De oproep tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen door Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Gidi Markuszower, fractievoorzitter van de Groep Markuszower, die in een interview met Left Laser onder meer heeft gezegd: «De Nederlandse overheid moet ze [Palestijnse vluchtelingen] met geweld – misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan zijn gekomen – met geweld tegenhouden», «Die mensen moet je met geweld – echt met geweld, desnoods maximaal geweld – die moet je tegenhouden», «Israël heeft nog nooit wat ergs gedaan» en «Het Israëlische leger is het meest morele leger ter wereld»?
Ja.
Heeft u gezien dat dhr. Markuszower een paar dagen later hierover bij een interview op Radio 1 heeft bevestigd dat «de inhoud staat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze uitspraken?
De Minister-President gaat in de Kamer in debat met Kamerleden en reageert niet op individuele uitspraken van Kamerleden, gedaan in de pers. Maar laat helder zijn dat Nederland nooit geweld zal gebruiken tegen mensen die op de vlucht zijn en een veilige haven zoeken. Elke oproep daartoe is verwerpelijk en gaat alle perken te buiten.
Waarom heeft u geweigerd deze uitspraken ondubbelzinnig te veroordelen in uw reactie op 15 mei jl.?2 Vindt u dit verstandig in tijden waarin gewelddadig extreemrechts duidelijk groeit en Palestijnen structureel worden gedehumaniseerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u alsnog bereid te normeren en te begrenzen en deze uitspraken van dhr. Markuszower ondubbelzinnig te veroordelen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat uw kabinet kan samenwerken met een fractie waarvan de leider dit gedachtegoed aanhangt en dit soort uitspraken doet? Bent u nog steeds van mening dat een samenwerking met de Groep Markuszower kansen biedt, zoals u in januari 2026 hebt aangegeven?
Het kabinet is aan de slag op basis van het coalitieakkoord, en zal daarbij altijd streven naar zo breed mogelijke steun binnen de Tweede Kamer. Laat echter helder zijn dat het kabinet nooit zal meegaan in oproepen tot geweld tegen mensen die op de vlucht zijn. Het kabinet zal altijd in de meest stellige bewoordingen afstand nemen van opvattingen die strijdig zijn met de democratisch-rechtsstatelijke waarden.
Dergelijke uitingen – zeker wanneer daar niet eenduidig van teruggekomen wordt of wanneer herhaaldelijk gedaan – maken het moeilijker om tot een constructieve samenwerking te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk voor dinsdag 19 mei om 10.00 uur in de ochtend beantwoorden?
Ja.
Erkent u dat de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden, Francesca Albanese, het mikpunt is van een aanhoudende lastercampagne van pro-Israëlische lobbyisten?1 Zo ja, veroordeelt u deze lastercampagne? Zo nee, waar baseert u dit op?
Zoals aangegeven in beantwoording van eerdere Kamervragen is het kabinet bekend met de in de artikelen genoemde vermeende uitspraak van mevrouw Albanese.2 Het blijkt dat zij deze uitspraak zo niet heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding – en daarmee een eventuele lastercampagne – betrof. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Erkent u dat dat de pro-Israëlische lobbygroep UN Watch desinformatie als wapen heeft gebruikt tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur?2 Zo nee, wat was het wel en waar baseert u dit oordeel op?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 1 bleek dat mevrouw Albanese de betreffende uitspraak niet zo heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding betrof.
Wat vindt u ervan dat de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Jean-Noël Barrot, naar aanleiding van deze desinformatie Albanese opriep om af te treden, en dat Oostenrijkse, Tsjechische, Duitse en Italiaanse Ministers daarop soortgelijke uitspraken deden?3
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Erkent u dat Francesca Albanese als Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur voor de Palestijnse gebieden een onafhankelijke positie heeft en werkt in opdracht van de VN-mensenrechtenraad? Zo nee, waarom niet?
Ja. VN Speciaal Rapporteurs zijn onafhankelijke deskundigen die opereren op basis van een mandaat van de VN-mensenrechtenraad. Speciaal Rapporteurs werken onbezoldigd maar krijgen ondersteuning van het kantoor van de Hoge Commissaris (OHCHR). Speciaal Rapporteurs spreken niet namens de VN als organisatie. Zij dienen zich wel te houden aan de VN-gedragscode.
Deelt u de opvatting van meer dan 150 (oud-) politici en diplomaten dat het legitimeren van deze desinformatiecampagne tegen Albanese het instituut van de Verenigde Naties ondermijnt en dat het essentieel is om de legitimiteit van internationale instituties te beschermen om ervoor te zorgen dat het internationaal recht kan functioneren?4 Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Onderschrijft u de oproep van deze 150 (oud-) diplomaten en politici dat de valse beschuldigingen aan het adres van de speciaal VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden moeten worden gecorrigeerd? Zo ja, waarom heeft u zich nog niet uitgesproken tegen het gebruik van desinformatie als wapen tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat de eerdere weigering van het toenmalige Nederlandse kabinet in februari 2025 om Albanese te ontmoeten een ondermijning is van het VN-instituut en een gevaar vormt voor de legitimiteit van Nederland binnen de VN en binnen de internationale rechtsorde? Zo nee, waarom niet?
Voor alle VN Speciaal Rapporteurs hanteert Nederland – net als de overgrote meerderheid van VN-lidstaten – een zogenaamd «standing invitation» beleid. Dit betekent dat alle Speciaal Rapporteurs altijd welkom zijn om Nederland te bezoeken. De afweging om al dan niet op politiek of op hoog ambtelijk niveau in gesprek te gaan met een Speciaal Rapporteur wordt van geval tot geval bekeken. Mevrouw Albanese heeft het kabinet geïnformeerd voorafgaand aan haar meest recente bezoek aan Nederland op 23 en 24 maart 2026. Hierbij heeft zij niet verzocht om een onderhoud met een lid van het kabinet.
Heeft het nieuwe kabinet, dat onder uw leiding staat, VN-rapporteur Albanese uitgenodigd voor een officieel bezoek om de schade te herstellen?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u het oordeel van het VN-coördinatiecomité dd. 28 maart 2025, en in de notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de Mensenrechtenraad, dd. 1 april 2025, dat er geen schending van de gedragscode is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om van deze vaststelling af te wijken.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken voor het respecteren van het mandaat van Francesca Albanese als Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden en zo bij te dragen aan het bevorderen van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt zich binnen de VN met regelmaat uit voor het belang van het werk en de onafhankelijkheid van alle VN-Speciaal Rapporteurs, waaronder ook het mandaat van de «Special Rapporteur on the situation of human rights in the Palestinian territory occupied since 1967». Dit VN-mandaat bestaat als sinds 1993 en Nederland heeft dit mandaat altijd ondersteund.
Bent u bereid Francesca Albanese uit te nodigen voor een bezoek en steun over te brengen, om op deze wijze te laten zien dat Nederland pal staat voor het internationaal recht en voor het mandaat van de Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur van de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7 en 8.
Bent u bereid om Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Duitsland en Italië op te roepen zich alsnog publiekelijk te verontschuldigen, hun oproepen tot het aftreden van Francesca Albanese te corrigeren en het gevaar van desinformatie te erkennen?
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de vermeende uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Bent u bereid deze landen ook op te roepen zich, in plaats van het luidkeels naroepen van desinformatie, luid en duidelijk uit te spreken tegen de Israëlische regering die zich schuldig maakt aan genocide, illegale bezetting en apartheid en om maximale sancties daartegen in te stellen? En bent u bereid om als Nederlands kabinet hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 12. Het kabinet zet in op een combinatie van druk en dialoog om de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden te verbeteren, zowel bilateraal als in breder verband.
Wat gaat uw kabinet doen om (de verspreiding van) dit soort schadelijke desinformatie met betrekking tot de Palestijnse gebieden te voorkomen, dan wel zo snel mogelijk de kop in te drukken of te ontzenuwen wanneer dit wordt ingezet door pro-Israëlische lobbygroepen zoals UN-Watch en/of wordt rondgepompt door bepaalde media? Mogen we van uw kabinet een pro-actieve houding verwachten op dit punt? Zo ja, hoe gaat die pro-actieve houding eruitzien? Zo nee, waarom denkt u dat een pro-actieve houding ten aanzien van het bestrijden van schadelijke desinformatie ten aanzien van de (VN-rapporteur voor de) Palestijnse gebieden niet nodig is voor het bevorderen van de internationale rechtsorde en de mensenrechten, gezien uw kabinet in het coalitieakkoord dit beloofde te gaan doen en wat bovendien uw grondwettelijke plicht is?
Het is niet primair de taak van de overheid om berichten te fact checken en te ontkrachten. Dat is een taak voor onder andere onafhankelijke media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Het kabinet acht het van belang dat deze organisaties hun werk adequaat kunnen doen. Daarom steunt het kabinet bijvoorbeeld het fact-check-netwerk BENEDMO. Ook gaat de Europese Commissie onder het European Democracy Shield 5 miljoen euro aan subsidies verlenen aan onafhankelijke fact checking. Ook het Mensenrechtenfonds wordt onder meer ingezet voor de steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media.
Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen?
Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90 van de Grondwet.
Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met de nieuwe doodstrafwet?
Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.
Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep?
Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?
Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe doodstrafwetgeving in dit patroon.
Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement als zeer ongepast en verwerpelijk.
Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die Nederland heeft genomen.
Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die rode lijn door Israël?
Zie antwoord vraag 6.
Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders, zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot van Israël nu niet op z’n plaats zijn?
Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen deze situaties.
Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel (maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?1 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?
Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.
Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?2 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?
Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring. Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.
Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?
Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting
Israël.
Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen, waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?
De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.
Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen te bieden?
Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025.
Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen Syrië deed?
Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025.6
Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.
Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen.
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
Wat vindt u van dit alles?
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
Ja
Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?
Ja.
Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?
Jazeker.
Het beschermen van dieren tegen hitte |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u gemerkt dat het heet is in ons land, met temperaturen tot boven de 30 graden?
Kunt u bevestigen dat dit voor grote aantallen dieren in de veehouderij gevaarlijk warm is, aangezien veel dieren (zoals kippen, varkens en runderen) rond de 25 graden al last kunnen hebben van (ernstige) hittestress?
Onderschrijft u het belang van het voorkomen van hittestress bij dieren en het nemen van maatregelen om dieren beter te beschermen op hete dagen?
Bent u ermee bekend dat uit de wet volgt dat dieren in weilanden beschermd moeten worden tegen slechte weersomstandigheden, waaronder hitte, en dat Kamer heeft verzocht om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren landelijk te verplichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1310)?
Hoe verklaart u dat veel dieren nog altijd geen beschutting hebben tegen hitte, ondanks allerlei (vrijblijvende) projecten en programma’s die zijn opgesteld om dit te stimuleren?
Bent u bereid om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren expliciet wettelijk te verplichten, conform de aangenomen motie? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat zich aankomende periode weer schrijnende situaties voordoen waarin varkens naar adem happen, kippen dicht op elkaar gepropt in oververhitte wagens zitten en transportwagens dagenlang stilstaan bij een slachthuis of rondjes moeten blijven rijden, totdat de dieren worden uitgeladen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u van de veehouderijsectoren verwacht dat zij maatregelen treffen om dieren tegen hitte te beschermen?
Bent u ermee bekend dat toenmalig Staatssecretaris Van Dam er in 2017 al tegenaan liep dat de pluimveesector niet wilde meewerken met het beter beschermen van dieren tegen hitte (Kamerstuk 28 286, nr. 922)?
Bent u ermee bekend dat de belangenbehartiger van de pluimveesector, Nepluvi, zich tevens jarenlang heeft verzet tegen vele maatregelen om dieren beter te beschermen tegen de hitte, zoals de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten naar 30 graden, maar ook de eerdere invoering van de maximumtemperatuur van 35 graden, omdat ze kippen ook boven een temperatuur van 35 graden Celsius op transport wilden blijven zetten?1
Kunt u bevestigen dat in 2019 bleek dat de afspraak om dieren bij 35 graden of warmer niet meer te vervoeren niet door iedereen werd nagekomen, omdat bijvoorbeeld de pluimveesector, die verreweg het grootste aantal dieren per jaar fokt en afvoert naar de slacht, gewoon door was blijven rijden bij temperaturen boven de 35 graden, hetgeen de aanleiding was voor de toenmalige Minister van Landbouw om de grens van 35 graden wettelijk te laten vastleggen?2
Kunt u bevestigen dat de noodzaak van het invoeren van de beleidsregel maximumtemperatuur diertransport, die in 2023 in consultatie werd gebracht, volgde uit het feit dat de vrijwillige aanpak via het Nationaal Plan voor veetransport bij extreme temperaturen «niet afdoende» heeft gewerkt, niet alle sectoren zich wilden aansluiten en het daarom «niet in de lijn der verwachting» ligt dat «vrijwillige afspraken dit keer wel werken»?3
Begrijpt u dat dit alles weinig vertrouwen schept dat bepaalde sectoren binnen de veehouderij zich dit keer wel tijdig zullen voorbereiden, zowel op hitte in de aankomende zomer, als op het verlagen van de maximumtemperatuur vóór de zomer van volgend jaar?
