Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Wij herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Dit doen we onder andere door het organiseren van handelsmissies, het verwerven bij de Oekraïense defensie industrie en het scheppen van de randvoorwaarden voor succesvolle samenwerking tussen Oekraïense en Nederlandse bedrijven. Nederland neemt om deze reden actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden. Voor concrete interventies wordt gewacht op de uitkomsten van de economische beleidsanalyse (EBA).
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren door knelpunten te adresseren. Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.2 Daarnaast werken we samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de gehele defensie-industrie.
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Om te leren van Oekraïense innovaties werkt Defensie aan coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven (Build With Ukraine). Hiermee wil het kabinet de industriesamenwerking met Oekraïne versterken. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.3 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat werken doorlopend met elkaar samen, ook in afstemming met brancheverenigingen en koepelorganisaties, bijvoorbeeld op het gebied van het wegnemen van knelpunten voor de opschaling van de defensie-industrie. Zo hebben de ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat gezamenlijk de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 geschreven.4
Het specifieke deelonderwerp bepaalt welk ministerie de regie heeft en welk ministerie daarbij ondersteunend is.
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de beperkte beschikbare ruimte en de grote druk op de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is het eerste coproductieproject tussen VDL en het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), dat is aangekondigd in het coalitieakkoord, gaat zich richten op het realiseren van technologische doorbraken voor maatschappelijke vraagstukken. NADI gaat werken met challenge-based programma’s waar parallel verschillende technologische oplossingen voor een probleem worden verkend. Dit kunnen zowel dual-use als civiele programma’s zijn. Voorafgaand aan de zomer zal ik uw Kamer informeren over de stappen die nodig zijn om NADI te realiseren.
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
In de aankomende Defensienota, die voor de zomer met uw Kamer zal worden gedeeld, zal meer bekendgemaakt worden over de oprichting van een Nederlandse autoriteit voor defensie-innovatie en opschaling.
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om randvoorwaarden voor versnelling voor de gehele defensie-industrie te creëren, zal het kabinet de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie concretiseren, conform de motie van het lid Van Lanschot c.s. over de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie herzien. We zullen dit meenemen in de uitwerking hiervan, welke in Q3 2026 met uw Kamer wordt gedeeld.
Het bericht 'Miljoenen belastinggeld voor stichting komen ook terecht bij bedrijf van eigen directeuren' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Nieuwsuur waarin wordt gesteld dat miljoenen euro’s aan subsidiegeld voor de stichting ECP terechtkomen bij een bedrijf waarvan een aantal directeuren van die stichting mede-eigenaar zijn?1
Ja, ik ben ermee bekend.
Hoe beoordeelt u de gang van zaken rond de subsidieverstrekking aan stichting ECP?
In mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het schriftelijk overleg2 dat ik gelijktijdig aan uw Kamer zend, ga ik dieper in op deze vraag. Op mijn rol als subsidieverstrekker ga ik in het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in. In het antwoord op vraag 24 van de CDA-fractie geef ik aan dat de subsidierelatie in 2023 is geëvalueerd, en welke stappen ik na die evaluatie heb genomen.
Hoe reflecteert u op de rol en uw verantwoordelijkheid hierin?
In het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in het genoemde schriftelijk overleg ga ik nader in op de rol van EZK als subsidieverstrekker.
Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan en waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
In het antwoord op eerdergenoemde vraag 16 is aangegeven dat de overeenkomst tussen ECP en LunaVia in 2023 is beoordeeld door externe advocaten op verzoek van het ECP-bestuur, wat voor EZK geen aanleiding gaf om de Kamer hierover te informeren of andere stappen te ondernemen.
Welke maatregelen worden naar aanleiding van deze situatie genomen? Hoe wordt voorkomen dat zich in de toekomst vergelijkbare gevallen voordoen?
In het antwoord op de vraag van GL-PvdA (vraag 16 in het genoemde schriftelijk overleg ga ik hier dieper op in.
Deelt u de opvatting dat activiteiten die structureel met publieke middelen worden gefinancierd in beginsel via een open en transparante aanbestedingsprocedure zouden moeten plaatsvinden, zodat voor alle partijen dezelfde regels gelden en meerdere organisaties kunnen meedingen?
