Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer 2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen (over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities, en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs, wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34 procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking». In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering, een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal worden aangesteld.
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt) strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385 de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat uit het rapport van de GGD Zuid-Holland Zuid «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» blijkt dat in meerdere buurten van Dordrecht-West meer longkanker voorkomt dan het landelijke gemiddelde. Het kabinet begrijpt daarom de zorgen van de bewoners over hun gezondheid. Gezondheidsschade door schadelijke emissies in de leefomgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Het rapport bevat een belangrijk signaal. Het is ernstig dat longkanker bij bewoners van Dordrecht-West vaker voorkomt dan het landelijk gemiddelde. Het is goed dat de GGD hier aandacht voor vraagt. Het kabinet neemt dit signaal serieus. Het onderzoek wijst op blootstelling aan schadelijke stoffen in het verleden, waaronder op het werk, en op schadelijke emissies in het heden en op leefstijlfactoren, waaronder roken. Gelukkig is de situatie op het werk en in de leefomgeving sterk verbeterd ten opzichte van het verleden en is er breed ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken. Het kabinet werkt aan een gezonde leefomgeving en stuurt zoveel mogelijk op een verbetering van de leefstijl, onder meer door het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken.
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Het is niet precies te zeggen op hoeveel plaatsen in Nederland de situatie vergelijkbaar is met die in Dordrecht-West. Het RIVM meet in samenwerking met GGD’en en Omgevingsdiensten op een aantal plekken verspreid door Nederland de luchtkwaliteit. Informatie uit de metingen en uit berekeningen zijn openbaar te vinden op de websites van het luchtmeetnet2 en de Atlas Leefomgeving3. Het is bekend dat luchtvervuiling de belangrijkste van alle milieufactoren is die de gezondheid negatief beïnvloedt. Naast milieufactoren dragen ook persoonsgebonden factoren en gedrag bij. Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van de ziektelast in Nederland4.
Overal is de situatie anders en is die in het verleden ook anders geweest. De invloed van luchtverontreiniging is groter op plaatsen met veel verkeer en industrie in Nederland en waar emissies uit verschillende bronnen, onder meer uit de industrie, samenkomen. Voorbeelden zijn de IJmond en de regio Rotterdam.
De luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de op dit moment geldende EU-normen, en is daarmee op veel plekken op een goed niveau. Deze normen liggen momenteel nog boven het gezondheidskundig meest wenselijke niveau, zoals deze zijn vastgelegd in de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)5. Vanaf 2030 gelden dan ook nieuwe, aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, als gevolg van de in 2024 herziene richtlijn Luchtkwaliteit. Deze normen liggen een stuk dichter bij de advieswaarden van de WHO. Het is de inzet van het kabinet om in 2030 overal in Nederland aan deze nieuwe grenswaarden te voldoen. Daardoor zullen de gezondheidsrisico’s van luchtvervuiling verder afnemen.
Binnen Nederland werken sinds 2020 152 overheden (139 gemeenten, alle provincies en het Rijk) samen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Doel is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te bewerkstelligen, met name door het verlagen van emissies van luchtvervuilende stoffen, ook als al aan de huidige grenswaarden wordt voldaan. Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20246, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke voorwaarde bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt7. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
De GGD Zuid-Holland Zuid doet aanbevelingen, gericht op a) het verder verlagen van de emissies van vervuilende stoffen rond Dordrecht-West, b) aanvullende maatregelen in de woningen, zoals filters in ventilatiesystemen, c) maatregelen gericht op een prettige, gezonde en verkoelende leefomgeving, en d) maatregelen om roken te ontmoedigen. De gezamenlijke overheden geven hier op de volgende wijze invulling aan:
Deze aanpak richt zich op het meer houvast bieden voor het Rijk, provincies en gemeenten voor het treffen van maatregelen voor een gezonde luchtkwaliteit in zwaarder belaste gebieden, zoals omwonenden bij industrie.
Een door de GGD geopperde verlaging van de maximumsnelheid naar 80 kilometer per uur op de A16 en de N3, zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte invloed hebben op de luchtkwaliteit in Dordrecht-West. Emissies van personenauto's en vrachtverkeer op wegen met een maximumsnelheid van 100 km/u, zoals de A16 en de N3, verschillen niet of nauwelijks van emissies op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/u8. Emissies van het wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink gedaald, en met name emissies van NOx zullen in de komende jaren nog verder dalen. De concentraties van NO2 en fijnstof rond de A16 en N3 voldoen aan de huidige grenswaarden.
In 2030 zullen er op grond van de in 2024 herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit strengere grenswaarden gelden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht. Overheden nemen continu maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Om overal in Nederland aan deze nieuwe normen te kunnen voldoen, is richting 2030 nog extra inzet nodig. Dit zal ook ten goede komen aan de gezonde leefomgeving. Op dit moment wordt bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn.
