Het bericht ‘Oeganda komt opnieuw met wet voor doodstraf homoseksualiteit’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Oeganda komt opnieuw met wet voor doodstraf homoseksualiteit»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er landen zijn die homoseksualiteit als onnatuurlijk bestempelen?
Ja. Nederland neemt volledig afstand van dit soort uitspraken.
Hoe oordeelt u over de uitspraak «Oegandezen vinden homoseksualiteit onnatuurlijk, maar op scholen vinden massale wervingsacties plaats waarbij homo's de leugen verkondigen dat mensen zo worden geboren»?
Het kabinet keurt deze uitspraak van de Oegandese Minister voor Ethiek en Integriteit Simon Lokodo zeer sterk af.
Heeft u of gaat u contact opnemen met uw Oegandese ambtsgenoot over deze uitspraak en de misvatting dat homoseksualiteit een ernstige misdaad zou zijn die bestraft moet worden met de doodstraf? Zo ja, hoe verliep dat contact? Zo nee, waarom niet?
De EU-ambassadeurs in Kampala hebben, nadat berichten over de uitspraken van Minister Lokodo de media bereikten, de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken Sam Kutesa hierop aangesproken. Minister Kutesa verzekerde hen ervan dat de Oegandese regering geen plannen heeft om de zogenaamde «anti-homowet» opnieuw in het parlement ter tafel te brengen en dat de uitspraken van Minister Lokodo niet het Oegandese kabinetsstandpunt vertegenwoordigen. Inmiddels heeft de regeringswoordvoerder ook in de media laten weten dat het kabinet niet van plan is om (opnieuw) een wet aangaande de doodstraf voor homoseksualiteit in te dienen.2 Gezien de informatie die de EU-ambassadeurs hebben gedeeld, ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om contact op te nemen met de Oegandese ambtsgenoten. Uiteraard blijft het kabinet de ontwikkelingen op dit gebied zeer nauwlettend volgen. Tijdens de laatste politieke dialoog tussen de EU en Oeganda (Artikel 8-dialoog) d.d. 4 mei 2019 heeft de EU het vraagstuk van LGBTI-rechten aangekaart bij president Museveni.
Deelt u de zorgen over het verbod in veel Afrikaanse landen op homoseksualiteit en de straffen die daarbij worden opgelegd? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Heeft u deze zorgen gedeeld met gelijkgezinde landen om een gezamenlijke reactie te formuleren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gelijkgezinde landen zijn hierbij betrokken?
De situatie in Oeganda is tussen leden van de Equal Rights Coalition besproken. Zoals vermeld bij vraag 4 is gebleken dat de Oegandese regering niet van plan is om een wet aangaande de doodstraf op homoseksualiteit in te dienen. Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om een gezamenlijke reactie te formuleren.
Deelt u de mening dat mensen in vrijheid zouden moeten kunnen leven ongeacht hun geaardheid?
Die mening deelt het kabinet volledig.
Op welke wijze geeft u hier aan het prioritaire thema gelijke rechten voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgender en intersekse personen (LHBTI) invulling?
Gelijke rechten van LHBTI’s is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Hierbij richt Nederland zich specifiek op de afschaffing van strafbaarstelling van homoseksualiteit, het tegengaan van discriminatie en geweld en het bevorderen van sociale acceptatie.
In Oeganda steunt de Nederlandse ambassade mensenrechtenverdedigers via een regionale mensenrechtenorganisatie. LHBTI-mensenrechtenverdedigers zijn een specifieke doelgroep van het werk van deze organisatie. Ook is de Nederlandse ambassade in Kampala, samen met gelijkgezinde landen, regelmatig in contact met LHBTI-organisaties om hun zorgen te inventariseren en hun een platform te bieden voor bijeenkomsten die anders moeilijk te organiseren zijn. Daarnaast is het belang van een actief maatschappelijk middenveld, waarin mensenrechtenverdedigers, inclusief die op het terrein van LHBTI, veilig hun werk moeten kunnen doen, onderwerp van de dialoog tussen Nederland en de Oegandese autoriteiten. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 is dit onderwerp ook tijdens de Artikel 8-dialoog van 4 mei jl. aan de orde gekomen.
Seksuele intimidatie op de werkvloer bij universiteiten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Universiteiten bieden onvoldoende bescherming tegen intimidatie op de werkvloer»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat klachten over seksuele en wetenschappelijke intimidatie veelal niet serieus worden genomen in de academische wereld? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, hoe verklaart u dat de respondenten in het onderzoek aangeven dat slechts de helft van de klachten in behandeling is genomen, waarvan slechts één klacht naar tevredenheid is afgehandeld?
Ik herken het beeld dat in de studies wordt geschetst en ik zie dat seksuele en wetenschappelijke intimidatie een probleem vormt binnen de academische wereld. Tegelijkertijd zie ik dat het onderwerp serieus wordt opgepakt en hoog op de agenda staat. De rapporten van het LNVH en het FNV/VAWO over dit onderwerp hebben zowel de Kamer, het ministerie als de universiteiten tot actie aangespoord. Zodoende heeft VSNU dit voorjaar een statement uitgebracht waarin alle vormen van intimidatie en wangedrag door de universiteiten worden verworpen.2 Op dit moment zijn er veel acties in gang gezet door alle universiteiten, zoals verschillende trainingen en het herzien van hun eigen procedures rond meldingen van intimidatie. Intimidatie betreft een veelzijdig en diepgeworteld probleem, waar meerdere initiatieven nodig zijn om een cultuuromslag kracht bij te zetten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met universiteitsbestuurders over seksuele en wetenschappelijke intimidatie op de werkvloer en het serieus nemen van klachten? Zo nee, hoe duidt u dat universiteitsbestuurders volgens de onderzoeker stellen dat wangedrag op hun universiteit niet voorkomt?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Ik ben hierover al in gesprek met de VSNU. Bovenal spreek ik de universiteiten aan op hun rol als goede werkgever. Ik kom daarbij geen bestuurders tegen die beweren dat wangedrag in hun instelling niet voorkomt. De opmerking in het artikel komt dan ook niet overeen met mijn beeld. Sinds de publicatie van rapporten zoals «Harassment in Dutch academia»3 is er een actieve discussie op gang gekomen, waarin ik zie dat het probleem wordt erkend en besproken. De verschenen rapporten schetsen de status quo vóór deze discussie, op dit moment zijn alle partijen betrokken om intimidatie te bespreken en bespreekbaar te maken.
Deelt u de opvatting van de onderzoeker dat we slechts het topje van de ijsberg in kaart hebben waar het gaat om seksuele en wetenschappelijke intimidatie? Wat gaat u eraan doen om hier een completer beeld van te krijgen waarmee we preventiever kunnen optreden, slachtoffers een helpende hand kunnen bieden en plegers kunnen aanpakken?
Aangezien er een lage meldingsfrequentie in de studie naar voren komt, hebben we inderdaad geen zicht op de werkelijke omvang van het probleem. Elk incident is er echter één te veel. Daarom wil ik ook niet met actie wachten totdat we meer data hebben. Het beeld is en blijft helder. De VSNU (en haar leden) heeft bij mij aangegeven dat zij maatregelen hebben genomen – en blijft nemen – om verdere misstanden te voorkomen.
Verder loopt er op dit moment een pilot ombudspersoon binnen vier universiteiten. In december is een tussenevaluatie van deze pilots gereed. Deze tussenevaluatie wordt betrokken bij het vervolg op de motie Van Meenen. Op basis van deze gegevens informeer ik de Kamer zo snel mogelijk daarna over het vervolgproces, zoals u verzoekt in uw Commissiebrieven met kenmerk 2019D40244 en 2019D41543. Daarbij zal ik ook nader ingaan op de stappen die universiteiten nu nemen. Daarnaast ben ik met de KNAW en LNVH in gesprek over een mogelijk onderzoek naar de preventie en aanpak van intimidatie, dit ook gezien de samenhang van toekomstige acties met wetenschappelijke integriteit en wetenschapsbeleid.
Wat is uw reactie op de door de onderzoeker geponeerde stelling dat vertrouwenspersonen onvoldoende onafhankelijk zijn als het om seksuele en wetenschappelijke intimidatie gaat? Hoe kijkt u in dit licht aan tegen de suggestie om een onafhankelijk nationaal instituut op te richten?
Momenteel zijn enkele universiteiten bezig met het invullen van een ombudsfunctie. De VSNU en ik willen de uitkomsten hiervan afwachten, maar zijn zeker van plan verdere stappen te nemen. Ik hoop dat de ombudsfunctie een belangrijke rol kan vervullen, maar wil ook benadrukken dat een ombudspersoon geen panacee vormt om intimidatie op te lossen. Uit mijn gesprekken met het veld lijkt één nationaal instituut geen oplossing te vormen voor het probleem. Op de lange termijn dient de cultuur binnen universiteiten te veranderen, om zo wangedrag te voorkomen. Verder hoop ik dat mijn inspanningen om het universitaire systeem minder competitief te maken, door samenwerking te bevorderen, op termijn ook een positieve invloed heeft op de algemene cultuur binnen universiteiten.
Het stagnerende aantal vrouwen in adviescolleges voor de bij het Rijk |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Aantal vrouwen in adviescolleges Rijk stagneert»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal vrouwen in adviescolleges de laatste jaren stagneert en de vertegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond daalt? Kunt u daarbij ingaan op wat uw verklaring is voor de kantelpunten in de verhoudingen na 2010 en 2016?
Hoe verklaart u dat het wettelijke streven naar een evenredige verhouding in adviescolleges sinds 1997 nog altijd niet is gehaald?
Wat is uw reactie op de bevinding dat de handreiking om tot dit streven te komen niet bij elk adviescollege bekend is? En op welke termijn gaat u er zorg voor dragen dat elk adviescollege deze handreiking kent?
Deelt u de mening dat diversiteit van meerwaarde is voor de kwaliteit van adviescolleges? Zo ja, wat gaat u doen om de adviescolleges meer divers te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een tijdpad vast te stellen om met alle adviescolleges tot een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen te komen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u in het licht van een evenredige vertegenwoordiging in adviescolleges aan tegen een wettelijke verplichting daartoe, en kunt u daarbij ook ingaan op het onlangs verschenen rapport van de SER omtrent quota?
De toename van het aantal kinderen dat in een crisisopvang woont |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel meer kinderen in daklozenopvang: «Het maakt ze bang»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een crisisopvang geen geschikte woonomgeving is voor een opgroeiend kind? Vindt u net als de vragenstellers onacceptabel dat kinderen de dupe worden van de penibele situatie op de woningmarkt?
Ja, ik ben van mening dat elk kind gezond, veilig en zo thuis mogelijk moet kunnen opgroeien. De crisisopvang is alleen bedoeld voor noodsituaties en geen geschikte woonomgeving, zeker niet voor de langere termijn.
Uit cijfers van Federatie Opvang blijkt dat er meer mensen gebruik maken van de maatschappelijke- en vrouwenopvang dan een aantal jaar geleden. Mogelijk kan een gebrekkige doorstroom van mensen uit de maatschappelijke- en vrouwenopvang naar andere vormen van (zelfstandige) huisvesting eraan bijdragen dat kinderen langer dan noodzakelijk in een opvangsituatie verblijven. Dat is kwalijk, en zorgt er bovendien voor dat deze schaarse plekken in de opvang niet voor andere personen in nood kunnen worden ingezet. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties kunnen op lokaal en regionaal passend woon(zorg)beleid en bijbehorende (prestatie)afspraken maken, zodat gezinnen die daaraan toe zijn, spoedig de opvang kunnen verlaten.
