De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.