Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Het bericht 'Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: ’Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»»?1
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervanuit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Kunt u een overzicht geven van de huidige aantallen personeel met frauduleuze diploma’s binnen de jeugdzorg, inclusief uitgesplitst naar eventuele meldingen van criminelen, personen met een strafrechtelijk verleden en personen met een onbekende achtergrond?
Op basis van het nog lopende onderzoek naar EVC-dossiers van geregistreerde professionals heeft de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) tot nu toe circa 50 professionals uitgeschreven. Op de website van SKJ is zichtbaar welke professionals de afgelopen drie jaar zijn uitgeschreven. Dat betreft mensen wier registratie is doorgehaald vanwege fraude, maar ook mensen die met pensioen zijn gegaan of wier registratie om andere redenen verlopen is. Andere informatie is mij niet bekend. Deze zou overigens ook niet kunnen worden gedeeld vanwege privacywetgeving.
Bent u bereid om geanonimiseerde gegevens te verstrekken over de demografische profielen (zoals leeftijd, geslacht, herkomst, eerdere beroepsachtergrond) van personen die zijn betrapt op het werken met nep-diploma’s in de jeugdzorg, zodat de Kamer kan beoordelen of er sprake is van specifieke patronen die beleidsinterventies vereisen?
Deze gegevens zijn mij niet bekend.
Welke structurele maatregelen neemt u om er in de breedste zin voor te zorgen dat de jeugdzorgsector niet langer functioneert als een «toegangspoort» voor criminele ronselaars en bent u bereid om iedere medewerker die werkzaam is in de Jeugdzorg op basis van een ervaringscertificaat, per direct op non-actief te zetten?
Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord zijn afspraken gemaakt met zorgpartijen tegen zorgfraude. Deze aanpak rust op drie pijlers: strengere toelatingseisen voor aanbieders tot de zorg, meer en beter toezicht met meer fysieke controles en harder optreden als fraude zich toch voordoet. Dit betekent onder andere aanscherping en verkenning van uitbreiding van de vergunningplicht in de zorg, uitbreiding van de VOG-plicht voor bestuurders van zorgorganisaties en betere toepassing van het instrument BIBOB bij de toetreding van het zorgdomein. Voor zorgaanbieders geldt specifiek ook dat het onder goed werkgeverschap valt om medewerkers te screenen bij aanname en ook om later – als daar aanleiding en een onderbouwing voor is – een medewerker op non-actief te zetten.
Erkent u dat, nu criminelen met een nepdiploma via het jeugdzorgsysteem toegang hebben gekregen tot kwetsbare minderjarigen om hen vervolgens te verleiden of te dwingen tot prostitutie of criminele activiteiten, dit niet slechts een incident betreft maar een fundamenteel falen van de overheid in haar kerntaak om kinderen te beschermen, en zo ja, welke bestuurlijke verantwoordelijkheden verbindt u hieraan?
Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgprofessionals over de juiste kwalificaties beschikken. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in een kwetsbare situatie. Fraude met EVC-certificaten doet zich zorgbreed voor en vraagt een brede aanpak. Deze heeft, zoals ik in vraag 4 beschreef, mijn voortdurende aandacht.
Het bericht 'Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld»?1
Ja
Kunt u aangeven waar in de keten toezicht heeft gefaald en waarom dit niet eerder is gesignaleerd? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment doen de inspecties onderzoek naar de geleverde kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp aan de kinderen die verbleven in dit gezinshuis in Noord-Nederland. Zij zullen daarbij kijken naar de rol van de betrokken partijen, zoals de rol van de gecertificeerde instelling (GI) en de gezinshuisouders. Ook wordt gekeken welke eventuele signalen of meldingen er bekend waren, zowel bij de inspecties als bij andere organisaties, en op welke manier de betrokkenen hiermee zijn omgegaan. We vinden het van belang om de uitkomsten van dit onderzoek af te wachten en niet op voorhand conclusies te trekken.
Klopt het dat er al eerder twijfels bestonden over de pedagogische vaardigheden en geschiktheid van de betrokken gezinshuisouders? Zo ja, waarom is er niet onmiddellijk ingegrepen?