Bovendien vindt het kabinet het belangrijk dat er voldoende geschikte en betaalbare woningen zijn. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties trof daarom een pakket aan maatregelen. Met een woningbouwprogramma van 2 miljard euro kunnen er sneller en meer betaalbare woningen worden gebouwd in een goede leefomgeving. Verhuurders kunnen vanaf 2020 een vermindering van de verhuurderheffing van € 25.000 per woning krijgen indien ze nieuwe goedkope huurwoningen bouwen. Om ook op de kortere termijn de bouw van woningen te stimuleren, kunnen nieuwe tijdelijke woningen vrijgesteld worden van de verhuurderheffing. Beide maatregelen zijn deel van het Belastingplan. Tot slot sloot de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eerder dit jaar woondeals met 5 regio’s waar sprake is van grote woningtekorten.
Er zijn geen recente onderbouwde cijfers bekend over het aantal kinderen dat momenteel in de vrouwen- of maatschappelijke opvang woont. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ziet hier wel het belang van in en zal daarom op de korte termijn een onderzoek uitzetten om dit inzichtelijk te krijgen.
Kunt u een overzicht bieden van gemeenten die positieve stappen hebben gezet, zoals speciale opvangcentra voor gezinnen, en bent u bereid dergelijke initiatieven verder te ontwikkelen en landelijk uit te rollen als tijdelijke oplossing?
Vanuit de Wmo en de Jeugdwet zijn gemeenten primair verantwoordelijk voor de opvang van gezinnen. Momenteel zijn wij, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, samen met Federatie Opvang en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in gesprek om te bekijken of er goede initiatieven in beeld gebracht kunnen worden, zodat gemeenten en opvanginstellingen van elkaar kunnen leren. Bij het ontwikkelen van een landelijke aanpak wordt de ruimte voor lokaal maatwerk beperkt, waardoor de kracht en effectiviteit van de aanpak verloren kan gaan.
Bent u bereid gehoor te geven aan de oproep van Stichting Kinderpostzegels en deze problematiek te bespreken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)?
De oproep die de Stichting Kinderpostzegels doet is: «De Stichting Kinderpostzegels hoopt het daklozenprobleem op de agenda van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te krijgen. Volgens Brinks moeten gezinnen die dreigen op straat te belanden voorrang krijgen voor een woning.» Deze oproep is gericht aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Wij hebben vernomen dat beide organisaties hierover met elkaar in gesprek zijn. Daarnaast is de Vereniging van Nederlandse Gemeenten nauw betrokken bij de aanpak van de daklozenproblematiek en bij de aanpak van de verbetering van de positie van kinderen in de opvang. Uiteraard speelt de Federatie Opvang hierbij ook een belangrijke rol en ook zij zijn hier nauw bij betrokken.
Deelt u de mening van Stichting Kinderpostzegels dat gezinnen die dreigen dakloos te worden voorrang dienen te krijgen voor een woning?
Woonruimteverdeling is een lokale verantwoordelijkheid, waarbij gemeenten diverse mogelijkheden hebben om groepen woningzoekenden met voorrang te huisvesten. Ook het verstrekken van urgentie voor gezinnen die nog niet dakloos zijn, maar dat dreigen te worden, kan een lokale keuze zijn. Iedere gemeente met een huisvestingsverordening kan daartoe een urgentieregeling opstellen. Indien een gemeente gebruik maakt van een huisvestingsverordening waarin urgentiecategorieën zijn bepaald, dan behoren mantelzorgers en «personen die in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met
problemen van relationele aard of geweld verblijven» (blijf-van-mijn-lijf huizen of ook wel vrouwenopvang genoemd) volgens artikel 12 van de Huisvestingswet in ieder geval tot de urgente woningzoekenden. Gezinnen die in de vrouwenopvang verblijven, krijgen in die gemeenten dus voorrang voor een woning.
De gemeente(raad) kan daarnaast aanvullende categorieën woningzoekenden aanwijzen voor urgentie in een urgentieregeling. In de praktijk maken woningcorporaties, gemeenten, en huurdersorganisaties, met betrokkenheid van zorgorganisaties, prestatieafspraken over aantallen sociale huurwoningen die via directe bemiddeling worden toegewezen aan mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang, of verstrekt een lokale urgentiecommissie een urgentieverklaring op basis van de beoordeling van de specifieke situatie van huishoudens in een onhoudbare situatie.
Welk verband ziet u tussen de gebrekkige doorstroom van daklozen- en vrouwenopvang naar huurwoningen en de zorgwekkende toename van het aantal kinderen dat in een crisisopvang woont?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid dit probleem specifiek aan te stippen in het actieplan voor de daklozenproblematiek dat u komend najaar heeft aangekondigd en hier concrete maatregelen voor te presenteren?
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt dit plan op dit moment uit. Dit najaar zal hij uw Kamer hier nader over informeren.
De wachtlijsten bij het speciaal onderwijs |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scholen voor speciaal onderwijs bezwijken onder wachtlijsten»?1
Ja.
Heeft u zicht op de hoogte van de huidige wachtlijsten in het speciaal basis- en voortgezet speciaal onderwijs? Zo ja, kunt u de cijfers per ommegaande met de Kamer delen? Zo nee, deelt u de mening dat het van belang is een dergelijk inzicht te hebben en bent u bereid de wachtlijsten inzichtelijk te maken?
Er is geen informatie beschikbaar van het aantal leerlingen dat op een wachtlijst voor het speciaal basis onderwijs (sbo) en (voortgezet) speciaal onderwijs (v)so staat. Ik deel uw mening dat het goed zou zijn om hier meer inzicht in te krijgen. Ik ben bereid te verkennen of en zo ja hoe we deze informatie inzichtelijk kunnen krijgen.
Deelt u de stelling van het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs dat zich «dramatische situaties» voordoen in het speciaal onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment kan er landelijk gezien nog geen uitspraak worden gedaan over de situatie in het (v)so. De definitieve cijfers over de instroom dit schooljaar in het sbo en (v)so zijn op dit moment nog niet bekend. De gegevens van afgelopen schooljaren laten een lichte toename van de instroom in het sbo en so en een daling in het vso zien.
Ziet u een verband tussen enerzijds het lerarentekort en de daarmee te hoge werkdruk in het reguliere onderwijs, en anderzijds de toename van het aantal leerlingen dat wordt doorverwezen naar het speciaal onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Afgelopen schooljaar was er sprake van een lichte toename van de instroom in het sbo en so. In het sbo komt de lichte stijging met name door de instroom vanuit het regulier basisonderwijs, gevolgd door de instroom van jonge leerlingen die direct naar het sbo gaan. De lichte stijging in het so wordt vooral veroorzaakt door deze laatste groep.
In het vso is er sprake van een afname van de instroom.
Het kabinet heeft via de werkdrukmiddelen in 2019 € 333 miljoen beschikbaar gesteld om de werkdruk in het basisonderwijs te verminderen. De komende jaren loopt dit bedrag op tot € 430 miljoen. Scholen besteden deze middelen over het algemeen aan extra handen in de klas. Of dit al dan niet lijdt tot een daling van de instroom van het sbo is niet te zeggen.
Wat doet u om de lerarentekorten specifiek in het speciaal basis- en voortgezet speciaal onderwijs aan te pakken?
De aanpak van de tekorten in het (v)so loopt mee in de brede aanpak langs de zes lijnen. Ook kan het (v)so meedoen in de regionale aanpak, waarbinnen ruimte is om specifiek voor groepen scholen activiteiten in te plannen. In aanvulling hierop hebben de PO-Raad en OCW in drie regio’s gesprekken georganiseerd met alle betrokkenen (scholen, besturen, opleidingen en gemeenten). Doel van deze bijeenkomsten was het inventariseren van knelpunten en oplossingsrichtingen. Op basis van de resultaten worden vervolgacties gepland. In de brief over het lerarentekort in december wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u een verband tussen het tekort aan leraren in het voortgezet speciaal onderwijs en het gegeven dat de leraren in die onderwijssector onder de cao van het primair onderwijs vallen? Zo ja, deelt u de mening dat zij idealiter volgens de cao van het voortgezet onderwijs zouden moeten worden betaald? Zo nee, hoe verklaart u de relatief hoge tekorten in deze onderwijssector?
Het is niet aan het Rijk, maar aan de sociale partners om te bepalen wie onder welke cao valt. Overigens biedt de huidige cao in het po wel ruimte om leraren die in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs (bijvoorbeeld havo/vwo) lesgeven een hoger salaris te bieden. Over het algemeen zitten leraren in het vso ook in een hogere salarisschaal dan in het reguliere basisonderwijs. Scholen gaan zelf over hun personeelsbeleid. De sociale partners kunnen hierover ook aanvullende afspraken maken.
Kunt u inzichtelijk maken wat het kost om leraren in het voortgezet speciaal onderwijs onder de cao van het voortgezet onderwijs te laten vallen? Kunt u daarbij ingaan op uw berekening?
Optie
Bedrag
(V)so vervolgonderwijs cao vo onderwijzend personeel
Ca. € 35 mln.
(V)so alle leraren cao vo onderwijzend personeel
Ca. € 120 mln.
Om alle leraren in het (v)so met het uitstroomprofiel vervolgonderwijs onder de cao vo te laten vallen is structureel circa € 35 miljoen nodig. Om alle leraren in het (v)so onder de beloning van de cao vo te laten vallen is structureel circa € 120 miljoen benodigd. Idee hierbij is dat (v)so-leraren op basis van de huidige schaal en trede in de cao po worden ingepast in de cao vo2.
Verder moet bij het onderbrengen onder de cao vo rekening gehouden worden met het feit dat naast de beloningskosten ook kosten ontstaan doordat ook andere arbeidsvoorwaarden gaan gelden voor (v)so-leraren zoals een ander aantal lesgevende uren.
Absurde uitzendtarieven in het onderwijs |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schoolleiders kritisch op grote rol uitzendbureaus»?1
Ja, dat bericht ken ik.
Dit is een terugkerend onderwerp en zoals ik eerder heb aangegeven in antwoord op vragen van uw Kamer2 vind ik het onwenselijk wanneer de uitzendbureaus de schaarste op de arbeidsmarkt in het onderwijs aangrijpen om de tarieven te verhogen.
Hoeveel geld dat voor lerarensalarissen is bestemd gaat nu naar uitzendbureaus? Hoeveel extra leraren hadden met dit geld kunnen worden aangenomen? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk dat geld dat bedoeld is voor leraren naar op geldbeluste uitzendbureaus gaat? Wanneer komen de uitkomsten van de pilot van DUO waarin wordt gepoogd meer inzicht te krijgen in de verhouding leraren in loondienst en uitzendkracht?
De exacte uitgaven aan uitzendbureaus in het primair onderwijs ken ik niet. Op basis van informatie uit de jaarverslagen kennen we wel de totale lasten voor het personeel niet in loondienst (PNIL). In 2018 bedroegen die lasten in het po € 377 miljoen. Het gaat hierbij om zowel uitzendkrachten, ZZP-ers en ander personeel dat niet in loondienst is bij de school. Deze personeelslasten betreffen 4,2% van de totale personeelsuitgaven.
In 2018 bedroegen de uitgaven aan de PNIL in het vo € 266 miljoen, dat betreft 3,7% van de totale personeelsuitgaven. In het mbo bedroegen de uitgaven aan de PNIL € 300 miljoen, dat betreft 7,9% van de totale personeelsuitgaven.
Ik deel de mening dat het zeer onwenselijk is als onderwijsgeld naar uitzendbureaus gaat die de schaarste op de arbeidsmarkt in het onderwijs aangrijpen om de tarieven te verhogen. Zoals ik eerder heb aangegeven, is mijn beeld wel dat het om uitwassen gaat. Desalniettemin wil ik meer inzicht verkrijgen op het personeel dat niet in dienst is bij de werkgever, maar via een andere route werkzaamheden op de school verricht. Dit is ook in lijn met de destijds aangenomen motie van de leden Westerveld (GroenLinks) en Kwint (SP) om inzichtelijk te maken hoeveel geld schoolbesturen nu uitgeven aan personeel dat niet in loondienst is.3
Op dit moment vindt door DUO een pilot plaats over de wijze waarop deze informatie het beste kan worden verkregen. Het genereren van deze informatie is complex, daarom zijn er nog geen resultaten te melden.
