Het bericht 'Weigermigranten buiten corona uit: ’Dit blijft een grote frustratie’' en 'GGD’s mogen binnenkort vaccinatiebewijzen afgeven aan mensen zonder BSN-nummer' |
|
Aukje de Vries (VVD), Peter Valstar (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Weigermigranten buiten corona uit: «Dit blijft een grote frustratie»»1 en «GGD’s mogen binnenkort vaccinatiebewijzen afgeven aan mensen zonder BSN-nummer»2?
Ja.
Worden alle asielzoekers bij binnenkomst in Ter Apel getest? Zo nee, wat gebeurt er met diegenen die niet getest worden en hoe vaak komt dit voor?
Ja, iedere asielzoeker die zich aanmeldt wordt bij binnenkomst in Ter Apel getest. Personen die positief testen, worden in isolatie geplaatst. Het komt zelden voor dat een asielzoeker aangeeft niet te willen worden getest. Het niet ondergaan van een sneltest heeft geen gevolgen, omdat men daartoe niet gedwongen kan worden.
Overigens wil ik er in dit verband graag op wijzen dat het COA en andere ketenpartners meerdere voorzorgsmaatregelen (blijven) nemen om de risico’s op verspreiding van het coronavirus zoveel mogelijk te beperken. Naast bovengenoemde test worden alle asielzoekers die zich in Nederland melden door Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) bevraagd op eventuele klachten en wordt door het COA op de locaties voorlichting gegeven. Bij vermoedens van besmetting worden bewoners gevraagd zich te laten testen en worden zij, samen met hun huisgenoten, in quarantaine geplaatst tot de testuitslag bekend is. Vanaf 6 november jl. is het dragen van een mondkapje weer verplicht in de publieke ruimtes binnen, zoals de receptie, wachtkamers en gangen. Dit geldt voor bewoners, medewerkers en bezoekers. COA volgt hierin de landelijke richtlijnen.
Hoeveel procent van de in asielzoekerscentra (AZC’s) verblijvende asielzoekers zijn momenteel gevaccineerd?
Op dit moment heeft circa de helft van de bewoners op asielzoekerscentra een of meer vaccinaties gehad. Dit is echter een momentopname, aangezien door de voortdurende asielinstroom en uitstroom de vaccinatiegraad wisselt.
Daarbij wordt opgemerkt dat de vaccinatiegraad gebaseerd is op hetgeen in het medisch dossier is geregistreerd. Bewoners waarvan de vaccinaties niet bekend zijn, bijvoorbeeld omdat zij voor aankomst in Nederland gevaccineerd zijn, staan niet in het medisch dossier. Deze bewoners tellen daardoor niet mee in de vaccinatiegraad.
Op welke wijze wordt er nu geregistreerd of ongedocumenteerden gevaccineerd zijn?
Het is de eigen keuze van mensen om zich te laten registreren. Er is geen aparte registratie voor de doelgroep ongedocumenteerden. Zij staan niet apart geregistreerd bij het RIVM of de GGD.
Hoe vaak zijn er in de afgelopen 1,5 jaar brandhaarden van coronabesmetting geweest in AZC’s? Om hoeveel besmettingen ging het?
De besmettingen op de COA-locaties volgen de nationale trend en geven geen aanleiding om aan te nemen dat er op de COA-locaties meer besmettingen plaatsvinden. Op locaties komt het voor dat er meerdere bewoners besmet zijn met corona. De besmette bewoners zijn (door onderzoek van de GGD) terug te herleiden naar één ander besmet persoon. Zo’n groep besmette personen met dezelfde «oorsprong» wordt een cluster genoemd. Sinds de pandemie zijn er op meerdere locaties besmettingen en grotere clusters van besmettingen geweest. De GGD heeft tussen 1 januari 2021 en 1 december 2021 in totaal 2.476 besmettingen geregistreerd.
Klopt het dat GGD’s binnenkort aan ongedocumenteerden een coronatoegangbewijs mogen verstrekken wanneer zij volledig gevaccineerd zijn of hersteld zijn van een besmetting? Zo ja, waarom en wat zijn de mogelijke implicaties?
Ja, dat klopt. Iedereen die in Nederland is gevaccineerd, zou via de vaccinatiezetter een Coronatoegangsbewijs (CTB) en Digitaal Covid Certificaat (DCC) moeten kunnen ontvangen. Indien een ongedocumenteerde bij een GGD is gevaccineerd, is de GGD verantwoordelijk voor het aanleveren van de vaccinatiedata om een bewijs uit te kunnen geven. Doorgaans hebben ongedocumenteerden geen BSN, waardoor de vaccinatiezetter een papieren bewijs uit zal moeten draaien, welke in te laden is in de CoronaCheck app. Hierdoor kunnen ook ongedocumenteerden, mits ze aan de andere voorwaarden voor toegang voldoen, ook toegang krijgen tot evenementen en voorzieningen waar de CoronaCheck wordt gevraagd.
Zijn er voorzieningen in het asielzoekerscentrum waarbij een coronatoegangsbewijs wordt gebruikt en gecontroleerd? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dit wel in te zetten om besmetting tegen te gaan?
Nee, er zijn geen voorzieningen op de AZC’s die alleen met een coronatoegangsbewijs toegankelijk zijn. Deze voorzieningen zijn bedoeld als algemene leefruimten voor de bewoners binnen de opvang en vrij toegankelijk.
Alleen voor de binnensportvoorziening op locatie zou een coronatoegangsbewijs gevraagd moeten worden. Op dit moment is deze voorziening voor volwassenen op alle locaties van COA echter gesloten.
Hoeveel asielzoekers konden niet worden uitgezet omdat zij een coronatest weigerden?
Uit gegevens van de DT&V blijkt dat dit jaar (tot 1 december) 1.200 vluchten geannuleerd moesten worden in verband met het weigeren van een COVID-test. Ook zijn als gevolg van testweigering circa 440 Uiterste Overdracht Data (UOD’s) in Dublinzaken verlopen, waardoor overdracht aan een andere Europese lidstaat niet meer mogelijk is. Daarnaast moesten vanaf medio maart circa 310 bewaringen worden opgeheven omdat (mede) niet werd meegewerkt aan de afname van een COVID-test.
Naar welke landen zouden deze groep uitgeprocedeerde asielzoekers hoofdzakelijk worden uitgezet? Onder welke voorwaarden met betrekking tot Corona accepteren deze landen al dan niet terugkeer van hun onderdanen?
Vrijwel alle bestemmingslanden werken met inreisvereisten om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. Het meest voorkomende vereiste is een recente negatieve coronatest, maar sommige landen accepteren eveneens een vaccinatie- of herstelbewijs. Van de bij de DT&V geregistreerde 1.200 vluchten die als gevolg van testweigering geannuleerd moesten worden, is bekend naar welke bestemming vertrek voorzien was. Hoofdzakelijk zag dit op Dublinoverdrachten binnen de Europese Unie.
Is het mogelijk uitgeprocedeerde asielzoekers voor terugkeer in quarantaine te plaatsen om een gezondheidsverklaring te kunnen afgeven en hen zo toch te laten terugkeren? Zo ja, hoe vaak is dit toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u anders om ervoor te zorgen dat uitgeprocedeerde asielzoekers een coronatest niet kunnen misbruiken?
Op dit moment is quarantaine geen effectief alternatief om de terugkeer te realiseren. Het gaat er immers om of de bestemmingslanden de inreis na een periode van quarantaine accepteren als niet (ook) een coronatest wordt overlegd. Voor verreweg de meeste landen geldt dat dit momenteel niet als structureel alternatief wordt geaccepteerd. Voor deze kwestie is tijdens de begrotingsbehandeling door uw Kamer nadrukkelijk aandacht gevraagd. Uw Kamer heeft hiertoe de motie van het lid Valstar aangenomen. In die motie wordt de regering verzocht snel te verkennen of en zo ja op welke wijze uitgeprocedeerde vreemdelingen alsnog effectief uitgezet kunnen worden en hierbij ook wettelijke mogelijkheden/ grondslag onvrijwillige coronatest af te nemen te onderzoeken. Ik verwacht dat uw Kamer in januari/februari 2022 over de uitkomsten van de verkenning zal worden geïnformeerd.
Gebruik makend van de ruimte die de «Tijdelijke regeling maatregelen COVID-19» biedt is het wel (al) gelukt om met België bilaterale maatwerkafspraken te maken over de wederzijdse overdrachten van Dublinzaken, die op 20 december 2021 zijn ingegaan. Deze afspraken komen erop neer dat indien de vreemdeling weigert zich te laten testen of weigert zijn herstel- of vaccinatiebewijs te tonen, Nederland de door België over te brengen vreemdeling overneemt indien deze direct daaraan voorafgaand in België gedurende minimaal 10 dagen in quarantaine heeft gezeten, tenzij België is aangewezen als gebied met een zorgwekkende virusvariant. Wederkerig neemt België de door Nederland over te brengen vreemdeling over indien deze direct daaraan voorafgaand in Nederland gedurende 8 dagen in de zogenoemde inkomstenprocedure in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, tenzij Nederland is aangewezen als gebied met een zorgwekkende virusvariant. Verkend wordt of ook andere landen bereid zijn dergelijke afspraken als alternatief te accepteren. In het geval dat het bestemmingsland genoegen zou nemen met deze vorm en de terugkeer vanuit vreemdelingenbewaring gerealiseerd kan worden, zou terugkeer eventueel geëffectueerd kunnen worden. Zoals gezegd is dit voor de meeste landen tot op heden echter geen alternatief gebleken. Daar komt bij dat Nederland zelf geen formele quarantaineperiode voorafgaande aan de overdracht kan aanbieden. In Nederland kan aan de vreemdeling een quarantaine niet verplicht worden opgelegd direct voorafgaand aan de Dublinoverdracht.
In hoeverre is het mogelijk om een uitgeprocedeerde asielzoeker te verplichten om een coronatest af te nemen en de uitzetting niet meer te kunnen frustreren door een weigering, want we vragen van Nederlanders in een aantal gevallen ook gewoon een vaccinatie of test in relatie tot het coronatoegangsbewijs?
Op basis van de huidige wetgeving is het op dit moment niet mogelijk om verplicht een coronatest af te nemen. Zoals ook geantwoord op vraag 10 wordt ter uitvoering van motie-Valstar ook de mogelijkheid van een wettelijke grondslag om een onvrijwillige PCR-test af te nemen onderzocht.
Aan het niet meewerken aan een voor uitreis noodzakelijke coronatest kunnen overigens wel consequenties worden verbonden. Een vreemdeling kan namelijk in vreemdelingenbewaring worden gesteld, of langer in detentie worden gehouden, als hij niet de medewerking aan zijn terugkeer verleent die redelijkerwijs van hem mag worden verwacht waaronder ook een coronatest. De wettelijke maximumtermijn van de bewaring is 18 maanden, al zal uiteraard wel steeds een belangenafweging worden aangelegd over de voortduring van de maatregel. Dit is echter geen definitieve oplossing, omdat de vreemdeling kan blijven weigeren. Voor bewaringen met het oog op een Dublinoverdracht is deze mogelijkheid hoe dan ook niet effectief omdat de bewaringtermijn voor zover hier relevant, is beperkt tot maximaal zes weken. Weigeren van een coronatest leidt dan dus veel sneller tot opheffing van de maatregel van bewaring, en dwingt na langere tijd ook tot het in behandeling nemen door Nederland van de asielaanvraag.
Het bericht ‘Westlandse politiek houdt komst islamitische school opnieuw tegen’. |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Westlandse politiek houdt komst islamitische school opnieuw tegen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe kijkt u er tegen aan dat bepaalde gemeentes actief ontmoedigingsbeleid voeren om geen islamitische basisschool te laten vestigen in hun gemeente? Kunt u een toelichting geven?
Ik vind het betreurenswaardig dat in deze gevallen geen gehoor wordt gegeven aan het unieke kenmerk van ons onderwijsbestel, waarin het mogelijk is voor ouders om een school te stichten die past bij hun levensovertuiging. Deze vrijheid is een groot goed die voor alle ouders geborgd zou moeten zijn.
Wat vindt u ervan dat de vestiging van een islamitische basisschool van stichting Yunus Emre in het Westland opnieuw is uitgesteld, terwijl u vorig jaar al had geëist om de vestiging van de basisschool toe te laten?
Ik heb op 8 juli 2020 namens de gemeente Westland een indeplaatsstellingsbesluit genomen over het Plan van scholen 2021–2024. De gemeenteraad heeft dit indeplaatsstellingsbesluit op 1 juli jl. ingetrokken. Op 28 oktober hebben mijn ambtenaren in gesprek met de gemeenteraad verzocht dit intrekkingsbesluit ongedaan te maken. De gemeenteraad heeft hier geen gehoor aan gegeven. Ik heb daarom met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een voordracht tot vernietiging van het besluit van de gemeenteraad van Westland gedaan, zodat de school alsnog kan worden gesticht.
Deelt u de mening dat ouders het recht hebben om een (bijzondere) school op te richten op basis van artikel 23 van de Grondwet inzake vrijheid van onderwijs en de nieuwe Wet meer ruimte voor nieuwe scholen als er aantoonbaar voldoende interesse van ouders en leerlingen bestaat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat ouders dat recht hebben.
Bent u op de hoogte van het feit dat er voldoende handtekeningen zijn verzameld door stichting Yunus Emre om een vestiging in het Westland te openen? Zo nee, wat vindt u hiervan?
Ja. De stichting heeft met een prognoseberekening (waarvan de Raad van State heeft geoordeeld dat deze klopt) aangetoond dat de school op het Plan van scholen dient te komen.
Erkent u dat het argument van de drie Westlandse partijen (Westland Verstandig, GemeenteBelang Westland en LPF Westland) dat zij geen draagvlak zien voor de vestiging van een islamitische basisschool stoelt op een niet gestaafde, subjectieve en selectieve waarneming? Zo nee, waarom niet?
Juridisch is vastgesteld dat de school mag worden gesticht. Ik vind het dan ook kwalijk dat een meerderheid van de gemeenteraad in Westland zich niet aan de wet wil houden. Dat is ernstig want het raakt aan de grondslagen van onze rechtstaat. De Raad van State heeft in deze casus een duidelijke uitspraak gedaan en de gemeente heeft al enkele beroepszaken verloren. De school voldoet aan alle wettelijke eisen en mag dan ook worden gesticht.
Deelt u de mening dat het toegeven aan het argument «Heel veel Westlanders zijn tegen» van de drie betreffende partijen (Westland Verstandig, GemeenteBelang Westland en LPF Westland) een toegeving aan xenofobie is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat gemeenten het oprichten van een school niet mogen tegenhouden op basis van xenofobe en ongefundeerde redenen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het bij het vestigen van een bijzondere onderwijsinstelling vooral belangrijk is om te kijken naar de mensen die er wel behoefte aan hebben en die er wel gebruik van wensen te maken? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad zo dat bij het vestigen van een (bijzondere) school, het van belang is dat daar voldoende behoefte aan is. Per 1 februari 2021 is voor het primair onderwijs de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen in werking getreden. Hiermee is ook de stichtingssystematiek aangepast. Een van de voorwaarden om een nieuwe school te mogen stichten, is dat de betreffende school, door middel van ouderverklaringen, kan aantonen dat er voldoende belangstelling is voor de nieuwe school. Aan de hand van de ouderverklaringen maakt de initiatiefnemer op wettelijk voorgeschreven wijze een prognose, waaruit blijkt dat de nieuwe school op duurzame belangstelling kan rekenen.
Klopt het dat u in de richting van de Westlandse gemeenteraad heeft gezegd dat een nieuw scholenplan in de situatie van Yunus Emre geen vereiste zou zijn, en dat daarvoor het plan voor 2021–2024 kan blijven gelden? Staat u nog steeds achter deze uitspraak?
