De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 heb ik aangegeven dat alternatieve geneesmiddelen nog enkele weken, maximaal zes, ter hand gesteld kunnen worden nadat het preferente geneesmiddel weer beschikbaar is. De termijn die ik noemde, kwam destijds voort uit navraag bij één van de grote zorgverzekeraars die bij een nalevingscontrole op preferentiebeleid een termijn hanteerde van twee weken vóór en vier weken na een door de zorgverzekeraar vastgesteld tekort waarin apothekers vrij waren om óók niet preferente middelen vergoed aan hun patiënten mee te geven. Mijn beantwoording was dus niet gestoeld op een wettelijke bepaling of regelgeving, maar ging in op een contractuele afspraak tussen een van de grote zorgverzekeraars en apothekers.
Naar aanleiding van de vraag van lid Bushoff (PRO) tijdens het tweeminutendebat Eerstelijnszorg en deze set Kamervragen heeft het kabinet aanvullend navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en haar achterban. Ten algemene geldt dat de vergoeding van alternatieve middelen tijdens een tekort van een preferent middel individueel beleid van de zorgverzekeraar is. Er bestaat dus variatie tussen zorgverzekeraars, maar zij geven aan altijd te handelen vanuit redelijkheid en billijkheid. De afspraken hierover liggen vast in de contracten tussen zorgverzekeraars en apothekers. Ook blijkt uit de navraag dat de termijn van zes weken die ik tijdens het debat noemde ook bij enkele andere grote zorgverzekeraars wordt gehanteerd, en soms ruimer is.
In het antwoord op vraag 3 gaat het kabinet op basis van deze aanvullende navraag nader in op de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn en hoe de zorgverzekeraars hiermee omgaan.
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
De huidige regels ten aanzien van het preferentiebeleid zijn vastgelegd in artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering.1 Daarnaast gelden er veldafspraken, zoals de afspraken die zijn vastgelegd in de Leidraad Verantwoord Wisselen Medicijnen2, de afspraken van de Taakgroep Preferentiebeleid3 en de afspraken in het AZWA om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Binnen de kaders die regelgeving en veldafspraken bieden, hebben zorgverzekeraars de ruimte om naar eigen inzicht invulling te geven aan het preferentiebeleid. Hierbij geldt uiteraard de zorgplicht die zorgverzekeraars voor hun verzekerden hebben.
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Zolang zorgverzekeraars zich houden aan artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering en genoemde veldafspraken, kunnen zorgverzekeraars naar eigen inzicht invulling geven aan het preferentiebeleid. Dit geldt ook voor de afspraken die zij in de zorgcontractering met apotheken maken over de verkoop en vergoedingen wanneer preferent aangewezen middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn.
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven heeft het kabinet ZN gevraagd om bij haar achterban na te gaan hoe zorgverzekeraars hier in de praktijk mee omgaan. Wanneer er sprake is van een tekort aan een preferent aangewezen middel passen zorgverzekeraars in de praktijk twee mogelijkheden toe. Een zorgverzekeraar kan ervoor kiezen een ander middel als preferent aan te wijzen of een cluster van geneesmiddelen volledig open te zetten. In die laatste situatie zijn apothekers (tijdelijk) vrij om andere producten uit dat cluster vergoed af te leveren aan hun patiënten. Hoe zorgverzekeraars binnen deze twee mogelijkheden de middelen vergoeden aan apothekers verschilt per zorgverzekeraar. De afspraken hierover zijn onderdeel van de contractering tussen zorgverzekeraars en apothekers.
ZN laat weten dat zorgverzekeraars ernaar streven om redelijk en billijk om te gaan met apothekers wanneer een preferent aangewezen middel niet beschikbaar is. Het kabinet constateert echter wel dat er geen uniformiteit is in deze aanpak en dat niet iedere aanpak vanuit de ervaring van de apotheek even goed werkt. Koepels van apothekers, apotheekhoudende huisartsen, zorgverzekeraars, groothandels en leveranciers werken binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent middel. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken gemaakt worden.
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Het verschilt per zorgverzekeraar en per situatie of dit klopt. Hoe de afrekening tussen apotheek en zorgverzekeraar tijdens en na een tekort van een preferent geneesmiddel verloopt, is opgenomen in de contractafspraken tussen zorgverzekeraars en apotheken. Uit de navraag die ZN bij haar leden heeft gedaan blijkt dat dit per situatie en per zorgverzekeraar verschilt. Allereerst geldt ten algemene dat zorgverzekeraars naast LPG vaak LPG + bandbreedte hanteren, waarin boven de «laagste prijs» een bandbreedte wordt gehanteerd. Bij tekorten wordt vaak helemaal geen (vorm van) LPG gehanteerd. Daarnaast zijn er zorgverzekeraars die een coulanceperiode hanteren, gedurende welke periode niet-preferente middelen nog verstrekt mogen worden. Tot slot speelt nog mee dat in artikel 2.8 Besluit Zorgverzekering de uitzondering van medische noodzaak is opgenomen. In het geval van medische noodzaak wordt ook een niet-aangewezen middel volledig door de zorgverzekeraar vergoed.
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Zorgverzekeraars maken tijdens de zorgcontractering afspraken met apotheken over het preferentiebeleid. Hoe de preferentiegraad daarin wordt meegenomen verschilt per zorgverzekeraar. De zorgverzekeraars die reageerden op de navraag van ZN gaven aan rekening te houden met de marktomstandigheden bij het beoordelen van de zogenaamde preferentie-compliance van apotheken – de periode rondom een tekort werd door hen niet meegenomen bij het bepalen van de preferentiegraad. Ook wordt er door zorgverzekeraars gekeken naar het marktgemiddelde, met andere woorden, hoe is de preferentie-compliance van een apotheek ten opzichte van een benchmark. Tot slot gaven de twee zorgverzekeraars aan de preferentiegraad niet te betrekken bij de zorginkoop voor het volgende jaar, danwel als onderdeel van een bredere set indicatoren. Overigens geldt ook hier dat het aan iedere zorgverzekeraar is om hier eigen beleid op te maken.
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Dat klopt niet volledig. Er zijn ook (coulance)regelingen specifiek voor geneesmiddelen die uit het buitenland geïmporteerd zijn onder een vrijstelling van de IGJ en er zijn zorgverzekeraars die (vormen van) coulance geven rondom tekorten, ook gedurende het jaar. Wat wel klopt is dat apotheken aangeven dat het ontbreken van uniforme afspraken hierover voor hen een groot knelpunt is, zeker in het geval van een tekort aan een preferent middel. Het kabinet hecht dan ook veel belang aan de inzet van partijen om tot goede afspraken te komen.
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Er zijn op dit moment geen goede, onafhankelijke gegevens over de effecten van het preferentiebeleid op medicijnverspilling of de financiële situatie van apothekers op basis waarvan het kabinet daar een oordeel over te geven. Op verzoek van de Kamer laat het kabinet een onafhankelijke evaluatie van het
preferentiebeleid uitvoeren. In deze kosten-baten analyse worden ook de effecten van het preferentiebeleid op de apotheek meegenomen. Het kabinet verwacht de Kamer dit najaar het rapport vergezeld van een beleidsreactie toe te zenden.
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een onafhankelijke evaluatie van het huidige preferentiebeleid en de toepassing daarvan, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet wacht deze evaluatie af voordat eventuele maatregelen worden genomen.
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het staat zorgverzekeraars en apothekers vrij om in de contractering of in de vorm van veldafspraken afspraken hierover te maken. Vanuit de overheid zijn daar geen belemmeringen voor. Daarnaast werken veldpartijen, waaronder zorgverzekeraars en apotheken, in het kader van het AZWA bijvoorbeeld aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent product. Het kabinet juicht dat toe, net als alle andere initiatieven van stakeholders om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te bevorderen en de negatieve effecten van geneesmiddelentekorten te minimaliseren.
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Ja, het kabinet is daarmee bekend. Het kabinet heeft uiteraard begrip voor het ongeduld van zowel patiënten als behandelaars, en vindt ook dat doorlooptijden van vergoedingsprocedures niet langer dan nodig zouden moeten zijn. Tegelijk zijn de kosten van dit middel per behandeling € 131.847,06, en is het macrokostenbeslag € 15,7 miljoen in jaar 3 na introductie. Dergelijke uitgaven en kosten moeten wel verantwoord zijn, en dus in verhouding staan tot de gezondheidswinst die een behandeling met dit geneesmiddel oplevert. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de reden van Zorginstituut Nederland, dat de Minister van VWS onafhankelijk adviseert over de pakketwaardigheid van sluisgeneesmiddelen, om extra informatie te vragen voor een goed oordeel over de kosteneffectiviteit.
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Daratumumab heeft voor de indicatie AL-amyloïdose op 21 juni 2021 een Europese marktregistratie verkregen. Verreweg de meeste tijd tussen de marktregistratie en een positief pakketadvies is de tijd die de leverancier heeft genomen voor indiening van het eerste vergoedingsdossier bij het Zorginstituut: ongeveer drie jaar. Daarnaast heeft de beoordeling langer geduurd dan gebruikelijk. De reden hiervan is dat er twee beoordelingen nodig zijn gebleken. Het tijdsverloop van de eerste beoordeling is als volgt.
Datum ontvangst dossier
4 juni 2024
Datum compleet dossier
22 juli 2024
Datum start consultatie
18 oktober 2024
Datum reactie leverancier consultatie
6 november 2024
Datum advies
16 januari 2025
Dat betekent dat de eerste beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 178 dagen heeft geduurd. Om dit in perspectief te plaatsen: het streven is om een beoordeling van intramurale geneesmiddelen binnen 120 dagen afgerond te hebben.2 Het Zorginstituut wijst er daarbij op dat de leverancier in dit geval tijdens de beoordeling tijd heeft aangevraagd voor het aanleveren van extra informatie (een zogeheten klokstop). Deze klokstop betrof 29 dagen, waarmee de netto beoordelingstijd uitkomt op 178–29=149 dagen.
