Patiënten die het Amsterdam UMC aansprakelijk stellen voor schade na gezichtsoperaties. |
|
Caroline van der Plas (BBB), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Patiënten transgenderzorg stellen Amsterdam UMC aansprakelijk voor schade na gezichtsoperaties» van Zembla?1
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Wat vindt u van het nieuws dat een chirurg uit een academisch centrum patiënten onder druk heeft gezet om verstrekkende en medisch niet-noodzakelijke operaties uit te laten voeren, zonder hierbij voldoende informatie te geven over de mogelijke risico’s en bijwerkingen?
Het is spijtig om te horen dat de patiënten uit het artikel van Zembla ongelukkig zijn met de resultaten van hun gezichtsoperaties. Op grond van de berichtgeving van Zembla kan ik niet beoordelen of patiënten inderdaad onder druk zijn gezet. Er past mij dus terughoudendheid met het overnemen van dergelijke terminologie. De betreffende zorg, feminiserende gelaatschirurgie, wordt alleen aangeboden en vergoed als er een medische noodzaak is. Gezichtsoperaties brengen, net als andere operaties, altijd risico’s en mogelijke complicaties met zich mee. Het is belangrijk dat arts en patiënt samen beslissen, op basis van zorgvuldige afwegingen. Als Minister ga ik echter niet over de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan het zorgveld zelf om gezamenlijk, in professionele standaarden en richtlijnen, invulling te geven aan de kwaliteit van transgenderzorg.
Kan er, naar uw inzicht, gesproken worden over een patroon, aangezien dit bij minimaal vier patiënten is gebeurd?
Nee, ik heb geen aanwijzing dat de kwaliteit van zorg in het geding is. Dit betreft complexe zorg waarbij iedere behandeling, inclusief de tevredenheid over de uitkomst van de behandeling, individueel bepaald is.
Wat vindt u ervan dat het academisch ziekenhuis in kwestie hierbij alle aansprakelijkheid afwijst, terwijl het wel bereid is financiële compensatie te leveren aan patiënten?
Ik kan vanuit mijn positie niet ingaan op individuele dossiers die zich onder de rechter bevinden.
Is dit, naar uw inzicht, iets waar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zich over zou moeten buigen?
De IGJ heeft mij laten weten dat zij naar aanleiding van de berichtgeving van Zembla geen aanleiding ziet om nader onderzoek in te stellen. Het is de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders om calamiteiten in de zorg te melden bij de IGJ en dus ook om te bepalen of een incident een calamiteit betreft volgens de definitie in de wet. Het ziekenhuis is van oordeel dat het geen calamiteiten betreft en de IGJ heeft ook geen andere meldingen over deze zorg ontvangen.
Hoe weegt u in uw antwoord op vraag 5 dat het hierbij gaat over een zeer kwetsbare patiëntengroep?
De IGJ houdt risicogestuurd toezicht. Bij de beoordeling van waar de IGJ haar toezicht op richt, speelt de kwetsbaarheid van de patiënt of cliënt altijd een rol.
Hoe weegt u in uw antwoord op vraag 5 dat er bij één patiënt sprake is geweest van meerdere zelfmoordpogingen en bij één patiënt van een lopende wens tot euthanasie vanwege het medisch handelen van de chirurg?
Ik vind het aangrijpend om te lezen dat een patiënt meerdere suïcidepogingen heeft ondernomen en een andere patiënt zegt euthanasie te overwegen. Dat een patiënt suiïcidepogingen onderneemt of een euthanasietraject overweegt betekent echter niet automatisch dat er sprake is van een calamiteit, net zoals het niet betekent dat er geen sprake is van een calamiteit als een patiënt niet suïcidaal wordt of euthanasie zegt te overwegen. Wel weegt IGJ de kwetsbaarheid van een cliënt of patiënt altijd mee in bij de beoordeling van waar de IGJ haar toezicht op richt. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Hoe kan het, binnen de huidige afspraken en regelingen van de zorgverzekeringswet, dat er electieve en medisch niet-noodzakelijke plastische chirurgie uitgevoerd wordt in een academisch medisch centrum?
Er is hier geen sprake van electieve zorg. Genderincongruentie is een duidelijke en aanhoudende ongelijkheid tussen het ervaren gender van een persoon en de bij de geboorte toegewezen sekse. Dit is een aandoening die is opgenomen in de «International Classification of Diseases (ICD-11)». Volgens een internationaal verschenen rapport («Standards of Care for the Health of Transgender and Gender Diverse People, Version 8») bestaat voor een deel van deze transgender personen weldegelijk een medische noodzaak tot zorg; psychisch en soms ook somatisch. Nederland volgt deze internationale consensus. Let wel: Een voorwaarde voor een genderbevestigende, somatische behandeling is een brede en zorgvuldige evaluatie van de situatie van de transgender persoon.
Hoe kan het, binnen de huidige afspraken en regelingen van de zorgverzekeringswet, dat meerdere patiënten niet op de hoogte zijn gesteld van bijwerkingen en complicaties bij operaties, en hier ook in het dossier geen aantekening van gemaakt is?
Een hulpverlener is verplicht om de patiënt duidelijk te informeren over de voorgestelde behandeling en daarover tijdig te overleggen met de patiënt. Daarbij stelt de hulpverlener zich op de hoogte van de situatie en de persoonlijke behoeften van de patiënt. In het gesprek moet de hulpverlener duidelijk ingaan op de te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid van de patiënt en mogelijke alternatieven. Daarbij dient de hulpverlener ook de mogelijkheid te bespreken om niet te behandelen. De hulpverlener moet de patiënt uitnodigen om vragen te stellen.
Na bespreking van de te verwachten gevolgen en risico’s hoeft de hulpverlener deze niet expliciet op te nemen in het medische dossier. In het medische dossier van de patiënt moet de hulpverlener wel gegevens opnemen over de gezondheid van de patiënt en de uitgevoerde behandeling. Ook andere gegevens die voor een goede hulpverlening noodzakelijk zijn, moet de hulpverlener opnemen in het medische dossier.
De hierboven beschreven verplichtingen zijn opgenomen in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) dat deel uitmaakt van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Zijn verhalen over artsen die patiënten onder druk zetten om meer of uitgebreidere (niet medisch noodzakelijke) chirurgie te ondergaan, een reden voor de IGJ om over te gaan op onderzoek? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat een klacht over de geleverde zorg in eerste instantie een aangelegenheid is tussen de patiënt en de zorgaanbieder. Als patiënten van mening zijn dat zij onder druk gezet worden, kunnen ze hierover in gesprek gaan met hun behandelend arts of bijvoorbeeld de klachtenfunctionaris. Ook kunnen zij een melding doen bij de IGJ. De IGJ kan op basis van meldingen van patiënten besluiten om de zorgaanbieder om een reactie te vragen en eventueel nader onderzoek instellen als er aanwijzingen zijn dat de kwaliteit en veiligheid van zorg in het geding zijn.
Specifiek over de betreffende zorg: in antwoord op vragen van Zembla heeft Amsterdam UMC aangegeven dat deze ingreep nooit wordt uitgevoerd als dit niet de uitdrukkelijke wens van de zorgvrager zelf is.
Voelt de IGJ zich geroepen onderzoek te doen naar de «uiterste summiere» verslaglegging door deze arts, in het specifiek op gebied van bijwerkingen en complicaties? Zo nee, waarom niet?
De IGJ heeft mij laten weten dat zij naar aanleiding van de berichtgeving van Zembla geen nader onderzoek in zal stellen. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe verhouden de in het artikel beschreven situaties zich tot de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch?2
De Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch is opgesteld door veldpartijen en beschrijft hoe de transgenderzorg georganiseerd moet worden en aan welke randvoorwaarden deze moet voldoen. Naar aanleiding van vragen van Zembla heeft Amsterdam UMC aangegeven de Kwaliteitsstandaard altijd te volgen. Ook patiëntenvereniging Transvisie heeft in reactie op de berichtgeving van Zembla aangegeven dat Amsterdam UMC werkt conform de Kwaliteitsstandaard en dat zij vertrouwen heeft in de zorg.
Afgelopen periode is de Kwaliteitsstandaard geëvalueerd. Deze evaluatie is uitgevoerd door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (KIMS) in opdracht van ZonMw en met subsidie van het Ministerie van VWS. Ik verwacht de resultaten van deze evaluatie binnenkort. Het KIMS baseert zich bij het evalueren en ontwikkelen van deze en andere medische richtlijnen op wetenschappelijk onderzoek, afwegingen van voor- en nadelen van verschillende zorgopties en expertise en ervaringen van zowel zorgprofessionals als zorggebruikers.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Verzorgingshuis laat stervende patiënt (87) niet meer eten, verpleger kan het niet verkroppen en gaat in de fout’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verzorgingshuis laat stervende patiënt (87) niet meer eten, verpleger kan het niet verkroppen en gaat in de fout»?1
Ja.
Wanneer worden de onderzoeken van het Openbaar Ministerie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd naar deze casus afgerond? Kunt u de Kamer informeren zodra over de uitkomsten van de onderzoeken meer bekend is?
