De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
De overstap van de Belastingdienst naar Microsoft |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Heijnen , van Marum |
|
|
|
|
Bent u nog steeds van mening dat de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft1 slechts is voorzien van «een zeer magere onderbouwing»?2
In de afgelopen periode is er intensief overleg geweest tussen de Belastingdienst, CIO Rijk en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hieruit is naar voren gekomen dat er, gezien de (technische) keuzes van de Belastingdienst in het verleden, op korte termijn geen alternatief is voor de overgang naar Microsoft 365 (M365), anders dan gebruik blijven maken van de huidige verouderde werkomgeving.
De Belastingdienst heeft aangegeven dat ze sindsdien opnieuw onderzocht hebben of er nu wel Europese alternatieven zijn. Uit verkennende gesprekken blijkt dat er op dit moment nog geen volledig geïntegreerd Europees alternatief is voor M365.
Staat u nog steeds achter uw stelling dat de Belastingdienst niet heeft onderbouwd dat er geen Europese alternatieven voor Microsoft zouden zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Voldoet de onderbouwing voor de overstap van de Belastingdienst aan het geldende cloudbeleid?3 Kunt u hard maken dat tijdig aan alle eisen is voldaan?
Ja, de overstap voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst naar M365 voldoet aan het rijksbrede cloudbeleid (2022) en het daaruit volgende cloudbeleid van het Ministerie van Financiën. Dat geldt zowel voor het besluit uit 2021 als de verkenning naar mogelijke alternatieven (terwijl de werkplek zelf al was uitgerond) in 2025. Zo heeft de Belastingdienst een cloudtoets gedaan. Er zijn een risicoanalyse en exitstrategie opgesteld. Deze zijn vertrouwelijk aan uw Kamer aangeboden. Verder is er een DPIA opgesteld en heeft de Belastingdienst voor de definitieve besluitvorming afstemming gezocht met de CIO Rijk.
Heeft de Belastingdienst, door zich in 2021 te committeren aan de overstap naar Microsoft, het onmogelijk gemaakt om alsnog af te wijken van dit besluit en tijdig een Europees alternatief te implementeren?
De Belastingdienst is in 2021 gestart met het traject om de werkplekken te vervangen en moderniseren. Hierdoor zijn de mogelijkheden om over te stappen op een alternatief beperkt. De nieuwe uitgerolde werkplek, in de vorm van laptops, is namelijk ingericht op het gebruik van M365. In het geval dat er wel een geschikt Europees alternatief zou zijn, moet er een geheel nieuwe werkomgeving worden ontworpen en geïmplementeerd. De doorlooptijd hiervan is aanzienlijk en is afhankelijk van de te configureren oplossing. De verwachting is dat dit in ieder geval enkele jaren zal kosten.
Deelt u de mening dat, gezien (geo)politieke ontwikkelingen en de duidelijke wens van de Kamer om de digitale autonomie van Nederland te bevorderen, de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft alsnog heroverwogen dient te worden?
De Belastingdienst heeft bij de aanvang van het traject in 2021 gekozen voor de implementatie van M365 bij het inrichten van de werkplekken en het vervangen en moderniseren van de werkomgeving. De (geo)politieke situatie was destijds anders dan nu en het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese partijen speelde toen een beperktere rol in de afwegingen.
In 2025 heeft de Belastingdienst gekeken of er nog mogelijkheden bestonden om af te wijken van het pad dat in 2021 is ingeslagen en zijn er mogelijke alternatieve oplossingen bekeken. Zoals uitgelegd in de technische briefing van 4 februari jl. over dit onderwerp heeft dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid.
Bent u op de hoogte van het rapport van de Cyber Safety Review Board uit 2024 over de beveiliging van Microsoft, waaruit blijkt dat het bedrijf de cyberveiligheid structureel niet op orde heeft?4, 5 Hoe beoordeelt u het argument dat Microsoft de beste beveiliging biedt in het licht van de conclusies uit dit rapport?
Ja, ik ben op de hoogte van het genoemde rapport. In reactie op het rapport heeft Microsoft onder de naam «Secure Future Initiative» (https://blogs.microsoft.com/on-the-issues/2024/06/13/microsofts-work-to-strengthen-cybersecurity-protection/) de verantwoordelijkheid voor de incidenten geaccepteerd en actie ondernomen om zowel de producten en diensten als de operatie van Microsoft 365 te verbeteren.
Bent u bereid om, in samenwerking met de Belastingdienst, duidelijk te maken welke aanvullende middelen, expertise of capaciteit nodig zijn om alsnog af te zien van de overstap naar Microsoft en zo snel mogelijk een Europees alternatief te realiseren?
Volgens de Belastingdienst is er op dit moment geen geïntegreerd Europees alternatief, met een vergelijkbaar niveau als M365, beschikbaar. Zelfs als dit alternatief er zou zijn kost het de Belastingdienst, afhankelijk van de te configureren oplossing, enkele jaren om dit te implementeren. Dit betekent dat er in de tussentijd wordt doorgewerkt op een nieuwe werkplek waarbij rekening is gehouden met de implementatie van M365. Daardoor worden medewerkers geconfronteerd met workarounds en productiviteitsverlies.
Vragen over toekomstige keuzes laat ik aan mijn opvolger.
Welke «workarounds» worden nu gebruikt door ambtenaren in hun digitale werkomgeving? Bent u bereid om te onderzoeken of deze belemmeringen weg te nemen zijn zonder de overstap naar Microsoft te maken?
De workarounds zijn ontstaan omdat medewerkers nu doorwerken in een verouderde omgeving vanaf nieuwe werkplekken die zijn ingericht op een M365-omgeving. De workarounds zijn (inefficiënte) manieren om vanaf deze nieuwe werkplekken met de beperkingen van de huidige werkomgeving om te gaan. Deze workarounds zijn vrij technisch van aard. Een voorbeeld is dat bepaalde bestanden niet worden ondersteund door de uitgerolde Digitale Brug Overheid (DBO)-werkplek. Medewerkers zijn nu genoodzaakt deze bestanden naar een postbus op te sturen zodat het handmatig in het gewenste bestandsformaat kan worden omgezet en teruggestuurd. Een ander voorbeeld is dat bepaalde applicaties die deurwaarders nodig hebben op de DBO-werkplek alleen te gebruiken zijn vanuit de fysieke kantooromgeving. Met de implementatie van M365 worden dit soort problemen opgelost. Het wegnemen van deze workarounds zonder de overstap te maken naar M365 betekent dat de Belastingdienst alsnog gaat investeren in de huidige verouderde werkomgeving.
Waarom zijn de CIO Rijk en de overige IT-dienstverleners van het Rijk «pas in een zeer laat stadium» betrokken in het proces van de Belastingdienst? Wanneer is dit gebeurd, en waarom pas op dat zeer late moment?6
Uw Kamer is reeds in het najaar van 2024 geïnformeerd over de overgang maar Microsoft 365 voor de werkplekken.7 Zoals ook aangegeven in mijn brief van 2 oktober jl. is dit voornemen ook door mijn ambtsvoorganger met u gedeeld in het Jaarplan Belastingdienst 2025. 8
In het afgelopen jaar is er contact geweest tussen de Belastingdienst, CIO Rijk en het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de overstap. In de loop van 2025 heeft de Belastingdienst ook contact gezocht met SSC-ICT om een oriënterende verkenning te laten plaatsvinden naar de mogelijkheid om de functionaliteiten voor mail en agenda onder te brengen bij SSC-ICT. Daaruit is geconcludeerd dat dit geen optie is voor de korte- of middellange termijn.
Deelt u de mening dat de Belastingdienst in 2021, door uit te gaan van Microsoft 365 en Windows 11 als «gouden standaard,» geen gedegen verkenning heeft gedaan van Europese alternatieven?
De keuze voor M365 is gemaakt in 2021. De (geo)politieke situatie was destijds anders dan nu, het versterken van de autonomie speelde destijds een beperkte rol in de afwegingen. Daarom werd destijds niet de noodzaak gevoeld voor een gedegen verkenning gedaan naar Europese alternatieven en heeft deze dus ook niet plaatsgevonden. De Belastingdienst heeft toen, net zoals veel andere overheidsorganisaties en private organisaties, de keuze gemaakt voor de standaard van Windows 11 en M365 en heeft deelgenomen aan de contractonderhandelingen met het Strategisch Leveranciersmanagement Microsoft voor de rijksoverheid (SLM Rijk).
Deelt u de mening dat de scenario’s van de Belastingdienst, zoals die in de (beslis)nota van 28 juni 2025 zijn beschreven,7 onvolledig zijn omdat ze in de basis uitgaan van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft?
