Het artikel 'Wat de wonden vertellen' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wat de wonden vertellen» uit De Volkskrant d.d. 13 september 2025?1
Ja.
Vindt u het onderzoek van De Volkskrant, waaruit blijkt dat de Israëlische krijgsmacht naar alle waarschijnlijkheid gericht op honderden Palestijnse kinderen onder vijftien jaar heeft geschoten en kinderen ernstig heeft verwond door middel van fragmentatiewapens, overtuigend? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie die het onderzoek van de Volkskrant kan verifiëren dan wel ontkennen. Het kabinet hecht er groot belang aan dat straffeloosheid wordt tegengegaan en dat schendingen van het internationaal recht, humanitair oorlogsrecht, worden onderzocht. Daar spant Nederland zich voor in.
Wat vertellen deze schotwonden aan het kabinet over de wijze van oorlogsvoering door de Israëlische krijgsmacht?
Het artikel concludeert dat de schotwonden in kwestie een indicatie zijn van gerichte aanvallen op kinderen. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie die het onderzoek van de Volkskrant kan verifiëren dan wel ontkennen. Volgens het humanitair oorlogsrecht mogen burgers geen doelwit vormen van militaire aanvallen. Indien burgers direct deelnemen aan de vijandelijkheden, verliezen ze voor de duur van deze deelname hun beschermde status. Het kabinet roept de strijdende partijen, waaronder Israël, om zich te allen tijde aan het humanitair oorlogsrecht te houden.
Heeft het kabinet eerder soortgelijke informatie over de wijze van oorlogsvoering door de Israëlische krijgsmacht ontvangen?
Informatie die het kabinet ontvangt over het Israëlische militair optreden in Gaza leidt al geruime tijd tot serieuze vragen. Het kabinet spreekt Israël hierop zowel bilateraal als multilateraal aan.
Heeft u uw Israëlische counterpart aangesproken op de bevindingen van het onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u uw Israëlische counterpart aangesproken op het feit dat Israël sinds maart 2025 meer dan honderd buitenlandse zorgmedewerkers toegang tot Gaza heeft ontzegd zonder opgave van reden?
Nederland heeft Israël veelvuldig opgeroepen en blijft dit doen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren, zowel voor de invoer en distributie van goederen als de in- en uitreis van internationale hulpverleners. Meest recentelijk heb ik dit gedaan in een gesprek met mijn Israëlische ambtgenoot Saar op 24 oktober jl.
Op 9 oktober jl. bereikten Israël en Hamas overeenstemming over de eerste fase van het plan om het conflict in de Gazastrook te beëindigen (zie ook Kamerbrief d.d. 10 oktober jl.). Dit akkoord biedt, na ruim twee jaar van lijden, geweld en verwoesting, het broodnodige perspectief op een duurzaam einde aan de oorlog. Het is van essentieel belang dat de afspraken over deze eerste fase, waaronder die over humanitaire hulp, volledig worden geïmplementeerd en nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de Israëlische autoriteiten zelfs babyvoeding niet tot Gaza toelaten? Heeft u uw Israëlische counterpart daarop aangesproken?
Op Israël rust de plicht om de burgerbevolking in Gaza te voorzien van de noodzakelijke humanitaire hulp of deze hulp te faciliteren. Na het bereiken van het akkoord over de eerste fase van het vredesplan op 9 oktober jl. is de toegang van humanitaire hulp verbeterd. Het kabinet blijft het belang onderstrepen dat Israël zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht naleeft.
Staat het kabinet in contact met hulpverleners die in Gaza dienen of de afgelopen twee jaar in Gaza hebben gediend? Zo nee, bent u bereid om met enkelen van hen in gesprek te gaan?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een goede, voortdurende dialoog met hulporganisaties, en spreekt – zowel in Nederland als in de regio – regelmatig met hulpverleners die in de Gazastrook werken of hebben gewerkt.
Hoeveel Israëlische militairen zijn er in de afgelopen twee jaar veroordeeld voor misdrijven gepleegd tegen Palestijnse burgers?
Volgens cijfers van de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din, die zich baseert op informatie die is aangeleverd door de Israëlische krijgsmacht, zijn vijf Israëlische militairen veroordeeld voor misdrijven gepleegd tegen Palestijnse burgers in Israël en de Palestijnse gebieden. Daarnaast zijn er nog enkele lopende zaken.
Op welke manier spant het kabinet zich in voor het vastleggen van oorlogsmisdrijven in Gaza?
Nederland heeft altijd duidelijk uitgesproken dat de strijdende partijen zich aan humanitair oorlogsrecht moeten houden. Het kabinet veroordeelt alle schendingen van het internationaal recht, ongeacht wie de schending begaat. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen. Daar draagt het kabinet ook aan bij, bijvoorbeeld via bijdragen aan het Kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (OHCHR) en het Internationaal Strafhof.
Vallen de misdrijven beschreven in het onderzoek van De Volkskrant onder de Wet Internationale Misdrijven? Zo ja, is berechting van Israëlische militairen die in Nederland verblijven op basis van de in het onderzoek beschreven misdrijven tegen Palestijnse burgers, mogelijk?
Oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie zijn strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven. Hierbij geldt dat Nederland rechtsmacht heeft over internationale misdrijven indien de verdachte een Nederlander is, het slachtoffer een Nederlander is of de verdachte zich op Nederland grondgebied bevindt. Of een strafrechtelijk onderzoek kan worden ingesteld, hangt onder meer af van de vraag of er voldoende bewijs voorhanden is voor individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid. De opsporing en vervolging van deze internationale misdrijven is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie.
Bent u, bij uitblijven van vervolging in Israël, bereid om in lijn met het complementariteitsbeginsel in het Statuut van Rome ook te pleiten en steun te bieden voor de berechting van Israëlische militairen bij het Internationaal Strafhof?
Er loopt reeds een actief onderzoek bij het Internationaal Strafhof (ISH) naar de situatie in de Palestijnse Gebieden, waaronder Gaza, en het is aan het Parket van de Aanklager van het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de organen van het ISH en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Parket van de Aanklager.
Bent u bereid om een aantal ernstig gewonde kinderen die in de regio geen hoog-specialistische zorg kunnen krijgen, in Nederlandse ziekenhuizen te laten behandelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op 2 oktober jl. besloot het kabinet om enkele kinderen uit Gaza, die acuut complexe hoog-specialistische zorg nodig hebben en waarvoor nu in de regio geen onmiddellijke hulp beschikbaar is, in Nederland te laten behandelen.2
Bent u bereid om u in te zetten voor de medische evacuatie van Mira, het 4-jarige meisje uit het artikel uit De Volkskrant?
Momenteel staan er 15.600 patiënten op de wachtlijst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor medische evacuatie uit Gaza, onder wie 3.800 kinderen. Om te bepalen welke kinderen voor evacuatie naar Nederland in aanmerking komen, baseert Nederland zich op de triage van artsen in Gaza, die via het Palestijnse Ministerie van Volksgezondheid patiëntenlijsten op basis van medische urgentie met de WHO delen. De WHO coördineert vervolgens het proces van medische evacuaties. Om dit selectieproces via de WHO zo zuiver mogelijk te laten verlopen, volgt het kabinet deze lijn. Het is daarom niet mogelijk een voorkeursbehandeling te geven aan individuele gevallen.
Bent u bereid deze vragen alle afzonderlijk te beantwoorden?
Er is getracht deze vragen zo veel mogelijk separaat te beantwoorden.
Nieuwe berichten over aanvallen op christenen in West- en Centraal-Afrika |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zeker zeven christenen omgekomen bij nieuwe aanvallen in Nigeriaanse deelstaat Benue»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Slachtpartij in Oost-Congo: moslims doden meer dan 70 christenen tijdens rouwdienst»?2
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Schutters openen vuur op dorpelingen in Niger na doopfeest, 22 doden?»3
Ja.
Hoe reflecteert u op het voortgaande geweld in West- en Centraal-Afrika, waar bovenstaande berichten voorbeelden van zijn? Klopt het dat voornamelijk christenen hiervan het slachtoffer zijn? Klopt het dat de daders van de genoemde aanvallen voornamelijk, zo niet uitsluitend, islamitische terroristische groeperingen zijn? Indien het bij u onbekend is wie de daders en slachtoffers zijn, bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Het kabinet veroordeelt het geweld in West- en Centraal-Afrika ten zeerste en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, waaronder christenen.
Het geweld tegen burgers door IS- of Al-Qaeda-gelieerde jihadistische groeperingen, zoals in de Democratische Republiek Congo, Niger, Noord-Nigeria en in andere landen in de regio treft zowel christenen als moslims. In DRC was een christelijke gemeenschap slachtoffer van de genoemde aanval. In Niger werd aanvankelijk door sommige media gemeld dat het zou gaan om een aanval door jihadistische terroristen op christenen. Later bleek dat het ging om een aanval tijdens een islamitisch inwijdingsritueel.
Het genoemde geweld in de Nigeriaanse deelstaat Benue heeft een andere dynamiek en is onderdeel van regelmatig oplaaiende spanningen over landgebruik in Noord- en Centraal-Nigeria tussen boeren, die overwegend christelijk zijn en herders, die overwegend islamitisch zijn. Religie en etniciteit verergeren de bestaande spanningen.
Nederland volgt de situatie ter plaatste nauwlettend en houdt daarbij oog voor de kwetsbare positie van religieuze minderheden zoals christenen in sommige gebieden.
Erkent u dat de aanvallen, hoewel niet uitsluitend, religieus zijn gemotiveerd? Zo ja, wat betekent dit voor uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de mening dat de aanvallen van jihadistische terroristen religieus gemotiveerd zijn. Christenen en moslims zijn hiervan het slachtoffer. Bij conflicten tussen boeren en herders in Nigeria werkt religie escalerend, maar gemeenschappen worden doorgaans niet specifiek vanwege hun religie aangevallen.
Het Nederlandse beleid richt zich nadrukkelijk op meer dan alleen het tegengaan van geweld. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf prioriteiten in het mensenrechtenbeleid. Dit onderwerp wordt stelselmatig aan de orde gesteld in bilaterale contacten en via multilaterale kanalen zoals de EU en de VN. Daarbij pleit Nederland voor de bescherming van religieuze minderheden en ondersteunt het via het Mensenrechtenfonds maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor religieuze vrijheid. Sinds 2015 speelt de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging een belangrijke rol door het thema internationaal te agenderen, contacten te onderhouden met religieuze en maatschappelijke actoren.
Wat is uw reactie op specifiek de concrete stappen die christelijke jongerenorganisaties in Nigeria eisen van de Nigeriaanse overheid, namelijk erkenning dat de moorden doelgericht zijn, de terugkeer van ontheemden met eigendomsrechten, arrestatie en berechting van daders, en onderzoek naar de rol van veiligheidsdiensten?4 Bent u bereid om de Nigeriaanse overheid erop aan te spreken om de stappen op te volgen? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de beantwoording van vraag 4 erkent het kabinet dat religie een rol speelt in de verschillende conflicten in Nigeria. Daarnaast bespreekt het kabinet in dialoog met de Nigeriaanse overheid de problematiek in al zijn facetten. De bescherming van burgers en het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging staan hierin centraal.
Meent u dat de huidige inzet van Nederland tegen dit geweld voldoende is? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke manier wilt u de inzet vergroten?
Nederland volgt de situatie in de genoemde landen nauwlettend en bekijkt voortdurend hoe onze inzet te verbeteren op conflictpreventie, stabiliteit en vrijheid van religie en levensovertuiging binnen de beschikbare middelen. Het kabinet kiest daarbij voor een context specifieke benadering, omdat de oorzaken en dynamiek van het geweld in landen als Nigeria, Niger en de Democratische Republiek Congo sterk verschillen.
Merkt u dat het aankaarten van gewelddadige incidenten tegen christenen in bilaterale contacten effectief is? Zo ja, kunt u dit onderbouwen? Zo nee, bent u bereid om nieuwe stappen te zetten om de druk te verhogen?
Het kabinet stelt mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, stelselmatig aan de orde in bilaterale en multilaterale contacten. Daarbij worden regeringen aangesproken op hun internationale verplichtingen, en krijgen lokale organisaties die zich inzetten voor dialoog en bescherming van minderheden steun. In diverse gevallen heeft dit geleid tot concrete resultaten, zoals de vrijlating van religieuze leiders of het terugdraaien van beperkende maatregelen.
De regeringen in de betreffende landen delen vaak de zorgen over geweld in hun samenleving, maar zijn niet altijd in staat of bereid dit effectief tegen te gaan. Waar structurele verbeteringen uitblijven, blijft Nederland dit onderwerp consequent agenderen en zet het, waar passend, aanvullende drukmiddelen in via EU- en VN-kanalen.
Wanneer wordt de Speciaal Gezant van de Europese Unie voor vrijheid van religie en levensovertuiging eindelijk benoemd? Kunt u een precieze datum noemen?
Er is geen datum bekend voor de benoeming van de nieuwe EU-Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland blijft dit onderwerp consequent aankaarten in EU-verband, onder meer via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel. In juni heeft mijn voorganger dit punt ook nog besproken met mevrouw Kallas, Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken. Het kabinet blijft aandringen op een spoedige invulling van de functie, gezien het belang van een consistente en zichtbare Europese inzet op dit terrein.
Hoe is opvolging gegeven aan de motie-Ceder c.s. (21 501-20, nr. 2254)?
De genoemde motie verzocht de regering om bij de aankomende Raad eind juni 2025 te pleiten voor een gezamenlijke en duidelijke veroordeling van het aanhoudende geweld in Nigeria, waaronder dat tegen christenen en om zich in te zetten voor gerichte EU-maatregelen ter ondersteuning van religieuze minderheden.
Deze motie is nog niet afgedaan. In agendering vanuit Nederland voor de Raad wordt altijd strategisch afgewogen of een boodschap goed tot zijn recht komt in dit specifieke forum en of er daadwerkelijk acties uit voort zullen komen. Het kabinet geeft er daarom voorkeur aan dit onderwerp in eerste instantie op te brengen in het Politiek en Veiligheidscomité waar mensenrechten gerelateerde onderwerpen gepaste aandacht krijgen en daarmee meer kans op opvolging. Het kabinet zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Hoe is opvolging gegeven aan de motie-Ceder (36 600 V, nr. 48)?
Aan deze motie over de bevordering van veilige en waardige vrijwillige terugkeer van ontheemden naar Nigeria is opvolging gegeven door, waar mogelijk en opportuun, aandacht te vragen voor de situatie in Nigeria in bilateraal, EU- en multilateraal verband. Nederland heeft de bescherming van burgers in verschillende internationale fora opgebracht en zal dit blijven doen. Daarnaast werkt Nederland, via ondersteuning van maatschappelijke en religieuze organisaties, actief aan het tegengaan van discriminatie op grond van religieuze achtergrond en het bevorderen van religieuze tolerantie en vreedzaam samenleven. Tot slot ondersteunt Nederland meerdere humanitaire partnerorganisaties die via meerjarige flexibele financiering ontheemden ondersteunen in opvang en veilige terugkeer.
De uitspraak van het Gerechtshof over het overplaatsen van de heer Singh |
|
Don Ceder (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het krantenbericht «Familie van Nederlander die al 41 jaar in Amerikaanse cel zit woest op ministerie: «Ze laten hem wegrotten daar»»? Hoe beoordeelt u dit bericht?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Ik betreur dat de familie de indruk heeft gekregen dat de Staat de strafoverdracht van de heer Singh zou tegenwerken. Meteen nadat het Hof het arrest heeft gewezen, is met prioriteit gewerkt aan het opstellen van het verzoek tot strafoverdracht. De tekst is, bij hoge uitzondering, voor verzending voorgelegd aan de advocaat van de heer Singh. Het verzoek tot strafoverdracht is uitgestuurd naar de Amerikaanse autoriteiten binnen de door het Gerechtshof gestelde termijn.
Op welke wijze heeft het kabinet uitvoering gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof d.d. 26-08-2025? Is het kabinet van mening dat alle onderdelen van de uitspraak van het Gerechtshof uitgevoerd dienen te worden?
Het Gerechtshof gelast de Staat om binnen vier weken na de datum van het arrest (26 augustus 2025) een verzoek tot strafoverdracht op grond van art. 2 lid 3 van het Verdrag Overbrenging Gevonniste Personen (VOGP) bij de autoriteiten van de Verenigde Staten in te dienen en daarnaast al datgene te doen wat redelijkerwijs nodig is om de feitelijke strafoverdracht van de heer Singh vanuit de Verenigde Staten naar Nederland te bewerkstelligen.2
Het kabinet zal beide onderdelen van de uitspraak uitvoeren. Het verzoek aan de VS om mee te werken aan strafoverdracht is binnen de hiervoor door het Gerechtshof gestelde termijn ingediend bij de Amerikaanse autoriteiten. Ook legt de Nederlandse ambassade in Washington contacten met de autoriteiten aldaar om het verzoek onder de aandacht te brengen.
Op welke wijze heeft het kabinet invulling gegeven aan de motie-Ceder d.d. 24 november 2024 (36 600 VI, nr. 105) voordat het gerechtshof een uitspraak heeft gedaan? Is er voor de uitspraak een verzoek op basis van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) opgestart en op welke wijze is maatwerk binnen de beleidskaders toegepast om de heer Singh zo op korte termijn naar Nederland over te laten brengen?
Voorafgaand aan de uitspraak van het Hof is niet ingezet op strafoverdracht middels de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots), maar is consulaire bijstand verleend en zijn parole-verzoeken van de heer Singh door de toenmalige Minister voor Buitenlandse Zaken en de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming ondersteund, op voorwaarde dat er geen gevaar meer zou zijn voor de samenleving.