Zoals het Openbaar Ministerie (OM) op 5 maart 2024 op zijn website kenbaar heeft gemaakt,2 zijn de stukken uit het medisch dossier in juli 2023, op vordering van de officier van justitie, door de rechter-commissaris in beslag genomen. Tegen deze inbeslagname heeft de behandelend arts bezwaar gemaakt vanwege zijn medisch beroepsgeheim. De rechter-commissaris was met het OM van oordeel dat er in dit geval zwaarwegende redenen zijn om het beroepsgeheim te doorbreken. Ook de rechtbank kwam op 14 februari 2024 tot dit oordeel en verklaarde de bezwaren van de arts ongegrond. De arts heeft tegen de beslissing van de rechtbank cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad ligt het onderzoek van het OM stil. Het is daarom nog niet te zeggen wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft laten weten dat zij het onderzoek na de zomer verwacht af te ronden. Over lopend onderzoek doet de IGJ geen verdere mededelingen. Te zijner tijd zal een zakelijke weergave van het rapport onder toezichtdocumenten worden gepubliceerd op de website van de IGJ.
Kunt u in algemene zin bevestigen dat versterving een vrijwillige keuze moet zijn en dat dit nooit opgedrongen mag worden door naasten, zoals familieleden?
Aan het woord versterving kunnen verschillende betekenissen worden gegeven. Wij gaan ervan uit dat u «bewust stoppen met eten en drinken» (BSTED) bedoelt. De grondslag voor het recht op het stoppen met eten en drinken is gelegen in het grondwettelijke als ook verdragsrechtelijke zelfbeschikkingsrecht van de patiënt. Het is de patiënt zelf die een keuze maakt of hij bewust wenst te stoppen met eten en drinken. Deze keuze dient altijd vrijwillig te zijn.
Kunt u aangeven hoe die vrijwilligheid door zorgverleners wordt getoetst?
In zijn algemeenheid geldt dat iedere patiënt wilsbekwaam wordt geacht, totdat het tegendeel is komen vast te staan. De patiënt hoeft dan ook niet te bewijzen dat hij wilsbekwaam is. Als een zorgverlener twijfelt over de wilsbekwaamheid, kan die getoetst worden aan de hand van professionele richtlijnen en/of door een collega te consulteren. Zorgverleners zullen altijd in gesprek gaan met de betrokkene om de achtergrond van de wens te onderzoeken.
Kunt u eveneens aangeven hoe de wilsbekwaamheid van de patiënt in kwestie wordt getoetst?
Over de betreffende kwestie kan ik geen uitspraken doen. In zijn algemeenheid geldt dat een patiënt wilsbekwaam wordt geacht tot het tegendeel is komen vast te staan. Als zorgverleners twijfelen over de wilsbekwaamheid van patiënten kunnen zij dat toetsen aan de hand van professionele richtlijnen en/of door het consulteren van een collega.
Kunt u uiteenzetten hoe het niet meer toedienen van eten en drinken zich wat u betreft verhoudt tot het verbod op hulp bij zelfdoding (artikel 294 Wetboek van Strafrecht)?
Zorgverleners die zorg bieden aan patiënten die zelf bewust stoppen met eten en drinken respecteren de autonome beslissing van de patiënt en houden de patiënt comfortabel. De zorg en ondersteuning voor een patiënt die gekozen heeft voor bewust stoppen met eten en drinken, zijn gericht op het adequaat en proportioneel verlichten van het lijden van de patiënt, niet op het veroorzaken of versnellen van het levenseinde. Dergelijke zorgverlening aan mensen die wilsbekwaam hebben besloten te stoppen met eten en drinken is gelijk te stellen aan de zorg waarmee mensen worden omringd die een medische behandeling weigeren en daaraan komen te overlijden. Deze begeleiding is daarmee een vorm van palliatieve zorg, die aan alle patiënten die lijden geboden moet worden.
Wanneer een patiënt echter afhankelijk is van de zorg van een ander voor toediening van vocht en voeding, maar daarvan verstoken blijft waardoor deze patiënt komt te overlijden, kan sprake zijn van strafbaar handelen. In een dergelijk geval is de verdenking niet zozeer hulp bij zelfdoding (artikel 294 Wetboek van Strafrecht), maar kan bijvoorbeeld gedacht worden aan verlating van hulpbehoevenden (artikel 255 Wetboek van Strafrecht) of dood door schuld (artikel 307 Wetboek van Strafrecht). Als die verdenking bestaat, dan zal het OM de zaak onderzoeken.
Het oordeel of van strafbaar handelen sprake is, is uiteindelijk aan de rechter. Die zal daarbij kijken naar alle omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van een medische setting zal onder meer van belang zijn of de patiënt zelf behandeling of verzorging heeft geweigerd, of die patiënt toen wilsbekwaam was en hoe met die wens is omgegaan. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven staat het patiënten in beginsel vrij om te stoppen met eten en drinken, ook als zij daarmee hun eigen levenseinde bespoedigen.
Hoe vaak komt het voor dat mensen bewust willen stoppen met eten en drinken om hun sterven te bespoedigen (versterven)? Is er een ontwikkeling zichtbaar in het aantal mensen dat overlijdt door versterving? Neemt dat aantal toe?
In de herziene KNMG-handreiking «Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen» wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het is niet bekend of er op dit moment een ontwikkeling is in het aantal mensen dat hierdoor overlijdt en of dit aantal toeneemt.
Klopt het dat er bij versterving vaak sprake is van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek? Zo ja, wat vindt u daarvan?
In voorgenoemde KNMG-handreiking is opgenomen dat er in 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken sprake is van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Kunt u aangeven welke rechten en plichten zorgverleners hebben als een patiënt bewust wil stoppen met eten en drinken? Erkent u dat er sprake is van strijdende plichten?
De zorgverlener dient te handelen als een «goed hulpverlener» in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid en in het belang en met toestemming van de patiënt. In bepaalde gevallen kan de keuze van de patiënt conflicteren met de levensovertuiging of persoonlijke waarden en normen van de zorgverlener. In dit licht zijn kernregel 11 van de KNMG-gedragscode voor artsen (2022) en artikel 2.5 van de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden van belang. De kernregel 11 behelst dat «als je als arts geen gevolg kunt geven aan de hulpvraag van de patiënt vanwege je geweten, dan stel je haar of hem hiervan op de hoogte en breng je haar of hem in contact met een collega. Een beroep op je geweten mag niet leiden tot ernstig nadeel bij de patiënt».
Is u bekend hoe vaak er sprake is van gewetensbezwaren bij zorgverleners in relatie tot versterving?
De KNMG heeft ons laten weten dat hier geen cijfers over bekend zijn.
Kunt u bevestigen dat zorgverleners die gewetensbezwaren hebben tegen versterving van een patiënt, nooit verplicht kunnen worden om hieraan mee te werken? Kunt u bevestigen dat het hebben van gewetensbezwaren nooit mag leiden tot sancties tegen de zorgverlener?
In antwoord op deze vragen verwijs ik u graag naar kernregel 11 van de eerdergenoemde KNMG-gedragscode voor artsen en artikel 2.5 van de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden. De beoordeling of gewetensbezwaren leiden tot sancties, is aan de bevoegde instanties en wordt beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarom is het niet aan ons om hierover een algemene uitspraak te doen.
Het online verstrekken van abortuspillen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het aangekondigde wetsvoorstel dat het voorschrijven van medicijnen via internet mogelijk zal maken, ter vervanging van de tijdelijke beleidsregel Voorschrijven via internet? Wanneer gaat u het wetsvoorstel indienen?1
De Geneesmiddelenwet wordt op meerdere punten gewijzigd, ook op andere punten dan voorschrijven via internet. Het wetsvoorstel tot wijziging is in voorbereiding. Er wordt op dit moment geïnventariseerd welke punten mee kunnen in een wijziging van de Geneesmiddelenwet. Een traject tot wijziging van de wet duurt meestal 1,5 jaar. Tot de Geneesmiddelenwet is gewijzigd zal de tijdelijke beleidsregel van kracht zijn.
Klopt het dat deze tijdelijke beleidsregel sinds april 2023 ook het op afstand verstrekken van abortuspillen mogelijk maakt?
De beleidsregel maakt het mogelijk om na een digitaal consult medicatie voor te schrijven, maar voor het voorschrijven van de abortuspil gelden ook de voorwaarden uit de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). Zoals toegelicht in de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Toegang tot veilig en legale abortuszorg voor iedereen»2 is in de Wafz niet expliciet rekening gehouden met abortuszorg op afstand. Het is in eerste instantie aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe – in een concreet geval – binnen de zorgvuldigheidseisen van de Wafz en andere geldende wetgeving verantwoorde abortuszorg op afstand kan worden verleend. Het is aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om daarop toe te zien.
Kunt u aangeven of abortusklinieken in Nederland sindsdien gebruik hebben gemaakt van deze beleidsregel Voorschrijven via internet?
Naar aanleiding van deze vraag heb ik een uitvraag gedaan bij bestuurders van abortusklinieken. Hierop heeft één kliniek laten weten gebruik te maken van de «Beleidsregel voorschrijven via internet». Desgevraagd heeft deze kliniek toegelicht dat ze soms de mogelijkheid biedt van een digitaal consult als vrouwen de kliniek niet kunnen of willen bezoeken. In die gevallen wordt de vrouw gevraagd een zwangerschapsecho in te sturen. Na het digitale consult en de beoordeling van de termijn op basis van de echo, kan de kliniek een recept voor abortusmedicatie voorschrijven en kan de vrouw de medicatie ophalen bij de apotheek. De kliniek gaf hierbij aan dat het vaak gaat om vrouwen die (vermoedelijk) niet verzekerd zijn overeenkomstig de Wet langdurige zorg (Wlz) en daarom zelf de kosten moeten dragen voor een zwangerschapsafbreking. De kliniek stelt dat zij bij deze werkwijze voldoet aan de zorgvuldigheidseisen van de Wafz.
