Communicatie en inrichting van compensatieregelingen in de pensioentransitie |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) «Informeer deelnemers tijdig en concreet over compensatie»1 (september 2025) en het artikel in Pensioen Pro van 24 september 2025 getiteld «AFM toont zich bezorgd over compensatiecommunicatie»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering dat pensioenfondsen uiterlijk één maand voor invaren aan deelnemers een prognose-transitieoverzicht moeten sturen, met daarin ook informatie over compensatie, terwijl de AFM aangeeft dat pensioenfondsen hun deelnemers eigenlijk al (veel) eerder moeten informeren over de gevolgen van (arbeids-)keuzes op eventuele compensatie?
Pensioenfondsen moeten deelnemers op persoonlijke wijze informeren over de compensatie, ongeacht of zij daarvoor in aanmerking komen. Deze informatie met persoonlijke (pensioen)bedragen staat in het prognose-transitieoverzicht. Dit overzicht moet uiterlijk één maand voor het transitiemoment worden verstrekt. Dit wettelijke voorschrift is in samenspraak met de AFM tot stand gekomen.3
Compensatie is bedoeld voor actieve deelnemers die een toekomstig nadeel ondervinden van de overstap met de pensioenregeling op een andere premiesystematiek. Om deelnemers goed mee te nemen in deze transitie streven pensioenfondsen er naar om al in een vroeg stadium, eerder dan een maand voor de transitiedatum, informatie te verstrekken over compensatie. Maar persoonlijke informatie over de hoogte van de compensatie is dan (vaak) nog niet beschikbaar. Om teleurstellingen te voorkomen, en omdat deelnemers hun keuzes vaak niet binnen een maand kunnen aanpassen, geeft AFM aan dat het verstandig is als fondsen en werkgevers de werknemers er al eerder op wijzen hoe de regeling werkt en wie ervoor in aanmerking komen.
Deelt u de zorg van de AFM dat deelnemers hierdoor het risico lopen om tienduizenden euro’s mis te lopen, bijvoorbeeld de genoemde bedragen tot bijna € 20.000 bij deelnemers van 42–45 jaar?
Met de AFM deelt het kabinet het uitgangspunt dat het belangrijk is dat deelnemers goed meegenomen worden in de transitie van hun pensioenfonds. Om dat te bereiken verstrekt de pensioenuitvoerder duidelijke, correcte en evenwichtige informatie over de gevolgen die de transitie heeft voor betreffende deelnemer; dat is dus van groot belang. Die informatie moet ook tijdig verstrekt worden en ertoe aanzetten dat de deelnemer relevante actie onderneemt, bijvoorbeeld bij de overweging over te stappen op ander werk.4
Wat vindt u ervan dat sommige pensioenfondsen aangeven dat ze deelnemers niet willen wijzen op een bedrag dat ze mislopen omdat zij een bepaalde keuze hebben gemaakt, terwijl de AFM juist stelt dat pensioenfondsen als onderdeel van de keuzebegeleiding wél moeten wijzen op de gevolgen van (arbeids-)keuzes voor compensatie?
Zoals aangegeven bij vraag 3 is het belangrijk dat deelnemers goed meegenomen worden in de transitie van hun pensioenfonds. In haar rapport geeft AFM aan dat pensioenfondsen (in samenwerking met de werkgever) dit kunnen doen bijvoorbeeld door al eerder dan een maand voor de transitie een extra brief te sturen aan de relevante doelgroep of door extra aandacht te besteden aan compensatie op de website, in webinars of in nieuwsbrieven. Het is dus niet zo dat het prognose-transitieoverzicht uiterlijk een maand voor de transitiedatum de enige informatie over de transitie is die deelnemers ontvangen. Ook het reguliere jaarlijkse voorgeschreven Uniform Pensioenoverzicht (UPO) bevat de waarschuwing dat een eventuele uitdiensttreding gevolgen kan hebben (voor compensatie en daarmee) voor hun pensioenopbouw. Omdat exacte transitie-effecten nog niet bekend zijn, worden in het UPO geen concrete bedragen genoemd. Deelnemers worden in het UPO ook doorverwezen naar het deel van de website dat gaat over compensatie.
Mijn beeld is dat pensioenuitvoerders zich op een adequate wijze inspannen om hun deelnemers goed mee te nemen in de pensioentransitie. Tegelijk is duidelijk dat hier een rol en verantwoordelijkheid ligt bij pensioenfondsen en werkgevers om werknemers goed te informeren over arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. Dat is niet nieuw, maar het is belangrijk om aan te geven dat hier een rol is. Ook de werknemer heeft een rol zichzelf goed te informeren.
Hoe beoordeelt u de verschillen tussen pensioenfondsen in de vormgeving van compensatie (zoals leeftijdsgrenzen, berekeningswijze, behandeling van vrijwillige voortzetting na uitdiensttreding of onbetaald (zorg)verlof) danwel de verschillen die volgens de AFM kunnen ontstaan door verschillen in de datum waarop de status van de deelnemer wordt vastgesteld (bijvoorbeeld 31 december of 1 januari) en acht u dit een risico voor gelijke behandeling van deelnemers?
Het staat de bij de pensioenregeling betrokken werkgevers en OR (of de sociale partners) vrij een passende compensatieregeling af te spreken, of om dat niet te doen, zolang de evenwichtigheid gewaarborgd kan worden over het geheel aan afspraken over de nieuwe pensioenregeling en de transitie.5 Omdat er verschillen zijn tussen pensioenfondsen in de vormgeving van compensatieregelingen, is het verstandig dat werknemers met vragen contact opnemen met de werkgever of met het pensioenfonds als er iets gaat veranderen, privé of met werk. Onder het kopje «Compensatie voor andere opbouw van uw pensioen» staat dit ook aangegeven op www.pensioenduidelijkheid.nl.
Bent u bereid minimale wettelijke eisen of richtlijnen vast te leggen voor communicatie over compensatieregelingen, waaronder een passende minimale termijn voor die communicatie?
In het licht van bovenstaande is er geen concrete aanleiding om de voorschriften aan te passen die zien op de informatieverstrekking over (de werking van) compensatieregelingen.
Kunt u toezeggen dat u deze vragen éen voor één en binnen drie weken zult beantwoorden?
De beantwoording is zo snel als mogelijk opgesteld en naar uw Kamer verzonden.
De beschietingen van humanitaire reddingsschepen door de Libische kustwacht en de Nederlandse/Europese verantwoordelijkheid. |
|
Marieke Koekkoek (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat de Libische kustwacht op 24 augustus 2025 in internationale wateren gedurende circa 15–20 minuten met scherp heeft geschoten op het reddingsschip Ocean Viking van SOS Méditerranée, terwijl er tientallen geredde mensen en bemanning aan boord waren, met aanzienlijke schade maar zonder fysieke gewonden?1 Zo ja, hoe duidt u dit incident?
Ik heb kennisgenomen van dit incident. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie hierover. Het kabinet veroordeelt geweld tegen hulpverleners altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken, de daders straffen en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Klopt het dat kort daarna opnieuw een humanitair reddingsschip, de Sea-Watch 5, onder vuur is genomen door een Libische patrouilleboot vlak na een redding, terwijl er tientallen mensen waren gered? Wat is uw reactie hierop?
Ook dit incident is bekend bij het kabinet. Zie verder antwoord bij vraag 1.
Wat doet Nederland concreet om het internationaal humanitair recht te beschermen in Europa en langs de Europese buitengrenzen, inclusief – maar niet beperkt tot – de Middellandse Zee, waar dit soort incidenten zich voordoen?
Nederland zet zich actief in voor de bescherming van het internationaal recht en de mensenrechten langs de Europese buitengrenzen, waaronder de Middellandse Zee. Dit wordt door het Kabinet ook bij samenwerking met de landen rondom de buitengrenzen onder de aandacht gebracht.
Het kabinet hecht tevens waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en aan de CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners. In dit advies worden de AIV en de CAVV gevraagd welke diplomatieke, juridische, financiële en eventueel andere instrumenten Nederland kan inzetten om de straffeloosheid voor geweldpleging tegen hulpverleners te bestrijden.2
Kunt u bevestigen of er bij deze incidenten Nederlandse burgers aan boord waren (als bemanningslid, vrijwilliger of waarnemer)? Wat heeft de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan om hun veiligheid te beschermen, en welk plan ligt er klaar om bescherming te bieden bij eventuele toekomstige situaties of om te voorkomen dat deze zich voordoen?
Het kabinet heeft geen bericht ontvangen dat Nederlandse staatsburgers aan boord van deze schepen waren tijdens deze incidenten.
Bij consulaire hulpverzoeken van Nederlanders in het buitenland bekijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar gelang de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
Hoe beoordeelt u dit soort aanvallen juridisch in het licht van het internationaal zeerecht en de plicht tot redding op zee, mede gezien dat de Ocean Viking in internationale wateren opereerde? Welke (strafrechtelijke of diplomatieke) stappen acht u passend richting betrokken autoriteiten?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over het incident. In algemene zin onderschrijft het kabinet dat het tegengaan van verlies van levens op zee en de internationaalrechtelijke plicht om mensenlevens op zee te redden te allen tijde de uitgangspunten blijven.
Dit incident is daarom zorgelijk. Om die reden, en zoals genoemd in antwoord op vraag 1, heeft de Nederlandse ambassade in Tripoli de autoriteiten opgeroepen tot een gedegen onderzoek, bestraffing van de daders en het nemen van gepaste maatregelen.
Hoe kijkt Nederland naar de financiering voor de Europese Unie (EU) en internationale erkenning van de Libische kustwacht, terwijl die herhaaldelijk heeft gefaald om conform de internationale standaard voor zeeredding te handelen, met verlies van mensenlevens en nu ook een directe aanval op hulpverleners tot gevolg?
De steun van de Europese Commissie is gericht op het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit en capaciteit op het gebied van grensbeheer van de Libische kustwacht. Deze EU-inzet in Libië heeft tot doel verlies van levens op zee te voorkomen, irreguliere migratie naar de EU te verminderen en mensensmokkel- en handel aan te pakken. De steun is daarnaast onderdeel van de bredere Europese inzet in Libië en op de Centraal Mediterrane Route om migratie in goede banen te leiden. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Libië heeft een eigen kustwacht en is verantwoordelijk voor het uitvoeren en coördineren van reddingsoperaties in de eigen Search and Rescue (SAR) zones. Naast dat niet met zekerheid is vastgesteld dat de Libische kustwacht de beschietingen heeft gedaan, is het voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij NGO-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese steun. SAR-operaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de Libische autoriteiten, die autonoom handelen. Dit gaat echter gepaard met risico’s. Dit soort incidenten laat dan ook opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen. Nederland pleit hier consequent voor. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden. Het kabinet blijft er ook op aandringen dat de EU-samenwerking met de Libische kustwacht periodiek wordt geëvalueerd.
Welke informatie heeft Nederland ontvangen via EU-kanalen (Europese Commissie/Frontex) over de toedracht van de beschietingen, en hoe beoordeelt u de reactie van de Europese Commissie dat zij eerst de reactie van de Libische autoriteiten afwacht? Acht u die houding voldoende, gelet op de ernst?
Nederland staat in voortdurend contact met de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden in zowel Tripoli als in Brussel. De incidenten zijn besproken. De woordvoerder van de Commissie veroordeelde het incident eerder en gaf aan dat er contact is opgenomen met de Libische autoriteiten om een onderzoek uit te voeren. Tevens zijn er door het Europees parlement vragen gesteld aan de Raad van de Europese Unie over het voorval.
Welke inzet pleit Nederland in de Raad (JBZ/RBZ) voor een onafhankelijk en transparant onderzoek naar beide incidenten (Ocean Viking en Sea-Watch 5), inclusief de keten van verantwoordelijkheid aan Libische en Europese zijde, en voor mogelijke consequenties, zoals herziening van steun, sancties of restricties op overdracht van materieel?
Nederland heeft zowel zelfstandig als in EU-verband het belang van een gedegen onderzoek benadrukt in gesprekken met de Libische autoriteiten.
Bent u bereid om – in afwachting van structurele EU-maatregelen – nationaal te bevorderen dat Nederlandse publieke middelen niet bijdragen aan steun die kan leiden tot schendingen van mensenrechten en het zeerecht door actoren in Libië en dit ook actief uit te dragen richting partnerlanden?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en in EU-verband opgeroepen. Tegelijkertijd zal er naar het oordeel van het kabinet niets verbeteren als de EU zich terugtrekt uit de samenwerking met Libië. De inzet van de EU en lidstaten is er (mede) op gericht de activiteiten van de kustwacht op het gebied van mensenrechten te verbeteren. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Het is vanDeze incidenten onderstrepen belang om voortdurend te blijven monitoren. Daarnaast is het noodzakelijk om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Hoe beoordeelt u de operationele gevolgen van deze aanvallen voor de reddingscapaciteit in het centrale Middellandse Zeegebied (zoals schepen die tijdelijk in haven blijven of missies afgelasten)? Welke maatregelen kan Nederland (bilateraal of via EU/International Maritime Organization) ondersteunen om te waarborgen dat levensreddende operaties veilig kunnen doorgaan?
Zie ook antwoord op vraag 5.
De operationele gevolgen van deze aanvallen zijn op dit moment nog niet bekend. Nederland zal het SAR systeem evenals de conventies die betrekking hebben op SAR en SOLAS bij de relevante landen en instanties onder de aandacht blijven brengen.
Is Nederland bereid in EU-kader te pleiten voor duidelijke rode lijnen (bijvoorbeeld het verbod op het gebruik van vuurwapens tegen civiele reddingsschepen) met concrete consequenties voor samenwerking met de Libische kustwacht wanneer die lijnen worden overschreden?
Het kabinet wil irreguliere migratie naar Nederland en Europa terugdringen. Het kabinet pleit daarom ook binnen de EU voor een stevige aanpak. De bescherming van migranten op migratieroutes loopt in dat kader als een rode draad door de inzet om uitbuiting, misbruik en mishandeling van migranten te voorkomen. Het gebruik van geweld tegen civiele reddingsschepen is onaanvaardbaar. Het kabinet zal hier ook in de toekomst aandacht voor vragen, in EU-verband en bilateraal richting de Libische autoriteiten.
Welke stappen zet Nederland, samen met partnerstaten, om de criminalisering en bestuurlijke detentie van NGO-reddingsschepen door nationale autoriteiten (zoals Italië) tegen te gaan en de vrijheid van humanitaire hulp op zee te beschermen conform internationaal recht?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert, de daders bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Het kabinet waardeert de inzet van NGO’s om mensen in nood op zee te redden. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat de activiteiten van private schepen, die in SAR-zones drenkelingen aan boord nemen, criminele activiteiten van mensensmokkelaars die mensenlevens op het spel zetten juist in stand houden. Dit is een delicate balans waarbij er volgens het kabinet oog moet zijn voor beide aspecten.
Bent u bereid de Kamer te rapporteren over: (a) eventuele Nederlandse betrokkenheid (burgers/organisaties) bij de getroffen schepen; (b) uw diplomatieke contacten met de Europese Commissie, Italië en de Libische autoriteiten; (c) de stand van juridische stappen (bijvoorbeeld onderzoeken door Italiaanse autoriteiten); en (d) uw inzet voor structurele veiligheidsprotocollen voor civiele reddingsschepen in internationale wateren?
Daar waar beschikbaar en mogelijk, zal ik op verzoek van de Kamer nadere informatie over deze incidenten verstrekken.
De handhaving van opgevoerde fatbikes |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat er vanuit de politie wordt gesignaleerd dat in de overgrote meerderheid van de gevallen geen boete kan worden opgelegd aan opgevoerde fatbikes, omdat bestuurders bij controle de instellingen terugzetten naar een legale stand?
De politie geeft aan dat zij bij controles regelmatig signaleren dat bestuurders de instellingen van hun fatbike terugzetten naar de legale stand, waardoor er volgens hen geen indicatie is dat de trapondersteuning ook bij hogere snelheden dan 25 km/u actief is geweest en niet kan worden gehandhaafd.
Onder de bestaande regelgeving geldt echter dat een fiets met de mogelijkheid om trapondersteuning boven 25 km/u te geven, niet mag worden gebruikt op de openbare weg zonder dat het voertuig is goedgekeurd. Voor dit voertuig geldt bovendien een minimumleeftijd van 16 jaar, een kentekenplicht, een verzekeringsplicht, helmplicht en de verplichting om in het bezit te zijn van een rijbewijs.
Naar aanleiding van de technische briefing in de Tweede Kamer op 5 februari 2025 en de toezegging aan het lid Veltman (VVD) in het hierop volgende Commissiedebat Verkeersveiligheid1 is tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Openbaar Ministerie en de politie afgesproken dat deze uitleg van de regelgeving getoetst wordt door deze aan de rechter voor te leggen, voordat wordt overgegaan tot het wijzigen van het handhavingsbeleid. Dit moet duidelijkheid verschaffen over de vraag of een elektrische fiets al in overtreding is wanneer deze de optie heeft om trapondersteuning boven snelheden van 25 km/u te gebruiken, ongeacht of deze voorziening feitelijk is gebruikt. Hierbij is de enkele aanwezigheid van deze functionaliteit al verboden, en zou de politie hierop mogen handhaven zonder dat er een snelheidsovertreding is waargenomen.
Aan de rechter is daarom de situatie voorgelegd waarin de politie geen indicatie had dat de fatbike sneller dan 25 km/u reed, en waarbij ook bij een rollenbanktest bleek dat de trapondersteuning correct werd beëindigd onder die snelheid. Toch werd bij nadere inspectie vastgesteld dat de instellingen van het voertuig eenvoudig konden worden aangepast in bijvoorbeeld het display, zodat trapondersteuning wél boven 25 km/u mogelijk was. In de eerste vijf zaken heeft de rechter geoordeeld dat een fatbike die deze mogelijkheid kent, niet mag worden gebruikt op de openbare weg zonder dat het voertuig is goedgekeurd. Daarmee bevestigen de uitspraken, in eerste aanleg, dat de politie ook kan handhaven op de enkele aanwezigheid van de mogelijkheid om harder te rijden, ongeacht of dit feitelijk is gebeurd.
Als u stelt dat de huidige wetgeving al voldoende mogelijkheden biedt om te handhaven, waarom kiest u dan voor beperkte handhavingsacties en proefprocessen in plaats van brede toepassing in de dagelijkse praktijk?
Omdat er verschil van inzicht was over de uitleg van betreffende regelgeving en daaruit voortvloeiende handhavingsmogelijkheden, is ervoor gekozen om eerst een aantal zaken aan de rechter voor te leggen. Door toetsing bij de rechter kan een eenduidige uitleg van de wet worden vastgesteld en gecommuniceerd. Om dat te bereiken zijn enkele gerichte handhavingsacties op kleine schaal uitgevoerd en zijn de verdachten in de zaken die daaruit voortkwamen gedagvaard om voor de rechter te verschijnen. Dit had tot doel om juridische zekerheid te verkrijgen over de uitleg en toepassing van de wet en uniformiteit in de uitvoering te waarborgen, zodat handhaving straks effectiever en duurzaam kan worden ingezet zonder risico voor de strafrechtketen. De uitspraken bieden perspectief om de huidige handhavingspraktijk effectiever te maken en in de toekomst breder toe te kunnen passen.
Erkent u dat er een groot verschil bestaat tussen wat volgens uw ministerie juridisch mogelijk is en wat in de praktijk door agenten op straat wordt uitgevoerd, mede vanwege de vrees dat boetes en inbeslagnames door de rechter massaal zullen worden teruggedraaid?
Dat was inderdaad het geval, maar door de betreffende zaken aan de rechter voor te leggen, zoals beschreven in vraag 1, komt nu de duidelijkheid die de uitleg van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderschrijft en in voorkomende gevallen wel degelijk gehandhaafd kan worden. Let wel, het zijn uitspraken in eerste aanleg waartegen hoger beroep open staat. Dit biedt perspectief om de huidige handhavingspraktijk effectiever te maken en hierover te communiceren naar gebruikers van elektrische fietsen.
Hoe beoordeelt u de signalen uit de politiepraktijk dat dit leidt tot grote frustratie bij agenten, omdat zij weten dat zij overlastgevers moeten laten doorrijden terwijl er feitelijk sprake is van opgevoerde en gevaarlijke voertuigen?
De frustratie bij agenten is begrijpelijk. Daarom werken de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid samen met de politie en het Openbaar Ministerie om de nieuwe handhavingspraktijk in de praktijk toe te passen. Door de uitspraken die er nu zijn gedaan is meer duidelijkheid verschaft over de toepassing van de wet. Dit zal worden gebruikt om een verdere aanpak te bepalen.
Acht u het wenselijk dat door deze kloof tussen theorie en praktijk veel overlastgevers feitelijk de dans ontspringen en de politie wordt gedwongen te werken met kleine acties en proefprocedures, die geen structurele oplossing bieden?