De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak van de heer Singh niet aan alle criteria uit het beleidskader van de Wots is voldaan. Er is namelijk onvoldoende sprake van binding met Nederland.3 Strafoverdracht op grond van de Wots werd daarom niet de geëigende weg bevonden. De rechter heeft de beslissing van de Minister in deze zaak in een kort geding en in eerste aanleg in een bodemprocedure in stand gelaten, waarbij is overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid.4 Het Hof onderschrijft dat de Minister in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen dat een dergelijke binding er niet is, maar komt echter tot het oordeel dat de Staat in deze zaak op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering moet maken op zijn beleid (art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Het Hof weegt daarbij de hoge leeftijd en broze gezondheid van de heer Singh mee, alsmede het feit dat hij in de VS verstoken is van familiebezoek en dat er een gerede kans bestaat dat hij in de VS in gevangenschap zal overlijden.
De Staat voert dit arrest, zoals ook aangegeven bij vraag 2, uit.
Klopt het dat een WOTS-verzoek maar één keer per twee jaar ingediend kan worden en het daarom cruciaal is dat deze zo zorgvuldig wordt ingediend?
Er is in de Wots geen wettelijke beperking opgenomen aan hoe vaak iemand een verzoek tot strafoverdracht kenbaar kan maken.
Klopt het dat uw ministerie in een conceptbrief aan de Amerikaanse autoriteiten de suggestie wekt dat de heer Singh in Nederland op vrije voeten zou kunnen komen? Zo ja, waar baseert het kabinet dit op en hoe groot acht het kabinet deze kans?
In een conceptbrief, die gedeeld is met de advocaat van de heer Singh, is niet gesuggereerd dat de heer Singh op vrije voeten zou kunnen komen. Wel is aangegeven dat over de aard en duur van de straf op voorhand niets gezegd kan worden omdat het aan de rechter is om dat te bepalen. Bij het volgen van de omzettingsprocedure, wat bij overdracht vanuit de VS gebruikelijk is vanwege het afwijkende strafklimaat, zal de Nederlandse rechter beslissen over de aard en lengte van de in Nederland uit te zitten straf. Het is onwenselijk en niet mogelijk om daarop vooruit te lopen.
Bent u het ermee eens dat vanwege de gezondheidssituatie en de leeftijd van betrokkene en vanwege de uitspraak deze zaak grote prioriteit verdient? Hoe kan het dan dat de brief nog niet is uitgestuurd?
De brief met het verzoek mee te werken aan strafoverdracht is binnen de door het gerechtshof gestelde termijn verzonden aan de Amerikaanse autoriteiten. Zoals aangegeven, heb ik dit met prioriteit opgepakt.
Kunt u deze spoedvragen binnen drie werkdagen beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'High Court rules state not giving Palestinian prisoners enough food, in slap to Ben Gvir' |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «High Court rules state not giving Palestinian prisoners enough food, in slap to Ben Gvir» en op de reactie van Minister Ben Gvir dat hij de uitspraak naast zich neer zal leggen?1
Nederland maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen zowel de detentieomstandigheden, de grootschalige arbitraire detentie van Palestijnen en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, met name het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Zijn er al sterfgevallen gemeld die het gevolg zijn van de behandeling van Palestijnse gevangenen? Zo ja, hoeveel?
Volgens de VN zijn sinds 7 oktober 2023 minstens 75 Palestijnse gedetineerden overleden in Israëlische detentiefaciliteiten. Het VN mensenrechtenkantoor in de Palestijnse Gebieden schrijft daarover: «Of the 75 deaths in detention, at least 22 detainees reportedly had health conditions requiring medical attention prior to their arrest, raising concerns that the denial of such medical care coupled with harsh detention conditions may have been calculated to contribute to their deaths. In at least 12 cases, we gathered testimonies or evidence in the form of autopsy reports that detainees died after being beaten or tortured by Israeli security forces.»
Heeft Nederland al eerder aandacht gevraagd voor de situatie van deze specifieke groep Palestijnen? Zo ja, op welke wijze?
Ja, het kabinet heeft zowel bilateraal als multilateraal aandacht gevraagd voor de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Kunt u uiteenzetten op welke manier gevangenen horen te worden behandeld volgens internationale verdragen? Zijn hierbij ook nog specifieke rechten voor gevangenen die niet in eigen land zijn opgepakt, maar uit het buitenland naar het land zijn overgebracht?
Het Vierde Verdrag van Genève bevat gedetailleerde bepalingen over de behandeling van gedetineerden die zich bevinden in bezet gebied en die zich bevinden op het grondgebied van de gevangenhoudende staat zelf. Palestijnen die in Israël zelf gevangen zitten, moeten zonder nadelig onderscheid conform de in Israël toepasselijke mensenrechtelijke standaarden worden behandeld. Nederland stelt zich daarnaast op het standpunt dat mensenrechtelijke bescherming van deze gevangenen zich ook uitstrekt tot de bezette Palestijnse gebieden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waar Israël partij bij is, moeten allen die van hun vrijheid zijn beroofd worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon.
Hebben de genoemde Palestijnse gevangenen recht op juridische bijstand en, zo ja, hoe is dit gewaarborgd? Op welke wijze verschillen hun rechten van andere gevangenen?
Palestijnse gevangenen die in Israël zelf gevangen zitten, moeten conform de daarvoor geldende standaarden worden behandeld. Nederland stelt zich daarnaast op het standpunt dat de daarvoor geldende bescherming van deze gevangenen zich ook uitstrekt tot gevangenen die zich niet in Israël zelf bevinden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waar Israël partij bij is, heeft in geval van strafrechtelijke vervolging een ieder het recht zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman. Ook het humanitair oorlogsrecht bevat bepalingen over behandeling in geval van strafrechtelijke vervolging. Een verdachte heeft onder meer het recht te worden bijgestaan door een bevoegd raadsman van eigen keuze.
Zijn er door de Israëlische regering afspraken met de Palestijnse Autoriteit gemaakt over het overbrengen van Palestijnse gevangenen naar Israëlisch grondgebied? Zo ja, welke en kunt u deze documenten naar de Kamer sturen?
Het kabinet is niet op de hoogte van het bestaan van dergelijke afspraken.
Bent u bereid om via de Nederlandse vertegenwoordiging er bij de Israëlische regering op aan te dringen dat de uitspraak moet worden nageleefd en dat Palestijnse gevangenen in hun basisbehoeften moeten worden voorzien?
Ja. Nederland heeft meermaals zorgen geuit ten aanzien van de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Bent u bereid om te pleiten voor het toelaten van internationale waarnemers om erop toe te zien dat Palestijnse gevangenen in hun basisbehoeften worden voorzien?
Ja, dit is reeds onderdeel van het Nederlandse beleid. Het kabinet dringt hier al geruime tijd op aan, zowel bilateraal als multilateraal. Hierbij gaat het in het bijzonder om toegang tot detentiefaciliteiten voor onafhankelijke waarnemers van het ICRC op basis van hun expertise, neutraliteit en internationaal mandaat. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Hoe wordt verder toegezien op naleving van het algemene welzijn van Palestijnen in Israëlische gevangenissen? Welke stappen ziet het Nederlandse kabinet voor zich, eventueel in multilateraal verband?
Het Vierde Verdrag van Genève geeft gedetineerden in situaties van bezetting het recht om bezoek te ontvangen van het ICRC. Als organisatie is het ICRC onvervangbaar gezien zijn neutraliteit, mandaat en decennialange ervaring met de betreffende activiteiten ter bescherming van onder andere gedetineerden. Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor toegang tot de gedetineerden en het mandaat van het ICRC.
Kunt u de Kamer periodiek informeren over de omstandigheden in de gevangenissen en in hoeverre deze verbeterd zijn en de uitspraak van het Hooggerechtshof wordt nageleefd?
Indien hiertoe aanleiding voor bestaat, zal het kabinet de Kamer hierover informeren.
Het bericht ‘Syrische Druzen werden buitengerechtelijk geëxecuteerd’ |
|
Isa Kahraman (NSC), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Syrische Druzen werden buitengerechtelijk geëxecuteerd» van Amnesty International?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van Amnesty International. De genoemde zaken zijn zeer verontrustend. Het is belangrijk dat alle gemeenschappen in Syrië worden beschermd, waaronder ook de Druzen. Het is daarom van belang dat alle feiten boven tafel komen en de daders verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Hierom verwelkom ik ook de samenwerking van Syrische overgangsautoriteiten met de onafhankelijke VN Commission of Inquiry (CoI) naar de gewelddadigheden in Suweida.
Deelt u de conclusie dat de Syrische interim-regering en aan deze regering gelieerde troepen verantwoordelijk zijn voor buitengerechtelijke executies van Druzen op 15 en 16 juli in Suwayda?
Belangrijk is dat wordt vastgesteld wat er precies is voorgevallen in Suweida en wie verantwoordelijk is geweest voor dit geweld. Hierom wacht ik de bevindingen van de verschillende onderzoekscommissies af. Er zijn twee commissies ingesteld die de geweldsescalatie in Suweida onderzoeken: een Syrische onderzoekscommissie, onder leiding van de Syrische Minister van Justitie, en een onafhankelijke onderzoekscommissie van de Verenigde Naties die ressorteert onder de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (CoI). Het kabinet blijft de voortgang van deze onderzoeken nauwlettend volgen.
Klopt het dat, als veiligheidstroepen of het leger mensen opzettelijk en onwettig doden, of als aan de Syrische regering gelieerde troepen dit doen met betrokkenheid of stilzwijgende goedkeuring van deze regering, dit kan worden geclassificeerd als buitengerechtelijke executies, wat een misdrijf is onder internationaal recht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u naar aanleiding van dit bericht nogmaals reflecteren op de uitvoering van motie-Ceder c.s.?2 Erkent u dat deze motie niet wordt uitgevoerd, aangezien sancties zijn opgeheven terwijl de veiligheid van minderheden klaarblijkelijk niet is gegarandeerd? Welke consequenties verbindt u hieraan?
De sancties op vitale economische sectoren in Syrië zijn in EU-verband opgeheven, met uitzondering van wapen- en veiligheidsgerelateerde sancties. Het kabinet houdt de mogelijkheid open om nieuwe sancties voor te stellen als het handelen van de overgangsregering daartoe aanleiding geeft. Zo zet Nederland zich in voor listings tegen plegers van (sektarisch) geweld, onder andere jegens minderheden in Syrië. In dit kader heeft de Europese Raad – mede op initiatief van Nederland – nieuwe listings aangenomen tegen personen en entiteiten die betrokken waren bij gewelddadigheden in maart aan de kust. Het gaat hierbij om nieuwe listings onder het EU horizontale mensenrechtensanctieregime.
Voor de geweldplegers in Suweida geldt ook dat daders niet ongestraft mogen blijven. Tegelijkertijd is er in dit stadium nog veel onduidelijk, met name als het gaat om wie verantwoordelijk is voor het gepleegde geweld. De bevindingen van de genoemde commissies zijn essentieel voor het ondernemen van verdere stappen jegens plegers van sektarisch geweld of de overgangsregering. Dit benadrukt het belang van een onpartijdig en transparant onderzoek, iets waartoe het kabinet – samen met de EU lidstaten – heeft opgeroepen in multilateraal verband, en ook in contacten met de Syrische overgangsregering. Nederland volgt dit nauwlettend en zal niet schromen de druk op de overgangsregering op te voeren, bijvoorbeeld via het sanctie-instrument. Sancties zullen daarbij zo gericht mogelijk zijn en de noodlijdende Syrische bevolking moeten ontzien.
Hoe beoordeelt u de capaciteit van de Syrische interim-regering om deze buitengerechtelijke executies snel, onafhankelijk, onpartijdig en transparant te onderzoeken en de daders ter verantwoording te roepen in eerlijke rechtszaken? Is deze voldoende? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, welke acties worden ondernomen, zodat de capaciteit wel voldoende is?
Het kabinet realiseert zich dat het tijd, middelen en energie kost om een inclusief bestuur op te zetten in een land dat zich bevindt in een instabiele regio, dat vele jaren geteisterd is door conflict, en dat in een zorgelijke economische staat verkeert. Het bieden van perspectief op duurzame verbetering is in deze context aangewezen. Vooralsnog toont de Syrische overgangsregering bereidheid tot inclusiviteit en verantwoordelijkheid. In dit kader is het bemoedigend te zien dat de Syrische overgangsregering het geweld heeft veroordeeld, onderzoeken is gestart en de samenwerking met de CoI is aangegaan zodat deze onafhankelijk en transparant onderzoek kan uitvoeren. Van belang is dat hier nu concreet opvolging aan gegeven wordt en daders hun straf niet ontlopen. Uiteindelijk zal het kabinet de overgangsregering beoordelen op hun daden en resultaten.
Daarnaast zet Nederland zich ook op andere wijze in voor onafhankelijk, onpartijdig en transparant onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Syrië. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 gebeurt dit door extra financiering toe te kennen aan organisaties, zoals het OHCHR en IIIM, die onderzoek doen naar mensenrechtenschendingen en hiermee bijdragen aan het bevorderen van gerechtigheid.
Wat is de stand van zaken van het comité, opgericht door het Syrische Ministerie van Justitie om onderzoek te doen naar de gebeurtenissen in Suwayda en de daders ter verantwoording te roepen? Heeft dit comité al onderzoek afgerond en daders ter verantwoording geroepen?
Het onderzoekscomité werd op 31 juli ingesteld door de Syrische Minister van Justitie met een mandaat van drie maanden. De commissie bestaat uit zeven leden, waaronder rechters, advocaten en een militair. Momenteel zijn er vanuit het Syrische onderzoekscomité nog geen conclusies over de geweldsescalaties in Suweida. Nederland blijft hier in multilateraal verband en in contacten met de Syrische overgangsautoriteiten aandacht voor vragen.
Op welke manier draagt Nederland bij aan gerechtigheid en waarheidsvinding voor het Syrische volk middels grondig, onafhankelijk, onpartijdig en transparant onderzoek naar alle misdaden die onder het internationaal recht vallen? Op welke wijze bent u bereid uw inzet hierop te vergroten?
Het kabinet zet zich al jarenlang in om de straffeloosheid van misdrijven begaan in Syrië tegen te gaan en gerechtigheid en genoegdoening voor slachtoffers en overlevenden te garanderen. Deze inzet in Syrië zal het voortzetten, door (o.a.) in te zetten op grondig, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de begane misdrijven.
Zo heeft Nederland, samen met Canada, Syrië aansprakelijk gesteld bij het Internationaal Gerechtshof (IGH) voor grove en systematische schendingen van het VN Antifolterverdrag. Deze procedure is van belang voor waarheidsvinding, gerechtigheid en verzoening in Syrië. Daarom zet Nederland deze procedure voort.
Ook blijft Nederland de VN-bewijzenbank van Syrië (IIIM) financieel en politiek steunen zodat bewijsmateriaal van internationale misdrijven verzameld kan blijven worden ten behoeve nationale en internationale procedures. In september 2025 heeft Nederland een additionele bijdrage van EUR 500.000,– gedaan aan de bewijzenbank, bovenop de reeds lopende financiële steun van EUR 500.000,–.
Daarnaast zet Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad – als lid van de kerngroep Syrië – jaarlijks in voor verlenging van het mandaat van de CoI, zodat het onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Syrië wordt versterkt. Om dit onderzoek te versterken, heeft Nederland in september 2025 het OHCHR Veldkantoor in Damascus voorzien van een financiële bijdrage van EUR 500.000,–.
Tot slot steunt Nederland de NGO’s Impunity Watch, het International Center for Transitional Justice (ICTJ) en het Syria Justice and Accountability Center (SJAC), die zich hardmaken voor gerechtigheid en verzoening in Syrië. Via deze NGO’s worden Syrische maatschappelijke organisaties in staat gesteld om o.a. mensenrechtenschendingen te documenteren.
Op welke manier ondersteunt Nederland momenteel de Syrische interim-regering en internationale instituties in de zoektocht naar de meer dan 100.000 vermiste personen in Syrië? Biedt Nederland technische, financiële of diplomatieke steun aan mechanismen zoals de «Independent Institution on Missing Persons in the Syrian Arab Republic»? Zo nee, waarom niet?
Na de val van het Assad-regime, is het van groot belang dat de Syrische overgangsregering zich – samen met de internationale gemeenschap – inzet om het lot van de vermiste personen te achterhalen. Nederland onderhoudt nauw contact met de overgangsregering en internationale instituties om deze inzet verder te concretiseren.
Zo dringt Nederland, zowel binnen internationale fora als tijdens contact met de Syrische overgangsregering, aan tot ongehinderde toegang van onderzoeksinstanties zoals de Independent Institution on Missing Persons (IIMP) en het belang van gedegen en onafhankelijk onderzoek naar de toedracht van de vermissingen. Nederland heeft middels diplomatieke steun bijgedragen aan de oprichting van het IIMP (2023), en heeft binnen de Vijfde Commissie van de VN (februari 2024) – namens de gehele EU – ervoor gezorgd dat het mechanisme voldoende financiële middelen heeft gekregen om in te zetten op slachtofferparticipatie en ondersteuning.
Tot slot kijkt Nederland momenteel of er ingespeeld kan worden op de behoefte van IIMP aan forensische ondersteuning. Zo vinden er gesprekken plaats tussen IIMP, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), om te bezien waar en op welke manier Nederland een rol kan spelen in de capaciteitsopbouw van het IIMP t.b.v. onderzoek naar vermisten in Syrië.