Klopt het dat de tot nu toe gepleegde inzet met onder andere de PO-raad ten aanzien van bewustwording onder schoolbesturen omtrent de onwenselijkheid van het werken met uitzendbureaus niet heeft geleid tot minder uitzendwerk? Gaat u daarom met de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) en de PO-Raad opnieuw om tafel om afspraken, bijvoorbeeld door het opstellen van een zwarte lijst, te maken dat scholen geen gebruik meer maken van commerciële uitzendbureaus die absurde tarieven vragen?
Schoolbesturen hebben zich op verschillende plekken uitgesproken tegen de inzet van (te dure) uitzendbureaus. Op dit moment komen schoolbesturen daarom gezamenlijk tot afspraken over de inschakeling van uitzendbureaus. Ik vind dat een heel positieve ontwikkeling. In tijden van tekorten kan een beroep gedaan worden op uitzendbureaus. Het heeft mijn voortdurende aandacht en is onderwerp van gesprek op de Landelijke tafel lerarentekorten.
Gaat u bovendien scholen vragen om bij het jaarverslag te melden welk deel van de lumpsum wordt besteed aan externe inhuur?
Scholen leveren jaarlijks via de jaarverslagen gegevens over de uitgaven aan het personeel niet in loondienst als aandeel van de totale loonkosten.
Hoe beoordeelt u het gedrag van uitzendbureaus die misbruik maken van tekorten in een sector en daardoor extreem hoge tarieven te vragen? Bent u, voor de korte termijn, bereid de uitzendbranche (ABU & NBBU) aan te spreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en er bij hen op aan te dringen te stoppen met het vragen van absurde tarieven voor het inhuren van leraren? Zo nee waarom niet?
Zoals aangegeven in bovenstaande antwoorden, vind ik het gedrag van uitzendbureaus om de schaarste te benutten voor het extreem verhogen van de uitzendtarieven zeer onwenselijk. Het blijft echter aan de schoolbesturen zelf om te kiezen voor een uitzendbureau en afspraken te maken over het tarief. Op verschillende plekken worden ook door schoolbesturen gezamenlijk afspraken gemaakt. Ik vind het op dit moment niet nodig om met de uitzendbranche specifiek over de rol van uitzendbureaus in het onderwijs te spreken.
Bent u bereid te kijken om, zoals ook schoolbesturen aangeven, commerciële uitzendbureaus die absurde tarieven hanteren te verbieden in het onderwijs?
Ik heb begrip voor de zorgen die besturen over de hoogte van deze kosten hebben. Uitzendbureaus bepalen echter zelf hun tarieven en daarom kan ik (extreem) hoge tarieven helaas niet verbieden.
Ik vind het belangrijk om de ontwikkelingen te blijven volgen, maar schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het werven en aanstellen van personeel. Dit geldt ook voor de inhuur van personeel. Het is aan de schoolbesturen om te bepalen van welke uitzendbureaus zij uitzendpersoneel willen afnemen en tegen welke tarieven zij dit doen.
Deelt u de mening dat maatschappelijke uitzendbureaus, zonder winstoogmerk, het inhuren bij piek en ziek onder fatsoenlijke voorwaarden zouden moeten aanbieden? Bent u bereid om dit mee te nemen in het onderzoek2 naar een vergunningstelsel in de uitzendbranche?
In het kader van de afwegingen met betrekking tot een vergunningstelsel is mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in gesprek met de betrokken partijen in de uitzendbranche. Hierbij wordt naar de uitzendsector in den brede gekeken.
Het bericht ‘Regenwoudmaffia’ vermoordt en bedreigt inwoners Amazone’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Regenwoudmaffia vermoordt en bedreigt inwoners Amazone» van 17 september jl. en van het rapport «Rainforest Mafias» van Human Rights Watch?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de ontwikkelingen die er gaande zijn in het Amazonegebied nu sinds het aantreden van president Bolsonaro de handhaving van milieuwetgeving is teruggeschroefd?
Ja.
Wat vindt u van de kritiek van de Braziliaanse president op mensen en belangenorganisaties die het regenwoud proberen te beschermen?
Het is onduidelijk op welke uitspraken van de president de artikelen doelen. Duidelijk is dat president Bolsonaro meent dat er meer ruimte zou moeten komen voor economische exploitatie van de Amazone, en daarbij tegenover belangenorganisaties komt te staan die bescherming van het regenwoud centraal stellen. Waar dit leidt tot kritiek op en verbale bedreigingen van milieuorganisaties, is dit uiterst zorgelijk. Waar dit leidt tot geweld en mensenrechtenschendingen is dit onacceptabel.
Heeft u over deze uitspraken contact opgenomen met uw ambtsgenoot om uw zorgen over te brengen? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft en marge van de AVVN op 26 september gesproken met zijn ambtgenoot Ernesto Araújo en daarbij de Nederlandse zorgen uitgesproken over de ontbossingsproblematiek in Brazilië.
Heeft u contact opgenomen met uw ambtsgenoot om uw zorgen te uiten over het vermoorden en bedreigen van de mensen die het oerwoud willen beschermen tegen illegale houtkap door criminele organisaties? Zo ja, is het bekend wat de Braziliaanse overheid doet tegen deze criminele organisaties? Zo nee, bent u bereid alsnog deze zorgen over te brengen en te vragen naar een plan van aanpak?
De Nederlandse regering blijft in de dialoog Brazilië aandringen op adequate bescherming van mensenrechten en van de Amazone. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de ontbossingsproblematiek ook aangekaart bij zijn ambtgenoot Ernesto Araújo. Ook in overleg met EU-partners zijn dit terugkerende thema’s. Geconstateerd moet worden dat het wetgevend kader om op te treden tegen criminele organisaties aanwezig is, maar de financiële middelen en de politieke wil om dat kader te handhaven tekort schieten.
Is er na de politieke consultaties van de Directeur Generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met zijn Braziliaanse ambtgenoot in Brasilia in mei 2019 nog op dit niveau contact geweest? Zo ja, is ook over dit onderwerp gesproken? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur spreekt met grote regelmaat met verschillende Braziliaanse ministers over de situatie in de Amazone, zowel bij gezochte als ongezochte gelegenheden. Daarbij komt de gebrekkige handhaving van de eigen milieuwetgeving ook ter sprake. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de ontbossingsproblematiek ook aangekaart bij zijn ambtgenoot Ernesto Araújo in een gesprek op 26 september jl.
Hoe vaak heeft de Nederlandse ambassadeur in de afgelopen weken over de Amazone gesproken met de Braziliaanse overheid? Zijn de criminele organisaties daarbij ook ter sprake gekomen?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre heeft u over het bovenstaande contact opgenomen met uw Europese ambtsgenoten om hierbij gezamenlijk op te trekken?
Zowel in Brussel als in Brasilia is de Amazone geregeld onderwerp van gesprek tussen Europese partners.
Is er sprake van samenwerking op Europees niveau in het contact met de Braziliaanse overheid als het de zorgen over het Amazone gebied betreft? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u aangeven over welke nieuwe initiatieven wordt gesproken in de dialoog en samenwerking met de Braziliaanse overheid en andere belanghebbenden ter verduurzaming van de productie van agrarische grondstoffen?
In de dialoog met de Braziliaanse overheid wordt op verschillende niveau’s gezocht naar samenwerking t.a.v. het tegengaan van ontbossing en verduurzaming van landbouw en veehouderij in Brazilië, waarbij ook het Wereldnatuurfonds en partners als Solidaridad en IDH een belangrijke rol spelen.
Overweegt u naar aanleiding van deze ontwikkelingen maatregelen om uw zorgen met betrekking tot de illegale houtkap van het Amazonegebied kracht bij te zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van illegale houtkap is expliciet in het duurzaamheidshoofdstuk van het EU-Mercosur Handelsakkoord opgenomen.
In algemene zin is de Nederlandse inzet gericht op de verduurzaming van de wijze waarop soja wordt geproduceerd, inclusief de milieuproblematiek, de verbetering van arbeidsomstandigheden en naleving van mensenrechten. Dit geldt ook de inzet voor de samenwerking met Brazilië. In dit beleid stimuleert Nederland de private sector om duurzaam geproduceerde grondstoffen in te kopen en de marktvraag naar gecertificeerd duurzame en ontbossingsvrije producten binnen de Europese Unie en daarbuiten te vergroten.
De Nederlandse overheid stimuleert dit met een actieve inzet binnen het Amsterdam Declarations Partnership (ADP). In het ADP werkt Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk naar een gezamenlijke aanpak tegen ontbossing t.b.v. de uitbreiding van landbouwgrond voor soja. Mede op aandringen van het ADP heeft de Europese Commissie in juli een Mededeling gepubliceerd waarin maatregelen worden voorgesteld voor een Europese aanpak ter bescherming en het herstel van bossen in de wereld met bijzondere aandacht voor de aanjagers van ontbossing zoals soja. Het BNC-fiche over de Mededeling is onlangs aan uw Kamer toegestuurd.
Wat vindt u van de oproep van milieuorganisaties tot het matigen van het gebruik van Braziliaanse soja om het regenwoud te beschermen?
Die oproep vindt het kabinet begrijpelijk, de vraag naar soja uit Brazilië voor de Europese en Nederlandse markt is echter over de jaren stabiel. De sterk groeiende vraag naar soja komt vooral uit China. Vanwege de belangrijke positie als marktpartij en importeur van soja uit Latijns- Amerika is ons land in een goede positie een bijdrage te leveren aan het tegengaan van ontbossing en kunnen wij meepraten over de duurzaamheid van de teelt in andere delen van de wereld en zo een gunstig hefboomeffect hebben op internationale milieu en natuurdoelen en biodiversiteit.
Overigens wil de EU vanwege de zorgen en risico’s bij de productie van soja minder afhankelijk worden van import en meer zelfvoorzienend worden in de productie van plantaardige eiwitten. Deze oproep van de EU zal worden uitgewerkt in een nationale eiwitstrategie toegesneden op de Nederlandse situatie.
Bent u in gesprek met bedrijven die soja uit Brazilië importeren en hun (mogelijke) rol bij de gebeurtenissen in het Amazonegebied en op welke wijze zij een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van die omstandigheden?
Er is een effectief Amazone Moratorium waarbinnen Braziliaanse sojaverwerkers en handelaren in juni 2006 hebben besloten, in overleg met de Europese industrie en maatschappelijke organisaties, geen sojabonen meer te kopen van land dat is ontbost in het Amazone-regenwoud na 24 juli 2006. De uitbreiding van de soja concentreert zich nu in de Cerrado en Gran Chaco. De Nederlandse overheid is met de handelaren en andere partijen betrokken bij de uitbreiding van het soja-areaal in deze regio’s in gesprek om met hen een oplossing te vinden voor het tegengaan van ontbossing.
Het slechter presteren van kinderen als gevolg van het lerarentekort |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitslag van de enquête enquete van CNV Onderwijs en het Algemeen Dagblad?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gegeven dat een kleine drieduizend leraren, schooldirecteuren en onderwijsondersteuners aangeven dat kinderen als direct gevolg van het lerarentekort kampen met een kleinere woordenschat, lagere cito-scores en afstevenen op lagere schooladviezen?
Ik begrijp de zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs op peil moet blijven. De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie heeft echter geen onderzoeksgegevens die een direct verband tussen het lerarentekort en woordenschat, cito-scores en schooladviezen bevestigen.
Ziet u een verband tussen het lerarentekort en prestaties van kinderen tot en met het schooladvies aan toe? Zo ja, vindt u dat u er voldoende aan heeft gedaan om deze effecten van het lerarentekort tegen te gaan?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een loonsverhoging in het primair onderwijs bijdraagt aan het tegengaan van het lerarentekort?
