Het Filmfonds, de stimulering van de productie van televisieseries in Nederland en oneerlijke concurrentie uit het buitenland |
|
Jacques Monasch (PvdA), Vera Bergkamp (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Amsterdam wil opnames Homeland binnenhalen»?1
Ja, ik heb de berichtgeving hierover gelezen.
Deelt u de visie dat televisieseries, zowel in lineaire programmering als via video on demand, een steeds groter aandeel nemen in het kijkgedrag van mensen en daarnaast aan kwaliteit en betekenis winnen?
Ja. De sterke ontwikkeling van internationale televisieseries, waarbij de production value van bioscoopfilms wordt gecombineerd met de verhaalstructuur van series, en de aantrekkingskracht die dit heeft op een groot publiek, is evident.
Is het waar dat televisieseries geen gebruik kunnen maken van de Netherlands Film Production Incentive? Zo nee, kunnen de opnames van bijvoorbeeld Homeland met deze regeling ondersteund worden? Zo ja, zou u het wenselijk vinden om de regeling te verruimen, zodat series er wel onder kunnen vallen?
Het klopt dat televisieseries momenteel geen gebruik kunnen maken van de Netherlands Film Production Incentive. De production incentive is van kracht geworden om het ongelijke speelveld voor de Nederlandse filmindustrie ten opzichte van het buitenland op te lossen. Zoals bekend had dit onder meer tot gevolg dat grote delen van het kapitaal van Nederlandse films in het buitenland werden besteed, terwijl tegelijkertijd Nederlandse producenten onvoldoende aantrekkelijke coproductiepartners waren om internationale producties naar Nederland te trekken. Dit leidde tot een uitstroom van productiekapitaal naar het buitenland met een daling van de productieactiviteit in Nederland als gevolg. De eerste resultaten van de production incentive zijn zeer positief en de regeling lijkt er goed op toegesneden een gelijk speelveld te bereiken.
Dit specifieke probleem speelde niet in de televisiesector in Nederland. Wel vinden de Staatssecretaris en ik het belangrijk dat er specifiek op Nederland gerichte series gemaakt worden. In de voorbereiding voor de maatregel en de onderzoeken die hieraan vooraf gingen is vanzelfsprekend ook gekeken naar de mogelijkheid om de regeling open te stellen voor internationaal gecoproduceerde high end televisieseries. Niet vanuit de optiek dat er een probleem opgelost moest worden, wel vanuit de visie om internationale coproducties te stimuleren. Destijds bleek hiervoor een budget van tenminste 30 miljoen euro nodig te zijn. Het beschikbare budget van 20 miljoen euro bood niet de ruimte op dat moment hiertoe te besluiten. De huidige resultaten wijzen erop dat het beschikbare budget meer dan volledig voor filmproducties wordt aangewend. Bij het huidige budget zal verbreding naar televisieseries daarom tot verdringing leiden. Dit vind ik onwenselijk. Het gelijke speelveld voor de filmsector komt dan immers opnieuw onder druk te staan. Extra budget voor de regeling is niet voorhanden.
Begrijpt u de teleurstelling van de filmcommissioner van de gemeente Amsterdam dat het hierdoor lastiger is om series geproduceerd te laten worden in Nederland? Is het bericht waar dat het opnemen van bijvoorbeeld deze serie in Duitsland onder meer het gevolg is van stimuleringsregelingen in Duitsland?
In andere landen zijn lokale film commissions gekoppeld aan lokale fondsen. Op deze manier kunnen film commissioners zelf stimuleren dat er producties naar hun stad en regio komen. Ik snap de teleurstelling van de commissioner maar ik ga ervan uit dat de commissioner op de hoogte is van de doelstelling en werking van de Netherlands Film Production Incentive. In het internationale filmbeleid geef ik hoge prioriteit aan coproductie vanuit de visie dat coproductie leidt tot duurzame structuurversterking in de sector. Dit komt ook tot uitdrukking in de Netherlands Film Production Incentive. Uitsluitend middelen beschikbaar stellen zodat internationale producties in Nederland delen van hun producties komen uitvoeren, zonder wederkerigheid te waarborgen voor Nederlandse producties, past daar niet in.
De exacte reden waarom in dit geval voor Duitsland is gekozen, is mij onbekend. Wel is bekend dat producenten hun keuze voor een coproductieland mede maken op basis van de beschikbare financieringsmogelijkheden in dat land. In bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk is de stimuleringsmaatregel inmiddels ook toegankelijk gemaakt voor televisieseries. Dit trekt inderdaad naast films waarop deze regeling in de eerste plaats was gericht nu ook series aan. Of de resultaten in alle gevallen leiden tot verhoging van de productieactiviteit hangt voor een belangrijk deel af of er geen verdringing optreedt. Verdringing kan plaatsvinden doordat de omvang van de sector in het betreffende land beperkt is en het werk voor series in plaats komt van werk voor film, dan wel wanneer het beschikbare budget is bepaald door een plafond.
Staan buitenlandse stimuleringsregelingen voor de audiovisuele sector wel open voor steun aan televisieseries? Zo ja, bent u dan van mening dat er een ongelijk speelveld bestaat voor de productie van series in Nederland? Wilt u uw beleid aanpassen indien er sprake is van oneerlijke concurrentie?
In onder meer het Verenigd Koninkrijk en in België staan de stimuleringsregelingen ook open voor televisieseries. Bezien vanuit de problematiek die in de filmsector speelde is mij niet bekend dat er een ongelijk speelveld voor de productie van televisieseries bestaat. Zoals ik heb gezegd is het huidige budget van de regeling onvoldoende voor verbreding van de regeling. Dit zou tot verdringing leiden en daarmee het gelijke speelveld voor de filmsector opnieuw onder ongewenste druk plaatsen.
Welke voor- en nadelen bestaan er voor de openstelling van de Film Production Incentive voor televisieseries? Wilt u in overleg treden met het Filmfonds over mogelijke wijzigingen aan de regeling en de Kamer daarover inlichten?
De Raad voor Cultuur geeft binnenkort een advies over het cultuurbeleid, waarin ook aandacht zal zijn voor de audiovisuele sector. Na lezing van dit advies zal ik, met de Staatssecretaris, in overleg treden met het Filmfonds, de NPO en andere betrokken om in het verlengde van de bij u bekende onderzoeken de voor- en nadelen in kaart te brengen.
De aanbesteding van boekscanners en de digitalisering van rijksarchieven door het Nationaal Archief |
|
Arno Rutte (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de door het Nationaal Archief gestarte aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van 16 grootformaat boekscanners?1
Ja, dat is mij bekend.
Kunt u toelichten waarom het Nationaal Archief in deze procedure de aanbestedende dienst is, terwijl beoogd wordt om de boekscanners in bruikleen te geven aan de Belastingdienst?
Het Nationaal Archief heeft van mij de opdracht gekregen om de rijksarchieven te digitaliseren, zodat de collectie voor een breed publiek digitaal beschikbaar komt. Gezien de omvang van de collectie zal in de komende 15 jaar ongeveer 10% gedigitaliseerd worden. Om deze opdracht uit te kunnen voeren is het Nationaal Archief een aanbesteding gestart voor scanapparatuur om het archiefmateriaal met voldoende kwaliteit te scannen. Voor het scanproces is binnen de rijksoverheid samenwerking met de Belastingdienst gevonden. Er is geen sprake van het in bruikleen geven aan de Belastingdienst. De boekscanners worden bij de Belastingdienst geplaatst voor het scannen van de rijksarchiefcollectie en zijn na de inkoop eigendom van de Staat.
Is het waar dat het digitaliseren van rijksarchieven en archieven van lagere overheden binnen werkpakket 3 van het programma Digitale Taken Rijksarchieven bij de Belastingdienst wordt belegd? Is het waar dat de afdeling Centrale invoer in Heerlen, onderdeel van het facilitair bedrijf van de Belastingdienst (B/CFD), is aangewezen als de centrale verwerkingsplek voor het ontvangen, sorteren, uitpakken, ontvouwen en digitaliseren van rijksarchieven en archieven van lagere overheden uit heel Nederland? Kan deze dienst ook als serviceverlener optreden naar andere overheidsinstanties? Zo ja, welke? Zijn hier reeds afspraken over gemaakt?
Nee, dit is niet juist. Binnen het project wordt uitsluitend rijkscollectie gedigitaliseerd.
B/CFD van de Belastingdienst in Heerlen digitaliseert de rijksarchieven op verzoek van het Nationaal Archief. De scanstraat (Centrale Invoer) van de Belastingdienst is onderdeel van B/CFD, één van de vier aangewezen concerndienstverleners voor het Rijk. De dienstverlening van B/CFD staat beschreven in een rijksbrede producten- en dienstencatalogus (PDC). Digitalisering van documenten en archieven vormt een van de producten die vanuit dit programma worden aangeboden. Centrale invoer in Heerlen ondersteunt sinds 2007 digitaliseringsprojecten binnen de rijksoverheid.
Waarom is ervoor gekozen om het digitaliseren van rijksarchieven in eigen overheidsbeheer te nemen, in plaats van de huidige werkwijze met aanbestedingen van relevante opdrachten onder met elkaar concurrerende marktpartijen te handhaven? Wie heeft dit besluit genomen en via welke wegen is de Kamer hierover geïnformeerd?
Digitalisering van alle rijksarchieven van zowel het Nationaal Archief als de 11 RHC’s in de provinciehoofdsteden van welk formaat dan ook bij één organisatie heeft onmiskenbare praktische, kwalitatieve en financiële voordelen. Daarnaast is het kabinetsbeleid om reeds bestaande faciliteiten optimaal te gebruiken, wat leidt tot het terugdringen van inhuur en uitbesteding en het vast aanstellen van personeel in lage loonschalen, zoals dit is afgesproken in het Regeerakkoord. Uw Kamer is eerder over de samenwerking met de Belastingdienst geïnformeerd naar aanleiding van vragen over werkervaringsplaatsen in het AO Archiefbeheer dd. 29-01-2014.2
Vindt u het digitaliseren van archieven een taak van de Belastingdienst? Voor welke specifieke digitaliseringstaken heeft de Belastingdienst dit grootformaat boekscanners nodig? Hoe verhoudt deze taak zich tot de kerntaken en prioriteiten van de Belastingdienst?
Het grootschalig digitaliseren van documenten en stukken binnen het Rijk beperkt zich tot drie grote scanstraten bij respectievelijk de Ministeries van Veiligheid & Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Belastingdienst. Door concentratie van het aantal locaties worden de expertise en middelen van de rijksoverheid optimaal benut, waarbij invulling wordt gegeven aan een dienstverlenende, slagvaardige en kostenbewuste rijksoverheid zoals omschreven in de Hervormingsagenda Rijksdienst.3
Realiseert u zich dat het voortbestaan van acht midden- en kleinbedrijven in gevaar komt, door de betreffende aanbesteding van 16 grootformaat boekscanners en het in eigen beheer nemen van digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid? Vindt u dit wenselijk? Hoe kijkt u aan tegen het dreigende verlies van arbeidsplaatsen bij deze bedrijven?
De aanbesteding van de scanapparatuur is volgens een openbare aanbestedingsprocedure verlopen. De markt heeft hierop gereageerd en er is een partij uit deze aanbesteding naar voren gekomen, waarmee een leveringscontract zal worden gesloten.
Het digitaliseren in het kader van het DTR-programma betreft een nieuwe digitaliseringsopgave om de rijksarchieven voor de toekomst beter te kunnen bewaren, beheren en presenteren aan het publiek. Deze digitaliseringswerkzaamheden komen naast de opdrachten waarvoor het Nationaal Archief raamovereenkomsten heeft gesloten met marktpartijen middels een Europese aanbesteding in 2012. Ook in de toekomst zal er naar verwachting voor bedrijven een markt zijn voor digitalisering. Zie voorts de antwoorden onder 3, 4 en 5.
Bent u van mening dat de overheid de digitalisering van de archieven efficiënter, op een kwalitatief hoger niveau en tegen een lagere prijs kan uitvoeren dan marktpartijen, die met elkaar concurreren om de economisch meest voordelige inschrijving via openbare aanbestedingen? Zo ja, kunt u toelichten wat hiervoor de onderbouwing is?
Zie de antwoorden onder vraag 3, 4 en 5.