Het klopt dat de nota uitgaat van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft, omdat de uitgerolde werkplekken hiervoor zijn ingericht en is geschreven vanuit de uitgangspositie waarin de Belastingdienst zich destijds bevond. Elk (Europees) alternatief zou hier op moeten worden aangesloten. Daarmee is geen sprake van onvolledigheid, omdat iedere andere uitgangspositie een nieuw werkplekconcept behoeft.
Wanneer heeft de Belastingdienst precies besloten om deze scenario’s uit te werken? Welke specifieke «(geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen» gaven hier aanleiding toe?8
Na onder andere de door uw Kamer ingediende moties heeft de Belastingdienst in het voorjaar besloten om de andere scenario’s nader uit te werken.
Acht u de keuze van de Belastingdienst om voor de werkomgeving over te stappen naar Microsoft inmiddels onafhankelijk en voldoende onderbouwd?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
In het geval u de mening deelt van de indieners dat er geen degelijke onafhankelijke verkenning is uitgevoerd naar Europese alternatieven, kunt u er op toezien dat deze alsnog op korte termijn wordt uitgevoerd met als doel om een alternatieve Europese route voor de cloudmigratie van de Belastingdienst te schetsen?
Zoals aangegeven in de oplegbrief beperk ik mij tot het beantwoorden van de feitelijke vragen. Ik acht het passend de beantwoording van vragen die toezien op toekomstige keuzes aan mijn opvolger te laten.
Waarop baseert de Belastingdienst de aanname dat de onderzochte scenario’s «naar verwachting binnen het aangepaste cloudbeleid passen dat momenteel door BZK wordt herzien»?9 Kunt u duidelijk uitleggen waar dit uit blijkt, aangezien dit beleid nog niet is vastgesteld en er sindsdien ook Kamermoties10 zijn aangenomen om de eisen voor soevereiniteit verder aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u per scenario, uitgewerkt door de Belastingdienst, een realistische schatting maken van de aanvullende kosten die hier bij gemoeid zouden zijn? Welk scenario acht u vanuit het soevereiniteitsbelang het meest geschikt?
Ik ga ervan uit dat u doelt op de scenario’s zoals opgenomen in de nota «Scenario’s overstap kantoorautomatisering naar cloud» van 27 juni 2025. In deze nota zijn de kosten per scenario op hoofdlijnen uitgedrukt. Een nadere uitwerking met als doel om tot een meer precies bedrag per scenario uit te werken zou niet hebben geleid tot een andere uitkomst en heeft daarom niet plaatsgevonden. Daarnaast zijn er ook niet-financiële knelpunten zoals doorlooptijden, stroomvoorziening en datacenter capaciteit. De beantwoording van het tweede deel van de vraag laat ik, zoals aangegeven in de oplegbrief, aan mijn opvolger.
Wat bedoelt u met uw antwoord dat «de Belastingdienst de ontwikkelingen van Europese en soevereine alternatieven [volgt]» en «[actief] kijkt naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen»? Zijn er afspraken gemaakt over wat dit concreet betekent en welke verwachtingen heeft u precies van de Belastingdienst?11, 12
Zoals aangegeven in de oplegbrief beperk ik mij tot het beantwoorden van de feitelijke vragen. Ik acht het passend de beantwoording van vragen die toezien op toekomstige keuzes aan mijn opvolger te laten.
Waarom «volgt» de Belastingdienst enkel de ontwikkeling van een soeverein alternatief als MijnBureau, in plaats van dat zij dit met overtuiging afneemt? Ziet u mogelijkheden voor een schaalbare pilot binnen de Belastingdienst om een soeverein alternatief voor Microsoft op de werkvloer uit te proberen?
De Belastingdienst volgt het initiatief MijnBureau, omdat een (grootschalige) implementatie hiervan binnen de Belastingdienst op dit moment niet realistisch en uitvoerbaar is.
Een pilot van dit initiatief kan alleen plaatsvinden als het een voldoende hoog volwassenheidsniveau heeft bereikt en moet tegen die tijd gecontroleerd en zorgvuldig plaatsvinden. Dat neemt niet weg dat op termijn, zodra deze oplossing voldoende volwassen is, de Belastingdienst kan aansluiten bij een (rijksbrede) pilot van MijnBureau.
Daarnaast richt de Belastingdienst zich niet alleen op MijnBureau, maar wordt er ook actief onderzoek gedaan naar de ervaringen van andere Europese partijen die een overstap voorbereiden of dit al hebben gedaan. Hierbij wordt nauw opgetrokken met onder andere CIO Rijk.
Deelt u de mening dat meer departementen en uitvoerders MijnBureau moeten afnemen om het project levensvatbaar te maken en waardevolle inzichten op te doen voor soevereine werkplekken?
Ja, in algemene zin deel ik deze mening. De levensvatbaarheid van een soeverein initiatief als MijnBureau is daarbij gebaat en dat kan leiden tot waardevolle inzichten. Het is wel belangrijk dat dit zorgvuldig en gecontroleerd plaatsvindt. Kleinschalig starten bij kleine overheidsorganisaties is daarbij belangrijk om zodoende op basis van ervaringen te werken aan de volwassenheid als voorbereiding op een eventuele grootschalige uitrol bij grote uitvoeringsorganisaties zoals de Belastingdienst. Daarnaast geldt dat de integratie van kantoorautomatisering in een uitvoeringsorganisatie complexer is dan bij een beleidsdepartement.
Welke aanvullende afspraken zijn met Microsoft gemaakt om de risico’s in het voorkeursscenario van de Belastingdienst «zo beheersbaar mogelijk» te maken?13 Beaamt de CIO Rijk dat de risico’s zo veel als mogelijk zijn beheerst?
De aanvullende afspraken tussen de Belastingdienst en Microsoft zijn niet met CIO Rijk gedeeld, er kan daarom geen oordeel over worden geveld.
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst, waarin fiscale informatie en informatie over «rulings» wordt gecommuniceerd, straks afhankelijk wordt van Microsoft?14
De Belastingdienst werkt continu aan het creëren van meer bewustzijn bij medewerkers om nog bewuster om te gaan met het versturen van gevoelige informatie. Daarvoor worden werkinstructies opgesteld om te voorkomen dat gevoelige informatie zoals rulings in de cloud kunnen belanden. Ook na de overstap naar M365 blijft het voor de medewerkers mogelijk om (gevoelige) informatie veilig on-premises op te slaan en onderling (en met een derde) te delen via het Belastingdienst-file-transfer. Dit is een applicatie voor medewerkers van de Belastingdienst waarmee zij (grote) bestanden kunnen delen.
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst onder Amerikaanse surveillancewetgeving zoals de CLOUD Act, sectie 702 van de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333 komt te vallen? Hoe verhoudt dit zich tot de fiscale geheimhoudingsplicht?15
Ik ben niet naïef over de mogelijkheid dat de informatie waarover de Belastingdienst beschikt interessant kan zijn voor de Amerikaanse overheid. De Belastingdienst is zich bewust van de werking van de door u genoemde extraterritoriale Amerikaanse wetgeving. Dit risico is meegewogen in de risicoanalyse en waar mogelijk beperkt. Zoals ik ook heb aangegeven in antwoord op uw eerdere vragen betekent de overstap naar M365 een vergroting van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten.18
Deelt u de mening dat het rapport uit 2022 van GreenbergTraurig, waarin wordt gesteld dat het risico dat de VS gebruik maakt van de CLOUD Act klein is, achterhaald is door de geopolitieke ontwikkelingen nu ook de AIVD en de MIVD minder informatie met de Amerikanen delen?16
Ik erken dat de geopolitieke situatie ten opzichte van 2022 is veranderd, dat heeft een ander risicobeeld met zich meegebracht. De Belastingdienst heeft dit meegenomen in de opgestelde risicoanalyse en dit expliciet meegewogen. Deze risicoanalyse heb ik vertrouwelijk aan uw Kamer ter inzage aangeboden.
Beschikt Microsoft in het geval er «double key encryption» wordt toegepast over een sleutel naar deze data? Zo ja, hoe is het versleutelen van data dan een geschikte mitigerende maatregel?
U doelt daarmee op een maatregel zoals is voorgesteld in de nota «Scenario’s overstap kantoorautomatisering naar cloud» van 27 juni 2025 bij een specifiek product van Microsoft. De maatregel van «double key encryption» wordt niet toegepast. Door gebruik te maken van «double key encryption» zijn verschillende functionaliteiten niet meer mogelijk. Zo kunnen bijvoorbeeld verschillende bestanden dan niet langer geïndexeerd worden. Deze maatregel is tevens afgewogen in de eerdergenoemde risicoanalyse.
De Belastingdienst is continu op zoek naar nieuwe oplossingen die een betere bescherming van de data mogelijk maken en het risico van het ongeautoriseerd toegang hebben tot data mitigeren.