Heeft Nepluvi inmiddels concreet laten weten hoe zij de pluimveesector gaat voorbereiden op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten? Zo ja, wat hebben zij toegezegd?
Hebben de verschillende veehouderijsectoren, waaronder de pluimveesector, inmiddels concreet laten weten welke maatregelen zij gaan treffen om dieren deze zomer te beschermen tegen hitte?
Kunt u bevestigen dat u, conform hetgeen u schreef in een Kamerbrief (Kamerstuk 28 286, nr. 1433), van de sector verwacht dat ze zich tijdig voorbereiden op het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten door bijvoorbeeld hun planningen voor de fok van nieuwe dieren tijdig aan te passen, zodat er meer ruimte is in de stallen in de zomer en zo kan worden voorkomen dat stallen overvol raken als dieren langere tijd niet afgevoerd kunnen worden naar het slachthuis?
Indien u dit nog niet gedaan hebt, bent u bereid om deze verwachting expliciet aan de veehouderijsectoren mede te delen, zodat later niet kan worden gesuggereerd dat zij onvoldoende tijd of mogelijkheden hebben gehad om zich aan te passen op de verlaging van de maximumtemperatuur voor diertransporten?
Kunt u aangeven hoe het, ondanks alle sectorprotocollen, kan dat dieren op hete dagen nog altijd langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten voor slachthuizen of rondjes moeten blijven rijden totdat ze worden «gelost»?
Deelt u de conclusie dat ook hier blijkt dat een vrijwillige aanpak niet afdoende heeft gewerkt? Zo ja, bent u bereid om met niet-vrijblijvende maatregelen te komen om dieren deze hittestress te besparen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat dieren in het wild hitte proberen te vermijden door bijvoorbeeld afkoeling te zoeken, zoals varkens doen met modderbaden?
Deelt u de mening dat ook dieren in de veehouderij de mogelijkheid moeten hebben om hitte te vermijden en af te koelen, door bijvoorbeeld naar buiten te kunnen, met mogelijkheden tot modderbaden of stofbaden en beschutting en verkoeling onder bomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel capaciteit is er op dit moment beschikbaar bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om (extra) controles uit te voeren op warme dagen en de dierenwelzijnsregels te handhaven?
Kunt u toezeggen dat er strikt zal worden gehandhaafd indien in deze hete periodes dieren onvoldoende beschuttingsmogelijkheden hebben, ze niet kunnen afkoelen in weilanden of stallen, op hete dagen op transport worden gezet of bij slachthuizen langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten?
Kunt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
De oproep tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen door Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Gidi Markuszower, fractievoorzitter van de Groep Markuszower, die in een interview met Left Laser onder meer heeft gezegd: «De Nederlandse overheid moet ze [Palestijnse vluchtelingen] met geweld – misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan zijn gekomen – met geweld tegenhouden», «Die mensen moet je met geweld – echt met geweld, desnoods maximaal geweld – die moet je tegenhouden», «Israël heeft nog nooit wat ergs gedaan» en «Het Israëlische leger is het meest morele leger ter wereld»?
Ja.
Heeft u gezien dat dhr. Markuszower een paar dagen later hierover bij een interview op Radio 1 heeft bevestigd dat «de inhoud staat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze uitspraken?
De Minister-President gaat in de Kamer in debat met Kamerleden en reageert niet op individuele uitspraken van Kamerleden, gedaan in de pers. Maar laat helder zijn dat Nederland nooit geweld zal gebruiken tegen mensen die op de vlucht zijn en een veilige haven zoeken. Elke oproep daartoe is verwerpelijk en gaat alle perken te buiten.
Waarom heeft u geweigerd deze uitspraken ondubbelzinnig te veroordelen in uw reactie op 15 mei jl.?2 Vindt u dit verstandig in tijden waarin gewelddadig extreemrechts duidelijk groeit en Palestijnen structureel worden gedehumaniseerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u alsnog bereid te normeren en te begrenzen en deze uitspraken van dhr. Markuszower ondubbelzinnig te veroordelen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat uw kabinet kan samenwerken met een fractie waarvan de leider dit gedachtegoed aanhangt en dit soort uitspraken doet? Bent u nog steeds van mening dat een samenwerking met de Groep Markuszower kansen biedt, zoals u in januari 2026 hebt aangegeven?
Het kabinet is aan de slag op basis van het coalitieakkoord, en zal daarbij altijd streven naar zo breed mogelijke steun binnen de Tweede Kamer. Laat echter helder zijn dat het kabinet nooit zal meegaan in oproepen tot geweld tegen mensen die op de vlucht zijn. Het kabinet zal altijd in de meest stellige bewoordingen afstand nemen van opvattingen die strijdig zijn met de democratisch-rechtsstatelijke waarden.
Dergelijke uitingen – zeker wanneer daar niet eenduidig van teruggekomen wordt of wanneer herhaaldelijk gedaan – maken het moeilijker om tot een constructieve samenwerking te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk voor dinsdag 19 mei om 10.00 uur in de ochtend beantwoorden?
Ja.
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Is uw kabinet zich bewust van zijn grondwettelijke plicht om de internationale rechtsorde te bevorderen?
Ja. Als een van de weinige landen heeft Nederland deze taak vastgelegd in Artikel 90 van de Grondwet.
Erkent u dat Israël de internationale rechtsorde steeds verder tart, door structurele ontmenselijking en onderdrukking van de Palestijnen, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en illegale nederzettingen en nu ook nog het legaliseren van het doodmartelen van Palestijnse gevangenen die zonder eerlijk proces zijn vastgezet met de nieuwe doodstrafwet?
Het kabinet maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, waaronder de doodstrafwetgeving. Uw Kamer is op 26 maart jl. geïnformeerd over het standpunt van het kabinet over deze wetgeving.1 Het kabinet vindt de aanname van de Israëlische wet over de doodstraf door de Knesset onacceptabel. Nederland is principieel tegen de doodstraf en veroordeelt het toepassen van executies als onmenselijk en ondoeltreffend.
Waarom spreekt u Israël wel aan op de doodstrafwet, maar veroordeelt u niet keihard het racistische karakter van de wet die mogelijk maakt dat Israëlische militaire rechtbanken uitsluitend Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever kunnen en zelfs moeten veroordelen tot executie door ophanging, binnen 90 dagen, zonder mogelijkheid tot hoger beroep?
Naast de wet zelf acht het kabinet acht discriminatoire karakter van de nieuwe Israëlische doodstrafwetgeving onacceptabel. Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat deze wet een verdere voltooiing is van het geïnstitutionaliseerde apartheidsregime van Israël gericht op de Palestijnse bevolking?
Apartheid is een specifieke juridische term. Het is aan de rechter om te oordelen of daarvan sprake is.2 Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft in zijn advies inzake de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden vastgesteld dat het Israëlische optreden een schending oplevert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (het CERD). Het IGH heeft daarbij evenwel geen duidelijk uitsluitsel gegeven over de vraag of er, naast rassendiscriminatie, ook sprake is van apartheid in de bezette Palestijnse Gebieden. Volgens het kabinet past deze nieuwe doodstrafwetgeving in dit patroon.
Wat vindt u ervan dat het aannemen van deze racistische wet in het Israëlische parlement ter plekke door de Israëlische regering werd gevierd met bubbels?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Het kabinet beschouwt de reactie in het parlement als zeer ongepast en verwerpelijk.
Erkent u dat Israël deze wet kon doorvoeren na voortdurende straffeloosheid voor het apartheidsregime van Israël en de genocide in Gaza door het wegkijken van landen als Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werpt de aantijging dat Nederland wegkijkt voor de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden verre van zich. Nederland veroordeelt schendingen van het internationaal recht. Nederland draagt bij aan waarheidsvinding en de bevordering van berechting. Uw Kamer is daarnaast veelvuldig geïnformeerd over maatregelen die Nederland heeft genomen.
Erkent u dat wanneer een staat schendingen van het internationaal recht kan plegen zonder vervolging, als een bezetting kan voortduren zonder consequenties en als economische en politieke relaties gewoon blijven bestaan alsof er niets aan de hand is, het internationaal recht op z’n zachtst gezegd selectief wordt toegepast en uitgehold? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat het onbeschrijfelijke lijden van het Palestijnse volk niet alleen wordt veroorzaakt door de misdaden die Israël structureel pleegt tegen de Palestijnen, maar ook door de wetenschap dat landen zoals Nederland (dat immers een belangrijke handelspartner is van Israël en dat Israël nog steeds een bondgenoot noemt) weigeren een rode lijn te trekken en daadwerkelijk consequenties te verbinden aan het overschrijden van die rode lijn door Israël?
Zie antwoord vraag 6.
Welke verantwoordelijkheid voelt u voor dit deel van het leed dat het Palestijnse volk wordt aangedaan; het wegkijken en het niet-handelen van de zogenaamde omstanders, zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 6.
Kent u de geschiedenis van de druk die de internationale gemeenschap op Zuid-Afrika heeft uitgeoefend, met boycots tegen het apartheidsregime? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap daar goed aan heeft gedaan (ook al had het allemaal beter en sneller gekund)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zou een soortgelijke boycot van Israël nu niet op z’n plaats zijn?
Ja, het kabinet is bekend met deze geschiedenis. Ik ga geen vergelijking maken tussen deze situaties.
Wanneer heeft u kennisgenomen van het nieuwe rapport van de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden over het Israëlische gevangenisstelsel (maart 2026), waaruit blijkt dat duizenden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, zonder geldig rechtsproces worden opgepakt, opgesloten en gemarteld?1 Wat was uw eerste, eerlijke reactie op wat u las in dit rapport?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van VN-rapporteur Albanese kort na publicatie in maart 2026. Dergelijke rapporten leveren een bijdrage aan het vergaren van informatie over mensenrechtenschendingen. Het rapport schetst een schokkend beeld van de omstandigheden van hoe door Israël (gedetineerde) Palestijnen worden behandeld. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut en is een regel van dwingend internationaal recht (ius cogens). Het kabinet wijst Israël ook consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Onderschrijft u de conclusie in het rapport dat marteling en gevangenschap systematisch worden toegepast op de totale Palestijnse bevolking en dat ze daarom onderdeel zijn van de genocide op het Palestijnse volk? Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te kunnen verwerpen?
Het kabinet neemt het werk en de rapporten van deze onafhankelijke mandaathouders serieus. Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als zodanig te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Het vraagstuk over vermeende genocide in de Gazastrook ligt momenteel voor bij het Internationaal Gerechtshof in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Nederland wacht deze uitspraak af.
Hoe beoordeelt u het nieuwe rapport van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, Alice Jill Edwards van 2 april jl.? Onderschrijft u haar conclusie dat de Israëlische doodstrafwet het risico op marteling en andere vormen van mishandeling verder verergert?2 Zo nee, op welke gronden denkt u de conclusie van dit VN-rapport te verwerpen?
Dit betreft geen nieuw rapport van VN-rapporteur Alice Jill Edwards, maar een persverklaring. Onze positie ten aanzien van de Israëlische doodstrafwetgeving is helder: Nederland is principieel tegen de doodstraf. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dergelijke wetgeving zal geenszins positief bijdragen aan het verbeteren van de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Nederland blijft Israël oproepen om zijn internationale verplichtingen volledig na te leven.
Erkent u dat het internationaal humanitair recht vereist dat alle Palestijnen die zonder proces vastzitten onmiddellijk worden vrijgelaten, zeker nu het executeren van deze gevangenen wettelijk beleid dreigt te worden onder leiding van de Israëlische Minister Ben Gvir? Zo nee, op basis waarvan meent u dat deze mensen gevangen mogen blijven zitten met dreigende executie als gruwelijk eindstation? Zo ja, welke middelen gaat uw kabinet direct inzetten tegen Israel om het krachtige signaal af te geven dat al deze mensen moeten worden vrijgelaten en dat de doodstrafwet moet worden ingetrokken?
Het kabinet acht het veelvuldig gebruik van administratieve detentie, alsook de duur en schaal hiervan, door Israël zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten met regelmaat het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting
Israël.
Erkent u dat de huidige kabinetsreactie – zorgen uiten over de doodstrafwet en in EU-verband pleiten voor het opschorten van de doodstraf – niet in verhouding staat tot wat nodig is om het systematische apartheidsregime van Israel tegen de Palestijnen, waar deze doodstraf onderdeel van is, te stoppen?
De kabinetsreactie5 had louter betrekking op de Nederlandse inzet ten aanzien van de doodstrafwetgeving.
Op welke manier gaat u Israël aanzetten tot onmiddellijke toegang voor het Internationale Rode Kruis tot alle Israëlische gevangenissen om noodzakelijke medische hulp aan Palestijnen te bieden?
