Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd. Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland. Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid, een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid van kerncentrales.
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken), zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld. De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie 5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen. Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren. Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland, dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie, verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden gerealiseerd.
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld» van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van de kerncentrales.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor, reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden zijn samengevoegd.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Ulaş Köse (D66), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
In 2025 is er een evaluatie geweest van de schadeafhandeling in Ekehaar door de Commissie Mijnbouwschade (verder: CM).1 Hier kwam inderdaad uit naar voren dat er bij de afhandeling van de schademeldingen naar verhouding veel kosten werden gemaakt voor causaliteitsonderzoek door deskundigen ten opzichte van de bedragen die uiteindelijk zijn uitgekeerd om schade te vergoeden. Daarom heeft de voormalige Minister van Klimaat en Groene Groei aangegeven samen met de mijnbouwbedrijven (gas, olie, zout en opslag) te willen kijken naar een verbetering van de reguliere procedure van de CM. Dit vergt tijd, mede ook omdat met alle mijnbouwondernemingen overeenstemming moet worden bereikt.
Voor de afhandeling van schademeldingen als gevolg van de aardbeving bij Geelbroek heeft het kabinet hier niet op willen wachten. We stellen een aanpak voor waarin schademeldingen door de aardbeving bij Geelbroek sneller worden afgehandeld en er minder geld gaat naar onderzoek2. In deze aanpak worden vier ringen onderscheiden binnen het door de CM vastgestelde beoordelingsgebied. De CM en NAM willen in de twee ringen dichtbij het epicentrum een versnelde procedure toepassen op grond van het Instellingsbesluit van de CM (artikel 7 van Protocol A in Bijlage 1). Dit houdt in dat een causaal verband wordt aangenomen en inwoners hun schade tot bepaalde maximale bedragen vergoed kunnen krijgen. Voor ring 1 gaat het om een maximaal bedrag van € 10.000 euro en voor ring 2 om een maximaal bedrag van € 7.000 euro. Als de schademelder hier geen gebruik van wil maken wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, waarbij wel onderzoek naar causaliteit wordt gedaan. Dit vergt een langere doorlooptijd en de schademelder loopt het risico dat hij uiteindelijk geen of een lagere vergoeding krijgt dan hij zou hebben gekregen onder de versnelde procedure. Dit aangezien schade in woningen in Nederland vele verschillende en soms gecombineerde oorzaken heeft. In de buitenste twee ringen wil NAM geen causaal verband aannemen, omdat NAM van mening is dat slechts in uitzonderlijke gevallen en dan in beperkte mate sprake zal zijn van schade die veroorzaakt of verergerd is door de beving bij Geelbroek. Dit zou betekenen dat deze schades volgens de reguliere procedure moeten worden afgehandeld. Dit vindt het kabinet, vanwege het grote aantal schademeldingen niet wenselijk. Wel is NAM bereid om een bedrag beschikbaar te stellen om de afhandeling van schademeldingen in dit gebied te bespoedigen en de uitvoeringskosten te mitigeren. Daarom werkt het kabinet aan een beleidsregel, op grond waarvan schademelders voor de buitenste twee ringen voor een onverplichte tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. Voor ring 3 en voor ring 4 wordt er met een vast bedrag gewerkt als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege. Voor ring 3 gaat het om € 3.000 euro en voor ring 4 om 1.000 euro. Met deze aanpak is geen causaliteitsonderzoek vereist. Daardoor is de verwachting dat er een betere verhouding is tussen uitgekeerde tegemoetkomingen en onderzoekskosten. In ringen 3 en 4 kunnen schademelders ook voor de reguliere procedure kiezen.
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag één, kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een vergoeding tot een maximaal bedrag (ringen 1 en 2) of een vast bedrag als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (ring 3 en 4). Er is geen causaliteitsonderzoek naar de oorzaak van de schade vereist. De schademelder kan ook nog steeds kiezen voor de reguliere procedure van de CM.
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag één kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een schadevergoeding of onverplichte tegemoetkoming. De voorgestelde aanpak draagt bij aan een snellere afhandeling. De versnelde procedure (ring 1 en 2) is vastgelegd in een overeenkomst tussen de CM en NAM. Voor ring 3 en 4 wordt onder andere een beleidsregel opgesteld. Indien de schademelder geen gebruik wil maken van deze aanpak, wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit van de CM en het bijbehorende protocol (Protocol A in Bijlage 1).