De verwachting is dat na de proefprocedures de politie effectiever kan handhaven en daarmee de handhaving structureel kan versterken op basis van de uitspraken door de rechterlijke macht. Door een dergelijke wijziging in het handhavingsbeleid eerst door een rechter te laten toetsen, wordt voorkomen dat grootschalige acties leiden tot teruggedraaide sancties. Daarmee wordt op termijn een structurele aanpak mogelijk waarvoor bij alle partijen draagvlak is.
Hoe voorkomt u dat door deze aanpak de strafrechtketen juist extra wordt belast met teruggedraaide boetes en inbeslagnames, waardoor de capaciteit verder vastloopt?
Juist door vooraf zaken voor te leggen aan de rechter, wordt voorkomen dat de strafrechtketen onnodig wordt belast met teruggedraaide beslissingen. Daarnaast wordt ingezet op goede afstemming tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, politie, OM en rechtspraak over wat er in de praktijk wordt gesignaleerd en hoe daar binnen de kaders van de wet op kan worden gehandhaafd.
Kunt u ingaan op de signalen van de politie dat zij, wanneer de Wegenverkeerswet 1994 zou worden aangepast met een heldere definitie van de fiets met trapondersteuning, hun handhaving aanzienlijk zouden kunnen opschalen, tot honderden fatbikes per week?
Een wijziging van de definitie in de Wegenverkeerswet heeft geen invloed op de handhavingsmogelijkheden, en gaat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat niet voorstellen. Zie voor een verdere toelichting hierop het antwoord bij vraag 11.
De rechtspraak, in eerste aanleg, bevestigt dat handhaving mogelijk is bij fietsen met trapondersteuning die technisch in staat zijn om boven de 25 km/u te ondersteunen, ook wanneer deze optie ten tijde van de controle is uitgeschakeld. Dit biedt perspectief om de handhavingsmogelijkheden op straat verder uit te breiden, rekening houdend met de beschikbare capaciteit bij de politie en de druk die een toename van het aantal zaken legt op het Openbaar Ministerie en de rechtspraak.
Wat zegt het volgens u over de effectiviteit van het huidige beleid dat er in 2024 weliswaar 4.845 boetes en staandehoudingen zijn geweest, maar dat dit volgens de politie slechts een fractie is van het werkelijke aantal overtredingen?
Het feit dat er in 2024 4.845 boetes zijn opgelegd, laat zien dat er actief wordt opgetreden tegen het gebruik van illegaal opgevoerde voertuigen, waaronder fatbikes. Ten opzichte van het jaar ervoor neemt het aantal boetes ook fors toe: van 643 opgelegde boetes in 2023 naar 4.845 in 2024.
Tegelijkertijd vormt handhaving het sluitstuk van verkeersveiligheidsbeleid. Communicatie en markttoezicht zijn eveneens van belang om het gebruik van illegaal opgevoerde fatbikes terug te dringen en zo de verkeersveiligheid structureel te verbeteren, hierop wordt actief ingezet. Zo is de campagne «t Kan hard gaan» in september 2024 voor het eerst gelanceerd en afgelopen zomer is deze herhaald. Met de campagne worden jongeren en hun ouders/verzorgers gewezen op de risico’s van het gebruiken van opgevoerde elektrische fietsen.
Hoe legt u aan burgers die dagelijks de overlast en verkeersonveiligheid van opgevoerde fatbikes ervaren uit dat de politie door tekortschietende wetgeving vaak niet kan optreden, ook al is duidelijk dat voertuigen illegaal zijn opgevoerd?
Het is begrijpelijk en te betreuren dat burgers hinder en gevoelens van onveiligheid ervaren door bestuurders die met een te hoge snelheid op hun fatbike rondrijden. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat en ik benadrukken dat de huidige wetgeving al voldoende mogelijkheden biedt voor handhaving. Er is dus geen sprake van tekortschietende wetgeving, maar van de noodzaak om de toepassing ervan in de praktijk te bevestigen.
Het is van belang te benadrukken dat de politie als onderdeel van haar politietaak al stevig handhaaft op alle opgevoerde elektrische fietsen. De politie handhaaft nu bijvoorbeeld aan de hand van een visuele constatering dat er in het geheel niet wordt getrapt/gefietst tijdens het rijden met het voertuig, of door een rij- of rollenbanktest vast te stellen dat de fiets harder gaat dan 25 km/u of door middel van een gashendel harder gereden kan worden dan 6 km/uur.
De rechtspraak, in eerste aanleg, bevestigt dat handhaving mogelijk is bij fietsen met trapondersteuning die technisch in staat zijn om boven de 25 km/u te ondersteunen, ook wanneer deze optie ten tijde van de controle is uitgeschakeld. Dit biedt perspectief om de hiervoor beschreven handhavingsmogelijkheden op straat verder uit te breiden binnen de beschikbare capaciteit en met oog voor de druk op de strafrechtketen.
Erkent u dat het voor deze burgers volstrekt onbevredigend is dat opgevoerde fatbikes massaal en ongestoord blijven rondrijden, terwijl de politie dit probleem dagelijks constateert?
Ja. Zoals hierboven toegelicht, heeft het OM daarom zaken ter toetsing aan de rechter voorgelegd. Zie ook de eerdere antwoorden hierover.
Daarnaast wordt gewerkt aan een integrale aanpak van opgevoerde fatbikes, waarbij handhaving door politie, markttoezicht door ILT, NVWA en Douane wordt gecombineerd met voorlichting aan burgers over de regels en risico’s van het gebruik van opgevoerde elektrische fietsen. Door deze gecombineerde aanpak wordt beoogd zowel de naleving te vergroten als de verkeersveiligheid structureel te verbeteren, zodat burgers in de toekomst minder overlast ervaren van opgevoerde fatbikes.
Bent u alsnog bereid om met spoed een wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in te dienen, zodat de politie niet langer in een spagaat zit tussen wat juridisch «zou moeten kunnen» en wat in de praktijk feitelijk niet uitvoerbaar is? Zo ja, kunt u daarbij een tijdpad geven hoe dit gerealiseerd kan worden? En zo nee, waarom dan niet de handhaving direct verbreden van «beperkte handhaving» en «proefprocessen» naar structurele toepassing door de politie, zodat overlastgevers gewoon kunnen worden beboet?
Nee. Een wijziging van de definitie van het begrip «fiets met trapondersteuning» in de Wegenverkeerswet 1994, zoals de politie in de technische briefing van 5 februari 2025 heeft voorgesteld en waarnaar de vragensteller ook in het commissiedebat van 4 september 2025 heeft geïnformeerd, heeft geen gevolgen voor de handhavingsmogelijkheden. Het wijzigen van een begrip heeft alleen effect wanneer dat begrip wordt gebruikt in de relevante artikelen. Het begrip «fiets met trapondersteuning» komt niet voor in de artikelen die relevant zijn bij handhaving.
De politie handhaaft op basis van artikel 32 Wegenverkeerswet 1994. Dat artikel regelt dat goedkeuringsplichtige voertuigen alleen op de weg mogen worden gebruikt wanneer deze zijn goedgekeurd. Artikel 3.10.1 van de Regeling voertuigen regelt welke voertuigen zijn uitgezonderd van de goedkeuringsplicht. In dat artikel is onder meer bepaald dat voor voertuigen bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h van EU-verordening 168/2013 geen goedkeuring nodig is. Dat verordeningsartikel ziet op fietsen waarvan de trapondersteuning ondersteunt tot maximaal 25 km/u en waarvan de ondersteuning een vermogen heeft van ten hoogste 250 W. Het begrip «fiets met trapondersteuning» komt niet voor in de Wegenverkeerswet 1994 en de regels die daarop zijn gebaseerd, daarom heeft het wijzigen van de begripsbepaling voor dat begrip geen invloed op de handhavingsmogelijkheden.
De eerste uitspraken van de rechtspraak, die ik hiervoor heb beschreven, maken ook duidelijk dat politie op basis van de bestaande wetgeving effectief kan handhaven en dat aanpassing hiervan niet nodig is. Mocht in andere zaken of een later hoger beroep een ander oordeel volgen, dan zal ik samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overleg treden om, op basis van de uitspraken, te bezien welke oplossingen denkbaar zijn.
TikTok-algoritmes en extremisme |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «TikTok bezorgt extreemrechtse livestreamers extra publiek om winst te vergroten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel?
Het artikel schetst een zorgwekkende situatie. In de antwoorden op vraag 3 en 4 ga ik hier verder op in.
Vindt u het acceptabel dat TikTok, volgens berichtgeving in de NRC, met haar aanbevelingsalgoritmes rechts-extremistische content bevoordeelt?
Extremistische en haatdragende content hoort niet thuis op online platforms zoals TikTok en druist in tegen de gebruikersvoorwaarden die TikTok zelf hanteert. Platforms hebben een verantwoordelijkheid voor de content die zij hosten en helpen verspreiden. Zo verplicht artikel 34 van de digitale dienstenverordening (hierna ook: «DSA») zeer grote online platforms (Very large online platforms, hierna: «VLOPs») zoals TikTok tot het identificeren, analyseren en beoordelen van systemische risico's die voortvloeien uit het ontwerp, de werking en het gebruik van hun diensten. Extremistische en haatdragende content kan leiden tot zulke risico’s, bijvoorbeeld wanneer het negatieve gevolgen heeft voor verkiezingsprocessen of de openbare veiligheid. Als er zulke risico’s bestaan, dan moeten zeer grote online platforms daar adequate maatregelen tegen nemen, zoals bijvoorbeeld de aanpassing van aanbevelingsalgoritmes (artikel 35, eerste lid DSA). De Europese Commissie is de aangewezen toezichthouder hiervoor. Daarnaast wordt de eigen verantwoordelijkheid van online platforms tijdens de nationale dialoog met de internetsector ook benadrukt.
Vindt u dat elk groot online platform, waaronder TikTok, moet beschikken over een stevig nationaal moderatieteam die vanuit de eigen context content kan beoordelen? Is dit nu op orde?
Onderzoek bevestigt het bestaan van «moderatieongelijkheid».2 Dit houdt in dat het beleid van een platform verschillend wordt toegepast per taal. Platforms gaan hierbij voornamelijk uit van het Engels, waarbij de ongelijkheid in de toepassing van dit beleid het grootst is bij talen uit het globale zuiden.
Het is essentieel dat grote online platforms, waaronder TikTok, beschikken over een stevige en goed toegeruste nationale contentmoderatie die in staat is om content te beoordelen binnen de eigen nationale context, taal en culturele gevoeligheden. Effectieve moderatie draagt bij aan het voorkomen van schadelijke of illegale inhoud en aan de bescherming van gebruikers. Voor effectieve moderatie zijn echter meer middelen nodig dan voor de huidige mogelijkheid van menselijke moderatie door platforms. AI en «community notes» kunnen daar een nuttige bijdrage aan leveren. Beide kunnen ook in meer of mindere mate beschikken over kennis over taal, cultuur en maatschappelijke context. Effectieve moderatie vraagt voor zover nu bekend om een combinatie van menselijke (nationale) moderatie, community notes, en/of geautomatiseerde middelen. TikTok doet dat en maakt gebruik van een combinatie van automatische moderatiesystemen en menselijke moderatoren. In het recente DSA-transparantierapport van TikTok geven zij aan 100 Nederlandse personen in dienst te hebben die zich wijden aan contentmoderatie.
De DSA verplicht platforms om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht, de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast, en over de maatregelen die zijn genomen om opleiding en bijstand te verstrekken aan personen die de moderatie verrichten. VLOPs en zeer grote online zoekmachines (Very large online search engines, hierna: «VLOSEs») moeten daarnaast rapporteren over de personele middelen die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, uitgesplitst per officiële taal van de EU-lidstaten, en over de kwalificaties en taaldeskundigheid van deze moderatoren. Hiermee wordt transparant of, en zo ja welke, platforms menselijke contentmoderatie verminderen en welke middelen zij inzetten om te modereren. Op dit moment maakt niet elke VLOP gebruik van menselijke moderatie. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platforms hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de nationale dialoog met de internetsector hiervoor aandacht te vragen.
Welke risico’s ziet u voor de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025 op het gebied van politieke beïnvloeding via ongereguleerde donaties aan online contentmakers?
Het kabinet zet breed in om politieke beïnvloeding te voorkomen. Maatregelen betreffen onder andere het organiseren van verkiezingstafels met relevante (veiligheids)partners, het organiseren van een online veiligheidsbriefing voor gemeenteambtenaren, het bevorderen van het (online) publieke debat en het versterken van de weerbaarheid van politieke partijen. Ook gaat het kabinet desinformatie rond het verkiezingsproces tegen met de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie. We zijn ons bewust van het risico dat buitenlandse actoren geld en tijd investeren om onze democratische processen te beïnvloeden, bijvoorbeeld aan de hand van heimelijke desinformatiecampagnes.
Ondanks richtlijnen rondom de transparantie van politieke advertenties kan helaas niet worden uitgesloten dat deze beïnvloedingscampagnes plaatsvinden. Het is daarom van groot belang dat deze worden blootgelegd. De veiligheidsdiensten doen vanuit hun wettelijke taak onderzoek naar heimelijke inmenging door buitenlandse actoren. Indien inmenging wordt geconstateerd, kunnen zij dit melden aan relevante partners, via de geëigende kanalen, zodat deze op basis van de melding hiernaar kunnen handelen.
Anderzijds is het van belang dat kiezers zelf weerbaar zijn zodat zij zich niet door een enkele influencer laten beïnvloeden. Een goed geïnformeerde burger is niet alleen veerkrachtiger, maar ook beter in staat om kritisch en verantwoord te handelen. Daarom zet het kabinet via de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie ook in op de versterking van mediawijsheid en de weerbaarheid van burgers.3
Vindt u dat donaties aan online contentmakers, die een politieke boodschap uitdragen, beter gereguleerd moeten worden? Ziet u mogelijkheden om dit in de Wet op de politieke partijen (Wpp) op te nemen?
Er zijn verschillende wetten en regels die zich richten op de monetisatie van online content. Denk hierbij aan de Mediawet en reclameregels. Ook hebben platforms vaak in hun eigen beleid restricties voor de monetisatie4 van content opgenomen.5 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Economische Zaken achten het daarom wenselijk om voor nu terughoudend te zijn met het nemen van additionele maatregelen en vooral te bezien wat er mogelijk is binnen de huidige wet- en regelgeving. De Wet op de politieke partijen is in ieder geval niet de juiste plek om nadere regels te stellen. Deze wet omvat als normadressant enkel politieke partijen, niet online contentmakers die een politieke boodschap uitdragen.
Heeft u geanalyseerd welke risico’s er bestaan op online politieke beïnvloeding voor de aanstaande Kamerverkiezingen? Zo ja, kunt u toelichten welke risico’s er zijn geconstateerd en welke maatregelen u neemt om deze te mitigeren?
Het fundamentele karakter van verkiezingen zorgt ervoor dat verkiezingen doelwit kunnen zijn van (statelijke) actoren die democratische processen in Europa en Nederland willen beïnvloeden of verstoren. Hier zijn meerdere voorbeelden van, zoals de inmengingspogingen in Roemenië, Moldavië, Polen en Duitsland. Daarom neemt het kabinet maatregelen om deze risico’s tegen te gaan.
Er worden verschillende maatregelen getroffen om heimelijke beïnvloeding van verkiezingen tegen te gaan. Hierover is uw Kamer op 4 juli jl. per brief geïnformeerd.6 De getroffen maatregelen zijn besproken met relevante partners, waaronder de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, op de verkiezingstafel. Deze tafel komt periodiek bijeen en incidenteel in geval van concrete dreigingen. Ook heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een webinar georganiseerd voor gemeenteambtenaren om hen voor te bereiden op veiligheidsrisico’s rondom de verkiezing. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft een rondetafelgesprek georganiseerd over de verantwoordelijkheden van online platforms onder de DSA tijdens verkiezingen. Daarnaast hebben het Ministerie van Defensie en de Nationale Politie een hackathon georganiseerd waarbij op basis van open source intelligence signalen van dreigingen voor de weerbaarheid van de aankomende verkiezingsperiode worden onderzocht. Verder wordt actief samengewerkt in EU-verband. Bijvoorbeeld via het European Cooperation Network on Elections and the Rapid Alert System (RAS) waar inzichten met betrekking tot desinformatie en weerbare verkiezingen worden gedeeld tussen lidstaten. Tot slot werken we aan een offensieve aanpak tegen desinformatie en de verkenning naar de mogelijkheden voor desinformatie detectie. In recente jaarverslagen waarschuwt de AIVD voor heimelijke desinformatiecampagnes die het publieke debat in Europese landen beïnvloeden.7 Het ontbreekt momenteel aan integraal zicht op de verspreiding van desinformatie- en beïnvloedingscampagnes door statelijke actoren in het Nederlandse informatiedomein. Om onze informatiepositie te verstevigen onderzoeken we de mogelijkheid om buitenlandse beïnvloedingscampagnes, gericht op onze democratische rechtsstaat, te detecteren. Daarvoor kijken we naar buitenlandse voorbeelden zoals Zweden en Frankrijk.
Overigens zijn ons kiesstelsel en verkiezingsproces robuust. Door ons pluralistische stelsel van evenredige vertegenwoordiging zijn we minder kwetsbaar dan landen met een meerderheidsstelsel zoals het «winner takes all»-stelsel waarbij slechts één partij of kandidaat het voor het zeggen krijgt. Ook is het verkiezingsproces minder kwetsbaar voor digitale dreigingen doordat de kiezer met een papieren stembiljet stemt, dat handmatig wordt geteld.
Hoe beoordeelt u de radicaliserende werking van online aanbevelingsalgoritmes gebaseerd op online tracking en interactie? Ziet u een verband tussen de werking van deze algoritmes en de toenemende groei van online extremisme die zowel de AIVD2 als NCTV3 constateren?
Radicalisering is een complex proces waarbij verschillende factoren een rol spelen. Aanbevelingsalgoritmes hebben hierin een indirecte, maar wel een versterkende rol. Het onderzoek in het genoemde artikel toont aan dat algoritmes content met veel aandacht vaker aanbevelen. Ook blijkt emotionele en polariserende content aandacht te genereren.10 Hierdoor wordt een verband gesuggereerd tussen aanbevelingsalgoritmes en de verspreiding van extreme content. Het WODC-onderzoek naar rechts-extremisme op sociale media bevestigt dat aanbevelingsalgoritmes radicalisering kunnen versterken wanneer gebruikers zelf al actief zoeken naar extremistische of polariserende content.11 Deze algoritmes zorgen voor steeds extremere aanbevelingen op basis van het eerdere gedrag van de gebruiker. Tegelijkertijd zijn ook de persoonlijke keuzes van gebruikers en offline factoren minstens zo belangrijk in het radicaliseringsproces. Denk hierbij aan het delen van links naar extremistische content binnen de eigen sociale omgeving, het abonneren op of volgen van bepaalde kanalen met extreme content op sociale mediaplatforms, en het ontmoeten van gelijkgestemden binnen echokamers. Algoritmes zijn dus geen directe oorzaak van radicalisering, maar kunnen wel bijdragen aan een versnelde toegang tot extremistische content. Dit kan het proces van radicalisering versnellen of versterken, vooral bij kwetsbare gebruikers. Daarnaast houdt een onderdeel van het verdienmodel van online platforms, waaronder de reclamesystemen en aanbevelingssystemen die door aanbieders van VLOPs worden gebruikt, de verspreiding van schadelijke en extremistische content in stand.
De NCTV en AIVD besteden in de opeenvolgende Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland (DTN) en in het jaarverslag van de AIVD van 2024 aandacht aan de snelle online radicalisering en mogelijke geweldsdreiging van met name jongeren in onder andere rechts-terroristische online netwerken. De Minister van Justitie en Veiligheid vraagt daarom in de dialoog met de internetsector expliciet aandacht voor de rol van aanbevelingsalgoritmes bij de verspreiding van extreme online content.
Ziet u een verband tussen de rellen in Den Haag van 20 september 2025, waar rechts-extremistisch geweld is gepleegd, en de radicaliserende gevolgen van aanbevelingsalgoritmen op sociale media?
De NCTV en AIVD waarschuwen al langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme (en rechts-terrorisme) en dat normalisering van rechts-extremistisch gedachtengoed kan leiden tot rechts-extremistisch gemotiveerd geweld. Zo werd in opeenvolgende Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland (DTN) en ook in het jaarverslag van de AIVD van 2024 aandacht besteed aan de normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed en de verspreiding hiervan online. De snelle online radicalisering en mogelijke geweldsdreiging van met name jongeren in onder andere rechts-terroristische online netwerken is hier onderdeel van. Normalisering van het rechts-extremistisch gedachtegoed kan leiden tot een toenemende intolerantie jegens instituten en andere groepen in de samenleving, waardoor geweld tegen deze groepen sneller wordt geaccepteerd. Om het gedachtegoed te normaliseren spelen rechts-extremisten in op bestaande maatschappelijke onvrede. De gebeurtenissen en zichtbare uitingen van zaterdag 20 september jl. zijn mogelijk een teken van normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed in de samenleving. Daarbij is het een zorgelijke ontwikkeling dat (al dan niet extremistische) groepen met verschillende achtergronden zich vanuit een gedeelde onvrede kunnen verenigen en elkaar kunnen versterken in hun (extremistische) denkbeelden en in het uiterste geval geweldsbereidheid tonen. Voor de duiding van de NCTV van de gebeurtenissen van 20 september jl. verwijzen we naar de recent verzonden Kamerbrief.12
Deelt u de mening van de indieners dat online algoritmes die polarisatie, ophef, en haat aanwakkeren, van sociale media een broedplaats maken voor rechts-extremistisch gedachtegoed en daardoor kunnen leiden tot geweld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 en 9, is de rol van aanbevelingsalgoritmes en sociale mediafuiken bij rechts-extremistische radicalisering binnen de online context indirect, maar relevant. De NCTV en AIVD waarschuwen al langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme (en rechts-terrorisme) en dat normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed en de verspreiding hiervan online kan leiden tot rechts-extremistisch gemotiveerd geweld. Daarom zal de aandacht voor de rol van deze algoritmes in het bestrijden van extremisme onverminderd doorgezet worden.