Op welke wijze oefent Nederland momenteel diplomatieke druk uit op de Syrische interim-regering om minderheidsgemeenschappen te beschermen en om transparantie rondom wreedheden, zoals de moordpartijen bij Suwayda en de kustregio, te vragen?
In het contact met de Syrische overgangsregering roept het kabinet consequent op tot bescherming van alle religieuze en etnische gemeenschappen en het belang van transparant en onafhankelijk onderzoek. Dit doet het kabinet in EU-verband en ook binnen de VN-Mensenrechtenraad. Daarnaast blijft Nederland binnen de EU pleiten voor gerichte sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen. De EU heeft – mede op initiatief van Nederland – al eerder dergelijke gerichte sancties ingesteld.
Daarnaast roept Nederland in alle contacten met de Syrische overgangsregering op tot het openbaar maken van het rapport van de nationale onderzoekscommissie in Syrië, naar aanleiding van de geweldsescalaties in Latakia. Dit rapport is tot op heden niet gepubliceerd. Wel heeft de VN CoI haar rapport over geweldsescalaties in Latakia gedeeld op 14 augustus jl.
De VN CoI heeft op 15 juli jl. bevestigd de gebeurtenissen in Suweida te onderzoeken. Het onderzoeksrapport dat hieruit volgt zal gepubliceerd worden op de website van de CoI. Het is nog onbekend of de nationale commissie haar bevindingen zal delen. Nederland blijft aandringen op het belang hiervan.
Vraagt u om openbaarmaking van de bevindingen van onafhankelijke of lokale onderzoeken naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet? Bent u in dat geval bereid om dat alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Actuele stand van zaken in de wereld?
Ja.
Het instrument van erkennen van een staat |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u op een rij zetten onder welke voorwaarden Frankrijk, Canada, Groot-Brittannië, Australië en België voornemens zijn de staat Palestina te erkennen, en wat hierin de verschillen zijn?1
Rond de opening van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) in september 2025 kondigden Frankrijk, Andorra, België, Luxemburg, Malta, Portugal, Australië, Canada, het Verenigd Koninkrijk en Monaco de erkenning van de Palestijnse staat aan.
Het is niet van alle landen bekend of, en zo ja welke voorwaarden zij hieraan koppelen. Voor Frankrijk, Canada en Australië zou gelden dat zij de Palestijnse staat officieel hebben erkend, maar de implementatie van de toezeggingen van de Palestijnse Autoriteit voor hervormingen zouden blijven monitoren. Frankrijk en Australië zouden overgaan tot het openen van ambassades in de Palestijnse Gebieden.2
In het geval van België zou administratieve formalisering van de erkenning plaatsvinden zodra alle gijzelaars zijn vrijgelaten en terroristische organisaties zoals Hamas geen rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Actieve diplomatieke betrekkingen, zoals het openen een Belgische ambassade, zou plaatsvinden zodra de doelstellingen van de New York Declaration zijn verwezenlijkt, waaronder de volledige demilitarisering van Hamas.3
Klopt het dat het erkennen van een staat een individuele keuze van soevereine landen is? Zo ja, op welke grond is dat bepaald?
Ja. Er bestaat onder internationaal recht geen verplichting tot erkenning van statelijkheid (zie ook Kamerstuk 32 623, nr. 178).
In algemene zin geldt dat op grond van het internationaal recht een entiteit als staat wordt beschouwd indien is voldaan aan vijf criteria: 1) een afgebakend grondgebied, 2) een permanente bevolking, 3) effectief gezag, 4) de bekwaamheid om internationale betrekkingen te onderhouden en 5) afwezigheid van onrechtmatige handelingen bij de totstandkoming van de staat. De zogenoemde «Montevideo-criteria» betreffen de eerste vier hierboven genoemde feitelijke criteria, zoals opgenomen in het Montevideo Verdrag inzake de Rechten en Plichten van Staten van 1933. Het vijfde criterium betreft een rechtmatigheidscriterium dat is ontwikkeld op basis van de praktijk van staten vanaf het Interbellum. Op basis van deze vijf criteria kan worden vastgesteld of een entiteit een staat is onder internationaal recht. Erkenning veronderstelt het reeds bestaan van een staat. Een staat ontstaat niet als gevolg van erkenning. Erkenning van een entiteit als staat is een bilaterale aangelegenheid en een soeverein besluit van elke individuele staat.
Welke factoren hanteert het Koninkrijk der Nederlanden om te bepalen of het al dan niet overgaat tot erkenning van een staat?
Erkenning van een entiteit als staat voordat aan de hierboven genoemde vijf criteria is voldaan, kan leiden tot een schending van het verbod op premature erkenning en het non-interventiebeginsel. Er zal dus altijd door Nederland bepaald dienen te worden of er aan deze criteria is voldaan. Omdat erkenning een soeverein besluit is, kunnen staten aanvullende voorwaarden verbinden aan erkenning. Deze kunnen van geval tot geval verschillen.
Welke factoren moeten aanwezig zijn in een staat voor het Koninkrijken der Nederlanden om over te kunnen gaan tot erkenning? Is de aanwezigheid van deze factoren voor het Koninkrijk Nederland dan ook leidend in het overgaan tot erkenning of zijn er andere factoren meer van invloed?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3.
Is het Koninkrijk der Nederlanden ooit overgegaan tot erkenning op basis van andere factoren dan die in het heden gehanteerd worden? Zo ja, welke factoren lagen daar dan aan ten grondslag?
Bij de totstandkoming van nieuwe staten op het grondgebied van het voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie zijn in 1991 binnen EU-verband specifieke aanvullende criteria benoemd, alvorens tot erkenning van de nieuwe staten door individuele lidstaten van de EU zou worden overgegaan. Dat omvatte bijvoorbeeld het criterium van een democratisch politiek systeem en het criterium van voldoende garanties voor de rechten van minderheden binnen de grenzen van de nieuwe staten. Nederland is, net zoals de andere lidstaten van de EU, pas tot erkenning van de relevante staten overgegaan nadat er door de te erkennen entiteiten voldoende garanties waren gegeven dat de aanvullende criteria zouden worden nageleefd.
Heeft het Koninkrijk der Nederlanden ooit haar erkenning van een staat ingetrokken? Zo ja, bij welke staten was dit het geval en wat lag daaraan ten grondslag?
Er zijn geen voorbeelden bekend waar Nederland de erkenning van een staat weer heeft ingetrokken.
Zou u kunnen uitweiden over de praktische gevolgen van de officieuze erkenning van een staat?
Erkenning betekent dat de erkende staat op voet van gelijkheid met andere erkennende staten kan deelnemen aan het internationale verkeer. Erkenning kan gepaard gaan met het aangaan van diplomatieke betrekkingen, maar daartoe bestaat onder internationaal recht geen verplichting, ook niet na erkenning. Erkenning betekent ook dat de erkennende staat bevestigt dat alle rechten en plichten van staten onder internationaal gewoonterecht van toepassing zijn op de erkende staat. Hieronder valt bijvoorbeeld het recht op soevereine gelijkheid, het recht van soevereiniteit over het grondgebied van de staat en de daar woonachtige bevolking, het recht verdragen te sluiten, het recht als staat toe te treden tot internationale organisaties en het gewoonterechtelijk recht op individuele en collectieve zelfverdediging. Naarmate meer staten een entiteit als staat hebben erkend, zal de kans op toetreding tot internationale organisaties als de Verenigde Naties voor de erkende staat toenemen.
Zijn er belemmeringen voor burgers van een land dat het Koninkrijk der Nederlanden niet erkent, als zij in het Koninkrijk verblijven? Zo ja, welke zijn dat?
Nee, er zijn in beginsel geen belemmeringen voor personen afkomstig uit een niet door het Koninkrijk erkende entiteit als zij in het Koninkrijk verblijven. Deze personen genieten binnen het Koninkrijk de volledige bescherming van grondrechten en mensenrechten gegarandeerd in het Statuut, de Grondwet en verdragen. Wel kan de niet-erkenning leiden tot praktische complicaties, bijvoorbeeld bij de erkenning van reisdocumenten, registratie van nationaliteit en consulaire ondersteuning. Deze zaken doen echter niet af aan hun rechtspositie binnen het Koninkrijk.
Kunt u uitweiden over waarom het Koninkrijk der Nederlanden vooralsnog niet is overgegaan tot erkenning van de staat Palestina, al dan niet officieus naar Belgisch voorbeeld?
Zoals gecommuniceerd aan uw Kamer door de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken Bruins Slot tijdens de Raad Algemene Zaken van 23 mei 2024, moet erkenning van de Palestijnse staat voor Nederland onderdeel zijn van het politieke proces dat moet leiden tot een tweestatenoplossing. Erkenning vraagt om een zorgvuldige afweging, waarbij niet alleen gekeken moet worden wat dit kan betekenen voor een eventuele duurzame oplossing, maar ook wat we verwachten van de Palestijnse Autoriteit met betrekking tot noodzakelijke hervormingen. Deze factoren wegen mee in de afweging om te erkennen.
Optredens van de haatprediker Bob Vylan in Nederland |
|
Cor Pierik (BBB), Marieke Wijen-Nas (BBB), Mariska Rikkers (BBB), Henk Vermeer (BBB), Agnes Joseph (BBB), Caroline van der Plas (BBB), Martin Oostenbrink (BBB), Claudia van Zanten (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD), Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van De Telegraaf waarin wordt beschreven dat de artiest Bob Vylan tijdens een uitverkocht concert in Paradiso de moord op Charlie Kirk heeft verheerlijkt en heeft opgeroepen tot geweld tegen zionisten, het Israelisch Defensieleger (IDF) en personen met een ander gedachtengoed, waarbij hij expliciet uitsprak: «Ga ze vinden op straat»?
Ja, we zijn bekend met het artikel.
Kunt u een feitelijke omschrijving geven van wat «zionisten» zijn?
Er is geen standaard overheidsdefinitie van zionisme en dus ook niet van zionisten. Het woord verwijst naar een hele diverse groep van mensen met een streven, ideologie of beweging die door henzelf maar ook door anderen op hele verschillende manier wordt geladen variërend van scheld- tot geuzennaam. De grootst gemene deler van de verschillende definities en appreciaties van zionisme is het streven naar of behoud van de Joodse staat.
Deelt u de opvatting dat deze oproepen kwalificeren als opruiing en haatzaaien in de zin van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te onderzoeken wat er precies is gezegd. Het politieonderzoek hiernaar loopt nog. De aangiften worden momenteel behandeld door de politie en het Openbaar Ministerie, en het Openbaar Ministerie zal beoordelen of de uitspraken strafbaar zijn en, zo ja, op welke strafgrond. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover te beslissen.
Kunt u aangeven onder welk artikel van het Wetboek van Strafrecht de uitspraken van Bobby Vylan strafbaar zijn en wat de maximum straf daarvoor is?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de strafbaarheid van specifieke uitingen, noch op welk artikel dit zou kunnen en wat dan de maximale straf zou zijn.
Hoe beoordeelt u de vergelijking met eerdere oproepen van Amsterdamse taxichauffeurs tot een «Jodenjacht» op 8 november 2024, die breed veroordeeld werden als antisemitisch en gevaarlijk?
Ik kan deze uitspraken niet vergelijken. De feiten en omstandigheden/context waarbinnen de uitspraken zijn gedaan verschillen. Daarnaast is het niet aan mij om te oordelen over individuele zaken.
Vindt u het aanvaardbaar dat een artiest die openlijk geweld verheerlijkt en aanzet tot haat en straatterreur een podium krijgt in Nederland?
In zijn algemeenheid sluit ik mij aan bij eerdere uitspraken van de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema dat artistieke vrijheid nooit kan betekenen dat er wordt opgeroepen tot bedreiging, haat of geweld. Of sprake was van strafbare feiten is aan het OM en uiteindelijk de rechter, ik wacht de uitkomsten van het onderzoek af.
Bent u bereid om geen nieuwe optredens van Bob Vylan in Nederland meer toe te staan en desnoods gebruik te maken van uw bevoegdheid om deze persoon de toegang tot Nederland te ontzeggen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar de antwoorden van 4 september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) aan de Ministers van Asiel en Migratie en de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid over het toen nog aanstaande optreden van het punkduo Bob Vylan in Amsterdam en Tilburg. Op individuele zaken kan de Minister van Asiel en Migratie niet ingaan.
In algemene zin kan ik zeggen dat voor het weren van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, bijvoorbeeld vanwege het uitdragen van extremisme, de vreemdeling op grond van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland (en het Schengengebied) geweigerd kan worden door de Minister van Asiel en Migratie. Dit is mogelijk middels onder andere een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III). Om over te kunnen gaan tot een dergelijke maatregel, dient de IND over informatie te beschikken die hier voldoende grondslag voor kan bieden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van duidingen van de NCTV, ambtsberichten van de AIVD en/of informatie uit de lokale driehoek. Eventuele rechterlijke uitspraken worden vanzelfsprekend betrokken bij besluitvorming, binnen het geldende wettelijke kader. Op individuele casuïstiek kan de Minister van Asiel en Migratie niet ingaan.
Hoe kijkt u in dit licht aan tegen het feit dat Paradiso zich in eerdere verklaringen zelfs positief heeft uitgelaten over de bijdrage van deze artiest aan het publieke debat, terwijl er feitelijk sprake is van het verspreiden van haat en oproepen tot geweld?
Ik ga niet in op individuele zaken.
Deelt u de mening dat het verheerlijken van geweld tegen Joden, Israëliërs of zionisten op gespannen voet staat met het kabinetsbeleid om antisemitisme krachtig te bestrijden? Welke concrete stappen gaat u zetten om dit soort optredens te voorkomen?
Het verheerlijken van geweld tegen groepen staat op gespannen voet met het kabinetsbeleid. Dat geldt ook voor antisemitisme. De afweging voor het laten plaatsvinden van een evenement ligt bij de organisatie van het evenement en de burgemeester. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur).
Hoe beoordeelt u de rol van gemeenten zoals Amsterdam, Nijmegen en Tilburg, die dergelijke optredens mogelijk maken? Bent u bereid in overleg te treden met burgemeesters om optreden tegen deze vorm van haatprediking hoog op de agenda te zetten?
Ik verwijs u naar de eerder genoemde antwoorden van 4 september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) waarin staat dat het lokaal bestuur verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde en daarin een eigen afweging maakt. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur). Wel kan de inhoud van uitingen het startpunt zijn van een keten van aanleidingen die leidt tot ingrijpen zoals het verbieden van een optreden. Daarbij heeft de burgemeester dan niet de uitlatingen zelf in gedachten, maar de objectiveerbare vrees voor wanordelijkheden waar die toe kunnen leiden.
Bent u bereid in kaart te brengen welke andere artiesten of sprekers in de nabije toekomst in Nederland staan geprogrammeerd die bekendstaan om vergelijkbare haatdragende of antisemitische uitingen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u een inschatting geven van wat zo’n oproep tot geweld tegen Joden, Israëliërs en – wat Vylan zionisten – noemt, betekent voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap?
Ik ga niet in op individuele zaken. In het algemeen onderken ik dat haatzaaiende uitingen tegen bepaalde groepen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid en uitsluiting. Dat is verwerpelijk.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gezien het feit dat Bob Vylan komende week opnieuw in Nederland optreedt?
Er staan inmiddels geen nieuwe optredens meer gepland.
De rolverdeling tussen de ministeries betreffende het onderwijs aan kinderen in de asielopvang |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van de Inspectie Justitie en Veiligheid, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheid en Jeugd dat er nog onvoldoende verbetering is in de situatie voor kinderen in de asielopvang?1
Ja.
Klopt het volgens u dat het faciliteren van onderwijs aan asielzoekerskinderen primair een taak van de Minister van OCW is?
De Minister van OCW draagt de zorg voor het scheppen van een wettelijk kader voor het onderwijs, de uitvoering van onderwijswetgeving en het verstrekken van financiële middelen daarvoor. De toegang tot het funderend onderwijs is voor alle kinderen gelijk, ongeacht de verblijfsstatus of herkomst van kinderen. Gemeenten (voor het primair onderwijs) en gedeputeerde staten (voor het voortgezet onderwijs) hebben de garantiefunctie om te zorgen dat er voldoende (openbare) onderwijsplekken beschikbaar zijn.
De Minister voor A&M is er voor verantwoordelijk dat minderjarige asielzoekers zoveel mogelijk in passende opvang worden geplaatst. De uitvoering van deze verantwoordelijkheid ligt bij het COA. Het is standaardbeleid dat bij het openen van een locatie gekeken wordt naar de aanwezigheid van voorzieningen, onder andere onderwijs, in de omgeving waar de opvanglocatie gevestigd is. Door het aanhoudende tekort aan opvangplekken lukt het niet altijd om kinderen te plaatsen in locaties waar onderwijsvoorzieningen beschikbaar zijn. Wanneer er onderwijs beschikbaar is op grotere afstand, beschikt COA voor die situaties over een regeling voor leerlingvervoer voor de doelgroep, dat overigens altijd in samenspraak met de gemeente wordt georganiseerd.
Voor minderjarige asielzoekers hebben het COA, en voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv) NIDOS, ook op andere manieren een rol. Het COA wijst gemeenten op de komst van kinderen in asielopvang en het belang van onderwijs: in de bestuursovereenkomst tussen COA en gemeenten spreken zij ook af dat de gemeente zorgt dat kinderen naar school kunnen gaan. COA ondersteunt ouders bij het aanmeldproces bij de school van hun voorkeur. NIDOS, in de rol van voogd, meldt zelf jongeren aan op een of meerdere scholen. Gemeenten kunnen voor de onderwijshuisvestingskosten van het basisonderwijs en eerste inrichting van het basisonderwijs voor asielzoekerskinderen een beroep doen op de OHBA-regeling, uitgevoerd door het COA.
