De materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk is van leveranciers buiten de Europese Unie?
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief voorhanden is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief, een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees alternatief?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid. Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht – steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd (Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte, verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding geven om die balans te herijken?
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie, en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden. Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota 2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën. Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij. Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland een leidende of substantieel meedragende rol?
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP).
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds (EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd. Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s. Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling is nu nog niet goed in te schatten.
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
De aanstaande Toetsingsconferentie van het NPV in New York |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welk niveau is Nederland vertegenwoordigd bij de aanstaande Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York van 27 april tot 22 mei?
Nederland is tijdens de 11e Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) van 27 april tot en met 22 mei 2026 op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie wordt geleid door onze ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening/high level segment in de eerste week is Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die zich in het buitenland onder de titel van Vice-Minister mag presenteren. De delegatie bestaat verder uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit Den Haag, de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève, Wenen en de ambassade in Washington, met specifieke verantwoordelijkheden voor de verschillende onderdelen van het Non Proliferatie Verdrag (ontwapening, non proliferatie, vreedzaam gebruik).
Kunt u de Nederlandse inzet voor de Toetsingsconferentie delen met de Tweede Kamer, zoals is gedaan voor de vorige Toetsingsconferenties in 2015 en 2022 (Kamerstuk 33 783, nr. 48)?
Ja. Hiertoe verwijs ik u naar de Nederlandse inzet zoals is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Is de naleving van het NPV in letter en geest nog steeds kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De naleving van het NPV in letter en geest is en blijft kabinetsbeleid.
In de Kamerbrief van 17 april 2026 wordt het NPV expliciet beschreven als de hoeksteen van de mondiale veiligheid op het gebied van nucleaire wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening. Het kabinet benadrukt daarin dat de drie pijlers van het NPV als gelijkwaardig en onderling verbonden worden beschouwd en dat Nederland zich inzet voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI. Nederland houdt zich onverminderd aan de verplichtingen uit het NPV en andere relevante verdragen en afspraken. Tegelijk blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van de Toetsingsconferentie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord. Daarbij verwijs ik naar de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» van 17 april 2026 (Kamerstuk 33 783, nr. 53), waarin de Nederlandse inzet en beleidslijn uitgebreid zijn toegelicht.
De situatie in het Midden-Oosten |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Israëlische kabinet om het zuiden van Libanon te bezetten en het standpunt van de Israëlische Minister van Financiën Smotrich dat Israël Libanees grondgebied ten zuiden van de Litani-rivier moet annexeren?1
Ja.
Veroordeelt u de bezetting en mogelijke annexatie van Libanees grondgebied? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de veiligheidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah, dat al decennialang een dreiging voor Israël vormt en aanhoudend aanvallen op Israël uitvoert.
Tegelijkertijd onderstreept het kabinet dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. De uitoefening van het recht op zelfverdediging door Israël tegen de aanvallen van Hezbollah dient binnen de grenzen van noodzakelijkheid en proportionaliteit te blijven. Bij de proportionaliteit plaats het kabinet vragen.
Annexatie is in strijd met internationaal recht. Het kabinet veroordeelt oproepen van Israëlische bewindspersonen tot annexatie van Libanees grondgebied. Het kabinet acht uitspraken van Israëlische bewindspersonen inzake bezetting van Zuid-Libanon daarnaast zorgwekkend. De soevereiniteit en de territoriale integriteit van Libanon zijn hierbij van essentieel belang, naast de leidende principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit onder het internationaal recht.
Het kabinet heeft steeds opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libanon en onderstreept het belang van een diplomatieke oplossing voor het conflict tussen Israël en Hezbollah. Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede.
Heeft u alleen begrip voor de veiligheidszorgen van Israël m.b.t. Libanon of heeft u ook begrip voor de Israëlische aanvallen op Libanon? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u begrip voor de Israëlische vernietiging van zeven waterinstallaties in Libanon deze maand, voor 64 Israëlische aanvallen op Libanese gezondheidsdiensten, en voor de verwoesting van drie rivierovergangen waardoor de bewegingsvrijheid van burgers en humanitair personeel ernstig is ingeperkt?2 Zo ja, waarom?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, moet militair optreden binnen de kaders van het internationaal recht plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, moet worden gerespecteerd. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Zijn deze aanvallen op burgerdoelen volgens u verboden onder het oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht vereist dat burgers en burgerobjecten worden ontzien en beschermd. Ook biedt het humanitair oorlogsrecht speciale bescherming voor humanitaire hulpverleners en voor objecten die onmisbaar zijn voor de overleving van de burgerbevolking. Die bescherming is niet absoluut. Wanneer hulpverleners handelingen uitvoeren die schadelijk zijn voor de vijand, of wanneer objecten worden gebruikt voor militaire doeleinden, kunnen zij hun bescherming verliezen. In die gevallen dienen alsnog de regels over voorzorgsmaatregelen en proportionaliteit te worden toegepast. Het kabinet beschikt over onvoldoende informatie om over deze specifieke gevallen te kunnen oordelen.
Bent u bereid deze aanvallen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Op 14 april jl. heeft Nederland een door Frankrijk geïnitieerde verklaring medeondertekend over de situatie in Libanon. Hierin veroordeelt het kabinet in de sterkst mogelijke bewoordingen de grootschalige Israëlische aanvallen in Libanon van 8 april jl. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de observatie dat Israël een gebrek aan water inzet als oorlogswapen? Zo nee, waarom niet?
Het is verboden om opzettelijk gebruik te maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering, door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving. Het gebruik van uithongering als methode van oorlogsvoering is een ernstig internationaal misdrijf. Het is belangrijk dat dit wordt onderzocht en dat bewijsmateriaal van vermeende schendingen wordt verzameld, op basis waarvan een rechter kan bepalen of hier sprake van is.
Bent u bekend met de uitspraak van Minister Smotrich dat de zuidelijke wijken van Beiroet binnenkort op Khan Younis zullen lijken? Veroordeelt u deze uitspraak?
Ja, dit zijn verwerpelijke uitspraken.
Bent u bekend met het bevel van de Israëlische Minister van Defensie om Libanese huizen in het grensgebied te vernietigen «volgens het voorbeeld Beit Hanoun en Rafah»? Is dit volgens u een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van Israëlische bewindspersonen waarin parallellen worden getrokken tussen militair optreden in Gaza en Libanon. Voor het kabinet staat voorop dat burgerobjecten te allen tijde bescherming onder het humanitair oorlogsrecht genieten. Het aanvallen of vernielen van gebouwen die normaal bestemd zijn voor bewoning door burgers mag alleen onder strikte voorwaarden. Als niet aan die voorwaarden is voldaan, kan sprake zijn van een schending van het humanitair oorlogsrecht en mogelijk een oorlogsmisdrijf.
Erkent u, op basis van deze uitspraken en het bewijs dat ruimschoots voorhanden is, het risico dat Israël op dit moment in Libanon een blauwdruk van de militaire vernietigingscampagne in Gaza uitrolt?
Zie antwoord vraag 9.
Pleit u net als de Speciaal Coördinator voor Libanon Hennis-Plasschaert voor een staakt-het-vuren? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 2 en 3.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Klaver (Kamerstuk 23 432, nr. 645) om de Libanese regering te ondersteunen bij de implementatie van resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad?
Het kabinet heeft extra steun beschikbaar gesteld voor de Lebanese Armed Forces (LAF) ter ondersteuning van het herstel van het geweldsmonopolie door middel van de ontwapening van Hezbollah.3 Daarnaast heeft Nederland op 8 april jl. een verklaring ondertekend waarin wordt opgeroepen tot een einde aan de vijandelijkheden. Nederland roept in politieke contacten met Israël op tot de-escalatie en bij de Libanese regering tot extra inzet op de ontwapening van Hezbollah.
Bent u bekend met het bericht «Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: «De wereld kijkt andere kant op»» van de NOS, d.d. 23 maart 2026?3
Ja.
Deelt u de analyse dat Israël nog steeds veel te weinig humanitaire hulp binnenlaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er komt nog altijd te weinig humanitaire hulp Gaza binnen en de humanitaire situatie is onverminderd zorgelijk, mede door de belemmeringen die internationale ngo’s en andere hulporganisaties ondervinden. Ook de herregistratieplicht bemoeilijkt hun inzet aanzienlijk.
Het kabinet roept Israël op de herregistratieplicht terug te draaien en dringt aan bij Israël om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verschaffen. Zo heeft de Minister-President in het gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moeten openstellen voor humanitaire hulp. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Europese Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de gevolgen van het Israëlische handelen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, waaronder de humanitaire situatie in Gaza, aanleiding kunnen geven om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Hoeveel kinderen zijn er sinds de aanvang van het staakt-het-vuren gedood door de Israëlische krijgsmacht in Gaza?
Volgens de meest recente cijfers van het Gazaanse Ministerie van Gezondheid en Save the Children zijn er tussen 10 oktober 2025 en 3 april jl. meer dan 700 Palestijnen, onder wie ten minste 180 kinderen, omgekomen door Israëlische aanvallen.
Hoe heeft u in uw eerste maand als Minister van Buitenlandse Zaken de druk bij Israël opgevoerd om de aanvallen op Gaza te staken en meer humanitaire hulp toe te laten?
Het kabinet weegt voortdurend welke combinatie van diplomatieke druk en dialoog het meest effectief is om invloed uit te oefenen op het beleid van Israël. Het kabinet acht het van groot belang dat het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas standhoudt en dat verdere stappen worden gezet om het vredesplan te implementeren. Deze boodschap wordt consequent en op alle niveaus overgebracht aan de Israëlische autoriteiten, recentelijk door de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie verder het antwoord op vraag 14.
Op welke manier gaat u de druk op de Israëlische autoriteiten verder opvoeren?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bekend met het artikel «No Israel prosecutions for killing Palestinian civilians in occupied West Bank since start of decade» van The Guardian, d.d. 25 maart 2026?4
Ja.
Deelt u de mening dat deze straffeloosheid onacceptabel is? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om deze straffeloosheid te bestrijden?
Het kabinet ziet momenteel te weinig onderzoek naar, en berechting van, internationale misdrijven door Israël zelf. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan. Als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten komt de internationale gemeenschap in beeld. In het geval van Israël en de bezette Palestijnse Gebieden bestaan reeds door de VN-Mensenrechtenraad gecreëerde mandaten die onderzoek doen naar vermeende schendingen.