Nederland steunt het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) als hoeder van de Verdragen van Genève en hun kernmandaat om gedetineerden te bezoeken tijdens gewapend conflict conform deze Verdragen. Het kabinet blijft de Israëlische regering oproepen ICRC-gedelegeerden toegang te verlenen en dringt hiertoe bij Israël aan, onder meer bij monde van de Mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025.
Welke drukmiddelen gaat u tegen Israel inzetten om onafhankelijke waarnemers toe te laten in de Israëlische gevangenissen, zodat onafhankelijk bewijsmateriaal kan worden verzameld en Nederland Israël voor het internationaal Gerechtshof kan dagen wegens schending van het VN-verdrag tegen foltering – zoals Nederland dat in 2023 ook tegen Syrië deed?
Zie het antwoord op vraag 16. Verder hangt het van de feiten en omstandigheden van een specifieke gebeurtenis af of een aansprakelijkheidsstelling mogelijk is. Deze hangen samen met voldoende bewijs, de mogelijkheid het geschil voor te leggen aan een rechter of tribunaal, en de mogelijkheid om de aansprakelijkstelling samen met een ander gelijkgezind land te doen. Nederland kan Israël niet voor het Internationaal Gerechtshof dagen voor schending van het Antifolterverdrag. Er geldt tussen Nederland en Israël namelijk geen bepaling die het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid geeft in een dergelijke zaak. Zie hiervoor ook het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025.6
Erkent u dat van een normale handels- en samenwerkingsrelatie met een land dat oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen pleegt geen sprake kan zijn? Zo ja, bent u bereid om nu eindelijk een economische boycot in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is geen voorstander van een algehele boycot van Israël. Zie verder het antwoord op vraag 6, 7, 8 en 9.
Erkent u dat een volledige stop op militaire samenwerking en wapenhandel noodzakelijk is zolang een reëel risico bestaat dat deze bijdragen aan ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht? Bent u bereid om elke militaire samenwerking met Israël op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de uitvoer van militaire goederen worden alle individuele vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenexportcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voor Israël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordt afgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd dat militaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan de activiteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of op de Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewenst eindgebruik. Het kabinet is daarmee van mening dat het staande beleid volstaat om ongewenste transacties te voorkomen.
Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordt zorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidige ontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over het militaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt deze weging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt tot materieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiële militaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, minder geschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het stopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlische bedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Erkent u dat de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden, Francesca Albanese, het mikpunt is van een aanhoudende lastercampagne van pro-Israëlische lobbyisten?1 Zo ja, veroordeelt u deze lastercampagne? Zo nee, waar baseert u dit op?
Zoals aangegeven in beantwoording van eerdere Kamervragen is het kabinet bekend met de in de artikelen genoemde vermeende uitspraak van mevrouw Albanese.2 Het blijkt dat zij deze uitspraak zo niet heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding – en daarmee een eventuele lastercampagne – betrof. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Erkent u dat dat de pro-Israëlische lobbygroep UN Watch desinformatie als wapen heeft gebruikt tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur?2 Zo nee, wat was het wel en waar baseert u dit oordeel op?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 1 bleek dat mevrouw Albanese de betreffende uitspraak niet zo heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding betrof.
Wat vindt u ervan dat de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Jean-Noël Barrot, naar aanleiding van deze desinformatie Albanese opriep om af te treden, en dat Oostenrijkse, Tsjechische, Duitse en Italiaanse Ministers daarop soortgelijke uitspraken deden?3
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Erkent u dat Francesca Albanese als Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur voor de Palestijnse gebieden een onafhankelijke positie heeft en werkt in opdracht van de VN-mensenrechtenraad? Zo nee, waarom niet?
Ja. VN Speciaal Rapporteurs zijn onafhankelijke deskundigen die opereren op basis van een mandaat van de VN-mensenrechtenraad. Speciaal Rapporteurs werken onbezoldigd maar krijgen ondersteuning van het kantoor van de Hoge Commissaris (OHCHR). Speciaal Rapporteurs spreken niet namens de VN als organisatie. Zij dienen zich wel te houden aan de VN-gedragscode.
Deelt u de opvatting van meer dan 150 (oud-) politici en diplomaten dat het legitimeren van deze desinformatiecampagne tegen Albanese het instituut van de Verenigde Naties ondermijnt en dat het essentieel is om de legitimiteit van internationale instituties te beschermen om ervoor te zorgen dat het internationaal recht kan functioneren?4 Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Onderschrijft u de oproep van deze 150 (oud-) diplomaten en politici dat de valse beschuldigingen aan het adres van de speciaal VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden moeten worden gecorrigeerd? Zo ja, waarom heeft u zich nog niet uitgesproken tegen het gebruik van desinformatie als wapen tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat de eerdere weigering van het toenmalige Nederlandse kabinet in februari 2025 om Albanese te ontmoeten een ondermijning is van het VN-instituut en een gevaar vormt voor de legitimiteit van Nederland binnen de VN en binnen de internationale rechtsorde? Zo nee, waarom niet?
Voor alle VN Speciaal Rapporteurs hanteert Nederland – net als de overgrote meerderheid van VN-lidstaten – een zogenaamd «standing invitation» beleid. Dit betekent dat alle Speciaal Rapporteurs altijd welkom zijn om Nederland te bezoeken. De afweging om al dan niet op politiek of op hoog ambtelijk niveau in gesprek te gaan met een Speciaal Rapporteur wordt van geval tot geval bekeken. Mevrouw Albanese heeft het kabinet geïnformeerd voorafgaand aan haar meest recente bezoek aan Nederland op 23 en 24 maart 2026. Hierbij heeft zij niet verzocht om een onderhoud met een lid van het kabinet.
Heeft het nieuwe kabinet, dat onder uw leiding staat, VN-rapporteur Albanese uitgenodigd voor een officieel bezoek om de schade te herstellen?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u het oordeel van het VN-coördinatiecomité dd. 28 maart 2025, en in de notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de Mensenrechtenraad, dd. 1 april 2025, dat er geen schending van de gedragscode is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om van deze vaststelling af te wijken.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken voor het respecteren van het mandaat van Francesca Albanese als Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden en zo bij te dragen aan het bevorderen van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt zich binnen de VN met regelmaat uit voor het belang van het werk en de onafhankelijkheid van alle VN-Speciaal Rapporteurs, waaronder ook het mandaat van de «Special Rapporteur on the situation of human rights in the Palestinian territory occupied since 1967». Dit VN-mandaat bestaat als sinds 1993 en Nederland heeft dit mandaat altijd ondersteund.
Bent u bereid Francesca Albanese uit te nodigen voor een bezoek en steun over te brengen, om op deze wijze te laten zien dat Nederland pal staat voor het internationaal recht en voor het mandaat van de Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur van de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7 en 8.
Bent u bereid om Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Duitsland en Italië op te roepen zich alsnog publiekelijk te verontschuldigen, hun oproepen tot het aftreden van Francesca Albanese te corrigeren en het gevaar van desinformatie te erkennen?
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de vermeende uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Bent u bereid deze landen ook op te roepen zich, in plaats van het luidkeels naroepen van desinformatie, luid en duidelijk uit te spreken tegen de Israëlische regering die zich schuldig maakt aan genocide, illegale bezetting en apartheid en om maximale sancties daartegen in te stellen? En bent u bereid om als Nederlands kabinet hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 12. Het kabinet zet in op een combinatie van druk en dialoog om de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden te verbeteren, zowel bilateraal als in breder verband.
Wat gaat uw kabinet doen om (de verspreiding van) dit soort schadelijke desinformatie met betrekking tot de Palestijnse gebieden te voorkomen, dan wel zo snel mogelijk de kop in te drukken of te ontzenuwen wanneer dit wordt ingezet door pro-Israëlische lobbygroepen zoals UN-Watch en/of wordt rondgepompt door bepaalde media? Mogen we van uw kabinet een pro-actieve houding verwachten op dit punt? Zo ja, hoe gaat die pro-actieve houding eruitzien? Zo nee, waarom denkt u dat een pro-actieve houding ten aanzien van het bestrijden van schadelijke desinformatie ten aanzien van de (VN-rapporteur voor de) Palestijnse gebieden niet nodig is voor het bevorderen van de internationale rechtsorde en de mensenrechten, gezien uw kabinet in het coalitieakkoord dit beloofde te gaan doen en wat bovendien uw grondwettelijke plicht is?
Het is niet primair de taak van de overheid om berichten te fact checken en te ontkrachten. Dat is een taak voor onder andere onafhankelijke media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Het kabinet acht het van belang dat deze organisaties hun werk adequaat kunnen doen. Daarom steunt het kabinet bijvoorbeeld het fact-check-netwerk BENEDMO. Ook gaat de Europese Commissie onder het European Democracy Shield 5 miljoen euro aan subsidies verlenen aan onafhankelijke fact checking. Ook het Mensenrechtenfonds wordt onder meer ingezet voor de steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media.
Het aankomende bezoek van de minister-president en het koninklijk paar aan Donald Trump |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de analyse van onder andere Amnesty International dat het dreigen met het laten sterven van een hele beschaving, wat Donald Trump heeft gedaan, gelijk staat aan het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden? Zo nee, welke argumenten heeft u om deze analyse te verwerpen?1
Heeft u gezien dat het The Hague Centre for Strategic Studies heeft opgeroepen om naar aanleiding van de uitlatingen van Trump over Iran uw bezoek en dat van het Koningspaar aan het Witte Huis te annuleren? Wat vindt u daarvan?
Welk signaal denkt u dat uitgaat van een bezoek van de Koning en Koningin aan een autoritaire president die het internationaal recht overschrijdt, de positie van Poetin tegenover Oekraïne heeft versterkt, zich laat meeslepen in de illegale oorlog van Netanyahu tegen Iran, die Israël aan wapens tegen de Palestijnse bevolking helpt, die Venezuela illegaal is binnengevallen, die heeft gedreigd met het innemen van Groenland en Cuba en dreigt met het vernietigen van «een hele beschaving»?
Ziet u het risico dat het bezoek wordt gezien als een vorm van politieke legitimatie of steun aan Trump? Zo nee, waarom niet?
Ziet u het risico dat andere landen Nederland zien als blijvende bondgenoot van de VS in het schenden van het internationaal recht, en dat dat nadelige consequenties kan hebben voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welk signaal denkt u dat er vanuit gaat als de Koning en Koningin op de foto gaan met Donald Trump? Ziet u het risico dat de Koning en Koningin door de Trump-regering kunnen worden misbruikt om het imago van Trump op te poetsen, nadat hij na de illegale oorlog tegen Iran in binnen- en buitenland zeer veel kritiek heeft gekregen?
Ziet u nog andere risico’s van uw bezoek en dat van de Koning en Koningin aan Trump?
Heeft u in uw overweging om al dan niet te gaan meegenomen dat de Koning als staatshoofd alle Nederlanders vertegenwoordigt, en dat het van groot belang is dat de Koning bij officiële bezoeken de waarden uitstraalt die Nederland internationaal wil uitdragen, zoals democratie, rechtsstaat, inclusiviteit, internationaal recht en respect voor mensenrechten? Zo ja, op welke manier is het bezoek van het Koninklijk paar aan Trump in lijn met deze waarden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om naar aanleiding van het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden door de Amerikaanse president het bezoek aan Trump te annuleren? Zo nee, bent u dan tenminste bereid het bezoek van het Koninklijk paar te annuleren, zodat u alleen gaat?
Indien u uw bezoek toch doorzet, kunt u de inzet van de regering bij dit bezoek met de Kamer delen?
Kunt u een verslag van de gesprekken van de regering met Trump met de Kamer delen?
Hoeveel Iraanse en Libanese burgers zijn er zover bekend door de VS en Israël gedood?
Erkent u dat de illegale oorlog van de VS en Israël de hele wereld raakt, met name de armste bevolking?
Heeft u, met de kennis van nu, nog steeds begrip voor de volgens het internationaal recht illegale aanval van de VS en Israël? Bent u bereid de aanval alsnog te veroordelen?
Bent u bereid om tijdens uw bezoek bij Trump aan te dringen op een einde aan deze illegale oorlog, het stoppen van het geweld in Libanon en het stoppen van de aanhoudende genocide op de Palestijnen en tegen Trump te zeggen dat Nederland verwacht dat de VS zich houden aan het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit ook publiekelijk klip en klaar uit te dragen, zodat duidelijk wordt dat Nederland weer staat voor het internationaal recht?
Kunt u de vragen 9 en 10 beantwoorden voor het aanstaande bezoek op maandag 13 april?
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
Wat vindt u van dit alles?
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
Ja
Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?
Ja.
Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?
Jazeker.
Het bericht dat VanDrie zijn belofte over de import van Ierse kalveren verbreekt |
|
Renate den Hollander (VVD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kalverslachter VanDrie verbreekt belofte over import Ierse kalveren»?1
Klopt het dat VanDrie Group eerder heeft aangekondigd vanaf 2026 te stoppen met de import van kalveren uit Ierland, maar dat het bedrijf nu toch doorgaat met deze import? Kunt u toelichten hoe deze situatie precies zit?
