Het bericht ‘2 op 3 kinderen met gescheiden ouders merken daar jaren later nog gevolgen van’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van EenVandaag en Villa Pinedo naar de gevolgen van scheidingen op kinderen?1
Ja.
Wat is uw reflectie op de conclusie dat 2 op de 3 kinderen met gescheiden ouders in hun volwassen leven nog de gevolgen merken van de scheiding?
Veel ouders lukt het gelukkig om op een goede manier uit elkaar te gaan, waarbij de kinderen er zo min mogelijk last van hebben. We realiseren ons dat er ook ouders zijn waarbij het minder goed gaat en dat dit soms (langdurig) effect heeft op de betrokken kinderen. Het onderzoek van EenVandaag en Villa Pinedo bevestigt dat en laat zien hoe belangrijk ondersteuning vanuit de directe omgeving is voor een kind. De Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en ik blijven ons daarom inzetten voor het beperken van schade bij kinderen als gevolg van een scheiding van hun ouders. Dat kunnen we niet alleen, daar zijn betrokken partijen zoals kenniscentra, (jeugd)hulpverlening, belangenorganisaties en gemeenten hard voor nodig. De inzet is onder meer gericht op verdere verspreiding in het land van de ontwikkelde ondersteuning en deskundigheid die gemeenten en professionals kunnen benutten bij het contact met jeugdigen en ouders. Graag verwijzen we u naar de recente kamerbrief waarin een stand van zaken wordt gegeven van de aanpak van complexe scheidingen.2
Kunt u een inschatting maken hoe groot het maatschappelijke probleem is dat door scheidingen wordt veroorzaakt? Kunt u aangeven wat de meest recente cijfers zijn over het aantal kinderen dat jaarlijks te maken krijgt met een scheiding? Hoe groot is de groep mensen van wie de ouders ooit gescheiden zijn?
Veel kinderen in Nederland hebben in hun opgroeiende leven te maken met de scheiding of het uit elkaar gaan van hun ouders. Scheidingen kunnen ingrijpende effecten hebben op het kind. Gegevens zijn niet beschikbaar van de groep mensen van wie de ouders ooit gescheiden zijn. Wel weten we dat in het jaar 2024 van 23.637 kinderen de ouders scheidden na een huwelijk. Daarnaast zijn er jaarlijks naar schatting ruim 20 duizend kinderen van wie de ouders uit elkaar gaan zonder dat ze getrouwd waren.3
Deelt u de mening dat, mede gelet op de onderzoeksresultaten, het huidige beleid onvoldoende werkt om scheidingen en gevolgen daarvan tegen te gaan?
Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor hun relatie en het goed uit elkaar gaan. Het is daarmee aan ouders om het belang van hun kind(eren) daarbij voortdurend in het oog te houden. Daar waar ouders er niet uitkomen is hulp en ondersteuning mogelijk. In de recente Kamerbrief complexe scheidingen4 staat uitgebreid beschreven hoe we ons inzetten voor ondersteuning voor kinderen en ouders die te maken krijgen met een complexe scheiding. Allereerst wordt ingezet op het beperken van complexe scheidingen met de recent opgeleverde en beproefde werkwijze, «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» (DOnS). De werkwijze heeft tot doel om bij ouders in scheiding een duurzame vorm van samenwerking rondom het ouderschap op gang te brengen. Een samenwerking waarbij het belang van het welzijn en de ontwikkelkansen van het kind centraal staan, en waarbij ouders verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen aandeel en het invullen van het ouderschap. Uit recent onderzoek van TNO is gebleken dat de werkwijze DOnS werkzame elementen bevat.5 Het onderliggende denkkader «Duurzaam Samenwerken na Scheiding» is daarnaast behulpzaam voor gemeenten, organisaties en professionals die te maken hebben met ouders in scheiding.6 Om hen hiermee al laagdrempelig kennis te laten maken, werden de afgelopen jaren 28 inspiratiesessies gehouden voor jeugd- en wijkteams, jeugdzorgorganisaties, gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden. Ook hebben we op 18 september 2025 een landelijk congres georganiseerd. Het congres diende als plek voor kennisdeling en aandacht voor het onderwerp (complexe) scheidingen breed in het land. Voor verdere kennisdeling worden er vijf regionale bijeenkomsten georganiseerd om het denkkader en de werkwijze DOnS verder onder de aandacht te brengen van professionals.
Als het ouders niet lukt om er samen uit te komen en (preventieve) ondersteuning niet volstaat, kan het nodig zijn dat een rechter moet beslissen over het gezag en omgang na scheiding. Deze juridische procedures hebben vaak een grote impact op de betrokken kinderen. In 2024 is door het Ministerie van Justitie en Veiligheid de projectgroep «kindvriendelijke scheidingsprocedures» in het leven geroepen. In de projectgroep wordt samengewerkt met de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming, stichting Villa Pinedo en de advocatuur (vertegenwoordigd door de vFAS) aan een rapport waarin is geanalyseerd op welke onderdelen juridische procedures kindvriendelijker ingericht kunnen worden. Naar verwachting zal dit rapport begin 2026 worden opgeleverd. Voor meer informatie over lopende inzet om gezinnen in scheiding te ondersteunen verwijzen we uw Kamer graag naar de Kamerbrief van 3 oktober 2025.7
Kunt u aangeven wat de actuele cijfers zijn als het gaat om de relatie tussen scheidingen en jeugdhulpgebruik, en scheidingen en de vraag naar geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Uit onderzoek op basis van cijfers van het CBS uit 20238 blijkt dat er een samenhang is tussen scheidingen van ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen. Deze samenhang zien we ook terug in het onderzoek van Significant9.Bij alle vormen van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is te zien dat de kans op de behoefte aan/vraag naar jeugdzorg groter is bij kinderen van gescheiden ouders.
De relatie tussen een scheidingssituatie en de vraag naar GGZ is niet onderzocht. Wel blijkt uit een ander onderzoek van het CBS uit 202510 dat in de huishoudens waarin GGZ-medicatie en/of GGZ-zorg wordt gebruikt, 21,5% van de jongeren (0–18 jaar) jeugdhulp krijgt en 2,1% van de jongeren jeugdbescherming. In huishoudens zonder GGZ-medicatie en/of GGZ-zorg krijgen 10,7% van de jongeren jeugdhulp en 0,7% jeugdbescherming. Bij jeugdreclassering is de samenhang met GGZ-medicatie en/of GGZ-zorg in het huishouden minder groot: 0,5% van de jongeren (12–23 jaar) krijgt jeugdreclassering in huishoudens met GGZ, en 0,3% van de jongeren krijgt jeugdreclassering zonder GGZ-gebruik in het huishouden.
Gelet op de schade die door scheidingen wordt aanricht, deelt u de opvatting dat de overheid de ambitie zou moeten hebben om het aantal scheidingen in Nederland te verminderen?
Nee. De keuze om een relatie te beginnen dan wel te beëindigen is een fundamenteel onderdeel van de autonomie van burgers. Een scheiding heeft bovendien niet altijd negatieve gevolgen. Een scheiding is vaak wel een ingrijpende gebeurtenis, die met name voor kinderen gevolgen heeft. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het werken aan en onderhouden van een goede relatie, of als dit niet lukt het goed uit elkaar gaan en zorg blijven dragen voor de kinderen. Daar waar een scheiding dreigt te escaleren tot een complexe scheiding die gepaard kan gaan met langdurige juridische procedures, heeft de overheid een rol in het beperken van de bijkomende negatieve gevolgen.
Bent u bereid om het kabinetsbeleid meer te richten op het versterken van relaties en huwelijken en het voorkomen van scheidingen, en niet slechts het beperken van de schadelijke effecten van (complexe) scheidingen?
Zoals hierboven al aangegeven zijn ouders in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het op een goede manier uit elkaar gaan en het maken van afspraken over het invullen van het ouderschap. Scheiden gaat vaak gepaard met een emotionele, stressvolle periode in het leven, waardoor het ouders niet altijd lukt om er op een goede manier met elkaar uit te komen. Het kan voor een gezin een moeilijke periode zijn, waarin spanningen kunnen oplopen. Kinderen kunnen soms worden ondersteund met jeugdzorg. Daarmee wordt de oorzaak van het probleem niet weggenomen. Voor ouders en kinderen kan informele steun van familie, vrienden of buren of informele gezinssteun via maatschappelijke organisaties11 helpen om met de scheiding om te gaan. Als deze informele (gezins)steun niet voldoende is, kan er ook ondersteuning vanuit de gemeente worden geboden, bijvoorbeeld via het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en in de lokale wijkteams.
Bij veel gemeenten zien we al veel mooie initiatieven. Het aanbod verschilt per gemeente. In sommige gemeenten biedt het CJG spreekuren aan over relaties en scheidingen, waar ouders vragen kunnen stellen en onafhankelijk advies kunnen krijgen van een professional. Een ander voorbeeld is het Kenniscentrum Kind en Scheiding, dat in de regio Haaglanden (laagdrempelige) ondersteuning en hulp biedt aan gezinnen in scheiding. De Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en ik zetten ons in voor de verspreiding van dit soort goede voorbeelden in het land.
Deelt u de mening dat de overheid de toegankelijkheid van relatie- en gezinstherapie zou kunnen vergroten, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat de kosten hiervan gedeeltelijk of geheel vergoed worden?
Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het goed uit elkaar gaan in het belang van het kind en kunnen zelf de keuze maken voor relatie- en gezinstherapie. Vanuit de aanvullende zorgverzekering is het soms mogelijk om relatietherapie vergoed te krijgen. Dit hangt af van de gekozen verzekeraar. Systeemtherapie wordt op dit moment onder voorwaarden door zorgverzekeraars vergoed. Zo wordt systeemtherapie in de GGZ bijvoorbeeld alleen als onderdeel van een GGZ-behandeling ingezet en vergoed. Er moet dan sprake zijn van een psychiatrische stoornis.
Wat is de stand van zaken van het wetenschappelijk onderzoek naar de (kosten)effectiviteit van relatie- en gezinstherapie?2
Zoals toegezegd is het verzoek in de motie van het lid Van Dijk12 om onderzoek te doen naar de effectiviteit van systeemtherapie, doorgeleid naar het Zorginstituut Nederland om hier vanuit de wettelijke taak naar te kijken. Ter uitvoering van het verzoek heeft het Zorginstituut Nederland de volgende acties ondernomen:
Het is bekend dat 50% van de kinderen die te maken hebben met jeugdbescherming, ouders heeft met mentale kwetsbaarheden.13 Daarnaast maakt de inventarisatie van het Zorginstituut inzichtelijk dat er aanwijzingen zijn dat gezinstherapie kostenbesparend is bij kinderen en jongeren met gedragsproblemen, verslavingsproblemen en delinquentie en bij volwassen personen met schizofrenie/psychose. Daarom zal ik aanvullend onderzoek uitzetten naar hoe gezins- of systeemtherapie zouden kunnen bijdragen aan het voorkomen of verminderen van de inzet van jeugdzorg of jeugdbeschermingsmaatregelen. Over de uitkomsten daarvan zal ik uw Kamer in een van de voortgangsbrieven Jeugd op de hoogte stellen.
Bestaat er een ondersteuningsaanbod voor mensen die als kind een scheiding hebben meegemaakt, daar nooit hulp bij kregen en op latere leeftijd nog steeds de gevolgen ervan dragen? Zo nee, bent u bereid om te onderzoeken in hoeverre er behoefte bestaat aan een dergelijk hulpaanbod?
Soms komen gevoelens van onzekerheid, verlatingsangst of moeite met het aangaan van hechte relaties pas naar boven wanneer iemand volwassen is, zelf een gezin vormt of door moeilijke levensmomenten gaat.
Er is binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg hulp beschikbaar voor mensen bij wie een psychische aandoening is ontstaan door gebeurtenissen uit hun jeugd, waaronder een scheiding van ouders. Zorgprofessionals kunnen begeleiding bieden bij het verwerken hiervan of het herstellen van patronen die in relaties blijven terugkeren. Met name contextuele therapie richt zich op het begrijpen van hoe loyaliteit, rechtvaardigheid en verbondenheid binnen families doorwerken in het volwassen leven. Ook rouw- of hechtingstherapie kan helpen om gemis of onveiligheid uit het verleden een plek te geven. Ik zie op dit moment geen noodzaak om extra onderzoek te doen naar specifieke subdoelgroepen binnen dit hulp- en zorgaanbod.
Kunt u aangeven op welke wijze het kabinet expertise en ervaring rondom scheiden door het land verspreid? Hoe kunnen bijvoorbeeld zorgprofessionals en leerkrachten beter toegerust worden om kinderen met gescheiden ouders te ondersteunen?
In ons antwoord op vraag 4 en in de Kamerbrief complexe scheidingen van 3 oktober jl. kunt u lezen hoe kennisverspreiding over de ontwikkelde en onderbouwde kennis en werkwijze plaatsvindt, o.a. door een landelijk congres en het organiseren van in totaal 28 inspiratiesessies. Daarnaast zijn we voornemens om de werkwijze verder onder de aandacht te brengen tijdens vijf regionale bijeenkomsten verspreid door het land.
Het Kenniscentrum Kind en Scheiding is verder bereid om tot en met medio 2026 richting gemeenten en andere organisaties en zorgprofessionals als centrale vraagbaak te fungeren en ondersteuning te bieden bij vragen over het denkkader en de toepassing van de ontwikkelde werkwijze in de eigen praktijk. Ook zal er over het toepassen van deze scheidingsexpertise in de eigen regio of gemeente een webinar worden gegeven.
Naast de kennisverspreiding richting gemeenten en professionals, erkennen wij het belang van de rol van de leerkracht in het leven van een kind. Voor kinderen op de basisschool zijn de programma’s Stoere Schilpadden (4–6 jaar) en Dappere Dino’s (6–8 jaar) ontwikkeld. Daarnaast is informatie voor scholen en leraren beschikbaar via het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde kanalen als Leraar24 en ook het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Daar worden onder meer de taken, maar ook tips en goede voorbeelden gedeeld.
Kunt u aangeven wat de lessen zijn uit de proeftuinen gericht op de aanpak van complexe scheidingen in het kader van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming? Hoe is hier inmiddels een gevolg aan gegeven?
In verschillende proeftuinen wordt gewerkt aan vormen van hulp bij complexe scheidingsproblematiek. Proeftuinen leggen daarbij verschillende accenten afhankelijk van de ontwikkelingen in de regio. Voorbeelden van proeftuinen waar actief wordt ingezet op scheidingsproblematiek zijn de proeftuinen Hart van Brabant en Utrecht-West. De regio Hart van Brabant werkt samen met de Gezinsadvocaat. De Gezinsadvocaat werkt als een duo van een gezinsadvocaat en een gedragswetenschapper die recht en zorg combineren om de scheiding zo goed mogelijk te begeleiden voor alle gezinsleden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat juridische én emotionele aspecten van de scheiding in samenhang worden aangepakt, met het belang van het kind centraal.
De regio Hart van Brabant was een van de eerste gebieden waar de Gezinsadvocaat werd geïntroduceerd. In Utrecht West zijn een visie en werkwijze ontwikkeld ten aanzien van een scheidingsaanpak.14 De visie gaat ervan uit dat de nadruk moet liggen op onderliggende problematiek van ouders en of ouders een gezamenlijke wens tot verbetering hebben.
Vanuit het Toekomstscenario worden de opgehaalde kennis en lessen uit de proeftuinen meegenomen in het zogenaamde handelingskader. Dit handelingskader geeft richting aan de noodzakelijke verandering en biedt houvast en ruimte om te doen wat nodig is voor een gezin/huishouden. In het handelingskader komt een module specifiek gericht op complexe scheidingen.
Het bericht 'Plasticgigant zweeg decennialang over PFAS-lozingen' |
|
Geert Gabriëls (GL) |
|
Tieman , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plasticgigant zweeg decennialang over PFAS-lozingen»?1
Ja.
Klopt de stelling uit het bericht dat Sabic meer dan 25 jaar lang PFAS loosde in de Westerschelde zonder toezichthouders te informeren?
Ja, pas in 2022 is het bevoegd gezag geïnformeerd over deze lozing.
Als dit klopt, wat zijn dan de straffen die opgelegd kunnen worden aan Sabic?
In de Kamerbrief van 18 november 2022 (Kamerstuk 22 343, nr. 349) en de Kamerbrief van 10 december 2024 (Kamerstuk 22 343, nr. 405) is de Kamer geïnformeerd over de handhavingsinstrumenten aanwezig in het VTH-stelsel milieu. Gelet op de beginselplicht tot handhaving dient bij constatering van een overtreding het bevoegde gezag hierop te handelen. De handhaving van het omgevingsrecht is gelijkwaardig, doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig om een goede naleving te bereiken. Om dit te bereiken is de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) verankerd in de handhavings- en sanctiestrategie van het bevoegde gezag.
Bij het toepassen van de LHSO zijn twee hoofdvragen van belang die beide van gelijke waarde zijn: 1. is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en 2) is er aanleiding voor bestraffing?
Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding worden deze vragen beantwoord en het resultaat toegepast door het bevoegde gezag in afstemming met strafrechtelijke partners. Zie ook het antwoord bij vraag 7.
Klopt het dat dit bedrijf eerder ook al waarschuwingen ontving voor drie overtredingen, waaronder het niet melden van een lekkage van PFBS?
Ja.
Hoe groot acht u de kans dat Sabic daadwerkelijk een sanctie opgelegd krijgt voor de lozing van PFAS in de Westerschelde?
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen worden genomen en aan het OM om te besluiten over eventuele strafrechtelijke vervolging. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat legt zelf geen sancties op. Het is niet aan mij om te speculeren over mogelijke handhavings- of vervolgingsacties ten aanzien van Sabic.
Welke sancties kunnen aan een bedrijf worden opgelegd als dat bedrijf langdurig de milieuregels niet heeft opgevolgd en het toezichthouders onmogelijk heeft gemaakt hun taak naar behoren uit te voeren?
Afhankelijk van onder meer de aard en ernst van de overtreding kunnen verschillende instrumenten worden ingezet. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Waar ligt de drempel om een dossier voor beoordeling door te sturen naar het Openbaar Ministerie?