Nederland zet zich in voor activiteiten die het afleggen van rekenschap in brede zin (en in de toekomst) mogelijk maken, bevorderen en ondersteunen. Zo heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (Office of the High Commissioner for Human Rights, OHCHR) ontvangt in 2026 iets meer dan 2,1 miljoen euro ter ondersteuning van de onderzoekswerkzaamheden van het VN-landenkantoor in de bezette Palestijnse Gebieden.
Hoe past deze straffeloosheid volgens u in het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat er sprake is van apartheid dan wel rassendiscriminatie in de bezette Palestijnse Gebieden?
Zie het antwoord op vraag 19. In zijn advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof onder meer dat Israël systematisch tekortschiet om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat de Israëlische staat buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen. Het Hof koppelt deze schending niet rechtstreeks aan artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Wel oordeelt het Hof op basis van een analyse van Israëlische wetgeving en maatregelen, waaronder het verblijfsvergunningsbeleid in Oost-Jeruzalem en het beperken van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, dat Israël deze verplichting schendt.
Vindt u dat het Israëlische rechtssysteem functioneert zoals het in een democratische rechtsstaat zou moeten? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dat vindt?
Israël wordt van oudsher gekenmerkt als een democratische rechtsstaat met een sterk rechtssysteem. Deze staan echter onder druk, onder meer door (voorgenomen) juridische hervormingen die de rechterlijke macht verzwakken. Het kabinet onderstreept het belang van het respecteren van de fundamenten van de democratische rechtsstaat, waaronder een onafhankelijke rechterlijke macht. Het kabinet is daarbij van mening dat het in het belang van Israël zelf is om de fundamenten van de Israëlische rechtsstaat te eerbiedigen.
Deelt u de oproep van de voormalige Israëlische premier Olmert dat het Internationaal Strafhof tegen het geweld tegen Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever zou moeten ingrijpen? Zo ja, bent u bereid het Internationaal Strafhof daartoe een financiële bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?
Het Internationaal Strafhof heeft op dit moment een lopend onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. In het kader van dit onderzoek zijn door het Hof ook arrestatiebevelen uitgevaardigd. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en bemoeit zich niet inhoudelijk met de onderzoeken die door het Hof worden uitgevoerd. Zoals eerder gesteld heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof.
Bent u bekend met het bericht «Slovenia decides not to join ICJ case against Israel as political scandals deepen» van Euronews, d.d. 20 maart 2026?5
Ja.
Heeft Israël ook druk uitgeoefend op Nederland om geen interventie te plegen in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe?
Israël heeft zijn positie over een eventuele interventie destijds kenbaar gemaakt.
Klopt het dat ook Nederlandse autoriteiten Israëlische software in gebruik heeft, zoals Pegasus? Zo ja, deelt u de mening dat dit een afhankelijkheidsrelatie creëert waarmee Israël ons kan chanteren?
Het kabinet werkt via de Taskforce Strategische Afhankelijkheden aan het mitigeren van de risico’s van strategische afhankelijkheden. Hierbij worden alle afhankelijkheden die Nederland van landen buiten de EU heeft meegewogen. De Kamer is middels de Kamerbrief (Kamerstuk 30 821, nr. 244) over de voortgang van de kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden geïnformeerd. Wegens nationale veiligheidsoverwegingen wordt er niet openbaar gecommuniceerd over de strategische afhankelijkheden die het kabinet als risicovol aanmerkt. Over de wijze waarop de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Welke stappen onderneemt u om ongewenste afhankelijkheden van Israël af te bouwen?
Zie antwoord vraag 25.
Opnieuw een verdrijving van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat de Israëlische Minister van Financiën heeft aangekondigd de inwoners van een Palestijns dorp in het E1-gebied, Khan Al-Ammar, uit hun huis te zetten uit wraak voor een mogelijk arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof?1
Klopt het dat het E1-gebied de tweestatenoplossing onmogelijk maakt en altijd een rode lijn is geweest voor de Europese Unie (EU) en voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Veroordeelt u de aangekondigde verdrijving van Palestijnen uit Khan Al-Ammar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u, net als de Duitse regering, de Israëlische regering waarschuwen dat er absoluut geen huisuitzettingen mogen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?2
Bent u bereid om openlijk te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in de EU initiatief te nemen voor een EU-breed verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen, dan wel een algemeen verbod op economisch verkeer met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties hebben de verdrijvingen voor de bilaterale relatie tussen Nederland en Israël?
Bent u bereid om extra nationale maatregelen te nemen als in de EU de opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord uitblijft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om op korte termijn de Kamer te informeren over de mogelijkheden voor de verbreding van het aangekondigde verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen naar het een verbod op economisch verkeer van diensten en investeringen met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Toegang tot abortusmedicatie in de VS |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Met pillen kunnen vrouwen in de VS nu nog zelf kiezen voor abortus»?1
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat personen toegang hebben tot veilige abortuszorg? Deelt u de afschuw over het feit dat vrouwen in de Verenigde Staten (VS) in toenemende mate de toegang tot veilige abortuszorg wordt ontnomen?
Deelt u de zorgen dat anti-abortusbewegingen, ook in de EU en Nederland, vaak gesteund en soms zelfs gefinancierd worden door organisaties uit de VS? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat wij als Nederland, ook binnen de context van de EU, pal voor het recht op abortuszorg moeten staan?
Deelt u de analyse dat met een eventueel verbod op het middel mifepriston een chilling effect kan optreden en angst bij hulpverleners, met uiteindelijk ook als gevolg dat vrouwen, met name vrouwen in een kwetsbare positie, belemmerd worden in de toegang tot abortuszorg?
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten over het eventuele verbod? Zo ja, op welk niveau en wat wordt er in deze contacten gewisseld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassadeur over (toegang tot) abortuszorg en het mogelijke verbod op mifepriston?
Deelt u de mening dat Nederland een voortrekkersrol moet vervullen bij de bescherming en bevordering van de rechten, gezondheid en positie van vrouwen en meisjes wereldwijd? Kunt u toelichten welke concrete stappen u momenteel zet om deze rol invulling te geven, en welke aanvullende maatregelen of ambities u voor de komende periode voor ogen heeft?
Op welke concrete wijze wenst u uitvoering te geven aan de motie Kröger c.s. over zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve rechten en gezondheidszorg?
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden voor het besluit van het Hooggerechtshof met betrekking tot de verstrekking van mifepriston?
Het bericht ‘Minister laat Gazanen met geldig visum nog altijd niet naar Nederland komen’ |
|
Kati Piri (PvdA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om Gazanen met een Nederlands studievisum via een internationaal konvooi Gaza te laten verlaten?1
Deelt u de opvatting dat er weinig aanleiding kan zijn om personen van wie door de IND is vastgesteld dat zij recht hebben op tijdelijk studiegerelateerd verblijf in Nederland, geen mogelijkheid te bieden Gaza te verlaten?
Bent u, mede gelet op recente uitspraken van de Raad van State en de rechtbank over uw inspanningsverplichting richting Gazaanse MVV-houders, bereid zich ervoor in te spannen dat Nederlandse visumhouders kunnen deelnemen aan een volgend konvooi, zodat zij in Jordanië hun visumsticker kunnen ophalen?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Visa voor Russische staatsburgers |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IND vernedert Buitenlandse Zaken» in de NRC, d.d. 29 april 2026?1
Klopt het dat Nederland in 2025 aan duizenden Russische zeelieden visa heeft verstrekt? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op de Russische schaduwvloot? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, zoals het schip Sergey Bodrov, dat met de export van nikkel een belangrijke bijdrage levert aan de Russische oorlogskas?
Hoe rechtvaardigt u dat Russische zeelieden dankzij de visumverlening van Nederland activiteiten kunnen ontplooien die de Russische staatskas spekken, terwijl onafhankelijke Russische journalisten, fotografen en kunstenaars zonder «vestigingsgevaar» de toegang tot Nederland wordt geweigerd?
Bent u bekend met de motie Dobbe c.s. (Kamerstuk 32 623-346) over het verschaffen van een veilige multi-entry toegang voor mensenrechtenactivisten en journalisten voor het geval zij gevaar lopen in Syrië, die destijds van Minister Veldkamp de appreciatie «oordeel Kamer» kreeg en met een brede meerderheid door de Tweede Kamer is aangenomen?
Bent u bereid om, in de geest van deze motie, Russische mensenrechtenactivisten, journalisten en kunstenaars een multi-entry visum te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Waarom begint de bezwaartermijn bij een visumbesluit al voordat de aanvrager zijn paspoort heeft opgehaald en te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen?
Vindt u niet dat het rechtvaardig zou zijn om, wanneer het voor de aanvrager praktisch onmogelijk is om binnen vier weken na het visumbesluit zijn paspoort op te halen, de bezwaartermijn pas na ophalen van het paspoort te laten aanvangen? Zo nee, waarom niet?
De materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk is van leveranciers buiten de Europese Unie?
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief voorhanden is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief, een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees alternatief?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid. Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht – steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd (Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte, verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding geven om die balans te herijken?
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie, en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden. Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota 2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën. Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij. Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland een leidende of substantieel meedragende rol?
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP).
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds (EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd. Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s. Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling is nu nog niet goed in te schatten.
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
De veiligheid van supporters op het WK-voetbal in de Verenigde Staten, Mexico en Canada |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe weegt u de waarschuwing van Amnesty International dat het WK 2026 ernstige mensenrechtenrisico’s met zich meebrengt?1
Hoe kijkt u tegen het gegeven aan dat de FIFA en de Amerikaanse autoriteiten nog geen enkele garantie hebben geboden dat fans veilig zullen zijn voor etnisch profileren, willekeurige invallen of onwettige detentie en uitzetting?
Wat is uw inschatting ten aanzien van de risico’s voor Nederlandse voetbalsupporters in de Verenigde Staten, gezien vraag 2?
Baart het u zorgen dat de waarnemend directeur van de US Immigration and Customs Enforcement (ICE) heeft gesteld dat ICE een «key part» gaat spelen bij het veiligheidsapparaat rondom het WK?2 Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters geborgd gezien de willekeurige arrestaties, etnisch profileren door o.a. ICE en de onwettige detenties en uitzetting?
Ziet u ook een rol voor uzelf weggelegd om de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters te borgen? Zo ja, op welke wijze?