Kunt u, in het kader van (kosten-)efficiëntie, toelichten waarom ervoor is gekozen om de feitelijke digitalisering van nationale archieven, archieven van de elf Regionale Historische Centra in de provinciehoofdsteden, archieven van lagere overheden, archieven van maatschappelijke organisaties en archieven van individuele personen die van nationaal belang zijn, te laten plaatsvinden in Heerlen?
Zie de antwoorden onder vraag 3, 4 en 5.
Is het noodzakelijk dat de rijksarchiefcollectie met behulp van nieuwe boekscanners sneller wordt gedigitaliseerd dan nu onder de huidige werkwijze mogelijk is, waarin midden- en kleinbedrijven via openbare aanbestedingen met elkaar concurreren om de betreffende opdrachten? Welke fysieke documenten dienen versneld te worden gedigitaliseerd dan nu onder de huidige werkwijze mogelijk is, en waarom? Op welke gronden bent u van mening dat digitalisering op deze wijze sneller zal zijn?
Snelheid heeft niet meegespeeld in de besluitvorming om te kiezen voor een samenwerking met de Belastingdienst.
Hoe verhoudt de aanbesteding van de 16 boekscanners en het beleggen van digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid zich tot de doelen die het kabinet heeft vastgelegd in de Aanbestedingswet, namelijk een betere besteding van belastinggeld en toename van concurrentie, doordat meer ondernemers kunnen meedingen naar een overheidsopdracht?2
Wanneer werkzaamheden binnen een en dezelfde rechtspersoon plaatsvinden, is er sprake van zuiver inbesteden en blijven de regels van de Aanbestedingswet 2012 buiten toepassing. Omdat alle ministeries onder de rechtspersoon de Staat vallen en er geen dienstverlener wordt gecontracteerd voor het uitvoeren van werkzaamheden, is er geen sprake van een overheidsopdracht voor diensten.
Zie voorts de antwoorden onder vraag 4 en 5.
Hoe verhoudt de aanbesteding van de 16 boekscanners en het beleggen van digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid zich tot Wet Markt en Overheid?
De Wet Markt & Overheid laat overheden vrij om te beslissen of activiteiten ten behoeve van de eigen overheidsorganisatie worden uitbesteed aan derden dan wel in eigen beheer worden uitgevoerd. Van concurrentie met derden is geen sprake als de rijksoverheid zelf voorziet in bepaalde goederen of diensten die zij nodig heeft en het aanbieden van die goederen en diensten uitsluitend binnen de rechtspersoon de Staat geschiedt. Elk organisatieonderdeel van de rijksdienst is hierbij flexibel inzetbaar en beschikbaar om werkzaamheden te verrichten voor andere onderdelen binnen de rijksdienst.5 Zie voorts de antwoorden onder vraag 4, 5 en 10.
Is het waar dat het Nationaal Archief de partij is geweest die het besluit heeft genomen om het digitaliseren van de archieven binnen werkpakket 3 van het programma Digitale Taken Rijksarchieven bij de Belastingdienst te beleggen? Is het waar dat het Nationaal Archief aan de Belastingdienst de opdracht heeft gegeven om in 2015 voor 1.278 meter archief te digitaliseren?3 Zo ja, hoe is het, gezien de kerntaken van de Belastingdienst, mogelijk dat het Nationaal Archief over deze zaken kan beslissen?
De samenwerking tussen Nationaal Archief en de Belastingdienst is geen eenzijdig besluit van het Nationaal Archief, maar in overleg met het Ministerie van OCW en het Ministerie van Financiën tot stand gekomen. Zie voorts de antwoorden onder vraag 2 en 3.
Wat zijn de exacte personele gevolgen van het beleggen van het digitaliseren van archieven bij de overheid, voor zowel de Belastingdienst als ook het Nationaal Archief? Is het waar dat bij de Centrale invoer, onderdeel van het facilitair bedrijf van de Belastingdienst (B/CFD), het aantal medewerkers kan toenemen van 200 tot ruim 500 medewerkers?4
De hoeveelheid werkzaamheden bij Centrale Invoer als geheel kan sterk variëren, een direct gevolg van het inzendgedrag van belastingplichtigen (met pieken in de weken vóór 1 april) en prioriteiten binnen de Belastingdienst. In piekperiodes kan Centrale Invoer opschalen en werktijden uitbreiden, waarbij het aantal medewerkers sterk kan toenemen tot tussen de 200 en 500 (flexibele schil). Deze toename staat echter geheel los van het digitaliseren voor het Nationaal Archief, wat een uitbreiding met ongeveer 30 medewerkers betekent.
Is het waar dat, specifiek om ervoor te zorgen dat het Nationaal Archief en de Regionale Historische Centra de naderende stroom digitale rijksarchieven op kunnen vangen en er voor te zorgen dat een belangrijk deel van het huidige (papieren) rijksarchief digitaal ontsloten kan worden, u in 2013 heeft besloten om geld vrij te maken voor de jaren tot 2016? Is het waar dat u heeft aangegeven over de eventuele financiering voor digitalisering na 2015 in een later stadium te zullen besluiten?5 Zo ja, waarom besluit u eerst tot een miljoeneninvestering, terwijl u tegelijkertijd onzeker bent over financiering voor digitalisering na 2015?
In 2013 is het besluit genomen om voor de jaren 2013 tot en met 2015 € 28 miljoen te besteden aan de digitale taken rijksarchieven bij het Nationaal Archief. In 2014 is er opnieuw € 20 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2016. Het grootste deel van deze middelen is bestemd voor de versterking van de digitale infrastructuur van het Nationaal Archief. Een ander, kleiner deel geldt de digitalisering van de papieren rijkscollectie. Vanwege het structurele karakter van de digitale taken rijksarchieven staat in de Rijksbegroting 2015 dat continuering van deze taken na 2016 het uitgangspunt is. Zie voorts het antwoord onder vraag 2.
Hoeveel belastinggeld is er in totaal gemoeid met de aanbesteding van de 16 boekscanners en het beleggen van de digitaliseringswerkzaamheden bij de overheid?
De ingediende offertes van leveranciers van scanapparatuur bevatten marktgevoelige, vertrouwelijke informatie die in dit verband niet publiek gemaakt kan worden. Voor de digitaliseringswerkzaamheden is voor de periode van eind 2013 t/m 2015 binnen het programma DTR € 7 miljoen gereserveerd. Dit bedrag behelst projectkosten, materiële voorbereiding, digitalisering en het digitaal toegankelijk maken van het materiaal.
Deelt u de mening dat het midden- en kleinbedrijf de banenmotor van onze economie is en dat het handhaven van de huidige werkwijze van aanbesteden van digitaliseringswerk veel bedrijven en banen kan redden? Bent u bereid om de betreffende aanbesteding in te trekken en de betrokken ondernemers en werknemers de kans te blijven geven om via openbare aanbestedingen digitaliseringswerk binnen te halen, in lijn met de kabinetsdoelen om belastinggeld goed te besteden, concurrentie te bevorderen en meer ondernemers de kans te geven om mee te dingen naar overheidsopdrachten?
Het belang van het midden- en kleinbedrijf voor onze economie staat geenszins ter discussie. Het kabinetsbeleid is gericht op een goede balans tussen enerzijds het belang van een kleinere, slagvaardige en efficiënte overheid alsmede het belang van goed en sociaal werkgeverschap en anderzijds de belangen van de markt. Daarbij vindt een zorgvuldige afweging plaats en is sprake van maatwerk.9 Zie voorts de antwoorden onder vraag 4 en 6.
Het bericht “Opeens wit: ophef over verfbeurt consulaat Angola” over het verven van het Rijksmonument in Rotterdam, waarin het consulaat van Angola is gevestigd |
|
Arno Rutte (VVD), Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Opeens wit: ophef over verfbeurt consulaat Angola» over het verven van het Rijksmonument in Rotterdam, waarin het consulaat van Angola is gevestigd.1
De gemeente Rotterdam heeft mij bericht dat voor de werkzaamheden aan de gevel van het rijksmonument aan de Mathenesserlaan geen vergunning is verleend.
Is voor de werkzaamheden aan de gevel van het Rijksmonument aan de Mathenesserlaan in Rotterdam inderdaad geen vergunning verleend, zoals gesteld in het artikel?
Zie antwoord vraag 1.
Is het consulaat van Angola eigenaar of huurder van dit pand?
Uit gegevens die zijn neergelegd bij het Kadaster blijkt dat de Republiek Angola erfpachter is. Een erfpachter verwerft het economische eigendom en zijn positie is nagenoeg gelijk aan die van een eigenaar.
Indien het consulaat eigenaar is, hoe beoordeelt u het standpunt dat het pand daarmee grondgebied van Angola zou zijn geworden, zoals kennelijk is verklaard tegenover inspecteurs van Bouw- en Woningtoezicht?
Ongeacht of de Republiek van Angola huurder, eigenaar of erfpachter van een pand is, wordt een gebouw waarin een ambassade of consulaat is gevestigd, geen grondgebied van een zendstaat. Het gebouw blijft grondgebied van het gastland.
In hoeverre worden diplomatieke diensten, die monumentale panden verwerven, gewezen op de regels en procedures omtrent dit soort panden?
Diplomatieke diensten worden op dezelfde wijze geïnformeerd als overige eigenaren van rijksmonumenten. Zie ook het antwoord op vraag 6.
In hoeverre worden nieuwe eigenaren van monumentale panden in het algemeen bij aankoop gewezen op de bijzondere status van die panden en de rechten en plichten, die daaruit volgen?
Bij de aanwijzing van een pand als rijksmonument worden belanghebbenden gedurende de procedure geïnformeerd. Bij overdracht van een onroerende zaak die reeds is aangewezen, wordt de status van rijksmonument opgenomen in de akte van levering, een gegeven dat ook in het Kadaster is opgenomen. Zowel gemeenten als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben daarnaast informatie beschikbaar voor (nieuwe) eigenaren van rijksmonumenten, in de vorm van brochures en websites. In het bijzonder verwijs ik naar informatie op de website www.cultureelerfgoed.nl en www.monumenten.nl kan raadplegen.
In hoeverre zijn er mogelijkheden om de ontstane schade op de opdrachtgever te verhalen? Zullen daartoe stappen worden ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de gemeente Rotterdam als bevoegd gezag om af te wegen of stappen moeten worden ondernomen. Gezien de onschendbaarheid van het consulaat zullen deze stappen via diplomatieke weg genomen moeten worden. Uit inlichtingen bij de gemeente Rotterdam is mij gebleken dat er momenteel gesprekken plaatsvinden over het herstel van het monument, waartoe het consulaat ook bereid is.
Bent u bekend met in het artikel genoemde plannen om ook aan de binnenkant verbouwingen te verrichten? Zo ja, ziet u erop toe dat de juiste procedures en regels voor een dergelijke verbouwing worden gevolgd en nageleefd?
De exacte plannen voor verbouwingen aan het interieur zijn mij niet bekend. Het toezicht op de naleving van de procedures voor wijzigingen aan rijksmonumenten ligt in beginsel niet bij de rijksoverheid maar bij gemeenten. Van de gemeente Rotterdam heb ik begrepen dat er met het consulaat overleg wordt gevoerd over de uitvoering van deze plannen. Ik ga er vanuit dat het consulaat vanaf nu de regels zal respecteren.
Welke maatregelen overweegt u om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen?
De bestaande procedures en regels voor de wijzigingen aan rijksmonumenten functioneren over het algemeen goed. Mocht zich een incident voordoen, dan kan via gesprekken en via diplomatieke weg invloed worden uitgeoefend om de gewenste resultaten te bereiken.
Het bericht dat een Rijksmonument in Rotterdam mogelijk onherstelbaar is beschadigd |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Angola beschadigt Rotterdams Rijksmonument»?1
Ja.
Klopt het dat het argument «dat er geen vergunning aangevraagd hoefde te worden omdat het op Angolees grondgebied is», zoals gebruikt door de aannemer, ongeldig is en dat de gemeente dus handhavend kan optreden?
Een gebouw waarin een ambassade of consulaat is gevestigd, wordt geen grondgebied van een zendstaat. Het gebouw blijft grondgebied van het gastland. De Nederlandse wet is dan ook van toepassing op het gebouw. Op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen genieten ambassades en consulaten onschendbaarheid. Er kan dus door de Nederlandse autoriteiten niet handhavend worden opgetreden ten aanzien van het consulaat-generaal, noch kan het consulaat betreden worden zonder toestemming van de consul.