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
De CM ondersteunt bewoners (en micro-ondernemingen) die een schademelding hebben ingediend bij de CM met onafhankelijk en deskundig advies over de afhandeling van de mijnbouwschade. Hierbij wordt voorzien in persoonlijke begeleiding gedurende het gehele proces van schadeafhandeling met behulp van een vaste zaakbegeleider die het proces en de schaderegeling uitlegt, aanwezig is bij de schadeopname en fungeert als persoonlijk aanspreekpunt voor de schademelder. Bewoners worden door de zaakbegeleider in het gehele traject ontzorgd en kunnen met al hun inhoudelijke en persoonlijke vragen bij hun zaakbegeleider terecht. Daarnaast wordt door de CM ingezet op het op een laagdrempelige manier verstrekken van informatie over de schadebeoordeling, het beantwoorden van vragen en het bieden van een «luisterend oor» voor inwoners in de regio die daaraan behoefte hebben. Naast het benutten van online communicatiekanalen en lokale media wordt daarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het Informatiepunt Digitale Overheid in lokale bibliotheken en worden er in samenwerking met de betrokken Drentse gemeenten bijeenkomsten georganiseerd in dorpshuizen en wijkcentra. Ook is de CM telefonisch bereikbaar om vragen te beantwoorden.
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
De beving is inmiddels bijna drie maanden geleden. Naar verwachting hebben de meeste mensen met schade zich bij de CM gemeld. Schademeldingen die zijn gedaan voor het tijdstip van publicatie van de overeenkomst tussen CM en NAM voor versnelde procedure en de betaalovereenkomst tussen NAM en de Staat, worden op grond van de versnelde procedure (eerste en tweede ring) dan wel de beleidsregel voor de onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (derde en vierde ring) afgehandeld. De regionale bestuurders hebben gevraagd om enige coulance omdat soms mensen door omstandigheden zich niet hebben kunnen melden. Aangezien dit om slechts enkele gevallen zal gaan, geldt er bij de versnelde procedure en de beleidsregel een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties, waarin een schademelder kan aantonen dat eerdere indiening niet mogelijk was om redenen die hem of haar niet zijn aan te rekenen.
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Ja, ik ben hiermee bekend en snap ook dat dit om uitleg vraagt. In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een bijzondere aanpak voor de afhandeling van schade. Deze aanpak is gerechtvaardigd, omdat er in dat effectgebied in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld werden, waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. In de rest van Nederland is het aantal, de ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van de gaswinning geringer (ook in het geval van Geelbroek), waardoor een aanpak zoals in het effectgebied van het IMG onvoldoende gerechtvaardigd is. Dat neemt niet weg dat de schade buiten het IMG-effectgebied ook op een zorgvuldige en adequate wijze moet worden afgehandeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
In het kader van de «een-loket aanpak» werken de CM en IMG al intensief samen, waardoor één centraal loket niet nodig is. Gezien het aantal, de ernst en omvang van de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, is een bijzondere aanpak daar gerechtvaardigd. In de brief van 20 maart is geconstateerd dat er zowel bij de CM als bij het IMG meldingen van schade als gevolg van de bevingen bij Geelbroek zijn binnengekomen.3 Daar waar nodig wordt doorverwezen of samengewerkt tussen het IMG en de CM.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Hier is rekening mee gehouden door te werken met vier ringen. Het maximale bedrag voor inwoners in de eerste ring rond het epicentrum is het hoogst, daarna volgt het plafondbedrag in de tweede ring enzovoorts. Daarbij is geen causaliteitsonderzoek vereist.
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Nee, de versnelde procedure en beleidsregel geldt alleen voor schades die gemeld zijn naar aanleiding van de bevingen op 14 maart 2026 bij Geelbroek. De aanpak geldt niet voor schades door eerdere bevingen die zijn afgehandeld, omdat schades in beginsel maar één keer worden vergoed. Wel zal ik – op basis van de evaluatie van de CM die begin dit jaar naar uw Kamer is verzonden4 – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek gaan om te komen tot verbeteringen binnen de reguliere systematiek van de CM. In dat traject streef ik er ook naar om – in lijn met de motie van de leden Jumelet en Peter de Groot5 -aandacht te besteden aan mensen die eerder schade hebben gemeld naar aanleiding van de aardbeving in Ekehaar van 2023 en die slechts een deel van schade aan de woning vergoed hebben gekregen. Het gaat daarbij om schadegevallen, waarbij is vastgesteld dat deze voor een deel door bodembeweging als gevolg van de beving in Ekehaar is ontstaan en voor een deel door andere oorzaken. Ik besteed hierbij expliciet aandacht aan de mogelijkheid van een «terugwerkende kracht» bepaling.
