Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
Het artikel 'OM vervolgt nauwelijks zorginstellingen na onnatuurlijke dood cliënten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de stelling dat het Openbaar Ministerie (OM) zorginstellingen veel vaker zou moeten vervolgen voor grove nalatigheid?1
Het OM beslist conform het opportuniteitsbeginsel zelf over het instellen van vervolging en het voorleggen van een zaak aan de rechter. Het is dan ook niet aan het kabinet om een oordeel te geven over vervolgingsbeslissingen van het OM.
Hoe verklaart u dat het OM dertig zaken onderzocht, maar dat sinds 2009 slechts vier zorginstellingen voor de rechter zijn gekomen voor zaken met een dodelijke afloop?
Het kabinet heeft de door u genoemde cijfers gezien in het onderzoek van Pointer. De specifieke zaken is het kabinet echter niet bekend en het kabinet kan hoe dan ook niet op individuele casussen ingaan. In algemene zin kan worden opgemerkt dat strafrechtelijke onderzoeken naar medische zaken vaak complex zijn. Zo heeft het OM bij de aanvang van een medische zaak regelmatig gebrekkige en onvolledige informatie over de feitelijke toedracht. Soms zijn zorginstellingen niet bereid informatie te verschaffen en doen zij een beroep op het medisch beroepsgeheim. Ook ingewikkeld in medische zaken is het strafrechtelijk bewijzen van delictsbestanddelen als causaliteit, opzet of schuld (grove nalatigheid).
Hoe oordeelt u over de stelling dat het voor iedereen gemakkelijk is om een zorgbedrijf op te richten, maar dat het ook gemakkelijk lijkt om weg te komen met fouten en slechte zorgverlening?
Alle instellingen die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) moeten beschikken over een toelatingsvergunning op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Bij de vergunningverlening wordt onder meer getoetst of het aannemelijk is dat een zorgaanbieder de zorg zodanig heeft georganiseerd dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. De zorgverlening zelf geschiedt onder meer op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de Wkkgz. De IGJ kan maatregelen treffen als blijkt dat de zorg van onvoldoende niveau is. In het uiterste geval kan de vergunning op grond van de Wtza worden ingetrokken.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt onder andere gewerkt aan maatregelen die het toetsen en indien nodig kunnen weren van (her)startende aanbieders verbeteren. Zo wordt met de toezichthouders samengewerkt aan een maatregel om meer fysieke controles uit te voeren bij startende zorgaanbieders. Daarnaast worden de mogelijkheden tot uitbreiding de doelgroep van de vergunningplicht op grond van Wtza verkend. Daarbij wordt ook gekeken naar verdieping van de vergunningseisen.
Hoe oordeelt u over de stelling dat gebrekkige regelgeving een rol speelt in het niet rondkrijgen van de bewijslast? En welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Veel regelgeving op het gebied van zorg is gebaseerd op open normen. Zo worden bijvoorbeeld doelen geformuleerd, en geen gedetailleerde regels. Dit beperkt de administratieve last voor personeel in de zorg en geeft hen het vertrouwen naar eigen expertise in complexe omstandigheden het beste te handelen. Om een strafrechtelijk verwijt te formuleren moet een duidelijke schending van een wettelijke norm bestaan. Bij open normen is dit soms moeilijk aan te tonen. Dat wil op zichzelf echter niet zeggen dat de regels gebrekkig zijn.
Waarom zijn er geen kwaliteitseisen voor zorgverleners die via de Wet langdurige zorg (Wlz) zorg bieden, zoals de rechtbank concludeert?
Wlz-zorg valt ook onder zorg in de zin van Wkkgz en zo worden via de Wkkgz kwaliteitseisen aan het handelen van Wlz zorgaanbieders en zorgverleners gesteld. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Goede zorg is zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Zorgaanbieders en zorgverleners moeten, om goede zorg aan te bieden, handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit het geheel van normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen die invulling geven aan de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden. Daarnaast moeten zorgaanbieders de zorg op zodanige wijze organiseren dat een en ander redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Daar hoort ook bij dat een zorgaanbieder zorgt voor geschikt en voldoende personeel om goede zorg te kunnen verlenen.
Ziet u mogelijkheden om, zoals in het artikel gesuggereerd wordt, voorwaardelijke opzet ten laste te gaan leggen?
