De uitzending van Pointer over tabaksspeciaalzaken |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Pointer, waaruit blijkt dat verhitte tabak wordt aangeprezen als schoner alternatief voor sigaretten, dat het aantal tabaksspeciaalzaken flink groeit en dat Philip Morris hier een belangrijk aandeel in heeft?1
Het is zorgelijk dat de tabaksindustrie steeds nieuwe tabaks- en nicotineproducten aan de man probeert te brengen en die, tegen de regels in, te promoten als «gezonder» alternatief voor normaal roken. Het kabinet snapt daarnaast ook de zorgen over de groei van het aantal tabaksspeciaalzaken. Het is echter belangrijk ook op te merken dat het verkooppuntenbeleid zijn vruchten afwerpt en heeft geleid tot een grote netto-daling van het aantal verkooppunten. De verwachting is dat na het verbod op de verkoop in supermarkten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 het aantal verkooppunten de komende jaren nog verder zal dalen. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten waaronder 6.400 supermarkten die deze producten nu niet meer mogen verkopen. Er zijn verkooppunten (met name speciaalzaken) hiervoor teruggekomen maar veel minder dan het aantal dat is verdwenen. Voorzien is dat per 2032 rookwaren alleen nog verkocht zullen mogen worden in speciaalzaken. Het wetsvoorstel hiervoor is op 20 maart j.l. ingediend.2
Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat winkeliers verhitte tabak als «beter», «schoner» of «gezonder» alternatief voor sigaretten aanprijzen? Deelt u dat dit onacceptabel is en klopt het dat dit in strijd is met de Tabaks- en rookwarenwet?
Dit is inderdaad onacceptabel en in algemene zin zijn dergelijke uitingen in strijd met het reclameverbod in de Tabaks- en rookwarenwet. Het is aan de NVWA of de uitingen die in de uitzending zijn gedaan een overtreding inhouden van het reclameverbod.
Kunt u klip en klaar aangeven dat het gebruik van verhitte tabak, zoals bij de genoemde IQOS-apparaten, helemaal niet gezonder, schoner of beter is dan sigaretten?
Verhitte tabaksproducten zijn net als gewone sigaretten schadelijk voor de gezondheid. Dat blijkt ook uit recent onderzoek van het RIVM.3 Hoewel de langetermijneffecten nog niet volledig bekend zijn, blijkt uit dit onderzoek dat verhitte tabaksproducten op korte termijn schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarmee zijn verhitte tabaksproducten geen veilig alternatief voor roken. Het gebruik van deze producten moet dus, net zoals bij gewone sigaretten, ten zeerste worden afgeraden.
Wordt er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd op dit soort illegale gezondheidsclaims? Zo ja, hoe kan het dat dit op zo’n grote schaal gebeurt?
Ja, de NVWA handhaaft de Tabaks- en rookwarenwet en treedt op tegen dit soort claims. De NVWA heeft eerder een boete van vierhonderdvijftigduizend euro opgelegd voor een vergelijkbare gezondheidsclaim over verhitte tabak die op schermen in een verkooppunt getoond werden. De rechter heeft de NVWA gelijk gegeven maar er loopt nu een hoger beroep. Als de NVWA ook in hoger beroep gelijk krijgt, kan met meer zekerheid worden optreden tegen dergelijke claims. Verder werd in de uitzending getoond dat medewerkers van de verkooppunten dit soort claims ook mondeling doen richting klanten. Dit bemoeilijkt het toezicht omdat dergelijke uitingen door de inspecteurs moeten worden waargenomen.
Wat vindt u van de rol van Philip Morris hierin, als winkelpersoneel wordt getraind over de voordelen van verhitte tabak? Is dit toegestaan en zo nee, hoe wordt hierop richting Philip Morris gehandhaafd?
Het kabinet ziet voor de volksgezondheid geen voordelen van verhitte tabak ten opzichte van tabak die wordt gerookt. Verhitte tabak brengt de rookvrije generatie niet dichterbij en het kabinet is dan ook niet blij met deze trainingen. Of de trainingen een overtreding van het reclameverbod zijn, moet worden vastgesteld door de NVWA. Een overtreding van het reclameverbod moet de NVWA bewijzen met feiten en omstandigheden. En dat is in het geval van mondelinge commerciële mededelingen erg lastig. Niet alleen vanwege de scheidslijn tussen informatie delen tussen producenten en verkoper (wat is toegestaan) en verkoopbevordering (wat niet is toegestaan), maar ook omdat het gaat om mondelinge mededelingen.