Heeft u contact met Amerikaanse autoriteiten over de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters tijdens het WK 2026? Zo ja, wat komt er uit die gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het aflopen van de consultatieperiode voor de voorgestelde wijziging van de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning, waardoor reizigers o.a. worden verplicht hun sociale mediaprofielen te registreren?3
Wat is het resultaat van deze consultatie geweest? Wordt de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning aangescherpt?
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is dat er een inreisverbod voor burgers uit 19 landen is ingesteld waaronder de vier deelnemende landen Haïti, Iran, Ivoorkust en Senegal, en dat bezoekers uit Algerije, Kaapverdië en Tunesië tot 15.000 dollar moeten betalen om een reisvergunning te krijgen?
Wilt u zich inzetten om de toegang tot het WK 2026 voor alle supporters, inclusief die uit andere landen, zo goed mogelijk te waarborgen, ook in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB)?
Deelt u de mening dat het eerlijk zou zijn als voetbalsupporters gecompenseerd worden door de Amerikaanse autoriteiten als zij om vage en ongegronde redenen ofwel door kritiek op de regering-Trump worden geweigerd bij de grens, terwijl ze al veel geld hebben uitgegeven voor het bezoeken van het WK? Zo ja, op welke wijze gaat u hier tractie aan geven? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen het hoge geweldsniveau in Mexico aan, in het bijzonder in en rondom speelstad Guadalajara?
Hoe schat u de veiligheidsrisico’s voor voetbalsupporters in Mexico in? Bent u in gesprek met Mexicaanse autoriteiten om de veiligheid van supporters te waarborgen?
Wat wordt de precieze rol van de Taskforce WK 2026?
Op welke wijze gaat de Taskforce WK 2026 de veiligheid van Nederlandse supporters waarborgen?
Het bericht 'Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van 'democraat' Pahlavi'' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van «democraat» Pahlavi» van Nieuwsuur, d.d. 19 april 2026?1
Bent u bekend met signalen van intimidatie tegen Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, waar bestaan die signalen uit?
Staat u direct of indirect in contact met de Iraanse diaspora in Nederland, ook met de Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, ervaren deze groepen druk vanuit het Iraanse regime dan wel vanuit kringen rondom de zoon van de sjah? Zo nee, bent u bereid met deze groepen in contact te treden?
Hoeveel aangiftes zijn er gedaan vanwege misdrijven gericht tegen Iraanse Nederlanders waaronder doxing? Wat is de stand van zaken van deze aangiftes?
Acht u het nodig dat Iraanse Nederlanders beter beschermd gaan worden tegen vormen van intimidatie waaronder strafbare feiten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Is de politie extra alert op bedreigingen van Iraniërs in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
De deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties |
|
Kati Piri (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de motie van het lid Paternotte c.s. Kamerstuk 26 150, nr. 227), de motie van de leden Van der Burg en Paternotte (Kamerstuk 35 207, nr. 94) en de motie van het lid Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2871) die allen het kabinet oproepen om voor betekenisvolle deelname van Taiwan aan multilaterale organisaties te pleiten?
Bent u bereid om, net als vorig jaar, voorafgaand en tijdens de eerstvolgende World Health Assembly publiekelijk stelling te nemen dat Taiwan aan de bijeenkomsten van de WHO zou moeten mogen deelnemen?
De aanstaande Toetsingsconferentie van het NPV in New York |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Op welk niveau is Nederland vertegenwoordigd bij de aanstaande Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York van 27 april tot 22 mei?
Nederland is tijdens de 11e Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) van 27 april tot en met 22 mei 2026 op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie wordt geleid door onze ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening/high level segment in de eerste week is Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die zich in het buitenland onder de titel van Vice-Minister mag presenteren. De delegatie bestaat verder uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanuit Den Haag, de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève, Wenen en de ambassade in Washington, met specifieke verantwoordelijkheden voor de verschillende onderdelen van het Non Proliferatie Verdrag (ontwapening, non proliferatie, vreedzaam gebruik).
Kunt u de Nederlandse inzet voor de Toetsingsconferentie delen met de Tweede Kamer, zoals is gedaan voor de vorige Toetsingsconferenties in 2015 en 2022 (Kamerstuk 33 783, nr. 48)?
Ja. Hiertoe verwijs ik u naar de Nederlandse inzet zoals is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Is de naleving van het NPV in letter en geest nog steeds kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De naleving van het NPV in letter en geest is en blijft kabinetsbeleid.
In de Kamerbrief van 17 april 2026 wordt het NPV expliciet beschreven als de hoeksteen van de mondiale veiligheid op het gebied van nucleaire wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening. Het kabinet benadrukt daarin dat de drie pijlers van het NPV als gelijkwaardig en onderling verbonden worden beschouwd en dat Nederland zich inzet voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI. Nederland houdt zich onverminderd aan de verplichtingen uit het NPV en andere relevante verdragen en afspraken. Tegelijk blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van de Toetsingsconferentie?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord. Daarbij verwijs ik naar de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» van 17 april 2026 (Kamerstuk 33 783, nr. 53), waarin de Nederlandse inzet en beleidslijn uitgebreid zijn toegelicht.
De situatie in het Midden-Oosten |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Israëlische kabinet om het zuiden van Libanon te bezetten en het standpunt van de Israëlische Minister van Financiën Smotrich dat Israël Libanees grondgebied ten zuiden van de Litani-rivier moet annexeren?1
Ja.
Veroordeelt u de bezetting en mogelijke annexatie van Libanees grondgebied? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de veiligheidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah, dat al decennialang een dreiging voor Israël vormt en aanhoudend aanvallen op Israël uitvoert.
Tegelijkertijd onderstreept het kabinet dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. De uitoefening van het recht op zelfverdediging door Israël tegen de aanvallen van Hezbollah dient binnen de grenzen van noodzakelijkheid en proportionaliteit te blijven. Bij de proportionaliteit plaats het kabinet vragen.
Annexatie is in strijd met internationaal recht. Het kabinet veroordeelt oproepen van Israëlische bewindspersonen tot annexatie van Libanees grondgebied. Het kabinet acht uitspraken van Israëlische bewindspersonen inzake bezetting van Zuid-Libanon daarnaast zorgwekkend. De soevereiniteit en de territoriale integriteit van Libanon zijn hierbij van essentieel belang, naast de leidende principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit onder het internationaal recht.
Het kabinet heeft steeds opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libanon en onderstreept het belang van een diplomatieke oplossing voor het conflict tussen Israël en Hezbollah. Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede.
Heeft u alleen begrip voor de veiligheidszorgen van Israël m.b.t. Libanon of heeft u ook begrip voor de Israëlische aanvallen op Libanon? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u begrip voor de Israëlische vernietiging van zeven waterinstallaties in Libanon deze maand, voor 64 Israëlische aanvallen op Libanese gezondheidsdiensten, en voor de verwoesting van drie rivierovergangen waardoor de bewegingsvrijheid van burgers en humanitair personeel ernstig is ingeperkt?2 Zo ja, waarom?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, moet militair optreden binnen de kaders van het internationaal recht plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, moet worden gerespecteerd. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Zijn deze aanvallen op burgerdoelen volgens u verboden onder het oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht vereist dat burgers en burgerobjecten worden ontzien en beschermd. Ook biedt het humanitair oorlogsrecht speciale bescherming voor humanitaire hulpverleners en voor objecten die onmisbaar zijn voor de overleving van de burgerbevolking. Die bescherming is niet absoluut. Wanneer hulpverleners handelingen uitvoeren die schadelijk zijn voor de vijand, of wanneer objecten worden gebruikt voor militaire doeleinden, kunnen zij hun bescherming verliezen. In die gevallen dienen alsnog de regels over voorzorgsmaatregelen en proportionaliteit te worden toegepast. Het kabinet beschikt over onvoldoende informatie om over deze specifieke gevallen te kunnen oordelen.
Bent u bereid deze aanvallen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Op 14 april jl. heeft Nederland een door Frankrijk geïnitieerde verklaring medeondertekend over de situatie in Libanon. Hierin veroordeelt het kabinet in de sterkst mogelijke bewoordingen de grootschalige Israëlische aanvallen in Libanon van 8 april jl. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de observatie dat Israël een gebrek aan water inzet als oorlogswapen? Zo nee, waarom niet?
Het is verboden om opzettelijk gebruik te maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering, door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving. Het gebruik van uithongering als methode van oorlogsvoering is een ernstig internationaal misdrijf. Het is belangrijk dat dit wordt onderzocht en dat bewijsmateriaal van vermeende schendingen wordt verzameld, op basis waarvan een rechter kan bepalen of hier sprake van is.
Bent u bekend met de uitspraak van Minister Smotrich dat de zuidelijke wijken van Beiroet binnenkort op Khan Younis zullen lijken? Veroordeelt u deze uitspraak?
Ja, dit zijn verwerpelijke uitspraken.
Bent u bekend met het bevel van de Israëlische Minister van Defensie om Libanese huizen in het grensgebied te vernietigen «volgens het voorbeeld Beit Hanoun en Rafah»? Is dit volgens u een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van Israëlische bewindspersonen waarin parallellen worden getrokken tussen militair optreden in Gaza en Libanon. Voor het kabinet staat voorop dat burgerobjecten te allen tijde bescherming onder het humanitair oorlogsrecht genieten. Het aanvallen of vernielen van gebouwen die normaal bestemd zijn voor bewoning door burgers mag alleen onder strikte voorwaarden. Als niet aan die voorwaarden is voldaan, kan sprake zijn van een schending van het humanitair oorlogsrecht en mogelijk een oorlogsmisdrijf.
Erkent u, op basis van deze uitspraken en het bewijs dat ruimschoots voorhanden is, het risico dat Israël op dit moment in Libanon een blauwdruk van de militaire vernietigingscampagne in Gaza uitrolt?
Zie antwoord vraag 9.
Pleit u net als de Speciaal Coördinator voor Libanon Hennis-Plasschaert voor een staakt-het-vuren? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 2 en 3.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Klaver (Kamerstuk 23 432, nr. 645) om de Libanese regering te ondersteunen bij de implementatie van resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad?
Het kabinet heeft extra steun beschikbaar gesteld voor de Lebanese Armed Forces (LAF) ter ondersteuning van het herstel van het geweldsmonopolie door middel van de ontwapening van Hezbollah.3 Daarnaast heeft Nederland op 8 april jl. een verklaring ondertekend waarin wordt opgeroepen tot een einde aan de vijandelijkheden. Nederland roept in politieke contacten met Israël op tot de-escalatie en bij de Libanese regering tot extra inzet op de ontwapening van Hezbollah.