Het OM legt strafbare feiten ten laste waar een zorginstelling in zijn ogen schuld aan heeft. Of sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, is onderdeel van deze beoordeling door het OM. Het is niet aan het kabinet om hierin te treden.
In hoeverre overweegt u om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de bevoegdheid te geven om zorgbedrijven te sluiten als er sprake is van zorgverwaarlozing?
De IGJ beschikt reeds over wettelijke bevoegdheden om in te grijpen, wanneer sprake is van tekortschietende zorgkwaliteit of onveilige situaties. Deze bevoegdheden lopen uiteen van het geven van aanwijzingen en bevelen tot het opleggen van lasten onder dwangsom of bestuursdwang. In ernstige gevallen kan dit ook leiden tot het stilleggen van (delen van) zorgverlening of het beëindigen daarvan.
Daarnaast beschikt de inspectie over verschillende informele en formele interventiemogelijkheden. In het interventiebeleid van de IGJ is uitgewerkt welke handhavingsinstrumenten de inspectie kan inzetten, waaronder het opleggen van een aanwijzing met cliëntenstop of cliëntenoverdracht wanneer sprake is van ernstige en voortdurende cliëntveiligheidsrisico’s. De inzet van deze bevoegdheden is altijd afhankelijk van de ernst van de situatie en de mate waarin de veiligheid en kwaliteit van zorg in het geding zijn. De inspectie heeft bij het toepassen van interventies oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan.
In hoeverre overweegt u om ervoor te zorgen dat ook andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder tuchtrecht te laten vallen?
Het kabinet wil in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
De Wet BIG kent twee regimes om beroepen te reguleren. Er is een zogenaamd «zwaar» regime op grond van artikel 3 Wet BIG en een «licht» regime op grond van artikel 34 Wet BIG. Beroepen in het lichte regime kennen een beschermde opleidingstitel. Het zware regime ziet op beschermde beroepstitels. Beroepsbeoefenaren die een beschermde beroepstitel willen voeren, moeten zich in het BIG-register inschrijven. Het tuchtrecht is op hen van toepassing. Het tuchtrecht in de wet BIG heeft als doel het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorg. Uitgangspunt van de Wet BIG is het zogenoemde «nee, tenzij principe». Niet alle beroepen en handelingen in de zorg hoeven wettelijk te worden gereguleerd. De Wet BIG biedt nu al veel flexibiliteit en ruimte om voorbehouden handelingen te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgmedewerkers.2 Hierover is samen met diverse veldpartijen voorlichting ontwikkeld. Het gaat om de mogelijkheden van de opdrachtverlening via de Wet BIG.3 Dit zorgt voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkten draagt bij aan het beter benutten van ieders talent.
Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep uitoefenen, zijn andere waarborgen aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen. Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Zvw of Wlz vallen bijvoorbeeld onder de Wkkgz. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder de zorg zodanig organiseren dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Dit omvat, onder andere, een vergewisplicht die stelt dat zorgaanbieders de geschiktheid van personeel dat zij aannemen of inhuren moeten controleren, bijvoorbeeld via referenties of een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Daarnaast kan een zorgaanbieder, in het kader van de vergewisplicht, navraag doen bij de IGJ. De IGJ maakt ten aanzien van een zorgverlener een aantekening indien uit een rapport naar aanleiding van een verplichte melding bij de IGJ blijkt dat de zorgverlener mogelijk een ernstige bedreiging betekent voor de patiëntveiligheid.
Daarom overweegt het kabinet niet om andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder het tuchtrecht te laten vallen.
Hoe oordeelt u over de stelling dat de IGJ veel meer, bijvoorbeeld onaangekondigd, moet handhaven – aangezien in het artikel wordt gesteld dat het via het strafrecht lastig is aan te tonen dat er bijvoorbeeld slechte zorg is geleverd?
De IGJ kan handhaving inzetten bij acute en voortdurende cliëntrisico’s (zie ook antwoord bij vraag 7) conform het interventiebeleid.
De IGJ brengt aangekondigde en onaangekondigde bezoeken. Wanneer de bevindingen uit haar onderzoek daar aanleiding toe geven, kan de inspectie handhavend optreden. Leidend daarbij zijn de mate van vertrouwen in de verbeterkracht en de ernst van het risico voor cliënten. Bij de inzet van interventies en handhaving heeft de inspectie oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan. Er is geen sprake van onaangekondigd handhaven. Wel kan de inspectie wanneer sprake is van acute ernstige risico’s direct handhavende maatregelen inzetten, zoals een bevel. Daar gaat altijd een zorgvuldig proces aan vooraf.
