De mate waarin de kwantitatieve ketendoelstellingen hierdoor worden beïnvloed is nog niet bekend. Het College van procureurs-generaal herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, het Comité, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek.
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Op dit moment hebben de OM-medewerkers in alle (primaire) processen geregeld te maken met ICT-verstoringen. Er zijn inmiddels verschillende concrete maatregelen genomen die moeten helpen de werkdruk bij het OM te verlichten en het werkplezier te vergroten. Het College is hierover in gesprek met de Ondernemingsraad en met de leiding van de OM-onderdelen. Er is uitgebreidere monitoring ingericht om de prestaties van de systemen nauwlettend in de gaten te houden. Verdere vernieuwing en verzwaring van de onderliggende infrastructuur is gepland. Vanuit het College en de ICT-organisatie zijn bezoeken gebracht aan alle OM-onderdelen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de directe en urgente ICT-problematiek en de specifieke behoeften van de collega’s op de OM-onderdelen. Op basis daarvan zijn diverse verbeteracties doorgevoerd die de werkprocessen ten goede komen.
Tegelijkertijd blijven zich in de bestaande, verouderde ICT-omgeving van het OM met enige regelmaat nieuwe ICT-incidenten aandienen. Daarom zet het OM naast genoemde kortetermijnmaatregelen ook heel stevig in op structurele oplossingen die weliswaar veel minder snel zijn te realiseren, maar voor het functioneren van de informatievoorziening (IV) en de werkprocessen bij het OM uiteindelijk van fundamenteel belang zijn. Daartoe is een meerjarenplanning in voorbereiding, die als basis zal dienen voor de onderbouwing van de meerjarige financieringsbehoefte van het OM vanwege de noodzakelijke investeringen in de ICT.
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De NVvR heeft haar brief aan het College van procureurs-generaal gericht en hierop heeft het College gereageerd. Het College en de NVVR zijn regelmatig met elkaar in gesprek en het is ook in de eerste plaats aan het College om dat gesprek te voeren.
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
De mate waarin vertraging optreedt in zaken wordt gemeten in doorlooptijden. De ontwikkeling van de doorlooptijden wordt duidelijk bij de publicatie van de cijfers over 2025. Er kan geen causaal verband worden gelegd tussen de doorlooptijd van zaken en de algemene ICT-problematiek. Wel zal de impact van de ICT-verstoring die deze zomer plaatsvond en de nasleep daarvan waarschijnlijk zichtbaar worden in deze cijfers. Als gevolg van de ICT-verstoring en het offline gaan van de OM-systemen, konden nieuwe zaken in de periode van 17 juli tot eind augustus niet vanuit de opsporingsdiensten naar het OM worden overgedragen. Dit had vooral impact op de eenvoudige zaken. Tijdens de ICT-verstoring zijn zwaardere onderzoeks- en ondermijningsmisdrijven handmatig verwerkt en zijn vertragingen in de behandeling van deze zwaardere misdrijven beperkt gebleven.
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
Zoals hiervoor aangegeven hebben alle medewerkers te maken gehad met de ICT-problematiek. De ICT-inbreuk heeft effect gehad op de voorraden en doorlooptijden. Uit het landelijk zaakvolgsysteem blijkt dat de omvang van de voorraden («voorraadbak intake OM») vanaf de datum van de ICT-inbreuk sterk is toegenomen. Deze voorraden zijn in het vierde kwartaal van 2025 aangepakt; het OM verwacht dat deze extra voorraad in het eerste kwartaal van 2026 is weggewerkt.
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Om de ICT structureel te verbeteren, zijn de komende jaren investeringen nodig. Daarnaast nemen de instroom en productie af, lopen tijdelijk beschikbaar gestelde middelen af en nemen structurele kosten van het OM toe. Kortom: het OM staat voor de opgave om de financiële positie structureel te versterken.
Alle OM-onderdelen moeten dus in hun begroting voor 2026 rekening houden met minder geld. Hen is door het College daarom gevraagd aan te geven welke maatregelen nodig zijn en welke consequenties dit heeft. Voor 2026 ligt de nadruk op bewuster, slimmer en efficiënt omgaan met middelen, zowel financieel als in de verdeling van het werk. Samen met de OM-onderdelen is gezocht naar effectieve aanpak om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Het is aan de leiding van de OM-onderdelen om binnen die financiële kaders voor 2026 verstandige keuzes te maken: wat wel kan worden gedaan en wat niet. Intussen blijf het College in goed in contact met de OM-onderdelen en wordt het welzijn van de OM-medewerkers goed in de gaten gehouden.
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Het College heeft geoordeeld dat het noodzakelijk en verantwoord is om de taakstelling op te leggen. Het College heeft samen met de leiding van de OM-onderdelen gezocht naar manieren om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Hiermee maakt het OM financiële middelen vrij om zelf bij te dragen aan de noodzakelijke investeringen in het versterken van de ICT. Beter functionerende IV zal op langere termijn onder andere een positief effect hebben op de werkdruk. Het College blijft in goed contact staan met de OM-onderdelen. Waar de OM-onderdelen vastlopen, zal het College bezien of er financiële ruimte kan worden vrijgemaakt gedurende het jaar. Voor wat betreft de ICT-problematiek maakt het College inzichtelijk welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Hierover ga ik het gesprek aan met het OM. Ik kan nog niet vooruitlopen op mogelijke oplossingsrichtingen.
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Zoals hiervoor aangegeven heeft de offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM geleid tot vertragingen en werken het OM en partners in en rondom de strafrechtketen hard om deze in te lopen. Er is momenteel sprake van een verhoogde werkvoorraad, waardoor het uitsturen van het wensen- en het schadevergoedingsformulier aan slachtoffers langer op zich laat wachten. Er zijn op dit moment echter geen signalen bij het OM bekend dat de slachtofferrechten in het geding komen. Zo wel dan zal het OM hier voortvarend mee aan de slag gaan.
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen; er zijn door de ICT-inbreuk onder meer voorraden ontstaan die deels nog moeten worden weggewerkt.
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Ik bespreek de ICT-problematiek zeer regelmatig met onder meer het College van procureurs-generaal en ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen. Ik laat mij niet uit over eventuele in de toekomst door mij te nemen maatregelen.
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Het is in de eerste plaats aan het College van procureurs-generaal om de problemen met de ICT op te lossen. Uiteraard word ik van de voortgang op de hoogte gebracht en wordt er vanuit mijn departement meegedacht en ondersteuning geleverd. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en laat mij niet uit over eventuele in de toekomst te nemen maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
De acute situatie rond Selibon |
|
Don Ceder (CU) |
|
Thierry Aartsen (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Wat heeft het Rijk ondernomen naar aanleiding van de recente gebeurtenissen op Bonaire?1
Hoe is de brand ontstaan?
Welke acties heeft het kabinet ondernomen naar aanleiding van de aangenomen motie Ceder c.s. over het structureel oplossen van de problematiek rondom Selibon (Kamerstuk 22 343, nr. 422) waarin werd verzocht om het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de noodzakelijke coördinerende rol te laten nemen in het oplossen van de problemen? Voert het ministerie inmiddels de regie? Zo nee, waarom niet? Heeft u vertrouwen in de aansturing van lokale overheid?
Wat is er in de tussentijd geprobeerd om de problemen structureel op te lossen en de ramp die er nu plaatsvindt te voorkomen?
Wat doet het ministerie nu om de acute situatie op te lossen en de lokale autoriteiten te helpen?
Is er, als gevolg van de recente branden, sprake van gezondheidsrisico’s voor bewoners?
Bent u in gesprek met de stichting Pro Lagun? Bent u bereid structureel in gesprek te gaan en te blijven over de ontwikkelingen?
Past de huidige manier van afvalstorten binnen de geldende veiligheidsvoorschriften? Zo nee, kan het kabinet zo specifiek mogelijk zijn op welke onderdelen in strijd met geldende wet- en regelgeving wordt gehandeld?
Hoe staat het kabinet tegenover afvalscheiding aan de bron waarbij groente-, fruit- en tuinafval en bouwpuin apart worden verwerkt, waardoor een deel lokaal kan worden hergebruikt en minder afval hoeft te worden afgevoerd?
Wat vindt het kabinet van de uitspraak van Pro Lagun dat doorgaan met storten op termijn alleen maar leidt tot hogere kosten door branden, gezondheidsrisico’s en milieuschade?
Acht het kabinet het plan van het college om over 2 jaar over te gaan naar een nieuw systeem een verantwoord plan en kan het kabinet instaan voor de veiligheid en gezondheid van omwonenden? Zo ja, bent u bereid om hier extern onderzoek naar te laten doen?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over een extern en onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren (Kamerstuk 22 343, nr. 423) naar het ontstaan en verloop van de situatie rondom Selibon?
Kunt u toelichten hoe de motie Ceder/Van der Burg over voor 1 juli 2026 een gedragen (financieel) plan voor een structurele oplossing van Selibon Lagun (Kamerstuk 36 800 IV, nr. 38) wordt uitgevoerd?
Is het kabinet bereid om deze vragen, gezien de acute situatie, zo snel mogelijk maar uiterlijk voor 23 januari 2026 beantwoorden?
Een verbod op de AI-chatbot van X |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «X komt met nieuwe beperkingen voor gebruik Grok, maar mensen uitkleden blijft simpel»1, «Politie en instanties slaan alarm om AI-app Grok: BN’ers digitaal uitgekleed, verbod in Nederland op tafel»2 en «Topoverleg tussen OM en Minister over uitkleed-app Grok, topman Musk komt beloftes niet na met nieuwe update»3?
Is het bij u bekend dat de AI-chatbot Grok van xAI wordt gebruikt om seksuele deepfakes te maken op X? Wat is daarop uw reactie?