Bent u bekend met het bericht «Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: «De wereld kijkt andere kant op»» van de NOS, d.d. 23 maart 2026?3
Ja.
Deelt u de analyse dat Israël nog steeds veel te weinig humanitaire hulp binnenlaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er komt nog altijd te weinig humanitaire hulp Gaza binnen en de humanitaire situatie is onverminderd zorgelijk, mede door de belemmeringen die internationale ngo’s en andere hulporganisaties ondervinden. Ook de herregistratieplicht bemoeilijkt hun inzet aanzienlijk.
Het kabinet roept Israël op de herregistratieplicht terug te draaien en dringt aan bij Israël om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verschaffen. Zo heeft de Minister-President in het gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moeten openstellen voor humanitaire hulp. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Europese Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de gevolgen van het Israëlische handelen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, waaronder de humanitaire situatie in Gaza, aanleiding kunnen geven om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Hoeveel kinderen zijn er sinds de aanvang van het staakt-het-vuren gedood door de Israëlische krijgsmacht in Gaza?
Volgens de meest recente cijfers van het Gazaanse Ministerie van Gezondheid en Save the Children zijn er tussen 10 oktober 2025 en 3 april jl. meer dan 700 Palestijnen, onder wie ten minste 180 kinderen, omgekomen door Israëlische aanvallen.
Hoe heeft u in uw eerste maand als Minister van Buitenlandse Zaken de druk bij Israël opgevoerd om de aanvallen op Gaza te staken en meer humanitaire hulp toe te laten?
Het kabinet weegt voortdurend welke combinatie van diplomatieke druk en dialoog het meest effectief is om invloed uit te oefenen op het beleid van Israël. Het kabinet acht het van groot belang dat het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas standhoudt en dat verdere stappen worden gezet om het vredesplan te implementeren. Deze boodschap wordt consequent en op alle niveaus overgebracht aan de Israëlische autoriteiten, recentelijk door de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie verder het antwoord op vraag 14.
Op welke manier gaat u de druk op de Israëlische autoriteiten verder opvoeren?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bekend met het artikel «No Israel prosecutions for killing Palestinian civilians in occupied West Bank since start of decade» van The Guardian, d.d. 25 maart 2026?4
Ja.
Deelt u de mening dat deze straffeloosheid onacceptabel is? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om deze straffeloosheid te bestrijden?
Het kabinet ziet momenteel te weinig onderzoek naar, en berechting van, internationale misdrijven door Israël zelf. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan. Als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten komt de internationale gemeenschap in beeld. In het geval van Israël en de bezette Palestijnse Gebieden bestaan reeds door de VN-Mensenrechtenraad gecreëerde mandaten die onderzoek doen naar vermeende schendingen.
Nederland zet zich in voor activiteiten die het afleggen van rekenschap in brede zin (en in de toekomst) mogelijk maken, bevorderen en ondersteunen. Zo heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (Office of the High Commissioner for Human Rights, OHCHR) ontvangt in 2026 iets meer dan 2,1 miljoen euro ter ondersteuning van de onderzoekswerkzaamheden van het VN-landenkantoor in de bezette Palestijnse Gebieden.
Hoe past deze straffeloosheid volgens u in het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat er sprake is van apartheid dan wel rassendiscriminatie in de bezette Palestijnse Gebieden?
Zie het antwoord op vraag 19. In zijn advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof onder meer dat Israël systematisch tekortschiet om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat de Israëlische staat buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen. Het Hof koppelt deze schending niet rechtstreeks aan artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Wel oordeelt het Hof op basis van een analyse van Israëlische wetgeving en maatregelen, waaronder het verblijfsvergunningsbeleid in Oost-Jeruzalem en het beperken van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, dat Israël deze verplichting schendt.
Vindt u dat het Israëlische rechtssysteem functioneert zoals het in een democratische rechtsstaat zou moeten? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dat vindt?
Israël wordt van oudsher gekenmerkt als een democratische rechtsstaat met een sterk rechtssysteem. Deze staan echter onder druk, onder meer door (voorgenomen) juridische hervormingen die de rechterlijke macht verzwakken. Het kabinet onderstreept het belang van het respecteren van de fundamenten van de democratische rechtsstaat, waaronder een onafhankelijke rechterlijke macht. Het kabinet is daarbij van mening dat het in het belang van Israël zelf is om de fundamenten van de Israëlische rechtsstaat te eerbiedigen.
Deelt u de oproep van de voormalige Israëlische premier Olmert dat het Internationaal Strafhof tegen het geweld tegen Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever zou moeten ingrijpen? Zo ja, bent u bereid het Internationaal Strafhof daartoe een financiële bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?
Het Internationaal Strafhof heeft op dit moment een lopend onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. In het kader van dit onderzoek zijn door het Hof ook arrestatiebevelen uitgevaardigd. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en bemoeit zich niet inhoudelijk met de onderzoeken die door het Hof worden uitgevoerd. Zoals eerder gesteld heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof.
Bent u bekend met het bericht «Slovenia decides not to join ICJ case against Israel as political scandals deepen» van Euronews, d.d. 20 maart 2026?5
Ja.
Heeft Israël ook druk uitgeoefend op Nederland om geen interventie te plegen in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe?
Israël heeft zijn positie over een eventuele interventie destijds kenbaar gemaakt.
Klopt het dat ook Nederlandse autoriteiten Israëlische software in gebruik heeft, zoals Pegasus? Zo ja, deelt u de mening dat dit een afhankelijkheidsrelatie creëert waarmee Israël ons kan chanteren?
Het kabinet werkt via de Taskforce Strategische Afhankelijkheden aan het mitigeren van de risico’s van strategische afhankelijkheden. Hierbij worden alle afhankelijkheden die Nederland van landen buiten de EU heeft meegewogen. De Kamer is middels de Kamerbrief (Kamerstuk 30 821, nr. 244) over de voortgang van de kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden geïnformeerd. Wegens nationale veiligheidsoverwegingen wordt er niet openbaar gecommuniceerd over de strategische afhankelijkheden die het kabinet als risicovol aanmerkt. Over de wijze waarop de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Welke stappen onderneemt u om ongewenste afhankelijkheden van Israël af te bouwen?
Zie antwoord vraag 25.
De kosten van het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat u gebruik heeft gemaakt van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor uw bezoek aan de Zr. Ms. Evertsen?1
Ja, er is gebruik gemaakt van een gecharterd vliegtuig.
Wanneer is het besluit genomen om dit bezoek op de betreffende datum te laten plaatsvinden?
In de dagen in aanloop naar dit bezoek is dit besluit genomen.
Is bij de planning van dit bezoek meegewogen terughoudend te zijn in verband met de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart?
De aanvang van de inzet van Zr. Ms. Evertsen en haar bemanning is leidend geweest bij de planning van dit bezoek.
Is overwogen het bezoek op een ander moment te plannen, zodat gebruik kon worden gemaakt van de Gulfstream, het regeringsvliegtuig of een lijnvlucht? Zo nee, waarom niet?
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Was er sprake van een operationele noodzaak die verhinderde dat het bezoek naar een datum werd verplaatst waarop het regeringsvliegtuig, de Gulfstream of een lijnvlucht beschikbaar was?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die, vanuit een oefening, naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen om mijn waardering en steun te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Waarom moest het bezoek binnen één dag plaatsvinden? Was het mogelijk geweest om het bezoek te spreiden of te combineren, waardoor gebruik van een lijnvlucht wel tot de mogelijkheden zou hebben behoord?
Bezoeken aan troepen worden kort gehouden om de inzet niet nodeloos te verstoren.
Kunt u de samenstelling van de delegatie nader specificeren en motiveren?
Onderdeel van de delegatie waren ikzelf als Minister, de commandant van het Commando Zeestrijdkrachten, de commandant van het Joint Force Command, twee adjudanten, een woordvoerder en een cameraman (en noodzakelijke beveiliging).
Heeft de prijs per persoon (€ 10.333) voor deze privévlucht een rol gespeeld bij het vaststellen van de omvang en samenstelling van de delegatie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, op basis van welke criteria is de delegatie vastgesteld?
Nee. De delegatie is samengesteld zoals dat gebruikelijk is, waarbij gekeken wordt naar wie vanuit zijn/haar functie een toegevoegde waarde heeft bij het bezoek. Op basis daarvan wordt er bij de planning van reizen uiteraard rekening gehouden met de noodzakelijk omvang van de delegatie en de daarmee gemoeide kosten.
Zijn er eerder vergelijkbaar hoge kosten gemaakt voor het vervoer van een bewindspersoon naar uitgezonden Nederlandse militairen?
Een dergelijk bezoek en het incidenteel moeten aanwenden van een privétoestel is niet uniek voor bewindspersonen met een portefeuille die ook betrekking heeft op zaken buiten de landsgrenzen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het maken van vergelijkingen tussen verschillende reizen complex is, zeker waar het reizen naar inzetgebieden betreft die gekenmerkt worden door specifieke operationele en veiligheidsomstandigheden.
Deelt u de opvatting dat bij dienstreizen met publieke middelen altijd de meest doelmatige en soberste reismogelijkheid gekozen moet worden? Voldoet het gebruik van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor een eendaags bezoek van enkele uren volgens u aan deze criteria?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als dit, waarbij de betrokken militairen plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernstinzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe bent u ambtelijk geadviseerd over onder andere de timing en de kosten van dit bezoek?
Zoals gebruikelijk is bij het plannen van reizen ben ik ambtelijk geadviseerd over mogelijkheden, waarbij de timing een van de aspecten is. Over de kosten ben ik vooraf niet geïnformeerd. Daar is een afweging gehanteerd passend bij een departement dat genoodzaakt is veel internationale reizen te maken.
Heeft u achteraf spijt van uw besluit om met een privévlucht ter waarde van € 92.997 af te reizen naar Cyprus?
Nee, ik heb geen spijt van het besluit om met een ingehuurde vlucht te vliegen. Zoals gezegd deel ik de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd vind ik dat dit bezoek cruciaal was om waardering en steun aan onze militairen over te brengen. Daar sta ik voor.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór maandag 30 maart?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: ‘Einde aan de Oslo-akkoorden’' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: «Einde aan de Oslo-akkoorden»»?1
Ja.
