Het bericht: "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen" |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst».
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Ja, wanneer personen met een studieschuld (hierna: debiteur) bewust geen contactgegevens doorgeven bij vertrek naar het buitenland, en daarmee het terugbetalen van hun studieschuld proberen te vermijden, vind ik dat onacceptabel. Tegelijkertijd komt het in de praktijk niet vaak voor dat studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland onbereikbaar zijn. Dit licht ik nader toe bij het antwoord op vraag 3. DUO slaagt er bovendien al in om met de meeste debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken weer in contact te komen. Ik erken wel dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom neem ik in het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering een aantal maatregelen hiertoe.
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Indien een debiteur het maandelijkse aflosbedrag aan studieschuld niet terugbetaalt, is er sprake van een achterstallige schuld voor dat gedeelte van de studieschuld. Een achterstallige schuld is direct opeisbaar, waardoor DUO op elk gewenst moment het recht heeft om die te innen bij de debiteur. Een vordering op een achterstallige schuld kan alleen verjaren na vijf jaar als DUO geen actie onderneemt. DUO verricht handelingen om de verjaring van de achterstallige schuld te voorkomen, door de vordering van de debiteur te stuiten. Dit doet DUO door zowel tijdige berichten als betaalverzoeken richting de debiteur in de MijnDUO-omgeving aan te maken en door adresonderzoek uit te voeren. Hierdoor gaat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen en blijft het niet-betaalde gedeelte van de studieschuld opeisbaar.
De inschatting is dat het niet vaak voorkomt dat achterstallige gedeelten van studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland niet-traceerbaar zijn. Het gaat naar verwachting om incidentele gevallen.2 Het exacte aantal gevallen is niet bekend, omdat DUO geen overzicht bijhoudt van het totaal aan verjaarde studieschulden in de afgelopen vijf jaar.
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Een aantal buitenlandse overheidsorganisaties verleent medewerking wanneer DUO vraagt om gegevens van debiteuren, zodat contact met hen kan worden gelegd. Daarnaast heeft DUO in het afgelopen jaar contact gelegd en gesprekken gevoerd met een aantal nieuwe buitenlandse overheidsinstanties ten behoeve van het uitbreiden van gegevensuitwisseling. Om berekenend gedrag van debiteuren zoveel mogelijk te voorkomen, kies ik ervoor om geen opsommende lijst van individuele buitenlandse overheidsinstanties in deze beantwoording op te nemen. Overigens geven de meeste debiteuren met wie DUO het toch gelukt is om contact te leggen aan dat het niet actueel houden van een adres een kwestie van slordigheid en onoplettendheid was. Zij treffen dan ook in veel gevallen regelingen met DUO om de achterstanden in te lopen.
Naast gegevens opvragen bij buitenlandse overheidsinstanties is gegevensopvraging ook in enkele landen een mogelijkheid via een contractpartner3. De gecontracteerde partij kan via lokale advocaten of deurwaarders toegang krijgen tot adresregisters die DUO niet zelfstandig kan raadplegen.
DUO zet ook in op samenwerking met andere rijksdiensten voor het innen van studieschulden. Zo heeft een pilot plaatsgevonden met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in Turkije die DUO hielp om studieschulden te innen.
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Het gaat bij onbereikbare debiteuren voornamelijk om Nederlandse debiteuren die nu in het buitenland wonen. Van de onbereikbare debiteuren heeft namelijk 78,7% de Nederlandse nationaliteit. Veel van hen woonden op het moment dat zij studiefinanciering ontvingen in de grensregio’s met Duitsland en België.
Het vermoeden van OCW en DUO is verder dat het voor een deel gaat om personen met de Nederlandse nationaliteit die na hun studietijd in Nederland naar het buitenland zijn verhuisd. Daarnaast bestaat waarschijnlijk een deel van de onvindbare debiteuren uit personen die in het buitenland hebben gestudeerd met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 en die nu nog steeds in het buitenland wonen.
Het aantal (on)vindbare debiteuren in het buitenland is daardoor dus niet direct te relateren aan het aantal internationale studenten in het hbo en wo. Wel is het aannemelijk dat de toename van het aantal internationale studenten ertoe leidt dat in de toekomst een groter aandeel van de debiteuren vanuit het buitenland hun studieschuld zal aflossen. Met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering, dat nu in internetconsultatie is, wil ik DUO extra instrumenten geven om studieschulden in het buitenland effectiever te kunnen innen. Hier ga ik bij het antwoord op vraag 9 nader op in.
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
In onderstaande tabel is het aantal onbereikbare debiteuren opgenomen uitgesplitst naar nationaliteit.
