Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
De stemming in het Europees Parlement over het burgerinitiatief My Voice, My Choice |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft het kabinet kennisgenomen van de resolutie van het Europees parlement die het burgerinitiatief My Voice, My Choice verwelkomt, waarin opgeroepen wordt om abortus te vergoeden die ondergaan wordt in een EU-lidstaat met ruimere abortuswetgeving?1
Ja, ik ben bekend met de resolutie van het Europees Parlement en met het burgerinitiatief My Voice, My Choice.
Kunt u bevestigen dat beleid en wetgeving over abortus geen Europese, maar een nationale bevoegdheid is?
De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).2 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.3 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.4 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.5 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst6 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unierechtelijke vrij-verkeersregels.
Erkent u dat met dit burgerinitiatief de nationale soevereiniteit van EU-lidstaten in de praktijk wordt geschonden?
Nee. Het initiatief roept op om lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben. Het is aan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) om hier een besluit over te nemen. Mocht de Commissie gehoor geven aan dit initiatief, dan kunnen lidstaten nog steeds zelf hun wet- en regelgeving over abortus bepalen.
De Commissie heeft het burgerinitiatief geregistreerd.7 Registratie van een burgerinitiatief vindt enkel plaats wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat is voldaan aan de relevante criteria voor registratie uit Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief. Eén van de criteria is dat het initiatief een onderwerp moet betreffen waarvoor de Commissie bevoegd is een voorstel in te dienen. Daarnaast mag het initiatief niet indruisen tegen de waarden van de Unie.8 Als het burgerinitiatief de nationale soevereiniteit zoals vastgelegd in het VWEU zou schenden, zou de Commissie het initiatief dus niet hebben geregistreerd.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat andere lidstaten of Europese gremia zich gaan bemoeien met op democratische wijze tot stand gekomen beleid en wetgeving ten aanzien van abortus in lidstaten?
Het zou onwenselijk zijn als de EU of haar lidstaten zouden handelen in strijd met de bevoegdheden die zijn vastgelegd in het VWEU. Bijvoorbeeld als de EU aan Nederland zou opleggen om de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) aan te passen. Als het om (seksuele en reproductieve) gezondheid gaat, is de EU bevoegd om lidstaten in hun beleid te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen, zoals ook is toegelicht in het antwoord op vraag 1. Bovendien is het binnen internationale en Europese samenwerking gebruikelijk dat landen het gesprek met elkaar aangaan over verschillende onderwerpen, óók over kwesties die tot de nationale bevoegdheden behoren. Zolang dit gesprek plaatsvindt binnen de kaders van het VWEU en met respect voor nationale democratische besluitvorming, is dit niet onwenselijk maar juist een belangrijk onderdeel van internationale samenwerking.
Hoe wenselijk zou u het vinden als Europese instanties of andere EU-lidstaten zich actief zouden gaan bemoeien met het Nederlandse beleid ten aanzien van abortus?
Zie antwoord vraag 4.
Is het kabinet het eens dat de wens van het burgerinitiatief en het Europees parlement in strijd is met artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat stelt dat eenieder recht heeft op bescherming – en dus ook het ongeboren leven?
Nee, dit burgerinitiatief (en toegang tot abortus in algemene zin) is niet in strijd met Europese grondrechten. In artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat dat eenieder recht heeft op leven, maar ongeborenen worden niet expliciet genoemd. Hoewel er geen overeenstemming bestaat over de vraag of mensenrechten van toepassing zijn op ongeborenen, zijn de verdragen waarin mensenrechten zijn vastgelegd over het algemeen pas na de geboorte van toepassing. Dat volgt onder andere uit artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Dit artikel stelt dat «alle mensen worden geboren in vrijheid en gelijkheid in waardigheid en rechten». Als het burgerinitiatief in strijd zou zijn met EU-grondrechten had de Commissie het initiatief niet geregistreerd. De Commissie registreert een burgerinitiatief immers alleen als deze voldoet aan de relevante criteria voor registratie in de Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief.
Deelt het kabinet de opvatting dat «grensverkeer» voor abortus – vanuit onder meer Polen, Malta, maar ook Duitsland en België – in de meeste gevallen geen betrekking heeft op medische noodsituaties waarin het leven van de moeder direct gevaar loopt?
In Nederland wordt niet geregistreerd waarom vrouwen kiezen voor een abortus. Dat geldt ook voor buitenlandse vrouwen die voor een zwangerschapsafbreking naar Nederland zijn afgereisd. Het is dus niet bekend hoeveel van deze vrouwen hun zwangerschap om medische redenen wil afbreken. De reden van hun keuze doet er ook niet toe. Een belangrijk uitgangspunt in de Wafz is immers dat de vrouw zélf bepaalt wat voor haar een noodsituatie is. Het maakt in die zin dus niet uit of haar noodsituatie van (ernstige) medische of van andere aard is.
Kunt u aangeven hoe het beleid en de wetgeving in Nederland zich verhoudt tot dit burgerinitiatief? Vergoedt Nederland op dit moment al abortussen van buitenlandse vrouwen?
In het burgerinitiatief wordt de Commissie opgeroepen om een financieringsmechanisme te ontwikkelen dat lidstaten kan ondersteunen bij toegang tot abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben.De subsidieregelingen voor abortus zijn van toepassing op behandelingen aan vrouwen die verzekerd zijn volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). In principe is dit iedereen die vast in Nederland woont of werkt. Voor vrouwen die voor abortuszorg vanuit het buitenland naar Nederland reizen is geen vergoeding.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de inhoud van het burgerinitiatief?
Het is aan de Commissie om een besluit te nemen over het burgerinitiatief. Binnen zes maanden na de bekendmaking van het initiatief maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend in een mededeling. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen.9 Naar aanleiding van de mededeling van de Commissie zal het kabinet het Nederlandse standpunt interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer ontvang daarover dan een BNC-fiche.10
Welke wegen ziet u om te bevorderen dat de Commissie niet meegaat in dit burgerinitiatief?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie-Stoffer c.s. over zich actief verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese verdragen (Kamerstuk 36 247, nr. 9)?
De motie-Stoffer c.s. verzoekt ons om ons actief te verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese Verdragen. Op dit moment zijn er geen concrete pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in de Europese Verdragen en is opvolging nu niet aan de orde.
Het bericht ‘Marijns zoon nam middelen van funcaps en overleed: “Er is geen drempel om deze shit te gebruiken”’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht in de Volkskrant waarin wordt beschreven hoe Marijns zoon is overleden na het gebruik van middelen die via zogenaamde «funcaps»-websites konden worden besteld?1
Wij vinden deze berichtgeving uitermate schokkend en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers.
Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Wel zijn wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart aan het brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Klopt het dat dergelijke websites op grond van de per 1 juli 2025 in werking getreden wetgeving geen synthetische drugs of nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) meer mogen aanbieden en leveren?
Het klopt dat er geen NPS meer mogen worden aangeboden of geleverd die vallen onder lijst IA van de Opiumwet welke op 1 juli 2025 van kracht is gegaan. Het betreft een drietal veel voorkomende stofgroepen die zijn afgeleid van harddrugs. Sinds het verbod op 1 juli 2025 mogen deze middelen uit deze stofgroepen niet meer verhandeld worden.
Er blijven echter NPS op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Dit kunnen middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Andere synthetische drugs zoals bijvoorbeeld MDMA of methamfetamine zijn al sinds de jaren 80 strafbaar onder lijst I, behorende bij de Opiumwet.
Op welke wijze wordt in de praktijk gehandhaafd op dit verbod? Kunt u toelichten hoeveel websites sinds de inwerkingtreding van de wet zijn gesloten, beboet of anderszins aangepakt wegens het aanbieden van middelen die onder de nieuwe Opiumwet vallen?
Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence) -onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren.
Indien sprake is van betalingen in virtuele valuta kan ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel. Sinds de inwerkingtreding van de lijst IA van de Opiumwet op 1 juli is een aantal acties uitgevoerd, waarbij inbeslagnames hebben plaatsgevonden en gemeenten zijn ingeschakeld voor bestuurlijke handhaving.
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Kunt u bevestigen dat het nog steeds mogelijk is om via eenvoudige zoekopdrachten online toegang te krijgen tot websites die partydrugs of designerdrugs aanbieden? Acht u dit, gezien de nieuwe wetgeving, een wenselijke situatie?
Het klopt dat er nog steeds toegang is tot websites die designerdrugs aanbieden. Er is ook nog steeds aanbod van middelen die (nog) buiten de Opiumwet vallen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, kunnen het middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Laten we hier helder in zijn, in alle gevallen vinden wij het onwenselijk als deze middelen illegaal worden verhandeld op het internet.
Waarom zijn deze websites nog actief, ondanks het generieke verbod op NPS? Ligt dit aan te beperkte handhavingscapaciteit, aan lacunes in de wetgeving, of aan andere factoren?
Ondanks de uitbreiding van de Opiumwet met stofgroepen van NPS zijn er nog steeds veel schadelijke middelen die niet onder de Opiumwet vallen. Vooral voor de zogenaamde grensvlakproducten is de handhaving complex, omdat op voorhand niet altijd duidelijk is onder welke wetgeving ze vallen.
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren in een brief.
Bestaat het risico dat buitenlandse webshops misbruik maken van mazen in de Nederlandse of internationale regelgeving om alsnog aan Nederlandse klanten te leveren? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit tegen te gaan?
Risico op misbruik van mazen in de regelgeving bestaat altijd. Daarom zetten wij ons in om de lacunes in de regelgeving te vinden en weg te nemen. Een goed voorbeeld hiervan is de nieuwe lijst IA van de Opiumwet. Door dit stofgroepenverbod kunnen we de handel in gevaarlijke designerdrugs tegengaan. Verder werken uitvoeringsorganisaties samen in meerdere samenwerkingsverbanden. De opsporingsdiensten staan middels verschillende samenwerkingsverbanden in contact met andere landen. Voorbeelden hiervan zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Welke aanvullende stappen bent u bereid te ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke websites sneller uit de lucht worden gehaald en dat toegang via reguliere zoekmachines onmogelijk wordt gemaakt?
Het kabinet wil al het aanbod en zeker ook het online aanbod van drugs tegengaan. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de onlinehandel in andere verboden middelen. Zoals aangekondigd op Prinsjesdag wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Verder is het een zeer beweeglijke markt van websites die snel weer verschijnen nadat ze offline gehaald worden, waardoor het belangrijk is voor de politie en de NVWA-IOD om gedegen onderzoek te doen naar de mensen en partijen achter deze websites.
Daarom gaan wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Overigens kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant. Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen kan worden verminderd. Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld juist het gebruik kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder over in eerdergenoemde brief.
Klopt het dat – zoals eerder door opsporingsdiensten aangegeven – niet alle instanties over de juiste technische middelen beschikken om te bepalen of een product onder de verboden stoffen valt? In hoeverre is deze situatie inmiddels verbeterd?
Het gaat niet alleen om technische middelen om te detecteren of een product verboden stoffen bevat, er is ook een inhoudelijke beoordeling nodig om te bepalen onder welke wetgeving een product valt. «Research chemicals» zijn een voorbeeld van zogenaamde «grensvlakproducten». Van deze producten is op voorhand niet altijd duidelijk onder welke wetgeving ze vallen.
Er zijn verschillende partijen betrokken bij de opsporing van verboden stoffen. Deze partijen hebben verschillende technische middelen beschikbaar. Zo is de politie in de operatie uitgerust met handheld drugstesters. Met deze drugstesters kunnen honderden stoffen worden gedetecteerd. In de forensische labs beschikt de politie daarnaast over geavanceerde forensische onderzoeks- en analyseapparatuur ten behoeve van de bewijsvoering in strafzaken. Bij de meer complexe zaken wordt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) betrokken. Om te bepalen of de Geneesmiddelenwet van toepassing is moet de IGJ van geval tot geval bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel valt. Dit zijn arbeidsintensieve onderzoeken. Opsporingsdiensten zoals de NVWA-IOD en de politie zijn voor deze inhoudelijke beoordeling afhankelijk van de expertise en capaciteit van de IGJ. In onze gesprekken met alle betrokken partijen wordt dit punt ook meegenomen.
Is de huidige handhavingscapaciteit, zowel technisch als personeelsmatig, toereikend om de online handel in verboden NPS daadwerkelijk effectief terug te dringen? Zo nee, welke knelpunten spelen hierbij?
Juist omdat deze handel vaak een veelheid aan producten betreft op het grensvlak van verschillende wetgeving met verschillende bevoegdheden voor de toezichthouder (Opiumwet, Geneesmiddelenwet, Wetboek van strafrecht en Warenwet) is samenwerking met betrokken diensten erg belangrijk. Voor alle toezichthoudende en handhavende partijen geldt dat zij te maken hebben met beperkte capaciteit, wat hierop van invloed is. Zoals reeds toegelicht, zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak, waarbij ook de mogelijkheid van aanpassing van wet- en regelgeving wordt meegenomen.
In hoeverre vormen buitenlandse websites een probleem bij de handhaving? Welke mogelijkheden heeft Nederland om aanbieders die vanuit het buitenland leveren te blokkeren of anderszins aan te pakken?
Het klopt dat de online handhaving lastiger wordt als een aanbieder van een bepaalde website zich in het buitenland bevindt. Nederlandse toezichthouders hebben geen bevoegdheid om websites van aanbieders die gevestigd zijn in het buitenland te blokkeren. Wel kunnen toezichthouders als de IGJ, de NVWA en de Politie bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze gedragscode en zelf een melding maken van een verdenking van illegale inhoud of illegale activiteit van een website.
De digitaledienstenverordening (DSA) is in 2024 in werking getreden en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe. Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Hoe beoordeelt u de huidige samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale opsporingsinstanties bij het aanpakken van grensoverschrijdende online verkoop van NPS? Zijn hier verbeteringen noodzakelijk?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het op 1 juli jl. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.
Op welke manier wordt in uw beleid geborgd dat het publiek – en met name jongeren en jongvolwassenen – actief wordt geïnformeerd over de risico’s van NPS en zogenaamde «funcaps»? Kun u hierbij ingaan op de relatie tot festivals?
Uit monitoring blijkt dat 10% van de volwassen Nederlanders het afgelopen jaar drugs had gebruikt (cijfers van 2024). Het overgrote deel van de Nederlanders gebruikt dus geen drugs. Door breed voor te lichten over de risico’s van drugs, kan het beeld ontstaan dat heel veel mensen drugs gebruiken en kan brede voorlichting of voorlichting onder te jonge kinderen daardoor juist bijdragen aan normalisering. In de voorlichting over drugs – waaronder NPS – richten we ons daarom op specifieke doelgroepen. Bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voortgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Het Trimbos-instituut heeft een uitgebreid aanbod voor publieksinformatie, met websites en informatielijnen. Deze kanalen worden goed bezocht door de doelgroep en zijn daarmee een effectieve manier om actief te informeren. Ten aanzien van festivals is het aan gemeenten en evenementen om invulling te geven aan voorlichting over de risico’s van het gebruik van drugs. Dit gebeurt bijvoorbeeld via Unity, een project waarbij medewerkers aanwezig zijn op festivals en bezoekers voorlichten over de risico’s van drugs. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een leidraad ontwikkeld met praktische tips voor maatregelen op dit terrein.2
Bent u bereid de voorlichtingscampagne over drugsgebruik uit te breiden met een waarschuwing over NPS en «funcaps»?
Afgelopen zomer is een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social media-campagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren. Bij de verdere uitwerking zullen wij de actuele ontwikkelingen rondom NPS en illegale medicijnen betrekken.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat jongeren, zoals in het beschreven geval, via laagdrempelige websites geconfronteerd worden met middelen die ernstige en soms fatale gezondheidsrisico’s met zich meebrengen?