Is bij u bekend hoeveel ambassades of consulaten er in Nederland in een Rijksmonument zijn gevestigd? Hoeveel van deze Rijksmonumenten worden verhuurd en hoeveel zijn er gekocht?
Dat is mij niet bekend. Met betrekking tot rijksmonumenten worden in het monumentenregister geen gegevens bijgehouden ten aanzien van eigenaren en huurders.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de directeur van Stadsherstel Historisch Rotterdam dat Rijksmonumenten niet meer verkocht zouden moeten worden aan ambassades of consulaten, maar verhuurd?
De zorg voor een rijksmonument is primair aan de eigenaar. Voor wat betreft de diplomatieke onschendbaarheid is het niet van belang of een ambassade of consulaat eigenaar is van een monument of huurder. De bestuursrechtelijke mogelijkheden tot handhaving zullen niet verschillen.
Hoe wordt gezorgd dat de regelgeving over het beheer en behoud van een Rijksmonument duidelijk is voor een nieuwe eigenaar?
Bij de aanwijzing van een pand als rijksmonument worden belanghebbenden gedurende de procedure geïnformeerd. Bij overdracht van een onroerende zaak die reeds is aangewezen, wordt de status van rijksmonument opgenomen in de akte van levering, een gegeven dat ook in het Kadaster is opgenomen. Zowel gemeenten als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben daarnaast informatie beschikbaar voor (nieuwe) eigenaren van rijksmonumenten, in de vorm van brochures en websites. In het bijzonder verwijs ik naar de informatie op de websites www.cultureelerfgoed.nl en www.monumenten.nl.
Het ondersteunen van Jiddisj |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het Financieel Jaarverslag 2012 van de Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider te Amsterdam?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het Cheider geen financiële ondersteuning krijgt van het rijk, de provincie of de gemeente Amsterdam voor het geven van Jiddisj in het onderwijs?
Ik kan bevestigen dat Cheider vanuit het Rijk geen specifieke financiële ondersteuning krijgt voor het geven van Jiddisch in het onderwijs. In de bekostigde «vrije ruimte» kan elke school zelf bepalen welk onderwijs wordt aangeboden. Cheider is overigens wel aangemerkt als zogenaamde uitzonderingsschool en ontvangt daarom structureel aanvullende bekostiging. In het antwoord op de vragen 5 en 6 licht ik dit nader toe.
Op de uitgaven van de provincie en de gemeente heb ik geen zicht, maar bij mijn weten ontvangt Cheider ook van hen geen financiële ondersteuning voor het geven van Jiddisch. Uit het financieel jaarverslag 2012 komt geen ander beeld naar voren.
Kunt u bevestigen dat een Commissie van Deskundigen inzake de toepassing van het Europees Handvest voor streektalen of talen van minderheden zowel in juli 2008 als in september 2012 Nederland heeft aangespoord de mogelijkheden van uitbreiding van onderwijs in het Jiddisj te onderzoeken en het grote belang van Jiddisj heeft benadrukt?
Ja.
Kunt u tevens bevestigen dat zowel de gemeente als de provincie aangeven geen financiële steun te willen verlenen omdat zij het niet als hun taak zien om minderheidstalen te bevorderen?
Ik treed niet in de beweegredenen van de gemeente en de provincie. Wel merk ik op dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen voor minderheden geen financiële verplichtingen oplegt aan de gemeente en de provincie, noch aan de rijksoverheid.
In hoeverre verhoudt het niet verlenen van steun aan het Jiddisj zich tot de aangegane verplichtingen en verantwoordelijkheden op basis van het Europees Handvest?
Het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden legt geen financiële verplichtingen op aan lidstaten. Lidstaten die het handvest hebben geratificeerd, committeren zich aan de doelstellingen van het handvest; het ondersteunen van minderheidstalen, zoals in Nederland het Jiddisch. De Nederlandse overheid biedt Cheider de mogelijkheid om het Jiddisch aan de leerlingen aan te bieden in de vrije ruimte van het onderwijsprogramma. De uren die worden gespendeerd aan Jiddisch tellen mee als onderwijstijd en Cheider heeft de ruimte om het Jiddisch ook af te sluiten met een schoolexamen. Het cijfer voor Jiddisch komt op de cijferlijst. Er bestaan dus geen belemmeringen om het Jiddisch aan te bieden en de taal te bevorderen.
Cheider is bovendien erkend als uitzonderingsschool in de zin van de Beleidsregel uitzonderingsscholen vo 2013 (Stcrt. 2012, 22626). Deze beleidsregel bestaat voor scholen die een leerlingaantal hebben dat structureel onder de opheffingsnorm zit, maar die in stand worden gehouden omdat met het onderwijs dat ze bieden een belang wordt gediend. Er zijn twee gronden waarop een school een uitzonderingsschool kan zijn:
Vier scholen zijn aangewezen als uitzonderingsscholen vanwege hun geografische ligging. Het gaat om de scholen voor voortgezet onderwijs op de eilanden Terschelling, Vlieland, Ameland en Schiermonnikoog. De twee joodse scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam – Cheider en Maimonides – zijn erkend als uitzonderingsschool, omdat zij met het verzorgen van onderwijs een Nederlands belang van cultuurhistorische aard dienen. Dat betekent dat zij ontheven zijn van toepassing van de opheffingsnorm en dat zij bijzondere aanvullende bekostiging ontvangen. Cheider, dat voortgezet onderwijs biedt aan 37 leerlingen, krijgt jaarlijks 4,2 fte voor onderwijspersoneel extra aan bekostiging. Als dit terug wordt gerekend naar de personele bekostiging per leerling, bedraagt deze voor een leerling van Cheider VO € 26.500. De gemiddelde personele bekostiging van een leerling in het voortgezet onderwijs is € 6.500. Cheider heeft ook een school voor primair onderwijs. Per po-leerling ontvangt Cheider 60 procent aan extra bekostiging.
Gezien de uitzonderlijke status en bekostiging van Cheider en de ruimte die er bestaat om het Jiddisch aan te bieden, mee te laten tellen als onderwijstijd en af te sluiten met het schoolexamen, ben ik van mening dat Nederland aan de verplichtingen van het Handvest voldoet en dat Cheider de ruimte en de financiële middelen heeft om onderwijs in het Jiddisch te verzorgen, indien de school dat wenst.
Zou het niet voor de hand liggen om het Cheider in Amsterdam, de enige school in Nederland die het Jiddisj actief bevordert en daarmee een minderheidstaal actief bevordert, daarvoor financieel te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 5.
In welke mate geven overheden in Nederland andere (streek)talen, die in het kader van het Europees Handvest door Nederland zijn erkend, financiële ondersteuning?
De enige streek- of minderheidstaal die financiële ondersteuning van het Rijk krijgt is het Fries. Voor de instandhouding van het vak Fries in het voortgezet onderwijs ontvangt de provincie € 65.000 per jaar voor de leerlingen in het eerste jaar, dit is een uitvloeisel van de Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur 2013–2018. Voor het primair onderwijs gaat het om een bedrag van € 370.000 per jaar. Deze middelen gaan naar de provincie en niet rechtstreeks naar de scholen. Omgerekend gaat het in het primair onderwijs om een bedrag van ruim € 6 per leerling en in het voortgezet onderwijs om een bedrag van ruim € 7 per brugklasser.
Naast de genoemde bedragen krijgt de provincie Fryslân circa € 1 miljoen – bovenop de reguliere provincieuitkering van het Rijk – voor «het in stand houden van de Friese taal». Dit geld is bestemd voor cultuur, media, juridische zaken, bestuurszaken en onderwijs. De provincie Fryslân zet financiële ondersteuning in het onderwijs onder meer in voor de ontwikkeling van goed lesmateriaal en de stimulering van het drietalig voortgezet onderwijs in Fryslân. Het Orgaan voor de Friese Taal wordt gefinancierd door het Ministerie van BZK en de provincie Fryslân, hiervoor wordt jaarlijks in totaal een bedrag van € 150.000 gereserveerd.
Naast het Rijk voeren diverse decentrale overheden een streektaalbeleid, ik beschik echter niet over een overzicht van de hoeveelheid financiële middelen die hiermee gemoeid zijn.
Het Nedersaksisch |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Is het u bekend dat UNESCO 21 februari heeft uitgeroepen tot Internationale Moedertaaldag, en hiermee de aandacht wil vestigen op taal als cultureel erfgoed?
Ja.
Kunt u zich de toezeggingen herinneren in het verslag van een schriftelijk overleg van 24 april 2014 (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 54) over uw inspanningen rond het erkennen van het Nedersaksisch onder deel III van het Europees Handvest inzake regionale talen?
Op dit moment werk ik aan de vijfde periodieke rapportage inzake de door Nederland getroffen maatregelen met betrekking tot de implementatie van het Handvest. Ik ben voornemens om deze rapportage, die betrekking heeft op de periode 2012–2014, dit voorjaar af te ronden. Daarna zal duidelijk worden wanneer de Raad van Europa Nederland zal bezoeken. In het verslag van het schriftelijk overleg van 24 april 2014 heb ik opgemerkt dat dit bezoek een moment kan zijn om de balans op te maken over de implementatie van het Europees Handvest en dat ik mij voor kan stellen dat dit aanknopingspunten kan bieden om de positie van het Nedersaksisch onder het Europees handvest tegen het licht te houden. Ik acht het niet opportuun om hier vooruitlopend op het bezoek van de Raad van Europa al uitspraken over te doen.
Kunt u aangeven wat de (ambtelijke) gesprekken tussen uw ministerie en vertegenwoordigers van de Samenwerkende Organisaties in het Nedersaksisch Taalgebied (SONT) sindsdien hebben opgeleverd?
In het verslag van het schriftelijk overleg over het Nedersaksisch van 24 april 2014 heb ik opgemerkt dat ik het Nedersaksisch als een wezenlijk onderdeel van het Nederlandse culturele erfgoed zie. Dat geldt ook voor de andere regionale talen en ik ken dan ook grote waarde toe aan de verdere bevordering van deze talen. Naar mijn overtuiging zijn inspanningen vanuit de samenleving en de decentrale overheden hier de belangrijkste waarborg voor. De bijdrage vanuit het Rijk dient hier een aanvulling op te zijn. In de constructieve overleggen die in de afgelopen periode op ambtelijk niveau met SONT zijn gevoerd is er in verkennende zin al over de bijdrage die ik aan de bevordering van de taal kan leveren gesproken. In de komende periode zal in overleg met SONT worden bekeken hoe deze bijdrage concreet vorm kan worden gegeven.
Wat is op basis van deze gesprekken het «actuele beeld» van het beleid, de inspanningen en resultaten van decentrale overheden inzake de bevordering en bescherming van het Nedersaksisch? Bent u nog steeds van mening dat de huidige inspanningen ontoereikend zijn om het Nedersaksisch te kwalificeren onder deel III?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer in 2015 staat het bezoek van de Raad van Europa gepland aan Nederland om onderzoek te verrichten naar de naleving van het Europees Handvest? Op welke wijze is uw ministerie betrokken bij deze evaluatie?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, nu in het verslag van 24 april 2014 het kabinet aangaf zich te kunnen voorstellen dat het bezoek van de Raad van Europa «ook aanknopingspunten biedt om de positie van het Nedersaksisch onder het Europees Handvest tegen het licht te houden», om het komend jaar uw eigen stellingname over erkenning onder deel III te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke waarde en betekenis u hecht aan het voortbestaan van streektalen en welke extra maatregelen u bereid bent te nemen om het gebruik van streektalen te beschermen?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel ‘culturele topinstellingen worstelen met regels bij aantrekken van talent van buiten EU’ |
|
Vera Bergkamp (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «culturele topinstellingen worstelen met regels bij aantrekken van talent van buiten EU»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat drie voor Nederland toonaangevende culturele instellingen verklaren door de regelgeving moeite te hebben met het aantrekken van talent van buiten de Europese Unie (EU)? Onderschrijft u dat voor het behouden van hun topniveau het van groot belang is dat deze instellingen de beste kandidaten kunnen aannemen, ook als deze niet uit de EU komen?
Het algemene uitgangspunt van ons toelatingsbeleid is dat vacatures in Nederland in eerste instantie moeten worden vervuld door Nederlandse werknemers of werknemers uit andere lidstaten. Zeker in deze tijd van hoge werkloosheid, veel uitkeringsgerechtigden en veel migranten van binnen de EU mag niet te snel naar aanbod van buiten de EU worden gekeken voor de vervulling van vacatures.