Op welke manier is deze verdeling tussen de ministeries momenteel geregeld, zowel op financieel gebied als op beleidsmatig gebied?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de stelling dat op basis van het Kinderrechtenverdrag en het Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs u verplicht bent om ervoor te zorgen dat asielzoekerskinderen gelijke toegang tot onderwijs hebben als andere kinderen op Nederlands grondgebied?
Ja.
Wordt de huidige Europese opvangrichtlijn momenteel gehaald die stelt dat asielzoekerskinderen uiterlijk binnen drie maanden na het indienen van de asielaanvraag toegang moeten krijgen tot het onderwijsstelsel? Zo nee, voor hoeveel kinderen en welk percentage is dit nu niet het geval?
Scholen, gemeenten en provincies slagen er vaak in om minderjarigen op korte termijn toegang tot onderwijs te geven. Maar door de soms snelle opschaling van opvangvoorzieningen en de plotselinge komst van leer- en kwalificatieplichtige kinderen kunnen scholen niet altijd meteen in een (volledig) aanbod voorzien. In de Kamerbrief «kinderen in de asielopvang» van 19 september jl. van de Minister voor Asiel en Migratie wordt de Kamer geïnformeerd over de werkwijze, de beschikbaarheid van data en de uitkomsten van een inventarisatie van het COA naar voorzieningen, waaronder ook onderwijs, voor kinderen in de asielopvang.
Klopt het dat u als Minister van OCW wettelijke bevoegdheden heeft om in te grijpen als het onderwijs voor asielzoekerskinderen onvoldoende wordt gefaciliteerd?
Specifiek voor asielzoekerskinderen heb ik geen bijzondere bevoegdheden. Wel heb ik de mogelijkheid om, als een gemeente er niet in slaagt om met de schoolbesturen in de gemeente afspraken te maken over de toelating van (alle) nieuwkomers en er aantoonbaar nieuwkomers geen toegang tot onderwijs hebben, een gemeente op te leggen om een tijdelijke nieuwkomersvoorziening (hierna: tnv) te starten. Een tnv is een onderwijsvoorziening waarin een schoolbestuur tijdelijk kan afwijken van de eisen aan onderwijsinhoud, onderwijspersoneel en onderwijstijd. Een tnv is daarmee altijd een tijdelijke noodmaatregel, waarin een schoolbestuur mag afwijken van de reguliere eisen aan onderwijstijd, onderwijspersoneel en onderwijsinhoud. Tot op heden is er geen noodzaak geweest om een gemeente op te leggen een tnv te starten.
Het opleggen van een tnv is een absolute noodmaatregel. Tnv’s worden in de regel gestart op initiatief van gemeenten. In totaal hebben sinds de inwerkingtreding van de wet 16 gemeenten toestemming gekregen om een tnv te starten.
Klopt het dat u, na overleg met een gemeente, ook op eigen initiatief kunt besluiten tijdelijke voorzieningen te treffen wanneer vaststaat dat een gemeente niet voor iedere nieuwkomer in onderwijs kan voorzien? Zo ja, heeft u hiertoe weleens besloten?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe staat het met de verkenning met als doel hoe het onderwijs aan nieuwkomers toekomstbestendig kan worden gemaakt waarmee de druk op scholen en gemeenten wordt verlaagd en de onderwijskwaliteit verbeterd?
Op 24 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die we gaan nemen om het funderend onderwijs voor nieuwkomers te verbeteren in de brief over een betere start voor kinderen met Nederlands als tweede taal2.
Op welke manier vindt er overleg tussen de ministeries van OCW en A&M plaats over de verbetering van de onderwijskwaliteit voor asielkinderen?
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs ligt bij schoolbesturen en bij OCW. De Ministeries van OCW en A&M overleggen vrijwel dagelijks over het verbeteren van de randvoorwaarden om het onderwijs goed te kunnen organiseren, de toeleiding naar het onderwijs zo soepel mogelijk te laten verlopen en onderbrekingen in de schoolloopbaan als gevolg van verhuisbewegingen zo mogelijk te voorkomen. Dit overleg vindt plaats in zowel de uitvoering en met ketenpartners, door medewerkers van beide ministeries, als op bestuurlijk niveau.
Klopt het dat in de de Uitvoerings- en implementatiewet ervan wordt uitgegaan dat de aanmelding van minderjarige kinderen van verzoekers in ieder geval binnen twee weken plaatsvindt na het indienen van een verzoek tot internationale bescherming en in de wet wordt vastgelegd dat de school vervolgens binnen zes weken besluit over de toelating, zonder mogelijkheid tot verlenging? Zo ja, wat wordt eraan gedaan om deze termijnen daadwerkelijk te halen?
Dat is juist. Een periode van zes weken om een aanmelding te beoordelen is vaak voldoende. Mocht dit voor scholen niet haalbaar zijn, dan moeten zij in het belang van de leerling, een kind tijdelijk plaatsen totdat een definitief besluit over toelating of afwijzing is genomen. Over de aanscherping van de termijnen en de gevolgen voor de praktijk, voert het ministerie al overleg met de landelijke vertegenwoordigende partijen van het onderwijs en zal het ministerie ook zorgen voor tijdige informatie aan scholen en andere betrokken organisaties. Voor de langere termijn is het streven dat ook de komende wetgeving gericht op het onderwijs aan nieuwkomers bij kan dragen aan snellere toegang van het onderwijs.
Kun u deze vragen zo spoedig mogelijk en nog voor het debat over kinderen in de asielopvang op 23 september beantwoorden?
Ja.
De schending van het Poolse luchtruim door Russische drones. |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Jesse Klaver (GL) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bereid een extra Raad bijeen te roepen in EU-verband om te komen tot een gezamenlijke Europese reactie op schending van het luchtruim van Polen door Rusland?
Wij staan solidair met Polen: de schending van het Poolse luchtruim is onacceptabel. Het is primair aan Polen hoe zij opvolging willen geven aan de schending van hun luchtruim. Polen riep de NAVO gisteren al bijeen voor NAVO-consultaties onder artikel 4. De NAVO biedt deze mogelijkheid wanneer, naar oordeel van een bondgenoot, de territoriale integriteit, politieke onafhankelijkheid of de veiligheid van een van de Partijen wordt bedreigd. Dit is een belangrijk signaal aan Rusland, waarbij bondgenoten solidariteit met Polen onderstrepen en het roekeloze gedrag van Rusland afkeuren. In NAVO-verband wordt bezien welke acties moeten en kunnen worden genomen in reactie op deze schending. Gisteren hebben de EU27-Ministers in een verklaring een gezamenlijke reactie gegeven op de schending van het Poolse luchtruim, waarin deze in de sterkst mogelijke bewoordingen wordt veroordeeld en de volledige solidariteit met Polen wordt uitgesproken. In deze verklaring onderstreepten de EU27-Ministers ook het belang van aanvullende significante sancties om de druk op Rusland op te voeren. Ook spraken de EU-ambassadeurs gisteren over de ontwikkelingen. De Poolse Minister van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven vooralsnog geen aanleiding te zien een extra raad in EU-verband bijeen te roepen.
Bent u bereid samen met bijvoorbeeld Polen een kopgroep te vormen om een escalatieladder overeen te komen met reacties op verdere Russische provocaties?
De NAVO is de hoeksteen van onze Trans-Atlantische veiligheid. De NAVO is het belangrijkste samenwerkingsverband voor bondgenootschappelijke afschrikking en verdediging richting Rusland. In NAVO verband wordt dan ook constant gezamenlijk bepaald welke reactie gepast is in gevallen van Russische agressie of roekeloosheid. Hierbij onderstreept het kabinet het belang van NAVO-eenheid en samenwerking, separate kopgroepen zijn niet opportuun.
De NAVO, met directe betrokkenheid van Nederlandse F35’s, heeft gisteren opgetreden tegen Russische schendingen van het Poolse luchtruim door het onderscheppen van drones en het inroepen door Polen van Artikel 4. In NAVO-verband bestaan bredere responsopties richting Rusland, waarover het Kabinet niet nader in detail kan treden wegens strategische overwegingen, om Rusland niet in de kaart te spelen. Duidelijk is dat de afschrikking en verdediging van het NAVO-verdragsgebied dusdanig moet zijn dat de collectieve veiligheid in Europa wordt gewaarborgd. Inspanningen ter versterking van de oostflank van het NAVO-verdragsgebied behouden daarbij prioriteit. Vanaf december levert Nederland een Air Missile Defence Taskforce (AMDTF) aan Polen ter beveiliging van het NATO Security Assistance and Training for Ukraine. De AMDTF bestaat uit een geïntegreerde eenheid van drie verschillende capaciteiten (PATRIOT, NASAMS en anti-dronesystemen).
Bent u bereid te pleiten voor de invoering van een extra sanctiepakket met verbod op de import van Russische energie?
Nederland is groot voorstander van snelle aanname van een substantieel 19de sanctiepakket tegen Rusland. Prioriteiten van het kabinet zijn daarbij het raken van het voortzettingsvermogen van Rusland in de aanvalsoorlog tegen Oekraïne en het Russische verdienvermogen, inclusief opbrengsten uit export van fossiele brandstoffen. Het kabinet kan helaas niet verder in detail ingaan op de Nederlandse positie in lopende onderhandelingen.
Bent u bereid te pleiten voor een versnelde afbouw van de Europese afhankelijkheid van Russische energie door de uitvoering van REPowerEU met een jaar te versnellen?
Het kabinet heeft altijd consequent het standpunt ingenomen dat Nederland, conform het RePowerEU doel, de import van Russische fossiele brandstoffen zo spoedig mogelijk wil afbouwen naar nul. Nederland heeft zich de afgelopen jaren in de EU ook hard ingezet voor de afbouw van Russische fossiele brandstoffen en heeft alle mogelijke maatregelen voor de beperking daarvan genomen. Sinds 2022 is het aandeel Russische fossiele brandstoffen in de EU significant gedaald. De Europese Commissie heeft in juni onder RePowerEU een voorstel gedaan voor een EU Verordening die een eind moet maken aan de nog resterende import van Russisch gas. Daarover wordt op dit moment in Brussel intensief onderhandeld, met als streven om nog dit najaar tot overeenstemming te komen.
Bent u bereid de druk op te voeren op blokkerende EU-lidstaten, zodat Russische tegoeden kunnen worden ingezet voor extra steun aan Oekraïne?
Nederland roept al langere tijd op tot inhoudelijke internationale discussie over de mogelijkheden en risico’s van aanvullende maatregelen op basis van de bevroren tegoeden. Dit doen we in gezelschap van een aantal andere lidstaten en met oog voor de juridische en financiële risico’s, bijvoorbeeld de gevolgen voor de stabiliteit van de euro. Meerdere lidstaten zijn echter terughoudend. Onder andere tijdens de informele RBZ van eind augustus is Nederland, ook met kritische lidstaten, in gesprek gegaan. Nederland ziet de urgentie door de recente ontwikkelingen om dit te blijven doen in Europees verband en op bilateraal niveau.
Hoeveel olie en gas afkomstig uit Rusland wordt nog ingevoerd via Nederlandse havens?
Nederland importeert sinds de invoering van de EU-importsancties geen ruwe aardolie en olieproducten meer uit Rusland, dit is respectievelijk sinds 5 december 2022 en 5 februari 2023. Voor aardgas en vloeibaar aardgas (LNG) geldt dat er alleen nog een rechtstreekse import uit Rusland plaatsvindt in de vorm van een beperkte reststroom LNG op basis van bestaande langetermijncontracten die in het verleden zijn gesloten voor de oorlog in Oekraïne. Zoals in vraag 4 toegelicht wordt in EU-verband op dit moment hard gewerkt aan een RePowerEU verordening, op basis waarvan ook deze resterende import kan worden uitgefaseerd.
Welke mogelijkheden heeft Nederland om op nationaal niveau beperkingen te stellen aan het aanmeren van schepen waarvan vermoed wordt dat zij olie en gas afkomstig uit Rusland transporteren?
Er bestaat een expliciete juridische grondslag voor het weigeren van schepen op basis van Europese sanctiewetgeving. Deze wetgeving bepaalt dat toegang tot de haven kan worden ontzegd aan schepen die Russische olie vervoeren, indien deze olie is verhandeld tegen een prijs die de vastgestelde grens overschrijdt. Toepassing van deze maatregel vereist de beschikbaarheid van toereikend bewijs. In dit kader wordt van tankers die onze havens willen aandoen, verwacht dat zij gedetailleerde documentatie aanleveren met betrekking tot de aard en herkomst van de lading. Op basis van deze informatie kan worden beoordeeld of toegang tot de haven al dan niet kan worden verleend. Naast deze Europese wetgeving, is er geen rijks bevoegdheid om de toegang van schepen tot havens te weigeren. Deze bevoegdheid ligt bij de havens en gemeentes. Nederland blijft zich inzetten voor strengere Europese maatregelen.
Kunt u deze vragen voor aanvang van het plenaire debat over de oorlog in Oekraïne beantwoorden?
Ja.
Het niet naleven van sancties tegen Rusland door Nederlandse internetproviders |
|
Sarah Dobbe |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederlandse providers houden zich niet aan sancties tegen Rusland»?1
Ja.
Was dit gebrek aan naleving van sancties door Nederlandse internetproviders al eerder bij u en/of het openbaar ministerie (OM) bekend? Zo ja, is daar actie op ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het was bekend dat niet alle internetproviders zich aan deze sanctiemaatregelen houden. Uit het onderzoek van Nieuwsuur blijkt dat dit beeld overeenkomt met de mate van naleving in diverse andere EU-lidstaten. In Nederland wordt bij signalen van mogelijke overtreding van sancties altijd onderzoek gedaan. Hier wordt waar nodig verdere opvolging aan gegeven. Het is uiteindelijk aan het Openbaar Ministerie om eventuele niet-naleving van de sancties te onderzoeken en te vervolgen.
Om internetproviders te ondersteunen bij de implementatie van de media-gerelateerde sancties is het kabinet al langere tijd met de Europese Commissie in overleg over de precieze interpretatie van het verbod en de nadere verduidelijking die nodig is om het verbod in de praktijk uit te kunnen voeren. Om te voorkomen dat er ten onrechte websites worden geblokkeerd is het van belang om nauwkeurig te weten welke website bij welke gesanctioneerde propagandazender hoort. Daarnaast gebruiken de Russische media vele verschillende IP-adressen en URL’s, zijn er veel dienstverleners betrokken bij de toegang tot die media en bevindt een deel van de dienstverleners zich buiten de EU-grenzen. Verduidelijking van het verbod is ook nodig voor een uniforme implementatie in de hele EU. Dit overleg met de Europese Commissie heeft onder meer geresulteerd in guidanceover de interpretatie van het artikel en doorverwijzingen naar overzichten van URL’s en IP-adressen die volgens nationale bevoegde autoriteiten van lidstaten geblokkeerd dienen te worden.2 Uit gesprekken met de sector is gebleken dat de guidance die tot dusver is verstrekt volgens de sector niet toereikend is. Nederland blijft daarom in overleg met de Commissie over verdere informatie. Dit is echter geen vrijbrief voor bedrijven om zich niet aan de sanctiemaatregelen te houden. Zij hebben hier een eigen verantwoordelijkheid om zich aan de geldende maatregelen te houden.
Deelt u de opvatting dat het doel van deze sancties, naast het economisch tegenwerken van Rusland en belangrijke individuen in Rusland, ook het tegengaan van Russische propaganda in Nederland en Europa is en daarmee een kwestie van nationale veiligheid? Zo ja, hoe valt dan slechts 25 procent naleving uit te leggen?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting en heeft daarom steeds ingestemd met beperkende maatregelen tegen Russische mediakanalen die bij propaganda-acties zijn betrokken. Hoewel enkele bedrijven deze sancties hebben aangevochten bij het Hof omdat de maatregelen volgens hen zouden schuren met de vrijheid van meningsuiting, heeft het Hof in twee verschillende zaken de sancties beoordeeld en geconcludeerd dat ze rechtmatig zijn en een toelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting.
Nederlandse (rechts)personen moeten zich houden aan alle sanctiemaatregelen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is het kabinet daarnaast doorlopend in gesprek met de Europese Commissie over het verduidelijken van het verbod voor de uitvoerders.
Hoe gaat u zich inspannen om betere naleving van de sanctiemaatregelen te bereiken, in zijn algemeenheid en in deze specifieke casus?
Het kabinet vindt het niet acceptabel dat sommige websites van gesanctioneerde bedrijven nog toegankelijk zijn. Iedere rechtspersoon in Nederland moet zich aan de wet en de sanctiemaatregelen houden. Wel is het kabinet zich zoals gezegd bewust van de complicaties in de uitvoering van deze sanctiemaatregelen. Om de implementatie van de maatregelen voor de relevante bedrijven uitvoerbaar te maken blijft het kabinet met de Europese Commissie in gesprek om hiervoor de benodigde duidelijkheid te verkrijgen.
Het is uiteindelijk de keuze van het Openbaar Ministerie om te handhaven als er sprake is van een mogelijke overtreding van de ingestelde maatregelen.