Hoeveel kalveren worden jaarlijks vanuit Ierland naar Nederland vervoerd voor de kalverhouderij? Kunt u aangeven hoeveel transporten het betreft en hoelang deze transporten gemiddeld duren?
In hoeverre voldoen deze transporten aan de huidige Europese regels voor diertransport, met name ten aanzien van transportduur, rusttijden en het verstrekken van voeding aan jonge dieren?
Deelt u de opvatting dat langeafstandstransporten van zeer jonge kalveren vanuit andere Europese Unie (EU) lidstaten (en overige landen) onwenselijk zijn vanuit het oogpunt van dierenwelzijn? Zo ja, welke stappen zet u om deze transporten te beperken? Zo nee, waarom niet?
Worden er momenteel controles uitgevoerd op transporten van jonge kalveren vanuit Ierland naar Nederland? Zo ja, hoe vaak vinden controles plaats en wat zijn de bevindingen van deze controles in de afgelopen jaren?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om op Europees niveau strengere regels te bepleiten voor het transport van jonge kalveren? Wat kan Nederland hier zelf in doen?
Deelt u de mening dat de Nederlandse kalversector toekomstbestendig moet zijn en dat de afhankelijkheid van geïmporteerde kalveren niet past binnen een dierwaardige veehouderij? Welke stappen zet het kabinet om hier een einde aan te maken?
Bent u bereid om met een plan te komen voor het verder verbeteren van dierenwelzijn in de kalverhouderij en hierbij ook in gesprek te gaan met de sector over het beëindigen van langeafstandstransporten van jonge dieren?
Bent u bereid om ook in gesprek te gaan met dierenwelzijnsorganisaties die dit thema al jaren agenderen en ook oplossingen en aanbevelingen hebben?
De behandeling en het transport van zieke en kreupele ‘afgemolken’ koeien. |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de beelden gezien die door dierenrechtenorganisatie Ongehoord zijn gemaakt op vijf verschillende erkende verzamelcentra, waar een deel van de koeien en kalfjes naartoe wordt gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?
Ja.
Heeft u gezien dat op alle gefilmde locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, zelfs als deze dieren ziek en kreupel zijn?
Ik heb de beelden uit het nieuwsartikel van Ongehoord gezien.
Heeft u gezien dat bijna 10 procent van alle erkende Nederlandse verzamelcentra voor koeien en kalfjes is gefilmd? Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
Ik kan geen uitspraak doen over of dit wel of geen incidenten zijn. Ik weet niet hoeveel beeldmateriaal er is opgenomen, en wat het percentage is van die beelden die in het nieuws zijn gekomen.
Wat vindt u van deze praktijken?
Ik vind het kwalijk dat koeien en kalfjes worden geschopt. Dit is niet de manier waarop met dieren moeten worden omgegaan.
Kunt u bevestigen dat koeien in de melkveehouderij elk jaar zwanger worden gemaakt zodat ze melk blijven geven, het kalfje vrijwel direct na de geboorte wordt weggehaald en dat na een paar jaar, als de moederkoe minder melk begint de geven en daardoor economisch minder interessant wordt, deze wordt afgevoerd naar het slachthuis?
Ik kan niks zeggen over de individuele werkwijze van melkveehouders. Deze werkwijze kan per melkveehouderij verschillen.
Kunt u bevestigen dat veel van deze zogeheten «afgemolken» melkkoeien te maken hebben met (ernstige) welzijnsproblemen zoals kreupelheid doordat één op de drie melkkoeien niet buitenkomt, maar hun hele leven op harde vloeren staat?1
In algemene zin ben ik bekend met welzijns- en gezondheidsrisico’s in de veehouderij. Over het algemeen nemen veehouders adequate maatregelen om die risico’s te beperken.
Kunt u bevestigen dat veel van deze melkkoeien, ook als zij welzijnsproblemen hebben, alsnog worden afgevoerd naar het slachthuis zoals te zien is op de beelden, omdat ze dan nog iets van geld opleveren?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat zo’n 25 procent van de melkkoeien niet rechtstreeks naar het slachthuis wordt vervoerd, maar eerst naar een verzamelcentrum wordt gebracht, daar in een andere vrachtwagen wordt geladen om vervolgens alsnog naar het slachthuis te worden vervoerd?
Ik kan bevestigen dat dit het geval is geweest van 2017 t/m 2020 en ik heb geen reden om aan te nemen dat dit veranderd is.
Bent u bekend met de Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005) die voorschrijft dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet mogen worden vervoerd, in het bijzonder wanneer zij «niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat desondanks jaarlijks ongeveer 16.000 dieren op verzamelcentra worden gedood omdat ze te zwak, gewond of ziek zijn om verder te mogen worden vervoerd (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 8)?
In 2024 is voor 16.713 dieren een doodmelding geregistreerd op een verzamelcentrum. De oorzaak van de dood van deze dieren is niet geregistreerd.
Hoe verklaart u dat deze dieren op transport zijn gezet naar een verzamelcentrum?
Ik heb geen inzicht in de beweegredenen op dit punt. Wel vind ik dat alle schakels in de keten ervoor moeten zorgen dat dierenwelzijn op ieder
moment geborgd is. Elk bedrijf en iedere medewerker binnen het bedrijf moet ervan doordrongen zijn dat zij de verantwoordelijkheid hebben om dierenwelzijn te verzekeren. Licht gewonde of zieke dieren mogen vervoerd worden wanneer het transport geen extra lijden veroorzaakt. Voorafgaand aan het transport moeten de veehouder en transporteur beoordelen of een dier transportwaardig is of niet, en bij twijfel moet advies van een dierenarts worden gevraagd.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
In de Transportverordening worden in bijlage 1, Hoofdstuk I regels gesteld over de geschiktheid van dieren voor vervoer. Daarin wordt onder meer geregeld dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet in staat worden geacht te worden vervoerd wanneer zij niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Die bijlage regelt echter ook dat zieke of gewonde dieren in staat kunnen worden geacht te worden vervoerd wanneer het lichtgewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt, en waarbij bij twijfel het advies van de dierenarts wordt ingewonnen.
Erkent u dat daarnaast veel koeien in verzamelcentra niet in staat zijn om pijnloos te bewegen, zoals koeien die praktisch op drie poten lopen, ernstig hinken, trekken met een of meerdere poten of nauwelijks meer kunnen lopen, zoals te zien is op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Het aantal koeien met een vorm van kreupelheid op een verzamelcentra wordt niet geregistreerd. Kreupelheid is een veel voorkomend probleem bij melkkoeien. Licht kreupele koeien kunnen ook te vinden zijn op verzamelcentra.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de richtlijn heeft dat zolang koeien met «verminderde» of «gebrekkige» mobiliteit op vier poten steunen, ze gewoon op transport mogen worden gezet omdat de kreupelheid «niet altijd' gepaard gaat met pijn?
Nee, er kan niet gesteld worden dat koeien zonder meer geschikt zijn voor vervoer wanneer ze op vier poten steunen en een verminderde of gebrekkige mobiliteit hebben. Bij twijfel moet het advies van een dierenarts-practicus worden ingewonnen.
De NVWA en de sector gebruiken daarvoor de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van volwassen runderen. De richtsnoeren geven aan dat een rund dat niet op alle vier poten kan staan, niet kan worden vervoerd. Wanneer een rund alle poten niet gelijkmatig belast is een nadere beoordeling van de mobiliteit nodig. De richtsnoeren beschrijven hoe de mobiliteit van een rund wordt beoordeeld en ondersteunt deze beschrijving met afbeeldingen. Op basis van deze beoordeling kan een rund wel of niet vervoerd worden.
Deze richtsnoeren zijn opgesteld door Europese brancheorganisaties, een NGO en de Europese Federatie voor Dierenartsen. De richtsnoeren geven nadere duiding aan de regels in de Europese Transportverordening. De voorschriften in de Transportverordening zijn altijd leidend.
Welke andere redenen kunt u bedenken waarom een koe ernstig zou hinken of met haar poten zou trekken, anders dan dat zij pijn ervaart?
Een koe kan ernstig hinken of met haar poten trekken zonder dat de koe pijn ervaart. De afwezigheid van pijn bij een ernstig hinkende koe of bij een koe die met haar poten trekt, is echter niet doorslaggevend bij de beoordeling van de geschiktheid voor het vervoer. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 12 mogen de vervoersomstandigheden geen letsel of onnodig lijden veroorzaken. Ook mogen alleen licht gewonde of zieke dieren vervoerd worden, wanneer het vervoer geen extra lijden veroorzaakt. Daarom moet de mobiliteit van een rund dat niet op alle vier de poten staat voorafgaand aan het transport verder beoordeeld worden. Bij twijfel moet het advies van de dierenarts ingewonnen worden.
Bent u bekend met de bevindingen van Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van de NVWA dat «afgemolken» melkkoeien vaak lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen hebben (zoals kreupelheid) en dat het risico groot is dat het lijden tijdens transport toeneemt?2
Ik ben bekend met dit rapport.
Bent u bekend met het recente onderzoek van Universiteit Utrecht, Wageningen University & Research en Cornell University over kreupelheid in melkkoeien waarin zij concluderen dat kreupelheid pijn veroorzaakt en een ernstig welzijnsprobleem is?3
Ik ben bekend met dit rapport.
Kunt u bevestigen dat melkkoeien met lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen op transport worden gezet, wat volgens Buro leidt tot een groot risico dat het lijden hierdoor toeneemt?
In de praktijk kan het voorkomen dat melkkoeien met lichte of ernstige gezondheidsafwijkingen op transport worden gezet.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening die stelt dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet mogen worden vervoerd en dat onnodig lijden moet worden voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 12 moeten de houder en de vervoerder voorafgaand aan het vervoer beoordelen of dieren geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Daarvoor gebruiken zij als hulpmiddel de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor het vervoer van varkens, volwassen runderen en paarden. Bij twijfel moet het advies van een dierenarts worden ingewonnen. Ondanks een zorgvuldige beoordeling vooraf kan het voorkomen dat een dier toch extra of onnodig geleden heeft of dat letsel veroorzaakt is door het transport. Dan blijkt achteraf dat het dier niet geschikt was voor het voorgenomen transport. Achteraf kan echter niet altijd worden vastgesteld dat de houder en de vervoerder in zo’n situatie verwijtbaar gehandeld hebben. Dat is wel nodig om een overtreding te bewijzen en als gevolg daarvan aan de houder en/of de vervoerder een bestuurlijke boete op te leggen.
Bent u bekend met de bevindingen van Buro dat het herhaald in- en uitladen, verblijf op verzamelcentra en herhaald transport ongerief en lijden veroorzaakt?
Ik ben bekend met de bevindingen van Buro. Herhaaldelijk in- en uitladen verhoogt het risico op welzijnsaantasting.
Kunt u bevestigen dat het volgens de Transportverordening verboden is om dieren te vervoeren op een wijze die onnodig lijden veroorzaakt?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 12 stelt de Transportverordening in artikel 3 dat het verboden is dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Kunt u bevestigen dat koeien herhaald worden in- en uitgeladen als ze via een verzamelcentrum worden getransporteerd, wat volgens Buro leidt tot een groot risico dat het lijden toeneemt?
Wanneer er een verzamelcentrum betrokken is bij het transport van dieren worden de dieren een extra keer af- en opgeladen.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Het gebruik van verzamelcentra tijdens transport is toegestaan volgens de Europese Transportverordening en aan regels gebonden.
Kunt u tevens bevestigen dat de Transportverordening bepaalt dat de duur van diertransporten zoveel mogelijk moet worden beperkt?
Artikel 3 van de Transportverordening stelt als algemene voorwaarde voor het vervoer van dieren dat alle nodige voorzieningen getroffen zijn om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien.
Kunt u bevestigen dat het gebruik van verzamelcentra voor binnenlandse slacht leidt tot onnodige vertraging en langere transporten?
Het gebruik van verzamelcentra is voor zowel nationaal als internationaal transport wettelijk toegestaan. Als een veehouder melkrunderen naar het slachthuis stuurt, zijn dat meestal hele kleine aantallen dieren. Bijvoorbeeld één of twee. Slachthuizen vragen vaak juist om meerdere dieren tegelijk van ongeveer dezelfde soort, grootte en categorie. Op verzamelcentra worden deze groepen samengesteld. Dit is een efficiëntere manier van dieren vervoeren dan iedere koe individueel afleveren op het slachthuis. Daarom zie ik het gebruik van verzamelcentra tijdens transport niet als onnodige vertraging.
Hoe verhoudt dit zich tot de Europese Transportverordening?
Het gebruik van verzamelcentra is toegestaan volgens de Transportverordening en aan regels gebonden.
Bij hoeveel van de 55 erkende verzamelcentra voor koeien en kalfjes heeft de NVWA de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, controles uitgevoerd? Hoeveel controles zijn er per verzamelcentrum uitgevoerd? Hoeveel dierenwelzijnsovertredingen zijn er geconstateerd, hoeveel waarschuwingen zijn er gegeven en hoeveel boetes zijn er opgelegd?