Tweerichtingsladen als oplossing van netcongestie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project van Kia en Hyundai samen met Vattenfall om het voor particuliere klanten met een elektrische auto mogelijk te maken elektriciteit aan het net terug te leveren tijdens piekmomenten en daarmee geld te verdienen (tweerichtinngsladen)?1
Ja.
Bent u ermee bekend of andere automerken en/of elektriciteitsleveranciers een dergelijk aanbod ontwikkelen in Nederland?
Ja. In Nederland hebben Renault en We Drive Solar een dergelijk aanbod al ontwikkeld.
Is het elektriciteitsnet overal in Nederland klaar om tweerichtingsladen toe te staan? Zo nee, wat moet er gebeuren opdat het net wel tweerichtingsladen toestaat?
Ja, maar tot nu toe alleen voor vaste combinaties van auto, laadpaal en energieleverancier. Dit is conform de aansluitvoorwaarden zoals opgenomen in de Netcode Elektriciteit. Op dit moment ontbreken in de Netcode Elektriciteit nog de gestandaardiseerde afspraken die het mogelijk maken dat elk voertuig met elk laadpunt veilig en regulier aan het net mag terugleveren. Deze barrière is opgelost in 2029 als de netbeheerders de nieuwe Europese netcode voor teruglevering hebben geïmplementeerd. De verantwoordelijkheid voor het elektriciteitsnet ligt bij de netbeheerders.
Zult u ervoor zorgen dat de mogelijkheid tot tweerichtingsladen standaard is voorzien in alle nieuwe wijken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Over het beschikbaar stellen van laadinfrastructuur in nieuwe wijken beslissen regionale overheden. Vanuit het Rijk wordt via regelgeving gezorgd dat alle nieuwe laadpalen vanaf 2027 voldoen aan de nieuwste Europese eisen omtrent bidirectioneel laden. Daarbij is het van belang om te noemen dat op dit moment alleen vaste combinaties van laadpalen en voertuigen kunnen terugleveren aan het net. Door de verdere ontwikkeling van open standaarden op internationaal niveau wordt het richting 2030 mogelijk om met elke laadpaal en elk voertuig terug te leveren aan het net. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom nu al intensief aan de ontwikkeling van internationale standaarden, bijvoorbeeld in samenwerking met de Europese Commissie. Verder hebben mensen thuis een eigen keuze in de laadpaal en energieleverancier die zij kiezen.
Welke andere maatregelen overweegt u om tweerichtingsladen aan te moedigen als deel van de oplossing voor netcongestie? Kan dit voorwaardelijk worden gemaakt bij de aanleg van nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen?
In de routekaart bidirectioneel laden, die voor de zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, identificeer ik meerdere uitdagingen en oplossingsrichtingen om bidirectioneel laden op te schalen. Aanvullend op wat ik noem onder vraag 4, werk ik ook aan het verbeteren van de businesscase voor bedrijven om te investeren in bidirectioneel laden. Een aspect waar bij bidirectioneel laden nader naar moet worden gekeken betreft de dubbele energiebelasting die in sommige gevallen van bidirectioneel laden kan optreden. Hiervoor is het ten eerste van belang om meer ervaringen met geavanceerde meetinrichtingen te verkrijgen. Ten tweede wil dit kabinet beter inzicht krijgen in de effecten van dubbele energiebelasting. Op het moment dat het wegnemen van dubbele energiebelasting technisch mogelijk zou worden kan dat inzicht worden gebruikt om te beoordelen of de baten van het wegnemen van dubbele energiebelasting zouden opwegen tegen de lasten voor huishoudens, bedrijven en energieleveranciers en een eventuele toename van de uitvoeringscomplexiteit. Het kabinet zal de Kamer op de hoogte houden van de voortgang en nieuwe inzichten omtrent deze verkenning. Daarnaast start vanaf 2027 een opschalingsprogramma bidirectioneel laden waarbij de uitrol van bidirectionele laadinfrastructuur centraal staat.
Ten aanzien van vraag twee geldt dat bidirectioneel laden pas op termijn via Europese regelgeving voorwaardelijk wordt (zie vraag2. Op dit moment kunnen slechts enkele combinaties bidirectioneel laden. Ook hebben consumenten thuis vrije keuze in hun laadpaal en voertuig.