Acht u het met de indieners noodzakelijk om de radicaliserende werking van aanbevelingsalgoritmes op sociale media scherper te reguleren?
Nee, het kabinet acht het op dit moment niet noodzakelijk om aanvullende regels te stellen bovenop bestaande wetgeving, zoals de DSA. Zo verplicht de DSA online platforms om transparant te zijn over de werking van hun aanbevelingsalgoritmes. VLOPs, waaronder ook sociale mediaplatforms, moeten gebruikers daarnaast de optie bieden om aanbevelingsalgoritmes, die gepersonaliseerde aanbevelingen doen, uit te schakelen. Zoals uitgelegd onder vraag 3, verplicht de DSA daarnaast tot het identificeren, analyseren en beoordelen van systemische risico's en zo nodig het maken van aanpassingen aan aanbevelingsalgoritmes. Het kabinet is daarom van mening dat de prioriteit moet liggen bij de effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. De regels omtrent aanbevelingssystemen kunnen dan ook worden geëvalueerd en een verdere aanscherping kan worden overwogen. In dit kader volgen wij met interesse recente relevante juridische ontwikkelingen, zoals de uitspraak van de rechtbank Amsterdam over aanbevelingsalgoritmes van grote sociale-mediaplatforms.13
Binnen de kaders van bestaande wetgeving, zoals de DSA, zet Nederland zich in voor een versterking van het beleid ten aanzien van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme. Nederland neemt daarbij een actieve rol binnen de Europese Unie en roept, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie op om onder meer gezamenlijk een vrijwillige gedragscode voor online platforms op te stellen met betrekking tot deze problematiek. Deze gedragscode kan tevens maatregelen omvatten met betrekking tot aanbevelingsalgoritmes.
Bent u van mening dat bedrijven als X, Meta en TikTok genoeg doen om radicalisering en extremisme op hun sociale media platforms aan te pakken?
Extremistische en terroristische groeperingen misbruiken online platformen, waaronder sociale media platformen, om propaganda te verspreiden en in stand te houden, nieuwe leden te rekruteren en zelfs aanslagen voor te bereiden. Het is daarom essentieel om passende maatregelen te nemen om het online domein veiliger te maken, met inachtneming van de waarden van een democratische rechtstaat. Hier zet het kabinet zich dan ook voor in. Zo stelt huidige wettelijke instrumentarium, zoals de DSA en de Terroristische Online Inhoud (TOI-)verordening, duidelijke grenzen aan de aanwezigheid van terroristische en illegale content op onlineplatforms. Dit is een belangrijke stap in de goede richting om platforms meer verantwoordelijkheid te laten nemen en zo bij te dragen aan een veiligere online omgeving. Wij blijven daarom in dialoog met de internetsector. Hierbij wordt steeds de eigen verantwoordelijkheid van online platforms benadrukt.
Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid is belangrijk onderdeel van de dialoog het gezamenlijk verkennen van mogelijkheden om concrete instrumenten tegen online radicalisering te ontwikkelen. Zo start in december 2025 de pilot met de ReDirect-methode, in samenwerking met Meta, waarbij gebruikers die online zoeken naar terroristische of extremistische content worden geconfronteerd met een informatieveld om hen door te geleiden naar online hulp.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) detecteert en beoordeelt online terroristisch materiaal volgens de TOI-verordening. Hostingaanbieders moeten dit materiaal binnen een uur na een verwijderingsbevel van de ATKM verwijderen of ontoegankelijk maken. Daarnaast moeten online platforms transparantieverslagen publiceren over het aantal ontvangen verwijderbevelen en de opvolging daarvan. Bij herhaalde overtredingen kan de toezichthouder een «blootstellingsbesluit» opleggen, waarmee het platform verplicht wordt proactieve maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen.
Voor VLOPS, waaronder Meta en TikTok, is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder. Sinds de inwerkingtreding van de DSA heeft de Commissie diverse formele onderzoeken geopend naar de naleving door de zeer grote online platforms van de verplichtingen onder de DSA. Deze onderzoeken zien, onder andere, op het ontwerp en werking van aanbevelingsalgoritmes, de systeemrisico's en mitigerende maatregelen en transparantieverplichtingen rondom content moderatie. Vooralsnog heeft de Commissie deze onderzoeken nog niet afgerond of sancties opgelegd aan de platforms. In afwachting van deze uitspraken kunnen we geen conclusies trekken over de eventuele schendingen van de verplichtingen onder de DSA van specifieke platforms.
Welke concrete maatregelen bepleit u in de aankomende Digital Fairness Act (DFA) van de Europese Commissie die de risico’s op radicalisering via aanbevelingsalgoritmes kan mitigeren?
Met de Digital Fairness Act (DFA) zal het Europese consumentenrecht worden aangepast. Het consumentenrecht beschermt belangen van consumenten bij het aangaan van economische transacties met handelaren. Het tegengaan van radicalisering is geen doel van het consumentenrecht. Nederland zet zich in voor aanvullende maatregelen voor het tegengaan van verslavend ontwerp, waaronder algoritmes, via de DFA. Tegelijkertijd moet onnodige regeldruk voor ondernemers voorkomen worden. Dergelijke maatregelen zijn niet specifiek gericht op het tegengaan van radicalisering, maar zouden indirect een effect kunnen hebben. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3, worden aanbevelingsalgoritmes op dit moment onder andere gereguleerd via de DSA en de TOI-verordening. Het kabinet is daarom van mening dat de prioriteit moet liggen bij de effectieve en uniforme toepassing en handhaving van deze wet- en regelgeving.
Welke nationale maatregelen kunt u nemen om Nederlandse gebruikers van sociale media te beschermen tegen de radicaliserende werking van online algoritmes?
Het tegengaan van online radicalisering is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Online platforms hebben hierin een bijzondere rol, omdat zij als aanbieders en beheerders van de digitale infrastructuur direct kunnen ingrijpen in de online dynamiek. Zij zijn in eerste instantie aan zet om te zorgen dat hun gebruikers online veilig zijn. De DSA legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan online platforms om bij te dragen aan het creëren van een veilige online omgeving. We richten ons daarom op het effectief implementeren van Europese regelgeving, zoals de DSA. Voor VLOPs, waaronder sociale media, is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder. In Nederland is de ACM bevoegd om toezicht te houden op naleving van de DSA door hier gevestigde tussenhandeldiensten, zoals online platforms. Daarnaast zullen we ons in 2026 met nieuwe initiatieven inzetten voor kennis en kunde van burgers in de online publieke ruimte. Bijvoorbeeld door het vergroten van het bewustzijn bij burgers van hun rechten en handelingsopties onder de DSA. Ook onderzoeken we de inzet van AI en nieuwe technologie om de negatieve effecten tegen te gaan die algoritmes kunnen hebben op de zichtbaarheid en toegankelijkheid van onafhankelijke en betrouwbare informatie op sociale media. En we zetten in op ontwikkeling, gebruik en schaalvergroting van niet-winstgedreven alternatieven.
Bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken of via het consumentenrecht een nationaal verbod op radicaliserende aanbevelingsalgoritmes van grote online platforms gerealiseerd kan worden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13, is het consumentenrecht geen geschikte plek om radicaliserende aanbevelingsalgoritmes direct te reguleren. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 11, worden aanbevelingsalgoritmes op dit moment onder andere gereguleerd via de DSA en de TOI-verordening. Het kabinet is daarom van mening dat de prioriteit moet liggen bij de effectieve en uniforme toepassing en handhaving van deze wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en minstens één week voor de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025 beantwoorden?
Ja, deze vragen zijn afzonderlijke beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze beantwoording een week voor de Tweede Kamerverkiezing toe te sturen.
Het bericht ‘Voor 325.000 huishoudens dreigt pensioenarmoede’ |
|
Ilse Saris (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor 325.000 huishoudens dreigt pensioenarmoede»?1
Ja.
Wat verstaat u onder een toereikend pensioen? Op welke wijze worden daarin inzichten meegenomen uit rapporten van bijvoorbeeld de Commissie sociaal minimum?
Voor de term «toereikend pensioen» worden in verschillende rapporten verschillende definities gebruikt. Voor het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Pensioenopbouw in balans heeft DNB onderzoek verricht. Het krantenartikel van Trouw verwijst naar dit DNB-onderzoek. In het IBO wordt een toereikend pensioen omschreven als een pensioen dat ervoor zorgt dat mensen na hun pensionering in redelijke mate hun levensstandaard kunnen handhaven. De verwachting is namelijk dat men na pensionering minder lasten heeft, bijvoorbeeld omdat men niet meer hoeft te sparen voor later, minder inkomstenbelasting betaalt, minder tot geen kosten meer worden gemaakt voor kinderen, dat er geen werkgerelateerde kosten meer hoeven te worden gemaakt of dat het eventuele koophuis ook al is afbetaald. Vaak wordt bij een toereikend pensioen een vervangingsratio van 70% van het laatstverdiende loon gehanteerd.
Kunt u een overzicht geven van het huidige beleid dat wordt gevoerd om het aantal mensen dat geen of te weinig aanvullend pensioen opbouwt terug te dringen?
In de afgelopen jaren zijn er maatregelen genomen om het aantal mensen dat geen aanvullend pensioen opbouwt terug te dringen. In het kader hiervan is een reductiedoelstelling in de Pensioenwet opgenomen: in 2028 moet het aantal werknemers zonder pensioen gehalveerd zijn ten opzichte van 2019. In november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de meest recente stand van zaken op basis van de gegevens over 2023 met de Kamerbrief Voortgang reductiedoelstelling werknemers zonder actieve pensioenopbouw. Hieruit blijkt dat de eerder ingezette daling is doorgezet. Eind 2023 bouwden circa 680.000 werknemers geen pensioen op, 9,3% van het totaal aantal werknemers en daarmee ruim minder dan de 936.000 werknemers in 2019 zonder pensioenopbouw. Een nadere toelichting op de reductiedoelstelling en hoe beoogd wordt deze te behalen wordt in de Kamerbrief toegelicht.
Hoe kijkt u naar de grote verschillen in de hoogte van pensioenen die Nederlandse huishoudens opbouwen, waarbij de 10% hoogste inkomens kunnen rekenen op 85.000 euro bruto per jaar en de 10% laagste inkomens slechts op zo’n 18.000 euro?
Het Nederlandse pensioenstelsel kent meerdere doelen. Twee daarvan zijn het voorkomen van armoede en het behoud van levensstandaard. Voor het eerste doel is het pensioenstelsel succesvol, met name door de AOW. Het eerdergenoemde IBO Pensioenopbouw in balans vermeldt dat bijna alle huishoudens voldoende pensioen opbouwen om niet in armoede te komen. Voor het tweede doel hangt het behouden van de levensstandaard samen met het inkomen voor pensionering. Hoe hoger het inkomen voor pensionering, hoe meer pensioenuitkering er immers nodig is om dit inkomen adequaat te vervangen. Vanuit dit perspectief ligt het in de lijn dat huishoudens met hogere inkomens meer pensioeninkomsten genieten.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ongeveer 325.000 huishoudens na pensionering dreigen te moeten rondkomen van minder dan de AOW en zo door de armoedegrens zakken? Zo ja, hoe bent u voornemens dit aantal zoveel mogelijk terug te dringen?
Het is de vraag in hoeverre 325.000 huishoudens daadwerkelijk onder de armoedegrens terechtkomen. Ouderen die zelf onvoldoende in hun oudedag kunnen voorzien, kunnen namelijk een beroep doen op de Aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO), waarmee hun inkomen na pensionering wordt aangevuld tot de voor hen geldende bijstandsnorm. Zo wordt voorkomen dat zij onder de armoedegrens zakken.
Onderaan de streep betekent dit dat we moeten blijven inzetten op de mogelijkheden die er in Nederland zijn om een goed pensioen op te bouwen. Voor de mensen die dat uiteindelijk niet lukt, blijft het vangnet van de AIO om zoveel mogelijk te voorkomen dat zij na pensionering onder de armoedegrens zouden zakken.
Hoe beoordeelt u dat migranten achterlopen op alle pijlers van het pensioen, en dat het mediane pensioen voor mensen met migratieachtergrond 27.000 euro bruto per jaar is ten opzichte van 55.000 euro voor mensen zonder migratieachtergrond?
Zoals in het IBO Pensioenopbouw in Balans is aangegeven, zijn de uitkomsten met betrekking tot de pensioenopbouw van mensen met een migratieachtergrond moeilijk te interpreteren en te vergelijken met de pensioenopbouw van mensen zonder migratieachtergrond.
In de eerste plaats gaat het om personen waarvan niet bekend is in hoeverre zij uiteindelijk in Nederland met pensioen zullen gaan of elders. Ten tweede zijn ook de pensioenvoorzieningen van belang die mogelijkerwijs in het buitenland zijn opgebouwd en waarmee mensen in hun oudedag kunnen voorzien. Die middelen konden niet in het onderzoek betrokken worden. Tot slot kunnen ouderen zoals eerder aangegeven een beroep doen op de AIO, waarmee hun inkomen na pensionering wordt aangevuld tot de voor hen geldende bijstandsnorm.
De mediane pensioenopbouw van mensen met een migratieachtergrond is moeilijk te vergelijken met die van mensen zonder migratieachtergrond. Wie kort in Nederland is, bouwt in Nederland nu eenmaal minder pensioen op dan wie dat het hele leven – of in ieder geval 50 jaar gedurende de pensioenopbouw – doet. En op hoeveel pensioen men in het buitenland heeft opgebouwd, heeft Nederland geen invloed.
Op welke wijze kan er meer inzicht worden verkregen in de eerdere pensioenopbouw van migranten in het buitenland?
Het is op dit moment niet mogelijk om inzicht te krijgen in het pensioen dat migranten in andere landen opgebouwd hebben. Wel wordt er in EU-verband gewerkt aan een Europees pensioenregister (ETS) waarmee het in de toekomst mogelijk wordt voor werknemers om meer inzicht te krijgen in hun pensioenopbouw in andere EU-landen. Dit geeft de rijksoverheid echter geen inzicht in de opgebouwde rechten van deze groep. Het betreft persoonlijke informatie. Daarnaast blijft eventueel buiten de EU opgebouwd pensioen hierbij buiten beeld.
Voorts is het mogelijk voor alle werknemers in Nederland voor de AOW een overzicht aan te vragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Daarbij wordt ook bepaald of iemand elders verzekerd is geweest voor de periode dat iemand niet in Nederland verzekerd is geweest voor de AOW. Dat zegt echter nog niets over de pensioenopbouw in het buitenland. Noch de SVB noch het Ministerie van SZW heeft daar zicht op en kan daar informatie over verschaffen.
Wat zou er volgens u moeten worden meegenomen in de vaststelling van de hoogte van het pensioen van een zelfstandige, en horen daar wat u betreft spaargeld, beleggingen, overwaarde van het huis en de waarde van het bedrijf van de zelfstandige bij? Zo ja, waarom?
Zelfstandigen bouwen pensioen op in de eerste pijler (de AOW). Daarnaast kunnen zij via de tweede pijler pensioen opbouwen als zij onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds vallen, hun pensioenregeling vrijwillig voortzetten of via de experimenteerbepaling een pensioenregeling aangaan, al wordt die laatste mogelijkheid in de praktijk nog niet aangeboden. Verder kunnen zelfstandigen in de derde pijler zelf sparen of beleggen via bijvoorbeeld lijfrenteproducten. Naast deze drie pijlers speelt voor zelfstandigen ook de vierde pijler een belangrijke rol, bestaande uit het vermogen in de eigen onderneming en de woning.
Het IBO Pensioenopbouw in balans laat zien dat wanneer ook het vermogen in de woning en de onderneming wordt meegerekend, een groot deel van de huishoudens – en dus ook zelfstandigen – in staat is om na pensionering een vergelijkbare levensstandaard te behouden. Daarom kan bij de beoordeling van de pensioenpositie van zelfstandigen ook naar hun vermogen in de vierde pijler gekeken worden. Deze bezittingen vormen in de praktijk een belangrijk onderdeel van hun oudedagsvoorziening. De vierde pijler kan aantrekkelijker zijn voor zelfstandigen, omdat zij hiermee meer flexibiliteit, vrijheid en controle hebben over hun vermogen. In tegenstelling tot de tweede pijler en de derde pijler, kunnen zij binnen de vierde pijler hun vermogen in onderneming, woning of spaargeld naar behoefte liquide maken.
Om de pensioenopbouw van zelfstandigen beter in beeld te brengen, wordt dit sinds dit jaar gemonitord. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
De effectiviteit en handhaafbaarheid van contact- en locatieverboden, met name in digitale context |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat slachtoffers, ondanks een opgelegd contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarde of beschermingsmaatregel (artikel 38v Wetboek van Strafrecht), toch digitaal worden belaagd via bijvoorbeeld sociale media dan wel whatsapp?
Ja.
Beschikt u over cijfers over de mate waarin contact- en locatieverboden digitaal worden overtreden, en welke gevolgen dit heeft voor de veiligheid en gemoedsrust van slachtoffers?
Nee, zowel de politie als de reclassering beschikken niet over deze cijfers. De reclassering heeft wel inzicht in het aantal overtredingen van contact- en locatieverboden, maar daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen fysieke en digitale overtredingen. Wij realiseren ons dat als een contact- of locatieverbod wordt overtreden dit ingrijpend kan zijn voor slachtoffers. Het kan invloed hebben op het gevoel van veiligheid en privacy en slachtoffers kunnen zich beperkt voelen in hun vrijheid en veiligheid. Het is van belang om altijd melding te maken bij de politie bij overtreding van het contact- of locatieverbod. Op deze wijze kan worden bezien of en welke verdere maatregelen genomen kunnen worden. De politie heeft bevoegdheden om op te treden.
Klopt het dat de politie in dergelijke gevallen vaak geen bevoegdheid heeft om te onderzoeken wie achter een anoniem of vals nummer of social media account zit, ook als het aannemelijk is dat dit nummer dan wel account wordt gebruikt om het contactverbod te omzeilen?
De opsporingsambtenaar en de officier van justitie hebben bevoegdheden om te onderzoeken wie achter een digitaal account zit. Wanneer de overtreding van het opgelegde verbod tevens een (verdenking van een) nieuw strafbaar feit oplevert – bijvoorbeeld stalking (artikel 285b Wetboek van Strafrecht) – dan kan in voorkomende gevallen een bevel tot verstrekking van gegevens worden gericht aan een aanbieder van een communicatiedienst op grond van artikel 126n (verkeers- en locatiegegevens), artikel 126na, eerste lid (identificerende gegevens) of artikel 126ng (andersoortige gegevens) van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Indien de overtreding van het verbod geen nieuw strafbaar feit oplevert, dan kan artikel 6:3:14, vijfde lid, Sv een grondslag bieden om gegevens op te vragen. Deze bepaling geeft de officier van justitie de bevoegdheid om – indien dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor het toezicht op de naleving van een opgelegd verbod – tot eenieder een vordering te richten om inlichtingen te verstrekken. Indien een slachtoffer bijvoorbeeld wordt benaderd door een digitaal account en er aanwijzingen zijn dat dit account wordt gebruikt door degene aan wie in relatie tot het slachtoffer een contactverbod is opgelegd, dan kan het opvragen van gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van dat contactverbod.
Zo ja, deelt u de mening dat dit de werking en bescherming van contact- en locatieverboden ernstig ondermijnt, omdat digitale communicatie een steeds groter aandeel heeft in belaging en intimidatie? Zo nee, welke bevoegdheid heeft de politie dan wel om dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het risico op secundaire victimisatie wanneer een slachtoffer keer op keer opnieuw aangifte moet doen, zonder dat duidelijk is of de overtreding van het verbod effectief kan worden onderzocht en gehandhaafd?
In geval van een herhaalde overtreding van een locatie- of contactverbod kan na een eerste aangifte bij de politie, worden volstaan met een melding van iedere overtreding. Zoals in het antwoord op vraag 2 is opgemerkt blijft het van belang om steeds melding bij de politie te doen zodat bij voldoende bewijs een nieuw strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Wij beseffen dat dit voor slachtoffers belastend kan zijn. Daarom kunnenslachtoffers die dit wensen gebruik maken van de gratis hulp en ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland (SHN). Indien meer gespecialiseerde hulp nodig is, wordt een slachtoffer door SHN doorverwezen naar gespecialiseerde instanties. Ook hebben slachtoffers van stalking recht op een gratis slachtofferadvocaat. Daarnaast kunnen slachtoffers gebruikmaken van het meldpunt Helpwanted van de stichting Offlimits.