In 2023 hadden 61 verzamelcentra een erkenning voor het verzamelen van runderen; in 2024 waren dit 60 verzamelcentra en in 2025 waren dit 56 verzamelcentra. Bij al deze verzamelcentra heeft de NVWA ten minste jaarlijks één of meer controles uitgevoerd.
De NVWA voert jaarlijks een verplichte controle uit op de erkenningsvoorwaarden. Daarnaast houdt de NVWA risicogericht toezicht op verzamelcentra, waardoor de inspectiefrequentie per verzamelcentrum kan variëren. Verder worden controles op dierenwelzijn uitgevoerd tijdens de exportcertificering voorafgaand aan de verplaatsing van dieren naar andere landen.
De NVWA heeft op verzamelcentra het verzamelen van runderen de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, het volgende aantal controles uitgevoerd:
1. Exportcertificering rund
1.170
1.053
806
2. Risicogerichte controles op dierenwelzijn en diergezondheid
410
371
315
3. Verplichte controle erkenningsvoorwaarden
78
56
58
In het volgende overzicht is aangegeven bij hoeveel van deze inspecties de afgelopen drie jaar bevindingen zijn vastgesteld gerelateerd aan dierenwelzijn, uitgesplitst naar type controle en naar jaar:
1. Exportcertificering rund
161
213
138
2. Risicogerichte controles op dierenwelzijn
15
4
10
3. Verplichte controle erkenningsvoorwaarden
20
11
9
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de NVWA de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar jaar, het volgende aantal maatregelen genomen:
Officiële waarschuwing
2
0
1
Bestuurlijke boete
6
4
0
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening de ruimte biedt om het gebruik van verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht expliciet te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
De Transportverordening geeft geen expliciete grondslag om het gebruik van verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving. In algemene zin biedt de Transportverordening wel ruimte voor de lidstaten om strengere nationale maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren tijdens vervoer dat volledig op hun grondgebied verloopt of tijdens vervoer over zee dat vanaf hun grondgebied vertrekt. Een verbod als benoemd in de vraag zal negatieve neveneffecten met zich meebrengen vanwege de rol van verzamelcentra in zowel binnenlands als grensoverschrijdend transport.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
De tijdige aanbieding van het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u bij het plenaire debat over het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij hebt aangeven dat het verbod uiterlijk 15 december 2025 moet worden aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V), om het per 1 januari 2026 in werking te kunnen laten treden?
Ja.
Kunt u uiterlijk maandagavond 15 december 2025 laten weten of u het verbod tijdig hebt aangeboden aan het Ministerie van J&V en daarmee hebt voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum?
Ja. Het verbod is tijdig aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V). Hiermee is voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum.
Kunt u aangeven of u op koers ligt om het verbod per 1 januari 2026 in werking te laten treden, zoals u hebt toegezegd bij het debat?
Ja. De AMVB is inmiddels gepubliceerd in Staatsblad 2025, 4341.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Pieter Grinwis (CU), Joost Eerdmans (EénNL), Sandra Beckerman (SP), Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Israël dat verdere stappen neemt in etnische zuivering |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Trouw-artikel «Israël wil 600.000 Gazanen opsluiten en verdrijven: «Dit is een concentratiekamp»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Israël van plan is 600.000 Palestijnen in Gaza binnen 60 dagen op te sluiten in een «concentratiekamp»-achtige situatie waarna waarschijnlijk gedwongen uitzetting volgt, zoals gemeld in Trouw?
Het creëren van een door militairen afgesloten gebied zou onacceptabel zijn. Als deze plannen daadwerkelijk worden uitgevoerd, dan zou dat een schending van het internationaal humanitair recht betreffen en hoogstwaarschijnlijk leiden tot gedwongen ontheemding en deportatie. Nederland heeft zijn visie op dit plan vrijwel direct gedeeld met Israel.
Deelt u de analyse dat dit neerkomt op etnische zuivering en een zeer ernstige schending van het internationaal recht? Zo ja, bent u van oordeel dat het kabinet het opzettelijk opsluiten van Palestijnen openlijk en keihard moet veroordelen? Zo nee, hoe verhoudt zich dat tot het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Genocideverdrag) en andere internationale verdragen en op welke experts baseert u zich dan?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat Israël, met het opzettelijk opsluiten van honderdduizenden mensen in een gebied zonder adequate toegang tot water, voedsel, medische zorg of veiligheid, oorlogsmisdaden pleegt en uithongering van burgers als oorlogswapen inzet?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat het wegkijken van de Nederlandse regering te lang heeft geduurd en dat vooral praten met Israël niet heeft gewerkt en dat Israël steeds verder escaleert?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer over de situatie in de Gazastrook van 28 juli 2025 zet het kabinet zich in om door een combinatie van druk op en dialoog met Israël de situatie in zowel de Gazastrook als de Westelijke Jordaanoever te verbeteren.
Welke spoedacties en sancties gaat u ondernemen om Israël onder druk te zetten om de verdrijving, verdere etnische zuivering en genocide te stoppen nu het nog kan? Indien u niets onderneemt: waarom negeert u het Genocideverdrag en weigert u de oproep van mensenrechten- en hulporganisaties en experts op te volgen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om actief bij te dragen aan, en op te roepen tot, een internationaal beschermingsmechanisme voor de Palestijnse burgerbevolking, bijvoorbeeld via VN-blauwhelmen, een no-fly zone of veilige doorgang, teneinde verdere etnische zuivering in Gaza te voorkomen? Zo nee, hoe gaat u dan voorkomen dat Israël verdere stappen neemt in etnische zuivering?
Het kabinet roept voortdurend op de burgerbevolking van de Gazastrook te beschermen conform het humanitair oorlogsrecht. De bovenstaande opties vereisen ofwel een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ofwel toestemming van de partijen bij het gewapend conflict. Op dit moment is de kans hierop klein. Bovendien is het de vraag waarnaartoe de burgerbevolking zich zou moeten verplaatsen via de bovenstaande genoemde veilige doorgang.
Overweegt u nu wel een beroep te doen op het Internationaal Gerechtshof en zich aan te sluiten bij de genocidezaak die daar nu tegen Israël loopt? Zo nee, waarom niet?
Op grond van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof zijn er twee mogelijkheden voor staten om deel te nemen aan een contentieuze procedure tussen andere staten. Ten eerste is er de mogelijkheid tot het indienen van een interventie door een staat die meent een rechtsbelang te hebben bij de uitkomst van het geschil. Een staat die op deze wijze wil interveniëren moet aantonen dat de beslissing van het Internationaal Gerechtshof in het geschil tussen de twee partijen bij het geschil zulke consequenties heeft dat een interventie nodig is om zijn belangen zeker te stellen. De voorwaarden voor een dergelijke interventie zijn strikt en uit de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof blijkt dat de drempel voor ontvankelijkheid van een dergelijke interventie hoog is. Tot nu toe heeft het Hof de overgrote meerderheid van de verzoeken om interventie onder deze bepaling afgewezen.
Ten tweede kunnen staten die partij zijn bij het verdrag op grond waarvan het geschil gevoerd wordt een interventie indienen waarbij zij hun visie op de constructie (interpretatie) van dit verdrag geven. Een dergelijke interventie is alleen ontvankelijk indien zij zich beperkt tot de constructie van het verdrag. Zij mag niet ingaan op de feiten van de zaak of het recht toepassen op deze feiten. Dit type interventie wordt over het algemeen toegelaten, maar het Hof past ook hier de beperking strikt toe en zal die (onderdelen van) interventies die verder gaan dan de strikte constructie van het verdrag niet ontvankelijk verklaren.
In beide gevallen is sprake van een interventie en wordt de interveniërende staat geen partij bij het geschil. Dat laatste kan alleen als beide partijen daarmee instemmen. Dit is in de geschiedenis van het Internationaal Gerechtshof nog niet voorgekomen en instemming van beide partijen het voorliggende geschil tussen Zuid-Afrika en Israël is uiterst onwaarschijnlijk. Uit de tekst van een interventie kan allicht blijken dat de interveniërende staat een standpunt van een van de partijen bij het geschil deelt, of zelfs steunt, maar ook dat maakt een interveniërende partij geen mede-eiser. De deelname van de interveniërende staat aan de procedure is beperkt tot de interventie; deze staat mag zich niet uitlaten over andere onderwerpen; en heeft ook geen recht om gehoord te worden op andere onderwerpen dan die die het onderwerp zijn van de interventie. De verbindendheid van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof is dan ook beperkt tot die onderdelen waarover de interventie zich uitgelaten heeft. Op basis hiervan is «aansluiten» als een partij bij het geschil niet mogelijk.
Bent u het ermee eens dat u op geen enkele manier recht doet aan uw morele en juridische verantwoordelijkheid als regeringsleider van een land dat zich profileert als gastland van de internationale rechtsorde? Zo nee, hoe geeft u dan precies invulling aan die verantwoordelijkheid en op welke experts baseert u zich?
Nee. Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer over de situatie in de Gazastrook van 28 juli jl. 2025, gebruikt het kabinet een combinatie van druk op en dialoog met Israël om de situatie in zowel de Gazastrook als de Westelijke Jordaanoever te verbeteren. Dit alles naar vermogen en binnen de grenzen van ons kunnen.
Nederland neemt de bescherming van de internationale rechtsorde serieus en neemt daarom al langere tijd stappen om de situatie naar vermogen te verbeteren, zoals ook in de Kamerbrieven van 18 juni 2025 en 28 juli 2025 is omschreven. Het kabinet zal naar aanleiding van de ontwikkelingen op de grond steeds haar inzet blijven wegen en bezien welke instrumenten, maatregelen of stappen op het terrein van diplomatie, humanitair veiligheid en bestrijding van straffeloosheid kunnen worden ingezet ten behoeve van verbetering van de situatie in de Palestijnse Gebieden.
Wilt u de bovenstaande vragen gezien de ernst en urgentie van de zaak deze week één voor één beantwoorden?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het instellen van een verbod op verre diertransporten tijdens de zomermaanden, net zoals Vlaanderen heeft gedaan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat Vlaanderen in juli en augustus geen dieren meer transporteert naar landen buiten de Europese Unie (EU) vanwege het risico op hittestress dankzij een besluit van Vlaams Minister van Dierenwelzijn?1
Ja.
Bent u het eens met de uitspraak van Minister Weyts dat het onze «verdomde plicht is om vermijdbaar dierenleed ook echt te vermijden»? Zo nee, waarom niet?
Ik vind zeker dat we goed voor onze dieren moeten zorgen.
Gaat u dat Vlaamse voorbeeld volgen en deze zomer stoppen met verre diertransporten?
Nederland heeft sinds 31 december 2023 alle bilaterale bindende afspraken omtrent de export van herkauwers en varkens beëindigd. Sinds die tijd worden er bijna geen herkauwers of varkens naar landen buiten Europa getransporteerd, hoewel dit wel mogelijk is via verzoekscertificering. Daarnaast hebben we in Nederland al langere tijd de afspraak om geen slachtdieren naar landen buiten Europa te exporteren. De sector houdt zich goed aan deze afspraak.
Ook houdt de NVWA toezicht op lange transporten. Daarbij wordt gehoor gegeven aan de oproep van de Europese Commissie van 15 juli 2019 om diertransporten langer dan 8 uur niet toe te staan wanneer het onderweg 30 graden of warmer is.
Daartoe wordt middels de planning voorafgaande aan het transport gecontroleerd of het onderweg niet warmer wordt dan 30 graden Celsius. Is dit wel het geval dan moet het transport ofwel anders gepland worden ofwel wordt het transport niet gecertificeerd waardoor het niet kan vertrekken. Tevens wordt aan de hand van temperatuur- en GPS data – conform de Europese Transportverordening 1/2005 – retrospectief gecontroleerd op de temperatuur in het vervoersmiddel tijdens het transport. De norm is hiervoor maximaal 30 graden, met een marge van 5 graden, waardoor er effectief gehandhaafd wordt door de NVWA vanaf 35 graden in het vervoersmiddel.
Zo nee, waarom wilt u nog steeds dieren op dagenlang transport laten zetten naar landen als Turkije en Libië, terwijl het onderweg in de zomer vaak en lang extreem (boven de 30 graden celcius) heet is?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 wordt niet toegestaan dat dieren vervoerd worden naar of door plekken waar het warmer is dan 30 graden Celsius. Ondanks dat we in Nederland geen algeheel verbod hebben voor transport naar landen buiten Europa in de zomermaanden, heeft de vastgelegde werkwijze van de NVWA en het beëindigen van de bindende bilaterale afspraken wel dezelfde praktische uitwerking.
Heeft u gezien dat de Kamer u op 19 juni 2025 (al ruim twee weken geleden) heeft verzocht om de nieuwe beleidsregel voor een maximumtemperatuur van 30 graden voor álle diertransporten niet nog meer te vertragen, maar direct in te voeren (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1716)?