Het Zorginstituut heeft in het advies van 16 januari 2025 geconcludeerd dat daratumumab in combinatie met cyclofosfamide bortezomib en dexamethason (Dara-CyBorD) voor de behandeling van AL-amyloïdose voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De aangeleverde informatie door de leverancier gaf echter onvoldoende inzicht of de prijs van Dara-CyBorD kosteneffectief was. Daarom luidde het advies van het Zorginstituut om Dara-CyBorD niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering.
Uiteindelijk heeft de leverancier een aanvraag voor een herbeoordeling gedaan. De herbeoordeling betrof enkel het farmaco-economisch dossier. Het tijdsverloop hiervan was als volgt.
Datum ontvangst dossier
18 september 2025
Datum compleet dossier
10 november 2025
Datum start consultatie
18 december 2025 (gerekend vanaf 1 januari i.v.m. Kerstvakantie)
Datum reactie leverancier consultatie
27 maart 2026
Datum advies
5 augustus 2026
Dat betekent dat de tweede beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 283 dagen heeft geduurd. In dit geval bedroeg de klokstop 85 dagen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Het Zorginstituut heeft in januari 2025 geconcludeerd dat Dara-CyBorD voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en dus effectief is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het geneesmiddel ook kosteneffectief is. Daartoe is informatie nodig over de verhouding tussen de gezondheidswinst en de kosten van het middel. In het eerste dossier was deze informatie onvoldoende. De herbeoordeling betrof enkel de beoordeling van de kosteneffectiviteit, dat het middel effectief is stond immers al vast. Het kabinet begrijpt nogmaals het ongeduld, en wijst er in dat verband op dat de leverancier de tijd tussen registratie en vergoeding had kunnen verkorten door eerder een dossier in te dienen en al bij de eerste beoordeling een model aan te leveren dat meer in lijn was met de studieresultaten.
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Het kabinet merkt ten eerste op dat Dara-CyBorD het leven van patiënten weliswaar kan verlengen, maar geen genezing brengt. Ten tijde van de eerste beoordeling was er nog geen klinisch relevant effect op de overleving aangetoond. De laatste publicatie over de effectiviteit van DaraCyBorD laat zien dat na 5 jaar ongeveer 10% minder patiënten overleden zijn ten opzichte van de vergelijkende behandeling.
Desalniettemin begrijpt het kabinet dat de vraag gesteld kan worden in hoeverre gezondheidsverlies als gevolg van vertraagde toegang wordt meegewogen en zo ja, of dat dan moet opwegen tegen de gezondheidswinst die een snelle vergoeding van een geneesmiddel zou opleveren. Deze afweging wordt niet gemaakt. Wel is het zo dat het betalen van een niet-kosteneffectieve prijs, dat wil zeggen een prijs waarvoor we – op het geheel bezien – onvoldoende gezondheidswinst terugkrijgen, ook schade zou toebrengen, aan patiënten elders of in de toekomst. Omdat met dat geld, dat we nu eenmaal maar één keer kunnen uitgeven, elders meer gezondheid had kunnen worden gewonnen. Het kabinet wijst in dit verband op de studie die het onderzoeksbureau Equalis in 2023 in opdracht van het Zorginstituut heeft gedaan naar de sluis. Equalis stelt dat de sluis tot een netto gezondheidswinst leidt, ondanks het gezondheidsverlies als gevolg van een latere toelating.3 Tot slot hecht het kabinet eraan om te benadrukken dat de inzet van zowel de beoordelaars bij het Zorginstituut als de onderhandelaars bij het Ministerie van VWS erop gericht is om patiënten zo snel als mogelijk toegang te geven tot effectieve geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Het kabinet vindt uiteraard dat patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot een effectief middel, zoals in dit geval door het Zorginstituut is vastgesteld. Het kabinet zie ook dat ontwikkelingen zoals enerzijds steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, en anderzijds steeds meer onzekerheid over de (kosten)effectiviteit door beperktere data een uitdaging betekent voor het pakketbeheer. Dat is de reden dat het kabinet werkt aan een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG), waarover het kabinet uw Kamer regelmatig informeert.
Binnen dit stelsel is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. De kern van TSG is een betere risicobeheersing en een betere voorspelbaarheid over de te volgen procedure.
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Zoals bij vraag 2 bericht, heeft de Minister van VWS op 5 augustus 2026 het advies van het Zorginstituut ontvangen4. Het Zorginstituut adviseert dat een prijsonderhandeling nodig is voor pakkettoelating. Het kabinet hoopt nu zo snel mogelijk met de leverancier tot een prijsafspraak te komen zodat de behandeling kan instromen in het basispakket. Daar is alle tijd en inzet nu op gericht.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van kinderen |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Sarah El Boujdaini (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «AI-kindermisbruik groot probleem: beelden gaan soms hele school door»?1
Hoe kijkt u naar de signalen dat het door generatieve AI steeds eenvoudiger wordt om seksuele beelden van kinderen te maken en deze vervolgens op grote schaal te verspreiden?
Heeft u voldoende zicht op de omvang van AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van minderjarigen in Nederland en de ontwikkeling hiervan? Zo nee, welke informatie ontbreekt?
Deelt u de opvatting dat AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van een kind moet worden gezien als een ernstige vorm van seksueel geweld, ook wanneer het beeld niet daadwerkelijk van het kind is gemaakt?
Welke ondersteuning is momenteel beschikbaar voor minderjarige slachtoffers van AI-gerelateerd seksueel geweld en is deze hulpverlening voldoende voorbereid op deze nieuwe vorm van slachtofferschap?
Welke rol hebben jeugdhulp, Veilig Thuis en andere zorg- en hulpverleningsorganisaties bij het signaleren en ondersteunen van kinderen die hiermee te maken krijgen en zijn zij hiervoor voldoende voorbereid?
Is er inmiddels een duidelijk handelingskader voor professionals die signalen van online seksueel geweld onder minderjarigen, waaronder AI-gerelateerd seksueel geweld, opvangen en zo nee, bent u bereid dit te ontwikkelen?
Beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende kennis, capaciteit en technische middelen om daders die AI gebruiken voor het maken en verspreiden van seksueel beeldmateriaal van kinderen op te sporen en te vervolgen? In hoeverre is Europol hierbij betrokken? En in hoeverre is de overheid hierin afhankelijk van externe organisaties, zoals Offlimits?
Deelt u de opvatting dat de aanpak niet alleen gericht moet zijn op het verwijderen van beelden en het vervolgen van daders, maar ook op het voorkomen dat dergelijke beelden überhaupt kunnen worden gemaakt?
In hoeverre bieden de huidige wet- en regelgeving en bevoegdheden voldoende mogelijkheden om nu al op te treden tegen het maken en verspreiden van AI-gegenereerde seksuele beelden van minderjarigen, en waar ziet u nog knelpunten?
Welke voorbereidingen treft u momenteel om ervoor te zorgen dat het verbod uit artikel 5 van de AI-verordening op het genereren van niet-consensuele seksuele beelden en beelden van seksueel kindermisbruik (CSAM) vanaf 2 december 2026 effectief kan worden gehandhaafd, en beschikken de verantwoordelijke toezichthouders daarvoor over voldoende capaciteit en expertise?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om kinderen te beschermen tegen AI-gerelateerd seksueel geweld en ervoor te zorgen dat slachtoffers snel passende hulp krijgen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het begrotingsonderdeel Jeugd op 30 november 2026?
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
De stijging van verplichte zorg in de ggz |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cijfers dwang in de ggz opnieuw gestegen» en de onderliggende cijfers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat het geregistreerde aantal ggz-cliënten dat te maken kreeg met verplichte zorg is gestegen van 13.022 in 2024 naar 13.722 in 2025, een stijging van ongeveer 5 procent?2, 3
In hoeverre kan deze stijging volgens u worden verklaard door een daadwerkelijke toename van verplichte zorg en in hoeverre door betere registratie? Kunt u dit zo veel mogelijk kwantificeren?
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal cliënten dat sinds de inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met verplichte zorg te maken heeft gekregen, uitgesplitst per jaar en naar vorm van verplichte zorg?
Hoe beoordeelt u dat zorgprofessionals tegenover de IGJ aangeven dat personeelstekorten, instabiele teams en hoge werkdruk kunnen leiden tot gevoelens van onveiligheid bij zorgverleners, waardoor sneller tot insluiting kan worden overgegaan?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat personeelsproblemen ertoe leiden dat patiënten eerder of vaker worden ingesloten?
Klopt het dat een landelijke registratie van het feitelijke aantal separeerverblijven en Extra Beveiligde Kamers (EBK’s) ontbreekt? Waarom bestaat deze landelijke registratie nog steeds niet?
Hoe kunt u beoordelen of het beleid om separeerverblijven en insluitingen in EBK’s af te bouwen daadwerkelijk succesvol is als niet landelijk bekend is hoeveel van deze ruimtes er zijn?
Kunt u verklaren waarom het aantal geregistreerde toepassingen van een EBK is gestegen van 2.529 in 2024 naar 2.893 in 2025, terwijl wordt ingezet op het terugdringen van insluiting?
Kunt u aangeven hoeveel van de 12.111 geregistreerde toepassingen van insluiting in 2025 daadwerkelijk eenzame opsluiting betroffen? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd?
Wanneer wordt de aangekondigde nulmeting naar het aantal klassieke separeercellen uitgevoerd en wanneer ontvangt de Kamer de resultaten?
Welke concrete en meetbare doelstellingen hanteert u voor het verminderen van insluiting en andere vormen van verplichte zorg in de ggz en op welke termijn moeten deze worden bereikt?
Hoeveel middelen heeft de rijksoverheid de afgelopen vijf jaar beschikbaar gesteld voor het terugdringen van dwang en insluiting in de ggz en welke aantoonbare resultaten zijn daarmee bereikt?
De IGJ geeft aan dat de gepubliceerde trendanalyse niet alle zorgaanbieders omvat, bent u bereid ervoor te zorgen dat er een volledig en landelijk vergelijkbaar beeld komt van de toepassing van verplichte zorg, insluiting, separatie en het gebruik van EBK’s?