Het is echter ook goed om te vermelden dat werken in de zorg mensenwerk is en dat incidenten in de zorg, ook met een dodelijke afloop, niet volledig uit te sluiten zijn of altijd wijzen op een zorgtekort. Het kabinet realiseert zich dat een incident, met het overlijden van een client als gevolg, een grote impact heeft op alle betrokkenen (cliënten/ patiënten, naasten, zorgverleners) en het is van belang dat er nazorg plaatsvindt. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat zorgorganisaties leren van incidenten, zelf onderzoek doen en verbeteringen treffen om herhaling van incidenten in de toekomst te voorkomen. Aandacht hiervoor en opvolging van verbetermaatregelen is ook nadrukkelijk onderdeel van hoe de IGJ toezicht houdt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd?
Als iemand is overleden, moet volgens de Wet op de lijkbezorging (Wlb) de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) het lichaam zo spoedig mogelijk na het overlijden schouwen. Een behandelend arts kan alleen een verklaring van (natuurlijk) overlijden afgeven wanneer hij overtuigd is van een natuurlijke dood. Als de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat er sprake is van een natuurlijk overlijden, kan hij geen verklaring van overlijden afgeven en moet hij direct contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Die voert dan de lijkschouw uit. Als er sprake is van een patiënt die is overleden door een onvoorziene of onverwachte gebeurtenis in de zorg, dan is er sprake van een calamiteit. Een calamiteit moet op grond van de Wkkgz direct worden gemeld bij de IGJ.
In de Richtlijn Lijkschouw voor behandelend artsen (2016)4 en de Handreiking (Niet-)natuurlijke dood (2016)5 is nader omschreven wat een behandelend arts moet doen bij een lijkschouw. De handreiking gaat ook specifiek in op overlijdens in de zorgsetting.
Als een behandelend arts ook maar de geringste twijfel heeft over de vraag of er sprake is van een natuurlijk overlijden, dient de arts contact op te nemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat er sprake is van een systeemprobleem dat ervoor zorgt dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd.
Waarom worden huisartsen en verpleeghuisartsen niet voor voor lijkschouw en niet-natuurlijke doden opgeleid, terwijl lijkschouw al veelal door hen gedaan wordt?
Zie ook antwoord bij vraag 10: in principe kan en mag iedere arts een lijkschouw doen en is deze in staat onderscheid te maken tussen een casus waarin zij/hij overtuigd is van een natuurlijke dood en een casus waarbij die overtuiging niet bestaat.
Al in de geneeskunde opleiding worden artsen opgeleid om lijkschouw uit te kunnen voeren en een niet-natuurlijke overlijden vast te kunnen stellen. In zowel de huisartsenopleiding als in de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde is er uitvoerig aandacht voor de begeleiding van patiënten en hun naasten tot en met het overlijden. De lijkschouwing is omschreven als een van de verplichte vaardigheden van de huisarts6 en de specialist ouderengeneeskunde7.
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over de definities van een natuurlijke en onnatuurlijke dood?
De begrippen natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden zijn niet nader gedefinieerd in de Wlb. Momenteel wordt gewerkt met definities die in de literatuur zijn ontwikkeld. In zowel de eerder genoemde richtlijn als de handreiking staat een definitie van natuurlijk overlijden en van niet-natuurlijk overlijden.
Natuurlijk overlijden is gedefinieerd als overlijden door spontane ziekte, inclusief een complicatie van een volgens de geldende professionele standaarden, richtlijnen en vereiste zorgvuldigheid, uitgevoerde medische behandeling. Niet-natuurlijk overlijden is overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld of een andere van buiten komende oorzaak, schuld of opzet van een ander, of zelfmoord.
Hoewel deze definities voor een groot deel houvast bieden aan (forensisch) artsen, zal er ook sprake blijven van een grijs gebied. Een voorbeeld is een overlijden van een oudere met dementie als gevolg van een val. Dit wordt in beginsel aangemerkt als niet-natuurlijk overlijden (ongeval). In sommige gevallen wordt dit echter ook aangemerkt als natuurlijk overlijden, bijvoorbeeld als een valpartij onduidelijk of onbekend is, of als er veel tijd verstreken is tussen het incident en het moment van overlijden.