Naar aanleiding van aanbevelingen van de Inspectie Justitie en Veiligheid zijn ontwikkelingen op het gebied van beter contact met en ondersteuning voor slachtoffers van (ex-)partnerstalking in gang gezet. Bij de politie wordt ingezet op het goed organiseren van interne casusregie: elk basisteam moet minimaal twee casusregisseurs stalking hebben die bij gemiddelde en hoog risico stalkingscasuïstiek regie voeren. Daarbij hoort ook het zicht houden op overtredingen van (online) locatie-en gebiedsverboden. Ook wordt breder dan alleen bij de politie ingezet op een beter contact met en begeleiding van slachtoffers van (ex-)partnerstalking, omdat dit niet enkel een verantwoordelijkheid van de politie is. Dit gebeurt verder met betrokken organisaties zoals het Openbaar Ministerie, Veilig Thuis en SHN samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid Welzijn en Sport. Bij dit verbetertraject wordt onder meer ook de expertise vanuit de advocatuur benut.
Welke mogelijkheden bestaan er voor slachtoffers om bij overtreding van een contact- of locatieverbod via digitale kanalen effectieve bescherming af te dwingen?
Een contactverbod omvat elke vorm van contact. Dit betekent dat ook digitaal contact niet is toegestaan als een contact- of locatieverbod is opgelegd. Het CJIB zet opgelegde contact- en locatieverboden uit bij de reclassering indien de veroordeelde een enkelband opgelegd heeft gekregen of de politie als er geen enkelband is opgelegd. Bij het overtreden van het contactverbod is het van belang dat het slachtoffer bij de politie melding doet van overtreding van het contact of locatieverbod. Door de politie moet dan worden geconstateerd dat sprake is van een overtreding door de veroordeelde. Daarnaast kan het slachtoffer bij de website en de social media-platforms waar het contact is ontstaan melding maken van de cyberstalker. Het is zaak de stalker overal te blokkeren. Op www.helpwanted.nl/onderwerpen/cyberstalking staan handleidingen per social-mediaplatform. Ook staan op de site van SHN veel tips ter beveiliging en bescherming bij stalking. Het slachtoffer dient zoveel als mogelijk screenshots en bewijs te verzamelen van hoe de cyberstalker te werk gaat. Tevens is op de site van de politie (Brochures over stalking | politie.nl) een brochure beschikbaar wat een slachtoffer bij stalking kan doen en welke online veiligheidsmaatregelen er getroffen kunnen worden. Deze brochure is in diverse talen beschikbaar.
Acht u het nodig dat wetgeving of de uitvoering daarvan moet worden aangepast, zodat opsporingsinstanties wanneer er sprake is van een opgelegd verbod door de strafrechter, wel de mogelijkheid krijgen om in dit soort zaken de herkomst van digitale accounts te achterhalen? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De politie ervaart in de praktijk soms een gebrek aan bevoegdheden of mogelijkheden om te komen tot inzet daarvan, met name als er gebruik wordt gemaakt van anonieme social media-accounts of onbekende telefoonnummers. Het is belangrijk dat opgelegde verboden gehandhaafd worden en dat het daarvoor in voorkomende gevallen van belang kan zijn dat de herkomst van digitale accounts kan worden achterhaald. Daarom zal de Minister van Justitie en Veiligheid de komende periode in afstemming met de betrokken organisaties verkennen of de hiervoor beschreven bevoegdheden daarvoor volstaan of dat aanvullende beleidsmatige of wetgevende maatregelen nodig zijn.
Wat kunnen de politie en het Openbaar Ministerie (OM) nog meer doen om digitale contact- en locatieverboden beter te handhaven? Bent u bereid hierover met de politie en het OM in overleg te treden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke verantwoordelijkheid hebben de sociale mediaplatforms om dit probleem te adresseren en slachtoffers daadwerkelijk te beschermen? Nemen de social mediaplatforms deze verantwoordelijkheid serieus genoeg? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe gaat u er voor zorgen dat zij die verantwoordelijkheid serieuzer gaan nemen?
Sociale mediaplatforms zijn verplicht om te acteren op grond van de Digital Services Act zodra zij weet hebben van cyberstalking. Daarom is het verstandig om naast aangifte bij de politie, die vooral belast is met het optreden na schending van een contactverbod, ook een melding te doen bij de relevante online platformen in geval van cyberstalking. De Autoriteit Consument en Markt is primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Digital Services Act in Nederland. De grootste online platformen vallen onder het toezicht van de Europese Commissie. Mogelijke interventies die de platformen kunnen doen zijn het account van het slachtoffer onbereikbaar maken voor de dader of het schorsen van het account van de dader. Het slachtoffer kan zelf een account van een dader blokkeren zodat berichten van de dader niet meer bij het slachtoffer aan kunnen komen. Daarnaast kan een slachtoffer zijn of haar account afschermen zodat de dader niet via een nieuw account contact kan leggen. Dit kan door het eigen account op «privé» of «alleen voor vrienden/contacten» te zetten.
Het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’ |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken»1 en het artikel «Al is de leugen nog zo snel ...»2?
Ja.
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Klopt het dat de mogelijkheden tot «belastingoptimalisatie» al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box 3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Beschietingen door de Libische kustwacht op NGO schepen in de Middellandse Zee |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beschietingen van het schip Sea-Watch 5 op 26 september jl. en de Ocean Viking op 24 augustus jl.?1
Ja.
Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de betreffende schepen onder vuur zijn genomen, dat deze aanvallen ogenschijnlijk door de Libische kustwacht zijn gepleegd, dat deze aanvallen plaatsvonden op internationale wateren en dat onder de bemanning van de getroffen schepen ook Nederlandse staatsburgers waren?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze incidenten in de Middellandse Zee. Het kabinet beschikt niet over geverifieerde en bevestigde informatie dat de beschietingen werden gepleegd door de Libische kustwacht, en beschikt daarnaast niet over informatie dat zich onder de bemanning van de getroffen schepen zich ook Nederlandse staatsburgers bevonden. Voor zover bekend hebben zich geen Nederlandse staatsburgers aangemeld voor consulaire bijstand.
Veroordeelt u deze beschietingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt geweld tegen burgers, waaronder hulpverleners, altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli dan ook bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Welke acties heeft u sinds 24 augustus jl. ondernomen om Nederlandse staatsburgers en humanitaire hulpverleners op de Middellandse Zee te beschermen?
Sinds 24 augustus zijn geen verzoeken binnengekomen voor consulaire bijstand of dergelijke van Nederlandse staatsburgers op de Middellandse Zee. Het kabinet volgt de situatie en vraagt waar opportuun om aandacht voor het waarborgen van veiligheid van hulpverleners in het algemeen en Nederlanders in het bijzonder (zie ook vraag 3).
In welke mate zijn de acties van deze Libische kustwacht volgens u gefaciliteerd door Europese gelden en tot in welke mate zijn ze aangemoedigd door Europees beleid?
De Libische kustwacht ontvangt sinds 2017 ondersteuning via Europese fondsen in het kader van het programma Support to Integrated Border and Migration Management in Libya (SIBMMIL). Deze steun is bedoeld om de zoek- en reddingscapaciteit van de Libische autoriteiten te verbeteren, mensenlevens op zee te redden, irreguliere migratie te beperken en mensensmokkel tegen te gaan. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Het is voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen of de beschietingen door de Libische kustwacht werden gedaan, en als dat wel zo zou zijn is het voor het kabinet ook niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij ngo-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese middelen. Wel laat dit soort incidenten opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met strikte voorwaarden en controlemechanismen. Nederland pleit dan ook consistent voor adequate monitorings- en evaluatiemechanismen in EU-financiering. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden.
Hoe beoordeelt u de rol van Nederland in het mogelijk maken, faciliteren of zelfs aanmoedigen van mensenrechtenschendingen en het niet naleven van internationale zeerecht-standaarden door Libische kustwacht en de Libische regering als geheel?
Nederland heeft de bescherming van migranten als rode draad in het beleid inclusief het naleven van internationale zeerechtstandaarden en Nederland zal betrokken partijen blijven aanspreken op het monitoren van de uitvoering van programma’s op een manier die strookt met de universeel geldende mensenrechten, alsmede de internationale standaarden van het zeerecht. Zie ook het antwoord bij vraag 5.
Hoe verzekeren u en uw Europese collega’s dat de EU-financiering voor de Libische kustwacht niet leidt tot schendingen van het internationaalrecht?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Welke specifieke maatregelen bent u bereid te nemen om de veiligheid van Nederlandse burgers en humanitaire hulpverleners op internationale wateren te beschermen tegen geweldsincidenten?
Het kabinet hecht waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners.2
Nederland neemt op voorhand geen specifieke maatregelen om burgers en hulpverleners op internationale wateren te beschermen, maar blijft wel aandacht vragen voor het respecteren van internationaal recht, waaronder de mensenrechten. Hulpverleners mogen nooit het doelwit zijn van geweld, ook niet wanneer zij zich in internationale wateren bevinden.
Bent u voornemens om respectievelijk uw Libische, Italiaanse en andere Europese collega’s aan te spreken op deze beschietingen door de Libische kustwacht? Zo ja, met welke lezing van de gebeurtenissen en concrete voorstellen bent u van plan dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Voor het kabinet is het terugdringen van irreguliere migratie een prioriteit. Het is daarom goed dat de EU een actieve bijdrage levert aan het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit van de kustwacht, ook om verlies van levens op zee te voorkomen. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert en, indien nodig, de misdaden bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Bent u bereid om te pleiten voor opschorting van de Europese steun aan de Libische kustwacht, zolang de Libische autoriteiten geen concrete maatregelen nemen om deze beschietingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 5 steunt Nederland de EU-inzet om Libisch grensmanagement te versterken en om doden op zee te voorkomen door SAR-capaciteit te verbeteren. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en EU-verband opgeroepen.
Het bericht ‘Opvarenden Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvarenden activistenvloot Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat»?1
Ja.
Heeft u inmiddels eigenstandige informatie over de aanvallen op de Global Sumud Flotilla? Zo neen, waarom nog niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de precieze aard en toedracht van de gerapporteerde aanvallen.
Kunt u de Israëlische aanvallen op de Global Sumud Flotilla bevestigen en in de meest krachtige termen veroordelen? Zo neen, waarom niet?
Nee.
Bent u het met ons eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Humanitaire hulp moet onmiddellijk en aanzienlijk worden opgeschaald en moet alle mensen in nood kunnen bereiken in de gehele Gazastrook. Professionele en gemandateerde hulporganisaties moeten voldoende humanitaire toegang krijgen over land. Nederland blijft dit benadrukken richting de Israëlische autoriteiten.
Tegelijkertijd was de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte af te leveren symbolisch van aard. Voor verlichting moeten professionele, gemandateerde hulporganisaties structurele en ongehinderde toegang krijgen voor de invoer en distributie van hulpgoederen. Inmiddels is volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) van de VN de toegang voor humanitaire hulp sinds het staakt-het-vuren van 10 oktober jl. iets verbeterd. Nederland blijft aandringen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren.
Heeft u contact gelegd met de Global Sumud Flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Ja, het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meermaals contact met de Nederlandse opvarenden en hun familie gehad, alsook met de organisatie die de Nederlandse deelname aan de Flotilla coördineerde.
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de Global Sumud Flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten destijds geïnformeerd over de aanwezigheid van Nederlandse staatsburgers op de schepen van de Flotilla en het
Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten meermaals verzocht de veiligheid van de schepen en hun opvarenden te waarborgen.
Daarnaast heeft het kabinet destijds aan Spanje en Italië verzocht om, via hun fregatten die zich op afstand van de Flotilla bevonden voor het leveren van bijstand aan hun burgers en andere deelnemers van de Flotilla, ook eventuele bijstand te bieden aan Nederlandse opvarenden in geval van nood.
Sinds de onderschepping van de schepen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten op 1 en 2 oktober jl. heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers.
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen, waarom het heeft verzocht. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla.
Heeft u een plan klaarliggen om de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers te helpen indien zij worden aangevallen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Wat is uw reactie op de passage op pagina 98 van het boek Mij krijgen ze niet klein van voormalig Minister Marjolein Faber, waarin zij in detail een gesprek beschrijft dat tijdens de ministerraad zou hebben plaatsgevonden?1
De beraadslagingen van de ministerraad zijn geheim. Dat is belangrijk. Schending van een geheimhoudingsplicht, ook wanneer dit wordt gedaan door een oud-bewindspersoon, is een misdrijf. Bij een vermoeden van een strafbaar feit kan aangifte worden gedaan. Het boek bevat persoonlijke belevingen en herinneringen. Het bevat geen citaten uit de notulen van de ministerraad of conclusies van onderraden. Ik heb ook niet vastgesteld dat daaruit direct is geput. Daarbij bevat het boek informatie over standpunten over het concept-regeerprogramma van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die eerder openbaar werd toen vorig jaar bij de Algemene Politieke Beschouwingen de adviezen over het regeerprogramma op dit onderdeel openbaar werden. Desgevraagd heeft ook de Landsadvocaat geconcludeerd dat weliswaar de suggestie wordt gewekt dat de beschreven onderwerpen zijn besproken in de (onder)ministerraad, maar dat geen bevestiging is in de vertrouwelijk ter beschikbaar gestelde stukken dat deze passages als zodanig in de (onder)ministerraad zijn besproken. Volledigheidshalve stuur ik het advies mee bij de beantwoording van deze vragen. Dat bij elkaar maakt dat ik nu niet kom tot een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Het kabinet doet dan ook geen aangifte.
Deelt u de mening dat het schenden van de geheimhoudingsplicht zoals bedoeld in artikel 26 van het Reglement van orde voor de ministerraad niet ongestraft dient te blijven?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke sancties heeft u tot uw beschikking?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid aangifte te doen voor het schenden van de geheimhoudingsplicht op basis van artikel 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u toelichten waarom er in eerdere gevallen van lekken uit de ministerraad, zoals in de casus Bomhoff en Van Thijn, geen vervolging heeft plaatsgevonden? Klopt het dat het bij deze overweging van belang is of de gelekte informatie in de notulen is opgenomen?
Het antwoord op deze vraag vergt inzicht in afwegingen die in een ver verleden hebben plaatsgevonden. Met de door de vragensteller gevraagde spoed bij deze beantwoording is dit niet mogelijk dit inzicht te verkrijgen. Dit inzicht zou overigens geen gevolgen hebben voor de uitkomst van mijn afweging. Zie voorts het antwoord op vraag 1.
Kunt u bevestigen danwel ontkennen dat de gelekte informatie is opgenomen in de notulen van de betreffende vergadering?
Zie het antwoord op vraag 1.
Als het antwoord op de voorgaande vraag negatief is, bent u dan van mening dat dit het belang van geheimhouding en handhaving daarvan juist onderschrijft?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór 1 oktober 17:00 uur?
Hiervoor heb ik mijn best gedaan.
Beleid rond inclusiviteit op hogescholen |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Moes |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat onderwijsinstellingen uit zichzelf traditionele en cultureel diep verankerde religieuze feestdagen hernoemen of schrappen in het kader van inclusiviteit?
Ik vind het belangrijk dat onderwijsinstellingen zich bewust zijn van wat er leeft in de maatschappij en bij hun studenten en medewerkers. Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf hun onderwijs, interne inclusiviteitsbeleid en onderwijskalenders vorm te geven.
Vanwege deze institutionele autonomie heeft het Ministerie van OCW geen beleid op hoe hbo- en wo-instellingen feestdagen moeten noemen. De Rijksoverheid communiceert jaarlijks wanneer er officiële feestdagen zijn (waaronder Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Kerstmis) en wanneer er schoolvakanties zijn in het funderend onderwijs. Die feestdagen benoemen wij en dat blijven wij ook doen. Hiernaast roept het kabinet in de Strategie Bestrijding Antisemitisme (2024)1 onder andere onderwijsinstellingen op om naast christelijke dagen ook met andere religieuze dagen, zoals Joodse en Islamitische feestdagen meer rekening te houden. De wijze waarop hbo- en wo-instellingen dit invullen en hun jaarkalenders inrichten is uiteindelijk aan hen.
Bent u het eens dat dit de noodzaak tot het ontwikkelen naar een inclusieve samenleving ondergraaft omdat het burgers niet meer stimuleert om via dialoog en samenwerking elkaar religieuzes tradities te leren kennen?
Ik vind het zeer wenselijk dat op de onderwijsinstelling het gesprek wordt gevoerd over identiteit en (religieuze) tradities en hoe deze in ere worden gehouden. Ook het gesprek omtrent het vieren van feestdagen hoort hier bij. In de dialoog kan de medezeggenschap een rol spelen. Het is echter niet aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om te oordelen over de uitkomst van dit gesprek en het beleid van de instelling dat hieruit voortvloeit.
Kunt u, naar aanleiding van het nieuws van het schrappen van de benamingen van christelijke feestdagen door de HU, uiteenzetten welke rol u voor uzelf ziet als stelselverantwoordelijke en welke rol bij de instellingen zelf ligt als het gaat om beleid rondom inclusiviteit?
Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf het onderwijs vorm te geven, inclusief bijbehorend inclusiviteitsbeleid. Bij mij ligt de taak om ervoor te zorgen dat er ruimte, aandacht en middelen zijn waarmee instellingen aan die verantwoordelijkheid invulling kunnen geven en waarbij er ruimte is voor pluriformiteit en onderlinge (veilige) dialoog.
Op welke manier zet u zich in zodat elke student zich veilig voelt binnen het hoger onderwijs, ongeacht bijvoorbeeld geslacht, afkomst, geaardheid, beperking of levensovertuiging?
De onderwijsinstellingen dragen zorg voor een (sociaal) veilige leer- en werkomgeving waar eenieder zich vrij kan uiten, zich thuis voelt en kan ontwikkelen. Als Minister stimuleer en help ik de instellingen om de sociale veiligheid van hun studenten en medewerkers te bevorderen. Dit doe ik middels de integrale aanpak sociale veiligheid, die samen met het veld is opgesteld en bestaat uit verschillende maatregelen. Zo loopt er momenteel een landelijk programma waarmee universiteiten, hogescholen, medewerker-, promovendi- en studentenorganisaties worden gestimuleerd om samen te werken bij het vergroten van sociale veiligheid. Voor het landelijk programma sociale veiligheid is gedurende 2024–2027 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar gesteld. Daarnaast ontvangen instellingen tot en met 2031 jaarlijks € 4 miljoen voor uitvoering van afspraken over sociale veiligheid uit het bestuursakkoord. Verder werk ik aan de ontwikkeling van een wetsvoorstel zorgplicht veiligheid in het vervolgonderwijs, die ook voorziet in versterking van het toezicht op veiligheidsbeleid van instellingen. Daarnaast heb ik een onderzoek naar klacht- en meldprocedures laten uitvoeren; mijn beleidsreactie ontvangt uw Kamer in november.
Erkent u dat inclusiviteitsbeleid een intrinsieke spanning in zich heeft en beleid dat door de ene student verwelkomt, door een andere student als «exclusief» kan worden ervaren?
Inclusie gaat in de kern om het creëren van een omgeving waar een verscheidenheid aan identiteiten, culturen, perspectieven worden verwelkomd, benut, erkend en gewaardeerd. Het is mijn stellige overtuiging dat dit mogelijk moet zijn zonder dat dit ertoe leidt dat anderen worden buitengesloten.
Bent u het eens dat de invulling van inclusiviteitsbeleid van onderwijsinstellingen al snel raakt aan de vrijheid van onderwijs, juist vanwege de identiteitscomponent en bent u het eens dat onderwijsinstellingen, binnen wet- en regelgeving, een zeer grote mate van vrijheid hebben hoe ze dit beleid invullen?
Colleges van bestuur gaan, binnen wet- en regelgeving, zelf over het beleid ten aanzien van hun instelling, inclusief het beleid ten aanzien van inclusiviteit. Ik hecht grote waarde aan het feit dat onderwijsinstellingen die vrijheid hebben.
In hoeverre kunnen instellingen in het (hoger) onderwijs via bijvoorbeeld een cao gebonden worden aan bepaald inclusiviteitsbeleid? Kunnen ze bijvoorbeeld worden verplicht tot het inwisselbaar maken van feestdagen, het opstellen van een bepaalde jaarkalender of het aanpassen van de naam van een feestdag?
Uit de wet volgt niet welke feestdagen iemand vrij is. Werkgevers en werknemers, of een vertegenwoordiging daarvan, kunnen in een cao afspraken maken over welke feestdagen gedurende het kalenderjaar een vrije dag zijn. Ook kan daarbij de mogelijkheid voor personeel om een feestdag te ruilen worden vastgelegd. Als partijen daarbij een bepaalde jaarkalender willen opstellen of de naam van een feestdag aan willen passen, dan kan dat binnen het cao recht. De cao wordt afgesloten door (een vertegenwoordiging van) werkgevers en werknemers. Cao-afspraken zijn bindend voor de instellingen die onder de werkingssfeer van die cao vallen.