Het klopt dat er in het verleden zorgen waren over de opvoedvaardigheden en de verzorging door de betrokken gezinshuisouders. De betrokken GI geeft aan dat er geen eerdere signalen waren van mishandeling. Naar aanleiding van de zorgen is destijds actie ondernomen door de GI en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder van het gezinshuis is destijds een traject gestart om de vaardigheden van de gezinshuisouder te verbeteren. Dit traject is succesvol afgerond. Hierna zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst. De vraag óf er signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, is onderdeel van het genoemde onderzoek van de inspecties.
Erkent u dat organisaties zoals de William Schrikker Stichting herhaaldelijk betrokken zijn bij ernstige incidenten, zoals het Vlaardingse meisje? Zo ja, waarom is er ondanks eerdere misstanden geen verscherpt toezicht of sanctiebeleid door het ministerie ingesteld en bent u daartoe alsnog bereid?
Het klopt dat de William Schrikker Schichting (WSS) betrokken was bij zowel de zaak van het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen en ook bij deze gebeurtenis van het gezinshuis in Noord-Nederland. De WSS begeleidt meer dan een kwart van alle kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel in Nederland.
Het instellen van verscherpt toezicht of andere maatregelen is niet aan ministeries, maar aan de inspecties. De inspecties hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen vanaf januari 2025 intensief toezicht uitgevoerd bij de William Schrikker Stichting. De inspecties hebben in hun rapport over de WSS2 geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van tekortkomingen, maar dat de oorzaken hiervan vooral buiten de invloedsfeer van de WSS liggen. De inspecties concludeerden vertrouwen te hebben in de verbeterkracht van de WSS daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedsfeer liggen. Het instellen van verscherpt toezicht was daarom niet passend volgens de inspecties. In juni hebben zij de WSS laten weten over te stappen naar regulier toezicht.
Bent u tevens bereid, indien nodig door middel van een wetswijziging, ervoor te zorgen dat betrokken begeleiders, bestuurders en toezichthouders die hebben nagelaten deze kinderen te beschermen, ontslagen en strafrechtelijk vervolgd worden? Zo nee, waarom niet?
Nee ik ben daar niet toe bereid. Ontslag en/of strafrechtelijke vervolging is niet aan mij en de huidige wetgeving biedt hiervoor al voldoende mogelijkheden:
Waar het gaat om ontslag hebben de organisaties zelf een zelfstandige bevoegdheid. Ook kan er in het kader van tuchtrecht een klacht worden ingediend over het handelen van een geregistreerde professional. Dit zou kunnen leiden tot een schorsing/doorhaling van de beroepsregistratie, waardoor de betrokken professional geen taken in de jeugdzorg meer mag uitvoeren waar beroepsregistratie voor is vereist. Ook kunnen de inspecties, indien zij dit nodig achten op basis van hun onderzoek, een (tucht)klacht indienen of aangifte doen. Het nemen van individuele beslissingen omtrent strafvervolging is aan het Openbaar Ministerie.
Indien de organisatie een Raad van Toezicht heeft ingesteld3, dan is het aan hen om een beslissing te nemen over ontslag van bestuurders. Verder kan een belanghebbende of het openbaar ministerie de rechtbank verzoeken een bestuurder, dan wel (een lid van) de Raad van Toezicht te ontslaan wegens (voor zover hier relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen (artikel 2:298 BW).
Gaat u op korte termijn dwingende maatregelen nemen – inclusief verplicht extern toezicht, sluiting bij signalen en zware sancties bij falen – om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, is het aan de inspecties om te bepalen of en zo ja, welke vervolgacties of maatregelen passend zijn. We kunnen in de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen op het oordeel van de inspecties. Wij zullen uw Kamer over de uitkomsten van het onderzoek informeren.