Zoals ik ook tijdens het AO leraren van 9 oktober jl. heb gezegd, kan het verhogen van de salarissen het beroep aantrekkelijker maken. Daarom heeft dit kabinet ook in de salarissen van leraren in het primair onderwijs geïnvesteerd. Die zijn gemiddeld 9,5 procent gestegen. Ook voor 2019 is nog 285 miljoen beschikbaar als loonruimte in het po.
Er is echter niet één oplossing voor het lerarentekort. Daarom worden er verschillende maatregelen genomen, landelijk en in de regio’s. Een recent voorbeeld is de extra investering van € 460 miljoen in het funderend onderwijs waarover ik vorige week afspraken heb gemaakt met onderwijspartijen. Hiervan wordt een deel meegenomen in de gesprekken tussen de sociale partners over de arbeidsvoorwaarden in de lopende cao onderhandelingen. Daarnaast worden de middelen ingezet voor de verlaging van de werkdruk, zijinstromers en het opleiden en professionaliseren van leraren.
Erkent u dat het lerarentekort niet elke school en daarmee ieder kind even hard treft, en dat de huidige situatie daardoor de kansenongelijkheid vergroot?
De omvang van het lerarentekort verschilt per regio en school. Ik vind het onwenselijk als dit bijdraagt aan de kansengelijkheid voor kinderen en zet daarom ook alles op alles om het lerarentekort aan te pakken. Besturen kunnen de subsidie voor de regionale aanpak indien nodig inzetten voor maatregelen die kansengelijkheid bevorderen.
Deelt u de mening dat ieder kind zeker moet zijn van een goede leraar voor de klas?
Ja, die mening deel ik.
Kunt u de stand van zaken geven van de aangenomen motie, waarin de Kamer u verzoekt het lerarentekort inzichtelijk te maken?2 Deelt u de opvatting dat de uitkomsten van deze enquete een extra reden zijn om grip te krijgen op waar het lerarentekort leidt tot (nood)maatregelen, zoals bovengemiddeld vaak wisselende gezichten voor de klas, en te weten welke kinderen dit aangaat?
Zoals ik ook tijdens het AO leraren van 9 oktober jl. heb gezegd, stuur ik uw Kamer in december een brief over het lerarenbeleid waarin ik ook inga op de motie over het registreren van het lerarentekort.
Hoe duidt u de stelling door ondervraagden dat het kennisniveau van leraren achteruit gaat? Heeft u hierover ook gegevens en zo ja bent u bereid deze te delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid hier op korte termijn onderzoek naar te doen?
Het kennisniveau van leraren is belangrijk voor de kwaliteit van het onderwijs. De opleidingen tot leraar worden geaccrediteerd door de NVAO en bieden voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat leraren de benodigde kennis hebben om leerlingen goed les te geven. Ook na de opleiding blijven zij zich professionaliseren onder de verantwoordelijkheid van schoolbesturen. Dat wordt vastgelegd in bekwaamheidsdossiers.
Geven de uitkomsten van deze enquête u aanleiding om met alle sociale partners over de uitkomsten in gesprek te gaan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Sinds augustus 2018 voer ik frequent overleg met de sector- en vakorganisaties aan de landelijke tafel lerarentekort over de aanpak. Hier gaan wij onverminderd mee door.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het eerstvolgende (spoed) algemeen overleg Leraren?
Dat is helaas niet gelukt.
Het schenden van mensenrechten door een Nederlands bedrijf bij de sloop van een schip |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van Zembla over de sloop van een schip van het Nederlandse bedrijf SBM Offshore?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Zembla? Bent u reeds hierover in contact met het betreffende bedrijf? Zo nee, op welke termijn gaat u dat doen?
Naar aanleiding van de uitzending heeft een gesprek plaatsgevonden met SBM Offshore. Daarbij heeft SBM Offshore zijn gepubliceerde statement nader toegelicht. Verder wordt intern onderzoek naar deze casus gedaan en lering getrokken voor de toekomst, aldus SBM Offshore.
Deelt u de mening dat SBM Offshore had kunnen en, volgens de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna, OESO-richtlijnen), moeten weten dat het (laten) slopen van een schip in India grote risico’s op het gebied van mensenrechten met zich meebrengt? Zo ja, welke consequenties vindt u dat het bedrijf daaraan moet verbinden? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het gesprek met SBM Offshore is nadrukkelijk besproken dat de Nederlandse overheid van Nederlandse bedrijven verwacht dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen toepassen. Op basis van deze richtlijnen wordt onder meer van bedrijven met een internationale waardeketen verwacht dat zij de risico’s in hun keten op schade aan mens en milieu in kaart brengen en deze risico’s trachten te mitigeren of voorkomen. Het voldoen aan wettelijke standaarden in productielanden is hierbij niet afdoende. De overheid informeert bedrijven op diverse manieren over de OESO-richtlijnen en ook over ondernemen in India. Voor informatie kunnen Nederlandse bedrijven o.a. een beroep doen op de Nederlandse vertegenwoordiging in India, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het Ministerie van Buitenlandse Zaken zelf. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan zelf geen onderzoek doen naar arbeidsomstandigheden in het buitenland. In geval van een veronderstelde schending van de OESO-richtlijnen kunnen belanghebbenden een melding doen bij het Nationaal Contactpunt voor de OESO-richtlijnen (NCP).
Ziet u een rol voor uzelf weggelegd om na te gaan of de door SBM Offshore afgegeven reactie aan Zembla dat werknemers onder de juiste arbeidsomstandigheden werkten klopt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid het Nationaal Contactpunt van de OESO opdracht te geven om te bezien of SBM Offshore in lijn met de OESO-richtlijnen handelde?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aantonen of SBM Offshore, al dan niet indirect, werd of wordt gefinancierd met Nederlands overheidsgeld? Zo ja, zijn daarbij milieueffectenrapportages overhandigd? Hoe duidt u deze rapportages nu u kennis heeft genomen van de bevindingen door Zembla over het betreffende sloopproject in India?
Met het betreffende project van SBM Offshore in India is geen overheidsfinanciering gemoeid. Hier zijn dus ook geen milieueffectenrapportages over ontvangen. In 2015 is aan SBM Offshore een exportkredietverzekering (ekv) verstrekt ten behoeve van een project in Brazilië. Hiervoor zijn milieueffectenrapportages ingediend. Deze rapportages hebben samen met andere informatie destijds gediend als basis voor de IMVO-beoordeling van de ekv-aanvraag. Aangezien deze rapportages betrekking hadden op een project in Brazilië, geeft de uitzending van Zembla geen reden om deze rapportages anders te duiden.
Kunt u garanderen dat totdat deze kwestie is opgehelderd en SBM Offshore kan aantonen voortaan in lijn te handelen met de OESO-richtlijnen, het bedrijf niet door Nederlands overheid (indirect) wordt gefinancierd en wordt uitgesloten van handelsmissies?
SBM Offshore heeft zich op dit moment niet aangemeld voor een economische missie en ontvangt geen overheidsfinanciering van de RVO. Zodra zij daarop een beroep doen of zich aanmelden voor een handelsmissie, zal getoetst worden of het bedrijf aan de voorwaarden daarvoor voldoet. IMVO-criteria maken hier deel van uit.
Het bericht dat transgenderzorg wordt belemmerd door een monopolie |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe transgenderzorg door een monopolie belemmerd wordt»?1
Ja.
Bent u het eens dat iedereen in Nederland zeker moet kunnen zijn van betaalbare, goede en snelle zorg, ook wanneer het transgenderzorg betreft?
Ik ben het ermee eens dat iedereen in Nederland binnen de daarvoor bestaande normen recht heeft op de zorg die in het basispakket van de Zorgverzekeringswet zit. Het is ook van belang dat transgenders tijdig de juiste zorg ontvangen. Daarom heb ik samen met Zorgverzekeraars Nederland besloten een kwartiermaker voor de transgenderzorg aan te stellen, die als een van de belangrijkste doelstellingen het terugdringen van de wachttijden heeft. Ik verwacht van de zorgverzekeraars en zorgaanbieders dat zij vol hierop inzetten. Ik heb ook de stellige indruk dat ze dat doen. Uit de voortgangsbrief van de kwartiermaker transgenderzorg, die ik op 28 juni jl. aan u heb toegestuurd blijkt dat de wachttijden voor de intake van kinderen en jongeren bij het Amsterdam UMC – de grootste aanbieder van transgenderzorg voor kinderen en jongeren in Nederland – significant zijn gedaald. En dat terwijl de kwartiermaker ook aangeeft dat de vraag naar transgenderzorg sinds december 2018 weer is gestegen, met name bij jongeren onder de 18 jaar. Ook geeft de kwartiermaker in zijn voortgangsbrief aan dat de capaciteit van de transgenderzorg voor (met name) jongeren bij het UMC Groningen zal stijgen, en dat het Radboudumc voornemens is om te starten met de zorg voor (jonge) transgenders per begin 2020 mits de medezeggenschapsraad daarmee akkoord gaat. Daarnaast zijn er andere ziekenhuizen, GGZ-instellingen en zelfstandige klinieken die het aanbod van zorg voor transgenders willen gaan uitbreiden.
Bent u het eens dat wachttijden van ruim 2 jaar, bij een norm van 4 weken, onacceptabel zijn? Zo ja, welke maatregelen worden er genomen om deze wachttijden in te perken en de 1500 mensen die nu op de wachtlijst staan te helpen? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op de effecten van de huidige wachttijden voor patiënten die transgenderzorg nodig hebben? Zo ja, wat zijn die effecten? Zo nee, bent u bereid deze in kaart te brengen?
Om zicht te hebben op de effecten van wachttijden voor patiënten die transgenderzorg nodig hebben, is het onder meer van belang om meer fundamenteel inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de vraag naar transgenderzorg. De kwartiermaker heeft onlangs in hechte samenwerking met patiëntenvereniging Transvisie en onderzoekers vanuit het Amsterdam UMC en de Radboud Universiteit, een onderzoek naar patiëntbehoeften en -tevredenheid uitgezet. De respons op deze online enquête is hoog geweest. De resultaten van dit uitgebreide onderzoek zullen zowel kwantitatief als kwalitatief inzicht geven en aanknopingspunten bieden voor wat er in de toekomst nodig is. In het onderzoek komen ook de effecten van de huidige wachttijden voor mensen die transgenderzorg nodig hebben aan de orde. Ik verwacht de conclusies van dit onderzoek nog dit jaar te ontvangen, en zal de Kamer hier uiteraard over informeren.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het artikel dat de bijna-monopoliepositie (in het geval van kinderen de monopoliepositie) van het Amsterdamse UMC de transgenderzorg niet ten goede komt?
Mijn inzet is dat transgenderzorg zich steeds meer gaat ontwikkelen tot netwerkzorg. Dus naast de expertisecentra die er zijn, moeten meer en meer zorgverleners kennis krijgen en kunnen behandelen. In de transgenderzorg is samenwerking in een netwerk nodig en logisch omdat vrijwel per definitie meerdere zorgaanbieders betrokken zijn bij het zorgpad van een transgender. De inspanningen van de kwartiermaker transgenderzorg zijn er in 2019 in belangrijke mate op gericht om de wachttijden te verlagen en de capaciteit voor transgenderzorg te vergroten. De kwartiermaker verwacht dat de capaciteit bij bestaande en toekomstige aanbieders van academische zorg, psychologische zorg en plastische chirurgie de komende maanden naar verwachting zal toenemen. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 3 rondom nieuwe aanbieders. Het stemt positief dat de kwartiermaker aangeeft dat de bereidheid in de sector om tot oplossingen te komen groot is, en dat men hier constructief en in gezamenlijkheid aan wil werken. In november 2019 zal de kwartiermaker wederom een voortgangsbrief schrijven waarin ook de bovengenoemde onderwerpen en de voortgang aan de orde komen.
Bent u het eens dat het beter zou zijn wanneer patiënten die transgenderzorg nodig hebben op meerdere plekken in Nederland voor zorg terecht zouden kunnen?
Ja.