Zoals toegelicht wordt door de handhavende partijen hard gewerkt aan het aanpakken van deze malafide websites, waarbij de handhavers worden geconfronteerd met uiteenlopende uitdagingen. Zodra een website uit de lucht is gehaald, verschijnt er vaak vrij snel weer een nieuwe vergelijkbare website. Daarom is het ook van groot belang om ervoor te zorgen dat jongeren, wanneer ze in aanraking komen met dergelijke websites, goed op de hoogte zijn van de risico’s. Het Trimbos-instituut vervult hierin een belangrijke rol door ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie over bekende risicovolle middelen hoog in de zoekresultaten verschijnt, zodat jongeren op een laagdrempelige wijze toegang hebben tot juiste en evenwichtige voorlichting. Ook ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen.
Wij gaan daarnaast onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen.
Het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren? Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026, juist zijn toegepast?
Het is aan de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester, en niet aan mij als Minister om te beoordelen wanneer zij hun bevoegdheden correct kunnen toepassen. De burgemeester legt voor zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg geeft in zijn raadsbrief2 van 13 januari 2026 aan dat op grond van de evenementenregeling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Tilburg is gehandeld. Op grond van de APV is aan de organisator medegedeeld dat er volgens het oordeel van de burgemeester sprake is van een onvergund evenement, en dat deze daarom op grond van de APV niet is toegestaan.
Hierna richt ik mij in de antwoorden op de gestelde vragen op de uitleg van de relevante wet- en regelgeving als zodanig en zal ik niet ingaan op de casuïstiek in de gemeente Tilburg.
Op grond van artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden mag de politie tijdens godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten slechts bij een ontdekking op heterdaad of na toestemming een ruimte bestemd voor dergelijke bijeenkomsten binnentreden. Voor de toepasselijkheid van deze norm is het dus van belang dat de eredienst bezig is en dat de ruimte bestemd is godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten.
Binnen een gebouw of besloten ruimte kan het belijden van een godsdienst op grond van artikel 6, eerste lid, Grondwet alleen in specifieke gevallen worden beperkt, die in een wet in formele zin worden bepaald. Denk daarbij aan bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die op grond van de hiervoor genoemde Algemene wet op het binnentreden in uiterste gevallen ook tijdens een godsdienstoefening kunnen worden gehandhaafd. Ook moeten kerken zich houden aan bepaalde algemene regels niet specifiek gericht zijn op het beperken van de vrijheid van godsdienst, zoals brandveiligheidsnormen of regels uit het omgevingsplan, ook als die in lagere regelgeving zijn vastgelegd.
De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft het lokale bestuur in lijn met artikel 6, tweede lid, Grondwet, bevoegdheden om religieuze manifestaties en betogingen buiten gebouwen of besloten plaatsen te reguleren, op een wijze die in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vereniging en vergadering. Van belang is dat de inhoudelijke (religieuze) boodschap van een manifestatie nooit reden kan zijn om over te gaan tot regulering (enkel ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden). In het uiterste geval kan een eredienst buiten een gebouw of besloten ruimte worden beëindigd, indien een van bovengenoemde gronden daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement, die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst wordt uitgehold?
Het is aan een gemeente en niet aan mij als Minister om in een concreet geval te bepalen, in overeenstemming met toepasselijke regelgeving, of een bijeenkomst binnen een gebouw als te vergunnen evenement moet worden beschouwd of het karakter heeft van een eredienst. Daarbij geldt in algemene zin het uitgangspunt dat de overheid zich terughoudend opstelt ten aanzien van het oordeel dat een bepaalde situatie geen bescherming geniet onder de vrijheid van godsdienst. Verder geldt dat een reguliere kerkdienst in een gebouw of besloten ruimte niet geldt als evenement in de zin van een vergunningenstelsel uit een gemeenteverordening. Dergelijke beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kunnen op grond van de Grondwet immers slechts bij wet in formele zin worden gesteld.
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?2
Het is aan de bevoegde organen van een gemeente om te beoordelen of een specifieke bijeenkomst in een gemeente bescherming geniet onder een van de genoemde grondwettelijk vrijheidsrechten. Burgemeester en wethouders leggen over de omgang met deze belangrijke grondrechten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Als daar aanleiding toe is, zijn de bevoegde organen van een gemeente bij de beoordeling van de aard van een bijeenkomst gehouden rekening te houden met mogelijke gelding van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vergadering en betoging. Het principe van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting brengen met zich mee dat de (religieuze) boodschap die bij een bijeenkomst wordt uitgedragen op zich geen reden mag zijn om een bijeenkomst te normeren.
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?3 Zo nee, waarom niet?
In Nederland is het recht om de godsdienst of levensovertuiging gezamenlijk te belijden een groot goed. Dit grondrecht om te kunnen leven volgens de diepste overtuigingen is een fundamentele pijler van de democratische rechtsstaat en wordt gewaarborgd door de Grondwet en mensenrechtenverdragen. Gelovigen kunnen erop vertrouwen dat dit recht wordt beschermd en dat zij hierbij kunnen rekenen op de overheid. Mocht in een concrete situatie sprake blijken van een handelwijze door de overheid die op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst, dan zijn er verschillende manieren om dit te adresseren of te repareren. Denk hierbij aan het stelsel van checks and balances in de lokale democratie en aan de toegang tot een onafhankelijke rechter die het openbaar bestuur kan corrigeren.
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan? In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Ja, wanneer een bijeenkomst onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt, moet de overheid bijzonder terughoudend optreden. Onder andere betekent deze terughoudendheid dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk en evenredig is en er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. Het voorkomen van wanordelijkheden kan in bepaalde gevallen een reden zijn voor een burgemeester om in te grijpen bij een godsdienstige bijeenkomst in de openbare ruimte. Bij bijeenkomsten binnen gebouwen geldt een nog hogere drempel voor binnentreden en eventuele interventie, zoals ik hierboven heb aangegeven. Of deze bevoegdheid in een specifieke lokale context juist is toegepast, en of bijvoorbeeld een juiste risico-inschatting is gemaakt, is niet aan mij om te beoordelen.
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Het is niet aan mij als Minister om me uit te spreken over hoe lokale overheden gemeentelijke normen handhaven. Het eventueel opstellen van richtlijnen en instructies daarbij is een kwestie van lokale autonomie. De gemeenteraad en in het uiterste geval de rechter controleren en beoordelen of deze bevoegdheden juist zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst te beëindigen?
Het opstellen en handhaven van een omgevingsplan is aan het gemeentebestuur. Wat precies mogelijk is onder een bestemming of functie in het omgevingsplan, is afhankelijk van de gebruiksregels die in een specifiek omgevingsplan aan de functie zijn gekoppeld. Functies in een omgevingsplan worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wat binnen een functie wel of niet mogelijk is moet gemotiveerd zijn door de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Dat betekent dat wordt gekeken naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een bepaald gebruik, zoals de toestroom van bezoekers en de geluidsproductie. Enkel het religieuze karakter van een activiteit kan geen reden zijn dat deze niet past binnen een bepaalde functie. Het kan wel zo zijn dat een bepaalde functie het houden van bijeenkomsten zoals een eredienst uitsluit, maar ook andere gebruiken met vergelijkbare gevolgen. In het algemeen geldt verder dat met een beroep op de godsdienstvrijheid niet zomaar aanspraak kan worden gemaakt op vrijstelling van een omgevingsplan.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip, escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van gemeenten te realiseren?4
Zonder een oordeel te vellen over deze kwestie, kan ik vaststellen dat zich in Nederland nauwelijks situaties voordoen waarbij een dienst wordt beperkt door het lokale bestuur of politieoptreden. Zoals ik hierboven heb aangegeven is het normenkader ten aanzien van de vrijheid van godsdienst van hoog niveau, en zijn er voldoende correctiemogelijkheden, mocht dit in uitzonderlijke gevallen niet juist worden toegepast. Ik zie dan ook op dit moment geen reden om, als verantwoordelijke Minister voor het stelsel van grondrechten in de Grondwet, stappen te ondernemen. De vrijheid van godsdienst is goed gewaarborgd.
Wel kan ik wijzen op de – ook door de Kamerleden aangehaalde – handreiking Tweeluik religie en publiek domein, dat in 2019 is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer door middel van een brief uitgelegd hoe deze handreiking blijvend onder de aandacht wordt gebracht van de gemeentebesturen.6
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Zie antwoord vraag 11.
Participatie van VN-rapporteur Albanese aan Al Jazeera conferentie met vertegenwoordigers van Hamas en Iran |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat VN Speciaal Rapporteur Francesca Albanese afgelopen weekend spreker was op een Al Jazeera-forum in Qatar en daar het podium deelde met Hamasvoorman Khaled Meshaal en de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi?1
In hoeverre brengt dit optreden de onafhankelijkheid en effectiviteit van het mensenrechtenonderzoek van Albanese in gevaar?
Hoe duidt u Albaneses uitspraak dat de mensheid in Israël «een gemeenschappelijke vijand» heeft?2 Zijn deze en andere uitingen van Albanese op het Al Jazeera Forum in strijd met de VN-gedragscode? Welke consequenties verbindt u daaraan?
Wat heeft Nederland tot nu toe bereikt door de Speciale VN-rapporteur voor de Palestijnse Gebieden te wijzen op (social media) uitingen die volgens Nederland haaks staan op de VN-gedragscode?3
Bent u bereid in voorkomende gevallen af te wijken van het zogeheten standing invitation beleid voor Speciaal Rapporteurs, als volhard wordt in het schenden van de gedragscode en overgebrachte zorgen naast zich neergelegd worden?
Bent u bereid om een formele klacht in te dienen over het functioneren van Speciaal Rapporteur Albanese bij het coördinatiecomité van VN-mandaathouders?
Welke mogelijkheden heeft u om samen met gelijkgezinde landen als Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en Italië op te trekken om ervoor te zorgen dat Albanese in lijn handelt met de VN-gedragscode?
Klopt het dat de Speciaal Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden aan haar tweede en laatste mandaat bezig is?
Wat heeft Nederland als lid van de VN-Mensenrechtenraad gedaan om de herbenoeming van mevrouw Francesca Albanese vorig jaar te voorkomen? Onder welke voorwaarden is Nederland uiteindelijk, bij consensus, akkoord gegaan met haar herbenoeming?
De terugroepactie van babyvoeding door Danone |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Danone roept al deze baby- en kindervoeding terug in Nederland»?1
Is er een indicatie dat in Nederland baby’s overleden zijn door de aanwezigheid van de giftige stof cereulide in melk? Bent u bereid de Kamer te informeren als hiervan sprake blijkt te zijn?
Kunt u, na afronding van het lopende NVWA-onderzoek, aangeven of Danone tijdig de publiekswaarschuwing heeft geplaatst?2
In hoeverre zijn verkooppunten van baby- en opvolgmelk wettelijk verplicht om klanten te compenseren bij een terugroepactie, bijvoorbeeld door vervanging met een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag?
Klopt de suggestie dat Nederland later in actie is gekomen dan autoriteiten in andere landen? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) andere criteria voor het terugroepen van babyvoeding dan toezichthoudende agentschappen elders in de EU?
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren? Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026, juist zijn toegepast?
Het is aan de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester, en niet aan mij als Minister om te beoordelen wanneer zij hun bevoegdheden correct kunnen toepassen. De burgemeester legt voor zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg geeft in zijn raadsbrief2 van 13 januari 2026 aan dat op grond van de evenementenregeling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Tilburg is gehandeld. Op grond van de APV is aan de organisator medegedeeld dat er volgens het oordeel van de burgemeester sprake is van een onvergund evenement, en dat deze daarom op grond van de APV niet is toegestaan.
Hierna richt ik mij in de antwoorden op de gestelde vragen op de uitleg van de relevante wet- en regelgeving als zodanig en zal ik niet ingaan op de casuïstiek in de gemeente Tilburg.
Op grond van artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden mag de politie tijdens godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten slechts bij een ontdekking op heterdaad of na toestemming een ruimte bestemd voor dergelijke bijeenkomsten binnentreden. Voor de toepasselijkheid van deze norm is het dus van belang dat de eredienst bezig is en dat de ruimte bestemd is godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten.
Binnen een gebouw of besloten ruimte kan het belijden van een godsdienst op grond van artikel 6, eerste lid, Grondwet alleen in specifieke gevallen worden beperkt, die in een wet in formele zin worden bepaald. Denk daarbij aan bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die op grond van de hiervoor genoemde Algemene wet op het binnentreden in uiterste gevallen ook tijdens een godsdienstoefening kunnen worden gehandhaafd. Ook moeten kerken zich houden aan bepaalde algemene regels niet specifiek gericht zijn op het beperken van de vrijheid van godsdienst, zoals brandveiligheidsnormen of regels uit het omgevingsplan, ook als die in lagere regelgeving zijn vastgelegd.
De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft het lokale bestuur in lijn met artikel 6, tweede lid, Grondwet, bevoegdheden om religieuze manifestaties en betogingen buiten gebouwen of besloten plaatsen te reguleren, op een wijze die in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vereniging en vergadering. Van belang is dat de inhoudelijke (religieuze) boodschap van een manifestatie nooit reden kan zijn om over te gaan tot regulering (enkel ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden). In het uiterste geval kan een eredienst buiten een gebouw of besloten ruimte worden beëindigd, indien een van bovengenoemde gronden daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement, die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst wordt uitgehold?
Het is aan een gemeente en niet aan mij als Minister om in een concreet geval te bepalen, in overeenstemming met toepasselijke regelgeving, of een bijeenkomst binnen een gebouw als te vergunnen evenement moet worden beschouwd of het karakter heeft van een eredienst. Daarbij geldt in algemene zin het uitgangspunt dat de overheid zich terughoudend opstelt ten aanzien van het oordeel dat een bepaalde situatie geen bescherming geniet onder de vrijheid van godsdienst. Verder geldt dat een reguliere kerkdienst in een gebouw of besloten ruimte niet geldt als evenement in de zin van een vergunningenstelsel uit een gemeenteverordening. Dergelijke beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kunnen op grond van de Grondwet immers slechts bij wet in formele zin worden gesteld.
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?2
Het is aan de bevoegde organen van een gemeente om te beoordelen of een specifieke bijeenkomst in een gemeente bescherming geniet onder een van de genoemde grondwettelijk vrijheidsrechten. Burgemeester en wethouders leggen over de omgang met deze belangrijke grondrechten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Als daar aanleiding toe is, zijn de bevoegde organen van een gemeente bij de beoordeling van de aard van een bijeenkomst gehouden rekening te houden met mogelijke gelding van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vergadering en betoging. Het principe van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting brengen met zich mee dat de (religieuze) boodschap die bij een bijeenkomst wordt uitgedragen op zich geen reden mag zijn om een bijeenkomst te normeren.
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?3 Zo nee, waarom niet?
In Nederland is het recht om de godsdienst of levensovertuiging gezamenlijk te belijden een groot goed. Dit grondrecht om te kunnen leven volgens de diepste overtuigingen is een fundamentele pijler van de democratische rechtsstaat en wordt gewaarborgd door de Grondwet en mensenrechtenverdragen. Gelovigen kunnen erop vertrouwen dat dit recht wordt beschermd en dat zij hierbij kunnen rekenen op de overheid. Mocht in een concrete situatie sprake blijken van een handelwijze door de overheid die op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst, dan zijn er verschillende manieren om dit te adresseren of te repareren. Denk hierbij aan het stelsel van checks and balances in de lokale democratie en aan de toegang tot een onafhankelijke rechter die het openbaar bestuur kan corrigeren.
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan? In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Ja, wanneer een bijeenkomst onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt, moet de overheid bijzonder terughoudend optreden. Onder andere betekent deze terughoudendheid dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk en evenredig is en er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. Het voorkomen van wanordelijkheden kan in bepaalde gevallen een reden zijn voor een burgemeester om in te grijpen bij een godsdienstige bijeenkomst in de openbare ruimte. Bij bijeenkomsten binnen gebouwen geldt een nog hogere drempel voor binnentreden en eventuele interventie, zoals ik hierboven heb aangegeven. Of deze bevoegdheid in een specifieke lokale context juist is toegepast, en of bijvoorbeeld een juiste risico-inschatting is gemaakt, is niet aan mij om te beoordelen.