Herkent u het beeld dat er sinds 2021 minimaal 250 tabaksspeciaalzaken zijn bijgekomen? Welke cijfers heeft u over (de stijging van) het aantal tabaksspeciaalzaken en het aantal verkooppunten in totaal?
Ja, dit zijn herkenbare cijfers. In 2022 is het verbod op tabaksautomaten4 in werking getreden, gevolgd door het verbod op online verkoop5 in 2023. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten, waarvan 6.400 supermarkten. Per 1 juli 2024 geldt het verbod op de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten in supermarkten en horeca-inrichtingen.6 Daarmee is het 6.400 supermarkten niet meer toegestaan deze producten te verkopen. Omdat supermarkten tot 1 juli 2024 meer dan de helft van de verkoop van tabak en vapes voor hun rekening namen, werd voorzien dat nieuwe verkooppunten zouden worden geopend om de vrijgevallen omzet op te vangen. In een door het toenmalige kabinet uitgezet onderzoek uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO)7 werd ervan uitgegaan dat circa 800 nieuwe tabaksverkooppunten zouden openen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft hierbinnen. Uit recent onderzoek van SEO8 volgt namelijk dat er relatief weinig nieuwe tabaksspeciaalzaken en gemakszaken bij zijn gekomen sinds het supermarktverbod. SEO telde aan het einde van 2024 548 tabaksspeciaalzaken, waarvan 120 nieuw geopend zijn na 1 januari 2024. Volgens SEO compenseren de nieuw geopende zaken de daling in het aantal tabaksverkooppunten nauwelijks. Voorts volgt uit de factsheet «Monitor nieuwe verkooppunten van rookwaren oktober-november 2024» van de NVWA dat er in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2024 netto 656 nieuwe verkooppunten van rookwaren zijn geopend, waarvan ruim 40% kan worden aangemerkt als speciaalzaak. Deze cijfers wijken niet significant af van de door Pointer genoemde cijfers. Pointer stelt dat het aantal speciaalzaken van 246 in 2021 is gestegen naar 494.
Deelt u de mening dat deze stijging direct ingaat tegen de doelstelling van het rookbeleid om het aantal verkooppunten terug te dringen?
Het kabinet deelt die mening niet. Om te voorkomen dat jongeren gaan roken en om ex-rokers te beschermen heeft het toenmalige kabinet er in 2020 voor gekozen het aantal verkooppunten te verminderen en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te beperken tot verkoopkanalen waar doorgaans geen kinderen en ex-rokers komen.9 Het kabinet zet dit beleid voort. Het verminderen van de (toen nog) brede beschikbaarheid van rookwaren beschermt jongeren en ex-rokers tegen de verleiding om te gaan roken en het doen van impulsaankopen van rokers. Er is gekozen voor een gefaseerde aanpak waarbij tabaksproducten en aanverwante producten vanaf 1 januari 2032 alleen nog in speciaalzaken verkocht mogen worden. Speciaalzaken richten zich op de volwassen roker en verkopen vrijwel alleen tabaksproducten en aanverwante producten.
Het aantal nieuw geopende tabaksverkooppunten ligt vele malen lager dan het aantal van 6.400 verkooppunten dat per 1 juli 2024 met het verbod op tabaksverkoop door supermarkten verdwenen is. Daarbij was reeds voorzien dat andere verkooppunten (met name speciaalzaken) een deel van het weggevallen aanbod zouden overnemen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht (namelijk 800 nieuwe verkooppunten). Dat een groter deel van de verkoop plaatsvindt in speciaalzaken draagt er bovendien aan bij dat ex-rokers, stoppers en kinderen minder vaak in aanraking komen met tabaksproducten vergeleken met de situatie waarbij sigaretten nog verkocht werden in de supermarkt.
Deelt u de mening dat snelle invoering van de registratieplicht essentieel is, om zicht te hebben op het aantal verkooppunten van tabak? Klopt het dat de vertraagde invoering hiervan leidt tot minder zicht op het aantal verkooppunten?