De LHSO is een afstemmingskader, er is niet een absolute, eenduidige drempelwaarde opgenomen waarop een dossier moet worden voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. Wel is beschreven wanneer strafrechtelijk optreden aan de orde kan zijn en hierover met het Openbaar Ministerie (OM)/Functioneel Parket (FP) afstemming plaatsvindt.
De LHSO heeft criteria en uitgangspunten voor de afweging of strafrechtelijke handhaving aan de orde is. Deze zijn gekoppeld aan de gevolgen van de overtreding en het gedrag van de overtreder. De LHSO benoemt zeven aspecten welke in elk geval meegewogen:
Acht u het wenselijk dat er een evaluatie plaatsvindt van ernstige situaties als deze en, zo ja, wie zouden hierbij betrokken moeten zijn? Bestaan hier (ad hoc) voorschriften of structuren voor?
Door te evalueren leren we van ervaringen die we opdoen. Daarmee is dit een belangrijk onderdeel van de kwaliteitsverbetering waar het bevoegd gezag dagelijks mee bezig is. Ervaringen die ook relevant kunnen zijn voor andere bevoegde gezagen. In het Bestuurlijk Omgevingsberaad zijn de afgelopen jaren meerdere sessies geweest over het leren van ervaringen uit de praktijk.
Gaat u het bevoegd gezag helpen bij het opleggen van straffen en eventuele rechtszaken die volgen? Waarom wel/niet?
Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om, wanneer sprake is van overtredingen, de LHSO toe te passen. Het ministerie ondersteunt het bevoegd gezag waar dat nodig en gewenst is, zodat zij hun taken op een zorgvuldige en effectieve wijze kunnen uitvoeren. Bestraffende sancties vallen onder het werkterrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV).
Wat kunt u nog meer doen om ervoor te zorgen dat de veroorzakers van deze milieuovertredingen daadwerkelijk bestraft worden?
De handhaving ligt bij het bevoegd gezag. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zorgt voor een stevig en duidelijk juridisch kader via beleid en wetgeving, zodat overtredingen kunnen worden bestraft.
De uitvoering vindt plaats op verschillende niveaus. Omgevingsdiensten, gemeenten en provincies zijn verantwoordelijk voor lokale handhaving. Rijkswaterstaat houdt toezicht op de rijkswateren, waterschappen op de regionale wateren, en politie en Openbaar Ministerie behandelen strafrechtelijke milieuzaken. De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) richt zich op georganiseerde criminaliteit.
Zoals eerder aangegeven zijn mogelijke sancties onder meer bestuurlijke boetes, dwangsommen, bestuursdwang. Strafrechtelijke vervolging kan er ook toe leiden dat strafrechtelijke sancties worden opgelegd.
Het Ministerie van IenW bevordert samenwerking tussen deze partijen en zorgt, via het Landelijk Overleg Milieuhandhaving en de LHSO, voor afstemming, prioritering en informatie-uitwisseling.
Wanneer worden de nieuwe Europese regels (sancties en straffen voor milieucriminaliteit) van kracht in Nederland?
Door het Ministerie van JenV wordt gewerkt aan een wetsvoorstel ter implementatie van de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit2. In oktober heeft het Ministerie van JenV het advies van de Raad van State ontvangen. Na verwerking van dit advies wordt het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.
Hoe beoordeelt u het feit dat provincie Brabant pas in 2022 ontdekte dat er PFAS geloosd werd?
De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat het bedrijf eerder had moeten melden dat PFBS aanwezig is in het afvalwater. Ik deel deze mening.
Hoe kan het dat het bedrijf het lozen van PFBS niet gemeld heeft aan de bevoegde instanties en hoe beoordeelt u dat gegeven?
De vraag waarom het bedrijf het lozen van PFBS niet eerder heeft gemeld aan het bevoegde gezag, kan ik niet beantwoorden. Dat betreft een beslissing van het bedrijf zelf.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Sabic aangeeft de lozing van PFBS ontdekt te hebben in 2019, terwijl provincie Brabant pas in 2022 werd geïnformeerd?
Van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is begrepen dat in 2019 niet is gemeld dat er bij een ongewoon voorval emissies van PFBS hebben plaatsgevonden, terwijl het bedrijf hier wel van op de hoogte was. De Omgevingsdienst heeft dit beoordeeld als een overtreding van de vergunning. Het bedrijf heeft hiervoor een bestuursrechtelijke waarschuwing gekregen.
Wat kunt u doen om decentrale overheden en omgevingsdiensten beter te equiperen om milieuovertredingen als deze te voorkomen?
Het ministerie ondersteunt het bevoegd gezag waar dat nodig en gewenst is, zodat zij hun taken op een zorgvuldige en effectieve wijze kunnen uitvoeren. Zie ook de antwoorden op vragen 9 en 10.
Wat kunt u doen om decentrale overheden en omgevingsdiensten beter te equiperen om milieuovertredingen als deze te bestraffen?
Het ministerie ondersteunt het bevoegd gezag waar dat nodig en gewenst is, zodat zij hun taken op een zorgvuldige en effectieve wijze kunnen uitvoeren. Zie ook de antwoorden op vragen 9 en 10.
Wat vindt u van het gegeven dat PFBS pas sinds 2020 op de lijst van zeer zorgwekkende stoffen staat en hoe gaat u voorkomen dat andere PFAS-soorten «over het hoofd gezien worden» door bedrijven?
Sinds 1 januari 2016 geldt de «minimalisatieverplichting» voor alle zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bij vergunningplichtige activiteiten. Dat betekent dat bedrijven bij vergunningverlening informatie moeten aanleveren over de uitstoot van ZZS, en het bevoegd gezag voorschriften kan opnemen voor emissiebeperking. Bedrijven moeten ook na vergunningverlening werken aan continue verbetering door het voorkomen van emissies en als dat niet mogelijk is deze zo ver mogelijk reduceren.
Per december 2024 zijn alle PFAS-stoffen toegevoegd aan de ZZS-lijst. Er is een verplichting om als bedrijf de emissies van ZZS te minimaliseren. Dit houdt in dat de emissies moeten worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zo ver mogelijk te beperken.
Welke rol pakt u als stelselverantwoordelijke om situaties als deze te voorkomen én deze situatie op te lossen?
De Minister van IenW is stelselverantwoordelijk voor het nationale beleid op het gebied van water en infrastructuur. De Staatssecretaris is stelselverantwoordelijk voor milieu en VTH. Het ministerie maakt het beleid en de wetgeving waarbij normen en kaders die lozingen reguleren worden vastgelegd. Dit gezegd ben ik niet de enige die over lozingen gaat. Het ministerie is wel de coördinerende autoriteit.
Vindt u ook dat verwijzen naar het bevoegde gezag niet een oplossing biedt voor de ontstane situatie? Waarom wel/niet?
Nee, het is de verantwoordelijkheid van bedrijven om correcte en volledige gegevens aan te leveren bij de bevoegd gezag, zowel bij een vergunningsaanvraag als bij wijzigingen in de bedrijfssituatie. Het bevoegd gezag draagt op zijn beurt de verantwoordelijkheid om op basis van deze informatie een afweging te maken over welke emissies acceptabel zijn en welke niet.
Hoe kan de landelijke handhavingsstrategie aangescherpt worden, zodat in situaties als deze de vervuiler bestraft wordt en de vervuiling opgeruimd wordt door de vervuiler?
De meest recente versie van de LHSO is in 2023 vastgesteld, aansluitend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het zorgt ervoor dat toezichthouders en handhavers (zoals omgevingsdiensten, inspecties, politie, ILT, e.a.) op vergelijkbare wijze kunnen omgaan met overtredingen.
De LHSO werkt met een afwegingskader dat handhavers helpt om te bepalen welke handhavingsactie gepast is, afhankelijk van de ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de mogelijke gevolgen en urgentie van optreden. De huidige landelijke handhavingsstrategie geeft daarmee alle mogelijkheden die het bevoegd gezag nodig heeft om in te grijpen en er is daarom ook geen noodzaak tot verdere aanscherping.
Zou u het ook onbevredigend vinden als het handhavingstraject hier niet leidt tot een straf?
De verantwoordelijkheid voor strafrechtelijke aangelegenheden ligt bij het OM. Over de inzet van hun bevoegdheden doe ik geen uitspraken, het OM is hierin onafhankelijk. Zie ook antwoord 10.
Bestaat er een landelijke dataset waar waterschappen hun eigen PFAS-metingen kunnen laten registreren om zo op landelijk niveau een beter zicht te krijgen op mogelijke bronnen?
Nee, alle bevoegd gezagen zijn zelf verantwoordelijk voor hun administratieve, registratie- en beheersystemen.
Wanneer kunt u meer uitsluitsel geven over concrete acties die u gaat uitvoeren naar aanleiding van de aangenomen motie om te komen tot een nationaal PFAS-lozingsverbod?2
De Kamer wordt hierover geïnformeerd aan het einde van het eerste kwartaal van 2026.
Kunt u deze vragen één voor éen beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Middelbare scholen in Beverwijk en Heemskerk dicht vanwege jongerengeweld’ |
|
Martin Oostenbrink (BBB), Marieke Wijen-Nas (BBB) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Middelbare scholen in Beverwijk en Heemskerk dicht vanwege jongerengeweld»?1 Herkent u in de recente gebeurtenissen in Beverwijk en Heemskerk een bredere maatschappelijke dreiging, waarbij jongerengeweld, sociale media en digitale intimidatie elkaar versterken?
Dit bericht is mij bekend. Rivaliserende jeugdgroepen in Nederland zijn een fenomeen dat al langer bestaat. De rivaliteit wordt versterkt door uitingen op sociale media over en weer, die om de zoveel tijd leiden tot daadwerkelijk gewelddadige incidenten. Dergelijke incidenten, waarbij er sprake is van daadwerkelijk geweld met een online component, noemen we hybride straatgeweld. Sinds het begin van deze eeuw zijn er verschillende momenten geweest waarop spanningen tussen jeugdgroepen, vaak met een etnische, territoriale of subculturele achtergrond, vanwege geweldsincidenten het nieuws haalden. Vanaf ongeveer 2018 laten cijfers en meldingen bij politie en gemeenten een (lichte) toename te zien van conflicten tussen jeugdgroepen in stedelijke gebieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat scholen hun deuren moeten sluiten vanwege dreiging en onveiligheidsgevoelens onder jongeren? Acht u dit een incident of een symptoom van een structureel probleem?
Het is dieptriest dat scholen hiertoe hebben moeten besluiten. Door de lokale autoriteiten is aangegeven dat de reden van de sluiting lag in de gevoelens van angst en onrust onder leerlingen en ouders/verzorgers.
De kern van dit probleem lag niet bij de scholen. Het is dan ook niet aan de orde om te spreken van een structureel probleem. Wel onderstrepen geweldsincidenten als deze hoe belangrijk preventief handelen is bij signalen van grensoverschrijdend gedrag onder jeugdigen.
Welke rol speelt de georganiseerde jongerencriminaliteit in deze incidenten? Wordt dit actief gemonitord en aangepakt door politie, Openbaar Ministerie (OM) en Veiligheidshuizen?
De (politie)onderzoeken zijn nog in volle gang, waardoor het te vroeg is om een duidelijke conclusie te kunnen trekken over de eventuele rol van georganiseerde criminaliteit bij deze incidenten.
In geval van lokale veiligheidsincidenten, zoals in Beverwijk en Heemskerk, is het aan de veiligheidsdriehoek om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden. Specifiek voor problematiek rond jeugdgroepen kan gekozen worden voor een zogenaamde groepsaanpak, waarbij ook opgeschaald kan worden naar een persoonsgerichte aanpak in het Zorg- en Veiligheidshuis (ZVH). Wanneer, in navolging van deze incidenten, jongeren worden aangemeld, dan zal de persoon, het systeem en de omgeving worden meegenomen in een (persoonsgerichte) aanpak.
Hoe beoordeelt u het gebruik van AI en deepfakes bij het verspreiden van dreigende beelden van geweld en explosies op scholen? Wordt dit gezien als een vorm van digitale ondermijning?
Het is kwalijk dat AI en deepfakes worden gebruikt voor het maken van dreigende beelden. Het is goed voorstelbaar dat het verspreiden van beelden van explosies op scholen een grote impact heeft op het veiligheidsgevoel van leerlingen, ouders, het personeel van de school en de omgeving. Het gebruik van AI of deepfakes is niet automatisch een vorm van digitale ondermijning, hiervoor moet AI als middel worden gebruikt door criminelen om de samenleving te ontwrichten om criminele handelingen uit te voeren. Om met zekerheid te kunnen stellen of er in deze situatie gebruik wordt gemaakt van AI om te ondermijnen zou er eerst meer duidelijkheid moeten zijn over het incident.
Welke rol spelen sociale media zoals TikTok en Snapchat in het aanwakkeren of verspreiden van geweld tussen jongeren en welke mogelijkheden ziet u om hier snel en effectief op in te grijpen?
Jongeren zijn veelvuldig online en actief op verschillende sociale media platformen, waaronder TikTok en Snapchat. Deze platformen worden helaas ook gebruikt voor negatieve doeleinden, waarbij online uitingen kunnen leiden tot (verdere) escalatie naar daadwerkelijke fysieke confrontaties. In eerste instantie zijn de online platformen aan zet om te zorgen dat hun gebruikers online veilig zijn. De Digital Service Act (DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan online platformen om bij te dragen aan het creëren van een veilige online omgeving. Met de platformen ben ik in dialoog over de uitdagingen die daarmee samenhangen.
In het voorjaar heb ik uw Kamer geïnformeerd over het onderzoek dat ik door het Verwey-Jonker Instituut laat doen naar de aanpak van online geweld, als onderdeel van de aanpak van geweld in het publieke- en semipublieke domein.2 In dit onderzoek is er ook aandacht voor de invloed van online uitingen op het ontstaan en de escalatie van daadwerkelijk geweld. Later dit jaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de beleidsvoornemens die ik hieraan verbind.
Vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) wordt via de Versterkte Aanpak Online ook gewerkt aan een gecoördineerde aanpak van onlineterrorisme en extremisme. Over de voortgang van deze aanpak heb ik uw Kamer recentelijk geïnformeerd, met daarbij speciale aandacht voor het voorkomen van online radicalisering onder jongeren.3 Daartoe wordt onder meer in samenwerking met gemeenten ingezet op het verhogen van de digitale weerbaarheid van jongeren.
Hoe wordt de samenwerking tussen politie, OM en Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid versterkt om sneller te reageren op digitale dreiging die leidt tot paniek en schoolsluiting?
In beginsel is de veiligheid van personen, objecten en diensten decentraal georganiseerd. Op basis van dreiging en risico kunnen er maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag. Bijvoorbeeld via samenwerking binnen de driehoek. Daarnaast hebben de lokaal adviseurs van de NCTV doorlopend contact met politie, gemeenten en het Openbaar Ministerie over het lokale dreigingsbeeld op grond van terrorisme en extremisme.
Wordt overwogen om geweldsverheerlijking via sociale media strafbaar te stellen als digitale opruiing?
Er kan op dit moment al strafrechtelijk worden opgetreden. Bijvoorbeeld wanneer de online uitingen kunnen worden gekwalificeerd als opruiing (zoals het oproepen tot geweld), voorbereiding van openlijke geweldpleging, smaad, laster of uitlokking tot een strafbaar feit.
Hoe wordt de aanpak van jongerengeweld afgestemd op de bredere strategie tegen High Impact Crimes en ondermijning?
Geweldsdelicten behoren tot de High Impact Crimes. In de strategische aanpak van High Impact Crimes gaat het in de kern om het treffen van dadergerichte, slachtoffergerichte en situationele preventieve maatregelen, waar nodig in combinatie met een repressief optreden. Randvoorwaarden in deze strategie zijn onder meer het opstellen van een beleidsanalyse naar de aard, omvang, oorzaken en risicofactoren, het inzetten van wetenschappelijk onderbouwde effectieve maatregelen en de (door)ontwikkeling van innovatieve en veelbelovende maatregelen, inclusief de evaluatie van deze inzet, alsmede de samenwerking tussen publieke en private partijen bij de uitvoering van de preventieve maatregelen. Ook communicatie, waar nodig wetgeving en de borging van de maatregelen vormen belangrijke elementen in de HIC-aanpak. In het geval van geweld gepleegd door jongeren krijgt deze strategie onder meer gestalte door de inzet van effectieve of veelbelovende interventies zoals Alleen jij bepaalt wie je bent, de Integrale Persoonsgerichte Toeleiding naar Arbeid, de Re-integratieofficier en het – ook voor de aanpak van ondermijning relevante – traject Veilig In en Om School (VIOS).4 In bredere zin worden verder algemene preventieve maatregelen getroffen, zoals tegen geweld op school, in het uitgaansleven, openbaar vervoer, de sport en online, waarover ik uw Kamer eerder dit jaar informeerde.5 Ten slotte is het in dit kader relevant te wijzen op het voornemen van dit kabinet om te komen tot een verhoging van de strafmaxima voor openlijke geweldpleging met een derde. Dit wetsvoorstel is inmiddels in voorbereiding. Ook daarvan gaat een belangrijk signaal naar de samenleving dat geweld onacceptabel is.
Hoe beoordeelt u het instellen van een noodbevel, inclusief samenscholingsverbod en preventief fouilleren, in deze context?
De burgemeester is op grond van de Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde. Afhankelijk van de omstandigheden kan hij verschillende bevelen geven waaronder het instellen van een samenscholingsverbod en de aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied. Of en wanneer hij dat doet, is ter beoordeling aan de burgemeester. Desgevraagd is hij hierover verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad. Specifiek voor het preventief fouilleren geldt dat hiervoor toestemming van de officier van justitie nodig is.
Welke structurele maatregelen worden genomen om gemeenten te ondersteunen bij het voorkomen van escalatie, bijvoorbeeld via extra inzet van wijkagenten, digitale recherche en jongerenwerk?