Ik heb mij te houden aan de geldende subsidie- en aanbestedingsregels. Elk jaar maak ik de afweging of de activiteiten van ECP passen binnen de wettelijke kaders van een maatwerksubsidie, of het eventueel aanbesteden van (onderdelen van) de activiteit. Dit is ook beschreven in het antwoord op de vraag van uw fractie (vraag 3) in het genoemde schriftelijk overleg.
Bent u bereid te bevorderen dat de activiteiten die in opdracht van stichting ECP worden uitgevoerd en structureel met publieke middelen worden bekostigd, in de toekomst geheel of gedeeltelijk via een aanbesteding worden georganiseerd? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 16 van GL-PvdA in het genoemde schriftelijk overleg heb ik toegelicht hoe ik hier als subsidieverstrekker tot nu mee ben omgegaan. Ook ga ik in op de gesprekken die ik heb met het ECP-bestuur over mogelijk aanpassingen in hun governance, ook op dit punt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Voor de beantwoording wil ik wel doorverwijzen naar mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het genoemde schriftelijk overleg.
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
van Bruggen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Het bericht 'Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland' |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland»1 en met het onderliggende onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), waaruit blijkt dat de fondsenwerving voor groeikapitaal in 2025 is gedaald tot € 32 miljoen, het laagste bedrag ooit gemeten, terwijl voor start-ups en buy-outs nog wél ruim kapitaal beschikbaar is?
Hoe verhoudt het opdrogen van juist het scale-upsegment zich tot de coalitieafspraak dat baanbrekende ondernemingen weer groot moeten kunnen worden in Nederland, en tot het feit dat het coalitieakkoord de grotere financieringsrondes van start- en scale-ups expliciet noemt als reden voor de Nationale Investeringsinstelling?
Deelt u de analyse dat hier geen sprake is van een kwaliteitsprobleem van Nederlandse bedrijven – gezien de slechts zes faillissementen en de aanhoudende interesse van buitenlandse investeerders – maar van een structureel tekort in de Nederlandse financieringsketen?
Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschuwing in het rapport-Wennink dat scale-ups met een kapitaalbehoefte boven € 50 miljoen die financiering nauwelijks in Nederland kunnen vinden, het risico dat met de instap van buitenlandse investeerders hoofdkantoren, onderzoeksafdelingen, werkgelegenheid en daarmee verdienvermogen uit Nederland wegvloeien?
Welke concrete maatregelen neemt u om het door de NVP gesignaleerde gebrek aan exits (beursgangen en overnames) aan te pakken, bijvoorbeeld via de Europese kapitaalmarktunie, aantrekkelijkere beursnoteringen en het stimuleren van Nederlandse overnames van jonge innovatieve bedrijven?
Welke instrumenten krijgt de Nationale Investeringsinstelling om, conform de coalitieafspraak dat zij institutioneel kapitaal mobiliseert en op een schaal die aansluit bij het rapport-Wennink, het pensioenkapitaal (waarvan nu gemiddeld niet meer dan 0,1% naar start- en scale-ups gaat) daadwerkelijk los te trekken voor groeikapitaal, mede in het licht van initiatieven als het Scale-up Europe Fund en het Dutch Impact Growth Fund van Invest-NL?
In hoeverre verwacht u dat de aanhoudende geopolitieke onzekerheid de Nederlandse ambities op het gebied van groeikapitaal en innovatie-investeringen verder onder druk zet, en welke scenario’s of alternatieve plannen heeft u voor het geval de private investeringsbereidheid in het scale-upsegment structureel achterblijft?
Welke mogelijkheden ziet u om, gegeven de huidige budgettaire keuzes rondom het Toekomstfonds, de hefboomwerking van publieke investeringen voor het aantrekken van privaat groeikapitaal in stand te houden?
Het vooroplopen van Nederland in de halfgeleiderindustrie |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Onderschrijft u de conclusie uit de European Semiconductor Demand Study van 21 mei 2026 dat de Europese chipvraag richting 2040 verdubbelt? Welke consequenties trekt zij daaruit?1
Klopt het dat de ambitie van de eerste Europese chipverordening een Europees marktaandeel van 20% was, en dat dit aandeel nu 8% bedraagt en bij de modernste chips zelfs 3%? Welke harde lessen trekt u hieruit?