Het effect van het supermarktverbod en de beperking van het verkopen tot uiteindelijk alleen speciaalzaken kan nauwkeurig worden gemeten met de gegevens die met de aangekondigde registratieplicht zullen worden verkregen.
Per 1 juli 2026 zal de registratieplicht gelden voor verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante producten.
Wat vindt u ervan dat Philip Morris de stijging van het aantal tabaksspeciaalzaken faciliteert, door inrichtingen en verbouwingen te financieren?
Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. De NVWA heeft dergelijke praktijken in onderzoek en het Trimbos-instituut is gevraagd inzicht te geven in het effect van reclame in speciaalzaken op het rookgedrag van klanten.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de betrokkenheid van tabaksfabrikanten bij tabaksspeciaalzaken en de Kamer hierover voor de zomer per brief te informeren?
Ja, de NVWA werkt nu aan een factsheet over deze ontwikkelingen in speciaalzaken. Het kabinet verwacht u de reactie op deze factsheet en de bevindingen van het Trimbos-instituut voor de zomer toe te sturen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal tabaksspeciaalzaken niet meer, maar juist minder wordt en dat ook het totaal aantal verkooppunten verder afneemt?
Het Nederlandse verkooppuntenbeleid maakt de eisen die aan tabaksverkoop gesteld worden steeds strenger. In 2032 mogen alleen speciaalzaken rookwaren verkopen. Speciaalzaken mogen dan naast rookwaren alleen nog loten en dagbladen verkopen. Uit onderzoek van SEO10 blijkt dat met deze eisen alleen een beperkt aantal verkooppunten rendabel kan zijn. Het aantal levensvatbare speciaalzaken in Nederland in 2032 wordt geschat op circa 1.500. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht.
Deelt u dat invoering van een vergunningstelsel voor de verkoop van rookwaren het meest effectieve instrument is om het aantal verkooppunten terug te dringen? Zo ja, bent u bereid de invoering hiervan voor te bereiden per 2032?
De verwachting is dat het aantal verkooppunten in 2032 zal zijn gedaald naar 1.500 wat een vermindering inhoudt van 85% ten opzichte van eind 2023. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding voor verdergaande maatregelen. Wel blijft het kabinet uiteraard de effecten evalueren en monitoren.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Ja.
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Geweld tegen hulpverleners is onacceptabel en dient altijd opvolging te krijgen. Hoewel ik als Minister van Justitie en Veiligheid niet in ga op individuele casuïstiek, neem ik dit signaal zeer serieus en bevestigt het voor mij de urgentie om in het kader van de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) samen met de politie en het OM te bezien hoe slachtoffers zo goed als mogelijk geholpen kunnen worden.
Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen functionarissen met een publieke taak is essentieel. Functionarissen met een publieke taak dienen extra bescherming te krijgen tegen agressie en geweld verband houdend met hun functie, omdat hun publieke taak cruciaal is voor de samenleving en tegen aantasting moet worden beschermd. Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hebben ten behoeve van de strafrechtelijke aanpak opsporings- en vervolgingsafspraken gemaakt: de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA). De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken.2 Ik verwacht uw Kamer in de zomer de herziene versie van de ELA toe te sturen.
Het is van groot belang dat slachtoffers na het doen van aangifte adequaat worden geïnformeerd over het verloop van hun zaak. Slachtoffers hebben het recht om voldoende informatie te ontvangen, indien ze dit wensen. De politie en het OM spannen zich hiervoor in. In de ELA is vastgelegd dat slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, desgewenst, optimaal worden geïnformeerd over hun positie en strafzaak.
Conform de ELA dient de politie de benadeelde optimaal te informeren en te ondersteunen bij het verhalen van de schade op de dader. Uit de openbare Aanwijzing slachtoffers in het strafproces (2024A001) van het OM volgt dat het OM in beginsel aan elk slachtoffer een bericht stuurt als het proces-verbaal tegen de verdachte door de politie naar het OM is gestuurd.
