Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Hilde Wendel (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
De verhoogde kans op extreem hoog water voor de Nederlandse kust |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek en berichtgeving inzake de verhoogde kans op extreem hoog water voor de Nederlandse kust?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat als gevolg van de klimaatverandering het risico op extreem hoge waterstanden is toegenomen?
Het onderzoek geeft aan dat de frequentie van hoge waterstanden voor de Nederlandse kust viermaal hoger is dan in 1900. Dit onderzoek is een analyse van bestaande data. Diezelfde data worden gebruikt in onze modellen en analyses voor belastingen van waterkeringen en actualisaties daarvan. Daarbij gaat het in het onderzoek en het artikel om events met een kans van voorkomen van eens in de honderd jaar. De Nederlandse kust is bestand tegen veel extremere events. De uitkomsten van dit onderzoek leiden daarom niet tot een (extra) dreiging voor onze waterkeringen langs de kust.
Vindt u het ook zorgelijk dat, terwijl de verwachting is dat de gevolgen van de klimaatverandering de komende decennia alleen maar groter zullen worden, extreem hoge waterstanden nu al zoveel vaker voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Langs de Noordzeekust zijn wij goed voorbereid op de waterstanden en golfbelastingen die kunnen volgen uit stormomstandigheden. Periodiek worden de databases voor hydraulische belasting van de waterkeringen geactualiseerd. Dat gebeurt op basis van voortschrijdend inzicht, waaronder de actuele wind- en waterstandstatistieken en de meest recente KNMI-klimaatscenario’s.
Wat doet u om de risico’s, dat de kans op extreem hoog water nog verder en sneller toe zal nemen, te beperken?
Het Rijk zorgt er samen met de waterschappen voor dat de kustverdediging op orde is. Dat wordt onder meer gedaan door instandhouding en voorbereiding van vernieuwing van de stormvloedkeringen en door uitvoering van de kustlijnzorg zodat de zandige Noordzeekust kan meegroeien met de zeespiegelstijgingen. Daarnaast vindt monitoring plaats en wordt ervoor gezorgd dat kennis en instrumenten beschikbaar zijn om tijdig te kunnen anticiperen op klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan is het Kennisprogramma Zeespiegelstijging dat de afgelopen jaren gelopen heeft: de Kamer heeft op 19 juni jl. een brief ontvangen over de stand van dit Kennisprogramma (Kamerstukken 36 800 J, nr. 28).
Welke consequenties hebben deze nieuwe berekeningen voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)?
Zoals bij antwoord 3 aangegeven, worden alle nieuwe inzichten die invloed hebben op de kans op mogelijke waterstanden periodiek verwerkt in een database met zgn. hydraulische belastingen op de waterkeringen. Keringbeheerders beoordelen met behulp van die hydraulische belastingen of de verwachte overstromingskans van de keringen voldoet aan de normen die daarvoor gelden. Dat leidt dan tot een geactualiseerd beeld in de huidige beoordelingsronde van waterkeringen die loopt tot 2035. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Heeft u goed in beeld waar langs de Europees-Nederlandse kust de meest risicovolle plekken in de zeewering zijn? Wat zijn de geplande versterkingsopgaven?
De meest risicovolle plekken zijn de plekken waar de kust niet zelf kan meegroeien met de zeespiegelstijging, zoals bij kustplaatsen. Deze zwakke schakels zijn in de periode 2007–2016 versterkt. De waterschappen beoordelen als keringbeheerders iedere 12 jaar of de waterkering langs de kust blijft voldoen aan de waterveiligheidsnormen. Momenteel voldoet vrijwel de hele Noordzeekust al aan de strenge waterveiligheidsnormen. Waar voorzien wordt dat deze niet meer voldoen, worden deze keringen aangepakt in het kader van het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De HWBP-programmering wordt jaarlijks bij de begroting en in het Deltaprogramma gepubliceerd. Met deze systematiek werken we voortdurend aan het op tijd versterken van de keringen (dijken, duinen, dammen) en daarmee aan het op orde houden van de waterveiligheid, ook aan de kust.
Heeft u goed in beeld waar langs de kust in Caribisch Nederland de meest risicovolle plekken in de zeewering zijn? Wat zijn de geplande versterkingsopgaven?
Ja. Voor de eilanden is voor de kustgebieden via risicoprofielen in beeld gebracht waar ze het meest kwetsbaar zijn voor overstromingen vanuit zee. Voor Bonaire gaat het met name om laaggelegen kustdelen, waaronder delen van Kralendijk, die bij zeespiegelstijging, stormopzet en kusterosie kwetsbaar kunnen zijn.