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Het is niet aan mij als Minister om me uit te spreken over hoe lokale overheden gemeentelijke normen handhaven. Het eventueel opstellen van richtlijnen en instructies daarbij is een kwestie van lokale autonomie. De gemeenteraad en in het uiterste geval de rechter controleren en beoordelen of deze bevoegdheden juist zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst te beëindigen?
Het opstellen en handhaven van een omgevingsplan is aan het gemeentebestuur. Wat precies mogelijk is onder een bestemming of functie in het omgevingsplan, is afhankelijk van de gebruiksregels die in een specifiek omgevingsplan aan de functie zijn gekoppeld. Functies in een omgevingsplan worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wat binnen een functie wel of niet mogelijk is moet gemotiveerd zijn door de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Dat betekent dat wordt gekeken naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een bepaald gebruik, zoals de toestroom van bezoekers en de geluidsproductie. Enkel het religieuze karakter van een activiteit kan geen reden zijn dat deze niet past binnen een bepaalde functie. Het kan wel zo zijn dat een bepaalde functie het houden van bijeenkomsten zoals een eredienst uitsluit, maar ook andere gebruiken met vergelijkbare gevolgen. In het algemeen geldt verder dat met een beroep op de godsdienstvrijheid niet zomaar aanspraak kan worden gemaakt op vrijstelling van een omgevingsplan.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip, escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van gemeenten te realiseren?4
Zonder een oordeel te vellen over deze kwestie, kan ik vaststellen dat zich in Nederland nauwelijks situaties voordoen waarbij een dienst wordt beperkt door het lokale bestuur of politieoptreden. Zoals ik hierboven heb aangegeven is het normenkader ten aanzien van de vrijheid van godsdienst van hoog niveau, en zijn er voldoende correctiemogelijkheden, mocht dit in uitzonderlijke gevallen niet juist worden toegepast. Ik zie dan ook op dit moment geen reden om, als verantwoordelijke Minister voor het stelsel van grondrechten in de Grondwet, stappen te ondernemen. De vrijheid van godsdienst is goed gewaarborgd.
Wel kan ik wijzen op de – ook door de Kamerleden aangehaalde – handreiking Tweeluik religie en publiek domein, dat in 2019 is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer door middel van een brief uitgelegd hoe deze handreiking blijvend onder de aandacht wordt gebracht van de gemeentebesturen.6
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Zie antwoord vraag 11.
Het onderzoek van de Gezondheidsraad naar het voorschrijven van puberteitsremmers aan minderjarigen met genderdysforie |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van prof. mr. J.L. Smeehuijzen «De Gezondheidsraad en het reguleringsklimaat rond puberteitsremming bij minderjarigen» in het Nederlands Juristenblad?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van prof. Smeehuijzen ten aanzien van de onafhankelijkheid en de schijn van belangenverstrengeling van de leden van de commissie van de Gezondheidsraad die onderzoek doet naar gezondheidsrechtelijke en medische aspecten van het gebruik van puberteitsremmers bij minderjarigen met genderdysforie?
Hoe verhoudt in uw ogen de samenstelling van de genoemde commissie zich tot de «Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling» die de Gezondheidsraad verplicht zijn commissies zo samen te stellen dat het risico op kleuring van de oordeelsvorming door institutionele, professionele of persoonlijke belangen wordt geminimaliseerd en de geloofwaardigheid van het advies gewaarborgd blijft?
Hoe reageert u met name op het feit dat de helft van de commissie op een wezenlijke manier verbonden is met de interventie die zij moet beoordelen?
Kunt u aangeven hoe de interne controlemechanismen bij de Gezondheidsraad zijn georganiseerd als het gaat om de onafhankelijkheid van haar onderzoeken en de betrokken onderzoekers?
Hoe reflecteert u op de zeer beperkte juridische expertise die, blijkens de samenstelling ervan, in de commissie aanwezig is? Heeft u er vertrouwen in dat de commissie in staat is om een gefundeerd oordeel te vellen hoe de praktijk in Nederland zich verhoudt tot het geldende gezondheidsrechtelijke kader?
Wat is uw reactie op de zorgelijke opmerkingen die prof. Smeehuijzen maakt over het bredere Nederlandse reguleringsklimaat rond puberteitsremming? Hoe wordt, bij alle verwevenheid tussen klinische zorg, onderzoek en beleidsvorming, de onafhankelijkheid en onbevangenheid van wetenschappelijk onderzoek gewaarborgd?
Hoe waarborgt u als Minister van VWS uw eigen positie in dezen? Voert u, naast uw contacten met de betrokken Universitair Medisch Centra (UMC’s), ook het gesprek met artsen en wetenschappers die kritisch zijn op de Nederlandse praktijk ten aanzien van puberteitsremmers? Zo ja, hoe krijgt dit gestalte en in welke mate?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken van het onderzoek van de Gezondheidsraad precies is? Wanneer verwacht de commissie het onderzoek af te kunnen ronden?
Is het de bedoeling dat de herziening van het Kwaliteitskader Transgenderzorg pas wordt voltooid na ommekomst van het advies van het onderzoek van de Gezondheidsraad?
Gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in Koerdische wijken in Aleppo |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op berichten, onder meer van Reuters, over gevechten tussen het Syrische leger en de Syrian Democratic Forces (SDF)?1
In dit stadium is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welk geweld, en hoe de situatie tussen de Syrische overgangsregering en de SDF zich verder zal ontwikkelen. Wel is helder dat sprake is van meerdere dodelijke burgerslachtoffers en tientallen gewonden en dat duizenden burgers hun huis door het geweld hebben moeten ontvluchten. Het kabinet is bezorgd over het geweld in Aleppo en monitort de situatie, die inmiddels gestabiliseerd lijkt, nauwgezet.
Voor de stabiliteit van Syrië en de veiligheid en het welzijn van alle Syrische burgers is het cruciaal dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek blijven en niet over gaan tot geweld. In rechtstreeks contact, en ook via de EU, roepen wij hiertoe expliciet op. De EU riep via een verklaring op 10 januari jl. op tot een eind aan de vijandelijkheden, bescherming van burgers en toegang van humanitaire hulp.3
In de Kamerbrief van 19 september 20254 heeft het kabinet de inzet ten behoeve van een veilig en stabiel Syrië nader uiteen gezet.
Meent u dat een militaire operatie tegen de SDF in deze wijken gerechtvaardigd is? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is, in EU-verband, uw inzet om het vechten zo snel mogelijk te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat deze gevechten de veiligheid en gelijke rechten van de Koerden in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan, mede in het licht van de aangenomen motie-Ceder c.s.?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans op verdere escalatie? Wat is uw inzet voor een vrij en democratisch Syrië waarin alle minderheden, inclusief de Koerden, veilig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad op vrijdag 9 januari een bezoek brengen aan Syrië en de interim president ontmoeten? Acht u dit bezoek wenselijk in het licht van deze berichten? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid dit in EU-verband aan de orde te stellen?
Ja, de voorzitter van de Europese Commissie, mevrouw Von der Leyen, en de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, bezochten de Syrische overgangsregering op 9 januari in Damascus. Bij dit bezoek is het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie expliciet benoemd.
Syrië bevindt zich in een uitzonderlijke en fragiele situatie. Juist in deze overgangsfase is het van belang dat sprake is van directe contacten met de overgangsautoriteiten. Deze contacten stellen ons immers in staat om onze verwachtingen, waaronder ten aanzien van inclusiviteit, bescherming van burgers en mensenrechten, consequent onder de aandacht te brengen van de Syrische overgangsregering.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat van 13 januari aanstaande over de Raad Buitenlandse Zaken 29 januari 2026?
De Kamervragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
De stemming in het Europees Parlement over het burgerinitiatief My Voice, My Choice |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft het kabinet kennisgenomen van de resolutie van het Europees parlement die het burgerinitiatief My Voice, My Choice verwelkomt, waarin opgeroepen wordt om abortus te vergoeden die ondergaan wordt in een EU-lidstaat met ruimere abortuswetgeving?1
Ja, ik ben bekend met de resolutie van het Europees Parlement en met het burgerinitiatief My Voice, My Choice.
Kunt u bevestigen dat beleid en wetgeving over abortus geen Europese, maar een nationale bevoegdheid is?
De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).2 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.3 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.4 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.5 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst6 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unierechtelijke vrij-verkeersregels.
Erkent u dat met dit burgerinitiatief de nationale soevereiniteit van EU-lidstaten in de praktijk wordt geschonden?
Nee. Het initiatief roept op om lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben. Het is aan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) om hier een besluit over te nemen. Mocht de Commissie gehoor geven aan dit initiatief, dan kunnen lidstaten nog steeds zelf hun wet- en regelgeving over abortus bepalen.
De Commissie heeft het burgerinitiatief geregistreerd.7 Registratie van een burgerinitiatief vindt enkel plaats wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat is voldaan aan de relevante criteria voor registratie uit Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief. Eén van de criteria is dat het initiatief een onderwerp moet betreffen waarvoor de Commissie bevoegd is een voorstel in te dienen. Daarnaast mag het initiatief niet indruisen tegen de waarden van de Unie.8 Als het burgerinitiatief de nationale soevereiniteit zoals vastgelegd in het VWEU zou schenden, zou de Commissie het initiatief dus niet hebben geregistreerd.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat andere lidstaten of Europese gremia zich gaan bemoeien met op democratische wijze tot stand gekomen beleid en wetgeving ten aanzien van abortus in lidstaten?
Het zou onwenselijk zijn als de EU of haar lidstaten zouden handelen in strijd met de bevoegdheden die zijn vastgelegd in het VWEU. Bijvoorbeeld als de EU aan Nederland zou opleggen om de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) aan te passen. Als het om (seksuele en reproductieve) gezondheid gaat, is de EU bevoegd om lidstaten in hun beleid te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen, zoals ook is toegelicht in het antwoord op vraag 1. Bovendien is het binnen internationale en Europese samenwerking gebruikelijk dat landen het gesprek met elkaar aangaan over verschillende onderwerpen, óók over kwesties die tot de nationale bevoegdheden behoren. Zolang dit gesprek plaatsvindt binnen de kaders van het VWEU en met respect voor nationale democratische besluitvorming, is dit niet onwenselijk maar juist een belangrijk onderdeel van internationale samenwerking.
Hoe wenselijk zou u het vinden als Europese instanties of andere EU-lidstaten zich actief zouden gaan bemoeien met het Nederlandse beleid ten aanzien van abortus?
Zie antwoord vraag 4.
Is het kabinet het eens dat de wens van het burgerinitiatief en het Europees parlement in strijd is met artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat stelt dat eenieder recht heeft op bescherming – en dus ook het ongeboren leven?
Nee, dit burgerinitiatief (en toegang tot abortus in algemene zin) is niet in strijd met Europese grondrechten. In artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat dat eenieder recht heeft op leven, maar ongeborenen worden niet expliciet genoemd. Hoewel er geen overeenstemming bestaat over de vraag of mensenrechten van toepassing zijn op ongeborenen, zijn de verdragen waarin mensenrechten zijn vastgelegd over het algemeen pas na de geboorte van toepassing. Dat volgt onder andere uit artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Dit artikel stelt dat «alle mensen worden geboren in vrijheid en gelijkheid in waardigheid en rechten». Als het burgerinitiatief in strijd zou zijn met EU-grondrechten had de Commissie het initiatief niet geregistreerd. De Commissie registreert een burgerinitiatief immers alleen als deze voldoet aan de relevante criteria voor registratie in de Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief.
Deelt het kabinet de opvatting dat «grensverkeer» voor abortus – vanuit onder meer Polen, Malta, maar ook Duitsland en België – in de meeste gevallen geen betrekking heeft op medische noodsituaties waarin het leven van de moeder direct gevaar loopt?
In Nederland wordt niet geregistreerd waarom vrouwen kiezen voor een abortus. Dat geldt ook voor buitenlandse vrouwen die voor een zwangerschapsafbreking naar Nederland zijn afgereisd. Het is dus niet bekend hoeveel van deze vrouwen hun zwangerschap om medische redenen wil afbreken. De reden van hun keuze doet er ook niet toe. Een belangrijk uitgangspunt in de Wafz is immers dat de vrouw zélf bepaalt wat voor haar een noodsituatie is. Het maakt in die zin dus niet uit of haar noodsituatie van (ernstige) medische of van andere aard is.
Kunt u aangeven hoe het beleid en de wetgeving in Nederland zich verhoudt tot dit burgerinitiatief? Vergoedt Nederland op dit moment al abortussen van buitenlandse vrouwen?
In het burgerinitiatief wordt de Commissie opgeroepen om een financieringsmechanisme te ontwikkelen dat lidstaten kan ondersteunen bij toegang tot abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben.De subsidieregelingen voor abortus zijn van toepassing op behandelingen aan vrouwen die verzekerd zijn volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). In principe is dit iedereen die vast in Nederland woont of werkt. Voor vrouwen die voor abortuszorg vanuit het buitenland naar Nederland reizen is geen vergoeding.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de inhoud van het burgerinitiatief?
Het is aan de Commissie om een besluit te nemen over het burgerinitiatief. Binnen zes maanden na de bekendmaking van het initiatief maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend in een mededeling. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen.9 Naar aanleiding van de mededeling van de Commissie zal het kabinet het Nederlandse standpunt interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer ontvang daarover dan een BNC-fiche.10
Welke wegen ziet u om te bevorderen dat de Commissie niet meegaat in dit burgerinitiatief?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie-Stoffer c.s. over zich actief verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese verdragen (Kamerstuk 36 247, nr. 9)?
De motie-Stoffer c.s. verzoekt ons om ons actief te verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese Verdragen. Op dit moment zijn er geen concrete pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in de Europese Verdragen en is opvolging nu niet aan de orde.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Het bericht ‘ Demonstrant aangehouden bij abortuskliniek in Amsterdam’ |
|
André Flach (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in Het Parool van 6 november jl. over de aanhouding van een persoon die een eenmensprotest houdt bij de abortuskliniek in Amsterdam-Oost?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een eenmensprotest niet onder de Wet openbare manifestaties (Wom) valt en derhalve niet aan een kennisgevingsplicht is onderworpen, maar primair onder artikel 7 van de Grondwet valt? Zo nee, waarom niet?
Kenmerkend voor een demonstratie is dat hierbij een collectieve mening wordt geuit. Eenmensprotesten vallen daarom niet onder de bescherming van het demonstratierecht en de Wet openbare manifestaties (Wom), maar onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Dit betekent dat zulke protesten niet zijn onderworpen aan de kennisgevingsplicht, die de Wom voor demonstraties voorschrijft. Een gemeente kan wel in de algemene plaatselijke verordening (APV) regels stellen voor eenmensacties. Die regels mogen, net zoals bij demonstraties, niet gaan over de inhoud van de uiting.
Indien een waarnemer aanwezig is bij het eenmensprotest kan dit reden geven voor het lokaal gezag om te beoordelen of er nog langer sprake is van een eenmensprotest of van een demonstratie. Om te blijven spreken van een eenmensprotest is, zoals benoemd door de Nationale ombudsman, van belang dat er sprake is van een duidelijk onderscheid tussen de (eenmans)activist en de waarnemer. De politie gaat bij die beoordeling af op hetgeen zij waarneemt. Of de aanwezigheid van een waarnemer in een concrete situatie een collectief karakter geeft is afhankelijk van de context van deze situatie en is aan het lokaal gezag om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u de door sommige gemeenten gehanteerde opvatting dat de aanwezigheid van een waarnemer op afstand ertoe leidt dat sprake is van een «collectieve actie», in het licht van de opvatting van de Nationale ombudsman2 en juridische vakliteratuur3 dat een eenmensprotest haar karakter niet verliest door de aanwezigheid van een waarnemer?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat gemeenten, politie en Openbaar Ministerie grote terughoudendheid moeten betrachten bij het beperken of beëindigen van vreedzame eenmensprotesten, gelet op de ruime grondrechtelijke bescherming daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop specifiek wordt opgetreden en de vraag of een bepaalde activiteit onder de Wom of de APV valt, is aan het lokaal gezag. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt dat bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen. Dit kan worden meegewogen in de beoordeling om op te treden4.