Aan de gemeente Westland is kenbaar gemaakt dat wanneer de school niet zou starten met ingang van 1 augustus 2021, het overgangsrecht van de nieuwe wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen geldt. Dat betekent dat de school van rechtswege voor bekostiging in aanmerking komt met ingang van 1 augustus 2022. Daarvoor hoeft geen nieuw plan van scholen te worden vastgesteld.
Klopt het dat u vorig jaar al dreigde met een zogeheten indeplaatsstelling waarmee de gemeenteraad opzij wordt gezet en de school toestemming krijgt om zich in het Westland te vestigen?
Op 9 juli 2020 heb ik voor de tweede keer een indeplaatsstellingsbesluit genomen waarmee ik het plan van scholen 2021–2024, met daarop deze school, heb vastgesteld.
Klopt het dat het hoogste rechtscollege vorig jaar oordeelde dat u de onwillige gemeenteraad terecht passeerde? Zo ja, kunt u uitleggen waarom de drie betrokken partijen in de gemeenteraad nog steeds het besluit kunnen blokkeren?
In 2020 heeft de Raad van State tot driemaal toe geoordeeld dat de school er moet komen. Twee indeplaatsstellingsbesluiten en drie uitspraken van de Raad van State ten spijt, blijft de gemeenteraad zich verzetten tegen de stichting van de school.
Bent u bereid om wederom een besluit tot indeplaatsstelling te nemen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Gezien het overgangsrecht van de nieuwe wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen is geen derde indeplaatsstelling nodig, maar schrijft de wet dwingend voor dat de school op 1 augustus 2022 moet kunnen starten.
Bent u bereid hier spoed achter te zetten, gezien het feit dat de vestiging al sinds 2016 wordt geblokkeerd en het proces al veel van de oprichters en betrokkenen heeft gevraagd? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit mijn handelen mag blijken heeft deze zaak voor mij zeker urgentie.
Zijn er sanctiemogelijkheden als de gemeenteraad de vestiging van de islamitische basisschool blijft blokkeren en de rechterlijke uitspraken blijft negeren? Zo ja, bent u bereid deze toe te passen?
Daar loop ik nu niet op vooruit. Het belangrijkste is dat de school voldoet aan alle wettelijke eisen en er daarom moet komen. De school moet volgend schooljaar kunnen starten. De gemeente is wettelijk verplicht mee te werken en huisvesting te regelen.
De beantwoording van de Kamervragen van de begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2022 |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw beantwoording van de schriftelijke vragen (verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden) inzake vaststelling van de begrotingbegrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 20221
Ja.
Bent u bekend met vraag 629: «Hoeveel extra ic-verpleegkundigen zijn nodig voor opschaling naar 1700 ic-bedden?»
Ja.
Bent u bekend met uw antwoord op vraag 629: «Uitgaande van een ratio van 1:3 zijn er geen extra fte ic-verpleegkundigen nodig.»
Ja.
Bent u bekend met het feit dat tijdens de eerste coronagolf het hoogste aantal ic-opnames op een dag, 1.421 coronapatienten is geweest en er toen nog geen vaccin was?
Ja.
Bent u bekend met uw tweet van 3 november jl. waarin u schrijft dat 84,1% van de achttienplussers volledig gevaccineerd is?
Ja.
Bent u bekend met het onderzoek waaruit blijkt dat 40% van de ongevaccineerden aangeeft covid te hebben gehad?2
Ja.
Kunt u cijfermatig en controleerbaar (artitel 68 Grondwet) onderbouwen waarom het nog steeds mogelijk is dat op korte termijn operaties moeten worden uitgesteld?
Grafiek 1: COVID-19 bezetting in de ziekenhuizen
Sinds begin oktober 2021 zien we in de ziekenhuizen opnieuw een voortdurende stijging van de bezetting door COVID-patiënten. Deze stijging is vergelijkbaar met de stijging van de ziekenhuisbezetting tijdens de tweede golf in oktober 2020 (grafiek 1).
De prognoses van het RIVM en het LCPS laten zien dat de stijging voorlopig aanhoudt. Op advies van het LNAZ heb ik op 26 november jl. fase 2d uit het opschalingsplan COVID-19 afgekondigd. Hiermee wordt in eerste instantie landelijk opgeschaald naar een capaciteit van 1.150 IC-bedden en vervolgens naar 1350 IC-bedden. Om opschaling van de beddencapaciteit op de IC en de bijbehorende opschaling in de kliniek mogelijk te maken moet reguliere zorg, waaronder geplande operaties, worden afgeschaald. Dat komt met name doordat zorgpersoneel op een andere plek ingezet moeten worden en er een tekort is aan zorgpersoneel door een hoog ziekteverzuim en uitstroom. In het Opschalingsplan COVID-19 van het LNAZ staat dit uitgebreider toegelicht. Opschaling naar 1.350 IC-bedden is om dezelfde reden slechts voor een korte piekperiode haalbaar.
In het «Tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de COVID-19 pandemie»5 uit oktober 2020 en de «aanvulling op het tijdelijk beleidskader voor de IC-afhankelijke kritiek planbare zorg»6 zijn afspraken gemaakt over het afschalen van planbare zorg als dat nodig is door de stijging van het aantal COVID-patiënten. Dit tijdelijk beleidskader, inclusief de aanvulling, is nog steeds van kracht.
Kunt u cijfermatig en controleerbaar (artiktel 68 Grondwet) de uitspraak van de voorzitter van de ic’s onderbouwen dat 680 corona patiënten op de ic het maximum zou zijn?
Volgens het geactualiseerde opschalingsplan van het LNAZ kunnen er dit najaar en deze winter voor een korte piekperiode maximaal 1.350 IC-bedden beschikbaar worden gemaakt.
Hierbij gaan we er vanuit dat er altijd 350 IC-bedden beschikbaar moeten zijn voor zorg die acuut nodig is en dat er ook 200 BOSS bedden aanwezig moeten zijn. De overige bedden zijn beschikbaar voor de reguliere planbare zorg, grieppatiënten en COVID-patiënten. Hoe hoger het aantal COVID-patiënten op de IC, hoe minder ruimte er zal zijn voor (het in halen van) reguliere planbare zorg. Sinds 23 november jl. wordt ook Duitsland weer ingezet voor de opvang van COVID-IC-patiënten. Daarnaast zullen militaire zorgverleners van Defensie tijdelijk ondersteunen bij de realisatie en uitvoering van extra bovenregionale beddencapaciteit voor COVID-19-patiënten in het Universitair Medisch Centrum Utrecht.
Het bericht ‘Zieke uitzendkrachten worden ontslagen, terwijl dat wettelijk niet mag’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zieke uitzendkrachten worden ontslagen, terwijl dat wettelijk niet mag» in dagblad Trouw van 3 november 2021?1
Ja.
Klopt het dat het aantal uitzendkrachten dat in de Ziektewet is gekomen vorig jaar (12.000) significant veel hoger is dan het jaar ervoor (+33%)? Zo ja, wat is volgens u de verklaring dat dit aantal zo fors is gestegen?
Het beroep op de Ziektewet door uitzendkrachten met uitzendbeding is inderdaad gestegen. In 2020 kregen 78.800 uitzendkrachten met uitzendbeding een ZW-uitkering. In 2019 waren dat er 43.000 (Kwantitatieve informatie UWV jaarverslag 2020).
Deze stijging komt vooral doordat uitzendbureaus sinds eind 2019 meer uitzendcontracten met uitzendbeding afsluiten en minder contracten zonder uitzendbeding. Voor een deel valt de stijging van het aantal uitzendkrachten met uitzendbeding in de ZW weg tegen de daling van de instroom in de ZW van uitzendkrachten met contracten zonder uitzendbeding.
Bent u het eens dat het van belang is dat er een eenduidig en gelijk speelveld behoort te zijn tussen werkgevers en uitzenders als het gaat om sociale zekerheid? En bent u het eens dat dit speelveld niet gelijk is als werkenden door uitzenders zonder toets ontslagen kunnen worden als ze ziek zijn, terwijl alle werkgevers een verbod op ontslag bij ziekte kennen?
In algemene zin heeft het kabinet de wens uitgesproken dat er een gelijker speelveld moet komen tussen werkgevers die flexibele werknemers in dienst hebben en werkgevers die werken met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. In dit licht heeft de Commissie Regulering van Werk het advies uitgebracht om het inroepen van het uitzendbeding expliciet te verbieden. Zoals in de technische uitwerking van dat advies al werd geformuleerd, is echter een belangrijk aandachtspunt dat de loondoorbetaling bij ziekte voor sommige groepen beter geregeld zou moeten worden. Ik verwijs hierbij naar antwoord 7.
Kunt u aangeven waarom het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in het geval van een uitzendbeding niet oordeelt of een ontslag onterecht is of niet, maar deze automatisch goedkeurt? En hoe kan het dat zieke uitzendkrachten die op basis van het uitzendbeding ontslagen worden «automatisch» een ziektewetuitkering krijgen; daar is toch een «niet-automatische» handeling voor nodig om hen te onderscheiden van niet-zieke-uitzendkrachten die ontslagen worden?
Staand beleid is dat het uitzendbeding bij ziekte kan worden ingeroepen. De wet geeft aan dat de arbeidsovereenkomst in beginsel niet mag worden opgezegd bij ziekte. In de jurisprudentie en in de literatuur bestaat verdeeldheid over de vraag of dit verbod ook onverkort geldt voor uitzendkrachten met een uitzendovereenkomst waarin een zgn. uitzendbeding is opgenomen. In een dergelijk beding is doorgaans bepaald dat een uitzendovereenkomst gedurende een bepaalde periode van rechtswege kan eindigen, wanneer de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht op verzoek van de inlener eindigt, om welke reden dan ook. De jurisprudentie lijkt er in hoofdzaak op te wijzen dat beëindiging van een uitzendovereenkomst bij ziekte van de uitzendkracht niet legitiem (meer) is, maar in een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 8 januari 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:206) oordeelde de rechter dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigde doordat de inlener de opdracht had beëindigd vanwege ziekte van de uitzendkracht. De meest recente uitspraak op dit terrein is die van het Gerechtshof Den Haag, dat op 20 juli 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:1511) einduitspraak heeft gedaan (na tussenbeschikkingen in deze zaak van 4 december 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3329), 17 maart 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:460) en 29 september 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1848)) waarin is geoordeeld dat het in de toepasselijke cao neergelegde uitzendbeding in strijd komt met het wettelijke opzegverbod bij ziekte. Voor zover mij bekend is tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Ik acht het van belang niet op de uitkomst van deze rechtszaak vooruit te lopen.
Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) past de uitvoeringspraktijk vooralsnog niet aan naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, mede omdat er gewacht wordt op de uitspraak van de Hoge Raad. Dat betekent dat het UWV geen Ziektewetuitkering zal weigeren om deze reden als een uitzendkracht zich bij het UWV meldt. UWV controleert daarbij of de betreffende werknemer op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam was, en of hier een uitzendbeding in opgenomen was. Voorts wordt via triage gekeken of de uitzendkracht direct aanspraak heeft op een Ziektewetuitkering, of dat er nog extra controle nodig is, zoals bijvoorbeeld het voorleggen aan een arts of er werkelijk sprake is van ziekte.
Bent u het eens dat het uitzendbeding een belangrijke rol heeft voor onze wendbare arbeidsmarkt, maar dat het niet bedoeld is om ontslag bij ziekte mogelijk te maken? Zou u dat «misbruik» van het uitzendbeding noemen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is het beleid dat het uitzendbeding bij ziekte kan worden ingeroepen, mede omdat er gewacht wordt op de uitspraak van de Hoge Raad, zoals benoemd in antwoord 4.
Ten aanzien van het belang van het uitzendregime wil ik opmerken dat het voor werkgevers noodzakelijk blijft om zich aan te kunnen passen aan veranderende omstandigheden om voldoende wendbaar te zijn. Flexibiliteit op de arbeidsmarkt is en blijft noodzakelijk. Zoals de Commissie Regulering van Werk al opmerkte, past gezien de allocatiefunctie van uitzendwerk een verlicht arbeidsrechtelijk regime. De Commissie merkte hierbij op dat deze sterker gereguleerd kan worden dan thans het geval is, zodat er meer evenwicht ontstaat in de flexibiliteit voor werkgevers en de termijn van onzekerheid met direct verlies van inkomen voor werknemers. Onder andere adviseerde de Commissie Regulering van Werk om het inroepen van het uitzendbeding bij ziekte te verbieden. Ook de SER adviseerde in zijn middellange termijnadvies een verdere inperking van de termijn waarbinnen een verlicht arbeidsrechtelijk regime geldt. Gezien de demissionaire status van het kabinet kan hier nu geen nieuw beleid op ingezet worden. Daarnaast wacht ik eerst de uitspraak van de Hoge Raad af.
Kunt u aangeven in hoeveel uitzendcontracten het uitzendbeding is opgenomen? Geldt voor al deze uitzendbedingen het risico van misbruik t.b.v. ontslag bij ziekte?
Volgens de polisadministratie van UWV waren er op 31 juli 2021 530.900 inkomensverhoudingen lopende als «uitzendkracht». Het betreft uitsluitend uitzendkrachten die in die maand ook SV-loon ontvingen. Bij 243.100 van deze inkomensverhoudingen was sprake van een uitzendbeding. Daarnaast waren er 73.200 inkomensverhoudingen zonder uitzendbeding in de eerste fase (A/1/2). Juli 2020 waren er 192.100 uitzendkrachten met een uitzendbeding werkzaam en juli 2019 78.400. Voor wat betreft mogelijke gevolgen van het uitzendbeding bij ziekte verwijs ik naar de beantwoording van vraag 4.
Is het, om misbruik van het uitzendbeding te voorkomen, nodig om de wettelijke context van het uitzendbeding aan te passen? Ligt een oplossing meer in toezicht en handhaving op de toepassing ervan, of elders?
Ik acht het verstandig om eerst het oordeel van de Hoge Raad af te wachten, voordat er nieuwe stappen gezet worden. Zoals in antwoord 5 wordt aangegeven, heeft de Commissie Regulering van Werk de aanbeveling gedaan om het inroepen van het uitzendbeding bij ziekte te verbieden. Zoals eerder in de technische beleidsvarianten in de Kabinetsreactie op het WRR-rapport en het rapport-Borstlap is aangegeven, is het dan wel van belang om voor oproepovereenkomsten – waarop veel uitzendkrachten werken – beter de loondoorbetaling bij ziekte te regelen. Zo dient voorkomen te worden dat er een situatie ontstaat waarbij de arbeidsovereenkomst met de uitzendkracht weliswaar niet eindigt bij ziekte, maar de inkomenssituatie bij ziekte de facto niet verbetert, maar verslechtert. Tevens is hierbij relevant dat voorkomen moet worden dat er andere flexibele manieren worden benut om doorbetaling bij ziekte te ontlopen.
Bent u bereid om – zo nodig samen met werkgevers en de uitzendbranche – met een voorstel te komen voor een oplossing die het «misbruik» van het uitzendbeding tegengaat? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer een dergelijk voorstel tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in vraag 4 en 5, lijkt het mij verstandig om af te wachten wat de uitspraak van de Hoge Raad op dit punt is. Daarnaast zal relevant zijn welke stappen een volgend Kabinet op de arbeidsmarkt wil zetten. Relevant is daarnaast dat, zoals in antwoord 7 aangegeven is, het eveneens mogelijk is dat de positie van sommige uitzendkrachten juist niet wordt versterkt wanneer beëindiging van een uitzendovereenkomst bij ziekte van de uitzendkracht niet is toegestaan. Het is dan belangrijk dat de loondoorbetaling bij ziekte voor deze groepen beter geregeld wordt.