Elke gemeente is verantwoordelijk voor de eigen preventieve aanpak van (jeugd)criminaliteit en maakt op basis van de lokale problematiek eigen afwegingen, zoals over de inzet van professionals die zich richten op jongeren en jongvolwassenen. Zo kan (online) jongerenwerk, door het laagdrempelige contact met jongeren, een belangrijke rol spelen bij het vroegtijdig signaleren van spanningen en daarmee mogelijk escalatie voorkomen. Ook kunnen straatcoaches en/of jeugdboa’s door gemeenten worden ingezet om vroegtijdig te signaleren en in te grijpen.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stimuleert, onder andere door het delen van best practices, de inzet van integrale schoolveiligheidsaanpakken. Dit gebeurt onder meer via het programma Preventie met Gezag (PmG). Dit is een lerende aanpak. Binnen PmG zijn er lerende netwerken ingericht met de gemeenten, justitiepartners en wetenschappers. School en veiligheid is één van de onderwerpen waar vanaf de start van deze netwerken aandacht voor is en waar kennis en ervaringen worden gedeeld. Hier worden onder andere ervaringen uitgewisseld over de inzet van integrale schoolveiligheidsaanpakken zoals VIOS. In dit soort aanpakken werken scholen onder andere samen met jongerenwerk, agenten in de wijk, straatcoaches en wijkteams aan een gedeelde verantwoordelijkheid voor een veilige omgeving, het voorkomen van escalatie en het bieden van perspectief aan jongeren. Een ander voorbeeld dat binnen het lerende netwerk wordt opgepakt betreft de ervaringen met het online jongerenwerk. De geleerde lessen vanuit zowel de aanpak als de lerende netwerken van PmG worden gedeeld met de rest van Nederland via onder andere de digitale vindplaats. Gemeenten die geen onderdeel zijn van PmG kunnen deze lessen overnemen, en toepassen in de lokale context. Naar aanleiding van de onregelmatigheden met jongeren in Beverwijk en Heemskerk is er vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid contact met de regio IJmond, waar deze gemeenten toe behoren, deze gemeenten zijn gewezen op de mogelijkheid om in contact te treden met gemeenten die te maken hebben met vergelijkbare problematiek om onderling ervaringen uit te wisselen.
De inzet van agenten wordt lokaal bepaald door het bevoegde gezag (burgemeester en officier van justitie) en besproken in de lokale driehoek. Signalen over (dreigende) onrusten tussen jongeren worden daar met elkaar gedeeld. Als het gezag extra inzet nodig acht om escalatie te voorkomen, dan zal het die keuze in overleg met de politie maken. Naar verwachting zal de driehoek ook rekening houden met de rol die andere professionals, zoals jongerenwerkers, kunnen spelen, zodat preventie wordt ingezet waar mogelijk en repressie waar noodzakelijk. De eventuele extra politie-inzet moet gevonden worden binnen de beschikbare capaciteit van de betreffende eenheid. Gezien de druk op de politiecapaciteit vraagt dit om scherpe keuzes door de lokale driehoek.
Welke impact heeft deze situatie op de scholieren, het onderwijs en de continuïteit van het leerproces? Welke ondersteuning wordt de komende periode aan deze school geboden?
Het gevoel van dreiging onder leerlingen, ouders en medewerkers was groot. Op alle betrokken scholen is er na afloop van de gebeurtenissen een bijeenkomst geweest met personeel om de gebeurtenissen een plek te geven en te bespreken hoe de docententeams dit met de leerlingen konden bespreken. Daarnaast is er op ouderavonden die al gepland stonden, uitvoerig gesproken hierover en op twee scholen zijn er nog extra ouderavonden georganiseerd met specifieke informatie over de online wereld, waarbij experts langskomen om erover te vertellen en vragen te beantwoorden. Ouders hebben positief gereageerd op hoe de school de situatie afgehandeld heeft: de zorgvuldigheid, de ouderavonden en de extra aandacht die gegeven werd aan kinderen die het moeilijker hebben. Daarnaast zijn de scholen door het Ministerie van OCW gewezen op het aanbod van Stichting School & Veiligheid. Scholen kunnen hier altijd terecht voor advies over en ondersteuning bij het creëren van een veilig schoolklimaat.
Welke rol ziet u voor scholen in het vroegtijdig signaleren van spanningen en het bieden van preventieve ondersteuning?
Scholen zijn op dit moment al verplicht om veiligheidsbeleid te voeren. Dat betekent concreet dat zij antipestbeleid maken, een antipestcoördinator hebben en zicht hebben op de veiligheidsbeleving van leerlingen.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs geeft het kabinet nadere inkleuring aan de zorgplicht. Zo zorgen we ervoor dat er meer leerlingen worden bevraagd op hun veiligheidsbeleving, moeten scholen verplicht een interne en externe vertrouwenspersoon aanstellen en moeten scholen hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren. Ook komt er een incidentenregistratie en een meldplicht voor ernstige veiligheidsincidenten bij de Inspectie van het Onderwijs. De beoogde inwerkingtreding is 1 augustus 2026. Met deze wet beoogt de regering dat scholen eventuele spanningen sneller in beeld krijgen, en dus ook sneller ondersteuning kunnen bieden. Scholen kunnen hiervoor terecht bij Stichting School & Veiligheid.
Bent u bereid om scholen in risicogebieden structureel te ondersteunen met preventiemedewerkers, schoolmaatschappelijk werk en samenwerking met jongerenhubs?
De overheid ondersteunt scholen en gemeenten op dit moment bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Gemeenten die deelnemen aan het programma Preventie met Gezag worden structureel ondersteund vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Veel van de deelnemende gemeenten werken samen met onder andere scholen, politie en jongerenwerk om te zorgen voor veilige scholen. Verder heeft het kabinet met het programma Brugfunctionaris meerjarig geld beschikbaar gesteld waarmee scholen een brugfunctionaris kunnen aanstellen. Ook stelt het kabinet met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs een interne en externe vertrouwenspersoon verplicht. Tot slot ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat.
Hoe wordt de rol van leraren versterkt in het signaleren van spanningen en het begeleiden van leerlingen die betrokken zijn bij of slachtoffer zijn van online geweld?
Alhoewel leraren niet alle maatschappelijke problemen in hun eentje kunnen én hoeven oplossen, hebben leraren wel een belangrijke rol in het signaleren van afwijkend gedrag. Stichting School & Veiligheid biedt hiervoor ondersteuning, bijvoorbeeld middels het «niet-pluisinstrument». Daarnaast heeft ook de vertrouwenspersoon een belangrijke rol in het ondersteunen van leerlingen die slachtoffer zijn geworden van online geweld. Daarnaast adviseert het kabinet scholen om altijd aangifte te doen als er strafbare feiten zijn gepleegd. Dit kunnen scholen ook namens een leerling of personeelslid doen.
Zoals benoemd onder vraag 10 stimuleert het Ministerie van Justitie en Veiligheid de inzet van integrale schoolveiligheidsaanpakken. Het creëren van een sterk netwerk rondom de school kan ook positief bijdragen aan het versterken van de positie van zowel leraren als het onderwijs ondersteund personeel in het tijdig signaleren en de opvolging van dergelijke signalen en incidenten.
Hoe wordt de veiligheid van onderwijspersoneel geborgd in situaties van dreiging en geweld? Wordt dit meegenomen in het lerarenbeleid?
Onderwijspersoneel moet altijd veilig kunnen werken. Immers, geen goed onderwijs zonder onderwijspersoneel dat daartoe in staat wordt gesteld. Werkgevers hebben vanuit de arbo-regelgeving al de plicht om zorg te dragen voor een veilige werkomgeving. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs geeft het kabinet nadere inkleuring aan de zorgplicht voor de veiligheid op scholen. Dat is ook van toepassing op onderwijspersoneel. Daarnaast adviseert het kabinet om bij strafbare situaties altijd aangifte te doen. Dit kunnen scholen ook namens een leerling of personeelslid doen.
Het bericht 'Stadsaccountant Den Haag: ‘Wij zijn zo een miljoentje goedkoper dan de Big Four’' |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Gemeente-accountant wil alternatief zijn voor commerciële kantoren»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht «Gemeente-accountant wil alternatief zijn voor commerciële kantoren». In de beantwoording van de overige vragen vindt u mijn reactie.
Deelt u de wenselijkheid van meer accountants in publieke dienst voor dienstverlening aan organisaties in de publieke sector, zoals gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Een aantal gemeenten in Nederland heeft accountants in gemeentelijke dienst. De afweging of het wenselijk is om een accountant in dienst te nemen, dient door decentrale overheden zelf gemaakt te worden. Decentrale overheden bepalen ook zelf, welke werkzaamheden zij door de accountants in eigen dienst willen laten uitvoeren.
Specifiek kan de gemeenteraad op grond van artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet een of meer accountantsorganisaties aanwijzen voor de externe controle van de financiële verantwoording. De accountant controleert de jaarrekening en geeft een oordeel hierover. Dit is een wettelijke controle, zoals bedoeld in de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta)2, met als hoofddoel om de gebruikers van de financiële verantwoording van een gemeente een oordeel te geven over de mate van getrouwheid. Accountantsorganisaties voeren het overgrote deel uit van de jaarrekeningcontroles bij decentrale overheden.
Gemeenten kunnen er op grond van artikel 213 lid 7 van de Gemeentewet ook voor kiezen om de jaarrekeningcontrole, zoals bedoeld in artikel 213 lid 2, uit te laten voeren door accountants in gemeentelijke dienst. Voor de controle van de jaarrekening gelden op basis van artikel 213 lid 8 en 9 eisen, waar de accountant aan moet voldoen. Deze vloeien voort uit de Wta en zien specifiek op eisen voor de jaarrekeningcontrole. Nederland kent op dit moment twee gemeentelijke accountantsdiensten die jaarrekeningcontroles, zoals bedoeld in artikel 213 lid 2, uitvoeren.
De accountant in dienst van een gemeente kan tevens diensten verrichten voor andere decentrale overheden. Ook hiervoor geldt dat de afweging, of het wenselijkheid om diensten van een gemeentelijke accountantsdienst af te nemen, aan decentrale overheden zelf is.
Welke signalen heeft u dat (kleinere) gemeenten het lastig vinden om een commerciële accountant te vinden voor de jaarlijkse controle?
Individuele gemeenten hebben eerder aangegeven dat zij moeite hebben om een accountantsorganisatie te vinden voor de uitvoering van de controle van de jaarrekening. In algemene zin heb ik echter geen aanwijzingen dat er sprake is van een landelijk tekort, of dat gemeenten op korte termijn geen jaarrekeningcontroles kunnen laten uitvoeren.
Wat is uw inschatting van de mogelijke kostenbesparing voor gemeenten als zij gebruik zouden maken van een publieke accountant in plaats van commerciële kantoren? Indien u dit thans niet kunt maken, bent u bereid dit na te (laten) gaan?
Ik kan geen inschatting geven van het verschil in kosten tussen private accountantskantoren en gemeentelijke accountantsdiensten. Naast dat ik het niet mijn rol vindt om hier uitspraken over te doen, is dit marktgevoelige informatie en hangt dit zeer af van de mate waarin de te controleren decentrale overheid haar risico’s beheerst en daarover voldoende en inzichtelijke controle-informatie kan verschaffen aan de externe accountant.
Kunt u in ieder geval inzichtelijk maken hoe de tarieven van de dienstverlening door commerciële kantoren voor gemeenten zich het afgelopen decennium hebben ontwikkeld en hoe de tarieven / kosten van gemeentelijke accountantsdiensten zijn veranderd gedurende de dezelfde periode?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 aangegeven, vind ik het niet mijn rol om hier uitspraken over te doen en is het primair aan decentrale overheden zelf om tot een overeenkomst met accountants te komen.
Welke mogelijkheden ziet u om initiatieven zoals dat van de Gemeentelijke Accountantsdienst (GAD) te ondersteunen?
Als Minister van BZK hecht ik aan een goed functionerend stelsel van controle door accountants. Zoals aangegeven, bieden wet- en regelgeving op dit moment geen belemmering voor de oprichting van gemeentelijke accountantsdiensten en het door hen laten verrichten van een externe jaarrekeningcontrole. Er zijn mij momenteel geen signalen bekend dat decentrale overheden in dit kader behoefte hebben aan aanvullende ondersteuning. Ik blijf hierover met gemeenten en de VNG in gesprek. Indien uit die gesprekken blijkt dat aanvullende ondersteuning nodig is, dan zal ik op dat moment in overleg beoordelen welke maatregelen passend zijn.
Ziet u daarnaast ook een rol voor het Rijk om te voorzien in de functie van een publieke accountant voor gemeenten en andere overheden?
Zoals bij de beantwoording van vraag 6 aangegeven, zijn er op dit moment geen signalen bekend die een aanleiding vormen voor aanvullende maatregelen of ondersteuning. Ik zie nu dus ook geen noodzaak tot het oprichten van een publieke accountant.
Het bericht ‘ SchoolTV onder vuur over Gaza: ’Hamas is een politieke partij, ze hebben ook mensen die vechten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SchoolTV onder vuur over Gaza: «Hamas is een politieke partij, ze hebben ook mensen die vechten»» en met de kritiek dat SchoolTV in haar lesmateriaal een ongelijk of onvolledig beeld geeft van het Israël-Palestina-conflict, met name met betrekking tot Hamas?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Hoe apprecieert u de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van dit lesmateriaal?
Ik vind het in algemene zin belangrijk dat scholen gebruik maken van bewezen effectieve methoden. Gezien de grondwettelijke onderwijsvrijheid, die ook specifiek voor leermiddelen geldt, past het mij als Minister echter niet lesmateriaal inhoudelijk te beoordelen. De verantwoordelijkheid van het departement richt zich op de kerndoelen en examenprogramma’s. Anders gezegd: er gelden eisen en regels rondom wát kinderen moeten leren, niet rondom hóe zij dat moeten leren.
Het is aan scholen en leraren om een divers aanbod van lesmaterialen te gebruiken om hun leerlingen een compleet en genuanceerd beeld te geven.
De vrijheid van onderwijs gaat gepaard met verantwoordelijkheid. Zo hebben scholen een zorgplicht voor een veilige en inclusieve schoolomgeving. Daarnaast moeten zij zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Deze vraagt onder meer van scholen om leerlingen voor te bereiden op de pluriformiteit aan opvattingen die mag bestaan in de democratische samenleving, en de competenties te ontwikkelen die leerlingen nodig hebben om in dit alles hun eigen mening te vormen.
Het lesmateriaal waarop de vragen betrekking hebben is afkomstig uit het aanbod van de landelijke publieke omroep. Daarom vind ik het belangrijk te benoemen dat persvrijheid en de onafhankelijke media – net als onderwijs – essentieel zijn voor het functioneren van een democratie. De publieke omroep voert haar werkzaamheden onafhankelijk uit. Het is daarom ook niet aan mij als Minister om mij uit te laten over de inhoud van het aanbod van onafhankelijke media.
In hoeverre acht u het wenselijk dat in lesmateriaal van de publieke omroep een terroristische organisatie als Hamas primair wordt omschreven als een politieke partij, zonder daarbij expliciet te wijzen op het feit dat deze organisatie internationaal wordt aangemerkt als terroristische beweging?
Het is niet aan mij als Minister om de inhoud van lesmateriaal of media-uitingen inhoudelijk te beoordelen of te corrigeren. Dat zou in strijd zijn met twee constitutionele principes: de onderwijsvrijheid (artikel 23 van de Grondwet) en de persvrijheid (artikel 7 van de Grondwet). Zie voor verdere beantwoording het antwoord op vraag 2.
Welke waarborgen bestaan er binnen de publieke omroep om te voorkomen dat educatieve programma’s eenzijdige of misleidende informatie aanbieden over complexe internationale conflicten?
In de Mediawet 2008 is vastgelegd dat de publieke omroep de publieke mediaopdracht moet uitvoeren. Hierin staat onder andere dat het aanbod kwalitatief hoogstaand moet zijn. Van journalistieke organisaties verwacht ik dan ook dat zij hun berichtgeving kritisch factchecken. Omroepen zijn daarnaast verplicht een redactiestatuut te hebben waarin normen over journalistieke ethiek en kwaliteit worden gewaarborgd. Het Commissariaat houdt hier toezicht op. Daarnaast staat het iedereen vrij zich met klachten over de werkzaamheden of berichtgeving van de publieke omroep te melden bij de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer men niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Wordt lesmateriaal of ander educatief werk zoals dat van SchoolTV voorafgaand aan publicatie inhoudelijk getoetst op juistheid, volledigheid en neutraliteit? Zo ja, door wie en op basis van welke criteria? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke kwaliteit van lesmateriaal ligt bij de ontwikkelende partijen en de verantwoordelijkheid voor de toepassing daarvan bij scholen die het materiaal gebruiken. Ik heb op dit moment geen bevoegdheid om lesmateriaal te toetsen of bevoegdheid om in te grijpen wanneer lesmateriaal niet zou voldoen aan bepaalde criteria. Dit zou in strijd zijn met de grondwettelijke onderwijsvrijheid. Zie voor verdere toelichting op lesmateriaal de antwoorden op vragen 2, 3 en 4.
Hoe beoordeelt u de rol en verantwoordelijkheid van u als Minister van OCW bij de financiering en inhoudelijke kwaliteitsbewaking van door de publieke omroep ontwikkeld educatief materiaal?
Zie het antwoord op vraag 2, 3, 4 en 5.
Bestaat er een procedure voor klachten of correcties als schoolmateriaal dat door de publieke omroep is ontwikkeld als eenzijdig of misleidend wordt ervaren? Zo ja: hoe is die procedure ingericht? Zo nee: overweegt u zo’n procedure te implementeren?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende richtlijnen of kwaliteitskaders nodig zijn voor dergelijk educatief materiaal over internationale conflicten, teneinde feitelijke juistheid, neutraliteit en pedagogische zorgvuldigheid te waarborgen?
Nee. Gelet op de grondwettelijk geborgde onderwijsvrijheid, ook specifiek ten aanzien van leermiddelen, past het mij niet activiteiten te ondernemen die de beoordeling van de inhoud van leermiddelen betreffen. Zie het antwoord op vraag 2, 3, en 5.