Welke conclusies trekt u op basis van de berichtgeving? Vindt u dat X en xAI verantwoord handelen? Zo niet, welke maatregelen kunt u zowel nationaal als Europees nemen om misbruik van xAI tegen te gaan?
Wat heeft u met het Openbaar Ministerie besproken in het overleg van 15 januari 2026, waarover het AD bericht heeft? Kunt u de uitkomsten met de Kamer delen?
Zijn uitkleedapps en -tools verboden in Nederland? Hoe wordt hierop gehandhaafd, en welke gevolgen heeft het voor X dat het platform het genereren van seksuele deepfakes standaard aanbiedt via Grok?
Welke mogelijkheden bent u aan het verkennen om op te treden tegen uitkleedapps en -tools? Hoe bent u dit aan het onderzoeken en op welke termijn gaat u de uitkomsten met de Kamer delen?4 Hoe snel zou u aanvullende maatregelen kunnen nemen?
Vindt u de maatregelen die X heeft aangekondigd voldoende, namelijk een geoblokkade voor de AI-functie om seksuele deepfakes te genereren in landen die daar wetten tegen hebben? Wat betekent dit voor Nederlandse slachtoffers?
Deelt u de zorgen van de indiener dat deze geoblokkade gemakkelijk te omzeilen is en geen recht doet aan het leed van slachtoffers die ongewenst seksueel zijn afgebeeld?
Onder welke voorwaarden vindt u het acceptabel dat Grok beschikbaar blijft op X? Bent u, ook na de technische aanpassingen van de chatbot, van mening dat deze niet langer beschikbaar moet zijn?
Bent u bereid om, net als in België en het Verenigd Koninkrijk, over te gaan tot het blokkeren van de AI-chatbot Grok? Welke andere ingrijpen heeft u tot uw beschikking?
Steunt u de oproep van de Europese Commissie dat alle interne documenten en data gerelateerd aan de chatbot Grok moet worden vrijgegeven in het lopende onderzoek naar de contentmoderatie van X?5
Kunt u de relevante toezichthouders, in dit geval de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens, vragen om hun reactie? Hebben zij voldoende mogelijkheden om toezicht te houden en te handhaven?
Hoeveel klachten en meldingen zijn er gedaan door slachtoffers van seksuele deepfakes door Grok? Hoe wordt hier opvolging aan gegeven? Gebeurt dit altijd tijdig?
Hoe is uw contact met X? Heeft u de zorgen over deepfakes al met X besproken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? Zo niet, kunt u dit zo spoedig mogelijk alsnog doen?
Voldoen X en xAI naar uw weten aan de ethische- en transparantieverplichtingen van Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke gevolgen heeft het als dit niet het geval is?
Behoren het verbieden van X of het vertrekken van overheidsorganisaties van de dienst tot de mogelijkheden als X stelselmatig de nationale en Europese wet- en regelgeving blijft overtreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
Het bericht 'Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden»?1
Bent u op de hoogte van het incident waarbij AI-chatbot Grok door gebruikers werd aangespoord om seksuele deepfakes van minderjarige meisjes te genereren, en dat deze beelden tot wel 12 uur online hebben gestaan voordat ze werden verwijderd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident in het licht van de Digital Services Act (DSA) verplichtingen ten aanzien van bescherming van minderjarigen?
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Raad en richting de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat DSA-verplichtingen met betrekking tot bescherming van minderjarigen en voorkomen van AI-malafide content effectief worden nageleefd door grote platforms?
Bent u op de hoogte van de lopende onderzoeken van meerdere landen (o.a. Frankrijk, Zweden, Australië) tegen X over de stroom aan deepfakes en seksueel expliciete AI-beelden? Zo ja, wat is de Nederlandse positie en rol hierin?
Onder DSA zijn grote platformen verplicht om duidelijke, gebruiksvriendelijke mechanismen voor het rapporteren van illegale content te hebben en deze snel te behandelen, hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige mechanismen van X, mede gezien het feit dat sommige beelden pas na journalistieke publiciteit werden verwijderd?
Hoeveel meldingen van AI-gegenereerde illegale content, waaronder deepfakes en beelden met minderjarigen, zijn via het DSA-transparantiesysteem aan de Europese Commissie en nationale autoriteiten gerapporteerd, en wat is daarvan de uitkomst?
Kunt u duidelijkheid geven over hoe momenteel toezicht en handhaving is ingericht op het gebied van deepfake incidenten in Nederland? En is dit alleen meldings-gedreven of ook door middel van actieve detectie?
Hoe verhoudt de handhaving van de AVG zich tot de handhaving van de DSA in dit soort gevallen, en ziet u mogelijkheden om deze instrumenten gezamenlijk effectiever in te zetten?
Vindt u dat «nudify»-apps en dergelijke functies van AI-chatbots überhaupt bestaansrecht hebben? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Bent u bereid om aan te dringen op effectieve handhaving tegen X in de kwestie van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen en zo ja, welke nationale en Europese maatregelen kunnen er genomen worden of welke sancties kunnen er worden opgelegd?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
De vele boetes voor het niet op tijd betalen van de e-tol op de A24 |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Regels voor nieuwe e-tol niet voor iedereen duidelijk: 200.000 boetes» (NOS, 19 oktober 2025)1 en «Betaalherinnering voor e-tolweg A24 kost je vanaf nu geld» (NU.nl, 7 december 2025)2?
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichten? Ontvangt u ook signalen over de digitale toegankelijkheid van de e-tolweg, en zo ja, wat is daarvan de strekking?
De tolheffing op de A24 is voor het merendeel van de gebruikers duidelijk; echter nog niet voor iedereen. Dat is ook in lijn met de verwachtingen vooraf: een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. De inzet is erop gericht dat steeds meer gebruikers de tol tijdig betalen, zodat het aantal betalingsherinneringen en boetes afneemt. Hierin is ook een duidelijke positieve trend waarneembaar. In de eerste helft van 2025 werd ca. 80% van de tolritten op tijd betaald. Begin december was dit gestegen tot ca. 90%. Dit resulteert in een daling van het aantal verstuurde betalingsherinneringen en boetes. Naar verwachting zet deze dalende trend de komende maanden verder door.
Er zijn signalen bekend over de digitale toegankelijkheid van het systeem. Zo heeft de Nationale ombudsman aangegeven dat het tolsysteem onnodige lasten legt bij burgers, en mensen uitsluit die niet digitaal vaardig zijn. Bij het klantcontactcentrum van e-TOL betreft het merendeel van de vragen algemene vragen over tolheffing, de wijze van betalen of vragen naar aanleiding van betalingsherinneringen of boetes. Er zijn slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid. Dit betrof personen die niet in staat waren om digitaal te betalen. In dergelijke gevallen wordt ondersteuning geboden om aan de verplichtingen te voldoen.
Het feit dat digitale toegankelijkheid in het klantcontact niet specifiek naar voren komt neemt niet weg dat het systeem ingewikkeld kan zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Bent u het met de indieners eens dat meer dan 200.000 uitgedeelde boetes wijst op een structurele tekortkoming in de voorlichting over de e-tolheffing?
Nee, deze stelling wordt niet gedeeld. De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Dit is ook gebleken bij vergelijkbare elektronische tolwegen in het buitenland. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Klopt het dat één op de vijf automobilisten die via de e-tolweg reizen de tol niet op tijd betalen? Is deze verhouding in lijn met wat u vooraf had verwacht?
Ten tijde van de berichtgeving van de NOS (19 oktober jl.) werd inderdaad ca. één op de vijf tolritten niet tijdig betaald. Ca. 80% van de tolritten werd daarmee wel tijdig betaald. Dat is in lijn met de inschattingen die voor het jaar 2025 in de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 20263 zijn opgenomen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 werd begin december al 90% van de tolritten tijdig betaald en is het de verwachting dat dit percentage verder toeneemt. Hiermee neemt het aantal betalingsherinneringen en boetes af.
Is in de geplande periode van 25 jaar waarin tol zal worden geheven rekening gehouden met deze hoge inkomsten uit boetes en aanmaningen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor de duur van die periode?
In de ramingen in de begroting is rekening gehouden met inkomsten uit betalingsherinneringen en boetes. Dit omdat in artikel 11 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet TTH) is vastgelegd dat de netto-opbrengsten uit tolheffing, betalingsherinneringen en boetes volledig ten goede komen aan de aflossing van de tolopgave. Met de tolheffing op de A24 wordt een financieringsbehoefte gedekt van € 405 miljoen (bedrag in contante waarde en in prijspeil 2025). De tolheffing wordt beëindigd als deze tolopgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan.
De duur van de tolheffing hangt af van het aantal gebruikers van de A24, het betaalgedrag van deze gebruikers en de uitvoeringskosten van tolheffing. Deze factoren zijn momenteel nog sterk in ontwikkeling, waardoor de precieze duur van de tolheffing nu nog onduidelijk is. De ramingen in de begroting over betalingsherinneringen en boetes betreffen slechts indicatieve inschattingen. Er wordt niet gestuurd op het realiseren van de geraamde inkomsten: er wordt gestuurd op naleving van de tolplicht.
Kunt u verklaren waarom maar liefst één op de vijf automobilisten de e-tol niet (kunnen) betalen? In hoeverre is dit een gevolg van problemen met de digitale toegankelijkheid?
