Het bericht ‘IMF maakt in analyse gehakt van Nederland koopkrachtfetisjisme’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de conclusie van het IMF dat het Haagse beleid een draai moet maken van koopkracht naar investeringen, zoals beschreven in het FD?1
Het demissionaire kabinet onderschrijft het belang van structurele investeringen in de Nederlandse economie. Zoals ook in de Miljoenennota 2025 is aangegeven, is structurele economische groei essentieel voor welvaart en houdbare overheidsfinanciën. Daarnaast zal het demissionaire kabinet in augustus stilstaan bij de koopkrachtontwikkeling van de verschillende groepen en een integrale afweging maken of en op welke manier het nemen van beleidsmaatregelen nodig is. Het is daarbij ook aan een volgend kabinet om verdere keuzes te maken in het vinden van een verstandig evenwicht tussen beide, met het oog op zowel korte- als langetermijnbelangen.
Ziet u ook de dreiging van structureel lagere economische groei zonder zo’n draai? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse economie heeft zich de afgelopen jaren veerkrachtig ontwikkeld. Ondanks internationale onzekerheden en een krappe arbeidsmarkt is er sprake geweest van stabiele en aanhoudende groei. Ook voor de komende jaren voorziet het Centraal Planbureau (CPB) een gematigd groeipad. Tegelijkertijd vragen de vergrijzing op de langere termijn en de dalende productiviteitsgroei wel om gerichte keuzes om het verdienvermogen van Nederland op peil te houden. Ook de geopolitieke onzekerheden kunnen economische schade veroorzaken.
Het demissionaire kabinet heeft zich actief ingezet voor het versterken van het groeivermogen op de lange termijn. Een belangrijk onderdeel daarvan is het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Daarmee wordt niet alleen rust gecreëerd in het begrotingsbeleid, maar ook ruimte behouden om gericht te kunnen investeren. Tegelijk zet het demissionaire kabinet zich binnen de Europese Unie in het wegnemen van barrières op de Europese interne markt, verdere verdieping van de kapitaalmarktunie, om zo randvoorwaarden en toegang tot financiering en durfkapitaal voor innovatieve en snelgroeiende bedrijven te verbeteren die van belang zijn voor de productiviteitsgroei.
Hoe kijkt u naar de conclusie dat de Nederlandse economie op volle capaciteit draait, waardoor bottlenecks zoals de krappe arbeidsmarkt, het stikstofdossier en achterblijvende stroomvoorzieningen beginnen te knellen?
Het klopt dat de Nederlandse economie momenteel op of nabij volledige capaciteit draait. Dat is in veel opzichten een gunstige situatie, maar het brengt ook uitdagingen met zich mee, zoals druk op de arbeidsmarkt, inflatie, fysieke ruimte en het energiesysteem. Ook de onderuitputting van begrotingsmiddelen van de afgelopen jaren – die voornamelijk plaatsvond op investeringsmiddelen – toont dat de overheid en markt qua uitvoeringskracht aan hun grenzen zitten. Het demissionaire kabinet heeft de afgelopen periode daarom stappen gezet om de begroting realistisch te maken. Ook heeft het demissionaire kabinet zich ingezet voor begrotingsdiscipline. Dat draagt bij aan het vertrouwen in het beleid en voorkomt dat toekomstige generatie worden opgezadeld met de rekening.
Ziet u daarom ook de noodzaak tot hogere investeringen in onderwijs, infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling, die de economie op termijn meer lucht geven en dus reële groei mogelijk maken?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u eveneens de noodzaak van investeringen in economische groei om op lange termijn de overheidsfinanciën te versterken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een opsomming geven van wat het kabinet op dit vlak momenteel aan langetermijnbeleid voert of voorbereidt, en daarbij een concrete planning meesturen?
Het overzicht en de planning van het langetermijnbeleid van dit demissionaire kabinet is terug te vinden in het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma, de financiële vertaling daarvan in de Miljoenennota 2025 en de Voorjaarsnota 2026. Het is aan een volgend kabinet om nieuwe plannen te maken voor de lange termijn.
Bent u bereid meer langetermijnbeleid te gaan ontwikkelen, dat aansluit op de scherpe economische analyses die u in de Miljoenennota 2025 (tevens startnota van het kabinet) heeft opgenomen?
Het demissionaire kabinet heeft reeds een toekomstgericht langetermijnbeleid gevoerd, zoals ook terugkomt in de Miljoenennota 2025. Dit beleid richt zich onder andere op het op orde brengen van de overheidsfinanciën, het verbeteren van de arbeidsmarkt en meer ruimte te geven aan ondernemerschap. Dit biedt een solide basis om de economische uitdagingen van nu en de toekomst aan te pakken.
Is volgens u als econoom, een koopkrachtgericht begrotingsbeleid nog steeds nodig, en hoe beziet u vanuit een economisch langetermijnperspectief de kortetermijnmaatregelen, zoals huurbevriezing, besparingen op R&D en verlenging van de lagere brandstofaccijns, die hieraan volgens het IMF tegengesteld zijn?
Het demissionaire kabinet heeft, net als voorgaande kabinetten, ingezet op trendmatig begrotingsbeleid, waarbij aan het begin van de kabinetsperiode duidelijke afspraken worden gemaakt wat in een jaar mag worden uitgegeven (het uitgavenkader) en hoe hoog de beleidsmatige aanpassing van de belastingen mag zijn (het inkomstenkader). Daarbij weegt het kabinet verschillende keuzemogelijkheden zorgvuldig tegen elkaar af, waaronder de investeringsbehoeften en de noodzaak voor koopkrachtmaatregelen.
Erkent u ook de door het IMF geschetste context van ondermijning van het investeringsklimaat door dalend ondernemersvertrouwen en de door de VS ontketende handelsoorlog, en bent u het met het IMF eens dat deze tijd vraagt om consistente overheidsmaatregelen die het vertrouwen versterken?
De internationale onzekerheid vereist dat we intern stabiliteit en voorspelbaarheid bieden. Consistent beleid – op onder meer belastingen, energie, regelgeving en arbeidsmarkt – is essentieel voor het behoud van investeringsvertrouwen.
Wanneer komt u met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over in kaart brengen welke investeringen het grootste hefboomeffect kunnen hebben op de Nederlandse economische groei en productiviteit?2
Tijdens het debat over de Najaarsnota in 2024 heb ik toegezegd deze motie zo te interpreteren dat publieke investeringen worden betrokken bij de Miljoenennota 2026 in de bredere context van de productiviteit en economische groei.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat over de Voorjaarsnota?
Ja.
Het onderzoek ‘Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) «Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van recente onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat er geen bewijs is dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij?
Ja.
Bent u tevens bekend met een ouder onderzoek van de WUR «Dosis-responsrelatie tussen garnalenvisserij en de macrobenthische faunagemeenschap in de kustzone en de Waddenzee»?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat dit eerdere onderzoek zwaar heeft meegewogen in het besluit tot vergunningverlening aan Belgische garnalenvissers op grond van de Wet natuurbescherming en dat deze vergunning door de rechtbank is vernietigd, aangezien de rechtbank oordeelde dat onvoldoende is gemotiveerd dat er géén sprake zou zijn van significante negatieve effecten?
Daar ben ik van op de hoogte.
Ook mijn ambtsvoorganger bestreed het oordeel van de rechtbank en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het oordeel van de rechtbank is door de hogere rechter vernietigd. Dat deed zij niet op inhoudelijke gronden, maar vanwege een procedureel aspect. De vernietiging betekent wel dat het eerdere inhoudelijke oordeel van de rechtbank ook is komen te vervallen. Dat betekent dat er geen specifiek rechterlijk oordeel meer is over een mogelijk verband tussen de garnalenvisserij en een verhoogde aanwezigheid van ensisbestanden (die als hypothese overige soorten zouden kunnen verdringen en het bodemprofiel zouden kunnen veranderen).
Erkent u dat deze uitspraak aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor zowel Belgische als Nederlandse garnalenvissers en invloed heeft gehad op lopende Wet natuurbescherming trajecten?
Ik ben me ervan bewust dat de uitspraak veel teweeg heeft gebracht onder vissers en voor gevoelens van onzekerheid heeft gezorgd.
Dat het onderzoek genuanceerd moest worden, is eerder al in de nieuwe Passende Beoordeling die ik aan mijn aanstaande vergunningverlening ten grondslag leg, geconcludeerd. De nuance ligt in de technische onderzoeksopzet. De recente publicatie van Van der Meer et al.is daarmee in lijn en dus volgend op die bevindingen. In die zin heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank waarin de natuurvergunning van de Belgische garnalenvissers werd vernietigd, dus geen inhoudelijke invloed gehad op de lopende Wet natuurbescherming trajecten.
Ik vind betrouwbaarheid vanuit de overheid en toekomstperspectief voor onze vissers van groot belang. Daarom heb ik sinds het verlopen van de natuurvergunningen, onder strenge voorwaarden, de garnalenvisserij gedoogd. Men kon dus wel doorvissen, maar deze uitspraak heeft wel tot onrust en onzekerheid binnen deze sector geleid. Dat betreur ik.
Erkent u dat de conclusies van het nieuwe onderzoek «Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij» de hypothese uit het oudere onderzoek over de dosis-responsrelatie niet ondersteunen?
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van het voorzorgsbeginsel, de juridische houdbaarheid van eerdere visserijbeperkingen als blijkt dat cruciale aannames over negatieve ecologische effecten niet wetenschappelijk onderbouwd zijn?
Bent u bereid om, op basis van dit nieuwe onderzoek, bestaande of voorgenomen maatregelen ten aanzien van de garnalenvisserij te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om Belgische garnalenvissers opnieuw een vergunning te verlenen, nu dit nieuwe onderzoek beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb reeds, met het medio maart van dit jaar laten publiceren van de ontwerpvergunningen voor de Belgische garnalenvissers, aangegeven deze groep van vissers opnieuw een vergunning te willen verlenen.
Wordt dit nieuwe rapport gedeeld met relevante adviesorganen, zoals de Commissie voor de milieueffectrapportage of ecologische adviesgroepen binnen het Natura 2000-beheer?
Ik zal dit nieuwe rapport bij Rijkswaterstaat (als beheerder van diverse mariene Natura 2000-gebieden) onder de aandacht brengen. Waar aan de orde zal ik, voor zover de Commissie voor de milieueffectrapportage nog niet hiermee bekend is, haar hierop in relevante dossiers tevens attenderen.
Gedupeerde Groningers die nog wachten op compensatie voor de eigen gemaakte kosten bij de versterking |
|
Sandra Beckerman , Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Erkent u dat het treurig is dat, bijna twee jaar nadat de Tweede Kamer de motie-Beckerman/Nijboer heeft aangenomen, die tot doel had om alle gedupeerden die eigen geld hadden moeten investeren in de versterking schadeloos te stellen, gedupeerden nog steeds wachten of worden afgewezen om onterechte redenen?1 2
Bewoners die kosten gemaakt hebben voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen, of kosten die daar direct uit voortkomen, moeten die kosten vergoed krijgen. Dit duurt lang, maar er worden goede stappen gezet. NCG heeft naar aanleiding van de moties-Beckerman/Nijboer3 4 een meldpunt ingericht waar bewoners zich kunnen melden en analyseert deze meldingen, waar nodig met gemeenten. Als blijkt dat er kosten zijn gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen, vind ik het belangrijk dat deze alsnog worden vergoed. Echter, in sommige gevallen is vastgesteld dat bewoners volgens de bestaande kaders hebben gekregen waar ze recht op hadden. Daarom zullen zij geen vergoeding krijgen. Van de totaal 217 binnengekomen meldingen, hebben 166 bewoners een voorgenomen of definitief besluit ontvangen op hun melding. Er zijn nog 51 bewoners die in afwachting zijn van een besluit op hun melding, waarvan er 42 voor 1 juli 2025 een voorgenomen besluit ontvangen. Voor de overige 9 bewoners geldt dat ik me blijf inspannen zodat zij ook zo spoedig mogelijk uitsluitsel over hun melding zullen krijgen.
Klopt het dat de 55 melders uit Batch 1588 die in januari 2025 nog moesten wachten nog steeds wachten?
Nee, 11 bewoners hebben inmiddels bericht ontvangen over hun melding.
Welke stappen zijn in de tussentijd gezet?
De NCG heeft samen met gemeenten getoetst of bewoners uit Batch 1588 een functioneel vergelijkbare woning hebben kunnen kopen en/of realiseren van het door hen eerder ontvangen budget. Hierbij vind ik het belangrijk dat het komen tot een besluit met aandacht voor de specifieke situatie van een bewoner gebeurt. Mede hierdoor heeft het bieden van uitsluitsel voor bewoners lang geduurd. De analyse voor 42 bewoners van deze Batch 1588 meldingen is recentelijk afgerond. Ik heb me er hard voor gemaakt dat deze bewoners nog voor 1 juli 2025 duidelijkheid krijgen over hun melding.
Er bereiken ons signalen dat gemeenten meldingen (willen) afwijzen, klopt dat? Kunt u deze signalen tegenspreken? Zo nee, hoe kan dit? Heeft u hier gesprekken over met de betrokken gemeenten?
Ik ben samen met NCG en de betrokken gemeenten doorlopend in gesprek. Hoewel NCG de besluiten verstuurt, is er af- en overeenstemming over de uitkomsten met betrekking tot de meldingen. Door NCG en betrokken gemeenten is samen gekeken of er daadwerkelijk sprake was van extra gemaakte kosten die vergoed hadden moeten worden. Op basis van de analyse die is gedaan wordt duidelijk dat niet alle meldingen worden toegewezen. Deze bewoners hebben voldoende budget gekregen om een functioneel vergelijkbare woning (qua typologie van de woning, gebruiksoppervlakte, afwerkingsniveau en functionaliteit) terug te bouwen en komen dus niet in aanmerking voor een extra vergoeding.
In de Voorjaarsnota is er opnieuw extra geld vrijgemaakt voor Batch 1588: 33,5 miljoen euro extra voor de uitvoering en 64,7 miljoen euro extra voor gestegen bouwkosten en indexatie. Zijn deze middelen ook bestemd voor de groep die zelf heeft moeten inleggen voor de versterking?
De middelen die zijn vrijgemaakt in de Voorjaarsnota 2025, zijn bestemd voor het goed kunnen uitvoeren en afronden van de versterking binnen Batch 1588. Omdat (bouw)kosten de afgelopen jaren zijn gestegen, bleek het oorspronkelijke budget ontoereikend. Daarom is in de kabinetsreactie Nij Begun reeds € 33,5 mln gereserveerd en is dit nu toegevoegd aan de BZK-begroting. Boven op de eerder gereserveerde middelen bleek er extra budget nodig, waardoor er nog eens € 64,7 mln is vrijgemaakt bij deze Voorjaarsnota. Ik heb uw Kamer op 24 januari jl. geïnformeerd5 dat ik met de gemeenten contact heb om te borgen dat zij voldoende middelen hebben om bewoners te kunnen compenseren in het geval uit het meldpunt blijkt dat bewoners zelf kosten hebben moeten maken voor de noodzakelijke versterking van hun woning. Dat is ook onderdeel van deze extra middelen.
Wat is de stand van zaken betreffende de 33 melders uit Batch 1588 die in januari 2025 al wel een voorgenomen besluit hadden ontvangen? Hoeveel van hen hebben een bedrage gekregen? Hoeveel van hen zijn afgewezen? Hoeveel bezwaren zijn er ontvangen?
Van de 33 melders uit Batch 1588 die in januari 2025 een voorgenomen besluit hebben gekregen, hebben 3 bewoners een vergoeding ontvangen en zijn er 30 meldingen afgewezen. Naar aanleiding van het voorgenomen besluit hebben 4 bewoners een bezwaar ingediend. Zoals hierboven aangegeven, vind ik het belangrijk dat kosten die zijn gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen alsnog worden vergoed. Echter, niet in alle gevallen vindt er een vergoeding plaats omdat het gekregen budget voldoende was voor een functioneel vergelijkbare woning. Ik snap dat dit misschien niet voor alle bewoners de uitkomst is waar ze op hadden gehoopt. Daar heb ik ook oog voor. Daarom kunnen bewoners hun zienswijze delen na ontvangst van hun voorgenomen besluit. Daarnaast kunnen bewoners persoonlijk toelichting krijgen op het voorgenomen besluit. Ook kunnen bewoners tegen het definitieve besluit in bezwaar en beroep.
Een tweede groep bewoners waarbij problemen zijn ontstaan bij de uitvoer van de aangenomen motie-Beckerman/Nijboer zijn de bewoners die een akkoord sloten met de Nederlandse Aardoliemaatschappij/Centrum Veilig Wonen (NAM/CVW) voor de versterking; wat is de stand van zaken betreffende deze groep?3
Toen de versterkingsopgave en schadeafhandeling in 2018 publiekrechtelijk belegd zijn, is ervoor gekozen om géén zaken op te pakken die eerder in behandeling zijn genomen door onder andere NAM en CVW tenzij er in het geval van individuele gevallen sprake is van «onbillijkheden van overwegende aard» (hardheidsclausule). Dit is vastgelegd in de Tijdelijke wet Groningen. NAM en CVW hebben bij hun afhandeling geen onderscheid gemaakt tussen schadeafhandeling of mogelijke versterking. Doordat er geen beoordelingen van de woningen hebben plaatsgevonden is ook niet na te gaan of er sprake was van noodzakelijke versterking bij die woningen. En of de vergoeding dus bedoeld was voor versterking.
Voor NCG geldt daarbij dat zij niet bevoegd is zolang er geen sprake is van een beoordeling dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet (en er dus budget voor versterking nodig is). Als die beoordeling ontbrak hebben de bewoners een afwijzing gekregen. Deze bewoners hebben echter bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Zoals aangegeven ben ik aan het kijken naar de mogelijkheden om deze bewoners alsnog tegemoet te komen. De reactie op dit bezwaar is opgeschort tot het moment dat dit besluit is genomen.
Bij een van deze meldingen was sprake van een acute schrijnende situatie die door de Commissie Bijzondere Situaties (CBS) in behandeling is genomen. De CBS heeft onlangs besluit genomen om tot een vergoeding over te gaan.
Ons bereiken signalen dat deze bewoners worden afgewezen of zij lagere bedragen toegekend krijgen omdat ze hun handtekening hebben gezet onder een akkoord met de NAM/CVW; herkent u dat dit in strijd is met het uitgangspunt van de motie? De motie is immers bedoeld om onrecht uit het verleden recht te zetten, maar het niet rechttrekken met de huidige vergoedingen staat hier toch haaks op?
Zoals hiervoor aangegeven is er door de wetgever voor gekozen om in principe geen zaken op te pakken die eerder in behandeling zijn genomen. Alleen als er sprake is van «onbillijkheid van overwegende aard» is er voor IMG en NCG een mogelijkheid om alsnog tot een vergoeding over te gaan. Daar ben ik bij de uitvoering van de motie aan gebonden. Ik snap dat dit voor sommige mensen onrechtvaardig voelt maar de wet biedt mij dan ook geen mogelijkheden om al het onrecht uit het verleden «recht te trekken» met de huidige vergoedingen. Daarbij is dat in praktijk ook ondoenlijk aangezien NAM en CVW tienduizenden zaken hebben behandeld waarbij in veel gevallen geen heldere onderbouwingen voor de vergoedingen zijn opgenomen. Zoals aangegeven ben ik voor schrijnende gevallen in deze groep aan het kijken om binnen de (wettelijke) mogelijkheden tot een oplossing te komen.
Erkent u dat bewoners die een overeenkomst met de NAM/CVW sloten dat vaak deden onder hoge druk?
Ik ben bekend met het feit dat bewoners in sommige gevallen hoge druk hebben ervaren bij het afsluiten van overeenkomsten met de NAM/CVW. Dat is natuurlijk zeer onplezierig voor deze bewoners en heeft ook tot stress geleid. Ik kan de tijd niet terugdraaien. Ik zet me vol in om in huidige afhandeling recht te doen aan de situatie van bewoners en te zorgen voor een milde, menselijke en makkelijke afhandeling van schade en uitvoering van de versterking.
Erkent u voorts dat deze bewoners vaak geen zicht hadden op de hoogte van het versterkingsbudget?
Bij de bewoners die zich hebben gemeld is sprake van sloop/nieuwbouw. De prijzen voor het bouwen van een huis per m2 zijn algemeen bekende gegevens. Ik kan niet nagaan of de bewoners afdoende bekend waren met deze gegevens.
Hoe staat het met het onderzoek over of, en zo ja, hoe alsnog een vergoeding van kosten zou kunnen worden gegeven in het geval de afspraken met de NAM/CVW als onredelijk kunnen worden gezien, dat u in antwoord op eerdere Kamervragen had aangegeven te gaan uitvoeren?
Ik zal in mijn voortgangsbrief voorafgaand aan het commissiedebat van 2 juli aanstaande nader ingaan op de stand van zaken van dit onderzoek.
Hoe waarderen de melders die eigen geld hebben moeten inleggen en bij wie de versterking onder de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) viel de regeling die is voortgekomen uit de hierboven genoemde motie-Beckerman/Nijboer? Welke plus- en minpunten worden genoemd? Welke lessen trekt u hieruit?
Er heeft geen evaluatie specifiek voor deze groep plaatsgevonden. Wel doet NCG jaarlijks een meting naar de bewonerstevredenheid waarin ook deze groep wordt meegenomen. Over de uitkomsten zal ik ook, zoals gebruikelijk, dit najaar de Tweede Kamer informeren.
Naast de problemen met de inleg van eigen geld is ook aandacht gevraagd voor bouwfouten gemaakt bij Batch 1588, hoe staat de aanpak daarvan?
Het uitgangspunt is dat de woning van bewoners bij Batch 1588 gebouwd werd onder garantie van een waarborginstantie, zoals Woningborg of BouwGarant. Dit beschermt bewoners tegen verborgen en constructieve gebreken aan de nieuwbouwwoning, omdat het onder garantie kan worden opgelost. In sommige gevallen is hier bij Batch 1588 echter van afgeweken, wat alleen mogelijk was in overeenstemming met de betreffende gemeente. Dat is dus een uitzondering op de regel. Indien in deze gevallen toch sprake blijkt van bouwfouten, kan er door bewoners en gemeente gezamenlijk gekeken worden naar een maatwerk oplossing.
Recent bleek dat huurders die onder Batch 1588 vallen geen recht hebben op de overlastvergoeding van 740 euro die andere huurders wel kregen. Waarom is er bij een regeling bedoeld om tot meer gelijkheid te komen weer gekozen voor nieuwe ongelijkheid?4 Deelt u onze mening dat dit niet is uit te leggen? Wilt u deze ongelijkheid alsnog rechtzetten en huurders uit Batch 1588 ook dit bedrag laten toekennen?