Kunt u garanderen dat dit hoort bij de autonomie die een individuele onderwijsinstelling heeft? Zo nee, waarom niet?
Instellingen worden bij de cao-onderhandelingen vertegenwoordigd door de werkgeversverenigingen. Individuele instellingen hebben inspraak op de cao-inzet van deze verenigingen. Ook vindt er een achterbanraadpleging plaats na het afsluiten van een cao-akkoord. Via deze systematiek hebben instellingen invloed op de cao. Wanneer afspraken in de cao worden opgenomen zijn deze bindend.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over hoe zij inclusiviteit vormgeven en daarbij expliciet aandacht te vragen voor het behoud van ruimte voor religieuze en culturele tradities, waaronder christelijke feestdagen?
Ja, dit onderwerp is belangrijk in het kader van het welzijn, thuisgevoel en de sociale veiligheid van studenten en medewerkers op hun onderwijsinstelling. Over deze onderwerpen heb ik regelmatig gesprekken met het veld. Ik zal dit onderwerp blijven meenemen in mijn gesprekken met onderwijsinstellingen.
De ontwikkelingen omtrent opschorten van asielaanvragen, de inbreukprocedure en de belemmeringen van ngo’s in Griekenland |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat 109 ngo’s in Griekenland gezamenlijk hebben opgeroepen tot intrekking van deze maatregel en tot optreden van de Europese Commissie?
Het kabinet heeft kennis genomen van de oproep gericht aan Griekenland en de Europese Commissie. In algemene zin toont de oproep aan dat de ontwikkelingen in Griekenland, sterk leven onder maatschappelijke organisaties in Griekenland. Het is verder aan Griekenland en aan de Commissie om hier opvolging in.
Bent u bereid om, samen met andere lidstaten of zelfstandig, bij de Europese Commissie aan te dringen op een spoed juridische analyse van de verenigbaarheid van de Griekse maatregelen met het EU-recht, dit mede in licht van de uitspraken van het Europees Hof?
Het is primair aan de Europese Commissie om te beoordelen of Griekenland met de maatregelen het EU-recht schendt, en hier indien nodig tegen op te treden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Hoe beoordeelt u de bevelen van het Europees Hof? Ziet u hierin aanleiding om de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving inzake de asielopschorting ter discussie te stellen, zowel zelfstandig als in EU-verband?
Ik begrijp dat u verwijst naar de voorlopige maatregelen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waar individuen klachten kunnen indienen over de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorlopige maatregelen zijn dringende maatregelen die in uitzonderlijke omstandigheden, na onderzoek van alle relevante informatie, worden toegepast wanneer het EHRM meent dat de betrokkene anders zal worden blootgesteld aan een dreigend risico op onherstelbare schade en wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk is in het belang van de partijen of voor het goede verloop van de procedure. Over dergelijke maatregelen wordt beslist in het kader van een procedure voor het EHRM, zonder vooruit te lopen op latere beslissingen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de zaak in kwestie. Voorlopige maatregelen worden niet gemotiveerd, dus de reden voor het opleggen van de voorlopige maatregel is niet bekend. Deze voorlopige maatregelen zeggen daarom nog niets over de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving.
Kunt u aangeven op welke manier bilateraal Nederlandse ondersteuning in Griekenland op uniebrede steun van de Europese Unie aan Griekenland mogelijk bijdraagt aan het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor zover bekend draagt bilaterale Nederlandse steun hier niet aan bij. Nederlandse bilaterale steun aan Griekenland richt zich op de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, via onder andere het MERIMNA III-project onder auspiciën van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) op het eiland Lesbos en het versterken van het Griekse voogdijprogramma voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Kunt u aangeven op welke manier Europese agentschappen zoals de European Union Agency for Asylum (EUAA) en Frontex mogelijk betrokken zijn bij het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor EUAA geldt dat zij sinds 2011 actief zijn in Griekenland en operationele ondersteuning verlenen. Voor zover bekend is in het meest recente operationele plan vastgesteld dat EUAA ondersteuning biedt op het vlak van de verwerking van asielaanvragen en het bieden van opvang in lijn met het GEAS. Het mandaat van EUAA strekt dus niet tot vreemdelingenbewaring. In hun operationele ondersteuning mogen zij dan ook geen taken uitvoeren die zien op inbewaringstelling. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Ook Frontex biedt ondersteuning aan Griekenlandop het gebied van grensbeheer en terugkeer. Frontex heeft hierbij geen rol in de inbewaringstelling bij asielaanvragen. Frontexpersoneel verwijst personen die een asielaanvraag indienen door naar de nationale autoriteiten. De afweging tot inbewaringstelling valt onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende lidstaat. De operationele inzet van Frontex wordt doorlopend gemonitord. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Kunt u toezeggen de Kamer regelmatig te informeren over de situatie van asielzoekers in Griekenland, en daarbij ook inzicht te geven in de inzet van de Nederlandse overheid, zowel zelfstandig als in EU-verband, om verbeteringen te bewerkstelligen?
Indien daar aanleiding toe bestaat, zal ik uw Kamer informeren, via de reguliere route van de geannoteerde agenda of het verslag van de JBZ-Raad.
Bent u op de hoogte van de stand van zaken in procedure INF(2022)2156, die de Europese Commissie in januari 2023 is gestart tegen Griekenland wegens het onvolledig transponeren van de Opvangrichtlijn (2013/33/EU), mede gezien rapporten (CPT-comité, VN-Mensenrechtencomité, Artsen zonder Grenzen, EHRM) over onmenselijke behandeling en erbarmelijke omstandigheden in gesloten centra op de Griekse eilanden?
Daar ben ik van op de hoogte. Vooralsnog is enkel bekend dat de Commissie op 26 januari 2023 een aanmaningsbrief aan Griekenland heeft gestuurd wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de richtlijn tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Richtlijn 2013/33/EU).1
Heeft u gesproken met uw Griekse collega over procedure INF(2022)2156? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
In mijn gesprekken met collega-bewindspersonen van andere lidstaten, de Commissie en tijdens besprekingen van de Raad, komen de brede bilaterale en EU-agenda aan de orde. Daarbij wordt van geval tot geval bezien of het opportuun is om aandachtspunten, zoals door het voormalige Lid Koekoek aangedragen, op te brengen.
Tijdens een ontmoeting met mijn Griekse collega en marge van de JBZ-Raad van 13 en 14 oktober 2025 in Luxemburg heb ik in het kader van de implementatie van het Asiel- en Migratiepact en het solidariteitsmechanisme benadrukt dat het van belang is voor Nederland dat lidstaten hun verplichtingen in het kader van Dublin nakomen. Daarvoor is het essentieel dat er adequate opvang beschikbaar is in lijn met de verplichtingen zoals vastgelegd in de opvangrichtlijn. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Heeft u procedure INF(2022)2156 besproken binnen de Europese Raad en met de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid uw Griekse ambtsgenoot aan te spreken over de niet proportionele beperkingen die worden opgelegd aan organisaties die essentiële hulp verlenen aan vluchtelingen en migranten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid de Europese Commissie op te roepen het Griekse registratiekader voor ngo’s volledig en spoedig te evalueren op verenigbaarheid met het EU-recht en internationale normen en wetgeving?
In het jaarlijkse rechtstaatrapport heeft de Commissie in het landenhoofdstuk over Griekenland aandacht besteed aan de registratievereisten voor NGO’s2. Tijdens de Raad Algemene Zaken vinden op basis van dit rapport landenspecifieke rechtsstaatdialogen plaats3. Nederland treedt in Benelux-verband op en bevraagt lidstaten daarin over ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat, en wisselt ook best practices uit. Deze dialoog biedt een goede gelegenheid om op Europees niveau over zorgwekkende ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat te spreken. Het kabinet vindt het preventief en structureel monitoren van de rechtsstaat in de Unie van groot belang, zodat in een vroeg stadium rechtsstatelijke problemen in de Unie kunnen worden geïdentificeerd, besproken en gezamenlijk tot oplossingen wordt gekomen.
Het Bureau InformatieDiensten Nederland |
|
Ilse Saris (CDA), Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Bureau InformatieDiensten Nederland (BIDN), voorheen het Inlichtingenbureau (IB)?1
ja
Zijn de statuten die gepaard gaan met de naamswijziging van het Inlichtingenbureau naar het Bureau InformatieDiensten Nederland reeds gedeeld met de Tweede Kamer? Zo nee, bent u bereid dit per ommegaande alsnog te doen?
De voorgenomen statutenwijziging van stichting Inlichtingenbureau, waarbij ook de naamswijziging in Bureau Inlichtingendiensten Nederland (BIDN) wordt geformaliseerd, is in voorbereiding. Na advisering over dit voornemen door de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen van het Ministerie van Financiën en de Algemene Rekenkamer neemt het kabinet hierover een besluit, dat naar verwachting voor het eind van dit jaar zal worden voorgehangen bij de Eerste en de Tweede Kamer. Deze voorhangprocedure is niet verplicht bij een statutenwijziging van een bestaande stichting, maar wel in lijn met kabinetsbeleid en ook conform een eerdere toezegging aan Uw Kamer. In het vervolg van de beantwoording ga ik in op de huidige situatie. Over de toekomstige situatie wordt u geïnformeerd als het besluit wordt voorgehangen.
Kunt u bevestigen dat het IB/BIDN op dit moment geen wettelijke basis heeft voor bepaalde taken, zoals het faciliteren van het berichtenverkeer tussen gemeenten en zorgaanbieders, de systemen voor vroegtijdige schoolverlaters en de rekentool van de belastingvrije voet?
De taken van BIDN zijn veelal wettelijk vastgelegd. Waar dit nog niet het geval is, werkt BIDN in de rol van verwerker volgens de AVG. Dat betekent dat deze werkzaamheden worden uitgevoerd in opdracht van overheidsinstanties, zoals ministeries, gemeenten en waterschappen.
Op welke wijze gaat het takenpakket van het IB/BIDN in zijn totaliteit wettelijk worden verankerd? Met welk specifiek wetsvoorstel bent u voornemens dit te realiseren?
In vraag 3 is reeds ingegaan op de wettelijke basis voor taken van BIDN. Er is in aanvulling hierop geen specifiek wetsvoorstel in voorbereiding.
Hoe houdt de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) op dit moment toezicht op het IB/BIDN?
Op grond van artikel 37 van de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) is de NLA belast met het stelseltoezicht op UWV en de Sociale Verzekeringsbank. De NLA houdt op dit moment geen toezicht op BIDN. Het toezicht op de gegevensverwerking ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u bevestigen dat het BIDN op dit moment niet onder het toezicht van de Nationale ombudsman en de Wet Open Overheid (WOO) valt? Zo ja, hoe wenselijk is dat wat u betreft?
BIDN valt niet rechtstreeks onder de Wet open overheid (Woo). In de Kamerbrief van 25 september 20232 is aangegeven hoe hiermee wordt omgegaan. BIDN werkt met informatie en gegevens die berusten bij bestuursorganen, zoals het Ministerie van SZW, andere departementen of gemeenten. Documenten van of over BIDN kunnen daarom worden opgevraagd door een Woo-verzoek in te dienen bij een van de genoemde bestuursorganen. In de praktijk werkt BIDN mee aan dergelijke Woo-verzoeken, waarmee informatie over BIDN, en voorheen het IB, beschikbaar is.
Geldt naar uw inschatting de onschuldpresumptie nog in hoe het BIDN uitvoering geeft aan het verrichten van haar taken en met name de schaal waarop dit gebeurt? Zo ja, waarom?
BIDN levert informatiediensten aan gemeenten op basis van een wettelijke taak, zoals omschreven in de artikelen 1 van de Wet SUWI en 5.24 van het Besluit SUWI. De werkzaamheden van het BIDN zijn in lijn met deze regelgeving intermediair en ondersteunend aan de uitvoering van gemeentelijke regelgeving. Daarbij is aan het BIDN geen opsporingsbevoegdheid toegekend. Het BIDN zorgt er slechts voor dat een bevoegde – dat wil zeggen daartoe geautoriseerde – gemeenteambtenaar inzicht krijgt in relevante gegevens van mensen die recht hebben op bijvoorbeeld kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Als die gegevens aanleiding geven tot verder onderzoek, dan wordt dat bepaald door de gemeenteambtenaar.
Herkent u het beeld dat gemeenten verschillend omgaan met de signalen van het bureau, waarbij dat varieert van het uitnodigen van de uitkeringsgerechtigde voor een gesprek tot het direct tijdelijk stopzetten van de uitkering?
BIDN levert informatiediensten aan gemeenten. Hoe gemeenten met deze informatie omgaan is aan de gemeenten, uiteraard binnen de grenzen van de geldende wet- en regelgeving.
Bent u bereid om wetgeving voor te bereiden om het BIDN om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan (vergelijkbaar met het UWV of SVB), om de transparantie en democratische controle te vergroten en het toezicht en klachtenprocedures beter te borgen? Zo nee, waarom niet?
Hiervoor verwijs ik u naar het nog voor te hangen besluit.
Bent u bekend met de publiekscampagne «Waar Ben Je» waarbij omstanders en potentiële slachtoffers zich kunnen melden bij de 24/7 chatlijn van Veilig Thuis?
Ja.
Bent u het eens dat deze campagne ontzettend goed is en dat het van groot belang is dat meisjes en vrouwen en omstanders die bellen voor hulp bij signalen van femicide, ook echt goed en direct geholpen worden?
ook van belang dat wanneer iemand aan de bel trekt, direct de juiste hulp en ondersteuning geboden wordt. Bij Veilig Thuis kan iedereen terecht voor advies of voor het doen van een melding. Veilig Thuis beschikt over veel expertise en deskundigheid om mee te denken over specifieke situaties. Bij acute onveiligheid is het van belang dat de politie wordt ingeschakeld.
Op welke wijze wordt gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan naar aanleiding van de campagne of sinds het live gaan van de campagne «Waar Ben Je» en hoe deze worden opgepakt? Bent u bereid de Kamer periodiek over de ontwikkeling van meldingen te informeren?
Er wordt niet landelijk gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan specifiek naar aanleiding van de campagne. Wel geven individuele Veilig Thuis organisaties aan dat er sprake lijkt te zijn van een toename in het aantal telefoontjes en chatberichten dat zij ontvangen, al kan niet met zekerheid worden gesteld dat dit een direct gevolg is van de campagne. Wel kan gezegd worden dat het online platform van Veilig Thuis 4 dagen voor de lancering van de campagne in werking is getreden. Van dit platform wordt, uiteraard anoniem en onherleidbaar, bijgehouden welke bezoekersaantallen het platform bezoeken. Daarnaast wordt ook het aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt altijd nauwgezet geregistreerd en via de reguliere wijze twee maal per jaar bekend gemaakt via het CBS. Wanneer er vanaf de start van de campagne een toename te zien is, kan dat wijzen op een gevolg van de campagne.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen er momenteel voor kiezen om richting Veilig Thuis te communiceren de 24/7 chatfunctie gedeeltelijk, of zelfs helemaal uit te zetten?
Op dit moment bestaat er nog geen 24/7 chatfunctie bij Veilig Thuis. Het verbeteren van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van Veilig Thuis is belangrijk. Om deze reden wordt vanuit het Landelijk Netwerk Veilig Thuis momenteel hard gewerkt om de mogelijkheden voor een 24/7 chatfunctie en de daarbij benodigde randvoorwaarden uit te werken. Wel is er nu, door de komst van het recent gelanceerde digitale platform op www.veiligthuis.nl, een online hulpmiddel waar mensen met behulp van AI snel geholpen worden de juiste informatie te vinden. Dit platform is 24/7 bereikbaar en telefonisch is Veilig Thuis dat ook.
Aanvullend heb ik inderdaad signalen gekregen dat diverse Veilig Thuis organisaties moeite hebben de huidige chatfunctie te bemensen, waardoor in sommige gemeenten de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis is, samen met de VNG en met mij, hard aan het werk om hier een landelijke oplossing voor de realiseren.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen ervoor kiezen om geen 24/7 beschikbaarheid te hebben bij Veilig Thuis en daardoor Politie en Veilig Thuis niet op ieder moment van de dag samen kunnen optrekken in acute situaties?
Ik herken dat beeld niet. Het klopt dat Veilig Thuis niet 24/7 bereikbaar is via de chat, zie ook het antwoord op vraag 4. Wel heeft Veilig Thuis de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Op dit vlak is er geen beleidsvrijheid voor gemeenten om hier van af te wijken. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat Veilig Thuis daarmee in acute situaties altijd bereikbaar en beschikbaar is, ook om met de politie op te trekken wanneer de situatie daar om vraagt.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de 24/7 chatfunctie van Veilig Thuis ook werkelijk 24/7 bereikbaar is en waar niet?
Zoals al aangegeven is er op dit moment nog geen 24/7 chatfunctie, maar is de chat veelal tussen 9 en 17 bereikbaar. Voor zover bij mij bekend zijn er op dit moment enkele regio’s waar de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. De redenen daarvoor zijn wisselend. Zo zijn er gemeenten die in deze regio’s hebben aangegeven dat de chat daar onvoldoende werd gebruikt en er zodoende voor is gekozen om de capaciteit in plaats daarvan in te zetten om meldingen op te pakken. Bij andere regio’s gaat het om specifieke momenten waarop er geen bemensing is. Veilig Thuis organisaties maken onderling, waar mogelijk, afspraken om een achtervang in te richten zodat chatberichten eventueel door een Veilig Thuis uit een andere regio beantwoord kunnen worden.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de beschikbaarheid van Veilig Thuis 24 uur per dag geldt?
Er is momenteel nog geen enkele gemeente waar Veilig Thuis 24/7 per chatfunctie bereikbaar is. Hier wordt landelijk aan gewerkt om dit z.s.m. te realiseren. Wel zijn alle Veilig Thuis organisaties 24/7 telefonisch bereikbaar.
Is het kabinet bereid te inventariseren wat het zou betekenen als de wettelijke taak van Veilig Thuis wordt uitgebreid naar 24 uur beschikbaarheid voor acute hulpvragen rond veiligheid? Zo ja, heeft u hier nog iets nodig vanuit de Kamer? Zo niet, waarom niet?
Veilig Thuis heeft nu al de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Het is aan Veilig Thuis om bij deze hulpvragen een inschatting te maken van de directe onveiligheid en te bepalen wat er nodig is om directe onveiligheid op te heffen en structurele veiligheid te realiseren. Belangrijk blijft om te noemen dat Veilig Thuis zelf geen hulpverlening biedt: Veilig Thuis kijkt waar de specifieke zorgen over gaan, welke hulpverlening nodig is en verwijst vervolgens door. De taak van Veilig Thuis richt zich specifiek op huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik zie geen reden om dat te veranderen. Uiteraard helpt Veilig Thuis mensen die bellen over andere veiligheidsvraagstukken de juiste plek te vinden voor die signalen.
Kunt u gelet op de urgentie van de beschikbaarheid van hulp, deze set schriftelijk binnen vier weken beantwoorden?
Ja.
Het Advies Informatievoorziening Infectieziektebestrijding (IV-IZB) |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat was de aanleiding voor u en uw ministerie om het Adviescollege ICT-toetsing te verzoeken om een onderzoek uit te voeren naar het programma Informatievoorziening Infectieziektebestrijding (IV-IZB)? Had u op dat moment al signalen dat de doelen niet behaald zouden worden?
De aanleiding voor het verzoek aan het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) was dat ministeries verplicht zijn om alle voorgenomen ICT-projecten van meer dan vijf miljoen euro bij AcICT aan te melden. Voorafgaand daaraan is het programma meermaals extern getoetst, via twee gateway reviews en een CIO-oordeel. Aanbevelingen hieruit zijn overgenomen en geïmplementeerd. In de voortgangsbrieven Pandemische Paraatheid die op 29 juni 2023 en op 26 oktober 2023 met uw Kamer zijn gedeeld, heb ik reeds aangegeven dat mijn ministerie voornemens was (in de loop van 2024) een externe toets door AcICT uit te laten voeren.1
Sinds wanneer is bekend op uw departement dat er problemen zijn met de samenhang en de regie van dit project?
Begin september 2025 heb ik het definitieve advies van AcICT ontvangen waarin deze conclusies worden getrokken.
Klopt het dat grote ICT-projecten zoals bij pandemische paraatheid op tijd bij het Adviescollege ICT-toetsing moeten worden aangemeld, gezien eerdere ICT-debacles die gepaard gingen met grootschalige verkwisting van publiek geld?
Ja, grote ICT-projecten worden door ministeries verplicht bij AcICT aangemeld voor toetsing, voordat onomkeerbare stappen worden gezet. Daarmee is door de rijksoverheid een controle ingebouwd om de risico’s van grote ICT-projecten te beperken en de slaagkans van dergelijke projecten te vergroten. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, heeft mijn ministerie dat ook gedaan.