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van verplichte zorg in de ggz, uitgesplitst naar de verschillende vormen daarvan, waaronder afzonderlijk insluiting in een separeerverblijf en een EBK?
De mogelijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van Chemelot |
|
Dion Huidekooper (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Chemelot: de schoorsteen moet roken» over de uitstoot van schadelijke stoffen door Chemelot en de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden?1
Klopt het dat van slechts een beperkt aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) metingen in de leefomgeving beschikbaar zijn en dat deze metingen bovendien maar op één locatie plaatsvinden? Acht u de huidige meetinfrastructuur toereikend om een representatief beeld te krijgen van de werkelijke blootstelling van omwonenden?
Hoeveel door Chemelot uitgestoten ZZS worden op dit moment níét structureel gemeten in de leefomgeving? Bent u bereid ervoor te zorgen dat er op meerdere locaties en op een breder pallet aan ZZS wordt gemeten?
Hoe controleren de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT) en Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) of de gerapporteerde uitstoot van Chemelot overeenkomt met de daadwerkelijke uitstoot uit de installaties op het Chemelot-terrein? Ziet u aanleiding om meer direct bij de bron te meten?
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt voor een mogelijk verhoogd gezondheidsrisico door de combinatie van verschillende ZZS, ook wanneer deze stoffen afzonderlijk onder de wettelijke normen blijven? Wat betekent deze conclusie volgens u voor de risico’s die omwonenden lopen?
Hoe wordt op dit moment bij vergunningverlening rond Chemelot rekening gehouden met de gecombineerde uitstoot van verschillende ZZS?
Welke mogelijkheden heeft de provincie Limburg volgens u om uit voorzorg vergunningen aan te scherpen of aanvullende eisen te stellen vanwege mogelijke risico’s van de gecombineerde uitstoot van ZZS?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de leefomgeving en volksgezondheid om ervoor te zorgen dat bij de vergunningverlening rond Chemelot voldoende rekening wordt gehouden met deze gecombineerde uitstoot? En welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf?
Hoe beoordeelt u de verschillende opvattingen van het RIVM en de provincie Limburg over de betekenis van de mogelijke risico’s van gecombineerde blootstelling? Deelt u de opvatting dat juist meer metingen nodig zijn om duidelijkheid te krijgen over de daadwerkelijke risico’s voor omwonenden?
Hoe wordt bij besluitvorming over Chemelot de economische betekenis van het industriecomplex afgewogen tegen de bescherming van milieu en de gezondheid van omwonenden? Hoe wordt daarbij geborgd dat economische belangen niet ten koste gaan van de gezondheid van omwonenden?
Kunt u verklaren waarom rond bijvoorbeeld Tata Steel uitgebreid gezondheidsonderzoek plaatsvindt, terwijl het RIVM ook rond Chemelot constateert dat belangrijke kennis ontbreekt en aanvullend onderzoek en metingen adviseert?
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van omwonenden van grote industriële complexen in alle regio’s van Nederland voldoende aandacht krijgt en dat Limburg hierin niet achterblijft?
Bent u bereid om samen met de provincie Limburg, het RIVM en de RUD Zuid-Limburg tot een plan van aanpak te komen voor aanvullende metingen en vervolgonderzoek rond Chemelot, en dit plan per Kamerbrief aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zorgplafonds en de wachttijden in de ggz |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer over de invloed van door zorgverzekeraars opgelegde zorgplafonds op de wachttijden in de GGZ?1 Deelt u de mening dat dit niet de eerste keer is dat wordt gewezen op deze relatie?
wat vindt u ervan dat bij vier op de tien onderzochte ggz-aanbieders de zorgverzekeraar mede bepaalt hoe lang iemand moet wachten? Wat vindt u ervan dat bijna een kwart van de aanbieders gedurende de onderzoeksperiode een patiëntenstop had voor verzekerden door een zorgplafond, terwijl verzekerden van andere zorgverzekeraars daar nog wel terechtkonden?
Vindt u het net als PRO onacceptabel dat mensen met precies dezelfde zorgvraag bij dezelfde aanbieder verschillende wachttijden hebben, enkel omdat zij bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn? Zo nee, hoe legt u dit dan uit?
Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich tot de woorden van uw ambtsvoorganger die stelde dat omzetplafonds bijdragen aan doelmatigheid van zorg? Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich met de woorden «Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars»?2 Dit valt toch niet met elkaar te rijmen? Bent u bereid het standpunt van het kabinet op basis van deze nieuwe bevindingen te herzien?
Deelt u de analyse dat niet de personele capaciteit maar de financiering de feitelijke toegang tot zorg beperkt, bij aanbieders die wel capaciteit beschikbaar hebben, maar vanwege een omzetplafond geen nieuwe patiënten meer mogen aannemen? Hoe legt u dit uit aan mensen die op de wachtlijst belanden en aan behandelaren?
Hoe beoordeelt u het risico dat zorgverzekeraars omzetplafonds inzetten om verzekerden die relatief veel of dure ggz-zorg nodig hebben indirect te ontmoedigen, waardoor volgens DSW feitelijk sprake kan zijn van risicoselectie? Welke rol speelt de risicoverevening hierin? Welke maatregelen neemt u om dit soort prikkels weg te nemen?
Is een wachttijd van negen maanden door een bereikt omzetplafond volgens u verenigbaar met de wettelijke zorgplicht van een zorgverzekeraar en de Treeknormen? Zo ja, kunt u juridisch onderbouwen waarom? Zo nee, wie moet in zo’n situatie ingrijpen?
Hoe verklaart u het feit dat mensen maanden moeten wachten terwijl er behandelcapaciteit beschikbaar is, met de woorden van uw ambtsvoorganger dat zorgverzekeraars, als zorgbemiddeling niet leidt tot een tijdig en passend alternatief, bij de oorspronkelijke aanbieder moet bijcontracteren?3
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord is afgesproken om proactieve zorgbemiddeling te realiseren, hoeveel zorgverzekeraars bieden dit inmiddels daadwerkelijk aan, hoeveel wachtenden zijn daarmee benaderd en hoeveel mensen hebben hierdoor binnen de Treeknorm passende zorg gekregen?
Delt u de mening dat zorgbemiddeling alleen een oplossing is wanneer het alternatief inhoudelijk passend, tijdig bereikbaar en uitvoerbaar is voor de patiënt, en niet wanneer iemand met bijvoorbeeld autisme of complexe problematiek opnieuw naar een aanbieder wordt verwezen die deze zorg niet levert? Hoe wordt de kwaliteit en passendheid van zorgbemiddeling vanuit het perspectief van patiënten getoetst?
Wat is uw reactie op het signaal dat de informatie over patiëntenstops en wachttijden op websites van aanbieders soms niet klopt? Wie is verantwoordelijk voor de juistheid van deze informatie en hoe houdt de NZa hierop toezicht?
Bent u bereid om patiëntenstops als gevolg van omzetplafonds centraal en actueel inzichtelijk te maken, uitgesplitst naar zorgverzekeraar, aanbieder, regio en type ggz-zorg, zodat patiënten, verwijzers, de NZa en de Kamer kunnen zien waar beschikbare behandelcapaciteit om financiële redenen niet wordt benut?
Gaat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar aanleiding van de bevindingen van Pointer onderzoek doen naar de naleving van de zorgplicht door de genoemde zorgverzekeraars? Zo nee, bent u bereid de NZa te vragen dit te doen?
Hoeveel keer heeft de NZa in de afgelopen vijf jaar vastgesteld dat een zorgverzekeraar door een te laag omzetplafond of onvoldoende bijcontractering niet aan zijn zorgplicht voor de GGZ voldeed? Welke aanwijzingen, lasten onder dwangsom of boetes zijn daarbij opgelegd?
Hoe vaak hebben ggz-aanbieders in 2025 en 2026 per zorgverzekeraar om ophoging van hun omzetplafond gevraagd? Hoeveel van deze verzoeken zijn geheel of gedeeltelijk toegewezen, hoeveel zijn afgewezen en binnen welke gemiddelde termijn werd hierover beslist?
Welke inhoudelijke criteria gebruiken zorgverzekeraars bij het beoordelen van een verzoek om bijcontractering of ophoging van een omzetplafond? Hoe wordt voorkomen dat een administratief geschil tussen aanbieder en verzekeraar wordt afgewenteld op een patiënt die dringend zorg nodig heeft?
Waarom heeft u aangenomen moties die verzoeken het gebruik van omzetplafonds in de ggz te verbieden, nog niet uitgevoerd?4 Wanneer kan de Kamer de concrete uitvoering verwachten?
Bent u in afwachting van een definitieve stelselwijziging bereid omzetplafonds in ieder geval niet toe te staan wanneer een aanbieder aantoonbaar behandelcapaciteit heeft, er geen tijdig alternatief is en de Treeknorm wordt overschreden? Zo nee, waarom laat u een financieel instrument dan zwaarder wegen dan het recht op tijdige zorg?
Kunt u deze vragen vóór het einde van het overstapseizoen en de afronding van de zorginkoop voor 2027 beantwoorden, zodat mensen bij de keuze voor een zorgverzekering weten welke gevolgen het gebruik van omzetplafonds kan hebben voor hun toegang tot ggz-zorg?
Bent u bekend met het bericht «Amsterdam moet proef met vervanging voor crack stoppen, maar Inspectie legt niet uit waarom» en wat is daarop uw reactie?1
Kunt u toelichten waarom de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de productie van het middel dexamfetamine plots heeft stilgelegd?
Welke stappen gaat u zetten om deze of soortgelijke proeven zo snel mogelijk (weer) plaats te laten vinden met als doel crackgebruikers te helpen?
Hoe kijkt u tegen dit besluit aan in het licht van de toenemende gebruikers en problemen in de grote steden door crackgebruik?
Hoe is de IGJ tot dit besluit gekomen terwijl burgermeesters en wethouders expliciet vragen om deze pilot?
Heeft u alternatieven om de crackcrisis tegen te gaan?
Kunt u, gelet op de urgentie, deze vragen voor 15 oktober a.s. beantwoorden?