De rellen en racistische leuzen gericht naar kermisexploitanten in Emmeloord. |
|
Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rellen, vernielingen en scheldpartijen die zich in de nacht van 3 mei en daaropvolgende nachten hebben afgespeeld op de kermis in Emmeloord, gericht tegen de kermisexploitanten?1 Zo ja, heeft u contact gehad met de burgemeester? Zo nee, gaat u de dit nog doen?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over de gebeurtenissen op de kermis in Emmeloord. Ik heb geen contact hierover gehad met de burgemeester. Wel is op ambtelijk niveau contact geweest met de gemeente.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat hardwerkende ondernemers hierdoor geraakt worden en eerder moeten stoppen met hun activiteiten, wat resulteert in omzetdaling? Kan de gemeente nog iets voor hen betekenen? Als meer gemeenten met deze onrust te maken krijgen, wat kunt u dan overkoepelend doen om gemeenten bij te staan?
In algemene zin veroordeel ik misdragingen van anderen die negatieve gevolgen hebben voor burgers en bedrijven. Gemeenten zijn voldoende toegerust om het soort ongeregeldheden zoals omschreven in het door u aangehaalde bericht met adequate middelen tegemoet te treden. Ter voorkoming van onrust is er daarnaast een landelijke vindplaats en leeromgeving voor gemeenten en biedt de Rijksoverheid op maat ondersteuning voor gemeenten.
Bent u het ermee eens dat de kermisexploitanten ook mentaal enorm geraakt worden door de racistische leuzen die geroepen worden zoals «kanker Jood», «kanker kermis» en «kanker zigeuner»? Wat gaat u doen om dit gevoel van onveiligheid weg te halen bij deze burgers?
Het gebruik van discriminerende en antisemitische uitlatingen is volstrekt ontoelaatbaar, alleen al vanwege de enorme impact die zij hebben. Burgers, en meer specifiek ondernemers, moeten zich, ook in hun veiligheidsgevoel, hiertegen beschermd weten. Uit de berichtgeving maak ik op dat de burgemeester maatregelen heeft genomen. Zoals gemeld in de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad worden de gebeurtenissen op de kermis uitgebreid geëvalueerd. Daaruit zal ook moeten blijken wat precies heeft plaatsgevonden en wie welke rol daarin heeft gespeeld.
Bent u het ermee eens dat deze racistische en discriminerende leuzen krachtig moeten worden bestreden en dat de veiligheid van deze burgers te allen tijde geborgd moet worden? Wat gaat u hieraan doen?
Ik ben het met uw stelling eens. Het hele stelsel van wet- en regelgeving, gemeentelijke instellingen, meldinstanties, politie en het justitiële systeem is hierop ingericht.
Wat kunt u voor deze groep ondernemers betekenen, zodat hun wijze van ondernemen niet verder onder druk komt te staan door dit soort rellen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het aanpassen van openingstijden niet de oplossing is en alleen maar de ondernemers en de welwillende bezoekers dupeert? Wie draait op voor de winstderving en wordt deze verhaald op de raddraaiers? In hoeverre krijgen de kermisexploitanten restitutie van de pachtsom (vergunning) in relatie tot de verkorte openingstijden?
Ik ben het met u eens dat het aanpassen van openingstijden geen oplossing is voor het onderliggende probleem van misdragingen van anderen. Maar het is aan de burgemeester om te bepalen wat gegeven de omstandigheden van het moment de beste optie is.
Met betrekking tot uw vraag wie er opdraait voor de winstderving, merk ik op dat ondernemers bij geleden schade de veroorzakers civielrechtelijk aansprakelijk kunnen stellen. Of en voor welke schade een aansprakelijkstelling succesvol kan zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een beslissing daarover is uiteindelijk voorbehouden aan de rechter.
De getroffen ondernemers kunnen ook een verzoek tot (gedeeltelijke) restitutie van de pachtsom doen bij de instantie met wie de pachtovereenkomst is aangegaan. Mij is niet bekend of zij dit gedaan hebben en daarmee ook niet in hoeverre zij voor enige restitutie in aanmerking komen.
Bent u het ermee eens dat de kosten niet neergelegd mogen worden bij deze ondernemers, maar bij de gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en niet als makkelijke oplossing mogen komen met het annuleren van een kermis of het aanpassen van de openingstijden? Bent u het ermee eens dat het tuig dat dit veroorzaakt aangepakt moet worden en niet de kermisexploitanten op deze manier verder gedupeerd mogen worden?