Het besluit om coronatoegangsbewijzen verplicht te stellen voor ouders die hun kind naar zwemles komen brengen |
|
Maarten Hijink (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om het coronatoegangsbewijs (CTB) ook van toepassing te laten zijn voor ouders die hun kind naar zwemles komen brengen?
Vanwege de epidemiologische situatie en de toenemende druk op de zorg heeft het kabinet 2 november jl. op basis van het 128e OMT-advies besloten een aantal maatregelen te verscherpen. Het OMT heeft onder andere een bredere toepassing van het coronatoegangsbewijs (CTB) geadviseerd, aangezien dit een gerichte maatregel is die effect kan hebben op de transmissie. De bredere inzet van het CTB zorgt ervoor dat activiteiten door kunnen gaan op een veiligere manier, in plaats van weer beperkt of gestopt te moeten worden. Daarom heeft het kabinet in lijn met het OMT-advies ervoor gekozen ook het CTB in de binnenruimte te verplichten voor ouders die hun kind naar zwemles komen brengen.
Hoeveel ouders zullen zich naar verwachting moeten laten testen om hun kind naar zwemles te mogen brengen?
Jaarlijks halen ongeveer 300.000 kinderen hun zwemdiploma. Uitgaande van een begeleidende ouder per kind dat les volgt zal een vergelijkbaar aantal ouders hun kind van en naar de zwemles willen begeleiden. Bij een vaccinatiegraad van 84,1 (cijfer op 31-10-2021) gaat het om circa 47.700 ouders die moeten testen voor zij hun kind naar zwemles brengen. Maar deze ouders hebben ook andere, praktischer alternatieven.
Bent u het ermee eens dat zwemlessen een essentiële activiteit zijn?
Goed leren en kunnen zwemmen is van groot belang voor Nederlanders. Zowel vanwege de redzaamheid in de grote variëteit van water dat ons land rijk is, maar ook omdat zwemmen tot op late leeftijd een zeer belangrijke beweegactiviteit is.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als kinderen zwemlessen missen en hierdoor minder goed leren zwemmen, doordat ouders de toegang wordt geweigerd tot zwembaden?
Als kinderen zwemlessen missen omdat hun ouders geweigerd worden is dit uiteraard onwenselijk. Ik wil echter wel benadrukken dat ouders niet geweigerd worden maar dat ze gevraagd worden een geldige QR-code te tonen. Deze code kan middels volledige vaccinatie, genezing of testen verkregen worden.
Herinnert u zich dat u op 8 maart jl. juist een kleine aanpassing van de coronamaatregelen hebt doorgevoerd om ervoor te zorgen dat de zwemlessen doorgang konden vinden? Hoe verklaart u het dat u er deze keer juist voor kiest om de coronamaatregelen rondom zwemlessen te verzwaren, terwijl u destijds deze expliciet uitzonderde?
De situatie van 8 maart is anders dan de huidige. Toen waren zwembaden gesloten voor alle activiteiten en is voor zwemles een uitzondering gemaakt. In de huidige situatie kunnen kinderen gewoon zwemles volgen en kunnen hun ouders ook mee naar binnen mits ze een geldige QR-code kunnen tonen net zoals dat voor andere sporten geldt.
Bent u bereid om een uitzondering te maken op de verplichting van het CTB voor ouders die hun kinderen komen halen of brengen naar zwemles en bijvoorbeeld in plaats daarvan het dragen van mondkapjes te verlangen of 1,5 meter afstand te bewaren?
Nee. Ik kies ervoor om hier geen uitzondering voor te maken. Mijn inziens is op dit moment het risico op transmissie te groot. Het OMT adviseert om het risico op transmissie te reduceren het door het CTB breder in te zetten en daar houd ik aan vast.
Bent u bereid deze vragen met de grootst mogelijke spoed te beantwoorden?
Ja.
De recorduitgaven aan de landsadvocaat |
|
Sandra Beckerman (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er afgelopen jaar een record hoeveelheid geld uit is gegeven aan de landsadvocaat?1
De kosten zijn in 2020 ten opzichte van 2019 gestegen met 2,5 miljoen euro. Zie ook de tabel bij het antwoord op vraag 2. De kosten voor de meeste ministeries zijn gemiddeld genomen gedaald met uitzondering van de kosten van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Economische Zaken en Klimaat. De kosten van deze ministeries gezamenlijk zijn met in totaal 3,3 miljoen euro gestegen. Kosten voor de inzet van de Landsadvocaat zijn vaak incident gedreven. Zo zijn in 2020 meerdere gerechtelijke procedures gevoerd over de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 en de gaswinning Groningen, hetgeen mede kan verklaren waarom de kosten voor juist de drie genoemde ministeries in 2020 hoger zijn uitgevallen. Ook worden dossiers omvangrijker en complexer, waardoor er meer werk moet worden verricht om de belangen van de staat te verdedigen.
Kunt u de uitgaven aan de landsadvocaat specificeren en uitsplitsen?
In de onderstaande tabel zijn de kosten over de jaren 2019 en 2020 uitgesplitst per jaar en per ministerie. De bedragen zijn afgerond op miljoenen euro’s.
Algemene Zaken
0,1
0,01
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
3,0
2,9
Buitenlandse Zaken
0,2
0,4
Defensie
4,2
4,0
Economische Zaken en Klimaat
5,6
6,8
Financiën
2,7
2,4
Infrastructuur en Waterstaat
4,4
3,7
Justitie en Veiligheid
7,0
8,2
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
0,5
0,9
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
0,7
0,6
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
0,2
0,3
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
1,8
2,7
Het Ministerie van Algemene Zaken heeft de landsadvocaat wel ingehuurd in 2020, echter komt het bedrag in de afronding uit op 0,0.
Welke uurtarieven betaalt de overheid eigenlijk aan de landsadvocaat?
Rijksbreed worden standaarduurtarieven gehanteerd. In 2021 was het laagste tarief voor advocaat-stagiairs (tarief II) € 174 en het hoogste uurtarief € 405 (partners). Conform het landscontract worden deze tarieven verhoogd met 4,9% kantoorkosten en BTW.
Hoe kan het dat de overheid afgelopen jaar zoveel geld aan de landsadvocaat heeft uitgegeven en dat dit al jaren stijgt?
Er wordt kritisch gekeken naar de kosten die gemoeid zijn met het inhuren van de landsadvocaat en andere advocaten of juridische dienstverleners. Als uitgangspunt geldt dat de Staat en zijn bestuursorganen ervoor zorgdragen dat voldoende juridische deskundigheid aanwezig is binnen de rijksoverheid, zodat gepaste terughoudendheid kan worden betracht bij het inschakelen van de landsadvocaat en andere externe juridische bijstandsverleners in zaken waarin bijstand niet in de wet is voorgeschreven. Het merendeel van de juridische aangelegenheden wordt binnen de ministeries zelf afgehandeld. Niettemin zijn de kosten voor de inhuur van de Landsadvocaat gestegen. Zie hierover het antwoord op vraag 1.
Hoe verhouden deze sterk stijgende uitgaven zich tegenover de ambitie van de regering om de kosten van rechtsbijstand terug te brengen en juridisering tegen te gaan?
Zoals geantwoord op vraag 1 wordt kritisch gekeken naar de kosten die gemoeid zijn met de inhuur van de landsadvocaat. Die kosten zijn echter niet altijd te voorkomen, met name niet bij civiele procedures waarin vertegenwoordiging door een advocaat wettelijk verplicht is en de overheid als gedaagde partij optreedt. Zoals aangegeven in de contourenbrief rechtsbijstand, is in bestuursrechtelijke procedures het voorkomen van onnodige juridisering een belangrijke inhoudelijke prioriteit.
Overigens zijn de inzet van de landsadvocaat enerzijds en het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand anderzijds twee naar hun aard verschillende zaken. Het stelsel van rechtsbijstand voorziet in een subsidie voor burgers die minder draagkrachtig zijn. Daarvoor geldt een bepaald tarief. Gelet op artikel 42a van de Wet op de rechtsbijstand en artikel 5 van het Subsidiebesluit Raad voor Rechtsbijstand worden op basis van de begroting van de Raad voor Rechtsbijstand jaarlijks voorschotten verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met de ontwikkelingen in het volume van de toevoegingen en piketregelingen. Advocaten zijn vrij in hun keuze om voor dit tarief al dan niet hun diensten aan te bieden. De rechtsbijstand die de Staat afneemt van de landsadvocaat is geen subsidie. Het is een dienst die moet worden ingekocht. Daarom wordt de landsadvocaat tegen een marktconform tarief vergoed.
Kunt u in het bijzonder de hoge kosten voor juridische bijstand inzake de gaswinning in Groningen verklaren?
De maatschappelijke, juridische en financiële aspecten van de aardbevingsproblematiek in Groningen zijn complex. De kennis en de expertise van de landsadvocaat wordt daarom ingezet door zowel het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna EZK) als door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).
Het Ministerie van EZK vraagt de landsadvocaat voornamelijk voor advisering en procesvoering zoals het neerleggen van de kosten voor schade en versterken bij NAM en bij het verdedigen van het winningsbesluit voor de afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Het kabinet heeft eerder aangegeven dat het er streng op zal toezien dat alle kosten die bij NAM in rekening kunnen worden gebracht, ook in rekening zullen worden gebracht (Kamerstuk 33 529, nr. 866 over het op afstand plaatsen van NAM en Kamerstuk 33 529, nr. 908 over gedeeltelijke betaling NAM). De mogelijkheid dat de discussies met NAM uitmonden in juridische procedures is reëel. In lijn met de motie Beckerman c.s. zet het kabinet alle juridische middelen in om de kosten waar NAM verantwoordelijk is op NAM te verhalen (Kamerstuk 33 529 nr. 854). Het kabinet bereidt zich daar met de landsadvocaat op voor.
De inzet van het kantoor van de landsadvocaat bij het IMG en NCG is voor het grootste gedeelte gericht op inhoudelijke advisering bij het ontwerpen, het uitvoeren en het optimaliseren van de werkwijze voor de schadeafhandeling en de uitvoering van de versterking. Bij de NCG is de landsadvocaat tot nu toe niet ingezet bij procedures.
Tijdens het Wetgevingsoverleg van 29 november jl. heeft de Minister van EZK uw Kamer toegezegd bij het IMG na te gaan in hoeverre een meer gedetailleerde uitsplitsing van de kosten voor de landsadvocaat mogelijk is. Deze treft u hierna aan. Bij het IMG gaat het om het op een goede en zo voortvarend mogelijke wijze afhandelen van de meer dan 100.000 aanvragen. De in de Tijdelijke wet Groningen neergelegde combinatie van een bestuursrechtelijke procedure, waarin op basis van het privaatrecht de aansprakelijkheid en de omvang van de schade moet worden beoordeeld, is uniek en kent geen precedenten. Het IMG diende en dient aan een en ander zorgvuldig uitwerking te geven. Dit is een omvangrijke werkzaamheid waarbij veel specialistische juridische kennis is vereist. Daarnaast zet het IMG het kantoor van de landsadvocaat voor een veel kleiner deel in voor juridische bijstand bij beroeps- en hoger beroepsprocedures. Dit zijn procedures die bewoners kunnen starten als zij het niet eens zijn met het besluit tot schadevergoeding van het IMG of de uitspraak die de rechtbank daarover heeft gedaan. De met deze bijstand gemoeide kosten worden niet afzonderlijk geadministreerd bij het IMG, maar de inschatting van het IMG is dat hiermee in de periode van medio 2018 tot en met 2020 circa 5% van de totale kosten was gemoeid.
Waarom trekt de regering wel zoveel geld uit voor de eigen juridische bijstand voor de gaswinning in Groningen, maar weigert u gedupeerden de kosten voor juridische bijstand te vergoeden?
In het wetsvoorstel Versterking Groningen, dat momenteel bij de Eerste Kamer ligt, is een artikel opgenomen betreffende juridische, bouwkundige en financiële bijstand voor eigenaren in álle fasen van het schade- en versterkingstraject. Dit artikel is bij amendement in het wetsvoorstel opgenomen (Kamerstuk 35 603, nr. 38). Bij brief van 29 juni jl. (Kamerstuk 35 603, nr. 81) is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en door de Minister van EZK aangekondigd dat een novelle in procedure wordt gebracht om onder meer dit onderdeel te wijzigen zodat het uitvoerbaar wordt. Uw Kamer ontvangt deze novelle, waarmee bewoners die te maken hebben met schade of versterking kosteloos gebruik kunnen maken van bouwkundige, financiële en juridische bijstand, binnenkort.
Hoe verhouden deze uitgaven zich tot de eerdere toezegging dat er een einde zou komen aan de juridisering van de problemen in het gaswinningsgebied?
In de contourenbrief rechtsbijstand is aangegeven dat het terugdringen van onnodige juridisering, op het terrein van bestuursrecht, begint bij de overheid die zelf het goede voorbeeld moet geven. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, wordt de landsadvocaat door EZK onder andere ingezet voor procesvoering betreffende het neerleggen van de kosten voor schade en versterken bij NAM. Bij het IMG wordt de landsadvocaat vooral ingezet voor inhoudelijke ondersteuning bij de (door)ontwikkeling van de werkwijze voor de afhandeling van schade om Groningers te ontzorgen. Gezien de complexiteit en grootschaligheid van de schadeafhandeling is het verstandig dat het IMG en NCG vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid zich bij de ontwikkeling van zijn organisatie en werkwijzen laat bijstaan door externe adviseurs.
Bent u alsnog bereid om ook extra geld uit te trekken voor juridische bijstand aan de gedupeerden van de gaswinning? Zo ja, hoe gaat u dat regelen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Welke stappen gaat u zetten om het beroep op de landsadvocaat nu echt terug te brengen?
Hoewel het uitgangspunt is om spaarzaam om te gaan met overheidsgelden, is het terugbrengen van het beroep op de landsadvocaat geen doelstelling op zichzelf. Het is in het belang van Nederland dat de Staat in procedures effectief verweer kan voeren. Daarvoor is de inzet van een advocaat vaak vereist. In procedures waarin bijstand niet in de wet is voorgeschreven, geldt als uitgangspunt dat de Staat en zijn bestuursorganen ervoor zorg dragen dat voldoende juridische deskundigheid aanwezig is binnen de rijksoverheid, zodat gepaste terughoudendheid kan worden betracht bij het inschakelen van de landsadvocaat en andere externe juridische bijstandsverleners. Ook wordt binnen de juridische functie van het Rijk samengewerkt en over en weer een beroep op elkaar gedaan bij sommige gecompliceerde adviesvragen om een onnodig beroep op de landsadvocaat te voorkomen. Tot slot heeft een aantal ministeries en uitvoeringsorganisaties eigen advocaten in dienst, zodat voor de verplichte procesvertegenwoordiging in veel voorkomende civiele zaken niet langer in alle gevallen van externe juridische dienstverlening gebruik gemaakt hoeft te worden.
Het bericht dat de Britse toezichthouder een coronapil heeft goedgekeurd. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Britse geneesmiddelen toezichthouder Medicines and Healthcare products Regulatory Agency (MHRA) als eerste het coronamedicijn Molnupiravir heeft goedgekeurd?
Ja, de MHRA heeft een voorwaardelijke handelsvergunning afgegeven voor het Verenigd Koninkrijk.
Wanneer komt het oordeel over toelating door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) over Molnupiravir?
Dit is nog onbekend. Het EMA is op 25 oktober gestart met een doorlopende beoordeling (rolling review). Bij een rolling review dient een farmaceutisch bedrijf al tijdens de klinische onderzoeksfase resultaten in bij het EMA en start het EMA nog lopende dit onderzoek de beoordeling. Hierdoor kan de formele procedure voor markttoelating, die volgt zodra het klinisch onderzoek is voltooid, versneld worden afgerond. De vereisten voor de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid van een geneesmiddel blijven hierbij gelijk ten opzichte van een «gewone» procedure voor markttoelating.