Verder wordt voor de oplossing van netcongestie een techniekneutrale aanpak gehanteerd. Vanuit het net bezien is namelijk geen voorkeur voor een bepaalde techniek die flexibiliteit levert, het gaat om het flexibel vermogen. Hiervoor maakt een netbeheerder afwegingen over de specifieke behoefte van het net in de locatie en tijd. Tweerichtingsladen kan daar, net als andere apparaten met flexibel vermogen, aan bijdragen. Tegelijkertijd wordt in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie onder andere gewerkt aan proposities voor vergoeding voor het leveren van flexibel vermogen.
Hoe beoordeelt u de contractvorm waarbij de koper van een bepaald automerk vasthangt aan één specifieke elektriciteitsleverancier?
Tot de verdere ontwikkeling van de open standaarden (verwachting 2030) is de huidige contractvorm met een vaste combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier de eerste stap voor de introductie van tweerichtingsladen. Voor opschaling van tweerichtingsladen is het noodzakelijk dat consumenten keuzevrijheid hebben. Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende laadpunten, voertuigen en energiecontracten. Het Ministerie van IenW vraagt continue aandacht voor de uniforme implementatie van standaarden bij de Europese Commissie en de Verenigde Naties en draagt actief bij aan de ontwikkeling van de open standaarden. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Is er bij dergelijke contractvormen een risico van marktconcentratie waarbij de leverancier vervolgens de prijzen voor de klant kan verhogen aangezien klanten omwille van automerk niet meer van leverancier kunnen veranderen willen ze nog toegang hebben tot tweerichtingsladen?
Ja. Vandaar dat wordt gewerkt aan het opstellen en implementeren van open standaarden (zie vraag hiervoor).
Hoe kunt u borgen dat klanten ondanks hun autokeuze toch nog een vrije keuze hebben van elektriciteitsleverancier met behoud van de mogelijkheid tot tweerichtingsladen?
Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende voertuigen, laadpunten en energiecontracten. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Stientje van Veldhoven (D66), de Bat |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Tweerichtingsladen als oplossing van netcongestie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project van Kia en Hyundai samen met Vattenfall om het voor particuliere klanten met een elektrische auto mogelijk te maken elektriciteit aan het net terug te leveren tijdens piekmomenten en daarmee geld te verdienen (tweerichtinngsladen)?1
Ja.
Bent u ermee bekend of andere automerken en/of elektriciteitsleveranciers een dergelijk aanbod ontwikkelen in Nederland?
Ja. In Nederland hebben Renault en We Drive Solar een dergelijk aanbod al ontwikkeld.
Is het elektriciteitsnet overal in Nederland klaar om tweerichtingsladen toe te staan? Zo nee, wat moet er gebeuren opdat het net wel tweerichtingsladen toestaat?
Ja, maar tot nu toe alleen voor vaste combinaties van auto, laadpaal en energieleverancier. Dit is conform de aansluitvoorwaarden zoals opgenomen in de Netcode Elektriciteit. Op dit moment ontbreken in de Netcode Elektriciteit nog de gestandaardiseerde afspraken die het mogelijk maken dat elk voertuig met elk laadpunt veilig en regulier aan het net mag terugleveren. Deze barrière is opgelost in 2029 als de netbeheerders de nieuwe Europese netcode voor teruglevering hebben geïmplementeerd. De verantwoordelijkheid voor het elektriciteitsnet ligt bij de netbeheerders.
Zult u ervoor zorgen dat de mogelijkheid tot tweerichtingsladen standaard is voorzien in alle nieuwe wijken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Over het beschikbaar stellen van laadinfrastructuur in nieuwe wijken beslissen regionale overheden. Vanuit het Rijk wordt via regelgeving gezorgd dat alle nieuwe laadpalen vanaf 2027 voldoen aan de nieuwste Europese eisen omtrent bidirectioneel laden. Daarbij is het van belang om te noemen dat op dit moment alleen vaste combinaties van laadpalen en voertuigen kunnen terugleveren aan het net. Door de verdere ontwikkeling van open standaarden op internationaal niveau wordt het richting 2030 mogelijk om met elke laadpaal en elk voertuig terug te leveren aan het net. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom nu al intensief aan de ontwikkeling van internationale standaarden, bijvoorbeeld in samenwerking met de Europese Commissie. Verder hebben mensen thuis een eigen keuze in de laadpaal en energieleverancier die zij kiezen.
Welke andere maatregelen overweegt u om tweerichtingsladen aan te moedigen als deel van de oplossing voor netcongestie? Kan dit voorwaardelijk worden gemaakt bij de aanleg van nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen?