Hoe vindt u het dat andere zorgaanbieders die overwegen transgenderzorg te leveren zeggen zich ontmoedigd te voelen door het Amsterdamse UMC? Herkent u deze signalen? Bent u bereid om hierover met het Amsterdam UMC en andere partijen die transgenderzorg leveren in gesprek te gaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
De kwartiermaker heeft herhaaldelijk contact met zorgaanbieders. In gesprekken met het Amsterdam UMC geeft het Amsterdam UMC aan dat het informatie verschaft over de werkwijze binnen het Amsterdam UMC aan artsen die daarom vragen. Dat heeft niet het oogmerk andere artsen te ontmoedigen, en het Amsterdam UMC geeft aan daar nog beter op te gaan toezien. Tegelijkertijd is het wenselijk dat zorgverleners met inhoudelijke vragen over het bieden van transgenderzorg zich op meer plekken gaan, en kunnen informeren dan alleen bij het Amsterdam UMC. De kwartiermaker zal zich ervoor inzetten om vragen uit het veld te beantwoorden of door te verwijzen naar zorgverleners met expertise, zowel binnen als buiten het Amsterdam UMC. De kwartiermaker ziet geen reden om aan te nemen dat het Amsterdam UMC doelbewust zorgverleners ontmoedigt om zorg te verlenen. Mochten er, bijvoorbeeld uit het onderzoek naar ervaringen van transgenders in de zorg, meer signalen over dit onderwerp komen dan zal de kwartiermaker daar nog specifiek naar informeren.
Welke rol spelen volgens u zorgverzekeraars bij het tegenhouden van nieuwe zorgaanbieders en zorgsystemen met betrekking tot transgenderzorg?
Ik heb niet de indruk dat zorgverzekeraars nieuwe zorgaanbieders tegenhouden. Er worden momenteel door zorgverzekeraars contracten gesloten met aanbieders waar voorheen geen contractrelatie mee was. De kwartiermaker spoort zorgverzekeraars daar ook toe aan en heeft na consultatie met het veld een handreiking voor netwerksamenwerking opgesteld die zorgaanbieders kan ondersteunen bij het aangaan van samenwerking, en zorgverzekeraars bij het inkopen van zorg in netwerkverband. De kwaliteitsstandaard somatische transgenderzorg is inmiddels geautoriseerd door de veldpartijen en deze zal binnenkort worden vastgesteld. De verwachting is dat de kwaliteitsstandaard zorgverzekeraars nog meer handvatten biedt voor het inkopen van de zorg en daarmee een bijdrage levert aan de uitbreiding van de capaciteit van transgenderzorg. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Extra geld voor leraren dat mogelijk slechts de loonbijstelling betreft |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat de € 285 miljoen waarmee u goede sier tracht te maken, slechts uit de reguliere loonbijstelling komt en het dus geen extra geld voor leraren betreft?1
In mijn brief aan de Kamer van 11 september jl. staat dat het kabinet over 2019 voor het primair onderwijs structureel 285 miljoen euro beschikbaar stelt via de loonbijstelling. Dit geld is beschikbaar. Het onderwijspersoneel in alle andere onderwijssectoren dan het po profiteren er al van.
Deelt u de mening dat ieder kind moet kunnen rekenen op een goede leraar voor de klas? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen?
Alle kinderen verdienen goed onderwijs. Voldoende, goede leraren spelen daarin een belangrijke rol. Wij werken daarom samen met de partijen van het landelijke overleg aan de aanpak van de tekorten. Zoals in genoemde brief staat, zien wij een aantal positieve effecten:
Hoewel er al veel gebeurt, blijft ook de komende periode de inzet van alle partijen, landelijk en regionaal, hard nodig om op korte en lange termijn te zorgen voor voldoende leraren.
Wat vindt u ervan dat er steeds vaker kinderen naar huis worden gestuurd omdat er geen leraar is, er nieuwe vierdaagse schoolweken dreigen en dat schoolbesturen waarschuwen voor een situatie waarin kinderen straks pas vanaf vijf jaar les krijgen? In hoeverre ziet u het als uw taak om daar iets aan te doen?
De oplopende tekorten vragen veel inzet en creativiteit van scholen om er voor te zorgen dat leerlingen onderwijs kunnen volgen. De inzet waarmee dat gebeurt verdient grote waardering. Echter, ook in tijden van tekorten geldt de huidige wetgeving. Dat betekent dat het structureel invoeren van een vierdaagse werkweek of kinderen pas op vijfjarige leeftijd naar school laten gaan, niet mogelijk is.
Aan het onmogelijke wordt niemand gehouden. De inspectie houdt ook rekening met de huidige context waarin scholen soms (tijdelijke) noodoplossingen moeten treffen. De kwaliteit van het onderwijs is daarbij het uitgangspunt.
Deelt u de mening dat reguliere budgetten niet volstaan om het lerarentekort en de salariskloof in het basisonderwijs aan te pakken? Zo ja, met welke aanvullende maatregelen gaat u dan komen? Zo nee, hoe pijnlijk zichtbaar moeten de gevolgen van het lerarentekort worden voordat u tot actie overgaat?
De tekorten in het onderwijs, maar ook breder binnen de publieke sector en daarbuiten, zijn een complex, maatschappelijk probleem waar niet één oplossing voor is. Het vraagt een breed pakket aan maatregelen en een gezamenlijke inzet van veel partijen, landelijk en regionaal, om tot oplossingen te komen.
Het is ook daarom dat dit kabinet investeert in onder meer de verlaging van de werkdruk en beloning in het po, en in de halvering van het collegegeld in de eerste twee jaar van lerarenopleidingen. Daarnaast werken we landelijk en regionaal samen om de aanpak van de tekorten te stimuleren en ondersteunen via onder meer de subsidieregelingen voor de regionale aanpak, voor zijinstromers, voor het opleiden van onderwijsassistenten tot leraren, voor het begeleiden van herintreders, etc.
Tijdens de algemene politieke beschouwingen op 19 september heeft de Minister president gezegd dat het kabinet bereid is om in de komende weken te bezien of er voor 2020 incidenteel extra geld beschikbaar kan komen voor het oplossen van urgente knelpunten met betrekking tot het lerarentekort. Belangrijk is dan wel dat de sociale partners snel een cao afsluiten met het geld (285 miljoen euro) dat nu al beschikbaar is. Naast de cao kan dan geld beschikbaar worden gesteld op schoolniveau via de systematiek van het werkdrukakkoord.
Hoewel we er nog lang niet zijn, zien wij, zoals in het antwoord op vraag twee staat, een aantal positieve ontwikkelingen van de aanpak. Zo zijn er meer zijinstromers, gaan meer mensen met een uitkering weer aan de slag in het onderwijs en groeit het aantal aanmeldingen voor de pabo. Dat neemt niet weg dat de gezamenlijke aanpak ook komende periode hard nodig blijft om op korte en lange termijn te zorgen voor voldoende leraren.
Deelt u de mening dat leraren recht hebben op dit geld? Hoe verhoudt zich dit tot uw uitspraak: «Als de schoolbestuurders en vakbonden niets doen, gaat het geld de reserves in.»?
Het is aan werkgevers en werknemers om afspraken te maken over dit geld. Het is zonde dat er geld voor 2019 beschikbaar is dat nog niet is ingezet. Wij rekenen er daarom op dat de sociale partners in het po snel met elkaar om de tafel gaan voor het maken van afspraken over de inzet van de beschikbare middelen.
Wat is uw reactie op het noodpakket dat de sector heeft voorgesteld vóór de zomer? Heeft u ook reeds contact gehad met de sector hierover?2
In de brief vraagt de sector om meer geld. Binnen de begroting is daarvoor geen ruimte. Zoals in het antwoord op vraag 4 staat, heeft de Minister president aangegeven dat het kabinet bereid is incidenteel extra geld beschikbaar te stellen voor de aanpak van de tekorten. Belangrijk is dat dan snel een cao wordt afgesloten met het geld (285 miljoen euro) dat nu al beschikbaar is. Zodra een cao is afgesloten wordt geld beschikbaar gesteld op schoolniveau via de systematiek van het werkdrukakkoord.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan Prinsjesdag?
Dit is helaas niet gelukt. Wel zijn de antwoorden ruim binnen de afgesproken termijn.
De subsidiepot voor zij-instromers in het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL), Peter Kwint , Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Subsidiepot voor zij-instromers leeg»?1
Ja.
Hoe kan het dat voor het tweede jaar op rij het plafond voor subsidiepot voor zij-instromers is bereikt?
In de afgelopen jaren is het aantal aanvragen voor de subsidie zij-instroom vooral in het po sterk gestegen. Het aantal toegekende subsidies in deze sector is van enkele tientallen in 2015 en 2016 gestegen naar 60 in 2017 en 355 in 2018. Voor dit jaar staat de teller al bijna op 450 aanvragen. Ook in het mbo is er de afgelopen jaren een sterke stijging geweest. Uiteraard hadden we een stijging voorzien, maar niet in die mate.
Om meer aanvragen te kunnen honoreren, hebben we het subsidieplafond onlangs verhoogd (zie Kamerbrief Aanpak van de tekorten in het onderwijs van 11 september 2019). Hiermee kunnen we in elk geval alle openstaande aanvragen uit het po (die ingediend zijn tot 29 augustus) toekennen en een deel van de aanvragen uit het mbo. Na de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn, 15 oktober 2019, zal de eventueel resterende ruimte in het subsidiebudget worden herverdeeld tussen de sectoren, zodat meer aanvragen po en mbo kunnen worden toegekend. Mochten er toch nog meer aanvragen binnenkomen dan dat daar nu budget voor is, dan gaan we ons inzetten om daar bij najaarsnota dekking voor te vinden binnen de middelen voor het lerarenbeleid.
Hoe kan het dat DUO2 een brief heeft verstuurd die volgens het ministerie OCW «nooit verstuurd had mogen worden»?
DUO heeft de betreffende aanvragers inderdaad, in samenspraak met OCW, laten weten dat hun aanvraag was «aangehouden», omdat voor de sectoren po en mbo geen budget meer beschikbaar was. Conform de regeling wordt het resterende budget immers pas na de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn (15 oktober) herverdeeld over de sectoren (zie ook antwoord vraag 2). Aangehouden aanvragen kunnen daarna mogelijk alsnog worden toegekend. DUO dient de aanvragers hierover van tevoren te informeren, dus de brieven zijn terecht verstuurd.
De inhoud van de brief heeft tot onrust geleid, omdat onbedoeld de indruk is gewekt dat, naast het eventueel resterende bedrag, geen extra geld meer beschikbaar zou komen. In de Verzamelbrief van 12 juli 2019 (Verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs van 12 juli 2019, Kamerstuk 31 293, nr. 476) is echter aangekondigd dat de inzet was om alle aanvragen, die aan de voorwaarden voldoen, dit jaar toe te kennen. De inhoud van de brief wordt aangepast.
Bent u voornemens om net als vorig jaar het bedrag aan te vullen? Zo nee, waarom niet?
Ja, u bent hierover geïnformeerd. Zie antwoord bij vraag 2.
Betekent het gegeven dat de subsidiepot leeg is dat besturen nu zelf de kosten voor reeds startende zij-instromers moeten betalen?
Nee, we hebben inmiddels het subsidiebedrag verhoogd en zullen, indien nodig, opnieuw middelen vrijmaken. Zie antwoord bij vraag 2.
Zijn er aanvragen afgewezen? Zo ja, over hoeveel aanvragen gaat dit?
Nee, de aanvragen waarvoor geen budget beschikbaar was, zijn «aangehouden». Zie verder antwoord bij vraag 2.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat zich volgend jaar een soortgelijke situatie voordoet?
Op grond van het aantal toekenningen wordt aan het einde van elk jaar een zo goed mogelijke inschatting gemaakt voor het volgende jaar en worden de budgetten opnieuw vastgesteld. Wij monitoren de ontwikkeling van het aantal aanvragen goed, en zoeken, indien nodig naar extra middelen.