Nationaliteit
Aantal
Aandeel
Nederlands
18.076
78,7%
EER
1.444
6,3%
Overig*
3.460
15,0%
totaal
22.980
100%
Studenten die studiefinanciering ontvangen op grond van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V maken onderdeel uit van de categorie overig. Het is niet mogelijk om deze apart inzichtelijk te maken.4
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
In 2025 ontvingen circa 76.000 niet-Nederlandse studenten5 een vorm van studiefinanciering. Van hen maakten circa 19.500 gebruik van een rentedragende leningen en/of collegegeldkrediet. Het gaat hierbij om mbo-, hbo- en wo-studenten die in 2025 minimaal één maand studiefinanciering van DUO ontvingen.
Het overgrote deel van de niet-Nederlandse studenten dat studiefinanciering ontvangt, komt uit landen binnen de EER. Uit onderzoek van Nuffic naar de stayrates van internationale afgestudeerden studenten6 blijkt dat van de groep die in studiejaar 2018–2019 is afgestudeerd, na vijf jaar 24,3% nog in Nederland woont en werkt.
Naast niet-Nederlandse studenten met Nederlandse studiefinanciering is het ook belangrijk te benadrukken dat Nederlandse studenten óók internationale studenten kunnen zijn die in het buitenland studeren met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 (meeneembare studiefinanciering). In 2025 ging het om totaal 14.692 studenten waarvan ruim 91% de Nederlandse nationaliteit had.
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Het in contact komen met debiteuren in het buitenland is arbeidsintensiever voor DUO in het buitenland dan in Nederland, omdat DUO niet geautomatiseerd beschikt over actuele adresgegevens van debiteuren die buiten Nederland wonen. DUO is hiervoor grotendeels afhankelijk van informatie die door de debiteur zelf wordt verstrekt. Naast het versturen van berichten via de Mijn DUO-omgeving zijn er verschillende andere mogelijkheden om (te proberen) in contact te komen met de debiteur.
Wanneer een studieschuld niet wordt terugbetaald en het adres van de debiteur niet bekend is bij DUO, worden deze intern DUO overgedragen voor adresonderzoek (traceren) en proactieve benadering. Het doel hiervan is om betalingsachterstanden zo veel als mogelijk te voorkomen en op te lossen, met oog voor de situatie van de debiteur. Zo kan DUO via een eigen account op sociale media de debiteuren benaderen of op basis van sociale media proberen om meer informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van de debiteur. Indien sprake is van een land waar succesvol gegevens aan de buitenlandse overheidsinstantie kunnen worden gevraagd, kan vervolgens een adresbevraging worden gedaan bij een buitenlandse overheidsinstantie.
In het buitenland kan DUO niet zelfstandig een dwangbevel uitvaardigen om zonder tussenkomst van de rechter executiemaatregelen op te kunnen leggen, zoals beslaglegging. DUO moet daar gebruik maken van buitenlandse incassobureaus voor de inning van studieschulden, voor zover bekend is waar de oud-student verblijft.
Indien een oud-student niet vrijwillig betaalt of meewerkt via het incassobureau, kan DUO ook rechtszaken tegen debiteuren voeren in het buitenland. Deze gerechtelijke procedures vinden plaats volgens de toepasselijke internationale privaatrechtelijke regels. Deze procedures verschillen per land en zijn doorgaans tijdrovender, duurder en complexer dan in Nederland. Bovendien is gerechtelijke inning niet in alle landen mogelijk, bijvoorbeeld doordat er geen toepasselijk verdrag bestaat of de lokale regelgeving onvoldoende mogelijkheden biedt voor het effectief uitvoeren van een rechterlijke uitspraak of beslissing.
Wanneer een studieschuld niet wordt betaald, de betalingsachterstand hoger is dan € 5.000,– en er geen bekend buitenlands adres is kan DUO gebruik maken van paspoortsignalering bij Nederlandse debiteuren. De student krijgt dan pas een nieuw paspoort als de achterstand is betaald of een betalingsregeling is overeengekomen met DUO. Bij een zeer hoge achterstand (vanaf € 45.000) kan DUO gegevens van een debiteur laten opnemen in het systeem Executie en Signalering, waarbij het paspoort wordt ingenomen wanneer de debiteur Nederland binnenkomt.