Het bericht 'Marianne Boer (80) wil een kanoclub, maar stuit op ruimtegebrek en regels' |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Marianne Boer (80) wil een kanoclub, maar stuit op ruimtegebrek en regels», waarin je kunt lezen hoe verschillende vrijwilligers jarenlang bezig zijn om een initiatief van de grond te krijgen maar op allerlei manieren vastlopen?1
Herkent u dit beeld dat vrijwilligers bij het nemen van initiatief voor hun vereniging van het ene naar het andere (gemeentelijke) loket worden gestuurd?
Welke regels, verplichtingen of procedures zijn geschrapt of vereenvoudigd, sinds de Kamer op 9 september 2025 met 149 stemmen de motie-Van Dijk c.s. (Kamerstuk 30 234, nr. 416) aannam en wat merkt een vrijwillige bestuurder daar inmiddels concreet van?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Van Nispen c.s. (Kamerstuk 30 234, nr. 421) en welke concrete verbeteringen heeft dit inmiddels opgeleverd voor verenigingen?
Wanneer ontvangt de Kamer het meerjarenplan regeldrukvermindering zoals bedoeld uit de motie-Van Dijk (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 66) en kunt u daarin expliciet inzichtelijk maken hoeveel regels, procedures en administratieve handelingen verdwijnen en hoeveel tijd dit vrijwilligers bespaart?
Hoe wordt de gewijzigde motie-Mohandis c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 89), over het versterken en borgen van de ombudsfunctie voor sportverenigingen, juist om vrijwilligers praktisch te ondersteunen bij onder andere problemen met gemeenten, verzekeraars en sportbonden, uitgevoerd?
Kunt u ons informeren over de status van de uitvoering van de motie-Mohandis/Van Dijk (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 63) over één toegankelijk loket voor sportverenigingen voor bouw, onderhoud en verduurzaming.?
Wat is de status van de motie Mohandis c.s. (Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 115) die de regering verzoekt om, in samenspraak met sportverenigingen, te komen tot een meerjarige strategie voor sportverenigingen?
Hoe verklaart u dat de Kamer inmiddels meerdere breed gesteunde moties heeft aangenomen over regeldruk, clubondersteuning, accommodaties en één toegankelijk loket, terwijl vrijwilligers in de praktijk nog steeds melden jarenlang bezig te zijn, van loket naar loket te worden gestuurd en uiteindelijk zelfs overwegen hun initiatief te staken?
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de sportbegroting een overzicht te sturen van de uitvoering van bovengenoemde moties, waarbij u niet alleen beschrijft welke acties zijn ingezet, maar vooral welke concrete regeldruk voor verenigingen inmiddels is verdwenen en wat vrijwilligers daarvan in de praktijk merken?
Het artikel 'De wonderbaarlijke waardestijging van 23 boswoningen: hoe een zorginstelling miljoenen aan inkomsten misliep' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat 23 sociale huurwoningen voor ouderen, ooit gefinancierd met gemeenschapsgeld, voor 3,8 miljoen euro zijn verkocht aan private beleggers en binnen een jaar voor tweeënhalf keer de aankoopprijs zijn doorverkocht?1
Deelt u de mening dat hier feitelijk miljoenen euro's aan zorggeld zijn weggelekt naar particuliere vastgoedbeleggers? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de verkoopprijs een miljoen euro onder de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde lag?
Hoe beoordeelt u het optreden van het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) in deze zaak?
Heeft u de bevoegdheid om het CSZ opdracht te geven? Zo ja, bent u van plan deze bevoegdheid te gebruiken in deze zaak?
Bent u van mening dat de waarde van een goed functionerend CSZ zich heeft bewezen door deze zaak?
Hoe verhoudt deze casus zich tot uw voornemen om het CSZ op te heffen? Deelt u de waarschuwing van de bestuursvoorzitter van het CSZ dat er na opheffing «nauwelijks extern toezicht» op vastgoedtransacties in de zorg zal bestaan?
Deelt u de mening dat deze zaak juist aantoont dat het toezicht op de verkoop van zorgvastgoed niet moet worden afgeschaft maar moet worden versterkt?
Klopt het dat de taxatie en de goedkeuring door het CSZ berustten op de aanname dat er een «uitpondverbod» gold, terwijl dit verbod in werkelijkheid niet bleek te bestaan? Hoe kan een dergelijke fundamentele fout in het toezicht ontstaan?
Vindt u het aanvaardbaar dat externe gemachtigden die voor het CSZ transacties beoordelen zelf actief zijn als vastgoedondernemer? Komt dit vaker voor?
Hoe beoordeelt u de handelwijze van het CSZ in de Woo-procedure, waarbij het bestaan van een cruciaal document werd verzwegen?
Bent u bereid het CSZ opdracht te geven de goedkeuring van de Valckenhof-transactie te evalueren en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Hoeveel vastgoedtransacties van zorginstellingen zijn de afgelopen vijf jaar goedgekeurd door het CSZ? Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeveel gevallen het verkochte vastgoed kort na de transactie met forse winst is doorverkocht?
Wat betekent deze casus voor bewoners van vergelijkbare complexen die op de nominatie staan om verkocht te worden, zoals het wooncomplex van Warande in Driebergen? Welke bescherming hebben deze veelal oudere huurders tegen de uitverkoop van hun woongemeenschap?
Deelt u de mening dat sociale huurwoningen voor ouderen die met publiek geld zijn gefinancierd, in beginsel in publieke of maatschappelijke handen zouden moeten blijven, bijvoorbeeld door een eerste aanbiedingsplicht aan woningcorporaties? Zo nee, waarom niet?
De oproep van burgemeesters om de problematiek met crackverslaving aan te pakken |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Joost Sneller (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de burgemeesters Halsema, Schouten, Van Zanen en Dijksma en de VNG aan het kabinet en de Kamer over dakloosheid en verslaving, waarin onder meer wordt opgeroepen om in te zetten op medicatie tegen crackverslaving?1
Hoe beoordeelt u de door de burgemeesters aangehaalde conclusie uit wetenschappelijk onderzoek dat dexamfetamine een positieve werking heeft bij het verhelpen van verslaving aan crack?
Onderschrijft u de opvatting van de Nationaal Rapporteur Verslavingen dat het voor een effectieve aanpak van verslaving, gericht op schadebeperking en maatschappelijk herstel, nodig is om de medische verstrekking van middelen als dexamfetamine uit te breiden?2
Bent u bereid toestemming te verlenen voor een pilot voor medicamenteuze inzet van dexamfetamine tegen crackverslaving?
Het bericht 'RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RIVM: tien nieuwe patiënten gemeld met het westnijlvirus» van RTL Nieuws?1
Hoeveel besmettingen zijn er dit jaar in Nederland vastgesteld, uitgesplitst naar regio, leeftijd en ernst van ziektebeeld?
Is er reden om aan te nemen dat de infectie met het westnijlvirus heeft bijgedragen aan het overlijden van de patiënt die onlangs is overleden en geïnfecteerd is geraakt door het ontvangen van een besmet bloedproduct?
Zijn er naar aanleiding van dit overlijden extra maatregelen genomen om de veiligheid van bloedproducten te garanderen? Indien ja, welke?
Beschouwt u het stijgend aantal infecties met het westnijlvirus bij patiënten als een tijdelijk incident, of beschouwt u dit als een structurele vestiging van het westnijlvirus in Nederland?
Overweegt u een publiekscampagne op te zetten om mensen zo goed als redelijkerwijs mogelijk te informeren over wat mensen zelf kunnen doen om besmetting te voorkomen?
Welke (andere) maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland niet besmet raken met het westnijlvirus?
Is onze zorgketen voldoende in staat om symptomen te herkennen bij mensen die geïnfecteerd zijn met het westnijlvirus, en deze patiënten vervolgens te behandelen?
Ziet u raakvlakken met andere infectieziekten die potentieel overgedragen kunnen worden door muggen, en het risico dat deze infectieziekten zich structureel vestigen in Nederland? Zo ja, welke risico's brengen deze ziekten met zich mee en welke maatregelen neemt u om hier adequaat op voorbereid te zijn?
Wat kan Nederland leren van hoe het Caribisch deel van het Koninkrijk, maar ook andere (Europese) landen omgaan met de aanwezigheid en de dreigingen van het westnijlvirus of andere infectieziekten – aangezien het westnijlvirus relatief nieuw is in Europees Nederland, maar in andere (Europese) landen structureel is gevestigd?
Hoe haalt u best practices op uit andere landen die Nederland zouden kunnen helpen bij het bestrijden van het westnijlvirus?
Kunt u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de ontwikkelingen van het westnijlvirus en andere infectieziekten die door muggen of andere dieren worden overgedragen in Nederland, bijvoorbeeld via bestaande structurele rapportages?
Hoe beoordeelt u het bericht «Vier ziekenhuizen en elf ggz-locaties in gebied met hoog risico op natuurbrand» van Skipr, en het onderliggende onderzoek «189 gebouwen met kwetsbare mensen in gebieden met hoog natuurbrandrisico» door Pointer (KRO-NRCV)?1 2
Liggen er voor elk van deze locaties noodscenario’s klaar die ook uitvoerbaar zijn als een natuurbrand zich snel uitbreidt en er weinig tijd is om kwetsbare mensen zoals patiënten/cliënten/leerlingen te evacueren?
Zijn er voor elk van deze locaties uitwijklocaties aangewezen en is daar in de regio genoeg plek en vervoer voor?
Welke maatregelen zijn getroffen om deze locaties in gebieden met hoog risico op natuurbrand ook te beschermen tegen een brand van buitenaf?
Klopt het dat de brandweer voor bescherming van deze locaties tegen brand van buitenaf alleen kan adviseren en geen maatregelen kan afdwingen zoals ze dat wel kan voor brandveiligheid binnen in de gebouwen? Zo ja, hoe beoordeelt u die situatie en bent u voornemens daar iets aan te doen?
Hoe neemt u het risico op natuurbranden in de buurt van zorginstellingen mee in de plannen rond het weerbaarder maken van de zorg?