In algemene zin ben ik van oordeel dat schade in eerste instantie en bij voorkeur verhaald moet worden op veroorzakers ervan en dat ondernemers noch de gemeente in financiële zin belast moeten worden met de nadelige gevolgen veroorzaakt door derden. Ik treed niet in de concrete casus, aangezien de bevoegdheid om gevolg te geven aan openbare orde vraagstukken bij de betreffende gemeente ligt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de branchevertegenwoordigers om tot een goede aanpak te komen van deze rellende, slopende en discriminerende daders?
Hoewel de Minister van Economische Zaken en Klimaat altijd open staat voor gesprekken met branchevertegenwoordigers, lijkt in deze kwestie een gesprek met de desbetreffende gemeente het meest aangewezen. Immers, op lokaal niveau worden de maatregelen ter preventie van dit soort excessen genomen. Het nemen van dergelijke maatregelen is namelijk altijd afhankelijk van de situatie op lokaal niveau.
Klopt het dat er ook buiten de rellen, vernielingen en scheldpartijen ook sprake is geweest van bedreiging?
In de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad naar aanleiding van deze incidenten heeft de burgemeester de gemeenteraad laten weten dat er zes aangiftes zijn gedaan van mishandeling en twee aangiftes van vernieling. Ook is er aangifte van bedreiging gedaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen hoe zij hier opvolging aan geven. In de brief aan de gemeenteraad staat ook beschreven dat er op 4 mei gesprekken hebben plaatsgevonden door de politie en boa’s met 10 jongeren die aanwezig waren tijdens de incidenten. Het is aan de lokale driehoek om deze afwegingen te maken en niet aan mij om daar als Minister van Justitie en Veiligheid in op te treden.
Is de identiteit van de raddraaiers bekend bij de burgemeester? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject?
Zie antwoord vraag 9.
Indien de identiteit niet bekend is bij de burgemeester, is deze dan bereid die te gaan herleiden? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat dit onacceptabele wangedrag niet afgedaan kan worden met een «foei-gesprek»?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Het bericht 'Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: ’Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»»?1
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervanuit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Kunt u een overzicht geven van de huidige aantallen personeel met frauduleuze diploma’s binnen de jeugdzorg, inclusief uitgesplitst naar eventuele meldingen van criminelen, personen met een strafrechtelijk verleden en personen met een onbekende achtergrond?
Op basis van het nog lopende onderzoek naar EVC-dossiers van geregistreerde professionals heeft de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) tot nu toe circa 50 professionals uitgeschreven. Op de website van SKJ is zichtbaar welke professionals de afgelopen drie jaar zijn uitgeschreven. Dat betreft mensen wier registratie is doorgehaald vanwege fraude, maar ook mensen die met pensioen zijn gegaan of wier registratie om andere redenen verlopen is. Andere informatie is mij niet bekend. Deze zou overigens ook niet kunnen worden gedeeld vanwege privacywetgeving.
Bent u bereid om geanonimiseerde gegevens te verstrekken over de demografische profielen (zoals leeftijd, geslacht, herkomst, eerdere beroepsachtergrond) van personen die zijn betrapt op het werken met nep-diploma’s in de jeugdzorg, zodat de Kamer kan beoordelen of er sprake is van specifieke patronen die beleidsinterventies vereisen?
Deze gegevens zijn mij niet bekend.
Welke structurele maatregelen neemt u om er in de breedste zin voor te zorgen dat de jeugdzorgsector niet langer functioneert als een «toegangspoort» voor criminele ronselaars en bent u bereid om iedere medewerker die werkzaam is in de Jeugdzorg op basis van een ervaringscertificaat, per direct op non-actief te zetten?
Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord zijn afspraken gemaakt met zorgpartijen tegen zorgfraude. Deze aanpak rust op drie pijlers: strengere toelatingseisen voor aanbieders tot de zorg, meer en beter toezicht met meer fysieke controles en harder optreden als fraude zich toch voordoet. Dit betekent onder andere aanscherping en verkenning van uitbreiding van de vergunningplicht in de zorg, uitbreiding van de VOG-plicht voor bestuurders van zorgorganisaties en betere toepassing van het instrument BIBOB bij de toetreding van het zorgdomein. Voor zorgaanbieders geldt specifiek ook dat het onder goed werkgeverschap valt om medewerkers te screenen bij aanname en ook om later – als daar aanleiding en een onderbouwing voor is – een medewerker op non-actief te zetten.