Klopt het dat de Britten inmiddels bijna 0,5 miljoen pakketten Molnupiravir hebben besteld en de Amerikanen 1,7 miljoen paketten?
Ik heb deze aantallen ook in de media gezien, maar ik heb geen inzicht in de overeenkomsten met andere landen en kan deze aantallen dan ook niet bevestigen.
Klopt het dat de EU afgelopen woensdag een onbekend aantal pakketten Molnupiravir hebben besteld?
Zoals ik heb aangegeven in de Stand van zakenbrief COVID-19 van
2 november jl1, heeft Nederland zich ingeschreven voor de twee gezamenlijke inkooptrajecten voor antivirale middelen waarover de Europese Commissie nu in onderhandeling is. Via deze trajecten heb ik een reservering geplaats om het middel molnupiravir van fabrikant MSD en het antivirale middel genaamd paxlovid dat Pfizer momenteel ontwikkelt, voor Nederland veilig te stellen.
Wat betekent dit voor Nederland? Hoeveel pakketten Molnupiravir krijgen wij? Per wanneer?
De afspraken die hierover gemaakt zijn, zijn vertrouwelijk.
Waarom koopt Nederland niet zelf rechtstreeks bij de farmaceut pakketten Molnupiravir?
Het Ministerie van VWS neemt waar mogelijk deel aan de gezamenlijke inkoopprocedures van de Europese Commissie omdat deze gezamenlijke inkoopprocedures een sterkere onderhandelingspositie borgen en een eerlijke verdeling tussen de lidstaten van de (vaak schaarse) middelen garanderen.
Het gedrag van de voorzitter van de Europese Commissie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Klimaatbeschermer» Von der Leyen pakt privéjet voor vlucht van 50 kilometer»1?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat klimaatfanaten, die burgers en ondernemers opzadelen met peperduur beleid, zelf voor ieder wissewasje een privéjet pakken?
Tijdens een persbriefing van de Europese Commissie van 4 november 2021 heeft de woordvoerder van de voorzitter van de Europese Commissie gereageerd op de overwegingen om voor deze specifieke vlucht te kiezen, waarnaar ik u verwijs. De woordvoerder gaf onder andere aan dat er in het kader van het goedkeuren van de Europese herstelplannen, veel lidstaten in korte tijd bezocht moesten worden. Dat gegeven heeft veel invloed gehad op het reisschema. Deze vlucht was onderdeel van een trip waarin 5 lidstaten in 2 dagen werden bezocht. Tevens gaf de woordvoerder aan dat de Commissie niet lichtzinnig omgaat met het nemen van chartervluchten2.
Verder geldt dat Commissarissen gebruik kunnen maken van een chartervlucht, als er geen commercieel alternatief voorhanden is dat in de agenda past of vanwege veiligheidsredenen. Overigens zijn alle overzichten van de dienstreizen van de Europese Commissie te vinden op de pagina van de betreffende Commissaris onder het kopje transparantie via de website van de Europese Commissie.3
Gelooft u in het credo «practice what you preach»? Zo ja, heeft u de bereidheid om Ursula von der Leyen als voorzitter van de Europese Commissie aan te spreken op haar handelen? Kunt u dit toelichten?
Eurocommissarissen leggen verantwoording af in het kader van de daarvoor opgestelde gedragscodes.4 Het is niet aan het kabinet om een oordeel te vellen over de specifieke afwegingen in deze casus.
Voor Nederlandse bewindspersonen geldt overigens dat er altijd een afweging gemaakt wordt waarbij de kosten, efficiënte en het belang van de reis mee worden gewogen.
Deelt u de mening dat Von der Leyen na al haar klimaatgedram op het Europese vasteland alleen nog per trein moet reizen en al die «vervuilende» privéjets aan de grond moet laten staan? Zo ja, wilt u die boodschap namens het Nederlandse kabinet aan mevrouw Van der Leyen overbrengen?
Zie antwoord vraag 3.
Het komende staatsbezoek van de Koning aan Noorwegen |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u en is de Koning bekend met het feit dat Noorwegen dit jaar 575 walvissen heeft gedood, meer dan alle andere walvisjagende landen?1
Ja, dit aantal is bekend en ook dat dit hoger is dan de aantallen die door de andere commercieel jagende landen (Japan en IJsland) zijn gevangen.
Bent u en is de Koning bekend met de conclusie van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat levende walvissen bijdragen aan het tegengaan van de klimaatcrisis, vanwege de opslag van CO2 in hun lichaam?2
Ja.
Bent u en is de Koning bekend met de verwachting van het IMF dat als de walvispopulatie zich herstelt tot het niveau van vóór de industriële jacht op walvissen, deze dieren jaarlijks 1,7 miljard ton CO2 kunnen opvangen en vastleggen, en daarmee een significante bijdrage leveren aan het tegengaan van de klimaatcrisis?3
Ja.
Zal de Koning tijdens de gesprekken, die volgens de website van het Koninklijk Huis onder meer zullen gaan over de klimaatcrisis en het duurzaam beheer van zeeën, ook de schadelijke gevolgen van de walvisjacht met betrekking tot de klimaatcrisis benoemen?4 5
Dit specifieke punt is niet besproken, maar zal worden meegenomen in de inzet die Nederland pleegt binnen de International Whaling Commission (IWC).
Zal de Koning tijdens het komende staatsbezoek Noorwegen aanspreken op de walvisvangst en zal hij Noorwegen verzoeken om de walvisjacht te staken? Zo nee, waarom niet?
Dit onderwerp is niet aangekaart door de Koning tijdens het staatsbezoek, maar wel door andere leden van de delegatie. Hierbij is het Nederlandse standpunt besproken dat, in lijn met het EU-standpunt, bescherming van alle walvisachtigen nastreeft en een ban op de commerciële walvisjacht bepleit. Overigens heeft ook de Minister-President dit overgebracht tijdens een telefoongesprek met de Noorse Minister-President op 9 november jongstleden.
Het bericht 'Vrede in Bosnië onder druk: leider Serviërs morrelt aan voortbestaan staat' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrede in Bosnië onder druk: leider Serviërs morrelt aan voortbestaan staat»1?
Ja.
Deelt u de mening dat de provocaties van het Servisch lid van het roterende presidentschap van Bosnië-Herzegovina, Milorad Dodik, en zijn partij SNSD, het Dayton verdrag, de Europese toekomst van het land en vrede in de gehele regio ernstig ondermijnen?2
Het kabinet deelt dit standpunt, maar heeft tot nu toe geen aanwijzingen dat de Bosnisch-Servische leiders, of andere partijen in het land, aansturen op een gewapend conflict. Desalniettemin dragen de uitspraken en acties van de heer Dodik bij aan toenemende spanningen, ondermijnen ze de politieke eenheid van Bosnië-Herzegovina en verhogen ze de risico’s op incidenten. Het kabinet hecht, zeker in deze tijd, aan de positie van de Hoge Vertegenwoordiger in Bosnië-Herzegovina en de EUFOR missie die toezien op de stabiliteit in het land.
Bent u van mening dat de Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina (OHR) de inzet van zijn zogeheten «Bonn Powers» moet overwegen om deze schendingen van het Dayton verdrag een halt toe te roepen mochten deze continueren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op wat voor manier stelt Nederland dit ter discussie binnen de Peace Implementation Council?
De inzet van de Bonn-powers is een eigenstandige bevoegdheid van de Hoge Vertegenwoordiger. Het is aan hem om te bepalen of en hoe hij deze bevoegdheden inzet. De Peace Implementation Council (PIC) steering board heeft de Bosnisch-Servische blokkade van staatsinstellingen scherp veroordeeld en steun aan de Hoge Vertegenwoordiger Schmidt herbevestigd. Het kabinet steunt deze verklaringen. Rusland heeft zich aan de verklaring van de PIC steering board onttrokken. Dat is een gemiste kans.
Bent u van mening dat er, in navolging van de VS, (financiële) sancties door de EU zouden moeten worden ingesteld tegen de verantwoordelijken voor deze ernstige ondermijning van het Dayton verdrag en bedreiging voor de vrede in Bosnië-Herzegovina en de Westelijke Balkanregio? Zo nee, waarom niet en wat voor optie(s) beschouwt u als alternatieve effectieve oplossing van de huidige escalaties? Zo ja, wat doet u eraan om dit bij uw collega-ministers in Brussel aan te kaarten?
Het kabinet is in gesprek met EU-partners over de-escalatie van de situatie. Op de Raad Buitenlandse Zaken van 15 november 2021 riep België namens de Benelux op tot een duidelijke stellingname van de EU tegen revisionistische en polariserende retoriek en dreigende aantasting van de eenheid en territoriale integriteit van het land. Daarnaast blijft het kabinet zich zowel bilateraal als multilateraal uitspreken tegen maatregelen die diepere etnisering van Bosnië en Herzegovina als gevolg hebben. Het kabinet is er voorstander van dat we gezamenlijk optreden met de VS in Bosnië-Herzegovina, gezien historische betrokkenheid bij de regio. De EU en de VS dienen zeer zorgvuldig te bezien welke instrumenten het beste kunnen worden ingezet om de situatie te de-escaleren. Hierin dienen ook overwegingen rondom precedentwerking meegenomen te worden.
Deelt u de mening dat het belonen van deze provocaties een gevaarlijk precedent zou scheppen voor toekomstige escalaties en de huidige situatie dus in geen enkel geval mag leiden tot het sluiten van een deal waarbij er door de EU en VS concessies worden gedaan aan Milorad Dodik?
De EU dringt erop aan dat een grondwetsherziening ter uitvoering van het arrest Sejdić-Finci in elk geval deel uitmaakt van de herziening van het kiesstelsel, naast een kieswetsherziening. Het kabinet steunt deze lijn en blijft zich zowel bilateraal als multilateraal uitspreken tegen maatregelen die diepere etnisering van Bosnië en Herzegovina als gevolg hebben. Op de Raad Buitenlandse Zaken van 15 november 2021 waarschuwde België namens de Benelux voor stappen die het politieke bestel van het land langs diepere etnische lijnen verdelen en die onvoldoende rekening houden met de relevante uitspraken van het EHRM.
Heeft u kennis genomen van een gelekte notitie van VS-onderhandelaar Matthew Palmer waaruit blijkt dat een groot deel van zijn inzet tijdens zijn huidige bezoek aan Bosnië-Herzegovina is om aanpassingen aan de kieswet door te voeren, die mogelijk tot verdere segregatie en de creatie van een de facto derde entiteit zouden leiden en daarmee in zou gaan tegen eerder vastgestelde EU-principes en prioriteiten voor het land?3 Bent u het ermee eens dat deze veranderingen onder geen geding losgekoppeld kunnen worden van grondwetswijzigingen die de gerelateerde arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), en met name de zaak Sejdic-Finci, implementeren in het Bosnische kiessysteem om kiezersdiscriminatie te elimineren? Zo ja, hoe gaat u zich hiervoor inzetten?
Ik heb kennis genomen van het nieuwsartikel over Eurocommissaris Varhelyi in Politico. Het kabinet streeft naar een uitbreidingsproces gebaseerd op merites, waarbij voortgang afhankelijk is van de implementatie van de hervormingen.
Dit is ook de inzet van het gehele college van de Europese Commissie, inclusief de Commissaris voor uitbreiding en nabuurschap Várhelyi. Objectieve monitoring en rapportage spelen vanzelfsprekend een belangrijke rol bij deze inzet en Nederland draagt het belang hiervan ook consistent in EU-verband uit. Conform de motie van de leden Kamminga en Amhaouch4, speelt Nederland daarnaast zelf een actieve rol in de monitoring van voortgang in de landen, met ambassades in vijf van de Westelijke Balkan landen, door Nederlandse deelname aan monitoringsmissies en door input te leveren op de voortgangsrapporten op basis van eigen bevindingen.
Het kabinet is van mening dat het door de Commissie op 19 oktober gepubliceerde voortgangsrapport over Servië gedetailleerd en objectief is (zie ook het antwoord op vraag 7). De Commissie constateert in het voortgangsrapport dat er sprake is van een nieuw momentum in het hervormingsproces. Daarnaast concludeert de Commissie dat Servië de hervormingen zal moeten voortzetten, versnellen en verdiepen. Het kabinet onderschrijft deze conclusie. Tegelijkertijd is het advies van de Commissie over het openen van twee clusters wat het kabinet betreft te optimistisch. Dit zou geen recht doen aan de belangrijke zorgen die er in de praktijk nog steeds zijn op het terrein van de rechtsstaat en fundamentele vrijheden.
Heeft u kennis genomen van de berichtgeving in Politico4, waar op basis van een analyse van interne documenten van de Europese Commissie en hoge ambtenaren binnen de Commissie wordt geconcludeerd dat Eurocommissaris voor Nabuurschap en Uitbreiding Olivér Várhelyi en zijn kabinet geprobeerd hebben om zorgen over de rechtsstaat de bagatelliseren, teksten over de rechten van LHBTI-personen uit Commissiedocumenten te schrappen en het toetredingsproces van Servië te bevorderen? Wat is uw appreciatie van deze inzet van Eurocommissaris Várhelyi? Deelt u de zorgen over het bagatelliseren van de rechtstaat en LHBTI-rechten? Bent u bereid deze zorgen in EU-verband over te brengen?
In de kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket die uw Kamer op 12 november is toegekomen6, stelt het kabinet dat er sprake is van een beginnend nieuw momentum in het hervormingsproces in Servië. Het kabinet beschouwt deze ontwikkelingen als voorzichtig positief, en is van mening dat er met name op het gebied van corruptiebestrijding en mediavrijheid veel meer moet gebeuren. Het kabinet verwelkomt de grotere betrokkenheid van de Servische regering bij de hervormingen, maar implementatie op kernpunten blijft selectief. Zo is van een overtuigend trackrecord van vervolgingen op het gebied van high-level corruptie en georganiseerde misdaad nog geen sprake. Hier zal het kabinet op blijven toezien.
Tegelijkertijd deelt het kabinet de analyse van de Commissie dat er op het gebied van grondwetsherziening, o.a. bedoeld om de onafhankelijkheid van de rechtspraak te versterken, voortgang kan worden geconstateerd, zeker in vergelijking met voorgaande jaren. De hernieuwde Servische betrokkenheid bij de rechtsstaatshervormingen kan in het kader van de herziene uitbreidingsmethodologie beloond worden met het instemmen met een bescheiden stap in de toetredingsonderhandelingen met Servië. Dit past bij de Nederlandse strikt en fair benadering ten aanzien van het uitbreidingsproces en helpt om druk op Servië te houden om te hervormen.
Het openen van twee clusters, zoals door de Commissie voorgesteld, is wat het kabinet betreft te optimistisch. Voortgang in het toetredingsproces is immers afhankelijk van voortgang op het terrein van de rechtsstaat. Het openen van twee clusters zou geen recht doen aan de belangrijke zorgen die er in de praktijk nog steeds zijn op het terrein van de rechtsstaat en fundamentele vrijheden. Gezien het toenemende belang van samenwerking met Servië op energieterrein, ook vanuit geopolitiek oogpunt, ligt het in de rede om ten aanzien van Cluster 4, Green Agenda and Sustainable Connectivity, waar het hoofdstuk energie onderdeel van is, bescheiden stappen te zetten.
Deelt u de mening dat er het afgelopen jaar door Servië te weinig of geen toetredingsprogressie is geboekt op cruciale onderdelen zoals rechtsstaat om over te kunnen gaan tot het openen van nieuwe onderhandelingsclusters? Kunt u garanderen dat dit de Nederlandse inzet zal zijn in EU-verband totdat er significante verbetering is opgetreden?