Herinnert u zich uw eerdere antwoord dat het kabinet «de komende weken» met het veld tot een shortlist van projecten zou komen, en kunt u bevestigen dat deze toezegging dateert van april 2026? Ligt deze shortlist er, en bent u bereid deze per ommegaande met de Kamer te delen?
Welke financiële omvang is gekoppeld aan de projecten op de shortlist?
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft gesteld dat privaat financieel commitment essentieel is voor de uitvoering? Erkent u dat bedrijven juist wachten op een helder signaal van de overheid voordat zij investeren, en dat het huidige proces dit kip-en-ei-probleem in stand houdt? Hoe duidt u het in dit verband dat een project als ChipNL wel is opgenomen in de Nationale Technologiestrategie, maar zonder bijbehorende financiering?
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft aangegeven dat geen scenario's zijn doorgerekend voor het wegvallen van private investeringen in sleuteltechnologieën? Acht u dit, gezien de nu beschikbare cijfers over de Europese marktpositie, nog wenselijk?
Kunt u bevestigen dat de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat samen met stakeholders zes hoogtechnologische markten zou stimuleren? Wanneer rapporteert deze taskforce concreet aan de Kamer?
Hoe verhouden de Semicon Visie 2035, de Nationale Technologiestrategie, het werk van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat, en de IPCEI AST zich tot elkaar? Werken deze trajecten parallel, of dreigt dubbeling en vertraging?
Onderschrijft u dat Nederland binnen de EU een onevenredig grote rol vervult in cruciale schakels van de halfgeleiderketen, van lithografie tot design en mature node-productie? Hoe waarborgt u dat Nederland niet slechts reageert op het voorstel van de Europese Commissie, maar deze positie actief inzet om de richting van de Chipverordening 2.0 mede vorm te geven?
Bent u bereid het BNC-fiche over het voorstel over de chipverordening 2.0 met spoed (dus niet binnen zes, maar bijvoorbeeld twee weken) naar de Kamer te zenden, zodat tijdig een debat over de uitvoering van de Semicon Visie 2035 hieraan kan worden gekoppeld?
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Wij herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Dit doen we onder andere door het organiseren van handelsmissies, het verwerven bij de Oekraïense defensie industrie en het scheppen van de randvoorwaarden voor succesvolle samenwerking tussen Oekraïense en Nederlandse bedrijven. Nederland neemt om deze reden actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Oekraïne is een land in oorlog, en kent momenteel andere wet- en regelgeving dan Europese landen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid en milieu. Tegelijkertijd bevinden wij ons in een grijs gebied tussen vrede en oorlog. We moeten ons voorbereiden op een Hoofdtaak 1 scenario – de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Dit vraagt om flexibele randvoorwaarden. Voor concrete interventies wordt gewacht op de uitkomsten van de economische beleidsanalyse (EBA).
Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) wil het kabinet de opschaling van de defensie-industrie faciliteren door knelpunten te adresseren. Zo werkt Defensie bijvoorbeeld samen in het publiek-private platform Defport om financieringsknelpunten te adresseren.2 Daarnaast werken we samen in EU-verband, bijvoorbeeld met de Defensie Omnibus. Dit is een pakket met wetgevingsvoorstellen die beogen de juridische en administratieve lastendruk te verminderen, procedures voor aanbestedingen en vergunningen te versnellen en grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren voor de gehele defensie-industrie.
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Om te leren van Oekraïense innovaties werkt Defensie aan coproductie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven (Build With Ukraine). Hiermee wil het kabinet de industriesamenwerking met Oekraïne versterken. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.3 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
De ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat werken doorlopend met elkaar samen, ook in afstemming met brancheverenigingen en koepelorganisaties, bijvoorbeeld op het gebied van het wegnemen van knelpunten voor de opschaling van de defensie-industrie. Zo hebben de ministeries van Defensie en Economische Zaken en Klimaat gezamenlijk de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 geschreven.4
Het specifieke deelonderwerp bepaalt welk ministerie de regie heeft en welk ministerie daarbij ondersteunend is.