Bent u het eens met de constatering in het artikel dat met de besluiten van het Israëlische kabinet «een einde [is gekomen] aan de Oslo-akkoorden»? Zo nee, waarom niet?
Een van de besluiten ontneemt de Palestijnse Autoriteit bepaalde bevoegdheden op het gebied van toezicht en handhaving in Gebieden A en B. Dit is niet in overeenstemming met de Oslo-akkoorden, waarin is vastgelegd dat Israël geen zeggenschap heeft over burgerzaken in die gebieden. Ook zetten de plannen de fragiele situatie op de Westelijke Jordaanoever verder onder druk, juist op het moment dat alle inspanningen gericht moeten zijn op het laten slagen van het vredesplan en het werken naar een tweestatenoplossing. Het is dan ook zaak dat de besluiten niet in uitvoering worden gebracht.
Veroordeelt u, in navolging van onder andere het Verenigd Koninkrijk, de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft deze besluiten van het Israëlische veiligheidskabinet veroordeeld en zich hier publiekelijk over uitgesproken op politiek niveau en onder andere ook op 17 februari jl. in New York in een breed gezelschap van 80 VN-landen.
Heeft u uw Israëlische ambtsgenoot aangesproken op de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
In een publieke verklaring heeft Nederland Israël opgeroepen deze besluiten niet te implementeren. Daarnaast is deze boodschap bilateraal meermaals op politiek en hoog ambtelijk niveau aan Israël overgebracht, waaronder in mijn gesprek met Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 25 februari jl.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan de blijvende ondermijning van het perspectief op een Palestijnse Staat door het Israëlische kabinet? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden als onrechtmatig. Daar spreekt Nederland zich consequent en nadrukkelijk over uit, en ondersteunt dit standpunt met beleid. Zo ontmoedigt de Nederlandse overheid economische relaties met bedrijven in illegale nederzettingen, en beperkt het kabinet de samenwerking met Israël tot binnen de grenzen van 1967. Daarnaast heeft het kabinet reeds verschillende acties ondernomen naar aanleiding van unilaterale stappen van Israël die een tweestatenoplossing ondermijnen. Zo heeft het kabinet o.a. naar aanleiding van de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever het initiatief genomen tot de evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Ook heeft het kabinet, o.a. na het besluit tot uitbreiding van nederzettingen in E1-gebied in augustus 2025, besloten nationale maatregelen voor te bereiden om producten uit onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden te weren. Daarnaast heeft Nederland Israëlische Ministers Smotrich en Ben Gvir tot persona non grata verklaard n.a.v. uitspraken over annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet blijft met relevante partners bespreken welke inzet, waaronder in EU-verband, effectief kan zijn. Zie ook antwoord op vraag 6.
Heeft u reeds opvolging gegeven aan de aangenomen motie-Piri (Kamerstuk 23 432, nr. 620) over het opnieuw agenderen van de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord? Zo ja, kunt u toelichten hoe? Zo nee, bent u bereid dit spoedig te doen?
Met het vredesplan van president Trump is de inzet van Nederland en de EU erop gericht om dit plan te laten slagen. Dat betekent niet dat de voorgestelde EU-maatregelen, zoals het gedeeltelijk opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, van tafel zijn. Naast de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever heeft Nederland o.a. ook grote zorgen over de humanitaire situatie in Gaza. Deze zorgen heeft Nederland ook bilateraal overgebracht bij Israel en Nederland heeft in de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. overgebracht dat, indien de situatie niet verbetert, het nodig kan zijn om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Ja, het kabinet is bekend met dit rapport gepubliceerd door het Britse Department for Environment, Food & Rural Affairs van 20 januari 2026.4 De conclusies in de analyse komen in hoofdlijnen overeen met de conclusies over klimaatverandering in de trendanalyse nationale veiligheid 20245 en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022.6 Kijkende naar de risico’s van ecosysteemdegradatie op de veiligheidscontext zijn een aantal van de key judgements uit het Britse rapport minder relevant voor specifiek Nederland, gezien de Nederlandse landbouw en voedselproductie. Omdat Nederland het overgrote deel exporteert, zijn de afhankelijkheden zoals genoemd door het Verenigd Koninkrijk een minder groot risico op onze veiligheid.
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
Ja, het kabinet herkent deze analyse. Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn een mondiaal probleem en hebben, naast effecten op onze leefomgeving en gezondheid, een groeiende impact op onze welvaart en veiligheid. Het streven naar onafhankelijkheid en veiligheid vraagt om investeringen in schone en betaalbare energie van Europese bodem, economisch leiderschap, groene marktcreatie en verduurzaming van de brede economie, met name strategische industrie en banen.
In de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 beschrijft het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) dat klimaat- en natuurrampen een brede impact hebben en dat vrijwel alle nationale veiligheidsbelangen kunnen worden geraakt. De gevolgen voor de nationale veiligheid die worden benoemd zijn: 1) klimaatverandering als trend met directe negatieve impact op de nationale veiligheid door directe gevolgen als frequentere en ernstigere weersextremen, zeespiegelstijging en een toename aan overstromingen, natuurbranden en infectieziekten. Daarnaast benoemt de trendanalyse 2) klimaatverandering als threat multiplier. Hiermee wordt bedoeld dat naast de genoemde directe effecten er ook internationale cascade-effecten zijn die het Koninkrijk indirect raken, bijvoorbeeld door geopolitieke spanningen, het al dan niet begaanbaar zijn/worden van (nieuwe) vaarroutes en het onder druk staan van voedselzekerheid en toenemende migratie.
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Het Rijk ziet de gevolgen van klimaatverandering al lange tijd als een veiligheidsrisico.
Zo is in de in 2023 gepubliceerde Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023–2029) de actielijn «intensiveren klimaatmitigatie en -adaptatie» opgenomen. In deze actielijn staan de prioriteiten om de nationale veiligheidsrisico’s van klimaatverandering tegen te gaan.7 Ook de EU identificeerde in 2023 de noodzaak om de impact van klimaatverandering en ecosysteem degradatie op veiligheid en weerbaarheid beter te definiëren en implementeren in de mededeling «Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid: aanpak van de gevolgen van klimaatverandering en aantasting van het milieu voor vrede, veiligheid en defensie».8
In relatie tot afstemming met Europese partners wisselt het Ministerie van Defensie onder meer informatie uit over klimaatverandering en veiligheid via het Climate and Defence Network, geleid door de Europese Dienst voor Extern Optreden.9 Naast Europese lidstaten zijn ook de NAVO en andere landen, zoals Canada, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, en de VS hierin vertegenwoordigd. Tijdens bijeenkomsten wordt gesproken over de nationale strategieën, opgesteld om de krijgsmachten voor te bereiden op klimaatverandering en de implementatie er van.
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Om trends en ontwikkelingen in dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen, waaronder Klimaatverandering, maakt Nederland gebruik van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid die in 2022 met uw Kamer is gedeeld.10 Deze analyse wordt eens in de drie jaar in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd. Om zicht te houden op tussentijdse ontwikkelingen is in 2024 voor het eerst ook een trendanalyse uitgevoerd.11 Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar.
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Zie het antwoord op vraag 4. Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar en zal dan met uw Kamer worden gedeeld.
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5. Tevens zal het kabinet u voor de zomer informeren over hoe het voornemens is uitvoering te geven aan motie van het lid Klos12 over het organiseren van een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid in 2026. Het kabinet is voornemens om daarmee ook reageren op het verzoek van het lid Dassen om een Commissiebrief13 over de mogelijkheden die Nederland heeft om te zorgen dat we eenzelfde dreigingsanalyse kunnen maken als de Britten hebben gedaan.
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Ja, de Nederlandse Krijgsmacht, de AIVD en MIVD zijn zich bewust van de risico's die klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen.
Het Ministerie van Defensie stelde reeds intern de Defensiestrategie voor Klimaatverandering en Veiligheid op, waarin klimaatverandering als threat multiplier wordt onderkend: klimaatverandering in combinatie met andere factoren (demografisch, economisch, politiek, sociaal, religieus) kan tot meer instabiliteit, conflicten en migratie leiden. Deze Strategie zal dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
In de strategie definieert het Ministerie van Defensie vier sporen om zich voor te bereiden op de effecten van klimaatverandering op vrede en veiligheid:
Verder staat een aantal onderzoeken gepland naar de impact van klimaatrisico’s op Defensie, bijvoorbeeld op kritieke infrastructuur en datacenters. Eveneens wordt het effect van klimaatverandering meegenomen in the Future of War Conference, een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en de University of Oxford en in wargames.
Met de meest recente Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid14 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de focus van Defensie op het gebied van duurzaamheidbeleid primair ligt op het versterken van energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen.
De AIVD en MIVD zijn beide onderdeel van de vaste kern van het Analistennetwerk Nationale Veiligheid en daarmee medeopstellers van producten zoals de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 en de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Verder kunnen de AIVD en MIVD geen uitspraken doen over de modus operandi en onderzoeksgebieden.
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Veiligheidsrisico’s worden op verschillende niveaus meegenomen in het beleid. Zoals ook genoemd in de beantwoording van vraag 2, worden met de implementatie van de Wwke kritieke entiteiten geacht een risicobeoordeling te maken van mogelijke door mens en natuur veroorzaakte dreigingsrisico’s en op basis daarvan weerbaarheid verhogende maatregelen te nemen. Risico’s voortkomend uit klimaat (verandering) en natuurrampen maken hier onderdeel van uit.
Ook in de nieuwe analyse van de klimaatimpacts en -risico’s die binnenkort door het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) zal worden gepubliceerd, wordt expliciet aandacht besteed aan het onderwerp veiligheid. Deze analyse ligt mede ten grondslag aan de herziene Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) die het kabinet in 2026 zal presenteren. Dit is een Rijksbrede aanpak om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
De verspreiding en ontwikkeling van infectieziekten in Nederland maar ook vanuit het buitenland wordt gevolgd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM verzamelt en analyseert gegevens over trends in infectieziekten en kijkt hierbij niet alleen naar ontwikkelingen in mensen maar ook in dieren en de leefomgeving. Het RIVM heeft ook de infectieziekterisico’s van klimaatverandering voor Nederland in kaart gebracht.15
Daarnaast wordt op Europees niveau aandacht besteed aan nieuwe gezondheidsbedreigingen op het vlak van infectieziekten en antimicrobiële resistentie (AMR) die zich door klimaatverandering kunnen voordoen. Zo monitort het Europees centrum voor ziektepreventie- en bestrijding (ECDC) de ontwikkeling rondom dichterbij komende ziekteverwekkers die via muggen of teken, de zogeheten vectoren, overdraagbaar zijn.