Het moedwillig fout informeren van jongeren over abortus |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Corinne Ellemeet (GL), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de foutieve informatie die wordt verstrekt aan jongeren op sommige scholen ten aanzien van abortus, bijvoorbeeld over het zogenaamd wegkruipen van een foetus van 12 weken van een abortustang?1
Ik heb kennisgenomen van het NOS-artikel d.d. 3 november 2021: «Roep om strengere regels over abortus-gastlessen op middelbare scholen».
Deelt u de mening dat deze opzettelijk kwetsende, doelbewust onjuiste informatie onwenselijk is, zeker gezien de kwetsbare positie van jongeren?
Het is van belang dat elk meisje en elke vrouw zich vrij en veilig voelt om zelf keuzes te maken over haar zwangerschap. Het raakt aan een fundamenteel recht dat is verankerd in onze Grondwet. Ik besef dat jongeren bij zwangerschap voor lastige en emotioneel beladen beslissingen kunnen komen te staan die bepalend zijn voor de rest van hun leven. Daarom is het belangrijk dat jongeren goed geïnformeerd worden over onderwerpen als seksualiteit, het menselijk lichaam, zwangerschap, abortus en de rechten, verantwoordelijkheden en vrijheden die hierbij horen. Gedegen en correcte informatie stelt hen in staat weloverwogen en geïnformeerde keuzes te maken aangaande seksualiteit en alle ingewikkelde vraagstukken die daar bij kunnen komen kijken. De verantwoordelijkheid om jongeren te informeren ligt primair bij ouders en verzorgers, maar ook het onderwijs kan hierin een belangrijke rol vervullen. Seksualiteit en seksuele diversiteit zijn dan ook onderdeel van het curriculum en de kerndoelen op dit gebied worden momenteel aangescherpt.
Deelt u tevens de mening dat jongeren adequaat geïnformeerd dienen te worden over hoe veilig te vrijen en welke opties er zijn in geval van bijvoorbeeld een seksueel overdraagbare aandoening of een ongewenste zwangerschap?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven hoe wijdverbreid deze abjecte «voorlichtingen» zijn?
Ik heb navraag gedaan bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna inspectie) over de betreffende gastlessen. De inspectie houdt toezicht op naleving van wet- en regelgeving en registreert niet hoe scholen invulling geven aan specifieke onderwerpen binnen een leerdomein. Er is dan ook geen overzicht beschikbaar van welke voorlichting, in welke frequentie, door welke school gegeven wordt.
Vindt u dat, ondanks de vrijheid van onderwijs, scholen de verantwoordelijkheid hebben hun leerlingen niet te schaden, fysiek dan wel psychologisch?
Het is evident dat scholen hier een grote verantwoordelijkheid hebben en moeten zorgdragen voor de fysieke en psychologische veiligheid van hun leerlingen. Deze verantwoordelijkheid is wettelijk verankerd in een aantal bepalingen in de sectorwetten over (sociale) veiligheid en burgerschap. Dit staat los van de vrijheid van onderwijs.
Erkent u dat het verstrekkende gevolgen kan hebben voor een individueel leven wanneer jongens en meisjes verkeerd worden geïnformeerd over veilig vrijen en abortus?
Zie het antwoord op vraag 2. Daarbij merk ik op dat scholen veel vrijheid hebben bij het inrichten van hun onderwijs en hun grondslag en overtuigingen kunnen daarvoor een belangrijke basis vormen. Deze vrijheid wordt ingekaderd door wet- en regelgeving. Dit betekent in de praktijk dat het een school vrijstaat de waarde van het leven te benadrukken en hun visie op bijvoorbeeld seksualiteit te delen. Dit dient te gebeuren in een veilige omgeving waarin de autonomie van de leerling wordt gerespecteerd en op een wijze die in lijn is met de kerndoelen. Zo moet worden overgebracht dat in Nederland het recht op abortus bestaat en lichamelijke onaantastbaarheid een grondrecht is.
Verdienen jongeren het volgens u om correct en volledig geïnformeerd te worden over hun eigen lichamen en de keuzes die hen daarin vrij staan volgens de Nederlandse wet?
Zie de antwoorden op de vragen 2, 6 en 8.
Welke opties ziet u om deze schadelijke praktijken te beëindigen dan wel te ontmoedigen binnen de vrijheid van onderwijs maar met oog voor de grote verantwoordelijkheid die scholen dragen over het welzijn van hun leerlingen?
Scholen hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat en het welzijn van hun leerlingen. Het beoordelen van de vorm en inhoud van specifieke gastlessen kan onderdeel zijn van (signaalgericht) toezicht. Signalen zoals beschreven in het desbetreffende NOS-artikel neemt de inspectie mee in haar toezicht en kunnen worden besproken met betreffende schoolbesturen in de reguliere gesprekken of aanleiding vormen voor gericht vervolgonderzoek. Als scholen hun verantwoordelijkheid niet nemen ten aanzien van het zorgdragen voor een veilig schoolklimaat en het welzijn van hun leerlingen, zal worden opgetreden conform het handhavingsinstrumentarium.
Welke concrete stappen gaat u zetten en wanneer kan de Kamer verwachten hierover geïnformeerd te worden?
Zie het antwoord op vraag 8. Indien de inspectie overgaat tot het geven van herstelopdrachten of onderzoeken heeft afgerond betreft dit openbare informatie die te vinden is op haar website.
Hoe reageert u op de bevindingen van epidemioloog Bijl dat de conclusies van het RIVM dat windturbines «slechts lichte klachten als hinder en slaapverstoring zouden veroorzaken niet deugen» en te positief zijn, en dat de «geruststellende» RIVM-rapporten bedoeld zijn «om de uitrol van de energietransitie niet te verstoren»?1
De heer Bijl heeft in opdracht van het artsencollectief WindWiki twee literatuurstudies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over de gezondheidseffecten van windturbines beoordeeld. In zijn rapport uit de heer Bijl kritiek op de onderliggende studies die het RIVM heeft gebruikt en op de wijze waarop het RIVM de literatuurstudies heeft uitgevoerd en gerapporteerd. Ik vind het niet aan mij of het kabinet om te reageren op deze discussie, die in het wetenschappelijk domein thuishoort. Voor een inhoudelijke reactie verwijs ik daarom naar de reactie van het RIVM2. Met deze reactie geeft het RIVM aan dat het altijd zorgvuldig en integer te werk gaat. Wat mij betreft staat de autoriteit van het RIVM niet ter discussie. Los van de discussie over de wijze van rapporteren, is het natuurlijk vervelend wanneer omwonenden klachten ondervinden van de omliggende windturbine(s). Per situatie moet dan worden gekeken wat passende maatregelen zijn.
Ziet u een link met de bevindingen van onderzoeker Van Hoof (Universiteit Twente) dat het RIVM in zijn té rooskleurige rapporten over windturbines gebruik heeft gemaakt van studies «die door de windindustrie zijn betaald of door de windindustrie zijn geschreven én die de gezondheidsrisico’s minimaliseren», en dat het RIVM deze invloed van de windlobby heeft verzwegen?2
Zowel het onderzoek van de heer Van Hoof als het rapport van de heer Bijl refereren aan het feit dat het RIVM geen mogelijke belangenconflicten bij een aantal van de onderliggende studies heeft gemeld. Om precies te zijn gaat het – op een totaal van 115 onderliggende studies – om vier publicaties van één groep onderzoekers die zelf expliciet belangenverstrengeling vermeldt en om acht publicaties die zijn gefinancierd door een overheid of een combinatie van overheid en sector. Voor de lezer was het wellicht inzichtelijker geweest om hierover melding te doen de literatuurstudies. Het RIVM heeft bij deze onderzoeken echter de standaard wetenschappelijke protocollen gevolgd. Zie voor een verdere reactie op de conclusies van de heer Van Hoof de website van het RIVM4.
Erkent u dat windturbines kunnen leiden tot hartklachten, slapeloosheid, langdurige stress, concentratieproblemen etc. bij omwonenden? Zo ja, waarom worden er dan nog steeds windturbines bijgebouwd? Waarom is de gezondheid van omwonenden ondergeschikt aan het behalen van onhaalbare klimaatdoelen?
Het kabinet erkent en heeft altijd erkend dat er verschillende gezondheidseffecten kunnen optreden als gevolg van windturbinegeluid. Het voornaamste effect is ernstige hinder. Hinder kan worden omschreven als een algemeen gevoel van onbehagen en leidt bij sommige mensen indirect tot klachten zoals hoofpijn. Daarnaast is er (niet eenduidig) bewijs dat slaapverstoring kan optreden in relatie tot bloostelling aan windturbinegeluid. In navolging van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschouwt het RIVM ernstige hinder en slaapverstoring als gezondheidseffecten, die ook een belangrijke rol kunnen spelen bij meer ernstige gezondheidseffecten van omgevingsgeluid op de lange termijn.
Hoewel niet iedereen in dezelfde mate hinder ondervindt en ook niet iedereen die hinder ondervindt daar vervolgklachten door krijgt, is dit natuurlijk wel iets waar aandacht naar uitgaat. Hierbij zullen we helaas nooit helemaal kunnen voorkomen dat er hinder, bijvoorbeeld door geluid, wordt ondervonden. Dit is evenmin mogelijk voor andere bronnen van geluidsoverlast, bijvoorbeeld het wegverkeer en de luchtvaart. Om die reden moet er een maatschappelijke afweging worden gemaakt. Normen ter bescherming tegen bijvoorbeeld geluidhinder zijn het resultaat van zo’n afweging. Voor windparken geldt dat de landelijke normen momenteel niet kunnen worden toegepast, omdat de Raad van State heeft geoordeeld dat hier eerst een planMER voor moet worden gemaakt (Kamerstuk 33 612, nr. 76). Dit planMER zal het kabinet benutten om te komen tot een zorgvuldige maatschappelijke afweging tussen de energietransitie en de hinder die daarmee gepaard gaat.
Wat vindt u ervan dat omwonenden van windturbines letterlijk op de vlucht slaan? Deelt u de conclusie dat deze klimaatvluchtelingen het directe gevolg zijn van uw klimaatgekte? Deelt u de mening dat niet de omwonenden, maar de overlastgevende, ziekmakende windturbines moeten wijken?
Ik deel dat het heel vervelend is wanneer mensen zich gedwongen zien te verhuizen vanwege de overlast die zij ervaren door windturbines in hun buurt. Dit is uiteraard nooit de bedoeling van het plaatsen van nieuwe windturbines. Er dient eerst te worden gekeken naar passende oplossingen om de ervaren hinder te beperken. Exploitanten kunnen bijvoorbeeld een app aanbieden waarmee omwonenden kunnen aangeven wanneer zij veel last hebben van een windturbine, zodat deze tijdelijk in noise mode (lagere rotatiesnelheid, dat leidt tot een reductie in geluidsproductie) of stilgezet kan worden. Naast meer inzicht in verwachte geluidsproductie voor omwonenden en de mogelijkheid hinder makkelijker te kunnen melden, verzamelt de app kennis onder welke omstandigheden de meeste hinder optreedt. Die kennis kan vervolgens ingezet worden bij de ontwikkeling van nieuwe windparken en kan hinder van bestaande windparken verminderen.
Wat bedoelt u, gezien de overduidelijke schadelijke gezondheidseffecten van windturbines, met uw antwoord op eerdere Kamervragen: «windenergie is niet alleen cruciaal om onze klimaatdoelen te halen, maar ook om gezondheidswinst te behalen»? (Aanhangsel handelingen, 3132) Welke gezondheidswinst bedoelt u hier, en hoe legt u dit uit aan omwonenden die letterlijk ziek worden van uw windturbinegekte?
Daarmee wordt bedoeld dat klimaatverandering een existentieel risico is dat we zo veel mogelijk moeten zien te beperken. Het opwekken van groene stroom door middel van windturbines draagt hieraan bij. Tevens draagt het bij aan een schonere lucht. Volgens recent onderzoek van het RIVM is de transitie naar hernieuwbare bronnen beter voor de gezondheid en veiligheid in Nederland dan het gebruik blijven maken van fossiele bronnen5.
Geeft u gehoor aan de oproep van artsencollectief Windwiki om géén windturbines te plaatsen nabij huizen?
Het afwegen waar nieuwe windturbines kunnen komen gebeurt veelal door de decentrale overheden. Dit gebeurt in een zorgvuldig proces. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan (of de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, of een inpassingsplan) wordt bepaald of het plaatsen en exploiteren van windturbines ruimtelijk aanvaardbaar is. De algemene regels voor windturbines kunnen als gevolg van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2021 niet meer worden toegepast voor windturbineparken. Het is nu aan bevoegde gezagen om zelf te bepalen en te onderbouwen welke normen zij bij hun besluitvorming hanteren. Zij maken in dat verband een eigenstandige specifieke afweging om te bepalen wat voor de betreffende locatie een aanvaardbaar milieubeschermingsniveau is. Deze normen vertalen zich onder meer naar een minimale afstand tot de omliggende bebouwing. Zo worden er geen windturbines te dicht bij huizen geplaatst. Eigen normen dienen goed onderbouwd te worden; hiervoor kan de wetenschappelijke kennisbasis over windenergie en gezondheid gebruikt worden. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, in het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek. Het RIVM voert momenteel ook een verkenning uit naar de mogelijkheden voor aanvullend gezondheidsonderzoek in Nederland. Hierin worden ook opties meegenomen ten aanzien van onderzoek naar verschillende afstanden tussen windturbines en woningen. Deze verkenning levert concrete doelen en onderzoekstypen voor nieuw (empirisch) onderzoek. Het kabinet zal – na overleg met betrokken stakeholders – een besluit nemen over welk onderzoek uitgevoerd dient te worden. Hierover zal de Tweede Kamer in het voorjaar van 2022 geïnformeerd worden.
Geeft u gehoor aan de oproep om helemaal te stoppen met het bouwen van windturbines, aangezien deze ondingen niet alleen ziekmakend zijn, maar ook subsidieslurpend, onrendabel, onbetrouwbaar, horizonvervuilend, landschapvernietigend, dodelijk voor dieren en slecht voor de natuur?
Nee.
Het vervolgen van een verdachte van moord die in India verblijft |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verdachte van Haagse ijskastmoord wordt in India geen strobreed in de weg gelegd' en herinnert u zich de zaak van het naar India ontvoerde meisje Insiya?1
Ja.
Is het u bekend waarom India tot nu toe de uitlevering van de verdachte van de zogenoemde «Haagse ijskastmoord» weigert? Zo ja, waarom is dat? Zo nee, waarom weet dat niet?
Wat is tot nu toe ondernomen de genoemde verdachte naar Nederland uitgeleverd te krijgen?
Staan de Nederlandse en Indiase justitiële of andere autoriteiten op dit moment nog in contact met elkaar over de uitlevering van de genoemde verdachte? Zo ja, waar bestaan die contacten uit en op welke termijn verwacht u dat duidelijkheid komt over de eventuele uitlevering? Zo nee, waarom zijn er geen contacten meer?
Is het u bekend dat, in het geval India de verdachte niet wil uitleveren, India dan eventueel wel wil meewerken aan de vervolging en berechting van die verdachte in eigen land?
Zijn naast de hierboven genoemde twee gevallen nog mee gevallen bekend waarbij India niet meewerkte aan de uitlevering van een verdachte met de Indiase nationaliteit? Zo ja, wat was de aard en het aantal van die gevallen?
Ik hecht sterk aan het voorkomen van straffeloosheid. Veel landen, waaronder Nederland, leveren onderdanen niet, of slechts onder voorwaarden, uit. Wanneer de nationaliteit van een persoon in de weg staat aan diens uitlevering, ben ik van mening dat tussen de betrokken landen naar andere manieren gezocht moet worden om het recht toch zijn loop te kunnen laten hebben. Ook ik zet mij daartoe in.