Erkent u dat, nu criminelen met een nepdiploma via het jeugdzorgsysteem toegang hebben gekregen tot kwetsbare minderjarigen om hen vervolgens te verleiden of te dwingen tot prostitutie of criminele activiteiten, dit niet slechts een incident betreft maar een fundamenteel falen van de overheid in haar kerntaak om kinderen te beschermen, en zo ja, welke bestuurlijke verantwoordelijkheden verbindt u hieraan?
Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgprofessionals over de juiste kwalificaties beschikken. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in een kwetsbare situatie. Fraude met EVC-certificaten doet zich zorgbreed voor en vraagt een brede aanpak. Deze heeft, zoals ik in vraag 4 beschreef, mijn voortdurende aandacht.
Het bericht 'Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld»?1
Ja
Kunt u aangeven waar in de keten toezicht heeft gefaald en waarom dit niet eerder is gesignaleerd? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment doen de inspecties onderzoek naar de geleverde kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp aan de kinderen die verbleven in dit gezinshuis in Noord-Nederland. Zij zullen daarbij kijken naar de rol van de betrokken partijen, zoals de rol van de gecertificeerde instelling (GI) en de gezinshuisouders. Ook wordt gekeken welke eventuele signalen of meldingen er bekend waren, zowel bij de inspecties als bij andere organisaties, en op welke manier de betrokkenen hiermee zijn omgegaan. We vinden het van belang om de uitkomsten van dit onderzoek af te wachten en niet op voorhand conclusies te trekken.
Klopt het dat er al eerder twijfels bestonden over de pedagogische vaardigheden en geschiktheid van de betrokken gezinshuisouders? Zo ja, waarom is er niet onmiddellijk ingegrepen?
Het klopt dat er in het verleden zorgen waren over de opvoedvaardigheden en de verzorging door de betrokken gezinshuisouders. De betrokken GI geeft aan dat er geen eerdere signalen waren van mishandeling. Naar aanleiding van de zorgen is destijds actie ondernomen door de GI en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder van het gezinshuis is destijds een traject gestart om de vaardigheden van de gezinshuisouder te verbeteren. Dit traject is succesvol afgerond. Hierna zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst. De vraag óf er signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, is onderdeel van het genoemde onderzoek van de inspecties.
Erkent u dat organisaties zoals de William Schrikker Stichting herhaaldelijk betrokken zijn bij ernstige incidenten, zoals het Vlaardingse meisje? Zo ja, waarom is er ondanks eerdere misstanden geen verscherpt toezicht of sanctiebeleid door het ministerie ingesteld en bent u daartoe alsnog bereid?
Het klopt dat de William Schrikker Schichting (WSS) betrokken was bij zowel de zaak van het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen en ook bij deze gebeurtenis van het gezinshuis in Noord-Nederland. De WSS begeleidt meer dan een kwart van alle kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel in Nederland.
Het instellen van verscherpt toezicht of andere maatregelen is niet aan ministeries, maar aan de inspecties. De inspecties hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen vanaf januari 2025 intensief toezicht uitgevoerd bij de William Schrikker Stichting. De inspecties hebben in hun rapport over de WSS2 geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van tekortkomingen, maar dat de oorzaken hiervan vooral buiten de invloedsfeer van de WSS liggen. De inspecties concludeerden vertrouwen te hebben in de verbeterkracht van de WSS daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedsfeer liggen. Het instellen van verscherpt toezicht was daarom niet passend volgens de inspecties. In juni hebben zij de WSS laten weten over te stappen naar regulier toezicht.
Bent u tevens bereid, indien nodig door middel van een wetswijziging, ervoor te zorgen dat betrokken begeleiders, bestuurders en toezichthouders die hebben nagelaten deze kinderen te beschermen, ontslagen en strafrechtelijk vervolgd worden? Zo nee, waarom niet?