Wanneer het slachtoffer in het algemeen verzoekt om informatie over de aanvang en voortgang van een zaak, dan wordt door of namens het OM van het begin tot het einde van de strafzaak alle informatie verstrekt die volgens de wet3 moet worden verstrekt, onder andere het afzien van een opsporingsonderzoek, het niet vervolgen van een strafbaar feit en de aanvang en voorzetting van de vervolging.
De afgelopen jaren zijn er door het OM verbeteringen op het gebied van informatievoorziening richting slachtoffers doorgevoerd. Zo is er bij het Openbaar Ministerie een slachtofferinformatiepunt ingericht en kunnen slachtoffers inloggen op MijnSlachtofferzaak.nl, waar zij berichten vinden over de voortgang van de strafzaak, informatie over slachtofferrechten en contactgegevens van de betrokken organisaties.
De opsporing en vervolging van agressie en geweld tegen functionarissen met een Veilige Publieke Taak (VPT) heeft voor mij grote prioriteit, net als voor de politie en het Openbaar Ministerie. Dat volgt ook uit de ELA. Helaas leidt de beperkte capaciteit in de strafrechtketen in sommige gevallen tot langere doorlooptijden.
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Zoals toegelicht onder vraag 2 en 3 is een adequate informatievoorziening van essentieel belang en is dit een doorlopend aandachtspunt bij de politie en het OM.
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Ja.
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?2
In de evaluatie van de ELA uit 2025 wordt geconcludeerd dat de ELA een belangrijke meerwaarde hebben voor de aanpak van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak.7 De onderzoekers schrijven dat dankzij de ELA de opsporing en vervolging van VPT-incidenten met meer prioriteit en kwaliteit wordt uitgevoerd door de politie en het OM. Door de afspraken wordt een grotere focus en urgentie gevoeld voor de aanpak van agressie en geweld in het complexe en drukke werkveld van de strafrechtketen. Dat zorgt voor een snellere en gerichtere strafrechtelijke afhandeling van zaken. Tegelijkertijd worden er ook een aantal knelpunten gesignaleerd, dat de meerwaarde van de ELA beperkt. Een deel van deze knelpunten was reeds aan het licht gekomen in de evaluatie van de ELA uit 2020 en (nog) niet adequaat opgelost.8 Bij de lopende herziening van de ELA worden deze knelpunten in ogenschouw genomen.
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Zie antwoord vraag 10.
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Voor wat betreft het al dan niet opnemen van aangiftes geldt dat het kan voorkomen dat er onvoldoende bewijs is voor een strafbaar feit. Bij twijfel over de strafbaarheid van het feit, is de afspraak dat de politie altijd contact legt met het OM. Indien geen sprake is van een strafbaar feit, wordt dit feit wel in de politieregistratie opgenomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (LJS) herkent de signalen waar het gaat om terughoudendheid bij het opnemen van aangiftes wanneer de verdachte een ggz-patiënt was. De afgelopen twee jaar zijn er door het Ministerie van VWS tien regionale bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte bij agressie tegen zorgmedewerkers waarin deze signalen zijn geuit.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid organiseert deze zomer samen met de politie en het OM een sessie met werkgevers van de VPT-beroepsgroepen om te bezien waar zij namens slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tegenaanlopen. De informatie die hier wordt opgehaald zal samen met bovengenoemde signalen worden betrokken bij de herziening van de ELA.
Als iemand van mening is dat een aangifte onterecht niet wordt opgenomen of niet wordt doorgezet kan degene die aangifte wil doen contact opnemen met de regionale contactpersoon Veilige Publieke Taak (VPT) van de politie. Deze VPT-contactpersoon kan vervolgens actie ondernemen. Deze mogelijkheid is echter nog niet overal bekend. Met behulp van de herziening van de ELA en de werkgeverssessie die we in de zomer organiseren wordt getracht om bij te dragen aan de bekendheid van deze VPT-contactpersonen.