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
DUO slaagt erin het merendeel van alle maandelijkse aflosbedragen van studieschulden binnen twaalf maanden na opeisbaarheid te innen. Dit laat zien dat het inningsbeleid over het algemeen effectief is. Tegelijkertijd blijkt dat de inning van studieschulden bij debiteuren in het buitenland uitdagender is dan bij debiteuren in Nederland. Hoewel DUO met veel debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken uiteindelijk in contact komt, erken ik dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom stel ik, met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering dat nu in internetconsultatie is, een aantal maatregelen voor om het innen van studieschulden in het buitenland te verbeteren:
Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
De bouwsector heeft al langere tijd te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dit kent meerdere oorzaken. Ten eerste is sprake van een structureel tekort aan vakmensen, mede als gevolg van vergrijzing en een beperkte instroom van jongeren in technische en bouwgerelateerde opleidingen. Daarnaast is de vraag naar arbeid in de bouw de afgelopen jaren sterk toegenomen door onder meer de woningbouwopgave, verduurzamingsopgaven en renovatie- en onderhoudswerkzaamheden. De combinatie van een stijgende vraag en een achterblijvend aanbod leidt tot een bovengemiddelde krapte in een toch al gespannen arbeidsmarkt. Verder zien we dat de fysieke belasting van het werk invloed heeft op de aantrekkelijkheid van de sector voor potentiële werknemers.
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Het tekort aan vakmensen heeft invloed op de uitvoeringscapaciteit van bouwbedrijven en daarmee op de snelheid waarmee projecten kunnen worden gerealiseerd. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat de woningbouwproductie door meerdere factoren wordt bepaald. Naast beschikbaarheid van personeel spelen onder meer de beschikbaarheid van bouwlocaties, vergunningprocedures, financieringscondities, stikstofruimte en de capaciteit bij gemeenten en andere betrokken partijen een rol.
De huidige krapte op de arbeidsmarkt betekent dat bouwbedrijven in sommige gevallen langer nodig hebben om personeel te vinden of dat projecten anders moeten worden georganiseerd. We zien dan ook dat de sector inzet op oplossingen zoals het verbeteren van arbeidsproductiviteit en het vergroten van de instroom via opleidingen en zij-instroom. Het is overigens ook een prikkel om productiever te werken, waaronder het toepassen van innovatieve en meer geïndustrialiseerde bouwmethoden.
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Het is lastig om te beoordelen in hoeverre de personeelstekorten specifiek invloed hebben op vertraging. Tekorten in de bouw kunnen ervoor zorgen dat projecten vertraging oplopen of geen doorgang kunnen vinden. Dit is echter, zoals bij de voorgaande vraag benoemd, mede afhankelijk van een aantal andere factoren.
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
In het antwoord op vraag 2 is toegelicht dat er verschillende redenen zijn voor de personeelstekorten in de bouw. Daarnaast speelt in de bouwsector een kwalitatieve mismatch een belangrijke rol. Werkgevers geven aan dat sollicitanten regelmatig niet beschikken over de specifieke vaardigheden, ervaring of certificeringen die voor bepaalde functies vereist zijn. Dit heeft onder meer te maken met de snelle technologische ontwikkelingen in de sector, zoals digitalisering, prefabricage en nieuwe bouwmethoden, waarvoor aanvullende kennis en scholing nodig zijn. Deze innovaties zijn overigens juist ook nodig om met minder mensen meer te kunnen doen. Ook zij-instromers, die vanuit andere sectoren komen, hebben vaak tijd nodig om de benodigde vaardigheden op te bouwen.
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Het kabinet werkt aan een Talentstrategie om bewustere keuzes te maken over de inzet van schaars talent. Op basis daarvan bepaalt het kabinet op welke prioritaire opgaven meer inzet van talent nodig is. Dat kan namelijk niet op alle opgaven en sectoren tegelijkertijd.
Als onderdeel van de Talentstrategie wordt ook ingezet op het verhogen van de productiviteit van de Nederlandse economie. Voor alle sectoren is belangrijk om te zien hoe we meer kunnen doen met minder mensen. We zijn hard op weg om productiviteit in de bouwsector omhoog te krijgen. Dit willen we verwezenlijken door meer gebruik te maken van (technologische) innovaties om zo het aantal benodigde vaklieden omlaag te kunnen brengen.
Daarnaast zet het kabinet in op zij-instroom en het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, zoals de afgelopen jaren ook is gebeurd (zie ook antwoord op vraag 7). Daarin hebben werkgevers overigens ook zelf een grote rol, zoals bij het aantrekkelijk maken van het werk en het bieden van goede instroomtrajecten en opleiding.
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Op dit moment zijn er al diverse acties gericht op het verhogen van instroom in technische opleidingen, een groot deel ervan vindt u ook in het actieplan groene en digitale banen. Deze acties komen veelal ook ten goede aan opleidingen die toeleveren aan bouw. Zoals in het antwoord op vraag 6 vermeld, werkt het kabinet aan een Talentstrategie. Op basis daarvan bepaalt het kabinet of en welke stappen het kabinet gaat zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten.