Klopt het dat de exitstrategie, waarin binnen negen maanden data uit de Microsoft-cloudomgeving wordt gehaald, «met hulp van Microsoft» wordt uitgevoerd?17 Is de exitstrategie om wég te komen van Microsoft daardoor niet ook afhankelijk geworden van Microsoft?
Nee, de exitstrategie bevat namelijk in algemene zin twee scenario’s. Een scenario waarbij de leverancier meewerkt en de Belastingdienst negen maanden de tijd krijgt om de bestanden te migreren naar een nieuwe gewenste omgeving. Daarnaast is er ook een scenario waarin rekening wordt gehouden met een acuut vertrek, bijvoorbeeld nadat de leverancier onder statelijke druk de diensten stopt. Voor dit scenario heeft de Belastingdienst een back-up en wordt er teruggevallen op de huidige on-premises omgeving.
Kunt u de garantie van Microsoft, dat zij zich tegen alle vormen van politieke druk vanuit de VS zullen verzetten, hard maken? Welke concrete afspraken zijn hierover gemaakt? Kunt u bijpassende documentatie met de Kamer delen?
Microsoft heeft de zogenaamde EU-commitments gepubliceerd. Dat laat niet onverlet, dat in een extreem geval, Microsoft onder statelijke druk gedwongen kan worden om te stoppen met leveren van diensten. Dit is in de recente geschiedenis alleen onder specifieke sanctiewetgeving gebeurd. Daarbij wil ik wel opmerken dat dit, tot op zekere hoogte, ook geldt voor on-premises oplossingen. Want ook daar is sprake van afhankelijkheid van Amerikaanse techleveranciers.
Zijn er nog meer nota’s of notities met betrekking tot de overstap naar Microsoft die gebruikt zijn om de afweging te maken, maar nog niet gedeeld zijn met de Kamer? Kunt u deze alsnog openbaar maken?
In de bijlage vindt u een aantal aanvullende stukken die zijn geagendeerd op het bestuursteam Belastingdienst van 27 mei 2025.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en toezeggen dat u, tot deze beantwoord zijn, zich ten volste in zal spannen om een Europees alternatief voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst alsnog mogelijk te maken?
Zoals ik heb aangegeven in de brief die u bij deze antwoorden heeft ontvangen heb ik mij beperkt tot het beantwoorden van de feitelijke vragen en ben ik terughoudend geweest in het beantwoorden van vragen die over de toekomst gaan. Daarom zijn niet alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoord. De Belastingdienst zet wat betreft de grootschalige uitrol van M365 geen verdere stappen tot het aantreden van een nieuw bewindspersoon.
Het SEO-rapport 'Impact PSO Bovenwindse Eilanden' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Heera Dijk (D66) |
|
Tieman , van Marum |
|
|
|
|
Deelt u de analyse uit het SEO-rapport «Impact PSO Bovenwindse Eilanden»1 dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een essentiële publieke functie vervullen en niet functioneren als een reguliere markt, mede gezien het ontbreken van reële alternatieven voor inwoners en ondernemers?
Wij delen dat de luchtverbindingen tussen Sint Maarten en Saba en Sint Eustatius een kleine markt betreft, er enkel één aanbieder is en alternatieve vervoersmiddelen geen volwaardig substituut bieden. De eilanden zijn bereikbaar door de meerdere dagelijkse vluchten op de luchtverbindingen en via de veerdienst.
Welke uitgangspunten hanteert de Minister bij het borgen van vitale eilandverbindingen binnen Nederland, en kan de Minister toelichten hoe deze uitgangspunten worden toegepast bij de bereikbaarheid van de Waddeneilanden?
Goede veerverbindingen zijn van groot belang voor de leefbaarheid op de Waddeneilanden. Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de Friese Waddeneilanden. Om goede veerverbindingen te garanderen heeft de Rijksoverheid voor dit vervoer concessies verleend. Omdat de huidige concessies aflopen, bereidt het ministerie nieuwe concessies voor, die ingaan in 2029. De doelen en uitgangspunten die worden gehanteerd voor de nieuwe concessies voor de Friese Waddeneilanden vanaf 2029 zijn: betrouwbaar, frequent en structureel; toekomstbestendig; prettige reisbeleving; en, betaalbaar en beheersbaar. Daarover is de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van IenW op 22 september 20252.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk betreft het publieke belang bereikbaarheid het kunnen reizen van, naar en binnen Caribisch Nederland onder redelijke voorwaarden. Dit publieke belang wordt primair geborgd door het luchtvaartsysteem. Daarnaast zijn er veel reisbewegingen met de veerdienst tussen de Bovenwindse Eilanden.
Welke beleidsinstrumenten zet het Rijk in om vitale eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen, en in hoeverre zijn deze instrumenten toepasbaar op de situatie van Saba en Sint Eustatius, gelet op de schaal en marktstructuur van deze eilanden?
Om de eilandverbindingen binnen Europees Nederland te borgen organiseert het Rijk concessies voor passagiersvervoer van en naar de Friese Waddeneilanden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. RWS is verantwoordelijk voor het structurele beheer en onderhoud van vaarwegen in de Waddenzee.
Allereerst is het van belang te onderstrepen dat het zeevervoer op de Waddeneilanden en het luchtvervoer op Saba en Sint Eustatius verschillend van aard zijn en niet een-op-een kunnen worden vergeleken. In Caribisch Nederland zal het instrument van overheidsingrijpen de vorm hebben van een openbaredienstverplichting (Public Service Obligation, PSO). In het Multilateraal luchtvaartprotocol3 waarin luchtvervoer afspraken zijn gemaakt met de landen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, is namelijk afgesproken eventuele afspraken over overheidsingrijpen in de luchtvaartmarkt door middel van een PSO uit te voeren. Een PSO is een instrument dat de overheid de mogelijkheid geeft om in te grijpen in de vrije markt voor luchtvervoer. Met een PSO kunnen nadere eisen aan de ticketprijzen en aan het minimum aantal vluchten worden gesteld. Op Saba en Sint Eustatius zouden lagere ticketprijzen de kosten voor de luchtvaartmaatschappij niet dekken, waardoor een overheidsbijdrage noodzakelijk zal zijn. Indien het besluit genomen zou worden door het Rijk om een PSO in te stellen dient de financiering hiervoor gevonden te worden.
Daarnaast is een wijziging in de Luchtvaartwet BES noodzakelijk om een PSO in te kunnen stellen. Het wetsvoorstel daartoe is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. Het genoemde wetsvoorstel regelt de wettelijke grondslag voor een PSO. De eventuele instelling, invulling en financiering worden hierin niet geregeld, maar zullen geregeld moeten worden bij de regeling die vastgesteld moet worden bij een concreet besluit tot instelling van een PSO. In 2023 is de vereiste jaarlijkse subsidie door onderzoeksbureau SEO geschat tussen de 3,8 en 7,6 miljoen dollar per jaar. Deze bedragen worden op dit moment geactualiseerd. De resultaten worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Gegeven dat uit eerdere stukken blijkt dat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES2 en de implementatie van een Public Service Obligation (PSO) naar verwachting circa twee jaar in beslag nemen, hoe wordt in de tussenliggende periode de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius geborgd?
Uit de evaluatie van de beleidsdeelneming in Winair komt naar voren dat een PSO de enige effectieve manier is om de ticketprijzen te kunnen verlagen5. Gezien deze conclusie kan in de tussenliggende periode niets worden gedaan aan de hoge ticketprijzen. Indien het besluit genomen wordt om een PSO in te stellen, dan zal dat pas kunnen nadat de wetswijziging van de Luchtvaartwet BES in werking is getreden. Het wetsvoorstel is op 1 december 2025 ingediend bij de Kamer. De daadwerkelijke instelling van de PSO vraagt om dekking, zoals beschreven in het antwoord op de vorige vraag. Er is nog geen financiering beschikbaar voor de instelling van de PSO. De geschatte benodigde financiering wordt momenteel geactualiseerd.
Naast de luchtverbinding, draagt de veerdienst tussen Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius bij aan de bereikbaarheid. Zoals gemeld in de brief van 11 december jl.6 heeft het kabinet besloten voor de jaren 2026 en 2027 € 1,5 mln. beschikbaar te stellen om de subsidie voor deze veerdienst voort te zetten en te verhogen. Eerder is vastgesteld dat deze veerdienst zonder rijksbijdrage niet levensvatbaar is. Voor de periode na 2027 is nog geen financiering beschikbaar.
Verder kan vanuit eigen initiatief door de eilanden ingezet worden op het stimuleren en verbeteren van de bereikbaarheid. Een voorbeeld hiervan zijn de initiatieven die het Openbaar Lichaam van Sint Eustatius neemt om luchtverbindingen van Sint Eustatius op te zetten met de luchtvaartmaatschappij Dutch Caribbean Islandhopper (DCI).