Is het naar uw oordeel juridisch houdbaar dat gemeenten formele waarschuwingen of beperkingen baseren op de veronderstelling dat een eenpersoonsactie onder de Wom valt? Zo ja, op welke wettelijke grondslag berust dit?
Het is in de eerste plaats aan het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om te bepalen of een protestactie kan worden aangemerkt als een demonstratie en derhalve onder de Wom valt of niet. Het is niet aan het kabinet om in een concrete casus te oordelen of een dergelijke afweging juist is. Of iets juridisch houdbaar is, is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen.
Welke criteria worden door Politie en Openbaar Ministerie gehanteerd bij het besluit om een persoon die een vreedzaam eenmensprotest houdt aan te houden, indien er geen aanwijzingen bestaan voor strafbare feiten of verstoring van de openbare orde, bovendien in de wetenschap dat het aanmerken van een eenmensprotest als demonstratie discutabel is? Hoe wordt in dit kader de proportionaliteit en noodzakelijkheid van vrijheidsbeneming gewaarborgd?
Zoals genoemd is het in de eerste plaats aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of een bepaalde actie onder het demonstratierecht valt en of er sprake is van strafbare feiten of een verstoring van de openbare orde. De politie en het OM treden niet op als er geen aanwijzingen zijn voor strafbare feiten. De wijze waarop wordt gehandhaafd en welk strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk optreden passend is, is afhankelijk van de omstandigheden waarbij de burgemeester en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) dit ieder op hun eigen terrein zorgvuldig afstemmen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent oordeelde geldt in het bijzonder bij een abortuskliniek een bepaalde mate van orde en rust dient te heersen, dat kan in de beoordeling worden betrokken5. Dergelijke besluiten kunnen getoetst worden bij de rechter. De rechter toetst in haar beoordeling ook op proportionaliteit en noodzakelijkheid. Ik en de Minister van Justitie en Veiligheid treden hier niet in.
Erkent u dat de aanhouding van personen die op vreedzame wijze een eenmensprotest houden een intimiderende werking kan hebben en mogelijk een ontmoedigend effect op de uitoefening van grondrechten veroorzaakt? Hoe wordt dit effect voorkomen en op welke wijze wordt hiermee rekening gehouden in de beleidskaders voor het politieoptreden?
Iedereen in Nederland heeft het recht om te demonstreren en gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting. Hierbij geldt dat iedereen die protesteert, waaronder eenmensactivisten, zich moet houden aan de wet- en regelgeving. In de APV van een gemeente kunnen beperkingen worden verbonden aan een eenmensprotest. Het is aan het lokaal gezag om te beoordelen of een eenmensprotest vreedzaam is en aan de burgemeester en het OM of bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden nodig is.
Uit de praktijk blijkt dat gemeenten dit zorgvuldig doen en zich inspannen om de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid zoveel mogelijk te faciliteren. Wanneer een eenmensactivist zich niet houdt aan de beperkingen die uit de APV volgen of anderszins strafbare feiten pleegt, kan worden besloten de politie in te zetten om de situatie te beëindigen. Dat is in lijn met de geldende wet- en regelgeving. De geldende wet- en regelgeving bieden immers ruimschoots mogelijkheden aan burgers om van hun vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid gebruik te maken binnen de regels die daarvoor gelden.
Hoe heeft u uw toezegging4 van 22 januari 2025 gestand gedaan om gemeenten te voorzien van nadere richtlijnen of een geactualiseerde handreiking inzake de omgang met eenmensprotesten, opdat duidelijk is dat dit niet onder de Wom valt, en hoe de grondrechtelijke bescherming van artikel 7 lid 3 concreet moet worden toegepast? Kunt u de door u verspreide handreiking ook met de Kamer delen?
Naar aanleiding van deze toezegging zijn de bestaande instrumentaria met betrekking tot richtlijnen voor gemeenten inzake demonstraties en eenmensprotesten geanalyseerd. De conclusie is dat er al voldoende instructies zijn. Er bestaan diverse handreikingen over het demonstratierecht, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam.7 Hierin wordt ook ingegaan op eenmensprotesten. Daarnaast is er door de Rijksuniversiteit van Groningen een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen gratis en vrij toegankelijk informatie over het demonstratierecht kan inwinnen en een online adviestool kan raadplegen.8 Op deze website kan ook informatie worden gevonden over de thematiek van eenmensprotesten. Tot slot verwijzen wij naar de website van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.9 Hierop is praktische informatie over het demonstratierecht voorhanden, die toegankelijk is voor zowel adviseurs als bestuurders.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te waarborgen dat personen die een vreedzaam eenmensprotest houden in de toekomst niet onterecht worden belemmerd, bedreigd met sancties of aangehouden?
Voor zowel eenmensprotesten als demonstraties geldt dat zij niet onnodig mogen worden belemmerd wanneer zij als vreedzaam kunnen worden aangemerkt en zich begeven binnen de grenzen van de wet. In beide gevallen staat voorop dat de inhoud van de uiting, behalve wanneer dit strafbaar is gesteld, geen grond mag vormen voor beperkend overheidsoptreden. Tegelijkertijd vinden wij het belangrijk om te markeren dat eenmensprotesten en demonstraties niet in een vacuüm plaatsvinden en dat hierbij de rechten van anderen in het gedrang kunnen komen. In die gevallen is het belangrijk dat het lokaal gezag over de wettelijke ruimte beschikt om een adequate afweging te maken tussen de verschillende betrokken belangen. Bij de kabinetsreactie op het WODC-rapport «Het recht om te demonstreren in de democratische rechtstaat» zal het kabinet ingaan op de aanbevelingen met betrekking tot protestacties bij abortusklinieken. Dit doen wij tegen de achtergrond van recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip wanordelijkheden in de context van demonstreren bij abortusklinieken.
Het ontbreken van verdoving bij late zwangerschapsafbreking |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevinding van de beoordelingscommissie dat artsen bij late zwangerschapsafbreking (vanaf 24 weken) niet standaard verdoving toedienen aan het ongeboren kind?1
Ja.
Vindt u het ook afschuwelijk dat in Nederland blijkbaar ongeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap onverdoofd worden gedood? Kunt u de exacte cijfers delen hoe vaak in de afgelopen jaren onverdoofde late zwangerschapsafbreking heeft plaatsgevonden?
Naar aanleiding van de twee in 2024 ontvangen meldingen van een late zwangerschapsafbreking heeft de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (hierna: de commissie) geconstateerd dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard verdoving toedienen. De commissie geeft daarbij aan dat zij het toedienen van systemische verdoving aan de foetus bij late zwangerschapsafbreking zeer wenselijk acht. Dit is een aanbeveling aan het veld.
Ik kan mij goed voorstellen dat deze bevinding van de commissie vragen oproept.
Voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking categorie 12 of categorie 23 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend moet worden, zijn normen van de beroepsgroep leidend. Deze beroepsnormen zijn voor late zwangerschapsafbreking neergelegd in het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG).4 In dit protocol wordt «ter overweging» meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan.
De NVOG heeft aangegeven dat het veld in beweging is en dat de NVOG om die reden in januari 2024 is gestart met de revisie van het huidige modelprotocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de conceptfase.
Late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 vinden in principe zonder voorafgaande levensbeëindiging van de foetus plaats, tenzij ouders dit wensen. Het gaat hier om bevallingen die worden opgewekt. Sinds 1 februari 2024 worden late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 beoordeeld door de beroepsgroep van de NVOG, zoals ook het geval was vóór 1 februari 2016: de Commissie LZA1. Bij de casus die sindsdien bij de NVOG Commissie LZA1 gemeld zijn (in totaal nu 4) heeft er geen foetale levensbeëindiging plaatsgevonden zonder pijnstilling. De NVOG Commissie LZA1 heeft laten weten er voorstander van te zijn dat de foetus vooraf sedatie en pijnstilling krijgt, zoals opgenomen in de beoogde nieuwe kwaliteitsnorm die in ontwikkeling is.
De commissie heeft sinds 2016 tot op heden in totaal 57 meldingen ontvangen van een late zwangerschapsafbreking (zowel categorie 1 als categorie 2). Bij 34 van die 57 meldingen heeft foetale levensbeëindiging plaatsgevonden. In 26 gevallen was er sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen niet.
Wat vindt u van de aanbeveling van de beoordelingscommissie dat het zeer wenselijk is om systemische verdoving toe te passen? Waarom rept u in uw bijgaande Kamerbrief met geen woord over deze aanbeveling van de commissie?2
Navraag bij de commissie leert dat de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren van foetale levensbeëindiging het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017 als uitgangspunt hanteert. De commissie is bekend met de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient te worden en pijnstilling toegediend moet krijgen. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol van de NVOG zal de commissie volstaan met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus. Ik kan mij hierin vinden.
De Kamerbrief waarmee ik het jaarverslag van de commissie aan uw Kamer heb aangeboden strekt in de regel puur ter aanbieding van het jaarverslag en beoogt niet om bevindingen van de commissie daarin te herhalen of te benadrukken.
Waarom bestaat er geen medische richtlijn ten aanzien van het toedienen van verdoving of pijnbestrijding bij een late zwangerschapsafbreking?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat een dergelijke richtlijn voor het toedienen van verdoving bij late zwangerschapsafbreking in andere landen wel?
Navraag bij de NVOG leert dat er geen internationale richtlijnen voor het toedienen van verdoving aan de foetus zijn. Wel hebben zowel Nederlandse klinieken als klinieken in het buitenland hier lokale protocollen voor.
Oefent u druk uit op de Nederlandse beroepsgroep om zo’n richtlijn zo spoedig mogelijk op te stellen?
Het is de verantwoordelijkheid van de beroepsgroep om beroepsnormen op te stellen. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 en vraag 3 heb aangegeven, is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase.
Wat vindt u van de stelling van de commissie dat het ontbreken van verdoving géén invloed heeft op de beoordeling van de zorgvuldigheid van een melding, aangezien een richtlijn hiervoor ontbreekt? Bent u het eens dat het ontbreken van een richtlijn nooit reden kan zijn om een ongeboren kind pijn te laten lijden?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, hanteert de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren van een late zwangerschapsafbreking als uitgangspunt het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol van de NVOG waarin sedatie en pijnstilling aan de foetus worden voorgeschreven, volstaat de commissie op dit moment met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus.
Een arts moet op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Het is op grond van het huidige protocol aan de arts om te bepalen of pijnstilling en sedatie aan de foetus wordt gegeven. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is.
Wat vindt u ervan dat volgens de commissie in dit geval géén sprake was van een onzorgvuldigheid, in acht genomen dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren?3
Over de bevindingen van de commissie dat er geen sprake was van een onzorgvuldigheid verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 3 en vraag 7.
Ten aanzien van de stelling dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren, merk ik op dat het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex is. Het is niet eenduidig te zeggen wanneer en in welke situaties een foetus wel of geen pijn ervaart. Ik verwijs hierbij ook naar de beantwoording van eerdere Kamervragen van mijn ambtsvoorganger.7
In het rapport waar u naar verwijst van de Royal College of Obstetricians and Gynaecologists (RCOG) uit 2022 wordt aangegeven dat men terughoudend moet zijn met het interpreteren van foetaal gedrag als bewijs van pijnbeleving. Er wordt geconcludeerd dat tot op heden de beschikbare gegevens erop wijzen dat de mogelijkheid van pijnwaarneming vóór 28 weken zwangerschap onwaarschijnlijk is en dat er op dit moment geen basis is om analgesie of anesthesie toe te dienen aan een foetus voor een zwangerschapsafbreking in het eerste of tweede trimester om foetale pijnwaarneming te voorkomen. In het rapport wordt beschreven dat in het Verenigd Koninkrijk (net als in Nederland) praktijkvariatie bestaat voor wat betreft het wel of niet geven van pijnstilling bij foetale levensbeëindiging. Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het veld in beweging en is de NVOG om die reden gestart met de revisie van het bestaande modelprotocol en is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Ik wil daarbij aangeven dat het beoordelen van het wel of niet bestaan van een brede wetenschappelijke consensus op dit punt niet aan de commissie is, maar aan de beroepsgroep. De commissie toetst of de uitvoering van de late zwangerschapsafbreking medisch zorgvuldig is uitgevoerd op basis van geldende beroepsnormen.
Kunt u aangeven welke verplichtingen artsen op grond van het gezondheidsrecht hebben om pijn bij ongeboren kinderen te voorkomen?
Zoals in antwoord op vraag 7 is aangegeven, moet een arts op grond van artikel 2 Wkkgz goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Wat betreft de kwaliteitsstandaard verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u bevestigen dat het ontbreken van een medische richtlijn niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de arts om zelfstandig een verantwoorde behandelwijze te kiezen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017 en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is (artikel 2 Wkkgz).
Welke rol speelt hierbij volgens u het voorzorgsbeginsel, waarnaar ook in de uitleg van artikel 24 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (het recht op gezondheid) wordt verwezen?
Ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft het kind vanwege zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig, zowel vóór als na zijn geboorte. Hierbij moet schade voor de gezondheid van het kind zoveel mogelijk worden voorkomen. Op grond van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) wordt er bij een late zwangerschapsafbreking gekozen voor de, naar de stand van de wetenschap, meest veilige en minst belastende methode voor moeder en kind, gegeven de individuele medische achtergrond van de vrouw. Om te voorkomen dat de foetus pijn zou kunnen ervaren bij de uitvoering van een levensbeëindiging, is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus vooraf sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Bent u bekend met wetenschappers die stellen dat het ongeboren kind al in een veel vroeger stadium pijn ervaart, of dat pijn vóór 24 weken zwangerschap niet kan worden uitgesloten?4
Ja, daar ben ik mee bekend. Zoals ik in antwoord op vraag 8 heb aangegeven, is het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex. Het is dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart.
Kunt u bevestigen dat bij foetale chirurgie het gebruik van verdoving wél gebruikelijk is, in ieder geval bij een zwangerschap vanaf 16 weken, zoals ook blijkt uit een interview met foetaal chirurg Monique Haak?5
Navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het gebruik van verdoving bij foetale chirurgie inderdaad gebruikelijk is, maar niet in alle gevallen toegepast wordt.
Is de praktijk van het standaard toepassen van verdoving bij foetale chirurgie verplicht in een richtlijn? Zo ja, heeft deze richtlijn ook betrekking op chirurgische handelingen bij zwangerschappen vóór 24 weken?
Navraag bij de NVK en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het standaard toedienen van pijnstilling aan de foetus niet voorgeschreven is in een richtlijn en ook niet in alle gevallen toegepast wordt. Er is ook geen wetenschappelijke consensus die maakt dat je dat kunt verplichten (zo blijkt ook uit het eerder aangehaalde rapport van de RCOG). Soms zijn er technische omstandigheden waardoor de foetaal chirurg het niet zal of kan geven.
Klopt het dat bij abortus voor 24 weken het toedienen van verdoving niet verplicht is?
Navraag bij het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) leert dat dit klopt. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder heeft aangegeven in antwoord op Kamervragen, is het aan de beroepsgroep van abortusartsen om het beleid voor pijnbestrijding vorm te geven. Richtlijnen worden door het NGvA periodiek naar de laatste stand van de wetenschap herzien. Abortuszorg vindt altijd plaats volgens deze richtlijnen en is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Bij abortusbehandelingen wordt altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding. Deze pijnbestrijding voor de vrouw bereikt ook de placenta en het embryo of de foetus. Mogelijke foetale pijn wordt tijdens een abortus door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.10
Als het zo is dat in richtlijnen voor foetale of prenatale chirurgie verdoving wél standaard is, maar bij abortus en late zwangerschapsafbreking niet, wat vindt u daar dan van?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 14 heb aangegeven, is het standaard toedienen van verdoving aan de foetus bij foetale of prenatale chirurgie niet voorgeschreven in een richtlijn.