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Wij beoordelen de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) als een belangrijk en effectief instrument om de instroom in technische en bouwgerichte beroepen te vergroten. De combinatie van werken en leren sluit goed aan bij de praktijk van de sector en vergroot de kans op duurzame arbeidsmarktparticipatie. De afgelopen jaren is het aantal studenten in bouw- en techniekopleidingen licht toegenomen, mede dankzij de inzet op BBL en de beschikbaarheid van leerwerkplekken. Financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen voor BBL-studenten zijn waardevolle aanvullingen op het bestaande instrumentarium. Eerste signalen uit de sector wijzen erop dat deze maatregelen een positief effect hebben op het verminderen van voortijdige uitval en het bevorderen van doorleren. Hoewel de genoemde initiatieven bijdragen aan een grotere instroom en betere retentie, zijn de effecten op dit moment nog beperkt in omvang ten opzichte van de totale personeelsvraag in de bouwsector. Het personeelstekort blijft groot en vraagt om een bredere en langdurige inzet. Naast het versterken van de instroom via het onderwijs en het stimuleren van diplomering, zet het kabinet daarom ook in op onder andere het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en het bevorderen van zij-instroom.
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Zie het antwoord bij vraag 8.
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Als onderdeel van de eerste productiviteitsagenda uit september 2025 presenteerde het kabinet twee initiatieven voor de bouw. Het Ministerie van BZK werkt samen met TKI Bouw, Techniek Nederland en TNO aan een productiviteitsagenda voor de bouw, waarin zij productiviteitskansen en -knelpunten voor interventies nader in kaart brengen. Op regionaal niveau wordt in succesvolle bouwecosystemen innovatieadoptie van AI en robotisering door mkb versneld.
Daarnaast loopt sinds eind 2024, met steun van EZK, het beleidsexperiment Shaping the Future of Work. Dit experiment ondersteunt mkb-bedrijven bij het ontwikkelen en toepassen van arbeidsbesparende, mensgerichte innovaties voor fysiek werk, zodat werk minder belastend, beter vol te houden en productiever wordt. Het experiment wordt onder andere in de bouw uitgevoerd. De Ministeries van EZK en van SZW werken aan een opschaling, mede vanuit het perspectief van productiviteitsgroei en duurzame inzetbaarheid. Over de verdere invulling van deze opschaling wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
De publicatie ‘’Becoming a refugee during your studies’’ van de Universiteit Maastricht |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ELPEEDA-publicatie «Becoming a refugee during your studies» van de Universiteit Maastricht?
Klopt het dat de universiteit in kwestie actief verschillende ondersteunende diensten aanbiedt voor studenten die asiel zoeken en voor degenen die al een vluchtelingenstatus hebben en wat houdt dat concreet in?
Klopt het voorts dat de Universiteit Maastricht een stap-voor-stap handleiding aanbiedt voor het aanvragen van asiel en acht u deze diensten passend bij de wettelijke taken van een universiteit en haar verantwoordelijkheid als erkend referent?
Kunt u reflecteren op de inhoud van deze stap-voor-stap handleiding?
Hoeveel geld en capaciteit besteedt de Universiteit Maastricht aan advisering en begeleiding bij asielaanvragen en welke middelen worden hiervoor ingezet en vindt u dat een wenselijke besteding?
Klopt het dat de webpagina over deze ondersteunende diensten eerder expliciet vermeldde dat de universiteit adviseert over of en wanneer studenten asiel moeten aanvragen en daarbij ook verwees naar deze stap-voor-stap handleiding? Klopt het voorts dat deze pagina’s op de huidige website ontbreken en wanneer en waarom is deze informatie aangepast?
Is er de afgelopen tijd contact geweest over dit onderwerp tussen uw ministerie en de Universiteit Maastricht naar aanleiding van de recente casus van een Gazaanse student en zijn de bovengenoemde aanpassingen het gevolg van dat contact?
In hoeverre acht u het wenselijk dat de Universiteit Maastricht tot recent nog actieve hulp aanbood aan studenten die «overwegen om asiel aan te vragen» en in hoeverre kan dit worden gezien als het faciliteren van en/of actief aanmoedigen van asielaanvragen?
In hoeverre passen de diensten die de Universiteit Maastricht kennelijk aanbiedt rond het faciliteren van asielaanvragen zich tot het kabinetsbeleid dat juist gericht is op meer controle en een verminderde instroom van asielmigranten?
Hoeveel asielaanvragen zijn er door studenten die «overwegen om asiel aan te vragen» ingediend naar aanleiding van gesprekken met medewerkers van de Universiteit Maastricht?
Wat zijn de nationaliteiten van de studenten die naar aanleiding van deze gesprekken asiel hebben aangevraagd?