Acht u het verantwoord dat gedurende deze tussenperiode niet alleen de toegang tot essentiële voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs en werk, maar ook het economisch en toeristisch draagvlak van Saba en Sint Eustatius onder druk staan, terwijl bereikbaarheid hiervoor een randvoorwaarde is?
Het kabinet erkent dat het vervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarbij is het van belang om aan te geven dat het vervoer naar verschillende essentiële voorzieningen, zoals medische zorg en onderwijs, al wordt geborgd via andere instrumenten. Zo wordt medisch vervoer geborgd via VWS, waarbij er aparte afspraken zijn over medische vluchten. De mogelijke PSO is dus specifiek gericht op reguliere vluchten.
Dat neemt niet weg dat lucht- en zeevervoer van en naar Saba en Sint Eustatius van belang is voor de bereikbaarheid van de eilanden. Daarom wordt ingezet op de maatregelen die genoemd zijn onder het antwoord op vraag 4.
Welke tijdelijke maatregelen acht u juridisch en beleidsmatig mogelijk om de beschikbaarheid en continuïteit van de luchtverbindingen met Saba en Sint Eustatius als publieke dienst te waarborgen in afwachting van de invoering van de PSO?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Bent u bereid om, samen met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius, actief te verkennen welke mogelijkheden er zijn deze verbindingen in de tussenliggende periode tijdelijk te borgen via afspraken gericht op beschikbaarheid en exploitatie, zonder het subsidiëren van individuele reizen?
De ministeries zijn voortdurend in overleg met de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius. In deze overleggen wordt onder andere stilgestaan bij de veiligheid van de luchtvaart en het voldoen aan internationale standaarden. Ook de connectiviteit, zowel in algemene zin als wat betreft deze specifieke verbindingen, wordt besproken. Ondanks dat wij onder vraag 4 hebben aangegeven dat wij geen mogelijkheden zien om momenteel de ticketprijzen te kunnen verlagen, kan dit onderwerp in deze overleggen worden besproken.
Hoe borgt u dat de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius in deze tussenperiode niet afhankelijk wordt van individuele draagkracht, maar als collectieve basisvoorziening kan blijven functioneren?
Zie de beantwoording onder vraag 4.
Welke concrete scenario’s voor tijdelijke borging van de bereikbaarheid van Saba en Sint Eustatius worden momenteel verkend, en op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie de beantwoording onder vraag 4 voor borging van de bereikbaarheid. Daarnaast actualiseert het Ministerie van IenW momenteel het onderzoek uit 2023 over de subsidiekosten voor een PSO voor de luchtverbindingen op Saba en Sint Eustatius. De Kamer wordt in het tweede kwartaal van 2026 over dit onderzoek en de mogelijk door het Rijk te nemen stappen geïnformeerd.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
De beschuldigingen van de Verenigde Staten richting Nederlandse toezichthouders en NGO’s die toezien op het handhaving van de Digital Services Act |
|
Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Justitiecommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin Nederlandse en Europese organisaties onder vuur worden genomen vanwege hun rol bij de handhaving van de Digital Services Act (DSA)?1
Bent u eveneens bekend met de reactie van Bits of Freedom en Justice for Prosperity? Wat is hierop uw reactie?2
Hoe reageert u op de aantijgingen die in het rapport worden gemaakt, waaronder richting de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en NGO’s als Bits of Freedom en Justice for Prosperity?3
Kunt u bevestigen dat de ACM simpelweg haar wettelijke taak uitvoert door de DSA te handhaven? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Kunt u bevestigen dat Bits of Freedom en Justice for Prosperity hun maatschappelijke taak vervullen door betrokken te zijn bij de handhaving van de DSA? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Welke status heeft dit rapport? Heeft u reden om te geloven dat hieruit sancties of maatregelen richting EU-lidstaten kunnen of zullen volgen?
Wat vindt u van de beschuldiging dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onder druk worden gezet omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren? Heeft u hierover contact gehad met Amerikaanse vertegenwoordigers? Zo niet, kunt u dit alsnog doen?
Bent u op de hoogte van berichtgeving waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid VS-diplomaten in Europa heeft geïnstrueerd om de DSA te traineren en frustreren?4 Hoe kijkt u naar deze werkwijze van de Verenigde Staten?
Is de Amerikaanse ambassade in Nederland ook actief bezig met verzet tegen de handhaving van de DSA? Kunt u dit bevestigen, en toezeggen dat u contact met de ambassade opneemt om op te komen voor de vrijheid van onze toezichthouders en NGO’s?
Veroordeelt u de handelwijze van de Amerikaanse justitiecommissie, nu Nederlandse organisaties onder schot staan voor het uitvoeren van hun wettelijke en maatschappelijke taken?
Bent u bereid maatregelen te nemen om de ACM, Bits of Freedom en Justice for Prosperity te beschermen tegen mogelijke Amerikaanse maatregelen naar aanleiding van het rapport van de justitiecommissie?
Zegt u toe om deze Nederlandse organisaties bij te staan als tegen hen een inreisverbod wordt ingevoerd? Op welke manier kunt u hen hulp aanbieden?
Hoe reageert u, in het licht van het rapport uit het Huis van Afgevaardigden, op het feit dat de Verenigde Staten eerder toegang tot het land hebben geweigerd voor Eurocommissaris Thierry Breton en vier vertegenwoordigers van NGO’s?
Veroordeelt u, net als de Europese Commissie, de handelwijze van de Verenigde Staten nu zij pleitbezorgers van techregulering bestraffen?
Deelt u de zorgen van de indiener dat de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU en haar lidstaten kan leiden tot aarzeling bij het versterken en handhaven van Europese techregulering, zoals scherpere maatregelen tegen manipulatieve algoritmen en een digitaledienstenbelasting?
Bent u het met de indiener eens dat Europa juist ondubbelzinnig en eensgezind moet blijven pleiten voor het strenger handhaven van wet- en regelgeving die de macht van Big Tech beteugelen, zoals gevraagd in de motie-Kathmann [Kamerstuk 30 821-264]?
Ziet u in de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU aanleiding om versneld te verkennen hoe Nederland haar afhankelijkheid van Amerikaanse techdiensten kan afbouwen, zowel in de ICT-dienstverlening als bij de communicatieplatforms?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het bericht dat de NS ICT uitbesteedt aan een Amerikaanse leverancier |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS besteedt ict deels uit aan Amerikaanse leverancier»?1
Kunt u toelichten welke ICT-processen van de NS precies worden uitbesteed?2 Zijn dit (onderdelen van) kritieke processen met gevolgen voor de continuïteit van de NS indien ze langer dan één dag uitvallen?
Klopt het dat er ook (onderdelen van) beveiligingssystemen worden uitbesteed aan een Amerikaans bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de digitale autonomie van de Nederlandse (spoor)infrastructuur?
Deelt u de opvatting van de NS dat de uitbestede processen niet missiekritisch zijn?3 Kunt u schetsen welke gevolgen het heeft voor de dienstverlening van de NS indien deze systemen wél uitvallen? Kunt u uitsluiten dat de uitvoering van de dienstverlening van NS (het laten rijden van treinen op het hoofdrailnet) in gevaar zou kunnen komen wanneer de betreffende systemen uitvallen? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, deelt u dan de zorgen over deze uitbesteding?
Kan de Amerikaanse overheid, via wet- en regelgeving zoals de CLOUD Act, Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333, toegang krijgen tot gevoelige gegevens over de Nederlandse spoorinfrastructuur? Kunt u dit met een ja of nee beantwoorden en dit met concrete verwijzing naar relevante juridische bronnen toelichten?
Biedt de groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse ICT-bedrijven de mogelijkheid voor de Verenigde Staten om druk uit te oefenen op Nederland, bijvoorbeeld door de continuïteit van de dienstverlening van de NS in gevaar te brengen?
Deelt u de mening dat de NS digitale autonomie zou moeten betrachten en af zou moeten zien van deze aanbesteding bij een Amerikaans bedrijf? Welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?
Waarom voldeed KPN niet meer als aangewezen ICT-leverancier voor deze diensten? Was het strikt noodzakelijk om de ICT uit te besteden, en zo ja, waarom aan een niet-Europees bedrijf?
Past de keuze van de NS om haar ICT uit te besteden aan een Amerikaans bedrijf binnen de ambitie van het kabinet om meer digitaal onafhankelijk te worden? Welke rol heeft de Staat als enig aandeelhouder hierin?
Hoe kijkt u aan tegen de keuze van de NS om, tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke situatie en nadat de Rijksoverheid herhaaldelijk het belang van digitale autonomie benadrukte, alsnog ICT uit te besteden aan een niet-Europees bedrijf?
Acht u de lange doorlooptijd van het contract, namelijk zes tot twaalf jaar, geschikt gezien de onzekerheid van de geopolitieke relatie met de Verenigde Staten?