Er zijn verschillende redenen waarom gebruikers de tol niet tijdig betalen. Zo zijn er gebruikers die de verkeersborden over het hoofd zien, het systeem (nog) niet helemaal begrijpen of simpelweg vergeten te betalen. Ook zijn er gebruikers die de herinneringsbrief (ten onrechte) als een factuur hebben beschouwd. Er zijn geen indicaties dat specifiek de digitale toegankelijkheid een verklaring is voor het feit dat de tolheffing niet tijdig wordt betaald. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft u inzicht in de achtergrond van de mensen die beboet worden? Zo ja, raakt dit disproportioneel doelgroepen in een kwetsbare sociaaleconomische positie?
Bij de handhaving van de tolheffing worden geen gegevens verwerkt over de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen. Conform de Wet TTH worden alleen gegevens verwerkt die nodig zijn om een betalingsherinnering of boete te kunnen versturen. Het gaat dan onder meer om de naam, het adres en de woonplaats van de houder van het voertuig waarvoor niet tijdig tol is betaald.
Wel komt de achtergrond of sociaaleconomische positie van personen soms aan de orde in het klantcontact dat plaatsvindt. Het komt voor dat iemand meerdere boetes van soms verschillende overheidsorganisaties heeft ontvangen en deze niet allemaal (tegelijkertijd) kan betalen. Waar mogelijk wordt in dit soort gevallen maatwerk toegepast. De tolheffing is om deze reden aangesloten op de Betalingsregeling Rijk4, waarmee het CJIB als Rijksincasso-organisatie namens de aangesloten overheidsorganisaties tot een betalingsregeling kan komen die rekening houdt met de afloscapaciteit van de betrokkene.
Heeft u zicht op het aantal automobilisten dat herhaaldelijk de boete niet heeft (kunnen) betalen? Kunt u een beeld schetsen van hoeveel automobilisten door het niet (kunnen) betalen van de boetes een aanzienlijk bedrag verschuldigd is?
Er is recent een analyse uitgevoerd naar gebruikers die meerdere boetes hebben ontvangen en hun betaalgedrag. Hieruit blijkt dat er na één jaar tolheffing 3.466 personen of bedrijven zijn die 10 of meer tolboetes hebben ontvangen. In 1.730 van deze gevallen is nog geen enkele boete betaald. Conform het beleid dat handhaving op maatschappelijk verantwoorde wijze plaatsvindt, wordt getracht in contact te komen met gebruikers met meerdere openstaande herinneringen of boetes. Doel hiervan is ondersteuning bieden bij het betalen en voorkomen dat personen in de problemen komen. De handhaving kan daarbij tijdelijk worden gepauzeerd. Ook wordt in bepaalde gevallen coulant opgetreden.
Erkent u dat, door de tolheffing uitsluitend digitaal te doen, er een verhoogd risico is dat de ongeveer 2,5 miljoen mensen3 die moeite hebben met digitale dienstverlening disproportioneel beboet worden?
Nee, dit wordt niet erkend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan het systeem ingewikkeld zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten), goede ondersteuning en coulance bij de handhaving. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat mensen die minder digitaal vaardig zijn nadeel ondervinden of disproportioneel worden beboet. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Welke maatregelen heeft u genomen om automobilisten in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden in staat te stellen om tijdig en gemakkelijk de tol te betalen?
De tol kan op twee manieren worden betaald: door aan te melden voor automatisch betalen of door per rit te betalen op e-tol.nl. Gebruikers hebben een vrije keuze hoe ze willen betalen, maar geadviseerd wordt om automatisch te betalen. Daarmee worden immers herinneringen en boetes voorkomen. Het aanmelden voor automatisch betalen is zo makkelijk mogelijk gemaakt en wordt ook in de communicatie benadrukt.
Gebruikers die vragen hebben over de tolheffing of ondersteuning nodig hebben bij het verrichten van betalingen of het aanmelden voor automatisch betalen, kunnen terecht bij het klantcontactcentrum. Dat geldt uiteraard ook voor personen in een kwetsbare sociaaleconomische positie of met weinig digitale vaardigheden. Ook met ondersteuning van het klantcontactcentrum is het verrichten van betaalhandelingen niet voor iedereen mogelijk. In het klantcontact wordt in dergelijke gevallen aangeraden om hulp te vragen aan familie, vrienden of buren. Ook kunnen mensen terecht bij een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). IDO’s zijn vaak gevestigd in bibliotheken en bieden hulp en ondersteuning bij digitale overheidsdiensten. Alle IDO’s hebben van RDW informatie ontvangen over de tolheffing. Medewerkers van IDO’s in de omgeving van de A24 hebben daarnaast een aanvullende training gekregen.
Waarom heeft u besloten om ook de betalingsherinnering geld te laten kosten als een automobilist niet binnen 72 uur digitaal tol betaalt? Is dit niet een impliciete vorm van dwang om mensen te bewegen tot automatische betalingen?
Reeds bij de parlementaire behandeling van de Wet TTH in 2015 was bekend dat alleen in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening zou worden gebracht. Dit om gebruikers te laten wennen aan het tolsysteem. Op 7 december jl. is het eerste jaar tolheffing geëindigd en is gestart met het in rekening brengen van de vergoeding van € 9 bij een betalingsherinnering. Dit bedrag is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt met het versturen van een betalingsherinnering en de verdere afhandeling daarvan. Het is niet bedoeld als (impliciet) dwangmiddel om mensen te bewegen tot automatische betalingen. Wel wordt verwacht dat deze maatregel als bijeffect heeft dat het aantal tijdige betalingen toeneemt. Dit mede omdat sommige weggebruikers de herinneringsbrief tot aan 7 december jl. (ten onrechte) als een factuur beschouwden.
Op welke manier zijn ervaringsdeskundigen, laaggeletterden en kennisorganisaties voor digitale toegankelijkheid betrokken bij het inrichten van de e-tolheffing? Voldoet dit volledig aan de eisen voor digitale toegankelijkheid?
Bij het ontwerpen van het tolsysteem is aandacht geweest voor digitale toegankelijkheid. Zo zijn bijvoorbeeld zogeheten klantreizen opgesteld, waarbij potentiële gebruikers met verschillende achtergronden en kenmerken de processtappen van het tolheffingsproces hebben doorlopen (van het zien van een verkeersbord over tolheffing tot het ontvangen van een boete en de processtappen daartussenin). Deze klantreizen hebben waardevolle inzichten opgeleverd die zijn meegenomen om het systeem gebruiksvriendelijk te maken.
Ook bij de communicatie over tolheffing (in bijvoorbeeld brieven, de website e-tol.nl en campagnemateriaal) is aandacht voor toegankelijkheid. Bijvoorbeeld door het gebruik van begrijpelijke taal op taalniveau B1. Daarnaast geldt dat overheidswebsites (zoals de website e-tol.nl) moeten voldoen aan de toegankelijkheidseisen zoals beschreven in de Wet digitale overheid (Wdo). De website heeft status B6 en voldoet daarmee aan de wettelijke eisen. Het streven is de website verder te verbeteren naar status A.
Welke mogelijkheden hebben mensen die de tol niet digitaal kunnen of willen betalen om alsnog hun betaling te doen? Zijn deze mogelijkheden voldoende helder en toegankelijk?
De betaling van de tol is alleen digitaal mogelijk, door te betalen via de website e-tol.nl (met iDEAL of creditcard) of door aan te melden voor automatisch betalen. Bij automatisch betalen zijn er, afhankelijk van de gekozen aanbieder, opties om te betalen per factuur, creditcard, automatische incasso of door een saldo op het account te storten (prepaid). Informatie over betaalmogelijkheden is beschikbaar op de website e-tol.nl en kan ook worden opgevraagd bij het klantcontactcentrum.
Welke kosten-batenanalyse ligt ten grondslag aan de keuze voor e-tolheffing? Welke alternatieven zijn onderzocht, zoals een ouderwets tolhuisje?
In de memorie van toelichting bij de Wet TTH7 is uitgebreid ingegaan op de afweging om bij de A24/Blankenburgverbinding en de toekomstige ViA15 te kiezen voor een free flow-tolsysteem en niet voor een «klassiek» systeem met een tolplein met slagbomen. Aspecten die een rol hebben gespeeld in de afweging zijn gebruikersgemak, doorstroming, verkeersveiligheid, betaalmogelijkheden en handhaving. Bij de A24 bleek een tolplein met slagbomen fysiek onmogelijk inpasbaar in het wegontwerp en zou het daarnaast leiden tot filevorming en reistijdverlies. Dit terwijl de A24 bedoeld is om de doorstroming in de regio Rijnmond te verbeteren.
Bent u het met de indieners eens dat, gezien de nieuwigheid van de e-tol en het risico dat vooral mensen met weinig digitale vaardigheden worden beboet, terughoudendheid en ruimhartigheid moet worden betracht bij de tolheffing?
Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 en 10 is daarom ingezet op goede communicatie over de tolheffing, goede ondersteuning aan gebruikers en op coulance bij de handhaving. Ook zijn in het eerste jaar van de tolheffing gratis betalingsherinneringen gestuurd aan gebruikers die de tol niet tijdig hebben betaald.
Bent u bereid om, vanwege de zorgen rondom de digitale toegankelijkheid van de e-tolheffing, de periode waarin geen administratiekosten worden gerekend te verlengen?
Nee, dit is niet wenselijk. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 zijn er bij het klantcontactcentrum slechts enkele meldingen binnengekomen die specifiek betrekking hebben op de digitale toegankelijkheid van het systeem. Conform de Wet TTH is in het eerste jaar van de tolheffing geen vergoeding voor de betalingsherinnering in rekening gebracht en wordt dat sinds 7 december jl. wel gedaan. Die vergoeding is nodig omdat voor het versturen en afhandelen van betalingsherinneringen substantiële uitvoeringskosten worden gemaakt. Daarnaast is een gratis betalingsherinnering niet rechtvaardig ten opzichte van gebruikers die wel op tijd tol betalen, omdat zij indirect meebetalen aan de kosten hiervan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , Tieman |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Europese digitale wetgeving geldt voor alle bedrijven die actief zijn in de EU, ongeacht hun vestigingsplaats. Van ongelijke behandeling van Amerikaanse bedrijven is dus geen sprake. Mogelijke tegenmaatregelen vanwege vermeende ongelijke behandeling, inclusief mogelijke maatregelen gericht op Europese techbedrijven, ziet dit kabinet als onterecht.