In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden9, wordt via de verkenning positieve financiële prikkels in algemene zin onderzocht of het mogelijk is om bovenwettelijke maatregelen te nemen voor het terugdringen van negatieve gezondheidseffecten door de industrie financieel te ondersteunen. Het feit dat de GGD Zuid-Holland Zuid deze maatregelen als effectief aanwijst, zal in dit onderzoek worden meegenomen.
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
De maatregelen die genomen worden in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het halen van de aangescherpte grenswaarden uit de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit zullen de ziektelast van luchtverontreiniging in de nabije toekomst laten dalen. Dankzij die aanpak zullen mensen in Nederland, ook in Dordrecht-West, uiteindelijk langer en langer gezond leven.
Het is verder belangrijk te constateren dat mensen in lagere leefomgevingskwaliteit meer kans hebben op gezondheidsschade. Het is alle overheden er veel aan gelegen de gemiddelde leefomgevingskwaliteit in Nederland te verbeteren. De Omgevingswet is met deze insteek vormgegeven en dwingt alle overheden om expliciet rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners. Ook in Dordrecht-West zal een verbetering van de leefomgevingskwaliteit gezondheidswinst opleveren.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in om roken en vapen onder jongeren terug te dringen via voorlichting, normcampagnes, rook -en reclameverboden en beperking van verkooppunten. In algemene zin daalt het aantal rokers in Nederland al jaarlijks, helaas is het effect daarvan op het aantal mensen met longkanker pas na vele jaren merkbaar.
Het onderzoek van de GGD Zuid-Holland Zuid in Dordrecht-West, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) past in deze inzet. De thema’s waaraan het programma NPLV werkt in Dordrecht-West zijn het verkleinen van gezondheidsachterstanden en het investeren in goede woningen en een verbetering van de fysieke leefomgeving. Zowel landelijk als lokaal wordt aan deze uitdagingen gewerkt.
Als laatst heeft de gemeente Dordrecht de verantwoordelijkheid om onder de Wet Publieke Gezondheid elke vier jaar een nota gezondheidsbeleid op te stellen waarin de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd.
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 4a en 5.
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
André Poortman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het bericht 'Ondanks AZWA-afspraak worden ‘te zware’ ggz-cliënten nog steeds geweigerd' |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondanks AZWA-afspraak worden «te zware» ggz-cliënten nog steeds geweigerd»?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist de mensen die zo hard goede zorg nodig hebben, deze vaak niet krijgen doordat zij worden geweigerd op grond van exclusiecriteria?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat, ondanks de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, er nog steeds mensen geweigerd worden door ggz-aanbieders op basis van exclusiecriteria?
Erkent u dat de gevolgen voor betrokkenen enorm groot kunnen zijn, met onder meer de mogelijkheid tot verergering van klachten en verlies van vertrouwen in de zorg en in de overheid?
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen er in 2026 binnen zijn gekomen over mensen die geweigerd zijn voor een ggz-behandeling op grond van exclusiecriteria zoals suïcidaliteit, autisme, hoge complexiteit of andere omstandigheden?
Bent u bekend met de aangenomen motie Synhaeve2 waarin verzocht wordt om binnen drie maanden na het afsluiten van de nieuwe contracten de Kamer te informeren of er inderdaad geen exclusiecriteria meer gebruikt worden? Kunt u toelichten hoe u, naast de uitvoering van deze motie, verder gaat toezien op naleving van de AZWA-afspraak dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria?
Waar kunnen cliënten zich melden wanneer ze worden afgewezen op basis van exclusiecriteria? Welke actie wordt hier vervolgens op ondernomen?
Wie is volgens u verantwoordelijk wanneer een cliënt met een complexe zorgvraag door een ggz-aanbieder wordt afgewezen op grond van exclusiecriteria en vervolgens zonder warme overdracht of passende behandelplek terugvalt op de huisarts?
Welke actie gaat u ondernemen op basis van dit nieuws?
Het bericht ‘Zorgverzekeraars: premieopslag bij betalingsachterstand voor laagste inkomens naar 0%’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de wens van Zorgverzekeraars Nederland om de premieopslag in de wanbetalersregeling in de Zorgverzekeringswet te verlagen van 10% naar 0%? Wat is volgens u het effect van de huidige premieopslag in de wanbetalersregeling?1 Heeft de premieopslag volgens u het effect wat ermee is beoogd? Deelt u de conclusie van Zorgverzekeraars Nederland dat de huidige premieopslag een extra belasting is voor kwetsbare verzekerden?
Wat zegt het u dat zowel de uitvoerder van de wanbetalersregeling2 (het CAK) als de zorgverzekeraars het standpunt hebben dat de premieopslag verlaagd moet worden naar 0%?
Bent u bereid deze verlaging te gaan realiseren door een wetsvoorstel aanhangig te maken? Zo nee, wat houdt u tegen?
Zijn er (relevante) (advies)organen voorstander van het behouden van de premieopslag van 10%? Zo ja, welke en met welke argumentatie?