Deelt u de opvatting dat de Kamer meer inzicht en invloed moet krijgen in de manier waarop sanctiemaatregelen worden gehandhaafd? Zo ja, hoe gaat u hierop samenwerken met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het handhaven van Europese sanctiemaatregelen is een nationale bevoegdheid. Het kabinet informeert uw Kamer regelmatig over de naleving van de Europese sanctiemaatregelen, bijvoorbeeld middels passages in de verslagen van de Raad Buitenlandse Zaken of de Kamerbrief sanctienaleving.3 In januari dit jaar organiseerde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een sanctienalevingsconferentie in Den Haag, waar zowel is ingezet op een Europees spoor om meer aandacht voor naleving te vragen als een nationaal spoor om met het Nederlandse bedrijfsleven de dialoog over sancties aan te gaan. De rapporteurs Modernisering van het Nederlandse sanctiestelsel waren voor deze conferentie uitgenodigd en daarnaast is uw Kamer over het verloop van de conferentie geïnformeerd.4
Nederland heeft daarnaast uitgebreide voorstellen in de EU gedaan om de naleving in de hele Unie te verbeteren en handhaving gelijk te trekken. Uw Kamer is hier over geïnformeerd op 22 november 2024, middels het non-paper Strengthening European cooperation to reinforce national efforts on the implementation and enforcement of EU restrictive measures.5 Deze voorstellen worden thans uitgewerkt en het kabinet zal uw Kamer hierover terugkoppelen.
Deelt u de opvatting dat het voor Kamerleden onmogelijk is om het sanctiebeleid goed te controleren als de regering steevast volhoudt niet op individuele gevallen in te gaan? Zo ja, kunt u voortaan wat meer informatie geven over het falen van het sanctiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet herkent het beeld dat het sanctiebeleid faalt niet. Sanctiemaatregelen zijn het meest effectief als deze goed worden nageleefd. Het overgrote deel van de Nederlandse bedrijven houdt zich goed aan sancties. Het kabinet informeert de Kamer over relevante algemene ontwikkelingen ten aanzien van naleving, zoals handhaving, toezicht, wetgeving en uitvoering daarvan. Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen om redenen van privacy, in het belang van (strafrechtelijk) onderzoek en omdat het vaststellen van mogelijke overtredingen uiteindelijk aan de rechter is.
Eerder is door de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving vastgesteld dat er veel goed gaat bij de naleving van sancties in Nederland. De aanbevelingen van de coördinator zijn inmiddels geïmplementeerd. Een deel daarvan is meegenomen in de Wet internationale sanctiemaatregelen (Wis) die momenteel bij de Raad van State ligt. Relevante toezichthouders zoals het AFM, DNB, FIU en de Douane geven jaarlijks in hun jaarverslag een weergave van de sanctienaleving in Nederland. Ook hieruit rijst niet het beeld dat de naleving niet op orde zou zijn. Het kabinet heeft in het kader van de voorjaarsnota structureel 36,5 miljoen euro vrijgemaakt voor de instandhouding en verdere versterking van de sanctienaleving in Nederland6. Tegelijkertijd blijft het een kat- en muisspel, waarbij landen als Rusland blijven proberen om sancties te omzeilen teneinde essentiële goederen uit de EU te verkrijgen.
Hoeveel keer is het OM overgegaan tot vervolging vanwege het niet naleven van de sanctiemaatregelen tegen Rusland?
Sinds de ingestelde sancties naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne in 2022 zijn onder leiding van het Openbaar Ministerie meer dan 50 strafrechtelijke onderzoeken gestart vanwege de verdenking van het niet-naleven van de sanctiemaatregelen tegen Rusland. Door het OM zijn zowel dagvaardingen uitgebracht als OM-strafbeschikkingen opgelegd. Bovendien bevindt een aantal zaken zich nog in de opsporingsfase.7
Het bericht dat Nederland moet meewerken aan het overbrengen van ambassadebewakers |
|
Derk Boswijk (CDA), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Don Ceder (CU) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de kantonrechter in een kort geding dat de Nederlandse Staat transportmiddelen beschikbaar moet stellen voor het overbrengen van 42 Afghaanse bewakers?
Ja. Ik ben bekend met de uitspraak van de kantonrechter in kort geding van 2 september jl.
Wat vindt u van het feit dat de rechter stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en haar zorgplicht niet heeft nageleefd door de Afghaanse bewakers niet te evacueren?
Het kabinet neemt zijn werkgeversverantwoordelijkheid serieus, ook in het buitenland. In dit geval waren de 42 eisers geen werknemers van de Staat. In deze procedure zijn verschillende redenen om aan te nemen dat artikel 7:658 lid 4 BW, het Nederlandse artikel waaruit de kantonrechter een zorgplicht van de Staat tegenover de 42 eisers heeft afgeleid, niet van toepassing is. Voor de beantwoording van vraag 2 verwijs ik u verder naar de brief1 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe verklaart u dat Hongaarse beveiligers die via hetzelfde bedrijf (Asman Abi) waren ingeleend wel geëvacueerd zijn, terwijl Afghaanse bewakers die hetzelfde werk verrichtten niet werden geëvacueerd? Hoe is deze afweging tot stand gekomen?
De Hongaarse bewakers zijn door speciale eenheden van een partnerland naar het vliegveld gebracht en uiteindelijk zonder tussenkomst van Nederland gerepatrieerd naar Hongarije. Zij hadden als EU-onderdanen recht op consulaire bijstand en hierover zijn voorafgaand aan de acute evacuatiefase specifieke afspraken gemaakt. Dit is niet vanwege hun werk als extern ingehuurde bewakers bij de Nederlandse ambassade gebeurd, zoals ook gecommuniceerd is in de brief2 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe ziet u het feit dat de rechter stelt dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft tegenover deze bewakers, omdat zij ook na de evacuatie en de machtsovername door de Taliban de ambassade nog enige tijd hebben beveiligd onder gevaarlijke omstandigheden? Bent u het hiermee eens? Hoe gaat u deze bijzondere zorgplicht vervullen?
Bewakers in dienst van de externe dienstverlener hebben na de val van Kaboel doorgewerkt op de Nederlandse ambassade-compounds tot aan de afstoting daarvan, waarvan de eerste eind 2021 en de tweede eind 2022 plaatsvond. Er is met enige regelmaat contact geweest met de externe dienstverlener over de veiligheid van de voormalige extern ingehuurde ambassadebewakers. Tot op heden heeft het kabinet geen berichten ontvangen waaruit blijkt dat bewakers die voor de externe dienstverlener werkten gevaar lopen vanwege hun voormalige werkzaamheden voor de Nederlandse ambassade.
De kantonrechter overweegt in het vonnis dat de omstandigheid dat de ambassadebewakers na de evacuatie de toen ontruimde ambassade nog enige tijd hebben beveiligd zou kunnen inhouden dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft. Wat de kantonrechter daarmee bedoelt, wordt niet verder uitgewerkt en is het kabinet niet duidelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze bewakers met hun gezinnen nu zo snel mogelijk alsnog worden overgebracht?
Het overbrengen van Afghanen is een complex proces. Dat proces bestaat uit verschillende stappen, waaronder verificatie van alle gegevens en documenten. Naar aanleiding van de uitspraak van 2 september jl. heeft de Staat eerste stappen gezet voor het mogelijk maken van deze overbrengingen.
Het gerechtshof heeft op 12 september jl. de verplichting voor de Staat geschorst om per direct uitvoering te geven aan het vonnis totdat het hof in het hoger beroep over deze zaak heeft geoordeeld. Om deze reden onderneemt het kabinet momenteel geen verdere stappen om het vonnis uit te voeren.
Onderschrijft u dat de uitspraak van de kantonrechter bij voorbaat uitvoerbaar is en zo snel mogelijk uitgevoerd moet worden?
De Staat heeft een turbospoedappel ingesteld gezien het kabinet zich niet kan vinden in de uitspraak van de kantonrechter, zoals eerder aangegeven in kabinetsbrief3 van 5 september jl. en de beantwoording van het Schriftelijk Overleg van 19 september jl.4 Hierbij heeft de Staat verzocht om een snelle uitspraak in het schorsingsincident. Op 12 september jl. heeft het gerechtshof in het schorsingsincident de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegekend.
Sommige bewakers van deze groep bevinden zich momenteel in Pakistan en Iran en zouden snel naar Nederland kunnen komen. Gaat u direct dit proces in gang zetten?
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van vraag 5.
Gelden voor de overbrenging van gezinsleden dezelfde voorwaarden als voor het recht op gezinshereniging voor asielstatushouders?
In punt 4.45 van het vonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van familieleden het volgende gezegd:
«Ter voorkoming van misverstanden daaromtrent zal de kantonrechter bepalen dat als familieleden van Eisers zullen worden aangemerkt hun wettige echtgenoten of partners, die daarmee rechtens kunnen worden gelijkgesteld, en de van hen afhankelijke minderjarige kinderen, die op het moment van vertrek nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.»
Ook bij gezinshereniging na asiel wordt in beginsel uitgegaan van het kerngezin, zijnde de partner en minderjarige kinderen (paragraaf C2.4.1 Vreemdelingencirculaire). Het door de kantonrechter bepaalde is daarmee in lijn met de gezinshereniging voor asielstatushouders.
Kunt u de Kamer wekelijks (kort) op de hoogte houden van de status van deze overbrengingen?
Op dit moment wacht het kabinet de uitspraak in hoger beroep af.
Kunt u de beantwoording van deze vragen meenemen in de kabinetsbrief die tijdens de procedurevergadering van 4 september jl. is aangevraagd door de commissie Buitenlandse Zaken?
De kabinetsbrief5 is op 5 september jl. verstuurd. Hierin worden veel van de hierboven gestelde vragen beantwoord, zie ook de verwijzingen naar de brief in de beantwoording. Daarnaast is op 19 september jl. de beantwoording van het Schriftelijk Overleg6 naar de Kamer verstuurd.
Het bericht 'Aanpak illegale goksites faalt: Kansspelautoriteit zet deurwaarders in' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanpak illegale goksites faalt: Kansspelautoriteit zet deurwaarders in»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op noodkreet van de Kansspelautoriteit aan de politiek, omdat het nog steeds niet lukt om illegale goksites offline te krijgen?
Ik onderschrijf de wens van de Kansspelautoriteit (Ksa) voor een aanvullend instrumentarium waarmee websites van illegale aanbieders kunnen worden geblokkeerd of offline kunnen worden gehaald. Zoals de Staatssecretaris Rechtsbescherming in de brief van 14 februari jl. aan uw Kamer heeft uiteengezet, is het bestrijden van illegaal aanbod als expliciete doelstelling in het hernieuwde kansspelbeleid verankerd.2 Daarbij gaat het naast de handhaving van de geldende wet- en regelgeving, waar illegale aanbieders zich aan onttrekken, juist ook om de bescherming van spelers tegen gokgerelateerde schade. Er zijn geen waarborgen voor bescherming bij illegale aanbieders. Het is daarnaast aannemelijk dat probleemspelers relatief vaker gokken bij het illegale aanbod, terwijl juist zij extra bescherming behoeven.3
De Ksa en ik geven dan ook prioriteit aan het tegengaan van illegaal aanbod. In dat kader werk ik aan de uitbreiding van de bevoegdheden van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken, zoals geschetst in de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 februari jl. Naast instrumenten voor het blokkeren van websites, kijk ik daarbij ook naar aanpassing van wet- en regelgeving zodat de Ksa effectiever derde partijen, zoals internetserviceproviders of betaaldienstverleners, kan aanspreken op het aanbieden van hun diensten aan illegale aanbieders.4
De Ksa ontwikkelt momenteel ook binnen het huidige wettelijke kader andere methoden om het aanbod van illegale aanbieders terug te dringen. Daarvoor zoekt de Ksa actief de samenwerking op met partijen zoals de financiële sector, gokspelleveranciers, internetbedrijven, sociale mediaplatforms, collega-toezichthouders, vertegenwoordigers van vergunninghouders en affiliates. Deze samenwerking, genaamd de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, richt zich met name op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Kansspelautoriteit nu zelfs deurwaarders moet inschakelen om illegale online goksites aan te pakken?
De Ksa beschikt over een breed handhavingsinstrumentarium en kan in voorkomende gevallen kiezen voor het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. In de praktijk blijkt echter dat illegale aanbieders vaak geen gehoor geven aan hun betalingsverplichtingen. Het is daarom passend dat de Ksa in die gevallen deurwaarders inzet om inning alsnog te realiseren. Met deze aanpak probeert de Ksa alsnog onbetaalde boetes ingevorderd te krijgen. Tegelijkertijd leert de praktijk dat het opleggen van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes tijdintensief zijn. Daarbij komt dat illegale aanbieders zich vestigen in jurisdicties waar zij lastig te bereiken zijn en verschuilen zij zich achter complexe bedrijfsstructuren. Dit onderstreept het belang van de in het antwoord op vraag 2 geschetste aanpak gericht op het ontoegankelijk maken van illegaal aanbod, in plaats van uitsluitend repressief optreden zoals het geval is bij de inning van boetes.
Wat vindt u ervan dat illegale goksites de opgelegde boetes vaak niet betalen en zich hiervan weinig aantrekken?
Het is onwenselijk dat illegale aanbieders hun betalingsverplichtingen met betrekking tot de door de Ksa opgelegde boetes niet nakomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het in de praktijk lastig om met boetes de illegaliteit effectief te bestrijden.5 Deze boetes kunnen dan ook vaak niet worden geïnd. Daarom richt de Ksa zich zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 niet alleen op de aanbieders zelf, maar ook op de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken.
Wat zijn de gevolgen als illegale goksites nalaten om boetes te betalen die zijn opgelegd door de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat, als boetes geen afschrikwekkend effect hebben, er zwaardere instrumenten nodig zijn om illegale goksites offline te halen en uit Nederland te weren? Zo ja, welke extra maatregelen gaat u nemen?
Ik deel deze mening. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, werk ik in dit kader aan instrumenten voor het blokkeren van websites en aanpassing van wet- en regelgeving zodat de Ksa effectiever derde partijen kan aanspreken.
Hoe wordt gewaarborgd dat Nederlandse gedupeerden die geld zijn verloren aan illegale online gokbedrijven, dit kunnen terugvorderen? Geldt dit ook voor illegale gokbedrijven die zijn gevestigd op Malta?
Spelers die financiële schade lijden als gevolg van deelname aan illegale online kansspelen kunnen zich tot de rechter wenden om hun vorderingen aanhangig te maken. Het uitgangspunt is dat de Staat zich niet mengt in geschillen over civielrechtelijke verhoudingen tussen een (illegale) kansspelaanbieder en de speler. De beoordeling en afwikkeling van dergelijke geschillen is voorbehouden aan de rechterlijke macht.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft eerder zijn zorgen geuit over de onverenigbaarheid van de Maltese Bill 55 met het Unierecht.6 Naar aanleiding hiervan is de Europese Commissie op 18 juni jl. een formele inbreukprocedure tegen Malta gestart. De termijn van twee maanden waarbinnen Malta op de aanmaning van de Europese Commissie diende te reageren, is inmiddels verstreken. Het is nu aan de Europese Commissie om te beoordelen of de reactie van Malta toereikend is. Zo niet, dan kan de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengen. Indien er dan alsnog geen afdoende reactie volgt, kan de zaak worden verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Bent u het ermee eens dat een van de bedoelingen van de Wet kansspelen op afstand, namelijk het terugdringen van illegaal online gokaanbod, niet is gehaald, nu nog steeds 9% van de gokkers speelt op illegale sites en de helft van de uitgaven in de online gokwereld naar illegale sites gaan?
Het voornaamste doel van de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) was om spelers te beschermen door een betrouwbaar en vergund aanbod beschikbaar te stellen. Het volledig terugdringen van de illegale markt was daarbij geen doelstelling. De evaluatie van de Wet koa levert een zorgelijk beeld op van de beperkte bescherming tegen de risico’s van online gokken. Om de bescherming te realiseren en illegaliteit beter tegen te gaan zijn wijzigingen van wet- en regelgeving nodig, zoals aangekondigd in de brief van 14 februari jl. van de Staatssecretaris Rechtsbescherming. De systeemanalyse van TNO die mijn ambtsvoorganger toen aan uw Kamer heeft gezonden laat daarbij zien dat het volledig terugdringen van illegaal aanbod niet realistisch is.7
Hoe kijkt u naar de aanpak in landen als Frankrijk en Duitsland, waar jaarlijks honderden illegale goksites offline worden gehaald?
Bij de aanpak van het illegale aanbod, waaronder het ontoegankelijk maken van webpagina’s van illegale aanbieders, kijken de Ksa en ik ook naar ervaringen in andere landen, waaronder Frankrijk en Duitsland. De Franse toezichthouder, l'Autorité Nationale des Jeux (ANJ), beschikt bijvoorbeeld over de bevoegdheid om internetserviceproviders te verzoeken illegale goksites te blokkeren. Daartoe dient de ANJ eerst een «formal notice» te versturen, waarin zij vraagt de desbetreffende goksite vanuit Frankrijk ontoegankelijk te maken. Indien de illegale aanbieder niet binnen vijf dagen aan dit verzoek voldoet, kan de ANJ internetserviceproviders verplichten tot blokkering van de goksite. De Duitse toezichthouder, Gemeinsame Glücksspielbehörde der Länder (GGL), heeft de bevoegdheid om IP-adressen en betalingsverkeer van online casino’s zonder vergunning te blokkeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, werk ik aan aanvullend wettelijk instrumentarium voor het blokkeren van illegale goksites. Daarbij maak ik gebruik van de ervaringen uit deze landen.