De toegankelijkheid van mondzorg voor ouderen |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de vraag naar mondzorg zal toenemen door de dubbele vergrijzing?1
Welke maatregelen overweegt u om zorgmijden voor mondzorg specifiek onder ouderen terug te dringen? Hoe wilt u de tandarts toegankelijker maken voor wie minder mobiel, minder zelfredzaam of dementerend is?
Kunt u de Kamer inzicht verschaffen in de kwaliteit van de mondzorg in verpleeghuizen? Hoe wordt de kwaliteit hiervan gegarandeerd? Zijn er meldingen bekend van mensen die in het verpleeghuis onvoldoende mondzorg ontvangen?
In welke mate informeert de overheid samen met relevante gezondheidspartners ouderen over het belang van goede mondzorg voor de overige gezondheid?
Wat is (voor het meest recente jaar waarvoor u gegevens kunt aanleveren) het totaalbedrag aan zorgkosten die vermeden hadden kunnen worden door het meer vroegtijdig signaleren van ziektes indien alle ouderen effectief minstens 1 keer per jaar naar de tandarts zouden gaan?
Welke mate van afstemming gebeurt er tussen verschillende partijen zoals de verpleegkundigen, thuiszorg en huisartsen om ouderen te blijven wijzen op het belang van goede mondzorg? Is dat volgens u voldoende of zou er meer afstemming moeten plaatsvinden?
Welk beleid voert u om ervoor te zorgen dat er ook op de lange termijn (in 2035 en 2045) voldoende tandzorgaanbod is zodat tandzorg voor alle mensen in Nederland toegankelijk en betaalbaar zal zijn?
Bent u het eens met de stelling uit het Capaciteitsplan dat er een jaarlijkse instroom van 386 studenten nodig is om vraag en aanbod op termijn serieus in evenwicht te brengen? Indien ja, zal u met uw collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in gesprek gaan om de numerus fixus naar dit aantal op te trekken?
Indien u zich niet herkent in de stelling uit het Capaciteitsplan, welk aantal opleidingsplaatsen is er dan volgens u wel nodig om de toegankelijkheid van de mondzorg te blijven garanderen? Waarop precies baseert u dat aantal?
De wachttijden in de genderzorg |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Genderzorg kan vraag niet aan, transmensen beginnen soms zelf al met hormonen»?1
Wat zijn momenteel de gemiddelde wachttijden voor genderzorg? Kunt u dit uitsplitsen per zorgaanbieder?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen sinds uw ambtsvoorganger in 2020 erkende dat mensen hun toevlucht tot zelfmedicatie nemen?2
Hoe reflecteert u op het feit dat al jarenlang aan de bel wordt getrokken over de druk op de genderzorg en de wachttijden, maar de wachttijden alleen maar verder op lijken te lopen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voldoen aan de afspraken uit het Regenboogakkoord, in het bijzonder op de afspraken over transrechten en transzorg?
Deelt u de mening dat het onvoldoende is om mensen te waarschuwen voor de risico’s van zelfmedicatie wanneer zij vervolgens jarenlang op passende zorg moeten wachten? Welke concrete mogelijkheden zijn er voor mensen die nu hulp nodig hebben en voor wie de wachttijd niet overbrugbaar is?
Bent u bereid om met zorgverleners, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars afspraken te maken over laagdrempelige medische begeleiding voor mensen die al zelfstandig hormonen gebruiken, waaronder beoordeling van gezondheidsrisico’s, noodzakelijke controles en toegang tot specialistisch advies?
Hoe reflecteert u op de uitspraak in het artikel dat de huisarts niet is toegerust op het voortraject van hormoonbehandeling, zeker gelet op de aangenomen motie-Ellemeet c.s.3 over een grotere rol van huisartsen bij hormoontherapie en nazorg? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen onbegeleid gebruik, begeleiding door een geschoolde huisarts in samenwerking met specialisten en zorg waarvoor een gespecialiseerd multidisciplinair team noodzakelijk is?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen om uitvoering te geven aan de aangenomen-motie Ellemeet c.s. over een grotere rol van huisartsen?4 Hoeveel huisartsen zijn inmiddels geschoold? Welke belemmeringen ervaren huisartsen in de praktijk?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen naar aanleiding van de aangenomen motie-Simons c.s.5 over het verplaatsen van transzorg van de derde naar de tweedelijnszorg? Welke diagnostiek en behandelingen zijn inmiddels buiten de universitaire centra beschikbaar, hoeveel extra mensen worden daardoor geholpen en welke knelpunten zijn er voor eventuele verdere uitbreiding?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat alternatieve zorgroutes bekend zijn bij mensen en daadwerkelijk toegankelijk zijn? Worden mensen actief geïnformeerd over passende mogelijkheden bij andere aanbieders en over ondersteuning tijdens het wachten? Deelt u de mening dat zulke ondersteuning noodzakelijk kan zijn, maar wachttijden van vier à vijf jaar het niet overbrugbaar of aanvaardbaar maakt?
Wat hebben zorgverzekeraars en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concreet gedaan om tijdige toegang tot transzorg te waarborgen? Kunt u inzicht geven in de resultaten van zorgbemiddeling, eventuele onvoldoende inkoop van beschikbare capaciteit en maatregelen bij tekortschietende naleving van de zorgplicht?
Eerder gaf uw ambtsvoorganger aan dat er geen landelijke cijfers zijn over wachttijden in de gemeentelijk gefinancierde genderzorg, zijn deze cijfers inmiddels wel beschikbaar? Zo nee, hoe kunt u zonder dit inzicht beoordelen of de huidige aanpak werkt? Bent u bereid dit alsnog in kaart te laten brengen?6
Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de werkagenda van het Landelijk Platform Transgenderzorg? Over welke (financiële) middelen beschikt het platform?
Hoe reageert u op de vaststelling van de Gezondheidsraad dat de wachtlijstproblematiek in strijd is met het recht op gezondheid en ook het recht van kinderen op gezondheid en ontwikkeling kan schaden? Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf hierin?
Hoe voorkomt u dat jongeren tijdens het wachten de mogelijkheid op tijdige behandeling verliezen of bij hun achttiende verjaardag opnieuw achteraan moeten aansluiten? Bent u bereid met gemeenten, verzekeraars en aanbieders afspraken te maken over behoud van wachttijd, overdracht en continuïteit van begeleiding en behandeling?
Welke ondersteuning is tijdens het wachten beschikbaar voor mensen bij wie de psychische gezondheid verslechtert? Hoe wordt geborgd dat noodzakelijke psychologische hulp en crisiszorg toegankelijk zijn, ook wanneer iemand nog geen diagnostisch traject heeft doorlopen?
Hoe wordt tijdens het wachten op genderzorg actief gesignaleerd of iemand suïcidale gedachten ontwikkelt of dat bestaande klachten verergeren? Wie draagt verantwoordelijkheid voor het onderhouden van contact en het organiseren van passende hulp, ook wanneer iemand nog geen intake bij een gendercentrum heeft gehad? Bent u bereid hierover landelijke afspraken te maken, inclusief een duidelijk aanspreekpunt voor wachtenden en hun naasten?
Hoe voorkomt u dat mensen met suïcidale gedachten tussen de reguliere ggz en de genderzorg worden verwezen zonder dat een van beide daadwerkelijk hulp biedt? Welke afspraken bestaan over gelijktijdige behandeling van psychische klachten en gendergerelateerde zorgvragen, zodat suïcidaliteit niet automatisch leidt tot verdere vertraging van passende genderzorg? Hoe wordt daarbij een individuele beoordeling van veiligheid en zorgbehoefte gewaarborgd?
Welke concrete acties binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie 2026–2030 zijn gericht op transgender en non-binaire personen, waaronder mensen die wachten op zorg? Welke middelen, verantwoordelijke partijen en meetbare doelen zijn hieraan verbonden? Hoe worden 113 Zelfmoordpreventie, zorgverleners en ervaringsdeskundigen bij de uitvoering betrokken?
Hoe waarborgt u bij de uitvoering van de Wet integrale suïcidepreventie dat gemeenten aandacht besteden aan transgender en non-binaire inwoners? Welke ondersteuning krijgen gemeenten en scholen om discriminatie, pesten en sociale uitsluiting tegen te gaan, signalen van suïcidaliteit te herkennen en mensen naar passende hulp te begeleiden? Hoe zorgt u voor samenhang tussen zorg, onderwijs en emancipatiebeleid?
Welke wachttijd voor genderzorg acht u maximaal aanvaardbaar? Op welk moment concludeert u dat de inspanningen van zorgverzekeraars, het Landelijk Platform Transgenderzorg en gemeenten onvoldoende resultaat opleveren en dat u zelf moet ingrijpen? Welke concrete maatregelen bent u bereid op dat moment te nemen?
Kunt u inzicht geven in het aantal Oekraïners met opleiding tot en/of ervaring als zorgprofessional die naar Nederland gekomen zijn sinds de Russische invasie?
Hoeveel van deze Oekraïense artsen en ander zorgpersoneel werken nu in de zorg in Nederland?
Hoeveel van deze mensen kunnen niet in de zorg werken bij gebrek aan erkenning van hun buitenlands diploma?
Bent u van mening dat Oekraïense zorgprofessionals zouden kunnen bijdragen aan het gedeeltelijk dichten van het personeelstekort in de zorg? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de concrete obstakels in de erkenning van diploma’s voor Oekraïens zorgpersoneel?
Bent u bereid deze obstakels weg te nemen en ervoor te zorgen dat Oekraïense zorgverleners wel in de zorg kunnen werken?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden om de erkenning van diploma’s van Oekraïens zorgpersoneel te versnellen, zonder in te boeten op de kwaliteit van de zorg, om zo het personeelstekort tegen te gaan en deze mensen perspectief te bieden op een baan die recht doet aan hun vaardigheden?
In welke mate worden Oekraïense zorgverleners begeleid bij de erkenning van hun diploma en het traject naar passend werk binnen hun expertise? Welke bijkomende stappen kunnen hierop gezet worden?
Wat kunnen we van andere Europese lidstaten zoals bijvoorbeeld Duitsland leren bij het sneller inschakelen van artsen en ander zorgpersoneel van buiten de EU?