Ja.
Heeft u dat inmiddels gedaan? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u deze herhaaldelijke wens van de Kamer wél uitvoeren?
Voor de beleidsregel 30 graden geldt dat ik eerder de Kamer heb geïnformeerd dat ik aan de slag ga met het zoveel mogelijk wegnemen van de zorgen van ondernemers vanwege de te verwachten impact van het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport met mogelijke negatieve neveneffecten voor het dierenwelzijn. Hiertoe heb ik de NVWA en sector gevraagd om gezamenlijk de mogelijkheden en belemmeringen voor ’s nachts slachten te verkennen. Deze verkenning, waaronder een pilot voor ’s nachts slachten op roodvleesslachthuizen, loopt op dit moment. Deze verkenning wil ik afronden. Daarnaast heeft de Europese Commissie mij gevraagd de maximumtemperatuur voor diertransport niet te verlagen zolang de onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening nog lopen. Verder heeft uw Kamer dit onderwerp controversieel verklaard (2025D28826).
Erkent u dat u, zolang u deze beleidsregel niet invoert én geen zomerverbod op verre diertransporten instelt, dieren willens en wetens blootstelt aan ernstig lijden door (hitte)stress, met als gevolg versnelde ademhaling, hoge hartslag, benauwdheid en zelfs sterfte?
Voor wat betreft de verre diertransporten verwijs ik naar mijn antwoorden op vraag 3 en 4. Verder hebben we in Nederland het Nationaal Plan voor Veetransport bij Extreme Temperaturen, waarin afspraken en sectorprotocollen zijn vastgelegd. Hiermee werken zowel sector als NVWA aan de bescherming van dieren tijdens transport op warme dagen.
Ook kan de NVWA handhaven als dieren onvoldoende worden beschermd tegen hitte tijdens transport.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Een Nationaal Hitteplan voor dieren |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u gemerkt dat het zeer warm is, met minstens code geel in het gehele land en code oranje in drie provincies?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er voor mensen allerlei maatregelen zijn getroffen om met deze tropische temperaturen om te gaan, zoals het Nationaal Hitteplan en tropenroosters?
Er bestaan verschillende initiatieven om mensen bewust te maken van de effecten van hitte, zoals het Nationaal Hitteplan van het RIVM dat bedoeld is als waarschuwingssysteem voor organisaties in de zorg.
Erkent u dat dieren in de veehouderij extra kwetsbaar zijn voor hitte, en veel dieren lijden door (ernstige) hittestress?
Dieren kunnen, net als mensen, hittestress ervaren tijdens warme periodes. Het risico op hittestress verschilt per situatie. Hierbij spelen onder andere de diersoort, de luchtvochtigheid, de temperatuur en getroffen managementmaatregelen een rol.
Kunt u bevestigen dat varkens vanaf 25 graden Celsius een versnelde hartslag, stijgende bloeddruk en versnelde oppervlakkige ademhaling kunnen krijgen als gevolg van de verhoogde temperaturen?1
Voor de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 verwijs ik u naar de op 11 februari verzonden beantwoording op vragen van het lid Ouwehand over het beschermen van dieren tegen de hitte (Kamerstuk 2024Z11892), die een identieke strekking hadden.
Kunt u bevestigen dat vleeskuikens extra gevoelig zijn voor warme temperaturen door hun extreme gewicht, waarop ze zijn doorgefokt, waardoor ze hun warmte niet goed kwijt kunnen en al vanaf 22 graden Celcius het risico lopen om te lijden aan hittestress?
Zie beantwoording vraag 4.
Deelt u dus het inzicht dat 30 graden Celcius voor veel dieren al veel te warm is, aangezien uit onderzoek van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) blijkt dat hun welzijn al bij aanzienlijk lagere temperaturen wordt aangetast, zoals bij zeugen vanaf 22 graden Celcius, varkens vanaf 25 graden Celcius, koeien vanaf 25 graden Celcius en schapen vanaf 28 graden Celcius? Zo nee, waarom niet?2 3 4
Zie beantwoording vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de maatregelen om dieren tegen hitte te beschermen voor een belangrijk deel bestaan uit vrijblijvende maatregelen en niet-handhaafbare sectorprotocollen, in plaats van wetgeving en handhaving?
Nee. In Nederland bestaan zowel verschillende plannen en protocollen als wet- en regelgeving op dit vlak.
Herinnert u zich dat u op eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023–2024, nr. 2158) antwoordde dat u een plan vanuit de overheid niet nodig acht, omdat u vertrouwt op de kennis en ervaring binnen de Nederlandse sector?
Ik herinner mij de vragen die u destijds heeft gesteld en de antwoorden die ik daarop heb gegeven.
Bent u op de hoogte van de structurele lobby van de sector tegen maatregelen om dieren beter te beschermen tegen de hitte, waaronder het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten van 35 graden Celcius naar 30 graden Celcius?5
Ik ben op de hoogte van de zorgen die de sector heeft geuit over het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport naar 30 graden Celsius. Zoals ik eerder al heb vermeld in de Verzamelbrief dierenwelzijn van februari 2025 (Kamerstuk 28 286, nr. 1380) neem ik deze zorgen serieus.
Kunt u zich voorstellen dat dit weinig vertrouwen schept dat de sector bereid is om dieren goed tegen hitte te beschermen?
Nee.
Kunt u uitsluiten dat we aankomende periode weer worden geconfronteerd met schrijnende beelden van varkens die naar adem happen, kippen die dicht op elkaar gepropt in oververhitte wagens zitten en transportwagens die dagenlang stilstaan bij een slachthuis of rondjes moeten blijven rijden, totdat de dieren worden uitgeladen? Zo nee, waarom niet?
Daar waar de NVWA vaststelt dat er sprake is van overtredingen wordt handhavend opgetreden.
Bent u bereid om op korte termijn een voorstel voor een Nationaal Hitteplan voor dieren naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk plan bestaat al en is voor het eerst gedeeld met uw Kamer op 7 juli 2016 (Kamerstuk 2016D29453): het Nationaal Plan voor Veetransport bij Extreme Temperaturen. Daarnaast bestaat er ook het Plan van aanpak hittestress dat op 8 juni 2023 bij een verzamelbrief met uw Kamer is gedeeld (Kamerstuk 2016D29453, bijlage bij Kamerstuk 28 286, nr. 1296).
Kunt u aangeven hoe het, ondanks alle sectorprotocollen, kan dat dieren op hete dagen nog altijd langdurig in bloedhete vrachtwagens moeten wachten voor slachthuizen of rondjes moeten blijven rijden totdat ze worden gelost?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11 wordt er handhavend opgetreden daar waar de NVWA vaststelt dat er sprake is van overtredingen.
Bent u bereid om een maximale wachttijd van 15 minuten bij slachthuizen in te stellen?
De sector is al verplicht om de wachttijden tot een minimum te beperken vanwege Europese wet- en regelgeving (Europese Verordening 1/2005). Deze geeft aan dat de duur van het transport tot een minimum beperkt moet worden en Europese Verordening 1099/2009 stelt dat dieren zo spoedig mogelijk na aankomst in het slachthuis worden uitgeladen en vervolgens zonder onnodige vertraging worden geslacht).
Daarnaast is het – om in Nederland een specifieke tijdslimiet van maximaal 15 minuten voor de wachttijd vast te leggen – noodzakelijk om een onderbouwing te geven dat 15 minuten voor alle situaties het maximaal toelaatbare is en dat overschrijding hiervan in alle gevallen tot aantasting van het dierenwelzijn leidt. Deze onderbouwing is niet mogelijk omdat de situatie ter plaatse per slachthuis verschilt, en de dierenwelzijnsimpact van 15 minuten wachttijd eveneens sterk kan verschillen, mede afhankelijk van de diersoort die wordt vervoerd en de buitentemperatuur en luchtvochtigheid en de voorzieningen en maatregelen die het slachthuis heeft getroffen voor wachtende wagens.
Bent u bereid om de snelheid van het slachtproces te verlagen, zodat minder dieren hoeven te worden aangevoerd, er minder fouten worden gemaakt die leiden tot vertraging van het slachtproces en dieren minder lang hoeven te wachten in bloedhete transportwagens?
Zoals gemeld in de Kamerbrief van 27 oktober 2020 (Kamerstuk 28 286, nr. 1131), zijn er geen juridische mogelijkheden om de bandsnelheid generiek te verlagen.
De NVWA kan, als er niet wordt voldaan aan de eisen voor o.a. dierenwelzijn of voedselveiligheid, handhavend optreden en bij individuele slachthuizen de bandsnelheid verlagen.
Kunt u bevestigen dat de Kamer al vier jaar lang oproept om over te gaan tot het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten naar maximaal dertig graden Celcius en de beleidsregel in augustus of september 2024 definitief in werking had moeten treden?
In het algemeen zijn oproepen en uitspraken van uw Kamer mij bekend.
Heeft u gezien dat de Kamer u afgelopen week opnieuw heeft verzocht om deze beleidsregel op zeer korte termijn in werking te laten treden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1716)?
Zie het antwoord op vraag 16.
Kunt u toezeggen dat u dit verzoek van de Kamer zult uitvoeren en de beleidsregel op zeer korte termijn in werking zult laten treden? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Voor de beleidsregel 30 graden geldt dat ik eerder de Kamer heb geïnformeerd dat ik aan de slag ga met het zoveel mogelijk wegnemen van de zorgen van ondernemers vanwege de te verwachten impact van het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport met mogelijke negatieve neveneffecten voor het dierenwelzijn. Hiertoe heb ik de NVWA en sector gevraagd om gezamenlijk de mogelijkheden en belemmeringen voor ’s nachts slachten te verkennen. Deze verkenning, waaronder een pilot voor ‘s nachts slachten op roodvleesslachthuizen, loopt op dit moment. Deze verkenning wil ik afronden. Daarnaast heeft de Europese Commissie mij gevraagd de maximumtemperatuur voor diertransport niet te verlagen zolang de onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening nog lopen. Verder heeft uw Kamer dit onderwerp controversieel verklaard (2025D28826).
Heeft u gezien dat de Kamer u ook heeft verzocht (Kamerstuk 36200 XIV, nr.6 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1526) om de maximumtemperaturen in lijn te brengen met deze EFSA-adviezen? Wat gaat u hiermee doen?
Zie mijn antwoord op vraag 18.
Kunt u toezeggen dat er deze hete dagen geen diertransporten plaatsvinden in Nederland?
Zie mijn antwoord op vraag 18.
Waarom heeft u nog steeds geen maatregelen getroffen voor een lagere stalbezetting in warme maanden, waardoor dieren weer worden opgesloten in snikhete stallen of in bloedhete vrachtwagens naar het slachthuis «moeten» worden afgevoerd, puur omdat anders de stal te vol dreigt te raken?
Een lagere stalbezetting betekent een fokbeperking opleggen. Hiervoor is geen onderbouwing.
Kunt u bevestigen dat dieren in het wild omgaan met hitte door bijvoorbeeld afkoeling te zoeken, zoals varkens doen met modderbaden? Deelt u de mening dat ook dieren in de veehouderij de mogelijkheid moeten hebben om hitte te vermijden en af te koelen?
Het handhaven van de lichaamstemperatuur wordt ook wel thermoregulatie genoemd. De wijze waarop dieren dit doen is afhankelijk van de diersoort. De overheid, houders van dieren, transporteurs en slachterijen onderstrepen het belang van het voorkomen of beperken van hittestress. Zij werken dan ook al jaren aan verschillende initiatieven in dit kader, zoals sectorprotocollen, financiering van wetenschappelijk onderzoek en het ontwikkelen van tools/manieren om hittestress te voorkomen. Ook is in de ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij de verplichting opgenomen dat alle veehouders in de gehele veehouderij een klimaatadaptatieplan dienen te hebben per 2027, met als doel om hitte- én koudestress te voorkomen.
Gaat u ervoor zorgen dat dieren in de veehouderij naar buiten kunnen en daar de mogelijkheden hebben om af te koelen, zoals met modderbaden of stofbaden?
Het is de plicht van veehouders om goed voor hun dieren te zorgen. Daar hoort ook bescherming tegen warmte bij. Een verplicht klimaatadaptatieplan is daarom ook onderdeel van de ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij. Door in een plan vast te leggen welke specifieke maatregelen de houder kan treffen bij hitte kan de houder op dergelijke momenten (preventief) handelen. Er zijn verschillende maatregelen mogelijk, ook als de dieren in de stal staan. Ik vertrouw daarbij op de kennis en kunde van de Nederlandse veehouders.
Kunt u bevestigen dat het wettelijk verplicht is om dieren in weilanden te beschermen tegen slechte weersomstandigheden, waaronder hitte (artikel 1.6, derde lid, Besluit houders van dieren)? Kunt u tevens bevestigen dat de Kamer in 2023 heeft verzocht om beschuttingsmogelijkheden voor weidedieren landelijk te verplichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1310)?