Daarnaast onderken ik dat er sectoren zijn waar dit strakke beleid niet op zijn plaats is. Ik denk daarbij ook aan de kunstensector, waarin Nederland op onderdelen toonaangevend in de wereld is. Om hun toonaangevende positie te kunnen behouden, is het nodig dat de desbetreffende instellingen internationaal toptalent kunnen aannemen. Daarom geldt voor bepaalde functies in het topsegment een lager salariscriterium dan dat van de Kennismigrantenregeling. Voor de sectoren dans, klassieke muziek, opera, musical en toneel gelden lagere salariseisen, die van de desbetreffende cao zijn afgeleid, de zogenoemde «zaaglijn» (paragraaf 34 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014, Stcrt. 2014, nr. 8189). Als dat salaris wordt betaald, dan kan een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid worden afgegeven voor een periode van maximaal drie jaar in plaats van een jaar. De acteur, musicus of danser kan in dienst worden genomen ook al is er binnenlands aanbod aanwezig en zonder dat eerst, door middel van wervingsprocedures, hoeft te worden aangetoond dat dit talent niet binnen de Europese Unie te vinden is. Deze regeling is in overleg met de sector tot stand gekomen.
Wat is uw reactie op het feit dat het Rijksmuseum, om een nieuwe vergunning voor een werknemer te krijgen, nu jaarlijks een kostbare procedure moet starten om uit te sluiten of de functie niet alsnog door iemand binnen de EU vervuld kan worden? Bent u van mening dat deze regelgeving tot gevolg kan hebben dat werkgevers geen toptalent van buiten de EU meer willen aannemen, omdat de procedure te ingewikkeld en kostbaar is geworden? Zou het er toe kunnen leiden dat talent niet meer naar Nederland wil komen, omdat een tewerkstellingsvergunning die slechts een jaar geldig is te weinig zekerheid biedt? Ben u bereid de termijn van een tewerkstellingsvergunning weer te verlengen van één naar drie jaar? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Voor de museumwereld bestaat geen regeling zoals die in het antwoord op vraag 2 is genoemd. Nu de directeur van het Rijksmuseum hiervoor aandacht vraagt, ben ik graag bereid met de museumsector te overleggen of dit een probleem is dat vergelijkbaar is met dat in de andere kunstsectoren en hoe dit kan worden opgelost.
Wat vindt u ervan dat het Concertgebouworkest niet direct voor alle vrijgekomen «stoelen» wereldwijd mag werven, terwijl de kans reëel is dat binnen de EU niet voldoende toptalent te vinden is? Wat vindt u ervan dat het Concertgebouw pas in tweede instantie wereldwijd mag werven, terwijl een extra sollicitatieronde ongeveer 40.000 euro kost?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, bestaan er voor musici en balletdansers specifieke salarisgrenzen, die lager liggen dan de salariseisen van de Kennismigrantenregeling. Nu het Concertgebouworkest en het Nationaal Ballet via de media laten weten, dat zij met deze regeling moeilijk uit de voeten kunnen, ben ik bereid ook met hen te overleggen wat de aard wat deze problemen zijn, en in hoeverre deze kunnen worden ondervangen. Van de uitkomst van deze gesprekken zal ik de Kamer op de hoogte stellen.
Kunt u reageren op de oproep van zowel het Rijksmuseum als het Nationaal Ballet om in de regeling voor kennismigranten een uitzondering op de inkomenseis op te nemen voor de culturele sector, waar salarissen lager liggen dan in andere sectoren? Kunt u in uw antwoord ook ingaan op kennismigranten waarvoor de inkomensgrens nu niet geldt, zoals promovendi die hier bij een universiteit of onderzoeksinstelling gaan werken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de drie culturele topinstellingen om ervoor te zorgen dat zijn hun toppositie kunnen behouden en de beste mensen kunnen aannemen zonder hiervoor onnodig hoge kosten te maken? Wilt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek?
Zie antwoord vraag 4.
Een nauwelijks bezocht showtje van een gesubsidieerde Zwarte-Piethater |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Cultuur snuiven»?1
Ja.
Waren er inderdaad slechts 38 betalende bezoekers bij het showtje van cultuurbestrijder Gario?
De schrijver/kunstenaar Quincy Gario heeft op uitnodiging van het Stedelijk Museum in Amsterdam op 18 september 2014 een performance uitgevoerd ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling «How Far How Near: de Wereld in het Stedelijk». De performance was eerder te zien in Kunsthal Nicolaj, Kopenhagen en het MACBA, Barcelona.
Het Stedelijk Museum wordt door de gemeente Amsterdam gefinancierd. Het museum is per 1 januari 2006 verzelfstandigd en is zelf verantwoordelijk voor de programmering van tentoonstellingen en performances.
Wat is de schade, uitgedrukt in euro's, voor de Nederlandse belastingbetaler van de show van de heer Gario?
Zie antwoord vraag 2.
Kan de heer Gario zijn kunstdingetjes, zoals het vouwen van vliegtuigjes en touwtjespringen, niet gewoon zelf betalen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom luistert u als Minister meer naar deze gesubsidieerde touwtjespringer dan naar het Nederlandse volk dat massaal achter zijn traditionele Zwarte Piet staat?
In mijn beleidsbrief Cultuur beweegt. De betekenis van cultuur in een veranderende samenleving heb ik de maatschappelijke waarde van kunst benadrukt. Het bestaansrecht van kunst en kunstenaars ligt in de verbinding met de samenleving. Het is een belangrijke functie van kunst om de samenleving een spiegel voor te houden en een belangrijke functie van musea om kunstenaars en bezoekers een platform te bieden voor reflectie en dialoog. Hoe een individuele kunstenaar dat doet, daar treed ik niet in. Zie verder mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4.
Het bericht “Zeker 10.000 ongelukken door slecht Nederlands” |
|
Sjoerd Potters (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Zeker 10.000 ongelukken door slecht Nederlands»?1
Ja
Onderschrijft u, net als de Stichting van de Arbeid, de stelling dat wetgeving en veiligheidsinstructies weinig zin hebben als er sprake is van een taalbarrière? Zo ja, welke oplossingen ziet u voor dit probleem?
De Stichting van de Arbeid laat zich niet uit over de zin van wetgeving als sprake is van een taalbarrière. Volgens de Stichting worden belangrijke veiligheidsinstructies en -procedures in bedrijven door de taalbarrière slecht begrepen en in praktijk gebracht. De handreiking van de Stichting biedt daar oplossingen voor.
Zoals in de handreiking wordt vermeld moet een werkgever op basis van een risico-inventarisatie en -evaluatie maatregelen nemen. Zo ook voor taalgerelateerde veiligheidsrisico’s. Een werkgever moet werknemers doeltreffend voorlichten en instrueren over de risico’s en maatregelen, dus op een wijze die de werknemers begrijpen. Werknemers moeten deze volgen en naleven.
De handreiking van de Stichting ondersteunt werkgevers en werknemers op branche- of sectorniveau bij het behandelen van taalgerelateerde risico’s in arbocatalogi.
Deze aanpak past in het stelsel van doelvoorschriften in het publieke domein en de uitwerking daarvan (middelvoorschriften) in het private domein. Met behulp van een handreiking of arbocatalogus kiezen werkgevers en werknemers in sectoren en bedrijven de praktische maatregelen die het best bij hun situatie past.
Bent u het er mee eens dat het de hoogste tijd is dat voor het waarborgen van goede en veilige arbeidsomstandigheden niet langer gegrepen wordt naar meer wet- en regelgeving, maar dat veel meer gekeken wordt naar de praktische uitvoerbaarheid daarvan?
In de kern ben ik het met u eens en is dat ook de lijn in het beleid voor gezond en veilig werk. Met de wijziging van de Arbowet per 2007 is het beleid gericht op een wettelijk kader van doelvoorschriften dat ruimte biedt voor praktische invulling door werkgevers en werknemers. De overheid ondersteunt werkgevers en werknemers bij de invulling van doelvoorschriften, onder meer met kennisontwikkeling, subsidies aan branches voor het opstellen en implementeren van arbocatalogi en aan de Stichting van de Arbeid voor het bevorderen en ondersteunen daarvan.
In het geval aanpassing van arbowetgeving nodig is, wordt ondermeer door het raadplegen van werkgevers en werknemers en door internetconsultatie rekening gehouden met de praktische uitvoerbaarheid.
Wetgeving is vooraleerst een juridisch instrument, waarmee verantwoordelijkheden worden vastgelegd. Om normadressaten, naast eerdergenoemde arbocatalogi, bij te staan bij de naleving gaat wetgeving vergezeld van voorlichting en andere instrumenten. Op het terrein van de arbowetgeving is daarvoor het arboportaal ingericht (www.arboportaal.nl), geeft de Inspectie SZW brochures uit en informatie op haar site (www.inspectieszw.nl), en is veel voorlichtingsmateriaal beschikbaar.
Vindt u dat het feit dat zeker 10.000 mensen een ongeluk krijgen op de werkvloer omdat ze niet goed Nederlands spreken, een indicatie is dat we het doel voorbijgeschoten zijn met alle wet- en regelgeving ten aanzien van arbeidsomstandigheden?
Nee. Zoals in antwoord 2 gemeld laat ook de Stichting van de Arbeid zich niet uit over de zin van wetgeving in relatie tot taal op de werkvloer. De arbowetgeving richt zich hoofdzakelijk tot de werkgever die maatregelen moet nemen ter bescherming van zijn werknemers. In het geval een werknemer de voertaal in het bedrijf niet goed beheerst zal de werkgever dat als risico signaleren en passende maatregelen nemen. De handreiking van de Stichting of een relevante arbocatalogus ondersteunt de werkgever daarbij. Dat desondanks ongelukken gebeuren, betekent niet dat wet- en regelgeving geen effect hebben. De arbowetgeving normeert een basisniveau van arbeidsomstandigheden, creëert een gelijk speelveld en bevordert gezond en veilig werk. De samenleving, maar zeker ook het bedrijfsleven heeft daar baat bij.
Welke mogelijkheden ziet u om de aandacht te verleggen naar de praktische uitvoerbaarheid van dergelijke wet- en regelgeving?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven heeft de praktische uitvoerbaarheid de aandacht.
Daarnaast is er veel overleg met sectoren en ondersteun ik deze met stimuleringsprogramma’s op het terrein van arbeidsveiligheid, zelfregulering en duurzame inzetbaarheid.
Met betrekking tot taal kan ik melden dat ik in het kader van het integratie- en inburgeringsbeleid voornemens ben om met werkgevers afspraken te maken teneinde taal op de werkvloer een impuls te geven.
Op het arboterrein is de aandacht voor wetgeving al enige jaren verlegd naar inzet van andere instrumenten en naar ondersteuning bij naleving. Met genoegen zie ik ook veel initiatieven in sectoren om gezond en veilig werken te bevorderen, waaronder tools om risico’s door taalverschillen of laaggeletterdheid te beheersen die een plek krijgen in de arbocatalogi van werkgevers en werknemers.
Deelt u de mening dat het beheersen van de Nederlandse taal essentieel is voor het kunnen voldoen aan alle veiligheidseisen en instructies op de werkvloer?
Strikt genomen is het antwoord nee. Niet in alle bedrijven is de Nederlandse taal de voertaal. Daarnaast dienen de veiligheidseisen en -instructies in bedrijven aan te sluiten bij de mogelijkheden van de werknemers.
Het verbeteren van de beheersing van de Nederlandse taal van werknemers, zodanig dat zij werk- en veiligheidsinstructies begrijpen zal echter in z’n algemeenheid de veiligheid op de werkvloer vergroten. Een betere beheersing van het Nederlands kan voor werkgevers tevens leiden tot hogere productiviteit en kwaliteit, lager ziekteverzuim, flexibeler inzetbaarheid, betere werksfeer, minder stress, betere omgang met klanten, etc. Een betere beheersing van het Nederlands is dus in meerder opzichten van belang voor werkgevers.
De monumentenstatus Bildtdijken |
|
Aukje de Vries (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht in de Leeuwarder Courant over de monumentenstatus Bildtdijken?1
Ja.