De publieke omroep is voorts onafhankelijk in haar taakuitvoering. De publieke omroep is op zijn werkwijze aanspreekbaar via onder meer de Ombudsman voor de publieke omroepen en, bij mogelijke overtredingen van de Mediawet 2008, het Commissariaat voor de Media. Het is niet aan mij om de werkwijze of media-uitingen van de publieke omroep nader te onderzoeken. Ook om deze reden zal ik niet ingaan op het verzoek tot onderzoek, aanvullende richtlijnen of kwaliteitskaders.
De subsidieregeling voor geadopteerden |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geld voor zoektocht na adoptie komt maar bij handjevol geadopteerden terecht»?1
Ja daarmee ben ik bekend.
In hoeverre is de door u eerder genoemde morele verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid om geadopteerden te ondersteunen in de zoektocht naar hun afkomst in de praktijk waargemaakt?
Het rapport van de «Commissie onderzoek interlandelijke adoptie» heeft, in afstemming met uw Kamer, onder meer geleid tot de oprichting van een Expertisecentrum voor interlandelijk geadopteerden (INEA). Dé centrale plek waar alle interlandelijk geadopteerden en overige betrokkenen terecht kunnen voor ondersteuning bij vragen over interlandelijke adoptie en afkomst, met bijzondere aandacht voor diegenen die rondom hun adoptie problemen ervaren. Na een zorgvuldig traject, samen met belangenorganisaties en Fiom, ervaringsdeskundigen, experts, wetenschappers, de centrale autoriteit, dossierhouders en betrokken ministeries zijn bouwstenen opgesteld voor de functies van dit expertisecentrum. Een van die bouwstenen is gericht op «zoektochten en landenaanpak». Daarbij is vastgesteld dat elke zoektocht sterk wordt bepaald door de context waarbinnen de interlandelijke adoptie heeft plaatsgevonden en die ook per land verschilt. Een specifieke aanpak per land van herkomst is dan ook nodig en het in kaart brengen daarvan is arbeidsintensief.
INEA is druk doende om zoekinfrastructuren in landen van herkomst in kaart te brengen. Bij de uitvoering van deze complexe opgave is een nauwe samenwerking tussen INEA en de belangenorganisaties van interlandelijk geadopteerden uitgangspunt. De belangenorganisaties beschikken tenslotte over waardevolle kennis, expertise, netwerken en ervaring, onder andere met betrekking tot zoektochten. Ter versterking van deze samenwerking is de subsidieregeling voor de belangenorganisaties beschikbaar gesteld. Met de subsidie worden belangenorganisaties in staat gesteld zich enerzijds verder te professionaliseren en anderzijds geadopteerden in Nederland ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld door thema- of lotgenotenbijeenkomsten te organiseren of door ondersteuning te bieden bij zoektochten of rootsreizen, zoals de inzet van een veldwerker of tolk.
Subsidieaanvragen die betrekking hebben op ondersteuning van geadopteerden worden op grond van artikel 7 van de subsidieregeling altijd voorzien van een advies van INEA. INEA wordt daarmee betrokken bij de activiteiten die belangenorganisaties ontplooien en INEA vraagt ook om een terugkoppeling van de ervaringen van de belangenorganisaties met die activiteiten. INEA deelt deze ervaringen ook op de website, zodat andere belangenorganisaties daar ook kennis van kunnen nemen en inspiratie kunnen opdoen. Ondertussen is het ondersteuningsaanbod van INEA op het gebied van zoektochten volop in ontwikkeling. Daarbij zoekt INEA niet alleen de samenwerking met belangenorganisaties, maar wordt ook gebouwd aan een internationaal netwerk. In dat kader heeft INEA recent onder meer een internationale werkconferentie georganiseerd. Daarmee kan INEA op den duur geadopteerden uit steeds meer landen van herkomst ondersteuning bieden bij zoektochten, bijvoorbeeld door begeleiding te bieden bij het vinden van biologische familieleden of dossiers in het land van herkomst.
Hoeveel geadopteerden hebben inmiddels gebruik gemaakt van de subsidieregeling om onderzoek te kunnen doen naar hun afkomst?
Belangenorganisaties die, kort gezegd, de belangen behartigen van interlandelijk geadopteerden in Nederland, kunnen jaarlijks een subsidie aanvragen van maximaal € 35.000,=. Op grond van de subsidieregeling kan jaarlijks maximaal € 10.000,= subsidie worden aangevraagd voor de professionalisering van de eigen organisatie en om de bekendheid van de organisatie te vergroten. Daarnaast kan een belangenorganisatie jaarlijks maximaal € 25.000,= subsidie aanvragen om het ondersteuningsaanbod aan interlandelijk geadopteerden te versterken (bijvoorbeeld door het organiseren van thema- of lotgenotenbijeenkomsten) of om ondersteuning te bieden aan interlandelijk geadopteerden bij zoektochten of rootsreizen voor een groep van ten minste vijf geadopteerden. Ik vind het belangrijk daarbij te benadrukken dat met de subsidie geen individuele rootsreizen worden gesubsidieerd. De regeling bepaalt dat geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op het verstrekken van individuele tegemoetkomingen of vergoedingen voor individuele kosten van individuele geadopteerden (artikel 3 onder c). Belangenorganisaties bepalen zelf waarvoor subsidie wordt aangevraagd en welke activiteiten zij daarmee willen bekostigen. Niet alle belangenorganisaties bieden ondersteuning bij zoektochten en soms blijken plannen van een belangenorganisatie in de praktijk niet haalbaar, bijvoorbeeld vanwege de veiligheidssituatie in het land van herkomst. Artikel 8 van de subsidieregeling bepaalt dat de gesubsidieerde activiteiten binnen twee jaar na subsidieverlening moeten worden uitgevoerd. In de meeste gevallen loopt die bestedingstermijn nog. Daarna wordt dus pas duidelijk welke activiteiten gedurende de bestedingstermijn daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Hoeveel geadopteerden willen gebruik maken van die subsidieregeling maar komen daar nu nog niet voor in aanmerking?
Zoals in het antwoord op vraag 3 al is weergegeven kan de subsidie worden benut ter ondersteuning van zoektochten, maar onder meer ook voor de professionalisering van de belangenorganisatie of het organiseren van een evenement. Belangenorganisaties maken autonoom keuzes over de activiteiten die zij met behulp van de subsidie willen organiseren. Dat hoeft dus niet altijd ondersteuning bij zoektochten te zijn. De belangenorganisaties bepalen ook zelf hoe zij de activiteiten uitvoeren. Daarvan is mede afhankelijk hoeveel geadopteerden worden ondersteund.
Naar welke landen kunnen met behulp van de subsidie reizen worden georganiseerd? Hoeveel herkomstlanden komen niet in aanmerking voor gesubsidieerde reizen?
In beginsel kan de subsidie worden benut om ondersteuning te bieden bij rootsreizen naar ieder land van herkomst. Belangenorganisaties maken zelfstandige keuzes met betrekking tot het aanvragen van een subsidie en de daarmee te financieren doelen of activiteiten. Dit jaar heb ik drie subsidieaanvragen ontvangen van belangenorganisaties die eerder geen subsidie hebben aangevraagd. Indien zij voornemens zijn ondersteuning te bieden bij rootsreizen, dan vereist de subsidieregeling dat deze ondersteuning wordt geboden ten behoeve van minimaal vijf geadopteerden. Er zijn belangenorganisaties die zich tot dat minimum beperken. Er zijn ook belangenorganisaties die de subsidie benutten om een groter aantal geadopteerden te ondersteunen. De plannen van een belangenorganisatie om een rootsreis te ondersteunen kunnen worden beïnvloed door de situatie in het land van herkomst, bijvoorbeeld omdat de veiligheid van de geadopteerden in het land niet gegarandeerd kan worden. Als blijkt dat de subsidie gedurende de bestedingstermijn niet kan worden benut voor een geplande rootsreis, dan is overleg over de subsidiering van andere vormen van ondersteuning altijd mogelijk.
Welk deel van de geadopteerden is afkomstig uit herkomstlanden waarvoor wel dan wel niet gesubsidieerde reizen mogelijk zijn?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Hoeveel van het beschikbare subsidiegeld wordt nu niet besteed? Blijft dat deel beschikbaar voor het doel om geadopteerden te helpen bij hun zoektocht? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Voor het tijdvak 2025 is een maximaal subsidiebudget beschikbaar van
€ 600.000,=. Tot op heden is in 2025 aan subsidies uitgekeerd een bedrag van
€ 280.932,=. Op een aantal subsidieaanvragen moet nog worden beslist. Mijn inschatting is dat niet het volledige voor dit tijdvak beschikbare subsidiebudget van € 600.000,=, dat ook in 2026 en 2027 beschikbaar zal zijn, wordt benut. Met INEA ben ik daarom in overleg over de vraag op welke wijze resterend budget kan worden benut ter ondersteuning van geadopteerden. In samenwerking met INEA is in juni van dit jaar een bijeenkomst gehouden voor belangenorganisaties en belangstellenden, waarin de subsidieregeling is besproken en toegelicht. Tijdens die bijeenkomst zijn de aanwezigen uitgenodigd om contact op te nemen met een contactpersoon van het ministerie, indien zij vragen hebben over de subsidieregeling. Dat kunnen bijvoorbeeld vragen zijn over de reikwijdte van de regeling en de te subsidiëren activiteiten of over de aanvraag of verantwoording van de subsidie na afloop van de bestedingstermijn.
Deelt u de mening dat de zoektocht van geadopteerden niet afhankelijk mag zijn van de vraag of er een belangenorganisatie is die reizen organiseert? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat niet alle geadopteerden uit de verschillende landen van herkomst worden vertegenwoordigd door een belangenorganisatie en dat niet alle belangenorganisaties een subsidie aanvragen of de subsidie benutten voor het bieden van ondersteuning ten behoeve van zoektochten of rootsreizen. INEA is druk doende internationale zoekinfrastructuren in kaart te brengen en het ondersteuningsaanbod van INEA op het gebied van zoektochten is daarmee volop in ontwikkeling. Daardoor zullen geadopteerden voor de ondersteuning bij zoektochten minder afhankelijk worden van het bestaan van belangenorganisaties.
Bent u bereid om al op korte termijn en nog gedurende de looptijd van de bestaande subsidieregeling de werking daarvan te herzien met als doel dat alle geadopteerden die dat willen in staat worden gesteld om onderzoek te gaan doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet en op welke wijze kunnen die geadopteerden dan wel financieel geholpen worden bij het doen zoektochten of rootsreizen?
De tussenevaluatie van de subsidieregeling, waarover uw Kamer bij brief van 4 maart 20252 is geïnformeerd, heeft hiertoe geen aanleiding gegeven. Zoektochten en de mogelijkheden en beperkingen daarvan binnen de subsidieregeling zullen onderdeel zijn van de evaluatie van de subsidieregeling naar de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling. De resultaten daarvan worden meegenomen in de overwegingen over de eventuele verlenging van de regeling na oktober 2027. Uw Kamer wordt daar te zijner tijd over geïnformeerd. In de tussenliggende periode kunnen geadopteerden zich vanzelfsprekend wenden tot INEA voor ondersteuning bij hun zoektocht.
Het artikel ‘Spanje wil 53.000 vakantiehuizen van onlineplatforms verwijderen’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van dit artikel?1
Ja.
Hoe kijkt u naar deze inzet van de Spaanse regering met als doel om de woningbouw weer haar oorspronkelijke functie te geven?
In beginsel zijn woningen bedoeld om in te wonen. De inzet van de Spaanse regering is bedoeld om oneigenlijk gebruik van de woningvoorraad tegen te gaan.
Is bij u bekend hoeveel woningen in Nederland momenteel aangeboden worden op online platforms die niet voldoen aan de vereisten voor een vakantiehuis?
De Spaanse regering is recent begonnen met het reguleren van toeristische verhuur in woningen door de implementatie van een registratieverplichting voor verhuurders. Een dergelijke verplichting heeft mijn ambtsvoorganger al in 2021 geïntroduceerd met de Wet toeristische verhuur van woonruimte. Deze wet gaat verder dan wat recent in Spanje van kracht is geworden. Naast de genoemde registratieverplichting kunnen gemeenten op grond van de Nederlandse wet ook een maximaal aantal verhuurnachten voorschrijven met daarbij een meldplicht voor iedere verhuur aan toeristen. Tot slot kan een gemeente ook een vergunningsplicht invoeren en daarbij een quotum instellen. Gemeenten kunnen dus eisen stellen aan vakantieverhuur. Landelijke cijfers hoeveel woningen niet voldoen aan de eisen die gemeenten stellen zijn niet voorhanden. Indien wordt geconstateerd dat een woning bijvoorbeeld te vaak wordt verhuurd, aan te veel gasten wordt verhuurd of wordt aangeboden zonder registratienummer kan de gemeente het platform verzoeken om de advertentie op non actief te zetten. De gemeente Amsterdam maakt sinds 2021 met succes gebruik van de instrumenten uit de genoemde wet met als gevolg een halvering van het aantal overnachtingen van toeristen in woningen en het uitbannen van structurele illegale verhuur van woningen zodat deze voor reguliere verhuur dan wel bewoning kunnen worden gebruikt. Over 2024 schat de gemeente Amsterdam in dat het percentage overnachtingen in woningen circa 5.5% betreft ten opzichte van het totale aantal toeristische overnachtingen. Ook van andere gemeenten heb ik vernomen dat de Wet toeristische verhuur effect sorteert.
Is bij u bekend welk percentage dit is ten opzichte van het totaal aantal vakantiehuizen in Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Zou u de verhuur van woningen die niet voldoen aan de vereisten voor een vakantiewoning scharen onder verhuur met behulp van een short stay principe, en kunt u uw antwoord onderbouwen?
Indien er geen sprake is van vakantieverhuur geef ik de voorkeur aan reguliere verhuur of bewoning.
Hoe groot schat u de impact op de wooncrisis wanneer Nederland het voorbeeld van de Spaanse regering volgt en vakantiehuizen die niet voldoen aan de vereisten van onlineplatforms verwijdert zodat woningen vrij komen voor starters en gezinnen?
In het licht van voorgaande antwoorden is de impact op de wooncrisis zeer gering. Dit heeft met name te maken met het feit dat in Nederland gemeenten al enige jaren toeristische verhuur kunnen reguleren zodat er betere balans is ontstaan tussen wonen en toerisme en onttrekking aan de woningvoorraad kan worden tegengegaan.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Oproepen tot geweld tijdens het concert van Bob Vylan in Paradiso Amsterdam |
|
Eric van der Burg (VVD), Ingrid Michon (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraken van Bob Vylan tijdens zijn concert waarbij geweld tegen de vermoorde Charlie Kirk en zionisten werd toegejuicht en werd opgeroepen mensen op straat te gaan vinden?
Welke uitingen zijn gedaan door Bob Vylan zal uit het onderzoek van politie en het Openbaar Ministerie moeten blijken.
Deelt u de mening dat vrijheid van meningsuiting belangrijk is en kritiek op de Israëlische regering geuit moet kunnen worden, maar dat dit totaal iets anders is dan het verheerlijken van geweld en het tijdens een concert oproepen tot het «op straat gaan vinden van mensen?»
Voor haatzaaien en antisemitisme is in Nederland geen plaats. Dat mag niet vergoelijkt worden als vrijheid van meningsuiting, net zoals dat kritiek op de Israëlische regering niet automatisch mag worden weggezet als haatzaaien en antisemitisme. Of er sprake is van strafbare uitingen door Bob Vylan wordt door de politie en het Openbaar Ministerie onderzocht.
Hoe is de afweging tot stand gekomen om dit optreden toe te staan en is hierover contact geweest met de burgemeester van Amsterdam?
De afweging voor het laten plaatsvinden van een evenement ligt bij de organisatie van het evenement en de burgemeester. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur).
Hoe beoordeelt u de beslissing van de Britse regering om de leden van de band strafrechtelijk te vervolgen voor haatzaaien vanwege soortgelijke uitspraken en welke mogelijkheden daartoe hebben wij daartoe in Nederland?
Ik ga geen oordeel vellen over het lopende Britse strafrechtelijke onderzoek.
Hebben de bandleden voor het optreden visa gekregen en hoe vindt deze afweging plaats? Wat hebben de uitspraken voor gevolgen voor een eventuele volgende beslissing?
Ik verwijs u naar de antwoorden van 4 september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) aan de Minister van Asiel en Migratie en de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid over het toen nog aanstaande optreden van het punkduo Bob Vylan in Amsterdam en Tilburg. Over individuele gevallen of besluiten kan de Minister van Asiel en Migratie geen uitspraken doen.
In algemene zin geldt dat onderdanen van het Verenigd Koninkrijk voor kort verblijf visumvrij naar Nederland kunnen reizen. Voor toelating en verblijf gelden de reguliere regels van de Schengengrenscode en de Vreemdelingenwet.
Voor het weren van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, bijvoorbeeld vanwege het uitdragen van extremisme, kan de vreemdeling op grond van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland (en het Schengengebied) geweigerd worden door de Minister van Asiel en Migratie. Om over te kunnen gaan tot een dergelijke maatregel, dient de IND over informatie te beschikken die hier voldoende grondslag voor kan bieden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van duidingen van de NCTV, ambtsberichten van de AIVD en/of informatie uit de lokale driehoek. Eventuele rechterlijke uitspraken worden vanzelfsprekend betrokken bij besluitvorming, binnen het geldende wettelijke kader. Op individuele casuïstiek kan de Minister van Asiel en Migratie niet ingaan.
Is er een mogelijkheid tot het opleggen van een inreisverbod en of ongewenstverklaring en wat is hiervoor nodig?
Zie antwoord vraag 5.
Wat voor gevolgen hebben deze uitspraken, waarvoor in het Verenigd Koninkrijk dus inmiddels strafrechtelijke vervolging is gestart, voor de volgende optredens van de band in Nederland op 16 en 17 september? Welke mogelijkheden heeft de overheid om te voorkomen dat hier opnieuw wordt opgeroepen tot geweld?
Ik verwijs u naar de antwoorden van september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) aan de Minister van Asiel en Migratie en de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid over het toen nog aanstaande optreden van het punkduo Bob Vylan in Amsterdam en Tilburg. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en maakt daarin een eigen afweging. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur). Wel kan de inhoud van uitingen het startpunt zijn van een keten van aanleidingen die leidt tot ingrijpen zoals het verbieden van een optreden. Daarbij heeft de burgemeester dan niet de uitlatingen zelf in gedachten, maar de objectiveerbare vrees voor wanordelijkheden waar die toe kunnen leiden.