De overlastvergoeding van 740 euro voor huurders is een uitwerking van maatregel 12b uit Nij Begun waarmee onaanvaardbare verschillen in de versterking tussen huurders en eigenaren worden rechtgezet. Omdat Batch 1588 onder regie van de gemeente valt, hebben deze bewoners niet automatisch recht op deze vergoeding. Ik vind dat dit leidt tot nieuwe, onaanvaardbare verschillen, en ben daarom met gemeenten en NCG in overleg of en hoe we dit op korte termijn kunnen rechttrekken. Omdat dit mogelijk een aanpassing van de regelgeving onder de Tijdelijke wet Groningen vereist, ben ik ook direct aan het kijken voor welke andere regelingen bewoners uit Batch 1588 nu worden uitgesloten maar dat niet wenselijk is omdat dit leidt tot nieuwe verschillen en hoe we dit kunnen oplossen. Ik zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ontstaat ook bij andere regelingen nieuwe ongelijkheid omdat mensen uit Batch 1588 of mensen waarvan de versterking onder de NAM/CVW viel hiervan worden uitgesloten?
Zie het antwoord op vraag 14.
Zaken die door NAM/CVW zijn afgehandeld vonden onder een ander juridisch en uitvoeringskader plaats. Er waren toen nog geen regelingen voor uitvoering van de versterking, (rechts)bijstand, tijdelijke huisvesting etc. Los van de vraag of het wenselijk is, is het zoals aangegeven ondoenlijk om dergelijke zaken nu nog «recht te trekken».
In eerdere antwoorden gaf u aan voor de zomer met nadere antwoorden te komen; kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Herstel Groningen op 2 juli aanstaande, zodat we nog voor de zomer nadere stappen kunnen zetten?
Ja.
Het bericht 'Wrijving in kabinet over migratiebeleid: Faber wil handtekening Schoof onder kritische brief' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Marjolein Faber (PVV), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wrijving in kabinet over migratiebeleid: Faber wil handtekening Schoof onder kritische brief»?1
Ja.
Kunt u een precieze tijdlijn geven van het begin van het eerste verzoek om de brief te ondertekenen tot nu toe?
In mei jl. werd een concept van de brief ontvangen met een verzoek tot mede-ondertekening. Op ambtelijk niveau zijn er sinds januari jl. informele gesprekken gevoerd met een aantal EU-lidstaten over de mogelijkheid een oproep te doen (bijvoorbeeld via een ingezonden brief) een dialoog te voeren over de juridische kaders voor de mogelijkheden om strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen uit te zetten.
Kunt u de brief die is opgesteld door Denemarken en Italië de Kamer doen toekomen en kunt u daarbij specifiek aangeven welke passages zijn aangedragen voor wijzigingen?
De brief is openbaar.2 Het kabinet ziet steun voor de Nederlandse inzet in een groot deel van de brief, zie het antwoord op vraag 4. Nederland heeft aangegeven de brief te kunnen mede ondertekenen zonder passages die ingaan op de interpretatie door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Kunt u aangeven welke redenen door kabinetsleden zijn aangedragen om de brief niet te ondertekenen? Kunt u hier nadrukkelijk ingaan op de juridische en rechtsstatelijke onderbouwing van de advisering?
Het kabinet ziet in de ingezonden brief van de regeringsleiders van Denemarken, Italië en een aantal andere landen een oproep voor een open dialoog over de juridische kaders voor de mogelijkheden om veroordeelde vreemdelingen uit te kunnen zetten. Zoals ook opgenomen in het Hoofdlijnenakkoord is het de inzet van dit kabinet een lik-op-stuk aanpak te voeren op overlast, intimidatie en geweld, en om vergunningen van criminele vreemdelingen sneller in te kunnen trekken. Het kabinet steunt daarom dat signaal van de brief in algemene zin. Conform de eerdere toezegging aan uw Kamer in het Commissiedebat over de JBZ-Raad van 12 en 13 juni (vreemdelingen- en asielbeleid) van 11 juni jl., heeft Nederland daarom ook tijdens de JBZ-Raad van 13 juni jl. aangegeven de geest van dat deel van de brief te steunen en open te staan voor dialoog. Als de juridische kaders hiervoor niet meer aansluiten bij de politiek gewenste praktijk, dan moet het gesprek over die kaders gevoerd worden binnen de daartoe aangewezen gremia. In het Hoofdlijnenakkoord is dan ook opgenomen dat Nederland daar waar nodig inzet op het aanpassen van EU-regelgeving of internationale verdragen. Het kabinet ziet steun voor deze inzet in de brief.
De brief roept tegelijkertijd specifiek op om een open dialoog te voeren over de interpretatie van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Die inzet volgt niet uit het Hoofdlijnenakkoord en raakt aan meer dan migratiebelangen, zoals de onafhankelijkheid van rechters en het EHRM. Nederland wil niet de indruk wekken op de stoel van de rechter te willen zitten en kan daarom dat deel van de oproep niet steunen. Om die reden is besloten deze ingezonden brief niet mede te ondertekenen.
Nederland zal het signaal van Denemarken en Italië t.a.v. de mogelijkheid om veroordeelde vreemdelingen uit te kunnen zetten via andere wegen ondersteunen. Zo kan Nederland standpunten over de interpretatie van het EVRM naar voren brengen in het kader van lopende EHRM-procedures op het gebied van het vreemdelingenrecht inclusief in EHRM-zaken tegen andere EVRM-verdragspartijen over de uitzetting van vreemdelingen. Verder blijft Nederland zich in Europees verband onverminderd inzetten voor aanscherpingen in de EU-regelgeving, zoals de Terugkeerverordening en de Veilig derde land-herziening. Ook deze inzet is erop gericht om EU-wetgeving (en dus de toetsingskaders voor rechters) zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de politieke wens voor een strikt en sober asielbeleid. Bovendien blijft het kabinet zich via andere wegen, zoals innovatieve oplossingen en partnerschappen, nationaal en internationaal onverminderd inzetten om meer grip te krijgen op migratie, ook als het gaat om de mogelijkheden voor het uitzetten van veroordeelde vreemdelingen. Hierover sprak een aantal regeringsleiders informeel voorafgaand aan de Europese Raad van 26 juni 2025, zoals ook vermeld in het verslag van de Europese Raad van 26 juni 2025. Daar kwam ook de brief ter sprake. Denemarken en Italië kondigden tijdens de bijeenkomst aan opvolging te willen geven aan de brief. Nederland heeft actief aangegeven bij te willen dragen aan verdere samenwerking gericht op de uitwerking. Dit is ook in lijn met de motie Eerdmans3.
Zijn er in het verleden situaties geweest waarbij Nederland – buiten specifieke juridische procedures om – rechtstreeks het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft aangesproken op haar uitspraken? Zo ja, wanneer is dit precies gebeurd?
Er zijn het kabinet geen eerdere gevallen bekend waarin Nederland het EHRM, buiten een specifieke juridische procedure om, rechtstreeks heeft aangesproken op de inhoud van haar uitspraken.
Kunt u bevestigen dat Nederland niet wordt gehinderd in de aanpak van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen door de uitspraken ven het EHRM? Zo nee, kunt u toelichten op welke wijze het uitzetten van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen wordt bemoeilijkt door het EHRM, om welke specifieke uitspraken dit gaat en hoe groot de groep is die hierdoor minder effectief aangepakt kan worden?
In Nederland kunnen strafrechtelijke veroordelingen leiden tot afwijzing of intrekking van het verblijfsrecht en tot verwijdering van de vreemdeling uit Nederland. Het is de inzet van dit kabinet een lik-op-stuk aanpak te voeren op overlast, intimidatie en geweld, en vergunningen van criminele vreemdelingen sneller in te trekken. In het regeerakkoord is daarom opgenomen dat de glijdende schaal verder zal worden aangepast en de lat voor verblijfsrechtelijke consequenties wordt verlaagd. Bij een besluit tot uitzetting van een veroordeelde vreemdeling wordt altijd met verschillende factoren rekening gehouden, zoals de duur van de opgelegde straf afgezet tegen de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland, de ernst van het misdrijf, het tijdsverloop dat is verstreken sinds het misdrijf, het privé en familieleven van de vreemdeling in Nederland en de band met zowel Nederland als het land van herkomst. Het huidig beleid ten aanzien van intrekkingen na strafrechtelijke veroordelingen wordt in algemene zin in overeenstemming geacht met artikel 8 van het EVRM. Er worden klachten tegen Nederland ingediend aangaande de intrekking van een verblijfsvergunning na een strafrechtelijke veroordeling, waarbij Nederland frequent in het gelijk wordt gesteld.
Deelt u de constatering dat (openlijke) kritiek hebben op het EHRM de weg vrij maakt voor andere EU-lidstaten om op andere terreinen, bijvoorbeeld lhbti-rechten en vrijheid van godsdienst, ook het Hof aan te vallen en deelt u de constatering dat daarmee het Hof in een kwetsbare positie wordt gebracht wat ook vanuit rechtsstatelijk oogpunt zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 3 en 4. Passages in de brief roepen specifiek op tot een open dialoog over de interpretatie van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Die inzet volgt niet uit het Hoofdlijnenakkoord en raakt aan meer dan migratiebelangen, zoals de onafhankelijkheid van rechters. Nederland wil niet de indruk wekken op de stoel van de rechter te willen zitten. Om die reden is besloten deze ingezonden brief niet mede te ondertekenen.
Hoe verhoudt het aanspreken c.q. bekritiseren van het EHRM zich tot de rechtsstaatverklaring, het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma? Bent u van mening dat de voorgestelde brief bijdraagt aan het versterken van de democratische rechtsstaat en het versterken van de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo veel mogelijk afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Daders lopen mogelijk vrij rond door fout met naam in 867 zaken’ |
|
Willem Koops (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Daders lopen mogelijk vrij rond door fout met naam in 867 zaken»?1
Ja.
Klopt het dat de administratie van de overheid zo’n bende is dat daardoor de administratie in 867 strafzaken niet klopt? Klopt dit aantal van 867?
Justid heeft sinds 2014 van 867 zaken bijgehouden waarin een aanwijzing bestaat dat de tenaamstelling mogelijk niet juist is. Het betreft zaken waarin sprake is van een onherroepelijk vonnis. Inmiddels loopt een analyse van deze zaken om nader inzicht te krijgen en de prioriteit te bepalen voor een verdere aanpak.
Klopt het dat van deze 867 zaken maar liefs 141 zaken ernstige zedendelicten en geweldsmisdrijven zijn?
Het klopt dat de Algemene Rekenkamer 141 zaken aangeduid heeft als ernstige zaken.
Ieder strafbaar feit kent een code op basis waarvan het in systemen wordt geregistreerd. Via deze codes zijn deze zaken geselecteerd.
Hierbij moet worden opgemerkt dat bij deze zaken de ernst van feiten en de strafoplegging in zaken varieert. Naast gevangenisstraffen komen ook geldboetes voor. Bij de analyse van de 867 zaken wordt ook nagegaan of de codes corresponderen met de delicten waarvoor verdachten zijn veroordeeld.
Hoeveel van de 867 zaken zijn terreurzaken en moordzaken?
Tot de 141 zaken behoren, naar eerste analyseresultaten aangeven, 5 zaken die betrekking hebben op (poging) tot moord, 2 zaken op (poging) tot doodslag en 2 zaken op terrorisme en 6 zedenzaken. Op 1 geval na is in deze zaken de straf geheel of gedeeltelijk uitgevoerd.
Hoeveel van de 867 zaken waarvan de administratie niet klopt hebben ertoe geleid dat verdachten vrijuit zijn gegaan?
Hier wordt onderzoek naar gedaan. Ik kan op dit moment niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek.
Hoeveel van de 867 zaken waarvan de administratie niet klopt hebben ertoe geleid dat een onschuldige burger onterecht is gestraft? En in hoeveel gevallen is er verzocht om herziening of gratie?
Dit wordt onderzocht. Uit de eerste analyse van de 141 zwaardere zaken is gebleken dat er 1 onschuldige burger gesignaleerd stond door persoonsverwisseling. Daarop is onmiddellijk actie ondernomen om die signalering te stoppen. Het is nog niet bekend of in deze zaak door de schuldige een straf is ontlopen. Ik rapporteer hierover in september.
Is er schadeloosstelling uitgekeerd aan burgers die onterecht een veroordeling achter hun naam hebben?
Bij de Justitiële Informatiedienst zijn sinds 2014 geen situaties bekend waarbij schadevergoeding is uitgekeerd aan mensen die ten onrechte gedetineerd zaten als gevolg van een onjuiste tenaamstelling van een vonnis. Er zijn indicaties dat er vóór 2014 in een beperkt aantal gevallen schadevergoedingen zijn betaald.
Hoe kan het dat ambtenaren sinds 2005 op de hoogte waren van dit probleem, dat de ambtelijke top van het ministerie in 2012 hierover is ingelicht en dat de Minister pas in januari 2025 hiervan op de hoogte was?
Dit vormt onderwerp van de evaluatie naar de gang van zaken die ik zal laten uitvoeren. De Tweede Kamer wordt nader geïnformeerd hoe deze evaluatie vorm zal krijgen en wie deze zal uitvoeren.
Wanneer is het verbeterplan dat wordt opgesteld door het ministerie gereed en geïmplementeerd?
Zoals in de beleidsreactie van 2 mei jongstleden op het rapport van de Algemene Rekenkamer is aangegeven, maak ik sinds januari werk van het aanpakken van de problematiek. Momenteel wordt al uitvoering gegeven aan mijn plan van aanpak. Zo verwacht ik dat begin juli er een eerste versie van het toetsings- en handelingskader ligt. Dan kan begonnen worden met de herbeoordeling van individuele zaken. Daarbij wordt op basis van de analyse van zaken die nu loopt geprioriteerd. Ik verwacht dat voor het einde van dit jaar alle zaken zijn beoordeeld en, waar dat aan de orde is, in de strafrechtketen individueel in behandeling kunnen worden genomen.
Het plan van aanpak ziet op drie prioriteiten: het ontwikkelen van het toetsings- en handelingskader, de concrete aanpak van de geconstateerde zaken en het zoveel mogelijk voorkomen van fouten in de identiteitsvaststelling in de strafrechtketen dat ziet op de totstandkoming van het toetsings- en handelingskader. Dit plan wordt al deels uitgevoerd en wordt de komende weken afgemaakt. Omdat de uitvoering van het plan en de daarop volgende afwikkeling van individuele zaken in de strafrechtketen de betrokkenheid van de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak vraagt, zal ik hun bij de vaststelling betrekken.
Kan de Minister aangeven op welke aspecten wordt ingegaan in dit verbeterplan?
Zie het antwoord op vraag 9. Daarnaast heb ik een programmadirecteur aangesteld om dit traject in goede banen te leiden. Voor meer details over deze inspanningen verwijs ik naar de brief die ik aan de Kamer heb gestuurd.
Om wat voor fouten gaat het hier: onjuiste tenaamstellingen in vonnissen of onjuiste verwerkingen daarvan in de administratie?
Het komt soms voor dat pas na het onherroepelijk worden van het vonnis nieuwe identiteitsinformatie beschikbaar komt over de gevonniste personen. Dit kan diverse oorzaken hebben, zoals:
Kunt u deze vragen één voor één, zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Plannen voor nieuwe kerncentrales, kosteninschattingen en veiligheid Borssele |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Chris Jansen (PVV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 17 mei 2025 getiteld «Anti-kernenergieorganisatie WISE: stop met plannen voor nieuwe kerncentrales, te duur en locatie te krap»?1
Ja
Kunt u toelichten op basis van welke analyse u in de Kamerbrief van 16 mei 2025 (Kamerstuk 32 645, nr. 156) stelt dat kernenergie «noodzakelijk» is voor het behalen van de klimaatdoelen en het garanderen van leveringszekerheid?
Het kabinet is van mening dat kernenergie een noodzakelijke pijler is als onderdeel van een bredere energiemix met hernieuwbare energie en baseert zich daarbij op verschillende rapporten en adviezen (zie ook de volgende antwoorden). Ook internationaal wordt kernenergie gezien als een technologie die bijdraagt aan een betrouwbare levering van elektriciteit; in een recent advies van het International Energy Agency voor Nederland wees het agentschap op het belang van kernenergie in een betrouwbare Nederlandse elektriciteitsmix2, in het bijzonder op de systeemvoordelen die kernenergie kan opleveren.3
Klopt het dat het rapportEnergie door perspectief (ETES 2050)2 kernenergie slechts een optionele rol toebedeelt in een scenario met relatief hoge energiebehoefte, en dus níet als noodzakelijke voorwaarde benoemt voor het behalen van de klimaatdoelen? Zo ja, waarom wordt dan in de Kamerbrief met zoveel stelligheid gesproken over een noodzaak?
In het rapportEnergie door perspectief wordt aangegeven dat het mogelijk is om zonder kernenergie een klimaatneutraal energiesysteem te bewerkstelligen. Voor het kabinet is de inzet van kernenergie om bij te dragen aan een CO2-vrij energiesysteem een belangrijke maar niet de enige overweging om te kiezen voor kernenergie. Zoals de auteurs van het rapport5 zelf ook stellen is een belangrijk argument voor kernenergie dat de diversiteit in energiebronnen en daarmee de robuustheid van het energiesysteem wordt vergroot. Een systeem met kernenergie naast wind en zon is robuuster dan alleen wind en zon. De ervaring leert ook dat het beter is het aanbod van energiebronnen te spreiden en niet te afhankelijk te zijn van een enkele bron of enkele toeleverancier van brandstof. Het kabinet ziet de rol van kernenergie dan ook niet als optioneel en kiest dan ook nadrukkelijk voor kernenergie binnen de energiemix.
Deelt u de analyse dat voor de beoordeling van publieke investeringen in nieuwe kerncentrales het kostenoptimale energiesysteem leidend zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Kosten spelen een zeer belangrijke beoordelingsgrond in het energiebeleid van het kabinet. Het kabinet laat dan ook aanvullend onderzoek doen naar de systeemkosteneffecten van kernenergie (netwerkkosten, kosten voor opslag etc. van verschillende systeemkeuzes) en zal de Kamer daarover na de zomer berichten. Het kabinet kijkt in haar energiebeleid echter breder dan enkel (directe) kosten en neemt daar de andere pijlers uit haar energiebeleid in mee, namelijk betrouwbaarheid en duurzaamheid. Zoals in het vorige antwoord aangegeven is kernenergie ook van belang voor de betrouwbaarheid van het hele systeem.
In hoeverre is bij de kostenraming van de kerncentrales rekening gehouden met de analyse van adviesbureau Witteveen+Bos (Kamerstuk 2022D37754), die stelt dat kernenergie alleen kostenoptimaal is als de investering onder de 4.600 euro per kilowatt (kW) blijft, bij een Weighted Average Cost of Capital (WACC) van 7%?
De gebruikte kosteninschatting in de scenariostudie van Witteveen+Bos was een eerste indicatie, op basis van secundaire referenties. De kostenraming die voorzien is in de Kamerbrief van afgelopen mei is onafhankelijk opgesteld van de assumpties uit eerdere studies, en is gebaseerd op de eigen inschatting van de verschillende technologieleveranciers voor de kosten van een project in Nederland.
Onderzoeksinstituut TNO6 gaat in zijn laatste studie uit van 7.100 euro per kilowatt, waarbij de toevoeging van kernenergie systeemkosten-optimaal is. Het Witteveen+Bos rapport laat dus een iets wat gedateerd beeld zien voor wat betreft de kostenontwikkeling en efficiënte systeeminpassing. Op dit moment onderzoekt TNO tot slot wat de effecten zouden zijn van een scenario (gevoeligheidsanalyse) van een verdubbeling van de investeringskosten voor kernenergie. De resultaten hiervan verwacht het kabinet na de zomer met de Kamer te kunnen delen.
Bent u ermee bekend dat het adviesbureau Profundo in oktober 20243 op basis van internationale ervaringen uitkwam op een realistische kostenmarge van 9.665 euro tot 15.175 euro per kW, wat neerkomt op circa 20 miljard euro per kerncentrale, en daarmee fors boven het door Witteveen+Bos genoemde omslagpunt ligt?
Ja, het kabinet kent dit rapport.
De kosten van verschillende onderdelen van de toeleverketen voor infrastructuur – van arbeid tot staal – zijn sterk gestegen in de afgelopen jaren. Ook speelt de inflatie, die afgelopen jaren hoog was, een rol in het verschil tussen de studies. Dit is niet uniek aan kernenergie projecten, hoewel de bouw van kerncentrales ten opzichte van andere grote energie(-infrastructuur) projecten arbeidsintensiever is en het gebruik van veel verschillende materialen vraagt. Ook bij andere energie(-infrastructuur) projecten zien we dat de kosten flink zijn toegenomen in de afgelopen periode, zoals bijvoorbeeld bij de ontwikkelingen van wind op zee. Witteveen+ Bos laat dus, zoals eerder aangegeven, een iets gedateerd beeld zien.
Op dit moment voert onderzoeksinstituut TNO een systeemkosten studie uit naar de rol van kerncentrales waarbij ook in een gevoeligheidsanalyse wordt gekeken naar het effect van (veel) hogere investeringskosten wordt gekeken (zie vorige vraag). Het kabinet verwacht de resultaten van deze studie na de zomer van dit jaar te kunnen delen met de Kamer.
Hoe rijmt u deze bevindingen met uw stelling in de Kamerbrief dat kernenergie een «kosteneffectieve» bijdrage levert aan het energiesysteem?
Zoals toegelicht in de Kamerbrief, is eén van de doelen van de technische onderzoeken om een zelfstandig eerste beeld te krijgen van de kosten. Dit beeld is vervolgens ook door de onafhankelijk uitgevoerde Third Party Review getoetst. De plannen en inschattingen van leveranciers zijn onder andere gebaseerd op de ervaringen van recente internationale kernenergieprojecten.
De lessen uit de buitenlandse ervaringen heeft het kabinet vanuit de verschillende eerdere onderzoeken reeds meegenomen in de Nederlandse benadering voor de bouw van de kerncentrales in Nederland. Als onderdeel van het proces van technologieselectie zullen de technologieleveranciers eveneens scherp worden bevraagd op het gebied van kosten en risico’s.
De komende jaren ontstaat daarmee meer helderheid over de kosten naarmate de aanbesteding vordert, en de technologieleveranciers hun voorstellen uitwerken. Na onderhandelingen met de geselecteerde technologieleverancier en definitieve duidelijkheid over de locatie, volgt een steeds complete(re) raming van de kosten, gebaseerd op een steeds volwassener wordend locatie-specifiek ontwerp. Besluitvorming vindt dus getrapt plaats op basis van geactualiseerde inzichten, bijvoorbeeld bij de locatie en techniekselectie. De Kamer zal hier vanzelfsprekend bij betrokken worden.