Klopt het dat er geen nationale richtlijnen bestaan om Amerikaanse partijen te weren? Staat dit wel voorzien in het nieuwe cloudbeleid dat nog steeds in ontwikkeling is?
Is in deze aanbesteding voldaan aan de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), waarin staat dat er strenge eisen gesteld moeten worden aan digitale autonomie en soevereiniteit?
Is het mogelijk om via het Cloud Sovereignty Framework van de EU wél voorkeur te geven aan Europese partijen bij ICT-aanbestedingen? Waarom is daar in dit geval geen gebruik van gemaakt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden, nog voordat er onomkeerbare stappen worden gezet?
De oproep van experts om AI-uitkleedsoftware wereldwijd te verbieden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest, wereldwijd ondertekend, die oproept om AI-uitkleedsoftware te verbieden?1
Wat is uw reactie op het manifest? Kunt u inhoudelijk reageren op de specifieke oproepen aan beleidsmakers van EU-lidstaten?
Steunt u het manifest? Zo ja, op welke manieren geeft u uitvoering aan de aanbevelingen?
Hoe gaat u de motie-Van der Werf c.s. [Kamerstuk 36 800 VI-80] uitvoeren die vraagt om een onderzoek naar een verbod op dergelijke apps?
Kunt u de wettelijke maatregelen tegen uitkleedsoftware versnellen, en zo spoedig mogelijk met wetgeving komen om AI-uitkleedsoftware te verbieden?
Bent u bekend met de oproep van Spanje, gesteund door Ierland, Frankrijk en Slovenië, om AI-uitkleedsoftware te verbieden in artikel 5 van de Europese AI Act?2, 3
Deelt u de analyse van deze landen dat AI-uitkleedsoftware al is verboden in de Europese Unie? Zo niet, bent u bereid te pleiten voor een Europees verbod?
Bent u bereid om Nederland bij deze groep EU-lidstaten te voegen? Welke expertise en ondersteuning kan Nederland in deze groep bieden, bijvoorbeeld met organisaties als Offlimits aan tafel?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het bericht 'Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao' |
|
Derk Boswijk (CDA), Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het bericht 'Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam' en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties. |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
De acute situatie rond Selibon |
|
Don Ceder (CU) |
|
Thierry Aartsen (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Wat heeft het Rijk ondernomen naar aanleiding van de recente gebeurtenissen op Bonaire?1
Op 20 november heeft de Staatssecretaris van BZK met het Bestuurscollege van Bonaire de bestuursovereenkomst «Samenwerking Aanpak Selibon Lagun» gesloten. Deze bestuursovereenkomst is toegevoegd aan het Bestuursakkoord Bonaire 2024–2027. Monitoring van de voortgang vindt plaats tijdens de periodieke «Stuurgroep Bestuursakkoord Bonaire» met deelneming van het Bestuurscollege, vertegenwoordigers van BZK en waar relevant betrokken departementen.
In de bestuursovereenkomst zijn korte termijn maatregelen opgenomen die mede door BZK gefinancierd worden en die de omstandigheden voor de omwonenden van de stortplaats op korte termijn zichtbaar en merkbaar zullen verbeteren. Daarnaast ziet de bestuursovereenkomst op een langetermijnperspectief voor afvalverwerking, inclusief sluiting van de stortplaats op uiterlijk 31 december 2028.
Naar aanleiding van de recente gebeurtenissen is geconstateerd dat een aantal maatregelen rond het stortplaatsbeheer moeten worden geherprioriteerd. Hierover is de Staatssecretaris van BZK momenteel in gesprek met het bestuurscollege.
Hoe is de brand ontstaan?
Op basis van de momenteel beschikbare informatie kan nog geen uitspraak worden gedaan over de wijze waarop de brand van 17 tot en met 19 januari jl. is ontstaan. Selibon heeft inmiddels conform het bedrijfsnoodplan een onderzoeksteam ingesteld die mogelijke oorzaken in beeld zal brengen waarbij zoveel mogelijk aspecten in het onderzoek zullen worden meegenomen waaronder een reconstructie van de gebeurtenissen en mogelijk forensisch onderzoek. Een onderzoeksteam is inmiddels gestart en zal naar verwachting medio februari 2026 met conclusies en aanbevelingen komen.
Welke acties heeft het kabinet ondernomen naar aanleiding van de aangenomen motie Ceder c.s. over het structureel oplossen van de problematiek rondom Selibon (Kamerstuk 22 343, nr. 422) waarin werd verzocht om het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de noodzakelijke coördinerende rol te laten nemen in het oplossen van de problemen? Voert het ministerie inmiddels de regie? Zo nee, waarom niet? Heeft u vertrouwen in de aansturing van lokale overheid?
De regie voor afvalbeheer ligt primair bij het Openbaar Lichaam Bonaire, afvalbeheer is immers een eilandelijke taak. BZK en IenW ondersteunen en faciliteren het bestuurscollege daarbij. In de door de Staatssecretaris op van BZK op 20 november 2025 gesloten bestuursovereenkomst is opgenomen dat partijen gezamenlijk streven naar sluiting van Selibon Lagun uiterlijk op 31 december 2028. Het Bestuurscollege besluit uiterlijk 1 juli 2026 over een alternatieve locatie voor afvalverwerking. In de bestuursovereenkomst is verder opgenomen dat de uitwerking van aanvullende afspraken over de uitvoering en governance ook voor 1 juli 2026 gezamenlijk door BZK, IenW en LVVN uitgewerkt moeten zijn.
Wat is er in de tussentijd geprobeerd om de problemen structureel op te lossen en de ramp die er nu plaatsvindt te voorkomen?
In de periode voorafgaand aan het incident zijn binnen de reguliere bedrijfsvoering van Selibon maatregelen genomen die gericht zijn op toezicht, signalering en beheersing van operationele risico’s op de stortplaats. Deze maatregelen hebben voornamelijk een beheersmatig karakter. Voor het structureel oplossen van het afvalvraagstuk op Bonaire is meer nodig. In de bestuursovereenkomst is opgenomen dat het Bestuurscollege, BZK, IenW en LVVN onder regie van het Bestuurscollege gezamenlijk voor 1 juli 2026 met een plan van aanpak voor structurele oplossing zullen komen.
Wat doet het ministerie nu om de acute situatie op te lossen en de lokale autoriteiten te helpen?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 1. In de bestuursovereenkomst zijn onder andere korte termijn maatregelen en financiering opgenomen die op korte termijn tot merkbare en zichtbare verbeteringen moeten leiden.
Is er, als gevolg van de recente branden, sprake van gezondheidsrisico’s voor bewoners?
Het is niet bekend of er sprake is gezondheidsrisico’s als gevolg van de brand van 17 januari 2026. Er zijn tijdens de brand geen (lucht)metingen verricht.
Wel is bekend dat er 55 meldingen waren van omwonenden vanwege onder andere rookoverlast en deze omwonenden elders zijn onder gebracht in hotels.
Bent u in gesprek met de stichting Pro Lagun? Bent u bereid structureel in gesprek te gaan en te blijven over de ontwikkelingen?
Ja, ik ben in gesprek met de stichting Pro Lagun. Tijdens mijn bezoek in oktober 2025 heb ik uitgebreid met hen gesproken, wat mede heeft geleid tot de bestuursovereenkomst die ik in november heb ondertekend.
Ik vind het van belang dat omwonenden een structurele plek krijgen bij deze hersteloperatie. Hierover hebben Bonaire, BZK en ProLagun nadere werkafspraken gemaakt. Daarbij ben ik in gesprek met de stichting Pro Lagun over de manier waarop ik hen kan ondersteunen.
Past de huidige manier van afvalstorten binnen de geldende veiligheidsvoorschriften? Zo nee, kan het kabinet zo specifiek mogelijk zijn op welke onderdelen in strijd met geldende wet- en regelgeving wordt gehandeld?
Tijdens de inspectie in augustus 2024 constateerde de ILT bij Selibon dat sprake was van een zorgwekkende, complexe en urgente situatie. De stortplaats heeft momenteel nog geen vergunning, wel is een vergunningsaanvraag ingediend en heeft het OLB een gedoogverklaring afgegeven.
Hoe staat het kabinet tegenover afvalscheiding aan de bron waarbij groente-, fruit- en tuinafval en bouwpuin apart worden verwerkt, waardoor een deel lokaal kan worden hergebruikt en minder afval hoeft te worden afgevoerd?
Het aan de bron scheiden van deze twee grote stromen is een zeer positieve ontwikkeling waarvoor het OLB inmiddels al de nodige initiatieven heeft genomen.
Wat vindt het kabinet van de uitspraak van Pro Lagun dat doorgaan met storten op termijn alleen maar leidt tot hogere kosten door branden, gezondheidsrisico’s en milieuschade?