Bovenstaande is ook besproken met de IGJ en de IGJ heeft mij laten weten dat ze deze informatie meeneemt in haar toezicht op deze kliniek.
Hoe wenselijk vindt u het dat deze gedoogconstructie al bijna een jaar voortduurt? Deelt u de mening dat een eventuele wijziging van wet- en regelgeving ten aanzien van het op afstand verstrekken van (abortus)pillen zo spoedig mogelijk via een ordentelijk wetgevingsproces aan de Staten Generaal moet worden voorgelegd?
Een wetsvoorstel tot wijziging van de Geneesmiddelenwet is in voorbereiding, omdat ik ernaar streef om onnodige beleidsregels naast bestaande wet- en regelgeving te voorkomen en om te voldoen aan de door de Eerste Kamer aangenomen motie-Kox c.s.3 De gedoogconstructie vind ik echter niet onwenselijk omdat goede zorg op verschillende manieren wordt gewaarborgd. In de rest van het antwoord op deze vraag licht ik dit toe.
Voor alle zorgverlening, dus ook voor het online voorschrijven, geldt dat moet worden voldaan aan de eisen van goede zorg uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), aan de eisen van goede beroepsuitoefening die voortvloeien uit de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en aan de eisen uit de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (Wgbo). De eisen van goede zorg en goede beroepsuitoefening worden nader ingevuld aan de hand van de professionele standaard (vakinhoudelijke regels, protocollen, richtlijnen, gedragsregels, algemene zorgvuldigheidsvereisten en de normen uit wet- en regelgeving en rechtspraak). Dat betekent dat ook zonder artikel 67 van de Geneesmiddelenwet en zonder de beleidsregel (gedoogconstructie) een voorschrijver een fysiek consult of onderzoek moet doen als dat nodig is om te bepalen of een geneesmiddel moet worden voorgeschreven. De voorschrijver moet ook beschikken over de geactualiseerde medicatiehistorie van de patiënt. Die eisen gelden namelijk ook als een patiënt de voorschrijver in persoon bezoekt. De IGJ beschikt dus naast artikel 67 van de Geneesmiddelenwet (en de beleidsregel) over instrumenten om te handhaven. Daarnaast kan ook het strafrecht worden ingezet. Artikel 96 van de Wet BIG stelt bijvoorbeeld iedereen strafbaar die bij het verrichten van individuele gezondheidszorg buiten noodzaak benadeling of een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van een ander veroorzaakt.
Artikel 67 van de Geneesmiddelenwet en de beleidsregel met de gedoogconstructie hebben betrekking op het online voorschrijven van geneesmiddelen. In aanvulling op de hierboven genoemde (algemeen geldende) wet- en regelgeving zijn er voor abortuszorg specifieke zorgvuldigheidseisen opgenomen in de Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz).
Kunt u toelichten op welke wijze de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht houdt op het (online) verstrekken van abortuspillen door abortusklinieken?
De IGJ houdt toezicht op abortuszorg, zowel binnen abortusklinieken als in de toekomst ook bij de huisarts, onder andere op basis van signalen die bij de IGJ binnenkomen en door middel van (on)geplande inspectiebezoeken. De inspectie kijkt per signaal welke actie passend is. De IGJ zal zoals gebruikelijk toezicht houden op het (online) verkopen en/of het verstrekken van Uitsluitend Recept (UR) geneesmiddelen. Bovenstaande houdt in dat de inspectie handhavend kan optreden jegens zorgaanbieders en anderen die zich niet aan de volgende voorwaarden houden.
Voor abortusmedicatie gelden specifiek de voorwaarden op grond van de Wafz. Zo mogen abortusbehandelingen op dit moment op grond van de Wafz alleen worden uitgevoerd door artsen in abortusklinieken of ziekenhuizen met een vergunning. Wanneer abortusmedicatie wordt verstrekt zonder dat aan deze voorwaarden wordt voldaan, is dit strafbaar op grond van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht.
In algemene zin gelden ook andere voorwaarden voor het online verkopen van medicatie. Zo moet een aanbieder die online medicijnen verstrekt zich hebben aangemeld bij de overheid en moet deze een EU-logo op de website hebben. Ten slotte kan het maken van publieksreclame voor UR geneesmiddelen en het online aanbieden hiervan zonder recept en het in voorraad hebben of verkopen van geneesmiddelen zonder dat men hier een vergunning voor heeft een overtreding zijn van de Geneesmiddelenwet die direct bestuurlijk beboetbaar is.
Kunt u eveneens toelichten op welke wijze de IGJ toezicht houdt op personen en organisaties die géén vergunning hebben voor het (online) verstrekken van abortuspillen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe vaak komt het voor dat handhavend is opgetreden door de IGJ of het Openbaar Ministerie tegen personen, zorgaanbieders of andere organisaties die zich niet hielden aan de voorwaarden van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht inzake het (online) verkopen en/of verstrekken van abortuspillen? Kunt u hiervan een overzicht geven van de afgelopen tien jaar?
De IGJ heeft hier in de afgelopen tien jaar niet handhavend tegen opgetreden. De IGJ ontvangt heel af en toe (ongeveer een keer per jaar) een melding over abortuspillen die via internet worden aangeboden, maar deze meldingen gaven geen aanknopingspunten om verder onderzoek te doen.
Het Openbaar Ministerie (OM) meldt dat er in de afgelopen tien jaar twee zaken zijn geweest waarbij sprake was van verdenking van overtreding van artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht. Allebei deze zaken dateren uit 2019 en hebben geleid tot een dagvaarding. In de twee zaken gaat het om een verdenking voor overtreding van artikel 296 door middel van (onder meer) medicatie, ook wel omschreven als de «abortuspil». In één van de twee gevallen ging het om medicatie die via internet was besteld. Die laatste zaak is nog niet onherroepelijk afgedaan.
Bent u bekend met in Nederland geregistreerde websites of in Nederland actieve organisaties die via internet abortuspillen aanbieden en/of verstrekken aan vrouwen in het buitenland? Zo ja, hoe verhouden deze activiteiten zich tot de Nederlandse wetgeving?
De meldingen die de IGJ heel af en toe ontvangt over abortuspillen die via internet worden aangeboden, hebben tot dusver geen aanknopingspunten gegeven voor nader onderzoek. Ik ben dus niet bekend met organisaties of websites die vanuit Nederland via internet abortuspillen aanbieden en/of verstrekken aan vrouwen in het buitenland.
Kunt u specifiek ingaan op hoe activiteiten van in Nederland actieve organisaties zoals Women on Web en Abortion Network Amsterdam zich verhouden tot de Nederlandse wetgeving?
Women on Web is niet in Nederland, maar in Canada gevestigd en verstuurt abortusmedicatie na online consulten. Het versturen is toegestaan onder Canadese wetgeving. De Nederlandse wetgeving staat het ontvangen van abortusmedicatie van organisaties zoals Women on Web niet in de weg. Abortion Network Amsterdam houdt zich voornamelijk bezig met het adviseren van buitenlandse vrouwen die naar een Nederlandse abortuskliniek willen reizen voor abortuszorg. Het bieden van dergelijke hulp is toegestaan onder de Nederlandse wetgeving.
Hoe verhoudt het zich tot de Nederlandse wetgeving wanneer een vrouw online abortuspillen bestelt bij een in het buitenland geregistreerde organisatie of website en deze pillen in Nederland laat bezorgen? Welke mogelijkheden heeft u in zo’n situatie om de wet te handhaven?
Voor vrouwen in Nederland is abortuszorg goed toegankelijk, en van goede kwaliteit. Desondanks is het in theorie mogelijk dat vrouwen in Nederland abortusmedicatie per post uit het buitenland toegestuurd krijgen. Het hangt af van de concrete omstandigheden (bijvoorbeeld de wetgeving van het land waar de organisatie is gevestigd) of handhavend kan worden opgetreden tegen de betreffende organisatie. De vrouw is vanwege het ondergaan van een abortus zelf nooit strafbaar.
Het bericht ‘Milieuorganisatie stapt naar de rechter om renovatie Binnenhof te stoppen’ |
|
André Flach (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Milieuorganisatie stapt naar de rechter om renovatie Binnenhof te stoppen»?1
Ja.
Klopt het dat de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (MOB) in beroep is gegaan bij de rechtbank Den Haag tegen de provincie Zuid-Holland over de verbouwing van het Binnenhof? Betreft het een bestuursrechtelijke procedure die MOB op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht meent te kunnen voeren?
Ja.
Kunt u aangeven op welke gronden de provincie het bezwaar van MOB heeft afgewezen? Wilt u de beslissing op bezwaar naar de Kamer sturen?
Uw verzoek is voorgelegd aan de steller, de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid. Deze dienst heeft aangegeven geen bezwaar te hebben op het toesturen van de beschikking op bezwaar mits bij de openbaarmaking wordt voldaan aan de kaders van de Wet Open Overheid. De beschikking op bezwaar is bijgevoegd.
Voor welke werkzaamheden is geen stikstofvergunning aangevraagd op grond van de bouwvrijstelling?
Voor alle werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van het renovatieprogramma van het Binnenhof is een natuurvergunning aangevraagd.
Wat zijn de geschatte kosten als voor deze werkzaamheden alsnog een stikstofvergunning nodig is? Hoeveel vertraging valt dan te vrezen?
Op 24 januari 2024 heeft de omgevingsdienst Haaglanden de natuurvergunning verleend.