Bent u bereid om in contact te treden met de Universiteit van Maastricht om opheldering te vragen over de diensten die zij aanbieden en de Kamer over deze contacten te informeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De antwoorden op vragen van het lid Bolhuis (2026D44753) |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de cijfers uit de antwoorden waaruit blijkt dat in december 2025 55% van de jongeren tot 27 jaar in de bijstand een herkomstland buiten Europa heeft en dat deze groep sinds 2021 90% van de groei vertegenwoordigt?
Welk deel van de statushouders tot 27 jaar ontvangt een bijstandsuitkering en welk deel heeft werk?
Hoe groot is het totale budget van de bijstand? Welk deel wordt besteed aan statushouders, en welk deel specifiek aan statushouders onder de 27 jaar?
Hoe lang is de gemiddelde statushouder onder 27 jaar die bijstand ontvangt al in Nederland en wat is de spreiding hiervan?
Kunt u aangeven wat de gemiddelde duur van de bijstandsuitkering is vergeleken tussen de groep statushouders versus niet-statushouders, en wat de spreiding is in duur voor de groep jongeren tot 27 jaar?
Kunt u aangeven welke belemmeringen of obstakels statushouders ervaren om een baan te vinden?
Hoe kijkt u naar de spanning tussen de inburgeringsplicht en het vinden van of uitvoeren van werk door een statushouder?
Welk deel van deze statushouders spreekt Nederlands?
Welke plannen heeft u om deze obstakels weg te nemen?
Welke plannen heeft u om prikkels en ondersteuning te bieden waardoor meer statushouders aan het werk gaan?
Kunt u aangeven welke succesfactoren meespelen bij statushouders die sneller aan een baan komen? Welke goede praktijkvoorbeelden kent u? In hoeverre zijn deze schaalbaar of welke lessen voor algemeen beleid zijn hieruit te trekken?
Kunt u aangeven welke belemmeringen er voor werkgevers zijn om statushouders aan te nemen?
Welke plannen heeft u om deze belemmeringen weg te nemen? Moet er bijvoorbeeld strenger gehandhaafd worden op de taaleis en zijn er voldoende (om)scholingsmogelijkheden naar bijvoorbeeld tekortsectoren?
Kunt u toezeggen dat zijn actieprogramma Nederland Werkt een plan zal bevatten om specifiek statushouders (breder dan de groep jongeren tot 27 jaar) meer succesvol te begeleiden naar werk?
Kan u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Participatiewet op 29 oktober?
Het bericht: "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen" |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst».
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Letschert , Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Ja, wanneer personen met een studieschuld (hierna: debiteur) bewust geen contactgegevens doorgeven bij vertrek naar het buitenland, en daarmee het terugbetalen van hun studieschuld proberen te vermijden, vind ik dat onacceptabel. Tegelijkertijd komt het in de praktijk niet vaak voor dat studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland onbereikbaar zijn. Dit licht ik nader toe bij het antwoord op vraag 3. DUO slaagt er bovendien al in om met de meeste debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken weer in contact te komen. Ik erken wel dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom neem ik in het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering een aantal maatregelen hiertoe.
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Indien een debiteur het maandelijkse aflosbedrag aan studieschuld niet terugbetaalt, is er sprake van een achterstallige schuld voor dat gedeelte van de studieschuld. Een achterstallige schuld is direct opeisbaar, waardoor DUO op elk gewenst moment het recht heeft om die te innen bij de debiteur. Een vordering op een achterstallige schuld kan alleen verjaren na vijf jaar als DUO geen actie onderneemt. DUO verricht handelingen om de verjaring van de achterstallige schuld te voorkomen, door de vordering van de debiteur te stuiten. Dit doet DUO door zowel tijdige berichten als betaalverzoeken richting de debiteur in de MijnDUO-omgeving aan te maken en door adresonderzoek uit te voeren. Hierdoor gaat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen en blijft het niet-betaalde gedeelte van de studieschuld opeisbaar.
De inschatting is dat het niet vaak voorkomt dat achterstallige gedeelten van studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland niet-traceerbaar zijn. Het gaat naar verwachting om incidentele gevallen.2 Het exacte aantal gevallen is niet bekend, omdat DUO geen overzicht bijhoudt van het totaal aan verjaarde studieschulden in de afgelopen vijf jaar.