Wanneer is het ICT-programma begonnen en wanneer is het aangemeld bij het Adviescollege ICT-toetsing? Klopt het dat daar meer dan anderhalf jaar tussen zat? Klopt het dat dit project vanwege zijn omvang (186,9 miljoen euro) tot één van de zeer grote IT-projecten behoort met bijbehorend groot risico?
Het IV-programma is in 2023 gestart en VWS was voornemens in de zomer 2024 het programma te laten toetsen door AcICT. In het licht van de bezuinigingen op structurele middelen voor beheer en onderhoud in het Hoofdlijnenakkoord van 2024 heeft AcICT medio augustus 2024 besloten om een voorgenomen toets op het programma uit te stellen naar een later moment. Het klopt dat dit programma op dit moment tot één van de grote IT-projecten van de rijksoverheid behoort.2
Klopt het dat er al 44 miljoen euro is uitgegeven en het project nu stop wordt gezet? Wat is er met deze 44 miljoen euro gerealiseerd?
Het klopt dat er tot nu toe 44 miljoen euro is uitgegeven, zoals AcICT in zijn advies schrijft. Daarmee zijn sinds de start van het programma in 2023 verschillende zaken bereikt en opgeleverd, onder andere:
Het programma wordt in zijn huidige vorm gestopt, in lijn met het advies van AcICT. Ik breng eerst de randvoorwaarden op orde en voer een aantal fundamentele wijzigingen door in de programmaopzet, -aansturing en -uitvoering, om vervolgens een herstart te kunnen maken in fases. Voor de herstart wordt voortgebouwd op de reeds gerealiseerde zaken die hierboven worden genoemd en die noodzakelijk zijn om het nieuwe programma te voltooien.
Waarom zijn er vooraf geen duidelijke afspraken gemaakt over het eigenaarschap van, de verantwoordelijkheid voor, en de besturing van de toekomstige informatievoorziening over data, processen, intellectueel eigendom en beheer? Bent u het met de adviesraad eens dat vanuit u en uw ministerie te weinig regie is genomen op dit project en zo ja, hoe komt dit?
Elk van de betrokken organisaties is eigenaar van de eigen informatievoorziening en blijft verantwoordelijk voor ordentelijke verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens via de vigerende kaders zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Voor de sturing van het programma is reeds een governance ingericht onder leiding van een landelijke stuurgroep, die wordt voorgezeten door VWS. Deze afspraken zijn onveranderd. De afspraken over beheer van het IV-landschap en alle daaraan verwante vraagstukken kunnen verder worden uitgewerkt nadat een landelijke beheerorganisatie (LBO) is geselecteerd, naar verwachting dit najaar. Ik ben het met AcICT eens dat het programma beter te beheersen zal zijn als het gefaseerd wordt uitgevoerd. VWS zal daarom de regie op het programma na de herstart versterken door eerst de basis die nodig is voor de reguliere infectieziektenbestrijding op orde te brengen en daarna pas de grootschalige pandemische functies te bouwen.
Hoe reflecteren het RIVM en GGD-GHOR op de constateringen in het rapport, op het gebrek aan samenhang in de projecten en kunt u hen verzoeken hun reflectie zo snel mogelijk met de Kamer te delen?
Beide organisaties hebben aangegeven zich te herkennen in de constateringen in het adviesrapport, en hebben deze aangegrepen om te komen tot een inhoudelijke én financiële herijking van hun deel in het programma. Mede op basis hiervan heb ik besloten het programma in z’n huidige vorm te stoppen (conform het advies van AcICT) en een herstart te maken waarin randvoorwaarden verder op orde zijn gebracht, de focus eerst gelegd wordt op het op orde brengen van de basis (fase 1) en vervolgens de grootschalige pandemische functies worden toegevoegd (fase 2). Beide organisaties geven tegelijk aan blij te zijn dat nut en noodzaak voor de maatschappelijke opgave nogmaals wordt bevestigd in het adviesrapport van AcICT.
Kunt u duiden hoe de onderzoekers in het rapport tot de conclusies zijn gekomen dat «de eisen aan pandemische paraatheid van de LFI geen concrete en meetbare invulling [hebben]» en «de bijdrage van ieder van de deelprojecten aan de doelstellingen is onvoldoende expliciet gemaakt»?
AcICT is van mening dat doelstellingen van het programma nog onvoldoende duidelijk zijn. Het baseert zich daarbij op interviews en stukken en maakt daarin een eigen afweging. Ik maak dankbaar gebruik van de feitelijke constateringen en adviezen om de slaagkans van het programma te vergroten. Zo constateren de onderzoekers bijvoorbeeld terecht dat de eisen voor een aantal LFI-voorzieningen nog onvoldoende zijn uitgewerkt. Dit was ook in het programma bekend en werd tot dan toe niet als groot risico beschouwd dat het einddoel en planning in gevaar zou brengen. Het advies van AcICT onderstreept echter de urgentie om op korte termijn deze eisen gereed te hebben en daarvoor zijn inmiddels de nodige acties genomen.
Kunt u uitleggen waarom herformuleren van de doelen voor het IV-IZB programma geen onderdeel uit lijken te maken van het op orde brengen van de randvoorwaarden? Hoe voorkomen we dat dit opnieuw mis gaat?
In mijn bestuurlijke reactie kondig ik aan dat het ministerie de uitvoerende partijen onder strakkere regie beter gaat aansturen. Onderdeel daarvan is ook het specifiek, meetbaar, actiegericht, realistisch en tijdsgebonden (SMART) herformuleren van de doelstellingen. Door fasering tegelijk met verbetering van periodieke rapportages, kwaliteitsmanagement en financiële verantwoording verwacht ik dat mijn departement beter in staat is om regie te voeren op de uitvoering van het programma.
Wat maakt dat u het ondanks de inschatting in het rapport dat uw ministerie enkele jaren nodig zal hebben voor het invullen van de randvoorwaarden, mogelijk acht nog dit najaar fase 1 te kunnen herstarten?
Ik ben voornemens om een aantal randvoorwaarden (structurele financiering, selecteren landelijke beheerorganisatie (LBO) en strakkere regie vanuit het ministerie) dit najaar op orde te brengen. Daarmee acht ik een herstart op korte termijn mogelijk. Juridische aspecten breng ik gedurende de looptijd van het programma op orde. Daarmee voorkom ik dat de uitvoering van het programma onnodig grote vertraging oploopt, gezien de doorlooptijd van een gemiddeld wetstraject. Dat de wetgeving nog niet is afgerond staat het realiseren van informatievoorzieningen namelijk niet in de weg, omdat het niet leidt tot andere technologische keuzes voor ondersteuning van gegevensuitwisseling en het ook noodzakelijk is om voortgang te behouden op dat vlak. Zo zijn de aanpassingen van de Wet Publieke Gezondheid (2de en 3de tranche) al enige tijd in voorbereiding. Daarnaast werk ik aan wet- en regelgeving om de centrale beheertaak van de informatievoorziening (LBO) te beleggen bij het aangewezen agentschap en het verplichte gebruik van die voorziening door alle GGD’en. Vanzelfsprekend geldt dat aanvaarding door het parlement van de voorgestelde wet- en regelgeving en inwerkingtreding daarvan essentieel zijn voor het daadwerkelijke centrale beheer van de informatievoorziening door het agentschap.
Met de recente datadiefstal bij bevolkingsonderzoek Nederland nog in gedachten, welke extra maatregelen bent u voornemens te treffen om toekomstige patiëntdata die binnen het IV-IZB verzameld zal worden, extra te beschermen?
De informatievoorzieningen in dit nieuwe IV-landschap moeten voldoen aan de strengste Rijkskaders voor cyberveiligheid, zoals opgelegd door de Europese NIS2-verordening (in Nederland geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet) en het Rijkscloudbeleid. Ook door de landelijke beheerorganisatie voor de GGD’en worden deze kaders gevolgd.
Hoe komt het dat er vooral aandacht is voor de koude fase en weinig op de warme fase? Hoe reflecteert u hier op?
Functies die nodig zijn tijdens de reguliere infectieziektebestrijding (koude fase) zijn ook in opgeschaalde vorm nodig ten tijde van een pandemie (warme fase). Zonder een solide basis is opschalen in crisistijd niet mogelijk. Daarom maak ik nu, in lijn met het AcICT advies, de keuze om eerst de basis op orde te brengen voor de reguliere infectieziektebestrijding en daar vervolgens de grootschalige pandemische functies aan toe te voegen. Op die manier wordt een IV-landschap gerealiseerd dat klaar is voor dagelijks gebruik in de infectieziektebestrijding, én klaar is voor opschaling wanneer dat aan de orde is vanwege een grootschalige (pandemische) uitbraak. Daarmee blijft het IV-landschap in lijn met een fundamentele ontwerpkeuze die ik op 31 januari 2023 met uw Kamer heb gedeeld als antwoord op vragen naar aanleiding van een schriftelijke overleg: «Maak voor de reguliere infectieziektebestrijding een informatievoorziening die geschikt is voor opgeschaald gebruik».3
Hoe ziet u deze tekortkomingen in het licht van het belang van maatschappelijke weerbaarheid en opschalingsvermogen, zowel fysiek als digitaal, in tijden van crisis? Hoe krijgt Nederland zo snel mogelijk robuuste IT-infrastructuur voor noodsituaties zoals een pandemie of een andere volksgezondheidscrisis?
Het Programma IV IZB zorgt voor (door)ontwikkelen van de informatievoorziening voor de reguliere infectieziektebestrijding die ook geschikt is voor opgeschaald gebruik en draagt daarmee bij aan de weerbaarheid van Nederland ten tijde van noodsituaties als een pandemie. Door de nodige aanpassingen te doen in het programma, zoals fasering en financiële herijking, en daarna op korte termijn een herstart te maken, krijgt Nederland zo snel mogelijk de benodigde IT-infrastructuur in de publieke kern van infectieziektebestrijding.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer duidelijk informeert over hoe dit project zal worden voortgezet alvorens onomkeerbare stappen te nemen?
In het verleden is uw Kamer op gezette tijden geïnformeerd over de voortgang van het beleidsprogramma Pandemische Paraatheid, waarvan dit IV-programma een vast onderdeel is. Ik zal uw Kamer uiteraard op de hoogte blijven houden van de voortgang.
De brandbrief van burgemeesters over de wolf en over wolven uitrusten met zenders. |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Herkent u de signalen uit de brandbrief dat de angst en maatschappelijke onrust toenemen doordat wolven vaker nabij mensen, bebouwing en huisdieren worden gesignaleerd?1
Ik ben me zeer bewust van de toenemende angst en maatschappelijke onrust. Daarom zet ik me samen met provincies en gemeenten met de grootste urgentie in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen bij incidenten mogelijk te maken.
Deelt u de opvatting dat het uitrusten van wolven met zenders noodzakelijk is om beter inzicht te krijgen in hun gedrag en verplaatsingen in een klein en dichtbevolkt land als Nederland, en dat dit direct kan bijdragen aan veiligheid en risicobeheersing?
Ik vind het zenderen van wolven van groot belang om meer inzicht te krijgen in het gedrag van probleemwolven. De gegevens uit zenderonderzoek kunnen behulpzaam zijn bij het opstellen van beleid om incidenten met wolven te beperken.
Bent u bereid te bevorderen dat in het vervolgonderzoek álle bekende roedels in Nederland worden bezenderd, zodat er een landelijk dekkend en meerjarig beeld ontstaat van verplaatsingen, incidenten en risico’s?
Ik ga er op inzetten om wolven via zenders beter te monitoren in Nederland. Om een bruikbaar beeld van het gedrag van wolven in alle territoria in Nederland te krijgen, wordt door de deskundigen aangegeven dat idealiter in elk roedel ten minste een van de territoriale ouderdieren wordt gezenderd. Er bestaan grote individuele verschillen tussen dieren voor wat betreft hun gedrag, maar ouderdieren kunnen in de regel wel een goede indicatie geven. Deze dieren zijn de permanente gebruikers van dit territorium en hun gedrag is veelal exemplarisch voor het gedrag van alle dieren in hun roedel.
Welke juridische voorwaarden gelden momenteel voor zenderonderzoek bij wolven? Klopt het dat hiervoor een ontheffing onder artikel 16 van de Habitatrichtlijn is vereist, en hoe beoordeelt u de toepasbaarheid daarvan in de Nederlandse situatie?
Wanneer een wolf wordt gevangen, daarna verdoofd en vervolgens onder verdoving een halsbandzender wordt omgehangen, is er sprake van een dierproef. 2Zenderonderzoek zal daarom moeten voldoen aan de vereisten uit de Wet op de dierproeven (Wod). Dat betekent dat een instelling een algemene vergunning dient te hebben om proefdieronderzoek te mogen doen (instellingsvergunning). Tevens dient voor het specifieke zenderonderzoek een projectvergunning aangevraagd te worden bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).
Naast de verplichtingen van de Wod zal voor het vangen en verdoven van wolven ook moeten worden voldaan aan de voorwaarden van de Habitatrichtlijn. Hiervoor is een vergunning nodig van de provincie(s) waar het zenderen plaatsvindt of – wanneer onderzoek wordt uitgevoerd op terreinen van het Ministerie van Defensie of op het Kroondomein – een vergunning van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze vergunningplicht geldt zodra de bij beide Kamers voorgehangen AMvB van kracht wordt.3 Tot die tijd geldt de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaraan bij maatwerkvoorschrift verder invulling kan worden gegeven.
In de vergunning – als straks de vergunningplicht van kracht is geworden – zal ook moeten worden aangegeven welke vangmethode gebruikt kan worden. Tot de invoering van de vergunningplicht kunnen in een maatwerkvoorschrift op dit punt beperkingen worden gesteld.
Een verdovingsgeweer is de gebruikelijke vangmethode. Deze methode is echter alleen bruikbaar wanneer de wolf zich op een afstand bevindt die korter is dan circa 30 meter. Aangezien de natuurlijke verstoringsafstand van een wolf zo’n 100 meter is, is veelal ook een manier nodig om dicht bij een wolf te kunnen komen. Kastvallen zijn voor wolven minder geschikt, omdat de dieren deze in de regel vermijden. Het gebruik van vallen met een niet-selectieve werking of van andere niet-selectieve middelen of vangmethode is op grond van artikel 15 van de Habitatrichtlijn in beginsel verboden. Gebruik daarvan vergt een aanvullende omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit dan wel maatwerkvoorschriften van de betreffende provincie(s) of – wanneer onderzoek wordt uitgevoerd op terreinen van het Ministerie van Defensie of op het Kroondomein, van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Daarbij moet toepassing worden gegeven aan het beoordelingskader van artikel 16 van de Habitatrichtlijn.
Daarnaast heeft de EU een verbod ingesteld op het gebruik van wildklemmen voor het vangen van wilde dieren (Verordening 3254/91/EEG). Dit verbod is neergelegd in artikel 11.72, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt in principe ook voor het gebruikvan pootklemmen voor het vangen van wolven. Volgens de Europese Commissie4 kan evenwel bij uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek of monitoring van diersoorten – waaronder zenderen kan worden begrepen – het gebruik van pootklemmen worden toegestaan, in het licht van de doelstelling van Verordening 3254/91/EEG om de instandhouding van diersoorten te verbeteren. De pootklem kan dus niet worden gebruikt om dieren te vangen met als doel om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden.
Hoeveel ontheffingen voor zenderonderzoek zijn in Nederland de afgelopen jaren verleend en uitgevoerd, en hoe verhoudt dit zich tot de praktijk in andere lidstaten, zoals Duitsland en Finland, waar structureel zenderprogramma’s bestaan?
Wageningen University & Research (WUR) beschikt sinds 7 september 2021 over een onherroepelijke onderzoeksontheffing, verleend door de provincie Gelderland voor het vangen en zenderen van onder andere zoogdieren. Wolven vallen hier ook onder. Medio oktober heeft WUR gebruik gemaakt van deze ontheffing en voor het eerst een wolf in het Nationaal Park de Hoge Veluwe voorzien van een zender voor onderzoek. Daarnaast beschikt de Zoogdiervereniging sinds 1 juni 2023 over een vergelijkbare onherroepelijke onderzoeksontheffing, verleend door de provincie Gelderland.
De provincie Utrecht heeft onlangs via maatwerkvoorschriften toestemming gegeven voor het zenderen van wolven in hun provincie. Er is in deze provincie nog geen wolf voorzien van een zender.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, is het aan de provincies of RVO om structurele zenderprogramma’s door middel van vergunningen of maatwerkvoorschriften mogelijk te maken.
Hoe gaat u borgen dat de gegevens uit zenderonderzoek niet alleen voor ecologische doeleinden worden benut, maar ook actief beschikbaar komen voor provincies, gemeenten en burgemeesters die verantwoordelijk zijn voor openbare orde en veiligheid?
Gegevens uit wetenschappelijk zenderonderzoek zijn in de regel openbaar beschikbaar. Ik ga ervan uit dat hierover afspraken worden gemaakt binnen de onderzoeksplannen. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, kan het gebruik van pootklemmen voor het vangen van wolven voor zenderonderzoek op grond van EU regels alleen worden toegestaan als het doel is om de instandhouding te verbeteren en niet om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden in het kader van openbare orde en veiligheid.
Is het mogelijk, en zo ja op welke termijn, om aan de hand van bestaande, lopende en nieuwe onderzoeken, te komen tot een landelijk dekkend Soorten Management Plan (SMP) voor de wolf, zodat provincies en gemeenten in de vergunningverlening ook handelingsperspectief krijgen met een (wetenschappelijke) onderbouwing?
Een Soorten Management Plan (SMP) kan worden gebruikt als basis voor een gebiedsvergunning voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna (flora- en fauna-activiteiten). Provincies zijn in de regel het bevoegd gezag voor het afgeven van een dergelijke gebiedsvergunning, waarbij iedere provincie in beginsel alleen bevoegd is voor het verlenen van een gebiedsvergunning voor handelingen die plaatsvinden binnen de eigen provinciegrenzen. Het opstellen van één landelijk dekkend SMP voor de wolf zal waarschijnlijk onvoldoende gedetailleerde gebiedspecifieke informatie bieden om te kunnen gebruiken als basis voor verschillende gebiedsvergunningen in meerdere provincies. Het ligt daarom meer voor de hand om, indien SMP’s inderdaad als kansrijke oplossingsrichting worden gezien, specifiek op provincies toegesneden provinciale SMP’s te maken op grond waarvan provincies gebiedsvergunningen kunnen verlenen. De provincies zijn samen met mijn ministerie aan het verkennen welke juridisch houdbare mogelijkheden er zijn om sneller een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te kunnen verlenen voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van de wolf. Daarbinnen is ook de vraag meegenomen of het opstellen van een SMP (één landelijk dekkend of meerdere op provincies toegesneden SMP’s), met daaraan gekoppeld het verlenen van een gebiedsvergunning, als één van de oplossingsrichtingen verkend kan worden. Of dit ook daadwerkelijk zal leiden tot een beter handelingsperspectief voor vergunningverlening door provincies (of gemeenten) is op dit moment nog niet te zeggen.
Acht u het denkbaar dat zenderdata kunnen worden gebruikt om in Europees verband beleidsruimte te onderbouwen voor maatwerk, zoals het verjagen van wolven of andere maatregelen om de risico’s verder te beheersen, nu Wageningen University & Reseaerch (WUR) concludeert dat Nederland niet zelfstandig een gunstige staat van instandhouding van de wolf kan bereiken? In navolging op eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Flach (SGP) van 23 september 2025.
Voor het onderbouwen van beleid zijn gegevens uit zenderonderzoek zeer nuttig. Ook om meer duidelijkheid te krijgen over de staat van instandhouding van wolven in Nederland. De conclusies uit het onderzoek van WUR zijn voor mij niet voldoende. Er is hier namelijk enkel door een ecologische bril naar één puzzelstukje van een voor mij veel grotere puzzel heeft gekeken. Daarom laat ik een aanvullend onderzoek uitvoeren door een andere internationale deskundige onderzoekspartij. Ik heb de betrokken onderzoekspartij gevraagd om in dit nieuwe onderzoek de specifieke situatie voor Nederland als klein en dichtbevolkt land te betrekken en dus juist ook andere relevante perspectieven zoals socio-economische overwegingen en fysieke veiligheid hier expliciet in mee te nemen.
De Ontwerp-Nota Ruimte |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
De Minister stelt in de Ontwerp-Nota Ruimte dat «iedere regio telt»; hoe wordt dat concreet geborgd, nu de nadruk in de Ontwerp-Nota Ruimte vooral op metropoolregio’s en grote steden ligt?
Hoe zorgt u ervoor dat woningbouw en ruimtegebruik niet worden gedicteerd door marktbelangen (projectontwikkelaars, beleggers), maar primair door publieke waarden als betaalbaarheid, leefbaarheid en strategische autonomie?
Deelt u de mening dat er duidelijke keuzes gemaakt moeten worden voor wat Nederland voor economie wil zijn? Waarom ontbreekt in de Ontwerp-Nota Ruimte een normerend kader dat bijvoorbeeld uitsluit dat Nederland zich verder specialiseert in distributiecentra en datacenters, in plaats van in innovatieve maakindustrie of kennisintensieve sectoren?