Wat zijn de verwachte gevolgen van het vervallen van de bouwvrijstelling voor de renovatie van het Binnenhof?
In de 9e en 10de voortgangsrapportage Binnenhof renovatie (Kamerstuk 34 293, nr. 129 en kamerstuk 34 293, nr. 130) is toegelicht dat meerdere werkzaamheden moesten wachten op de door het Rijksvastgoedbedrijf in maart 2023 aangevraagde natuurvergunning. In deze rapportage is ook toegelicht dat is ingezet op het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de noodzakelijke vergunningen al waren afgegeven. Dit geldt ook voor de werkzaamheden die emissievrij konden worden uitgevoerd. Dit zijn bijvoorbeeld werkzaamheden aan de kelderbak op het Opperhof, het klaarzetten van materieel, het verder inrichten van de bouwplaats, het opbouwen van steigers en het gereed maken van de Stadhouderspoort als logistieke aanvoerroute. Daarnaast is vermeld dat eventuele gevolgen van de intensievere inzet van emissievrij materieel, pas later in het programma inzichtelijk worden. Als voorbeeld is benoemd de lagere productiesnelheden en schaarste van elektrisch bouwmaterieel. In de halfjaarlijkse voortgangsrapportage over het programma Binnenhof renovatie zal ik uw Kamer nader informeren over eventuele gevolgen. Ik verwacht u de 11de voortgangsrapportage in april te doen toekomen.
Welke inbreng gaat u plegen in de beroepsprocedure, vanuit uw positie als belanghebbende, om te voorkomen dat vertraging optreedt in de renovatie van het Binnenhof?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft aan de rechtbank te kennen geven als belanghebbende aan de procedure van MOB tegen gedeputeerde staten van Zuid-Holland deel te willen nemen. De procedure gaat over het verzoek van MOB om handhavend op te treden en de renovatie stil te leggen. Gedeputeerde staten hebben dat verzoek afgewezen en dat besluit in de bestreden beslissing op bezwaar in stand gelaten. De rechtbank heeft het Rijksvastgoedbedrijf inmiddels als belanghebbende in de procedure toegelaten.
Welke inbreng het Rijksvastgoedbedrijf zal leveren, is afhankelijk van de beroepsgronden die MOB aanvoert en van de verdere ontwikkeling van de procedure. Daarbij stelt het Rijksvastgoedbedrijf alles in het werk om verdere vertraging te voorkomen. Op de inhoud van deze beroepsprocedure en de te voeren argumenten kan ik nu niet ingaan, omdat deze zaak voorligt bij de rechter. Hetzelfde geldt voor de positie van MOB in deze beroepszaak.
Vindt u dat in het kader van het te voeren verweer dat ook de status van MOB als belanghebbende tegen het licht moet worden gehouden en dat daarbij niet alleen de statutaire doelstelling, maar uitdrukkelijk ook de rechtsvorm moet worden beschouwd?
Zie het antwoord op vraag 7. Op de inhoud van deze beroepsprocedure en de te voeren argumenten kan ik niet ingaan, omdat deze zaak voorligt bij de rechter. Hetzelfde geldt voor de positie van MOB in deze beroepszaak.
Vindt u het voor de hand liggend dat coöperaties in het algemeen belang kunnen procederen, gelet op het feit dat coöperatieve verenigingen blijkens de wettelijke doelomschrijving juist moeten voorzien in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden krachtens overeenkomsten?
Indien een partij een geschil voorlegt aan de rechter, is het aan de rechter om te oordelen of deze partij ontvankelijk is en het beroep gegrond is. Gezien de link van deze vraag met de concrete casus kan ik daar verder niet op ingaan aangezien deze zaak voorligt bij de rechter
In hoeverre voldoet de MOB aan de wettelijke doelomschrijving van de coöperatie? Is bijvoorbeeld daadwerkelijk sprake van aangesloten leden? Bent u ook van mening dat het vormen van een landelijk netwerk van juristen, zoals Follow the Money MOB omschrijft, nog niet voldoende is om te kwalificeren als coöperatie?2
Ook hiervoor geldt dat ik gezien de concrete casus die is voorgelegd aan de rechter nu niet kan ingaan op deze vraag.
Bent u bereid te verkennen of coöperaties, gezien het wettelijke accent op het belang van de eigen leden, uitgesloten zouden moeten worden van algemene belangacties?
Onder artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek kan een coöperatie geen collectieve actie instellen, alleen een stichting of vereniging zonder winstoogmerk kan dit. In het bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen (artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
Heeft MOB inmiddels voldaan aan de verplichting om de jaarrekening te deponeren? Zo nee, is handhavend opgetreden?
Sinds 5 september 2023 heeft MOB een ANBI status. Op basis van deze status zijn zij verplicht om jaarlijks de financiële verantwoording binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar te publiceren.
Het bericht 'Australische haatprediker ongemoeid naar Utrecht: terreurdaden Hamas ’een opsteker’' |
|
Mirjam Bikker (CU), Lilian Helder (PVV), Henri Bontenbal (CDA), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorg dat nu Mohamed Hoblos (terecht) de fysieke toegang is ontzegd, hij zijn boodschap digitaal zal verkondigen tijdens dit evenement? Begrijpt u dat deze zorg ondermeer wordt ingegeven doordat de prediker stelt niet «fysiek deel te kunnen nemen» aan het evenement?1
In de eerste plaats is het aan de organisatoren van een evenement om te voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. Wanneer extremistische sprekers toch een podium krijgen, is het zaak dat gemeenten met de organisatie in gesprek treden. De gemeente Utrecht heeft goede gesprekken gevoerd met zowel de organisator van het evenement als de Jaarbeurs. De organisatie heeft de gemeente te kennen gegeven dat zij niet bekend waren met de uitlatingen van de spreker en hij, ook niet op een andere manier, bijvoorbeeld via een livestream, zal spreken tijdens de bijeenkomst.
In algemene zin is een burgemeester verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en zal binnen de lokale driehoek in dit kader een beoordeling worden gemaakt. Het bestaande wettelijke kader brengt met zich mee dat sprekers of predikers worden beoordeeld op de boodschap die zij daadwerkelijk uitdragen. Het vooraf verbieden is alleen mogelijk als sprake is van een concrete en ernstige bedreiging van de openbare orde. In zeer uitzonderlijke gevallen, indien er gerede vrees ontstaat dat de komst van een spreker tot acute wanordelijkheden ter plekke zal leiden, kan de burgemeester een gebiedsverbod opleggen. Ook kan er strafrechtelijk worden opgetreden, bijvoorbeeld in de gevallen waarin sprake is van haatzaaien, groepsbelediging en aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Of er in een specifiek geval sprake is van een strafbaar feit wordt door het Openbaar Ministerie beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u het uitgangspunt dat wanneer we het niet toestaan dat iemand extremistisch gedachtegoed verkondigt, dit ook van toepassing zou moeten zijn op het digitaal toespreken van een groot publiek met zijn extremistisch gedachtegoed? Zo ja, hoe krijgt dat uitgangspunt in deze zaak vorm? Zo nee, waarom niet?
Wij delen uw zorgen over het online domein ten aanzien van extremistische boodschappen en de verspreiders van deze boodschappen. Gezien de urgentie hiervan is de Minister van Justitie samen met haar betrokken collega’s bezig met een Versterkte Aanpak Online inzake het voorkomen en tegengaan van extremistische en terroristische content. De contourenbrief van deze Versterkte Aanpak Online is in december jl. naar uw Kamer gestuurd.1 Wij zijn het namelijk met de leden Bikker (ChristenUnie), Diederik van Dijk (SGP), Helder (BBB) en Bontenbal (CDA) eens dat we ernaar moeten streven fysiek en online zoveel mogelijk dezelfde normen te hanteren. Via diverse pijlers, zoals een dialoog met de internetsector, de lokale aanpak en een ambitieuze internationale inzet spant de Minister van Justitie en Veiligheid zich hier, nationaal en internationaal, zo maximaal mogelijk voor in. De uitwerking van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content kunt u medio 2024 verwachten. Waar het gaat om terroristische content online zorgen wij dat deze verwijderd wordt. De Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal is sinds eind 2023 voor deze content bevoegd om verwijderingsbevelen te sturen naar aanbieders van hostingdiensten. Wat betreft het opleggen van een last onder dwangsom, «in de vorm van» een online gebiedsverbod, heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer onlangs geïnformeerd dat zij in het eerste kwartaal van dit jaar de inhoudelijke reactie op de analyse van de Landsadvocaat en de laatste stand van zaken van de aanpak van online aangejaagde openbare-ordeverstoringen zal doen toekomen.2
Zet u alles in het werk om te voorkomen dat wat we fysiek niet toestaan, digitaal ook niet gebeurt? Welke mogelijkheden heeft de regering om hierop te handelen, bijvoorbeeld middels een online gebiedsverbod? Zijn er andere mogelijkheden die ten aanzien van de prediker zelf of het evenement kunnen worden getroffen?
Zie antwoord vraag 2.
Indien de huidige maatregelen niet afdoende handelingskader bieden, bent u bereid te kijken wat er voor nodig is om dit handelingskader wél te bieden in deze en andere gevallen van een inreisverbod?
Zie antwoord vraag 2.
Welke middelen heeft de burgemeester ten aanzien van organisatie en evenementenlocatie?
Zie antwoord vraag 1.