Onder andere de arbeidsmarktfondsen Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen, Sociaal Fonds voor de kennissector (het fonds van o.a. de UMC’s), Opleidings-en Ontwikkelfonds Geestelijke Gezondheidszorg en Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg verspreiden deze informatie actief onder de ziekenhuizen, UMC’s, VVT-instellingen en GGZ-instellingen. De Minister van LJS zal deze informatie ook onder de aandacht brengen van partijen in andere delen van de zorg en welzijn. Om de verbinding tussen een organisatie in zorg en welzijn en de politie en het OM te versterken, is het mogelijk om binnen een organisatie één plek in te stellen waarin kennis en kunde wordt verzameld over onder meer het strafproces. Hierdoor worden organisaties minder afhankelijk van de kennis van de politie en kan er in het geval van knelpunten in de uitvoering of behoefte aan nadere afstemming, bijvoorbeeld bij bovengenoemde signalen, makkelijk contact worden gezocht met het vaste aanspreekpunt voor agressie en geweld tegen functionarissen bij elke politie-eenheid. Dit is met name een mogelijkheid voor grote organisaties.
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
Het komt helaas vaak voor dat de politie wordt ingezet bij meldingen over personen met verward gedrag. Niet altijd is er bij deze meldingen sprake van psychiatrische problematiek en ook niet van een verdenking van een strafbaar feit of een risico voor de veiligheid van omstanders of de samenleving. In acute situaties in avond-, nacht- en weekenduren is het echter vaak zo dat dan alleen een beroep kan worden gedaan op de politie, ambulancevervoer en op de crisisdienst ggz. Afhankelijk van de ernst van het incident wordt bepaald wat op dat moment de beste vervolgstappen zijn. Dit kan betekenen dat men de persoon meeneemt naar het bureau en/of dat de persoon wordt overgedragen aan de zorg (bijv. via Crisis Interventie Teams). In sommige eenheden gaan politiemensen samen met zorgprofessionals op een incident af zodat men ter plekke via triage kan bepalen wat de vervolgstappen zijn. Denk aan goede voorbeelden zoals straattriage in Twente. De bredere inzet van dit Kabinet in de aanpak van personen met verward/onbegrepen gedrag is gericht op een aantal thema’s waar uw Kamer per brief van 11 december over is geïnformeerd en tijdens het commissiedebat van 9 april 2026 is besproken.9 De samenwerking tussen politie en zorg is daar ook onderdeel van.
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Agenten zijn voldoende toegerust en getraind. Een agent wordt in twee jaar tijd opgeleid tot het startbekwaam zijn. Omgaan met verward gedrag, de-escaleren en crisiscommunicatie zijn onderdeel van deze basisopleiding.
De politie beziet voortdurend hoe zij het beste invulling kan geven aan haar taken en welke werkwijzen daarvoor passend zijn. Zo is in het kader van deze aanpak het onderwijsaanbod Zorg en Veiligheid geactualiseerd en wordt deze verder doorontwikkeld, inclusief de module Personen met verward gedrag met daarin aandacht voor vroegsignalering en preventie. Daarnaast zijn er verschillende (digitale) leermiddelen beschikbaar over het thema, en wordt geëxperimenteerd met het verweven van de benodigde kennis in bijvoorbeeld IBT-trainingen. In aanvulling op de landelijk gevalideerde leermiddelen, verzorgen de eenheden zelf informeel onderwijs, zoals op vakdagen en in teambriefings. De inzet van ervaringsdeskundigen is een vast onderdeel in het onderwijsaanbod.
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Deze informatie is niet beschikbaar in de politieregistratie.
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM waar zij zich aan hebben gecommitteerd. Daarmee acht ik deze niet te vrijblijvend.
Wel zijn er vanuit eerdere evaluaties knelpunten gesignaleerd, die ik samen met de politie en het OM heb geanalyseerd. Het oppakken van die knelpunten neem ik zeer serieus en met de herziene versie van de ELA verwacht ik dat hier een belangrijke impuls aan wordt gegeven.
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan om de ELA wettelijk te verankeren. De politie en het OM hebben zich aan de ELA gecommitteerd, dat is voldoende. Enkele onderdelen van de ELA zijn tevens nader uitgewerkt en verankerd in aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Ik streef ernaar om in de zomer de herziene ELA met begeleidende Kamerbrief aan uw Kamer aan te bieden.
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Onder het antwoord op vraag 2 en 3 is toegelicht dat informatievoorziening richting slachtoffers een doorlopend aandachtspunt is van de politie en het OM. Dit aandachtspunt wordt ook bij de herziening van de ELA in ogenschouw genomen.