Hoeveel Oekraïense psychologen zijn op dit moment onderdeel van het initiatief om Oekraïense psychologen in te zetten voor psychosociale ondersteuning, zoals hulp aan kinderen en volwassenen met (oorlogs)trauma’s?
Is het mogelijk om met een gelijksoortige methodiek andere Oekraïense zorgverleners in Nederland aan het werk te zetten?
De toegankelijkheid van mondzorg in de regio |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat steeds meer Groningers zonder tandarts vallen?1
Herkent u de vaststelling dat er grote regionale verschillen zijn in de tandzorg, waarbij de vergrijzing juist relatief sterker is in regio’s met gemiddeld minder tandartsen?
Kunt u per provincie een overzicht bieden van het aantal mensen dat bij een tandarts op de wachtlijst staat? Kunt u daarbij ook een onderscheid maken tussen het aantal mensen op de wachtlijst in de stedelijke centra versus het aantal mensen op een wachtlijst in landelijke gebieden, als aandeel van het totaal aantal inwoners van de betreffende regio?
Kunt u inzicht bieden in de geografische spreiding van de leeftijdspyramide van tandartsen? In welke regio’s verwacht u dat er de komende jaren een groter tekort aan mondzorgaanbod zal zijn doordat relatief meer tandartsen op pensioen gaan?
Welke maatregelen overweegt u om ook in de regio’s verder weg van de opleidingssteden voldoende mondzorgaanbod beschikbaar te houden?
Gaat u met uw collega-bewindspersoon van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in gesprek om de regionale spreiding van opleidingsplaatsen voor tandarts te bespreken? Deelt u de mening dat meer opleidingsplaatsen in regio’s met grotere tandartstekorten kunnen bijdragen aan het verminderen van dat regionaal tekort?
Hulpmiddelen en voorzieningen voor mensen met een beperking, in navolging op vragen uit 2024 en 2025 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
In 2024 noemde uw ambtsvoorganger Minister Helder het in antwoord op onze Kamervragen1 «onacceptabel» dat mensen te lang moeten wachten op hulpmiddelen en in 2025 gaf uw ambtsvoorganger Staatssecretaris Maeijer aan dit «vreselijk»2 te vinden. Begrijpt u het dat mensen met een beperking en hun naasten, soms moedeloos worden als zij dit soort stevige termen horen, maar in hun leven, vrijheid, studie, werk en sociaal leven worden beperkt omdat precies dezelfde problemen niet worden opgelost?
In 2025 gaf u aan dat in het Landelijk normenkader hulpmiddelen is opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt. Gebeurt dit in alle gemeenten? Wie controleert dit? Hoe weet u of de afspraken in het landelijk normenkader overal worden nagekomen?
U gaf ook aan dat de gemeente en/of de leverancier de cliënt proactief op de hoogte houdt van diens aanvraag en/of levering van het hulpmiddel, zodat deze informatie ook inzichtelijk is voor de cliënt zelf. Heeft u de indruk dat dit standaard gebeurt?
Hebben inmiddels alle gemeenten de convenanten die zijn voortgekomen uit de Verbeteragenda Hulpmiddelen ondertekend?
Kunt u aangeven welke stappen zijn gezet om de levering en beschikbaarheid van hulpmiddelen te verbeteren, ook gezien de verplichtingen die voorkomen uit het VN-Verdrag Handicap waaronder tenminste Artikel 9, 19, 20, 29 en 30?
In antwoord op vorige Kamervragen gaf u aan dat problemen ook voortkomen uit het niet beschikbaar zijn van onderdelen en een tekort aan monteurs. Hoe groot zijn de personeelstekorten nu, bij benadering, in fte’s? Wat heeft u sindsdien ondernomen? Heeft u afspraken gemaakt over het hanteren van een vaste reserve voor veel gebruikte onderdelen? Heeft uw ministerie gesprekken gevoerd met leveranciers en beroepsopleidingen om gezamenlijk te werken aan werving en het onder de aandacht brengen van opleidingstrajecten en omscholingsmodules? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Welke eisen worden gesteld aan de locatie en regionale spreiding van voorraden van veelgebruikte onderdelen en van werkplaatsen waar monteurs reparaties uitvoeren? Wordt bij de contractering en beoordeling van leveranciers meegewogen welke gevolgen de afstand tussen de gebruiker, de leverancier en de werkplaats heeft voor de reparatie- en levertijd? Zo nee, bent u bereid hierover landelijke minimumeisen of afspraken te maken?
Deelt u de mening, dat het in lijn met het VN-Verdrag Handicap onacceptabel is dat mensen die een hulpmiddel nodig hebben regelmatig te maken krijgen met ingewikkelde en lange aanvraagprocedures, meerdere loketten, herhaalde beoordelingen en onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om het aanvraag en beoordelingsproces te vereenvoudigen?
Is het wettelijk noodzakelijk dat, nadat een gespecialiseerde paramedicus de noodzaak en functionaliteit van een hulpmiddel heeft beoordeeld, daarnaast een medisch specialist het hulpmiddel beoordeelt en voorschrijft? Zo ja, op grond van welke bepaling? Zo nee, waarom komt dit in de praktijk toch voor?
Kan het voorkomen dat een patiënt voor hetzelfde hulpmiddel meerdere keren door een medisch specialist moet worden beoordeeld? Zo ja, in welke situaties is dit medisch noodzakelijk en in welke situaties vloeit dit voort uit administratieve of contractuele voorwaarden?
Welke ruimte hebben zorgverzekeraars, gemeenten en zorgkantoren om aanvullende eisen te stellen aan verwijzingen, voorschriften, indicaties en voorafgaande toestemming voor hulpmiddelen? Op welke wijze wordt getoetst of deze eisen proportioneel en doelmatig zijn?
Deelt u de mening dat een beoordeling die zonder medische noodzaak wordt herhaald geen passende zorg is, maar verspilling van patiënttijd, professionele capaciteit en collectieve zorgmiddelen?
Kunnen gespecialiseerde paramedici, zoals handtherapeuten, ergotherapeuten en fysiotherapeuten, binnen de huidige wettelijke kaders rechtstreeks bepaalde hulpmiddelen aanvragen of voorschrijven? Zo nee, welke juridische of contractuele belemmeringen staan dit in de weg?
Bent u bereid met zorgverzekeraars, beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en hulpmiddelenleveranciers af te spreken dat reeds vastgelegde medische informatie en beoordelingen worden hergebruikt en niet opnieuw worden opgevraagd, tenzij daar een concrete medische reden voor bestaat? Wilt u bij deze uitwerking ook ervaringsdeskundigen en zorgprofessionals betrekken die zelf met ingewikkelde hulpmiddelenroutes te maken hebben gehad, zodat niet alleen de afzonderlijke regels, maar ook de stapeling daarvan wordt beoordeeld?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke hulpmiddelen een verkorte aanvraagroute kan worden ingevoerd, waarbij een beoordeling door een aantoonbaar deskundige behandelaar voldoende is en herhaalde verwijzingen, consulten en beoordelingen achterwege kunnen blijven?
Bent u ten slotte bereid de Kamer concrete voorstellen te doen voor een maximale totale doorlooptijd en een verkorte aanvraagroute voor relatief eenvoudige of laag-risico hulpmiddelen?
Worden de totale kosten van hulpmiddelenroutes momenteel in beeld gebracht, inclusief consulten, verwijzingen, machtigingen, administratieve handelingen, reistijd, wachttijd en gezondheidsschade door uitstel? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Bent u bekend met het rapport van Significant uit 2024 «Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen»3 waaruit onder meer bleek «dat het in ruim een kwart van de ondervraagde gemeenten niet lukt om een complexe hulpmiddelenaanvraag binnen de wettelijke maximum tijd van zes weken te beoordelen, en dat daarnaast een deel van de respondenten geen zicht heeft op de gemiddelde beoordelingstermijn.»? Heeft u er zicht op of deze en andere bevindingen uit het rapport inmiddels zijn verbeterd?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke kaders gelden voor de wachttijd en de totale doorlooptijd van een hulpmiddelenaanvraag vanuit respectievelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)? Welke bepalingen uit de Zvw, de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Wmo en de onderliggende regelgeving zijn hierbij relevant?
Geldt voor de beoordeling, machtiging, aanmeting en levering van hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een concrete maximale wachttijd of doorlooptijd? Zo ja, welke termijn geldt per stap en voor de volledige procedure? Zo nee, hoe wordt dan bepaald wanneer iemand onaanvaardbaar lang wacht?
Vanaf welk moment wordt de wachttijd voor een hulpmiddel geregistreerd: vanaf de eerste hulpvraag, de eerste verwijzing, de indicatiestelling, de formele aanvraag bij de zorgverzekeraar, de goedkeuring van die aanvraag of de opdracht aan de leverancier?
Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om zorgverzekeraars aan te spreken wanneer ingewikkelde aanvraag- of machtigingsprocedures ertoe leiden dat verzekerden niet tijdig over een passend hulpmiddel kunnen beschikken?
Hoe vaak heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in de afgelopen vijf jaar signalen ontvangen, onderzoek gedaan of handhavend opgetreden vanwege te lange aanvraag-, machtigings- of leveringstermijnen bij hulpmiddelenzorg?
Waar kan iemand terecht voor klachten of juridische hulp wanneer geen enkele afzonderlijke processtap buitensporig lang duurt, maar de opeenstapeling van verwijzingen, beoordelingen, machtigingen en wachttijden wel tot een onaanvaardbare totale doorlooptijd leidt?
Welke rechten hebben de gebruikers van een hulpmiddel als niet aan de gemaakte afspraken wordt voldaan? Beseft u dat zij hierdoor zowel lichamelijke gevolgen als (financiële) schade lijden omdat aanvraagprocedures al veel tijd en energie kosten en dit ook ten koste kan gaan van studie en werk? Deelt u de mening dat verbetering noodzakelijk is en bent u ook bereid de regie te pakken in een verbetertraject?