Bent u bereid contact te hebben met het gemeentebestuur van de andere gemeenten over de reeks volgende concerten waarbij het zeer waarschijnlijk is dat opnieuw zal worden opgeroepen tot geweld?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel ‘De schade van Schoof, Nederlands geld voor bijna 3200 ontwikkelingsprojecten stopt dit jaar’ |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De schade van Schoof, Nederlands geld voor bijna 3.200 ontwikkelingsprojecten stopt dit jaar»?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse van Investico dat bijna 3.200 ontwikkelingsprojecten moeten worden stopgezet, omdat na december 2025 het huidige beleidskader afloopt en organisaties nog steeds geen toegang hebben tot het nieuwe beleidskader met vervolgfinanciering voor 2026 en verder?
Nee, deze onderschrijf ik niet. Er worden geen projecten stopgezet. De financiering die is verstrekt onder het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld is gegund voor een periode van vijf jaar, voor specifieke activiteiten, die op de afgesproken einddatum van 31 december 2025 tot de beoogde resultaten moeten leiden. Het ging dus niet om instellingssubsidies.
Het nieuwe beleidskader Focus betreft geen vervolgfinanciering. Dit beleidskader, dat in de eerste helft van 2026 start, is op een andere leest geschoeid. Er ligt meer nadruk op lokaal eigenaarschap en dienstverlening en de financieringsmodellen worden aanzienlijk vereenvoudigd. Gunning van subsidies verloopt in belangrijke mate via nieuwe aanbestedingen. Hier komen vervolgens nieuwe projecten uit voort.
Klopt het dat, door het aangenomen amendement Hirsch/De Korte2, er vanuit de Kamer voor de zomer 600 miljoen euro aan financiering beschikbaar is gesteld voor maatschappelijke organisaties voor de periode 2026–2030? Kunt u verklaren wat het oponthoud is waardoor organisaties nog geen toegang hebben tot deze financiering?
Als gevolg van het aannemen van het genoemde amendement is inderdaad EUR 600 miljoen beschikbaar voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in de periode 2026–2030. De uitvragen en subsidiebeleidskaders binnen het Focus-beleidskader worden zorgvuldig opgesteld, zodat deze zullen leiden tot de programma’s waarmee de doelstellingen het beste kunnen worden gerealiseerd. De instrumenten onder het kader worden trapsgewijs ingevoerd, met de ambitie dat alle projecten in de eerste helft van 2026 van start gaan. Er is geen sprake van oponthoud of vertraging. Reeds in de brief van 11 november 2024 over toekomstige samenwerking met maatschappelijke organisaties3 heeft mijn voorganger aangekondigd dat de instrumenten in 2026 van start gaan.
Herinnert u zich dat er door uw voorganger(s) is toegezegd om einde zomer met nadere informatie te komen over het 50%-criterium, en nadere invulling van de subsidie-instrumenten? Deelt u de mening dat de zomer inmiddels bijna voorbij is?
Op 19 september jl. is uw Kamer per brief geïnformeerd over deze onderwerpen.
Klopt het dat, doordat u de derde bewindspersoon bent dit jaar die belast is met ontwikkelingssamenwerking (door uw regering ontwikkelingshulp genoemd), er vertraging ontstaat bij de financiering van projecten? Indien ja, welke maatregelen bent u van plan te gaan nemen om deze vertraging tot een minimum te beperken?
In februari 2025 is de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp met uw Kamer gedeeld waarin de beleidslijnen van het kabinet voor de komende jaren zijn uitgezet. Dit beleid is door de verschillende bewindspersonen die in 2025 verantwoordelijk waren voor de inzet op ontwikkelingshulp voortgezet. De implementatie van het beleid, waaronder de financiering van projecten, blijft doorgaan en heeft mijn volledige aandacht.
Herkent u de signalen van ontwikkelingsorganisaties dat zij mensen moeten ontslaan, terwijl die misschien over enkele maanden weer nodig zijn (maar dan wellicht niet meer beschikbaar zijn) om waardevolle projecten door te zetten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is noch sprake van het stopzetten, noch van het doorzetten van projecten.
Mij bereiken inderdaad signalen dat ontwikkelingsorganisaties mensen ontslaan. Dit heeft voor zowel die organisaties, als voor de betrokken medewerkers verstrekkende gevolgen. Ik zie het echter niet als taak van de overheid om organisaties overeind te houden. Maatschappelijke organisaties zijn, conform de geldende subsidieregelgeving, tijdig geïnformeerd dat de subsidiebeleidskaders onder het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld in hun huidige vorm geen vervolg zouden krijgen.
Organisaties kunnen altijd een verzoek doen tot een zogenaamde budget-neutrale verlenging. Deze eventuele verlenging kan alleen het financieren van activiteiten betreffen om alsnog de doelen te behalen. Dergelijke verzoeken worden van geval tot geval op hun merites beoordeeld.
Een verlenging van de subsidies onder het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld met extra budget is juridisch zeer complex, praktisch gezien onuitvoerbaar en bovendien financieel onhaalbaar. Daarom is het kabinet hier geen voorstander van. Organisaties kunnen ook onder het nieuwe kader reageren op openbare aanbestedingen.
Ik informeer u hierbij ook dat het kabinet de gewijzigde motie van het lid Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 247 nr. 17), die de regering verzoekt een overgangsregeling uit te werken, niet zal uitvoeren.
Op welke manieren probeert u de schade voor ontvangende organisaties te beperken? Is het mogelijk om lopende projecten te verlengen? Kunnen organisaties waarvan niet al het projectgeld in 2025 besteed is, dit ook in 2026 doen?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier onderzoekt uw departement de schade die door het stopzetten en tijdelijk wegvallen van alle financiering wordt aangericht?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier en wanneer informeert u de Kamer over welke onderwerpen helemaal van de agenda verdwijnen en waarvoor geen budget meer beschikbaar is?
In de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp, die op 20 februari 2025 met uw Kamer gedeeld is, worden de keuzes voor de belangen en thema’s waarop de inzet van het kabinet zich richt uiteengezet. In de brief worden ook de onderwerpen genoemd waar minder of geen budget meer beschikbaar voor is.
Het Kabinet heeft de Kamer verder geïnformeerd in antwoord op vragen over daarover in de diverse begrotingsdocumenten. Zo zijn de effecten van de bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord verder toegelicht in de brief van 19 september «Effecten ingezette bezuinigingen op ontwikkelingshulp» (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 6). U wordt ook via de begrotingscyclus geïnformeerd over de financiële gevolgen van mijn beleid. Zo zijn bezuinigingen uit de beleidsbrief Ontwikkelingshulp verwerkt in de Eerste suppletoire begroting BHO 2025 (Kamerstuk 36 725 XVII).
Klopt het bijvoorbeeld dat, hoewel Nederland gidsland is in relatie tot het terugdringen van kinderarbeid, alle projecten tegen kinderarbeid (van de ILO, ngo’s en werkgevers) dit jaar moeten stoppen en er geen vervolgfinanciering is voorzien? Voor welke andere thema’s waar Nederland tot voor kort geld beschikbaar stelde geldt eveneens dat Nederland er vanaf 2026 helemaal mee gaat stoppen?
Hoewel in 2024 het programma «Work: No Child’s Business (WNCB)» is beëindigd, klopt het niet dat er dit jaar projecten specifiek gericht op het bestrijden van kinderarbeid moeten stoppen.
Nederland heeft zich binnen de Alliance 8.7 gecommitteerd aan een roadmap met betrekking tot het terugdringen van kinderarbeid en rapporteert hier jaarlijks op. Prioriteit is daarbij het terugdringen van kinderarbeid en arbeidsuitbuiting in waardeketens, naast agendering en monitoring.
Ook zijn er nog verschillende programma’s die direct of indirect bijdragen aan het tegengaan van kinderarbeid. Bijvoorbeeld «Accelerating action for the elimination of child labour in supply chains in Africa (ACCEL Africa)», een ILO-programma gericht op het bestrijden van kinderabeid dat loopt tot midden 2029. Daarnaast is er ruimte om te werken aan het tegengaan van kinderarbeid in verschillende programma’s gericht op schone en eerlijke handel, zoals binnen het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen (SPVO), uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Ook binnen het instrument Schone en Eerlijke Handel onder het nieuwe beleidskader voor het maatschappelijk middenveld Focus, is ruimte om in te zetten op het tegengaan van kinderarbeid in voor Nederland belangrijke waardeketens.
Voor de beantwoording van het tweede deel van de vraag, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat door het stopzetten van deze financiering in combinatie met het stopzetten van financiering in de Verenigde Staten3, alle expertise die nu nog aanwezig is bij ngo’s in Nederland dreigt te verdwijnen, wat bijvoorbeeld bedrijven die kinderarbeid op een goede manier willen terugdringen ernstig zal belemmeren in dat voornemen?
Met het aflopen van het Work: No Child’s Business (WNCB)-programma in 2024 hebben een aantal betrokken ngo’s hun capaciteit op het thema moeten afschalen. Er is echter zeker nog expertise aanwezig bij ngo’s en ook kennisinstellingen. Via de eerder genoemde programma’s (SPVO en FOCUS), maar ook programma’s gericht op het toepassen van IMVO en sectorale samenwerking (o.a. Sesam) kunnen ngo’s een rol spelen in het terugdringen van kinderarbeid en het delen van hun kennis met bedrijven.
Op welke manier is besloten deze financiering stop te zetten en niet te verlengen? Waarom is dit besluit niet aan de Tweede Kamer voorgelegd, terwijl de Kamer in het verleden bij herhaling moties en amendementen heeft aangenomen om de (seksuele) uitbuiting van kinderen op de agenda te zetten en te houden?
Nederland blijft inzetten op de beleidsterreinen schone en eerlijke handel en op gezondheid – inclusief seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). De bezuinigingen op ontwikkelingshulp vragen echter om scherpe keuzes. Voor het bestrijden van kinderarbeid ligt de focus op misstanden gelinkt aan voor Nederland relevante waardeketens. Het programma over het tegengaan van seksuele uitbuiting wordt niet stopgezet, maar loopt in februari 2026 van rechtswege af.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de start van het verkiezingsreces?
De vragen zijn helaas net niet binnen de afgesproken termijn van drie weken beantwoord.
De Kamerbrief 'Evaluatie CO-stelsel - nadere informatie opvolging aanbevelingen'. |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van VNO-NCW, MKB-Nederland en Techniek Nederland om het CO-stelsel werkbaarder te maken voor zzp’ers en kleine bedrijven, bijvoorbeeld via modulaire certificering, eenvoudiger verlengen van Vakmanschap-CO en het bundelen van audits?1
Ik ben bekend met de wens van Techniek Nederland en partijen binnen de sector om administratieve vereenvoudigingen in het stelsel zien voor zzp-ers en kleine bedrijven door te voeren. Zoals ik in mijn brief van 3 juli 2025 heb aangegeven, zijn hier binnen de sector ook initiatieven voor. Die juich ik toe.
De regelgeving biedt hier alle ruimte voor. Uitgangspunt is dat het stelsel goed werkbaar is voor alle typen bedrijven en dat bedrijven kunnen kiezen voor een certificatieschema dat het beste aansluit bij hun bedrijfsmodel. Bij aanvang van het stelsel zijn door de sector 3 certificatieschema’s opgesteld (InstallQ, Kiwa en de Nederlandse Haarden- en Kachelbranche). Op dit moment wordt door de sector gewerkt aan een nieuw certificatieschema, een schema specifiek voor zzp-ers en kleine bedrijven. Dit schema moet de uitvoering van het stelsel voor deze bedrijven eenvoudiger en goedkoper maken. Het is aan de Raad voor Accreditatie (RvA) en de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging voor de Bouw (TloKB) om dit schema aan de wettelijke eisen te toetsen.
Welke stappen heeft u reeds gezet om deze oplossingsrichtingen te onderzoeken of te implementeren? Kunt u per maatregel aangeven of, en zo ja wanneer, hier actie op volgt?
Als onderdeel van de evaluatie van het CO-stelsel heb ik het eerder in 2017 en 2019 uitgevoerde regeldrukeffectenonderzoek laten actualiseren. Uit deze actualisatie en nadere analyses daarop is naar voren gekomen dat de extra regeldruk die zzp-ers ervaren vooral het gevolg is van aanvullende werkzaamheden die vanwege certificering worden verwacht (zoals uit te voeren metingen met vereiste apparatuur), de verplichte audits en kwaliteitsmanagement, en kosten in verband met het vereiste Vakmanschap CO. Deze uitkomsten heb ik voorgelegd aan betrokken schemabeheerders, certificerende instellingen en brancheorganisaties met de vraag waar vereenvoudigingen kunnen worden doorgevoerd. Daaruit is naar voren gekomen dat er op dit moment binnen de sector wordt gewerkt aan een nieuw specifiek certificatieschema voor zzp-ers en kleine bedrijven. Ook wordt gekeken naar mogelijke vereenvoudigingen in aangewezen certificatieschema’s (zie ook antwoord op vraag 1.
Verder heb ik vanuit de sector vernomen dat overeenstemming is bereikt over een praktisch uitvoerbare en laagdrempelige procedure voor het verlengen van het Vakmanschap CO. Hiermee wordt de verlenging van het Vakmanschap CO voor installateurs aanzienlijk eenvoudiger, met minder tijdsinvestering en kosten, maar met behoud van kwaliteit en veiligheid. Daarnaast is een zekere regeldruk inherent aan de keuze van een wettelijk stelsel. Zzp-ers moeten vaak wennen aan de verplichtingen die certificering met zich meebrengt. De verwachting is dat naarmate zij hier meer ervaring mee krijgen, de ervaren regeldruk als gevolg daarvan zal afnemen.
Bent u bereid in overleg met Techniek Nederland te verkennen hoe digitale oplossingen (bijvoorbeeld apps voor meldingen en audits) versneld kunnen worden ingezet om de administratieve lasten te verlagen?
Hier geef ik al uitvoering aan. Op dit moment kijk ik samen met Techniek Nederland naar de mogelijkheid om de melding van «bijna-ongevallen» via het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO; zie ook antwoord op vraag 11) te laten verlopen. Daarmee wordt het makkelijker voor installateurs om die meldingen door te geven.
Daarnaast is het zo dat de regelgeving alle ruimte aan de sector biedt om vereenvoudigingen via digitale hulpmiddelen in de uitvoeringspraktijk door te voeren. Door bij het stelsel betrokken partijen (waaronder ook Techniek Nederland) zijn hiervoor ook al apps ontwikkeld en beschikbaar gesteld. De administratieve lasten voor installateurs verminderen hierdoor.
Bent u bereid het gesprek tussen installatiebedrijven, schemabeheerders en certificerende instellingen actief te faciliteren, met een concrete opdracht om te komen tot vereenvoudiging van de bedrijfscertificering en vermindering van de administratieve lasten (waarbij kleinere bedrijven onevenredig hard worden geraakt door een gemiddelde kostenstijging van circa 25%)? Zo nee, waarom niet?»
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 en 2 heb aangegeven, heb ik hierover al met betrokken partijen gesproken. Er lopen op dit moment al initiatieven binnen de sector om de uitvoering voor met name zzp-ers en kleine bedrijven te vereenvoudigen binnen de wettelijke kaders om de veiligheid te kunnen blijven waarborgen.
Waarom ziet u af van het instellen van een onderhoudsplicht («APK») voor gasverbrandingsinstallaties, terwijl dit volgens de sector en de TLoKB een effectief middel zou zijn om de veiligheid van tienduizenden CV-ketels die nu buiten beeld blijven (40–45%) te verbeteren en gemeenten bovendien beter in staat stelt hun handhavende taak uit te voeren?
Zoals ik in mijn brief van 3 juli 2025 heb aangegeven geeft de evaluatie geen dringende aanleiding om onderhoud te verplichten. Uit de evaluatie blijkt namelijk dat circa 10–15% van de gasverbrandingsinstallaties nu niet wordt onderhouden. Het merendeel wordt dus wel onderhouden. Daarbij geven de onderzoekers aan dat er ook andere mogelijkheden zijn (bijvoorbeeld vergroten van bewustzijn) om deze groep te activeren om wel onderhoud te laten uitvoeren. Volgens jaarlijks door Kiwa Technologie in opdracht van Netbeheer Nederland uitgevoerd onderzoek, vertoont het aantal ongevallen met koolmonoxide ook een dalende tendens.
Net als afgelopen jaren bevorder ik periodiek onderhoud, in goede samenwerking met de Nederlandse Brandwondenstichting en Brandweer Nederland, via de jaarlijkse campagne Stop CO-vergiftiging. Komend stookseizoen intensiveer ik dit met de publiekscampagne Verbeterjehuis – duurzaam wonen.
Ziet u mogelijkheden om met de sector pilots te starten voor ketencertificering of collectieve certificering om zzp’ers te ontlasten zonder de veiligheidsdoelstellingen aan te tasten?
In gesprek met de sector heb ik aangegeven dat keten- of collectieve certificering (koepelcertificering) binnen het stelsel mogelijk is, mits daarmee de veiligheid even goed wordt geborgd als bij certificering van een groot bedrijf. Het is echter aan de sector om daar -indien gewenst- invulling aan te geven en voorstellen daarvoor voor te leggen aan de RvA en de TloKB. De RvA en de TloKB beoordelen of de uitwerking past binnen de eisen die vanuit accreditatie worden gesteld en of met de uitwerking voldaan wordt aan de inhoudelijke eisen van het CO-stelsel.
Bent u bereid om samen met VvE-Belang een praktisch handelingskader te ontwikkelen voor VvE’s, zodat zij hun verantwoordelijkheid voor collectieve rookgasafvoeren makkelijker kunnen organiseren, inclusief ondersteuning bij het benutten van SVn en Warmtefonds?