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Een aantal buitenlandse overheidsorganisaties verleent medewerking wanneer DUO vraagt om gegevens van debiteuren, zodat contact met hen kan worden gelegd. Daarnaast heeft DUO in het afgelopen jaar contact gelegd en gesprekken gevoerd met een aantal nieuwe buitenlandse overheidsinstanties ten behoeve van het uitbreiden van gegevensuitwisseling. Om berekenend gedrag van debiteuren zoveel mogelijk te voorkomen, kies ik ervoor om geen opsommende lijst van individuele buitenlandse overheidsinstanties in deze beantwoording op te nemen. Overigens geven de meeste debiteuren met wie DUO het toch gelukt is om contact te leggen aan dat het niet actueel houden van een adres een kwestie van slordigheid en onoplettendheid was. Zij treffen dan ook in veel gevallen regelingen met DUO om de achterstanden in te lopen.
Naast gegevens opvragen bij buitenlandse overheidsinstanties is gegevensopvraging ook in enkele landen een mogelijkheid via een contractpartner3. De gecontracteerde partij kan via lokale advocaten of deurwaarders toegang krijgen tot adresregisters die DUO niet zelfstandig kan raadplegen.
DUO zet ook in op samenwerking met andere rijksdiensten voor het innen van studieschulden. Zo heeft een pilot plaatsgevonden met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in Turkije die DUO hielp om studieschulden te innen.
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Het gaat bij onbereikbare debiteuren voornamelijk om Nederlandse debiteuren die nu in het buitenland wonen. Van de onbereikbare debiteuren heeft namelijk 78,7% de Nederlandse nationaliteit. Veel van hen woonden op het moment dat zij studiefinanciering ontvingen in de grensregio’s met Duitsland en België.
Het vermoeden van OCW en DUO is verder dat het voor een deel gaat om personen met de Nederlandse nationaliteit die na hun studietijd in Nederland naar het buitenland zijn verhuisd. Daarnaast bestaat waarschijnlijk een deel van de onvindbare debiteuren uit personen die in het buitenland hebben gestudeerd met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 en die nu nog steeds in het buitenland wonen.
Het aantal (on)vindbare debiteuren in het buitenland is daardoor dus niet direct te relateren aan het aantal internationale studenten in het hbo en wo. Wel is het aannemelijk dat de toename van het aantal internationale studenten ertoe leidt dat in de toekomst een groter aandeel van de debiteuren vanuit het buitenland hun studieschuld zal aflossen. Met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering, dat nu in internetconsultatie is, wil ik DUO extra instrumenten geven om studieschulden in het buitenland effectiever te kunnen innen. Hier ga ik bij het antwoord op vraag 9 nader op in.
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
In onderstaande tabel is het aantal onbereikbare debiteuren opgenomen uitgesplitst naar nationaliteit.
Nationaliteit
Aantal
Aandeel
Nederlands
18.076
78,7%
EER
1.444
6,3%
Overig*
3.460
15,0%
totaal
22.980
100%
Studenten die studiefinanciering ontvangen op grond van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V maken onderdeel uit van de categorie overig. Het is niet mogelijk om deze apart inzichtelijk te maken.4
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
In 2025 ontvingen circa 76.000 niet-Nederlandse studenten5 een vorm van studiefinanciering. Van hen maakten circa 19.500 gebruik van een rentedragende leningen en/of collegegeldkrediet. Het gaat hierbij om mbo-, hbo- en wo-studenten die in 2025 minimaal één maand studiefinanciering van DUO ontvingen.
Het overgrote deel van de niet-Nederlandse studenten dat studiefinanciering ontvangt, komt uit landen binnen de EER. Uit onderzoek van Nuffic naar de stayrates van internationale afgestudeerden studenten6 blijkt dat van de groep die in studiejaar 2018–2019 is afgestudeerd, na vijf jaar 24,3% nog in Nederland woont en werkt.
Naast niet-Nederlandse studenten met Nederlandse studiefinanciering is het ook belangrijk te benadrukken dat Nederlandse studenten óók internationale studenten kunnen zijn die in het buitenland studeren met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 (meeneembare studiefinanciering). In 2025 ging het om totaal 14.692 studenten waarvan ruim 91% de Nederlandse nationaliteit had.
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Het in contact komen met debiteuren in het buitenland is arbeidsintensiever voor DUO in het buitenland dan in Nederland, omdat DUO niet geautomatiseerd beschikt over actuele adresgegevens van debiteuren die buiten Nederland wonen. DUO is hiervoor grotendeels afhankelijk van informatie die door de debiteur zelf wordt verstrekt. Naast het versturen van berichten via de Mijn DUO-omgeving zijn er verschillende andere mogelijkheden om (te proberen) in contact te komen met de debiteur.
Wanneer een studieschuld niet wordt terugbetaald en het adres van de debiteur niet bekend is bij DUO, worden deze intern DUO overgedragen voor adresonderzoek (traceren) en proactieve benadering. Het doel hiervan is om betalingsachterstanden zo veel als mogelijk te voorkomen en op te lossen, met oog voor de situatie van de debiteur. Zo kan DUO via een eigen account op sociale media de debiteuren benaderen of op basis van sociale media proberen om meer informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van de debiteur. Indien sprake is van een land waar succesvol gegevens aan de buitenlandse overheidsinstantie kunnen worden gevraagd, kan vervolgens een adresbevraging worden gedaan bij een buitenlandse overheidsinstantie.