Heeft u laten doorrekenen welke gevolgen een langere, realistische bouwtijd van 15–20 jaar, zoals blijkt uit internationale praktijk, heeft voor de uiteindelijke kosten per kW en daarmee op de maatschappelijke businesscase van de nieuwe kerncentrales?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat uw kostenraming is gebaseerd op plannen en inschattingen van leveranciers en niet op gerealiseerde kosten uit recente internationale kernenergieprojecten? Zo ja, acht u dit een voldoende solide basis voor het reserveren van tientallen miljarden euro’s aan publiek geld?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid alsnog een onafhankelijke second opinion te laten uitvoeren op zowel de investeringskosten als de systeemimpact van kernenergie, voordat definitieve keuzes worden gemaakt over techniek en locatie?
Ja, het kabinet laat zich al door onafhankelijk experts bijstaan. In de Third Party Review, die 16 mei is gepubliceerd, is door een onafhankelijke partij beoordeeld of de investeringsbandbreedte van 20–30 miljard redelijk is gezien deze fase van het project, waarbij nog geen locatie en technologie is geselecteerd. Ook in het verdere proces zal het kabinet de Kamer op verschillende momenten meenemen in de meest actuele inzichten wat betreft de investeringskosten. De komende tijd gaat het kabinet aan de slag met de technologieselectie en het onderhandelen van het contract voor de bouw van de kerncentrales en het kabinet zal hierbij (opnieuw) worden bijgestaan door onafhankelijk externe experts. De inzichten die onder andere door deze externen zullen worden opgeleverd, worden uiteraard ook met de Kamer gedeeld.
Hoe verhoudt de door u gepresenteerde kosteninschatting zich tot het publieke belang van een robuust en kostenefficiënt energiesysteem? Bent u bereid scenario’s te laten doorrekenen waarin het energiesysteem volledig inzet op hernieuwbare bronnen zonder kernenergie?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6 voert TNO een studie uit naar de waarde van kerncentrales vanuit een systeemkostenperspectief en kijkt hierbij ook naar de systeemkosten van een systeem zonder kernenergie.
Kunt u toelichten hoe u de ambitie om nieuwe kerncentrales «eind jaren dertig» operationeel te hebben rijmt met het gegeven dat er geen concrete planning mogelijk is voor meer dan 2 à 3 jaar vooruit, en dat de planning voor de komende 2 à 3 jaar, bijvoorbeeld voor de techniekselectie, pas na de zomer wordt verwacht? Acht u deze onzekere planning voldoende om tijdig bij te dragen aan de Nederlandse klimaat- en energieopgaven?
De technische haalbaarheidsstudies hebben meer duidelijkheid gegeven over de planning van de bouw. De resultaten van die studies laten zien dat verdere voorbereiding aan de voorkant meer duidelijkheid zal geven over de concrete planning. Deze inzet betaalt zich uit wanneer de bouw begint, en vermindert daarmee sterk de risico’s tijdens de realisatie van de centrales. Het kabinet wil nu een goede fundering leggen om daarmee (dure) vertraging tijdens de daadwerkelijke bouw te voorkomen.
Grote complexe projecten, zoals de uitbreiding van het transmissienet, de uitrol van wind op zee en de bouw van kerncentrales, gaan gepaard met onzekerheid. Deze onzekerheid is geen reden voor het kabinet om zich hiervoor minder in te zetten, maar om stap voor stap de planning concreter te maken.
Bent u bekend met het bericht van Laka van mei 2025 over het schrappen van een veiligheidseis in de wetgeving voorafgaand aan de levensduurverlenging van de kerncentrale Borssele?4
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om de veiligheidseis voor de levensduurverlenging van de kerncentrale Borssele te schrappen, zoals gemeld door Laka? Welke risico’s acht u acceptabel bij een dergelijke beleidswijziging?
Zoals aangegeven in de brief van de Staatssecretaris van I&W9 is sinds de start van de benchmark in 2008 is de controle op nucleaire veiligheid aanzienlijk versterkt. In 2015 is de ANVS gestart als onafhankelijke toezichthouder. Verder is in 2017 de Regeling nucleaire veiligheid geïmplementeerd die aanvullende veiligheidseisen stelt, waaronder de eis tot continue verbetering van de veiligheid. Deze eis betekent dat de kerncentrale Borssele de nucleaire veiligheid continu moet blijven verbeteren. Dit kan bijvoorbeeld zijn naar aanleiding van informatie verkregen bij andere kerninstallaties in binnen- en buitenland. Ook worden er op meerdere onderwerpen peer reviews (toetsingen door experts) bij de kerncentrale uitgevoerd. De benchmark heeft hier geen toegevoegde waarde meer. Met het afschaffen daarvan gaan de veiligheidseisen niet omlaag en wordt de kerncentrale niet minder veilig.
Welke gevolgen heeft het schrappen van deze veiligheidseis voor de operationele veiligheid van de kerncentrale Borssele op de korte en lange termijn?
Met afschaffen van de benchmark worden geen veiligheidseisen geschrapt. Dit heeft dan ook geen gevolgen voor de strikte veiligheidsvereisten waar de kerncentrale aan moet voldoen. De ANVS ziet toe op de naleving van de veiligheid. Het stoppen met deze benchmark doet daar niets aan af. De kerncentrale kan en mag alleen in bedrijf blijven als de veiligheid is aangetoond. Zoals toegelicht in het vorige antwoord heeft de benchmark geen toegevoegde waarde meer.
Is er voor het schrappen van de veiligheidseis en de levensduurverlenging van de kerncentrale Borssele een nieuwe Milieu-effectrapportage (MER) opgesteld, waarin ook de risico’s en effecten van deze wijziging worden onderzocht? Zo ja, kunt u de uitkomsten delen? Zo nee, waarom niet?
Een milieueffectrapportage (mer) wordt uitgevoerd bij het maken van plannen en programma’s en het nemen van besluiten over projecten. De keuze om de benchmark niet voort te zetten (waarmee als gezegd geen veiligheidseis wordt geschrapt) is geen besluit, plan of programma waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Het afschaffen van de benchmark heeft geen gevolgen voor de strikte veiligheidseisen waar de kerncentrale aan moet voldoen of voor de wijze waarop de kerncentrale geëxploiteerd wordt. Het stoppen van de benchmark is in dit opzicht geen reden om een nieuw of gewijzigd MER op te stellen.
De gevolgen van de exploitatie van de kerncentrale Borssele voor het milieu zijn betrokken in het MER, dat is opgesteld ten behoeve van het wetsvoorstel tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de bedrijfsduurverlenging van deze kerncentrale. EPZ zal daarnaast een vergunning moeten aanvragen om de kerncentrale na 2033 open te houden. Om de aanvraag in te kunnen dienen moeten de effecten van de voortgezette exploitatie onderzocht worden. Daarnaast geldt dat de ANVS-toezicht houdt op de nucleaire veiligheid van de kerncentrale.
Op dit moment is het wetsvoorstel aanhangig bij de Raad van State voor advies. De verwachting is dat het wetsvoorstel na de zomer aan de Kamer kan worden aangeboden.
Het bericht ‘Wake-up call: Microsoft sluit e-mail ICC zonder pardon af’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Henri Bontenbal (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Zsolt Szabó (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de toegang tot de e-mail van de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) op bevel van de Amerikaanse overheid door Microsoft is afgesloten? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Het is niet aan het kabinet om berichtgeving over de implementatie van sancties die door andere staten zijn opgelegd te bevestigen of te ontkennen. In algemene zin keurt het kabinet de tegen de ambtsdragers van het Internationaal Strafhof (ISH) opgelegde sancties af. Het werk van het Hof is essentieel in de strijd tegen straffeloosheid en het Hof dient zijn mandaat zonder belemmeringen uit te kunnen voeren. De sancties tegen de hoofdaanklager en vier rechters van het Hof hebben impact op het onafhankelijk functioneren van het Hof. Tegelijkertijd erkent het kabinet de rechtsmacht die de VS heeft over Amerikaanse bedrijven. Het kabinet is op meerdere niveaus in gesprek met de VS om de effecten van de sancties tegen de ambtsdragers van het Hof zo veel mogelijk te beperken.
Heeft Microsoft stappen ondernomen om zich tegen dit bevel van de Amerikaanse overheid te verzetten? Zo ja, welke? Zo nee, wat vindt u hiervan?
Het is aan Amerikaanse bedrijven zelf om te wegen hoe ze met de sanctiewetgeving in hun eigen land omgaan en wat ze daarover communiceren.
Welke stappen onderneemt u richting Microsoft en de Amerikaanse overheid om de toegang voor het Internationaal Strafhof tot diensten zoals e-mail te herstellen? Bent u bereid om hierover zowel met Microsoft als de Amerikaanse overheid in gesprek te gaan?
Het kabinet erkent de rechtsmacht die de VS heeft over Amerikaanse bedrijven. Het kabinet is op meerdere niveaus in gesprek gebleven met de VS om de reikwijdte en effecten van de sancties tegen de ambtsdragers van het Hof zo veel mogelijk te beperken. Zo heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse zorgen over de sancties recentelijk nog nadrukkelijk onder de aandacht gebracht bij de Amerikaanse Secretary of StateRubio. Naar aanleiding van de recente uitbreiding van de sanctielijst van de VS met vier rechters van het Hof is de Amerikaanse tijdelijk zaakgelastigde uitgenodigd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een toelichting te geven op de sancties. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden, waarbij is aangegeven dat Nederland de sancties tegen ambtsdragers van het ISH afkeurt en pal achter het Hof staat. Daarnaast staat Nederland in contact met het (Nederlandse) bedrijfsleven over de kwestie van Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof, onder meer om zogenaamde overcompliance(verder gaan dan de sancties vergen) te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken. Ook blijft Nederland zowel in EU-verband, als in een veelvoud van bilaterale contacten, andere verdragspartijen oproepen om eveneens een actieve rol te spelen bij het mitigeren van de sancties. Alle 125 verdragspartijen hebben namelijk een rol te spelen om het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren.
Welke verantwoordelijkheid draagt u als gastheer van het Internationaal Strafhof om de onafhankelijkheid en het effectief functioneren van het Internationaal Strafhof te beschermen?
Als gastland van het Hof heeft Nederland een aantal specifieke verplichtingen om het Hof te faciliteren in de (onafhankelijke) uitoefening van zijn werkzaamheden. Deze zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.2 Nederland staat in regelmatig en nauw contact met het Hof over hun zorgen ten aanzien van de sancties en om te bezien wat het gastland kan en moet doen in het kader van de gastlandverplichtingen. Nederland zal bindende internationaalrechtelijke en verdragsmatige verplichtingen te goeder trouw nakomen.
Nederland draagt de verantwoordelijkheid voor het zo onbelemmerd mogelijk laten functioneren van het Hof niet alleen. Alle 125 verdragspartijen hebben hier een rol in te spelen. Daarnaast zijn er 79 verdragspartijen, waaronder Nederland, aangesloten bij het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof3, waar eveneens een aantal specifieke verplichtingen uit voortvloeit, zoals bijvoorbeeld ten aanzien het waarborgen van de immuniteit van de fondsen van het Hof. In dit kader blijft Nederland, zowel in EU-verband als in een veelvoud van bilaterale contacten, andere verdragspartijen oproepen om eveneens een actieve rol te spelen bij het mitigeren van de sancties.
Klopt het dat deze maatregel in de praktijk betekent dat elke (overheids)organisatie die gebruikmaakt van Amerikaanse digitale diensten, zoals ministeries en de Tweede Kamer, de toegang hiertoe op elk moment kan verliezen, zonder enige vorm van checks & balances zoals tussenkomst van een rechter?
Deze Amerikaanse sancties zijn een specifieke maatregel voor een specifieke situatie. Het kabinet is zich ervan bewust dat afhankelijkheid van een klein aantal techaanbieders voor digitale diensten zorgt voor risico's op het vlak van o.a. concurrentiepositie, digitale open strategische autonomie en continuïteit van dienstverlening. Om deze risico’s te mitigeren wordt in het kader van onder meer de vernieuwing van het cloudbeleid voor de (rijks)overheid gekeken naar mogelijkheden om cloudtechnologie op verantwoorde wijze in te zetten.
Zo ja, deelt u dat dit een ernstige uitholling van de democratie en haar instituties betekent?
Er is momenteel geen sprake van een ernstige uitholling van de democratie en haar instituties. In voorkomend geval kunnen digitale afhankelijkheden ervoor zorgen dat het digitaal functioneren van instituties geraakt kan worden door dergelijke maatregelen. Sommige digitale afhankelijkheden in het overheidsdomein kunnen derhalve een risicoafweging en aanvullende beveiligingsmaatregelen vereisen. Mede hierdoor besteedt het kabinet uitgebreid aandacht aan het thema digitale autonomie. Concreet wordt medio dit jaar een visie voor digitale autonomie en soevereiniteit voor de overheid verwacht.
Welke maatregelen neemt u om de digitale soevereiniteit van Nederland en de Europese Unie (EU) te verhogen, door de afhankelijkheid van Amerikaanse digitale diensten af te bouwen? Bent u bereid om hiervoor een concrete agenda met de Kamer te delen?
Zoals u eerder toegekomen is in de Agenda DOSA (Digitale Open Strategische Autonomie) het kabinetsstandpunt dat digitale afhankelijkheden in algemene zin niet te voorkomen zijn en horen bij het open handelssysteem. Het is onmogelijk, onwenselijk en niet noodzakelijk om Europa volledig digitaal autonoom te maken. Wederzijdse afhankelijkheden vormen de ruggengraat van het open handelssysteem en de internationale samenwerking waar Nederland en de EU veel profijt van hebben en die ons een sterkere geopolitieke positie opleveren.
Ook is het kabinet van mening dat we strategischer moeten kijken naar digitale technologie, en in het bijzonder naar strategische afhankelijkheden met een hoog risico. Het bewuster worden van eigen krachten in het digitale domein en zelf opbouwen van strategische capaciteit op sleutelposities kan behulpzaam zijn.
Sommige digitale afhankelijkheden kunnen echter wel een risicoafweging en daaruit voortvloeiende aanvullende maatregelen vereisen. Een consequentie van een aangescherpt overheidsbeleid is bijvoorbeeld dat er mogelijk minder digitale diensten van de rijksoverheid in de public cloud kunnen worden ontwikkeld, afhankelijk van de te beschermen belangen bij de desbetreffende overheidsdiensten.
Zoals reeds aangekondigd in de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Wolken aan de horizon», zal er voor bepaalde diensten onderzocht gaan worden of er een soevereine overheidscloud kan worden opgezet. Daarnaast werkt het kabinet actief samen met Europese partners aan alternatieve oplossingen en een goedwerkende Europese markt.
Het is echter van belang om te realiseren dat bepaalde maatregelen wel een lange doorlooptijd kennen. Het afbouwen van dergelijke afhankelijkheden is niet een traject van enkele weken tot maanden, maar van jaren.
De berichten ‘Grond schudt in Warffum door beving met kracht van 2.1: 'Dreun en trillingen door het hele huis’ en ‘Hartenkreet van actievoerders om gaswinning Warffum: 'Respect voor Groningers’ |
|
Sandra Beckerman , Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Grond schudt in Warffum door beving met kracht van 2.1: «Dreun en trillingen door het hele huis»»?1
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de inwoners van Warffum geschrokken zijn door de beving van 18 mei 2025. Het is niet mogelijk om de beving met zekerheid toe te kennen aan de voormalige winning uit het Groningenveld of de gaswinning uit het gasveld Warffum. Beide zijn dus mogelijk. Mochten bewoners schade hebben, dan kunnen deze bewoners zich melden bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).
Hoe kijkt u aan tegen het protest in Warffum dat oproept om af te zien van gaswinning in de kleine velden en de petitie «Respect voor Groningen»?2
Allereerst wil het kabinet graag benadrukken dat het kabinet de zorgen die omwonenden hebben met betrekking tot het voortzetten van de gaswinning uit het gasveld Warffum en worden geuit in de petitie «Respect voor Groningen» goed kan begrijpen. Om deze reden is het kabinet dan ook in gesprek gegaan met de omwonenden, voorafgaand aan het nemen van het besluit. Tevens is er zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM om langer gas te mogen winnen, gekeken. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning veilig kan plaatsvinden. Alhoewel de adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan, heb ik ook recht willen doen aan de zorgen die ik heb gehoord tijdens mijn gesprekken met inwoners van Warffum. Om deze reden heb ik met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt.
De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Erkent u dat het extra pijnlijk is dat in het weekend van het protest voor onder andere het sluiten van de kleine gasvelden in Warffum, Grijpskerk en Pieterzijl, bewoners in Warffum wakkerschrokken en rechtop in bed zaten?
Het kabinet realiseert zich heel goed dat een beving niet alleen schrikken is, maar ook tot zorgen leidt.
Hoe kijkt u aan tegen de voortzetting van de gaswinning in Warffum in het licht van aan de ene kant het afgewezen winningsplan «omdat, aldus Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), de bewoners van Warffum zich niet gehoord voelden over het eventueel gedogen en er grote onrust ontstond naar aanleiding van berichten hierover» en aan de andere kant dit protest, deze petitie en het feit dat de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland in beroep gaan tegen het besluit van de Minister om door te gaan met gaswinning in Warffum?3
SodM heeft het winningsplan niet afgewezen. SodM heeft in het advies op het winningsplan aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Wel heeft SodM op 20 december 2024 een verzoek van de NAM om tijdelijk af te zien van handhaven, afgewezen. De NAM had dit verzoek gedaan omdat de instemming met het toen geldende winningsplan voor gaswinning uit het gasveld Warffum tot en met 31 december 2024 was verleend en er nog geen definitief besluit was genomen over het voortzetten van de winning. De bevoegdheid om wel of niet af te zien van handhaven ligt bij SodM.
Op 5 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan in het kader van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter concludeert dat de NAM, alle belangen afwegende, de gaswinning uit het gasveld Warffum en het gasveld Molenpolder mag voortzetten5. Daarbij stelt de voorzieningenrechter dat «in de maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid, ondanks dat een hervatting van de gaswinning uit de gasvelden Warffum en Molenpolder de al bestaande en voortdurende maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid kan versterken, op zichzelf een onvoldoende belang is gelegen voor schorsing van de besluiten van 27 maart 2025.» Tevens geeft de voorzieningenrechter in haar afweging aan: «Schorsing van de besluiten van 27 maart 2025 zal een belangrijk deel van de onrust en gevoelens evenwel niet wegnemen, omdat het Groningenveld, ondanks dat de gaswinning uit dat veld inmiddels is beëindigd, nog langere tijd aardbevingen kan veroorzaken.» Op een later moment vindt een zitting plaats over het beroep van onder meer de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland. Deze zitting is op dit moment nog niet ingepland.
Waarom komt u niet tot dezelfde conclusie als het SodM? Erkent u dat het openhouden van de kleine gasvelden extra pijnlijk is met het oog op het de uitspraak van het SodM van het niet gedogen van de gaswinning in Warffum?
Het kabinet is tot de conclusie gekomen dat winning veilig kan, dat is mede op basis van het advies van SodM. Zie verder het antwoord bij vraag 4.
Erkent u dat er met dit protest, de petitie en het in beroep gaan tegen de gaswinning in Warffum door de provincie Groningen en Het Hogeland blijkt dat er onrust heerst en Groningers zich niet gehoord voelen?
Zoals bij vraag 2 aangegeven heeft het kabinet oog voor de Groningers en hoort hun zorgen. Om deze reden ben ik ook in gesprek gegaan met de bewoners van Warffum. Het besluit om de gaswinning bij Warffum voort te zetten is niet lichtvaardig genomen. Daarbij is als resultante van deze gesprekken het seismisch risicobeheersplan (SRB) van NAM voor dit veld aangescherpt.
Deelt u de mening dat, in lijn met de uitspraak van het SodM, het sluiten van de kleine gasvelden in Groningen de enige manier is om gehoor te geven aan de protesten en de grote zorgen die onder Groningers leven?
Nee het kabinet deelt deze mening niet. Zie het antwoord bij vraag 2 en vraag 4.
Bent u van mening dat u recht doet aan de parlementaire enquête aardgaswinning als u de gasvelden in Warffum, Grijpskerk en Pieterzijl openhoudt, vooral gezien de onrust, onveiligheid en de onzekerheid die door dit kabinet worden veroorzaakt? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De gaswinning uit het Groningenveld is gestopt. Tegelijkertijd heeft het kabinet aangegeven dat het gas uit de kleine velden nog steeds nodig is. Ook het vorige kabinet was die mening toegedaan en heeft mede om die reden de kleine velden in Groningen niet opgenomen in de Wet sluiting Groningenveld. De kleine gasvelden zijn naar aard en omvang niet te vergelijken met het Groningenveld. Het Groningenveld is het grootste gasveld van Europa en vele malen groter dan het grootste kleine gasveld in Nederland. De risico’s bij gaswinning uit kleine velden zijn kleiner dan die bij het Groningenveld. Het kabinet heeft de aanvragen van de NAM om langer gas te mogen winnen uit de gasvelden Warffum, Grijpskerk (Molenpolder) en Pieterzijl-Oost zorgvuldig bekeken en is op basis van de adviezen van TNO, SodM en de Mijnraad tot conclusie gekomen dat de winning veilig kan plaatsvinden.
Bent u bereid bij het SodM eerst een nieuw advies in te winnen voordat het kleine gasveld in Warffum weer opengaat, gezien het door het SodM afwijzen van het verzoek van de Nederlandse Aardoliemaatschappij om gaswinning bij Warffum vanaf 1 januari 2025 te gedogen? Zo nee, waarom niet?
Nee. In haar advies uit 2022 geeft SodM aan dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Volgens SodM zijn de risico’s vergelijkbaar met andere kleine gasvelden in Nederland6. Wel heeft SodM aangegeven dat het advies uit 2022 voor de uitkomsten van de parlementaire enquête Groningen is uitgebracht en dat het goed zou zijn als SodM destijds ook was ingegaan op het burgerperspectief. Zoals bij vraag 2 aangegeven begrijpt het kabinet de zorgen over de gaswinning bij Warffum en ben ik om deze reden persoonlijk in gesprek gegaan met omwonenden. Daarbij is als resultante van deze gesprekken het seismisch risicobeheersplan (SRB) van de NAM voor dit veld aangescherpt.
Kunt u beiden toezeggen om naar aanleiding van de recente beving op zeer korte termijn in gesprek te gaan met bewoners van Warffum en omstreken en de Kamer over deze beide gesprekken te informeren, mits u bereid bent deze gesprekken te voeren? Zo niet, kunt u dan aangeven waarom u hier niet toe bereid bent?