Deelt u de mening dat als een land meermalen weigert een landgenoot die verdacht wordt van een ernstig misdrijf uit te leveren en ook niet van zins is de vervolging in eigen land ter hand te nemen, dat dat land daarmee blijk geeft zich weinig aan te trekken van wat een rechtsstaat behoort te doen namelijk het opsporen, vervolgen en berechten van criminelen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u dan wel een ander lid van de Nederlandse regering bereid persoonlijk met uw Indiase collega-minister over de verdachte in de Haagse ijskastmoord te spreken? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 2 t/m 5.
Het onderzoek “Transcript from the Margins” |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Transcript from the Margins (Willemijn van Kempen, Alejandra Ortiz, Transgender Netwerk Nederland)?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse asielprocedure wel (zo goed mogelijk) rekening houdt met de positie van lesbische, homoseksuele of biseksuele asielzoekers in hun land van herkomst, maar niet specifiek met die van transgender asielzoekers?
Elke asielaanvraag wordt op individuele gronden beoordeeld en daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke positie en het individuele relaas van de asielzoeker. Zowel in de asielprocedure als in het beleid wordt expliciet aandacht gevraagd voor de situatie van LHBTI-asielzoekers. Daarnaast is er ook oog voor de unieke situatie van transpersonen in de asielprocedure. In het landgebonden asielbeleid kan bijvoorbeeld naar aanleiding van de berichtgeving in een ambtsbericht specifiek beleid worden gevoerd voor transpersonen. In dit verband verwijs ik naar het landgebonden beleid inzake Venezuela, waarin transgender zijn aangemerkt als risicogroep. Echter, ook indien transpersonen niet als losse groep zijn opgenomen in het landgebonden asielbeleid of er geen landgebonden asielbeleid voor een transpersoon uit een specifiek land is, is betrekt de IND bij de behandeling van de aanvraag van een transpersoon de relevante en beschikbare (landen)informatie over transpersonen en hun positie in het land, afhankelijk van het individuele asielrelaas.
Omdat het onderzoek slechts onder 8 transgender personen is afgenomen uit een specifieke regio kan niet zonder meer gesteld worden dat de bevindingen representatief zijn voor alle transgender asielzoekers. Desalniettemin is dit een blijvend punt van aandacht voor de IND. De IND heeft naar aanleiding van het rapport daarom een uitnodiging verstrekt aan Transgender Netwerk Nederland om in gesprek te treden met de LHBTI-coördinatoren van de IND om aandacht te besteden aan de situatie van transgenders en hun positie in de asielprocedure verder te bespreken.
Op welke wijze wordt voor het maken van ambtsberichten informatie verzameld over de positie en omstandigheden van LHBTI+ en meer specifiek van transpersonen? Hoe wordt de kwaliteit van deze informatie gewaarborgd? Wordt standaard aandacht besteed aan het verschil tussen wetgeving en beleid op papier en hoe dit in de praktijk uitwerkt voor kwetsbare groepen (zoals transpersonen)? Bent u het met de indieners eens dat het belangrijk is dat voor alle specifiek bedreigde groepen binnen een land expliciet aandacht is in een ambtsbericht, dus ook transpersonen? Zo nee, waarom niet?
In de Terms of Reference voor ambtsberichten worden vaak vragen opgenomen over de situatie van LHBTI personen. Deze vragen worden opgenomen indien de IND ten behoeve van de beslispraktijk informatie nodig heeft over LHBTI personen uit een bepaald land of indien er signalen worden ontvangen over de kwetsbare situatie van LHBTI personen in een bepaald land. Als de situatie in het betreffende land daartoe aanleiding geeft wordt de informatie in een ambtsbericht over LHBTI ook nader toegespitst op de situatie van transgenders. In een voorkomend geval wordt daarnaast ook specifieke informatie gevraagd over de situatie van transgenders in de Terms of Reference voor bepaalde landen. Het is uiteraard van belang dat de situatie van kwetsbare groepen zo goed mogelijk in kaart wordt gebracht in ambtsberichten maar het Ministerie van Buitenlandse Zaken is daarbij wel afhankelijk van de beschikbare informatie.
Een ambtsbericht bundelt feitelijke en objectieve informatie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van zowel openbare bronnen als informatie verkregen uit vertrouwelijke bronnen, zo mogelijk inclusief interviews met ngo’s en andere belangenbehartigers. Hierbij wordt zowel naar wetgeving als praktische implementatie gekeken. Daarbij merk ik graag op dat voor sommige landen deze informatie, vanwege de lokale gevoeligheid, niet of slechts zeer beperkt voorhanden is. In het geval van Venezuela, en bijvoorbeeld Iran, is deze informatie breder beschikbaar dan in het geval van andere landen. Informatie wordt zoveel mogelijk geverifieerd door een breed scala aan bronnen te gebruiken. Dit leidt ertoe dat niet alle informatie uit elke bron in een ambtsbericht wordt opgenomen, als gevolg van de beoordeling van de gezaghebbendheid en/of de kwaliteit van de bron. De Nederlandse rechterlijke macht kan om inzage verzoeken van de in een ambtsbericht gebruikte vertrouwelijke bronnen.
Voor het meest recente ambtsbericht Venezuela is gebruik gemaakt van openbare bronnen die allemaal zijn vermeld in voetnoten in het ambtsbericht. De informatie is vervolgens geverifieerd met vertrouwelijke bronnen in lijn met de gebruikelijke werkwijze.
Wat is uw reactie op de onderzoeksresultaten die aangeven dat de IND vaak verkeerde conclusies trekt, die gebaseerd zijn op onvolledige, onjuiste, twijfelachtige of slecht onderbouwde informatie, als het gaat om beoordelingen van asielverzoeken van transpersonen en hun land van herkomst (p. 13)? Welke mogelijkheden ziet u om de informatievoorziening over de positie en situatie van transpersonen in landen van herkomst te verbeteren?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt tijdens de beoordeling of iemand recht heeft op asiel in Nederland, in het geval van transpersonen, aandacht geschonken aan thema’s die specifiek of ingrijpender spelen voor transpersonen, zoals:
Indien de elementen die door de asielzoeker worden aangedragen in het asielrelaas verband houden met bovengenoemde punten besteedt de IND daar uiteraard aandacht aan. Hiervoor maakt de IND gebruik van het relevante landenbeleid, het algemeen geldende beleidskader en de relevante landeninformatie zoals ook beschreven onder antwoorden 2 en 4.
Houden medewerkers van de IND gedurende de asielprocedure in alle communicatie rekening met de preferente naam, geslacht en voornaamwoord van de asielzoeker, onafhankelijk van wat er op iemands paspoort staat? Zijn medewerkers van de IND hierin getraind, en/of zijn er richtlijnen voor een respectvolle omgang met transpersonen?
Het is de insteek van de IND om de asielzoeker zich zo prettig mogelijk te laten voelen en altijd in de gehoren en het persoonlijke contact aan te spreken met de preferente naam, geslacht en het voornaamwoord, onafhankelijk van wat er in het paspoort van de asielzoeker staat. De LHBTI-coördinatoren hebben hier in het bijzonder aandacht voor en attenderen hoor- en beslismedewerkers hier ook op. Het kan desalniettemin toch in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat een asielzoeker, naar ik aanneem veelal abusievelijk, niet op de juiste manier aangesproken is tijdens het asielgehoor of tijdens andere directe communicatiemomenten. Zowel de IND als ikzelf hebben echter niet het beeld dat dit op grote schaal plaatsvindt.
Bij het registreren van de persoonsgegevens in de BRP is de IND gebonden aan de informatie die in het paspoort van de asielzoeker staat. Het is daarom niet mogelijk voor de IND om deze registratie in lijn te brengen met de preferente naam, geslacht en voornaamwoord van de asielzoeker zonder een wettelijk (reis)document waarin dit correct staat aangegeven.
Het kan daarom voorkomen dat in de aanhef en adressering van officiële brieven, die veelal geautomatiseerd worden opgesteld, niet de preferente naam of het preferente geslacht wordt gebruikt.
Zijn er in de laatste 5 jaar klachten ontvangen van transpersonen over de asielprocedure? Zo ja, om hoeveel klachten ging het en op welke wijze is hiervan geleerd voor de verbetering van de procedure?
De IND registreert het asielmotief niet in de systemen, waardoor niet te achterhalen is of in zaken van transpersonen klachten zijn ingediend
Op welke wijze is de specifieke informatie over transpersonen in het landgebonden asielbeleid van Venezuela verzameld? Zijn er andere landen waar dit zo specifiek is gebeurd? Zo nee, hoe komt het dat in het landenbeleid van Venezuela hier wel expliciet aandacht voor is, en in ander landenbeleid niet? Wat kan er gedaan worden om deze werkwijze uit te breiden naar andere landen?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel 'Een rol bij de lijkschouw' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Mark Strolenberg (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Een rol bij de lijkschouw in het NAPA Magazine?1
Ja.
Bent u ook bekend met de beantwoording van de toenmalige Minister voor Medische Zorg (Van Ark), op eerdere Kamervragen die gesteld waren over het laten uitvoeren van de lijkschouw door physician assistants (PA's) en verpleegkundig specialisten (VS'en)?2
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er inmiddels gesprekken geweest met de relevante beroepsgroepen, zoals Minister van Ark aangegeven had in genoemde eerdere beantwoording op Kamervragen, om taakherschikking ten aanzien van de lijkschouw eventueel mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de resultaten van deze gesprekken?
Wat is het resultaat van de algehele verkenning die het ministerie, zoals aangegeven in de genoemde eerdere beantwoording op Kamervragen, heeft uitgevoerd om de mogelijkheid tot taakherschikking te onderzoeken?
Uit de verkenning blijkt dat een onderzoek naar de mogelijkheid tot taakherschikking noodzakelijk is om een antwoord te krijgen op de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden de inzet van VS’en en PA’s bij de lijkschouw ten behoeve van de handelingen van een behandelend arts van toegevoegde waarde kan zijn. Mijn departement heeft afstemming gezocht met relevante beroepsgroepen Verenso, FMG, V&VN en NAPA rondom de opzet van het onderzoek. Voorjaar 2022 wordt gestart met het onderzoek en rond de zomer zullen de resultaten hiervan met uw Kamer worden gedeeld.
In het onderzoeksprogramma forensische geneeskunde 2020–2025 dat najaar 2020 van start is gegaan, wordt in het tweede kwartaal van 2022 onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor taakherschikking binnen de forensische geneeskunde.
Bent u van mening dat, uiteraard met behoud van de benodigde kwaliteit, taakherschikking op het terrein van de lijkschouw een bijdrage kan leveren in het opvangen van het tekort aan specialisten ouderengeneeskunde, huisartsen en gemeentelijke lijkschouwers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hiervoor nodig?
Op dit moment ontbreekt het aan een goed inzicht of, en zo ja, in welke mate de inzet van VS’en en PA’s bij de lijkschouw een bijdrage kan leveren aan het opvangen van capaciteitsproblemen bij behandelend artsen in de langdurige zorg. Met het te starten onderzoek wordt nadrukkelijk beoogd hierin te voorzien. Binnen het onderdeel taakherschikking in het onderzoeksprogramma forensische geneeskunde 2020–2025 is ook ruimte voor taakherschikking bij de taken van de forensisch arts. VWS gaat in gesprek met ZonMw en stakeholders binnen de forensische geneeskunde om te kijken hoe taakherschikking de forensisch artsen kan ondersteunen.
Dit is nodig omdat er in sommige regio’s ernstige capaciteitsproblemen zijn waardoor de uitvoering van de gemeentelijke lijkschouw in de knel komt. Er vindt overleg plaats met Forensisch Medisch Genootschap, GGD GHOR en IGJ over tijdelijke noodoplossingen voor het kunnen blijven uitvoeren van de gemeentelijke lijkschouw. Hierbij wordt ook gekeken in hoeverre basisartsen onder supervisie van forensisch artsen kunnen worden ingezet.
De intimidatie van MH-17-advocaten |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over advocaten in de MH17-zaak die hoogstwaarschijnlijk geïntimideerd werden door Rusland?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de schrijnende situatie waarbij de advocaten die de nabestaanden bijstaan in de nationale tragedie van MH17, worden geïntimideerd, achtervolgd en zelfs beschermd moeten worden door de Nederlandse veiligheidsdiensten?
Het kabinet vindt, zoals reeds eerder aan de Kamer gemeld2, elke vorm van inmenging volstrekt onacceptabel. Het is van groot belang dat de rechtsgang in Nederland veilig en ongestoord kan verlopen. Door de rijksoverheid wordt de veiligheidssituatie van betrokkenen in het MH17 proces nauwlettend in de gaten gehouden. Indien de dreiging en het risico daar aanleiding toe geven worden er passende maatregelen getroffen.
Zijn deze Russische agenten reeds in zicht, opgepakt en uitgezet? Zo nee, welke juridische stappen worden er dan ondernomen tegen deze personen? Hoe kunnen deze- en andere vormen van mogelijke buitenlandse intimidatie in de toekomst worden voorkomen?
Uit veiligheidsoverwegingen kan ik niet ingaan op individuele casuïstiek en kan ik geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken.
In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren3 is inzicht geboden in welke nationale veiligheidsbelangen geschaad (kunnen) worden door statelijke actoren en op welke wijze dat gebeurt of kan gebeuren. In 2019 en 2021 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de aanpak statelijke dreigingen, waarbij een werkwijze is ontstaan waarbij alle relevante partijen op een blijvende en continue basis bijdragen aan de weerbaarheid tegen statelijke actoren.4
Zie ook het antwoord op vraag 9.
Wat zijn de diplomatieke consequenties die hierop zullen volgen? Is de Russische ambassadeur ter verantwoording geroepen? Zo nee, waarom niet?
Indien informatie daar aanleiding toe geeft onderneemt het Kabinet gepaste diplomatieke actie. Nu is er geen informatie die daartoe aanleiding geeft.
Hoe schat u de veiligheidsrisico’s voor de advocaten in? Zijn er inderdaad advocaten die gebruik hebben gemaakt van het aanbod voor een veiligheidsprogramma?
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik geen uitspraken doen over individuele casuïstiek en eventuele beveiligingsmaatregelen. Door de rijksoverheid wordt de veiligheidssituatie van betrokkenen in het MH17 proces nauwlettend in de gaten gehouden. Daarnaast kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat de NCTV, gezamenlijk met andere relevante ministeries, de betrokken partijen bewust maakt van de (digitale) risico’s en mogelijke dreigingen en dat waar nodig passende maatregelen worden getroffen om de weerbaarheid te verhogen.
Welke rol heeft spionage gespeeld in de bedreiging van deze advocaten? Waarom is dit nu niet strafbaar? Hoe staat het met het door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegezegde onderzoek naar strafbaarstelling van spionage?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele casuïstiek en of spionage in dit geval een rol heeft gespeeld.
Het strafrecht biedt verschillende mogelijkheden om op te treden tegen gedragingen die samenhangen met spionage. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan misdrijven die verband houden met de schending van (staats-, ambts- en bedrijfs-) geheimen en computerdelicten, zoals hacken en het overnemen van gegevens. Dat neemt niet weg dat het kabinet aanleiding heeft gezien bij brief van 16 december 20205 aan te kondigen om een wetsvoorstel voor te bereiden om de strafbaarheid voor spionage uit te breiden. Op dit moment wordt door de Minister van Justitie en Veiligheid, in afstemming met de betrokken organisaties en departementen, gewerkt aan het opstellen van dat wetsvoorstel. Het streven is het wetsvoorstel begin 2022 in consultatie te geven.
Deelt u de mening dat een register voor buitenlandse agenten zou helpen bij het beter in kaart brengen van deze dreigingen?
Het is de vraag of een verplichte registratie voor personen en organisaties met betrekking tot belangenbehartiging van statelijke actoren een effectief en proportioneel additioneel middel is. Het kabinet zet daarom op dit moment vooral in op het verhogen van het bewustzijn bij personen en organisaties die ingezet kunnen worden voor belangenbehartiging van statelijke actoren.