Voor een landelijk uniform strafvorderingsbeleid heeft het OM voor de meest voorkomende delicten richtlijnen opgesteld, die enerzijds normerend zijn en anderzijds de professional de benodigde ruimte geven om te komen tot een afdoening, die gericht is op de bijzondere omstandigheden van de zaak. In de openbare Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (2019A003) van het OM staat dat het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn met 200% wordt verhoogd bij Veilige Publieke Taak-delicten. Dat betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf geëist krijgt. Dit is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende Aanwijzing ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir. Verder schenkt het OM – naar aanleiding van onderzoek waaruit volgde dat veelal enige mate van strafeisverhoging wordt toegepast maar zelden de 200%10 – blijvend aandacht aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is. Ten slotte geldt dat u nog dit jaar wordt geïnformeerd over de uitvoering van drie aangenomen moties die zien op (het verkrijgen van duiding bij) de strafeisen van het OM bij Veilige Publieke Taak-delicten, waaronder geweld tegen hulpverleners.11
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Als Minister van Justitie en Veiligheid past het mij niet om in te gaan op individuele casuïstiek. Zie voor nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Mensen kiezen over het algemeen vanuit een intrinsieke motivatie voor het werken in zorg en welzijn. Als zij te maken krijgen met ernstige agressie kan dat een enorme impact hebben. Goede opvang en adequate nazorg, zijn van groot belang om dat zo veel mogelijk te voorkomen. Uit het Landelijk uitstroomonderzoek zorg en welzijn van Regioplus in 2025 blijkt dat agressie niet in de top vijf van redenen van medewerkers staat om de sector te verlaten.
Het is mij niet bekend of en in welke mate negatieve ervaringen met het doen van aangifte invloed hebben op de bereidheid van mensen om in de zorg te blijven werken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
Zie antwoord vraag 22.
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
In strafzaken heeft aangifte op naam altijd de voorkeur, zoals hieronder toegelicht. Er zijn daarnaast mogelijkheden om (deels) afgeschermd aangifte te doen of dat de werkgever voor de werknemer aangifte doet. In onderstaande antwoorden licht ik dit nader toe. Echter, volledige anonimiteit in het strafproces is praktisch niet mogelijk. Uit het oogpunt van waarheidsvinding kleven hier namelijk zwaarwegende bezwaren aan: de mogelijkheid om de juistheid en betrouwbaarheid van anonieme verklaringen te toetsen wordt beperkt doordat de bron onbekend is. Bovendien komt het in de zorg relatief vaak voor dat dader en slachtoffer elkaar kennen en er sowieso geen sprake is van anonimiteit van het slachtoffer. Dit kan inderdaad bijdragen aan terughoudendheid bij het doen van aangifte. Of en in hoeverre dit bijdraagt aan personeelstekorten hangt af van de mate waarin dit een rol speelt bij uitstroom uit de zorg. Zie hiervoor het antwoord op vraag 22 en 23.
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
Sinds 1 juli 2025 worden standaard alleen nog de naam en geboortedatum in de aangifte vermeld. Gegevens zoals woon- en verblijfplaats, geboorteplaats en/of -land, e-mailadres, telefoonnummer en Burgerservicenummer (BSN) worden niet meer opgenomen om zo de privacy van de aangever te beschermen.
Aangifte op naam heeft in de praktijk altijd de voorkeur. Voor de bewijsvoering in een strafzaak is het namelijk altijd van belang dat er toetsbare aangiftes en verklaringen aanwezig zijn. Aangiftes en verklaringen op naam voldoen hier eerder aan dan afgeschermde aangiftes en verklaringen omdat de bekendheid van de identiteit van de aangever/getuige het bijvoorbeeld voor de verdachte mogelijk maakt om de aangifte/verklaring te toetsen op betrouwbaarheid.
In principe worden persoonsgegevens genoteerd bij het doen van aangifte. Soms kan, bij wijze van uitzondering, alleen met de voornaam of het personeelsnummer worden volstaan. Ook kan de werkgever aangifte namens de werknemer doen, waarbij die laatste vermeld kan worden onder personeelsnummer. Het slachtoffer kan er verder ook voor kiezen om in zijn aangifte domicilie te kiezen. In dat geval wordt het adres van de werkgevers of het regionale Slachtofferloket Politie opgenomen.