Op dit moment staat er geen gesprek gepland met de bewoners van Warffum naar aanleiding van de beving van 18 mei 2025. Hier is ook geen verzoek van de bewoners van Warffum voor binnengekomen. Mochten er bewoners met schade zijn, dan kunnen deze bewoners zich melden bij het IMG.
Het artikel 'KBN meldt concrete probleemgevallen met certificeringen bij de ILT' |
|
Peter de Groot (VVD), Martijn Buijsse (VVD) |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KBN meldt concrete probleemgevallen met certificeringen bij de ILT»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u op de hoogte van de problemen die binnenvaartschippers ervaren met de verlenging van certificaten? Wat is de wachttijd op dit moment voor een inspectie?
Ja, daar ben ik mee bekend. De wachttijd is verschillend per erkend klassenbureau of keuringsinstantie. Schippers wordt aangeraden zich ruim voor afloop van het certificaat bij een van deze partijen te melden.
Bent u op de hoogte van het aantal binnenvaartschippers dat op korte en lange termijn risico loopt dat hun schip uit de vaart genomen wordt omdat zij hun certificaat niet hebben, omdat de inspecties door Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) niet op tijd uitgevoerd zijn? Hoe beoordeelt u de situatie waar de schippers zich in bevinden?
De hier bedoelde inspecties aan binnenvaartschepen worden niet uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT besteedt onderzoek en certificering van binnenvaartschepen uit aan erkende klassenbureaus en keuringsinstanties. Zij vallen onder het toezicht van de ILT en de keuringsinstanties hebben een accreditatie van de Raad voor Accreditatie (RvA).
Op dit moment is er voor zover de ILT bekend geen indicatie dat schepen niet tijdig gecertificeerd kunnen worden waardoor ze geen certificaat meer hebben. Wel komt het voor dat schepen pas op het laatste moment een certificaat of een tijdelijk certificaat ontvangen. Dit is vervelend voor schippers/eigenaren die dit treft, omdat ze lang in onzekerheid zitten. De ILT staat in nauw contact met zowel de binnenvaartsector als de erkende klassenbureaus en keuringsinstanties om vinger aan de pols te houden en in te grijpen als dit nodig zou zijn.
Hoeveel voorlopige certificaten zijn door ILT uitgegeven aan binnenvaartschippers? Hoe beoordeelt u dit en wat is het risico voor een binnenvaartschipper wanneer hij een dergelijk voorlopig certificaat ontvangt?
Als gevolg van de schorsing van het Nederlands Bureau Keuringen Binnenvaart (NBKB) heeft de ILT 690 voorlopige certificaten afgegeven. Deze scheepseigenaren hebben een brief ontvangen waarbij is aangegeven dat zij zich binnen 6 maanden moeten melden bij een erkend klassenbureau of keuringsinstantie voor een keuring om een definitief certificaat te ontvangen. Zonder deze verlengingen door de ILT zouden deze schepen waarschijnlijk stil zijn komen te liggen.
Wat is in uw optiek de oorzaak van deze problemen? Hoe gaat u deze problemen oplossen?
Op 26 oktober 2023 is de accreditatie van het NBKB door de RvA geschorst. Het NBKB heeft vervolgens tot de opheffing van de schorsing op 14 februari 2024 geen inspecties meer mogen uitvoeren in de binnenvaart. Het NBKB had voor de schorsing een marktaandeel van 62%. Daardoor ontstond de vrees dat niet alle schepen tijdig gekeurd konden worden. De ILT heeft daarom de certificaten van diverse schepen eenmalig met een half jaar verlengd. Ook hebben de andere keuringsinstanties veel extra werk op zich genomen. Hoewel de achterstanden inmiddels grotendeels zijn weggewerkt is de huidige keuringscapaciteit kleiner geworden dan voor de schorsing van het NBKB. De erkende klassenbureaus en keuringsinstanties werken hard om deze capaciteit te vergroten door werving en opleiding van nieuwe inspecteurs.
Klopt het dat op 6 oktober 2023 het Nederlands Bureau Keuringen Binnenvaart (NBKB) is geschorst voor de genoemde inspecties en dat hierdoor 35 inspecteurs uit deze organisatie hun contract verloren? Hoe duidt u deze situatie van destijds?
Het NBKB is op 26 oktober 2023 door de RvA geschorst. Het is onjuist dat hierdoor 35 inspecteurs hun contract verloren. In februari 2024 hebben 5 zogenoemde expertisebureaus hun samenwerking met het NBKB eenzijdig ontbonden en in maart 2024 is ook een verzekeraar gestopt met de samenwerking met het NBKB. Dit heeft er wel toe geleid dat het NBKB minder inspecteurs in kon zetten dan voorheen. Daarbij moet worden gezegd dat de inspecteurs voorheen vaak maar een gedeelte van hun tijd besteedden aan inspecties aan binnenvaartschepen en een ander deel van hun tijd aan andere werkzaamheden.
Klopt het dat, voorvloeiend uit de situatie in 2023, de binnenvaartsector zelf het initiatief heeft genomen om inspecteurs te organiseren in een besloten vennootschap (bv), onder de naam Verenigde Nederlandse Inspecteurs Binnenvaart (VNIB), en dat ze met u in gesprek zijn gegaan over hoe dit voor de sector goed te organiseren?
De VNIB is geen initiatief vanuit de binnenvaartsector, maar bestaat uit de 5 zogenoemde expertisebureaus die in februari 2024 hun samenwerking met het NBKB eenzijdig ontbonden. Het klopt dat de ILT meermaals met deze partij heeft gesproken.
Klopt het dat VNIB, na veel inspanning, voldoet aan de zwaarste norm voor onafhankelijkheid volgens de Raad van Accreditatie?
Hier kan het kabinet geen uitspraak over doen. Het accreditatieproces van de VNIB is nog niet afgerond.
Klopt het dat VNIB, maar ook Register Holland en een eenpersoons inspecteur, volgens ILT niet voldoen aan de eisen voor onafhankelijkheid?
De RvA toetst geaccrediteerde partijen periodiek op de internationaal vastgestelde eisen voor onafhankelijkheid. Op dit moment is Register Holland geaccrediteerd en de VNIB niet.
Verwacht u op korte termijn tot afspraken te komen met bovengenoemde inspecteurs?
De ILT is in haar communicatie met de VNIB helder geweest aan welke eisen (bijvoorbeeld qua onafhankelijkheid) de VNIB moet voldoen om inspecties in de binnenvaart uit te mogen voeren. Op het moment dat de VNIB (of welke andere partij dan ook) aan deze eisen voldoet komt de ILT graag tot afspraken om zo de keuringscapaciteit verder te vergroten.
Hoe beoordeelt u de situatie die zich onder de groep inspecteurs voor de binnenvaart voordoet? Bent u het met de indieners eens dat inspecteurs zeer gespecialiseerde en bekwame personen zijn en dat er jaren nodig is om geaccrediteerd inspecteur te worden? Bestaat het risico dat, vanwege vergrijzing, er op korte termijn te weinig inspecteurs zijn?
De inspecteurs zouden gespecialiseerde en bekwame personen moeten zijn die moeten voldoen aan de eisen van de RvA en de ILT. Om het risico van een verminderde keuringscapaciteit door vergrijzing tegen te gaan werken de erkende klassenbureaus en keuringsinstanties hard om deze capaciteit te vergroten door werving en opleiding van nieuwe inspecteurs.
Gelden de inspectie-eisen voor wat betreft de onafhankelijkheid, zoals dit is toegepast voor de binnenvaart, ook voor de andere inspecties waar ILT voor verantwoordelijk is?
Ja, ook in andere sectoren worden bij accreditatie en/of erkenning eisen gesteld op het gebied van onafhankelijkheid.
Het gelijktrekken van de regels voor jeugdstrafzittingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden |
|
Don Ceder (CU) |
|
Struycken , Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat jeugdstrafzaken in Europees Nederland tegen minderjarigen tot 18 jaar standaard achter gesloten deuren worden behandeld, conform artikel 495b van het Wetboek van Strafvordering (Sv)?
Ja.
Klopt het dat op de BES-eilanden, alsmede in andere Caribische delen van het Koninkrijk zoals Curaçao, in beginsel een openbare strafzitting geldt voor jongeren vanaf 16 jaar (onder andere artikel 488 Sv BES)? Zo ja, wat is de juridische en praktische onderbouwing voor dit verschil?
Dat klopt. Belangrijk is om hierbij op te merken dat als uitgangspunt wordt genomen de leeftijd op het tijdstip waarop de vervolging tegen de verdachte is aangevangen. Het kan dus zo zijn dat voor een verdachte van 17 jaar, tegen wie de vervolging is aangevangen op het moment dat hij of zij nog geen 16 jaar was, als uitgangspunt geldt dat de zitting niet openbaar is.
Wat betreft de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: BES-eilanden) is de achtergrond van artikel 488 Sv BES gebaseerd op het rapport van de commissie Anneveldt.1 Deze commissie is ingesteld in 1979 om een herziening van het Nederlandse jeugdstrafrecht te onderzoeken. De commissie overwoog of de destijds bestaande bepaling die voorschreef dat het rechtsgeding in jeugdstrafzaken in principe niet openbaar zou plaatsvinden, diende te worden gehandhaafd.2 De commissie kwam destijds tot de conclusie dat dit wel zo was voor 12- tot 16-jarigen, maar niet voor 16- tot 18-jarigen. De commissie erkende dat een niet-openbare behandeling kan worden gerechtvaardigd vanuit de beschermingsgedachte en de pedagogische doelstelling en er eveneens indirect toe kan dienen het privéleven van de familie waartoe de jeugdige behoort, te beschermen. De commissie oordeelde dat een kind tot 16 jaar nog zozeer betrokken is bij dat gezin dat voor de bescherming van dat gezin een niet-openbare behandeling de voorkeur verdient. Voor de 16- tot 18-jarigen gold volgens de commissie echter dat de voordelen van openbaarheid (zoals de mogelijkheid tot controle op het functioneren van het openbaar ministerie en de rechter) zwaarder lijken te wegen dan de nadelen.3
Gelet op de huidige tekst en plek van artikel 495b Sv is de commissie Anneveldt niet gevolgd wat betreft de Nederlandse wetgeving. Dit blijkt uit het gegeven dat het artikel is geplaatst onder de afdeling die ziet op «Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt».4 Wat betreft artikel 488 Sv BES is wel aansluiting gezocht bij de commissie Anneveldt. Dit verschil hangt samen met het feit dat de regeling die uitgaat van de openbaarheid van zittingen voor jeugdigen van 16 jaar en ouder oorspronkelijk afkomstig is uit het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen.5 Bij de omvorming van dit wetboek in 2010 in het kader van de staatkundige hervormingen tot het Wetboek van Strafvordering BES is de op dat moment bestaande regeling behouden.
Voor de autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden (Curaçao, Aruba en Sint-Maarten, hierna: CAS-landen) geldt dezelfde leeftijdsgrens als op de BES-eilanden als het gaat om de openbaarheid van zittingen. De CAS-landen zijn zelf verantwoordelijk voor de regelgeving op dit terrein en kunnen dus zelf de leeftijdsgrens bepalen.
De CAS-landen hebben gewerkt aan de herziening van het Wetboek van Strafvordering waarbij door een gezamenlijke commissie is geschreven aan een wetboek dat voor alle drie de landen zou kunnen gelden. De leeftijdsgrens van 16 jaren wordt hier opnieuw gehanteerd. Wel is hierin expliciet de mogelijkheid opgenomen om het rechtsgeding dat in principe in het openbaar moet plaatsvinden, geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren te houden. De voorstellen voor een nieuw Wetboek van Strafvordering in de CAS-landen bevinden zich momenteel in verschillende stadia van goedkeuring, bekrachtiging en uitvoering.
Acht u het wenselijk dat jongeren van 16 en 17 jaar, die juridisch als minderjarig worden beschouwd en vaak nog volop in ontwikkeling zijn, in delen van het Koninkrijk wel publiekelijk terecht kunnen staan, terwijl zij in Europees Nederland beschermd worden door besloten zittingen?
Voor een antwoord op deze vraag wil ik de uitkomsten betrekken van een onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) onlangs op mijn verzoek is gestart naar de werking van het jeugdstrafrecht op de BES-eilanden. Dit onderzoek richt zich op het in kaart brengen van juridische en organisatorische knelpunten van het jeugdstrafrecht BES en beoordeelt in hoeverre het huidige wettelijke kader aansluit bij de pedagogische en resocialiserende doelstellingen van een uitvoerbare strafrechtspleging voor jeugdigen. Daarnaast beoogt het onderzoek aanbevelingen te formuleren voor mogelijke aanpassingen in wetgeving en uitvoering, met als doel de effectiviteit en uitvoerbaarheid van het jeugdstrafrecht BES te versterken. De resultaten van dit onderzoek zijn naar verwachting medio 2026 beschikbaar, waarna ik uw Kamer daarover zal informeren.
Zoals ik heb aangegeven in antwoord op vraag 2, zijn de CAS-landen autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en zelf verantwoordelijk voor hun wetgeving ten aanzien van dit onderwerp. Het is niet aan mij om daar over te oordelen.
Hoe verhoudt dit verschil zich volgens u tot het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat stelt dat alle kinderen onder de 18 jaar recht hebben op bescherming van hun privacy in het strafproces?
Op 11 januari 2008 heeft de Hoge Raad zich in een specifieke zaak uitgelaten over de vraag of sprake was van strijdigheid met artikel 40 van het IVRK dat gaat over de bescherming van kinderen binnen het strafproces (ECLI:NL:HR:2008:BB4130). Deze zaak speelde zich af op Aruba. De verdachte had op het tijdstip waarop de vervolging was aangevangen de leeftijd van 16 jaar bereikt. De zitting van deze verdachte is daarom in de openbaarheid behandeld. Het in deze zaak toepasselijke artikel 488 Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen (hierna: Sv NA) houdt in dat het rechtsgeding in het openbaar wordt behandeld, tenzij de verdachte of diens medeverdachten op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er geen sprake was van strijdigheid met artikel 40 van het IVRK. De Hoge Raad oordeelde dat de in artikel 488 Sv NA opgenomen grond voor het niet in het openbaar behandelen van het rechtsgeding hier niet van toepassing was. Bij dit oordeel is opgemerkt dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof niet inhoudt dat door of namens de verdachte is verzocht om een niet-openbare behandeling van de zaak dan wel dat aldaar beroep is gedaan op genoemde verdragsbepaling.
Kunt u aangeven of – en hoe – in de huidige situatie rekening wordt gehouden met kwetsbare jongeren met bijvoorbeeld een licht verstandelijke beperking, die extra risico lopen op stigmatisering en psychische schade bij openbare zittingen?
Op de BES-eilanden bestaat de mogelijkheid om een zaak die in de openbaarheid zal worden behandeld toch achter gesloten deuren te behandelen. De verdachte, zijn/haar advocaat, of het openbaar ministerie kan daar om verzoeken (artikel 309, eerste lid, Sv BES). De rechter zal daar per zaak over oordelen. Ook kan de rechter daartoe ambtshalve overgaan. Over hoe vaak en in welke zaken dat gebeurt, heb ik geen gegevens beschikbaar. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, wordt in het kader van het WODC-onderzoek naar de werking van het jeugdstrafrecht BES nagegaan in hoeverre het huidige wettelijke kader aansluit bij de pedagogische en resocialiserende doelstellingen van een uitvoerbare strafrechtspleging voor jeugdigen.
Zou u het wenselijk vinden als er meer uniformiteit zou zijn binnen het koninkrijk op het gebied van beslotenheid van jeugdstrafzittingen tot 18 jaar? Waarom wel of waarom niet?
Hoe zou zo’n uniforme norm zich verhouden tot de autonomie van de landen binnen het Koninkrijk? Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de verantwoordelijke Ministers van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, met respect voor hun eigenstandigheid?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 6, waarin ik aangeef eerst de uitkomsten van het WODC-onderzoek met betrekking tot de situatie op de BES-eilanden af te willen wachten. Afhankelijk van de resultaten van het WODC-onderzoek voor de BES-eilanden en mijn reactie daarop ben ik, indien gewenst en gevraagd door de autonome landen, bereid het gesprek te voeren over een uniforme norm op het gebied van de beslotenheid van jeugdstrafzittingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden.
Bent u bereid om – in samenwerking met de landen en de ketenpartners – te verkennen hoe dit onderwerp op korte termijn gezamenlijk kan worden opgepakt, zodat jeugdigen binnen het gehele Koninkrijk kunnen rekenen op gelijke bescherming? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dit aanpakken?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op de vorige vraag.
Het bericht dat het internationaal Strafhof hard geraakt is door de sancties |
|
Sarah Dobbe , Kati Piri (PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Tijdens het mondelinge vragenuur op 20 mei gaf u aan dat de inzet van het kabinet om het Internationaal Strafhof te steunen effectief is, terwijl de praktijk laat zien dat het werk van het Internationaal Strafhof nagenoeg stilligt; hoe kijkt u terug op deze kwalificatie van effectiviteit? Op welke manier is het handelen van het kabinet effectief geweest?
Zoals reeds aangegeven tijdens het mondelinge vragenuur, herkent het kabinet het beeld niet dat het werk van het gehele Internationaal Strafhof (ISH) nagenoeg stilligt. Ondanks de in februari opgelegde sancties tegen de hoofdaanklager van het ISH, is het Hof vooralsnog in staat geweest verreweg de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is de aanhouding, overlevering en voorgeleiding van de voormalige Filipijnse president Duterte afgelopen maart een voorbeeld van het feit dat het Hof ook in deze tijd zijn werk kan voortzetten. Andere voorbeelden zijn de uitspraken die de rechters van het Hof in april hebben gedaan in meerdere zaken. Wel is het zo dat de tegen de hoofdaanklager gerichte sancties het werk van met name het Parket van de Aanklager in verschillende opzichten hebben bemoeilijkt, onder meer omdat de sancties impact hebben op de dienstverlening van een aantal commerciële partijen aan het Hof en zijn landenkantoren. Op 5 juni jl. heeft de VS de sanctielijst uitgebreid met vier rechters van het Hof. Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de (nieuwe) sancties zorgvuldig in de gaten. Met steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed mogelijk gemitigeerd.
Heeft u hierover contact gehad met functionarissen van het Strafhof? Zo ja, kunnen zij deze berichtgeving bevestigen? Zo nee, waarom niet?
Als gastland van het ISH staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Zo heb ik zelf op 11 juni jl. met de President en de eerste Vice-President van het ISH gesproken over de gevolgen van de (nieuwe) sancties. Door de functionarissen van het ISH is bevestigd dat het recentelijk door enkele mediaberichten verspreide beeld dat het werk van het gehele Hof nagenoeg stilligt niet strookt met de werkelijkheid.
Tijdens de mondelinge vragen gaf Minister Brekelmans aan de berichtgeving over dat het werk van het strafhof nagenoeg stilligt niet te herkennen; welke informatie heeft het kabinet om te beoordelen dat deze berichtgeving niet klopt?
Het kabinet baseert zich daarbij op de gesprekken die Nederland als gastland voert met de functionarissen van het Hof. Zij zijn het best in staat om de impact van de sancties op hun eigen werkzaamheden te beoordelen. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Heeft u bij de Amerikaanse regering gericht aangedrongen op het intrekken van de sancties tegen het Internationaal Strafhof, ook in uw recente gesprek met uw Amerikaanse ambtsgenoot? Zo ja, hoe heeft u dat gedaan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is op meerdere niveaus in gesprek met de VS gebleven om de reikwijdte en effecten van de sancties zoveel mogelijk te beperken. Zo heb ik de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Naar aanleiding van het uitbreiden van de sanctielijst met vier rechters van het Hof op 5 juni jl. is de Amerikaanse tijdelijk zaakgelastigde uitgenodigd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een toelichting te geven. Daarbij is aangegeven dat Nederland de sancties tegen ambtsdragers van het ISH afkeurt en Nederland pal achter het Hof staat. Ook andere verdragspartijen hebben hun zorgen over de sancties uitgesproken, aangezien zij eveneens een belangrijke verantwoordelijkheid hebben voor het zo onbelemmerd mogelijk laten functioneren van het Hof.
Kunt u toezeggen dat u op nationaal niveau en in Europese Unie (EU)-verband alles in het werk zult stellen om het functioneren en voortbestaan van het Internationaal Strafhof te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich op nationaal niveau, in EU-verband en richting de overige verdragspartijen bij het Statuut van Rome onverminderd inzetten om de impact van de huidige sancties zoveel mogelijk te mitigeren en om het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren. Afgelopen maanden heeft Nederland ten volle invulling gegeven aan zijn verplichtingen en verantwoordelijkheden als gastleden.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het internationaal Strafhof, een bijzondere verantwoordelijkheid draagt om het Internationaal Strafhof en het werk dat daar gedaan wordt te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Als gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.1
Deelt u de mening dat het internationaal Strafhof een cruciale rol speelt in het internationale recht en het tegengaan van straffeloosheid? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om deze sancties publiekelijk te veroordelen? En ook met het woord «veroordelen»? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet is erop gericht het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren. Dat acht het kabinet belangrijker dan het gebruik van specifieke woorden. Zie overigens het antwoord op vraag 4.
Heeft u concrete maatregelen genomen om de toegang van Hoofdaanklager Karim Khan tot voorzieningen te garanderen, die voor diens werk en functioneren van vitaal belang zijn, waaronder IT- en bancaire voorzieningen?
Het kabinet erkent de rechtsmacht die de VS heeft over Amerikaanse bedrijven. Het kabinet is op meerdere niveaus in gesprek met de VS om de effecten van de huidige sancties zo veel mogelijk te beperken. Nederland staat in contact met het Nederlandse bedrijfsleven over de kwestie van de Amerikaanse sancties tegen het ISH, onder meer om zogenaamde overcompliance(verder gaan dan de sancties vergen) te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken. Bij het mitigeren van de gevolgen van de sancties trekt Nederland zoveel mogelijk op met andere verdragspartijen en roept hen, zowel in EU-verband als in een veelvoud van bilaterale contacten, op om hierbij een actieve rol te spelen. Bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met bedrijven die in hun land gevestigd zijn. Alle 125 verdragspartijen hebben namelijk een rol te spelen om het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren.
Herinnert u zich het bezoek dat de president van het Internationaal Strafhof, rechter Tomoko Akane, op 19 maart jl. aan Brussel heeft gebracht, waarin zij de EU dringend heeft opgeroepen om onmiddellijk het blokkeringsstatuut in te zetten, om het internationaal Strafhof tegen de Amerikaanse sancties te beschermen?
Ja.