Hoe borgt u dat mensen zien dat keuzes rechtvaardig en uitlegbaar zijn? Op welke manier wordt transparant gemaakt wat er niet meer kan, en waarom?
Waarom kiest u voor open einden en ontwikkelpaden in plaats van voor harde beslissingen tot 2050, terwijl burgers en gemeenten juist behoefte hebben aan duidelijkheid?
Kunt u bevestigen dat de ambitie uit de woondeals en de Ontwerp-Nota Ruimte is om 1 miljoen woningen te realiseren tot en met 2034?
Kunt u exact aangeven welke locaties deze 1 miljoen woningen opleveren, uitgesplitst in grootschalige gebieden, regionale locaties en kleinschalige binnenstedelijke verdichting?
Hoeveel van deze 1 miljoen woningen zijn concreet gealloceerd aan grootschalige locaties die in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn opgenomen, en hoeveel zijn afhankelijk van kleinschalige binnenstedelijke verdichting?
Hoeveel woningen uit de woondeals zijn niet terug te vinden in de Ontwerp-Nota Ruimte? Welke risico’s brengt dat met zich mee voor de haalbaarheid van de nationale doelstelling?
Hoeveel woningen worden volgens u tot 2034 gerealiseerd op: a) nieuwe uitleglocaties, b) transformatielocaties (bijvoorbeeld bedrijventerreinen), c) binnenstedelijke verdichting?
Hoeveel woningen verwacht u dat er in de periode 2035–2050 worden gebouwd? Kunt u dit uitsplitsen in scenario’s, mede in relatie tot de rapportage van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen?
Wanneer zullen de eerste woningen in de vier nieuwe nationale grootschalige locaties (Apeldoorn, Helmond, Alkmaar, Hengelo/Enschede) worden opgeleverd en hoeveel daarvan zullen tot 2034 opgeleverd worden?
Welke garanties heeft u dat de fasering van de 17 nationale grootschalige NOVEX-gebieden daadwerkelijk tot de beoogde 400.000 woningen tot 2030 leidt?
Welke concrete saneringsopgaven (bodem, vervuilde terreinen, oude stortplaatsen) moeten worden opgelost voordat woningbouw op de aangewezen locaties kan starten?
U stelt dat voor alle ruimtevraagstukken samen drie keer het grondoppervlak van Nederland nodig zou zijn. Welke concrete keuzes zijn daarom niet in de Concept-Nota Ruimte opgenomen; wat doen we dus niet?
Waarom sluit u geen sectoren uit, zoals datacenters, distributiecentra of grootschalige slachterijen, terwijl dit forse claims legt op de beschikbare ruimte?
Op welke locaties is woningbouw bewust niet mogelijk verklaard vanwege waterveiligheid, bodemgesteldheid of andere fysieke beperkingen?
Welke economische functies krijgen volgens de Ontwerp-Nota Ruimte voorrang, en welke functies worden achtergesteld of beperkt?
Hoe beoordeelt u het verschil in benadering: mijn fractie kiest voor expliciete begrenzing van economische activiteiten (geen grote datacenters/distributie/slachterijen), de Ontwerp-Nota Ruimte kiest voor clustering maar sluit deze functies juist niet uit?
Welke ruimte wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte expliciet gereserveerd voor de borging van voedselzekerheid in Nederland?
Hoe verhoudt de landbouwtransitie (gericht op verduurzaming en natuurinclusief) zich tot het waarborgen van voldoende productiecapaciteit voor de Nederlandse autonome voedselzekerheid?
Welke ruimteclaims zijn gereserveerd voor energiezekerheid (opslag, infrastructuur, kernenergie, hernieuwbaar) en zijn deze ruimteclaims prioritair?
Op welke manier is rekening gehouden met de ruimtebehoefte van Defensie (NPRD – Nationaal Programma Ruimte voor Defensie), en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwplannen?
Hoe worden conflicten opgelost wanneer de ruimteclaims voor energie, defensie en woningbouw elkaar overlappen in dezelfde regio?
Op welke wijze heeft u het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen meegenomen in de Ontwerp-Nota Ruimte?
Kunt u toelichten hoe het voorkeursscenario van de Staatscommissie (met een lagere migratie en meer grip op bevolkingsgroei) zich vertaalt in de woningbouwopgave tot 2050?
Waarom zijn er in de Concept-Nota Ruimte geen harde bouwcijfers na 2034 opgenomen, terwijl we nu al weten dat de demografische druk doorloopt tot 2050 en verder?
Hoe borgt de Minister dat de regionale verschillen in demografie (krimpgebieden versus groeiregio’s) voldoende worden meegenomen in de ruimtelijke keuzes?
In hoeverre zijn de demografische ramingen van het CBS en PBL (hoge migratiescenario’s) bepalend geweest voor de gekozen ontwikkelpaden?
In hoeverre is de Ontwerp-Nota Ruimte beperkt of gestuurd door Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, Natura 2000-verplichtingen en klimaatdoelstellingen (Fit for 55)?
Hoeveel van de keuzes in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn ingegeven door Europees recht en hoeveel door nationale beleidskeuzes?
Waar ziet de u de meeste spanning tussen Europese verplichtingen en de Nederlandse woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat Europese milieudoelen ««verstikkend»« werken voor nationale keuzes in ruimtegebruik, en deelt u de analyse dat dit de bouwopgave vertraagt?
Hoe borgt u dat Nederland voldoende ruimte houdt voor strategische autonomie (energie, defensie, voedsel) binnen de kaders van Europese wetgeving?
Wanneer ontvangt de Kamer een concreet uitvoeringsplan bij de Ontwerp-Nota Ruimte met duidelijkheid over verantwoordelijkheden, instrumenten, tijdslijnen en monitoring?
Hoe voorkomt u dat de Ontwerp-Nota Ruimte net als eerdere nationale plannen blijft steken in ambities zonder tanden, doordat concrete afspraken ontbreken?
Hoe wordt gezorgd dat de capaciteit bij gemeenten, provincies en uitvoeringsorganisaties voldoende is om de ruimtelijke keuzes daadwerkelijk uit te voeren?
Hoeveel geld is er tot 2034 en daarna tot 2050 nodig en daadwerkelijk beschikbaar (reality check) om de gekozen woningbouwlocaties, infrastructuur, natuur- en energieopgaven echt te realiseren?
Hoe beoordeelt u de haalbaarheid van de ruimtelijke keuzes, als er geen duidelijkheid is over budget, kostenverdeling tussen Rijk, regio’s en gemeenten, en dekking in de rijksbegroting?
Hoe gaat u om met de faalkosten van beleid (vertragingen, juridische procedures, mislukte plannen) en is hiervoor een reservering gemaakt?
Hoe garandeert u dat keuzes die in de Ontwerp-Nota Ruimte worden gemaakt niet leiden tot structureel hogere kosten voor burgers (bijvoorbeeld via hogere grondprijzen, woonlasten of energieprijzen)?
Hoe verhoudt de Ontwerp-Nota Ruimte zich tot de adviezen van de Raad van State over de noodzaak tot keuzes en prioritering in het ruimtegebruik?
Hoe borgt u dat burgers betrokken worden bij keuzes die hun leefomgeving fundamenteel veranderen?
Hoe wordt voorkomen dat de Ontwerp-Nota Ruimte een papieren werkelijkheid blijft en dat de feitelijke beslissingen versnipperd en inconsistent zijn?
Hoe gaat u om met de kritiek dat de Ontwerp-Nota Ruimte vooral een optelsom van claims is, zonder helder rangordekader (welke claims zwaarder wegen dan andere)?
Het bedrijf Pluspetrol |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eindverklaring van het OECD National Contact Point (NCP) over het bedrijf Pluspetrol die op 3 september is gepubliceerd?1
Ja.
Klopt het dat Pluspetrol een Argentijns bedrijf is met tien brievenbusmaatschappijen in Nederland?2 Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Pluspetrol activiteiten in Nederland heeft.
Heeft Pluspetrol in het verleden geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten zoals subsidies, bilaterale investeringsverdragen, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen? Is deze steun openbaar? Zo nee, waarom niet?
Pluspetrol heeft in het verleden niet geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten. Conform internationale afspraken3 investeert de Nederlandse overheid niet langer of verleent geen financiering of actieve ondersteuning met handelsbevordering instrumenten, zoals missies, met betrekking tot de fossiele energiesector in het buitenland. In specifieke gevallen kan hierop een uitzondering worden gemaakt als energieleveringszekerheid voor Nederland of Europa in het geding is.
Bent u van mening dat Pluspetrol, na het zeer kritische oordeel van het NCP, nog steeds recht heeft op Nederlandse handelsfaciliteiten, zoals subsidies, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen, indien zij hierom verzoeken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? En welke maatregelen gaat u dan treffen?
Pluspetrol kan geen aanspraak maken op het handelsinstrumentarium vanwege de in het antwoord op vraag 3 benoemde afspraken over de uitfasering van de ondersteuning voor de fossiele energiesector. In principe kan aan Pluspetrol geen toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen worden ontzegd. Wel kunnen er bij aanbestedingen ten aanzien van mensenrechten eisen worden gesteld waaraan bedrijven moeten voldoen.
In algemene zin verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat ze de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) toepassen.4
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het bedrijf Pluspetrol meer dan 3.200 vervuilde locaties heeft achtergelaten in Peru? Heeft u kennisgenomen van het feit dat Pluspetrol weigert voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen om de vervuilde locaties in Peru te saneren? Deelt u de analyse dat de financiele stromen van Pluspetrol via vennootschappen zonder reële economische activiteit in onder andere Nederland, verborgen blijven? Zo nee, kunt u dan op basis van publiek toegankelijke data aangeven hoeveel belasting de Nederlandse entiteiten van Pluspetrol de afgelopen 15 jaar aan de Nederlandse Belastingdienst hebben betaald?
Ik heb kennisgenomen van de bevindingen van de Eindverklaring van het NCP. Niet alle financiële stromen van bedrijven zijn openbaar. Het is op dit moment niet mogelijk om op basis van openbare data aan te geven hoeveel belasting bepaalde bedrijven in Nederland hebben betaald. Er worden echter relevante stappen gezet op het gebied van transparantie over de belastingafdracht van grote bedrijven. Met ingang van het boekjaar dat begint op of na 22 juni 2024 zijn multinationals in de EU met een totale geconsolideerde omzet van minstens € 750 miljoen jaarlijks verplicht om in het handelsregister onder meer openbaar te maken hoe veel winstbelasting zij betalen in de landen waarin ze actief zijn (de zogenaamde openbare country-by-country reporting, CbCR). Ook grote dochtermaatschappijen in de EU-lidstaten, waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd, zijn verplicht openbaar te maken hoe veel winstbelasting het hele concern in elke EU-lidstaat en in de landen daarbuiten betaalt.
Heeft de NCP-uitspraak consequenties voor eventuele afspraken met de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties?
De Belastingdienst is het op basis van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet toegestaan in te gaan op individuele fiscale dossiers. In algemene zin kan wel het volgende worden opgemerkt.
Een belanghebbende kan verzoeken om vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf. Dit geldt zowel voor burgers als bedrijven. Zo kun je als belastingplichtige vooraf zekerheid krijgen over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit doet de Belastingdienst binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie. Een ruling zorgt dus voor zekerheid vooraf over de uitleg van de wet. De uitleg van fiscale wet- en regelgeving voor belastingplichtigen is echter altijd gelijk, met of zonder ruling. Zekerheid vooraf vervult niet alleen een waardevolle functie voor belastingplichtigen, maar ook een belangrijke functie in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst zal onder andere echter geen zekerheid vooraf geven als het besparen van belasting de enige of doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) waarover zekerheid vooraf wordt gevraagd of wanneer de (rechts)handeling(en) buiten het beoogde fiscale voordeel geen of weinig reële, praktische betekenis heeft (hebben).
Bent u bekend met de observatie van het NCP dat het vanwege een gebrek aan capaciteit en informatie niet in staat was om de belastingontwijking door Pluspetrol te beoordelen? Bent u van mening dat bedrijven en de overheid meer gegevens en informatie moeten verstrekken over de activiteiten van bedrijven als Pluspetrol? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u hiertoe?
Ik ben bekend met de observaties van het NCP. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zullen grote multinationals meer transparantie moeten betrachten over hun belastingafdracht onder de openbare country-by-country reporting regels. Daarin wordt dus een stap gezet naar meer transparantie. Het kabinet ziet niet de mogelijkheid om vanuit de overheid meer informatie openbaar te maken over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht. Naast het beschermen van de privacy dient de fiscale geheimhouding het belang van de staat. De fiscale geheimhouding draagt namelijk bij aan de compliance, en daarmee de belastingheffing. Hierover heeft de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane uw Kamer op 21 juli 2025 geïnformeerd.5 Het kabinet verwijst u graag naar die brief voor de afwegingen die hebben geleid tot deze conclusie. Uw Kamer heeft de motie-Stultiens6 aangenomen om opties in kaart te brengen voor het vergroten van transparantie over belastingen door bedrijven en de overheid. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane zal voor de plenaire behandeling van het Belastingplan 2026 inhoudelijk reageren op deze motie.
Klopt het dat het aantal bedrijven dat de OECD Guidelines heeft erkend, op 35% staat?3 Klopt het dat het streven is om dit percentage naar 90% te brengen? Vallen bedrijven die hier gevestigd zijn als brievenbusfirma, zoals Pluspetrol, onder deze meting? Zo nee, waarom niet? Gaat dit veranderen naar aanleiding van het NCP oordeel, dat stelt dat ook deze bedrijven aan de OECD Guidelines moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
In 2013 is de doelstelling geformuleerd dat 90% van de grote Nederlandse bedrijven in 2023 de OESO-richtlijnen expliciet zou onderschrijven als referentiekader voor hun internationale activiteiten. Bij de eindmeting in 2023 bleek dat 41% van deze bedrijven de OESO-richtlijnen en/of UN Guiding Principles on Business and Human Rights onderschreef.8 De onderzoeksgroep betrof in Nederland gevestigde bedrijven die binnen de destijds beoogde reikwijdte van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) vielen en waarvoor relevante data beschikbaar was. In het BHOS-jaarverslag 2023 (Kamerstuknummer 36560-XVII-1) is toegelicht dat dit de laatste keer was dat de voortgang op de 90%-doelstelling is gemonitord. Dit met het oog op aanstaande IMVO-wetgeving die het voor een deel van het bedrijfsleven verplicht maakt gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
De staalslakkenkwesties |
|
Geert Gabriëls (GL), Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer wordt de bodemregelgeving aangepast en worden er in de nieuwe bodemregelgeving ook eisen toegevoegd over uitloging van niet genormeerde relevante stoffen, zoals natrium (Na), calcium (Ca), aluminium (Al), strontium (Sr), titanium (Ti), beryllium (Be) en boor (B) en beïnvloeding van de pH? Zo ja, geldt dat dan voor álle secundaire bouwstoffen?
Nederland heeft een zeer uitgebreid pakket aan stoffen dat genormeerd is. Het gaat om de belangrijkste stoffen die, als ze in verhoogde mate vrijkomen, kunnen leiden tot milieurisico’s of die een indicatie zijn van groepen van stoffen die een milieurisico vormen. Als er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn over de stoffen die van belang zijn om de risico’s van een bouwstof bij toepassing goed in beeld te brengen zal ik dit opnieuw bekijken. Er wordt overigens ook naar het gehele normenkader gekeken bij de herijking van de bodemregelgeving.
Belangrijk om op te merken is dat het ontbreken van specifieke normen voor bepaalde stoffen niet betekent dat hiervoor geen enkele norm geldt. In alle gevallen moet worden voldaan aan de wettelijke zorgplichten die gelden voor het produceren, leveren en toepassen van bouwstoffen. Deze zorgplichten houden in dat degene die bouwstoffen toepast altijd maatregelen moet nemen om milieuschade te voorkomen of te beperken, ook als er geen specifieke norm voor een stof is vastgesteld. Dit geldt dus ook voor parameters als pH en andere stoffen die (nog) niet in de bijlage van het Besluit bodemkwaliteit zijn genormeerd.
Waarom is de bodemregelgeving al zo lang niet meer aangepast, terwijl de omgevingsdiensten aangeven dat de bodemregelgeving hun geen handvatten bood en geboden heeft om goed toezicht te kunnen houden op bijvoorbeeld het gebruik van staalslakken?
In 2019 kwamen signalen naar voren over verontreinigingen bij toepassing van staalslakken. Dit ondanks de informatie in de «Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) in aanvullingen en ophogingen 2005» over het naleven van de wettelijke zorgplichten. Naar aanleiding van signalen is in 2021 besloten RIVM opdracht te geven voor een evaluatie van het normenkader voor de toepassing van bouwstoffen. Deze is in 2024 afgerond en de uitkomsten daarvan zijn meegenomen in de lopende herijking van de bodemregelgeving (die in 2023 van start ging). In de tussentijd is met ingang van 1 januari 2024 de informatieplicht voor producenten aangescherpt. Deze aanscherping heeft plaatsgevonden om de naleefbaarheid en handhaafbaarheid van de wettelijke zorgplichten te verbeteren. Ook is besloten tot invoering van een meldplicht1 die naar verwachting begin 2026 van kracht wordt. Daarmee wordt geborgd dat toezichthouders tijdig op de hoogte zijn en zo nodig vooraf kunnen ingrijpen. In juli 2026 heb ik uit voorzorg besloten om op de pauzeknop te drukken voor risicovolle toepassingen van LD/ELO-staalslakken. Ik heb dit gedaan door middel van een noodregeling. Daarmee zijn vooruitlopend op de herijking van de bodemregelgeving stappen gezet om problemen met de toepassing van staalslakken aan te pakken.
Is er ooit eerder overwogen om de «vrije toepasbaarheid» van staalslakken in te binden en het gebruik aan een meld- of vergunningsplicht te laten voldoen? Waarom wel/niet?
Aanpassen van regelgeving vergt zorgvuldigheid en kost tijd. Het is daarbij belangrijk om te bepalen welke maatregelen effectief zullen zijn. Daarvoor moeten de oorzaken van de problemen bekend zijn. In 2021 is besloten om RIVM opdracht te geven tot een evaluatie van het normenkader voor de toepassing van secundaire bouwstoffen. In deze evaluatie is gekeken naar de oorzaken van de ervaren problemen. Met het oog op de signaalrapportage van ILTv van april 2023 is besloten om, vooruitlopend op de uitkomsten van de evaluatie van het normenkader, door RIVM te laten onderzoeken hoe toezicht op staalslaktoepassingen kan worden versterkt. Dit heeft geleid tot de nog lopende implementatie van de meldplicht. Belangrijk is wederom op te merken dat vrije toepasbaarheid niet betekent dat het toepassen van staalslakken (en andere (secundaire) bouwstoffen) niet aan wettelijke eisen moet voldoen. Dat is wel degelijk het geval. Zie ook het antwoord op vraag 1 en 2.
Bent u bereid een wijziging van bijlage A van de Regeling Bodemkwaliteit 2022 door te voeren en daarbij alle relevante factoren voor gezondheid en milieu toe te voegen, waaronder de pH-waarde van uitloogwater?
In het kader van de lopende herijking van de bodemregelgeving wordt het normenkader onder de loep genomen. Indien uit nieuwe wetenschappelijke inzichten blijkt dat het van belang is om voor bepaalde niet-genormeerde stoffen normen op te nemen en deze normen ook kunnen worden gesteld, gebeurt dat. Echter, uit fase 1 van de herijking, waarin ook de evaluatie van het normenkader door RIVM is betrokken, blijkt dat aangrijpingspunten voor de oplossing van de problematiek niet zozeer liggen in het aanscherpen van uitloognormen voor het product, maar in het verduidelijken/aanscherpen van de regels voor toepassen en het vergroten van het zicht op secundaire bouwstoffen zoals staalslak. Voor pH-effecten geldt dat die sterk afhankelijk zijn van specifieke omstandigheden en dat het normeren daarvan ook (ongewenste) effecten heeft op andere bouwstoffen. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Waarom is de terugvaloptie bij het eventueel vervallen van het tijdelijke gedeeltelijke verbod op het gebruik van staalslakken een invoering van een meldplicht en niet een invoering van een vergunningsplicht vanaf 1 januari 2026?
De invoering van de informatie- en meldplicht was al ingezet ten tijde van de totstandkoming van de tijdelijke regeling. Het invoeren van een vergunningplicht begin 2026 is niet mogelijk qua tijdpad.
De reikwijdte van de meldplicht is overigens breder dan die van de tijdelijke regeling. De meldplicht zal ook gelden voor toepassingen die niet onder de tijdelijke regeling vallen, zoals toepassingen in waterbouw. De regeling is tijdelijk (1 jaar + mogelijk extra 6 maanden), omdat de Omgevingswet en de Wet milieubeheer dit voorschrijven. Op het moment dat de regeling vervalt geldt het dan van toepassing zijnde kader, waaronder de dan ingevoerde informatie- en meldplicht. Verdere aanvullende maatregelen worden de komende tijd bekeken. Zo wordt de optie om een vergunningplicht in te voeren beoordeeld in combinatie met andere opties, zoals een verbod voor bepaalde toepassingen en het opnemen van toepassingsregels.