In uitzonderlijke gevallen kan iemand aangifte doen of een verklaring afleggen onder nummer. Dan wordt de identiteit van het slachtoffer niet in de stukken opgenomen, maar is deze wel bekend bij de politie en het OM. Daarvoor dienen bijzondere redenen te zijn als: vrees voor represailles of voor ernstige overlast of belemmering in de uitoefening van zijn beroep. De officier van justitie bepaalt of aan de vereisten is voldaan. De rechter kan ook dan oordelen dat het slachtoffer moet worden gehoord. In zeer bijzondere gevallen beslist de rechter dat hierbij de identiteit mag worden afgeschermd.
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak zorgmedewerkers afgeschermd aangifte doen. Wel is politie voldoende bekend met de mogelijkheden rondom afgeschermd aangifte doen. Uit de ELA volgt dat zij het slachtoffer daarover ook informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals bij vraag 25 aangegeven is volledige anonimiteit in het strafdossier praktisch niet mogelijk. Wel zijn er mogelijkheden om bepaalde gegevens van de aangever te verhullen in het strafdossier (als beschermingsmaatregel). Een uitbreiding hiervan zal ik niet verder onderzoeken.
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HL) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen. Samen met het veld zet het kabinet de volgende stappen:
Daarnaast blijft dit kabinet de komende jaren inzetten op het behoud van medewerkers door werkgevers te stimuleren het werkplezier van hun medewerkers te blijven borgen. Het gaat daarbij om onderwerpen als professionele autonomie en zeggenschap, het voorkomen van verzuim en de aanpak van agressie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 29.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Werkgevers hebben op basis van de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. De Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport ondersteunt werkgevers hierbij door:
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals ik bij vraag 27 toegelicht is volledige anonimiteit in het strafdossier niet mogelijk, maar zijn er wel mogelijkheden tot beschermd aangifte doen.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Hiermee ben ik samen met de politie en het OM aan de slag in het kader van de herziening van de ELA, welke ik naar verwachting in de zomer aan uw Kamer zal aanbieden.
Bent u bekend met het bericht «Huisartsenpost Rotterdam verheerlijkt bombardement op Israëlische burgers: «Het is jullie tijd om te bloeden»»?1
Ja. Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een huisartsenpraktijk met een groot videoscherm op de gevel bombardementen op Israëlische burgers verheerlijkt? Zo ja, hoe gaat u daar tegen op treden? Zo nee, waarom niet?
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Diverse instanties hebben een rol in opsporings- of toezichtsonderzoek. Allereerst is er een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is. Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Tot slot is ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Bent u van mening dat deze arts zich hiermee aan de gedragscode voor artsen houdt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties heeft dit?
De gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.3 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk.
Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden maakt daarvan deel uit.
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
Het artikel ‘Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: ‘Verzekeraars hebben te veel macht’ |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: «Verzekeraars hebben te veel macht»»?1
Bent u het eens met de stelling dat het zorgverzekeringsstelsel de manier waarop Bernhoven passende zorg levert juist zou moeten stimuleren? Zo ja, waarom lukt dit nu niet?
Wat vindt u ervan dat het Bernhoven door deze financiële crisis nu financieel afhankelijk wordt van onder andere meer patiënten en goed moet kijken naar welke behandelingen of afdelingen meer geld opleveren? En wat zegt dit over ons zorgverzekeringsstelsel?
Op welke manieren kan passende zorg worden gerealiseerd, zonder dat het systeem van betaling per patiënt op de schop gaat?
Deelt u de opvatting dat ziekenhuizen te afhankelijk zijn van zorgverzekeraars voor het maken van langetermijnafspraken? Zo nee, waarom niet?
Wat kunt u doen om lange-termijnafspraken met ziekenhuizen te bevorderen?
Wat betekent het dat de financiële positie van het ziekenhuis Bernhoven van BDO een 2 uit 10 krijgt, voor het rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel?