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) codeert de onderliggende doodsoorzaak conform de regels van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems 10th Revision (ICD-10). Dit is een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vastgestelde internationaal afgestemde classificatie die de basis is voor de codering en statistische weergave (uitsplitsing) van de doodsoorzaken. Door de aard van de classificatie is de afbakening van niet-natuurlijk overlijden mogelijk niet altijd exact gelijk aan de juridische definitie die in de verschillende landen wordt gehanteerd.
Waarom houdt de IGJ geen landelijke cijfers bij van niet-natuurlijke doden?
Indien naar het oordeel van de behandelend arts of gemeentelijk lijkschouwer sprake is van een niet-natuurlijk overlijden, maakt de gemeentelijk lijkschouwer hiervan melding bij de officier van justitie. Het OM kan hiervan melding maken bij de IGJ. Een zorgaanbieder is daarnaast verplicht om melding te doen van een calamiteit bij de IGJ, ook wanneer dit in combinatie is met een niet natuurlijk overlijden.
In de eerder genoemde Handreiking (Niet-)natuurlijke dood wordt toegelicht wat artsen en zorgaanbieders bij een niet-natuurlijk overlijden moeten doen en wordt ook de relatie met het doen van een calamiteitenmelding uitgelegd en hoe de IGJ hier opvolging aan geeft. Het kan echter ook voorkomen dat het niet-natuurlijk overlijden geen verband heeft met de geleverde zorg en daardoor niet gemeld wordt bij de IGJ of dat pas op een later moment geconstateerd wordt dat er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden en de calamiteit al gemeld is bij de IGJ. De IGJ heeft dus geen totaaloverzicht van het aantal niet-natuurlijke overlijdens (in een zorgsetting).
Gaat u ervoor zorgen dat er een overzicht komt, aangezien GGD’s die het calamiteitentoezicht uitvoeren voor gemeenten ook geen overzicht hebben?
Het kabinet vindt het belangrijk dat partijen als de GGD en de IGJ over de informatie beschikken die zij nodig hebben. Het is daarom van belang en bovendien verplicht dat zorgaanbieders alle calamiteiten melden, zowel als er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden als wanneer er sprake is van een natuurlijk overlijden. In beide gevallen kan de kwaliteit van de geleverde zorg tekort zijn geschoten en aanleiding zijn om onderzoek te doen. Indien kwaliteit van zorg in het geding is kan de IGJ onderzoek doen en zo nodig ingrijpen.
In hoeverre zou het CBS een rol kunnen spelen in het verzamelen en analyseren van deze cijfers?
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland. Wanneer een persoon in Nederland overlijdt, vult de arts die de schouw uitvoert de doodsoorzaakverklaring in (ook wel bekend als het B-formulier). Dit formulier wordt verzonden naar het CBS. Deze procedure is vastgelegd in artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging. De B-formulieren worden verwerkt en gecodeerd conform de richtlijnen van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10). Zoals in antwoord op vraag 12 is aangegeven, wordt bij de publicatie van de doodsoorzakenstatistiek een uitsplitsing gemaakt naar de verschillende natuurlijke en niet-natuurlijke doodsoorzaken.
De wettelijke taak van het CBS is het doen van statistisch onderzoek en het publiceren van de resultaten daarvan. De informatie die het CBS daarvoor ontvangt, mag ook uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt en niet voor administratieve of opsporingsdoeleinden. Daarnaast is het publiceren van statistische gegevens die te herleiden zijn tot een individuele persoon of instelling niet toegestaan.
Hoe oordeelt u over de stelling dat het IGJ en het OM beter zouden moeten samenwerken?
De samenwerking tussen de IGJ en het OM is van belang voor een zorgvuldige omgang met signalen over mogelijke misstanden in de zorg. Beide organisaties hebben daarbij een eigen wettelijke rol en verantwoordelijkheid. De IGJ als toezichthouder op de kwaliteit en veiligheid van zorg en het OM bij de beoordeling van strafrechtelijke vervolging.