Dit handelingskader is sinds 2016 beschikbaar en in 2023 geactualiseerd vanwege het nieuwe wettelijke CO-stelsel2. Het betreft hier een uitvoerige handreiking voor VvE-besturen, VvE-beheerders, woningcorporaties en professionele private woningverhuurders en een informatieblad voor bewoners van gestapelde woningen. In de handreiking is ook aandacht voor de mogelijkheid voor VvE’s om een lening aan te gaan bij het Nationaal Warmtefonds en SVn. Ik ben voornemens deze handreiking en informatieblad in 2026 te actualiseren.
Kunt u aangeven op welke termijn het publieke register van gecertificeerde bedrijven en installateurs wordt gerealiseerd, zodat VvE’s en bewoners eenvoudig kunnen controleren of een partij gecertificeerd is?
Dit register is sinds de inwerkingtreding van het wettelijk CO-stelsel beschikbaar: Certificaathouder | Register Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw.
Deelt u de analyse van VNG en Techniek Nederland dat het gebrek aan handhaving op het CO-stelsel leidt tot oneerlijke concurrentie voor bonafide bedrijven en een veiligheidsrisico voor bewoners?
Uit de evaluatie is naar voren gekomen dat handhaving «achter de voordeur» voor gemeenten complex is en dat gemeenten hier verschillend uitvoering aan geven. Toezicht en handhaving is vooral reactief, op basis van meldingen van bijvoorbeeld gevaarlijke situaties. Ik ben in overleg met de VNG over de staat van het toezicht op de wettelijke bepalingen volgend uit het Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarbij ook het CO-stelsel wordt betrokken.
Ik ga overigens primair uit van naleving van de wettelijke bepalingen door alle partijen in het stelsel. Dus ook van de opdrachtgevers, die primair verantwoordelijk zijn voor het contracteren van een gecertificeerd bedrijf. Zij lopen in veel gevallen ook het veiligheidsrisico en zijn in overtreding wanneer ze de wet niet naleven.
Van oneerlijke concurrentie kan sprake zijn wanneer een niet-gecertificeerd bedrijf (toch) werkzaamheden uitvoert én daarvoor lagere kosten berekent dan een gecertificeerd bedrijf. Mij zijn geen cijfers bekend van niet-bonafide bedrijven die in de markt opereren. Zoals in mijn brief van 3 juli 2025 aangegeven zijn inmiddels circa 3.700 bedrijven gecertificeerd om deze werkzaamheden uit te mogen voeren. Dat zijn er meer dan bij aanvang van het stelsel verwacht. Dit betekent dat er voldoende keuze is voor consumenten om een gecertificeerd bedrijf te vinden. Met de jaarlijkse publieksvoorlichting vergroot ik het bewustzijn bij consumenten over de gevaren van koolmonoxide en de verplichting om voor werkzaamheden alleen een gecertificeerd bedrijf in te schakelen. Door consumenten hiervan bewust en alert te maken, worden niet-gecertificeerde bedrijven van de markt geweerd.
Kunt u concreet aangeven of en wanneer structurele middelen voor gemeenten beschikbaar worden gesteld om handhaving op het CO-stelsel op te schalen, en hoe u risicogestuurd toezicht wil organiseren?
Gemeenten hebben ruimte om zelf handhavingsbeleid vast te stellen en prioriteiten aan te brengen, dat kunnen zij risicogestuurd doen. Het Bbl bevat veel onderwerpen en regels waaraan in de bestaande voorraad moet worden voldaan. Met VNG en IPO wordt thans onderzoek voorbereid naar de staat van het toezicht op de bouwregelgeving in de bestaande bouw. Er zullen meerdere onderzoeken worden uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken naar zowel de beschikbare financiële middelen voor toezicht (ook voor het CO-stelsel), als naar het beschikbare juridisch instrumentarium. Ook wordt gekeken naar het beleid en de uitvoering van het toezicht (zowel kwantitatief als kwalitatief) door het bevoegd gezag. Over de uitkomsten van deze onderzoeken en de vervolgstappen verwacht ik u in 2026 te kunnen informeren.
Hoe verhoudt de inzet op handhaving zich tot de plannen om via het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving meldingen te vereenvoudigen? Wordt hiermee een deel van de administratieve last bij gemeenten weggenomen?
Het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO) maakt het mogelijk om meerdere betrokken partijen eenduidig en onmiddellijk te informeren, afhankelijk van de ernst van de melding. Dit draagt enerzijds bij aan de informatieplicht binnen het CO-stelsel en anderzijds aan het verminderen van de administratieve afhandeling en/of coördinatie bij handhaving door gemeenten. Hierdoor kunnen gemeenten sneller overgaan tot handhaving.
Met de komst van het DSGO is het nu mogelijk om datadelen in de gebouwde omgeving te organiseren op een veilige, betrouwbare en verifieerbare manier tussen private partijen onderling en tussen private en publieke partijen. Daarmee biedt DSGO toegevoegde waarde voor het CO-stelsel door datadelen tussen gemeente, installateurs, certificerende instellingen en registers van bijvoorbeeld de installatiebranche te organiseren.
Kunt u toezeggen dat in de monitoring structureel aandacht wordt besteed aan de regeldruk voor zzp/mkb, de kostenontwikkeling voor bewoners, de kwaliteit van handhaving en de bekendheid van bewoners en aannemers met het stelsel?
Regeldruk en kostenontwikkeling zijn voorafgaand aan het stelsel (in 2017 en 2019) en bij de evaluatie van het stelsel (in 2024) uitvoerig onderzocht. Daarbij zijn de effecten van het stelsel op alle onderdelen van certificatie en per type bedrijf in beeld gebracht. Daarbij is ook geconstateerd dat de sinds 2022 toegenomen kosten voor consumenten voor het grootste deel veroorzaakt zijn door in die periode gestegen lonen en materiaal- en grondstoffenprijzen en voor een veel beperkter deel door het CO-stelsel. Over deze uitkomsten heb ik u geïnformeerd. Aangezien hiermee al een goed beeld bestaat van de regeldruk vanwege het CO-stelsel, zie ik geen aanleiding de regeldruk en kostenontwikkeling structureel te blijven onderzoeken. Daarbij speelt ook mee, zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 al heb aangegeven, dat het de verwachting is dat zzp-ers en kleine bedrijven steeds meer bekend raken met hetgeen bij certificering van hen wordt verwacht en dat als gevolg daarvan de regeldruk zal afnemen.
Bekendheid onder bewoners met het CO-stelsel vergroot ik via de gerichte publiekscampagne Stop CO-vergiftiging (zie ook mijn antwoorden op vraag 5 en 13. Daarbij wordt tevens de effectiviteit van de ingezette campagnemiddelen gemeten. Daarnaast ga ik binnenkort in overleg met brancheorganisaties voor dakdekkers en aannemers in de bouw, met als doel ook binnen deze sectoren de bekendheid met het CO-stelsel te vergroten. Tijdens dit overleg bespreek ik tevens op welke wijze deze bekendheid binnen de branches gemonitord kan worden. Zoals in mijn antwoord op vraag 10 aangegeven is de kwaliteit van handhaving onderwerp van nader met de VNG en IPO uit te voeren onderzoek.
Bent u bereid de publieksvoorlichting over het CO-stelsel (zoals Verbeterjehuis en Stop CO-vergiftiging) te combineren met concrete uitleg over het recht op gecertificeerde installateurs, om bewoners in staat te stellen actief te kiezen voor veiligheid?
Met de jaarlijkse publieksvoorlichting over het CO-stelsel worden consumenten, behalve over de gevaren van koolmonoxide en hoe koolmonoxidevergiftiging te voorkomen, ook geïnformeerd over de verplichting om een gecertificeerd installatiebedrijf in te schakelen. Daarbij wordt bekendheid gegeven over het CO-vrij logo dat deze bedrijven voeren en waar deze bedrijven te vinden zijn (zie ook antwoord vraag 8).
Kunt u per genoemde oplossingsrichting aangeven of u bereid bent deze op te pakken, en zo ja binnen welk tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoorden hiervoor.
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
De verklaring van het KNAW-bestuur over de situatie in Gaza. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verklaring van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) over de situatie in Gaza?1
Ja.
Bent u bezorgd over de wijze waarop het KNAW-bestuur oproept tot boycot van Israëlische wetenschappers uit Europese onderzoeksprogramma’s?
Het staat de KNAW vrij om uit eigen beweging een oproep te doen aan de Minister van OCW in het kader van haar rol om te adviseren over aangelegenheden op het gebied van de wetenschapsbeoefening, zoals dit ook staat vastgelegd in artikel 1.5, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). In hoeverre er gehoor wordt gegeven aan deze oproep is aan het kabinet.
Deelt u de mening dat wetenschap, sport en cultuur juist dé sectoren zijn waar ondanks politieke verschillen en omstandigheden het mogelijk moet blijven om onderling samen te werken?
Ja.
Hoe beoordeelt u de selectieve manier waarmee het KNAW-bestuur zijn referenties heeft gekozen om hun politieke oproep te onderbouwen, waarbij onderzoek met andere conclusies, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van de Begin-Sadat Center for Strategic Studies, wordt genegeerd en hoe verhoudt zich dat tot de positie van KNAW als hoeder van de wetenschappelijke integriteit en «het wetenschappelijk geweten van Nederland»?2
Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over de wijze waarop het KNAW-bestuur zijn referenties heeft gekozen of de wijze waarop zij tot een oproep komt.
Bent u bereid om na te vragen bij het KNAW-bestuur of de leden zijn geconsulteerd over deze stellingname en de Tweede Kamer hierover op korte termijn te informeren, zodat bekend is of en in welke mate het KNAW-bestuur spreekt namens de leden van de academie?
De KNAW heeft aangegeven dat er geen brede consultatie heeft plaatsgevonden bij de leden. Het KNAW-bestuur heeft op basis van de artikelen 1.5 en 13.1 van de WHW de bevoegdheid om namens de KNAW te adviseren en werkzaamheden te verrichten in het kader van de wetenschapsbeoefening. Voor het publiceren van verklaringen en adviezen hoeft het KNAW-bestuur niet eerst de leden te consulteren.
Kunt u garanderen dat andersdenkende leden van de KNAW zich nog durven uitspreken binnen de academie?
Ik vind het belangrijk dat er ruimte is voor verschillende wetenschappelijke inzichten en dat wetenschappers de ruimte en veiligheid ervaren om zich uit te spreken. Het is de verantwoordelijkheid van de KNAW om ervoor te zorgen dat leden zich kritisch durven uit te spreken.
Hoe garandeert u als stelselverantwoordelijke een open discussie binnen het stelsel als geheel en hoe bewaakt u de academische vrijheid wanneer de hoeder ervan zich zo eenzijdig politiek profileert?
In artikel 1.6 van de WHW staat dat instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen de academische vrijheid in acht moeten nemen. Academische vrijheid draagt bij aan een open discussie binnen het stelsel. Dat geldt ook voor de onafhankelijkheid van wetenschappers en hun instellingen; dit is een van de kernwaarden van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (hierna: NGWI). Alle wetenschappers en kennisinstellingen zijn vrij om vanuit hun wetenschappelijke rol maatschappelijke dialogen aan te gaan. Vanuit mijn rol als Minister vind ik het belangrijk om de staat van academische vrijheid te blijven monitoren. Zo heeft mijn ambtsvoorganger in 2023 onderzoek gedaan naar academische zelfcensuur in Nederland en zal mijn ministerie in 2028 nogmaals onderzoek doen naar de wijze waarop onderzoekers, docenten en onderwijzers hun academische vrijheid ervaren. Academische vrijheid vereist dat zij zich veilig voelen. Instellingen zijn verantwoordelijk voor het borgen van een veilige leer- en werkomgeving. Het hierbij behorende (wettelijk) handelingsperspectief voor instellingen, toezicht en mij als Minister is toegelicht in de escalatieladder die uw Kamer voor de zomer heeft ontvangen.3
De rolverdeling tussen de ministeries betreffende het onderwijs aan kinderen in de asielopvang |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van de Inspectie Justitie en Veiligheid, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheid en Jeugd dat er nog onvoldoende verbetering is in de situatie voor kinderen in de asielopvang?1
Ja.
Klopt het volgens u dat het faciliteren van onderwijs aan asielzoekerskinderen primair een taak van de Minister van OCW is?
De Minister van OCW draagt de zorg voor het scheppen van een wettelijk kader voor het onderwijs, de uitvoering van onderwijswetgeving en het verstrekken van financiële middelen daarvoor. De toegang tot het funderend onderwijs is voor alle kinderen gelijk, ongeacht de verblijfsstatus of herkomst van kinderen. Gemeenten (voor het primair onderwijs) en gedeputeerde staten (voor het voortgezet onderwijs) hebben de garantiefunctie om te zorgen dat er voldoende (openbare) onderwijsplekken beschikbaar zijn.
De Minister voor A&M is er voor verantwoordelijk dat minderjarige asielzoekers zoveel mogelijk in passende opvang worden geplaatst. De uitvoering van deze verantwoordelijkheid ligt bij het COA. Het is standaardbeleid dat bij het openen van een locatie gekeken wordt naar de aanwezigheid van voorzieningen, onder andere onderwijs, in de omgeving waar de opvanglocatie gevestigd is. Door het aanhoudende tekort aan opvangplekken lukt het niet altijd om kinderen te plaatsen in locaties waar onderwijsvoorzieningen beschikbaar zijn. Wanneer er onderwijs beschikbaar is op grotere afstand, beschikt COA voor die situaties over een regeling voor leerlingvervoer voor de doelgroep, dat overigens altijd in samenspraak met de gemeente wordt georganiseerd.
Voor minderjarige asielzoekers hebben het COA, en voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv) NIDOS, ook op andere manieren een rol. Het COA wijst gemeenten op de komst van kinderen in asielopvang en het belang van onderwijs: in de bestuursovereenkomst tussen COA en gemeenten spreken zij ook af dat de gemeente zorgt dat kinderen naar school kunnen gaan. COA ondersteunt ouders bij het aanmeldproces bij de school van hun voorkeur. NIDOS, in de rol van voogd, meldt zelf jongeren aan op een of meerdere scholen. Gemeenten kunnen voor de onderwijshuisvestingskosten van het basisonderwijs en eerste inrichting van het basisonderwijs voor asielzoekerskinderen een beroep doen op de OHBA-regeling, uitgevoerd door het COA.
Op welke manier is deze verdeling tussen de ministeries momenteel geregeld, zowel op financieel gebied als op beleidsmatig gebied?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de stelling dat op basis van het Kinderrechtenverdrag en het Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs u verplicht bent om ervoor te zorgen dat asielzoekerskinderen gelijke toegang tot onderwijs hebben als andere kinderen op Nederlands grondgebied?
Ja.
Wordt de huidige Europese opvangrichtlijn momenteel gehaald die stelt dat asielzoekerskinderen uiterlijk binnen drie maanden na het indienen van de asielaanvraag toegang moeten krijgen tot het onderwijsstelsel? Zo nee, voor hoeveel kinderen en welk percentage is dit nu niet het geval?
Scholen, gemeenten en provincies slagen er vaak in om minderjarigen op korte termijn toegang tot onderwijs te geven. Maar door de soms snelle opschaling van opvangvoorzieningen en de plotselinge komst van leer- en kwalificatieplichtige kinderen kunnen scholen niet altijd meteen in een (volledig) aanbod voorzien. In de Kamerbrief «kinderen in de asielopvang» van 19 september jl. van de Minister voor Asiel en Migratie wordt de Kamer geïnformeerd over de werkwijze, de beschikbaarheid van data en de uitkomsten van een inventarisatie van het COA naar voorzieningen, waaronder ook onderwijs, voor kinderen in de asielopvang.
Klopt het dat u als Minister van OCW wettelijke bevoegdheden heeft om in te grijpen als het onderwijs voor asielzoekerskinderen onvoldoende wordt gefaciliteerd?
Specifiek voor asielzoekerskinderen heb ik geen bijzondere bevoegdheden. Wel heb ik de mogelijkheid om, als een gemeente er niet in slaagt om met de schoolbesturen in de gemeente afspraken te maken over de toelating van (alle) nieuwkomers en er aantoonbaar nieuwkomers geen toegang tot onderwijs hebben, een gemeente op te leggen om een tijdelijke nieuwkomersvoorziening (hierna: tnv) te starten. Een tnv is een onderwijsvoorziening waarin een schoolbestuur tijdelijk kan afwijken van de eisen aan onderwijsinhoud, onderwijspersoneel en onderwijstijd. Een tnv is daarmee altijd een tijdelijke noodmaatregel, waarin een schoolbestuur mag afwijken van de reguliere eisen aan onderwijstijd, onderwijspersoneel en onderwijsinhoud. Tot op heden is er geen noodzaak geweest om een gemeente op te leggen een tnv te starten.
Het opleggen van een tnv is een absolute noodmaatregel. Tnv’s worden in de regel gestart op initiatief van gemeenten. In totaal hebben sinds de inwerkingtreding van de wet 16 gemeenten toestemming gekregen om een tnv te starten.
Klopt het dat u, na overleg met een gemeente, ook op eigen initiatief kunt besluiten tijdelijke voorzieningen te treffen wanneer vaststaat dat een gemeente niet voor iedere nieuwkomer in onderwijs kan voorzien? Zo ja, heeft u hiertoe weleens besloten?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe staat het met de verkenning met als doel hoe het onderwijs aan nieuwkomers toekomstbestendig kan worden gemaakt waarmee de druk op scholen en gemeenten wordt verlaagd en de onderwijskwaliteit verbeterd?
Op 24 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die we gaan nemen om het funderend onderwijs voor nieuwkomers te verbeteren in de brief over een betere start voor kinderen met Nederlands als tweede taal2.
Op welke manier vindt er overleg tussen de ministeries van OCW en A&M plaats over de verbetering van de onderwijskwaliteit voor asielkinderen?
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs ligt bij schoolbesturen en bij OCW. De Ministeries van OCW en A&M overleggen vrijwel dagelijks over het verbeteren van de randvoorwaarden om het onderwijs goed te kunnen organiseren, de toeleiding naar het onderwijs zo soepel mogelijk te laten verlopen en onderbrekingen in de schoolloopbaan als gevolg van verhuisbewegingen zo mogelijk te voorkomen. Dit overleg vindt plaats in zowel de uitvoering en met ketenpartners, door medewerkers van beide ministeries, als op bestuurlijk niveau.