Geldende wet- en regelgeving is mij uiteraard bekend.
Hoe verklaart u het dat veel dieren in weilanden nog altijd niet worden beschermd tegen hitte, ondanks de wettelijke verplichting om dieren te beschermen en het verzoek vanuit de Kamer om beschuttingsmogelijkheden verplicht te stellen?
Het is de verantwoordelijkheid van de houders om hun dieren te voorzien van de benodigde beschutting tijdens warme dagen. De NVWA heeft in 2024 het gedrag van schapenhouders in het kader van bescherming tegen hitte in beeld gebracht in een doelgroepbeeld6. Hier kwamen verschillende factoren uit naar voren die van invloed zijn op het bieden van beschutting.
Bent u bereid om er op korte termijn voor te zorgen dat alle weilanden waar dieren worden gehouden beschikken over beschuttingsmogelijkheden, zoals bomen of schuilstallen?
Om dierhouders, gemeentes en provincies te ondersteunen bij het realiseren van beschuttingsmogelijkheden is het project «Beschutting voor dieren in de weide» binnen het programma Kennis op Maat goedgekeurd. Het doel van dit project is praktische en juridische kennis over beschutting te verspreiden onder verschillende stakeholders. Dit project loopt nu. Ik zal u voor het eind van het jaar informeren over de voortgang.
Kunt u bevestigen dat deze hete dagen strikt zal worden gehandhaafd indien mensen hun dieren onvoldoende bescherming bieden tegen de hitte? Zo nee, waarom niet?
De NVWA voert in periodes met hitte projectmatige inspecties uit en inspecteert ook houders risicogericht naar aanleiding van meldingen en handhaaft daarbij volgens het interventiebeleid.
Kunt u deze vragen één voor één en op korte termijn beantwoorden?
Ja.
De noodzaak van het stellen van een concrete maximumnorm om varkens te beschermen tegen ziekmakende giftige staldampen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat een hoge ammoniakconcentratie in varkensstallen betekent dat miljoenen varkens en biggetjes een groot risico lopen op, onder andere, longaandoeningen, borstvliesontstekingen, ontstoken ogen en meer gevallen van staartbijten?
Ammoniak kan bij hoge concentraties schadelijk zijn voor de gezondheid van varkens. De mate van schadelijkheid is naast de concentratie ook afhankelijk van de blootstellingsduur. De directe relatie tussen blootstelling aan ammoniak en ontstaan van gezondheidsproblemen is moeilijk vast te stellen, omdat vaak meerdere stalfactoren tegelijkertijd van invloed zijn op de gezondheid van de dieren.
Kunt u bevestigen dat de luchtkwaliteit in stallen volgens de wet niet schadelijk mag zijn voor varkens, maar dat de open norm effectief toezicht in de weg staat?
Het klopt dat de wetgeving voorschrijft dat het stalklimaat niet schadelijk mag zijn voor het varken. Dat volgt uit de algemene huisvestingsnorm (voor het houden van dieren voor de productie van dierlijke producten) van artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd (Kamerstuk 2023D09940) klopt het ook dat deze regelgeving niet vastlegt wanneer dit het geval is en daarmee een open norm bevat.
Kunt u bevestigen dat er al tenminste tien jaar aan de hand van onderzoek wordt geprobeerd om de handhaving van deze open norm te verbeteren?1
Er wordt inderdaad al lange tijd gewerkt aan het verder verbeteren van het dierenwelzijn voor varkens. In 2015 heeft de WUR in opdracht van het Ministerie van LNV onderzoek gedaan naar indicatoren die gebruikt kunnen worden door de varkenshouders en handhavers om inzicht te krijgen in situaties waarbij het stalklimaat onvoldoende gewaarborgd is en er mogelijk sprake is van verminderd dierenwelzijn en verminderde diergezondheid. Deze indicatoren zijn door de NVWA in 2018 opgenomen in het handhavingsprotocol dat gebruikt wordt om te bepalen of stalklimaat schadelijk is.
De praktijk heeft uitgewezen dat dit handhavingsprotocol onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht. Daarom heeft het Ministerie van LNV in 2022 in overleg met de NVWA aan Wageningen UR de opdracht gegeven om de mogelijkheden te onderzoeken om het huidige protocol aan te scherpen en te verduidelijken. Zodat NVWA-inspecteurs duidelijk kunnen vaststellen of het stalklimaat al dan niet schadelijk is. Dit onderzoek is eind december 2024 afgerond. De uitkomsten van dit onderzoek weeg ik mee in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.
Kunt u bevestigen dat een eerder opgesteld protocol voor het beoordelen van het klimaat in varkensstallen, onvoldoende bleek bij te dragen aan effectief toezicht?2
Ja, zoals reeds in het antwoord op vraag 3 is aangegeven heeft de praktijk uitgewezen dat het door de NVWA gehanteerde handhavingsprotocol onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht.
Kunt u bevestigen dat de Inspecteur-Generaal (IG) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2021 uw voorganger heeft geadviseerd om kwantitatieve doelvoorschriften in de wet- en regelgeving op te nemen, met tenminste een limiet voor ammoniak- en kooldioxideconcentraties, wat aanleiding is geweest voor de start van een werkgroep van de NVWA en uw ministerie om deze norm nader in te vullen zodat deze eindelijk handhaafbaar is? Kunt u bevestigen dat het uitgangspunt hierbij is geweest om te komen tot kwantitatieve normen voor gasconcentraties in de stal en deze wettelijk vast te leggen?3
Het klopt dat de Inspecteur-Generaal van de NVWA dit aan mijn voorganger heeft gevraagd. Naar aanleiding van dit verzoek hebben het Ministerie van LNV en de NVWA destijds samen besloten een werkgroep te starten om invulling te geven aan de open norm. Het uitgangspunt was om tot een kwantitatieve invulling van de open norm te komen.
Bent u op de hoogte van alle herhaalde toezeggingen sinds 2021 van uw voorganger(s) om tot invulling van deze open norm te komen, meest recent nog in 2023 (Kamerstuk 33 835, nr. 215)?
Ja.
Herinnert u zich dat de inzet was om vóór de zomer van 2023 eindelijk de open norm te hebben ingevuld?
Ja. Om tot invulling van deze open norm te kunnen komen is een nader onderzoek uitgezet. Helaas heeft dit onderzoek vertraging opgelopen. Het onderzoek is, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3, eind december 2024 opgeleverd.
Heeft u gezien dat het daarvoor uitgezette onderzoek door Wageningen University & Research (WUR) inmiddels is afgerond en dat het rapport «Effecten van ammoniak (NH3) op gezondheid en welzijn van varkens» eind december 2024 is gepubliceerd?4
Ja.
Deelt u de interpretatie dat de WUR concludeert dat het protocol dat de NVWA tot nu toe heeft gehandhaafd, ontoereikend is om ervoor de zorgen dat varkens niet in een schadelijk stalklimaat leven?
In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat de praktijk heeft uitgewezen dat dit handhavingsprotocol, dat gebaseerd is om omgevingsgerichte (ammoniak en CO2 gehaltes in de stallucht) en diergerichte indicatoren onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht. Wageningen UR stelt eveneens in het rapport dat de praktijk leert dat een handhavingsprotocol dat uitgaat van de combinatie van diergerichte en omgevingsgerichte indicatoren lastig is, en concludeert dat het gebruikte protocol met grenswaarden voor omgevings- en diergerichte waarnemingen aanpassing behoeft. Wageningen UR geeft in het onderzoek aan op welke punten het protocol verbeterd zou kunnen worden.
Deelt u de interpretatie dat het WUR-rapport concludeert dat een dergelijk handhavingsprotocol met een combinatie van diergerichte en omgevingsgerichte indicatoren lastig is?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat op basis van dit onderzoek niet anders kan worden geconcludeerd dan dat varkens binnen dit systeem ernstige gezondheidsrisico's blijven lopen zolang er niet wordt overgegaan tot het wettelijk vastleggen van een maximale kwantitatieve norm voor ammoniakconcentraties in varkensstallen?
Nee, die mening deel ik niet. Op grond van artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren mogen de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier. Daarmee is het niet per se nodig een maximale kwantitatieve norm voor ammoniakconcentraties in varkensstallen wettelijk vast te leggen.
Vindt u het «dierwaardig» als varkens in stallen moeten leven met ammoniakconcentraties waarbij ze ernstige gezondheidsrisico’s lopen?
Op grond van artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren mogen de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier. Dat geldt ook voor de ammoniakconcentratie in de stal.
Erkent u dat dit onderzoek (opnieuw) laat zien dat een ammoniakconcentratie boven 20 parts per million (ppm) schadelijk is voor varkens?
Wageningen UR concludeert dat er naar verwachting tot circa 20 ppm (parts per million) ammoniak amper of geen sprake is van schade, maar dan is de leefomgeving mogelijk wel minder aantrekkelijk voor de varkens. Zij stelt echter ook dat in de range van waarden waar de normstelling zou kunnen plaatsvinden, ook andere factoren redelijkerwijs relevant zijn. Zoals aansluiting bij internationale standaarden, meetbaarheid en handhaafbaarheid en mogelijk ook de praktische haalbaarheid.
Erkent u dat een norm van 20 ppm dan ook het maximum zou moeten zijn als je varkens wil beschermen tegen dreigende gezondheidsschade?
Uit het onderzoek van Wageningen UR blijkt dat een concentratie van ammoniak die hoger ligt dan 20 ppm, mede afhankelijk van de blootstellingsduur, een effect kan hebben op de in het onderzoek bestudeerde gebieden gezondheid & afweer, gedrag & stressfysiologie en productiviteit. Zoals vermeld in antwoord 13 zijn ook andere factoren redelijkerwijs relevant, zoals aansluiting bij internationale standaarden, meetbaarheid, handhaafbaarheid en mogelijk ook de praktische haalbaarheid. Ik neem dit alles mee in mijn overwegingen in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.
Bent u voornemens om, in lijn met het advies van het WUR-rapport, een kwantitatieve norm van maximaal 20 ppm voor varkensstallen vast te stellen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 14 aangegeven neem ik dit mee in mijn overwegingen in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan de vragen tijdig te beantwoorden.
Het EU-Mercosur-verdrag |
|
Christine Teunissen (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Op welke wijze geeft het kabinet concreet invulling aan de zin in het hoofdlijnenakkoord: «We willen niet importeren wat we niet mogen produceren» in relatie tot de Nederlandse inzet aangaande het EU-Mercosur-verdrag?
Het kabinet zal pas een positie bepalen over een mogelijk EU-Mercosur akkoord wanneer de onderhandelingen zijn afgerond en alle daartoe noodzakelijke stukken door de Europese Commissie ter besluitvorming aan de Raad worden aangeboden. Als besluitvorming gedurende deze kabinetsperiode plaatsvindt, dan zullen bij de standpuntbepaling ook relevante beleidsstandpunten uit het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma worden meegenomen.
Op dit moment beziet het kabinet de mogelijkheden om op Europees niveau eisen te stellen aan de invoer van producten die binnen de EU niet geproduceerd mogen worden, zoals opgenomen in het regeerprogramma.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Kamer zich al meerdere malen heeft uitgesproken tegen een EU-Mercosur-verdrag waarin de landbouw is opgenomen, onder meer in 2023 met de breed aangenomen motie Ouwehand c.s. (Kamerstuk 34 682, nr. 125) waarin het kabinet verzocht wordt «bij de Europese Commissie en in de Raad klip-en-klaar duidelijk te maken dat Nederland in ieder geval een EU-Mercosur-verdrag waarin de landbouw is opgenomen zal blokkeren» en waarbij het kabinet wordt verzocht «voor deze positie actief steun te vergaren bij de andere lidstaten en binnen een maand verslag te doen aan de Kamer.»?
Ja.
Op welke wijze voert het kabinet deze motie uit?
Het vorige kabinet heeft op 13 februari 2024 gereageerd1 op de motie van de leden Ouwehand en Grinwis c.s. van 1 februari 20242 met een vergelijkbare strekking. Die lijn is tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op 19 september jl. bevestigd door de Minister president.3
Nederland geeft zowel bij de Europese Commissie als bij andere lidstaten consequent aan dat een EU-Mercosur akkoord zeer gevoelig ligt in Nederland en er in het bijzonder zorgen bestaan binnen de landbouwsector over de landbouwafspraken in het EU-Mercosur onderhandelaarsakkoord uit 2019.
Heeft u de Europese Commissie geïnformeerd dat Nederland in ieder geval een EU-Mercosur-verdrag waarin de landbouw is opgenomen zal blokkeren, conform de motie Ouwehand c.s.? Zo nee, wanneer gaat u dat alsnog doen?
De Europese Commissie is bekend met de moties die uw Kamer heeft aangenomen over een EU-Mercosur akkoord. Voor wat betreft landbouw, geeft de Europese Commissie aan dat de afspraken over markttoegang voor landbouwproducten in het EU-Mercosur onderhandelaarsakkoord uit 2019 beperkt zijn, omdat er tariefcontingenten zijn opgenomen voor sensitieve producten.