Deelt u de mening dat de mogelijkheden voor zij-instroom juist moeten worden uitgebreid? Zo ja, bent u voornemens structurele maatregelen te treffen om zij-instroom verder aan te moedigen? Is het mogelijk om in plaats van een subsieidplafond een open-einde-regeling te maken, waardoor deze situatie zich niet meer kan voordoen?
We hechten veel belang aan zij-instroom, omdat we via deze route naar het leraarschap de diversiteit aan kennis en mensen binnen de school versterken.
Voor de langere termijn willen we zij-instroom in het onderwijs daarom verduurzamen door deze route te integreren in het opleidingsstelsel. Dit wordt meegenomen bij de nieuwe inrichting van de bevoegdheden en opleidingsstructuur zoals beschreven in de Kamerbrief Naar een aantrekkelijke onderwijsarbeidsmarkt van 2 juli 2019, 27923–269 (beleidsreactie op het Onderwijsraadadvies Ruim baan voor leraren).
De bosbranden in het Amazonewoud en het Mercosur-verdrag |
|
Mahir Alkaya , Kirsten van den Hul (PvdA), Esther Ouwehand (PvdD), Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Europese Raad tijdens de G7-bijeenkomst in Biarritz (Frankrijk) over de «moeilijk voor te stellen ratificatie van het Mercosur-akkoord zolang de vernietiging van het Amazonewoud voortduurt»? Ondersteunt u deze uitspraak?1
Ja, ik ben bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Europese Raad.
De door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde teksten van het EU-Mercosur-Associatieverdrag worden momenteel juridisch «opgeschoond» en vertaald in de talen van de Europese Unie. De Europese Commissie verwacht dat dit in de zomer van 2020 gereed zal zijn en verwacht de hieruit resulterende formele tekst ter goedkeuring aan de Raad voor te leggen in november 2020. De Europese Commissie voert momenteel een Sustainability Impact Assessment uit die naar verwachting eind dit jaar wordt gepubliceerd. Eerder heb ik aangegeven dat het kabinet de balans zal opmaken van de voor- en nadelen van het nog goed te keuren EU-Mercosur Associatieakkoord als alle daartoe noodzakelijke stukken beschikbaar zijn. De Kamer zal over het standpunt van het Kabinet worden geïnformeerd voordat de Raad besluit over het akkoord. In de aanloop naar de besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag zijn er mogelijkheden om, bilateraal en samen met EU-partners, druk uit te oefenen op Brazilië, gericht op beter beleid, en sterkere implementatie en naleving van wetgeving ten behoeve van duurzaam bosbeheer en landbouw.
Wat betekent dit concreet voor de toekomst van het handelsverdrag tussen de Europese Unie en Mercosur, wetende dat het beleid van de Braziliaanse president Bolsonaro gericht is op commerciële exploitatie van het Amazonegebied en direct heeft geleid tot de huidige catastrofe?2
Het kabinet zal een standpunt innemen als alle daarvoor noodzakelijke teksten over het EU-Mercosur-Associatieverdrag beschikbaar zijn. Daartoe rekent het kabinet ook de Sustainability Impact Assessment, die de Europese Commissie naar verwachting eind dit jaar zal publiceren.
Het EU-Mercosur-Associatieverdrag zelf biedt, als het van kracht is, handvatten om Brazilië aan te spreken die er anders niet zouden zijn. In dit akkoord bevestigen de EU en Mercosur hun verplichtingen, zoals de Overeenkomst van Parijs en het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD), effectief te implementeren en waar mogelijk samen te werken binnen deze internationale fora.
Vindt u dat de toenemende commerciële exploitatie, met als gevolg zware ontbossing, van het Amazonegebied bijdraagt aan de vernietiging van het Amazonegebied? Kunt u uw antwoord toelichten?
Toenemende handel in agrarische producten gaat niet onvermijdelijk gepaard aan ontbossing. Veel hangt af van goed beleid, het effectief implementeren daarvan en voldoende politieke wil en capaciteit voor het terugdringen van illegale praktijken. Het is in het belang van zowel de EU als Brazilië zelf om de doelen van economische ontwikkeling, verduurzaming van de landbouwproductie en behoud van extreem waardevolle bossen en biodiversiteit in de Amazone (en daarbuiten) te bereiken. Nederland en de EU hebben Brazilië op dit terrein veel te bieden, bijvoorbeeld op het gebied van kennis en technologie, maar ook als belangrijke handelspartner. Het akkoord tussen de EU en Mercosur biedt kansen om deze samenwerking verder vorm te geven.
Bent u het eens met de stellingname dat het beleid van president Bolsonaro noopt tot heroverweging van het afsluiten van een handelsakkoord dat verdere ontbossing ten gunste van landbouw stimuleert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid u aan te sluiten bij uw Franse en Ierse collega’s in hun stellingname dat het Mercosur-verdrag niet mogelijk is zolang de bosbranden in de Amazone voortduren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag zal op zijn vroegst november 2020 plaatsvinden. In aanloop naar de besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag dringt Nederland zowel bilateraal als in EU-verband bij Brazilië aan op het belang van duurzaam bosbeheer en duurzame ontwikkeling zoals aangegeven in de beantwoording op uw vragen 2 en 4.
Zijn Nederland en de Europese Unie ook bereid bij te dragen aan de internationale hulp die op de G7-bijeenkomst in Biarritz is overeengekomen, mocht president Bolsonaro het toch willen accepteren?3 Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom niet?
Mede naar aanleiding van de motie Bouali/De Groot4 onderzoekt het kabinet al langer op welke wijze Nederland een extra bijdrage kan leveren om de ontbossing in de Amazone weer terug te dringen. Hiervoor is een structurele aanpak voor de langere termijn nodig. Hierover zal de Kamer separaat per brief geïnformeerd worden. Sinds de aankondiging van diverse internationale initiatieven voor hulpverlening aan de Amazone staat Nederland o.a. in contact met de Franse overheid over de uitvoering van het G7-initiatief en wordt bekeken of een Nederlandse bijdrage in dat kader nuttig zou zijn. De EU heeft geen bijdrage aangekondigd specifiek voor het G7-initiatief. De Europese Commissie is echter wel voornemens de inzet tegen ontbossing te intensiveren en heeft dit uiteengezet in de mededeling «Stepping up EU Action to Protect and Restore the World’s Forests».5 Het BNC-fiche met het Nederlandse standpunt ten aanzien van de mededeling gaat de Kamer binnenkort toe.
Een verboden lhbti-manifestatie op de Westoever |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnse politie verbiedt lhbti-bijeenkomst op Westoever»?1
Ja.
Vindt u ook dat lhbti-demonstranten overal ter wereld in vrijheid en veiligheid moeten kunnen demonstreren?
Ja. De bevordering van gelijke rechten van LHBTI’s is één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daarbij onder meer specifiek in voor het tegengaan van discriminatie en geweld en het bevorderen van sociale acceptatie.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat burgers worden opgeroepen «verdachte» activisten van Al-Qaws aan te geven, opdat ze voor een rechtbank kunnen verschijnen?
Ja. De betreffende verklaring van de Palestijnse politie is inmiddels ingetrokken. Het recht van een ieder op vrijheid van meningsuiting, vreedzame vereniging en vergadering zijn fundamentele mensenrechtennormen die tevens essentieel zijn voor het streven naar een onafhankelijke, vrije en democratische staat. Het kabinet dringt er bij de PA op aan in lijn met deze normen te handelen en spreekt waar nodig zorg uit als dit niet het geval is.
Bent u bereid uw zorgen hieromtrent kenbaar te maken aan de Palestijnse Autoriteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse vertegenwoordiger in Ramallah heeft de zaak terstond opgebracht bij de PA, waaronder de premier. Ook heeft de Nederlandse vertegenwoordiging contact opgenomen met alQaws, de desbetreffende organisatie, om haar steun te betuigen. De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah is bovendien in gesprek met alQaws om te bezien wat Nederland nog meer kan doen.
De ontbossing van het Braziliaanse Amazonegebied |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Ontbossing onder Bolsonaro met 88 procent toegenomen» en «Duitsland stopt deels met bijdrage aan Braziliaanse milieuprogramma’s»?1
Ja.
Deelt u de zorgen over de toenemende ontbossing van het Braziliaanse Amazonegebied sinds president Jair Bolsonaro aan de macht is? Kunt u een toelichting geven?
Ja, zie ook de antwoorden op de overige vragen.
Heeft Nederland zich al uitgesproken over de toegenomen ontbossing van het Amazonegebied in de afgelopen maanden? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?
Nederland uit bij alle in aanmerking komende gelegenheden zijn zorgen over de toenemende ontbossing, zowel wanneer dit in het nieuws is, als wanneer dit niet in het nieuws is. Zo heeft Minister Kaag via verschillende media haar zorg uitgesproken over de ontbossing in de Amazone. Daarnaast heeft de DG Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dit onderwerp opgebracht tijdens politieke consultaties met zijn Braziliaanse ambtgenoot in Brasilia in mei 2019. Ook de Nederlandse ambassadeur in Brasilia kaart ontbossing aan in zijn gesprekken met de Braziliaanse overheid. De aanloop naar de besluitvorming over het EU-Mercosur-Associatieverdrag biedt mogelijkheden voor Nederland om, samen met de EU-partners, druk uit te oefenen op Brazilië, gericht op beter beleid en sterkere implementatie en naleving van wetgeving t.b.v. duurzaam bosbeheer.
Is de ontbossing van het Amazonegebied aan bod gekomen tijdens het gesprek dat de Minister-President heeft gehad met president Bolsonaro in Davos? Kunt u een toelichting geven?
De Minister-President heeft tijdens zijn kennismakingsgesprek met president Bolsonaro in januari 2019 in algemene zin gesproken over het belang dat Brazilië actief betrokken blijft bij het Klimaatakkoord van Parijs. Het tegengaan van ontbossing en landdegradatie is daarbij van groot belang.
Bent u bereid om op korte termijn uw zorgen over de ontbossing van het Amazonegebied aan Brazilië over te brengen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland zal zijn zorgen blijven overbrengen, zeker in het licht van de recente informatie over de toenemende ontbossing van de Amazone. Wij zullen hier de komende maanden prioriteit aan geven. Daarbij streven wij naar samenwerking met de EU en Europese landen om meer gewicht in de schaal te leggen. Daarnaast zetten wij ook de dialoog met de Braziliaanse overheid en andere belanghebbenden voort, ter bevordering van betere samenwerking en nieuwe initiatieven om de productie van agrarische grondstoffen te verduurzamen en ontbossing tegen te gaan.
Hoe kijkt u aan tegen het opschorten van de Duitse bijdrage aan Braziliaanse milieuprogramma’s en de Noorse dreiging om donaties te korten of stop te zetten?
De Nederlandse regering treedt niet in de afwegingen die beide regeringen ertoe hebben gebracht de bijdragen aan bepaalde milieuprogramma’s te bevriezen, nadat Brazilië o.a. had ingegrepen in de beheerstructuur van het grote Amazonefonds. Het is zorgwekkend dat de aanzienlijke financiële middelen van beide landen nu niet meer ten goede komen aan duurzaam bosbeheer en de bestrijding van ontbossing in de Amazone.
Hoeveel draagt Nederland bij aan milieuprogramma’s ter bescherming van het Braziliaanse Amazonegebied? Overweegt Nederland soortgelijke maatregelen te nemen?
Nederland draagt direct bij aan milieuprogramma’s ter bescherming van het Braziliaanse Amazonegebied ter waarde van ongeveer € 3,5 miljoen. Dit geld gaat echter niet naar het Amazonefonds. Er is voor Nederland geen directe aanleiding om soortgelijke maatregelen als Duitsland en Noorwegen te nemen. Zie verder ook het antwoord op vraag 6.