In 2022 is bovendien een pakket wet- en regelgeving aangenomen op EU-niveau, waaronder de EU-verordening ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen (EU/2022/2371). Deze verordening regelt de coördinatie, samenwerking en afstemming op EU-niveau bij de voorbereiding op en bestrijding van onder meer infectieziekten, AMR, chemische en biologische alsook natuur- en klimaatgerelateerde bedreigingen. Op basis van de verordening worden onder meer additionele eisen gesteld aan nationale surveillance en monitoring van potentiële infectieziekten, worden periodieke externe evaluaties voorzien van de staat van paraatheid van lidstaten met betrekking tot zogenaamde «all hazards»-bedreigingen. Ook zijn Europese referentielaboratoria opgezet, waarbij het RIVM is aangewezen als EU-referentielab voor aandoeningen die onder andere via muggen en teken worden overgedragen.
Het Nederlandse zorgsysteem bereidt zich hier op verschillende manieren op voor. Hoewel sommige (tropische) ziekten nu niet of nauwelijks in Nederland worden overgebracht, behandelen ziekenhuizen en huisartsen wel al zo nu en dan patiënten die in het buitenland besmet zijn geraakt en ziek worden in Nederland. Er zijn voor veel ziekten daardoor al richtlijnen en voorzieningen beschikbaar.
Ook voor de publieke gezondheid geldt dat er al richtlijnen beschikbaar zijn voor veel ziekten. Het is belangrijk dat RIVM en GGD’en de ontwikkeling van infectieziekten (kunnen) blijven monitoren om veranderingen en ontwikkelingen tijdig op te kunnen sporen. De richtlijnen kunnen daar dan op worden aangepast. Naar aanleiding van de evaluatie van Covid-19 zijn plannen gemaakt om de voorbereiding op pandemieën te versterken. Het vorige kabinet heeft een bezuiniging uitgevoerd op deze plannen voor pandemische paraatheid. Het kabinet verdiept zich op dit moment in de consequenties van de bezuiniging op pandemische paraatheid en de mogelijkheden die er zijn.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Het kabinet erkent dat er een wezenlijk risico is dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ecosysteemineenstorting kan leiden tot lagere opbrengsten in de landbouw in Nederland, in de EU en wereldwijd. Dat als gevolg daarvan voedselprijzen kunnen stijgen, is helder. Minder helder en voorspelbaar is wanneer, hoe vaak en voor welke producten dit zal optreden en met welke precieze gevolgen voor de prijs van voedsel. Uiteenlopende maatregelen moeten ervoor zorgen dat deze risico’s kleiner worden en de voedselvoorziening weerbaar is tegen deze verstoringen. Het kabinet zet in op het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen en voedsel wordt onderdeel van de vitale infrastructuur in Nederland, waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen, inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. Het kabinet zet zich in voor nationale, Europese en internationale maatregelen om de emissies van broeikasgassen te verminderen en biodiversiteitsverlies tegen te gaan. Inzet op natuurbeleid, bijvoorbeeld door effectief begeren en waar nodig uitbreiden en verbinden van natuurgebieden, het beperken van drukfactoren op de natuur en het uitbreiden en versterken van agrarisch natuurbeheer moeten bijdragen aan het tegengaan van biodiversiteitsverlies in Nederland.
Het kabinet wil de voedselzekerheid op lange termijn borgen door een transitie naar een houdbaar, geavanceerd en klimaatadaptief voedselsysteem met voldoende aandacht voor verdienvermogen van ondernemers. Jaarlijks monitort het PBL de sectorale emissies via de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), terwijl het CBS de opbrengsten vastlegt in de Landbouwtelling. Internationaal biedt de FAO Food Outlook inzicht in mondiale trends, zoals voedselprijzen en ketenefficiëntie. Nederland handhaaft zijn positie als efficiënte producent door in te zetten op verduurzaming en klimaatadaptatie van de landbouw, hergebruik van afvalstromen en innovaties zoals precisielandbouw. Daarnaast zet het kabinet in op biotechnologische innovatie voor verduurzaming van de landbouw. Het kabinet zet zich in Europees verband in op het toestaan van Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) zodat de plantenveredelingssector in staat is sneller weerbare rassen te ontwikkelen. Voor duurzame voedselproductie op de lange termijn kijkt het kabinet ook naar technologieën als kweekvlees en precisiefermetatie. Deze verduurzaming en aanpassing aan klimaatgevolgen zoals weersextremen en verzilting wordt onder meer ondersteund door Europese samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het kabinet zet zich voor het GLB in op een toekomstgerichte, innovatieve landbouw en visserij en een gezonde natuur, met blijvende aandacht voor toekomstperspectief, verdienvermogen, voedselzekerheid en innovatie binnen de draagkracht van de aarde.16 Met de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet in samenhang aan het oplossen van de vergunningenproblematiek, het realiseren van natuurverbetering en het bieden van perspectief voor de agrarische sector. Hiermee werkt het kabinet aan een toekomstbestendige en robuuste agrarische sector, en draagt het daarmee bij aan voedselzekerheid.
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Ja, die conclusie deelt het kabinet. Onze economie is inherent verweven met de staat van de natuur. Zoals het recente wetenschappelijke rapport over de link tussen bedrijven en biodiversiteit van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) aantoont, zijn alle bedrijven afhankelijk van biodiversiteit.17 Het verlies aan biodiversiteit vermindert het vermogen van ecosystemen om essentiële ecosysteemdiensten zoals bestuiving en waterzuivering te leveren en vormt daarmee een materieel risico voor bedrijven, financiële instellingen als ook de macro-economische stabiliteit en brede welvaart.
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbaarheid van cruciale wereldwijde ecosysteem diensten. Het ineenstorten van ecosystemen brengt veiligheidsrisico’s voor de mondiale stabiliteit, voedselzekerheid en klimaatbeheersing met zich mee, wat ook gevolgen heeft voor Nederland. Wetenschappelijke rapporten van onder meer het IPBES en Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarschuwen dat bij aanhoudende opwarming en biodiversiteitsverlies zogenaamde kantelpunten (tipping points) bereikt kunnen worden.
Hoewel er geen gedetailleerde inventarisatie is gemaakt van de specifieke noodmatregelen die onmiddellijk genomen moeten worden, is het van cruciaal belang dat er op internationaal, Europees en nationaal niveau dringende stappen worden gezet. Het kabinet zal dit aanjagen en er op aansturen dat waar nodig aanvullende stappen worden gezet. Internationaal richt het kabinet zich op de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. Europees moeten de doelstellingen van de Europese Klimaatwet, Europese Green Deal en de Natuurherstelwet worden uitgevoerd.
Nationaal richt het kabinet zich op concrete maatregelen om de weerbaarheid van Nederland te versterken. Voor Nederland als deltaland is het van belang om onder andere slim om te gaan met water, rivieren meer ruimte te geven om overstromingen te voorkomen, en nature-based solutions op te schalen, zoals het herstellen van wetlands, het aanleggen van groene bufferzones en het bevorderen van natuurlijke waterberging. Tegelijkertijd werkt Nederland aan het reduceren van milieuschadelijke subsidies, het stimuleren van bedrijven en financiële instellingen om meer rekening te houden met hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit, en het implementeren van klimaatadaptatiemaatregelen, inclusief specifieke programma’s voor Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen, waaronder een concreet uitvoeringsprogramma om de drukfactoren op koraal en mangroven in de Caribische delen van Nederland te verminderen en herstel te bespoedigen. Het verminderen van deze drukfactoren geeft de biodiversiteit meer weerbaarheid tegen de effecten van klimaatverandering. Daarnaast wordt gewerkt aan eilandelijke klimaatplannen en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
Daarnaast is het kabinet volop aan de slag met de nationale opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven op onder andere water en klimaat, via de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, zoals ook aangegeven door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in de brief Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof van 27 maart jl.18
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Nederland blijft een actieve pleitbezorger voor ambitieuze internationale afspraken met heldere rapportageverplichtingen op gebied van biodiversiteit en klimaat, alsook voor de implementatie van deze afspraken. Ook investeert Nederland in zijn diplomatieke contacten en ondersteunen we landen met de implementatie van hun klimaat- en biodiversiteitdoelen. Nederland benut zijn positie als kennispartner om bruggen te slaan tussen het mondiale Noorden en Zuiden. We ondersteunen ontwikkelingslanden niet alleen financieel, maar ook met technische innovaties op het gebied van bijvoorbeeld klimaatadaptatie.
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Het goed informeren van iedereen in Nederland is inderdaad van belang om tijdig, gezamenlijk en individueel, de juiste voorbereidingen en maatregelen te treffen, zodat we in ons land ook op langere termijn goed kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering, zoals weersextremen en verzilting. Met het oog hierop wordt momenteel de nieuwe NAS’26 ontwikkeld. Naar verwachting wordt deze in het najaar van 2026 opgeleverd. Het kabinet zal in de aankomende Nationale klimaatadaptatiestrategie een aanpak presenteren voor een klimaatweerbare samenleving. Zie de beantwoording van vraag 8 voor meer informatie over de NAS.
Veel van de investeringen ten behoeve van de reductie van broeikasgasemissies komen vanuit het Rijk. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is om de samenleving te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de klimaatopgave. Dit is onder meer gedaan middels het Burgerberaad Klimaat.19
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Vanwege uitvoerige interdepartementale afstemming is dit helaas niet binnen de termijn gelukt.
De gezamenlijke verklaring van 11 landen inzake UNRWA van 28 januari. |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gezamenlijke verklaring van 28 januari j.l. van de Ministers van Buitenlandse Zaken van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Ierland, Japan, Noorwegen, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk waarin zij krachtig de sloop door de Israëlische autoriteiten van het hoofdkwartier van het UNRWA veroordelen?
Ja.
Is Nederland benaderd voor deze gezamenlijke verklaring? Zo ja, waarom is besloten hier niet onder te staan?