Voor Saba en Sint Eustatius ligt de opgave vooral bij kust- en haveninfrastructuur en erosiegevoelige locaties.
De verdere prioritering en uitwerking van maatregelen vindt plaats via de eilandelijke klimaatplannen en het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het aankomende commissiedebat Water d.d. 25 juni 2026?
Ja.
De Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Ja
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Ik zie de uitlatingen van Gasunie als een oprechte zorg. Ik deel de mening dat de leveringszekerheid van gas moet worden geborgd tegen redelijke kosten. Daar is mijn beleid, waarbij Gasunie een adviserende rol heeft, ook op gericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
De uitlatingen van Gasunie zijn mij bekend. Ik heb ervoor gezorgd dat EBN Capital B.V. (hierna: EBN) vanaf april is begonnen met het injecteren van gas. EBN ligt op schema om, indien nodig, 80 TWh gas op te slaan. Daarnaast treft EBN de voorbereidingen voor het aanleggen van een strategische opslag (noodvoorraad) van 5 TWh in de PGI Alkmaar. Zodoende kan EBN indien nodig omdat marktpartijen onvoldoende vullen driekwart van het vuldoel voor komende winter voor haar rekening nemen. Hiermee zorgen we voor voldoende gas deze winter. Daarnaast werk ik, samen met alle partijen, aan een brief over strategisch gasbeleid om ervoor te zorgen dat we structureel voldoende gas achter de hand hebben voor noodsituaties. Daarover voer ik ook gesprekken in Europa om te voorkomen dat de Nederlandse belastingbetaler alleen voor hoge kosten opdraait, terwijl de Europese Unie in de breedte van deze garantie zou kunnen profiteren.
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Het EU-vuldoel voor Nederland dit jaar bedraagt 74%, oftewel ca. 107 TWh tussen 1 oktober en 1 december. Het nationale vuldoel voor Nederland op 1 november is 80%, oftewel 115 TWh. Beide zijn nog binnen bereik. Of deze doelen worden gehaald hangt ook samen met hoeveel marktpartijen, die het eerst aan zet zijn bij het vullen, deze zomer opslaan. De stappen die de overheid via EBN heeft gezet om de doelen te halen zijn toegelicht in antwoord 3.
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door in te kopen via een handelsplaats, import van LNG, via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Hoe zij invulling geven aan die verplichtingen is aan hen. Als partijen ervoor kiezen om geen gas op slaan, ontslaat hen dat niet van hun leveringsverplichtingen. Mogelijk zullen zij wel tegen hoge(re) kosten moeten inkopen op dat moment. Het Rijk zal geen «bonussen» verstrekken aan marktpartijen om gasopslagen te vullen. Dat is overigens ook niet toegestaan vanwege staatssteunregels.
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Die mening deel ik niet. Het zoeken naar een balans tussen deze drie is gegeven de huidige marktomstandigheden niet eenvoudig en vraagt continu monitoring en waar nodig bijsturen. Dat zal ik deze zomer blijven doen.
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Ik herken dat de activiteiten van EBN prijs opdrukkende effecten kunnen hebben en dat het tegelijkertijd nodig is om EBN als vulagent een rol te geven bij het vullen van de bergingen indien marktpartijen onvoldoende vullen. Voor deze rol heb ik EBN ruimte gegeven om maximaal 80 TWh aan gas op te slaan in de seizoensopslagen en te starten met het aanleggen van een strategische opslag (tijdelijke noodvoorraad). Gasunie Transport Services (GTS) raamde eerder de gemiddelde jaarlijkse behoefte aan seizoensflexibiliteit, uitgaande van een gemiddeld temperatuurjaar, op 71 TWh.3
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Het kabinet heeft dit voorjaar over een pakket aan maatregelen besloten om de gevolgen van de hogere energieprijzen te beperken. Het eerstvolgende moment om eventuele koopkrachtmaatregelen te presenteren is op Prinsjesdag, waarbij het kabinet altijd integraal weegt.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale regels»?1
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen belemmert?
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen?
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid en bebouwing?
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave worden beschouwd?
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar aanleiding van deze oproep?
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren, ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt in plaats van belemmert?
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Het bericht 'Taliban grijpen gewelddadig in bij protest voor vrouwenrechten Afghanistan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Taliban gewelddadig heeft ingegrepen bij een protest voor vrouwenrechten in Afghanistan?1
Hoe bent u van plan deze gewelddadige acties te veroordelen en op te volgen?
Wat gaat Nederland extra doen om Afghaanse vrouwen te beschermen en te ondersteunen tegen geweld en onderdrukking vanuit de Taliban?