In het buitenland kan DUO niet zelfstandig een dwangbevel uitvaardigen om zonder tussenkomst van de rechter executiemaatregelen op te kunnen leggen, zoals beslaglegging. DUO moet daar gebruik maken van buitenlandse incassobureaus voor de inning van studieschulden, voor zover bekend is waar de oud-student verblijft.
Indien een oud-student niet vrijwillig betaalt of meewerkt via het incassobureau, kan DUO ook rechtszaken tegen debiteuren voeren in het buitenland. Deze gerechtelijke procedures vinden plaats volgens de toepasselijke internationale privaatrechtelijke regels. Deze procedures verschillen per land en zijn doorgaans tijdrovender, duurder en complexer dan in Nederland. Bovendien is gerechtelijke inning niet in alle landen mogelijk, bijvoorbeeld doordat er geen toepasselijk verdrag bestaat of de lokale regelgeving onvoldoende mogelijkheden biedt voor het effectief uitvoeren van een rechterlijke uitspraak of beslissing.
Wanneer een studieschuld niet wordt betaald, de betalingsachterstand hoger is dan € 5.000,– en er geen bekend buitenlands adres is kan DUO gebruik maken van paspoortsignalering bij Nederlandse debiteuren. De student krijgt dan pas een nieuw paspoort als de achterstand is betaald of een betalingsregeling is overeengekomen met DUO. Bij een zeer hoge achterstand (vanaf € 45.000) kan DUO gegevens van een debiteur laten opnemen in het systeem Executie en Signalering, waarbij het paspoort wordt ingenomen wanneer de debiteur Nederland binnenkomt.
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
DUO slaagt erin het merendeel van alle maandelijkse aflosbedragen van studieschulden binnen twaalf maanden na opeisbaarheid te innen. Dit laat zien dat het inningsbeleid over het algemeen effectief is. Tegelijkertijd blijkt dat de inning van studieschulden bij debiteuren in het buitenland uitdagender is dan bij debiteuren in Nederland. Hoewel DUO met veel debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken uiteindelijk in contact komt, erken ik dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom stel ik, met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering dat nu in internetconsultatie is, een aantal maatregelen voor om het innen van studieschulden in het buitenland te verbeteren:
Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
De bouwsector heeft al langere tijd te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dit kent meerdere oorzaken. Ten eerste is sprake van een structureel tekort aan vakmensen, mede als gevolg van vergrijzing en een beperkte instroom van jongeren in technische en bouwgerelateerde opleidingen. Daarnaast is de vraag naar arbeid in de bouw de afgelopen jaren sterk toegenomen door onder meer de woningbouwopgave, verduurzamingsopgaven en renovatie- en onderhoudswerkzaamheden. De combinatie van een stijgende vraag en een achterblijvend aanbod leidt tot een bovengemiddelde krapte in een toch al gespannen arbeidsmarkt. Verder zien we dat de fysieke belasting van het werk invloed heeft op de aantrekkelijkheid van de sector voor potentiële werknemers.
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Het tekort aan vakmensen heeft invloed op de uitvoeringscapaciteit van bouwbedrijven en daarmee op de snelheid waarmee projecten kunnen worden gerealiseerd. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat de woningbouwproductie door meerdere factoren wordt bepaald. Naast beschikbaarheid van personeel spelen onder meer de beschikbaarheid van bouwlocaties, vergunningprocedures, financieringscondities, stikstofruimte en de capaciteit bij gemeenten en andere betrokken partijen een rol.
De huidige krapte op de arbeidsmarkt betekent dat bouwbedrijven in sommige gevallen langer nodig hebben om personeel te vinden of dat projecten anders moeten worden georganiseerd. We zien dan ook dat de sector inzet op oplossingen zoals het verbeteren van arbeidsproductiviteit en het vergroten van de instroom via opleidingen en zij-instroom. Het is overigens ook een prikkel om productiever te werken, waaronder het toepassen van innovatieve en meer geïndustrialiseerde bouwmethoden.
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Het is lastig om te beoordelen in hoeverre de personeelstekorten specifiek invloed hebben op vertraging. Tekorten in de bouw kunnen ervoor zorgen dat projecten vertraging oplopen of geen doorgang kunnen vinden. Dit is echter, zoals bij de voorgaande vraag benoemd, mede afhankelijk van een aantal andere factoren.