In de routekaart bidirectioneel laden, die voor de zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, identificeer ik meerdere uitdagingen en oplossingsrichtingen om bidirectioneel laden op te schalen. Aanvullend op wat ik noem onder vraag 4, werk ik ook aan het verbeteren van de businesscase voor bedrijven om te investeren in bidirectioneel laden. Een aspect waar bij bidirectioneel laden nader naar moet worden gekeken betreft de dubbele energiebelasting die in sommige gevallen van bidirectioneel laden kan optreden. Hiervoor is het ten eerste van belang om meer ervaringen met geavanceerde meetinrichtingen te verkrijgen. Ten tweede wil dit kabinet beter inzicht krijgen in de effecten van dubbele energiebelasting. Op het moment dat het wegnemen van dubbele energiebelasting technisch mogelijk zou worden kan dat inzicht worden gebruikt om te beoordelen of de baten van het wegnemen van dubbele energiebelasting zouden opwegen tegen de lasten voor huishoudens, bedrijven en energieleveranciers en een eventuele toename van de uitvoeringscomplexiteit. Het kabinet zal de Kamer op de hoogte houden van de voortgang en nieuwe inzichten omtrent deze verkenning. Daarnaast start vanaf 2027 een opschalingsprogramma bidirectioneel laden waarbij de uitrol van bidirectionele laadinfrastructuur centraal staat.
Ten aanzien van vraag twee geldt dat bidirectioneel laden pas op termijn via Europese regelgeving voorwaardelijk wordt (zie vraag2. Op dit moment kunnen slechts enkele combinaties bidirectioneel laden. Ook hebben consumenten thuis vrije keuze in hun laadpaal en voertuig.
Verder wordt voor de oplossing van netcongestie een techniekneutrale aanpak gehanteerd. Vanuit het net bezien is namelijk geen voorkeur voor een bepaalde techniek die flexibiliteit levert, het gaat om het flexibel vermogen. Hiervoor maakt een netbeheerder afwegingen over de specifieke behoefte van het net in de locatie en tijd. Tweerichtingsladen kan daar, net als andere apparaten met flexibel vermogen, aan bijdragen. Tegelijkertijd wordt in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie onder andere gewerkt aan proposities voor vergoeding voor het leveren van flexibel vermogen.
Hoe beoordeelt u de contractvorm waarbij de koper van een bepaald automerk vasthangt aan één specifieke elektriciteitsleverancier?
Tot de verdere ontwikkeling van de open standaarden (verwachting 2030) is de huidige contractvorm met een vaste combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier de eerste stap voor de introductie van tweerichtingsladen. Voor opschaling van tweerichtingsladen is het noodzakelijk dat consumenten keuzevrijheid hebben. Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende laadpunten, voertuigen en energiecontracten. Het Ministerie van IenW vraagt continue aandacht voor de uniforme implementatie van standaarden bij de Europese Commissie en de Verenigde Naties en draagt actief bij aan de ontwikkeling van de open standaarden. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Is er bij dergelijke contractvormen een risico van marktconcentratie waarbij de leverancier vervolgens de prijzen voor de klant kan verhogen aangezien klanten omwille van automerk niet meer van leverancier kunnen veranderen willen ze nog toegang hebben tot tweerichtingsladen?
Ja. Vandaar dat wordt gewerkt aan het opstellen en implementeren van open standaarden (zie vraag hiervoor).
Hoe kunt u borgen dat klanten ondanks hun autokeuze toch nog een vrije keuze hebben van elektriciteitsleverancier met behoud van de mogelijkheid tot tweerichtingsladen?
Om te voorkomen dat consumenten vast zitten aan één combinatie van automerk en elektriciteitsleverancier, werkt IenW in internationaal verband aan de verdere ontwikkeling van open standaarden en aan uniforme afspraken over de implementatie van de standaarden. Dit is de basis voor het combineren van verschillende voertuigen, laadpunten en energiecontracten. Met internationale afspraken over de implementatie van standaarden krijgen consumenten naar verwachting vanaf 2030 keuzevrijheid in hun automerk en elektriciteitsleverancier om terug te leveren aan het net.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd. Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland. Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid, een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid van kerncentrales.
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken), zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld. De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie 5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen. Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren. Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland, dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie, verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden gerealiseerd.