Nee ik ben daar niet toe bereid. Ontslag en/of strafrechtelijke vervolging is niet aan mij en de huidige wetgeving biedt hiervoor al voldoende mogelijkheden:
Waar het gaat om ontslag hebben de organisaties zelf een zelfstandige bevoegdheid. Ook kan er in het kader van tuchtrecht een klacht worden ingediend over het handelen van een geregistreerde professional. Dit zou kunnen leiden tot een schorsing/doorhaling van de beroepsregistratie, waardoor de betrokken professional geen taken in de jeugdzorg meer mag uitvoeren waar beroepsregistratie voor is vereist. Ook kunnen de inspecties, indien zij dit nodig achten op basis van hun onderzoek, een (tucht)klacht indienen of aangifte doen. Het nemen van individuele beslissingen omtrent strafvervolging is aan het Openbaar Ministerie.
Indien de organisatie een Raad van Toezicht heeft ingesteld3, dan is het aan hen om een beslissing te nemen over ontslag van bestuurders. Verder kan een belanghebbende of het openbaar ministerie de rechtbank verzoeken een bestuurder, dan wel (een lid van) de Raad van Toezicht te ontslaan wegens (voor zover hier relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen (artikel 2:298 BW).
Gaat u op korte termijn dwingende maatregelen nemen – inclusief verplicht extern toezicht, sluiting bij signalen en zware sancties bij falen – om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, is het aan de inspecties om te bepalen of en zo ja, welke vervolgacties of maatregelen passend zijn. We kunnen in de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen op het oordeel van de inspecties. Wij zullen uw Kamer over de uitkomsten van het onderzoek informeren.
De rellen en racistische leuzen gericht naar kermisexploitanten in Emmeloord. |
|
Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rellen, vernielingen en scheldpartijen die zich in de nacht van 3 mei en daaropvolgende nachten hebben afgespeeld op de kermis in Emmeloord, gericht tegen de kermisexploitanten?1 Zo ja, heeft u contact gehad met de burgemeester? Zo nee, gaat u de dit nog doen?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over de gebeurtenissen op de kermis in Emmeloord. Ik heb geen contact hierover gehad met de burgemeester. Wel is op ambtelijk niveau contact geweest met de gemeente.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat hardwerkende ondernemers hierdoor geraakt worden en eerder moeten stoppen met hun activiteiten, wat resulteert in omzetdaling? Kan de gemeente nog iets voor hen betekenen? Als meer gemeenten met deze onrust te maken krijgen, wat kunt u dan overkoepelend doen om gemeenten bij te staan?
In algemene zin veroordeel ik misdragingen van anderen die negatieve gevolgen hebben voor burgers en bedrijven. Gemeenten zijn voldoende toegerust om het soort ongeregeldheden zoals omschreven in het door u aangehaalde bericht met adequate middelen tegemoet te treden. Ter voorkoming van onrust is er daarnaast een landelijke vindplaats en leeromgeving voor gemeenten en biedt de Rijksoverheid op maat ondersteuning voor gemeenten.
Bent u het ermee eens dat de kermisexploitanten ook mentaal enorm geraakt worden door de racistische leuzen die geroepen worden zoals «kanker Jood», «kanker kermis» en «kanker zigeuner»? Wat gaat u doen om dit gevoel van onveiligheid weg te halen bij deze burgers?
Het gebruik van discriminerende en antisemitische uitlatingen is volstrekt ontoelaatbaar, alleen al vanwege de enorme impact die zij hebben. Burgers, en meer specifiek ondernemers, moeten zich, ook in hun veiligheidsgevoel, hiertegen beschermd weten. Uit de berichtgeving maak ik op dat de burgemeester maatregelen heeft genomen. Zoals gemeld in de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad worden de gebeurtenissen op de kermis uitgebreid geëvalueerd. Daaruit zal ook moeten blijken wat precies heeft plaatsgevonden en wie welke rol daarin heeft gespeeld.
Bent u het ermee eens dat deze racistische en discriminerende leuzen krachtig moeten worden bestreden en dat de veiligheid van deze burgers te allen tijde geborgd moet worden? Wat gaat u hieraan doen?