Welke maatregelen neemt u om andere dreigingen op een ordentelijk verloop van het MH17-proces, zoals desinformatie of cyberaanvallen, te voorkomen?
Door de rijksoverheid wordt de veiligheidssituatie van betrokkenen in het MH17 proces nauwlettend in de gaten gehouden. Indien de dreiging en het risico daar aanleiding toe geven worden er passende maatregelen getroffen.
Alle in Nederland betrokken autoriteiten zijn bovendien alert op de mogelijkheid dat het MH17-proces doelwit kan zijn van cyberaanvallen en hebben gepaste maatregelen getroffen.
De strategie van het kabinet om verspreiding van desinformatie tegen te gaan kent drie actielijnen: preventie, de informatiepositie verstevigen en, zo nodig, reactie. Het inhoudelijk adresseren van desinformatie is primair geen taak van overheden, maar van journalistiek en wetenschap, al dan niet in samenwerking met internetdiensten. Het kabinet zet zich er voor in dat fact-checkers onafhankelijk van overheden kunnen functioneren. Het is dus aan de journalistiek en aan de internetdiensten om hier kritisch naar te blijven kijken. Daar waar het gaat om een bedreiging van de nationale veiligheid ligt er een rol voor de overheid.
Welke maatregelen neemt u om buitenlandse beïnvloeding en spionage te voorkomen of te verminderen?
De aanpak voor het tegengaan van statelijke dreigingen is uiteengezet in de Kamerbrief Tegengaan statelijke dreigingen6. Hierin wordt het brede palet aan maatregelen geschetst voor het tegengaan van onder andere ongewenste buitenlandse inmenging. Ten aanzien van inmengingsactiviteiten door buitenlandse actoren staan de betrokken ministeries en inlichtingen- en veiligheidsdiensten doorlopend in nauw contact om inmengingsactiviteiten te onderkennen en te duiden. Als blijkt dat er sprake is van ondermijnende inmengingsactiviteiten die nationale veiligheid, politieke, maatschappelijke en/of economische stabiliteit schaden, dan treedt de overheid op.
Zoals bij het antwoord op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt op dit moment gewerkt aan een wetsvoorstel tot uitbreiding van de strafbaarheid van spionage.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het plenaire debat over de begroting van Buitenlandse Zaken beantwoorden?
Vanwege de afstemming met meerdere partijen is het niet gelukt om de beantwoording van de schriftelijke vragen voor de plenaire begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken beantwoorden. De vragen zijn in samenhang en zo snel als mogelijk beantwoord.
Het permanente karakter van de hoge asielinstroom. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Betekent uw uitspraak dat de huidige hoge asielinstroom een permanent karakter heeft dat u verwacht dat Nederland permanent met een wekelijkse instroom van meer dan duizend asielzoekers te maken blijft krijgen? Zo nee, wat bedoelt u dan wel met permanent karakter?
Nee, wat ik heb willen aangeven is dat enkele decennia geleden pieken in de asielinstroom zich vaak voordeden als een relatief kortdurende situatie, bijvoorbeeld ten tijde van de oorlog in het voormalig Joegoslavië. Inmiddels zien we dat de asielinstroom een constante aanwezige factor is, die overigens niet alleen bestaat uit asielzoekers met een eerste aanvraag, maar ook uit bijvoorbeeld nareizigers en hervestigers. Dat bevestigt dus ook de noodzaak van een continue inzet van Nederland en de EU op dit vlak. Uw Kamer kent de inzet van het kabinet waarover u periodiek geïnformeerd wordt, bijvoorbeeld in de vorm van de voortgang van de integrale migratieagenda. Belangrijke onderdelen daarvan zijn het versterken van opvang in de regio, goed grensbeheer via onder meer Frontex en een strategische inzet op terugkeer.
De asielinstroom is op dit moment weer vergelijkbaar met het niveau van voor Covid-19. Dit heeft meerdere oorzaken. Ten eerste het seizoenseffect; in de zomer arriveren meer asielzoekers dan in de winter. Daarnaast is er sprake van een na-ijleffect veroorzaakt door het opheffen van de reisbeperkingen rondom COVID-19, welke ook in andere Europese lidstaten voorkomt. Daardoor is ook instroom op gang gekomen van nareizigers die eerder al naar Nederland zouden reizen. Tevens zien we een toename van het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De verhoogde instroom is tenslotte ook mede het gevolg van de komst van Afghaanse evacués.
Vindt u een permanente wekelijkse instroom van meer dan duizend asielzoekers houdbaar?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geantwoord op vergelijkbare vragen met kenmerk: Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 860, respecteert het kabinet de internationale verdragen en afspraken waaraan Nederland zich heeft verbonden. Mensen die vluchten voor oorlog, vervolging en geweld hebben recht op bescherming. Dat betekent dat personen die in Nederland om asielbescherming verzoeken in dat licht worden opgevangen en de asielaanvragen in behandeling worden genomen. Een absolute bovengrens op het aantal asielzoekers dat in Nederland kan worden opgevangen past niet bij dit uitgangspunt. Het zou op meerdere vlakken indruisen tegen internationale en Europese wet- en regelgeving. Daarnaast stuit een dergelijke bovengrens op grote praktische bezwaren.
Is er voor u een grens van wat Nederland qua asielinstroom aankan? Zo ja, waar ligt deze grens, wanneer is deze bereikt en wat gaat u doen als deze bereikt is?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, houdt dat in dat u de huidige hoge instroom blijft faciliteren, onder andere door nieuwe opvanglocaties te blijven creëren, ongeacht hoelang deze aanhoudt?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u iedere vraag afzonderlijk en concreet beantwoorden?
Omdat verschillende (vervolg)vragen hetzelfde onderwerp betreft, heb ik deze gezamenlijk beantwoord.
Het nieuws dat spitstreinen niet rijden vanwege het tekort aan verkeersleiders |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het uitvallen van spitstreinen als gevolg van het tekort aan treinverkeersleiders op dinsdag 2 november 2021 op de trajecten Utrecht–Arnhem, Utrecht–Rhenen en Barneveld–Ede-Wageningen?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel reizigers gemiddeld genomen gebruikmaken van deze trajecten tussen 7.00 uur en 9.00 uur?
NS heeft mij gemeld dat in de genoemde tijdsperiode circa 2.500 reizigers gebruik maken gebruik van de Sprinter tussen Utrecht en Rhenen. Voor de Intercity’s tussen Arnhem–Utrecht gaat het volgens NS om circa 7.500 reizigers. Connexxion rijdt de treindienst tussen Barneveld en Ede-Wageningen en heeft mij geïnformeerd dat in de genoemde tijdsperiode gemiddeld genomen ongeveer 1.500 reizigers gebruik maken van dat traject.
Hoe kan het dat op het uitvallen van deze spitstreinen niet is geanticipeerd door vervangend busvervoer in te zetten of andere vormen van vervoer aan te bieden, aangezien het tekort aan verkeersleiders niet nieuw is?2
Treinverkeersleiders zijn opgeleid voor specifieke baanvakken en kunnen elkaar niet zomaar op ieder baanvak vervangen. Als een dienst van een treindienstleider niet ingevuld kan worden, heeft dit dus gevolgen voor specifieke trajecten over die baanvakken. Dat betekent dat het zich lastig lang vooruit laat voorspellen welk(e) traject(en) dit gaat raken en waar vervangend busvervoer zou moeten worden ingezet. Connexxion heeft op woensdag 2 november van 7.00 tot 9.00 bussen ingezet tussen Barneveld en Ede-Wageningen. NS heeft mij geïnformeerd intensief te hebben onderzocht of zij op datzelfde moment tussen Utrecht en Arnhem en tussen Utrecht en Rhenen een vervangende busdienst kon opzetten. Dat is helaas niet mogelijk gebleken. Om op een druk intercity-traject zoals Utrecht–Arnhem alle reizigers in de spits met bussen te kunnen vervoeren zouden volgens NS al gauw meer dan 70 bussen per uur nodig zijn. Deze capaciteit aan bussen en chauffeurs is meestal niet op een dergelijke korte termijn beschikbaar en levert bovendien logistieke vraagstukken op, bijvoorbeeld over de haltering van de bussen nabij de stations en het effect op de verkeersdrukte. NS geeft aan ook nadrukkelijk de mogelijkheid te hebben onderzocht om een gedeeltelijke treinvervangende busdienst op te zetten, voor die reizigers die niet via Den Bosch konden omreizen. Mede vanwege de hoge verwachte vervoersvraag, de verkeerssituatie, en het benodigde aantal bussen en chauffeurs, bleek ook dit op de korte termijn operationeel niet haalbaar.
In overleg met vervoerders heeft ProRail een tijdsschema afgesproken om hen eerder te informeren als er zicht is op een acuut bezettingsprobleem. De afspraak is dat ProRail de betreffende vervoerder(s) om 12:00 informeert en dat er om 15:30 gecommuniceerd wordt richting reizigers op welke trajecten er geen treinen rijden en dat zij de reisplanner(s) van de vervoerder(s) moet raadplegen voor een reisadvies. Op deze manier zorgt ProRail, ondanks de vervelende situatie, voor voorspelbaarheid voor vervoerders en reizigers.
Acht u het veilig dat het omreisadvies van ProRail heeft geleid tot extreme drukte in de treinen op de alternatieve trajecten over Den Bosch?
NS heeft in hun communicatie naar de reiziger, middels een «rode regel» in de Reisplanner, de reiziger gevraagd om hun reis uit te stellen of om te reizen. NS laat weten dat de treinen op de alternatieve trajecten conform geplande lengte hebben gereden. Met name op het traject Den Bosch–Arnhem zijn de treinen in de ochtend druk(ker) geweest, waarbij er meerdere treinen zijn geweest waarin reizigers moesten staan. NS laat weten geen meldingen van onveilige situaties over deze treinen te hebben ontvangen. Het OV-protocol voorziet dat reizigers op een verantwoorde manier met de trein kunnen reizen. Het houden van 1,5 meter afstand in het OV in verband met COVID-19 is in het OV niet altijd mogelijk. Daarom is een mondkapje in het OV verplicht en worden reizigers in het algemeen opgeroepen drukte te vermijden en zo mogelijk buiten de ochtend- en avondspits te reizen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het tekort aan verkeersleiders leidt tot volgepakte treinen op het moment dat scherpere coronamaatregelen gaan gelden? Is het mogelijk om de drukte beter te spreiden?
Op het moment dat scherpere coronamaatregelen gaan gelden, ligt het in de lijn der verwachting dat dit zal leiden tot een afname van het aantal treinreizigers. Daarnaast voorziet het OV-protocol erin dat reizigers op een verantwoorde manier kunnen reizen (zie ook het antwoord op vraag 4). Om drukte te voorkomen zetten Rijk, regio en alle OV-partijen er in het algemeen op in om reizigers zo goed mogelijk over de dag en over de week te spreiden. Bijvoorbeeld door communicatie, maar ook door afspraken te maken met onderwijsinstellingen en werkgevers over hun inzet op hybride werken en het spreiden van aanvangstijden.
Kunt u aangeven wat naast de geïntensiveerde werving van verkeersleiders door ProRail, waarvan u ook melding heeft gemaakt in uw brief van 3 september 2021, wordt gedaan om het beroep van treinverkeersleider aantrekkelijker te maken?3
ProRail wil het vak van treindienstleider aantrekkelijker maken voor zowel nieuwe instroom als bestaande treindienstleiders.
Voor instroom van nieuwe mensen geldt:
Voor behoud van mensen geldt:
Heeft u vanuit uw positie als aandeelhouder met ProRail gesproken over mogelijkheden om de salariëring en arbeidsomstandigheden van treinverkeersleiders te verbeteren? Zo nee, bent u bereid om dit op korte termijn te doen?
Vanuit mijn rol als aandeelhouder vraag ik in het algemeen aandacht voor het strategische personeelsbeleid. De salariëring en arbeidsomstandigheden van personeel maken daar onderdeel vanuit. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 19 november jl. heb ik opnieuw met ProRail over het strategische personeelsbeleid gesproken, in het bijzonder in relatie tot de verkeersleiding. Over de uitkomsten van de aandeelhoudersvergadering informeer ik uw Kamer via een separate brief. ProRail heeft overigens begin november besloten de bestaande groep verkeersleiders een tijdelijke compensatietoeslag te geven als blijk van erkenning en waardering voor het werk dat zij verrichten en de condities waaronder dat plaatsvindt. ProRail gaat onderzoeken hoe de toekomstige invulling van de functie van treindienstleider en verkeersleider zich gaat ontwikkelen (o.a. de functiewaardering) en hoe dit past als onderdeel van een integraal loopbaanpad. ProRail gaat dit vormgeven in gesprek met de medezeggenschap en de vakbonden.
Het bericht dat het pensioenfonds ABP uit fossiel stapt. |
|
Bart Smals (VVD) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van het pensioenfonds Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) om niet meer in fossiele ondernemingen te beleggen?
Ja.
Welke waarborgen zijn er dat de invloed van deelnemers, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaam beleggen, evenwichtig is verankerd in het beleggingsbeleid van een pensioenfonds? En zijn die waarborgen in onderhavige zaak voldoende toegepast?
Het pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling, inclusief het beleggingsbeleid. Deelnemers zijn vertegenwoordigd in het bestuur van het fonds en het bestuur stelt het strategisch beleggingsbeleid vast. Dat is wettelijk geregeld. Bij alle paritaire bestuursmodellen worden vertegenwoordigers van sociale partners, dus zowel werkgevers- als werknemerszijde, en pensioengerechtigden door de betreffende organisaties voorgedragen en benoemd in het bestuur. Daarnaast worden de vertegenwoordigers van de werknemers en de gepensioneerden in het verantwoordingsorgaan verkozen. Via deze vertegenwoordiging wordt de inspraak van deelnemers (werknemers en pensioengerechtigden) vormgegeven. Verder is het verantwoordingsorgaan bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het uitgevoerde beleid en de beleidskeuzes voor de toekomst. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag.
Bent u, als werkgever, en daarmee medeverantwoordelijk voor het ABP, geraadpleegd over het voornemen van het ABP om niet meer te beleggen in fossiel?
Van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik vernomen dat de strategie van het ABP, over duurzaam en verantwoord beleggen, onderwerp van gesprek is geweest in regulier overleg de afgelopen tijd tussen het ABP en de sociale partners. Samen met de sociale partners is de rijksoverheid, als werkgever, medeverantwoordelijk voor de inhoud van de pensioenregeling die door het ABP wordt uitgevoerd. Tegelijk schrijft de Pensioenwet voor dat een pensioenfonds een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft voor de wijze waarop de uitvoering van de pensioenregeling plaatsvindt. Onder deze eigenstandige verantwoordelijkheid valt ook de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds voor het beleggingsbeleid, waar het nieuwsbericht over gaat, en de verantwoordelijkheid dat het beleggingsbeleid past bij de risicohouding en de beleidsuitgangspunten en -doelstellingen.
Verwacht u dat de stap van het ABP bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen? Kunt u dat toelichten?
De overheid werkt productief samen met de pensioensector in het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (IMVB) convenant om het proces van gepaste zorgvuldigheid, conform OESO-richtlijnen, opgenomen te krijgen in het beleggingsbeleid en geïmplementeerd te laten worden in de beleggingspraktijk van de pensioenfondsen. De in het IMVB-convenant opgenomen OESO-richtlijnen schrijven onder andere voor dat een pensioenfonds in eerste instantie zijn invloed aan moet wenden om risico’s voor mens en milieu te voorkomen en aan te pakken. Het ABP heeft zich ook gecommitteerd aan het convenant. Dat schept bepaalde verwachtingen, bijvoorbeeld dat het besluit van ABP om niet langer in fossiele ondernemingen te beleggen, bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Uitspraken van de bestuursvoorzitter in de media wijzen daar ook op. Tegelijk is het niet zeker dat deze stap van het ABP bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen. Het is immers goed mogelijk dat er andere investeerders zijn die wel in deze ondernemingen willen investeren. Het besluit van ABP om niet langer in fossiele ondernemingen te beleggen, verlaagt wel het aan klimaat gerelateerde risico van de eigen portefeuille en dat kan, gegeven dat doel, een stap in de goede richting zijn.