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Voor zover bekend is de aankondiging om tegenmaatregelen te nemen tegen Europese techbedrijven, naast het bericht van de United States Trade Representative (USTR) op X, niet formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten.
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
In zijn algemeenheid heeft het kabinet geregeld contact met Nederlandse en Europese bedrijven. Onze boodschap is dat het kabinet blijft staan achter de Europese digitale regels die zorgen voor een veilige, eerlijke en gelijkwaardige concurrentie tussen bedrijven en de handhaving daarvan. De EU stelt zelf de regels op voor diensten die in de Unie worden aangeboden en handhaaft deze regels ook. Eventuele tegenacties tegen Nederlandse en Europese bedrijven zal het kabinet volgen en uiteraard zal het kabinet daarbij in gezamenlijkheid met de Europese Commissie en lidstaten opkomen voor hun belangen.
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
De positie van de VS ten aanzien van Europese digitale wet- en regelgeving is bij ons bekend. Het is daarom van belang om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse techbedrijven over het belang (van naleving) van digitale wet- en regelgeving voor zover het de diensten betreft die in Unie worden geleverd, en om te proberen om zorgen over vermeende ongelijke behandeling van Amerikaanse techbedrijven weg te nemen.
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Het kabinet zet zich binnen de EU actief in om de Commissie te ondersteunen in het daadkrachtig optreden in haar rol als toezichthouder voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Tevens heeft Nederland begin vorig jaar met tien andere lidstaten een brief gestuurd aan de Commissie waarin wordt gevraagd volledig gebruik te maken van de handhavingscapaciteiten van de Digital Services Act (DSA). Er is ook gesproken met Eurocommissaris Virkkunen, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de DSA en de Digital Markets Act (DMA). Tijdens dit gesprek is, in lijn met de motie Kathmann, aandacht gevraagd voor het belang van naleving van, en handhaving op de zeer grote onlineplatforms en de zeer grote onlinezoekmachines, ongeacht waar ze vandaan komen. Inmiddels heeft de Commissie ook daadwerkelijk handhavingsbesluiten genomen wegens overtredingen van de DMA respectievelijk de DSA. Op nationaal niveau geldt dat dat de bevoegde toezichthouders, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), hun taken onafhankelijk uitvoeren. Wel blijft het kabinet in gesprek met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders, volgt het kabinet hun werkzaamheden, en biedt het kabinet waar mogelijk en nodig ondersteuning.
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
De EU gaat over haar eigen wet- en regelgeving. In het kader van de simplificatie-agenda werkt de EU aan het verminderen van onnodige regelgeving. Dit doet het kabinet waar mogelijk en nodig om de Europese concurrentiepositie te versterken, niet om concessies te doen aan derde landen. De Kamer is middels een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet ten aanzien van de digitale omnibus.4
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 7. Daarbij vindt het kabinet dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet moet gebeuren. Aanpassing van regelgeving is gerechtvaardigd wanneer regelgeving ook bedrijven onnodig of disproportioneel in de weg kan zitten, wat zeer noodzakelijke investeringen in de EU en daarmee samenhangende economische groei kan belemmeren.
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Een officiële gezamenlijke Europese reactie op de aankondiging op X om tegenmaatregelen te nemen gericht op Europese techbedrijven is (vooralsnog) niet voorzien. Wel heeft de Europese Commissie op 24 december 2025 een publiek statement gepubliceerd, waarin zij de visa-restricties afkeurt die de VS heeft opgelegd aan een vijftal Europeanen vanwege beschuldigingen van censuur, waaronder voormalig Eurocommissaris Thierry Breton.5 Ook dit kabinet en andere individuele Europese leiders, hebben hun zorgen uitgesproken en de actie veroordeeld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De overstap van de Belastingdienst naar Microsoft |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Heijnen , van Marum |
|
|
|
|
Bent u nog steeds van mening dat de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft1 slechts is voorzien van «een zeer magere onderbouwing»?2
Staat u nog steeds achter uw stelling dat de Belastingdienst niet heeft onderbouwd dat er geen Europese alternatieven voor Microsoft zouden zijn?
Voldoet de onderbouwing voor de overstap van de Belastingdienst aan het geldende cloudbeleid?3 Kunt u hard maken dat tijdig aan alle eisen is voldaan?
Heeft de Belastingdienst, door zich in 2021 te committeren aan de overstap naar Microsoft, het onmogelijk gemaakt om alsnog af te wijken van dit besluit en tijdig een Europees alternatief te implementeren?
Deelt u de mening dat, gezien (geo)politieke ontwikkelingen en de duidelijke wens van de Kamer om de digitale autonomie van Nederland te bevorderen, de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft alsnog heroverwogen dient te worden?
Bent u op de hoogte van het rapport van de Cyber Safety Review Board uit 2024 over de beveiliging van Microsoft, waaruit blijkt dat het bedrijf de cyberveiligheid structureel niet op orde heeft?4, 5 Hoe beoordeelt u het argument dat Microsoft de beste beveiliging biedt in het licht van de conclusies uit dit rapport?
Bent u bereid om, in samenwerking met de Belastingdienst, duidelijk te maken welke aanvullende middelen, expertise of capaciteit nodig zijn om alsnog af te zien van de overstap naar Microsoft en zo snel mogelijk een Europees alternatief te realiseren?
Welke «workarounds» worden nu gebruikt door ambtenaren in hun digitale werkomgeving? Bent u bereid om te onderzoeken of deze belemmeringen weg te nemen zijn zonder de overstap naar Microsoft te maken?
Waarom zijn de CIO Rijk en de overige IT-dienstverleners van het Rijk «pas in een zeer laat stadium» betrokken in het proces van de Belastingdienst? Wanneer is dit gebeurd, en waarom pas op dat zeer late moment?6
Deelt u de mening dat de Belastingdienst in 2021, door uit te gaan van Microsoft 365 en Windows 11 als «gouden standaard,» geen gedegen verkenning heeft gedaan van Europese alternatieven?
Deelt u de mening dat de scenario’s van de Belastingdienst, zoals die in de (beslis)nota van 28 juni 2025 zijn beschreven,7 onvolledig zijn omdat ze in de basis uitgaan van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft?
Wanneer heeft de Belastingdienst precies besloten om deze scenario’s uit te werken? Welke specifieke «(geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen» gaven hier aanleiding toe?8
Acht u de keuze van de Belastingdienst om voor de werkomgeving over te stappen naar Microsoft inmiddels onafhankelijk en voldoende onderbouwd?
In het geval u de mening deelt van de indieners dat er geen degelijke onafhankelijke verkenning is uitgevoerd naar Europese alternatieven, kunt u er op toezien dat deze alsnog op korte termijn wordt uitgevoerd met als doel om een alternatieve Europese route voor de cloudmigratie van de Belastingdienst te schetsen?
Waarop baseert de Belastingdienst de aanname dat de onderzochte scenario’s «naar verwachting binnen het aangepaste cloudbeleid passen dat momenteel door BZK wordt herzien»?9 Kunt u duidelijk uitleggen waar dit uit blijkt, aangezien dit beleid nog niet is vastgesteld en er sindsdien ook Kamermoties10 zijn aangenomen om de eisen voor soevereiniteit verder aan te scherpen?
Kunt u per scenario, uitgewerkt door de Belastingdienst, een realistische schatting maken van de aanvullende kosten die hier bij gemoeid zouden zijn? Welk scenario acht u vanuit het soevereiniteitsbelang het meest geschikt?
Wat bedoelt u met uw antwoord dat «de Belastingdienst de ontwikkelingen van Europese en soevereine alternatieven [volgt]» en «[actief] kijkt naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen»? Zijn er afspraken gemaakt over wat dit concreet betekent en welke verwachtingen heeft u precies van de Belastingdienst?11, 12
Waarom «volgt» de Belastingdienst enkel de ontwikkeling van een soeverein alternatief als MijnBureau, in plaats van dat zij dit met overtuiging afneemt? Ziet u mogelijkheden voor een schaalbare pilot binnen de Belastingdienst om een soeverein alternatief voor Microsoft op de werkvloer uit te proberen?
Deelt u de mening dat meer departementen en uitvoerders MijnBureau moeten afnemen om het project levensvatbaar te maken en waardevolle inzichten op te doen voor soevereine werkplekken?
Welke aanvullende afspraken zijn met Microsoft gemaakt om de risico’s in het voorkeursscenario van de Belastingdienst «zo beheersbaar mogelijk» te maken?13 Beaamt de CIO Rijk dat de risico’s zo veel als mogelijk zijn beheerst?
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst, waarin fiscale informatie en informatie over «rulings» wordt gecommuniceerd, straks afhankelijk wordt van Microsoft?14
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst onder Amerikaanse surveillancewetgeving zoals de CLOUD Act, sectie 702 van de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333 komt te vallen? Hoe verhoudt dit zich tot de fiscale geheimhoudingsplicht?15
Deelt u de mening dat het rapport uit 2022 van GreenbergTraurig, waarin wordt gesteld dat het risico dat de VS gebruik maakt van de CLOUD Act klein is, achterhaald is door de geopolitieke ontwikkelingen nu ook de AIVD en de MIVD minder informatie met de Amerikanen delen?16
Beschikt Microsoft in het geval er «double key encryption» wordt toegepast over een sleutel naar deze data? Zo ja, hoe is het versleutelen van data dan een geschikte mitigerende maatregel?