Bent u het eens met de quote van de bestuursvoorzitter van Bernhoven: «De zorg wordt ook niet goedkoper van een fusie?»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de relevante scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting bij de lijst met ombuigingen 2026 (begroting 2027) aan te passen aan de huidige stand van onderzoek of hier het gesprek over aan te gaan met Minister van Financiën? Zo nee, waarom niet?
Kunt u voorafgaand aan het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel aangeven op welke manieren het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel impliciet en expliciet stuurt op volume, concentratie en schaalvergroting van basis of reguliere zorg, onder andere aan de poort of via normen bij de ambulance?
Hoe wordt «overheidsregie op spreiding», afkomstig uit het regeerakkoord, vormgegeven, zowel voor de acute of de planbare zorg? Welke nieuwe instrumenten worden hiervoor ingezet en hoe dragen die bij aan spreiding van reguliere zorg?
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro’: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro»: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt»?1
Vindt u het onwenselijk dat als een ziekenhuis om niet-medisch noodzakelijke redenen een patiënt een nacht langer laat liggen en daarmee 12.000 euro extra kan declareren terwijl de nacht in werkelijkheid maar een paar honderd euro kost? Zo nee, waarom niet?
Staat u achter het principe van «passende zorg»? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de manier waarop ziekenhuizen worden gefinancierd slecht aansluit op het principe «passende zorg» en leidt tot perverse prikkels? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat de financiële zekerheid voor de regionale ziekenhuizen vergroot moet worden? Zo nee, waarom niet?
Staat het doel van de invoering van de budgetbekostiging seh nog overeind, namelijk meer financiële zekerheid voor regionale ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
René Claassen (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Boetes aan zorgverzekeraars |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een boete uitdelen aan zorgverzekeraars die niet aan hun zorgplicht voldoen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de NZa deze bevoegdheid te geven?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kan geen bestuurlijke boete opleggen voor het niet naleven van de zorgplicht. Dit hangt samen met het feit dat de zorgplicht een open norm is, waardoor niet vooraf voldoende concreet is vastgelegd wanneer sprake is van een overtreding die met een boete kan worden bestraft.
Zoals toegelicht in de brief van 12 februari 2025 aan de Kamer over de motie van de Kamerleden Tielen, Jansen en Claassen inzake het handhaven van de zorgplicht1, acht ook het kabinet het huidige handhavingsinstrumentarium van de NZa wel toereikend.
De NZa beschikt over effectieve herstelgerichte instrumenten, zoals het geven van een aanwijzing en indien nodig het opleggen van een last onder dwangsom. Deze instrumenten zijn erop gericht om naleving van de zorgplicht daadwerkelijk af te dwingen en de zorg voor verzekerden te borgen. Gelet hierop ziet het kabinet geen aanleiding om de NZa de bevoegdheid te geven om een bestuurlijke boete op te leggen voor het niet naleven van de zorgplicht.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bestuurders van zorginstellingen die zwaar gefaald hebben – zoals de zorgbestuurders van de William Schrikker Stichting die verantwoordelijk waren voor het Vlaardings pleegmeisje – uit hun functie (laten) zetten (ontslaan)? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de IGJ deze bevoegdheid te geven?
De IGJ kan door middel van een aanwijzing, indien nodig gevolgd door een last onder dwangsom, in uitzonderlijke gevallen afdwingen dat het bestuur van een zorginstelling (deels) wordt vervangen. Daarnaast kan de IGJ in bij wet bepaalde gevallen een last onder bestuursdwang inzetten, bijvoorbeeld indien niet tijdig wordt voldaan aan een aanwijzing of bevel. Het (deels) vervangen van het bestuur is een ingrijpende maatregel. De IGJ zal hier alleen op aansturen als zij onvoldoende vertrouwen heeft in het bestuur om risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg weg te nemen, en zij geen mogelijkheden ziet om tot herstel te komen met dit bestuur. Het is vervolgens aan de interne toezichthouder van de instelling, de raad van toezicht, om de bestuurders te schorsen of te ontslaan en zo nodig tijdelijk bestuur aan te stellen.
Het kabinet voorziet geen invoering van een directe ontslagbevoegdheid voor de IGJ. Een dergelijke bevoegdheid zou een fundamentele wijziging betekenen van het stelsel, waarin publiek toezicht en interne governance van zorginstellingen van elkaar zijn gescheiden.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?