Heeft u dat specifieke verzoek van president Akane ondersteund richting de EU en andere EU-lidstaten, conform de motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3019? Zo ja, en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie Piri is de inzet van de EU-antiboycotverordening, waar uw vraag naar verwijst, één van de instrumenten die er zijn om de gevolgen van de sancties van de VS tegen het Hof te mitigeren. Zoals eerder aangegeven in het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 17 maart,2 zitten er voor- en nadelen aan de inzet van dit instrument. De strategische timing en proportionaliteit van het eventueel activeren van de antiboycotverordening zullen goed moeten worden afgewogen.
Waarom is het Internationaal Strafhof tot op heden nog niet binnen het bereik van het blokkeringsstatuut gebracht, c.q. geactiveerd? Welke obstakels en weerstanden liggen hieraan ten grondslag?
Besluitvorming over het activeren van de EU-antiboycotverordening is in eerste instantie aan de Europese Commissie en het is vervolgens aan de Raad en het Europees parlement om stilzwijgend of uitdrukkelijk kenbaar te maken daar geen bezwaar tegen te hebben. Het kabinet blijft over de inzet en de strategische timing in gesprek met de Commissie en andere lidstaten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de verwachte impact op de lopende diplomatieke inzet richting de VS. Bovendien heeft de antiboycotverordening voor- en nadelen. Sowieso zal de antiboycotverordening bijvoorbeeld alleen gelden voor EU bedrijven en niet voor andere internationale bedrijven die met het Hof samenwerken.
Heeft u juridische, financiële en/of andere steun verleend aan Ngo’s, gericht op voortzetting van hun samenwerking met het Internationaal Strafhof? Zo ja, welke concrete steun heeft u hiervoor geboden? Zo nee, waarom niet?
Nederland levert financiële bijdragen aan enkele organisaties van het maatschappelijke middenveld die zich inzetten voor het versterken van het ISH, bijvoorbeeld door de universele ratificatie en implementatie van het Statuut van Rome te ondersteunen. Daarnaast organiseert Nederland samen met NGO’s regelmatig side events bij internationale conferenties over thema’s die raken aan het werk van het ISH en ook in EU-verband is er doorlopend contact met de meest relevante lokale en internationale NGO’s. Nederland heeft van deze NGO’s vooralsnog geen verzoeken ontvangen om steun te verlenen die specifiek is gericht op de voortzetting van hun samenwerking met het Hof in de context van de huidige sancties.
Is het kabinet in principe bereid politiek asiel aan te bieden c.q. te verlenen aan (voormalige) Amerikaanse medewerkers van het Internationaal Strafhof, indien zij het risico lopen in hun land van herkomst gearresteerd te worden vanwege hun werkzaamheden in het verleden of heden voor het Strafhof? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat de sancties worden uitgebreid naar (voormalig) Amerikaanse medewerkers van het Internationaal Strafhof is op zichzelf bezien niet redengevend om een asielvergunning te verlenen. Ook wordt asiel niet aangeboden, maar dient een persoon die in aanmerking wil komen voor asiel, persoonlijk een verzoek daartoe in te dienen. Het is aan (voormalig) Amerikaanse medewerkers van het ISH zelf om eventueel een asielverzoek in te dienen. Bij de beoordeling daarvan maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een zorgvuldige afweging of iemand voldoet aan de voorwaarden voor asiel. Hierbij wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene en de situatie in het land van herkomst.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van advocaat Geert-Jan Knoops dat Nederland «op grond van Europese wetgeving garanties [kan] geven aan banken dat ze worden gevrijwaard van claims»?
Ja.
Is het kabinet bereid dergelijke garanties aan banken te geven, die door de Amerikaanse sancties (dreigen te) worden belemmerd c.q. bedreigd? Zo nee, waarom niet?
De Europese wetgeving waaraan wordt gerefereerd, is waarschijnlijk de EU-antiboycotverordening. Zie daarvoor het antwoord op vraag 12. In aanvulling daarop geldt dat de antiboycotverordening banken en andere ondernemingen slechts in beperkte mate garanties kan bieden, zeker als zij een belangrijke relatie met de VS hebben.
Kunt u gedetailleerd en uitvoerig toelichten hoe u opvolging heeft gegeven aan de aangenomen motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3019)? Kunt u een overzicht geven van de concrete stappen en maatregelen die u in dat verband heeft genomen, op nationaal niveau en in EU-verband?
Voor de opvolging van de motie Piri wordt verwezen naar het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 31 maart jl.3 De afgelopen maanden is de hierin beschreven inzet voortgezet. Het kabinet blijft op meerdere niveaus in gesprek met de VS om de effecten van de sancties zo veel mogelijk te beperken. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, zijn de Nederlandse zorgen over de sancties nadrukkelijk onder de aandacht gebracht bij de Amerikaanse Secretary of State Rubio en is afkeuring geuit aan de Amerikaanse tijdelijk zaakgelastigde, die daartoe was uitgenodigd op het ministerie. Daarnaast heb ik op 6 juni jl. met de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en op 11 juni jl. met de President en de eerste Vice-President van het ISH onze gedeelde zorgen over de (nieuwe) sancties besproken. Nederland staat verder voortdurend in nauw contact met het Hof. De gevolgen van de sancties worden zo goed mogelijk door het Hof gemitigeerd, met de steun van de verdragspartijen. Nederland draagt hieraan bij, door zorgvuldig te kijken wat het kan en moet doen op grond van de gastlandverplichtingen. Achter de schermen is in dit kader in het afgelopen jaar vanuit verschillende departementen gewerkt aan het in kaart brengen van de risico’s en het waar mogelijk nemen van mitigerende maatregelen. Om succesvol te kunnen zijn, is het noodzakelijk dat dit werk in een vertrouwelijke context plaatsvindt en daarom kan hier niet teveel over in detail worden getreden. Nederland zet de contacten met het (Nederlandse) bedrijfsleven over de kwestie van de Amerikaanse sancties tegen het ISH voort, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Ook blijft Nederland, zowel in EU-verband als in een veelvoud van bilaterale contacten, andere verdragspartijen oproepen om eveneens een actieve rol te spelen bij het mitigeren van de sancties.
Vindt u het gedrag van deze Amerikaanse regering richting het Strafhof en Nederland het gedrag dat je van een bondgenoot mag verwachten? Zo nee, wat betekent dit voor het bondgenootschap tussen Nederland en de Verenigde Staten?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Tijdens het mondelinge vragenuur op dinsdag 20 mei 2025 stelde Minister Brekelmans dat Poetin als oorlogsmisdadiger gezocht werd door het internationaal Strafhof. Bent u inmiddels bereid om Benyamin Netanyahu en Yoav Gallant ook als oorlogsmisdadigers te omschrijven omdat zij, net als Poetin, door het ICC worden gezocht? Zo nee, waarom niet?
Op 21 november 2024 heeft de Kamer van vooronderzoek van het ISH arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen premier Netanyahu en voormalig Minister van Defensie Gallant. Volgens de Kamer van Vooronderzoek zijn er redelijke gronden om aan te nemen dat Netanyahu en Gallant zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede)plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Het is aan de rechters van het ISH om te beoordelen of zij ook daadwerkelijk oorlogsmisdrijven hebben begaan.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk en vanwege de hoge urgentie binnen 14 dagen na indiening beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Wapenexportvergunningen voor het Israëlische Iron Dome-systeem |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Reinette Klever (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw opmerking in een debat vorige week over ««twee exportvergunningen voor onderdelen van het zogeheten Iron Dome-systeem» van Israël?»1
Ja, ik ben bekend met de woorden van de Minister van Buitenlandse Zaken waar naar wordt verwezen. Het kabinet handelt daarmee conform de motie van het lid Kahraman (motie 21 501-02, nr. 3170).
Kunt u aangeven wat voor export dit precies betreft, over welke onderdelen dit gaat?
Sinds de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 heeft het kabinet in respectievelijk januari 2024 en maart 2025 vergunningen goedgekeurd voor de uitvoer van onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem. In beide gevallen betrof het onderdelen voor de radar waarmee het Iron Dome-luchtafweersysteem inkomende projectielen kan waarnemen om deze vervolgens uit te schakelen.
Produceren in Nederland gevestigde bedrijven onderdelen voor de Iron Dome? Zo ja, sinds wanneer exporteren deze bedrijven onderdelen hiervoor naar Israël?
Het gaat hier om goederen die niet in Nederland, maar in Canada zijn geproduceerd. De onderdelen zijn daarna vanuit Nederland naar Duitsland overgebracht om daar verder verwerkt te worden met als uiteindelijke eindbestemming Israël. Meerdere vergelijkbare transacties hebben sinds 2013 plaatsgevonden.
Daarnaast hebben er tussen 2005 en 2012 zes transacties plaatsgevonden voor de uitvoer van onderdelen en technologie met als eindbestemming Israël waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze transacties gebruikt zijn ten behoeve van (de ontwikkeling van) het Iron Dome-luchtafweersysteem dat sinds 2011 operationeel is.
Indien onderdelen voor de Iron Dome niet in Nederland worden geproduceerd, hebben deze vergunningen dan betrekking op doorvoer van onderdelen voor dit wapensysteem? Zo nee, wat bedoelt u dan met uw opmerking in het debat?
De twee transacties ten behoeve van het Iron Dome-systeem betreffen in Canada geproduceerde goederen die in Nederland zijn binnen gebracht en vervolgens naar Duitsland zijn verzonden. Op grond van het Besluit strategische goederen is er hier sprake geweest van overdracht vanuit Nederland naar Duitsland, dan wel van doorvoer door Nederland naar Duitsland. Vanwege deze overdracht/doorvoer zijn er in Nederland overdracht- en doorvoervergunningen verleend. In de loop van tijd is de aard van de transacties overigens veranderd van doorvoer naar uitvoer. Dit vanwege aanpassingen in de goederenstroom, namelijk van binnenbrengen en directe doorvoer naar Duitsland, naar invoer in Nederland om vervolgens overgedragen te worden naar Duitsland. De in Canada geproduceerde goederen zijn in geen van de gevallen rechtstreeks vanuit Nederland naar Israël uitgevoerd.
De beschieting van diplomaten op de Westoever door het Israëlische leger |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Israëlische leger schoten heeft afgevuurd tijdens een bezoek van buitenlandse diplomaten aan de Westoever?1
Ja.
Kunt u dit bericht bevestigen? Is er in de richting van diplomaten geschoten door het Israëlische leger?
Ja, het klopt dat er meerdere schoten zijn gelost vlakbij een diplomatieke delegatie.
Kunt u bevestigen of hier Nederlandse diplomaten bij aanwezig waren?
Ja, er was één Nederlandse diplomate en een lokaal geworven medewerker van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah aanwezig. Direct na de gebeurtenis heb ik contact opgenomen met de Nederlandse Vertegenwoordiging om zeker te zijn dat zij veilig waren.
Onderschrijft u dat, indien er sprake is van geweld of intimidatie van diplomaten door een gastland, dit een zeer serieuze schending van het internationaal recht is, in het bijzonder de Conventie van Wenen?
Op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer dient Israël de onschendbaarheid van bij de Israëlische autoriteiten aangemelde diplomaten te respecteren en maatregelen te nemen om te verhinderen dat zij in gevaar worden gebracht. Israël heeft dat in dit geval nagelaten door een gevaarlijke situatie te creëren voor deze diplomaten.
Ongeacht de identiteit van de diplomaten, maar zeker indien hier Nederlandse diplomaten bij aanwezig waren, bent u het eens dat dit incident om een zeer sterk antwoord van Nederland vraagt?
Het kabinet veroordeelt het schietincident. Diplomaten moeten veilig en ongehinderd hun werk kunnen uitvoeren. Een gevaarlijke situatie voor hen creëren is onaanvaardbaar.
Bent u van plan in internationaal verband een onderzoek naar dit incident te vragen en dit incident in de scherpste bewoordingen te veroordelen?
Zie antwoord vraag 5. Er is direct na het incident om opheldering gevraagd.
Bent u van plan de Israëlische ambassadeur te ontbieden naar aanleiding van dit incident? En bent u van plan zelf met hem te spreken?
Nee, de Israëlische ambassadeur is niet ontboden n.a.v. dit incident. De Nederlandse ambassadeur in Israël heeft mondeling en schriftelijk middels Note Verbale om opheldering gevraagd bij het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken en verzocht om schriftelijke informatie over de uitkomsten van het Israëlische onderzoek, hetgeen door Israël is toegezegd.
Ziet u na de beschieting van buitenlandse diplomaten reden om uw standpunt te wijzigen over het herzien van de economische, politieke en defensie-samenwerking met de Israëlische regering?
Het kabinet heeft het incident veroordeeld, wacht het onderzoek af en overweegt verdere stappen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Er is getracht de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De gevolgen van toenemende robotisering voor werkgelegenheid en belastinginkomsten |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA), Tom van der Lee (GL), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft het kabinet kennisgenomen van de recente ontwikkelingen bij Duitse autofabrikanten zoals Mercedes-Benz en BMW, waarbij de inzet van humanoïde robots wordt getest voor werkzaamheden die voorheen door mensen werden uitgevoerd?
Ja.
Hoe duidt het kabinet deze ontwikkeling? In hoeverre ziet het kabinet deze nationale en internationale ontwikkelingen als indicatief voor een verschuiving op de arbeidsmarkt?
Het kabinet ziet automatisering als een structurele trend. Nieuwe technologische ontwikkelingen zoals robots zorgen ervoor dat taken die eerst door mensen werden uitgevoerd, (deels) door machines kunnen worden uitgevoerd. Technologische verandering beïnvloedt de werkinhoud en baanzekerheid van werkenden.
In het verleden is de totale werkgelegenheid niet afgenomen door automatisering. Het aantal banen in Nederland zit zelfs op een historisch hoogtepunt. Tegenover taken die worden geautomatiseerd, staan nieuwe taken om technologie te ontwerpen, bouwen, aan te sturen of te onderhouden. En door toenemende welvaart neemt de vraag naar mensenwerk toe in sectoren als zorg, onderwijs, cultuur en recreatie. Een opgave is wel om te zorgen dat werkenden mee kunnen komen met het tempo van verandering. En dat werkenden wiens baan verdwijnt voldoende weerbaar zijn, adequate sociale zekerheid hebben, en zicht hebben op nieuwe mogelijkheden die er voor hen zijn op de arbeidsmarkt (zie antwoord 5).
Hoewel de impact van technologie op de arbeidsmarkt een constante trend is, kan die trend wel veranderen door nieuwe technologie. Dat kan zo zijn als technologische verandering sneller gaat, de taakinhoud van beroepen ingrijpender verandert, en het domein van moeilijk automatiseerbare taken kleiner wordt. Humanoïde robots spreken (net als AI) tot de verbeelding door hun «menselijkheid», die de vraag oproept welke taken er nog overblijven voor echte mensen. Toch zijn humanoïde robots geen echte mensen en hebben zij menselijke programmeurs en monteurs nodig om te kunnen werken. Het kabinet ziet dus geen plotselinge verschuiving door humanoïde robots, maar continuering van een bestaande trend van automatisering.
Naast automatisering zijn er nog meer brede trends van invloed op de arbeidsmarkt, zoals vergrijzing, versterking van de krijgsmacht, de verduurzaming van de economie en de woningbouwopgave. Al deze trends vragen inzet van werkenden op een arbeidsmarkt die nu al krap is. Het kabinet ziet technologische innovatie als kans om productiever te worden en maatschappelijk opgaven te realiseren. De verwachting is dat de aanhoudend krappe arbeidsmarkt met grote maatschappelijke opgaven werkgelegenheid blijft bieden. Dit is in lijn met de analyse van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen die AI en robotisering noemt als belangrijke trend, en desondanks wijst op krapte op de arbeidsmarkt als opgave voor de toekomst.
In hoeverre wordt binnen het kabinet of bij planbureaus onderzoek gedaan naar de gevolgen van robotisering? Is er ook onderzoek gedaan naar de gevolgen voor het sociale zekerheidsstelsel?
Er is in het recente verleden veel onderzoek gedaan naar automatisering en robotisering. Bijvoorbeeld door het CPB, SCP, de WRR, de SER, het Rathenau instituut en internationale organisaties als de OESO en het IMF.1 Deze onderzoeken zijn niet specifiek gericht op de gevolgen voor het sociale zekerheidsstelsel maar met name de SER, de OESO en het IMF nemen dit wel mee als thema.
Geldt hetzelfde voor artificiële intelligentie (AI)?
Ook naar AI zijn onderzoeken gedaan door de hierboven genoemde instituten.2
Welke lessen trekt het kabinet uit de toepassing van humanoïde robots bij toonaangevende industriële bedrijven, en ziet het kabinet hierin een signaal voor de toekomstbestendigheid van de Nederlandse arbeidsmarkt?
Zoals hierboven toegelicht, ziet het kabinet toepassing van humanoïde robots als voorbeeld van een bredere trend van automatisering. Dat is één van de trends die de Commissie Regulering van Werk heeft meegenomen in haar advies over de Nederlandse arbeidsmarkt. Die commissie stelt vast dat de Nederlandse arbeidsmarkt onvoldoende toekomstbestendig is, onder meer in het bieden van voldoende zekerheid aan alle werkenden, en het borgen van de ontwikkeling van werkenden.3 In lijn hiermee heeft ook de SER geadviseerd aan het werk te gaan met de toekomstbestendigheid van de arbeidsmarkt.4 Tegen deze achtergrond is het noodzakelijk om de arbeidsmarkt te hervormen om die toekomstbestendiger te maken.
Het SER-MLT is vervolgens uitgewerkt in het arbeidsmarktpakket, dat tot stand is gekomen door middel van intensieve en constructieve overleggen met sociale partners en het (toenmalig) kabinet. Verschillende maatregelen uit het arbeidsmarktpakket hebben tot doel om werkenden meer werk- en inkomenszekerheid te geven.
Onderdeel van het arbeidsmarktpakket is de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. Hiermee zorgen we voor betere matching op de arbeidsmarkt doordat mensen en bedrijven voor hun vragen over werk, scholing en personeel terecht kunnen bij een centraal punt per regio: het Werkcentrum. Daarnaast verbeteren we de ICT-infrastructuur voor digitale matching en stimuleren en faciliteren we skills-gericht werven en ontwikkelen. Dit biedt werkzoekenden beter zicht op de mogelijkheden die er voor hen zijn op de arbeidsmarkt. Ook helpt het duurzame matches te vinden voor werkenden die te maken hebben met automatiseringsrisico’s.
Een ander belangrijk onderwerp is leven lang ontwikkelen (LLO). Het kabinet zal na de zomer haar gezamenlijke LLO agenda delen met de Kamer. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar een stelsel van persoonlijke leerrekeningen.
Zoals ook de SER benadrukt in zijn advies over AI en werk, is het belangrijk dat werkgevers hun medewerkers goed meenemen bij implementatie van nieuwe technologie. Zowel via medezeggenschap, als door werkenden goed te ondersteunen bij het leren omgaan met nieuwe technologie.
Hoe beoordeelt het kabinet de potentiële impact van toenemende robotisering en AI op de structurele belastingopbrengsten, met name op het gebied van loonbelasting en sociale premies?
AI en robotisering leidt tot een structuurverandering in de economie. Een veranderende economische structuur betekent ook een verandering in de mix van belastingrondslagen. Technologische verandering is echter slechts één van de relevante factoren die de economie en daarmee de belastingontvangsten en de samenstelling daarvan op de lange termijn beïnvloeden. Zo beschrijft onder andere de Europese Commissie een aantal «mega-trends» voor het belastingstelsel, waaronder vergrijzing, klimaatverandering, regionalisering van waarde-ketens, globalisering maar ook internationale fragmentatie.5 De wijze waarop en mate waarin deze trends de economie en de belastinggrondslagen beïnvloeden is onzeker. Jarenlang is globalisering de drijvende kracht achter de internationale welvaartsontwikkeling geweest en dat geldt zeker voor Nederland. Door internationale fragmentatie kan deze ontwikkeling stagneren of zelfs omgedraaid worden. Grote onzekerheid geldt ook voor de snelheid, vorm en implementatie van technologische ontwikkelingen als AI en robotisering.6 De vraag rijst daarbij bovendien op in welke mate deze ontwikkelingen stuurbaar zijn op nationaal niveau. Er zijn dus nog grote onzekerheden en meerdere en uiteenlopende scenario’s mogelijk, zo geven instituten als OESO, IMF en CPB aan. Het IMF denkt op dit moment na over zowel disruptieve als non-disruptieve scenario’s.7
Wat betreft de gevolgen van AI voor het belastingstelsel het volgende. Het primaire doel van het belastingstelsel is om voldoende opbrengsten te generen om de publieke voorzieningen te financieren. Daarnaast is het belastingstelsel – zeker in Nederland – een belangrijk instrument voor herverdeling, oftewel om verschillen in inkomen en vermogen in de maatschappij te verkleinen. En ten derde wordt het belastingstelsel ook gebruikt om gedrag van burgers en bedrijven te beïnvloeden. Deze drie doelen gelden ongeacht de externe omstandigheden. Gegeven de stapeling van economische onzekerheden richting de toekomst is het wenselijk dat het belastingstelsel zowel robuust is, als wendbaar is ten aanzien van deze doelen.8 Zo zijn er scenario’s mogelijk waarbij technologische ontwikkeling ertoe leidt dat het aandeel van het kapitaalinkomen in de economie toeneemt, specifieke bedrijven meer marktmacht ontwikkelen, of de inkomens- en vermogensverdeling schever wordt.9 Een scenario waarin de grondslag arbeid – die tot nu toe verreweg de belangrijkste bijdrage levert aan de belastingopbrengsten in Nederland – in belang afneemt, is denkbaar. Het IMF geeft aan dat in het verleden technologische ontwikkelingen hebben geleid tot een groter aandeel van kapitaal in de economie. Een robuust belastingstelsel in termen van het op peil houden van de belastingontvangsten, vangt dit op door inkomen uit verschillende soorten kapitaal breed en evenwichtig te belasten en de verschillen tussen de belastingdruk op kapitaal en arbeid te beperken. Daarbij wijst het IMF ook op de relatie tussen technologische ontwikkelingen en herverdeling. De productiefactor arbeid is immers veel breder verdeeld onder huishoudens dan de productiefactor kapitaal. De noodzaak tot zowel wendbaarheid en robuustheid wijzen dezelfde richting uit voor het fiscale beleid: een eenvoudiger belastingstelsel, dat zich – kort gezegd – kenmerkt door brede grondslagen en weinig uitzonderingen. Dat draagt namelijk bij aan beide randvoorwaarden. Technologische ontwikkelingen, tot dusver omschreven als uitdaging, bieden overigens ook kansen voor de Belastingdienst om de rol van uitvoering en handhaving te versterken.