Heeft u informatie over hoeveel verzekerden in de wanbetalersregeling terechtgekomen zijn vanwege hun problematische schuldensituatie? Zo ja, wat zeggen deze cijfers u over de effectiviteit en het doel van de wanbetalersregeling met premieopslag?
Bent u bereid om met het CAK en Zorgverzekeraars Nederland in gesprek te gaan over hoe een wanbetalersregeling (waarbij verzekerden wel verzekerd blijven ondanks hun betalingsachterstand) eruit kan zien zonder premieopslag? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zou dit uitvoeringstechnisch haalbaar zijn?
Hoeveel levert de premieopslag nu aan inkomsten op, na verrekening van incasso- en deurwaarderskosten? Hoeveel van de opgelegde premieopslag wordt daadwerkelijk geïnd? Hoeveel incasso- en deurwaarderskosten worden hiervoor gemaakt?
Welke financiële gevolgen heeft het verlagen van de premieopslag naar 0% voor de Rijksbegroting?
Sluit u zich aan bij de Kamerbrede uitspraak (motie Ceder, Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) dat de premieopslag in de wanbetalersregeling moet verdwijnen? Zo nee, op welke wijze geeft u dan navolging aan de aangenomen motie? Zo ja, wanneer kan de Kamer een wetsvoorstel verwachten?
Kunt u de Kamer (alsnog) informeren over de in motie Ceder (Kamerstukken 36 800 XV, nr. 80) gevraagde informatie over wat er nodig is om de premieopslag uit de wanbetalersregeling te schrappen?
Het bericht dat VUmc in 2040 stopt als ziekenhuis en de zorgtaken naar locatie AMC gaan |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VUmc stopt in 2040 als ziekenhuis, zorgtaken gaan naar locatie AMC»1 en van de strategische huisvestingsroute van Amsterdam UMC richting 2040?2
Wat betekent dit voorgenomen besluit concreet voor patiënten die momenteel gebruikmaken van de zorg op locatie VUmc?
Begrijpt u dat patiënten, ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking zich zorgen kunnen maken als een ziekenhuislocatie in hun buurt op termijn verdwijnt?
Wat betekent het verdwijnen van de ziekenhuisfunctie op locatie VUmc voor de bereikbaarheid van ziekenhuiszorg voor inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten?
Is onderzocht hoeveel langer patiënten straks onderweg zijn naar het ziekenhuis, zowel met de auto, het openbaar vervoer als de ambulance?
Kunt u uitsluiten dat deze concentratie van ziekenhuiszorg leidt tot langere reistijden, langere wachttijden of minder toegankelijke zorg voor patiënten?
Klopt het dat financiële redenen, zoals te veel vierkante meters en hoge huisvestingskosten, een belangrijke rol spelen bij dit voorgenomen besluit?
Hoe voorkomt u dat betaalbaarheid, vastgoed en efficiency zwaarder gaan wegen dan goede en bereikbare zorg voor patiënten?
Hoe kijkt u terug op het eerdere verdwijnen van de spoedeisende hulp en de huisartsenpost op locatie VUmc, juist omdat toen al zorgen bestonden over werkdruk en toegankelijkheid van zorg?
Hoe beoordeelt u de waarschuwing dat het door dit besluit moeilijker kan worden om de geneeskundeopleiding van de Vrije Universiteit in stand te houden?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit volgens u voor de opleidingscapaciteit van artsen en medisch specialisten in Amsterdam?
Deelt u de zorg dat het verminderen van ziekenhuiscapaciteit onverstandig kan zijn met het oog op de vergrijzing, waarbij de zorgvraag juist verder zal toenemen?
Deelt u de zorg dat met het verdwijnen van ziekenhuiscapaciteit ook de beschikbare capaciteit voor rampen, calamiteiten, infectie-uitbraken of oorlogssituaties verder afneemt?
Welke gevolgen heeft dit voorgenomen besluit voor het zorgpersoneel op beide locaties, en hoe wordt voorkomen dat medewerkers door onzekerheid over hun werkplek of toekomst afhaken?
Heeft de cliëntenraad Amsterdam UMC al advies uitgebracht over dit voorgenomen besluit en zo ja, kunt u dit advies met de Kamer delen? Zo nee, waarom is de cliëntenraad nog niet om advies gevraagd?
Bent u bereid de Kamer voor het definitieve besluit te informeren over de gevolgen voor patiënten, bereikbaarheid, acute zorg, wachttijden, personeel, opleidingscapaciteit, rampenopvang en de toegankelijkheid van ziekenhuiszorg in de regio? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het eerder genoemde plan voor een volledig nieuwe gezamenlijke ziekenhuislocatie voor Amsterdam UMC, waarover in 2025 werd bericht, niet langer aan de orde is? Zo nee, welke onderdelen van dat plan spelen nog wel een rol bij de huidige strategische huisvestingsroute?3
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?