Bent u bereid om lokale vrouwenorganisaties extra te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Gaat u, danwel in samenspraak met hulporganisaties danwel in Europees of VN verband, ervoor zorgen dat bewijs wordt verzameld en veiliggesteld zodat misdaden tegen vrouwen worden gedocumenteerd en beschikbaar zijn voor vervolging van daders? Zo ja, welke stappen bent u bereid te nemen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de oproep van The Human Rights Watch om onmiddellijke alle arrestanten vrij te laten en de gewonden medische zorg te bieden? Zo ja, hoe gaat u de druk op de Taliban opvoeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe hebben deze berichten invloed op mogelijke onderhandelingen met de Taliban over het al dan niet terugsturen van Afghaanse vrouwen die in Nederland verblijven? Deelt u de mening dat het terugsturen van Afghaanse vrouwen naar de Taliban niet kan?
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op’ |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op»?1
De tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Zo kan Rijkswaterstaat op dit moment de benodigde vernieuwingsprojecten alleen nog starten door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Ook is gemeld dat voor exploitatie en onderhoud Rijkswaterstaat nu al scherpe keuzes moet maken en werkzaamheden in tijd naar achteren moet schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van. Eerder dit jaar heeft Rijkswaterstaat ook groot onderhoud op de A12 stopgezet en het werk naar achteren geschoven. Het gaat om niet acuut noodzakelijk onderhoud. De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. Dit jaar net als vorig jaar is en wordt er veel groot onderhoud gepleegd aan de wegen in Noord Nederland. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Kunt u toelichten waarom juist deze wegen in Noord-Nederland zijn geschrapt van de lijst voor groot onderhoud?
Er is geen sprake van het definitief schrappen van groot onderhoud van deze wegen. Wel is gekozen voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding en het herprioriteren van de planning. Het betreft preventieve onderhoudswerkzaamheden die gepland stonden voor 2027 en 2028, waaronder werkzaamheden in:
Is het toeval dat dit uitstel van onderhoud terechtkomt bij wegen in één regio, of is Noord-Nederland om strategische redenen van de lijst gehaald?
De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in het bredere afweegkader. Door te herprioriteren willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde krijgen. Zo werken we aan een stevig fundament voor de bereikbaarheid en de economie van ons land, waar we daarna op verder kunnen bouwen. Dit is in lijn met het Coalitieakkoord en de lijn om de prioritaire inspanning te richten op de instandhouding van de infrastructuur.
Welke afwegingen zijn er gemaakt om het groot onderhoud in het Noorden uit te stellen?
Zie het antwoord bij de vragen 1 en 3.
Is bij deze keuze rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio? Is rekening gehouden met de verkeersveiligheid? En met alternatieve routes?
Bij de keuze voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is uiteraard rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio, de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van alternatieve routes. Zoals in antwoord 1 aangegeven gaat het om niet acuut noodzakelijk onderhoud. Daar waar de veiligheid en bereikbaarheid in het geding is neemt Rijkswaterstaat de noodzakelijke maatregelen.
Wat zijn de langetermijnmeerkosten van het uit- of afstellen van onderhoud aan wegen?
Het uitstellen van onderhoud kan leiden tot hogere kosten op de langere termijn. Naarmate de staat van de infrastructuur verder verslechtert, kunnen zwaardere en daarmee kostbaardere onderhouds- of vervangingsmaatregelen noodzakelijk worden. De omvang van deze eventuele meerkosten verschilt per project en is niet eenvoudig te kwantificeren. De omvang van het uitgesteld onderhoud is de afgelopen jaar gestegen naar € 2.525 mln (stand jaarverantwoording 2025) waarvan 1.133 mln voor het hoofdwegennet.
Tegelijkertijd maakt de huidige budgettaire situatie het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en te faseren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom aan een herprioritering van onderhouds- en vervangingsopgaven binnen de beschikbare financiële kaders.
Bij deze afweging wordt steeds gezocht naar een balans tussen de gevolgen op korte en lange termijn, de risico’s voor de infrastructuur en het borgen van een veilig, beschikbaar en betrouwbaar netwerk. De staat van de infrastructuur wordt daarbij continu gemonitord, zodat waar nodig tijdig aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor het a.s. commissiedebat Strategische bereikbaarheid?
Ja.
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere, doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken, is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke complexiteit van de instelling.
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur, toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten (o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren opnemen.
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO en de omroepen.
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming, in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen. Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor media-aanbod en organisatiekosten.
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen. Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark voor overhead kan daaraan bijdragen.
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst is.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Don Ceder (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?