En zoals ik in antwoord op vraag 15 heb aangegeven, wordt ook bij een reguliere, instrumentele abortus (tot 24 weken) altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding waarmee ook het embryo of de foetus bereikt wordt.
De concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking schrijft voor dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging wordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt. Dat vind ik een goede ontwikkeling.
Hoe beoordeelt u dit verschil in het licht van het non-discriminatiebeginsel?
Artsen moeten handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaard wordt bepaald door richtlijnen die zelf door de beroepsgroep zijn opgesteld en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke consensus binnen de beroepsgroep naar stand van de wetenschap en praktijk. Er zijn verschillende kwaliteitsnormen en richtlijnen voor foetale therapie, een zwangerschapsafbreking tot 24 weken en een late zwangerschapsafbreking. Daarbij geldt uiteraard dat een arts gelijke gevallen gelijk moet behandelen. Het gaat hier echter om verschillende medische verrichtingen in verschillende medische situaties.
Bent u het eens dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen van morele en ethische betekenis is, ook al kunnen zij hierop niet zelf reflecteren?
Evenals de NVOG ben ik van mening dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen inderdaad van morele en ethische betekenis is. Echter is, zoals ik in antwoord op vraag 2 en vraag 8 heb aangegeven, het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex en is het dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart. Desalniettemin vind ik het een goede ontwikkeling dat in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging plaatsvindt, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.
Bent u, alles overwegende, bereid om een grondige bezinning te starten op het ervaren van pijn bij ongeboren kinderen en het (uit voorzorg) toepassen van verdoving bij zowel abortus als late zwangerschapsafbreking?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven zijn medische richtlijnen en protocollen van de beroepsgroep hierin leidend. Wat late zwangerschapsafbreking betreft is er het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017). De herziening van het protocol bevindt zich in de conceptfase. Wat abortus betreft, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 15.
Bent u het eens dat het beëindigen van de zwangerschap na 24 weken in allerlei opzichten dusdanig ingrijpend is, dat het eigenlijk in Nederland niet zou moeten voorkomen?
Een late zwangerschapsafbreking is een zeldzame gebeurtenis en gebeurt alleen als het kind niet levensvatbaar is of een dusdanig ernstige afwijking heeft dat er sprake zal zijn van uitzichtloos lijden na de geboorte. De stap om hiertoe over te gaan wordt in alle zorgvuldigheid met ouders en behandelteam afgewogen en deze beslissing wordt niet licht genomen. Er is sprake van een gewenste zwangerschap en ouders die deze moeilijke beslissing nemen willen het toekomstig leed dat hun kind te wachten staat vermijden. Ik zie geen reden om het beleid ten aanzien van late zwangerschapsafbreking te wijzigen.
Het bericht 'Coöperatie Laatste Wil komt met nieuwe levenseindemethode' |
|
Harmen Krul (CDA), Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Coöperatie Laatste Wil komt met nieuwe levenseindemethode»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Wat is uw reactie op het feit dat Coöperatie Laatste Wil (CLW) weer met een nieuwe methode voor zelfdoding komt?
Het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan, onder meer via de media, vind ik onwenselijk. Verder vind ik het zorgelijk dat Coöperatie Laatste Wil (hierna: CLW) de grenzen van de wet blijft opzoeken en op deze manier mensen in een kwetsbare positie in gevaar brengt. Waar het gaat om hulp bij zelfdoding of euthanasie kent Nederland een wettelijk kader waarmee uitsluitend artsen bevoegd zijn om dit, met inachtneming van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, uit te voeren. Verder is de inzet van het kabinet juist om het aantal suïcides terug te dringen, onder andere door de toegang tot dodelijke middelen te beperken, het taboe op het gesprek over zelfdoding te doorbreken en mensen met suïcidaliteit laagdrempelig te ondersteunen via de hulplijn van Stichting 113 Zelfmoordpreventie.
Deelt u de grote zorg van deze leden wat dit bericht kan veroorzaken bij mensen in kwetsbare omstandigheden?
Ja, ik deel deze zorg. Voorkomen moet worden dat mensen – al dan niet in een kwetsbare positie – een laagdrempelig aanbod krijgen om over te gaan tot zelfdoding. Daarom wordt in het kader van suïcidepreventie blijvend ingezet op het beperken dan wel opwerpen van belemmeringen van toegang tot dodelijke middelen. Op die manier wordt gewerkt aan een effectieve manier om impulsieve, eenzame en radeloze zelfdodingen te voorkomen.
Hoe rijmt u de ruimte die CLW krijgt om nieuwe zelfdodingsmethodes te verspreiden met uw inzet om het aantal suïcides omlaag te brengen?
Het kabinet blijft onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides, onder meer via de landelijke agenda suïcidepreventie. Ook faciliteert de overheid de hulplijn van Stichting 113 Zelfmoordpreventie waar mensen met suïcidale gedachten gratis, anoniem en 24 uur per dag in gesprek kunnen. Suïcidale gedachten zijn namelijk vaak heel lang wél omkeerbaar. Dan kan laagdrempelige hulp het verschil maken.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, vind ik het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes onwenselijk. Suïcidepreventie is een maatschappelijk vraagstuk en daar hoort het veilig praten over zelfdoding in nieuwsberichten en andere (informatieve) media-uitingen ook bij. Mede dankzij de inzet van Stichting 113 Zelfmoordpreventie is er binnen redacties steeds meer aandacht voor de wijze waarop over suïcides wordt bericht.
Wat vindt u ervan dat CLW keer op keer nieuwe methodes aankondigt bij haar leden en op die manier verwachtingen wekt, terwijl de praktische en juridische mogelijkheden nog in het geheel niet zijn doordacht?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 2 vind ik het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan, onder meer via de media, onwenselijk. Ik vind het zorgelijk dat CLW met haar activiteiten de grenzen van de wet blijft opzoeken en op deze manier mensen in een kwetsbare positie in gevaar brengt. Daarnaast kan CLW inderdaad mogelijk verkeerde verwachtingen wekken over de strafbaarheid van het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan. Het is namelijk niet aan CLW, maar aan het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of bepaalde handelingen wel of niet strafbaar zijn en of iemand daarvoor vervolgd kan worden.
Welk instrumentarium heeft u om mensen in kwetsbare omstandigheden hiertegen te beschermen en acht u dat afdoende? Kunt u dit toelichten?
Op grond van artikel 294 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is het strafbaar om opzettelijk een ander tot zelfdoding aan te zetten respectievelijk om opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam te zijn of hem daartoe de middelen te verschaffen, als de zelfdoding daarop volgt.
Daarnaast blijft het kabinet onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides door het onderwerp te agenderen en bespreekbaar te maken en door het financieren van de vierde landelijke agenda suïcidepreventie. Daarnaast biedt de Wet integrale suïcidepreventie, die op 1 januari 2026 in werking treedt, ondersteuning aan partijen om een samenhangende aanpak rondom suïcidepreventie op te stellen. Deze wet geeft de overheid ook de opdracht om de al bestaande hulplijn zelfmoordpreventie te blijven faciliteren. Hier kunnen mensen met suïcidale gedachten daarover gratis, anoniem en 24 uur per dag in gesprek.
Het wettelijk instrumentarium in combinatie met het suïcidepreventiebeleid van het kabinet is onder meer bedoeld om mensen in een kwetsbare positie te beschermen en is mijns inziens voldoende.
Heeft u contact met experts en 113 over de gevolgen van deze acties en kunt u de bevindingen delen?
Ja, ik heb contact met experts van 113 Zelfmoordpreventie over de gevolgen van de acties van CLW. 113 Zelfmoordpreventie deelt mijn zorgen hierover. De experts geven aan dat het belangrijk is om het maatschappelijke gesprek te voeren over het levenseinde, en de manier waarop mensen daarin zelf de regie kunnen behouden. Daarbij is ook de manier waarop een dergelijk gesprek wordt gevoerd van belang. Het benoemen van zelfdodingsmethodes is volgens de experts geen veilige manier. Sterker nog, onderzoek laat zien dat berichtgeving over zelfdodingsmethodes de drempel tot zelfdoding kan verlagen voor mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden, bijvoorbeeld omdat ze psychische klachten of schulden hebben.2, 3, 4
Op welke manier gaat u kwetsbare mensen beschermen die een zelfdodingswens hebben en bij CLW aankloppen?
Ik heb geen zicht op mensen in een kwetsbare positie die een zelfdodingswens hebben en daarmee bij CLW aankloppen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 blijft het kabinet onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides. Onderdeel van dit beleid is het beperken van de toegang tot dodelijke middelen, om ook op die manier mensen in een kwetsbare positie te beschermen.
Kunt u beoordelen of de nieuwe methode en de manier waarop CLW die wil verspreiden toegestaan zijn volgens het strafrecht? Indien het niet of mogelijk niet is toegestaan, wat gaat u dan doen?
Op grond van artikel 294 lid 2 Sr is het strafbaar om een ander bij zelfdoding behulpzaam te zijn of die ander daartoe middelen te verstrekken. Volgens de Hoge Raad is daarbij relevant of iemand met zijn handelen het voor een ander «mogelijk of gemakkelijk» heeft gemaakt zichzelf te doden. Op grond van de bestaande jurisprudentie is in ieder geval duidelijk dat als de zelfdoding slaagt, het verstrekken van het gebruikte zelfdodingsmiddel valt onder de strafbaarstelling van dit artikel. Ook is duidelijk dat het in georganiseerd verband behulpzaam zijn bij zelfdoding of het verstrekken van een zelfdodingsmiddel kan leiden tot een veroordeling wegens artikel 140 Sr (deelname aan een criminele organisatie), ook als de zelfdoding nog niet heeft plaatsgevonden. Het OM heeft de Minister van Justitie en Veiligheid laten weten dat het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of hetgeen CLW van plan is te doen (onder begeleiding vervaardigen van een zelfdodingsmiddel) valt onder een van de genoemde strafbaarstellingen. Het is aan het OM om te beoordelen of iemand wordt aangemerkt als verdachte van hulp bij zelfdoding en uiteindelijk aan de rechter om de strafbaarheid te bepalen.
Welke strafrechtelijke onderzoeken lopen er momenteel gerelateerd aan CLW?
In zijn algemeenheid geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid kan bevestigen noch ontkennen of tegen bepaalde natuurlijke of rechtspersonen strafrechtelijke onderzoeken lopen, nu daardoor de mogelijkheid bestaat dat daardoor een lopend, maar nog niet door het OM naar buiten gebracht onderzoek zou kunnen worden geschaad. Om deze reden kan niet worden gezegd of er strafrechtelijke onderzoeken lopen gerelateerd aan CLW. Wel kan worden vastgesteld dat er momenteel geen onderzoeken lopen waarover het OM zelf naar buiten is getreden.
Wanneer is wat u betreft de maat vol met de proefballonnen die CLW oplaat en onderneemt u stappen om CLW op basis van het Burgerlijk Wetboek artikel 2:20 te verbieden?
Op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan het OM de rechtbank verzoeken een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden te verklaren en te ontbinden. Van strijd met de openbare orde is sprake als het doel of de werkzaamheid leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Gelet op de grondwettelijk verankerde vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering, past het OM wel terughoudendheid bij het doen van een dergelijk verzoek. Het OM heeft de Minister van Justitie en Veiligheid laten weten op te zullen treden als blijkt dat de strafrechtelijke grenzen worden overschreden of wanneer het vermoeden ontstaat dat CLW werkzaamheden uitvoert die in strijd zijn met de openbare orde.
In de procedure op grond van art. 2:20 BW heeft de Minister van Justitie en Veiligheid geen formele bevoegdheid. Het is dus ook niet aan hem om de door u gevraagde stappen te zetten. Wel is de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van art. 127 Wet op de rechterlijke organisatie bevoegd het OM daartoe een bijzondere aanwijzing te geven. De Minister van Justitie en Veiligheid ziet geen aanleiding om in dit geval van deze bijzondere aanwijzingsbevoegdheid gebruik te maken.5
Het bericht ‘Marijns zoon nam middelen van funcaps en overleed: “Er is geen drempel om deze shit te gebruiken”’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht in de Volkskrant waarin wordt beschreven hoe Marijns zoon is overleden na het gebruik van middelen die via zogenaamde «funcaps»-websites konden worden besteld?1
Wij vinden deze berichtgeving uitermate schokkend en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers.
Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Wel zijn wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart aan het brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Klopt het dat dergelijke websites op grond van de per 1 juli 2025 in werking getreden wetgeving geen synthetische drugs of nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) meer mogen aanbieden en leveren?
Het klopt dat er geen NPS meer mogen worden aangeboden of geleverd die vallen onder lijst IA van de Opiumwet welke op 1 juli 2025 van kracht is gegaan. Het betreft een drietal veel voorkomende stofgroepen die zijn afgeleid van harddrugs. Sinds het verbod op 1 juli 2025 mogen deze middelen uit deze stofgroepen niet meer verhandeld worden.
Er blijven echter NPS op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Dit kunnen middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Andere synthetische drugs zoals bijvoorbeeld MDMA of methamfetamine zijn al sinds de jaren 80 strafbaar onder lijst I, behorende bij de Opiumwet.
Op welke wijze wordt in de praktijk gehandhaafd op dit verbod? Kunt u toelichten hoeveel websites sinds de inwerkingtreding van de wet zijn gesloten, beboet of anderszins aangepakt wegens het aanbieden van middelen die onder de nieuwe Opiumwet vallen?
Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence) -onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren.
Indien sprake is van betalingen in virtuele valuta kan ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel. Sinds de inwerkingtreding van de lijst IA van de Opiumwet op 1 juli is een aantal acties uitgevoerd, waarbij inbeslagnames hebben plaatsgevonden en gemeenten zijn ingeschakeld voor bestuurlijke handhaving.
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Kunt u bevestigen dat het nog steeds mogelijk is om via eenvoudige zoekopdrachten online toegang te krijgen tot websites die partydrugs of designerdrugs aanbieden? Acht u dit, gezien de nieuwe wetgeving, een wenselijke situatie?
Het klopt dat er nog steeds toegang is tot websites die designerdrugs aanbieden. Er is ook nog steeds aanbod van middelen die (nog) buiten de Opiumwet vallen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, kunnen het middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Laten we hier helder in zijn, in alle gevallen vinden wij het onwenselijk als deze middelen illegaal worden verhandeld op het internet.
Waarom zijn deze websites nog actief, ondanks het generieke verbod op NPS? Ligt dit aan te beperkte handhavingscapaciteit, aan lacunes in de wetgeving, of aan andere factoren?
Ondanks de uitbreiding van de Opiumwet met stofgroepen van NPS zijn er nog steeds veel schadelijke middelen die niet onder de Opiumwet vallen. Vooral voor de zogenaamde grensvlakproducten is de handhaving complex, omdat op voorhand niet altijd duidelijk is onder welke wetgeving ze vallen.
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren in een brief.
Bestaat het risico dat buitenlandse webshops misbruik maken van mazen in de Nederlandse of internationale regelgeving om alsnog aan Nederlandse klanten te leveren? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit tegen te gaan?
Risico op misbruik van mazen in de regelgeving bestaat altijd. Daarom zetten wij ons in om de lacunes in de regelgeving te vinden en weg te nemen. Een goed voorbeeld hiervan is de nieuwe lijst IA van de Opiumwet. Door dit stofgroepenverbod kunnen we de handel in gevaarlijke designerdrugs tegengaan. Verder werken uitvoeringsorganisaties samen in meerdere samenwerkingsverbanden. De opsporingsdiensten staan middels verschillende samenwerkingsverbanden in contact met andere landen. Voorbeelden hiervan zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Welke aanvullende stappen bent u bereid te ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke websites sneller uit de lucht worden gehaald en dat toegang via reguliere zoekmachines onmogelijk wordt gemaakt?
Het kabinet wil al het aanbod en zeker ook het online aanbod van drugs tegengaan. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de onlinehandel in andere verboden middelen. Zoals aangekondigd op Prinsjesdag wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Verder is het een zeer beweeglijke markt van websites die snel weer verschijnen nadat ze offline gehaald worden, waardoor het belangrijk is voor de politie en de NVWA-IOD om gedegen onderzoek te doen naar de mensen en partijen achter deze websites.