Is voor burgemeesters voldoende duidelijk wat het handelingskader is in geval van risico-evenementen zoals deze casus? Hoe wordt deze risico-analyse gemaakt? Waarom werd de vergunning aanvankelijk afgegeven en geen hoge dreiging aan het evenenent toegekend? Is hier verschil met Duitsland?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op de Jaarbeurs Utrecht om, als men inderdaad voornemens is de prediker digitaal te laten spreken, het evenement geen doorgang te laten vinden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen vandaag beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Australische haatprediker ongemoeid naar Utrecht: terreurdaden Hamas ’een opsteker’’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), Henri Bontenbal (CDA), Mirjam Bikker (CU), Ingrid Michon (VVD), Lilian Helder (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Australische haatprediker ongemoeid naar Utrecht: terreurdaden Hamas «een opsteker»»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat hier sprake kan gaan zijn van extremistische uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid?
De wijze waarop wij in Nederland met elkaar samenleven is een groot goed. In Nederland is ruimte voor een grote diversiteit van beschouwingen, opvattingen, leefstijlen en kritiek. De grens van die ruimte ligt bij het ondermijnen of bedreigen van de democratische rechtsorde zelf. Voor discriminatie, het oproepen tot haat of onverdraagzaamheid en geweld in welke vorm dan ook, is geen plaats in een democratische rechtsstaat als de onze. Het kabinet is er daarom alles aan gelegen om op te treden tegen sprekers die met het verspreiden van hun denkbeelden de vrijheden van anderen inperken, of zelfs aanzetten tot haat of geweld en hiermee de democratische rechtsorde ondermijnen en een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid. Zo is uw Kamer op 25 oktober 2023 geïnformeerd over het versterken van de maatregel om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren.4
De spreker is door een Schengen lidstaat ter fine van toegangsweigering in het SIS informatiesysteem gesignaleerd. Indien hij Nederland tracht in te reizen, zal zijn toegang geweigerd worden door de Koninklijke Marechaussee. Deze toegangsweigering geldt, in lijn met de Schengengrenscode, ook voor alle andere Schengen lidstaten.
Is het juist dat de betreffende haatprediker visumvrij door Europa reist? Klopt het dat er nog geen inreisverbod is opgelegd? Waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben andere lidstaten pogingen gedaan hem te weren? Met welk resultaat?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt dit zich tot de brief van oktober jongstleden2 die zag op het versterken van de aanpak van extremistische sprekers en de positie van de NCTV hierin, en tot de aangenomen motie Diederik van Dijk3 en de mogelijkheid om haat- en angstzaaiers te weren?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u mogelijkheden om de haatprediker een inreisverbod op te leggen? Zo ja, gaat u dat doen? Zo nee, hoe komt dat?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit niet mogelijk is, ziet u andere mogelijkheden – zoals bijvoorbeeld een gebiedsverbod – om te voorkomen dat de betreffende prediker zaterdag kan opereren en treedt u hiertoe ook in overleg met de burgemeester van Utrecht? Hoe wordt daarnaast voorkomen dat deze prediker ook op andere plekken in Nederland opereert?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op de Jaarbeurs om dit evenement niet door te laten gaan?
De gemeente Utrecht heeft aangegeven dat er in Utrecht geen plaats is voor extremistische sprekers. Hiertoe is de gemeente in gesprek gegaan met de Jaarbeurs en organisatie van het evenement om te bekijken wat de mogelijkheden waren om te voorkomen dat deze spreker een podium zou krijgen. Ook is er goed contact geweest tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeente en veiligheidsdiensten om te zorgen dat deze spreker de toegang tot Nederland zou worden geweigerd.
Welke regelgeving is van toepassing voor de stichting die dit organiseert?
Zie antwoord vraag 8.
Welk contact is er geweest met de gemeente Utrecht? Bent u bezorgd dat dit leidt tot radicalisering van jongeren? Zo ja, wat gaat u daar dan tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 19 januari beantwoorden?
Ja.
De mogelijke oprichting van een eigen tankbataljon |
|
Gijs Tuinman (BBB), Derk Boswijk (CDA), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met Kamerstuk 27 830, nr. 410 en het nieuwsartikel «Defensie heeft uitgewerkt plan voor terugkeer tanks klaarliggen»?1
Ja
Deelt u de mening dat het van wezenlijk belang is dat Nederland weer de beschikking krijgt over een eigen tankbataljon, eventueel binnen de Duits-Nederlandse samenwerking, voor het landgevecht van nu en de toekomst en om te voldoen aan de NATO Defence Planning Capability Review waarin Nederland tot nog toe in gebreke blijft met betrekking tot de prioriteitsdoelstelling voor het leveren van een zware en een medium infanteriebrigade?
Gezien de verslechterde veiligheidssituatie sinds 2022 is het van wezenlijk belang dat onze krijgsmacht verder wordt versterkt. In de NATO Defence Planning Capability Review (DPCR, Kamerstuk 28 676, nr. 421 van 15 november 2022) oordeelt de NAVO dat de Nederlandse krijgsmacht met de Defensienota ’22 (DN22) over de gehele linie een opwaartse lijn heeft ingezet, maar dat er ook aanhoudende tekortkomingen zijn, met name op het terrein van slagkracht en (operationele) gevechtsondersteuning in het landdomein. Daarbij is de NAVO kritisch over het niet voldoen aan de prioriteitsdoelstelling voor het leveren van een zware en medium infanteriebrigade.
In de Defensienota 2022 is op basis van de beschikbare financiële middelen en het nationale militaire advies besloten de slagkracht gericht te versterken. Daarom is binnen de keuzes van de Defensienota 2022 geen tankbataljon opgericht. Sinds 2022 is de veiligheidssituatie verder verslechterd. Tegen de achtergrond van de aanhoudende Russische aanvalsoorlog in Oekraïne en de sterk toegenomen dreiging richting het NAVO-verdragsgebied, hebben de bondgenoten daarom tijdens de NAVO-top in Vilnius met de Defence Investment Pledgeafgesproken om minimaal 2 procent van het BBP uit te geven aan Defensie (Kamerstuk 28 676, nr. 440). Indien er extra budget voor de Krijgsmacht komt, dan kijken we over de volle breedte naar capaciteiten. Een besluit over een tankbataljon is daarom aan een volgend Kabinet.
Kunt u aangeven hoe Nederland en Duitsland de oprichting van een mogelijk nieuw tankbataljon in gezamenlijkheid gaan organiseren?
Een mogelijk nieuw tankbataljon zou kunnen worden gespiegeld met het huidige Duits-Nederlandse 414 Tankbataljon. De tanks zouden dan volledig Nederlands eigendom zijn en 20% Duits bemenst.
Kunt u aangeven wat de oprichting van een mogelijk nieuw tankbataljon voor de gezamenlijke Duits-Nederlandse gevechtskracht betekent en wat dit voor de Nederlandse gevechtskracht betekent?
Een nieuw tankbataljon zou betekenen dat Nederland extra slagkracht toevoegt aan de gezamenlijke gevechtskracht van NAVO. Hiermee wordt tevens de prioriteitsdoelstelling voor een Heavy Infantry Brigade (HIB) verder ingevuld. Een tankbataljon biedt de HIB versterking in slagkracht, bescherming en genetwerkte sensoren. Dit betekent eveneens een versterking voor het divisie- en legerkorpsniveau waarbij de Nederlandse brigade is ingedeeld. In de Defensienota 2022 zijn al stappen gezet om de slagkracht van de krijgsmacht te vergroten. Keuzes over de verdere versterking van de krijgsmacht zijn aan een volgend kabinet.
Worden er ook verdere vervolgstappen gezet naar aanleiding van de inventarisatie inzake de oprichting van een eigen tankbataljon? Zo ja, welke? Of blijft het vooralsnog bij deze informatiebrief?
Uitbreiding van de krijgsmacht met een tankbataljon is thans niet begroot (Kamerstuk 27 830, nr. 410). Er worden op dit moment dan ook geen verdere vervolgstappen gezet.
Staat u nog steeds achter uw stellingname dat financiën de grote bottleneck is? Hoe verhoudt zich dit tot de onderbesteding van de afgelopen jaren en het feit dat waarschijnlijk ook de komende jaren sprake zal zijn van onderuitputting? In hoeverre is het mogelijk om de aanschaf van tanks te financieren uit de onderuitputting op de begroting van Defensie, inclusief het Defensiematerieelbegrotingsfonds?
Defensie heeft ten opzichte van 2022 in 2023 € 2 miljard meer uitgegeven en is € 5 miljard meer verplichtingen aangegaan. Een tankbataljon kost jaarlijks tussen € 260–315 miljoen. Dit omvat over een planperiode van 15 jaar zowel de investeringskosten, de materiële en personele exploitatiekosten als gerelateerde kosten voor zogeheten «tweede en derde orde effecten». De huidige begroting biedt geen financiële ruimte voor uitbreiding van de krijgsmacht met een tankbataljon. Ook niet vanuit onderbesteding. Er zijn namelijk al verplichtingen aangegaan voor dit budget. Het DMF biedt juist ruimte om budget te schuiven naar jaren dat het budget nodig is voor betalingen. Met incidenteel geld kan daarom geen structurele capaciteit worden gefinancierd. Een besluit over een tankbataljon is daarom aan een volgend Kabinet.
Wat zijn volgens u de consequenties op het gebied van personele en materiele gereedheid en geoefendheid van het eventueel stationeren van een op te richten tankbataljon in Nederland (Havelte bijvoorbeeld)?