Ongeacht welk scenario, is het ontwikkelen en behouden van een robuust en wendbaar belastingstelsel dat in de toekomst voldoende belastingontvangsten genereert en bijdraagt aan de verdeling van de welvaart zoals Nederland dat sinds WO II heeft opgebouwd, een voortdurende opgave die verder rijkt dan enkel het huidige kabinet. Dit kabinet zet daar al wel stappen in. In het bijzonder wijs ik hierbij op de hervorming van box 3 van de inkomstenbelasting door over te gaan op een stelsel dat het werkelijk rendement op spaar- en beleggingsvermogen belast (waarvoor het wetsvoorstel inmiddels aan uw Kamer is aangeboden)10, het voornemen om wetgeving voor te bereiden om het belasting- en toeslagenstelsel gezamenlijk te hervormen11, en de continue aandacht voor noodzakelijke modernisering van de ICT-systemen en de personeelsopgave van de Belastingdienst.12
Worden er momenteel scenario’s doorgerekend en beleidsvarianten voorgesteld waarin rekening wordt gehouden met een verschuiving van arbeidsinkomsten naar kapitaalinkomsten, en de gevolgen daarvan voor de houdbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel?
Zie antwoord vraag 6.
Is het kabinet bereid om alternatieve vormen van belastingheffing te verkennen, zoals een bredere kapitaalbelasting of een belasting op robots, om zo ook in de toekomst de financiering van collectieve voorzieningen veilig te stellen?
Zie antwoord vraag 6.
Screening in de pleegzorg |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2024:4759)1, waarin de rechter prejudiciële vragen stelt aan de Hoge Raad over de toepassing en mogelijke tekortkomingen van de Jeugdwet, specifiek in relatie tot de screening van pleeggezinnen?2 Kunt u deze prejudiciële vragen beantwoorden die opgesomd staan in r.o. 2.11 en 2.12? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met deze uitspraak. Via een prejudiciële vraag kunnen rechters een rechtsvraag aan de Hoge Raad stellen over de uitleg van een rechtsregel. Het is dan ook de taak van de Hoge Raad om deze prejudiciële vragen te beantwoorden en niet aan mij.
Bent u van mening dat het mogelijk is om een kind toch in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico’s voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Om pleegouder te worden, moet een persoon voldoen aan de criteria uit artikel 5.1, eerste lid van de Jeugdwet:
Bij netwerkpleegzorg kan het soms voorkomen dat een pleegkind al in een gezin woont, bijvoorbeeld bij een opa of oma, voordat officieel een pleegcontract is ondertekend. In deze situaties geldt de uitzondering van artikel 5.1, derde lid van de Jeugdwet: binnen 13 weken na het sluiten van het pleegcontract, moet alsnog aan de voorgeschreven wettelijke vereisten worden voldaan. Voorwaarde is wel dat een pleegzorgaanbieder van mening moet zijn dat de pleegouder een passende en veilige plek kan aanbieden aan het pleegkind. Zodra tijdens de periode blijkt dat niet aan de vereisten zal worden voldaan, kan de pleegzorgaanbieder per direct het pleegcontract beëindigen.
Bij het beantwoorden van deze vragen is het van belang om te benadrukken dat in Nederland veel kinderen worden opgevangen door familieleden of bekenden wanneer thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is. Als er (nog) geen formele jeugdhulp- of pleegzorgorganisatie bij betrokken is, wordt dit niet als formele pleegzorg beschouwd in de zin van artikel 5.1 van de Jeugdwet. Bij de beantwoording van deze vragen, ga ik uit van de situatie waar sprake is van formele pleegzorg, zoals omschreven in de Jeugdwet.
Kan het zo zijn dat rechters geen zelfstandige toets doen op grond van artikel 5.1 jeugdwet gezien de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad? Hoe kijkt u naar de rol van de kinderrechter als het gaat om pleegzorgscreening en artikel 5.1 Jeugdwet?
Een pleegzorgaanbieder kan een contract sluiten met een pleegouder, wanneer de pleegouder voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5.1 van de Jeugdwet. Het artikel geeft dus geen zelfstandige rol aan de rechter.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat kinderen geplaatst kunnen worden in pleeggezinnen als de screening niet juist of op orde is? Zo nee, waarom niet?
Het is wenselijk dat de screening van pleegouders op orde is. Er zijn echter situaties denkbaar, waarbij het in het belang van de kinderen is dat zij verblijven bij aspirant-pleegouders waarvan de screening nog niet is afgerond. Bijvoorbeeld in de situatie zoals omschreven in antwoord 3, waarbij een kind al tijdelijk woont bij een opa of oma, voordat de pleegzorg is geformaliseerd. In zulke situaties kan het onwenselijk zijn om een kind hier weg te halen. Artikel 5.1, derde lid van de Jeugdwet biedt deze mogelijkheid. Ook kunnen pleegzorgaanbieders zelf extra voorwaarden verbinden aan de plaatsing, zoals het volgen van een extra training of psycho-educatie voor pleegouders.
Deelt u de zorg van de kinderrechter dat er mogelijk hiaten bestaan in de wetgeving of toepassing daarvan, die kunnen leiden tot onvoldoende waarborging van de veiligheid van pleegkinderen?4 Zo ja, welke maatregelen acht u noodzakelijk? Zo nee, kunt u dit nader toelichten?
Ik wacht de beoordeling van de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad af, voordat ik besluit of ik eventuele maatregelen moet nemen.
Bent u op de hoogte van de bevindingen uit het Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)-rapport over Enver (mei 2025), waarin wordt geconcludeerd dat Enver niet of grotendeels niet voldoet aan acht van de negen getoetste normen, waaronder die voor screening, dossiervoering, veiligheid en risicotaxatie?5
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat in 10 van de 19 onderzochte dossiers, dus bij meer dan de helft, bij Enver de screeningsverslagen ontbraken of incompleet waren, en dat bij nieuwe inwonenden in pleeggezinnen geen Verklaring van Geen Bezwaar werd opgevraagd? Acht u dit in strijd met artikel 5.1 Jeugdwet?
Vooropgesteld: aspirant-pleegouders dienen voorafgaand aan een plaatsing over een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) te beschikken. In het geval van een netwerkplaatsing moet dit zo snel mogelijk plaatsvinden. Een VGB is een justitiële screening waarbij de Raad voor de Kinderbescherming het Justitieel Documentatie Systeem en het eigen archief raadpleegt. De pleegzorgorganisatie doet vervolgens een pleegouderonderzoek waarin wordt beoordeeld of het pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden. Bij de komst van nieuwe inwonenden in een pleeggezin die 12 jaar of ouder zijn, met uitzondering van pleegkinderen, is ook een nieuwe VGB vereist.
De IGJ constateerde dat de onderzochte dossiers van Enver niet op orde zijn. Er ontbraken (her-)screeningsverslagen, het was onduidelijk of risico’s voldoende in kaart zijn gebracht en of hier een gestructureerde methodiek voor gebruikt is. De IGJ ziet erop toe dat Enver de dossiervoering verbetert en daarmee voldoet aan de door de wet gestelde voorwaarden.
Welke stappen gaat u ondernemen voor de pleegkinderen die nu geplaatst zijn bij een pleeggezin waar de screening niet afdoende op orde is? En welke stappen gaat u ondernemen richting de ouders waarvan de kinderen geplaatst zijn in pleeggezinnen waar de screening niet afdoende op orde is?
De IGJ heeft verbetermaatregelen geformuleerd voor Enver. Zo verwacht de IGJ dat nieuwe en/of aanvullende screening bij veranderende omstandigheden, zoals bij bijplaatsing van een pleegkind in een pleeggezin, navolgbaar wordt vastgelegd in het dossier. De IGJ verwacht ook van Enver dat ze de aanvraagprocedure omtrent een VGB aanpast in lijn met de Jeugdwet (artikel 5.1) en ook een VGB aanvraagt bij de komst van nieuwe inwonenden.6
Omdat het verscherpt toezicht loopt, doet de IGJ geen uitspraken over de concrete maatregelen die Enver onderneemt. Gedurende het verscherpt toezicht houdt de IGJ nauwlettend in de gaten hoe Enver de verbeteringen in de organisatie gaat doorvoeren. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9.
Welke concrete stappen heeft u reeds ondernomen of gaat u ondernemen om te waarborgen dat alle pleegzorgaanbieders vanaf nu voldoen aan de wettelijke eisen voor screening en herbeoordeling van pleeggezinnen? Hoe gaat u dat toetsen en volgen?
Pleegzorgaanbieders dragen zorg voor zorgvuldige screening van pleegouders. Daarvoor richten zij hun screeningsprotocol in aan de hand van het landelijke Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening Pleegzorg,7 waar Jeugdzorg Nederland eigenaar van is. Dit kwaliteitskader is door pleegzorgaanbieders gezamenlijk opgesteld met als doel om duidelijkheid, transparantie en eenduidigheid te brengen in het proces van voorbereiding en screening in de pleegzorg. Vanwege de vreselijke gebeurtenissen in het pleeggezin in Vlaardingen, heeft Jeugdzorg Nederland besloten de evaluatie van dit kwaliteitskader te vervroegen. Deze evaluatie loopt inmiddels. Hierbij kijkt Jeugdzorg Nederland in elk geval hoe betere afspraken gemaakt kunnen worden over (her)screening van pleegouders, in welke gevallen het mogelijk zou moeten zijn om een pleegzorgcontract te beëindigen en hoe de screening van netwerkpleegouders zo veel mogelijk gelijkgetrokken kan worden aan bestandspleegouders. Jeugdzorg Nederland streeft ernaar een nieuwe versie van het Kwaliteitskader dit najaar gereed te hebben. Ik volg deze ontwikkelingen op de voet.
In aanvulling hierop zijn de Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik – in samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg Nederland – gestart met een verkenning naar de wenselijkheid van continue (justitiële) of periodieke screening van pleegouders. Hierbij wordt ook gekeken naar de wens van de Raad voor de Kinderbescherming om een Verklaring van Geen Bezwaar in te kunnen trekken en/of een geldigheidsduur van een afgegeven VGB vast te stellen. Wij verwachten uw Kamer aan het eind van dit jaar hierover te informeren, in vervolg op de Kamerbrief van 19 juni jl.8
In de beantwoording van de vragen van het lid Bruyning, vastgelegd in «Aanhangsel van de handelingen 1533 van 4 maart 2025»6, stelt u dat de WSS 3300 dossiers heeft doorgelicht en concludeerde dat er «geen reden tot zorg» was ten aanzien van de veiligheid; kunt u toelichten op welke wijze deze dossiers zijn onderzocht, of hierbij de volledigheid en betrouwbaarheid van de screeningsinformatie is getoetst, en hoe u de waarde van deze conclusie beoordeelt tegen de achtergrond van de gebrekkige screening bij Enver?
Door de WSS is een toets gedaan op de 3.300 dossiers waar sprake is van plaatsing in een pleeggezin of gezinshuis. Daarbij is getoetst of er sprake was van een actueel gesprek met het kind alleen, een recente veiligheidsbeoordeling en een recente multidisciplinaire casuïstiekbespreking. Daar waar uit de toets naar voren kwam dat het zicht op de veiligheid onvoldoende navolgbaar was, hebben de betrokken gedragswetenschapper en jeugdbeschermer opnieuw en veiligheidsbeoordeling gedaan.
De toets die door de WSS is gedaan ziet op enkele specifieke indicatoren op een specifiek moment. Op basis van die indicatoren, is volgens de WSS geen aanwijzing naar voren gekomen dat destijds het zicht op veiligheid in het geding was. WSS heeft aangegeven de toets op risicofactoren nu ieder kwartaal te herhalen. Indien er sprake is van onvoldoende navolgbaar zicht op de veiligheid wordt dan extra inzet gepleegd. WSS heeft aangegeven dat aanvullende maatregelen worden genomen in een beperkt aantal situaties. De IGJ en IJenV
hebben recent toezicht uitgevoerd bij de WSS waarin onder andere is gekeken in welke mate erin wordt geslaagd te zorgen voor tijdig passende bescherming of begeleiding en hulp.10 Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 12.
Hoe kijkt u naar de situatie dat uit de 3300 dossiers van WSS7 geen zorgelijke situaties naar voren gekomen zijn met betrekking tot Enver? Kunt u het antwoord nader toelichten? Bent u van mening dat het fundamenteel misgaat in de jeugdbeschermingsketen? Zo ja, wat gaat er dan mis volgens u?
De WSS heeft een toets uitgevoerd op basis van de risicofactoren, zoals bij vraag 10 is omschreven. De WSS heeft niet specifiek getoetst op betrokkenheid van Enver, maar op alle pleegzorgaanbieders die betrokken zijn of waren bij de betreffende 3.300 maatregelen.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik zien en erkennen de zorgen over de jeugdbeschermingsketen. Om die reden is er de afgelopen jaren stevig ingezet op verbeteringen en werken we aan een stelselwijziging in de uitwerking van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, waarover recent aan uw Kamer is gerapporteerd.12
Hoe controleren de gecertificeerde instellingen de pleegzorgplaatsing en welke organisatie is verantwoordelijk voor de toetsing op grond van artikel 5.1 Jeugdwet?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, stelt artikel 5.1 van de Jeugdwet voorwaarden wanneer een pleegzorgaanbieder een contract kan sluiten met een pleegouder. Er is geen aparte (toetsende) rol voor een rechter of gecertificeerde instelling. In het geval er sprake is van een gedwongen kader is de pleegzorgorganisatie verantwoordelijk voor een veilig opvoedklimaat in het pleeggezin. De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor de veiligheid van het pleegkind.
Kunt u gedetailleerd beschrijven welke concrete stappen genomen zijn naar aanleiding van de signaalbrief toezicht jeugdbeschermingsketen?8 Kunt u begrijpen dat ouders en kinderen weinig vertrouwen meer hebben in de overheid naar aanleiding van alle noodklokken die geluid zijn omtrent de jeugdzorg?
De Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik onderkennen dat er zorgen bestaan over de jeugdbeschermingsketen.
Sinds de signaalbrief van de inspecties van 9 september 2022 is er daarom stevig ingezet op verbeteringen van de jeugdbeschermingsketen. Hier zijn we uitgebreid op ingegaan in de verschillende (voortgangs)brieven in 2022, 2023, 2024 en 2025.14 Zo is ingezet op het verlagen van de werkdruk binnen de gecertificeerde instellingen door onder andere de invoering van het landelijk tarief en de zij-instroomregeling. Dit heeft geresulteerd in een verlaging van de werkdruk naar
een gemiddelde van 12 kinderen per jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder, op peildatum 1 april 2025.15 Ten tijde van de signaalbrief was dit nog 17,1 kinderen r jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder. Daarnaast wordt gewerkt aan het wetsvoorstel dat tot doel heeft de rechtsbescherming voor ouders en kinderen in de jeugdbescherming te verbeteren. Het streven is om het wetsvoorstel dit najaar ter advisering voor te leggen aan de Raad van State.
Haatpredikers op de TU Eindhoven |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de TU Eindhoven sprekers uitnodigt die Hamas verheerlijken, verdacht worden van steun aan Islamitische Staat (IS) en hebben opgeroepen om de demonstratie in Katwijk te laten ontsporen in rellen?1 2
Wij delen de bezorgdheid over de verspreiding van eventuele extremistische boodschappen. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan. Deze inzet is onder meer beschreven in de Nationale Extremismestrategie 2024–2029. Daar waar het gaat om extremistische sprekers is het in eerste instantie aan organisatoren van een evenement om te zorgen dat zij geen podium worden geboden. De TU Eindhoven heeft laten weten dat de lezing is verboden.
Deelt u de zorg dat hier sprake kan gaan zijn van extremistische uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt dit zich tot de brief van oktober 20233 die zag op het versterken van de aanpak van extremistische sprekers en de positie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierin?
De brief van oktober 2023 ziet op het voornemen om de maatregel te versterken om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren in het belang van openbare orde of nationale veiligheid. Het weren uit Nederland vindt plaats door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengen Informatiesysteem (SIS) te signaleren voor grensweigering en waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een inreisverbod of een ongewenstverklaring op te leggen. De IND baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de AIVD of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek. Wanneer de sprekers geen vreemdelingen zijn kan dit juridisch kader niet worden toegepast omdat zij niet onder de vreemdelingenwet vallen.
Ziet u mogelijkheden om de sprekers een gebiedsverbod op te leggen om te voorkomen dat de betreffende predikers woensdag komen spreken en treedt u hiertoe ook in overleg met de burgemeester van Eindhoven? Hoe wordt daarnaast voorkomen dat deze predikers ook op andere plekken in Nederland opereren?
Voor extremistisch gedachtegoed is in Nederland absoluut geen plek. Daarbij is het aan de organisatoren van een evenement om te zorgen dat deze plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en wordt voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. In het voorliggende geval heeft de TU Eindhoven de door een stichting georganiseerde lezing verboden. Daarnaast zijn burgemeesters verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en zal altijd binnen de lokale driehoek een beoordeling van dergelijke evenementen plaatsvinden. Het vooraf verbieden door een gemeente is alleen mogelijk als sprake is van een concrete en ernstige bedreiging van de openbare orde. Het lokaal bestuur maakt daarin een eigen afweging.
De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) maakt het mogelijk om aan een persoon, die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in het belang van de nationale veiligheid. Een mogelijke maatregel is een gebiedsverbod voor een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, mits kan worden onderbouwd dat de aanwezigheid van de persoon in dit specifieke gebied een dreiging tegen de nationale veiligheid vormt en de gedragingen van de persoon voldoen aan bovenstaande norm.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op de TU Eindhoven om dit evenement niet door te laten gaan?
De TU Eindhoven heeft laten weten de lezing te verbieden en dat de organiserende partij hierover is ingelicht.
Welke regelgeving is van toepassing voor de stichting die dit organiseert?
De TU Eindhoven heeft laten weten dat voor alle bijeenkomsten op de campus geldt dat de organiserende stichting en andere aanwezigen zich moeten houden aan de wettelijke kaders en het beleid, zoals dit is opgesteld door TU Eindhoven. Het beleid van TU Eindhoven vereist onder andere dat evenementen uitsluitend doorgang kunnen vinden wanneer de titel een objectieve weergave is van de inhoud van de bijeenkomst en geen opruiende toon bevat. Daarnaast moet een evenement voldoen aan de kernwaarden van de instelling. In dit geval heeft de TU Eindhoven besloten dat hier geen sprake van is en heeft het evenement verboden.
Welk contact is er geweest met de gemeente Eindhoven? Bent u bezorgd dat dit leidt tot radicalisering van jongeren? Zo ja, wat gaat u daartegen doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven toegelicht is het aan organisatoren van een evenement om te voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. De TU Eindhoven heeft in dit geval aan de organiserende partij laten weten dat zij de lezing hebben verboden. Daarnaast geldt in algemene zin dat het lokaal bestuur verantwoordelijk is voor de openbare orde en veiligheid en in dit kader altijd een eigen afweging maakt.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 21 mei beantwoorden?
Ja.
Genocide in Gaza |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het groeiende aantal organisaties dat spreekt over (mogelijke) genocide in Gaza, zoals onder andere Amnesty International, het NIOD en Human Rights Watch?1
Ja.
Herinnert u zich het oordeel van het Internationaal Gerechtshof, dat stelt dat Israël genocide in Gaza moet voorkomen?2
Ja. In de rechtszaak tussen Zuid-Afrika en Israël inzake vermeende genocide in de Gazastrook bij het Internationaal Gerechtshof (IGH), heeft het Hof geoordeeld dat het aannemelijk is dat er rechten van Zuid-Afrika in het geding zijn in dit geschil, namelijk het recht van Palestijnen om niet te worden onderworpen aan handelingen die verboden zijn in het Genocideverdrag en het recht van Zuid-Afrika om naleving door Israël van de verplichtingen onder het Genocideverdrag te eisen.
Hoe kijkt u aan tegen deze kwestie? Bent u van mening dat Israël (mogelijk) genocide pleegt? Zo nee, waarom wijkt u in uw opvatting af van bovengenoemde organisaties?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan. Er moet dus sprake zijn van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag én van genocidale opzet. Bij dit misdrijf geldt een hoge bewijslast. Hiervoor is het noodzakelijk om voldoende bewijs te vergaren, dit materiaal te analyseren en dat te beoordelen. Uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-
Veiligheidsraad zijn dan ook voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide. Hoewel de aandacht in het maatschappelijk debat vooral uitgaat naar genocide, is het kabinet van mening dat binnen het internationaal recht geen hiërarchie bestaat tussen de verschillende internationale misdrijven. Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de catastrofale situatie in de Gazastrook. In de Kamerbrief van 21 januari 2025 en van 18 juni 2025 is de Nederlandse visie over het kwalificeren van genocide in de Gazastrook in meer detail uiteengezet.3
Bent u van mening dat landen, ook Nederland, verplicht zijn om actie te ondernemen om genocide te voorkomen, zoals in artikel 1 van het genocideverdrag is bepaald, dus ook in Gaza?3 Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals weergegeven in Annex 1 in de Kamerbrief van 21 januari 2025, is de verplichting om genocide te voorkomen primair gericht op de staat met controle over de handelingen of het grondgebied, maar niet territoriaal begrensd. De reikwijdte van de verplichting voor derde staten, zoals Nederland, hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide.
Het kwalificeren van een situatie als genocide door Nederland of andere staten is geen vereiste voor de toepasselijkheid van verplichtingen onder het Genocideverdrag. Zoals ook gesteld in de Kamerbrief van 21 januari 2025 ontstaat de verplichting om genocide te voorkomen en de bijbehorende plicht om te handelen op het moment dat een (derde) staat verneemt, of normaal gesproken had moeten weten, van het bestaan van een ernstig risico op genocide. Nederland neemt elk risico op genocide zeer serieus en heeft, mede in het licht van de genoemde verplichting, al langere tijd stappen ondernomen om de situatie ter plaatse naar vermogen te verbeteren.
Volgens het IGH is de verplichting om genocide te voorkomen een inspanningsverplichting en moet een (derde) staat alle redelijkerwijs beschikbare maatregelen nemen om genocide zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de invulling van de verplichting tot het voorkomen van genocide moet een staat zich aan het internationaal recht houden, waaronder het geweldsverbod in het VN-Handvest. Daarnaast kan iedere partij bij het Genocideverdrag een beroep doen op de bevoegde organen van de VN om op grond van het VN-Handvest maatregelen te treffen ter voorkoming van genocide.
Voor meer details over de verplichting tot het voorkomen van genocide verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 21 januari 2025 en de Kamerbrief van 18 juni 2025.5
Bent u van mening dat op landen, waaronder Nederland, een actieve verplichting rust om alle redelijke middelen in te zetten om een genocide in Gaza te voorkomen, conform de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de zaak Bosnië v. Servië? Kunt u dit toelichten?