Wanneer neemt u een beslissing over de monumentenstatus Bildtdijken? Welke criteria spelen daarbij een rol? Deelt u de mening dat bij het aanwijzen van de Bildtdijken als beschermd dorpsgezicht het oordeel van de gemeenteraad het zwaarst moet wegen en doorslaggevend zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Het gebied Bildtdijken is voorgedragen voor aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht. De criteria die een rol spelen bij een besluit over de voordracht betreffen de geïnventariseerde cultuurhistorische waarden. Daarnaast spelen de strekking en inhoud van de adviezen van de gemeente, de provincie en de Raad voor Cultuur een belangrijke rol. Het oordeel van de gemeenteraad van Het Bildt weegt daarbij zwaar maar of het doorslaggevend is, hangt uiteraard ook af van de inhoud van het advies en de andere adviezen.
Gelet op de uiteenlopende standpunten van de provincie Friesland en de gemeente Het Bildt heb ik de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gevraagd om opnieuw met deze partijen te overleggen over het behoud van de cultuurhistorische waarden van het gebied en de mogelijke toekomstige status als beschermd dorpsgezicht. Ik wacht dit overleg af alvorens ik een besluit neem over de voordracht.
Welke gevolgen heeft het aanwijzen van de Bildtdijken als beschermd dorpsgezicht, met name voor de ondernemers en de economische ontwikkeling van het gebied? Welke beperkingen legt dit op? Deelt u de mening dat het onwenselijk en onverstandig is om een monumentenstatus toe te wijzen aan de Bildtdijken indien deze bescherming de ondernemers in dit gebied belemmert en hierdoor de werkgelegenheid in een gebied met hoge werkloosheid extra onder druk dreigt te komen? Zo nee, waarom niet?
Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht is de verplichting voor de gemeenteraad om een bestemmingsplan te maken dat recht doet aan de aanwezige cultuurhistorische karakteristieken. Aangezien de gemeente Het Bildt voor het gebied, waarin de Bildtdijken ligt, al een bestemmingsplan heeft waarin de aanwezige cultuurhistorische karakteristieken worden gewaarborgd, zijn er geen aanvullende beperkende maatregelen in het bestemmingsplan nodig. Een ander rechtsgevolg dat volgt uit het Besluit Omgevingsrecht is dat er minder mogelijkheden zijn voor vergunningvrij bouwen op het voor- en zij-erf van gebouwen in het beschermde dorpsgezicht.
Indien het in de vraag geschetste effect zou optreden, zou dit inderdaad kunnen betekenen dat afgezien wordt van de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht. Uit onderzoek blijkt evenwel dat het behoud van een cultuurhistorisch aantrekkelijke omgeving doorgaans een positief effect heeft op de economie van een gebied en dat economische ontwikkelingen en werkgelegenheid daardoor meestal niet worden belemmerd, maar eerder bevorderd. Ook dit aspect zal worden besproken in het overleg met de provincie en de gemeente.
Deelt u de mening dat de Bildtdijken al decennialang goed beheerd en beschermd worden door de gemeente en dat de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht tegen de wil van de gemeenteraad geen toegevoegde waarde heeft? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat de gemeente het gebied goed beheert en beschermt. Een aanwijzing als beschermd dorpsgezicht is daarvan ook een landelijke erkenning. De toegevoegde waarde van een status als beschermd dorpsgezicht is dat bij toekomstige ontwikkelingen, die een mogelijke aanpassing van het bestemmingsplan tot gevolg hebben, steeds de cultuurhistorische karakteristieken van het gebied worden meegewogen en gewaarborgd.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voordat u een beslissing neemt over het al dan niet aanwijzen van de Bildtdijken tot beschermd dorpsgezicht?
Hieraan heb ik gevolg gegeven.
De bescherming van maritiem historisch erfgoed naar aanleiding van het bericht dat de SS Rosalie is verkocht en zal worden versleept naar Turkije |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van het feit dat het historische stoomschip SS Rosalie is verkocht en zal worden versleept naar Turkije?1
Ja.
Is het waar dat dit schip uit 1873 is opgeknapt met onder meer subsidie van het Mondriaanfonds?
Ja.
Gelden er restricties aan deze subsidie, zoals het behouden van het schip voor Nederland?
Het behouden van het schip voor Nederland was geen subsidievoorwaarde.
Ziet u mogelijkheden om dit historische vaartuig, mede gelet op deze verstrekte subsidies, te behouden voor Nederland?
Nee.
Is de verkoopprijs die genoemd wordt (50.000 euro) de werkelijke prijs, of is deze gebruikt om onder restricties uit te komen om bv. op eenvoudige wijze toestemming van de douane te verkrijgen tot export?
Ik zie het niet als mijn taak om de hoogte van de verkoopprijs, waar ik overigens niet van op de hoogte ben, en die door een particuliere transactie is bepaald, openbaar te maken. Het staat de voormalige eigenaar natuurlijk vrij om dat wel te doen.
De Centrale Dienst voor In- en Uitvoer van de Belastingdienst heeft, nadat de Erfgoedinspectie heeft aangegeven geen bezwaar tegen de uitvoer van SS Rosalie naar Turkije te hebben, een uitvoervergunning verleend aan de voormalige eigenaar. Er is dus conform de wet gehandeld.
De Erfgoedinspectie kijkt in dit soort gevallen in de eerste plaats of het gaat om een voorwerp dat onder de beschermende werking van de Wet tot Behoud van Cultuurbezit valt. Is dat niet het geval (zoals in het geval van SS Rosalie), dan wordt de vergunning verstrekt. Daarnaast kan er een controle plaatsvinden in de database van gestolen kunstvoorwerpen van Interpol. Betreft het een voorwerp dat uit een andere lidstaat afkomstig is en dat in die lidstaat mogelijk valt onder een wettelijke regeling, dan consulteert de Erfgoedinspectie bovendien de autoriteiten van de betreffende lidstaat.
Klopt het dat varend cultuurhistorisch erfgoed, zoals dit soort monumentale schepen, weinig tot geen bescherming kent? Kunt u de verschillen tussen de beschermde status die aan (onroerende) rijksmonumenten wordt toegekend en dit soort voorbeelden van varend cultuurhistorisch erfgoed verklaren?
Het staat eigenaren van roerende erfgoederen in principe vrij om te doen met het eigendom wat hun goeddunkt. Slechts voorwerpen die op de zogeheten Wbc-lijst staan, komen in aanmerking voor bescherming. De SS Rosalie staat niet op die lijst.
De Wbc-lijst vloeit voort uit de Wet tot behoud van cultuurbezit, die tot doel heeft om te voorkomen dat roerende voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische betekenis verloren gaan voor het Nederlandse cultuurbezit. Zulke voorwerpen komen aan de hand van beschermingscriteria (zoals onvervangbaarheid en uniciteit) op een lijst te staan en worden beschermd, bijvoorbeeld om te voorkomen dat ze worden uitgevoerd naar het buitenland.
De bescherming van onroerende zaken is geregeld in de Monumentenwet uit 1988. Roerende zaken, zoals mobiel erfgoed, vallen buiten de kaders van die wet.
Acht u het tijd worden om meer beschermende maatregelen te treffen? Ziet u mogelijkheid een register te maken voor varende dan wel mobiele Rijksmonumenten die bijvoorbeeld door de Erfgoed Inspectie worden beheerd en waarin in voorkomende gevallen een toets op de cultuur-historische waarde voor Nederland bij verkoop en/of export kan worden gebaseerd?
De mobiele erfgoedsector is op dit moment zelf bezig met het ontwikkelen van een Nationaal Register Mobiel Erfgoed en een Nationaal Register Varend Erfgoed. Ik zie geen aanleiding om daarnaast en naast de mogelijkheden die de Wbc biedt, een specifiek op mobiel erfgoed gericht wettelijk beschermingsregime in het leven te roepen.
Kunt u, in afwachting van de beantwoording van deze vragen, de export van de ss Rosalie opschorten?
Dat is niet mogelijk. Voor zover mij bekend zijn de verkoop en de uitvoer van het schip binnen de kaders van de wet geregeld. Ook is mijns inziens geen wetgeving van toepassing op basis waarvan de uitvoer van het schip voor bepaalde tijd tegengehouden kan worden.
Het behoud van de monumentenstatus molen “Windlust” |
|
Sander de Rouwe (CDA), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD), Aukje de Vries (VVD), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van de reportage «Het verdriet van Burum»?1
Ja
Klopt het dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) negatief heeft geadviseerd over het behoud van de monumentale status van de molen Windlust in Burum? Wat was de onderbouwing c.q. de reden dat het continueren van de monumentale status wordt geweigerd?
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft geen advies uitgebracht maar is wel de procedure gestart om de molen af te voeren als rijksmonument. Het starten van de procedure tot afvoering houdt in dat de Rijksdienst namens mij de eigenaar een voorstel doet om het monument af te voeren van het register van door het Rijk beschermde monumenten. Dan wordt advies gevraagd aan de gemeente. Na ontvangst van dat advies wordt dit doorgestuurd naar de Raad voor Cultuur met het verzoek eveneens advies uit te brengen. Hiermee handelt de Rijksdienst conform het beleid van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo), dat stelt dat monumenten die hun monumentale waarde verloren hebben uit het monumentenregister worden afgevoerd. Uit de voorgelegde stukken en bezoek ter plaatse is namelijk gebleken dat de brand op 8 april 2012 de molen helaas voor 95% verwoest heeft. Het resterend muurwerk is na de brand alsnog verwijderd. Alleen enkele balken, enkele ijzeren onderdelen en een mengketel waren nog te gebruiken voor een herbouw.
Wanneer neemt u een besluit over de monumentenstatus? Op basis van welke adviezen neemt u de beslissing? Op basis van welk beleid en welke criteria neemt u een besluit? Welke rol speelt de unieke constructie van deze molen, de betrokkenheid van de bewoners en de positie van de molen in het dorp daarbij? Welke rol speelt het feit dat er bij andere monumentale molens ook altijd sprake is van ingrijpende restauraties en herstel?
Ik neem een definitief besluit over de monumentenstatus nadat ik beide adviezen heb ontvangen. De gemeente Kollumerland heeft conform de Monumentenwet 1988 de belanghebbenden gehoord en heeft inmiddels het advies uitgebracht om de monumentenstatus intact te laten. De Raad voor Cultuur heeft nog niet geadviseerd. Ik verwacht dit advies over 1 à 2 maanden.
Bij mijn besluit baseer ik mij op de Monumentenwet 1988 en het monumentenbeleid dat in 2009 is gemoderniseerd (MoMo). Bij het aanwijzen of afvoeren van rijksmonumenten bepaal ik de monumentwaarden aan de hand van vijf criteria te weten: de cultuurhistorisch waarden, architectuur- en kunsthistorische waarden, situationele en ensemblewaarden, gaafheid (waaronder de materiële gaafheid) en herkenbaarheid, en zeldzaamheid.
Ik begrijp dat de molen altijd een bijzondere positie in het dorp heeft gehad en ik waardeer de betrokkenheid van de bewoners van Burum. Mede dankzij die betrokkenheid is de molen herbouwd. Bij de bepaling of de monumentale waarden nog aanwezig zijn, speelt lokaal draagvlak echter geen rol. Constructieve aspecten spelen daarentegen wel een rol, maar nu de unieke constructie van molen Windlust door de brand verloren is gegaan, constateert de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed dat de molen zijn monumentale waarde verloren heeft.
Bij mijn besluit over de monumentenstatus speelt het gegeven dat het hier om een molen gaat feitelijk geen rol. Molens zijn in die zin bijzonder, dat het bewegende monumenten zijn die slijten. Instandhouding van molens vergt dus soms ingrijpend herstel maar dat hoeft de monumentenstatus niet aan te tasten. Bij de molen Windlust is geen sprake van ingrijpend herstel door slijtage maar volledige herbouw door een brand, waarbij de molen en haar unieke constructie helaas geheel verloren is gegaan.
Wat zijn de criteria op basis waarvan een monument en/of een molen die is afgebrand en wordt gerestaureerd en hersteld weer kan worden aangewezen als monument?
Als een monument wordt getroffen door een calamiteit zoals een brand zal dit niet automatisch leiden tot het afvoeren van het monument. Het is ook niet zo dat eerst het monument wordt afgevoerd, daarna gerestaureerd of hersteld en tenslotte weer wordt aangewezen. Als de kans voor het behoud van zijn monumentale waarden groot is zal het monument, óók tijdens de restauratie-, herstel- of reconstructiewerkzaamheden, onder de rijksbescherming blijven vallen.