Het kabinet vindt het van belang dat signalen over mogelijke misstanden, waaronder onnatuurlijke overlijdens, tijdig en adequaat worden gedeeld tussen betrokken partijen. Daarom bestaan er al samenwerkingsafspraken tussen de IGJ en het OM over informatie-uitwisseling en opschaling wanneer daar aanleiding toe is. De IGJ en het OM werken waar nodig samen op het gebied van de volksgezondheid en hebben daartoe een samenwerkingsprotocol vastgesteld, dat in januari 2022 in de Staatscourant is gepubliceerd. Dit Samenwerkingsprotocol IGJ-OM (Staatscourant 2022)8 bevat afspraken over samenwerking, coördinatie, handhaving en de uitwisseling van informatie en voorziet in de afstemming tussen beide partijen.
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Hilde Wendel (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Harmen Krul (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
Het artikel 'SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg»?1
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) niet langer wordt betrokken bij overleggen met het Ministerie van VWS over de verdere uitwerking van de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp, terwijl de NVSHA eerder wel actief deelnam aan deze gesprekken? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Begrijpt u dat het voor betrokken partijen onbetrouwbaar en onzorgvuldig kan overkomen wanneer een partij die vanaf het begin intensief betrokken was bij het traject en op basis van gemaakte afspraken heeft meegewerkt aan de eerste stap van budgetbekostiging, vervolgens niet langer mag meepraten over het vervolgtraject? Hoe verhoudt dit zich tot zorgvuldig bestuur en het belang van draagvlak in de sector?
Deelt u de zorgen van de NVSHA dat keuzes rondom differentiatie, concentratie of afschaling van spoedzorg grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van acute zorg in de regio, met name voor regionale ziekenhuizen?
Kunt u uitsluiten dat het huidige traject uiteindelijk zal leiden tot verdere verschraling of afbouw van SEH-zorg in de regio?
Op welke wijze bent u voornemens uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Vermeer2 waarin de regering wordt verzocht om bij alle vervolgstappen richting budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH’s in regionale ziekenhuizen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat de stem van SEH-artsen zelfstandig wordt gehoord, juist omdat bredere koepel- en belangenorganisaties ook andere en bredere belangen vertegenwoordigen dan uitsluitend de acute zorg?
Bent u bereid om de NVSHA alsnog volwaardig te betrekken bij het vervolgtraject rond de budgetbekostiging en de toekomst van de acute zorg, juist vanwege hun praktijkervaring en inhoudelijke expertise op het gebied van spoedzorg en de acute zorgketen?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
De positie van vrouwenrechten en reproductieve rechten binnen het kabinet |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SGP eist lagere abortuscijfers in ruil voor steun aan kabinetsplannen»?1
Hoe reflecteert u op de oproep om de afschaffing van de verplichte bedenktijd bij abortuszorg en de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven, terug te draaien? Deelt u de mening dat dergelijke stappen een inperking zouden zijn van de lichamelijke autonomie van vrouwen?
Kunt u toezeggen dat u als Minister geen stappen zult zetten die de reproductieve rechten en rechten van vrouwen inperken, zoals het terugbrengen van de verplichte bedenktijd en het afschaffen van de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?
Vindt u dat het verlagen van het abortuscijfer een doel op zich moet zijn, zoals de SGP in het artikel stelt? Of deelt u de mening van de indiener dat toegang tot kwalitatieve en veilige abortuszorg het hoofddoel moet zijn?
In hoeverre bent u bereid mee te gaan met de bezwaren van conservatieve partijen die ten kosten gaan van reproductieve rechten en waar trekt u de grens?
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag, d.d. 25 juni 2026?
Het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan' |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook in Nederland meer infecties»?1, 2
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende seksuele contacten?
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk» zijn?
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid?
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele gezondheid?
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Het artikel ‘Three decades of ‘Dutch Protocol’ research has not produced reliable evidence’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Three decades of «Dutch Protocol» research has not produced reliable evidence»?1
Wat vindt u van de harde kritiek van de auteurs op de onderbouwing van het gebruik van puberteitsremmers en hormoonbehandelingen bij kinderen («Dutch Protocol»)?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat decennialang onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd voor verbetering van de mentale gezondheid van minderjarigen?
Erkent u dat de methodologische onderbouwing van deze behandelingen uiterst kwestieus is?
Waarom kiest Nederland er tot op heden voor om vast te houden aan het Dutch Protocol terwijl landen als Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hun benadering van transgenderzorg bij kinderen allang hebben herzien?