Overweegt u andere maatregelen te nemen om uw zorgen met betrekking tot de ontbossing van het Amazonegebied kracht bij te zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het Kabinet beraadt zich momenteel op eventuele nadere stappen. Die zijn ook afhankelijk van verdere ontwikkelingen t.a.v. de Amazone, zowel in Brazilië als daarbuiten.
Sancties tegen bedrijven die gelieerd zijn aan het militaire regime in Myanmar |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VN wil sancties tegen bedrijven uit Myanmar, ook Shell betrokken»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de oproep van de VN-missie van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in Myanmar om sancties in te stellen tegen bedrijven die gelieerd zijn aan het militaire regime in Myanmar? Welke rol ziet u hierin voor Nederland weggelegd?
De regering verwelkomt het werk van de VN Fact Finding Mission van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (hierna: FFM) als een essentieel element van de internationale respons op de ernstige mensenrechtenschendingen in Rakhine State.
In haar recente rapport doet de VN Fact Finding Mission een aantal aanbevelingen om de invloed van het Myanmarese leger in te perken, waaronder de oproep om gerichte sancties in te stellen tegen bedrijven die gelieerd zijn aan het Myanmarese leger. De aanbevelingen van het rapport zullen zorgvuldig worden bestudeerd en in internationaal verband worden besproken.
Nederland heeft zowel in de VN Veiligheidsraad als in EU-kader ervoor gepleit dat betrokkenen bij mensenrechtenschendingen in Myanmar ter verantwoording worden geroepen en zal dit blijven doen. Zoals in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 juni jl. aan uw Kamer gemeld, heeft Minister Blok de situatie in Myanmar daar opnieuw opgebracht, zorgen uitgesproken over de voortdurende mensenrechtenschendingen en opgeroepen tot gerichte sancties tegen de verantwoordelijken voor de mensenrechtenschendingen. Nederland is geen voorstander van bredere sancties, omdat deze negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gehele bevolking van Myanmar, zoals Minister Blok ook heeft aangegeven tijdens het 30 leden debat op 17 april jl. Het kabinet zal tevens in EU-kader aandacht vragen voor dit nieuwe FFM-rapport en bepleiten dat nader onderzocht wordt welke mogelijkheden er zijn voor gerichte sancties als reactie op de ernstige mensenrechtenschendingen in Myanmar, op een manier die geen schade doet aan de bredere bevolking en de democratische transitie.
Kunt u een overzicht geven van Nederlandse bedrijven die, al dan niet indirect zoals in het geval van Shell, in verband kunnen worden gebracht met bovenstaande? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven zijn niet verplicht om bij de Nederlandse overheid te melden in welk land en met welke partijen zij zakendoen. De regering houdt hier dan ook geen overzicht van bij.
Het rapport noemt tevens een groot aantal bedrijven dat onder directe controle staat van het leger van Myanmar of dat rechtstreeks zakendoet met het leger. Daaronder zijn geen Nederlandse bedrijven. Onder de bedrijven die wel worden genoemd, is een aantal bedrijven met brede vertakkingen binnen de economie van Myanmar, zowel direct als via dochterondernemingen en joint ventures. Ook hierdoor is het onmogelijk om een volledig overzicht te geven van indirecte banden die bestaan tussen Nederlandse bedrijven en de bedrijven op de FMM-lijst.
Indien signalen worden ontvangen over mogelijke betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij mensenrechtenschendingen, wordt er naar deze signalen gekeken en worden de zorgen met het bedrijf in kwestie besproken.
Kunt u toelichten of, en zo ja om welke redenen, de betrokkenheid van Shell bij Max Energy Myanmar indruist tegen de uitgangspunten van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de in het artikel opgetekende kwalificatie van Shell dat het hier om een complexe en gevoelige kwestie gaat.
Ten aanzien van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen), en overigens ook de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, kan worden gesteld dat het kabinet van Nederlandse bedrijven verwacht dat zij deze onderschrijven en naleven bij het uitvoeren van hun internationale activiteiten. Conform deze richtlijnen dienen bedrijven risico’s op negatieve gevolgen van hun activiteiten, producten of diensten in kaart te brengen, te voorkomen of mitigeren en rekenschap af te leggen over dit proces. Dit geldt zowel voor de eigen activiteiten, producten of diensten, als voor die in de waardeketen. Met name bedrijven die zakendoen in conflictgebieden dienen zeer waakzaam te zijn.
Shell is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop het bedrijf de OESO-richtlijnen en de UN Guiding Principles implementeert. Dat geldt ook voor de samenwerking met Max Energy Myanmar. Deze samenwerking is in 2017 publiekelijk aangekondigd en als zodanig algemeen bekend. De relatie die in het FFM-rapport wordt gelegd tussen donaties van bedrijven in Myanmar aan het leger in de periode tijdens en direct na het geweld in Rakhine en de militaire operaties die hebben geleid tot de ernstige mensenrechtenschendingen tegen de Rohingya-bevolking is niet eerder gelegd.
Het ministerie is in contact met Shell over deze kwestie en zal mede aan de hand van het FFM-rapport Myanmarese en Nederlandse bedrijven nogmaals wijzen op het belang van voorzorgsmaatregelen om indirecte betrokkenheid bij of bijdragen aan mensenrechtenschendingen in Myanmar te voorkomen.
Welke stappen vindt u dat Shell moet ondernemen nu klip en klaar is dat Max Energy Myanmar betrokken is bij de bouw van de omstreden grensmuur?
Zie antwoord vraag 4.
Is bij de Nederlandse overheid bekend dat Shell zaken deed en doet met Max Energy Myanmar? Zo ja, was ook reeds bekend dat Max Energy Myanmar betrokken was bij de bouw van de omstreden grensmuur?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitsluiten dat er Nederlands geld, al dan niet in de vorm van leningen, via Shell naar Max Energy Myanmar is gegaan of gaat? Zo nee, waarom niet?
Ja, er is geen financiële betrokkenheid van de Nederlandse overheid.
Hoe duidt u de in het artikel opgetekende kwalificatie van Shell dat het hier om een «complexe en gevoelige kwestie» gaat, maar dat deze kwalificatie ogenschijnlijk geen aanleiding voor het bedrijf is om het contract te herzien? Bent u bereid hierover met Shell in gesprek te gaan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het bericht dat de politie niets deed bij een geval van langdurige homofobe bedreigingen, zelfs nadat het slachtoffer een dossier overhandigde met alle informatie over de dader, inclusief naam, adresgegevens en een duidelijk portret, en dat de politie pas in actie is gekomen nadat het openbaar ministerie daartoe heeft moeten sommeren?1
Ik ben van mening dat deze zaak zorgvuldiger had moeten worden behandeld, de politie deelt deze mening. De politie heeft het slachtoffer uitgenodigd voor een gesprek, het netwerk Roze in Blauw is hier ook bij betrokken. Zoals bekend kan ik verder niet ingaan op individuele zaken.
Wat is uw beleid om de aangiftebereidheid bij discriminatie te verhogen?
Geweld tegen LHBTI-personen mag niet worden geaccepteerd. De aanpak van discriminatie is wezenlijk voor het functioneren van en het vertrouwen in onze samenleving en haar instituties. Het aanpakken van iedere vorm van discriminatie heeft derhalve prioriteit, ook voor de politie en het OM. Belangrijke kaders voor de landelijke aanpak van discriminatie zijn het Nationaal Actieprogramma Discriminatie 2016–2020 en de Veiligheidsagenda 2019–2022. Hiermee onderstreept het kabinet het belang van bestrijding van discriminatie.
Met het Actieplan Veiligheid LHBTI dat in april jl. aan uw Kamer is gezonden zet ik in op een verhoging van de meldings- en aangiftebereidheid, verbetering van de registratie, het vergroten van kennis en expertise bij politiemedewerkers, de zorg voor slachtoffers, het monitoren van discriminatiezaken en uitbreiding van de capaciteit bij het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie van het OM2.
Het uitgangspunt van de politie is en blijft dat de politie van en voor iedereen is en dat iedereen bij elke politiemedewerker terecht kan en goed geholpen wordt. In het Actieplan noemde ik al de App «Meld Discriminatie Nu». Deze app vergroot de bekendheid van de mogelijkheden om te melden. Daarnaast heb ik onderzoek aangekondigd naar de werkwijze omtrent de strafverhoging bij commune delicten met een discriminatoir aspect. Al deze maatregelen zullen bijdragen aan een verbetering van de behandeling van aangiftes van discriminatie en daarmee van de opsporing en vervolging van discriminatie-incidenten. In het voorjaar van 2020 zal uw Kamer in de periodieke voortgangsrapportage over het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie worden bericht over de voortgang van de maatregelen in het Actieplan.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat aangifte van discriminatie vaker leidt tot een veroordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze gaat u de positie van Roze in Blauw versterken, waar de Kamer met de motie Özütok c.s. om heeft gevraagd?2
In het Halfjaarbericht politie van 4 juli jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de positie van Roze in Blauw binnen de politieorganisatie wordt versterkt4. De kennis en expertise van dit netwerk worden ingezet waar nodig, het uitgangspunt is dat iedereen bij elke politiemedewerker terecht kan en daar goed geholpen wordt. De inzet van specialistische expertise wordt in de politieorganisatie geborgd met de Netwerken Divers Vakmanschap. Deze netwerken zijn verspreid over de eenheden en staan onderling met elkaar in verbinding, waardoor de kennis en expertise actief kunnen worden ingezet in het operationele politiewerk. Op deze wijze wordt het bevorderen van diversiteit integraal opgepakt.
Klopt het dat u naar aanleiding van de motie Bergkamp c.s. geen apart onderzoek gaat uitvoeren naar gespecialiseerde rechercheurs?3 Zo ja, waarom en op welke wijze gaat u dan wel de motie uitvoeren? Zo nee, op welke wijze moeten we uw brief van 31 juli 2019 dan interpreteren?4
In de beleidsreactie op het WODC-onderzoek naar de mogelijke speciale behoeften van slachtoffers van commune delicten met een discriminatoir aspect (zogeheten hate crimes) ten aanzien van het strafproces en de slachtofferhulp, die ik u gezamenlijk met de Minister voor Rechtsbescherming naar verwachting in het najaar zal doen toekomen, zal worden ingegaan op de motie Bergkamp.
Welke vraagstelling heeft het onderzoek van het WODC naar hate crime? Klopt het dat dit onderzoek al klaar is en zo ja, sinds wanneer?
Met dit onderzoek wordt onder meer beoogd na te gaan wat Nederland kan leren van buitenlandse voorbeelden van opvang die is afgestemd op de slachtoffers van commune delicten met een discriminatoir aspect. Ook wordt onderzocht wat de behoeften zijn van de verschillende te onderscheiden slachtoffergroepen van «hate crime» in Nederland: in hoeverre stelt dit bijzondere eisen aan de opvang van deze slachtoffers bij het melden c.q. doen van aangifte en daarna bij het bieden van slachtofferhulp? In hoeverre worden de mogelijkheden voor het bieden van bescherming en wegnemen van angst als toereikend ervaren? Het WODC heeft mij bericht dat het onderzoek zijn afronding nadert.
Gaat dit onderzoek over hate crimes ook over gespecialiseerde rechercheurs? Zo ja, op welke wijze en in welke vraagstelling is deze onderzoeksvraag dan meegenomen? Zo nee, hoe moeten we de brief dan interpreteren?
Ja. Er is onderzocht wat de behoeften zijn van de verschillende te onderscheiden slachtoffergroepen van hate crime ten aanzien van de strafprocedure en slachtofferhulp en in hoeverre dit bijzondere eisen stelt aan bijvoorbeeld de opvang van deze slachtoffers bij het melden c.q. doen van aangifte en daarna bij het bieden van slachtofferhulp. Ook is er gekeken naar buitenlandse voorbeelden, zoals het werken met gespecialiseerde agenten.