Klopt het dat de exitstrategie, waarin binnen negen maanden data uit de Microsoft-cloudomgeving wordt gehaald, «met hulp van Microsoft» wordt uitgevoerd?17 Is de exitstrategie om wég te komen van Microsoft daardoor niet ook afhankelijk geworden van Microsoft?
Kunt u de garantie van Microsoft, dat zij zich tegen alle vormen van politieke druk vanuit de VS zullen verzetten, hard maken? Welke concrete afspraken zijn hierover gemaakt? Kunt u bijpassende documentatie met de Kamer delen?
Zijn er nog meer nota’s of notities met betrekking tot de overstap naar Microsoft die gebruikt zijn om de afweging te maken, maar nog niet gedeeld zijn met de Kamer? Kunt u deze alsnog openbaar maken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en toezeggen dat u, tot deze beantwoord zijn, zich ten volste in zal spannen om een Europees alternatief voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst alsnog mogelijk te maken?
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Ja.
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Ja.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Ja.
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind dat de medewerkers van het OM in hun werk al te lang worden gehinderd door slecht functionerende ICT en betreur dit zeer.
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Ja, ik deel de mening dat er voor de medewerkers in ieder geval niet genoeg zichtbare verbetering heeft plaatsgevonden. De ICT-inbreuk in juli 20258 heeft de problemen – in ieder geval tijdelijk – nog eens vergroot. De snel gegroeide ontevredenheid is daarmee goed verklaarbaar en terecht.
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de ICT-problemen bij mij bekend zijn, vind ik het erg vervelend en betreur ik dat zo veel medewerkers hier zo veel hinder van ondervinden.
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
De implementatie van het nieuwe wetboek vraagt inderdaad aanpassingen van de ICT. De ICT-opgave van het OM is in relatie tot het nieuwe wetboek groot. Op dit moment wordt door alle ketenorganisaties uitgegaan van inwerkingtreding van het nieuwe wetboek op 1 april 2029. Ook de planning van het OM is daarop gericht. Het OM kan op dit moment voor de ICT echter geen garanties geven ten aanzien van de haalbaarheid van deze planning. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Verwacht wordt dat de eventuele effecten daarvan, waaronder die met betrekking tot de implementatie van het nieuwe wetboek, in het voorjaar van 2026 bekend zijn.
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
De dagelijkse ICT-problemen hinderen het werk en leiden daarmee tot een hogere werkdruk. Dit zou, hoewel dit niet in kwantitatief opzicht inzichtelijk is te maken, een negatief effect kunnen hebben op de prestaties van het OM. De ICT-inbreuk heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe voorraden en zal daarmee waarschijnlijk een tijdelijk negatief effect hebben op de doorlooptijden. De mate waarin de kwantitatieve ketendoelstellingen hierdoor worden beïnvloed is nog niet bekend. Het College van procureurs-generaal herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, het Comité, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek.
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Op dit moment hebben de OM-medewerkers in alle (primaire) processen geregeld te maken met ICT-verstoringen. Er zijn inmiddels verschillende concrete maatregelen genomen die moeten helpen de werkdruk bij het OM te verlichten en het werkplezier te vergroten. Het College is hierover in gesprek met de Ondernemingsraad en met de leiding van de OM-onderdelen. Er is uitgebreidere monitoring ingericht om de prestaties van de systemen nauwlettend in de gaten te houden. Verdere vernieuwing en verzwaring van de onderliggende infrastructuur is gepland. Vanuit het College en de ICT-organisatie zijn bezoeken gebracht aan alle OM-onderdelen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de directe en urgente ICT-problematiek en de specifieke behoeften van de collega’s op de OM-onderdelen. Op basis daarvan zijn diverse verbeteracties doorgevoerd die de werkprocessen ten goede komen.
Tegelijkertijd blijven zich in de bestaande, verouderde ICT-omgeving van het OM met enige regelmaat nieuwe ICT-incidenten aandienen. Daarom zet het OM naast genoemde kortetermijnmaatregelen ook heel stevig in op structurele oplossingen die weliswaar veel minder snel zijn te realiseren, maar voor het functioneren van de informatievoorziening (IV) en de werkprocessen bij het OM uiteindelijk van fundamenteel belang zijn. Daartoe is een meerjarenplanning in voorbereiding, die als basis zal dienen voor de onderbouwing van de meerjarige financieringsbehoefte van het OM vanwege de noodzakelijke investeringen in de ICT.
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De NVvR heeft haar brief aan het College van procureurs-generaal gericht en hierop heeft het College gereageerd. Het College en de NVVR zijn regelmatig met elkaar in gesprek en het is ook in de eerste plaats aan het College om dat gesprek te voeren.
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
De mate waarin vertraging optreedt in zaken wordt gemeten in doorlooptijden. De ontwikkeling van de doorlooptijden wordt duidelijk bij de publicatie van de cijfers over 2025. Er kan geen causaal verband worden gelegd tussen de doorlooptijd van zaken en de algemene ICT-problematiek. Wel zal de impact van de ICT-verstoring die deze zomer plaatsvond en de nasleep daarvan waarschijnlijk zichtbaar worden in deze cijfers. Als gevolg van de ICT-verstoring en het offline gaan van de OM-systemen, konden nieuwe zaken in de periode van 17 juli tot eind augustus niet vanuit de opsporingsdiensten naar het OM worden overgedragen. Dit had vooral impact op de eenvoudige zaken. Tijdens de ICT-verstoring zijn zwaardere onderzoeks- en ondermijningsmisdrijven handmatig verwerkt en zijn vertragingen in de behandeling van deze zwaardere misdrijven beperkt gebleven.
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
Zoals hiervoor aangegeven hebben alle medewerkers te maken gehad met de ICT-problematiek. De ICT-inbreuk heeft effect gehad op de voorraden en doorlooptijden. Uit het landelijk zaakvolgsysteem blijkt dat de omvang van de voorraden («voorraadbak intake OM») vanaf de datum van de ICT-inbreuk sterk is toegenomen. Deze voorraden zijn in het vierde kwartaal van 2025 aangepakt; het OM verwacht dat deze extra voorraad in het eerste kwartaal van 2026 is weggewerkt.
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Om de ICT structureel te verbeteren, zijn de komende jaren investeringen nodig. Daarnaast nemen de instroom en productie af, lopen tijdelijk beschikbaar gestelde middelen af en nemen structurele kosten van het OM toe. Kortom: het OM staat voor de opgave om de financiële positie structureel te versterken.
Alle OM-onderdelen moeten dus in hun begroting voor 2026 rekening houden met minder geld. Hen is door het College daarom gevraagd aan te geven welke maatregelen nodig zijn en welke consequenties dit heeft. Voor 2026 ligt de nadruk op bewuster, slimmer en efficiënt omgaan met middelen, zowel financieel als in de verdeling van het werk. Samen met de OM-onderdelen is gezocht naar effectieve aanpak om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Het is aan de leiding van de OM-onderdelen om binnen die financiële kaders voor 2026 verstandige keuzes te maken: wat wel kan worden gedaan en wat niet. Intussen blijf het College in goed in contact met de OM-onderdelen en wordt het welzijn van de OM-medewerkers goed in de gaten gehouden.
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Het College heeft geoordeeld dat het noodzakelijk en verantwoord is om de taakstelling op te leggen. Het College heeft samen met de leiding van de OM-onderdelen gezocht naar manieren om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Hiermee maakt het OM financiële middelen vrij om zelf bij te dragen aan de noodzakelijke investeringen in het versterken van de ICT. Beter functionerende IV zal op langere termijn onder andere een positief effect hebben op de werkdruk. Het College blijft in goed contact staan met de OM-onderdelen. Waar de OM-onderdelen vastlopen, zal het College bezien of er financiële ruimte kan worden vrijgemaakt gedurende het jaar. Voor wat betreft de ICT-problematiek maakt het College inzichtelijk welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Hierover ga ik het gesprek aan met het OM. Ik kan nog niet vooruitlopen op mogelijke oplossingsrichtingen.
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Zoals hiervoor aangegeven heeft de offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM geleid tot vertragingen en werken het OM en partners in en rondom de strafrechtketen hard om deze in te lopen. Er is momenteel sprake van een verhoogde werkvoorraad, waardoor het uitsturen van het wensen- en het schadevergoedingsformulier aan slachtoffers langer op zich laat wachten. Er zijn op dit moment echter geen signalen bij het OM bekend dat de slachtofferrechten in het geding komen. Zo wel dan zal het OM hier voortvarend mee aan de slag gaan.
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen; er zijn door de ICT-inbreuk onder meer voorraden ontstaan die deels nog moeten worden weggewerkt.
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Ik bespreek de ICT-problematiek zeer regelmatig met onder meer het College van procureurs-generaal en ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen. Ik laat mij niet uit over eventuele in de toekomst door mij te nemen maatregelen.
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Het is in de eerste plaats aan het College van procureurs-generaal om de problemen met de ICT op te lossen. Uiteraard word ik van de voortgang op de hoogte gebracht en wordt er vanuit mijn departement meegedacht en ondersteuning geleverd. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en laat mij niet uit over eventuele in de toekomst te nemen maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed van grote internationale techbedrijven?1
Ja.
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde, de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke journalistiek?
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen, als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie (AI)?
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde, wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale «scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale «scraping».
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien van auteursrecht en AI?
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet, onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen. Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid – en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners. De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten. De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting op dit terrein te heroverwegen?