Daarom gaan wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Overigens kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant. Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen kan worden verminderd. Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld juist het gebruik kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder over in eerdergenoemde brief.
Klopt het dat – zoals eerder door opsporingsdiensten aangegeven – niet alle instanties over de juiste technische middelen beschikken om te bepalen of een product onder de verboden stoffen valt? In hoeverre is deze situatie inmiddels verbeterd?
Het gaat niet alleen om technische middelen om te detecteren of een product verboden stoffen bevat, er is ook een inhoudelijke beoordeling nodig om te bepalen onder welke wetgeving een product valt. «Research chemicals» zijn een voorbeeld van zogenaamde «grensvlakproducten». Van deze producten is op voorhand niet altijd duidelijk onder welke wetgeving ze vallen.
Er zijn verschillende partijen betrokken bij de opsporing van verboden stoffen. Deze partijen hebben verschillende technische middelen beschikbaar. Zo is de politie in de operatie uitgerust met handheld drugstesters. Met deze drugstesters kunnen honderden stoffen worden gedetecteerd. In de forensische labs beschikt de politie daarnaast over geavanceerde forensische onderzoeks- en analyseapparatuur ten behoeve van de bewijsvoering in strafzaken. Bij de meer complexe zaken wordt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) betrokken. Om te bepalen of de Geneesmiddelenwet van toepassing is moet de IGJ van geval tot geval bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel valt. Dit zijn arbeidsintensieve onderzoeken. Opsporingsdiensten zoals de NVWA-IOD en de politie zijn voor deze inhoudelijke beoordeling afhankelijk van de expertise en capaciteit van de IGJ. In onze gesprekken met alle betrokken partijen wordt dit punt ook meegenomen.
Is de huidige handhavingscapaciteit, zowel technisch als personeelsmatig, toereikend om de online handel in verboden NPS daadwerkelijk effectief terug te dringen? Zo nee, welke knelpunten spelen hierbij?
Juist omdat deze handel vaak een veelheid aan producten betreft op het grensvlak van verschillende wetgeving met verschillende bevoegdheden voor de toezichthouder (Opiumwet, Geneesmiddelenwet, Wetboek van strafrecht en Warenwet) is samenwerking met betrokken diensten erg belangrijk. Voor alle toezichthoudende en handhavende partijen geldt dat zij te maken hebben met beperkte capaciteit, wat hierop van invloed is. Zoals reeds toegelicht, zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak, waarbij ook de mogelijkheid van aanpassing van wet- en regelgeving wordt meegenomen.
In hoeverre vormen buitenlandse websites een probleem bij de handhaving? Welke mogelijkheden heeft Nederland om aanbieders die vanuit het buitenland leveren te blokkeren of anderszins aan te pakken?
Het klopt dat de online handhaving lastiger wordt als een aanbieder van een bepaalde website zich in het buitenland bevindt. Nederlandse toezichthouders hebben geen bevoegdheid om websites van aanbieders die gevestigd zijn in het buitenland te blokkeren. Wel kunnen toezichthouders als de IGJ, de NVWA en de Politie bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze gedragscode en zelf een melding maken van een verdenking van illegale inhoud of illegale activiteit van een website.
De digitaledienstenverordening (DSA) is in 2024 in werking getreden en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe. Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Hoe beoordeelt u de huidige samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale opsporingsinstanties bij het aanpakken van grensoverschrijdende online verkoop van NPS? Zijn hier verbeteringen noodzakelijk?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het op 1 juli jl. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.
Op welke manier wordt in uw beleid geborgd dat het publiek – en met name jongeren en jongvolwassenen – actief wordt geïnformeerd over de risico’s van NPS en zogenaamde «funcaps»? Kun u hierbij ingaan op de relatie tot festivals?
Uit monitoring blijkt dat 10% van de volwassen Nederlanders het afgelopen jaar drugs had gebruikt (cijfers van 2024). Het overgrote deel van de Nederlanders gebruikt dus geen drugs. Door breed voor te lichten over de risico’s van drugs, kan het beeld ontstaan dat heel veel mensen drugs gebruiken en kan brede voorlichting of voorlichting onder te jonge kinderen daardoor juist bijdragen aan normalisering. In de voorlichting over drugs – waaronder NPS – richten we ons daarom op specifieke doelgroepen. Bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voortgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Het Trimbos-instituut heeft een uitgebreid aanbod voor publieksinformatie, met websites en informatielijnen. Deze kanalen worden goed bezocht door de doelgroep en zijn daarmee een effectieve manier om actief te informeren. Ten aanzien van festivals is het aan gemeenten en evenementen om invulling te geven aan voorlichting over de risico’s van het gebruik van drugs. Dit gebeurt bijvoorbeeld via Unity, een project waarbij medewerkers aanwezig zijn op festivals en bezoekers voorlichten over de risico’s van drugs. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een leidraad ontwikkeld met praktische tips voor maatregelen op dit terrein.2
Bent u bereid de voorlichtingscampagne over drugsgebruik uit te breiden met een waarschuwing over NPS en «funcaps»?
Afgelopen zomer is een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social media-campagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren. Bij de verdere uitwerking zullen wij de actuele ontwikkelingen rondom NPS en illegale medicijnen betrekken.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat jongeren, zoals in het beschreven geval, via laagdrempelige websites geconfronteerd worden met middelen die ernstige en soms fatale gezondheidsrisico’s met zich meebrengen?
Zoals toegelicht wordt door de handhavende partijen hard gewerkt aan het aanpakken van deze malafide websites, waarbij de handhavers worden geconfronteerd met uiteenlopende uitdagingen. Zodra een website uit de lucht is gehaald, verschijnt er vaak vrij snel weer een nieuwe vergelijkbare website. Daarom is het ook van groot belang om ervoor te zorgen dat jongeren, wanneer ze in aanraking komen met dergelijke websites, goed op de hoogte zijn van de risico’s. Het Trimbos-instituut vervult hierin een belangrijke rol door ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie over bekende risicovolle middelen hoog in de zoekresultaten verschijnt, zodat jongeren op een laagdrempelige wijze toegang hebben tot juiste en evenwichtige voorlichting. Ook ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen.
Wij gaan daarnaast onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen.
De sluiting van het Joods Hospice Immanuel wegens veiligheidsrisico’s |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van 17 november 2025 dat het Joods Hospice Immanuel zijn werkzaamheden tijdelijk moet staken omdat er geen veilige tijdelijke locatie gevonden kan worden?1
Ja.
Deelt u de zorg dat dit een buitengewoon zorgelijk signaal is over de positie van Joodse instellingen in Nederland en dat zelfs aan het einde van het leven is een Joodse plek niet meer vanzelfsprekend is?
Ik deel de zorgen over de gevoelens die deze situatie oproept. Iedereen moet veilig kunnen leven in Nederland. Dit geldt ook voor (instellingen binnen) de Joodse gemeenschap, inclusief plekken die zorg bieden aan mensen in de laatste levensfase.
Tegelijkertijd vraagt deze zaak om een bredere context. Het Joods Hospice Immanuel stond enkele maanden geleden voor de opgave om, in verband met een verbouwing van het huidige pand, gedurende circa een half jaar uit te wijken naar een tijdelijke locatie. Nadat een aantal alternatieven zijn verkend werd een geschikte locatie gevonden bij een zorgaanbieder in Amsterdam Nieuw-West. Vrijwilligers van het hospice gaven aan zich daar niet veilig te voelen. Omdat een hospice niet kan draaien zonder vrijwilligers en er geen alternatieve plek is gevonden, lijkt vooralsnog tijdelijke sluiting aan de orde. Het hospice verkent de mogelijkheid om vrijwilligers tijdens de verbouwing bij cliënten thuis, of elders in een verpleeghuis of ander hospice in te zetten. Zo kunnen de vrijwilligers ook tijdens de verbouwing hun waardevolle ondersteuning aan mensen in de laatste levensfase voortzetten.
De politie heeft mij bevestigd dat er geen advies is gegeven over het al dan niet kunnen garanderen van de veiligheid, noch dat er uitspraken zijn gedaan waaruit een concrete dreiging of onveiligheid voor het hospice kan worden afgeleid. Ook de gemeente Amsterdam heeft aangegeven geen signalen of aanwijzingen te hebben dat het hospice zich niet veilig zou kunnen vestigen in stadsdeel Nieuw-West. De gemeente is ook niet eerder gekend in de zorgen van het hospice over de veiligheid van deze locatie.2
Klopt het dat de politie, bij monde van de wijkagent aldaar, heeft geadviseerd dat de veiligheid van het hospice op de beoogde locatie in Amsterdam Nieuw-West niet kon worden gegarandeerd? Welke factoren lagen aan deze inschatting ten grondslag?
Nee, er is geen sprake van een negatief veiligheidsadvies voor de beoogde tijdelijke locatie van het hospice en daarom is er ook geen onderbouwing voor een dergelijke conclusie. De wijkagent in Nieuw-West heeft in oktober jl. met vertegenwoordigers van Immanuel gesproken over de zorgen die zij zelf hadden over een mogelijke locatie voor een nieuw hospice. De wijkagent heeft, zoals gebruikelijk, de lokale context van de wijk geschetst en besproken. De politie heeft mij laten weten dat er geen negatief advies is gegeven over het al dan niet kunnen garanderen van de veiligheid, of uitspraken zijn gedaan waaruit een concrete dreiging of onveiligheid voor het hospice kan worden afgeleid.
Hoe beoordeelt u het feit dat in een Nederlandse stad een zorginstelling met een Joodse signatuur wordt belemmerd in het uitvoeren van haar taak vanwege veiligheidsrisico’s? Acht u deze situatie passend bij de verantwoordelijkheid van de overheid om alle burgers en instellingen te beschermen?
Dat is niet aan de orde. Algemeen gesteld is het de taak van de overheid om alle burgers en instellingen te beschermen. Dat burgers – in dit geval de Joodse vrijwilligers van het hospice Immanuel – zich genoodzaakt zien om hun handelen te beperken door een gevoel van onveiligheid betreur ik.
Hoe luidt uw oordeel over de huidige beveiligingsaanpak voor Joodse instellingen? Is deze toereikend? Zo nee, welke verbeteringen zijn nodig om te voorkomen dat instellingen in de zorgsector hun werk niet kunnen voortzetten?
De veiligheid van Joodse instellingen in Nederland heeft de aandacht van het kabinet. Bij een verhoogde dreiging of risico ten aanzien van deze instellingen wordt door het lokaal bevoegd gezag passende veiligheidsmaatregelen getroffen. Over die maatregelen doe ik in het openbaar nooit uitspraken.
Daarnaast bestaat er sinds dit jaar het zogenaamde Veiligheidsfonds van 1,3 miljoen euro dat jaarlijks ter beschikking wordt gesteld aan Joodse instellingen en evenementen om tegemoet te komen aan de hoge beveiligingskosten die zij vanuit de eigen verantwoordelijkheid nemen. Deze regeling komt voort uit de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 die in samenwerking met de NCAB tot stand is gekomen. Het Joods Hospice Immanuel maakt hier ook gebruik van bij de verbouwing van haar huidige pand.
Bestaan er duidelijke landelijke richtlijnen voor politie en gemeenten voor het beoordelen van veiligheidsrisico’s bij religieuze of levensbeschouwelijke instellingen? Zo nee, bent u bereid dergelijke kaders te ontwikkelen om te zorgen voor een consistente en zorgvuldige aanpak?
Religieuze instellingen zijn conform het stelsel bewaken en beveiligen – net zoals dat geldt voor andere instellingen – in beginsel verantwoordelijk voor hun eigen veiligheid. Indien dreiging en risico daartoe aanleiding geven kan het lokaal bevoegd gezag aanvullende maatregelen treffen. De beslissing om aanvullende beveiligingsmaatregelen voor religieuze instellingen te treffen, gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en de veiligheidsdiensten.
Welke mogelijkheden ziet u om het hospice op korte termijn te ondersteunen bij het realiseren van een veilige tijdelijke locatie, het treffen van passende beveiligingsmaatregelen en/of het beperken van financiële schade?
In feite draait het om het vinden van een tijdelijke geschikte locatie. De gemeente heeft aangegeven mee te willen kijken of deze te vinden is. Ik sta daarnaast in contact met de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Zij heeft onlangs een bezoek gebracht aan het hospice en blijft in contact met het hospice om te verkennen hoe de effecten van de sluiting zoveel mogelijk beperkt kunnen worden en palliatieve zorg voor Joodse mensen gewaarborgd blijft.
Welke stappen bent u bereid te nemen om te waarborgen dat Joodse instellingen, waaronder die in de zorg, hun werkzaamheden in Nederland ongestoord en veilig kunnen blijven uitvoeren?
Zie mijn antwoord op vraag 5 over de stappen die worden gezet voor de veiligheid van Joodse instellingen.
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna: FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt, de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot 1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv geen afstel van belastingheffing.
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke verzoek?
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek naar de vuurwerkramp?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden, bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders, waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen, gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit individuele geval.
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024 drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid en werknemer?
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt. Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals deze?
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen. Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast buiten bestaande standaardregelingen?
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance. Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing persoonlijk als onbillijk ervaart.
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid, billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een andere toepassing van de fiscale regelgeving.
Geweld en intimidatie jegens christelijke asielzoekers in azc in Goes |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Syrische christen in azc bang na bedreiging door moslims: «Hij zat bevend en trillend bij me»» in het Reformatorisch Dagblad van 30 oktober jl. en het bericht «Christelijk gezin in azc van Goes voelt zich niet veilig» in BN de Stem van 30 oktober jl.?1, 2
Ja.
Hoe reageert u op de berichten dat christelijke asielzoekers worden geïntimideerd in een asielzoekerscentrum in Goes door islamitische asielzoekers?
Discriminatie en geweld tegen asielzoekers is te allen tijde onacceptabel. Dat geldt ook als dit gericht is tegen de christelijke achtergrond van iemand. Tegen incidenten moet krachtig worden opgetreden en dat doet het COA ook. Het COA herkent op de locatie in Goes geen structurele, georganiseerde incidenten jegens christelijke asielzoekers. En als die er wel zijn, nemen het COA en ik die zeer serieus.
Welke (aanvullende) maatregelen zijn genomen of worden genomen naar aanleiding van deze berichten in dit concrete geval, aangezien er nog altijd sprake is van dreiging van geweld en intimidatie en u in beantwoording van eerdere schriftelijke vragen hebt aangegeven het standpunt te delen dat discriminatie en geweld tegen christelijke asielzoekers onacceptabel is en dat hier krachtig tegen moet worden opgetreden?3
Recent heb ik uw Kamer toegelicht welke maatregelen ik neem naar aanleiding van signalen over agressie en geweld tegen specifieke groepen in de opvang, waaronder christelijke asielzoekers.4 Uitgangspunt is dat asielzoekers zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie. Het COA is religieus en politiek neutraal en zet zich maximaal in voor veilige opvang voor iedereen. Als bewoners huisregels overtreden, zoals het discrimineren van medebewoners, kan het COA volgens het COA maatregelenbeleid, een passende maatregel opleggen. Slachtoffers van discriminatie maken zelf de keuze of zij aangifte of melding doen bij de politie (bij vermoedelijk strafbare feiten) en/of een melding maken bij het meldpunt discriminatie. Hoewel slachtoffers niet kan worden verplicht om aangifte te doen, stimuleert en ondersteunt COA slachtoffers zoveel als mogelijk om wel aangifte te doen, of doet het COA zelf aangifte.
Hoe wilt u stimuleren dat geïntimideerde asielzoekers geweld en intimidatie melden bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en aangifte daarvan doen, gelet op de vrees dat een klacht negatieve gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de asielprocedure? Bent u bereid hierover met COA in gesprek te gaan? Bent u daarbij bereid de mogelijke drempels die hiervoor worden ervaren door betreffende asielzoekers in kaart te brengen en weg te nemen?