Klopt het dat in de de Uitvoerings- en implementatiewet ervan wordt uitgegaan dat de aanmelding van minderjarige kinderen van verzoekers in ieder geval binnen twee weken plaatsvindt na het indienen van een verzoek tot internationale bescherming en in de wet wordt vastgelegd dat de school vervolgens binnen zes weken besluit over de toelating, zonder mogelijkheid tot verlenging? Zo ja, wat wordt eraan gedaan om deze termijnen daadwerkelijk te halen?
Dat is juist. Een periode van zes weken om een aanmelding te beoordelen is vaak voldoende. Mocht dit voor scholen niet haalbaar zijn, dan moeten zij in het belang van de leerling, een kind tijdelijk plaatsen totdat een definitief besluit over toelating of afwijzing is genomen. Over de aanscherping van de termijnen en de gevolgen voor de praktijk, voert het ministerie al overleg met de landelijke vertegenwoordigende partijen van het onderwijs en zal het ministerie ook zorgen voor tijdige informatie aan scholen en andere betrokken organisaties. Voor de langere termijn is het streven dat ook de komende wetgeving gericht op het onderwijs aan nieuwkomers bij kan dragen aan snellere toegang van het onderwijs.
Kun u deze vragen zo spoedig mogelijk en nog voor het debat over kinderen in de asielopvang op 23 september beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond»?1
Ja.
Bent u van mening dat slecht mobiel bereik een acuut veiligheidsrisico vormt, zeker voor ouderen en kwetsbare groepen die afhankelijk zijn van alarmhorloges en noodoproepen?
Mobiele netwerken spelen een belangrijke rol voor de bereikbaarheid van 112 maar gelukkig zijn ze niet de enige manier waarop mensen 112 kunnen bereiken. Er zijn ook alarmhorloges en andere apparaten die bijvoorbeeld via WiFi kunnen bellen.
Indien mensen op een plek wonen waar de mobiele netwerkdekking om welke redenen dan ook niet (altijd) optimaal is dan is dat uiteraard heel vervelend en hoop ik dat ze daar melding van maken zodat er met hen, de mobiele netwerkaanbieders, de RDI, provincies en gemeenten kan worden bekeken of er mogelijkheden zijn om dat (in de toekomt) op te lossen. Als mensen in de tussentijd geen maatregelen nemen dan kan het er helaas toe leiden dat ze 112 niet altijd kunnen bereiken wanneer het nodig is. Het is daarom belangrijk dat zij zich (laten) informeren over de beste manier om de bereikbaarheid van 112 zo veel als mogelijk te garanderen want er zijn gelukkig alternatieven beschikbaar. Zoals een vaste huisaansluiting of de 112NL-app, die uitkomst kan bieden in gebieden met een mindere netwerkdekking maar waar wel WiFi is, zoals binnenshuis.
Juist omdat de bereikbaarheid van het alarmnummer 112 van levensbelang is, geeft de Rijksoverheid diverse tips op zijn website voor mensen die ondanks de zeer goede mobiele dekking in Nederland toch nog problemen ervaren met de bereikbaarheid van 112 via een mobiel netwerk.2 Indien gemeenten de mobiele bereikbaarheid willen verbeteren, kunnen ze gebruik maken van de «Handreiking mobiele bereikbaarheid gemeenten» van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.
Bent u van mening dat anno 2025 iedereen in Nederland over snel internet en mobiele netwerkdekking moet kunnen beschikken, ongeacht waar men woont, omdat dit van belang is voor een ieders veiligheid?
Ja, maar helaas zijn de mogelijkheden om dat te bereiken gebonden aan natuurkundige beperkingen die eigen zijn aan radiocommunicatie. In de Nota Mobiele Communicatie is aangegeven dat mobiele communicatie een basisbehoefte is geworden.3 4 In grensstreken kan de bereikbaarheid van 112 minder goed zijn dan op andere plekken. Goede dekking in de grensstreek vereist coördinatie tussen netwerkaanbieders over de frequenties die er worden gebruikt om onderlinge verstoringen te voorkomen.
Mobiele netwerkdekking zal niet altijd door de markt tot stand worden gebracht op locaties die niet rendabel zijn. Dat kan ertoe leiden dat sommige plekken in Nederland niet vanzelf van dekking worden voorzien. Mede hierom is er in 2020 een dekkings- en snelheidsverplichting opgelegd aan de drie mobiele netwerkaanbieders. Die verplicht ertoe om 98% van het geografische grondgebied van elke Nederlandse gemeente buitenshuis te voorzien van een minimaal dienstverleningsniveau voor elke gebruiker.
Om de mobiele bereikbaarheid van het alarmnummer 112 in aanvulling daarop nog verder te vergroten zijn er diverse andere maatregelen genomen:
Kunt u aangeven in welke mate dit probleem speelt in andere grensregio’s in Nederland, hoeveel meldingen daarover zijn ontvangen bij het Centraal Informatiepunt Mobiele Bereikbaarheid 112 en hoe opvolging is gegeven aan deze meldingen?
Sinds januari 2024, de start van het Centraal Informatiepunt Mobiele Bereikbaarheid 112, zijn er 46 meldingen geregistreerd, waarvan 5 uit grensgemeenten. Dit aantal is gelukkig beperkt en geeft geen aanwijzing voor een structureel probleem in de grensstreken. Meldingen laten wel zien dat er incidenteel knelpunten zijn, die voor betrokkenen ingrijpend kunnen zijn, zeker in het geval van een noodsituatie.
Uit metingen van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur blijkt verder dat mobiele netwerkaanbieders voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting. Toch kunnen er altijd plekken zijn waar de bereikbaarheid van 112 minder goed is (bijvoorbeeld binnenshuis of in afgelegen gebieden). Het meldpunt registreert de meldingen en deelt ze waar nodig met providers, de meldkamer en de toezichthouder; het neemt zelf geen maatregelen.
Bent u bereid met providers in gesprek te gaan om te waarborgen dat 112-oproepen in grensgebieden altijd doorkomen?
Ik ben en blijf in gesprek met de providers maar ook met andere relevante organisaties zoals gemeenten, de VNG, en de RDI over het verbeteren van de mobiele netwerkdekking in Nederland. Het verbeteren van de mobiele netwerkdekking draagt ook bij aan de bereikbaarheid van 112, omdat daarvoor de gecombineerde dekking van de drie mobiele netwerken van belang is en niet alleen de dekking van de provider bij wie iemand een abonnement heeft.
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3 zijn er diverse maatregelen genomen om de mobiele bereikbaarheid van 112 te vergroten. Ik zie op dit moment geen aanleiding om in aanvulling hierop maatregelen te nemen. Indien gemeenten de mobiele bereikbaarheid willen verbeteren, kunnen ze gebruik maken van de «Handreiking mobiele bereikbaarheid gemeenten» van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur.
Welke mogelijkheden ziet u om versneld maatregelen te nemen om de veiligheid van inwoners in grensregio’s te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u voor het Rijk om, samen met provincies, gemeenten én veiligheidsregio’s, structurele oplossingen te realiseren voor grensbewoners die nu vaak in onzekerheid leven of zij in geval van nood hulp kunnen inroepen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of, aanvullend op verbetering van mobiel bereik, het plaatsen van alarmpalen of andere vaste noodvoorzieningen kan bijdragen aan de veiligheid en bereikbaarheid van hulpdiensten in de meest kwetsbare gebieden?
Gezien de zeer goede mobiele dekking in Nederland, de diverse aanvullende maatregelen en alternatieve manieren om 112 te kunnen bereiken zie ik geen reden tot het nemen van extra maatregelen. Uw suggestie is sympathiek maar er zijn gelukkig al een reeks alternatieve manieren om in contact te kunnen komen met 112 wanneer er geen mobiele netwerkdekking is.5
Correspondentie Catshuissessie moslimdiscriminatie |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aan de Kamer doen toekomen de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten die u naar eigen zeggen na de Catshuissessie over moslimdiscriminatie in uw inbox heeft ontvangen, en deze openbaar maken zodat de Kamer inzicht krijgt in de zorgen, pijnlijke ervaringen en kritische signalen die daaruit naar voren zijn gekomen, mede in het licht van de uitlatingen van deelnemers die aangeven met «buikpijn» uit het gesprek te zijn gekomen en die politici die bij dit gesprek aanwezig waren ervoeren als faciliterend aan moslimhaat?1 Zo nee, waarom niet?
Na de Catshuissessie dit jaar over moslimdiscriminatie heb ik verschillende berichten ontvangen van burgers die naar aanleiding daarvan hun persoonlijke ervaringen, gevoelens en zorgen met mij hebben gedeeld. Deze berichten zijn persoonlijk van aard, en zijn met mij gedeeld in de verwachting dat de betrokkenen dit in vertrouwen konden doen.
Het is belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen. Dat kan alleen als zij erop kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke berichten niet zonder meer openbaar worden gemaakt. Het waarborgen van dat vertrouwen is van groot belang voor een open en veilige uitwisseling tussen burgers en overheid, zeker bij gevoelige onderwerpen als discriminatie en uitsluiting.
Daarom acht ik het niet wenselijk om de door u gevraagde correspondentie openbaar te maken. Openbaarmaking zou afbreuk doen aan het vertrouwen dat burgers mogen hebben dat hun persoonlijke verhalen in vertrouwen worden behandeld. Ik vind het essentieel dat mensen zich ook in de toekomst vrij voelen om zich tot mij te wenden met hun zorgen en ervaringen.
De oproep van de vakbonden om de nullijn voor rijksambtenaren te schrappen. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u de brief van de vakbonden gelezen, getiteld «Vakbonden voor rijksambtenaren roepen Minister BZK op tot overleg» van 11 september 2025?1
Ja, aan de oproep van vakbonden om op korte termijn een afspraak te maken is gehoor gegeven.
Deelt u de opvatting dat het opleggen van een nullijn voor ambtenaren de onderhandelingen over een nieuwe cao bij voorbaat ingewikkeld maken? Zo ja, is het dan niet beter om de nullijn te schrappen, zodat de onderhandelingen op een open en reële manier kunnen plaatsvinden?
De huidige CAO Rijk loopt af op 31 december 2025. De onderhandelingen vinden plaats onder een complex gesternte. In het hoofdlijnenakkoord is een nullijn opgenomen. Ik heb er daarnaast kennis van genomen dat zonder de mogelijkheid tot open en reëel overleg, een onderhandeling met de bonden niet mogelijk lijkt.
De werkgever Rijk heeft met de vakbonden afgesproken in november de formele onderhandelingen over een nieuw cao-akkoord te starten. Over de komende onderhandelingen en de inzet van de werkgever Rijk kunnen op dit moment nog geen mededelingen worden gedaan.
Klopt het dat de eerder gemaakte afspraak om de uitvoering beter te belonen via functiewaardering, nog niet is nagekomen? Gaat u daar nog budget voor vrijmaken zoals is afgesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat zowel het bij voorbaat opleggen van een nullijn als het niet nakomen van gemaakte afspraken de cao-onderhandelingen ondermijnen en de relatie met de vakbonden schaden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de vakbonden om de juiste randvoorwaarden te scheppen voor volwaardige cao-onderhandelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen uiterlijk 22 september 2025 beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De programmamanager bij de politie en de betrokkenheid bij NTA-onderzoeken |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ontslag voor programmamanager politie»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de huidige programmamanager van de landelijke aanpak tegen racisme, discriminatie en uitsluiting binnen de politie tevens directeur is van NTA, het bureau dat volgens meerdere rechtbanken en de Ombudsman Metropool Amsterdam moslims onrechtmatig heeft bespioneerd in moskeeën?
Ja, ik ben bekend met het feit dat de huidige programmamanager van de landelijke aanpak tegen racisme, discriminatie en uitsluiting binnen de politie tevens directeur is van NTA.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van het uitoefenen van twee ambten van de huidige programmanager racisme, discrimanatie en uitsluiting en tevens directeur van NTA met de geloofwaardigheid en integriteit van het huidige programma van de politie tegen racisme, discriminatie en uitsluiting binnen de politie?
De politie gaat zelf over de aanstelling van haar personeel. Derhalve zal ik niet interveniëren in arbeidsafspraken met individuen.
Bent u bereid om zich in te spannen om de aanstelling van de huidige programmamanager te beëindigen door dit te agenderen in het gesprek met de Korpsleiding? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u, gelet op de urgentie van deze zaak, de drukte van de Kameragenda en het aanstaande reces, bereid om deze vragen voor dinsdag 16 september 2025 te beantwoorden?
Ik heb getracht om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het bericht dat Top Mondzorg Project Floss over wil nemen |
|
Ria de Korte (CDA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) «Top Mondzorg wil Project Floss overnemen (concentratiemelding)»?1
Ja.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat goede, betaalbare en toegankelijke tandartszorg geen luxe wordt als Project Floss Topco B.V., bekend onder de naam «Fresh»1 overgenomen wordt door de buitenlandse investeerder Nordic Capital?
Voorop staat dat alle zorgaanbieders, ongeacht de vorm van financiering of inrichting van de bedrijfsvoering, moeten voldoen aan geldende wet- en regelgeving ten aanzien van bijvoorbeeld de kwaliteit en toegankelijkheid. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de kwaliteit van zorg in Nederland, inclusief alle tandartspraktijken. Dit toezicht richt zich op het waarborgen van goede en veilige zorg voor patiënten, ongeacht de eigendomsstructuur van de praktijk. Zowel ketens als individuele praktijken dienen zich te houden aan de Nederlandse wet- en regelgeving, waaronder de standaarden voor kwalitatief hoogwaardige tandartszorg. De maximumtarieven van de tandartszorg worden vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Ook hiervoor geldt dat zowel ketens als individuele praktijken zich daaraan hebben te houden. Het is vervolgens aan zorgkantoren en zorgverzekeraars om via hun inkoop te sturen op doelmatige zorg.
Om te voorkomen dat fusies en overnames ten koste gaan van de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg worden fusies en overnames in de zorg door de NZa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) getoetst, wanneer zij boven de respectievelijke drempelwaarden vallen. In dit geval heeft de NZa toets reeds plaatsgevonden. Bij de beoordeling door de ACM wordt onder andere gekeken of er voldoende keuzemogelijkheden overblijven voor de patiënt en zorginkopers en er niet te veel macht bij de aanbieder ontstaat. Een gezond zorglandschap is een divers landschap met ruimte voor de kleine, en grote(re), praktijk.
Dat neemt niet weg dat ik ook zie dat risico’s kunnen ontstaan wanneer de nadruk te sterk op rendement komt te liggen, in plaats van op de continuïteit en kwaliteit van zorg. Daarom werk ik, samen met de NZa, aan het aanscherpen van haar fusietoezicht in de zorg en aan meer transparantie in de bedrijfsvoering van o.a. mondzorgketens via het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In dit wetsvoorstel worden ook voorwaarden gesteld aan winstuitkering. Op die manier kan worden geborgd dat investeringen bijdragen aan de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van de mondzorg.
Welke mogelijkheden heeft u om te voorkomen dat winsten van onze zorg (en het publieke geld daarin) in het buitenland belanden doordat private equity bedrijven mondzorginstellingen opkopen?
Allereerst wil ik helder maken dat private equity investeerders niet per definitie buitenlandse investeerders zijn en buitenlandse investeerders ook niet per se private equity is.
Waar het mij om gaat is dat aanbieders van mondzorg bijdragen aan de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van die zorg. Onder de juiste omstandigheden kan winstuitkering daaraan bijdragen. Zorgaanbieders zijn in Nederland immers van oudsher private organisaties en dat betekent dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor investeringen en de daarvoor benodigde financiering. Om ook in toekomst zorg te kunnen blijven bieden aan patiënten is het nodig dat er ook middelen beschikbaar zijn om te investeren in innovaties. Daarvoor kan het nodig zijn eigen of vreemd vermogen aan te trekken. En het is niet gek dat aanbieders van dat vermogen een beloning ontvangen voor het risico dat zij lopen op hun geïnvesteerd vermogen. Dat geldt voor banken die een lening verstrekken en ook voor investeerders in de zorg. Zonder deze beloning zullen investeerders zich terugtrekken uit de zorg, wat grote negatieve gevolgen kan hebben voor de continuïteit van de zorg.
Dat neemt niet weg dat ik ook de risico’s zie wanneer bijvoorbeeld als gevolg van een te risicovolle (private equity) investering, financiële belangen de overhand krijgen boven het verlenen van goede zorg. Ik wil deze risico’s zo veel mogelijk inperken. Dat doe ik bijvoorbeeld via de Wibz, waarbij er onder andere voorwaarden gesteld worden aan winstuitkering. En met het wetsvoorstel aanscherping zorg specifieke fusietoets, waarbij fusies en overnames door de NZa op meer inhoudelijke gronden getoetst kunnen worden. Vanwege de benodigde tijd om de internetconsultaties en uitvoeringstoetsen te verwerken en de nog te doorlopen toetsen, verwacht ik het wetsvoorstel in het tweede kwartaal 2026 aan uw Kamer te kunnen sturen.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat specifiek de zorg die Fresh biedt aan kwetsbare groepen zoals ouderen, gehandicapten, psychiatrische en justitiële patiënten, gecontinueerd blijft in het geval dat het overgenomen wordt door een buitenlandse private equity partij? En dat daarbij de kwaliteit van de zorg niet verminderd, noch de prijs oneigenlijk stijgt?2
Overnames en fusies in de zorg mogen er niet toe leiden dat de continuïteit, kwaliteit of betaalbaarheid van de zorg verslechtert. De kwaliteit van zorg moet daarom zowel voor als na de overname voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De IGJ houdt hier toezicht op. Daarnaast hebben zorgverzekeraars en zorgkantoren vanuit hun rol de taak om de zorg zo in te kopen dat deze goed, toegankelijk en betaalbaar is. Daarbij worden de tarieven gereguleerd door de NZa. Tot slot worden fusies en overnames door de NZa en ACM getoetst op onder andere de gevolgen voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg.
Zoals eerder aangegeven, werk ik op dit moment aan een wetsvoorstel om de NZa fusies en overnames op meer inhoudelijke gronden, zoals kwaliteit en continuïteit van zorg, te toetsen.