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld» van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van de kerncentrales.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor, reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden zijn samengevoegd.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Ulaş Köse (D66), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
In 2025 is er een evaluatie geweest van de schadeafhandeling in Ekehaar door de Commissie Mijnbouwschade (verder: CM).1 Hier kwam inderdaad uit naar voren dat er bij de afhandeling van de schademeldingen naar verhouding veel kosten werden gemaakt voor causaliteitsonderzoek door deskundigen ten opzichte van de bedragen die uiteindelijk zijn uitgekeerd om schade te vergoeden. Daarom heeft de voormalige Minister van Klimaat en Groene Groei aangegeven samen met de mijnbouwbedrijven (gas, olie, zout en opslag) te willen kijken naar een verbetering van de reguliere procedure van de CM. Dit vergt tijd, mede ook omdat met alle mijnbouwondernemingen overeenstemming moet worden bereikt.
Voor de afhandeling van schademeldingen als gevolg van de aardbeving bij Geelbroek heeft het kabinet hier niet op willen wachten. We stellen een aanpak voor waarin schademeldingen door de aardbeving bij Geelbroek sneller worden afgehandeld en er minder geld gaat naar onderzoek2. In deze aanpak worden vier ringen onderscheiden binnen het door de CM vastgestelde beoordelingsgebied. De CM en NAM willen in de twee ringen dichtbij het epicentrum een versnelde procedure toepassen op grond van het Instellingsbesluit van de CM (artikel 7 van Protocol A in Bijlage 1). Dit houdt in dat een causaal verband wordt aangenomen en inwoners hun schade tot bepaalde maximale bedragen vergoed kunnen krijgen. Voor ring 1 gaat het om een maximaal bedrag van € 10.000 euro en voor ring 2 om een maximaal bedrag van € 7.000 euro. Als de schademelder hier geen gebruik van wil maken wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, waarbij wel onderzoek naar causaliteit wordt gedaan. Dit vergt een langere doorlooptijd en de schademelder loopt het risico dat hij uiteindelijk geen of een lagere vergoeding krijgt dan hij zou hebben gekregen onder de versnelde procedure. Dit aangezien schade in woningen in Nederland vele verschillende en soms gecombineerde oorzaken heeft. In de buitenste twee ringen wil NAM geen causaal verband aannemen, omdat NAM van mening is dat slechts in uitzonderlijke gevallen en dan in beperkte mate sprake zal zijn van schade die veroorzaakt of verergerd is door de beving bij Geelbroek. Dit zou betekenen dat deze schades volgens de reguliere procedure moeten worden afgehandeld. Dit vindt het kabinet, vanwege het grote aantal schademeldingen niet wenselijk. Wel is NAM bereid om een bedrag beschikbaar te stellen om de afhandeling van schademeldingen in dit gebied te bespoedigen en de uitvoeringskosten te mitigeren. Daarom werkt het kabinet aan een beleidsregel, op grond waarvan schademelders voor de buitenste twee ringen voor een onverplichte tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. Voor ring 3 en voor ring 4 wordt er met een vast bedrag gewerkt als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege. Voor ring 3 gaat het om € 3.000 euro en voor ring 4 om 1.000 euro. Met deze aanpak is geen causaliteitsonderzoek vereist. Daardoor is de verwachting dat er een betere verhouding is tussen uitgekeerde tegemoetkomingen en onderzoekskosten. In ringen 3 en 4 kunnen schademelders ook voor de reguliere procedure kiezen.
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag één, kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een vergoeding tot een maximaal bedrag (ringen 1 en 2) of een vast bedrag als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (ring 3 en 4). Er is geen causaliteitsonderzoek naar de oorzaak van de schade vereist. De schademelder kan ook nog steeds kiezen voor de reguliere procedure van de CM.
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag één kunnen schademelders, afhankelijk van in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een schadevergoeding of onverplichte tegemoetkoming. De voorgestelde aanpak draagt bij aan een snellere afhandeling. De versnelde procedure (ring 1 en 2) is vastgelegd in een overeenkomst tussen de CM en NAM. Voor ring 3 en 4 wordt onder andere een beleidsregel opgesteld. Indien de schademelder geen gebruik wil maken van deze aanpak, wordt de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit van de CM en het bijbehorende protocol (Protocol A in Bijlage 1).