De samenwerking met Duitsland levert diverse (schaal)voordelen op. Zo bieden de oefen- en schietterreinen bij de Nederlandse kazernes onvoldoende ruimte om realistisch met een tankbataljon te kunnen trainen of schieten; biedt stationering op Bergen-Hohne voordelen voor opleiden & trainen; legt het geen beslag op schaarse bouw-, stikstof- en geluidsruimte in Nederland; biedt het instandhoudingsvoordelen vanwege geografische nabijheid van de industrie en opleidingsvoordelen vanwege nabijheid van het tankopleidingscentrum. Daarnaast is in Duitsland de meeste infrastructuur, zoals legering, les- en kantoorgebouwen, logistieke magazijnen en technische ruimtes al beschikbaar.
Kunt u nader toelichten hoe de observatie over technologische ontwikkelingen en wenselijkheid van geïntegreerde bemande en onbemande systemen mee zijn genomen in de analyse over het oprichten van een eigen tankbataljon?
Technologische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht maken het mogelijk en wenselijk dat een eventueel tankbataljon in de toekomst 2/3 bemand en 1/3 onbemand wordt. Nederland werkt nationaal aan de ontwikkeling van Future Ground Combat Systems, o.a. door de Robotics & Autonomous Systems (RAS) eenheid en het kennisproject Combat Unmanned Ground Systems (CUGS). Met het project CUGS werkt Defensie toe naar oplossingen, die op de middellange termijn invulling kunnen geven aan de eerste onbemenste operationele capaciteit. Nederland zoekt daarbij, zoals in de motie-Stoffer (Kamerstuk 35 570 X, nr. 53) opgeroepen, internationale aansluiting bij het Frans-Duitse project Main Ground Combat System (MGCS). MGCS voorziet vanaf 2040 de eerste Europese next generation combat systems te leveren, waaronder de integratie met volledig onbemenste gevechtssystemen.
Kunt u de Kamer een nadere kostenspecificering toedoen hoe de jaarlijks terugkerende kosten (geraamd op € 260–315 miljoen) zijn opgebouwd? Welke schaalwinsten zijn daarin opgenomen, daar gezamenlijk in te kopen met Duitsland en gezamenlijk ketens te gebruiken op het gebied van voorraad, onderhoud, herstel en kennismanagement?
Deze kostenspecificatie bevat commercieel vertrouwelijke elementen. Derhalve is de specificering in de bijgaande vertrouwelijke bijlage opgenomen. Het Europese Leopard 2A8 Procurement Initiative biedt schaalvoordelen op het gebied van levertijd, prijs en Europese interoperabiliteit. Deze effecten op het benodigde budget voor de gevechtstanks en het bijbehorende pakket reservedelen zijn in het investeringsbedrag in de vertrouwelijke bijlage verwerkt. Daarnaast is voor alle afnemende landen de tank identiek, dus zonder land-specifieke eisen, met als enige uitzondering de voorzieningen voor nationale command & control middelen. Dit levert binnen de gehele Europese gebruikersgroep voordelen op voor kennismanagement,instandhouding, standaardisatie en interoperabiliteit.
Klopt het dat de Duitsers Nederland hebben gevraagd of wij mee willen doen aan een Duits-Europees initiatief om nieuwe Leopard 2A8-tanks te bestellen? Klopt het dat u Duitsland in augustus heeft laten weten dat Nederland meer tijd nodig heeft om een besluit te nemen?
Ja, Nederland is door de Duitse regering uitgenodigd om aan het vraagbundelingsinitiatief voor de Leopard-2A8 gevechtstanks deel te nemen. De Staatssecretaris heeft, mede vanwege de demissionaire status van het kabinet, in de zomer van 2023 uitstel-van-opgave aan zijn Duitse ambtsgenoot gevraagd en gekregen.
Hoeveel tijd heeft Nederland nog om tot een besluit tot deelname te komen?
Er is met Duitsland geen nadere datum voor opgave afgesproken. Keuzes voor de verdere versterking van de krijgsmacht zijn aan een nieuw kabinet.
Kunt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling Defensie beantwoorden?
Ja
De grote zorgen van het internationale artsencollectief (SEGM) over genderrichtlijn WHO |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Artsencollectief bezorgd over genderrichtlijn Wereldgezondheidsorganisatie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de reeks geuite zorgen van het internationale artsencollectief Society for Evidence Based Gender Medicine (SEGM) over de werkwijze en de inhoudelijke koers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)?
Ik deel de zorgen niet van de Society for Evidence Based Gender Medicine (SEGM) met betrekking tot de ontwikkeling van de Richtlijnen voor de gezondheid van trans- en genderdiverse personen door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
De WHO heeft voor samenstelling van de richtlijnontwikkelingsgroep (guideline development group – GDG) de gebruikelijke procedure gevolgd, in lijn met het WHO Handboek voor richtlijnontwikkeling2. Al in juni 2023 heeft WHO een lijst van de eerste 14 geselecteerde GDG-leden gepubliceerd voor een publieke consultatie van twee weken. Vervolgens heeft WHO in december 2023 de lijst van alle 21 geselecteerde GDG-leden gepubliceerd voor een publieke consultatie van drie weken.
Om tegemoet te komen aan de zorg dat de laatstgenoemde periode van publieke consultatie gedeeltelijk met de kerstdagen overlapte en de vele vragen die zijn binnengekomen, heeft de WHO vervolgens besloten de periode van publieke consultatie met drie extra weken te verlengen. Het is nog niet duidelijk wanneer ontwikkeling van de richtlijnen zal zijn afgerond. Ten slotte heeft WHO aangegeven dat deze richtlijnen zich specifiek richten op volwassenen en niet op kinderen noch tieners.
Voor wat betreft de inhoudelijke koers geldt dat de richtlijnontwikkelingsgroep bestaand onderzoek zal analyseren en aan de hand daarvan zal adviseren welke behandelingen de beste gezondheidsuitkomst hebben voor trans- en genderdiverse personen. Hierbij zal specifiek gekeken worden naar de volgende vijf punten:
Deelt u de mening dat bij het ontwikkelen van internationale richtlijnen aan professionals royaal gelegenheid moet worden geboden om in de voorbereidingsfase een inbreng te leveren?
Ja.
Vindt u het zorgvuldig dat de WHO in de week voor de kerstdagen 2023 de plannen bekendmaakte om vervolgens de openbare consultatie al te sluiten op 8 januari 2024? Was u op de hoogte van deze procedure en in hoeverre is die met organisaties in Nederland gedeeld? Zo ja, wanneer, op welke wijze en hoe is hierop vervolgens gereageerd?
De gevolgde procedure is conform de WHO-brede standaard die gehanteerd wordt voor alle richtlijnontwikkelingen. Het uitzetten van openbare consultaties verloopt niet via lidstaten, maar via het eigen netwerk van WHO. Al in juni 2023 is een eerste lijst namen van geselecteerde experts gedeeld voor publieke consultatie waarop inbreng mogelijk was. Vervolgens heeft de WHO in december 2023 de volledige lijst van 21 geselecteerde GDG-leden gepubliceerd voor publieke consultatie. Naar aanleiding van de vele vragen omtrent de publieke consultatie voor de volledige lijst met experts, heeft de WHO vervolgens besloten de periode van publieke consultatie met drie extra weken te verlengen tot en met 2 februari 2024.
Hoe beoordeelt u de zorgen van de SEGM over de inhoudelijke koers van de WHO en de indruk dat reeds vooraf het stimuleren van geslachtsaanpassing als uitgangspunt lijkt te gelden? Deelt u de mening dat alle relevante wetenschappelijke gegevens bij het ontwikkelen van (internationale) richtlijnen met betrekking tot «genderinclusieve zorg» serieus gewogen moeten worden, ook kritische bijdragen inzake medische behandelingen bij minderjarigen?
Ik deel de zorgen van de Society for Evidence Based Gender Medicine (SEGM) niet, zoals reeds toegelicht in mijn antwoord op vraag 2.
De ontwikkeling van deze richtlijnen met betrekking tot de gezondheid van trans- en genderdiverse personen is in lijn met het mandaat van de WHO, dat zich richt op het bereiken van het hoogst mogelijke niveau van gezondheid wereldwijd voor iedereen.
Waar de term transgender verwijst naar mensen wiens genderidentiteit niet overeenkomt met het geslacht dat hen bij de geboorte is toegewezen, verwijst de term genderdivers naar mensen die zich niet identificeren volgens een binair concept van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Derhalve is geslachtsaanpassing niet per definitie het uitgangspunt voor de ontwikkeling van deze richtlijnen.
Zoals voorgeschreven in het WHO Handboek voor richtlijnontwikkeling betrekt de WHO alle relevante wetenschappelijke bewijslast in de analyses die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van deze Richtlijnen voor de gezondheid van trans- en gender diverse personen. Na de initiële ontwikkeling zullen de richtlijnen aan een peer review worden onderworpen, waarbij partijen uit verschillende invalshoeken worden uitgenodigd. Ik vind het uiteraard van groot belang dat dit gebeurt, omdat het essentieel is voor de ontwikkeling van hoog kwalitatieve richtlijnen.
Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 2 hebben deze richtlijnen geen betrekking op de zorg voor minderjarigen. De WHO heeft dit ook bevestigd in de berichtgeving over deze richtlijnontwikkeling.3
Kunt u aangeven hoe de onafhankelijkheid van de panels van de WHO gewaarborgd wordt? Vindt u het wenselijk dat het wegen van wetenschappelijke gegevens gebeurt door personen die zich actief uitspreken voor geslachtsaanpassing of die zelfs voor belangenorganisaties actief zijn?