Om te voorkomen dat verdere milieuschade kan ontstaan streven partijen er gezamenlijk naar Selibon Lagun uiterlijk op 31 december 2028 te sluiten. Het storten van afval op Lagun zal per die datum worden gestopt.
Acht het kabinet het plan van het college om over 2 jaar over te gaan naar een nieuw systeem een verantwoord plan en kan het kabinet instaan voor de veiligheid en gezondheid van omwonenden? Zo ja, bent u bereid om hier extern onderzoek naar te laten doen?
Het besluit over een alternatieve locatie voor afvalverwerking en de daaraan verbonden maatregelen zal uiterlijk 1 juli 2026 door het Bestuurscollege genomen worden om uiterlijk op 31 december 2028 de stortplaats te kunnen sluiten. Partijen zullen de voortgang en uitvoering periodiek monitoren in bestuurlijke overleggen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over een extern en onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren (Kamerstuk 22 343, nr. 423) naar het ontstaan en verloop van de situatie rondom Selibon?
Ik vind het van belang om nu prioriteit te geven aan de uitvoering van de korte termijn maatregelen. Zodra er besluitvorming heeft plaatsgevonden over de structurele oplossing, ben ik voornemens een onderzoek uit te laten voeren naar het ontstaan van de situatie.
Kunt u toelichten hoe de motie Ceder/Van der Burg over voor 1 juli 2026 een gedragen (financieel) plan voor een structurele oplossing van Selibon Lagun (Kamerstuk 36 800 IV, nr. 38) wordt uitgevoerd?
Onder regie van het Bestuurscollege en met ondersteuning van BZK, IenW en LVVN, wordt gewerkt aan de uitwerking van structurele scenario’s. Daarbij wordt tevens bezien of het bestaande juridische instrumentarium toereikend is, of dat aanvullende wettelijke regels noodzakelijk zijn om uitvoering en naleving te borgen.
De Kamer zal vóór de zomer van 2026 worden geïnformeerd over de voortgang en de contouren van deze structurele aanpak.
Is het kabinet bereid om deze vragen, gezien de acute situatie, zo snel mogelijk maar uiterlijk voor 23 januari 2026 beantwoorden?
Voor de afstemming van de antwoorden was enige tijd nodig, ik heb de antwoorden zo spoedig mogelijk als mogelijk was aan u toegezonden.
Een verbod op de AI-chatbot van X |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «X komt met nieuwe beperkingen voor gebruik Grok, maar mensen uitkleden blijft simpel»1, «Politie en instanties slaan alarm om AI-app Grok: BN’ers digitaal uitgekleed, verbod in Nederland op tafel»2 en «Topoverleg tussen OM en Minister over uitkleed-app Grok, topman Musk komt beloftes niet na met nieuwe update»3?
Is het bij u bekend dat de AI-chatbot Grok van xAI wordt gebruikt om seksuele deepfakes te maken op X? Wat is daarop uw reactie?
Welke conclusies trekt u op basis van de berichtgeving? Vindt u dat X en xAI verantwoord handelen? Zo niet, welke maatregelen kunt u zowel nationaal als Europees nemen om misbruik van xAI tegen te gaan?
Wat heeft u met het Openbaar Ministerie besproken in het overleg van 15 januari 2026, waarover het AD bericht heeft? Kunt u de uitkomsten met de Kamer delen?
Zijn uitkleedapps en -tools verboden in Nederland? Hoe wordt hierop gehandhaafd, en welke gevolgen heeft het voor X dat het platform het genereren van seksuele deepfakes standaard aanbiedt via Grok?
Welke mogelijkheden bent u aan het verkennen om op te treden tegen uitkleedapps en -tools? Hoe bent u dit aan het onderzoeken en op welke termijn gaat u de uitkomsten met de Kamer delen?4 Hoe snel zou u aanvullende maatregelen kunnen nemen?
Vindt u de maatregelen die X heeft aangekondigd voldoende, namelijk een geoblokkade voor de AI-functie om seksuele deepfakes te genereren in landen die daar wetten tegen hebben? Wat betekent dit voor Nederlandse slachtoffers?
Deelt u de zorgen van de indiener dat deze geoblokkade gemakkelijk te omzeilen is en geen recht doet aan het leed van slachtoffers die ongewenst seksueel zijn afgebeeld?
Onder welke voorwaarden vindt u het acceptabel dat Grok beschikbaar blijft op X? Bent u, ook na de technische aanpassingen van de chatbot, van mening dat deze niet langer beschikbaar moet zijn?
Bent u bereid om, net als in België en het Verenigd Koninkrijk, over te gaan tot het blokkeren van de AI-chatbot Grok? Welke andere ingrijpen heeft u tot uw beschikking?
Steunt u de oproep van de Europese Commissie dat alle interne documenten en data gerelateerd aan de chatbot Grok moet worden vrijgegeven in het lopende onderzoek naar de contentmoderatie van X?5
Kunt u de relevante toezichthouders, in dit geval de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens, vragen om hun reactie? Hebben zij voldoende mogelijkheden om toezicht te houden en te handhaven?
Hoeveel klachten en meldingen zijn er gedaan door slachtoffers van seksuele deepfakes door Grok? Hoe wordt hier opvolging aan gegeven? Gebeurt dit altijd tijdig?
Hoe is uw contact met X? Heeft u de zorgen over deepfakes al met X besproken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? Zo niet, kunt u dit zo spoedig mogelijk alsnog doen?
Voldoen X en xAI naar uw weten aan de ethische- en transparantieverplichtingen van Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke gevolgen heeft het als dit niet het geval is?
Behoren het verbieden van X of het vertrekken van overheidsorganisaties van de dienst tot de mogelijkheden als X stelselmatig de nationale en Europese wet- en regelgeving blijft overtreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
van Marum , Rijkaart , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Het is op basis van de berichtgeving nog te vroeg om dat te concluderen. Het gaat immers vooralsnog om tijdelijke activiteiten. Daarnaast is de situatie in Venezuela nog hoogst onzeker. Er bestaan verschillende scenario’s voor een Venezuela post-Maduro. Deze onzekerheid heeft ook betrekking op de olie-industrie. Tegelijkertijd beschikt Curaçao door zijn geografische ligging en bestaande haven- en opslaginfrastructuur over kenmerken die het eiland mogelijk interessant maken voor energielogistiek in de regio. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
Op dit moment wordt de olie- en haveninfrastructuur hiervoor al benut. Er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao meer bedrijvigheid zal kennen als fossiele doorvoerhaven door de huidige ontwikkelingen. Structurele economische keuzes liggen bij Curaçao.
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
De huidige ontwikkelingen betreffen vooralsnog tijdelijke activiteiten in een specifieke geopolitieke context. Dit maakt het te vroeg om te spreken over structurele kansen voor Nederland of Nederlandse bedrijven. Dat Curaçao beschikt over bestaande haven- en opslagfaciliteiten en een strategische ligging kan het eiland in algemene zin relevant maken als energiehub in de regio. Of en in hoeverre hieruit concrete economische kansen ontstaan, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen en betreft in de eerste plaats een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
De primaire verantwoordelijkheid voor economische keuzes en haven- en industriële activiteiten ligt bij het Land Curaçao. De rol van het Koninkrijk is daarbij onder meer om, waar aan de orde, de Rijksbrede belangen te bewaken (zoals internationale verplichtingen en veiligheid).
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren actief ingezet om samenwerking op het gebied van energielogistiek en strategische infrastructuur te versterken. Zo zijn via de SDE++ middelen beschikbaar gesteld voor het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, waaronder netverzwaring en batterijopslag, met als doel de betrouwbaarheid en flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Daarnaast is de BMKB-regeling opengesteld voor Curaçao om de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te verbeteren en zo de bredere economische ontwikkeling te ondersteunen. Deze inzet is gericht op het creëren van voorwaarden waarbinnen Curaçao zelfstandig verdere keuzes kan maken.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Hoewel Curaçao historisch een rol heeft gespeeld in de regionale energie-infrastructuur, is het op basis van de huidige informatie te vroeg om te spreken over de ontwikkeling van Curaçao tot een structurele energiehub binnen het Koninkrijk. De recente activiteiten geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten en kennen een tijdelijk karakter. De ontwikkeling van een dergelijke rol vergt langdurige investeringen, beleidskeuzes en stabiliteit, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het autonome land Curaçao ligt. Nederland kan binnen de bestaande verhoudingen ondersteunen waar dat passend is, maar stuurt hier niet op.