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
De CM ondersteunt bewoners (en micro-ondernemingen) die een schademelding hebben ingediend bij de CM met onafhankelijk en deskundig advies over de afhandeling van de mijnbouwschade. Hierbij wordt voorzien in persoonlijke begeleiding gedurende het gehele proces van schadeafhandeling met behulp van een vaste zaakbegeleider die het proces en de schaderegeling uitlegt, aanwezig is bij de schadeopname en fungeert als persoonlijk aanspreekpunt voor de schademelder. Bewoners worden door de zaakbegeleider in het gehele traject ontzorgd en kunnen met al hun inhoudelijke en persoonlijke vragen bij hun zaakbegeleider terecht. Daarnaast wordt door de CM ingezet op het op een laagdrempelige manier verstrekken van informatie over de schadebeoordeling, het beantwoorden van vragen en het bieden van een «luisterend oor» voor inwoners in de regio die daaraan behoefte hebben. Naast het benutten van online communicatiekanalen en lokale media wordt daarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het Informatiepunt Digitale Overheid in lokale bibliotheken en worden er in samenwerking met de betrokken Drentse gemeenten bijeenkomsten georganiseerd in dorpshuizen en wijkcentra. Ook is de CM telefonisch bereikbaar om vragen te beantwoorden.
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
De beving is inmiddels bijna drie maanden geleden. Naar verwachting hebben de meeste mensen met schade zich bij de CM gemeld. Schademeldingen die zijn gedaan voor het tijdstip van publicatie van de overeenkomst tussen CM en NAM voor versnelde procedure en de betaalovereenkomst tussen NAM en de Staat, worden op grond van de versnelde procedure (eerste en tweede ring) dan wel de beleidsregel voor de onverplichte tegemoetkoming van overheidswege (derde en vierde ring) afgehandeld. De regionale bestuurders hebben gevraagd om enige coulance omdat soms mensen door omstandigheden zich niet hebben kunnen melden. Aangezien dit om slechts enkele gevallen zal gaan, geldt er bij de versnelde procedure en de beleidsregel een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties, waarin een schademelder kan aantonen dat eerdere indiening niet mogelijk was om redenen die hem of haar niet zijn aan te rekenen.
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Ja, ik ben hiermee bekend en snap ook dat dit om uitleg vraagt. In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een bijzondere aanpak voor de afhandeling van schade. Deze aanpak is gerechtvaardigd, omdat er in dat effectgebied in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld werden, waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. In de rest van Nederland is het aantal, de ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van de gaswinning geringer (ook in het geval van Geelbroek), waardoor een aanpak zoals in het effectgebied van het IMG onvoldoende gerechtvaardigd is. Dat neemt niet weg dat de schade buiten het IMG-effectgebied ook op een zorgvuldige en adequate wijze moet worden afgehandeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
In het kader van de «een-loket aanpak» werken de CM en IMG al intensief samen, waardoor één centraal loket niet nodig is. Gezien het aantal, de ernst en omvang van de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, is een bijzondere aanpak daar gerechtvaardigd. In de brief van 20 maart is geconstateerd dat er zowel bij de CM als bij het IMG meldingen van schade als gevolg van de bevingen bij Geelbroek zijn binnengekomen.3 Daar waar nodig wordt doorverwezen of samengewerkt tussen het IMG en de CM.
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Hier is rekening mee gehouden door te werken met vier ringen. Het maximale bedrag voor inwoners in de eerste ring rond het epicentrum is het hoogst, daarna volgt het plafondbedrag in de tweede ring enzovoorts. Daarbij is geen causaliteitsonderzoek vereist.
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Nee, de versnelde procedure en beleidsregel geldt alleen voor schades die gemeld zijn naar aanleiding van de bevingen op 14 maart 2026 bij Geelbroek. De aanpak geldt niet voor schades door eerdere bevingen die zijn afgehandeld, omdat schades in beginsel maar één keer worden vergoed. Wel zal ik – op basis van de evaluatie van de CM die begin dit jaar naar uw Kamer is verzonden4 – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek gaan om te komen tot verbeteringen binnen de reguliere systematiek van de CM. In dat traject streef ik er ook naar om – in lijn met de motie van de leden Jumelet en Peter de Groot5 -aandacht te besteden aan mensen die eerder schade hebben gemeld naar aanleiding van de aardbeving in Ekehaar van 2023 en die slechts een deel van schade aan de woning vergoed hebben gekregen. Het gaat daarbij om schadegevallen, waarbij is vastgesteld dat deze voor een deel door bodembeweging als gevolg van de beving in Ekehaar is ontstaan en voor een deel door andere oorzaken. Ik besteed hierbij expliciet aandacht aan de mogelijkheid van een «terugwerkende kracht» bepaling.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Stientje van Veldhoven (D66), de Bat |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Alisha Müller (VVD), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Het kabinet deelt de analyse over het belang van een robuuste, betaalbare en onafhankelijke energievoorziening in Europa. Deze vermindert onze kwetsbaarheid voor prijsvolatiliteit en geopolitieke risico’s. Keuzes omtrent energie – en daarmee de keuze voor kernenergie in de energiemix – zijn een nationale bevoegdheid. Het kabinet verwelkomt dan ook het stevige signaal van Commissievoorzitter Von der Leyen dat de grotere rol erkent die kernenergie in de toekomst zal spelen in de energiemix, in Europese lidstaten waaronder Nederland, om zo een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese strategische doelstellingen.