Bent u bereid om terug te vallen op een totale vergunningsplicht vanaf 1 januari 2026 voor het gebruik van staalslakken?
Zie antwoord op vraag 5. Per 1 januari 2026 een vergunningplicht invoeren is niet nodig, omdat de risicovolle toepassingen nu onder de tijdelijke regeling vallen. Bovendien is het ook niet mogelijk qua tijdpad.
Waarom is er sinds in de circulaire van VROM in 2005 staat dat er milieuschade kan optreden bij het gebruik van staalslakken, niet verder ingegrepen om de bodemregelgeving ten aanzien van uitloging van zware metalen en ongeblust kalk aan te scherpen?
Zie antwoorden op vraag 1 en 2.
Wat vindt u van het feit dat Tata Steel niet eerder zijn risicodocumenten/gevarenclassificatie ten aanzien van het gebruik van staalslakken heeft aangepast en daarmee niet eerlijk is geweest over de impact die staalslakken kunnen hebben op de gezondheid van mens en dier?
Het zijn primair de bedrijven zelf die verantwoordelijk zijn voor de juiste indeling in gevaarklasse en het veilig kunnen gebruiken van de stoffen/mengsels die in de handel worden gebracht. Als hierbij onjuistheden optreden, dan kan hiertegen handhavend worden opgetreden. Zo is de ILT recent gestart met het aanspreken van Tata Steel op de onjuiste indeling onder de EU verordening inzake indeling, etikettering en verpakking (de CLP-verordening).
Kan Tata Steel aansprakelijk gehouden worden voor verwijderingskosten, omdat de gevarenclassificatie niet op orde was en er gezondheidsrisico’s zijn weggelaten?
Als Tata Steel of een tussenpersoon een product levert dat qua kwaliteit of samenstelling niet in overeenstemming is met de afspraken, dan is het aan de afnemer van dat product om eventuele kosten als gevolg daarvan al dan niet te verhalen op de leverancier.
Waarom geeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in zijn communicatie op schrift en via een technische briefing telkens aan dat het niet veel uitmaakt of restproducten van staalproductie de classificatie «afval» of «bijproduct» krijgen, terwijl het hoofd van OmgevingsdienstNL in het rondetafelgesprek van 25 september 2025 aangaf dat het wel degelijk relevant is of een product geclassificeerd wordt als «afval» of als «bijproduct»?
De relevante wetgeving voor de toepassing van staalslakken als bouwstof zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk). De status van een materiaal (afval of niet), is niet relevant voor toepassing als bouwstof onder het Bal, Bbk en Rbk. Dit is een bewuste keuze geweest om ervoor te zorgen dat de eisen die gesteld worden aan de toepassing als bouwstof altijd hetzelfde zijn, ongeacht de status van het materiaal, zie de nota van toelichting op het Bbk (Stb. 2007, 469) en op het Bal (Stb. 2021, 98). Zolang aan de eisen van het Bal, het Bbk en de Rbk wordt voldaan, is dus niet relevant of staalslakken die als bouwstof worden toegepast moeten worden gekwalificeerd als afvalstoffen of dat daaraan niet de status van afvalstof is verbonden. Voor andere zaken kan de status daarentegen wel verschil maken. Denk bijvoorbeeld aan import en export, omgevingsvergunning, transport, opslag.
Is het juist dat er bij de classificatie van het restproduct van staalproductie als «afval» sprake is van het moeten betalen van afvalstoffenbelasting? Zo ja, heeft dit meegespeeld in de beoordeling bij het vormgeven van het rechtsoordeel?
Nee, dat is onjuist. De afvalstoffenbelasting, gebaseerd op de Wet belastingen milieugrondslag, heeft alleen een grondslag om belasting te heffen voor het storten van afval op een stortplaats en het verbranden van afval in een afval(mee)verbrandingsinstallatie waar huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand. Bij het toepassen van staalslakken als bouwstof onder het Bbk, is geen sprake van storten of verbranden en daarmee ook niet van het betalen van afvalstoffenbelasting.
De beoordeling in het rechtsoordeel is gebeurd op basis van een toetsing aan de vier Europese voorwaarden voor bijproduct uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen, die in Nederland zijn neergelegd in de Wet milieubeheer. Hierbij is geen relatie met de afvalstoffenbelasting. De vraag of er afvalstoffenbelasting zou moeten worden betaald heeft dus niet meegespeeld in de beoordeling van staalslakken bij het opstellen van het rechtsoordeel.
Klopt het dat er bij het opruimen een verschil zit in verantwoordelijkheid wanneer het staalslakkenspul geclassificeerd is als «afval» of als «bijproduct»? Zo ja, wat zijn de verschillen?
Nee. Er is in de praktijk geen verschil in verantwoordelijkheid. Wanneer staalslakken moeten worden opgeruimd vanwege een verkeerde toepassing en er sprake is van (dreigende) milieuschade, kan daar door het bevoegd gezag op basis van de bodem- en afvalregelgeving handhavend tegen worden opgetreden. In zo’n situatie kan het materiaal niet (meer) als bijproduct worden beschouwd, omdat niet aan de daarvoor geldende voorwaarden uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en de Wet milieubeheer wordt voldaan.
Klopt het dat Tata Steel verantwoordelijk is voor alle verwijderings- en saneringskosten in situaties waar de staalslakken toch als afvalproduct moeten worden geclassificeerd?
Die is niet generiek aan te geven. In algemene zin is de toepasser verantwoordelijk voor juiste toepassing conform de regels, ongeacht of het materiaal afval is of niet. Er moeten altijd maatregelen worden genomen als blijkt dat er milieuschade heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden. Naast de toepasser heeft de producent of leverancier ook verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld waar het gaat om het vermelden van informatie op de milieuverklaring en de zorgplicht van artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer. Indien dit niet of onvoldoende gebeurt kan hierop worden gehandhaafd.
Waarom is er in de technische briefing van dinsdag 23 september 2025 aangegeven dat het voorleggen van een totaalverbod aan «Europa» juridisch moeilijk te onderbouwen is, terwijl er een onderzoek uit 2007 ligt van dhr. Van der Sloot, waarin staat dat milieuschade niet direct afhangt van de dikte van de laag en er dus ook juridische onderbouwing is voor optreden van milieuschade bij gebruik van pakketten staalslakken onder de 50 cm dikte?
Voor een tijdelijke regeling op basis van het voorzorgbeginsel moet een directe aanleiding zijn. Het instrument is nadrukkelijk alleen bedoeld voor bijzondere omstandigheden, waarin het volgen van de normale wettelijke procedure voor het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur te veel tijd zou kosten. Het laatste signaal van de ILT was, bovenop de eerdere signalen en rapporten, een directe aanleiding om maatregelen te treffen vooruitlopend op maatregelen die voortkomen uit de herijking van de bodemregelgeving.
Dit signaal ging over toepassingen van meer dan een halve meter. Voor toepassingen onder de 0.5 meter is op dit moment onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing om hiervoor een tijdelijk verbod in te stellen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen risico’s bestaan bij toepassingen van maximaal 0,5 meter. Daarom is met inachtneming van het voorzorgsbeginsel voor deze toepassingen een vergunningplicht geïntroduceerd.
Waarom is ervoor gekozen om enkel het gevaar van gebruik van staalslakken in pakketten dikker dan 50 cm te onderbouwen, terwijl uit het rapport van Van der Sloot blijkt dat milieuschade niet van de dikte van het verticale pakket afhangt maar onder andere van het horizontale gebruik, de oppervlakte, van het pakket?
Met de normen in de bodemregelgeving is vastgelegd wat een acceptabele uitloging is voor mens en milieu. Daarbij is uitgegaan van een standaard bouwstof met een toepassingsdikte van eenhalve meter. Bij een toepassing van meer dan een halve meter is het niet meer gegarandeerd dat aan de uitlogingsnormen wordt voldaan. Daarnaast is de hoge pH bij staalslakken een gevolg van de aanwezigheid van vrije kalk. Vrije kalk (ongebluste en gebluste kalk) is reactief en verandert in normale kalk of andere materialen vergelijkbaar met uitgehard cement. Als dunne lagen worden toegepast van staalslakken gaat de omzetting van vrije kalk sneller en neemt het pH effect eerder af. In april 2025 heeft de ILT een signaal uitgebracht dat gebaseerd is op toepassingen van meer dan een halve meter. De conclusie is dat risico’s om milieuschade bij de toepassing van LD-staalslakken te voorkomen onvoldoende worden beheerst. Daarbij wordt gesteld dat hoe dikker de laag, hoe groter de kans is dat milieuschade optreedt. Dat wil niet zeggen, zoals bij het antwoord op vraag 14 benoemd, dat risico’s zijn uit te sluiten bij toepassingen minder dan 0,5 m. Daarom is in de tijdelijke regeling met inachtneming van het voorzorgsbeginsel voor deze toepassingen een vergunningplicht geïntroduceerd.
Wordt op dit moment onderzocht of een verbod op basis van artikel 128 lid 2 REACH tot de mogelijkheden behoort, omdat het hier gaat om permanente beperkende maatregelen in situaties dat REACH zelf geen aanvullende regels bevat over de toepassing van een chemische stof?
In juli is besloten uit voorzorg om met onmiddellijke ingang een nationaal verbod en een vergunningplicht op een deel van de toepassingen van staalslakken af te kondigen. Op basis van artikel 23.6a Omgevingswet kan een dergelijke regeling een maximale duur hebben van een jaar, te verlengen met maximaal een half jaar. Dit besluit ligt nu ter goedkeuring voor bij de Europese Commissie op basis van artikel 129 REACH. De Europese Commissie heeft recent aangekondigd aanvullende vragen te hebben bij de notificatie waardoor de 60 dagen reactietermijn van de Europese Commissie nog niet is gestart.
Gelijktijdig vindt op dit moment onderzoek plaats naar een permanente oplossing waarbij, indien de Europese Commissie goedkeuring verleent, de voorkeur uitgaat naar een harmoniserende maatregel die in alle EU-lidstaten geldig is.
Klopt het dat er geen aanvullende voorschriften over bijvoorbeeld gebruik vanuit REACH zijn voorgeschreven voor staalslakken, omdat staalslakken niet in bijlagen XVII van REACH genoemd staan?
Nee, dat klopt niet, zie ook het antwoord op vraag 16. De hoeveelheid informatie die in het algemeen onder REACH moet worden geregistreerd is afhankelijk van een aantal zaken zoals de hoeveelheid van een stof (staalslakken) die wordt geproduceerd, de gevaareigenschappen van de stof en de wijze van gebruik. Indien een stof gevaareigenschappen heeft, moet dit in het registratiedossier tot uiting komen. Het registerende bedrijf moet dan instructies voor veilig gebruik opnemen in de registratie en hierover aan afnemers communiceren via een Veiligheidsinformatieblad. Dus ook zonder een restrictie (opname in bijlage XVII REACH) kan een registratie al informatie bevatten met voorschriften betreffend veilig gebruik. Dat maakt dat een juiste indeling van gevaareigenschappen belangrijk is.
Kunt u uitsluiten dat er een significante invloed is van het gebruik van staalslakken op het Natura 2000-gebied de Westerschelde?
De projecten van Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde worden getoetst aan de natuurregelgeving. Voor «een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren» – is de Staatssecretaris van LVVN het bevoegd gezag voor de beoordeling van een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de Omgevingswet. Voor eerdere projecten van Rijkswaterstaat in de betreffende gebieden zijn destijds natuurvergunningen verleend. Hierbij is ook het gebruik c.q. de toepassing van staalslakken beoordeeld. Daarbij is voldoende zekerheid verkregen dat het project niet zal leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het betreffende Natura 2000-gebied of een significant verstorend effect zal hebben op de soorten, waarvoor de betreffende gebieden zijn aangewezen.
Wat is het gevolg als een rechter toch oordeelt dat niet vaststaat dat staalslakkengebruik in grote wateren geen significant effect heeft op Natura 2000-gebieden, zoals de Scheldes?
Op het toekomstig oordeel van het bevoegd gezag of een rechter kan ik niet vooruitlopen.
Wat gaat u doen met alle staalslakken die nu al in Nederland liggen in pakketten groter dan 50 cm, nu erkend wordt dat het gebruik van die dikke pakketten staalslakken (boven de 50cm) tot milieuschade kunnen leiden?
De tijdelijke regeling heeft geen terugwerkende kracht: eerdere toepassingen vallen niet onder het verbod. Bestaande toepassingen blijven onder toezicht van het bevoegd gezag. Bij nadelige effecten kan op basis van het wettelijk kader, inclusief de zorgplicht, worden opgetreden. Lokale GGD’s kunnen betrokken zijn bij gezondheidskundige risicobeoordeling in situaties waar bewoners blootstaan aan mogelijk schadelijke effecten. Ik werk samen met medeoverheden al aan een gezamenlijke aanpak voor bestaande toepassingslocaties van staalslakken. Dat doen we via het BO Bodem, waarin IPO, VNG en UvW zijn vertegenwoordigd.
Klopt het dat hydraulisch menggranulaat door elke particulier nu gekocht kan worden en gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld de tuin of oprit?
Ja, dat kan. Het is wel de verantwoordelijkheid van de leverancier om informatie aan te leveren over verantwoord gebruik. In algehele zin is de verkoop aan particulieren niet gereguleerd door de tijdelijke regeling. Ook valt niet elke toepassing van staalslakken als bouwstof onder de reikwijdte van de regeling. Ik bezie nog of hier aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn.
Kunt u uitsluiten dat het gebruik van staalslakken in een percentage lager dan 20 procent in menggranulaat niet schadelijk is voor de gezondheid? Zo nee, waarom valt hydraulisch menggranulaat met staalslak dan niet onder het verbod?
Hydraulisch menggranulaat is zowel nationaal als internationaal een veel gebruikte bouwstof. Menggranulaat bestaat uit metselwerk- en betonpuin. Aan het menggranulaat wordt een stabilisator toegevoegd. Het aandeel daarvan ligt tussen de 5–20%. De stabilisator bestaat uit gegranuleerde hoogovenslak, LD-staalslak, elektro-ovenslak of een mengsel hiervan. Dit materiaal, hydraulisch menggranulaat, is een standaard funderingsmateriaal voor wegen, en met name zeer geschikt voor de fundering van zwaar belaste wegen. Blijvende professionele toepassingen van hydraulisch menggranulaat vinden altijd plaats onder verhardingen en in hoeveelheden die nodig zijn om de benodigde sterkte van de fundering te verkrijgen. Ik heb geen aanwijzingen dat er sprake zou zijn van negatieve milieu- of gezondheidseffecten bij de toepassing van hydraulisch menggranulaat.
Bent u bereid alsnog uitvoering te geven aan de vraag van de Kamer om een totaalverbod, door in aanbestedingen bij weg- en waterbouwwerken als criterium te stellen dat er geen gebruik gemaakt wordt van staalslakken? Waarom wel/niet?
Ik zie geen reden om de reikwijdte van de tijdelijke regeling uit te breiden.
In het commissiedebat heb ik toegelicht waarom niet is gekozen voor een totaalverbod. Ik verwijs hier naar de vier overwegingen die ik daar heb benoemd:
Wat vindt u ervan dat Tata Steel Nederland aangeeft dat ze nog net zoveel staalslakken afzet als vóór het tijdelijke verbod en dat deze nu worden ingezet in pakketten van kleiner dan 50cm, die niet onder het verbod vallen en waarvan is aangetoond dat deze óók milieuschade opleveren?1
Het is mij niet bekend waar Tata het materiaal afzet. Er is geen verbod op export. Ook kunnen staalslakken worden toegepast in vormgegeven bouwstoffen en is het mogelijk om staalslakken toe te passen als waterbouwslak. Tot slot is met de tijdelijke regeling een vergunningplicht geïntroduceerd voor toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20% staalslak op of in de landbodem van minder dan een halve meter en op locaties waar direct contact niet mogelijk is. Dergelijke toepassingen zijn dus nog steeds mogelijk, maar alleen indien de toepasser hiervoor over een vergunning beschikt. Dat betekent dat de toepasser in een aanvraag voor een vergunning moet aantonen dat de juiste maatregelen worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de aanvraag en neemt hierop een besluit.
Het bericht ‘Ministerie 'trekt steun in' voor wereldwijd klimaatcentrum in Rotterdam’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie «trekt steun in» voor wereldwijd klimaatcentrum in Rotterdam»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid de financiële steun aan het Global Centre on Adaptation (GCA) in Rotterdam beëindigt? Zo ja, welke overwegingen lagen ten grondslag aan dit besluit?
De financiering aan het GCA vanuit de Rijksoverheid betreft uitsluitend projectfinanciering. Het huidige project dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gefinancierd loopt in lijn met het gesloten contract op 31 mei 2026 af. Het wordt dus niet vroegtijdig beëindigd of stop gezet. GCA is eerder dit jaar op de hoogte gesteld van de einddatum van deze financiering. Het GCA kan opnieuw een subsidieverzoek indienen. De financiering vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) was bedoeld om de stichting GCA op te zetten. Deze financiering liep in 2024 af.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de jarenlange inspanningen van het kabinet om het GCA juist in Nederland te vestigen?
Vanzelfsprekend zou het jammer zijn als het hoofdkantoor van GCA zou verhuizen. Maar het GCA is een onafhankelijke stichting en besluit hier zelf over.
Hoe beoordeelt u de kritiek van voormalig VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon dat Nederland hiermee zijn internationale voortrekkersrol op het gebied van onderzoek naar klimaatadaptatie verliest?
De voormalig VN secretaris-generaal Ban Ki-Moon is een belangrijk voorvechter van de inzet op klimaatadaptatie en hij is nauw betrokken bij het centrum. Het staat hem vrij om stevig te pleiten voor behoud van het centrum in Rotterdam. Nederland blijft een internationale voortrekker op het gebied van klimaatadaptatie door de kennis en kunde die op dit terrein beschikbaar is. Ook is Nederland een belangrijke financier van adaptatie. Zestig procent van de Nederlandse klimaatfinanciering betreft adaptatie.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met het «nieuwe beleid» rond klimaatfinanciering en waarom dit zou betekenen dat financiering van het GCA «niet langer logisch» is?
In de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp die de Kamer op 20 februari jongstleden is toegegaan, is aangekondigd dat we de beschikbare klimaatfinanciering zullen focussen op de grote klimaatfondsen zoals het Green Climate Fund en geen regionale klimaatfondsen meer zullen ondersteunen. Dit betreft onder andere het Africa Adaptation Acceleration Program waar GCA technisch ondersteuning aan geeft. Doorgaan met technische ondersteuning is niet logisch als het fonds zelf niet meer wordt ondersteund door Nederland.
Klopt het dat Noorwegen, Canada en Denemarken bereid zijn hun steun te vergroten en dat het GCA nu overweegt Rotterdam te verlaten als Nederland zich terugtrekt? Hoe weegt u de mogelijke vertrekplannen van het centrum uit Nederland?
De genoemde donoren Noorwegen, Canada en Denemarken hebben een eigen relatie met het GCA. Nederland heeft geen zicht op de voorziene financiering vanuit deze donoren. We hebben kennisgenomen van de afwegingen van het GCA omtrent de vestiging in Rotterdam. Zoals aangegeven zou Nederland het jammer vinden als het GCA besluit te vertrekken, maar als zelfstandige stichting besluiten zij hier zelf over.
Welke gevolgen kan het vertrek van het GCA hebben voor de Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven (zoals Deltares, TU Delft en Wageningen Universiteit) die samenwerken met het centrum?
De stichting GCA heeft wereldwijd een omzet van 21,7 miljoen EUR dus de directe economische impact is beperkt. Het GCA houdt zich niet bezig met implementatie en projecten in Nederland. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zijn wereldwijd actief op het gebied van klimaatadaptatie en water. Betrokkenheid van Nederlandse partijen bij klimaatadaptatie wereldwijd verandert niet.
Hoe schat u de economische impact in van een mogelijk vertrek, gezien de verwachte miljardeninvesteringen wereldwijd in klimaatadaptatieprojecten en de expertise die Nederland daarin kan leveren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe past dit besluit bij de internationale afspraken en toezeggingen van Nederland op het gebied van klimaatadaptatie en ontwikkelingssamenwerking, met name richting kwetsbare landen?
Deze afspraken en toezeggingen blijven ongewijzigd. Nederland blijft een internationale voortrekker op het gebied van klimaatadaptatie. In 2024 was 60% van de Nederlandse publieke klimaatfinanciering gericht op adaptatie. Hierbij ligt de nadruk op de minst ontwikkelde landen. Nederland houdt zich aan het Parijs akkoord en aan de Glasgow wens om financiering van klimaatadaptatie te verdubbelen in de periode van 2019 tot 2025.
Bent u bereid het besluit om de steun in te trekken te heroverwegen, mede gezien de reputatieschade die Nederland internationaal kan oplopen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie eerdere antwoorden. Er is geen sprake van het intrekken van steun.