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur wel over uitgelaten.4
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving, zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie, voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven en de positie van mediabedrijven?
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse (vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na verwerking daarvan naar het parlement.
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten van AI op mediapluriformiteit?
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
De verkoop van het cloudbedrijf van DigiD en MijnOverheid en de dreiging voor onze digitale autonomie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Financieele Dagblad van 12 november jongstleden over de verkoop van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity aan Kyndryl, een Amerikaanse partij, en de daaruit voortvloeiende onrust bij overheden die afhankelijk zijn van de diensten van Solvinity, zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de zorg dat door deze overname essentiële overheidsdiensten, waaronder DigiD en MijnOverheid, feitelijk in buitenlandse handen komen, met alle risico’s van dien, bijvoorbeeld op het gebied van digitale soevereiniteit en (data)veiligheid?
Ik heb begrip voor de zorgen van de Tweede Kamer over de voorgenomen overname van het bedrijf Solvinity door een Amerikaans bedrijf. Solvinity is betrokken bij belangrijke diensten van de overheid zoals bijvoorbeeld DigiD.
Het is belangrijk dat de veiligheid van vertrouwelijke gegevens van en de dienstverlening aan burgers niet in het gedrang komen door deze overname. Daarom wordt momenteel, naast de onderzoeken van de wettelijke toezichthouders, onder mijn regie onderzoek gedaan naar de operationele, juridische en contractuele gevolgen van de voorgenomen overname. Als het onderzoek naar de gevolgen van de beoogde overname een onacceptabel risico laat zien, worden passende maatregelen genomen. De veiligheid en bescherming van essentiële gegevens van Nederlandse burgers staan voorop.
Welke juridische en bestuurlijke instrumenten staan u ter beschikking om dergelijke overnames van strategisch vitale ICT-dienstverleners te reguleren of te keren? Zijn er mogelijkheden om een overname te verbieden of voorwaarden te stellen?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Bent u vooraf betrokken geweest bij de overnamebesprekingen, en is er door de departementen gemonitord wat de gevolgen zijn van de overname specifiek voor overheidsklanten zoals DigiD, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en andere kritieke publieke diensten?
Nee, ik ben niet betrokken geweest bij overnamebesprekingen. Voor de zomer van 2025 heeft Solvinity bij Logius aangegeven dat een overname op handen was zonder details van de overnamekandidaat te delen. Onder regie van BZK wordt op dit moment het totale risicobeeld bij overheidsorganisaties geïnventariseerd.
Hoe beoordeelt u de kans dat door deze overname buitenlandse entiteiten inzage of controle zouden kunnen krijgen in kritische overheidsdata, bijvoorbeeld op grond van buitenlandse wetgeving zoals de Cloud Act of andere wet- en regelgeving?
Ten tijde van het afsluiten van de contracten zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De wettelijke Amerikaanse instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Wat is op dit moment de eigendomsstructuur van de IT-diensten achter DigiD, MijnOverheid en Digipoort? Welke onderdelen zijn in handen van Solvinity, en wat betekent de overname praktisch voor de eigendom en exploitatie van deze cruciale infrastructuur?
Voorzieningen zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort zijn specifieke applicaties ontwikkeld door en voor Logius. De applicaties DigiD en MijnOverheid draaien op het door Solvinity beheerde ICT-infrastructuurplatform «PICARD». Op dit platform kunnen de gebruikersrechten en het beheer per laag (infrastructuur, applicatie, netwerk) verschillen en/of door verschillende partijen worden uitgevoerd.
Het uitgangspunt is dat de Staat der Nederlanden eigenaarsrechten van de software en data van voorzieningen als DigiD, MijnOverheid en Digipoort bezit. Leveranciers hebben, afhankelijk van de dienstverlening, gebruikersrechten om toegang te krijgen om hun beheertaken te kunnen uitvoeren. Er zijn twee vormen van beheer te onderscheiden: technisch beheer en applicatiebeheer. Het technische beheer (o.a. infrastructuur, servers) van het «PICARD» ICT-platform is uitbesteed aan Solvinity.
Het applicatiebeheer dat zich richt op de werking van de applicatie zelf wordt uitgevoerd door eigen Logius medewerkers, eventueel aangevuld met inhuur of uitbesteed. Dit verschilt per voorziening. Beide vormen van beheer zijn uitvoerende taken en staan los van eigendomsrechten t.a.v. software en data.
Hoe waarborgt u dat andere belangrijke overheidsdiensten, die nu in Nederlandse handen zijn, niet op termijn eveneens kunnen worden overgenomen door buitenlandse partijen? Welke preventieve strategie wordt hierbij door het kabinet gehanteerd?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
De nieuwe Rijksbrede Strategie IT-sourcing, onderdeel van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), geeft aandacht aan het verkrijgen van een sterkere regie op digitale autonomie, soevereiniteit en veiligheid. Voor situaties waarin leveranciers worden overgenomen door buitenlandse partijen wordt een handreiking ontwikkeld om de afnemers te helpen met het in kaart brengen van de mogelijke risico’s die daarmee gepaard gaan en de mogelijkheden tot mitigatie.
Erkent u de bredere zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders die in het artikel naar voren worden gebracht? In hoeverre heeft het kabinet concrete stappen gezet om te investeren in digitale autonomie, bijvoorbeeld op het gebied van een nationale of «soevereine» overheidscloud?
Het kabinet erkent de zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders. De Rijksoverheid streeft dan ook naar het tot stand komen van een «soevereine overheidscloud» voor kritieke overheidsdienstverlening. Binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien; dit geldt als belangrijke prioriteit. Tevens recent de Visie Digitale Autonomie vastgesteld. Naast het onderstrepen van het belang van digitale autonomie, worden ook de strategische bouwstenen benoemd die nodig zijn om te komen tot een digitale overheid die grip heeft op autonomie, zeggenschap heeft over haar data (soevereiniteit) en cyberveilig en weerbaar is. Deze casus onderstreept het belang van de NDS.
Hoe verhoudt deze overname zich tot het bestaande Rijksbreed Cloudbeleid? Worden er in dat beleid mechanismen opgenomen om toekomstige overnames van (voormalig-) Nederlandse cloudleveranciers door buitenlandse partijen te beperken?
In het Rijksbreed cloudbeleid is een risicoanalyse verplicht. Hierin moeten ook de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging op de dienstverlening op het gebied van vertrouwelijkheid en beschikbaarheid worden meegewogen. Waar nodig moeten die risico’s worden gemitigeerd, dan wel moet een andere leverancier worden gezocht. Deze risico’s gelden niet voor elke overheidsdienst waardoor een risico-gebaseerde aanpak het gehanteerde mechanisme is.
Bent u bereid de Kamer halfjaarlijks te informeren over de risico-inschatting, de maatregelen die worden genomen én de mogelijke vervolgacties in het kader van digitale autonomie over Nederlandse overheidswebsites?
Het Forum Standaardisatie voert periodiek onderzoeken3 uit naar de toepassing van open standaarden, de naleving van de «pas toe of leg uit»-lijst en de informatiebeveiliging bij overheidsorganisaties, waarmee zij inzicht geeft in de interoperabiliteit en digitale weerbaarheid van de Nederlandse overheid om daarmee vendor lock-in te voorkomen en kwetsbaarheden in kaart te brengen.
Daarnaast wordt in de eerste helft van 2026, vanuit het NDS Programma, een verkenning uitgevoerd naar realisatie van een overheidsbrede soevereine cloudvoorziening. Deze cloudvoorziening is een belangrijke prioriteit van het NDS programma. Ik zal de uitkomsten van deze verkenning met uw Kamer delen.
De doorstroomtoets op de BES-eilanden |
|
Heera Dijk (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Becking , van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de gezamenlijke brief van de schoolbesturen op Bonaire van 6 november 2025 over de afname van de Doorstroomtoets BES en het verzoek om in 2025–2026 ook de IEP-toets te kunnen blijven afnemen?
Ja.
Klopt het dat de Doorstroomtoets BES in 2025–2026 voor het eerst wettelijk verplicht wordt afgenomen op Bonaire, na jaren van gebruik van de IEP-toets?
Ja dit klopt. De wettelijke verplichting om vanaf het schooljaar 2025–2026 voor het eerst de Doorstroomtoets Bonaire1 (of zoals de schoolbesturen het noemen: de Doorstroomtoets BES) af te nemen volgt uit de in 2022 aangenomen wet doorstroomtoetsen po. In deze wet wordt de wet- en regelgeving voor toetsen in het primair onderwijs (hierna: po) voor Europees Nederland ook van toepassing op het po in Caribisch Nederland. Hiermee krijgen ook de basisscholen daar meer inzicht in de vorderingen die hun leerlingen maken op de basisvaardigheden, ook over tijd. Op die manier kunnen zij net als scholen in Europees Nederland opbrengstgericht werken. Specifiek voor het onderwijs op Bonaire wordt ook de wet- en regelgeving rondom de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs gelijk getrokken. Doordat het nu ook op Bonaire voor alle bekostigde basisscholen verplicht is om een schooladvies te geven, bij alle leerlingen een passende doorstroomtoets af te nemen, en de uitslag van de doorstroomtoets als objectief, tweede gegeven bij het schooladvies te gebruiken krijgen ook Bonairiaanse leerlingen een eerlijke kans op een passend advies welk schooltype in het voortgezet onderwijs het beste bij hen past.