Ik ben het met uw stelling eens. Het hele stelsel van wet- en regelgeving, gemeentelijke instellingen, meldinstanties, politie en het justitiële systeem is hierop ingericht.
Wat kunt u voor deze groep ondernemers betekenen, zodat hun wijze van ondernemen niet verder onder druk komt te staan door dit soort rellen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het aanpassen van openingstijden niet de oplossing is en alleen maar de ondernemers en de welwillende bezoekers dupeert? Wie draait op voor de winstderving en wordt deze verhaald op de raddraaiers? In hoeverre krijgen de kermisexploitanten restitutie van de pachtsom (vergunning) in relatie tot de verkorte openingstijden?
Ik ben het met u eens dat het aanpassen van openingstijden geen oplossing is voor het onderliggende probleem van misdragingen van anderen. Maar het is aan de burgemeester om te bepalen wat gegeven de omstandigheden van het moment de beste optie is.
Met betrekking tot uw vraag wie er opdraait voor de winstderving, merk ik op dat ondernemers bij geleden schade de veroorzakers civielrechtelijk aansprakelijk kunnen stellen. Of en voor welke schade een aansprakelijkstelling succesvol kan zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een beslissing daarover is uiteindelijk voorbehouden aan de rechter.
De getroffen ondernemers kunnen ook een verzoek tot (gedeeltelijke) restitutie van de pachtsom doen bij de instantie met wie de pachtovereenkomst is aangegaan. Mij is niet bekend of zij dit gedaan hebben en daarmee ook niet in hoeverre zij voor enige restitutie in aanmerking komen.
Bent u het ermee eens dat de kosten niet neergelegd mogen worden bij deze ondernemers, maar bij de gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en niet als makkelijke oplossing mogen komen met het annuleren van een kermis of het aanpassen van de openingstijden? Bent u het ermee eens dat het tuig dat dit veroorzaakt aangepakt moet worden en niet de kermisexploitanten op deze manier verder gedupeerd mogen worden?
In algemene zin ben ik van oordeel dat schade in eerste instantie en bij voorkeur verhaald moet worden op veroorzakers ervan en dat ondernemers noch de gemeente in financiële zin belast moeten worden met de nadelige gevolgen veroorzaakt door derden. Ik treed niet in de concrete casus, aangezien de bevoegdheid om gevolg te geven aan openbare orde vraagstukken bij de betreffende gemeente ligt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de branchevertegenwoordigers om tot een goede aanpak te komen van deze rellende, slopende en discriminerende daders?
Hoewel de Minister van Economische Zaken en Klimaat altijd open staat voor gesprekken met branchevertegenwoordigers, lijkt in deze kwestie een gesprek met de desbetreffende gemeente het meest aangewezen. Immers, op lokaal niveau worden de maatregelen ter preventie van dit soort excessen genomen. Het nemen van dergelijke maatregelen is namelijk altijd afhankelijk van de situatie op lokaal niveau.
Klopt het dat er ook buiten de rellen, vernielingen en scheldpartijen ook sprake is geweest van bedreiging?
In de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad naar aanleiding van deze incidenten heeft de burgemeester de gemeenteraad laten weten dat er zes aangiftes zijn gedaan van mishandeling en twee aangiftes van vernieling. Ook is er aangifte van bedreiging gedaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen hoe zij hier opvolging aan geven. In de brief aan de gemeenteraad staat ook beschreven dat er op 4 mei gesprekken hebben plaatsgevonden door de politie en boa’s met 10 jongeren die aanwezig waren tijdens de incidenten. Het is aan de lokale driehoek om deze afwegingen te maken en niet aan mij om daar als Minister van Justitie en Veiligheid in op te treden.
Is de identiteit van de raddraaiers bekend bij de burgemeester? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject?
Zie antwoord vraag 9.
Indien de identiteit niet bekend is bij de burgemeester, is deze dan bereid die te gaan herleiden? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat dit onacceptabele wangedrag niet afgedaan kan worden met een «foei-gesprek»?
Zie antwoord vraag 9.