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 16 juni 20252, werkt het kabinet aan het versterken van het nucleaire ecosysteem via kennisopbouw, netwerkontwikkeling en concrete activiteiten op drie samenhangende terreinen:
Op deze manier zorgt het kabinet ervoor dat kennis- en onderzoeksorganisaties, onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen aansluiten bij de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland (inclusief SMR’s) en waar mogelijk internationale mogelijkheden kunnen benutten, waaronder een rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten.
Ook de Europese Commissie is bezig met het vormgeven van de ondersteuning van innovatieve kerntechnologieën. Een voorbeeld hiervan is de genoemde € 200 miljoen aan garanties voor innovatieve nucleaire technologieën die onlangs door de Europese Commissie is aangekondigd en wordt toegevoegd aan het Europese InvestEU-fonds. Projecten kunnen hierop aanspraak maken via de Europese Investeringsbank; kleinere projecten in Nederland kunnen hierop via InvestNL aanspraak maken. Als onderdeel van het MMIP Kernenergie ondersteunt RVO Nederlandse partijen die SMR's willen ontwikkelen hierbij, zoals dat ook gebeurt bij het EU Innovatiefonds en andere EU-programma's.
Voor de zomer zal de Kamer nader per brief over de nationale aanpak voor de versterking van het nucleaire ecosysteem worden geïnformeerd.
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Nederland heeft een zorgvuldig doordacht kader voor de bouw en inpassing van kerncentrales. Dit kader is gericht op veiligheid, participatie en het waarborgen van een goede ruimtelijke inpassing en biedt ruimte voor innovatieve technologieën. De handreiking voor het Veilig Ontwerp en veilig Bedrijven van Kernreactoren (VOBK) is afgelopen jaar door de ANVS geactualiseerd, met als voornaamste stappen het beter harmoniseren met internationale richtlijnen en het toepasbaar maken op meer innovatieve technieken. Dit is behulpzaam voor SMR’s en internationale techniekleveranciers.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de aanpassingen van het EU staatssteunkader3 dat lidstaten meer ruimte geeft om nationale industrieën financieel te ondersteunen bij energie- en duurzaamheidsinvesteringen.
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Het kabinet is in contact met ontwikkelaars en partijen die geïnteresseerd zijn in de bouw van SMR's en heeft eerder in kaart gebracht wat zij nodig hebben voor verdere ontwikkeling. Naar aanleiding van deze gesprekken is het kabinet tot de conclusie gekomen dat ondersteuning op dit moment vooral gewenst is voor vroege haalbaarheidsstudies of vergunbaarheidsanalyses. Het kabinet zal met de SMR-strategie tot € 20 miljoen beschikbaar maken voor concrete initiatieven om hiermee de haalbaarheidsstudies en vergunbaarheidsanalyses te ondersteunen. Het kabinet is blijvend in gesprek met bedrijven en zal een marktconsultatie starten om inzicht te krijgen in de huidige status van initiatieven in Nederland om hiermee het financieringsinstrument (voor de genoemde € 20 miljoen) in te kunnen richten. Aanvullend verkent de marktconsultatie financieringsmogelijkheden voor latere fasen van private SMR-projecten, zoals bouw en exploitatie.
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Het kabinet heeft voortdurend de mogelijkheden voor versnelling voor ogen, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten die hiermee gemoeid zijn. In de voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie van mei en oktober4 jl. is ingegaan op versnellingsopties. Het kabinet zal u voor de zomer een volgende voortgangsbrief sturen.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de ontwikkeling van kernenergie en SMR's binnen de Europese Unie. Nederland heeft een actieve rol binnen de Nucleaire Alliantie en binnen de SMR Industriële Alliantie. Daarnaast heeft het kabinet bilateraal contact met verschillende landen in Europa om synergiën op te zoeken. Het kabinet blijft zich binnen en buiten de genoemde gremia inzetten voor het ondersteunen en versnellen van de uitrol van kernenergie.