Ja. Conform de uitspraak van het IGH in de zaak tussen Bosnië-Herzegovina en Servië en Montenegro uit 2007 over de aansprakelijkheid van Servië voor de genocide in Srebrenica, zijn alle 153 bij het Genocideverdrag aangesloten staten verplicht om alle redelijkerwijs beschikbare maatregelen te nemen om genocide zoveel mogelijk te voorkomen.
Zoals in het antwoord op vraag 4 omschreven, gaat het om een inspanningsverplichting en ontstaat deze verplichting op het moment dat een staat verneemt (of had moeten weten) van een ernstig risico op genocide.
Kunt u een volledig overzicht geven van de acties die Nederland sinds oktober 2023 heeft ondernomen om genocide in Gaza door Israël te voorkomen?
Nederland neemt elk risico op genocide zeer serieus en heeft, mede in het licht van de genoemde verplichting, al langere tijd stappen ondernomen om de situatie naar vermogen te verbeteren, zoals ook in de Kamerbrief van 21 januari 2025 is omschreven. Het kabinet blijft naar aanleiding van de ontwikkelingen ter plaatse steeds de inzet blijven en beziet welke instrumenten, maatregelen of stappen op het terrein van diplomatie, humanitair, veiligheid en bestrijding van straffeloosheid kunnen worden ingezet ten behoeve van verbetering van de situatie in Israël en de Palestijnse gebieden.
Recent heeft het kabinet daarom verdere stappen gezet, waarbij het belangrijkste doel steeds was om Israël te bewegen de humanitaire blokkade op te heffen en de partijen tot een staakt-het-vuren te laten komen en geen stappen te zetten die tweestatenoplossing verder uit zicht brengt. Zo is het kabinet op 7 april overgegaan tot intrekking van de algemene vergunning NL002 en aanpassing algemene vergunning NL007 NL010 door Israël uit te sluiten als land van eindbestemming. Op 9 april heeft Nederland – als eerste EU-lidstaat sinds het einde van het staakt-het-vuren op 18 maart jl. – de Israëlische ambassadeur ontboden naar aanleiding van de aanval op een Palestijns hulpkonvooi met ambulancemedewerkers. Op 6 mei heeft Nederland tevens een brief aan de EU Hoge Vertegenwoordiger verstuurd met het verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren. Het is van belang dat deze stap in Europees verband is gezet, omdat gezamenlijk opvoeren van de druk meer gewicht in de schaal legt. Op 23 juni heeft de Raad Buitenlandse Zaken gesproken over de uitkomsten van het onderzoek aangaande mogelijke schending van artikel 2 van het Associatieakkoord EU-Israël. Voor verdere informatie verwijs ik uw Kamer naar het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken. Daarnaast blijft Nederland in Europees verband zich als initiatiefnemer inzetten om gewelddadige en kolonistenorganisaties te sanctioneren. Verder hebben verschillende demarches plaatsgevonden in Israël over de catastrofale humanitaire situatie in de Gazastrook, waaronder in EU-verband en met gelijkgezinde landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, en is met de betrokken partners steeds contact geweest over de onderhandelingen ten aanzien van een staakt-het-vuren. Ook heeft Nederland op 18 juni jl. zich aangesloten bij het Zweedse initiatief om EU-sancties tegen de extremistische Ministers Ben-Gvir en Smotrich in te stellen.
Kunt u een volledig overzicht geven van de maatregelen die Nederland sinds oktober 2023 heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat Nederlanders (natuurlijke personen en rechtspersonen, inclusief ondernemningen) geen materiële bijdrage leveren aan (mogelijke) genocide door Israël in Gaza?
Zie de beantwoording op vraag 6.
Het artikel 'Vechten om te overleven: middelgrote defensiebedrijven in Nederland dreigen ten onder te gaan' |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vechten om te overleven: middelgrote defensiebedrijven in Nederland dreigen ten onder te gaan»?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom, blijkens het artikel, grote defensiebedrijven wel meerjarige contracten krijgen, maar mkb-bedrijven niet? Ligt hier voorkeursbeleid aan ten grondslag?
Defensie werkt samen met EZ hard aan de opschaling van de defensie-industrie, en investeert daarom doelgericht, bijvoorbeeld in de 5 NLD gebieden. Dit doen we conform de uitgewerkte strategie die wij op 4 april 2025 met uw Kamer deelden2. In algemene zin geldt ook dat de sector fors aantrekt, mede door de sterk toegenomen investeringen die wij doen in de krijgsmacht. De noodzakelijke private financiering – van bijvoorbeeld banken en fondsen – veert tevens op na actieve communicatie vanuit Defensie.
Bij deze opschaling is geen sprake van een voorkeursbeleid. Defensie koopt eindproducten of -diensten en maakt geen onderscheid naar bedrijfsgrootte. Een verklaring schuilt in de manier waarop Defensie producten doorgaans verwerft. Ruwweg bestaan de verworven eindproducten uit twee categorieën. 1) minder complexe artikelen, die in grote hoeveelheden benodigd zijn 2) complexe (wapen)systemen.
Voor de eerste categorie worden vaak meerjarige raamcontracten gesloten, die in beginsel worden aanbesteed. Grote bedrijven komen in een dergelijke aanbesteding relatief vaak als beste uit de aanbesteding, bijvoorbeeld doordat een betere leveringszekerheid en service kunnen garanderen dan kleinere ondernemingen.
Voor de tweede categorie geldt dat grote bedrijven relatief vaak beschikken over de benodigde kennis en ervaring voor de ontwikkeling en productie van dergelijke complexe (wapen)systemen. Defensie komt daarom vaker uit bij de grotere defensie-industrieën die als hoofdaannemer optreden, die mkb-bedrijven in hun toeleveringsketen hebben. Zo profiteren mkb-bedrijven ook mee in toename in het aantal opdrachten. Defensie zet meer in op strategische autonomie en weegt bij de aanschaf van defensie materieel mee waar iets wordt geproduceerd, waarbij een Nederlandse of Europese toeleveringsketen de prioriteit heeft. Daarnaast maken Defensie en EZ zich via Industriële Participatie hard voor de betrokkenheid van Nederlandse Defensiebedrijven en kennisinstituten bij de ontwikkeling, productie en instandhouding van Defensiematerieel, waarbij in het bijzonder aandacht is voor aansluiting van het MKB.
Mkb-bedrijven zijn doorgaans wendbaarder en sterker in innovaties, maar vragen een ander type zekerheden dan grote bedrijven. Daarom stimuleert Defensie de samenwerking met innovatieve mkb-ers en scale-ups. Dit doen wij op twee manieren. Ten eerste door de vorming van ecosystemen rond prioritaire technologiegebieden te stimuleren. Hier binnen kunnen grote en kleinere bedrijven gezamenlijk werken aan sterke proposities voor Defensie en voor toepassing op de civiele markt; de zogenaamde «dual-use» producten of diensten. Ten tweede zet Defensie in op vernieuwende manieren van aanbesteden die het voor een bredere groep bedrijven aantrekkelijker maakt om met Defensie meerjarig samen te gaan werken. Met wie bedrijven dat binnen het ecosysteem gaan doen, blijft echter de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Uiteindelijk kan het toetreden van nieuwe partijen, zoals MKB-bedrijven, de defensie-industrie juist versterken en meer competitief maken, bijvoorbeeld op het gebied van snellere levering en lagere prijzen.
Onderschrijft u het categoriseren van leveranciers in zogenaamde «tiers»? Zo ja, waarom en welk afwegingskader ligt daaraan ten grondslag? Zo nee, hoe gaat u hiermee om?
De indeling van bedrijven in «tiers» is een algemene bedrijfseconomische groepering. In het kort zegt het iets over de plek van bedrijven in de toeleveringsketens, waarbij «tier 1»-bedrijven de Original Equipment Manufacturer (OEM) of systeemintegrator van een (sub-)systeem zijn en «tier 2»-bedrijven hun toeleveranciers zijn. Uit onderzoek van Berenschot (2024) blijkt dat we in Nederland relatief weinig «tier 1»-bedrijven hebben en relatief veel «tier 2»-bedrijven.3
De indeling in tiers vloeit voort uit de productiestrategie en sourcingstrategie van de fabrikant. Zoals bij vraag 2 al aangegeven is het niet aan Defensie om de leverancier voor te schrijven hoe die zijn supply chain moet inrichten. Wel onderkent de rijksoverheid dat het voor toeleveranciers lastig kan zijn om toegang te krijgen tot de toeleveringsketens van grote defensiebedrijven. We proberen die toegang op verschillende manieren te verbeteren. Vandaar dat we tier-1 bedrijven aanspreken op hun ketenverantwoordelijkheid, met als doel dat ze zelf goede afspraken maken met hun leveranciers over tijdige levering en kwaliteitseisen, zonder hierbij de eigen bedrijfsrisico’s en verantwoordelijkheden grotendeels op hen af te wentelen. Zo werkt het Ministerie van Economische Zaken nauw samen met Defensie om via het Industrieel Participatiebeleid Nederlandse bedrijven een positie te geven in de toeleveringsketens van internationale defensiebedrijven. Er zijn ook financieringsinstrumenten, zoals het SecFund, die specifiek gericht zijn op het (voor-)financieren van mkb voor het ontwikkelen van «dual-use» toepassingen.
Deelt u de zorgen dat mkb-defensiebedrijven door het stringente aanbetalingsbeleid gedwongen worden om dure externe geldschieters te vinden en dat dit de kosten van defensiematerieel onnodig omhoogstuwt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening delen wij slechts gedeeltelijk. Per contract vindt onderhandeling plaats over het betaal- en leverschema, waarbij de leveringsbehoefte van Defensie wordt afgewogen tegen de liquiditeitsbehoefte van de leverancier om deze planning te kunnen realiseren. Afhankelijk daarvan wordt de hoogte van een aanbetaling en de vervolgbetalingen vastgesteld. Er is daarbij op voorhand geen beperking in de hoogte van een aanbetaling. Wel loopt Defensie een risico bij zo’n voorschotbetaling, vandaar dat financiële regelgeving stelt dat boven 0,5 miljoen euro een bankgarantie verplicht is.
Zo’n bankgarantie wordt door bedrijven vaak als beperkend ervaren. Daarom onderzoekt Defensie in overleg met het Ministerie van Financiën hoe alternatieven op de voorgeschreven bankgarantie-eis bij voorschotbetalingen kunnen worden toegepast en hoe het proces en de voorwaarden daarvoor kunnen worden versneld en geformaliseerd. Deze inzet heeft er al toe geleid dat de afgelopen tijd voor verschillende casussen een alternatief op de bankgarantie-eis bij voorfinanciering is toegekend, waarmee knelpunten in deze specifieke casussen werden weggenomen. Defensie houdt geen gegevens bij over het aanbetalingsbeleid van andere Europese landen. Zoals beschreven kiest Defensie voor een maatwerkbenadering, waarbij in de onderhandelingsfase een afweging mogelijk is voor aanbetaling.
Verder blijkt uit onderzoek wel dat zelfs met het voorfinancieren van de hoofdaannemer, er alsnog knelpunten in de toeleveringsketens van deze aannemer kunnen ontstaan. Dat komt doordat de hoofdaannemer in dergelijke gevallen pas tot betaling aan de toeleveranciers overgaat wanneer een «milestone» is behaald en de daaraan gekoppelde betaling bij de hoofdaannemer binnen is gekomen. In de praktijk kan dat tot de situatie leiden dat juist de kleinere toeleveranciers langer moeten wachten op financiering. Een oplossing hiervoor is niet eenvoudig, maar Defensie benadrukt bij de grote bedrijven dat ook zij hier een verantwoordelijkheid in hebben om binnen hun eigen toeleveringsketen dergelijke drempels bij toeleveranciers weg te nemen.
Waarom is de aanbetaling vastgesteld op 10 procent en hoe verhoudt dit zich tot andere Europese landen?
Zie antwoord vraag 4.
Is geïnventariseerd wat de impact is van het huidige aanbestedingsbeleid en wat de impact zou zijn van een eventuele verhoging van het aanbestedingspercentage op de productiecapaciteit in Nederland?
Uw Kamer is onlangs met een verzamelbrief4 door de Minister van Economische Zaken geïnformeerd over diverse onderzoeken, waaronder kansen voor het mkb en kansen voor de Nederlandse industrie. Tenderned publiceert ook regelmatig over deze onderwerpen, gebaseerd op de beschikbare aanbestedingsdata. De verzamelbrief vermeldt dat het stellen van kwalitatieve eisen binnen een aanbesteding een geschikt middel is om de Nederlandse industrie beter te positioneren. Dat is wat Defensie al doet door tijdige beschikbaarheid en herkomst van producten -bij voorkeur Nederlands of Europees- mee te wegen in de gunning. Het meest recente rapport Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde technologische industriële basis5 laat groeiverwachtingen in de sector zien, over de diverse domeinen en de diverse «tiers» heen.
Vindt er overleg tussen de overheid en de defensie-veiligheidssector plaats over mogelijke wijzigingen in het beleid om knelpunten weg te nemen? Zo ja, wat is hier tot nu toe uitgekomen en neemt het Ministerie van Financiën deel aan deze overleggen? Zo nee, op welke manieren wordt de sector dan wel betrokken bij het opstellen en evalueren van beleid?
Ja dat overleg vindt plaats. Gezien de rol van de overheid, nemen het Ministerie van Economische Zaken en Defensie het voortouw aan de financieringstafel van het nieuwe publiek-privaat platform Defport. Aan deze tafel nemen verschillende publieke en private financiers en brancheverenigingen zoals VNO-NCW en NVB deel. Eind maart 2025 is de financieringstafel van start gegaan, en werkt nu gezamenlijk aan identificatie en mitigatie van knelpunten van financiering. Deze tafel moet resulteren in concrete oplossingsvoorstellen voor de gesignaleerde knelpunten; zowel aan overheids- als aan private zijde. Het Ministerie van Financiën heeft besloten in deze fase nog niet aan te sluiten, maar zal door Defensie en EZ worden geconsulteerd nadat de financieringstafel met oplossingen voor financieringsknelpunten naar voren komt.
Deelt u de analyse dat geld an sich niet de primaire belemmering is voor onze gereedstelling, maar de wijze waarop het geld wordt ingezet wel? Zo ja, hoe gaat u dit oplossen? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Defensie beseft zich dat de wijze waarop het geld wordt ingezet bepalend is voor de effectiviteit van de krijgsmacht. Daarom kiezen we per dossier voor de meest effectieve oplossing, zowel bij de wijze van aanbesteding, de selectie van de uitvoerende partij als de financiële afspraken die met deze partij worden gemaakt.
In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie schrijft u dat de defensie-industrie geen gewone markt is. Heeft dit volgens u consequenties voor hoe de overheid zich tot de defensiesector zou moeten verhouden? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u dit motiveren?
Ja, de overheid heeft samen met de private sector een duidelijke rol voor de opschaling van de defensie-industrie. De huidige situatie maakt het nodig om op een andere manier met elkaar als overheid en industrie samen te werken. Met een andere mindset aan beide kanten, gericht op het gezamenlijk versnellen van het innovatie- en productievermogen, in plaats van een louter formele opdrachtgever-leverancierrelatie. Daarom zet defensie samen met kennisinstellingen en de industrie partnerschappen op, bijvoorbeeld via het publiek-private platform Defport. In deze partnerschappen wordt samen gewerkt, samen geïnvesteerd, geïnnoveerd en worden de risico’s gezamenlijk gedragen. Transparantie, onderling vertrouwen en wederkerigheid is daarbij het devies. Aan de ene kant vereist dit dat de overheid ervoor zorgt dat we bepaalde randvoorwaarden verbeteren, zoals ruimte om te testen of toegang tot financiering. Het vraagt ook om het geven van voldoende perspectief voor onze industrie die producten ontwikkelt. Daarvoor moeten we nauw contact hebben en houden met potentiële (toe)leveranciers. Aan de andere kant vraagt het ook van de industrie dat ze de samenwerking met elkaar opzoeken op onderwerpen die voor Defensie belangrijk zijn en daarmee met ons in gesprek blijven. De gebieden die genoemd zijn in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie bieden daarvoor het vertrekpunt.
Welke rol ziet u voor de overheid weggelegd om te voorkomen dat bedrijven omvallen waardoor broodnodige productiecapaciteit verdwijnt en afhankelijkheid van vreemde niet-Europese mogendheden toeneemt?
De verantwoordelijkheid voor een gezonde bedrijfsvoering is vooral een zaak van bedrijven zelf. In een groeisector als de defensie- en veiligheidsindustrie bestaan er goede kansen voor bestaande en nieuwe toetreders met een aantrekkelijk en innovatief aanbod. Met de hogere budgetten, doelgerichte investeringen en het nieuwe aanschafbeleid van Defensie – zoals aangekondigd in de nieuwe Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) – is de kans dat Nederlandse bedrijven in aanmerking komen voor contracten met Defensie toegenomen. Dit draagt bij aan een betere marktdynamiek binnen de defensie- en veiligheidssector van Nederland en Europa. Bovendien beschikt EZ over een aantrekkelijk aanbod van regelingen die bedrijven door uitdagende situaties kunnen helpen. Ondanks dat kan het voorkomen dat bedrijven die voor Defensie een rol van betekenis spelen door een samenloop van omstandigheden in zwaar weer komen te zitten. In een groeimarkt zit ook altijd een zelfreinigend vermogen. Niet alle bedrijven kunnen mee of zijn in staat om bedrijfsvoering aan te passen. Zeker zodra innovatie een grotere rol gaat spelen zullen er winners en verliezers zijn, zoals dat in elke groeimarkt voorkomt.
In uitzonderingssituaties kan de overheid overwegen om bedrijven of sectoren te ondersteunen. Algemene uitspraken over het wel of niet ingrijpen zijn moeilijk te doen, maar in het proces worden verschillende factoren evenwichtig bekeken. Of de overheid ingrijpt ter behoud van industriële productiecapaciteit in Nederland of niet, is sterk afhankelijk van de eventuele veiligheidsrisico’s, de mate van strategische afhankelijk van de activiteit in de toeleveranciersketen van de defensie- en veiligheidssector, de bereidheid van derden om bij te dragen aan een oplossing, de levensvatbaarheid en het innovatieve vermogen van het bedrijf in relatie tot prioritaire technologie-gebieden van Defensie. Ook wordt gekeken of een logisch Europees alternatief bestaat wanneer productie uit Nederland zou verdwijnen en of dat een acceptabel alternatief is gezien concurrentievermogen en strategische afhankelijkheid. Het Kabinet verbindt altijd voorwaarden aan dergelijke ondersteuning, afhankelijk van de specifieke casus.
Wanneer vast staat dat er met het wegvallen van de productiecapaciteit een ongewenste strategische afhankelijkheid of veiligheidsrisico ontstaat voor Nederland, en de private (financiële) sector niet bereid is om in te stappen, dan is Defensie – mits dit in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving – samen met o.a. EZ bereid om oplossingsrichtingen te onderzoeken en waar noodzakelijk in te grijpen om de leveringszekerheid van partnerlanden te garanderen. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het (Europeesrechtelijke) juridisch kader voor staatssteun. Dit alles in nauw overleg met het Ministerie van Financiën.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de hogere defensie-investeringen op een effectieve wijze ingezet worden om de gereedstelling van de krijgsmacht ook daadwerkelijk te verhogen?
Dit doen wij op verschillende manieren, Namelijk door invulling te geven aan onze plannen, de industrie te stimuleren, belemmeringen te verwijderen, knelpunten op te lossen en door resoluut te innoveren. Daarbij nemen we gecalculeerd risico, werken we meer met partnerschappen en gaan we groot leren met de meeste impact. Daarbij bestaat het risico dat ook dingen fout gaan, investeringen niet optimaal blijken te zijn, en behoeften later of duurder worden ingevuld. In dergelijke gevallen zullen we daarvan leren en hierover transparant zijn richting toezichthouders, maatschappij en Kamer.
Bent u voornemens om noodlijdende defensiebedrijven te steunen? Zo ja, worden hier voorwaarden aan verbonden zoals publieke inspraak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u alle vragen afzonderlijk en een week voor het commissiedebat Defensie-industrie van 11 juni 2025 beantwoorden?
Ja. Wegens de samenhang tussen vragen 4 en 5 en de vragen 10 en 12 zijn deze gezamenlijk beantwoord.
Raadsleden met een uitkering |
|
Glimina Chakor (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Kent u het rapportUitkeringsgerechtigden en de raadsvergoeding van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en herinnert u zich de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Westerveld en Chakor (beiden GroenLinks-PvdA) over ondersteuning voor mensen met een beperking voor hun functie als gemeenteraadslid, Statenlid of lid van het algemeen bestuur van een waterschap (20 januari 2025)?1
Ja.
Deelt u de mening dat ook mensen met een uitkering in gemeenteraden vertegenwoordigd moeten kunnen zijn en dat het hebben van uitkering daarbij niet belemmerend mag werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening. Ik wil graag daadwerkelijk de belemmeringen wegnemen voor mensen met een beperking om volksvertegenwoordiger te worden. Zoals u weet2, is het al langjarig beleid van mijn ministerie dat politieke ambtsdragers met een beperking in dezelfde uitgangspositie worden gebracht als ambtsdragers zonder beperking. Ik vind het van groot belang dat iedereen kan deelnemen aan de politiek en dat de keuze om daaraan deel te nemen, niet wordt beïnvloed door bijvoorbeeld een angst om door die deelname het toegekende recht op uitkering te verliezen. In het navolgende spreek ik kortheidshalve over het raadslidmaatschap, maar het gestelde geldt voor alle (decentrale) volksvertegenwoordigers.
Herkent u de kernboodschap van dit rapport namelijk: «De toegang van uitkeringsgerechtigden tot het raadslidmaatschap wordt onnodig beperkt. De huidige regeling rond de raadsvergoeding ondermijnt het algemeen passief kiesrecht en sluit mensen met een uitkering feitelijk uit van deelname aan de lokale democratie»? Zo ja, wat gaat u ondernemen om hierin verbetering aan te brengen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken veel van de signalen, maar ik vind de conclusie zwaar aangezet. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder3 al aangaf, is dit een complex en veelkoppig probleem. Bovendien behoort de aanpak ervan ook niet uitsluitend tot de verantwoordelijkheidsgebieden van onze twee departementen. De samenloopproblematiek vormt bovendien helaas maar een deel van de barrières voor de deelname van mensen met een uitkering aan de politiek. Maar er blijkt ook behoefte aan meer informatie en bewustwording bij de doelgroep, bij de overheidsorganen en bij de politieke partijen. Ik kom daar hieronder op terug, met name in mijn antwoord op vraag 5.
In tegenstelling tot wat de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden voorstelt, zie ik de mogelijke oplossing voor dit probleem echter niet in een herinrichting van het hele stelsel van fiscaliteit en sociale zekerheid. Maar ik wil mij wel inspannen voor een verbeterde en duidelijkere uitvoering. Ik kom daar in mijn antwoord op vraag 8 op terug.