De Wereld Suïcide Preventie Week |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er elke dag gemiddeld vijf mensen in Nederland overlijden door zelfdoding, van wie gemiddeld de helft1 (ex-)werknemers?2
Op welke manier bevordert u het kabinetsbeleid inzake mentale gezondheid op het terrein van werk? Welke inzet pleegt u, als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangaande de Wet integrale suïcidepreventie? In hoeverre worden werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en preventiemedewerkers momenteel ondersteund bij het herkennen van signalen van suïcidaliteit en het voeren van het gesprek daarover? Acht u het bestaande aanbod voldoende?
In hoeverre maakt mentale gezondheid, met suïcidepreventie als onderdeel daarvan, al regulier onderdeel uit van goed werkgeverschap, bijvoorbeeld via gezondheids- en vitaliteitsbeleid en beleid gericht op duurzame inzetbaarheid? Bent u bereid hierover met de Sociaal-Economische Raad (SER) en de sociale partners in gesprek te gaan om meer aandacht te schenken aan suïcidepreventie en signalering op de werkvloer?
Zijn de economische gevolgen van uitval door psychische oorzaken uitgedrukt in euro’s en fte bekend?
Bent u bekend met het Jaarverslag 2025 van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin staat dat in 2024 twee slachtoffers door zelfdoding en één slachtoffer van een ongeval buiten de werksfeer als dodelijk arbeidsongeval zijn meegerekend, en dat zelfdodingen vanaf 2025 niet meer als arbeidsongeval worden aangemerkt, maar apart worden gerapporteerd?3 Kunt u aangeven waar en over wat er apart wordt gerapporteerd?
Worden deze gevallen, ook wanneer zij niet als arbeidsongeval worden aangemerkt, onderzocht op mogelijke arbeidsgerelateerde factoren of omstandigheden, zodat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor de preventie van zelfdoding?
Bent u bereid om in samenwerking met de Arbeidsinspectie, sociale partners en 113 Zelfmoordpreventie, de relatie tussen werk, arbeidsomstandigheden en suïcide nader in kaart te brengen, zodat beter kan worden vastgesteld welke arbeidsgerelateerde factoren een rol spelen en waar preventieve maatregelen het meest effectief kunnen worden ingezet?
Zijn er verklaringen voor de regionale verschillen in suïcidecijfers?4 Acht u nader onderzoek naar de oorzaken voor deze verschillen wenselijk? Welke regio's vragen volgens u nadere aandacht, gezien de opmerkelijke verschillen (ook ten aanzien van het regionale suïcidepercentage specifiek voor tieners5)?
Het gezondheidsrisico van onduidelijkheid over spuitzones en onzorgvuldige toekenning van pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris van LVVN heeft besloten om geen opdracht te geven voor de ontwikkeling van een rekenmethode voor spuitzonering, ondanks dat het RIVM en de WUR in hun rapport hierover concluderen dat dit haalbaar is, ondanks dat daartoe is opgeroepen door middel van de motie Vedder c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 659), ondanks dat gemeenten vragen om duidelijkheid, en ondanks dat de gezondheid van mensen, dieren en natuur op dit moment ernstig bedreigd worden door het gebruik van landbouwgif? Hoe rijmt u dit met een beleid dat de volksgezondheid op één wil zetten? Vindt u bedrijfsbelangen dan toch belangrijker?1 2 3
Bent u het eens dat een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode veel kan betekenen voor het draagvlak onder bedrijven en de bevolking en veel duidelijkheid kan scheppen bij gemeenten voor spuitzonering? Zo nee, waarom niet?
Welke zwaarwegende argumenten voor bescherming van volksgezondheid heeft u om het advies van het belangrijkste instituut voor volksgezondheid, het RIVM, niet op te volgen?
Als u niet verder gaat met het ontwikkelen van een rekenmethode, hoe verwacht u dan tegemoet te komen aan de zorg, die u zelf aanhaalt in uw brief, dat «uit jurisprudentie blijkt dat bestaande onderbouwingen voor maatwerk in lokale situaties regelmatig onvoldoende worden geacht»? Verwacht u dat de bestuurlijke afspraken in het Convenant «Gewasbeschermingsmiddelen» voldoende gaan zijn om stand te houden bij de rechter? Zo ja, waar baseert u zich dan precies op? Is dat een voorwaarde die u stelt aan de bestuurlijke afspraken?
Hoe bent u nu concreet van plan om de volksgezondheid te gaan waarborgen en gemeenten wetenschappelijke onderbouwde duidelijkheid te geven over spuitzonering?
Aangezien uit onderzoek bekend is dat landbouwgif zich kilometers kan verspreiden, bent u bereid om in lijn met het voorzorgsbeginsel, zo lang als er onduidelijkheid bestaat, en zolang u niet kunt onderbouwen dat een kleinere spuitzonering kan bestaan zonder aantasting van gezondheid van mens, dier en milieu, een spuitzonering van minstens 500 meter verplicht te stellen? Of op zijn minst 50 meter verplicht te stellen, in lijn met huidige jurisprudentie? Zo nee, waarom niet, en op welke recente wetenschappelijke inzichten baseert u zich?
Bent u bekend met de oproep van meer dan huisartsen om te stoppen met landbouwgif in de sierteelt?4
Wat vindt u ervan dat zoveel zorgprofessionals zich genoodzaakt voelden om een noodsignaal uit te zenden, bijvoorbeeld omdat er «overtuigende aanwijzingen voor verbanden met ernstige aandoeningen zoals Parkinson, ALS en leukemie bij kinderen» zijn? Wat is uw reactie op hun zorgen en oproep?5
Hoe gaat u de zorgen van de vele zorgprofessionals nu wegnemen, terwijl u doorwerkt aan een convenant waar maatschappelijke organisaties die opkomen voor de gezondheid hun handtekening niet onder willen zetten? Op welke manier vindt u zo’n convenant dan geloofwaardig voor de zorgprofessionals?
Bent u bekend met het feit dat het UMCG recent heeft besloten opnieuw onderzoek te gaan doen tussen het verband van pesticiden en de ziekte van Parkinson, omdat bij de hoogste mate van blootstelling aan een combinatie van verschillende middelen het risico op Parkinson met zo'n 50 procent stijgt?6
Wat vindt u van de zorg die onderzoekers en zorgprofessionals hebben dat bij beoordeling en maatregelen geen rekening wordt gehouden met het «cocktaileffect» van middelen? Vindt u dat deze zorg relevant is voor de gezondheid van Nederlanders? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich? Hoe gaat u deze zorg wegenemen en welke concrete maatregelen (met tijdlijn) horen daarbij?
Als er nog zoveel onduidelijk is, en er zulke grote risico’s zijn, waarom loopt u dan weg voor uw verantwoordelijkheid om een duidelijke lijn uit te zetten wat betreft spuitzones? Waarom is het beschermen van de gezondheid van mens, dier en milieu niet uw hoogste prioriteit?
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Pointer bleek dat de pesticidenlobby mee heeft kunnen schrijven bij amendementen op EU-wetgeving, en wel 101 toegangspassen had tot het Europees Parlement?7
Kunt u (in het kader van artikel 68 van de Grondwet) aangeven op welke wijze en hoe vaak agrobedrijven, pesticidenbedrijven en hun lobbyisten in het afgelopen jaar contact met u hebben gezocht? Kunt u een overzicht geven met welke agrobedrijven en pesticidenproducenten u heeft gesproken in het afgelopen jaar en hoe vaak precies, mede gelet op artikel 68 van de Grondwet?
Bent u bereid een lobbyverbod in te stellen voor pesticidenproducenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin is besloten dat het pesticide-middel Pitcher zo snel mogelijk uit de handel genomen moet worden, omdat in Pitcher een werkzame stof (fludioxonil) zit die hormoonontregelende eigenschappen heeft? En bent u bekend met het nieuwsbericht van de Volkskrant hierover «PAN Nederland haalt het gif uit de markt, Achmea krijgt de volle laag van het noodweer»?8 9
Bent u ermee bekend dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) wel een toelating heeft gegeven voor Pitcher ondanks de vaststelling dat er fludioxonil in zit? Hoe verklaart u dat dit kon gebeuren? Acht u dit wenselijk?
Wat vindt u ervan dat het Ctgb ondanks een eerdere soortgelijke uitspraak wederom volgens de rechter onterecht toelating heeft verleend aan een middel met een werkzame stof waarvan de Europese voedselautoriteit EFSA heeft vastgesteld dat deze hormoonverstorend is voor mens en dier, en waarvan Ctgb wist dat deze niet leidde tot verwaarloosbare blootstelling omdat de toepassing niet in een gesloten systeem plaatsvindt of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluiten?10
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige lijn die wordt gevolgd bij het Ctgb niet standhoudt bij de rechter en schadelijk blijkt te zijn voor de volksgezondheid? Vindt u dat het beleid strenger moet om de volksgezondheid wel te waarborgen? Zo nee, waarom vindt u volksgezondheid niet het belangrijkste wat er is?
Hoe gaat het Ctgb haar toelatingsbeleid aanpassen om te voldoen aan de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven?
Welke andere toepassingen van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mensen en dieren uitsluit? Kunt u daar een overzicht van geven? Bent u het eens dat deze middelen ook zo snel mogelijk uit de markt genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Welke andere bestrijdingsmiddelen met werkzame stoffen die door EFSA beoordeeld zijn als hormoonverstorend voor mens of niet doelwit-organismen (dieren) hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluit, zoals cyprodinil? Vindt u dat deze ook uit de markt genomen moeten worden omwille van de volksgezondheid? Zo nee, wat is uw wetenschappelijke onderbouwing daarvoor? Kunt u onderbouwd uitsluiten dat u daarmee mensen en dieren opzadelt met een hogere kans op gezondheidsschade?11 12
Welke van de in de vorige vraag betreffende bestrijdingsmiddelen hebben een toelating van het Ctgb waarvan het toelatingsbesluit dateert van nadat de EFSA de stof had beoordeeld als hormoonverstorend? Kunt u hier een overzicht van geven?
Bent u zich bewust van het feit dat hormoonverstorende stoffen al in hele lage concentraties schadelijk kunnen zijn voor met name jonge kinderen en de wet dan ook niet voor niets stelt dat deze pesticiden niet gebruikt mogen worden in situaties waar contact met de mens niet is uitgesloten? Hoe ziet u in dit licht het gebruik van hormoonverstorende pesticiden?