Hoe gaat u de motie Van den Hul c.s. over ontwikkeling van een leerlijn (lhbti)-discriminatie te ontwikkelen als vast onderdeel binnen de politieacademie uitvoeren?5
In het Halfjaarbericht politie van 4 juli jl. ben ik hierop ingegaan8. In de basispolitieopleiding, die iedere politiemedewerker moet volgen, is er aandacht voor LHBTI. Om kennis en expertise over de verschillende groepen in de organisatie te borgen, worden politiemedewerkers getraind op divers vakmanschap, zowel in de basis als in de voortgezette opleidingen. Het curriculum voor de voortgezette opleiding wordt op dit moment geactualiseerd. Daarnaast komt er binnen het basispolitieonderwijs meer aandacht voor het thema discriminatie, zowel vanuit strafvorderlijk perspectief als vanuit het perspectief van het slachtoffer. Het netwerk Roze in Blauw wordt regelmatig ingeschakeld om in het kader van dit thema gastcolleges te geven. Ook zal de Politieacademie een voorlichtingsfilm over transgenders gaan gebruiken in de opleiding, die in samenwerking met het Transgendernetwerk Nederland (TNN) tot stand is gebracht. Deze voorlichtingsfilm instrueert over een professionele bejegening van transgender-personen bij het opnemen van aangiften en bij fouilleren.
Het toenemend aantal basisschoolleerlingen dat bijlessen volgt als gevolg van het lerarentekort |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijlesscholen zien zomerklandizie toenemen»1?
Ja, ik ken het artikel.
Wat is uw reactie op de stelling van de bijlesscholen dat de toename een direct gevolg is van het lerarentekort?
Al langer bestaat het beeld dat het gebruik van aanvullend onderwijs toeneemt. Dit is niet nieuw. Sinds 2017 laat het ministerie onderzoek doen naar de omvang en motieven van ouders.2 Lerarentekort wordt daarin niet als motief genoemd. Ouders geven wel aan dat zij vinden dat hun kind extra uitleg nodig heeft, in de meeste gevallen omdat de school volgens hen hierin te kort schiet.
De ontwikkelingen rondom aanvullend onderwijs hebben mijn aandacht. Op dit moment laat ik verdiepend onderzoek uitvoeren naar de omvang van het aanbod van aanvullend onderwijs en de motieven van ouders om voor aanvullend onderwijs te kiezen. Ik verwacht de resultaten in september met uw Kamer te delen.
Bent u bereid nader onderzoek te doen naar de vraag of de toename inderdaad een gevolg is van het lerarentekort? Zo ja, bent u gezien de steeds problematischer omvang van het lerarentekort bereid de Kamer voor de eerstvolgende begrotingsbehandeling van de Onderwijsbegroting te informeren over de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2. De resultaten van het onderzoek ontvangt u voor de begrotingsbehandeling.
Hoe verklaart u de conclusie die het Jeugdjournaal trekt dat met name in grote steden extra gebruik wordt gemaakt van bijlessen?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of deze conclusie terecht is. Mogelijk valt hierover meer te zeggen aan de hand van de resultaten van eerder genoemd lopend onderzoek. Ik wil deze afwachten alvorens mogelijke verklaringen te zoeken.
Wanneer ontvangt de Kamer de eerste resultaten van het inzichtelijk maken van het lerarentekort zoals per aangenomen motie (25 juni jl.)2 is verzocht?
Er worden momenteel gesprekken gevoerd over de uitvoering van de motie met onder andere de inspectie, de PO-Raad, de AOb en AVS. In het najaar informeer ik uw Kamer over de uitkomst.
Deelt u de mening dat ieder kind die dat nodig heeft, toegang zou moeten hebben tot bijles? Zo ja, op welke manier draagt u hier zorg voor? Zo nee, waarom niet?
Ieder kind verdient goed onderwijs en moet toegang hebben tot passende ondersteuning, als dat nodig is. In mijn beleidsreactie op voornoemd onderzoek naar aanvullend onderwijs, zal ik ook ingaan op mogelijke beleidsopties om eventuele ongewenste gevolgen van schaduwonderwijs tegen te gaan. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie Westerveld c.s.4
Onvoldoende draagvlak voor het verduurzamen van goud |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het wil niet vlotten met eerlijk goud in Nederland»1?
Ja
Herkent u de constatering van Stichting Max Havelaar dat er onvoldoende draagvlak bestaat onder de Nederlandse industrie en goudverwerkende bedrijven om gebruik te maken van het keurmerk fairtradegoud?
Ik heb vernomen dat de Stichting Max Havelaar in juni 2019 in een statement aan de partijen bij het goudconvenant het argument van onvoldoende draagvlak heeft gebruikt als reden om te stoppen met fairtrade goud in Nederland. Ik heb tevens vernomen dat er vanuit de sector teleurstelling is geuit dat het fairtrade goud niet meer zal worden geleverd.
Heeft u eerder contact gehad met de sector en Stichting Max Havelaar over genoemd uitblijvend draagvlak? Zo ja, wat kwam er uit deze contacten? Zo nee, waarom niet?
De Stichting Max Havelaar heeft in een eerder stadium geen contact met mij opgenomen over het ontbreken van draagvlak voor fairtrade goud in Nederland. Datzelfde geldt voor de sector zelf.
Welke rol speelden c.q. spelen de partijen binnen het goudconvenant bij het werken aan draagvlak voor het keurmerk? Kunt u daarbij ook expliciet ingaan op de rol die de overheid daarbij innam c.q. inneemt?
In het convenant zijn geen afspraken gemaakt over werken aan draagvlak voor of het gebruik van het fairtrade keurmerk in het bijzonder. In plaats daarvan zijn afspraken gemaakt over het toewerken naar een verantwoorde goudketen door middel van het toepassen van gepaste zorgvuldigheid (due diligence) op basis van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Als onderdeel van een verantwoorde bedrijfsvoering kan een bedrijf ervoor kiezen om fairtrade in te kopen. Een bedrijf kan echter ook zonder gebruik te maken van een fairtrade keurmerk gepaste zorgvuldigheid uitvoeren en het inkopen van producten met een duurzaamheidskeurmerk ontslaat bedrijven niet van de verantwoordelijkheid om gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
De keuze van Stichting Max Havelaar verandert op zichzelf niets aan de inzet van de partijen om de doelstellingen van dit convenant te behalen. De Nederlandse overheid heeft de verantwoordelijkheid bedrijven te stimuleren internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Dit doet de overheid in de goudsector middels het convenant, via het European Partnership for Responsible Minerals, en met partners als Solidaridad en de Internationale Arbeidsorganisatie.
Verandert de keuze van Stichting Max Havelaar iets aan de inzet van partijen binnen genoemd convenant?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is in uw ogen het belang van betreffend keurmerk, en wat zijn de te verwachten consequenties van het verdwijnen van dit keurmerk voor de verduurzaming van goud en de rol die Nederland daarin speelt?
Het keurmerk fairtrade goud geeft de garantie dat het goud uit gecertificeerde, kleinschalige mijnen komt. Mijnwerkers in deze mijnen krijgen een premium prijs voor hun goud en worden gehouden aan strenge standaarden voor werkomstandigheden, veiligheid, gebruik van chemicaliën, arbeidsrechten en milieubescherming. Fairtrade goud inkopen is een van de manieren waarop een bedrijf verantwoorde goudproductie kan stimuleren. Een initiatief als fairtrade maakt dit mogelijk en dat juich ik toe.
Met het verdwijnen van dit keurmerk op de Nederlandse markt stopt een van de manieren waarop Nederlandse bedrijven kunnen bijdragen aan de vraag naar verantwoord geproduceerd goud. Dat betreur ik ten zeerste. Ook zonder dit keurmerk behoren en kunnen bedrijven in de goudsector evenwel gepaste zorgvuldigheid toepassen om verantwoorde productie van goud te stimuleren, zoals bedrijven bij het convenant doen. Ook wordt per 1 januari 2021 door de EU Conflictmineralenverordening het toepassen van gepaste zorgvuldigheid verplicht gesteld voor importeurs die goud op de Europese markt brengen.
Bent u bereid om u uit te spreken over de terughoudendheid van de Nederlandse goud(verwerkende)sector? Zo ja, bent u bereid dit zowel bilateraal als publiekelijk te doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd was fairtrade goud inkopen een van de manieren waarop bedrijven kunnen bijdragen aan een verantwoorde goudketen. Ondanks de constatering van Stichting Max Havelaar dat er te weinig draagvlak bestaat voor een keurmerk onder de Nederlandse industrie en goudverwerkende bedrijven, geeft de sector aan het verdwijnen van deze optie van de Nederlandse markt te betreuren. Daarom zal ik de stuurgroep van het goudconvenant vragen hierover in gesprek te gaan met Stichting Max Havelaar.
Het door de Chinese autoriteiten oppakken van activist(en) die zich onder meer inzetten voor hiv-/aidspatiënten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA), Isabelle Diks (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Police From China's Hunan Detain Three NGO Workers For Subversion»?1
Ja.
Bent u bereid zich, al dan niet in internationaal verband en in samenwerking met het Joint United Nations Programme on HIV/AIDS (UNAIDS), in te spannen om de aard van de aanklacht tegen Cheng Yuan boven tafel te krijgen en na te gaan of hier sprake is van een eerlijk proces?
De Nederlandse ambassade in Peking volgt de ontwikkelingen nauwgezet en bespreekt de zaak lokaal in EU-verband. De bilaterale mensenrechtendialoog met China, zowel die van de EU als die van Nederland, biedt een platform om zorgen over de arrestaties van Cheng Yuan, Liu Yongze en Xiao Wu over te brengen aan de Chinese autoriteiten.
Kunt u inzicht geven in hoe de aanklacht op grond waarvan Cheng Yuan is opgepakt, zich verhoudt tot het werk van de non-profit organisatie (hierna, ngo) Changsha Funeng waarvoor hij werkzaam is?
Volgens berichtgeving van Radio Free Asia zijn drie medewerkers van de ngo Changsha Funeng opgepakt. Het gaat om Cheng Yuan, Liu Yongze en Xiao Wu. Zij zouden worden verdacht van ondermijning van de staatsmacht, een aanklacht die de afgelopen jaren vaker door de Chinese autoriteiten is gebruikt tegen activisten die misstanden aan de kaak probeerden te stellen. Yang Zhanqing, de medeoprichter van Changsha Funeng, geeft aan dat het kantoor in Changsha de werkzaamheden heeft moeten staken.
Wat zijn de acute consequenties voor het werk van genoemde ngo? Klopt het dat collega’s van Cheng Yuan het werk onder druk van de Chinese overheid ook neer hebben moeten leggen? Zijn zij eveneens opgepakt en zo ja, hoe luiden de aanklachten tegen hen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt deze casus zich in uw ogen tot het huidige Chinese voorzitterschap van de Programme Coordination Board van UNAIDS?
De huidige Chinese voorzitter van de UNAIDS Programme Coordination Board vervult het voorzitterschap op correcte wijze. Ngo’s zijn onderdeel van de UNAIDS Programma Coordination Board vanwege hun belangrijke bijdrage aan de HIV/AIDS respons. Helaas staan ngo’s in veel landen, waaronder China, ernstig onder druk. Het kabinet blijft met gelijkgezinde VN-donoren aandacht vragen voor het belang van een inclusief maatschappelijk middenveld en de waarde van de bijdrage van ngo’s aan beleidsvorming. Ook zal het kabinet erop blijven toezien dat de invloed van ngo’s in VN-organisaties als UNAIDS geborgd blijft. Zorgen over individuele gevallen, zoals de arrestatie van Cheng Yuan, Liu Yongze en Xiao Wu, worden via de bilaterale mensenrechtendialoog overgebracht of in vergaderingen van de VN-Mensenrechtenraad aan de orde gesteld.
Deelt u de mening dat het niet ophelderen van de redenen waarom Cheng Yuan en zijn collega’s worden gedwarsboomd door de Chinese overheid, de geloofwaardigheid van China in hierboven genoemde voorzittersrol ondermijnt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.