In het kader van Europese samenwerking in het beschermen van mensen tegen gokschade en in de bestrijding van illegaal aanbod heeft de Ksa daarnaast op 8 en 9 september jl. de Player Protection Conference 2025 georganiseerd. De conferentie had kennisuitwisseling als doel en er werd gekeken naar hoe verschillende Europese toezichthouders kunnen samenwerken om spelers beter te beschermen en de infrastructuur van illegale aanbieders te frustreren. Om deze samenwerking verder te vorm te geven, heeft de Ksa met negen andere toezichthouders een werkgroep opgericht om gezamenlijk het illegale aanbod te bestrijden. Naast het uitwisselen van best practices wordt ook gewerkt aan concrete acties, bijvoorbeeld richting betaaldienstverleners of marketingpartijen. Dergelijke initiatieven steun ik van harte.
Welke maatregelen nemen deze Europese landen wel, die in Nederland niet worden toegepast?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om, zoals de Kansspelautoriteit vraagt, maatregelen te nemen om goksites sneller offline te halen en zo ja, welke stappen gaat u zetten?
Zie antwoord op vraag 2.
De gevolgen van de storing bij het Openbaar Ministerie voor de aanvraag van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) |
|
Joost Sneller (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de actuele status is van de problemen die zijn opgetreden n.a.v. de storing bij het Openbaar Ministerie (OM)? Zijn alle problemen die als gevolg van deze storing zijn opgetreden inmiddels verholpen?
Het OM heeft op 25 september jl. aangegeven dat alle applicaties die het strafrechtproces ondersteunen en de koppelingen met applicaties van ketenpartners weer werken.1 De aansluitingen met het Justitiële Documentatie Systeem (JDS) zijn inmiddels succesvol voltooid en het berichtenverkeer van en naar het JDS is weer op gang gebracht. Het OM en de Rechtspraak hebben aangegeven dat de ontstane achterstand, als gevolg van de OM-verstoring, is ingelopen. Hiermee zijn de knelpunten, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 12 augustus jl.,2 opgelost. Het betreft de continue screening in de kinderopvang en de taxibranche, de reguliere beoordeling van aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), de screening van adoptieouders, pleeggezinnen en voogdijverzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en het gebruik van JDS door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Beslissingen worden, zodra deze zijn verwerkt in het JDS, direct meegenomen in de beoordeling door Justis, de RvdK en de IND. Omdat de achterstanden als gevolg van de OM-verstoring zijn ingelopen en het reguliere proces van continue screening is hervat, is het noodwerkproces voor de meest gevoelige zaken in de continue screening beëindigd.
Kunt u bevestigen dat de verstoring bij het OM ertoe heeft geleid dat het Justitiële Documentatie Systeem (JDS) sinds 17 juli 2025 geen actuele gegevens meer ontvangt? Zo ja, wanneer is dit bij u bekend geworden en wanneer heeft u de Kamer hierover geïnformeerd?
Het klopt dat de verstoring bij het OM ertoe heeft geleid dat informatie van het OM van na 17 juli jl. ontbrak in het JDS. De verstoring werd op 17 juli jl. bekend bij mijn ministerie. In de periode daarna werd steeds meer duidelijk welke gevolgen de verstoring had, waaronder een verstoring in het JDS. Er is vervolgens hard gewerkt aan het inrichten van noodprocessen. Op 12 augustus jl. is de Kamer geïnformeerd over de gevolgen van de verstoring voor de gehele strafrechtketen, waaronder het JDS.
Hoeveel VOG-aanvragen zijn er sinds 17 juli 2025 ingediend waarvoor de beoordeling vertraging heeft opgelopen door het ontbreken van actuele gegevens in JDS?
Vanaf 18 juli tot 14 oktober jl. zijn er 429.984 aanvragen voor een VOG (VOG voor natuurlijke personen, VOG politiegegevens en VOG voor rechtspersonen) ingediend. In deze periode zijn in totaal 425.431 Verklaringen Omtrent het Gedrag afgegeven.3Justis heeft ervoor gekozen de beoordeling van de VOG-aanvragen ook na 17 juli jl. te continueren. Justis kon met deze screening nog steeds een zeer waardevolle bijdrage leveren aan de risicoschatting, omdat in de beoordeling informatie vanuit het OM van voor 18 juli jl. wel kon worden meegewogen.4 Er is in de meeste gevallen geen vertraging opgelopen door het ontbreken van actuele gegevens in het JDS, tenzij het OM bevraagd moest worden over openstaande zaken.
Bent u bereid om op korte termijn een overzicht te geven van de aantallen vertraagde, onvolledig beoordeelde of opnieuw ingediende VOG-aanvragen sinds 17 juli 2025?
Zie het antwoord op vraag 3 voor het aantal VOG-aanvragen dat is ingediend in de periode van 18 juli tot 30 september jl. Justis heeft organisaties geïnformeerd over de gevolgen van de verstoring bij het OM voor de aanvraag van een VOG en gewezen op de mogelijkheid om een nieuwe VOG te verlangen, zodra het JDS geactualiseerd is. Het is aan de organisaties om af te wegen of dit opportuun is gezien de risico’s van een functie. Het herkennen van VOG-aanvragen die opnieuw worden ingediend nadat het JDS geactualiseerd is, kan Justis niet op korte termijn realiseren. Dit zou aanpassing van de systemen vergen. Hier wordt nu niet op ingezet.
Hoe zijn werkgevers, werknemers en vrijwilligersorganisaties actief geïnformeerd over het feit dat VOG-aanvragen momenteel mogelijk op onvolledige informatie zijn gebaseerd?
Justis heeft organisaties die veel gebruik maken van de VOG telefonisch geïnformeerd over de gevolgen van de verstoring bij het OM voor de aanvraag van een VOG. Daarnaast heeft Justis een bericht geplaatst op de website en is vanaf 15 augustus op de VOG informatie geplaatst, waarin wordt aangegeven dat bij de beoordeling van de VOG-aanvraag geen informatie vanuit het OM van na 17 juli 2025 is betrokken.
Tevens hebben de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Infrastructuur en Waterstaat, als opdrachtgevers van de continue screening in respectievelijk de kinderopvang en in de taxibranche, de toezichtspartijen en sectoren geïnformeerd over de gevolgen voor de continue screening en het noodwerkproces dat is ingevoerd voor de meest gevoelige zaken.
In hoeveel gevallen is de screening van adoptieouders, pleeggezinnen en voogdijverzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming mogelijk gebaseerd op onjuiste/verouderde informatie uit het JDS? In hoeveel gevallen is de screening vertraagd?
De RvdK heeft zowel voor de screening van adoptieouders als voor de voogdijverzoeken waar een JDS-check voor wordt uitgevoerd, JDS online kunnen raadplegen. Dit heeft de RvdK kunnen doen vóór dan wel na de periode dat het OM offline was. Voor de screening van pleegouders heeft de RvdK in de periode dat het OM offline was de screening doorgezet zonder de informatie van het OM van na 17 juli jl. Het gaat om 400 gevallen. Hier is voor gekozen vanwege de gewenste continuïteit enerzijds en een gering risico op missende relevante data anderzijds. Deze gevallen worden opnieuw bekeken nu het JDS geactualiseerd is, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 12 augustus 2025. Als nieuwe, relevante informatie wordt aangetroffen op basis waarvan de RvdK besluit geen Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) af te geven, wordt uiteraard direct contact opgenomen met de pleegzorgaanbieder die mede op basis daarvan beoordeelt of een gezin geschikt is om een kind te (blijven) verzorgen en op te voeden.
Wanneer verwacht de Minister dat het JDS weer volledig is bijgewerkt en VOG-aanvragen weer zonder vertraging én met de volledige informatie in behandeling worden genomen?
Zoals ik heb aangegeven bij het antwoord op vraag 1, is het berichtenverkeer tussen Justid en het OM inmiddels weer volledig hervat en zijn de ontstane achterstanden ingelopen. Zodra de beslissingen van het OM en de Rechtspraak verwerkt zijn in het JDS, kunnen deze gegevens ook weer worden betrokken bij de beoordeling van VOG-aanvragen. Justis ontvangt in het kader van de continue screening met terugwerkende kracht meldingen van mutaties in het JDS vanaf 18 jl. en geeft waar van toepassing een signaal af aan de toezichthouder, voor zover dit niet reeds is gebeurd via het noodwerkproces voor de continue screening.
Klopt het dat Justis in sommige gevallen aan werkgevers en werknemers adviseert om een VOG-aanvraag opnieuw in te dienen zodra het JDS weer geactualiseerd is? En wat zijn de gevolgen als een werkgever geen nieuwe VOG laat aanvragen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft Justis ervoor gekozen het beoordelen van een VOG zo veel mogelijk te continueren. Deze VOG’s blijven rechtsgeldig. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 heeft Justis organisaties gewezen op de mogelijkheid om een nieuwe VOG te verlangen, zodra het JDS geactualiseerd is. Het is aan de organisaties om af te wegen of dit opportuun is gezien de risico’s van een functie.
Justis heeft verkend of het mogelijk en praktisch uitvoerbaar is een proces in te regelen voor een kosteloze herhaalaanvraag van een VOG of via een restitutieproces. Een kosteloze herhaalaanvraag en restitutie zijn enkel effectief als een aanvraag op korte termijn kan worden ingediend en vergoed.
Het inregelen van een kosteloze herhaalaanvraag of restitutieproces blijkt helaas niet uitvoerbaar binnen een korte termijn. Justis heeft onvoldoende capaciteit om een proces in te regelen zonder dat dit ernstig druk legt op het reguliere aanvraag- en beoordelingsproces. Het inregelen van een kosteloze herhaalaanvraag of restitutieproces zou daarmee tot onwenselijke vertragingen leiden voor toekomstige VOG-aanvragers. Ook kunnen benodigde systeemaanpassingen niet op korte termijn gerealiseerd worden.
Wat betekent dit voor de rechtspositie van de aanvrager? Wordt de oorspronkelijke aanvraag in behandeling genomen zodra actuele informatie beschikbaar is, of moet de hele procedure opnieuw worden doorlopen? Wie draagt de kosten van de tweede aanvraag?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid te verkennen of het redelijk is om de kosten voor deze herhaalde aanvragen (die voortkomen uit een verstoring binnen de overheid) worden vergoed, dan wel via coulance worden kwijtgescholden?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht van RTV Noord waaruit blijkt dat tientallen raadsleden van Groninger gemeenten hebben te maken met agressie. |
|
Glimina Chakor (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tientallen raadsleden van Groninger gemeenten hebben te maken met agressie: «Waar doe ik het nog voor?»»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Herkent u dat ook in Groningse gemeenten raadsleden steeds vaker te maken hebben met agressie en bedreiging? Krijgt u dergelijke berichten ook uit andere delen van het land? En zo ja, welke?
Ik herken helaas het beeld dat politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden, steeds vaker te maken krijgen met agressie en intimidatie. Dit treft politieke ambtsdragers in Groningen, zoals het onderzoek van RTV Noord laat zien, maar ook ambtsdragers uit andere delen van het land. Zo blijkt ook uit de tweejaarlijkse monitor Integriteit en Veiligheid die in opdracht van mijn ministerie wordt uitgevoerd. Ik vind dit onacceptabel. Politieke ambtsdragers moeten ongestoord hun werk kunnen doen. Agressie hoort niet bij het politieke ambt.
In hoeverre komen de in het bericht genoemde ervaringen met agressie en intimidatie waar Groninger raadsleden mee te maken hebben overeen met het landelijk beeld zoals dat in de Monitor Integriteit en Veiligheid 2024 wordt geschetst? In hoeverre wijkt het beeld in Groningen daarvan af?
De uitkomsten van het onderzoek van RTV Noord en de Monitor Integriteit en Veiligheid 2024 komen nagenoeg overeen. Zo bericht RTV Noord dat 40% van de Groninger raadsleden te maken heeft gehad met agressie. De Monitor Integriteit en Veiligheid 2024 laat eveneens zien dat 40% van de raadsleden te maken heeft gehad met een vorm van agressie. Verder zijn ook de uitkomsten wat betreft soorten agressie waarmee raadsleden te maken krijgen en de negatieve gevolgen die zij daarvan ondervinden vergelijkbaar.
Deelt u de mening dat raadsleden die te maken krijgen met agressie of intimidatie dat moeten melden dan wel aangifte moeten doen? Zo ja, waarom en hoe komt het dan dat maar 6% van de decentrale politieke ambtsdragers daadwerkelijk aangifte doet?2 Wat gaat u doen om de aangiftebereidheid te vergroten?
Het is belangrijk dat raadsleden die te maken krijgen met agressie of intimidatie hiervan allereerst melding maken in de eigen organisatie. Uitgangpunt is om altijd te melden, zodat er registratie en eerste opvolging kan plaatsvinden. Die registratie blijft in veel gemeenten nog achter en dat vind ik zorgelijk. De vervolgstap is melding en aangifte bij de politie. Het belang hiervan wordt actief uitgedragen tijdens de Tour van het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur langs alle gemeenten en kan vastgelegd worden in een agressie- of veiligheidsprotocol.
Om de drempel voor melding en aangifte bij de politie te verlagen is het belangrijk dat politieke ambtsdragers er niet alleen voor staan. Daarom stimuleer ik de invulling van een werkgeversrol om te ondersteunen bij het doen van aangifte. Denk hierbij aan de griffier, de (fractie)voorzitter of veiligheidsadviseur. Vanuit het Netwerk Weerbaar Bestuur krijgen zij handvatten om deze rol in te vullen.
Als het tot een aangifte komt, is adequate opvolging vanuit politie en OM een belangrijk sluitstuk. Wanneer het gevoel is dat een aangifte niet serieus wordt opgepakt, is dit vaak een reden om niet meer aangifte te doen. Signalen waar dit nog niet goed loopt deel ik met de Minister van Justitie en Veiligheid.
Acht u aanvullende afspraken over bescherming, preventie en nazorg voor bedreigde raadsleden nodig? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Samen met de betrokken partners zoals de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, Vereniging voor Griffiers, StatenlidNu en de Vereniging Nederlandse Gemeenten zet ik mij in alles te doen wat nodig is om raadsleden zo goed mogelijk te beschermen. Zo is de afgelopen tijd een veiligheidsscan voor volksvertegenwoordigers ontwikkeld. Hiermee krijgen zij kosteloos onafhankelijk advies over het verhogen van de veiligheid van hun woning, verplaatsingen en online gedrag.
Naar aanleiding van verstoringen en intimidaties tijdens recente raadsvergaderingen ben ik een traject gestart met gemeenten, provincies en waterschappen om te verkennen hoe we de veiligheid van raadzalen kunnen verhogen. In het najaar vindt hierover een eerste bijeenkomst plaats. Dit om er voor te zorgen dat raadsleden zich zonder druk van buitenaf kunnen blijven uitspreken.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de sociale veiligheid van raadsleden structureel te versterken zodat zij zonder angst en druk hun werk kunnen doen?
Voor het versterken van de sociale veiligheid is het open gesprek als raad als collectief als raad een belangrijke eerste stap. Vervolgens moet helder zijn bij wie je terecht kunt in onveilige situaties. In de praktijk is dit naast de (fractie)voorzitter de griffier. De griffier speelt een steeds prominentere rol bij het versterken van de weerbaarheid binnen de raad. Om de griffier te helpen bij het invullen van deze rol werk ik momenteel aan het samenbrengen van alle benodigde informatie en handvatten in een weerbaarheidspakket voor griffiers. Dit pakket wordt ontwikkeld in nauwe samenwerking met de Vereniging van Griffiers en wordt begin oktober gelanceerd.
Welke rol spelen het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur en vertrouwenslijnen zoals NL Confidential en hoe zorgt u dat raadsleden deze voorzieningen beter kennen en gebruiken?
Het Ondersteuningsteam biedt advies en steun aan alle politieke ambtsdragers binnen gemeenten, provincies en waterschappen die geconfronteerd worden met agressie, intimidatie en bedreiging. Het OTWB bestaat uit de beroepsverenigingen van politieke ambtsdragers, zoals de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. Het team kan onder meer «peers» en ambassadeurs inzetten die snel en vertrouwelijk collegiale bijstand bieden na een heftig incident. Hierbij is ook aandacht voor de impact op gezinsleden. Bekendheid wordt gegenereerd via griffiers, burgemeesters en (lokale) politieke partijen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Versterking lokaal bestuur op woensdag 9 september a.s.?
Ja.
De stand van zaken van de uitvoering van de SP motie om te stoppen met de commerciële noodopvang |
|
Jimmy Dijk , Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Dijk (Kamerstuk 19 637, nr. 3424) die verzoekt om nog voor eind 2025 te stoppen met de commerciële noodopvang?
Ja.
Herinnert u zich de al eerder aangenomen motie van het lid Dijk (Kamerstuk 36 410, nr. 107) die verzoekt om de verdienmodellen van de commerciële noodopvang te stoppen?
Ja.
Kunt u aangeven welke stappen ondertussen zijn gezet om de afhankelijkheid van de commerciële noodopvang te verminderen?
Hoe ver is deze commerciële noodopvang afgebouwd? Kun u een tussenstand geven? Zo nee, waarom niet?
Gaat het dit kabinet lukken deze naar nul af te bouwen voor het einde van het jaar? Zo ja, wat is de planning en voortgang? Zo nee, waarom niet?
Hoe is deze de afgelopen maanden afgebouwd? Kun u hier een overzicht en voortgang per maand van geven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven met hoeveel commerciële partijen nog zaken wordt gedaan en hoeveel partijen dit begin dit jaar nog was?