De criteria die worden gebruikt voor het aanwijzen van een monument zijn dezelfde als voor het afvoeren van een rijksmonument. Er wordt gekeken naar cultuurhistorische waarden, architectuur- en kunsthistorische waarden, situationele en ensemblewaarden, gaafheid en herkenbaarheid en zeldzaamheid.
Bent u bekend met een vergelijkbare situatie in Meppel waar het Schultehuis ook volledig is afgebrand en volledig van de grond af weer is herbouwd, en alsnog de monumentenstatus heeft behouden? Wat is het verschil met de situatie van de molen in Burum?
Ik ben bekend met het gegeven dat het Schultehuis te Meppel op 4 mei 2012 door brand was getroffen en de monumentstatus heeft behouden. Het Schultehuis was weliswaar zwaar beschadigd, maar het casco, de hoofdvorm en verschillende draagbalken waren nog aanwezig en vertegenwoordigden nog voldoende monumentale waarden om de monumentstatus te behouden en om tot een verantwoorde restauratie over te gaan. De molen te Burum ging daarentegen nagenoeg geheel verloren.
Waarom is er door de RCE niet gereageerd op een verzoek van de Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. daartoe in het voortraject van het herstel van de molen?
Op 17 april 2012, kort na de brand, zijn medewerkers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ter plaatse geweest. Bij dit bezoek is met de Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. en de gemeente afgesproken om, ná inventarisatie en een bouwhistorische opname van de overgebleven bouwmaterialen, gezamenlijk te kijken naar de mogelijkheden voor het herbouwen van de molen. Tevens is door de medewerkers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangegeven dat de molen nagenoeg geheel verloren is gegaan.
In later telefonisch overleg met de voorzitter van de Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. is met wederzijds goedvinden overeen gekomen om een tweede bezoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ten behoeve van de inventarisatie niet af te leggen omdat de inventarisatie en het bouwhistorisch rapport voldoende inzichtelijk waren. Eigenaar Stichting Erfgoed Kollumerland c.a. heeft geen verzoek om nader vooroverleg gedaan en diende op 19 december 2012 een aanvraag voor de omgevingsvergunning voor herbouw van de molen in.
Bent u van mening dat molen Windlust gelet op de specifieke situatie de monumentale status moet behouden? Zo nee, waarom niet?
Alhoewel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inmiddels de procedure is gestart om de molen af te voeren, omdat deze voor 95% verloren is gegaan, zal ik pas een definitief besluit over de monumentale status nemen nadat ik ook het advies van de Raad voor Cultuur heb ontvangen.
Het bericht dat slechts tien procent van de gedownloade boeken middels de legale weg wordt verkregen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het artikel «Niet betalen voor e-boek is norm» waarin wordt bericht dat slechts tien procent van de gedownloade boeken middels de legale weg wordt verkregen?1
Ik heb kennis genomen van het artikel «Niet betalen voor e-boek is norm». Ik merk op dat voor het online aanbieden (openbaarmaken) van auteursrechtelijk beschermde werken, zoals e-boeken, te allen tijde toestemming van rechthebbenden is vereist. Het uploaden van e-boeken zonder die toestemming levert een auteursrechtelijke inbreuk op. Hiertegen kan en wordt actief opgetreden door rechthebbenden in collectief verband via de stichting Brein. Het downloaden (reproduceren) van e-boeken voor eigen oefening, studie of gebruik, daarentegen, valt onder de thuiskopie-exceptie van artikel 16c van de Auteurswet zodat toestemming van de rechthebbende niet is vereist. Rechthebbenden ontvangen via de thuiskopievergoeding overeenkomstig de auteursrechtrichtlijn een billijke compensatie voor het nadeel dat zij ten gevolge van de thuiskopie-exceptie lijden. De compensatie wordt geïnd bij importeurs en fabrikanten van voorwerpen die in belangrijke mate voor de opslag van thuiskopieën worden gebruikt. Voor e-readers is vooralsnog geen thuiskopievergoeding bepaald.
Het Hof van Justitie EU zal later dit jaar antwoord geven op de vraag of downloaden uit illegale bron ook onder de thuiskopie-exceptie ressorteert en of de thuiskopievergoeding voor dit gebruik mag compenseren. Volgens de recente conclusie van de advocaat-generaal Villon Cruz is dat niet het geval2. De uitkomst van deze procedure is van groot belang voor de vraag of een e-reader vergoedingsplichtig kan zijn. Voorts wordt in opdracht van de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoeding (SONT) door het marktonderzoekbureau Veldkamp onderzoek verricht naar vergoedingsplichtig gebruik van e-readers. Ik ben in afwachting van de uitkomst van dat onderzoek en het advies van de SONT daarover. Een besluit houdende een aanpassing van de algemene maatregel van bestuur inzake thuiskopievergoedingen neem ik nadat ik beschik over de uitkomsten van het onderzoek, het SONT-besluit en het arrest van het Hof in eerder genoemde zaak.
Steunt u het initiatief «Lees Legaal» van The Social Bookcompany dat strijdt tegen het illegaal kopiëren van e-boeken? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij vinden in een bewustwordingscampagne zoals de actie «Lees legaal». Om het pirateren van e-boeken effectief te bestrijden is het, naast handhavende en voorlichtende activiteiten, uiteraard ook van belang dat de markt legale, klantvriendelijke en betaalbare alternatieven aanbiedt. Marktpartijen zullen op de bij het publiek bestaande vraag naar e-boeken moeten inspringen met innovatieve businessmodellen, bijvoorbeeld door een streaming model voor e-boeken. Naar verluidt worden hiertoe door uitgevers inmiddels ook concrete stappen gezet3.
Bent u voornemens een actieve rol te spelen om ervoor te zorgen dat auteurs van boeken een eerlijke vergoeding voor hun werk kunnen ontvangen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Met betrekking tot de thuiskopievergoedingen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1. Met betrekking tot vergoedingen die de schrijver van zijn uitgever ontvangt, wijs ik u op het wetsvoorstel auteurscontractenrecht4. In dat wetsvoorstel wordt onder meer geregeld dat de maker voor de verlening van exploitatiebevoegdheid jegens de exploitant van zijn werk aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Het wetsvoorstel beoogt de maker beter in staat te stellen om te delen in de opbrengsten van de exploitatie van zijn werk. Dit heeft ook betrekking op eventuele opbrengsten uit door de exploitant nieuw te ontwikkelen legale businessmodellen.
Deelt u de mening dat het huidige hoge btw-tarief van 21% voor e-boeken een drempel vormt voor zowel de potentiële consument, omdat het e-boek daarmee duurder wordt, alsook voor de innovatie in de markt?
Ik sluit niet uit dat het huidige btw tarief e-boeken duurder maakt en daarmee een drempel vormt voor de potentiele consument en voor innovatie. Zoals ook in de reactie op de motie Peters5 is aangegeven, is de Nederlandse regering er voorstander van om de inconsistentie in de tarifering op te heffen tussen digitale boeken en papieren boeken. De Europese Commissie is bezig om een evaluatie van de huidige btw-tariefstructuur uit te laten voeren. Afhankelijk van deze evaluatie komt de Europese Commissie met mogelijke voorstellen tot het aanpassen van de btw-richtlijn. Uiteraard is het btw-tarief van belang bij de prijsvorming. Naast een eventuele verlaging van dit tarief zijn er echter tal van andere factoren die de prijs van e-boeken beïnvloeden en het lezen van digitale boeken tot een succes kunnen maken. Hierbij kan worden gedacht aan beschikbaarheid van e-readers, tablets en initiatieven voor nieuwe business modellen voor het aanbieden van e-boeken.
Bent u bereid in overleg te treden met zowel uitgevers als schrijvers om te bezien welke mogelijkheden er zijn om te zorgen dat de markt beter gaat functioneren?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. Het is primair aan de marktpartijen om alternatieve en innovatieve businessmodellen te ontwikkelen.
De bedreiging van complexen monumentale arbeiderswoningen door de verhuurdersheffing |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de activiteiten van de particuliere verhuurder David Evekink Stichting, die 275 monumentale arbeiderswoningen verhuurt aan mensen met een inkomen op het sociale minimum («sociale minima») in Zutphen, met een gemiddelde huurprijs van € 420 per maand en 100% verhuurt onder de liberaliseringsgrens?1
Ja ik ben bekend met de activiteiten van deze verhuurder en heb kennisgenomen van de reactie van het bestuur. Hierbij wil ik opmerken dat gezien het feit dat de huren van de betreffende woningen gemiddeld op 70% van de maximaal redelijke huur liggen er binnen de kaders van het woningwaarderingstelstel ook voor deze verhuurder mogelijkheden zijn om via reguliere huurverhogingen of harmonisatie bij verhuizingen de verdiencapaciteit te vergroten. De effecten hiervan voor huurders worden voor de lagere inkomens gecompenseerd door de werking van de huurtoeslag, waar ook budget voor beschikbaar is.
Heeft u kennisgenomen van de reactie van het bestuur van de David Evekink Stichting dat het voortbestaan van de stichting door de verhuurdersheffing in gevaar komt, omdat hun woningbezit een hoge WOZ-waarde heeft, dus de verhuurdersheffing zeer hoog is, maar het onmogelijk én onwenselijk is om de huren extra te verhogen door de inkomensposities van hun huurders?2
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het voortbestaan van de coöperatieve woningcorporatie Daal en Berg, exploitant van het monumentale complex arbeiderswoningen De Papaverhof, bedreigd wordt door de verhuurdersheffing?3
Ja. Ik zie op grond van de genoemde gegevens overigens geen aanleiding te concluderen dat de exploitatie niet sluitend is te krijgen, wanneer gebruik wordt gemaakt van de mogelijke ruimte voor huurverhogingen. Daarbij geldt dat door de heffingsvrije voet van 10 woningen de heffing al relatief gunstig uitwerkt voor relatief kleinere verhuurders als de coöperatieve woningcorporatie Daal en Berg.
Vindt u het wenselijk of zelfs maar acceptabel dat stichtingen zoals de David Evekink Stichting, Daal en Berg of andere non-profit-organisaties in de problemen komen door de verhuurdersheffing? Wilt u uw antwoord toelichten?
De verhuurderheffing is een algemene maatregel die geen onderscheid maakt naar typen verhuurders. Het overgrote deel van de gereguleerde huurwoningen is van woningcorporaties die, net als de stichting, evenmin winst nastreven. Ik zie daarom geen objectieve gronden om binnen de heffing een dergelijk onderscheid te maken. Zo laten de genoemde voorbeelden niet een afdoende en objectiveerbaar verschil zien met andere verhuurders die onder de heffing vallen. Zoals ik in de antwoorden op de vragen 1 tot en met 3 heb aangegeven hebben ook de genoemde verhuurders mogelijkheden om via maatregelen als huurverhoging, harmonisatie, verkoop van woningen en meer efficiënte bedrijfsvoering in de financiering van de heffing te voorzien zonder verdere consequenties voor het onderhoud.
Vindt u het wenselijk of zelfs maar acceptabel dat monumentale sociale huisvesting verpaupert, doordat de exploitanten ten gevolge van de verhuurdersheffing onvoldoende middelen overhouden om hun bezit te onderhouden?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om onderzoek in te stellen naar de gevolgen van de verhuurdersheffing voor de exploitatie van monumentale sociale huurwoningen? Bent u bereid om voor monumentale sociale huurwoningen de verhuurdersheffing te baseren op een verlaagde WOZ-waarde, zodat de non-profit verhuurders niet gestraft worden voor het feit dat ze cultureel erfgoed proberen te verhuren aan de groep waar dit voor bestemd is?
In de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II is een bepaling tot evaluatie na drie jaar opgenomen ten aanzien van de verhuurderheffing. Zowel in het debat in de Eerste als in de Tweede Kamer heb ik aangegeven verslag te doen van de effecten van de verhuurderheffing. Daarbij heb ik toegezegd om reeds met twee volle jaren ervaring met de verhuurderheffing, een fundamentele evaluatie uit te voeren van de heffing die dan begin 2016 gereed is ten behoeve van beleidsconclusies. Zoals ik in de brief van 17 december aan de Eerste Kamer heb aangegeven zal ik daarbij onder andere aandacht schenken aan de feitelijke investeringen, de financiële positie en investeringsmogelijkheden van verhuurders, de mogelijkheden om operationele kosten te beheersen en woningen te verkopen en de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Daarbij zal ook specifiek de positie van particuliere verhuurders betrokken worden.