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
Gezien het vooralsnog tijdelijke karakter van de huidige activiteiten is het op dit moment moeilijk te bepalen wat de exacte mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen in te zetten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao. Dit betreft in de eerste plaats ook een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Op dit moment is er geen sprake van concrete trajecten gericht op structurele synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken of kennisinstellingen. Zolang onduidelijk is of de huidige activiteiten een duurzaam karakter krijgen, ligt de focus op het volgen van de ontwikkelingen. Indien zich op termijn meer bestendige economische activiteiten aandienen, kan worden bezien of en hoe samenwerking binnen het Koninkrijk toegevoegde waarde kan hebben, met respect voor de autonome bevoegdheden van Curaçao.
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Ik ben bereid om hierover met Curaçao in gesprek te blijven, binnen de bestaande overlegstructuren in het Koninkrijk. Daarbij geldt dat een eventuele bredere economische visie rekening moet houden met internationale en juridische kaders (waaronder sanctieregimes voor zover van toepassing), veiligheid en weerbaarheid van strategische infrastructuur; en milieu- en gezondheidsaspecten.
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
De berichtgeving laat zien dat de ontwikkelingen rond Venezolaanse olie in de Cariben veranderlijk zijn en geopolitieke gevoelig liggen. Daarom blijf ik goed in contact met het land Curaçao over de actuele ontwikkelingen en mogelijke implicaties voor het Koninkrijk. Het is aan het autonome land Curaçao om eventuele economische kansen te benutten. Indien Nederland hier een actieve rol in krijgt, breng ik de Kamer hiervan op de hoogte stellen.
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman |
|
van Marum |
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Het IMG indexeert elk jaar de bouwkosten en bij NCG kunnen de bouwkosten tot aan de start van de bouw geïndexeerd worden door aannemers en wordt periodiek de Groninger Maatregelen Catalogus geïndexeerd. Als het gaat om de vergoedingen die mensen ontvangen in het kader van schade door versterken (NCG) of bijkomende kosten (IMG), maak ik jaarlijks een afweging met betrekking tot indexatie van de verschillende vergoedingen. Het gaat hier om de vergoedingen waarvoor een vast bedrag is vastgesteld in bijlage 2.2 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen.
Alle vergoedingen uit de lijst in bijlage 2.2 worden dit jaar geïndexeerd met 3,27%. Uitzonderingen hierop zijn de forfaitaire ZAV-vergoeding, de vergoeding voor eigen tijd en lang wachten op een opgeleverde versterkte woning (maatregel 16) en de vergoeding om de verschillen recht te trekken tussen eigenaren en huurders ten aanzien van de overlastvergoeding voor de versterking (maatregel 12b). De vergoeding voor het thuisblijven tijdens de schadeopname en het schadeherstel kan jaarlijks door het IMG wordt geïndexeerd op basis van het minimumloon.
De reden waarom de ZAV-vergoeding niet wordt geïndexeerd heeft te maken met de eerder genoemde verkenning van mogelijkheden om het forfaitaire bedrag te verhogen. Maatregel 16 is een eenmalige vergoeding van € 2.500. Deze vergoeding is niet gekoppeld aan bepaalde kosten die aan inflatie onderhevig zijn en wordt daarom niet geïndexeerd. Maatregel 12b is bedoeld als vergoeding voor tijd en overlast uit het verleden, waardoor jaarlijkse indexatie niet in de rede ligt. Bij regelingen van het IMG met een maximale vergoeding, zoals de forfaitaire vergoedingen en immateriële schadevergoeding, wordt deze maximale vergoeding niet geïndexeerd. Ook wordt de waardedalingsregeling niet geïndexeerd.
De wijziging in de Regeling Tijdelijke wet Groningen, waarin deze indexatie van 3,27% terugwerkende kracht tot 1 januari wordt geregeld, is op 21 januari gepubliceerd in de Staatscourant.1
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Ja, dit klopt.
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
De aanpak in Tjamsweer betreft een aanpak voor het dempen van onaanvaardbare verschillen. Zoals ik in mijn brief van 19 september 20252 heb aangegeven horen bij deze aanpak ook de juiste vergoedingen. Hiervoor ontbreekt echter de juiste grondslag in de wetgeving. Vandaar dat NCG op dit moment de bewoners een afwijzing moet sturen. Momenteel wordt verkend of er toch een wettelijke grondslag kan worden gecreëerd om ook de kosten van deze bewoners te vergoeden. Ik verwacht uw Kamer hier spoedig over te informeren.
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Ja, ik erken dat hierdoor ongelijkheid ontstaat. Vandaar dat ik met NCG de mogelijkheden verken om dit recht te zetten.
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
De wijzigingsregeling die een verlenging van deze subsidies mogelijk maakt, leg ik nog deze maand ter voorhang aan uw Kamer voor.
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
Ja, ook bewoners die nog een beoordeling krijgen, kunnen aanspraak maken op deze subsidie.
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Er is niet bewust voor gekozen om bepaalde bewoners wel en andere bewoners geen vergoeding toe te kennen. Binnen maatregel 16 worden verschillende doelgroepen onderscheiden, waarbij de uitvoerbaarheid per doelgroep verschilt. Het uitkeren van de vergoeding aan eigenaren van een gebouw dat in de werkvoorraad van de NCG zit en waarvoor een versterkingsbesluit of besluit op norm is ontvangen is het meest eenvoudig gebleken. Deze groep heeft de vergoeding inmiddels ontvangen of ontvangt deze op korte termijn.
Voor huurders van sociale huurwoningen binnen de werkvoorraad van de NCG geldt een andere situatie. Omdat ik voor uitbetaling van de vergoeding aan deze groep afhankelijk ben van woningcorporaties, is de situatie hier ingewikkelder. Op dit moment werk ik samen met NCG en woningcorporaties aan een complete lijst van adressen die recht hebben op de vergoeding.
Voor de uitbreiding van deze vergoeding naar bewoners in de Batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid te Delfzijl geldt dat ik met de betrokken gemeenten heb afgesproken dat zij de vergoeding zullen uitkeren aan deze bewoners. Ik verwacht dat bewoners hier binnen enkele weken meer duidelijkheid over zullen krijgen.
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Ik vind het uiteraard vervelend dat de vergoeding voor eigen tijd en het lange wachten op een versterkte, opgeleverde woning voor een deel van de doelgroep later komt dan werd verwacht. Ondanks dat alle betrokken partijen zich inzetten voor een spoedige uitkering, blijkt de regeling in de uitvoering complex. Mijn inzet blijft erop gericht alle bewoners zo snel mogelijk te vergoeden.
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Uiteraard onderschrijft het kabinet het doel om, in het geval van vergoedingen, bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen. Daarom werkt de NCG er op dit moment aan om ervoor te zorgen dat alle doelgroepen van maatregel 16 uit Nij Begun zo snel mogelijk de vergoeding ontvangen. De processen hiervoor zijn ingericht en veel bewoners hebben de vergoeding al ontvangen of zullen deze binnenkort ontvangen. Ik zet me ervoor in dat alle bewoners die recht hebben op de vergoeding en hier nu op wachten, deze voor het vierde kwartaal van 2026 kunnen ontvangen. Hierbij moet ik wel zeggen dat NCG bij sommige doelgroepen, zoals huurders, ook afhankelijk is van informatie die zij zelf aanleveren voordat NCG de vergoeding aan hen kan uitkeren.
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Zoals gezegd heb ik het doel om bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen in de vergoedingen waar zij recht op hebben. Zoals ik in mijn appreciatie van de betreffende motie aangaf, was het niet mogelijk om deze vergoeding voor 1 november uit te keren aan alle bewoners. Vanwege de eerder genoemde complexiteit in het uitkeren van de vergoeding aan bepaalde doelgroepen, is dit tot nu toe helaas nog niet voor iedereen mogelijk geweest.
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Het bedrag wordt niet opgenomen in het versterkingsbudget. De maatregel van maatregel 16 wordt vastgelegd in het versterkingsbesluit, zodat NCG geen apart besluit hoeft te nemen om deze vergoeding uit te keren. In het versterkingsbesluit is een afzonderlijke alinea aan deze maatregel gewijd. Bewoners, onder wie ook bewoners die nog in afwachting zijn van een versterkingsbesluit, ontvangen het bedrag te zijner tijd rechtstreeks op hun rekening. Er is dus geen sprake van ongelijkheid. Het bedrag is voor iedereen die het ontvangt vrij besteedbaar.
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht 'Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden»?1
Bent u op de hoogte van het incident waarbij AI-chatbot Grok door gebruikers werd aangespoord om seksuele deepfakes van minderjarige meisjes te genereren, en dat deze beelden tot wel 12 uur online hebben gestaan voordat ze werden verwijderd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident in het licht van de Digital Services Act (DSA) verplichtingen ten aanzien van bescherming van minderjarigen?
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Raad en richting de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat DSA-verplichtingen met betrekking tot bescherming van minderjarigen en voorkomen van AI-malafide content effectief worden nageleefd door grote platforms?