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de beperkte beschikbare ruimte en de grote druk op de fysieke leefomgeving. Een voorbeeld hiervan is het eerste coproductieproject tussen VDL en het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken.
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), dat is aangekondigd in het coalitieakkoord, gaat zich richten op het realiseren van technologische doorbraken voor maatschappelijke vraagstukken. NADI gaat werken met challenge-based programma’s waar parallel verschillende technologische oplossingen voor een probleem worden verkend. Dit kunnen zowel dual-use als civiele programma’s zijn. Voorafgaand aan de zomer zal ik uw Kamer informeren over de stappen die nodig zijn om NADI te realiseren.
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
In de aankomende Defensienota, die voor de zomer met uw Kamer zal worden gedeeld, zal meer bekendgemaakt worden over de oprichting van een Nederlandse autoriteit voor defensie-innovatie en opschaling.
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Om randvoorwaarden voor versnelling voor de gehele defensie-industrie te creëren, zal het kabinet de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie concretiseren, conform de motie van het lid Van Lanschot c.s. over de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie herzien. We zullen dit meenemen in de uitwerking hiervan, welke in Q3 2026 met uw Kamer wordt gedeeld.
Het bericht 'Miljoenen belastinggeld voor stichting komen ook terecht bij bedrijf van eigen directeuren' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Nieuwsuur waarin wordt gesteld dat miljoenen euro’s aan subsidiegeld voor de stichting ECP terechtkomen bij een bedrijf waarvan een aantal directeuren van die stichting mede-eigenaar zijn?1
Ja, ik ben ermee bekend.
Hoe beoordeelt u de gang van zaken rond de subsidieverstrekking aan stichting ECP?
In mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het schriftelijk overleg2 dat ik gelijktijdig aan uw Kamer zend, ga ik dieper in op deze vraag. Op mijn rol als subsidieverstrekker ga ik in het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in. In het antwoord op vraag 24 van de CDA-fractie geef ik aan dat de subsidierelatie in 2023 is geëvalueerd, en welke stappen ik na die evaluatie heb genomen.
Hoe reflecteert u op de rol en uw verantwoordelijkheid hierin?
In het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in het genoemde schriftelijk overleg ga ik nader in op de rol van EZK als subsidieverstrekker.
Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan en waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
In het antwoord op eerdergenoemde vraag 16 is aangegeven dat de overeenkomst tussen ECP en LunaVia in 2023 is beoordeeld door externe advocaten op verzoek van het ECP-bestuur, wat voor EZK geen aanleiding gaf om de Kamer hierover te informeren of andere stappen te ondernemen.
Welke maatregelen worden naar aanleiding van deze situatie genomen? Hoe wordt voorkomen dat zich in de toekomst vergelijkbare gevallen voordoen?
In het antwoord op de vraag van GL-PvdA (vraag 16 in het genoemde schriftelijk overleg ga ik hier dieper op in.
Deelt u de opvatting dat activiteiten die structureel met publieke middelen worden gefinancierd in beginsel via een open en transparante aanbestedingsprocedure zouden moeten plaatsvinden, zodat voor alle partijen dezelfde regels gelden en meerdere organisaties kunnen meedingen?
Ik heb mij te houden aan de geldende subsidie- en aanbestedingsregels. Elk jaar maak ik de afweging of de activiteiten van ECP passen binnen de wettelijke kaders van een maatwerksubsidie, of het eventueel aanbesteden van (onderdelen van) de activiteit. Dit is ook beschreven in het antwoord op de vraag van uw fractie (vraag 3) in het genoemde schriftelijk overleg.
Bent u bereid te bevorderen dat de activiteiten die in opdracht van stichting ECP worden uitgevoerd en structureel met publieke middelen worden bekostigd, in de toekomst geheel of gedeeltelijk via een aanbesteding worden georganiseerd? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 16 van GL-PvdA in het genoemde schriftelijk overleg heb ik toegelicht hoe ik hier als subsidieverstrekker tot nu mee ben omgegaan. Ook ga ik in op de gesprekken die ik heb met het ECP-bestuur over mogelijk aanpassingen in hun governance, ook op dit punt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Voor de beantwoording wil ik wel doorverwijzen naar mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het genoemde schriftelijk overleg.
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.