Het onderscheid dat in de vraag wordt gesteld is op basis van de COA-gegevens moeilijk te maken. Het COA maakt in principe onderscheid tussen drie soorten opvangvormen. Dit betreft reguliere opvang, noodopvang en duurzame- of tijdelijke gemeentelijke opvang.
Reguliere opvang heeft een langere looptijd en voldoet altijd aan het programma van eisen voor reguliere opvang van het COA. Voor noodopvang geldt een apart programma van eisen en is het voorzieningenniveau doorgaans lager. Tijdelijke en Duurzame Gemeentelijke opvang wordt geëxploiteerd door gemeenten, onder eindverantwoordelijkheid van het COA. Alle deze opvangvormen komen voor in eigendom van het COA of een gemeente, maar ook via een huurconstructie met een commerciële partij. Daarnaast heeft het COA veel contracten met commerciële partijen voor bijvoorbeeld beveiliging, bouwwerkzaamheden et cetera.
Hoewel het moeilijk vast te stellen is met hoeveel commerciële partijen zaken wordt gedaan kan wel een opgave worden gedaan van het aantal plekken in hotels en op opvangboten die in gebruik zijn. Op 1 januari 2025 waren er ruim 19.000 opvangplekken in gebruik in hotels en op boten. De afgelopen periode is de bezetting harder gegroeid dan het aantal reguliere opvangplekken, met name door een groeiend aantal statushouders in de asielopvang.). Per 1 november 2025 zijn er 21.000 plekken beschikbaar in hotels en op boten. Zoals bij de vorige vraag vermeld stijgt het aantal reguliere opvangplekken gestaag van 40.000 plekken momenteel naar 51.000 op 1 januari 2027. In de loop van volgend jaar is het derhalve de verwachting dat het aandeel noodopvang in hotels en op boten zal dalen.
Het kabinet werkt verder aan maatregelen om de instroom te verminderen en de uitstroom vanuit het COA te bevorderen. Belangrijke onderdelen hiervan zijn de wetsvoorstellen omtrent de invoering van het tweestatusstelsel en de asielnoodmaatregelenwet. Verder wordt de uitstroom van statushouders bevordert door de bekostigingsregeling voor de doorstroomlocatie en de regeling stimulering uitstroom vergunninghouders (HAR+). Met deze maatregelen beoogt het kabinet het aantal asielzoekers en statushouders, en daarmee noodzakelijke noodopvangplekken, te laten dalen.
Kunt u aangeven hoeveel plekken begin dit jaar beschikbaar werden gesteld door commerciële partijen en hoeveel dit nu is?
Zie antwoord vraag 7.
Wat kostte de commerciële noodopvang in 2024? Hoe hoog zijn de kosten tot nu toe in het jaar 2025?
In 2024 is er in totaal € 2.375 miljoen uitgegeven aan kosten nood- en crisisnoodopvang opvang. De kosten voor 2025 kunnen bij de jaarrekening worden vastgesteld.
Verwacht u dat de kosten zullen dalen dit jaar? Zo ja, op basis waarvan zijn deze verwachtingen? Zo nee, wat doet u eraan om deze daling van kosten voor commerciële noodopvang alsnog voor elkaar te krijgen?
Het is de verwachting dat de kosten voor noodopvang dit jaar niet zullen dalen. Dit kan verklaard worden door de looptijd van de ontwikkeling van reguliere opvanglocaties en de licht stijgende bezetting bij het COA. Tegelijkertijd sluiten er veel opvanglocaties als gevolg van aflopende kortdurende overeenkomsten. Deze worden vaak vervangen met opnieuw noodopvang of kortdurende locaties. Ik zet er volop op in om de noodopvang zo snel mogelijk af te bouwen.
Heeft het verminderen van de afhankelijkheid van de commerciële noodopvang prioriteit voor u?
Zie antwoord vraag 10.
Is het kabinet van mening dat het zeer onwenselijk is dat er veel geld wordt verdiend aan noodopvang door commerciële partijen terwijl de samenleving hier de rekening voor betaalt?
Ja. Om deze reden probeer ik de kosten voor de asielopvang te reduceren door 1) in te zetten op het omzetten van noodopvang naar reguliere opvanglocaties en 2) maatregelen te nemen om de instroom te beperken en de doorstroom van statushouders uit de COA opvang te bevorderen.
Welke stappen worden er de komende tijd gezet om de invloed van de commerciële noodopvang te beperken?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht 'Amsterdamse politie presenteert uitvinden tegen discriminatie: ‘De paal bepaalt’' |
|
Marieke Wijen-Nas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amsterdamse politie presenteert uitvinding tegen discriminatie: «De paal bepaalt»»?1
Ja
Kunt u aangeven hoe u kijkt naar de manier van werken bij de politie met een dergelijke selectiepaal zoals deze?
Deze selectiepaal kan worden ingezet bij aselectieve controle- en fouilleeracties. Dit zijn bijvoorbeeld (kluis)controles op scholen en preventief fouilleren acties in een veiligheidsrisicogebied. Deze selectiepaal is een hulpmiddel voor professioneel controleren en het tegengaan van etnisch profileren. De basis voor het professioneel controleren blijft de openbare handreiking professioneel controleren van de politie, niet dit hulpmiddel. Het is aan het lokale gezag om de voorwaarden te bepalen van aselectieve controle- en fouilleeracties.
Wanneer iemand verdacht gedrag vertoont (op objectiveerbare gronden) blijft de politie de mogelijkheid houden om deze persoon te controleren of te fouilleren.
Erkent u dat goed getrainde agenten juist door hun vakmanschap en ervaring in staat zijn verdacht gedrag te herkennen dat niet door een willekeurig systeem kan worden vastgesteld?
Ja, ik wil mijn vertrouwen uitspreken in het vakmanschap van de politieagent op straat. Deze paal vervangt dat vakmanschap mijn inziens ook op geen enkele wijze.
Hoe wordt voorkomen dat de paal slechts symboolpolitiek is en in de praktijk leidt tot minder effectieve opsporing van strafbare feiten?
Zoals ook benoemd in de beantwoording van vraag 2 is deze selectiepaal een hulpmiddel bij aselectieve controle- en fouilleeracties. Derhalve raakt het de opsporing niet.
Kunt u garanderen dat het gebruik van de paal niet leidt tot een vermindering van het oplossingspercentage van misdrijven in Amsterdam?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de selectiepaal op dit moment uitsluitend in Amsterdam wordt ingezet?
De selectiepalen zijn landelijk aan te vragen door de Regionale Eenheden. Op dit moment heeft de Eenheid Amsterdam hier gebruik van gemaakt.
Kunt u garanderen dat de paal niet wordt uitgerold als werkmethode door heel Nederland zonder voorafgaande instemming van de Tweede Kamer?
Het is aan de burgemeester in samenspraak met het OM en de politie om de voorwaarden te bepalen van aselectieve controle- en fouilleeracties.
Bent u bereid om de selectiepaal af te schaffen en dit instrument definitief af te wijzen als werkmethode?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat justitiepersoneel bekneld raakt door de doorgeslagen verzuimaanpak van Detentiecentrum Rotterdam |
|
Willem Koops (NSC), Michiel van Nispen (SP), Joost Sneller (D66), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe hoog is momenteel het ziekteverzuim bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)? Is het ziekteverzuim in Detentiecentrum Rotterdam significant hoger dan in andere justitiële inrichtingen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
Hieronder vindt u een overzicht van het gemiddelde ziekteverzuim van respectievelijk DJI, de Divisie Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring en Detentiecentrum Rotterdam (hierna DCR) (peildatum 17 september 2025).
Wat zijn volgens u de oorzaken van het hoge ziekteverzuim bij de DJI? Zouden de hoge werkdruk, de personeelstekorten en de (soms onveilige) omstandigheden hierbij een rol kunnen spelen?
Het ziekteverzuim wordt beïnvloed door verschillende factoren die per inrichting en per persoon kunnen verschillen. Belangrijke factoren die van invloed zijn op het ziekteverzuimpercentage zijn onder meer de leeftijdsopbouw van het personeel (ouder personeel is relatief langer ziek), de zwaarte van de gedetineerde doelgroep en externe omstandigheden zoals een griepgolf of Covid-19. Ook kunnen een hoge werkdruk, personeelstekorten en onveilige omstandigheden invloed hebben op het ziekteverzuim.
DJI registreert of verzuim arbeidsgerelateerd is. Als klachten voor 25% of meer ook veroorzaakt worden door het werk, dan wordt dit als arbeidsgerelateerd beschouwd. Hoewel er wel degelijk sprake is van arbeidsgerelateerd verzuim bij DJI, is het merendeel van het verzuim van de categorie niet-arbeidsgerelateerd verzuim. Van de ziektegevallen bij DJI als geheel had 17% in 2024 een arbeidsgerelateerde factor als (mede)oorzaak. Voor de divisie Gevangeniswezen en Vreemdelingenbewaring was dit 13%.1
DJI spant zich maximaal in om het verzuimpercentage terug te dringen. Zo wordt ingezet op het verhogen van vitaliteit en fysieke en mentale weerbaarheid van medewerkers. Hierbij wordt gebruik gemaakt van diverse programma’s en interventies, zoals de programma’s Grip op Verzuim, Vooruit en Professioneel Fit. Daarnaast is er ook een aantal pilots rondom begeleiding in zorg voor DJI-medewerkers. DJI zet in op het vroegtijdig aanpakken van verzuim en daarmee ook het reduceren van de (gemiddelde) verzuimduur.2
Zijn er volgens u specifieke verklaringen voor het ziekteverzuim in Detentiecentrum Rotterdam? Hoe beoordeelt u bijvoorbeeld de bewering dat er meer incidenten plaatsvinden richting het personeel omdat de dagprogramma’s de laatste jaren zijn afgeschaald, wat tot frustratie leidt die helaas ook op personeel wordt afgereageerd met oplopende werkdruk en onveiligheid als gevolg?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 is het ziekteverzuim in Detentiecentrum Rotterdam inmiddels niet significant hoger dan het gemiddelde ziekteverzuim bij DJI.
Ik acht het van groot belang dat iedere medewerker in een veilige werkomgeving kan werken. Tegelijkertijd betekent het werken met deze moeilijke doelgroep dat er altijd kans bestaat op incidenten. Ik realiseer mij bovendien dat de capaciteitsmaatregelen een negatief effect op de werkdruk en werkbeleving van medewerkers kunnen hebben.
Erkent u dat er investeringen nodig zijn in het gevangeniswezen, om de oplopende druk op het personeel te verminderen, wat ook kan leiden tot lager ziekteverzuim? Zo nee, waarom niet?
Ja, gezien de prognoses zijn investeringen nodig om de benodigde capaciteitsuitbreiding te realiseren. Er is sprake van een groot vraagstuk. Alleen capaciteitsuitbreidingen en tijdelijke maatregelen zijn niet voldoende om uit deze situatie te geraken. Structurele investeringen maken het mogelijk maatregelen te nemen die een effect hebben op de ervaren druk van het personeel binnen de justitiële inrichtingen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat, zoals bij het antwoord op vraag 2 is toegelicht, verzuim en werkdruk meerdere oorzaken kunnen hebben. Daarmee laat het zich niet in een enkelzijdige oplossing vatten.
Door de huidige situatie van personele krapte wordt een extra beroep gedaan op DJI-personeel. Daarom wordt ingezet op aandacht voor gezondheid, veiligheid en welzijn van medewerkers, zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2.
Wat is uw reactie op het artikel in de Volkskrant waaruit blijkt dat het Detentiecentrum Rotterdam een zeer harde aanpak heeft om het ziekteverzuim onder personeel te verlagen maar dit wel mensen in de problemen brengt?1
Ik doe geen uitspraken over individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat het belangrijk is dat medewerkers zich in een veilige en gezonde werkomgeving bevinden en zich gesteund voelen door de werkgever, ook wanneer zij ziek zijn. DJI werkt met het zogeheten «eigen regie model». Het doel van dit verzuimbeleid is om een op maat gemaakte aanpak voor elke medewerker vorm te geven. Duurzame inzetbaarheid van medewerkers is één van de doelstellingen, maar dit mag niet ten koste gaan van het welzijn van medewerkers. DCR heeft de afgelopen jaren een verzuimbeleid gevoerd dat in lijn is met het landelijke beleid.
Wat vindt u van de werkwijze dat er brieven worden gestuurd waarin wordt meegedeeld dat nieuwe ziekmeldingen niet langer zullen worden geaccepteerd en bij nieuwe ziektegevallen loon niet meer wordt uitbetaald? Mag dit?
Zoals gesteld ga ik niet in op individuele casuïstiek. In het algemeen geldt dat werknemers wettelijk gezien bij ziekte recht hebben op loondoorbetaling. Hier zijn uitzonderingen op, bijvoorbeeld wanneer de werknemer zijn herstel belemmert of vertraagt of de re-integratieverplichtingen weigert na te komen. Hieraan gaan altijd een waarschuwing en (meerdere) bemiddelingspogingen vooraf.
Het sturen van brieven waarin wordt meegedeeld dat nieuwe ziekmeldingen niet langer zullen worden geaccepteerd en bij nieuwe ziektegevallen loon niet meer wordt uitbetaald, kan in specifieke gevallen geoorloofd zijn. Dit is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie van de medewerker en de context.
DJI erkent dat dit in een incidenteel geval niet goed is toegepast. Dit betreur ik ten zeerste en ik zie erop toe dat een herhaling van deze situatie niet plaatsvindt. Het gaat hier echter niet om een structurele werkwijze of staand beleid.
Hoe kan het dat er een werkwijze wordt gehanteerd waarin ziek personeel wordt gedwongen om naar hun werk te gaan, zoals ook blijkt uit meerdere casussen in het artikel? Gebeurt dit op meer plaatsen binnen de rijksoverheid?
Het is geen beleid bij DJI om zieke medewerkers te dwingen om toch naar het werk te komen. Zoals onder vraag 5 toegelicht, werkt DJI met het «eigen regiemodel» waarbij wordt gekeken naar welke mogelijkheden een medewerker heeft om aangepast werk te verrichten. Hierin wordt het oordeel en het advies van de bedrijfsarts meegenomen. Deze adviseert over hetgeen de medewerker wel en niet kan, op basis waarvan wordt gekeken naar passende werkzaamheden.
Het behouden van arbeidsconditie is wenselijk om medewerkers betrokken te houden op de werkvloer en het contact met collega’s op peil te houden. Het faciliteren van medewerkers om binnen hun inzetbare vermogen, en waar dit verantwoord mogelijk is, op locatie (andere) werkzaamheden te verrichten kan hier onderdeel van zijn. Ook kunnen re-integratieplekken ingericht worden waar medewerkers, die tijdelijk niet geschikt zijn voor het uitvoeren van de eigen functie, toch aan het werk kunnen blijven door middel van aangepast werk.
Hoe het personeelsbeleid elders binnen de Rijksoverheid vorm krijgt, is iets waar ik niet over ga en daarom niet bekend mee ben.
Wat vindt u ervan dat de toegang tot de bedrijfsarts wordt bemoeilijkt en deze ook second opinions weigert, terwijl werknemers daar formeel recht op hebben, waardoor ook de beroepscode voor bedrijfsartsen lijkt te worden geschonden?
Medewerkers hebben het recht om de bedrijfsarts te zien wanneer zij aangeven dit te willen. Het aanvragen van een second opinion moet altijd in overleg met de eerste bedrijfsarts plaatsvinden. De eerste bedrijfsarts moet het verzoek tot een second opinion accepteren, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om het niet te doen. De bedrijfsarts is BIG-geregistreerd en is een neutrale en onafhankelijke professional. Het al dan niet laten plaatsvinden van een second opinion is onderdeel van het contact tussen werknemer en de (bedrijfs)arts. DJI heeft hier als werkgever geen invloed op.
Bij een verschil in inzicht heeft de medewerker diverse mogelijkheden tot het melden hiervan, zowel bij leidinggevenden als de lokale vertrouwenspersoon of de centrale vertrouwenspersoon integriteit van DJI. De vertrouwenspersonen kunnen de medewerker adviseren over het aanhangig maken van het geschil.
Wat vindt u van de conclusie van de bedrijfsarts die aan het woord komt dat er wordt gehandeld in strijd met de wettelijke regels met betrekking tot goed werkgeverschap?
Goed werkgeverschap betekent dat een werkgever zich zorgvuldig en respectvol gedraagt tegenover werknemers, rekening houdt met hun belangen en een veilige en gezonde werkomgeving biedt. Dit wordt verder ingevuld door de zes beginselen van goed werkgeverschap, zoals het niet misbruiken van de machtspositie, het motiveren van beslissingen, het voldoen aan verwachtingen, het gelijk behandelen van werknemers en het zorgen voor adequate verzekering.4 Dit vloeit voort uit geldende wet- en regelgeving waar DJI ook aan gebonden is.
DJI hanteert in haar verzuimbeleid de uitgangspunten die horen bij goed werkgeverschap. Ondanks de intentie en zorg van DJI om de verzuimbegeleiding zorgvuldig uit te voeren, kan het in een incidenteel geval zijn voorgekomen dat dit in een individuele casus niet (volledig) goed is gegaan. Ik hecht eraan te benadrukken dat ik deze situatie betreur. Binnen DJI wordt het verzuimbeleid regelmatig geëvalueerd en bijgesteld op basis van de bestaande wet- en regelgeving. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 12.
Wat vindt u ervan dat de drie bedrijfsartsen in alle negen dossiers zaken tegenkwamen die in strijd zijn met de wet en het statuut van de beroepsvereniging voor bedrijfsartsen NVAB en mogelijk aanvechtbaar zijn bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg?