Bent u op de hoogte van de lopende onderzoeken van meerdere landen (o.a. Frankrijk, Zweden, Australië) tegen X over de stroom aan deepfakes en seksueel expliciete AI-beelden? Zo ja, wat is de Nederlandse positie en rol hierin?
Onder DSA zijn grote platformen verplicht om duidelijke, gebruiksvriendelijke mechanismen voor het rapporteren van illegale content te hebben en deze snel te behandelen, hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige mechanismen van X, mede gezien het feit dat sommige beelden pas na journalistieke publiciteit werden verwijderd?
Hoeveel meldingen van AI-gegenereerde illegale content, waaronder deepfakes en beelden met minderjarigen, zijn via het DSA-transparantiesysteem aan de Europese Commissie en nationale autoriteiten gerapporteerd, en wat is daarvan de uitkomst?
Kunt u duidelijkheid geven over hoe momenteel toezicht en handhaving is ingericht op het gebied van deepfake incidenten in Nederland? En is dit alleen meldings-gedreven of ook door middel van actieve detectie?
Hoe verhoudt de handhaving van de AVG zich tot de handhaving van de DSA in dit soort gevallen, en ziet u mogelijkheden om deze instrumenten gezamenlijk effectiever in te zetten?
Vindt u dat «nudify»-apps en dergelijke functies van AI-chatbots überhaupt bestaansrecht hebben? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Bent u bereid om aan te dringen op effectieve handhaving tegen X in de kwestie van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen en zo ja, welke nationale en Europese maatregelen kunnen er genomen worden of welke sancties kunnen er worden opgelegd?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting is niet toegestaan. Ook niet door internetplatforms. Als blijkt dat een online dienst stelselmatig inbreuk maak op de grondrechten, verdient dat een stevige veroordeling. Een beoordeling of er tevens sprake is van overtreding van wet- of regelgeving, zoals de Digital Services Act, is aan de bevoegde toezichthouder(s).
Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. Zo moeten platforms de gebruiker een duidelijke en specifieke motivering verstrekken. Ook dienen online platforms adequate mogelijkheden aan te bieden om bezwaar te maken tegen het verwijderen of schorsen van accounts. In het geval van zeer grote online platformen (VLOP’s) als Meta is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder op de naleving van de DSA.
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
In dergelijk detail heb ik daar geen zicht op. De Europese Commissie houdt een database bij waarin onder meer zeer grote online platforms inzicht geven in de moderatie die zij verrichten. Wanneer een online platform besluit om accounts te schorsen of content te verwijderen, moet het platform het besluit en de specifieke motivering hiervoor indienen voor opname in de database.3
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Het onderzoek van Repro Uncensored stelt dat sprake is van een toename aan dergelijke beperkingen in 2025 ten opzichte van 2024. De DSA verplicht online platforms tot transparantie over hun moderatiepraktijken en de toezichthouders controleren hierop.
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
In het kader van zorgvuldigheid uit ik nog geen oordeel. Het namelijk niet aan mij om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van fouten in de moderatiepraktijken van online platforms, maar aan de toezichthouder. Wel worden signalen als deze benoemd tijdens het structurele contact dat ik heb met de toezichthouder.
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Het is niet passend als ik me daarover uitlaat, dat is aan de toezichthouder. In algemene zin vind ik het belangrijk dat de online publieke ruimte inclusief moet zijn en dat het niet zo kan zijn dat accounts op basis van specifieke gronden onevenredig worden geblokkeerd of gecensureerd.
Online platforms mogen hun eigen algemene voorwaarden vormgeven, maar moeten die zorgvuldig, evenredig en objectief handhaven (artikel 14, DSA). Er is in Nederland en de EU geen ruimte voor ongelijke behandeling in gelijke gevallen en het overtreden van nationale en Europese wetgeving door een platform en het is aan de Europese Commissie om te handhaven. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie in het uitoefenen van haar toezichthoudende taak op de naleving van de DSA en diens kaders ter beperking van systeemrisico’s als online haat en discriminatie. Als er sprake blijkt van systeemrisico’s op een online platform als online haat tegen gemarginaliseerde groepen, biedt de DSA ook middelen om dit te sanctioneren.
Zoals afgelopen zomer werd aangekondigd in het Plan van aanpak tegen online discriminatie, treft het kabinet zelf ook maatregelen om de prevalentie van online discriminatie zichtbaar te maken en voor Nederlandse burgers om hun digitale rechten te gebruiken. Ook maatregelen gericht op zogeheten awful but lawful content, dat schadelijk is maar niet-evident onrechtmatig.
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Als er inderdaad sprake is van opgelegde beperkingen zonder een duidelijke en specifieke motivering, dan kan er sprake zijn van een overtreding van de DSA. Indien dit geen geïsoleerd incident is maar onderdeel van een patroon, kan de bevoegde toezichthouder dit nader onderzoeken en desnoods handhavend optreden.
De DSA verplicht ook tot het bieden van een bezwaarmogelijkheid voor gebruikers. De getroffen gebruikers kunnen dit geschil daarnaast voorleggen aan één van de buitengerechtelijke geschilbeslechtingscommissies voor een onafhankelijke beoordeling.4 Indien zij in het gelijk worden gesteld dan kan dat leiden tot een besluit dat Meta hun account(s) moet herstellen. Tot slot kunnen de getroffen gebruikers een civielrechtelijke zaak tegen Meta starten. Er is inmiddels al een aantal voorbeelden waarbij Nederlandse organisaties en personen platforms voor de rechter hebben gedaagd wegens overtreding van de DSA, en dat hebben gewonnen.
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
De Europese Commissie kan als toezichthouder dwangsommen van de gemiddelde dagomzet en geldboetes opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet van een VLOP. Daarnaast kunnen personen en organisaties via de civiele rechter online platforms dagen voor overtredingen van de DSA, of gebruik maken van de mogelijkheden om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie. Zoals hiervoor toegelicht zijn daar reeds succesvolle voorbeelden van bekend.
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Dat is niet aan mij. Het is zaak dat de bevoegde toezichthouders onafhankelijk kunnen opereren. Ik vind het niet passend dat ik me uitlaat over de noodzaak om de ene of een andere zaak al dan niet te onderzoeken.
In algemene zin ben ik voorstander van een transparante online publieke ruimte en vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te doen met gebruik van openbare data van online platformen. Artikel 40 van de DSA biedt mogelijkheden daartoe. Wanneer een online platform deze toegang verhindert, kan de Europese Commissie daar een procedure tegen starten.
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Platforms mogen volgens de DSA hun eigen algemene voorwaarden bepalen, maar moeten bij het opstellen en toepassen daarvan gepaste aandacht hebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen. Waaronder de grondrechten van de afnemers van de dienst, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en de pluriformiteit van de media en andere fundamentele rechten en vrijheden zoals in het Handvest verankerd. Een oordeel of er in dit geval sprake is van een eventuele overtreding hiervan is aan de bevoegde toezichthouder, en uiteindelijk aan de (bestuurs)rechter, of in een privaatrechtelijke procedure aan de civiele rechter.
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Ja. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet ik stappen om alle vormen van discriminatie en onrechtmatige behandeling door grote mediaplatformen aan te pakken. De maatregelen hiertoe liggen besloten in het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Het contact tussen ons ministerie en de internetsector is structureel van aard, thema’s als non-discriminatie, veiligheid en inclusiviteit vormen (naast andere publieke waarden) de kern van dit contact.
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
De Europese Commissie is in eerste instantie de aangewezen partij om handhavend op te treden tegen overtredingen van de DSA door VLOP’s zoals Meta. Ik ondersteun de Europese Commissie waar mogelijk in diens rol als toezichthouder op de naleving van de DSA.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Het contact tussen de Europese Commissie en mijn ministerie (en andere relevante ministeries) is structureel van aard. Ik zie het als mijn taak om de Europese Commissie waar mogelijk te ondersteunen bij haar taakuitoefening als toezichthouder op de naleving van de DSA. Daar hoort ook het doorgeven van signalen zoals in deze berichtgeving bij. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie bij het uitoefenen van haar rol, dus voor aandringen zie ik geen noodzaak. Dat zou ook niet passend zijn omdat het de onafhankelijkheid van de Europese Commissie in het geding brengt.
Wel begrijp ik uw verlangen naar ad hoc en daadkrachtig ingrijpen bij waargenomen incidenten. De DSA is ontworpen om de grondrechten van mensen in de online wereld te bestendigen en ik vind het belangrijk binnen de kaders van de wet te blijven handelen. De DSA is een relatief nieuwe wet en het vereist tijd om inzicht te krijgen of de geboden kaders en maatregelen werken zoals bedoeld. In 2027 evalueert de Europese Commissie de wet en wordt deze evaluatie voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Tijdens deze evaluatie is er ook de mogelijkheid om namens Nederland input te geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.