De WHO selecteert een diverse groep van technische experts, beoogd gebruikers van de richtlijn, personen die te maken krijgen met de aanbevelingen van de richtlijn, wetenschappelijke experts en andere technische experts waar nodig.
Zij worden geselecteerd op basis van hun kennis, kunde en ervaring en de WHO houdt bij de samenstelling van de groep rekening met de geografische spreiding en genderbalans. Deze mensen doen hun werk op persoonlijke titel. Zij worden door de WHO gescreend en gewogen in de mate waarin zij een nuttige, professionele bijdrage kunnen leveren aan de discussie. Vervolgens worden de namen van geselecteerde personen met hun CV’s gepubliceerd, zodat eventuele zorgen omtrent hun kandidatuur door het brede publiek en geïnteresseerde organisaties kunnen worden gemeld. Naar aanleiding van eventuele meldingen, heroverweegt de WHO de selectie en presenteert de uiteindelijke lijst. Dit proces is standaard voor alle richtlijnontwikkelingen en wordt beschreven in het WHO Handboek voor richtlijnontwikkeling.
De meeste wetenschappers hebben een professioneel onderbouwde publieke mening over het terrein waar ze aan werken. Zij worden ook geselecteerd op hun vermogen hun persoonlijke mening te scheiden van de wetenschappelijke gegevens die ze bestuderen. Diversiteit binnen de geselecteerde richtlijnontwikkelingsgroep verkleint de kans op een tunnelvisie en draagt zorg voor het scherp ondervragen van elkaars analyses. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zal het werk van de richtlijnontwikkelingsgroep nog worden onderworpen aan een peer review. Ook organisaties of invalshoeken die niet vertegenwoordigd zijn in de richtlijnontwikkelingsgroep, zullen hiervoor worden uitgenodigd. Ik vertrouw erop dat dit gestandaardiseerde proces leidt tot een correcte weging van het bestaande wetenschappelijk bewijs.
Kunt u bevestigen en borgen dat de richtlijnen van de WHO geen beperking kunnen betekenen van de ruimte voor (medische) professionals in Nederland om verantwoorde afwegingen te maken, zéker wanneer het minderjarigen en jongvolwassenen met genderdysforie betreft?
Ik benadruk nogmaals dat deze richtlijnen geen betrekking hebben op de zorg voor minderjarigen.
De richtlijnen van de WHO kunnen vrij gebruikt worden door medische professionals om hun protocollen voor behandelingen te ontwikkelen. Zij zijn daartoe vrij naast de richtlijnen van de WHO ook andere bronnen te gebruiken.
In Nederland wordt zorg geboden op basis van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch4 en de Kwaliteitsstandaard Psychische Transgenderzorg5. Geen enkele richtlijn of protocol beperkt medische professionals om een verantwoorde afweging te maken voor de individuele patiënt die zij behandelen. Welke afweging wordt gemaakt is uiteindelijk een zaak tussen de patiënt en de behandelaar.
Het is van belang hierbij te weten dat op dit moment binnen Nederland de evaluatie van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch loopt. Zoals ik uw Kamer al eerder heb gemeld, heeft mijn voorganger ZonMw de opdracht gegeven tot evaluatie van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch. Deze evaluatie wordt momenteel uitgevoerd door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (Kennisinstituut), en zal binnenkort worden opgeleverd. Bij de evaluatie zal gekeken worden naar actualiteit en implementatie van de bestaande kwaliteitsstandaard. In de evaluatie worden op verzoek van mijn ministerie onder andere de volgende thema’s meegenomen:6 1) ontwikkelingen en mogelijkheden met betrekking tot «depathologisering» van genderincongruentie;7 2) rol van de huisarts bij hormoonbehandeling;8 3) nazorg na geslachtsbevestigende behandelingen of ingrepen; en9 4) de ontwikkeling en groei van netwerken voor transgenderzorg.
Bent u bereid om namens Nederland, als lid van de WHO, bij de WHO aan te dringen op ruimere mogelijkheden voor de volwaardige inbreng van professionals en organisaties, onder andere door een serieuze verlenging van de consultatietermijn?
Naar aanleiding van uw vragen heeft mijn ministerie contact gehad met de betrokkenen bij de WHO om een en ander te duiden. Inmiddels heeft de WHO de publieke consultatietermijn reeds verlengd tot en met 2 februari 2024.
De reeks (Islamitische) aanvallen op Christenen in Nigeria rond kerst |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Ruim honderd doden door bendegeweld in Christelijke regio Nigeria1» en «Kerstterreur in Nigeria: Minstens 160 doden bij aanvallen op christelijke dorpen2»? Hoe duidt u deze aanvallen?
Ja, ik heb kennis van de genoemde berichten. Het hoge aantal doden eind december 2023 duidt op een escalatie van geweld binnen een langlopende strijd over schaarse middelen als grond en water, het is één van de dodelijkste aanvallen in de afgelopen vijf jaar. Ook hebben zich meer recent nieuwe aanvallen voorgedaan.
Bent u van mening, mede gelet op de feiten van de «goed gecoördineerde aanval» en de Christelijke dorpen rond kerst, dat dit een doelgerichte aanval tegen Christenen is? Welke trend ziet u hier in de afgelopen tien jaar?
De deelstaat Plateau, waar de aanvallen plaatsvonden, wordt al jaren geteisterd door geweld. Groeperingen zijn verwikkeld in een gewelddadige competitie over land, verschillende manieren van leven (nomadisch versus gevestigd) en water. De gevolgen van klimaatverandering, de hoge bevolkingsgroei en economische achteruitgang in Nigeria van de afgelopen tien jaar dragen bij aan de verslechterde situatie. Ook is er sprake van een hoge mate van straffeloosheid, een gebrek aan gerechtigheid en percepties van marginalisatie van bepaalde gemeenschappen, wat het conflict verder heeft versterkt. Er is derhalve sprake van een bredere problematiek die niet louter gericht is tegen een bepaalde bevolkingsgroep.
Aangezien er in Nigeria al veel langer religieus en sektarisch geweld speelt, zijn er aanwijzingen dat Jihadistische of radicaal-Islamitische groeperingen vanuit het buitenland gefinancierd, aangestuurd of anderszins geholpen worden? Zo ja, hoe en welke aandacht heeft dit van de internationale gemeenschap?
Nigeriaanse burgers met een Christelijke of Moslim geloofsovertuiging zijn al jaren slachtoffers van interreligieus en intra-religieus geweld, voornamelijk in het midden en noorden van het land. Hoewel niet kan worden ontkend dat er financiering van buiten het land komt zoals tijdens de begindagen van Islamic State in West Africa Province, wordt het overgrote deel van het fundamentalistische religieuze geweld – dat een nationaal probleem is – lokaal gefinancierd. Dit gebeurt via ontvoeringen om losgeld, illegale belastingen, veediefstal, drugshandel en illegale mijnbouw. Door de grotendeels informele economie van Nigeria ontsnappen deze geldstromen aan de aandacht van de autoriteiten. De internationale gemeenschap helpt de Nigeriaanse autoriteiten (met name de Nigerian Financial Intelligence Unit) om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te bestrijden.
Hoe beoordeelt u de inzet van de Nigeriaanse autoriteiten in het bestrijden van genoemd geweld en de bescherming van Christenen in dit land? Heeft dit voor hen prioriteit? Waar en wanneer is dit onderwerp van indringend gesprek met Nigeria?
In Nigeria vinden verschillende gewelddadige conflicten plaats verspreid over het gehele land. De veiligheidsdiensten kampen met structureel tekort aan capaciteit. Ook heeft het juridische stelsel onvoldoende capaciteit om de rechtsgang vlot te laten verlopen. De Nigeriaanse autoriteiten zijn momenteel onvoldoende in staat de veiligheid van alle burgers te garanderen. In Nigeria, waar de bevolking nagenoeg gelijk verdeeld is tussen Christenen en Moslims (met een kleine meerderheid van de Islam), vallen er burgerslachtoffers onder verschillende gemeenschappen, zo ook van Christelijke en Islamitische afkomst.
President Tinubu, die in 2023 aan de macht kwam, heeft aangegeven dat veiligheid een van zijn prioriteiten is. Nederland brengt de onveiligheid, alsmede het gebrek aan gerechtigheid geregeld op in bilaterale gesprekken met de Nigeriaanse autoriteiten. De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uitte zijn zorgen over de aanvallen in de deelstaat Plateau aan het Nigeriaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens zijn bezoek aan Nigeria op 5 en 6 februari. Verder uitte Nederland zijn zorgen over het gebrek aan verantwoordelijkheid voor religieus geïnspireerd geweld tijdens de EU-Nigeria Mensenrechtendialoog (februari 2023). Ook werkt Nederland samen met maatschappelijke organisaties voor het verbeteren van de bescherming van mensenrechten. Hiernaast is Nigeria dit jaar onderdeel van de Universal Periodic Review (UPR) van de Verenigde Naties. Tijdens de UPR moet de overheid aan de VN-Mensenrechtenraad verantwoording afleggen over de mensenrechtensituatie in het betreffende land. Nederland vraagt in zijn verklaring dit jaar aandacht voor verhoogde inspanningen om de verantwoordingsplicht te versterken en de veiligheid te vergroten om de beleving van de rechten op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in alle regio's van Nigeria te garanderen.
Aangezien Nigeria een combinatieland is, waarmee Nederland gecombineerd handel en ontwikkelingssamenwerking bevordert, welke rol spelen het bevorderen van geloofsvrijheid en het tegengaan van Christenvervolging in die aanpak? Met welke resultaten? Welke aanscherping is hier mogelijk?