Nederland is, samen met een brede groep landen, benaderd om de gezamenlijke verklaring zoals opgesteld door Frankrijk en het VK te medeondertekenen. Gelet op het besluit van het kabinet om de sloop nationaal te veroordelen (zie Kamerbrief 26 150, nr. 242 van 26 januari jl.) was de positie van Nederland duidelijk. Ook heeft de Adviescommissie van UNRWA, waar Nederland lid van is, op 26 januari de sloop veroordeeld en Israël gewezen op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen.1
Overweegt u deze verklaring alsnog te steunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de verklaring is reeds gepubliceerd. Zoals bekend heeft Nederland de sloop al veroordeeld.
Heeft u, afgezien van in uw brief aan de Kamer van 26 januari, publiekelijk de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor stevig veroordeeld? Zo ja, via welke kanalen? Zo nee, waarom niet?
De adviescommissie van UNRWA heeft op 26 januari eveneens een veroordeling gepubliceerd. Nederland heeft deze als lid van de adviescommissie gesteund.
Heeft u na 20 januari hierover gecommuniceerd met de Israëlische autoriteiten? Wat is gecommuniceerd?
In contacten met de Israëlische overheid is de sloop van het UNRWA gebouw direct opgebracht waarbij is benadrukt dat dit VN-terrein betreft, met verwijzing naar de onschendbaarheid van deze gebouwen en terreinen.
Herinnert u zich de aangenomen motie Kröger c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 37) die de regering vraagt om stevig steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en stelt dat Nederland pal moet staan voor VN- en hulporganisaties nu deze worden gecriminaliseerd? Vindt u dat u in lijn met deze motie handelt? Zo ja, hoe?
Het kabinet is bekend met de aangenomen motie en heeft bij de appreciatie aangegeven dat Nederland UNRWA steunt en dit zal blijven doen conform het amendement Stoffer/Eerdmans (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). We wegen bij het al dan niet doen van publieke uitspraken altijd zorgvuldig af waar dat wel helpt en waar niet. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook meermaals het belang van volledige implementatie van het Colonna rapport over neutraliteit, waaronder dat van het lesmateriaal, en integriteit binnen UNRWA benoemd. Daarnaast sprak het kabinet eerder zorgen uit over de afhankelijkheid van UNRWA voor het leveren van humanitaire hulp in Gaza, vandaar dat Nederland blijft inzetten op diversificatie van die hulp.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden |
|
Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale blokkade van de stad Kobani?1
Het kabinet is bekend met berichtgeving over de recente gevechten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in noordoost-Syrië en ook met de meldingen over beperkingen van toegang tot de stad Kobani. Door de gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit beperkt geweest.
Op 30 januari jl. tekenden de Syrische overgangsregering en de SDF een overeenkomst, waarin onder andere een permanent staakt-het-vuren is vastgelegd. Het kabinet verwelkomt deze ontwikkeling en stelt vast dat de situatie in noordoost-Syrië sindsdien relatief stabiel is.
Specifiek ten aanzien van Kobani beschikt het kabinet niet over indicaties dat er nu sprake is van een totale blokkade. Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties, internationale- en lokale- ngo’s Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Volgens de VN zijn op 25 januari en 2 februari jl. respectievelijk 24 en 23 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Het is wel van belang dat de hulp verder wordt opgeschaald; de beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt het uithongeren van burgers en het collectief straffen van de burgerbevolking. Het opzettelijk onthouden van essentiële goederen kan, afhankelijk van de context een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht vormen.
Het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door deze voorzieningen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève, is een oorlogsmisdrijf.
Voor een beoordeling of er sprake is van schending van het humanitair oorlogsrecht óf een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie (EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag één, stelt het kabinet op dit moment niet vast dat sprake is van een volledige blokkade. De beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er echter voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Het kabinet heeft de recente ontwikkelingen tussen de Syrische overgangsregering en de SDF nauwgezet en met zorg gevolgd. Duidelijk is dat de twee partijen, na het tekenen van de overeenkomst van 10 maart 2025 waarin een inclusieve en duurzame integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat is overeengekomen, het niet eens konden worden over de praktische implementatie van deze overeenkomst op een aantal punten. Sinds die tijd is regelmatig sprake geweest van vijandelijkheden tussen de twee partijen. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie hierbij welke verantwoordelijkheid draagt. Uit berichtgeving komt het beeld naar voren dat sprake is van schendingen van het internationaal recht door beide partijen, waarvan ernst en schaal vooralsnog onduidelijk blijven, afgezien van niet geverifieerde berichten over individuele gevallen.
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat sprake is van een reëel risico op systematisch of grootschalig geweld gericht op de Koerdische bevolking. In de eerste plaats omdat ook bij de recente gevechten in Aleppo en andere delen van noordoost Syrië hier geen sprake van is geweest. Anderzijds omdat van een gewapend conflict op dit moment geen sprake is en, sinds de overeenkomst van 30 januari jl., de eerste stappen worden gezet naar een duurzame en vreedzame oplossing en integratie van het noordoosten in de Syrische staat. Onderdeel hiervan is dat beide partijen zich hebben teruggetrokken van militaire posities en alleen sprake is van beperkte aanwezigheid van politie- en veiligheidsdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Syrische overgangsregering in steden als Hasakeh en Qamishli.
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen van diplomatieke druk?
In algemene zin is bekend dat de Syrische overgangsregering en Turkse autoriteiten nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten de twee landen in augustus 2025 een defensieovereenkomst, gericht op onder meer training en capaciteitsopbouw. Het kabinet heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië later die maand. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië kan het kabinet in dit kader niet bevestigen.
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen, voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Het kabinet is zich bewust van de achtergrond van verschillende groepen en individuen die actief zijn in Syrië en van zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen, zoals bijvoorbeeld begaan in maart 2025 in Latakia en in juli 2025 in Sweida. Ten aanzien van het geweld in Latakia hebben zowel het nationale, Syrische onderzoeks-comité als de Commission of Inquiry (CoI) vastgesteld dat sprake is geweest van mensenrechtenschendingen door zowel groeperingen gelinkt aan voormalig president Assad, als van zijde van het leger van de Syrische overgangsautoriteiten en daaraan gelieerde gewapende groeperingen. Het nationale onderzoeks-comité heeft hierbij 563 verdachten vastgesteld. Sinds november lopen de eerste rechtszaken naar aanleiding van de bevindingen. De onderzoeken van een nationaal onderzoek comité en de CoI naar de gewelddadigheden in Sweida lopen op dit moment nog. Het kabinet volgt de ontwikkelingen ten aanzien van de onderzoeksuitkomsten en de opvolging van de aanbevelingen daaruit nauwgezet.
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van 9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden bij te staan?
Het kabinet erkent de belangrijke rol die de SDF heeft gespeeld in de strijd tegen IS en bij het beveiligen van detentiefaciliteiten. Deze inzet heeft bijgedragen aan de internationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een stabiel en veilig Syrië, waarin de rechten van alle Syrische gemeenschappen, waaronder die van de Koerden, geborgd zijn. Eveneens ondersteunt het kabinet de inclusieve, politieke transitie en integratie van de SDF en de SDF-gebieden in de Syrische staat, waartoe de SDF zich op 10 maart 2025 – en opnieuw op 30 januari jl. – heeft gecommitteerd.
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd? Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Het is bekend dat er individuen uit kampen en detentiefaciliteiten zijn ontsnapt waarin zich aan IS-gelieerde personen bevinden en dat een deel van hen inmiddels ook opnieuw opgepakt is. Gezien de onoverzichtelijke situatie in noordoost-Syrië en de grote hoeveelheid aan tegenstrijdige berichten kan er geen zekerheid gegeven worden over exacte aantallen.
Met alle betrokken nationale en internationale partners houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. In het bijzonder gaat het om de situatie in de opvangkampen en detentiecentra en welke gevolgen de recente gebeurtenissen kunnen hebben voor de nationale veiligheid. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen te treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat duurzame vrede in Syrië alleen mogelijk is via een inclusieve politieke transitie waarin de rechten, veiligheid en vertegenwoordiging van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd.
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Nederland zet zich wereldwijd in voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer via het FOCUS-instrument en steun aan maatschappelijke organisaties. Deze inzet geldt ook voor Syrië, waarbij specifiek aandacht is voor de positie van vrouwen in conflict- en postconflictsituaties.
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
De mate waarin de Syrische overgangsautoriteiten hun beloften blijken na te komen ten aanzien van een inclusieve politieke transitie en borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, vormen een belangrijk onderdeel in de eventuele normalisatie van relaties.
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het Syrische regime voldoende worden nageleefd?
In EU-verband onderstreept het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder2, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat voorwaarden voor steun streng nageleefd moeten worden. Bij de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. heeft het kabinet dit punt wederom uitgedragen.3 Ook blijft het essentieel dat financiële EU-steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen, iets waar het kabinet consequent voor pleit, ook ten aanzien van programmering in Syrië.
Op dit moment ziet het kabinet de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda presenteren die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president al-Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zal worden.
Op basis hiervan concludeert het kabinet op dit moment dat de Syrische overgangsregering de vastgestelde voorwaarden ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen voldoende naleeft. Tegelijkertijd blijft het kabinet het handelen van de Syrische overgangsregering nauwgezet monitoren, ook in het kader van EU-steun. Het gaat dan ook om belangrijke eerste stappen. Het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan ook nauwgezet gevolgd.
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?2
Het kabinet heeft in bilaterale en multilaterale contacten consequent aangedrongen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdrijven en bescherming van alle Syrische gemeenschappen. Daarnaast ondersteunt Nederland actief VN-mechanismen die zich hierop richten, waaronder het OHCHR-landenkantoor in Damascus, de Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM). Ook zet Nederland zich gericht in op de bescherming van religieuze minderheden, waaronder in Syrië. via het beleidskader FOCUS binnen het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» (2026–2031)
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten, waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?3 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet maakt bij financiering afwegingen op basis van effectiviteit, complementariteit en aansluiting bij bestaande internationale mechanismen. Nederland levert reeds een substantiële bijdrage aan VN- en andere internationale onderzoeksmechanismen. Momenteel worden mogelijkheden verkend om de inzet verder te versterken, waarbij de focus ligt op het voortzetten en verdiepen van bestaande, langdurige partnerschappen, in het bijzonder met de VN-bewijzenbank IIIM, en niet op het aangaan van nieuwe partnerschappen met Ngo’s. Gezien de beperkte financiële ruimte is er, naast de lopende steun aan mensenrechtenorganisaties, op dit moment geen ruimte voor aanvullende Nederlandse financiële steun aan het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding het besluit te herzien.