Hoeveel van deze werkzame stoffen hebben hun meest recente goedkeuring te danken aan een automatische verlenging van de Europese Commissie zonder inhoudelijke beoordeling van de risico’s voor mens of milieu?
Klopt het dat automatische verlengingen worden toegepast bij stoffen waarvan de EFSA een risico heeft vastgesteld, bijvoorbeeld dat deze hormoonverstorend is? Zo ja, klopt het dat dit gebeurt wegens economische belangen en dat deze voorrang krijgen boven gezondheidsbelangen? Klopt het dat het Food & Feed Omnibus voorstel van de Europese Commissie deze zorg niet wegneemt? Zo nee, op welke wetenschappelijke conclusies baseert u zich dan? Vindt u dat het compromisvoorstel van de lidstaten deze zorg wel zou moeten wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe vaak worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op levensmiddelen restanten fludioxonil aangetroffen die liggen boven de gangbare maximale residu limiet (MRL) van 0,01 mg/kg die als veiligheidsgrens geldt voor in Europa verboden pesticiden, bijvoorbeeld omdat zij als hormoonverstorend zijn geclassificeerd? Welke range van gehaltes betreft dit en welke producten betreft dit?
Hoeveel fludioxonil wordt gebruikt en afgezet in Nederland sinds 2010? Indien sprake is van een toename in gebruik van deze zorgwekkende stof, wat zijn de verklaringen hiervoor?
Zijn werkenden in de landbouw en hun partners in uw ogen voldoende bekend met de grote risico’s van (hormoonverstorende) pesticiden, met name de risico’s voor mensen met een kinderwens, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven, zoals geschetst in het Informatieblad «Werken met bestrijdingsmiddelen» van het RIVM? Zo ja, waar baseert u zich dan op? Zo niet, wat bent u bereid te doen om die situatie te verbeteren?13
Hoe gaat het Ctgb invulling geven aan de opdracht van de rechter om de respijttermijnen (aflevertermijn en opgebruiktermijn) voor verkoop en gebruik van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil zo kort mogelijk te maken aangezien Pitcher niet toegelaten had mogen worden?
Wat is het concrete doel van LVVN in het convenant «gewasbeschermingsmiddelen» met betrekking tot hormoonverstorende pesticiden? Wat is het doel van VWS? Welke maatregelen horen daarbij en welke tijdlijn? Bent u bereid om bij de afwegingen gezondheidsexperts te betrekken?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
De reorganisatie voor ggz-spoedhulp in Tiel en Ede |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig personeel en geld: Pro Persona voert alsnog reorganisatie door voor ggz-spoedhulp»?1
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over dit voorgenomen besluit? Door wie bent u hierover geïnformeerd en op welk moment heeft Pro Persona het besluit definitief genomen?
Waarom zijn de betrokken gemeenten en lokale volksvertegenwoordigers volgens onze informatie niet vooraf geïnformeerd, terwijl de wijziging directe gevolgen kan hebben voor politie, openbare orde, maatschappelijke opvang, huisartsen en het gemeentelijke sociaal domein?
Klopt het dat mensen uit Ede en Tiel die tijdens de avond, nacht of in het weekend een beoordeling op locatie nodig hebben, voortaan naar respectievelijk Arnhem en Nijmegen moeten worden vervoerd?
Wat betekenen de wijzigingen voor de gemiddelde en maximale aanrij- en reistijden van cliënten, crisisdienstmedewerkers, politie, ambulancediensten en andere betrokken hulpverleners?
Welke gevolgen hebben de langere afstanden volgens u voor mensen in een acute psychische crisis, mede gezien het risico op verdere ontregeling, suïcidaliteit en escalatie tijdens het wachten of vervoer?
Hoeveel mensen werden in de afgelopen drie jaar buiten kantooruren beoordeeld op de crisislocaties in Ede en Tiel? Hoeveel van deze beoordelingen vonden plaats op de locatie zelf en hoeveel bij mensen thuis of elders?
Hoe wordt voorkomen dat mensen in een psychische crisis onnodig in een politieauto, ambulance, politiecel of op een spoedeisende hulp terechtkomen doordat in Ede en Tiel buiten kantooruren geen crisisbeoordelingslocatie meer beschikbaar is?
Wordt naar uw oordeel met deze wijziging nog voldaan aan de eisen uit de generieke module Acute psychiatrie en aan de normen voor bereikbaarheid, beschikbaarheid en kwaliteit van acute ggz? Waarop baseert u dat oordeel?
Is voorafgaand aan het besluit een impactanalyse uitgevoerd naar de gevolgen voor cliënten, naasten, medewerkers, huisartsenposten, politie, ambulancediensten, ziekenhuizen en gemeenten? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zijn de cliëntenraad, familieraad, ondernemingsraad, betrokken professionals en ervaringsdeskundigen tijdig bij dit besluit betrokken? Welke adviezen hebben zij uitgebracht en hoe heeft Pro Persona deze verwerkt?
Klopt het dat medewerkers tegen de reorganisatie hebben gewaarschuwd vanwege langere aanrijtijden, minder tijd voor cliënten en een verdere toename van de werkdruk? Hoe beoordeelt u deze signalen?
Welke zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor de inkoop van de acute ggz in deze regio’s? Hebben zij met de wijziging ingestemd en hoe hebben zij vastgesteld dat er na de sluiting buiten kantooruren voldoende bereikbare capaciteit beschikbaar blijft?
Is het voorgenomen besluit gemeld via het earlywarningsysteem voor de continuïteit van cruciale ggz? Zo ja, wanneer, aan welke partijen en wat is vervolgens met deze melding gedaan? Zo nee, waarom niet?
Is het besluit besproken aan de regionale, bovenregionale of landelijke tafel voor cruciale ggz, zoals afgesproken in de Kamerbrief van 21 december 2023? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de afspraak dat aanbieders cruciale zorg niet sluiten of wijzigen zonder dit tijdig met verzekeraars en collega-aanbieders te bespreken?
Is de Nederlandse Zorgautoriteit geïnformeerd en heeft zij getoetst of zorgverzekeraars na deze wijziging nog aan hun zorgplicht voldoen? Heeft ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg beoordeeld?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van uw ambtsvoorganger dat bij de inkoop van cruciale ggz geen aanbod zou mogen verdwijnen vanwege financiële redenen? Kunt u uitsluiten dat financiële problemen, omzetplafonds of onvoldoende inkoop mede aan het besluit ten grondslag liggen?2
Welke concrete inspanningen hebben Pro Persona, de betrokken zorgverzekeraars en uw ministerie verricht om de crisislocaties open te houden, en welke alternatieven zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel lokale volksvertegenwoordigers als leden van de Tweede Kamer via de krant moeten vernemen dat twee locaties voor cruciale acute ggz buiten kantooruren sluiten?
Waarom heeft u de Kamer niet actief geïnformeerd, ondanks de eerdere toezegging de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang rond cruciale ggz en de afspraken over het melden en bespreken van voorgenomen sluitingen en wijzigingen?3
Kunt u aangeven welke andere locaties voor acute of anderszins cruciale ggz sinds 2024 zijn gesloten, hun openingstijden hebben beperkt of concrete plannen daartoe hebben? Kunt u dit uitsplitsen naar regio, zorgvorm, reden en gevolgen voor de beschikbare capaciteit?
Bent u bereid Pro Persona en de betrokken zorgverzekeraars te verzoeken de sluiting buiten kantooruren op te schorten totdat onafhankelijk is vastgesteld dat de toegankelijkheid, bereikbaarheid en veiligheid van de acute ggz in beide regio’s zijn geborgd?
Het bericht ‘Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat naar schatting minstens 60.000 mensen met een ernstige psychiatrische aandoening buiten beeld van de zorg zijn geraakt, ongeveer een kwart van deze groep?
Hoe verklaart u dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na behandeling uit beeld van de hulpverlening kunnen raken? Wie is volgens u verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en begeleiding bij en na ontslag uit een ggz-instelling?
Deelt u de zorg dat het ontbreken van passende begeleiding na ontslag kan leiden tot terugval, crisissituaties, heropnames en dakloosheid? Welke concrete maatregelen neemt u om deze draaideur te doorbreken?
Hoeveel mensen verlaten jaarlijks een ggz-instelling zonder dat passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting daadwerkelijk is geregeld? Indien u niet over cijfers beschikt, bent u dan bereid dit inzichtelijk te maken?
Klopt het dat zorgverleners in bepaalde gevallen niet worden vergoed voor het actief zoeken naar patiënten die uit beeld zijn geraakt en dat financiering pas mogelijk is wanneer daadwerkelijk contact met de patiënt is gelegd? Zo ja, acht u dit wenselijk en bent u bereid deze financiering aan te passen?
Hoe beoordeelt u het feit dat de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), waaronder bemoeizorg, sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 niet meer expliciet in de wet is opgenomen, terwijl deze zorg volgens de regering wel tot de gemeentelijke taken op grond van de Wmo 2015 behoort?
Deelt u de zorg dat verschillen tussen gemeenten in de beschikbaarheid en organisatie van bemoeizorg ertoe kunnen leiden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek niet overal op dezelfde ondersteuning kunnen rekenen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Wat is de actuele stand van zaken van de expliciete wettelijke verankering van de openbare geestelijke gezondheidszorg in de Wmo 2015 via de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams)? Hoe wordt daarbij uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Krul/Bikker over de wettelijke verankering van bemoeizorg en wanneer verwacht u dat deze wettelijke verankering in werking treedt?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen moties die ertoe strekken bemoeizorg wettelijk te verankeren en de beschikbaarheid van passende zorg voor mensen met verward of onbegrepen gedrag te verbeteren?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na ontslag uit een instelling zonder passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting op straat terechtkomen? Zo ja, hoe gaat u dit concreet borgen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal mensen met ernstige psychiatrische problematiek dat buiten beeld van de zorg raakt terug te dringen en binnen welke termijn verwacht u hiervan resultaat?