Zoals bij u bekend, zal het kabinet pas een positie bepalen over een mogelijk EU-Mercosur akkoord op het moment dat de onderhandelingen zijn afgerond en alle daartoe noodzakelijke stukken door de Europese Commissie ter besluitvorming aan de Raad worden aangeboden.
Kunt u een overzicht geven van uw inspanningen op het onderhandelingsresultaat van dit verdrag te beïnvloeden en hoe dat zich verhoudt tot de duidelijke uitspraak van de motie Ouwehand c.s.?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, geeft Nederland consequent aan dat een EU-Mercosur akkoord zeer gevoelig ligt in uw Kamer. Ook bepleit Nederland binnen de EU dat een mogelijk EU-Mercosur akkoord een integraal associatieakkoord blijft, conform motie Teunissen c.s.4
Wat is de huidige positie van het kabinet over wat de EU-inzet zou moeten zijn voor het EU-Mercosur-verdrag?
Momenteel richt de Europese Commissie zich in de onderhandelingen met name op het maken van afspraken over het tegengaan van ontbossing en het opnemen van het klimaatakkoord van Parijs als essentieel element bij het verdrag. Dit is mede op verzoek van de lidstaten, waaronder eerder Nederland5, omdat de afspraken in het onderhandelaarsakkoord uit 2019 op dit terrein verder geconcretiseerd kunnen worden. Er wordt niet gesproken over herziening van de afspraken over markttoegang voor sensitieve landbouwproducten zoals die in 2019 zijn uit onderhandeld.
De Europese Commissie houdt de lidstaten op de hoogte van het verloop van de onderhandelingen, maar heeft de nodige ruimte om zelf tekstvoorstellen te doen aan de onderhandelingspartners, zonder deze vooraf bij de lidstaten te toetsen. Nederland zal een positie bepalen over een mogelijk EU-Mercosur verdrag op het moment dat de onderhandelingen zijn afgerond en er daadwerkelijk sprake is van besluitvorming.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp in de week van 11 november?
Ja.
Onveranderde structurele mishandeling van eenden bij transport, 6 jaar na beloofde beterschap |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de dronebeelden die zijn gemaakt door de Stichting Animal Rights bekeken, waarop te zien is dat eenden in de veehouderij, wanneer de eendenboer heeft besloten dat ze op transport moeten naar de slacht, nog altijd zeer ruw worden gevangen en ruw in transportkratten worden gesmeten en gepropt?1
Ik heb de door RTL Nieuws getoonde dronebeelden gemaakt door Animal Rights van het vangen van eenden gezien.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
Op de beelden getoond door RTL Nieuws is te zien dat de eenden ruw worden gevangen en geladen. Dat leidt tot onnodige stress en mogelijk tot pijn en lijden en dat is onacceptabel.
Heeft u ervan kennisgenomen dat RTL Nieuws heeft bevestigd dat de beelden bij zeven verschillende eendenbedrijven zijn gemaakt en dat overal is waargenomen dat er met de eenden wordt gegooid en gesmeten?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er dus niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel dierenleed? Zo nee, waarom niet?
Ik kan bevestigen dat op de beelden van RTL Nieuws te zien is dat eenden niet altijd op de juiste manier worden gevangen en geladen, en dat dit plaatsvindt bij meerdere bedrijven.
Wat vindt u ervan dat eenden in de veehouderij na een kort leven in dichte stallen, zonder zwemwater, met tot wel zeven eenden per vierkante meter, vlak voor hun dood ook nog eens in kratten worden gesmeten voordat ze worden gedood in slachthuizen?
Het vangproces moet zorgvuldig uitgevoerd worden, zonder ruw met de dieren om te gaan of met ze te gooien. Op de beelden is te zien dat het vangproces niet altijd zorgvuldig uitgevoerd wordt en dat vind ik onacceptabel.
Heeft u op de beelden gezien dat eenden regelmatig met hun hoofd klem komen te zitten tussen de kratten? Wat ging er door u heen toen u dit zag?
Ja, ik heb gezien dat een eend klem zat. Ik vind dit onacceptabel.
Deelt u het inzicht dat de eenden op de beelden ernstig lijden? Zo nee, waarom niet?
De manier van vangen die op de beelden te zien is, leidt tot onnodige stress en mogelijk tot pijn en lijden.
Vindt u de manier waarop deze eenden worden behandeld dierwaardig?
Nee, zo hoor je niet met dieren om te gaan.
Kunt u beschrijven hoe het slachtproces van eenden precies verloopt, vanaf het moment dat de vrachtwagen met de dieren opgestapeld in transportkratten het terrein van de eendenslachterij Tomassen Duck-To is opgereden?
De containers met dieren worden afgeladen van de vrachtwagen en ondergebracht in de aanvoerhal. De containers worden van daaruit een voor een op een transportband gezet. Vervolgens worden de dieren uit de kratten gehaald en aan de poten aangehangen aan de slachtlijn. Kort na het aanhangen worden de eenden bedwelmd door middel van het elektrisch waterbad. Daarna worden de bloedvaten in de hals doorgesneden, waardoor het dier dood gaat. Daarna worden de dieren verder uitgeslacht.
Bent u ermee bekend dat de eendenboeren en eendenslachterij Tomassen Duck-To in 2018 ook al in opspraak kwamen na undercoverbeelden die lieten zien dat eenden ernstig mishandeld worden wanneer de eendenboer ze laat vangen voor de slacht?2
Ja.
Heeft u gezien dat de sector zelf destijds beterschap beloofde en stelde dat er niet meer met eenden mag worden gegooid en dat het vangen en laden van de dieren rustig moet gebeuren?
Ja.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de beelden uit 2018 stelde: «Uit de beelden die u mij hebt toegestuurd blijkt een dergelijke minachting voor het welzijn van de dieren, in woord en daad, dat ik niet anders kan dan concluderen dat er sprake was van een bedrijfscultuur van veronachtzaming van het welzijn van de dieren»?3
Ja.
Ondersteunt u de NVWA in deze analyse over de situatie in 2018?
De beelden van 2018 lieten een aantasting van het dierenwelzijn tijdens het vangen van eenden zien. In dat opzicht ondersteun ik de analyse van de NVWA over de situatie in 2018.
Bent u ermee bekend dat de NVWA in 2018 zei dat ze in gesprek wilden gaan met de sector «om duidelijk te maken dat dit toch echt niet kan»?4
Ja.
Wat zegt het volgens u over de eendensector dat de NVWA duidelijk moet maken dat dieren geen dingen zijn waar je mee kan gooien en in kratten kan smijten en proppen?
Naar aanleiding van de beelden in 2018 is de eendensector met een set aan aangescherpte maatregelen gekomen om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt. De sector heeft hiermee laten zien dergelijke praktijken onacceptabel te vinden. Helaas moet ik constateren uit de recente beelden dat bedrijven zich niet altijd aan deze maatregelen houden, en dit is onacceptabel.
Deelt u het inzicht dat de nieuwe beelden pijnlijk duidelijk maken dat er in de eendensector nog steeds sprake is van minachting voor het welzijn van de dieren en dat er nog steeds sprake is van een bedrijfscultuur van veronachtzaming van het welzijn van de dieren, zoals de NVWA zes jaar geleden al vaststelde? Zo nee, waarom niet?
Ik concludeer aan de hand van de nieuwe beelden dat bij een aantal bedrijven het dierenwelzijn wordt geschaad door de eenden op een dergelijke manier ruw te vangen en te laden en dat dit onvoldoende verbetering laat zien ten opzicht van het beeld van 2018. Dat betreur ik en ik verwacht van de Nederlandse eendensector, dat zij zich aan de wet- en regelgeving en hun eigen aangescherpte maatregelen van 2018 houden en zelf actie ondernemen als blijkt dat dit niet het geval is.
Wat is uw verklaring voor het feit dat er zes jaar na de beloofde beterschap door de eendensector niks wezenlijks blijkt te zijn veranderd en dat eenden in de Nederlandse eendensector nog steeds ernstig worden mishandeld bij het vangen en laden voor de slacht?
Zoals in antwoord op vraag 16 aangegeven, verwacht ik van de eendensector dat zij toezien op het correct vangen en laden van eenden en dat zij maatregelen nemen wanneer het foutgaat. Dat gebeurt nu blijkbaar onvoldoende.
Bent u trots op de Nederlandse eendensector?
De Nederlandse eendensector draagt bij aan de economie en werkgelegenheid. Ik ben echter niet trots op hoe er met deze eenden wordt omgegaan op deze beelden. Dat moet echt anders.
Vindt u dat het afgelopen moet zijn met de ruwe behandeling van eenden bij het vangen voor de slacht, het gooien met dieren, het in kratten smijten en proppen van dieren; kortom, de dierenmishandeling en de overtredingen die we op de beelden kunnen zien in de eendenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Zoals de eenden op de beelden getoond door RTL Nieuws werden behandeld vind ik onacceptabel. Dat moet afgelopen zijn.
Heeft u gezien dat de eendenslachterij Tomassen Duck-To naar aanleiding van de recente beelden heeft aangegeven dat het vangen van eenden er «voor buitenstaanders al snel enigszins ruw kan uitzien»?5
Ja.
Wat vindt u van deze poging van de eendensector om de dierenmishandeling en het dierenleed die duidelijk op de beelden zijn te zien, te bagatelliseren?
Ik vind niet dat deze beelden moeten worden gebagatelliseerd. Tegen misstanden moet duidelijk stelling worden genomen. Iedere misstand is er één te veel.
Vindt u het geloofwaardig dat de eendenslachterij Tomassen Duck-To nu tegen RTL zegt het «te betreuren dat het nog steeds fout gaat»?
Ja.
Heeft u gezien dat de eendenslachterij heeft aangegeven het protocol «opnieuw onder de aandacht te brengen» en gaat «bezien» of ze de intensiteit van steekproeven gaan verhogen?
Ja.
Denkt u dat het opnieuw onder de aandacht brengen van het protocol dat in 2018 is opgesteld en het bezien of controles – door de sector zelf – moeten worden geïntensiveerd er nu opeens wel voor zorgen dat eenden niet meer worden mishandeld bij het vangen en laden voor transport naar de slacht? Zo ja, hoe denkt u dat het beeld dat Nederland heeft van u als Minister in dat geval zal zijn?
Ik ga ervan uit dat de eendensector in staat is ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet meer gebeuren, en dat het nogmaals tonen van deze beelden laat zien dat er meer voor nodig is dan in 2018. Helaas zijn de maatregelen van destijds onvoldoende gebleken, en ik verwacht dat de sector hier van leert.
Hoeveel eenden zijn er sinds de vorige belofte tot beterschap van de sector gevangen en in kratten gepropt voor de slacht? Wat vindt u ervan dat al die jaren de mishandeling van zoveel eenden gewoon doorging en dat niemand ingreep?
2018
8.353.093
6.616.540
1.736.553
8.109.684
6.581.028
1.528.656
4.564.103
3.687.120
876.983
6.630.707
5.268.572
1.362.135
6.131.236
4.576.241
1.554.995
5.772.155
4.335.987
1.436.168
3.299.155
2.499.836
799.319
Dit zijn de aantallen geregistreerd tot en met 5 september 2024 (bron: NVWA)
Er zijn in Nederland geen eenden gevangen voor de slacht in een ander land dan Nederland.
Zoals in antwoord op vraag 16 aangegeven, verwacht ik van de eendensector dat zij toezien op het correct vangen en laden van eenden en dat zij maatregelen nemen wanneer het fout gaat. De NVWA heeft toezicht gehouden op het vangen en laden, maar tijdens controles zijn geen overtredingen vastgesteld.
Welke maatregelen gaat u zelf treffen om ervoor te zorgen dat er een einde komt aan dit ernstige dierenleed?
Ik verwacht dat de eendensector zelf onderzoekt welke aanvullende aanpassingen in het vang- en laadproces nodig zijn, zodat onnodige stress, pijn en lijden bij de eenden vanaf nu voorkomen wordt. Ook verwacht ik van de eendensector dat zij er zelf op toeziet dat het welzijn van de eenden voldoende wordt gewaarborgd tijdens het vangen en laden, en waar dat nodig is passende maatregelen neemt. Daarvoor gaan de Staatssecretaris en ik samen met de NVWA nogmaals het gesprek met de sector voeren. De NVWA onderzoekt verder of met een aangepaste handhavingsaanpak de sector bewogen kan worden eenden zodanig te behandelen dat er geen onnodige stress, pijn of lijden ontstaat. Daarnaast beoordeelt de NVWA alle beelden gemaakt door Animal Rights en handhaaft waar mogelijk.
Hoe gaat u waarborgen dat de regels worden nageleefd en we niet over zes jaar opnieuw moeten constateren dat het dierenleed gewoon doorgaat?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 26.
Kunt u deze vragen voor Prinsjesdag 2024 beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.