Vindt u het acceptabel dat dergelijke huurwoningen in de toekomst alleen nog aan yuppen verhuurd kunnen worden in plaats van aan de doelgroep waar ze ooit voor gebouwd zijn?
Zoals gezegd kan het benutten van de ruimte voor huurverhoging en harmonisatie in de genoemde voorbeelden een belangrijke bijdrage leveren aan de financiering van de verhuurderheffing. Voor zover het hier om verhuur aan huurders met recht op huurtoeslag gaat worden de gevolgen hiervan voor een groot deel gecompenseerd. Tegelijkertijd kan ook het toelaten van hogere inkomens, met daarbij passende huren, in een deel van de betroffen huurwoningen een mogelijkheid zijn.
Heeft u vernomen dat Unesco de tentoonstelling «The People, the Book, the Land – 3,500 years of ties between the Jewish people and the Land of Israel» heeft verhinderd?1
De tentoonstelling «The People, the Book, the Land – 3,500 years of ties between the Jewish People and the Holy Land» is niet verhinderd, maar uitgesteld tot juni van dit jaar.
Klopt het dat dit is gebeurd op aandringen van de Arabische landen in de Unesco?
De reden van het uitstel is deels gelegen in zorgen geuit door de Arabische landen in UNESCO, deels in het feit dat tussen UNESCO en het Simon Wiesenthal Center nog geen volledige overeenstemming over de inhoud van de tentoonstelling was bereikt.
Hoe beoordeelt u deze antisemitische boycotactie?
Van een boycotactie is geen sprake. Het kabinet verwelkomt het besluit van UNESCO de tentoonstelling alsnog te laten plaatsvinden in juni.
Bent u bereid om, samen met andere landen, er bij Unesco krachtig op aan te dringen dat de tentoonstelling zo snel mogelijk doorgaat? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de tentoonstelling naar Nederland te halen? Zo neen, waarom niet?
Het staat het Simon Wiesenthal Center vrij om deze tentoonstelling ook in Nederland te organiseren.
De bescherming van rijksmonumenten in het aardbevingsgebied van Noord Oost Groningen |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht dat 69 Groningse rijksmonumenten schade hebben opgelopen in het aardbevingsgebied van Noord-Oost Groningen en dat zo’n 100 gezichtsbepalende bouwwerken met cultuurhistorische waarde risico’s op beschadiging lopen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja.
Kunt u aangeven wat tot nu toe de bevindingen zijn van de «aardschokwerkgroep» van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed? Welke conclusies verbindt u aan deze bevindingen?
Ja. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn 69 schademeldingen bekend bij Groningse rijksmonumenten. Bij NAM zijn meer meldingen binnengekomen. In principe lopen alle gebouwen in het aardbevingsgebied in Noord Oost Groningen het risico dat ze beschadigd worden, dus ook monumentale en gezichtsbepalende panden.
Wie is precies verantwoordelijk voor de handhaving van het krachtens artikel 11 van de Monumentenwet geldende verbod om een beschermd monument te vernielen? Klopt het dat diverse betrokken overheden de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de handhaving van de Monumentenwet naar elkaar toeschuiven, waardoor er de facto sprake is van een handhavingstekort? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat hier vanuit het kabinet coördinerend moet worden opgetreden om met adequaat ingrijpen verdere schade aan Groningse rijksmonumenten en gezichtsbepalende bouwwerken te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De Rijksdienst participeert vanuit haar rol als kenniscentrum en als adviseur bij vergunningprocedures in een «taskforce aardschokken» van de provincie Groningen, onder leiding van Steunpunt Libau. Deze taskforce zet zich ten behoeve van de eigenaren in voor een zorgvuldig en deskundig schadeherstel van monumenten en denkt mee over preventieve maatregelen. In de taskforce participeren ook NAM, de provincie en een vertegenwoordiger van de betrokken gemeenten. De Rijksdienst constateert dat er steeds beter wordt samengewerkt tussen de partijen. In het protocol en het handboek dat NAM hanteert, krijgt de aanpak van monumenten een aparte plek zodat maatwerk mogelijk is. De Rijksdienst constateert ook dat er nog veel werk aan de winkel is wat betreft schadeherstel, mogelijkheden voor preventieve maatregelen en communicatie met eigenaren. De inzet van de betrokken partijen blijft dus noodzakelijk.
Deelt u de mening dat de beschadiging van het nationale erfgoed in het aardbevingsgebied van Noord-Oost Groningen een halt moet worden toegeroepen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid op korte termijn te treffen?
Het huidige artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 legt de handhaving bij de lagere overheid. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 63, tweede lid, van de Monumentenwet 1988:
«Het bestuursorgaan dat met betrekking tot een monument bevoegd is om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van artikel 11, eerste lid, voor zover het een ander monument dan een archeologisch monument betreft.»
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waarbinnen het monument gelegen is, is bevoegd om handhavend op te treden.
Kunt u deze vragen vóór het rondetafelgesprek in de Kamer over het advies van de Commissie Duurzame toekomst Noord-Oost Groningen voorzien op 27 januari 2014 beantwoorden?
Het is duidelijk dat de gemeente verantwoordelijk is voor handhaving van de Monumentenwet 1988 bij overtreding van artikel 11, eerste lid, van die wet. Het betreft hier echter een uitzonderlijke situatie met vele uiteenlopende belangen die verder reiken dan gemeente of provincie. Wat het aspect monumenten betreft is het zeker noodzakelijk dat de betrokken overheden, zoals de ministeries van Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de provincie Groningen, de gemeenten en NAM goed samenwerken. Dit gebeurt nu al en er wordt hard gewerkt aan zowel herstel van schade alsook aan het onderzoek naar preventieve maatregelen en de zorg voor de eigenaren.
Ondertitelen van films als inbreuk op auteursrecht |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u op de hoogte van de berichtgeving «Ondertitelen van films als inbreuk op het auteursrecht»?1
Ja
Wanneer en waarom is sprake van inbreuk op het auteursrecht bij het ondertitelen van films zoals de ondertitelsites doen?
De dialogen uit een film zijn, net als een boek, auteursrechtelijk beschermd. Dit betekent dat dialogen uit een film niet mogen worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder de toestemming van de rechthebbende, behoudens de beperkingen bij wet gesteld (art. 1 Auteurswet). Een vertaling van dialogen in ondertitels is een vorm van verveelvoudiging, waarvoor toestemming nodig is van de rechthebbende van de oorspronkelijke dialogen (art. 13 Auteurswet). Hetzelfde geldt voor de openbaarmaking daarvan via het internet (art. 12 Auteurswet).
De rechthebbende kan degene die zonder zijn toestemming voornoemde vertalingen vervaardigt en openbaar maakt, aanspreken op schending van zijn auteursrecht. De rechthebbende kan ook een website aanspreken, die weliswaar zelf geen inbreuk pleegt, maar wel de inbreuk faciliteert door daarvoor een platform te bieden. De rechter heeft verschillende malen geoordeeld dat dit onder omstandigheden een onrechtmatige daad oplevert (zie bijvoorbeeld: Rb. Utrecht, 26 augustus 2009, LJN:BJ6008, Hof Amsterdam, 16 maart 2010, LJN:BL7920, Rb. Haarlem, 9 februari 2011, LJN:BP3757).
BREIN heeft aangegeven dat de websites Bierdopje.com en Simply Releases uit dien hoofde zijn aangeschreven. De websites boden gebruikers een platform waarop ongeautoriseerde ondertitels beschikbaar werden gesteld aan het publiek voor illegale kopieën van populaire, buitenlandse, films en tv-series.
In hoeverre is er sprake van inbreuk op het auteursrecht als samenvattingen van de filmtekst worden gegeven?
Het maken van een samenvatting van werken van letterkunde, wetenschap of kunst is in de regel toegestaan. Onder omstandigheden kan het maken van een samenvatting van een filmtekst onrechtmatig zijn.
Daarbij kan worden gedacht aan het integraal overnemen van grote gedeeltes van de inhoud (Vgl. Pres. Rb.»s-Gravenhage, 1 oktober 1985, KG 1985, 320). Voor de goede orde zij opgemerkt dat BREIN heeft aangegeven dat bij de ondertitels op de sites van Bierdopje.com en Simply Releases geen sprake was van een samenvatting.
Deelt u de mening dat de auteurswet innovaties op internet als ondertitelsites moet bevorderen in plaats van belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Buitenlandse films en tv-series zijn in toenemende mate beschikbaar via internet. Voorbeelden zijn Netflix, Pathé-Videoland en HBO. Ook bieden bijvoorbeeld Ziggo, UPC en KPN steeds meer video-on-demand diensten aan. Ik verwelkom deze ontwikkeling en zie daarin ook een bevestiging dat het auteursrecht daarvoor geen belemmering hoeft op te leveren. Eén van de manieren om het legale aanbod nog meer te stimuleren, is het verder versimpelen van het verkrijgen van toestemming van de rechthebbenden voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal. Dit kan door de verstrekking van auteursrechtlicenties te vereenvoudigen. Dit is altijd een speerpunt van mijn beleid geweest (Kamerstukken II, 29 838, nr. 29). Deze inzet heeft mede tot gevolg gehad dat in Brussel een akkoord aanstaande is over de richtlijn collectief beheer. Deze richtlijn versimpelt de uitgifte van multiterritoriale licenties voor het gebruik van muziek op het internet binnen de Europese Unie. De muziekmarkt vormt een ideale proeftuin voor de ontwikkeling van het online-aanbod van andere op grond van het intellectuele eigendomsrecht beschermde prestaties.
Deze innovatieve, online verdienmodellen verdienen een eerlijke kans, ongeacht of het nu gaat om muziek, films of e-boeken. Ik ben er beducht voor dat de legale markt voor muziek, films en e-boeken sterk wordt gehinderd door grootschalig en kosteloos aanbod van illegale bestanden, hoe innovatief de daaraan ten grondslag liggende uitwisselingsmethoden ook vaak mogen zijn. Dit geldt ook wanneer zelfgemaakte ondertitels ervoor zorgen dat illegaal, buitenlands, aanbod toegankelijk wordt voor Nederlandstaligen. De legale markt kan alleen een eerlijke kans krijgen als illegaal aanbod kan worden aangepakt.
Recent is de Europese Commissie een consultatie gestart over de hervorming van het auteursrecht2.
Een van de vragen hierbij is in hoeverre gebruikers problemen hebben ervaren bij de toegang tot diensten of het aanbieden daarvan in andere lidstaten. Momenteel bereid ik met mijn collega’s van OCW en EZ een reactie voor op deze consultatie. Een afschrift daarvan zal aan uw Kamer worden verzonden.
Mocht de (nieuwe) Europese Commissie op basis van de uitkomst van de consultatie besluiten een voorstel voor regelgeving te doen, dan zal ik uw Kamer daarover uiteraard ook informeren en mijn stellingname dienaangaande kenbaar maken.
Deelt u de mening dat door zelfgemaakte ondertitels ook films en series toegankelijk worden voor Nederlandstaligen, die (nog) niet met Nederlandse ondertitels uitgebracht zijn? Worden zelfgemaakte ondertitels, waarvoor geen commercieel alternatief is ook gezien als inbreuk op het auteursrecht? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de auteurswet zo dient te zijn ingericht dat innovatieve nieuwe (internet)diensten zich kunnen ontwikkelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanpassingen bent u van plan voor te stellen?
Zie antwoord vraag 4.
De spoorverbinding met Leeuwarden in verband met het besluit Leeuwarden te nomineren als Culturele Hoofdstad 2018 |
|
Duco Hoogland (PvdA), Jacques Monasch (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de reizigersstromen naar Culturele Hoofdsteden in Europa?
Ik ken niet de exacte aantallen extra reizigers naar deze steden, maar het is mij bekend dat een dergelijk evenement veel bezoekers trekt.
Deelt u de mening dat bezoekers van het evenement zo veel mogelijk gestimuleerd moeten worden de trein te pakken?