Deelt u de mening uit dit rapport dat de regeling waarbij raadsleden die een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen hun raadsvergoeding moeten laten aanpassen «onduidelijk, complex en moeilijk uitvoerbaar» is, hetgeen eraan bijdraagt dat dat de combinatie van een uitkering met raadswerk onnodig onaantrekkelijk maakt? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om deze regelgeving beter uitvoerbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
In het rapport worden verschillende ongelijksoortige zaken aangekaart. Er wordt gewezen op de complexiteit van de van toepassing zijnde regelgeving, maar ook op de als onvoldoende gekwalificeerde uitvoering ervan in de praktijk door UWV en griffiers. Daarnaast wordt de verrekensystematiek van de sociale zekerheid als zodanig ter discussie gesteld. Er wordt aandacht gevraagd voor de angst van uitkeringsgerechtigden om in het kader van deze complexe regelgeving als fraudeur te worden aangemerkt. Verder wordt aangegeven dat de geïnterviewden de verrekening van de inkomsten als ambtsdrager met de uitkering, als ongelijke behandeling of zelfs een straf ervaren, omdat deze verrekening niet plaatsvindt bij niet-uitkeringsgerechtigden.
Zoals ik ook in het Commissiedebat op 10 september 2025 over Versterking lokaal bestuur heb gezegd, herken ik veel van de signalen en trek ik mij deze situatie aan. Tegelijkertijd is de materie complexer dan uit het rapport naar voren komt. Die complexiteit van de regelgeving is niet vreemd. Elke beperking of combinatie van beperkingen is uniek. Dat vereist maatwerk en in naar aard en achtergrond verschillende soorten uitkeringen4. Vervolgens is daar dan de samenloop van inkomsten uit het raadslidmaatschap met één of meer van die wetten. Elk van deze wetten kent zijn eigen voorwaarden en verrekensystematiek, welke ook goed verklaarbaar zijn vanuit het doel waarvoor zij zijn ingesteld. En dan volgt nog de eventuele doorwerking naar fiscale toeslagen zoals de huur- en/of zorgtoeslag.
De zorg over de impact van de politieke functie op de uitkering of toeslag is dus terecht, maar helaas niet eenvoudig, laat staan op korte termijn, weg te nemen. Met deze complexiteit hebben overigens ook uitkeringsgerechtigden te maken die geen beperking of geen politieke ambitie hebben, maar die ook nieuwe inkomsten genereren. Nieuwe inkomsten uit werk in een uitkeringssituatie, of dat werk nu in de marktsector, de overheid, de politiek of het bestuur wordt gevonden, heeft op basis van de geldende wet- en regelgeving in beginsel consequenties voor het recht op en de hoogte van de uitkering of het samenstel van uitkering(en) en toeslag(en).
Een van de wettelijke consequenties van de vergoeding voor het raadslidmaatschap is de verrekening die vanwege de nieuwe inkomsten wordt toegepast op een uitkering. Hoewel ik mij kan voorstellen dat het voor betrokkenen misschien zo aanvoelt, benadruk ik dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of van een straftoemeting, indien de inkomsten uit het raadslidmaatschap worden verrekend met de uitkering. Aan een uitkeringsgerechtigd raadslid wordt hetzelfde bedrag aan vergoeding voor de werkzaamheden betaald als aan een raadslid zonder uitkering. Daarmee worden zij dus gelijk behandeld qua beloning voor het werk en de inzet als raadslid.
De verrekening op grond van de uitkeringsregeling is een uitvloeisel van het feit dat de desbetreffende uitkering een wettelijke vangnetvoorziening is. Het systeem van de sociale zekerheid is gebaseerd op de gedachte dat iemand minder financiële ondersteuning van de samenleving nodig heeft, naarmate die meer in staat is om zelf inkomsten te verwerven. En daarin wordt een uitkeringsgerechtigd raadslid hetzelfde behandeld als een uitkeringsgerechtigde die op andere wijze inkomsten heeft.
Om de situatie van een uitkeringsgerechtigd raadslid gelijk te stellen met die van een volksvertegenwoordiger die inkomsten uit arbeid geniet of een eigen bedrijf heeft, is in dit verband geen eerlijke vergelijking. Laatstgenoemden voorzien in hun eigen inkomen en hebben geen recht op uitkering. Daardoor hebben zij niet dezelfde rechten, maar dus ook niet dezelfde plichten. Overigens gaan zij vaak vanwege het raadslidmaatschap een minder aantal dagen werken in hun hoofdfunctie, waardoor zij minder inkomsten hebben uit die functie. De raadsvergoeding is dan bedoeld om het verlies aan inkomen in de hoofdfunctie te compenseren. Dat is weliswaar een in de privésfeer genomen beslissing, maar heeft een vergelijkbaar effect als verrekening.
Deelt u de mening dat uit uw eerdere antwoord op vraag vijf van de genoemde vragen over de complexiteit van de impact van een politieke functie op het recht op een uitkering ook al aangeeft dat het hebben van een uitkering voor het raadslidmaatschap onnodig belemmerend werkt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hierboven in mijn antwoord op vraag 4 heb beschreven, zijn er door de vele variabelen en het vereiste maatwerk redenen voor die complexiteit. Op grond van de geldende wet- en regelgeving heeft het genereren van nieuwe inkomsten voor alle uitkeringsgerechtigden bepaalde gevolgen, zoals verrekening met de uitkering. Die verrekening is een hoeksteen van het systeem dat geldt voor alle uitkeringsgerechtigden.
Wat het systeem ook complex maakt, is het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Ik kan mij goed voorstellen dat mensen met een uitkering de politiek niet in durven omdat zij vrezen dat zij na hun aftreden, door hun werkzaamheden als raadslid, hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk verliezen. Zij zijn bang voor een herbeoordeling van hun arbeidsongeschiktheid. Ik proef dat daar ook een grote, zo niet de grootste, zorg ligt van de uitkeringsgerechtigden.
Die zorg is echter niet terecht. Want al decennia geldt voor alle arbeidsongeschiktheidswetten dat inkomen uit raadswerk nooit om die reden leidt tot het eindigen van het recht. Dit is bepaald in de Regeling uitzondering toepassingstermijn anticumulatie arbeidsongeschiktheidswetten (Stcrt. 2022, 34864)5. Deze regeling geldt voor alle uitkeringsgerechtigden op grond van de WAO, WAZ, WIA en de Wajong. Het is opvallend dat deze regeling zo onbekend is, terwijl deze dus juist expliciet en binnen het systeem deze zorg wegneemt.
Een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid kan niet helemaal worden uitgesloten, maar dat kan alleen als er andere signalen zijn dat er sprake is van een verbetering in de belastbaarheid van betrokkene. Dat een herbeoordeling niet helemaal kan worden uitgesloten, is op zich logisch. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de situatie dat het raadslid tijdens het raadslidmaatschap door een succesvolle medische behandeling gedeeltelijk herstelt waardoor de arbeidsongeschiktheid is afgenomen. Bij afname in beperkingen en toename in de mogelijkheden is zo’n herbeoordeling natuurlijk altijd mogelijk. Daarbij geldt dan wel dat het UWV bij een dergelijke herbeoordeling het inkomen uit raadswerk buiten beschouwing moet laten.
Gelet op het belang van de politieke participatie van personen met een arbeidsbeperking, zullen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik genoemde regeling weer nadrukkelijk onder de aandacht brengen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal het UWV hierop nogmaals attenderen en vragen de communicatie over deze regels te verbeteren en nogmaals onder de aandacht te brengen van de medewerkers in de uitvoering. En ik zal de doelgroep, de griffiers en de politieke partijen op de regeling wijzen.
Deelt u de mening dat uit het genoemde rapport weer blijkt dat ook voor raadsleden met een beperking de door u in de eerdere antwoorden genoemde website niet afdoende is om de benodigde op maat gemaakte informatie te krijgen? Zo ja, gaat u dan alsnog een vast informatiepunt instellen waar de individuele ambtsdrager of griffier (op het individu toegesneden) informatie kan verkrijgen en op welke termijn gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?2
Het is mij wat te vroeg om nu al van het eind januari 2025 gelanceerde Diversiteitsplein te concluderen dat dit platform niet voldoet. Het levert voor zowel de doelgroep als zijn ondersteuners op één plek algemene informatie over de voor deze specifieke doelgroep relevante arbeidsvoorwaarden. Bovendien geeft het de gelegenheid om met elkaar in gesprek te gaan met tips, ervaringen en vragen.
Tijdens het eerdergenoemde Commissiedebat is er door verschillende partijen op aangedrongen dat aan uitkeringsgerechtigden die het raadslidmaatschap ambiëren, vooraf op het individu toegesneden berekeningen worden verstrekt zodat zij de consequenties kunnen overzien van de beslissing om politiek actief te worden. Hoewel ik de wenselijkheid hiervan onderschrijf, moet ik helaas opmerken dat het vaak niet mogelijk is om die informatie vooraf te geven. Ook de uitvoeringsorganisatie heeft te maken met de complexiteit van het systeem. Door de variëteit in omstandigheden en uitkeringen en/of toeslagen die in het individuele geval van toepassing zijn, is de uitvoeringsorganisatie afhankelijk van gegevens die veelal pas achteraf beschikbaar komen. Dit is de keerzijde van het vereiste maatwerk.
Zoals mijn ambtsvoorganger eerder7 beschreef, is het niet mogelijk gebleken het beoogde, vaste informatiepunt tot stand te brengen waar de individuele ambtsdrager op hem of haar toegesneden informatie zou kunnen verkrijgen. Overigens zou zo’n vast informatiepunt, ook als het wel tot stand zou zijn gebracht, om genoemde redenen, nog steeds niet vooraf op het individu toegesneden berekeningen kunnen verstrekken. In een poging om de vragensteller toch een beeld te geven van de mogelijke consequenties van de inkomsten van het raadslidmaatschap op uitkering of toeslag, is gekozen voor het geven van algemene informatie op het Diversiteitsplein. Tot die informatie behoren onder andere beschrijvingen hoe per soort arbeidsongeschiktheidsuitkering en de zorg- en huurtoeslag de desbetreffende verrekeningssystematiek in zijn algemeenheid werkt.
Deelt u de mening uit het rapport dat het raadslidmaatschap geen betaalde arbeid is die invloed zou mogen hebben op het recht op uitkering? Zo ja, wat is er nodig om de regelgeving in die zin aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Het huidige stelsel van de arbeidsongeschiktheidswetgeving hanteert als uitgangspunt dat het weliswaar om mensen met een verminderde inzetbaarheid op de arbeidsmarkt gaat, maar dat zij wel hun restverdiencapaciteit moeten benutten om zelf in een inkomen te voorzien. De Nederlandse Vereniging voor Raadsleden stelt dat het raadswerk geen betaalde arbeid in traditionele zin is. Ik vind het raadslidmaatschap inderdaad geen «gewone baan» zoals die in de markt of de overheid voorkomen. Het gaat bij een raadslid om een nevenfunctie die betrokkene doet voor het algemeen belang, die uit de aard der zaak altijd tijdelijk van aard is en bovendien onzeker want afhankelijk van de kiezer. Dat doet er echter niet aan af dat de vergoedingen voor het verrichten van werkzaamheden als raadslid voor de Belastingdienst, en daarmee voor de diverse arbeidsongeschiktheidswetten en de Participatiewet, worden beschouwd als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Het is staand kabinetsbeleid dat voor uitkeringsgerechtigden die politiek actief zijn of worden, dezelfde regels gelden voor het verrekenen van de inkomsten met de uitkering, als voor uitkeringsgerechtigden die andere werkzaamheden verrichten.
Kunt u ingaan op de in het rapport genoemde voorstellen tot aanpassingen van de regeling, te weten dat voor raadsleden met een uitkering die uitkering tijdelijk wordt opgeschort met behoud van alle rechten op een uitkering na afloop van het raadslidmaatschap, of dat raadsleden in plaats van de raadsvergoeding kunnen kiezen voor een maximale vrijwilligersvergoeding?
De vergunning voor het doden van een wolf in Gelderland |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Klopt het dat uw ministerie inhoudelijk heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de vergunning voor het afschot van een wolf in Nationaal Park De Hoge Veluwe, zoals u op 6 mei jongstleden publiekelijk heeft verklaard?
Juristen van mijn ministerie hebben ondersteuning geboden bij totstandkoming van de vergunning.
Zo ja, op welke wijze en in welke fase van het besluitvormingsproces heeft deze betrokkenheid plaatsgevonden? Kunt u alle communicatie hierover met de provincie Gelderland openbaar maken (artikel 68 Grondwet)?
Vanuit de provincie Gelderland is voorafgaand aan het vormgeven van de vergunning contact opgenomen met het Ministerie van LVVN. Vervolgens heeft er mondeling overleg plaatsgevonden tussen de provincie en het ministerie over de te zetten stappen om tot een goede onderbouwing van de vergunning te komen en over de wezenlijke elementen voor die onderbouwing in het licht van het beoordelingskader voor het besluit over het wel of niet verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vervolgens is door de provincie een conceptvergunning opgesteld. Op het finale concept van deze vergunning heeft het ministerie meegekeken, wat vervolgens niet tot wijzigingen heeft geleid. Hierna is er geen inhoudelijke betrokkenheid meer geweest vanuit het ministerie.
Op basis van welk juridisch kader achtte u deze bemoeienis verenigbaar met artikel 1.2, lid 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb), waarin expliciet is bepaald dat uitsluitend de provincie bevoegd is tot het verlenen van vergunningen met betrekking tot strikt beschermde soorten?
Op dit moment geldt de Wnb niet meer, maar een soortgelijke bepaling is opgenomen in de Omgevingswet. Het ministerie heeft uitsluitend ondersteuning verleend waar het de uitleg van de vereisten van de wetgeving betreft mede in het licht van de jurisprudentie. Ambtelijke contacten om kennis te delen tussen verschillende overheden zijn heel gebruikelijk en gewenst. Er is op geen enkele wijze getreden in de eigenstandige bevoegdheid van gedeputeerde staten ten aanzien van de beoordeling en afweging die deze moeten maken naar aanleiding van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Klopt het dat bij de opstelling van de vergunning gebruik is gemaakt van definities van «probleemwolf» en «probleemsituatie» uit een landelijk wolvenplan (Kamerstuk 33 576, nr. 405) dat niet als formeel beleid en regelgeving is vastgesteld?
Bij de totstandkoming van de vergunning is gebruik gemaakt van de interventierichtlijnen uit het recent door de gezamenlijke provincies vastgestelde Wolvenplan 2025. De definities van probleemwolf en probleemsituatie uit de Landelijke Aanpak Wolven zijn in lijn met de provinciale interventierichtlijnen en definities, maar zijn bij deze vergunning uitsluitend als aanvulling gebruikt.
Klopt het dat deze definities niet juridisch zijn getoetst aan Europese regelgeving?
De definities dienen als beleidsrichting en handvatten. Juridische toetsing vindt plaats in het vergunningverleningstraject en uiteindelijk bij de rechter.
Kunt u aangeven hoe u de juridische houdbaarheid van de afgegeven vergunning inschat in de bodemprocedure en een eventueel hoger beroep?
De juridische houdbaarheid is vastgesteld in een procedure bij de voorzieningenrechter.1 De provincie heeft voldoende aannemelijk gemaakt welke wolf op Nationaal Park De Hoge Veluwe voor problemen zorgt en dat het noodzakelijk is om deze (probleem)wolf af te schieten vanwege de openbare veiligheid. Volgens de voorzieningenrechter zijn er ook geen minder verstrekkende alternatieven om toekomstige veiligheidsincidenten met deze wolf te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft de uitspraak gemotiveerd. Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de verwachte afloop van een lopende bodemprocedure of een eventueel hoger beroep in zaken waarin de provincie partij is. Het is sowieso gepast om terughoudend te zijn met uitlatingen over zaken die onder de rechter zijn.
Bent u ervan op de hoogte dat het DNA-bewijs dat als onderbouwing dient voor het afschot niet is afgenomen door een bevoegde forensisch deskundige, en dat de bemonstering noch onder toezicht van BIJ12, noch door een onafhankelijk laboratorium in Nederland is uitgevoerd? Zo ja, kunt u een uitgebreide onderbouwing geven hoe dat in overeenstemming is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het zorgvuldigheidsbeginsel)?
Van de provincie begrijp ik het volgende: de DNA-monsters van de bijtwonden zijn afgenomen door een gekwalificeerd persoon – tevens BOA – conform het monitoringsprotocol dat daarvoor geldt en onder andere aangeboden wordt in de wolvencursus van de Zoogdiervereniging. Het materiaal is opgestuurd naar het INBO in Vlaanderen, een erkend onafhankelijk laboratorium dat aangesloten is bij het Europese samenwerkingsverband CEWOLF consortium. Aanvullend is de broek van de vrouw met DNA-materiaal (perforaties) door de gekwalificeerd persoon veiliggesteld en in zijn geheel naar het INBO voor de DNA-analyse getransporteerd.
Deelt u de mening dat het bovenstaande essentieel is voor de integriteit van het proces van een vergunningverlening voor het afschot van een wolf? Zo nee, waarom niet?
Ja, daarom is hier door de provincie bewust gekozen voor een daartoe kundig en bevoegd persoon en erkend onafhankelijk laboratorium.
Kunt u gedetailleerd aangeven hoe de objectiviteit en onafhankelijkheid worden geborgd en hoe de protocollen eruitzien bij de afname en analyse van monsters die als onderbouwing worden gebruikt voor de vergunningaanvraag? Kunt u tevens uitleggen wie de objectiviteit en wettelijk correcte invulling van protocollen toetst en wie de protocollen, indien nodig, kan wijzigen?
De DNA-monsters zijn afgenomen door een gekwalificeerd persoon – tevens BOA – conform het monitoringsprotocol dat daarvoor geldt en getransporteerd naar het INBO, aldus de provincie. Het lab INBO in Vlaanderen werkt transparant conform de procedure die daarvoor vastgesteld is. Deze werkwijze is als bijlage bij de stukken bij het besluit van de provincie Gelderland toegevoegd.
Erkent u dat het DNA van de betreffende wolf pas voor het eerst in de database is opgenomen na het incident van 13 april 2025 en dat er dus geen enkel bewijs is van herhaald gedrag of eerdere betrokkenheid bij incidenten? Zo nee, welk concreet bewijs heeft u er dan wel van?
Het DNA van de nakomeling van de roedel is na het incident op 13 april 2025 voor het eerst vastgesteld. Uit de DNA-analyse blijkt het dat het om een nakomeling van de roedel van het Park De Hoge Veluwe gaat, die eerder middels DNA vastgesteld is. Op basis van uiterlijke kenmerken uit beeld- en videomateriaal blijkt dat deze wolf bij eerdere incidenten betrokken was, aldus de provincie.
Bent u van oordeel dat de in het besluit aangevoerde grond, namelijk «acute dreiging», voor een spoedeisende uitvoering van afschot rechtmatig is? Zo ja, kunt u dat toelichten en onderbouwen?
Ja. Dit wordt onderschreven door de door de provincie geraadpleegde wolvengedragsdeskundige.
Waarom is het Nationale Park De Hoge Veluwe niet direct na 13 april 2025 overgegaan tot het afsluiten van het park, als «acute dreiging» de grond is geweest voor het bespoedigen van de uitvoering (namelijk dat het besluit de tweede dag in werking gaat)?
Het volgende is hierover met mij gedeeld: afsluiten van het Park neemt het probleem niet weg, namelijk de wolf die agressief gedrag jegens mensen vertoont. Bovendien kunnen wolven in en uit het Park, waarmee afsluiting niet zinvol is.
Welke concrete en verifieerbare feiten onderbouwen dat alternatieve maatregelen, zoals bezoekersmanagement, daadwerkelijk zijn geprobeerd en onuitvoerbaar waren? Kunt u dit uitgebreid onderbouwen?
Alternatieven zoals bezoekersmanagement en verjagen zonder en met pijnprikkel zijn beschreven en afgewogen in de deskundigenbeoordeling. Hieruit bleek dat deze niet werkzaam en toepasbaar waren voor deze situatie en de kans op herhaling hier niet mee voorkomen kon worden. Daarmee was voor de provincie de laatste stap tot het doden van de wolf onontkoombaar.
Hoe duidt u de rol van de parkdirecteur van De Hoge Veluwe, die direct na het incident opriep tot afschot, het incident publiekelijk duidde zonder forensische onderbouwing, en tevens belanghebbende is als jachtrechthebbende? Acht u zijn invloed verenigbaar met het vereiste van onafhankelijke besluitvorming? Zo ja, hoe onderbouwt u dat?
Het staat eenieder vrij om zijn mening te geven over wolven en het ingrijpen bij incidenten. De besluitvorming door de provincie Gelderland heeft wat mij betreft zorgvuldig plaatsgevonden.
Acht u het toelaatbaar dat een park dat monitoring van wolven weigert, BIJ12-medewerkers de toegang ontzegt en structureel ecologische verbindingen blokkeert, toch invloed heeft op beleid ten aanzien van strikt beschermde soorten? Zo ja, waarom en hoe onderbouwt u dat precies?
Het Park heeft geen invloed op het provinciaal beleid en is als terreineigenaar derde belanghebbende in de zaak.
Kunt u bevestigen dat het ecologisch rapport dat ten grondslag ligt aan de vergunning tot afschot van een wolf (mede) is opgesteld door een wolvendeskundige die tevens in dienst is van landgoed Den Treek, waar rentmeester Nijland actief is, en dezelfde persoon die eerder het initiatief nam om vergunningen voor afschot aan te vragen zonder dat er sprake was van concrete incidenten?1
De provincie Gelderland heeft de betroffen wolvengedragsdeskundige op basis van onafhankelijke expertise en beschikbaarheid bevraagd. Ik twijfel niet aan de keuze die Gelderland hiervoor gemaakt heeft.
Hoe beoordeelt u deze verwevenheid van functies en belangen in het licht van het vereiste van een objectief en onafhankelijk besluitvormingsproces?
Zie mijn antwoord op vraag 16.
Deelt u de opvatting dat dergelijke belangenverstrengeling de integriteit van het proces ondermijnt?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 16.
Hoe borgt u dat beleidsvorming en vergunningverlening inzake beschermde fauna, zoals de wolf, objectief, transparant en juridisch toetsbaar plaatsvindt, zonder onwettige inmenging of druk van belanghebbenden? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
Het provinciaal wolvenbeleid is gezamenlijk met alle provincies vastgesteld en voor ieder transparant in te zien. De vastgestelde richtlijnen en afzonderlijk provinciaal beleid zijn hierin gevolgd. Vergunningverlening heeft binnen de wettelijke kaders plaatsgevonden en de voorzieningenrechter heeft dit getoetst en akkoord bevonden.