Het grootste probleem dat in voorbereiding op deze wet geconstateerd werd was dat het huidige aanbod doorstroomtoetsen uit Europees Nederland – en dus ook de IEP-doorstroomtoets – op drie belangrijke punten niet goed aansluit bij het onderwijs op Bonaire. De opgaven en teksten zijn gemaakt voor leerlingen in Europees Nederland, en sluiten daardoor onvoldoende aan bij de leefwereld van Bonairiaanse leerlingen. Dit vergroot het risico dat de taal- en rekenvaardigheden van deze leerlingen niet goed vastgesteld worden omdat ze de vragen niet goed begrijpen of voorbeelden niet herkennen. Daarnaast meten de toetsen voor Nederlands het niveau van leerlingen aan de hand van een referentiekader dat opgesteld is voor leerlingen die in hun directe omgeving constant met de Nederlandse taal in aanraking komen. We weten dat voor het merendeel van de leerlingen op Bonaire dit niet het geval is. Tot slot wordt in deze toets de kennis en vaardigheden in het Papiaments niet gemeten ondanks dat dit één van de belangrijkste talen op het eiland is.
Om die redenen heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) de Doorstroomtoets Bonaire laten ontwikkelen. Deze meet de kennis en vaardigheden van de leerlingen op het gebied van Nederlands, Papiaments én rekenen-wiskunde, en kan zo als tweede objectief gegeven gebruikt worden bij het voorlopig schooladvies van de school. Zo krijgen ook de leerlingen op Bonaire gelijke kansen bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
Hoe beoordeelt u het signaal van de schoolbesturen dat zij in deze overgangsfase beide toetsen willen afnemen, zodat leerlingen niet afhankelijk zijn van één toetsmoment met een nieuwe, nog ongeteste methodiek?
Net als de schoolbesturen hebben wij het belang van de leerlingen altijd op één staan. Zij hebben recht op een toets die aansluit bij hun leefwereld, die rekening houdt met de talen die voor hen belangrijk zijn, en die hen een passend schooladvies biedt om op het schooltype in het voortgezet onderwijs terecht te komen waar zij zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarom is er al sinds de voorbereidingen op de wet doorstroomtoetsen po veel voorwerk gedaan tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire.
Er is vanuit zowel OCW als de toetsaanbieder, Bureau ICE, veelvuldig contact geweest met de schoolbesturen op Bonaire om hen voor te bereiden op de overgang van de IEP-doorstroomtoets naar de Doorstroomtoets Bonaire. Ook zijn er veel gesprekken gevoerd en metingen gedaan om ervoor te zorgen dat de toets zo goed mogelijk aansluit bij de Bonairiaanse leerlingen. Zowel in 2024 als in 2025 zijn er op vrijwillige basis grootschalige pretesten gedaan – enerzijds om data te verzamelen en de methodiek te testen, anderzijds om leerlingen en leerkrachten de mogelijkheid te geven ervaring op te doen met de wijze van afnemen. Tot slot heeft het College voor Toetsen en Examens de toets beoordeeld en erkend dat die aan alle kwaliteitseisen voldoet. Daarom sta ik er ook achter om deze toets dit schooljaar af te nemen. Deze toets is dan ook zeer zeker niet ongetest.
Natuurlijk neem ik de zorgen van de besturen serieus. Naar aanleiding van deze brief ga ik opnieuw met de schoolbesturen in gesprek over de mogelijkheden die er zijn voor een overgangsfase tijdens de eerste afnames van de Doorstroomtoets Bonaire waarin alle talenten van elke leerling zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. Twee doorstroomtoetsen afnemen zie ik echter niet als een reële optie. Allereerst vanwege de zeer intensieve belasting voor de Bonairiaanse leerlingen in groep 8. Maar ook vanwege de logistieke, organisatorische en financiële aanpassingen die dit van zowel schoolbesturen als de toetsaanbieder vraagt. In het gesprek kijk ik graag met hen naar mogelijke doelmatige alternatieven om aan hun wensen tegemoet te komen. Met de kanttekening dat deze noodzakelijk, uitvoerbaar en doelmatig zijn.
Overwegende dat de scholen aangeven dat een later afnamemoment op Bonaire wenselijk is (omdat de laatste maanden in groep 8 cruciaal zijn voor de ontwikkeling van leerlingen), erkent u dat de reden voor vroege afname in Europees Nederland (inschrijving bij verschillende vo-scholen) op Bonaire niet van toepassing is? Waarom is desondanks voor een vroeg afnamemoment gekozen?
In eerdere gesprekken over de overgang naar de Doorstroomtoets Bonaire hebben de schoolbesturen al aangegeven met hun afnamemoment graag te willen afwijken van de situatie in Europees Nederland. Op dit moment kan dat niet vanwege geldende wet- en regelgeving. Daarom zijn gesprekken gestart om te verkennen wat er in wet- en regelgeving aangepast moet worden aangepast, op welke termijn dit mogelijk is en welke consequenties dit heeft.
Welke risico’s ziet u voor de onderwijskansen van leerlingen op Bonaire wanneer zij worden beoordeeld op basis van een toets die vroeg in het schooljaar wordt afgenomen én waarvan de voorspellende waarde nog niet is vastgesteld?
De doorstroomtoets Bonaire is specifiek ontwikkeld om beter bij de lokale context aan te sluiten en de kansengelijkheid van de leerlingen op het eiland te vergroten. Daarom sta ik voor de kwaliteit van de Doorstroomtoets Bonaire en zie ik geen reden deze te verplaatsen. De afgelopen twee jaar hebben de basisscholen op Bonaire de IEP-doorstroomtoets in januari/februari afgenomen – net als in Europees Nederland. De overstap naar de Doorstroomtoets Bonaire brengt op dit punt geen aanvullende risico’s met zich mee.
Immers, de IEP-doorstroomtoets acht ik veel minder geschikt voor de leerlingen op Bonaire. Doordat de opgaven geen rekening houden met de meertalige context is er een vergrote kans dat leerlingen een opgave verkeerd beantwoorden omdat zij een vraag niet goed lezen of begrijpen – terwijl zij wel over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken. Tijdens de ontwikkeling van de Doorstroomtoets Bonaire is daarom zorgvuldig bekeken welke opgaven het beste aansluiten bij de meertalige context waarin de leerlingen op Bonaire opgroeien. Onder andere door het uitvoeren van twee grote pretests met voorbeeldopgaven. Of de Doorstroomtoets Bonaire een goed voorspellende waarde heeft kan pas bepaald worden als deze door alle leerlingen op Bonaire afgenomen wordt, en een aantal jaar later bekeken kan worden op welk type onderwijs in het vo zij terechtgekomen zijn.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de scholen over de overgangsperiode tussen de oude doorstroomtoets en de nieuwe, wettelijk verplichte, doorstroomtoets?
Ja dat ben ik. We hebben ons te houden aan de wet, maar denken maximaal mee om eventuele zorgen bij schoolbesturen weg te nemen. Met als gezamenlijk doel de kansengelijkheid voor alle leerlingen op Bonaire zo groot mogelijk te maken. Zoals benoemd in antwoord 3 zal hiervoor contact opgenomen worden met de schoolbesturen.
Gaat u de eerste afname van de Doorstroomtoets BES en de overgangsperiode evalueren in samenwerking met de scholen op Bonaire, en de Kamer hierover informeren?
Ja. Tijdens de afname zorgen wij er samen met de toetsaanbieder voor dat er medewerkers op de eilanden aanwezig zijn om scholen te ondersteunen en vragen te beantwoorden. En na de eerste afname van de Doorstroomtoets Bonaire wordt er samen met de scholen gekeken hoe de prestaties op de toetsen het beste geïnterpreteerd kunnen worden, en wat dit betekent voor de overgang naar het voortgezet onderwijs. Indien nodig zal ik de Kamer hier opnieuw over informeren.
MKB-ondernemers die nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
Erkent u dat veel (MKB) ondernemers nog steeds vastlopen in de versterkingsoperatie?
Ja, ik zie dat het versterkingen van gebouwen van mkb-ondernemers complex is en meer aandacht vraagt dan reguliere versterking. In mijn Kamerbrief van 25 juni jl.1 geef ik dan ook aan dat ik zie dat er meer aandacht is voor deze doelgroep vanuit uitvoeringsorganisaties en partijen die ondersteuning bieden.
Erkent u dat er veel vertraging is en plannen steeds wijzigen, bijvoorbeeld rondom het Koopmansplein in Ten Boer, waardoor ondernemers in grote onzekerheid zitten?
Ja, ik zie dat mkb-ondernemers vaker vastlopen vanwege de complexiteit van de dossiers. Mkb-ondernemers hebben daarom mijn speciale aandacht.
Hoeveel MKB-ers wachten nog op versterking? Wat is hiervan de planning?
Op dit moment zijn er 113 mkb-adressen in het mkb-programma van NCG die nog nog niet in de planvormingsfase zitten, bijvoorbeeld omdat het versterkingsadvies nog niet is gedeeld. Voor 243 mkb-adressen geldt dat zij wel in de planvormingsfase zitten. Dit betreft enkel de adressen waarbij de onderneming afhankelijk is van het te versterken pand en om die reden in het mkb-programma zijn opgenomen.
Erkent u dat ook wanneer de versterkingsoperatie al wel zou beginnen en de zaak gesloten is, de werkzaamheden alsnog niet van start gaan? Kent u bijvoorbeeld het bericht «Boze teksten op eetcafé De Brug in Nieuwolda. Eigenaar Peter (55): «De overheid hoort je te helpen»» wat hier een voorbeeld van is?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als bij gedeeltelijke sloop van het gebouw toch duidelijk wordt dat er constructieve gebreken zichtbaar worden die nieuwe berekeningen vragen.
Bij hoeveel ondernemers is de versterking officieel gestart maar liggen de werkzaamheden stil?