De bedrijfsarts handelt onafhankelijk van de werkgever en brengt adviezen uit die in het belang zijn van de gezondheid van werknemers. De bedrijfsarts valt niet onder het gezag van DJI als het gaat om medisch handelen.
Wanneer de bedrijfsarts constateert dat er sprake is van onzorgvuldige arbodienstverlening kan de bedrijfsarts dit melden bij de Nederlandse arbeidsinspectie.
Ziet u ook het risico dat een doorgeschoten verzuimbeleid juist verder bij kan dragen aan het personeelstekort van de DJI omdat op deze wijze personeel zich niet meer veilig voelt hier te werken?
DJI kampt met een structureel personeelstekort en het verzuimpercentage is de afgelopen jaren weliswaar hoog maar wel iets lager dan in de voorgaande jaren. Er wordt bij DJI stevig ingezet op het terugdringen van verzuim en het voorkomen van verzuim door het verhogen van vitaliteit en fysieke en mentale weerbaarheid. Hoewel deze aanpak zijn vruchten blijkt af te werpen begrijp ik de zorgen. De aanpak van verzuim mag nooit doorschieten en moet in balans zijn: medewerkers moeten ondersteund worden en zich gesteund voelen en het ziekteverzuim moet beheersbaar blijven, Daarnaast heeft DJI belang bij fitte en weerbare medewerkers en een hoge personele inzetbaarheid om alle beschikbare celcapaciteit in de lucht te houden.
Bent u van plan om naar aanleiding van deze feiten in gesprek te gaan met het Detentiecentrum Rotterdam over deze werkwijze omtrent ziekteverzuim om deze werkwijze te veranderen? Zo nee, waarom niet?
Het verzuimbeleid van DCR is, zoals hierboven vermeld, in lijn met het landelijke beleid van DJI en voldoet aan de wettelijke eisen. Door het ingezette beleid is het verzuim teruggedrongen. DJI erkent dat in een incidenteel geval het beleid niet goed is toegepast. Het gaat hier echter niet om een structurele werkwijze of staand beleid.
Verzuim is een standaard bespreekpunt tijdens de reguliere gesprekken tussen de vestigingen en hoofdkantoor DJI in het kader van de planning & control-cyclus. Binnen DJI wordt het verzuimbeleid bovendien regelmatig geëvalueerd en bijgesteld. Hierbij wordt actief samengewerkt met diverse professionals die zich bezighouden met de duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Wanneer blijkt dat er extra interventies nodig zijn dan zal onderzocht worden wat passende maatregelen zijn. Tevens blijft verzuim onderwerp van gesprek tussen DJI en mij.
Bent u bereid te onderzoeken of (onderdelen van) de omstreden aanpak van het Detentiecentrum Rotterdam ook op andere plaatsen binnen DJI of de Rijksoverheid worden toegepast en hier eveneens actie op te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit moment geen aanleiding voor het laten doen van een onderzoek. Het verzuimbeleid van DCR is in lijn met het landelijke beleid van DJI en voldoet aan de wettelijke eisen. Zoals bij het antwoord op vraag 12 toegelicht zijn verzuim en verzuimbeleid een vast onderdeel van de reguliere gesprekscycli, enerzijds tussen de vestigingen en het hoofdkantoor DJI en anderzijds tussen DJI en mijzelf.
De beveiliging van de Israëlische delegatie door een voormalig legerofficier met illegale wapens |
|
Hanneke van der Werf (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland spreekt Israël aan op beveiliging Israëlische delegatie door voormalig legerofficier met illegale wapens»?1
Ja.
Klopt het dat buitenlandse delegaties die beveiligers met wapens meenemen verplicht zijn dit vooraf te melden bij de Nederlandse autoriteiten, waaronder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)? Kunt u uiteenzetten hoe deze procedure normaliter verloopt en welke diensten hierbij betrokken zijn?
Ja, buitenlandse delegaties die bewapende beveiliging willen meenemen zijn verplicht vooraf een verzoek bij de Nederlandse autoriteiten in te dienen. Voor het verlenen van toestemming voor bewapende beveiliging bij bezoeken van buitenlandse delegaties geldt in Nederland een strikt afwegingskader. Het betreffende land kan via het Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek indienen. Dat verzoek wordt ter beoordeling voorgelegd aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De uitkomst van deze beoordeling wordt teruggekoppeld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Pas na expliciete toestemming van deze bevoegde instanties mag er gewapende beveiliging mee tijdens het bezoek naar Nederland. Voor delegaties waar geen expliciete toestemming is verleend of waar voor het verzoek niet is gedaan, is het niet toegestaan om bewapende beveiliging te voeren. Voor het bezoek waar u naar refereert is door de bevoegde Nederlandse instanties geen verzoek uit het desbetreffende land ontvangen.
Was bij het bezoek van de Israëlische delegatie in november 2024 tijdig melding gemaakt van de aanwezigheid van bewapende beveiliging? Zo ja, welke instanties zijn toen geïnformeerd en welke actie is daarop ondernomen? Zo nee, hoe is het mogelijk dat een dergelijke omissie heeft kunnen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat een ingehuurde beveiliger, een voormalig Israëlisch legerofficier, bij aankomst op Schiphol werd betrapt met twee pistolen afkomstig uit het illegale circuit en dat bij hem thuis bovendien een AR-15 werd aangetroffen? Wat is uw oordeel over deze constatering?
Ik kan bevestigen dat bij een op 14 november 2024 op luchthaven Schiphol aangehouden persoon, zowel bij fouillering ter plaatse als bij een latere doorzoeking van diens woning, verschillende vuurwapens werden aangetroffen. Wanneer verboden wapenbezit geconstateerd wordt, is het aan het Openbaar Ministerie om iemand hier al dan niet strafrechtelijk voor te vervolgen en aan de rechter om hier zijn of haar oordeel over uit te spreken. Dat is in deze casus ook gebeurd.
Welke achtergrondcontroles en toezichtmechanismen bestaan er voor ingehuurde beveiligers die buitenlandse delegaties in Nederland beschermen? Hoe kon het gebeuren dat iemand met illegale wapens werd ingezet bij de beveiliging van een officiële delegatie?
Beveiligingsorganisaties die in Nederland beveiligingswerkzaamheden willen uitvoeren, dienen op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) te beschikken over een vergunning van de Minister. Wanneer deze beveiligingsorganisaties personen willen inzetten ten behoeve van particuliere beveiliging behoren zij hiervoor op grond van de Wpbr toestemming te verkrijgen van de Korpschef voor de betreffende persoon. De Korpschef toetst hierbij de bekwaamheid en betrouwbaarheid van betrokkene. Nadat toestemming is verleend controleert de Korpschef dagelijks of er aanleiding is om het oordeel over de betrouwbaarheid van betrokkene te herzien. Indien wordt vastgesteld dat de betrouwbaarheid niet langer boven elke twijfel is verheven, kan de verleende toestemming worden ingetrokken. Het dragen van (vuur)wapens is ten alle tijden verboden voor particuliere beveiligers.
Kunt u uitsluiten dat de betreffende beveiliger, ondanks het bezit van illegale wapens, trainingen heeft verzorgd voor Nederlandse politie- of veiligheidsdiensten? Indien dit niet kan worden uitgesloten, bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren?
Het is aan de Nederlandse politie- of veiligheidsdiensten om te bepalen wie zij inhuren. Beide organisaties hebben een eigen beleid ten aanzien van het afnemen van diensten van derden. Uit navraag blijkt dat de politie en de Landmacht in het verleden, dus in de periode vóór de aanhouding, incidenteel diensten hebben afgenomen van het bedrijf waar de aangehouden persoon eigenaar van is. Het ging onder andere om trainingen waarbij zelfverdedigingstechnieken werden aangeleerd. Over trainingen bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden nooit uitspraken gedaan.
Zijn er signalen dat vergelijkbare incidenten (het gebruik van beveiligers met wapens uit het illegale circuit) vaker voorkomen bij buitenlandse delegaties in Nederland? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren en aangeven welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er zijn mij op dit moment geen signalen of aanwijzingen bekend dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan bij inkomende buitenlandse delegaties in Nederland.
Kunt u ingaan op de stelling van deze man in het NRC dat hij aanwijzingen had voor een aanslag? Kunt u aangeven of hij zulke informatie gedeeld heeft met de overheid?
Ik doe in het openbaar nooit uitspraken over individuele gevallen. Wel kan ik u verzekeren dat indien daartoe aanleiding is de benodigde maatregelen worden getroffen waar dat nodig wordt geacht, bijvoorbeeld op basis van actuele dreigingsinformatie.
Kunt u aangeven of de inzet van de Rijksoverheid momenteel voldoet voor de beveiliging van Joodse instellingen en objecten, mede gegeven de toename van het aantal antisemitische incidenten?
De beveiliging van Joodse instellingen in Nederland heeft de aandacht van het kabinet en de lokaal bevoegde gezagen. Waar nodig worden door het lokaal bevoegd gezag veiligheidsmaatregelen getroffen. Deze maatregelen worden zowel zichtbaar als onzichtbaar genomen en op basis van actuele dreigingsinschattingen, waarbij volledige uitsluiting van risico’s niet gegarandeerd kan worden. Het is schrijnend dat deze maatregelen in Nederland nodig zijn, maar we zullen deze inspanningen onverminderd blijven voortzetten zolang de situatie daarom vraagt.
Bent u bereid de Kamer per brief te informeren over de lessen die uit deze zaak worden getrokken, en welke organisatorische en juridische maatregelen u zult nemen om herhaling te voorkomen?
Ik heb er vertrouwen in dat de beantwoording van deze vragen voldoende helderheid geven over de zorgvuldige procedures die in Nederland worden gehanteerd in dit kader.
Het bericht 'Als trans persoon gevlucht voor Trumps beleid, maar is dat genoeg voor asiel? ‘Het is niet veilig voor haar’' |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Mariëlle Paul (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Waarom hanteert u de opvatting dat een asielaanvraag door transgender personen uit de Verenigde Staten (VS) in Nederland momenteel geen stand kan houden vanwege het landenbeleid van Nederland richting de VS?
Nederland volgt de maatregelen in de Verenigde Staten gericht op lhbtiq+ personen. De ontwikkelingen zijn op dit moment geen aanleiding om in algemene zin aan te nemen dat transgender personen uit de Verenigde Staten een gegronde vrees voor vervolging hebben. Dit neemt niet weg dat iedere asielaanvraag altijd op zijn eigen merites wordt beoordeeld.
Van een (algemeen) ambtsbericht over de Verenigde Staten is overigens geen sprake. Als er geen (recent) algemeen ambtsbericht is, vindt de beoordeling van een asielverzoek plaats op basis van andere recente objectieve en verifieerbare bronnen. Medewerkers van de IND zijn opgeleid om zowel in het horen als beslissen actuele landeninformatie te betrekken. Zowel landeninformatie die op deze wijze door de medewerkers wordt verzameld, als informatie die door de vreemdeling of de advocaat wordt overgelegd, wordt betrokken in de beslissing op de asielaanvraag. Iedere beslissing wordt dus genomen op grond van recente landeninformatie.
Bent u ook van mening dat de veiligheid van lhbti+-personen, waaronder transgender personen, is verslechterd sinds het laatste ambtsbericht over de VS (daterend van september 2024) en het aantreden van president Trump begin dit jaar? Kunt u daarvoor een onderbouwing geven?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het voornemen van de regering-Trump om zo’n 950 wetten en regelingen uit te voeren die ingaan tegen de rechten van transgender personen? Zo ja, bent u van mening dat deze ontwikkelingen de positie van transgender personen binnen afzienbare tijd zullen doen verslechteren? Kunt u hierop een toelichting geven?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kwalificeert u het feit dat Transgender Netwerk Nederland sinds maart dit jaar transgender personen adviseert om niet meer naar de Verenigde Staten te reizen, vanwege de grote zorgen om de veiligheid van transgender personen naar aanleiding van het gewijzigd reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor lhbtiq+-personen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is tot op heden niet bekend met gevallen van Nederlandse lhbtiq+ personen die in de problemen zijn gekomen bij het reizen naar of in de VS in 2025. Mocht daar op enig moment verandering in komen, dan zal het ministerie daar gepast op reageren.
In het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Verenigde Staten (VS) staat onder andere informatie en advies voor lhbtiq+ personen over reizen naar de VS. Op 25 maart jl. heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken het reisadvies aangepast om Nederlanders onder andere te informeren over het feit dat wetten en gebruiken in de VS tegenover lhbtiq+ personen kunnen afwijken van die in Nederland. Het reisadvies raadt aan rekening te houden met deze afwijkende wetten en gebruiken.
Hoe kwalificeert u het beleid dat in werking is getreden in de VS waarbij transgender personen voortaan aangeduid worden bij hun geboortegeslacht? Deelt u de mening dat dergelijk beleid een frontale aanval is op het bestaansrecht en de veiligheid van transgender personen? Zo ja, wat doet u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Het besluit van de Amerikaanse overheid om transgender personen alleen aan te duiden bij het geboortegeslacht is spijtig en een stap achteruit. Hetzelfde geldt voor het besluit dat op alle aanvragen het geboortegeslacht moet worden vermeld, ongeacht actuele geslachtsaanduidingen in officiële documenten.
Nederland staat voor gelijke rechten van lhbtiq+ personen en draagt dit ook in internationaal verband consequent uit. Er is regelmatig contact met de Amerikaanse autoriteiten en zij zijn op de hoogte van de Nederlandse positie.
Hoe oordeelt u over het feit dat transgender personen een paspoort kan worden geweigerd in de VS waardoor zij niet kunnen uitreizen als zij dat zouden willen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat het ambtsbericht op de kortst mogelijke termijn moet worden herzien? Zo nee, waarom niet?
Ambtsberichten worden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken opgesteld op basis van een informatiebehoefte van het Ministerie van Asiel en Migratie. Voor de meeste landen op de wereld geldt dat er geen (recent) algemeen ambtsbericht is. Op dit moment is er zoals reeds vermeld in mijn antwoord op vragen 2 en 3 geen algemeen ambtsbericht over de Verenigde Staten en zie ik geen aanleiding om deze aan te vragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Als er geen (recent) algemeen ambtsbericht is, vindt de beoordeling van een asielverzoek zoals toegelicht in antwoord op vragen 2 en 3 plaats op basis van andere recente objectieve en verifieerbare landeninformatie. Dit is het geval voor het overgrote merendeel van de herkomstlanden.
Zo nee, wanneer bestaat er volgens u wel genoeg aanleiding om het ambtsbericht vervroegd te herzien? Kunt u dit toelichten in het licht van het voornemen van de Trump-regering om de rechten van transgender personen verder in te perken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om transgender personen uit de VS aan te merken als risicogroep? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkelingen in de Verenigde Staten geven op dit moment geen aanleiding aan te nemen dat transgender personen uit de Verenigde Staten in algemene zin risico op vervolging lopen. Hierbij is het van belang nogmaals te benadrukken dat iedereen die bescherming behoeft, die ook verkrijgt. Een aanmerking als risicoprofiel is in dit geval niet aan de orde omdat er geen sprake is van landgebonden asielbeleid voor de Verenigde Staten maar een aanwijzing als een veilig land van herkomst.
Bent u bereid om de discretionaire bevoegdheid te gebruiken om transgender personen uit de Verenigde Staten asiel te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 27 augustus jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoewel ik als Minister van Asiel en Migratie eindverantwoordelijkheid draag, blijf ik besluiten over verblijfsvergunningen op grond van schrijnende omstandigheden aan de directeur-generaal IND mandateren. Teneinde de in 2019 beoogde vereenvoudigde en efficiënte procedure van de IND te behouden, ben ik voornemens het beleidskader aan te passen in lijn met het Vreemdelingenbesluit. Verder bezie ik of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik de vragen los van elkaar beantwoord.
De jaarlijkse medische kostenpost na terugkeer. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel geeft de Dienst Terugkeer en Vertrek uit aan medische behandeling uitgesplitst voor en na terugkeer?
Wanneer een persoon in Nederland een medische behandeling nodig heeft dan worden de kosten hiervoor in de regel betaald via een zorgverzekering. Voor de bekostiging van de medische zorg voor asielzoekers en Oekraïners heeft de overheid speciale regelingen getroffen. Dat geldt ook voor de medische zorg aan onverzekerbare vreemdelingen. De kosten voor medische zorg die in Nederland wordt gegeven wordt dus niet via de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) vergoed.
Het komt voor dat personen die Nederland moeten verlaten na aankomst in het land van herkomst nog medische zorg nodig hebben. In bepaalde gevallen wordt een deel van deze kosten vergoed door de DTenV. In de systemen van de DTenV worden de kosten voor medische zorg niet apart bijgehouden. Het is dus niet mogelijk een bedrag te noemen.
Hoeveel bedraagt de jaarlijkse medische kostenpost op basis van artikel 64 van de Vreemdelingenwet?
Artikel 64 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat iemand uitstel van vertrek kan krijgen op grond van medische omstandigheden. Het artikel zorgt zelf niet voor een medische kostenpost. In bepaalde gevallen ontstaat voor de betrokkene als gevolg van het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw recht op opvang. In dat geval worden de zorgkosten betaalt via de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA). Onder de RMA zijn de afgelopen jaren voor personen die op grond van artikel 64 Vw bij het COA verbleven de volgende bedragen gedeclareerd:
In de andere gevallen zullen de zorgkosten veelal worden bekostigd uit de regeling onverzekerbare vreemdelingen (OVV). Onder de OVV wordt niet bijgehouden of de zorgkosten te relateren zijn aan een persoon met verblijf op grond van artikel 64 Vw.