Er is in geheel Nigeria sprake van een verslechterende veiligheidssituatie, waarbij slachtoffers vallen uit verschillende religieuze groepen. De toename van geweld gericht op christelijke gemeenschappen in Nigeria maakt deel uit van een grotere toename van geweld gericht op burgers in zijn algemeenheid. Door de brede relatie die Nederland met Nigeria onderhoudt en de verschillende momenten van bilateraal en multilateraal overleg zoals beschreven in vragen 4, 9 en 10 is het voor Nederland mogelijk het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging te bespreken.
Van de in hoofdstuk 3 van de beleidsnota «Doen waar Nederland goed in is» omschreven «werkwijzen» van het combinatiebeleid, richt geen zich direct of indirect op het bevorderen van geloofsvrijheid en het tegengaan van Christenvervolging. Het bevorderen van stabiliteit en het beschermen van mensenrechten is wel één van de doelen van zowel het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid als het buitenlands mensenrechtenbeleid. Hier vallen het beschermen van religie, vrijheid van religie en levensovertuiging ook onder.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de daders vermoedelijk Boko Haram en lokale Fulani-herders in samenwerking zijn?
Deze vermoedelijke samenwerking is mij niet bekend en kan ik niet op basis van eigen informatie bevestigen. Nigeria kampt met verschillende gewelddadige conflicten waarbij criminele groeperingen en netwerken fluïde zijn. In sommige gevallen wordt door verschillende groeperingen samengewerkt.
Welke gevolgen heeft de betrokkenheid van deze herders voor de ontwikkelingssamenwerking in Nigeria? Ziet u reden om die door te lichten met als doel misbruik voor terreurdoeleinden te vermijden?
Zoals in de beleidsnota «Doen waar Nederland goed in is» als in de Afrikastrategie is benadrukt, zet Nederland zich in voor het aanpakken van grondoorzaken van armoede, terreur, irreguliere migratie en klimaatverandering om stabiliteit, vrede en veiligheid voor Afrikaanse landen en burgers na te streven, wat ook in het belang is van Nederland zelf.
Nederland geeft geen begrotingssteun, ook niet aan Nigeria, en heeft geen informatie die erop duidt dat Nederland organisaties financiert die banden hebben met terreurorganisaties. Bovendien wordt voor OS-partners een zorgvuldigheidstoets uitgevoerd voor het voorkomen van oneigenlijk gebruik van gelden voor ontwikkelingssamenwerking.
Hoe kunt u uw bijdrage aan terreurbestrijding in Nigeria en de Sahel voortzetten en opschroeven om Boko Haram te kunnen bestrijden? Welke mogelijkheden ziet u hiertoe binnen de gespannen relaties met Sahellanden?
De veiligheidssituatie in delen van Nigeria en de Sahelregio is de afgelopen jaren verder verslechterd. Het toenemende geweld in de Sahelregio is een gevolg van een aantal dieperliggende, structurele problemen, waaronder conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen, de afwezigheid van effectief functionerende centrale overheden en het gebrek aan goed en inclusief bestuur. Ondanks de complexe sociale en politieke situatie zal Nederland een bijdrage leveren aan het adresseren van deze grondoorzaken in de Sahellanden, zoals uiteengezet in de Kamerbrief «Nederlandse inzet in de Sahelregio» van 1 december 2023. Het kabinet werkt op deze onderwerpen nauw samen met andere landen en organisaties, zoals de EU en de VN.
In Nigeria heeft Nederland bijgedragen aan het bevorderen van een civiele aanpak bij het bestrijden van terrorisme door de veiligheidsdiensten, in plaats van een puur militaire aanpak.
Samen met internationale partners dragen we bij aan de terugkeer van politie en justitie en het herstel van infrastructuur en basisvoorzieningen in gemeenschappen die door Boko Haram zijn verwoest, zodat de veiligheid toeneemt, ontheemden kunnen terugkeren en de voedingsbodem voor (hernieuwd) extremisme wordt weggenomen.
Kunt u de inzet van de Nederlandse gezant en de EU-gezant voor geloofsvrijheid met betrekking tot specifiek Nigeria uiteenzetten of een inhoudelijke brief hierover naar de Kamer sturen? Welke inzet is door hen gepleegd en met welke effecten?
De Nederlandse Speciale Gezant voor Religie en Levensovertuiging zet de situatie in Nigeria regelmatig op de agenda in de intergouvernementele Freedom of Religion or Belief (FoRB)-fora waar Nederland lid van is, zoals de International Religious Freedom or Belief Alliance en de International Contact Group on FoRB. De gezant zal de Nederlandse zorgen blijven delen.
Nigeria is voor de EU-gezant voor gelijkheid van religie en levensovertuiging een prioriteit. De EU-gezant is voornemens een bezoek te brengen aan Nigeria.
Welke mogelijkheden ziet u om de inzet van de EU, en meer specifiek de EU-gezant voor geloofsvrijheid, te intensiveren met betrekking tot het tegengaan van voortdurend terugkerend geweld jegens Christenen in Nigeria?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Duitse regeringspartij: Antisemieten mogen geen Duitser worden’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Duitse regeringspartij: Antisemieten mogen geen Duitser worden» van 29 november 2023?1
Ja.
Deelt u de mening dat we alles in het werk moeten stellen om de import van antisemitisme in Nederland te voorkomen?
Antisemitisme dient met kracht te worden bestreden. Antisemitisme is helaas in geen enkele zin nieuw in Nederland, maar sinds de terreuraanvallen van 7 oktober 2023 in Israël is een duidelijke toename van antisemitisme zichtbaar. Deze toename is niet alleen een zorg voor de Joodse gemeenschap, maar voor de hele samenleving.
Hoe wordt op dit moment aandacht besteed aan antisemitisme in de asielprocedure en het daaropvolgende inburgerings- en integratieproces? Acht u deze aandacht toereikend?
Een ieder die zich in Nederland bevindt, moet zich houden aan de Nederlandse wet en moet de Nederlandse waarden respecteren. Dit geldt ook voor asielzoekers. In de achterliggende jaren is een groot aantal maatregelen getroffen om op te kunnen treden tegen asielzoekers die zich misdragen. Ook zijn al eerder de voorwaarden aangepast waaronder een verblijfsvergunning asiel kan worden geweigerd of ingetrokken als een asielzoeker of vluchteling de wet heeft overtreden. Om ervoor te zorgen dat asielzoekers zich houden aan de wet en geldende normen en waarden respecteren is het essentieel dat vanaf het moment dat zij in Nederland zijn, volstrekt helder is wat er van hen wordt verwacht en dat zij weten wat de gevolgen zijn als zij zich hier niet aan houden. Dit geldt ook voor hun verblijf in de opvang. Asielzoekers in de opvang worden geïnformeerd over de huisregels tijdens het zogenoemde rechten en plichtengesprek, met bijzondere aandacht voor artikel 1 van de Grondwet.
In hoeverre wordt onderzocht of immigranten betrokken zijn geweest bij delicten met een antisemitische achtergrond, en welke consequenties worden hieraan verbonden? Kunt u uw antwoord voorzien van voorbeelden of concrete aantallen?
Bij elke overweging tot het verlenen van verblijf vindt een zogeheten openbare orde-toets plaats. Daarbij wordt op basis van beschikbare geautomatiseerde systemen de gegevens uit het asielrelaas en middels een antecedentenverklaring onderzocht of sprake is van eerdere vergrijpen en veroordelingen.
Hoe beoordeelt u het Duitse wetsvoorstel om antisemitische migranten te weren door vast te leggen dat antisemitisch gemotiveerde uitingen en handelingen leiden tot uitsluiting van de inburgeringsprocedure?
De voorwaarden om Nederlander te kunnen worden middels naturalisatie zijn opgenomen in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Een voorwaarde om Nederlander te kunnen worden is dat op grond van het gedrag van de verzoeker geen ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Hieronder valt mogelijk ook antisemitisme, wanneer dat zich uit in een vorm die strafbaar is gesteld. Voor andere procedures om het Nederlanderschap te verkrijgen, zoals optie, gelden vergelijkbare regels.
Hoe beoordeelt u het onderdeel van het voorstel om migranten die na hun inburgering zich te buiten gaan aan antisemitisme het staatsburgerschap te ontnemen?
De gronden voor intrekking van het Nederlanderschap zijn limitatief opgenomen in artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Onder meer betreft dit een onherroepelijke veroordeling wegens:
Op basis van deze intrekkingsgronden zal een vergrijp op antisemitische motieven niet snel kwalificeren als grond voor intrekking, maar is dit evenmin uitgesloten. Aangezien het intrekken van Nederlanderschap een zeer grote stap is, meen ik dat de huidige intrekkingsgronden in dat verband passend zijn.
Bent u bereid over dit voorstel in contact te treden met uw Duitse ambtsgenoot?
Ik zie daartoe geen aanleiding. Gevaar voor de openbare orde is reeds onderdeel van de afwijzingsgronden voor verlening/verkrijging van het Nederlanderschap. Zoals hiervoor genoemd vallen vergrijpen op antisemitische gronden daar mogelijk ook onder.
Welke mogelijkheden ziet u voor een vergelijkbaar voorstel in Nederland?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid de mogelijkheden hiervoor verder te verkennen, in overleg met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, en de Kamer over de resultaten van deze verkenning op de hoogte te houden?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3 t/m 6.