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
In het antwoord op vraag 2 is toegelicht dat er verschillende redenen zijn voor de personeelstekorten in de bouw. Daarnaast speelt in de bouwsector een kwalitatieve mismatch een belangrijke rol. Werkgevers geven aan dat sollicitanten regelmatig niet beschikken over de specifieke vaardigheden, ervaring of certificeringen die voor bepaalde functies vereist zijn. Dit heeft onder meer te maken met de snelle technologische ontwikkelingen in de sector, zoals digitalisering, prefabricage en nieuwe bouwmethoden, waarvoor aanvullende kennis en scholing nodig zijn. Deze innovaties zijn overigens juist ook nodig om met minder mensen meer te kunnen doen. Ook zij-instromers, die vanuit andere sectoren komen, hebben vaak tijd nodig om de benodigde vaardigheden op te bouwen.
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Het kabinet werkt aan een Talentstrategie om bewustere keuzes te maken over de inzet van schaars talent. Op basis daarvan bepaalt het kabinet op welke prioritaire opgaven meer inzet van talent nodig is. Dat kan namelijk niet op alle opgaven en sectoren tegelijkertijd.
Als onderdeel van de Talentstrategie wordt ook ingezet op het verhogen van de productiviteit van de Nederlandse economie. Voor alle sectoren is belangrijk om te zien hoe we meer kunnen doen met minder mensen. We zijn hard op weg om productiviteit in de bouwsector omhoog te krijgen. Dit willen we verwezenlijken door meer gebruik te maken van (technologische) innovaties om zo het aantal benodigde vaklieden omlaag te kunnen brengen.
Daarnaast zet het kabinet in op zij-instroom en het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, zoals de afgelopen jaren ook is gebeurd (zie ook antwoord op vraag 7). Daarin hebben werkgevers overigens ook zelf een grote rol, zoals bij het aantrekkelijk maken van het werk en het bieden van goede instroomtrajecten en opleiding.
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Op dit moment zijn er al diverse acties gericht op het verhogen van instroom in technische opleidingen, een groot deel ervan vindt u ook in het actieplan groene en digitale banen. Deze acties komen veelal ook ten goede aan opleidingen die toeleveren aan bouw. Zoals in het antwoord op vraag 6 vermeld, werkt het kabinet aan een Talentstrategie. Op basis daarvan bepaalt het kabinet of en welke stappen het kabinet gaat zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten.
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Wij beoordelen de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) als een belangrijk en effectief instrument om de instroom in technische en bouwgerichte beroepen te vergroten. De combinatie van werken en leren sluit goed aan bij de praktijk van de sector en vergroot de kans op duurzame arbeidsmarktparticipatie. De afgelopen jaren is het aantal studenten in bouw- en techniekopleidingen licht toegenomen, mede dankzij de inzet op BBL en de beschikbaarheid van leerwerkplekken. Financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen voor BBL-studenten zijn waardevolle aanvullingen op het bestaande instrumentarium. Eerste signalen uit de sector wijzen erop dat deze maatregelen een positief effect hebben op het verminderen van voortijdige uitval en het bevorderen van doorleren. Hoewel de genoemde initiatieven bijdragen aan een grotere instroom en betere retentie, zijn de effecten op dit moment nog beperkt in omvang ten opzichte van de totale personeelsvraag in de bouwsector. Het personeelstekort blijft groot en vraagt om een bredere en langdurige inzet. Naast het versterken van de instroom via het onderwijs en het stimuleren van diplomering, zet het kabinet daarom ook in op onder andere het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en het bevorderen van zij-instroom.
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Zie het antwoord bij vraag 8.
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Als onderdeel van de eerste productiviteitsagenda uit september 2025 presenteerde het kabinet twee initiatieven voor de bouw. Het Ministerie van BZK werkt samen met TKI Bouw, Techniek Nederland en TNO aan een productiviteitsagenda voor de bouw, waarin zij productiviteitskansen en -knelpunten voor interventies nader in kaart brengen. Op regionaal niveau wordt in succesvolle bouwecosystemen innovatieadoptie van AI en robotisering door mkb versneld.
Daarnaast loopt sinds eind 2024, met steun van EZK, het beleidsexperiment Shaping the Future of Work. Dit experiment ondersteunt mkb-bedrijven bij het ontwikkelen en toepassen van arbeidsbesparende, mensgerichte innovaties voor fysiek werk, zodat werk minder belastend, beter vol te houden en productiever wordt. Het experiment wordt onder andere in de bouw uitgevoerd. De Ministeries van EZK en van SZW werken aan een opschaling, mede vanuit het perspectief van productiviteitsgroei en duurzame inzetbaarheid. Over de verdere invulling van deze opschaling wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.