Zowel Fresh, als Top Mondzorg leveren mondzorg aan kwetsbare patiënten. Ik zie daarom geen reden om aan te nemen dat deze zorg niet gecontinueerd wordt na de voorgenomen concentratie.
Bent u bereid om zowel tijdens als na overnames van mondzorginstellingen door private equity ondernemingen eventuele kostenstijgingen voor patiënten te monitoren?
De NZa bepaalt jaarlijks de prestatiecodes en maximumtarieven in de mondzorg, en ziet toe op de naleving hiervan.
Op dit moment heb ik geen signalen dat er structurele verschillen zijn in de betaalbaarheid van zorg geleverd door aanbieders met en zonder private equity betrokkenheid. De ACM toetst concentraties op basis van de Mededingingswet. Er wordt daarbij o.a. gekeken of er voldoende concurrentie in de markt overblijft na de desbetreffende overname om te voorkomen dat er een machtspositie kan ontstaan. Misbruik van een dergelijke machtspositie zou kunnen leiden tot een exponentiele prijsstijging voor de patiënt. Ook hier ziet de ACM op toe.
Ik hou de signalen in de gaten, maar zie op dit moment geen aanleiding om aan de toezichthouders te vragen dit te monitoren.
Hoe kunt u voorkomen dat private equity bedrijven mondzorginstellingen opkopen met als doel deze spoedig weer met winst door te verkopen, en soms ook nog kaalvreten door bedrijfsvoering te optimaliseren waardoor rentabiliteit onder druk komt te staan en praktijken onder druk te zetten bepaalde targets te halen onafhankelijk van daadwerkelijke zorgvraag?
Financieel gewin mag nooit de boventoon voeren in de zorg. Alle aanbieders moeten bijdragen aan de opgave om goede, betaalbare en toegankelijke mondzorg te bieden. Als tandartspraktijken worden gekocht door ketens om daar, op korte termijn, zoveel mogelijk geld aan te verdienen, zonder dat daarbij oog is voor het belang van de cliënt of patiënt, de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg, dan is dat verwerpelijk. Tegelijkertijd vind ik het van belang dat er in de zorg onder de juiste voorwaarden ruimte blijft voor de noodzakelijke investeringen. Ik wil daarom de risico’s zo veel mogelijk inperken, zonder dat dit onevenredig ten koste gaat van het aanbod van zorg. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3, doe ik dat onder andere door het wetsvoorstel voor de Wibz en het wetsvoorstel aanpassingen zorg specifieke fusietoets.
Bent u bereid om te monitoren dat er na overname van mondzorginstellingen geen aanvullende contra-indicaties worden gesteld teneinde complexe patiënten te weren?
Ik vind het belangrijk dat patiënten, ook patiënten met een complexe zorgvraag, toegang houden tot mondzorg. Het stellen van aanvullende contra-indicaties enkel met als doel om patiënten met een complexe zorgvraag te weren, is onwenselijk. Het is in de eerste plaats aan de betrokken instellingen en de zorgkantoren en zorgverzekeraars om te zorgen dat de continuïteit van zorg voor mensen met een complexe zorgvraag geborgd is. Het is aan zorgkantoren en zorgverzekeraars om te voldoen aan de zorgplicht. De NZa houdt hier toezicht op. Wel is het hiervoor van belang dat fusies en overnames in de zorg het aanbod niet te veel beperken. Daartoe worden fusies en overnames getoetst door de NZa en ACM. Zoals eerder aangegeven, werk ik op dit moment aan een wetsvoorstel om de risico’s van onwenselijke fusies en overnames op de kwaliteit en continuïteit van zorg beter te ondervangen.
Zijn er oplossingsscenario’s voor ketenvorming in de mondzorg, dat ontstaat door het opkopen van tandartspraktijken door private equity bedrijven? Zo ja, hoe zien deze eruit? Hoe wordt de zorg aan patiënten gecontinueerd in het geval dat een keten omvalt?
Financieel gewin mag nooit de boventoon voeren in de zorg. Als tandartspraktijken worden gekocht door ketens om daar, op korte termijn, zoveel mogelijk geld aan te verdienen, zonder dat daarbij oog is voor het belang van de cliënt of patiënt, de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg, dan is dat verwerpelijk. Maar wanneer een tandartspraktijk wordt overgenomen door een keten en dit de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg ten goede komt, is het een positieve ontwikkeling voor de patiënt en het zorglandschap. Dan kan winstgevendheid deel uitmaken van een gezonde bedrijfsvoering en leiden tot investeringen in kwaliteit. Om dit in goede banen te leiden is het dan ook noodzakelijk dat alle partijen hun rol pakken om deze goede, toegankelijke tandartsenzorg te bieden. Alle organisaties die tandartsenzorg leveren, bedrijfsketen of individuele praktijken, moeten zich daarbij aan Nederlandse wet- en regelgeving houden, waaronder de standaarden voor kwalitatief goede tandartsenzorg.
Tot nu heb ik geen signalen ontvangen van de KNMT dat ketenvorming in de mondzorg de relatie tussen zorg aan patiënten structureel ondermijnt. Een wijziging van eigenaar betekent bijvoorbeeld niet automatisch dat ook de behandelaar verandert. Daarnaast is het bij fusies of overnames gebruikelijk dat de verkopende tandarts (tijdelijk) doorwerkt om de continuïteit van zorg te waarborgen. In sommige gevallen is dit zelfs een voorwaarde voor de overname/fusie. Tegelijkertijd neem ik de zorgen van de Kamer hierover serieus. Ik blijf deze ontwikkeling volgen via signalen van beroepsorganisaties, patiëntenorganisaties en het toezicht van de IGJ.
Welke oplossingen ziet u om tandartsen met een eigen praktijk te ondersteunen om zo te voorkomen dat zij hun praktijk verkopen aan private equity investeerders?
Het is aan tandartsen die hun praktijk willen verkopen zelf om te bepalen aan wie zij hun praktijk verkopen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat tandartsen op een gezonde manier hun praktijk kunnen voeren. En dat er ruimte blijft voor voldoende diversiteit aan praktijken. Voor kleine en grote(re) praktijken. Belemmeringen die eraan bijdragen dat tandartsen hun praktijk willen verkopen, neem ik graag zoveel mogelijk weg. Zo zijn we continu in gesprek met de beroepsgroep en brancheorganisatie om te kijken op welke manier we tandartsen kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld door administratieve lastenverlichting.
Correspondentie inzake versterkte gebedsoproepen buurtonderzoek |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aan de Kamer doen toekomen de volledige correspondentie, inclusief interne memo’s, adviezen en e-mails, tussen het ministerie en betrokken gemeenten, instanties, burgers en externe partijen over het traject aangaande de versterkte gebedsoproepen die u hebt ingesteld in het kader van uw actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
De volledige correspondentie over het traject rondom de versterkte gebedsoproepen kan ik in deze fase nog niet delen. Dit heeft onder andere te maken met de bedrijfsgevoelige informatie die de stukken bevatten over de opdrachtgever en opdrachtnemer relatie van SZW. Alle overige relevante stukken worden, zoals gebruikelijk is, na afronding van het traject openbaar gemaakt.
Zoals ik u heb geïnformeerd in de voortgangsbrief over de Actieagenda Integratie1, worden u de tussentijdse resultaten van de 0-meting die is uitgevoerd onder alle gemeenten zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het einde van dit jaar, separaat aan uw Kamer toegezonden.
Bent u bereid het daaraan gerelateerde buurtonderzoek openbaar te maken, zodat de Kamer volledig inzicht krijgt in de overwegingen en afwegingen die daarbij een rol hebben gespeeld?
Tijdens het plenair debat van 10 september jl. heb ik aangegeven dat binnen het huidige traject rondom versterkte gebedsoproepen verdiepende gesprekken worden gevoerd met gemeenteambtenaren, omwonenden en geloofsgemeenschappen. Deze gesprekken hebben niet het karakter van een buurtonderzoek.
Het doel van deze gesprekken is om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop versterkte gebedsoproepen in de praktijk wordt uitgevoerd en hoe deze door betrokkenen worden ervaren. Daarnaast is het van belang om te verkennen in hoeverre deze uitingen als overlast worden ervaren en of de bestaande wet- en regelgeving, zoals de Wet openbare manifestaties (Wom) en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), aanscherping behoeft.
De verdiepende gesprekken dragen bij aan het in kaart brengen van knelpunten in de praktijk en het formuleren van mogelijke (beleids)maatregelen. In dit traject rondom versterkte gebedsoproepen is dus niet voorzien in een buurtonderzoek. Derhalve kan er ook geen buurtonderzoek geopenbaard worden.
Het artikel ‘Dertigers stappen in hospitamarkt’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dertigers stappen in hospitamarkt»?1
Ja.
Deelt u de analyse dat hospitaverhuur zich snel ontwikkelt van een studentenoplossing naar een bredere woonvorm voor alleenstaande ouders, ouderen en andere woningzoekenden?
Deze analyse deel ik. Dit nieuwsartikel geeft de ontwikkelingen weer die hospitabemiddelingsbureaus waarnemen en onderschrijven daarmee de beweging die ik graag zie.
Ik zet mij daarom in om hospitaverhuur verder te stimuleren om het woningtekort te verkleinen o.a. via de landelijke informatiecampagne «Word hospita! «Jouw huis van grote waarde»2 en via de website «hospitawijzer.nl». Daarnaast werk ik aan een wetswijziging om belangrijke drempels weg te nemen, waaronder de introductie van een tijdelijk huurcontract speciaal voor hospitaverhuur van maximaal vijf jaar. Als ook de mogelijkheid om het huurcontract te beëindigen bij (executie) verkoop van de woning of overlijden van de eigenaar-bewoner.
Erkent u dat juist in deze wooncrisis – waarin de bouw stagneert en bestaanszekerheid onder druk staat – het noodzakelijk is om alle mogelijkheden van de bestaande woningvoorraad te benutten, en hospitaverhuur hierin een serieuze rol kan spelen?
Het beter benutten van de bestaande gebouwen en bijbehorende omgeving (hierna: «beter benutten»), waaronder hospitaverhuur, is inderdaad van belang in het tegengaan van het woningtekort. Over mijn inzet op alle vormen van «beter benutten» informeer ik uw Kamer binnenkort met een voortgangsbrief.
Hoeveel kamers kunnen volgens uw inschatting op korte termijn vrijkomen door de aangekondigde wetswijziging, en wat betekent dit concreet voor de druk op de woningmarkt?
Klopt het dat deze wetswijziging al eerder naar de Kamer zou worden gestuurd, maar nu pas begin 2026 verwacht wordt?
Het klopt dat ik er naar streefde om eind van dit jaar het wetsvoorstel aan te bieden aan uw Kamer. Dit wetsvoorstel is recent in internetconsultatie geweest en momenteel ben ik bezig de reacties te verwerken. Hierna zal het voor advies aan de Raad van State worden aangeboden. Mijn inzet is om het wetsvoorstel in de eerste helft van 2026 voor te leggen aan uw Kamer ter behandeling.
Wat zijn de oorzaken van dit uitstel, en welke gevolgen heeft dit voor woningzoekenden die nú in de knel zitten?
De oorzaak hiervan is dat er meer afstemming benodigd was met verschillende (keten)partners en andere ministeries dan op voorhand gedacht werd. Dat neemt niet weg dat hospitaverhuur, onder de huidige voorwaarden, nu ook al mogelijk is.
Deelt u de mening dat goede huurbescherming onmisbaar is bij hospitaverhuur, juist omdat verhuurder en huurder zo dicht in elkaars persoonlijke leefomgeving verkeren?
Ik ben me er van bewust dat goede huurbescherming van groot belang is. Met het wetsvoorstel ben ik van mening een goede balans te hebben gevonden tussen huurbescherming voor huurders enerzijds en flexibiliteit voor verhuurders anderzijds.
Hoe waarborgt u dat de voorgenomen wetswijziging niet alleen meer flexibiliteit creëert, maar ook voldoende bescherming biedt voor kwetsbare huurders?
De verwachting is dat er meer woonruimte beschikbaar zal komen door de voorgestelde wetswijzigingen. Dit is een voordeel voor potentiële huurders. De huurbescherming voor huurders wordt echter beperkter. Als gevolg van deze wetswijziging wordt het in de koopsector mogelijk om het (hospita)huurcontract (tussentijds) op te zeggen bij verkoop, executieverkoop of overlijden van de verhuurder. Daarnaast wordt specifiek voor hospitaverhuur een tijdelijk contract geïntroduceerd. Dit brengt voor huurders onzekerheid met zich mee en vraagt een zorgvuldige afweging gezien het feit dat het gaat om een basisvoorziening, een woning, en de verantwoordelijkheid van de overheid om minimale (huur)bescherming te regelen. Deze inperkingen van het huurrecht zijn te rechtvaardigen door het bijzondere karakter van hospitaverhuur, waarbij de verhuurder en huurder in dezelfde woning wonen. Potentiële hospita’s leveren daarbij fundamentele beginselen als privacy en de persoonlijke levenssfeer deels voor in. Om hen daarin tegemoet te komen zijn de wetswijzigingen deels gericht op mogelijkheden tot opzegging indien er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Alhoewel daarmee de huurbescherming enigszins wordt beperkt, is het bieden van deze woonvorm en daarmee de potentie aan woonruimte een absoluut voordeel voor potentiële huurders.
Vindt u dat een landelijk huurregister noodzakelijk is om misstanden te voorkomen, transparantie te vergroten en huurders te beschermen?
Ik heb uw Kamer op 9 april 2025 geïnformeerd over mijn inzet voor een huurregister (Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 926, nr. 391). In die brief ben ik ingegaan op de meerwaarde dat een huurregister heeft. Een register vergroot de rechtsbescherming en gelijkwaardigheid tussen huurder en verhuurder, helpt gemeenten bij het toezicht op en handhaving van met name de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur. Een huurregister kan gemeenten in staat stellen om meer inzicht te verkrijgen in de huurmarkt en pro-actiever te handelen bij eventuele misstanden. Ook kan een register de verhuurder ondersteuning bieden in het contact met de gemeente en een middel zijn voor de verhuurder om zichtbaar te maken dat hij of zij handelt in overeenstemming met die wet- en regelgeving. Naast een ondersteuning voor gemeenten kan een registratie van huurgegevens verschillende andere overheidsorganisaties in staat stellen om hun wettelijke taak effectiever en efficiënter uit te voeren. Dienst Toeslagen kan nauwkeuriger het recht op de huurtoeslag bepalen. Tevens kan het register als basis dienen voor toekomstige aanpassing van het toeslagenstelsel. Ook de belastingdienst kan voor Box 3 baat hebben bij actuele gegevens over de huur. De Inspectie Leefomgeving en Transport ziet bij het toezien en handhaven van de energielabelplicht een meerwaarde in een huurregister. Ook de Huurcommissie zou met een register ondersteund kunnen worden bij de geschilbeslechting. Tenslotte kan een registratie van huurgegevens waardevol zijn voor gemeenten en provincies bij het nemen van regie op de volkshuisvesting en de woningbouwopgave in het bijzonder.
Erkent u dat de roep om zo’n huurregister steeds urgenter wordt, en dat uitstel de kwetsbaarste huurders het hardst treft?
Het opzetten van een huurregister heeft mijn volle aandacht. Van uitstel is geen sprake. In het antwoord op vraag 9 ben ik ingegaan op de meerwaarde die een register heeft.
Wanneer kan de Kamer concreet rekenen op de invoering van een huurregister, en welke tussenstappen neemt u om dit vóór eind 2025 werkelijkheid te laten worden?
Een huurregister is niet op korte termijn gerealiseerd. De ontwikkeling en implementatie van het huurregister is omvangrijk en ingewikkeld. Ook moet er een wettelijke grondslag komen waarin wordt vastgelegd welke gegevens in een register worden geregistreerd, met welke doelen deze gegevens worden geregistreerd, wie welke rol en verantwoordelijkheid heeft bij de registratie en wie toegang heeft tot de geregistreerde gegevens. Ik heb uw Kamer toegezegd dat ik verschillende scenario’s voor een huurregister uitwerk, waarin ik kosten en baten tegen elkaar afweeg, daarbij ga ik ook in op de bijbehorende implementatietermijn. Ik verwacht de scenario’s in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie te kunnen brengen. Daarmee wil ik alle relevante stakeholders een kans geven mee te denken over de nadere inrichting van een huurregister. Het realiseren van een huurregister in 2025 is geenszins een reële verwachting.
Zijn er elementen uit het beoogde basisregister die u al eerder kunt invoeren, zodat woningzoekenden sneller profiteren van meer zekerheid en bescherming
Zoals in het antwoord op vraag 11 uiteengezet, werk ik verschillende scenario’s uit voor het opzetten van een huurregister. Daarbij ga ik ook in op het bijbehorende tijdspad en of een stapsgewijze opzet meerwaarde heeft.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en binnen drie weken beantwoord.
Het bericht dat de koning aanwezig was bij loftuitingen over het Israëlische leger. |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In een Amsterdamse synagoge werd gebeden voor Israël en zijn leger, maar de Koning vertrok geen spier»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat tijdens een koninklijk bezoek een loftuiting werd gedaan voor het Israëlische bezettingsleger, terwijl dit leger verantwoordelijk is voor meerdere oorlogsmisdaden, waaronder het doden van tienduizenden onschuldige burgers in Gaza en genocide?
Wat vindt u ervan dat in aanwezigheid van de Koning werd gesproken over «van Libanon tot Egypte en van de Grote Zee tot de Jordaanvallei», oftewel: het gehele huidige Israël inclusief de Palestijnse gebieden? Deelt u de mening dat dit feitelijk neerkomt op een legitimering van de annexatie van Palestijns gebied?
Acht u het gepast dat de Koning aanwezig is bij een bijeenkomst waar steun wordt uitgesproken aan een staat die volgens verschillende onafhankelijke mensenrechtenorganisaties schuldig is bevonden aan het plegen meerdere oorlogsmisdaden en het plegen van een genocide tegen het Palestijnse volk?
Indien de Koning of zijn delegatie hiervan vooraf op de hoogte waren, waarom is er dan niet gekozen om de bijeenkomst niet bij te wonen of anderszins te voorkomen dat de indruk van het steunen van de Israëlische misdaden zou ontstaan?