Wordt het genoemde artikel betrokken bij het lopende onderzoek van de Gezondheidsraad naar transgenderzorg voor jongeren? Wanneer wordt dit onderzoek afgerond?
Wordt dit artikel betrokken bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg? Wanneer wordt de herziene kwaliteitsstandaard gepubliceerd?
Klopt het dat bij het wetenschappelijk onderzoek dat ten grondslag ligt aan het Dutch Protocol een mannelijke patiënt is overleden als direct gevolg van complicaties na colovaginaplastiek dat moest worden ingezet omdat er sprake was van onderontwikkeling van penis en scrotum vanwege de toegediende puberteitsremmers?
Is de dood van deze patiënt nader (onafhankelijk) onderzocht?
Is dit gemeld bij de betrokken Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC)?
Wat is überhaupt de gebruikelijke procedure als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van wetenschappelijk onderzoek komt te overlijden?
Worden in Nederland gezondheidsuitkomsten op korte en lange termijn, complicaties, spijt en detransitie systematisch bijgehouden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om dit te initiëren?
Hoe wordt gewaarborgd dat kinderen en hun ouders volledig worden geïnformeerd over de onzekerheid rond de verwachte mentale gezondheidswinst evenals over bekende risico's, zoals mogelijke onvruchtbaarheid?
Wordt in de voorlichting aan kinderen en hun ouders expliciet vermeld dat er volgens verschillende systematische reviews geen overtuigend bewijs bestaat dat de puberteitsremmers en hormoonbehandelingen suïcidaliteit of depressie verminderen?
Nu de wetenschappelijke onderbouwing voor de belangrijkste beoogde uitkomst van transgenderbehandelingen bij kinderen, namelijk verbetering van mentale gezondheid zo onzeker is en deze behandelingen kunnen leiden tot blijvende medische gevolgen zoals onvruchtbaarheid en levenslange afhankelijkheid van hormoonbehandelingen: waarom acht u het dan nog steeds gerechtvaardigd dat dergelijke behandelingen in Nederland plaatsvinden?
Welke medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen zouden voor u aanleiding zijn om uw huidige zienswijze met betrekking tot transgenderbehandelingen bij kinderen te heroverwegen? Onder welke omstandigheden zou u concluderen dat deze behandelingen niet langer verantwoord zijn?
De uitbraak van het stijgend tekort aan medische hulpmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stijgend tekort aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen»?1
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van de omvang van de tekorten aan essentiële medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen?
Welke categorieën medische hulpmiddelen zijn momenteel het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen? Voor welke hulpmiddelen dreigen er reeds tekorten op korte termijn?
In hoeveel gevallen hebben tekorten aan medische hulpmiddelen de afgelopen twee jaar geleid tot uitstel van operaties, aanpassing van behandelingen of risico’s voor patiëntveiligheid?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de beschikbaarheid van essentiële medische hulpmiddelen, en acht u dat toezicht voldoende effectief?
Welke lessen zijn volgens u getrokken uit de tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens de coronapandemie?
Acht u Nederland voldoende voorbereid op grootschalige tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens een toekomstige geopolitieke crisis die de toeleveringsketen verstoort?
Op welke termijn verwacht u de aangekondigde blauwdruk voor een crisisstructuur bij grootschalige tekorten gereed te hebben?
Welke bijkomende acties plant u te ondernemen om Nederland weerbaarder te maken voor verstoringen in internationale productieketens van medische hulpmiddelen in de context van toenemende geopolitieke spanningen?
Hoeveel financiële middelen heeft het kabinet precies vrijgemaakt voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden?
Wat vindt u van het voorstel om de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederland meer centraal te organiseren? Zal u stappen in deze richting zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Welk beleid van andere lidstaten om een tekort aan medische hulpmiddelen te voorkomen, kan als voorbeeld voor Nederland dienen en overweegt u in Nederlands beleid om te zetten?
Bent u bekend met het plan France 20302 waarmee Frankrijk in deze tijden van geopolitieke spanningen en verstoorde toeleveringsketens de productie van essentiële medicijnen naar Frankrijk terughaalt? In welke mate zou een dergelijk plan volgens u ook voor Nederland interessant zijn? Zo nee, waarom niet? Acht u het nuttig een dergelijk plan naar medische hulpmiddelen uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?