Bewoners die slachtoffer worden van een strafbaar feit worden door COA-medewerkers met toegankelijke informatie gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen. Het COA stimuleert het doen van aangifte als mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Als een bewoner aangeeft dat hij geen aangifte durft te doen, zal het COA in voorkomende gevallen ook zelf aangifte doen of melding maken. Dit onderwerp heeft onze permanente aandacht in de contacten met het COA
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de oplossing wordt gezocht in het verwijderen van geïntimideerde asielzoekers in plaats van het verwijderen van de desbetreffende overlastplegers?
U verwijst in dit verband naar de beslissing van het COA om een bewoner na incidenten op locatie over te plaatsen naar een andere COA-locatie. Vooropgesteld: uitgangspunt is altijd dat het gedrag van de dader genormeerd wordt. Daartoe voert het COA het maatregelenbeleid uit. Waar nodig neemt het COA contact op met politie zodat ook strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Tegelijkertijd is het COA er alles aan gelegen om de (sociale) veiligheid van haar bewoners te waarborgen. Dat kan een reden zijn om personen die zich schuldig maken aan agressie of geweld, (tijdelijk) te verplaatsen naar een andere COA-locatie of een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
In sommige situaties kan het COA na overleg met en op verzoek van het slachtoffer overgaan tot overplaatsing van het slachtoffer.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een christelijke azc-bewoner wordt verplicht te accepteren een kamer te delen met islamitische asielzoekers, terwijl hij zich onveilig voelt?
Het COA maakt in het plaatsingsbeleid geen onderscheid op basis van religie. In de praktijk komt het dus voor dat asielzoekers met een verschillende religieuze achtergrond een wooneenheid delen. Dat laat onverlet dat het COA op basis van signalen passende maatregelen neemt. Het COA erkent dat het risico op een kwetsbare positie voor een aantal groepen in de opvang groter is, waaronder religieuze minderheden en bekeerlingen. COA-medewerkers zijn getraind om de bewoner goed in beeld hebben, waarbij eventuele kwetsbaarheid aan bod komt. Als een bewoner zich (sociaal) onveilig voelt in zijn eigen wooneenheid, kan het COA verschillende acties ondernemen. Denk bijvoorbeeld aan het intensiveren van de begeleiding of een kamerwissel.
Hoe beoordeelt u de toename van discriminatie, bedreiging, intimidatie of geweld jegens christelijke asielzoekers, zoals blijkt uit het toegenomen aantal meldingen bij het meldpunt van stichting Gave?
Ik verwijs in dit verband naar mijn recente beantwoording hierover.5
Bent u bereid zich in te spannen voor een convenant om de positie en het welzijn van christelijke bewoners in de opvang te verbeteren, vergelijkbaar met het recent vernieuwde convenant voor lhbti-asielzoekers?
Zonder me op dit punt te willen committeren aan de vorm van een convenant, ben ik uiteraard bereid om mij in te blijven spannen om in de samenwerking met betrokken partners signalen over onveiligheid van christelijke asielzoekers te bespreken. Het COA heeft (periodiek) contact met organisaties die expertise hebben op dit thema, zoals Stichting Gave. Het COA blijft met hen in gesprek en neemt signalen serieus.
Bent u bereid in het toegezegde onderzoek naar aanscherping van de glijdende schaal tevens te bezien of en hoe de asielaanvraag kan worden afgewezen bij intimidatie en geweld door asielzoekers of zwaarder negatief kan worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, zodat hij of zij (eerder) in aanmerking komt voor afwijzing?
De criteria voor intrekking of afwijzing van een asielvergunning volgen uit de kwalificatierichtlijn. Dit kan dus niet worden aangescherpt door middel van een nationale maatregel als de glijdende schaal en dit maakt daarom ook geen onderdeel uit van het onderzoek. Veroordelingen voor ernstige misdrijven, kunnen leiden tot intrekking of afwijzing.
Het bericht ‘Forse schade aan Paleis op de Dam door bekladding met rode verf: ’Fuck Israël’' |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse schade aan Paleis op de Dam door bekladding met rode verf: «Fuck Israël»»1?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat bij deze actie rode verf is gebruikt om het Koninklijk Paleis op de Dam, een rijksmonument van nationale betekenis, te besmeuren, met de leus «Fuck Israël»?
Bekladding van gebouwen is verboden en onacceptabel. Dat keur ik uiteraard af. Dat geldt zeker in dit geval nu aan het Koninklijk Paleis op de Dam vernielingen zijn aangericht wat naast een monumentale status ook een grote symbolische betekenis voor Nederland heeft. Onze rechtsstaat biedt burgers genoeg alternatieve mogelijkheden om een mening te uiten.
In hoeverre wordt onderzocht of de gebruikte leuzen en symboliek kunnen worden beschouwd als haatuiting, opruiing of aanzetten tot geweld tegen een bevolkingsgroep of staat?
Ik kan als Minister van Justitie en Veiligheid niet inhoudelijk ingaan op individuele casuïstiek. Dat betreft ook de insteek van een specifiek strafrechtelijk onderzoek: over wat al dan niet onderzocht wordt, doe ik geen uitspraken.
Deelt u de mening dat dergelijke bekladdingen van nationale symbolen niet slechts vandalisme zijn, maar tevens een poging kunnen vormen tot politieke intimidatie of radicale agitatie in de publieke ruimte?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen neemt u, of overweegt u te nemen, om te voorkomen dat openbare gebouwen of nationale monumenten doelwit worden van politieke acties of extremistische uitingen, zoals cameratoezicht, preventieve handhaving of zwaardere strafrechtelijke kwalificatie?
De burgemeester is bevoegd tot het nemen maatregelen ter handhaving van de openbare orde. In de gemeente Amsterdam heeft de gemeenteraad aan de burgemeester de bevoegdheid gegeven om ter handhaving van de openbare orde camera’s in te zetten ten behoeve van toezicht op openbare plaatsen (art. 151c Gemeentewet). De burgemeester van Amsterdam heeft in vervolg daarop gebieden aangewezen waar cameratoezicht kan plaatsvinden. Het Paleis op de Dam staat in een dergelijk gebied en er zijn twee camera’s op de Dam geplaatst.
Overigens heeft ook het Rijksvastgoedbedrijf -als uitvoerder van het beheer namens de Staat der Nederlanden van het Paleis op de Dam- ter beveiliging camera’s, gericht op het Paleis op de Dam geplaatst. Voor zover de vraag ziet op het instrument preventief fouilleren (art. 151b Gemeentewet), geldt dat de Dam is gelegen in een gebied dat als veiligheidsrisicogebied is aangewezen en waar derhalve preventief fouilleren mogelijk is na een aanwijzing van de officier van justitie. Dit instrument ziet evenwel op fouilleren op wapens.
Vanzelfsprekend is de burgemeester ook bevoegd om extra toezicht te laten plaatsvinden.
Ik stuur u, samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor het kerstreces nog een brief die – vooruitlopend op een diepgaandere bespiegeling – ook nader zal ingaan op het onderwerp demonstraties bij cultureel erfgoed.
Hoe heeft dit incident, op deze hoogte, op deze plek kunnen plaatsvinden zonder dat iemand heeft ingegrepen? heeft dit op die hoogte op zo'n plek kunnen gebeuren?
Het onderzoek naar de bekladding door politie en justitie loopt nog.
Kunt u aangeven welke schade is ontstaan aan het paleis, hoe groot de herstelkosten worden geraamd en wie verantwoordelijk is voor het herstel en de financiering daarvan?
Er zijn en worden meerdere reinigingswerkzaamheden uitgevoerd om de rode verf te verwijderen. De werkzaamheden zijn nog niet gereed. Er wordt op dit moment in samenwerking met verschillende experts onderzoek gedaan naar de exacte schade. Het is nu nog niet te zeggen wanneer de werkzaamheden helemaal zijn afgerond en wat de totale kosten van de schade zijn.
Het Rijksvastgoedbedrijf is namens de Staat eigenaar van het Koninklijk Paleis Amsterdam. De financiering van de kosten wordt bekostigd uit artikel 4 van de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening.
Zijn er inmiddels verdachten aangehouden of geïdentificeerd in verband met deze actie?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 4 ga ik niet in op individuele casuïstiek. De keuze om al dan niet te communiceren over de stand van zaken van het strafrechtelijk onderzoek is aan de organisaties die hiermee zijn belast, te weten de politie en het Openbaar Ministerie.
Bent u bereid te bewerkstelligen dat de verdachten opdraaien voor alle gemaakte kosten?
Ik vind het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden. Het civiele recht biedt hier ook verschillende mogelijkheden voor. Om schade te kunnen verhalen, moet echter wel achterhaald kunnen worden welke (groepen van) personen de schade hebben aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk. De brief zoals naar verwezen in mijn antwoord op vraag 5 zal ook nader ingaan op dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de organisatie «Palestine Action», die de actie opeist, en op 7 oktober niet de slachtoffers van het bloedbad dat Hamas aanrichtte wil herdenken, maar de «vrijheidsstrijders en martelaars» wil eren.
Ons demonstratierecht is een groot goed, maar biedt onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Welke stappen neemt u om deze organisatie die oproept tot wereldwijde intifada te beletten nog acties te ondernemen in Nederland?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u ermee bekend dat op 5 oktober jl. in Amsterdam tijdens een pro-Palestinademonstratie werd opgeroepen tot het verdwijnen van de Staat Israël, een wereldwijde intifada en het herdenken van zogenaamde «martelaren» die betrokken waren bij de massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël?
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke oproepen tot gewelddadige strijd, in combinatie met acties zoals de bekladding van het paleis, wijzen op een groeiende radicalisering en normalisering van extremistisch gedachtegoed in Nederland?
In Nederland zijn enkele acties over met name de Gaza-oorlog harder geworden dan in voorgaande jaren. Daarbij is sprake van vandalisme, intimidatie of doxing. Bij demonstraties kan daarnaast sprake zijn van felle uitingen, waarin niet alleen het handelen van de staat Israël wordt bekritiseerd, maar ook het bestaansrecht van Israël ter discussie wordt gesteld en soms het door Hamas gebruikte geweld wordt gebagatelliseerd. Van extremisme in relatie tot de Gaza-oorlog is in Nederland zeer beperkt sprake en ook de geweldsbereidheid onder pro-Palestinademonstranten lijkt niet te zijn toegenomen. Er is sprake van normalisering van extremistisch gedachtegoed en/of extremistische uitingen wanneer deze maatschappelijk acceptabeler worden binnen een samenleving. Dit lijkt niet het geval te zijn bij de acties rondom de Gaza-oorlog. Dit omdat, zoals hierboven gesteld, extremisme in relatie tot de Gaza-oorlog nauwelijks voorkomt maar ook omdat de maatschappelijke reactie op acties over de Gaza-oorlog het afgelopen jaar niet significant veranderd lijken te zijn. Dit neemt daarentegen niet weg dat vernielingen, bekladdingen en andere uitingen wel zeer intimiderend kunnen zijn voor betrokkenen. Ook kunnen dergelijke uitingen de negatieve beeldvorming versterken tussen mensen met verschillende standpunten en bijdragen aan structurele gevoelens van onverdraagzaamheid. Dit vind ik absoluut onwenselijk. Binnen onze democratische rechtsstaat moeten we het debat altijd op inhoud blijven voeren met respect voor elkaars standpunten. Hier zal ik mij hard voor blijven maken.
Wanneer de lat van extremisme wel wordt gehaald, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering. De persoonsgerichte aanpak radicalisering betreft maatregelen en/of interventies genomen onder regie van gemeenten die door het bestuur, de strafrechtelijke instanties of door maatschappelijke instellingen kunnen worden getroffen om (verdere) radicalisering tegen te gaan.
Als er een vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestaat, kan het OM indien opportuun besluiten om strafrechtelijke vervolging in te stellen. Het is uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of er sprake is van een strafbaar feit.
Zo ja, hoe duidt u deze ontwikkeling en welke stappen onderneemt u om deze tegen te gaan?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en (gewelddadige) extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Op het moment dat er zich ontwikkelingen voordoen waarbij uitingen worden gedaan of acties plaatsvinden in relatie tot de Gaza-oorlog die de lat van extremisme (of zelfs terrorisme) halen, zal de NCTV hierover rapporteren.
Bent u bereid te onderzoeken of dit soort acties en oproepen structureel meegenomen kunnen worden in de dreigingsanalyses van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), mede in het licht van de tweede herdenkingsdag van de Hamas-aanval van 7 oktober 2023?
Dit is helaas niet gelukt.
Kunt u toezeggen de Kamer binnen vier weken te informeren over de voortgang van het onderzoek, de schade-afhandeling en de maatregelen die worden getroffen om herhaling te voorkomen?
Het bericht ‘Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa»1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat circa 60 procent van al het in Europa gehoste kinderseksmisbruikmateriaal zich in Nederland bevindt, en bijna een derde van het wereldwijde totaal? Hoe verklaart u dat Nederland in zo’n uitzonderlijke positie verkeert?
Seksueel kindermisbruik behoort tot de meest verwoestende vormen van criminaliteit. Het laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. En ook worden zij telkens met hun leed geconfronteerd wanneer beelden van het seksueel misbruik op het internet worden geplaatst en gedeeld.
Het kabinet vindt het zeer zorgwekkend dat in Nederland nog altijd veel beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik wordt gehost.
Mede dankzij het gunstige vestigingsklimaat, de directe aansluiting op onderzeekabels tussen continenten en de goede digitale infrastructuur, is Nederland een aantrekkelijk land voor datacentra en hostingproviders. Deze sterke positie brengt echter ook risico’s met zich mee: dezelfde infrastructuur kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, zoals het hosten van illegaal materiaal.
Om dit tegen te gaan heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) op 1 juli 2024, met de inwerkingtreding van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, nieuwe bevoegdheden gekregen. Deze wet geeft de ATKM de mogelijkheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten.
Naast de inzet van de ATKM blijft het kabinet zich onverminderd inspannen om dit misbruik te voorkomen en krachtig te bestrijden. Voor verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Welke wettelijke verplichtingen gelden op dit moment voor hostingbedrijven en internetproviders om kinderseksmisbruikmateriaal te detecteren, te melden en te verwijderen? Acht u deze verplichtingen toereikend, gezien de recente bevindingen? Kunt u hierbij ingaan op het toezichtkader en het ontbreken van afdwingbare meld- en verwijderverplichtingen?
Ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik geldt in Nederland een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat verplichtingen oplegt aan aanbieders van hosting- en internetdiensten bij het verwijderen en ontoegankelijk maken van kinderpornografisch materiaal, evenals over het toezicht daarop. Daarmee is voorzien in een robuust systeem van meld- en verwijderverplichtingen.
Op 17 februari 2024 is de Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) volledig in werking getreden. Op grond van artikel 16 DSA zijn aanbieders van hostingdiensten verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, kan melden. Daarnaast verplicht artikel 18 DSA aanbieders van hostingdiensten om, zodra zij informatie ontvangen die wijst op een mogelijk strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen in gevaar is, dit onverwijld te melden aan de bevoegde opsporings- of justitiële autoriteiten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door de 25 grootste aanbieders van online diensten. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de overige aanbieders van online diensten binnen hun eigen rechtsgebied. Vanaf 4 februari 2025 treden in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) op als de bevoegde toezichthouders voor de naleving van de DSA in Nederland.
De officier van justitie kan, in geval van een verdenking van een misdrijf, zoals het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de ATKM de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken en zal dat in beginsel ook doen, gezien de schadelijke reputatie-effecten die daarvan uitgaan.
Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht in het indammen van hosting van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in Nederland. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van onwelwillende hostingbedrijven.
Bent u bereid beleid te ontwikkelen zodat hostingbedrijven verplicht kunnen worden om proactieve detectiemethoden toe te passen, zoals hash-databanken of AI-gebaseerde beeldherkenning, teneinde het verspreiden van kinderseksmisbruikmateriaal sneller te stoppen?
In de DSA is neergelegd dat lidstaten geen algemene verplichting mogen opleggen aan hostingbedrijven tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie noch tot actief onderzoek naar de feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten.