NCG heeft persoonlijk contact met alle projecten die versterkt worden. Ik hecht eraan uw Kamer mee te geven dat NCG er alles aan doet om tijdig in kaart te brengen hoe de bedrijfssituatie er uit ziet. Het regelen van tijdelijke huisvesting, mogelijke tijdelijke bedrijfsruimte of tijdelijke sluiting en vergoedingen die daar verband mee houden, komt in samenspraak met de ondernemer tot stand. Uw Kamer kan erop vertrouwen dat ik aandacht voor de voortgang heb, zodat ondernemers altijd weten waar ze aan toe zijn.
Begrijpt u de woorden van ondernemer Peter Wedda die over de overheid zegt: «Zij krijgen keurig betaald van 9 tot 5, met hun Tesla’s en Van Bommel-schoenen. Petra en ik zitten hier zeven dagen per week middenin.»? Erkent u dat de versterkingsoperatie ondernemers veel energie en vaak ook geld kost, en ze vaak het gevoel hebben geen grip te hebben?
Ik begrijp goed dat ondernemers de situatie waarin ze terecht gekomen zijn, als zeer frustrerend ervaren. Deze mensen willen aan de slag met hun bedrijf en niet met de versterking.
Erkent u dat MKB-ers cruciaal zijn voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied? Zo ja, kunt u daarom kiezen voor een aanpak waarbij MKB-ers beter worden ondersteund?
Ja, mkb’ers zijn cruciaal voor de leefbaarheid in het versterkingsgebied.
NCG is met betrokken partijen in gesprek over hoe zij zo vroeg en volledig mogelijk inzicht kunnen geven in de vergoedingen om schade als gevolg van versterken te vergoeden.
De resultaten van het onderzoek van Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen over het mkb van vorig jaar biedt NCG verdere waardevolle inzichten om de dienstverlening voor het mkb verder te verbeteren. Een aantal aanbevelingen heeft NCG al in gang gezet. Zo is het onderzoek voor NCG mede aanleiding geweest om vaker en eerder met ondernemers in gesprek te gaan.
Daarnaast is er sinds mei dit jaar een provinciale investeringsregeling voor mkb-ondernemers in het aardbevingsgebied. De regeling is bedoeld om de hardst getroffen groep, micro-ondernemers met schade of versterking, te helpen bij het werken aan de toekomst van hun bedrijf. Daarnaast is er ondersteuning vanuit het provinciale mkb-programma en ook kunnen ondernemers bij Stut en Steun terecht.
Steeds vaker worden er signalen ontvangen van zowel MKB-ers als bewoners dat er een schaarste ontstaat aan tijdelijke huisvesting, kunt u dit bevestigen of ontkrachten? Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) heeft eerder (Beoordeling Meerjaren Versterkingsplan) aangegeven dat het gebrek aan tijdelijke huisvesting één van de bottlenecks kan zijn waardoor de versterkingsoperatie kan vertragen, wat is hiermee gedaan?
Ik herken deze signalen niet. NCG past maatwerk toe bij het vinden van passende tijdelijke huisvesting. Daarbij wordt in overleg met de ondernemer vaak gezocht naar mogelijkheden op dezelfde locatie, zodat er niet uitgeweken hoeft te worden naar tijdelijke huisvesting elders. Ook voor bewoners is er afdoende tijdelijke huisvesting.
Bij hoeveel MKB-ers is er een conflict over de verduurzamingssubsidies? Zou u willen kiezen voor een voortvarende aanpak en het ruime bedrag willen toekennen, en gesteggel over voor welke ruimtes wel en niet in aanmerking komen voorkomen?
Het is mij niet bekend om hoeveel adressen dit in totaliteit gaat. Tegelijkertijd heeft het wel doorlopend mijn aandacht. Juist bij ondernemers die wonen- en werken in het zelfde gebouw is het belangrijk om precies te zijn bij het uitkeren van subsidies. Bij subsidies aan bedrijven zijn er duidelijke regels omtrent staatssteun, waarbij ik wil benadrukken dat een te ruimhartige opstelling kan leiden tot het moeten terugvorderen van de subsidie, waarmee de ondernemer niet geholpen is.
Veel MKB-ers zijn huurder en hebben daardoor minder rechten dan eigenaren, erkent u dat dit een probleem kan zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wilt u hieraan doen? Bent u bereid de regeling voor technische, juridische en financiële steun ook beschikbaar te maken voor huurders waaronder MKB-ondernemers?
Het klopt dat de situatie van een hurende mkb’er anders is dan van een eigenaar. Ook een hurende mkb’er kan ondersteuning krijgen. Voor juridische, planologische, bedrijfskundige of psychologische ondersteuning kunnen gedupeerde ondernemers sinds 29 januari 2024 voor € 10.000 subsidie aanvragen via de deskundigenregeling bij de provincie. Daarnaast heeft de provincie mkb-consulenten in dienst om ondernemers – dus ook mkb-huurders – bij te staan.
In 2024 en 2025 werden drie zeer kritische rapporten gepubliceerd over de situatie van MKB-ers in het gaswinningsgebied, welke lessen heeft u hieruit getrokken?2 3 4
De rapportages vanuit Kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen, Gronings Perspectief en Ipsos I&O hebben er mede toe geleid dat ik de toegankelijkheid van regelingen aanhoudend blijf verbeteren. Ik zorg er voor dat ondernemers niet van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Een belangrijke maatregel hiervoor is het beter inzetten van Stut en Steun en mkb-consulenten, die ondernemers kunnen begeleiden. Daarnaast is om gedupeerde ondernemers weer op weg te helpen na afronding van de afhandeling van schade of uitvoering van de versterking de investeringsregeling mkb van de provincie gestart. Zie voor de beantwoording ook het antwoord op vraag 7.
Wat heeft u gedan met de conclusie van Ipsos I&O dat MKB-bedrijven in het aardbevingsgebied slechter presteren, hun omzet minder groeit en het gat met ondernemingen elders waarschijnlijk is toegenomen?5
Ik richt mij op het efficiënter inrichten van procedures en toegankelijker maken van regelingen samen met NCG, IMG en Provincie. Met name de investeringsregeling voor micro-MKB van de Provincie Groningen sluit goed aan bij de conclusies van het Ipsos I&O onderzoek. Daarom heeft het Rijk 30 miljoen voor deze regeling beschikbaar gesteld. Deze regeling zorgt ervoor dat micro-ondernemers die de laatste jaren minder of niet in hun bedrijf hebben kunnen investeren een steun in de rug krijgen.
Wat heeft u gedaan met de conclusie van het kennisplatform Leefbaar en Kansrijk Groningen dat het bestaande hulpsysteem te complex is?6
Het Kennisplatform benoemt dat mkb-ondernemers vaak last hebben van een stapeling van problemen. Ik heb een verkenning laten uitvoeren naar complexe casuïstiek, waar veel mkb-problematiek in voorkomt. Bij de oplossing voor deze complexe casuïstiek zijn vaak meerdere organisaties betrokken. Ik bekijk hoe alle partijen beter integraal kunnen samenwerken door ze zo vroeg mogelijk in de schadeafhandeling en versterkingsoperatie om tafel te zetten. Dat gezegd hebbende, het moet wel een verbetering zijn, dus dit kost tijd.
Wat heeft u gedaan met hun advies voor maatwerk, betere samenwerking, vaste contactpersonen en lagere drempels voor ondersteuning? Hoe zet u behoeften van ondernemers centraal in plaats van de systeemwerkelijkheid?
Zie hiervoor de antwoorden op vraag 7 en 11.
Erkent u, gezien MKB-ers aangeven nog steeds tegen dezelfde problemen aan te lopen, dat er meer maatregelen nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten? Wat heeft u gedaan met de conclusie van Gronings Perspectief dat ondernemers kampen met omzetverlies door de hersteloperatie, extra personeelskosten en fiscale problemen door waardedaling van bedrijfspanden?7
Nee, er zijn op dit moment al veel mogelijkheden. Ik wil inzetten op optimaliseren van de regelingen en het intensiveren van een persoonlijke begeleiding. De schade die ondernemers hebben, wordt reeds vergoed met verschillende regelingen vanuit IMG en NCG.
Deelt u onze mening dat de conclusie van Gronings Perspectief nog steeds geldt dat de financiële kwetsbaarheid door de versterkingsoperatie zorgt voor stress en frustratie, en daarmee druk op het mentale welzijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen wilt u zetten?
Ja. In zijn algemeenheid ervaren sommige inwoners van Groningen stress en frustratie. Voor ondernemers is dit niet anders. Daar komt bij dat de tijd die ondernemers in de aardbevingsproblematiek steken, deze niet in hun onderneming kunnen steken. Dit heeft invloed op hun mentale welzijn. Er zijn veel welzijnsorganisaties actief in het gebied, waarvan er één specifiek gericht op aardbevingsleed: Geestelijke Verzorging Aardbevingsgebied Groningen.
Daarnaast staan naast de begeleiders vanuit NCG en IMG, Stut en Steun en ook de consulenten van het MKB programma klaar om hen te ondersteunen bij hun schade of versterkingstraject.
In mijn antwoord op vraag 7, 10, 11, 13 en 15 ziet u welke (verdere) concrete stappen ik neem.
Kunt u zorgen voor één plek waar alle regelingen voor MKB-ers overzichtelijk gepresenteerd worden?
Hiervoor kunnen mkb-ondernemers terecht bij de mkb-consulenten van de provincie.
Kunt u zorgen dat ondernemers die nu geen gebruik kunnen maken van specifieke regelingen omdat ze nog wachten op de versterking, later alsnog gebruik kunnen maken van die regelingen?
De regelingen van het NCG en IMG zijn beschikbaar zo lang als nodig is voor ondernemers die te maken hebben met schade en/of versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.