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Het is aan de Verenigde Staten om hun buitenlands beleid vorm te geven. Het kabinet onderstreept het belang van internationale betrokkenheid bij stabiliteit in noordoost-Syrië en blijft hierover in gesprek met partners.
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Het ministerie onderhoudt doorlopend contact met Syrische gemeenschappen en diaspora in Nederland, waaronder vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap. Het kabinet blijft bereid deze zorgen aan te horen en mee te nemen in beleidsvorming.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De Gazaraad van Trump |
|
Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het lot van de Jezidi’s |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Beter op straat in Nederland dan terug naar Irak» – nieuw landenbeleid doet de hoop van jezidi’s op asiel vervliegen»?1
Ja.
Bent u het eens met Houman Oliaei, de Amerikaanse antropoloog die in het artikel bewijs aanlevert dat «Irak voor de jezidi’s geen veilige haven is om naar terug te keren»? Zo nee, waarom niet?
Op 27 mei 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Irak. In deze brief is ook ingegaan op de positie van Jezidi's. Op 7 november 2025 is het thematisch ambtsbericht over Irak gepubliceerd. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt niet dat de situatie voor Jezidi’s met het oog op vervolging is veranderd. Voor het kabinet is er op grond van het thematisch ambtsbericht dan ook geen aanleiding om het huidige beleid aan te passen.
Is het kabinet nog dezelfde mening toegedaan als voormalig Minister van Justitie en Veiligheid Yesilgöz «dat er voldoende feiten zijn vastgesteld om te kunnen stellen dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide»?2 Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt nog steeds dezelfde mening en zet zich juist daarom in voor het tegengaan van straffeloosheid van misdrijven begaan door IS-strijders. De Kamer is reeds geïnformeerd over deze inzet in een Kamerbrief (Kamerstuk 27 925, nr. 1016).
Bent u bekend met het feit dat de genocide in 2014 geen geïsoleerd incident was maar dat geweld tegen Jezidi's een terugkerend fenomeen is en dat de bescherming van de Jezidi's in Irak nauwelijks verbeterd is? Erkent u dat erkenning van dit feit een voorwaarde is om dit in de toekomst te voorkomen?
Het kabinet is bekend met de kwetsbare positie van minderheden en ontheemden in Irak, waaronder ook Jezidi’s, en erkent in het verleden vaker te maken hebben gehad met vervolging, met als dieptepunt de systematische aanvallen van IS-strijders tegen de Jezidi-bevolking in 2014. Het kabinet zet middelen in om bij te dragen aan de positie van de Jezidi’s. Ook kaart Nederland dit aan bij de Iraakse autoriteiten, zowel in bilateraal als multilateraal verband.
Is het kabinet nog steeds van mening «dat Jezidi’s in Irak in een kwetsbare positie verkeren»?3 Kunt u toelichten wat deze kwetsbare positie inhoudt?
Het kabinet erkent de kwetsbare positie van Jezidi’s. Veel Jezidi’s zijn nog niet teruggekeerd naar Sinjar, en verblijven in kampen in de Koerdistan Regio Irak. In de ontheemdenkampen zijn de leefomstandigheden moeilijk en zijn basisvoorzieningen beperkt aanwezig. Tegelijkertijd garandeert de Iraakse Grondwet de vrijheid van religie van alle erkende religieuze groepen in Irak, waaronder ook Jezidi’s. De regering van demissionair premier Al-Sudani pleit consistent voor inclusiviteit en non-discriminatie. Ook heeft de regering maatregelen genomen om de positie van Jezidi’s te verbeteren, zoals de goedkeuring van de Yazidi Survivors’ Law en het wettelijk erkennen van landrechten van Jezidi’s in Sinjar. De implementatie van dit beleid vergt tijd. Nederland blijft zich inzetten voor inclusiviteit, non-discriminatie, bescherming en toekomstperspectief van alle minderheidsgroeperingen in Irak.
Ten slotte staat een kwetsbare positie echter niet per definitie gelijk aan vervolging en er is, zoals in antwoord op vraag 2 ook aangegeven, geen informatie dat Jezidi’s op dit moment in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging in Irak.
Bent u van mening dat de VS een cruciale rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen onder Koerdisch gezag en in de wederopbouw van Sinjar?
De hoofdverantwoordelijkheid voor de ontheemdenkampen ligt bij de Iraakse regering. Het kabinet deelt de mening dat de VS met andere donoren, waaronder Nederland, een belangrijke rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen en in de wederopbouw van Sinjar.
Deelt u de mening dat het wegvallen van de Amerikaanse steun sinds het aantreden van president Trump de kwetsbare positie van Jezidi’s in Irak nog verder heeft verslechterd? Zo nee, waarom niet?
Het wegvallen van de Amerikaanse steun zet druk op de financiering van de ontheemdenkampen en de daar aangeboden basisvoorzieningen. Het is op dit moment voor het kabinet niet mogelijk om te beoordelen wat de precieze impact is op de positie van Jezidi’s in de ontheemdenkampen.
Bent u bekend met het gebrek aan publieke diensten die beschikbaar zijn voor mensen in Sinjar, inclusief een groot gebrek aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma's als gevolg van de genocide?
Het kabinet is hiermee bekend. Juist daarom steunt het kabinet al meerdere jaren een divers aantal programma’s waarin ook aandacht wordt besteed aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma’s, waaronder in Sinjar. Deze richten zich bijvoorbeeld door het bieden van psychosociale hulp op het rehabiliteren en re-integreren van vrouwen en kinderen, die slachtoffer zijn geworden van IS. Een voorbeeld is de steun aan Norwegian People’s Aid, gericht op onder meer traumaverwerking en het leveren van psychosociale steun aan onder andere de Jezidi-gemeenschap. In de afgelopen rapportageperiode van dit programma ontvingen 419 vrouwen geestelijke gezondheidszorg. Stigma’s rondom het onderwerp mentale gezondheidszorg zorgen er tegelijkertijd voor dat zelfs wanneer er hulp wordt aangeboden, dit niet altijd wordt aangenomen.
Bent u bekend met het gebrek aan humanitaire hulp en ontwikkelingsgelden om publieke voorzieningen te versterken?
Het gebrek aan beschikbare publieke diensten is een probleem in meerdere gebieden in Irak. In onze diplomatieke contacten vraagt Nederland aandacht bij de Iraakse autoriteiten om de situatie te verbeteren en financiële middelen hiervoor vrij te maken.
Bent u het eens met de constatering van het Thematisch ambtsbericht Irak uit november 2025 dat «88 procent van de binnenlands ontheemden die terugkeerden naar Sinjar onder zware leefomstandigheden» leeft?4 Zo nee, waarom niet?
Ja, ambtsberichten betreffen een feitelijke, neutrale en objectieve weergave van de bevindingen gedurende onderzochte periode.
Bent u het eens met de constatering van datzelfde ambtsbericht dat het terugtrekken van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties resulteerde in «een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen»?
Ja, ambtsberichten betreffen een feitelijke, neutrale en objectieve weergave van de bevindingen gedurende onderzochte periode.
Bent u bekend met het feit dat de Irakese overheid afgelopen mei 19.000 gevangenen, waaronder voormalige leden van IS, heeft vrijgelaten na de aanname van een nieuwe Amnestiewet?5
Het kabinet is bekend met de amendementen op de amnestiewet die afgelopen jaar in Irak zijn aangenomen. De geamendeerde wet biedt kansen op een nieuw proces voor personen die op basis van antiterrorismewetgeving zijn veroordeeld, maar waarbij twijfels zijn over de kwaliteit van het bewijs. Tegelijkertijd speelden er ook zorgen dat de versoepeling ertoe zou kunnen leiden dat (aan IS-geaffilieerde) veroordeelden onterecht vrijkomen. Om die zorgen te adresseren, zijn in de amnestiewet beperkingen opgenomen voor wie deze wet zou gelden, waaronder personen gelinkt aan terroristische misdrijven. Sinds de aanname van de geamendeerde amnestiewet zijn er 41.364 personen6 vrijgelaten uit de gevangenis na het doorlopen van een rehabilitatieprogramma; het is het kabinet echter niet bekend dat zich hieronder ook personen bevinden die veroordeeld waren voor IS-gerelateerde misdrijven.
Ziet u risico’s voor Jezidi’s in Irak na de vrijlating van deze voormalige leden van IS? Zo nee, waarom niet?
De eventuele vrijlating van voormalige leden van IS brengt voor iedereen grotere veiligheidsrisico’s met zich mee, zo ook voor Jezidi’s in Irak. Het kabinet zal dit gezien de huidige ontwikkelingen nauw blijven monitoren en staat hierover in contact met de Iraakse autoriteiten.
Vindt u dat, alles meewegende, de positie van Jezidi’s in Irak dit jaar is verbeterd of verslechterd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet kan op dit moment geen uitsluitend oordeel vellen over of de positie van Jezidi’s is verbeterd of verslechterd. Het kabinet houdt nauw contact met organisaties die belangen van Jezidi’s behartigen en blijft de situatie van minderheden, waaronder Jezidi’s, nauwlettend monitoren.
Wat vindt u van de stelling van de UNHCR, die stelt dat leden van religieuze en etnische minderheidsgroepen uit betwiste gebieden als Sinjar waarschijnlijk internationale bescherming behoeven en oproept hen niet naar hun oorspronkelijke woongebieden terug te sturen?6
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Irak en de positie van Jezidi's. Er is geen informatie dat Jezidi’s in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging, zie ook antwoord 4. Er is voor nu geen reden om daarvan af te wijken.
Gezien al het bovenstaande, deelt u de mening dat in het Nederlandse asielbeleid de beschermingsbehoefte van de Jezidi 's moet worden onderkend en hierbij in aanmerking moet worden genomen dat er in de regel geen sprake is van een redelijk vestigingsalternatief in Irak en dat de Koerdische Autonome Regio niet als «normale woon-en verblijfplaats» geldt voor binnenlands ontheemden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 15. Het binnenlands beschermingsalternatief en de normale woon- en verblijfplaats worden op individuele basis beoordeeld en er is voor nu geen reden om daarvan af te wijken. Nu de wijziging van het landgebonden beleid voor Irak in het algemeen en de Jezidi’s in het bijzonder onderwerp is van hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, kan ik hier op dit moment niet verder op ingaan.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Alle vragen zijn afzonderlijk beantwoord.