Artikel 7 DSA regelt echter dat aanbieders van hostingdiensten wel vrijwillig maatregelen kunnen nemen om illegale inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, te detecteren en te verwijderen, zonder dat zij daarmee hun aansprakelijkheidsbescherming verliezen.
In dat kader wordt door de sector al gebruik gemaakt van hash-databanken. Een bekend voorbeeld hiervan is de HashCheckService (hierna: HCS): een gratis tool, die het mogelijk maakt om bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik snel te identificeren en van het internet te verwijderen. Met de applicatie kunnen hostingproviders controleren of geüpload materiaal op hun servers in de database van de HCS voorkomt. De database bevat hashlijsten van bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, onder meer afkomstig van de Nederlandse politie en Interpol.
Hoe verhoudt de Nederlandse wetgeving zich tot de voorgenomen Europese verordening inzake seksueel misbruik van kinderen, die lidstaten verplicht om hosting van dergelijk materiaal actiever te bestrijden? Welke voorbereidingen treft Nederland voor implementatie van deze verordening?
De voorgenomen EU-Verordening inzake seksueel misbruik van kinderen bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In het meest recente voorstel is verplichte detectie van online seksueel beeldmateriaal van kinderen helemaal geschrapt. In plaats daarvan wordt voorgesteld de mogelijkheden die bedrijven nu op grond van een tijdelijke derogatieregeling hebben om op eigen initiatief detecteren, permanent te maken. Op 26 november jl. heeft de Raad een positie ingenomen ten aanzien van dit voorstel. Het betekent dat de Raad klaar is om de onderhandelingen met het Europees parlement en de Europese Commissie in te gaan, in de zogeheten triloog. Wanneer de triloog start, is er aldus nog geen definitieve wet. De uiteindelijke impact van de Verordening, ook in relatie tot het bestaande nationaalrechtelijke wettelijke kader, is daarom nog niet met zekerheid vast te stellen. Het kabinet neemt actief deel aan de onderhandelingen en overlegt hierover regelmatig met relevante ketenpartners. Een verordening heeft rechtstreekse werking. Mocht de verordening in de toekomst worden aangenomen, dan zal ook dan moeten worden bezien in hoeverre aanvullende nationale wetgeving nodig is om effectief uitvoering te kunnen geven aan de verordening.
Hoeveel capaciteit is er binnen politie en Openbaar Ministerie beschikbaar voor digitale opsporing en handhaving op het gebied van kinderseksmisbruikmateriaal? Zijn er signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is om de omvang van het probleem aan te pakken?
De verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data liggen primair bij andere organisaties dan de politie. Zo is er in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de hostingpartijen zelf. Daarnaast houden organisaties als Offlimits, de ATKM, de ACM (naleving DSA) en de AP (voor vraagstukken omtrent privacy) zich bezig met online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Binnen de politie wordt de aanpak van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik uitgevoerd door de Teams ter Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK). De capaciteit van deze teams is de afgelopen jaren uitgebreid met 26 fte, waardoor er eind augustus 2025 in totaal 152 fte werkzaam waren. Het kabinet investeert in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie. Deze investering is nodig vanwege de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door AI en end-to-end encryptie. Hiervoor is structureel 2 miljoen euro extra beschikbaar gesteld. Het streven is om de capaciteit verder uit te breiden met specialistische zij-instromers.
Daarmee wordt het opsporingsvermogen versterkt, onder andere via de ontwikkeling van specifieke tooling en de inzet van AI. Desondanks blijft de hoeveelheid beeldmateriaal groter dan de beschikbare politiecapaciteit, waardoor prioritering noodzakelijk is. De hoogste prioriteit ligt bij zaken waarbij het risico op actueel («hands-on») misbruik het grootst is.
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) beschikt over gespecialiseerde officieren van justitie die zich bezighouden met seksuele misdrijven. Bij de arrondissementsparketten worden zaken van seksueel kindermisbruik opgepakt door de daartoe opgeleide officieren. Bij het Landelijk Parket is een team van vijf gespecialiseerde officieren specifiek gericht op de aanpak van online/transnationaal seksueel kindermisbruik. Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven is daarnaast geïnvesteerd in opleiding en certificering van officieren bij arrondissementsparketten, zodat de beschikbare expertise wordt versterkt.
Ook het OM benoemt de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door technologische ontwikkelingen.
De werkdruk bij officieren van justitie is structureel hoog. Bovendien is het aangetroffen beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in toenemende mate ernstiger en schokkender, wat een zwaardere werklast met zich meebrengt. Desondanks zijn er bij het OM op dit moment geen signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is ten opzichte van de instroom van zaken vanuit de politie, mede dankzij de wijze waarop zaken worden geprioriteerd door het OM.
Hoeveel tijd verstrijkt er gemiddeld tussen het moment dat kinderseksmisbruikmateriaal wordt gemeld en het moment dat het daadwerkelijk van Nederlandse servers is verwijderd? Zijn er streefwaarden of normen vastgesteld voor een maximale doorlooptijd? Zo ja, in hoeveel procent van de gevallen worden deze normen gehaald?
In Nederland is de afspraak gemaakt met de sector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. In
2024 (tot en met oktober) werd ongeveer 59% van deze meldingen van Offlimits door de branche adequaat en binnen 24 uur opgepakt.
Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken en wordt strafbaar materiaal offline gehaald.
Wanneer er sprake is van een zogenoemde «bad hosters» die structureel niet of te laat reageren, kan de ATKM sanctionerend optreden tegen deze weigerende partijen. Sinds 1 juli 2024 kunnen boetes worden opgelegd door de ATKM. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC, om hosting en verspreiding van kinderseksmisbruikmateriaal grensoverschrijdend te bestrijden?
De samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC is van groot belang voor de aanpak van de grensoverschrijdende hosting en verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Nederland werkt intensief samen met deze organisaties om informatie-uitwisseling, opsporing en verwijdering van illegaal materiaal te versterken.
Zo coördineerde Europol begin dit jaar voor het eerst een grootschalige operatie die specifiek gericht was op AI-gegenereerd beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik («Operatie Cumberland»). Deze actie leidde tot de aanhouding van 25 verdachten in 19 landen, waaronder enkele in Nederland. De Nederlandse politie speelde hierbij een actieve rol. Daarnaast faciliteert Eurojust de juridische samenwerking tussen lidstaten, waardoor grensoverschrijdende strafzaken efficiënter kunnen worden afgehandeld en activiteiten van nationale autoriteiten beter op elkaar kunnen worden afgestemd.
Het Nederlandse Meldpunt Kinderporno van Offlimits is onderdeel van het internationale INHOPE-netwerk, welke bijdraagt aan een snelle internationale aanpak. Meldingen van beeldmateriaal kunnen via dit netwerk direct worden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteiten in het betreffende land, wat de verwijdering van illegale content aanzienlijk versnelt.
Tot slot vormt NCMEC een belangrijke informatiebron over de omvang en aard van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Bent u voornemens om krachtige, afdwingbare maatregelen, zoals strengere wetgeving die hostingbedrijven verplicht tot actieve detectie en snelle verwijdering van dergelijk materiaal, stevige handhaving bij overtredingen, en intensievere internationale samenwerking te nemen om te voorkomen dat Nederland het knooppunt blijft voor het hosten van kinderseksmisbruikmateriaal?
Zoals hierboven is toegelicht beschikt Nederland over een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat hosting- en internetdiensten verplicht om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te melden, te verwijderen en ontoegankelijk te maken. Het kabinet zet zich blijvend in om online seksueel kindermisbruik te voorkomen en te bestrijden. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 3, 4, 7 en 8.
Daarnaast onderzoekt het kabinet maatregelen om de zogenaamde bad hosters beter aan te kunnen pakken in de toekomst. De uitkomsten van een eerste verkenning hiervoor is op 27 juni jl. naar uw Kamer verzonden.2
Welke mogelijkheden ziet u om extra financiële middelen en capaciteit beschikbaar te stellen om de digitale opsporing en handhaving te versterken, de verwijdering van kinderseksmisbruikmateriaal te versnellen en slachtoffers beter te identificeren en te ondersteunen?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven, liggen de verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data primair bij andere organisaties dan de politie. Daarnaast investeert het kabinet in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie, onder andere door de capaciteit van de TBKK’s vanaf dit jaar uit te breiden. Gezien de financiële opgave bij de politie ziet het kabinet momenteel geen mogelijkheden om aanvullend hierop extra financiële middelen te vinden binnen de politiebegroting.
Voor het antwoord op de vraag hoe de verwijdering van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kan worden versneld, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Bent u voornemens om hostingbedrijven en datacenters wettelijk te verplichten tot transparante rapportage over het aantal meldingen, verwijderingen en handhavingsacties met betrekking tot kinderseksmisbruikmateriaal?
Artikel 15 van de DSA verplicht aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in verwijderingsbevelen van autoriteiten, meldingen van illegale inhoud, en de maatregelen die aanbieders op eigen initiatief hebben genomen om inhoud te modereren. De verplichting geldt niet voor micro- en kleine ondernemingen, tenzij zij worden aangemerkt als zeer groot onlineplatform.
De ATKM heeft in 2024 het beheer van de zogenaamde TU Delft monitor overgenomen. Met de monitor werd door de TU Delft in beeld gebracht in hoeverre aanbieders van hostingdiensten gehoor gaven aan verzoeken beeldmateriaal te verwijderen.
Bent u bereid om de Kamer jaarlijks te rapporteren over de omvang van kinderseksmisbruikmateriaal dat in Nederland wordt gehost, de resultaten van verwijderingen en de voortgang van beleid en handhaving?
Over de omvang van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik dat in Nederland wordt gehost wordt reeds door diverse organisaties gerapporteerd, waaronder de politie, het OM, Europol, Offlimits, ATKM, INHOPE en NCMEC. De inzichten van deze organisaties worden door het kabinet benut om het toezicht, de opsporing en het beleid gericht verder te versterken en om waar nodig aanvullende maatregelen te ontwikkelen.
De Kamer wordt jaarlijks via de voortgangsbrief Zeden geïnformeerd over de ontwikkelingen in de aanpak van online seksueel kindermisbruik in het voorgaande jaar.
Het bericht ‘ SchoolTV onder vuur over Gaza: ’Hamas is een politieke partij, ze hebben ook mensen die vechten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SchoolTV onder vuur over Gaza: «Hamas is een politieke partij, ze hebben ook mensen die vechten»» en met de kritiek dat SchoolTV in haar lesmateriaal een ongelijk of onvolledig beeld geeft van het Israël-Palestina-conflict, met name met betrekking tot Hamas?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Hoe apprecieert u de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van dit lesmateriaal?
Ik vind het in algemene zin belangrijk dat scholen gebruik maken van bewezen effectieve methoden. Gezien de grondwettelijke onderwijsvrijheid, die ook specifiek voor leermiddelen geldt, past het mij als Minister echter niet lesmateriaal inhoudelijk te beoordelen. De verantwoordelijkheid van het departement richt zich op de kerndoelen en examenprogramma’s. Anders gezegd: er gelden eisen en regels rondom wát kinderen moeten leren, niet rondom hóe zij dat moeten leren.
Het is aan scholen en leraren om een divers aanbod van lesmaterialen te gebruiken om hun leerlingen een compleet en genuanceerd beeld te geven.
De vrijheid van onderwijs gaat gepaard met verantwoordelijkheid. Zo hebben scholen een zorgplicht voor een veilige en inclusieve schoolomgeving. Daarnaast moeten zij zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Deze vraagt onder meer van scholen om leerlingen voor te bereiden op de pluriformiteit aan opvattingen die mag bestaan in de democratische samenleving, en de competenties te ontwikkelen die leerlingen nodig hebben om in dit alles hun eigen mening te vormen.
Het lesmateriaal waarop de vragen betrekking hebben is afkomstig uit het aanbod van de landelijke publieke omroep. Daarom vind ik het belangrijk te benoemen dat persvrijheid en de onafhankelijke media – net als onderwijs – essentieel zijn voor het functioneren van een democratie. De publieke omroep voert haar werkzaamheden onafhankelijk uit. Het is daarom ook niet aan mij als Minister om mij uit te laten over de inhoud van het aanbod van onafhankelijke media.
In hoeverre acht u het wenselijk dat in lesmateriaal van de publieke omroep een terroristische organisatie als Hamas primair wordt omschreven als een politieke partij, zonder daarbij expliciet te wijzen op het feit dat deze organisatie internationaal wordt aangemerkt als terroristische beweging?
Het is niet aan mij als Minister om de inhoud van lesmateriaal of media-uitingen inhoudelijk te beoordelen of te corrigeren. Dat zou in strijd zijn met twee constitutionele principes: de onderwijsvrijheid (artikel 23 van de Grondwet) en de persvrijheid (artikel 7 van de Grondwet). Zie voor verdere beantwoording het antwoord op vraag 2.
Welke waarborgen bestaan er binnen de publieke omroep om te voorkomen dat educatieve programma’s eenzijdige of misleidende informatie aanbieden over complexe internationale conflicten?
In de Mediawet 2008 is vastgelegd dat de publieke omroep de publieke mediaopdracht moet uitvoeren. Hierin staat onder andere dat het aanbod kwalitatief hoogstaand moet zijn. Van journalistieke organisaties verwacht ik dan ook dat zij hun berichtgeving kritisch factchecken. Omroepen zijn daarnaast verplicht een redactiestatuut te hebben waarin normen over journalistieke ethiek en kwaliteit worden gewaarborgd. Het Commissariaat houdt hier toezicht op. Daarnaast staat het iedereen vrij zich met klachten over de werkzaamheden of berichtgeving van de publieke omroep te melden bij de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer men niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Wordt lesmateriaal of ander educatief werk zoals dat van SchoolTV voorafgaand aan publicatie inhoudelijk getoetst op juistheid, volledigheid en neutraliteit? Zo ja, door wie en op basis van welke criteria? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke kwaliteit van lesmateriaal ligt bij de ontwikkelende partijen en de verantwoordelijkheid voor de toepassing daarvan bij scholen die het materiaal gebruiken. Ik heb op dit moment geen bevoegdheid om lesmateriaal te toetsen of bevoegdheid om in te grijpen wanneer lesmateriaal niet zou voldoen aan bepaalde criteria. Dit zou in strijd zijn met de grondwettelijke onderwijsvrijheid. Zie voor verdere toelichting op lesmateriaal de antwoorden op vragen 2, 3 en 4.
Hoe beoordeelt u de rol en verantwoordelijkheid van u als Minister van OCW bij de financiering en inhoudelijke kwaliteitsbewaking van door de publieke omroep ontwikkeld educatief materiaal?
Zie het antwoord op vraag 2, 3, 4 en 5.
Bestaat er een procedure voor klachten of correcties als schoolmateriaal dat door de publieke omroep is ontwikkeld als eenzijdig of misleidend wordt ervaren? Zo ja: hoe is die procedure ingericht? Zo nee: overweegt u zo’n procedure te implementeren?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende richtlijnen of kwaliteitskaders nodig zijn voor dergelijk educatief materiaal over internationale conflicten, teneinde feitelijke juistheid, neutraliteit en pedagogische zorgvuldigheid te waarborgen?
Nee. Gelet op de grondwettelijk geborgde onderwijsvrijheid, ook specifiek ten aanzien van leermiddelen, past het mij niet activiteiten te ondernemen die de beoordeling van de inhoud van leermiddelen betreffen. Zie het antwoord op vraag 2, 3, en 5.
De publieke omroep is voorts onafhankelijk in haar taakuitvoering. De publieke omroep is op zijn werkwijze aanspreekbaar via onder meer de Ombudsman voor de publieke omroepen en, bij mogelijke overtredingen van de Mediawet 2008, het Commissariaat voor de Media. Het is niet aan mij om de werkwijze of media-uitingen van de publieke omroep nader te onderzoeken. Ook om deze reden zal ik niet ingaan op het verzoek tot onderzoek, aanvullende richtlijnen of kwaliteitskaders.