Elke reiziger kiest zelf zijn vervoermiddel. Maar ik vind dat het openbaar vervoer zo veel mogelijk een aantrekkelijk alternatief moet zijn, zodat de reizigers echt een keus hebben. Dat geldt nog sterker bij grote evenementen: als iedereen daar met de auto naartoe zou gaan ontstaan er problemen op de weg. Het is dus van belang dat bezoekers van Leeuwarden in 2018 kunnen kiezen voor de trein.
Kunt u aangeven of en op welke wijze NS om zal gaan met extra reizigers naar Leeuwarden met de trein?
Het is zaak dat organisatoren van grote evenementen tijdig contact opnemen met NS om te bespreken hoeveel bezoekers ze wanneer verwachten. Dat gebeurt bijvoorbeeld regelmatig bij grote popconcerten, voetbalwedstrijden en nationale evenementen als de Vierdaagse in Nijmegen. NS probeert dan in te spelen op de verwachte toename van reizigers door meer of langere treinen in te zetten of door de treinen tot een later tijdstip dan gebruikelijk te laten doorrijden. Ik neem aan dat Leeuwarden ruim op tijd met NS in gesprek zal gaan.
Overigens houdt ProRail bij het plannen van werkzaamheden en buitendienststellingen ook zo veel mogelijk rekening met grote evenementen.
Is er een mogelijkheid dat NS arrangementen introduceert voor reizigers zoals al bestaan via de website www.spoordeelwinkel.nl ?
Dit is primair een afweging voor NS. Het al of niet aanbieden van kortingen en arrangementen is bij uitstek een zaak van commerciële marketing. De vervoerconcessie bevat hierover geen voorschriften en dat vind ik terecht.
Herinnert u zich de Olympische Spelen-trein die NS inzette in 2012?
Ja. Ik vind dit een mooi voorbeeld van slimme marketing en PR waarmee NS goede reclame heeft gemaakt.
Zijn er manieren waarop NS het voor reizigers aantrekkelijk gaat maken om de trein naar Leeuwarden Culturele Hoofdstad te nemen?
Dit is een zaak van NS en Leeuwarden.
Bent u bereid om in de aanloop naar 2018, als Leeuwarden Culturele Hoofdstad is, NS te suggereren om te bezien of het mogelijk is een culturele hoofdstad-trein in te zetten en op te treden als partner van het evenement?
Met het stellen van deze vraag hebben de leden Hoogland, Jacobi en Monasch hun suggestie al geuit. Ik neem aan dat NS hier kennis van zal nemen.
Het verbod op de intocht van Zwarte Piet |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Raad Amsterdam Zuidoost «verbiedt» intocht Zwarte Piet?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie van de linkse anti-Zwarte Piet-coalitie van PvdA, D66 en zelfs de Christen Unie, dat Nederlandse tradities ondergeschikt zijn aan multicul-geneuzel?
Sinterklaas is een kinderfeest waar in dit jaargetijde veel kinderen van genieten en waar velen van ons dierbare jeugdherinneringen aan hebben. Het debat over het Sinterklaasfeest is de afgelopen tijd op allerlei plaatsen in de samenleving gevoerd. De discussie verliep niet altijd respectvol. Het is aan de samenleving om invulling te geven aan dit traditionele kinderfeest. Tradities kunnen hierbij mee ontwikkelen met nieuwe tijden. Zo blijven ze levend.
Zie voor de antwoorden op de vragen 2,3 en 4 ook de beantwoording van eerdere vragen van het lid Van Klaveren over bezwaren tegen het Sinterklaasfeest, u toegestuurd op 18-10-2013 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 288).
Deelt u de mening dat Zwarte Piet een onderdeel is van de Nederlandse cultuur en dat ook dient te blijven?
Het is aan de samenleving, aan de Sinterklaascomités en aan alle mensen die het Sinterklaasfeest vieren, om te bepalen of en hoe het feest wordt gevierd en welke onderdelen daarbij horen. Lokaal zijn in de viering verschillen te zien. Het is een feest dat door de jaren heen evolueert – zo werden kinderen vroeger wel gedreigd dat ze in de zak mee naar Spanje moesten. Nu hebben we Pieten in soorten en maten, zoals de Hoofdpiet, de Vergeetpiet en tegenwoordig ook de Regenboogpiet. Het kabinet waardeert het dat er op lokaal niveau naar gestreefd wordt het Sinterklaasfeest daadwerkelijk een feest te laten zijn voor iedereen.
Wat bent u van plan te doen nu linkse politici zowel de intocht van Zwarte Piet willen verbieden, als zijn aanwezigheid op scholen willen schrappen?
De intocht is een lokale aangelegenheid. Schoolbesturen zijn vrij om naar eigen inzicht feesten te vieren en deze vorm te geven.
De crisis in de archeologie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Wat is uw oordeel over de uitzending van EenVandaag, waarin de Nederlandse vereniging van archeologische opgravingsbedrijven de noodklok luidt over de kaalslag in de archeologie als gevolg van de economische crisis?1
Als er weinig gebouwd wordt, dan heeft dat direct invloed op de archeologie. Net als veel andere sectoren heeft ook de archeologiesector het momenteel moeilijk en hebben archeologen minder werk.
Is de werkgelegenheid in de commerciële archeologie inderdaad gekrompen van 500 banen in 2008 naar 300 banen in 2013 met een mogelijke verdere daling naar 250 banen eind 2014?
Op dit moment heb ik geen exacte cijfers over de werkgelegenheid. In een lopend onderzoek worden meer gegevens over de werkgelegenheid verzameld. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking tussen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de Nederlandse Vereniging van Archeologen en de Universiteit van Amsterdam. Dit onderzoek is onderdeel van een Europees project waarin de Nederlandse situatie ook vergeleken kan worden met die in andere Europese landen. De onderzoeksgegevens zijn eind dit jaar beschikbaar voor Nederland en worden openbaar gemaakt via de website van de Erfgoedmonitor van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed. Daarnaast zullen de resultaten van dit onderzoek ook verwerkt worden in de Erfgoedbalans waarvan publicatie is voorzien in 2015.
Hoeveel middelen heeft u de afgelopen tien jaar beschikbaar gesteld voor archeologie? Wat is het budget voor archeologie tot 2017?
In onderstaande tabel zijn de middelen voor Archeologie weergegeven die conform de begroting van OCW, hoofdstuk VIII binnen het begrotingsartikel van Cultuur beschikbaar zijn gesteld voor de inzet op Archeologie.
Bedragen x € 1 mln.
Begrotingsjaar
Bedrag
begroot
2003
9,1
2004
15,8
2005
13,9
2006
13,3
2007
17,6
2008
12,3
2009
1,8
2010
3,2
2011
1,2
2012
1,7
2013
2,0
2014
2,0
2015
1,5
2016
1,3
2017
1,5
Bron: Begrotingen OCW
Zoals deze cijfers laten zien is met name in de aanloop naar de invoering van de Wet archeologische monumentenzorg (Wamz, inwerkingtreding 1/9/2007) geïnvesteerd in de archeologie. Geld is vooral ingezet om gemeenten en provincies voor te bereiden op de verplichting de archeologie in te bedden in de ruimtelijke ordening. Nu dat gebeurd is, is naar aanleiding van de evaluatie van de Wamz geld beschikbaar gesteld voor de uitvoering van verbetervoorstellen onder andere op het terrein van gemeenten en onderzoek (TK, 2011–2012, 33 053, nr.3).
Ter toelichting op bovenstaande tabel nog het volgende. Vanaf 2002 ontvingen gemeenten en provincies jaarlijks een bestuurslastenvergoeding ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Wamz. Sinds september 2007 ontvangen gemeenten een structurele compensatie voor bestuurslasten inzake de bescherming van archeologisch erfgoed van € 6,35 mln. En de provincies ontvangen een structurele bijdrage van € 2,65 mln. Deze middelen zijn overgeheveld naar het gemeentefonds respectievelijk provinciefonds en maken daarom sinds de inwerkingtreding geen deel meer uit van de bedragen in de tabel.
In 2008 is vanuit het Fonds Economische Structuurversterking van het Ministerie van Economische zaken € 10 mln. beschikbaar gesteld voor het toekennen van specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten ter bestrijding van excessieve kosten als gevolg van archeologisch onderzoek.
Daarnaast is in de periode 2008 t/m 2010 in totaal een bedrag van € 3 mln. beschikbaar gesteld binnen het begrotingsartikel cultuur, inzet overige middelen cultureel erfgoed voor het wetenschappelijk onderzoek Odyssee.
Tot slot merk ik op dat vanaf 2007 jaarlijks binnen de begroting van Archeologie een bedrag van ca. € 0,6 miljoen word besteed aan de Commissie Milieu Effect Rapportage. De bijdrage aan deze commissie wordt vanaf 2014 afgebouwd.
Voor de periode 2012 t/m 2017 wordt per jaar een bedrag ingezet van € 1,25 miljoen voor de uitvoering van de verbetervoorstellen volgend uit de evaluatie van de Wamz in 2012.
Hoe oordeelt u over de cijfers uit de Erfgoedmonitor 2011–2012, waarin staat dat 45% van de gemeentes van mening is dat men te weinig personeel heeft en 43% van de gemeentes geen beleid heeft?
Gemeenten hebben sinds de vaststelling van de Wet op de archeologische monumentenzorg de wettelijke opdracht om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de archeologie. Uit de monitor van de Erfgoedinspectie 2011–2012 blijkt dat 96% van de gemeenten aangeeft de archeologie te hebben uitgewerkt in de (na 2007) vastgestelde bestemmingsplannen en 70% van de gemeenten geeft aan dit zelfs in alle bestemmingsplannen te doen. Het hebben van een archeologiebeleid is geen wettelijk verplichting, maar is, net als het hebben van een medewerker archeologie, een indicator voor de mate waarin de gemeente aandacht heeft voor de archeologie. Ik vind het een positief signaal dat uit de monitor blijkt dat 65% van de gemeenten beleid heeft vastgesteld voor archeologie en dat het merendeel van dit beleid ook actueel is (opgesteld na 2007). Dit sluit aan bij het eerdere beeld dat in 2012 naar voren kwam uit de evaluatie van de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Wat betreft de personele bezetting constateer ik uit de monitorgegevens dat 45% van de gemeenten vindt dat zij meer personeel zouden willen hebben voor archeologie maar dat de tevredenheid over de bezetting ten opzicht van 2009–2010 is toegenomen.
Klopt het dat de normen voor archeologisch onderzoek door veel gemeentes steeds verder worden opgerekt? Hoe oordeelt u hierover?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de omgang met archeologie op gemeentelijk niveau. Gemeenten moeten afwegingen maken. Niet alleen ten aanzien van de archeologie, maar ook ten aanzien van vele andere belangen. Als gevolg van het huidige economische klimaat maken gemeenten scherpere keuzes. Ik sluit niet uit dat dit in de praktijk leidt tot minder of eenvoudiger archeologisch onderzoek. Gemeenten hebben op dit punt beleidsvrijheid, uiteraard binnen de grenzen van het bestuursrecht. Het is aan de provincies om toezicht te houden.
Wat gaat u ondernemen om de crisis in de archeologie te verhelpen? Bent u bereid om erop aan te dringen dat gemeentes in gesprek gaan met de sector om tot een goede oplossing te komen?
Ten aanzien van mijn opvatting over de crisis in de archeologie verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Op het vlak van de gemeentelijke zorg voor de archeologie is nog ruimte voor verbetering. Het is aan de gemeente om de bestuurlijke afweging te maken tussen erfgoedbehoud en andere belangen. Gemeentes worden ondersteund bij hun kennisontwikkeling door mijn Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed:
Deelt u de mening dat er een volwaardig vervolg moet komen op de pilot Odyssee uit 2009 waarin universiteiten, overheden en bedrijven samenwerken aan reconstructie van delen van het verleden? Zo nee, waarom niet?
Eén van de verbetervoorstellen uit de evaluatie van de Wamz (TK, 2011–2012, 33 053, nr. 3) is het onderzoeksprogramma «Oogst voor Malta». Dit kan gezien worden als een vervolg op het onderzoeksprogramma Odyssee. Doel van het programma «Oogst voor Malta» is het uitvoeren van archeologische overzichtsstudies, waarbij standaardrapportages worden opgewerkt tot synthese die leiden tot kennisvermeerdering over ons verleden. Het programma wordt uitgevoerd in samenwerking met andere partijen zoals universiteiten, archeologische bedrijven en andere overheden. De eerste zes studies in dit kader zijn onlangs van start gegaan.