Ziet u andere mogelijkheden waarmee Nederlandse pensioenfondsen kunnen bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen?
Zie antwoord vraag 4.
Past het duurzame beleggingsbeleid van het ABP binnen de richting die De Nederlandsche Bank (DNB) beschrijft in zijn laatste sectorbrief inzake Duurzaam beleggen pensioenfondsen d.d. 27 augustus 2018?1
Als Staatssecretaris kan ik niet ingaan op de vraag of een individueel pensioenfonds wel of niet binnen wettelijke kaders of toezichtverwachtingen blijft, ook niet als het ABP betreft. Wel kan ik opmerken dat DNB in haar sectorbrief onder meer aangeeft aan dat er geen eenduidige, kant en klare oplossing is om duurzaamheidsoverwegingen een plaats te geven in het beleggingsproces. DNB ziet dat duurzaam beleggen voor een belangrijk deel een kwestie is van «learning by doing»; door aan de slag te gaan kan de eigen organisatie van het pensioenfonds, maar ook de markt als geheel, vooruitgang boeken.
De Pensioenwet geeft ruimte om een duurzaam beleggingsbeleid te voeren. Het is aan het pensioenfondsbestuur om een beleggingsbeleid in te richten dat aansluit bij de beleidsuitgangspunten, doelstellingen en risicohouding van het pensioenfonds zoals deze in overleg met de fondsorganen is vastgelegd. DNB bepaalt niet welke keuzes pensioenfondsbesturen hierin maken.
De pensioenwet schrijft voor dat, in het kader van risicobeheer, een fonds ingaat op de risico’s van milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen met betrekking tot de beleggingen en het beheer daarvan. In welke mate pensioenfondsen risico’s lopen is per pensioenfonds verschillend en afhankelijk van de beleggingsportefeuille. Het is niet onlogisch dat pensioenfondsen de energietransitie en de risico’s die daarmee samenhangen een plek geven in hun risicobeheer en beleggingsbeleid.Afbouw van fossiele exposure kan daar het gevolg van zijn, en het is toe te juichen toe dat deze afwegingen steeds meer bewust en proactief worden meegenomen.
DNB adviseert in de sectorbrief om voor het duurzaam beleggingsbeleid in overleg te gaan met de verschillende fondsorganen en te zorgen voor draagvlak en commitment, op welke manier gaat DNB toetsen of pensioenfondsen dit overleg in voldoende mate voeren en daarmee hun beleid aanpassen aan de wensen van de deelnemers?
Het strategisch beleggingsbeleid van een pensioenfonds moet aansluiten op de risicohouding, beleidsuitgangspunten en doelstellingen van een pensioenfonds. Deze risicohouding, beleidsuitgangspunten en doelstellingen worden door het pensioenfonds vastgelegd in overleg met de fondsorganen (artikel 102a Pensioenwet). De sectorbrief van DNB is een advies over hoe pensioenfondsen richting kúnnen geven aan het betrekken van duurzaamheid in hun beleid. Het is geen wettelijke verplichting waar DNB op toe kan zien. Hoe individuele fondsen invulling geven aan het advies om voor draagvlak en commitment te zorgen is naar eigen verantwoordelijkheid.
DNB adviseert in de sectorbrief aan pensioenfondsen om samen te werken op het gebied van actieve engagement bij hun beleggingen, in hoeverre komen deze samenwerkingsverbanden van de grond om duurzaamheidsdoelstellingen te behalen?
Pensioenfondsen werken op verschillende terreinen samen op het gebied van actieve engagement. Binnen het IMVB-convenant is er een zogenoemd Diepe Spoor ingericht waarin pensioenfondsen onderling en met de overheid, vakbonden en ngo’s gezamenlijk in verschillende gevallen, of cases, samenwerken. Ook buiten het convenant wordt steeds meer samengewerkt door uitvoerders uit de Nederlandse pensioensector. Zo hebben enkele pensioenfondsen het Dutch Engagement Network opgericht en werken Nederlandse pensioenfondsen samen onder het Global Real Estate Engagement Network (GREEN). Ook internationaal bundelen grote institutionele partijen, waaronder Nederlandse pensioenfondsen, hun krachten, zoals bij Climate Action 100+. Veel pensioenfondsen besteden engagement uit aan externe engagementproviders. Deze externe partijen bundelen vaak de krachten van hun klanten, waardoor deze ook indirect samen optrekken.
Hoe waardeert u het feit dat DNB bij het beleggingsbeleid actief engagement adviseert, terwijl ABP zich juist terugtrekt uit bepaalde beleggingscategorieën?
Uit het bericht dat ABP besloten heeft niet langer in fossiele ondernemingen te beleggen, valt niet op te maken wat er gebeurt met actief engagement die ABP pleegt in andere beleggingscategorieën.
Tot in welke mate vindt u het wenselijk dat pensioenfondsen zich in hun beleggingsbeleid laten leiden door maatschappelijke thema’s, terwijl hun primaire doel een zo hoog mogelijk pensioen voor hun deelnemers is?
Een duurzaam beleggingsbeleid moet voldoen aan de uitgangspunten van het prudent person beginsel. Dit betekent onder meer dat belegd wordt in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden (conform artikel 135, lid 1a, Pensioenwet). Daarbij moet de beheersing van de beleggingen op orde zijn (artikel 143, Pensioenwet). Meer algemeen geldt dat een pensioenfonds in het kader van een beheerste en integere bedrijfsvoering moet beschikken over adequaat risicobeheer. Dat ziet ook op eventuele risico’s uit hoofde van milieu, sociale en governancefactoren. De toelichting op het FTK (2018) geeft dat ook aan: een pensioenfonds heeft als langetermijnbelegger direct te maken met de consequenties van niet-duurzame ecologische, economische of maatschappelijke ontwikkelingen op de toekomstige waarde van de beleggingen.
Het ABP geeft in haar persbericht van 26 oktober 2021 aan dat het besluit om niet langer te beleggen in producenten van fossiele brandstoffen voldoet aan haar criteria voor rendement, risico, kosten en duurzaamheid. De Pensioenfederatie laat weten dat deelnemers in toenemende mate worden geraadpleegd. Daarbij blijkt dat veel deelnemers maatschappelijk verantwoord beleggen belangrijk vinden. Het pensioenfonds heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen voor draagvlak onder belanghebbenden voor de keuzes over verantwoord beleggen (Code Pensioenfondsen, norm 7).
Het bericht ‘Welkom Energie officieel failliet: gedupeerde klanten zien kans op compensatie slinken’. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Welkom Energie officieel failliet: gedupeerde klanten zien kans op compensatie slinken»?1
Ja.
Klopt het dat de 90.000 klanten van deze kleine energieleverancier honderden euro’s dreigen te verliezen, omdat zij bijvoorbeeld te veel betaalde termijnbedragen niet terug zullen krijgen? Wat betekent voor deze klanten de overstap naar een nieuwe energieleverancier?
Laat ik vooropstellen dat ik het uitermate vervelend vind wanneer consumenten geconfronteerd worden met het faillissement van hun energieleverancier, zowel voor wat betreft de onzekerheid die hen dit geeft ten aanzien van de energielevering als ten aanzien van de onzekerheid over eventuele financiële gevolgen. Ik ga in onderstaand antwoord eerst in op de gevolgen die consumenten ondervinden van het faillissement en als tweede in op de gevolgen die consumenten ondervinden van de overstap naar een nieuwe energieleverancier.
Ten eerste heeft een faillissement financiële gevolgen voor de consument, maar geen gevolgen voor de leveringszekerheid van consumenten, die is te allen tijde gewaarborgd. Het is wettelijk gegarandeerd dat de klanten van de wegvallende leverancier voorzien zijn van energie.2 De financiële gevolgen vloeien voort uit het wettelijk systeem van faillissementen, want bij een faillissement van een energiebedrijf gelden dezelfde regels als bij een faillissement van elk ander bedrijf, zoals bepaald in het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet. De volgorde van uitbetaling van vorderingen aan schuldeisers is wettelijk bepaald. Het uitgangspunt in het Burgerlijk Wetboek (BW) is de «paritas creditorum». Dat betekent dat alle schuldeisers in beginsel hetzelfde recht hebben op een gelijke vergoeding uit de netto opbrengst van de boedel, naar evenredigheid van hun vordering, tenzij de wet iets anders heeft geregeld, bijvoorbeeld door een bepaalde schuld voorrang te geven. Een consument is volgens de wet een «concurrent schuldeiser». Concurrente schuldeisers worden uitbetaald nadat onder meer de boedelvorderingen (bv. salariskosten van curator, taxatiekosten), zekerheidsgerechtigde schuldeisers (pand- en hypotheekhouders) en vorderingen van schuldeisers met preferente vorderingen zoals de Belastingdienst zijn betaald. Consumenten krijgen betaald naar verhouding van de omvang van hun openstaande vordering bij hun failliete leverancier.
Als de energieleverancier die failliet is gegaan, de consument nog gelden schuldig is, bijvoorbeeld te veel betaalde voorschotbedragen, een eventuele waarborgsom of een cash-back bonus, dan zijn deze gelden onderdeel van de failliete boedel.
Afhankelijk van de hoogte van betaalde termijnbedragen, een eventuele waarborgsom, de hoogte van het verbruik, het moment van de jaarafrekening en het moment van het faillissement is het mogelijk dat de consument meer heeft betaald dan voor het verbruik benodigd zou zijn geweest. Meerdere variabelen zijn hierop van invloed en daarom zullen er bij faillissementen altijd consumenten zijn die meer financieel verlies lijden en er zullen altijd consumenten zijn die minder financieel verlies leiden.
Uiteindelijk is het de curator die bepaalt hoe de financiële afhandeling wordt gedaan op basis van de Faillissementswet. Uit het eerste verslag van de curator blijkt dat hij bezig is met het in kaart brengen van de verschillende schulden en baten.3 Op basis daarvan en aan de hand van de in de wet bepaalde volgorde zal worden bepaald of consumenten nog gelden terugkrijgen, en zo ja hoeveel. Hier kan ik geen uitspraken over doen.
De beschreven systematiek geldt niet alleen bij het faillissement van een energieleverancier, deze systematiek geldt breed voor alle faillissementen in Nederland. Dit veranderen zou een forse wijziging van het systeem en een aantal wetten eisen, onder andere de Faillissementswet, het Burgerlijk Wetboek en de Invorderingswet.
Om op de korte termijn een verschil te maken voor consumenten, zie ik meer mogelijkheden bij het specifieke wettelijke kader voor toezicht op energieleveranciers. Naar aanleiding van de ontwikkelingen op de markt ben ik in gesprek met ACM en leveranciers om te kijken of het wettelijk kader voor toezicht van ACM robuust genoeg is. Het is een gezamenlijke opdracht om te zorgen dat de energieleveranciers voldoende kwaliteit, klantgerichtheid en risicomanagement hebben om de verwachtingen van consumenten te kunnen waarmaken. Klanten moeten er vanuit kunnen gaan dat hun leverancier voldoende financiële middelen heeft om de inkoop voor energie ook bij hogere marktprijzen te kunnen garanderen.
Ik wil onderzoeken of het wenselijk en mogelijk is om hier nadere eisen aan te stellen en zo ja, welke eisen het doel het beste bereiken en goed uitvoerbaar zijn voor zowel energieleveranciers als de ACM. Daarbij moet ook onderzocht worden wat de gevolgen zouden kunnen zijn op de prijsvorming en op de mogelijkheid voor nieuwe leveranciers om tot de markt toe te treden. Bij dit onderzoek wil ik tevens de mogelijkheden onderzoeken om de positie van consumenten bij faillissementen te verbeteren. Ik zal dit door een externe partij laten onderzoeken, in goed overleg met de ACM en de leveranciers. Indien dit leidt tot wijzigingen in de wetgeving, zal ik uw Kamer informeren. Zie hierover ook het antwoord op vraag 3.
Naast de beschreven financiële gevolgen voor een consument van een faillissement van een energieleverancier, is een ander nadelig gevolg dat consumenten te maken krijgen met een nieuw energiecontract en dus nieuwe voorwaarden. De huidige ontwikkelingen op de energiemarkt uiten zich helaas in stijgende energietarieven. Ook voor (nieuwe) klanten bij Eneco is het maandbedrag hoger, aangezien Eneco in oktober tegen de hogere prijzen energie voor de nieuwe klanten heeft moeten inkopen.
In de brief naar aanleiding van motie Omtzigt c.s. bij de derde termijn van de Algemene Financiële Beschouwingen inzake energieleveranciers (Kamerstuk 34 552, nr. 38) heb ik uiteengezet waarom de precieze omvang van de hogere kosten voor de consumenten van Welkom Energie verschilt per individuele klant en niet algemeen vast te stellen is. De casus van Welkom Energie laat zien dat individuele compensatie zeer ingewikkeld is en veel tijd zou kosten, met als gevolg dat de consumenten lang zouden moeten wachten op enige compensatie. Dat is niet in het belang van de consument en juist daarom heeft het kabinet gekozen voor de generieke en snelle ingreep op de energierekening door het verlagen van de belastingen voor iedereen. De door het kabinet voorgestelde aanpassing van de energiebelastingen gaat per 1 januari 2022 in, maar Eneco heeft de verlaging al doorberekend in de voorschotten die deze klanten betalen. Daarmee wordt uiteraard niet de gehele stijging voor deze huishoudens gecompenseerd, ook niet voor de klanten van Welkom Energie, maar het is wel een substantiële compensatie.
Op welke manier beschermt de overheid consumenten voor te hoge prijsstijgingen op de energierekening en een faillissement van de energieleverancier? Is deze consumentenbescherming, gelet op de huidige situatie, naar uw mening nog voldoende? In hoeverre mag van consumenten verwacht worden dat zij alle consequenties overzien van de energiecontracten die zij sluiten?
De Europese Unie heeft eind jaren negentig gekozen voor een vrije energiemarkt voor elektriciteit en gas (eerste liberaliseringsrichtlijn voor energie). Ook in Nederland zijn energieleveranciers actief op een vrije markt, waarin sprake is van onderlinge concurrentie. Inherent aan deze concurrerende omgeving is de toe- en uittreding van energieleveranciers, waarbij faillissementen helaas kunnen voorkomen.
Het voordeel van een vrije markt is dat consumenten zelf energietarieven kunnen vergelijken, keuzevrijheid hebben uit verschillende energieleveranciers en dat energieleveranciers innoveren in producten, dienstverlening en soort energie die aangeboden wordt (bijvoorbeeld hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare elektriciteit uit Nederland etc.). Zo kan elk huishouden zelf vrij kiezen van welke leverancier en tegen welke voorwaarden hij/zij elektriciteit en gas wil afnemen, waaronder de keuze voor grijze of hernieuwbare elektriciteit, de keuze voor vaste of variabele prijzen, de keuze voor een kort of lang lopend contract en de keuze om te wisselen van energieleverancier.
In deze energiemarkt worden energieprijzen door leveranciers doorberekend aan consumenten. Consumenten kunnen kiezen voor vaste of variabele tarieven en voor een kort of lang lopend contract. De overheid beschermt consumenten niet tegen prijsstijgingen, zoals dat ook voor prijsstijgingen van andere producten en diensten niet gebruikelijk is. Sinds afgelopen zomer is er echter sprake van een uitzonderlijke situatie op de gasmarkt. De energieprijzen, en in bijzonder die van gas, zijn de afgelopen maanden fors gestegen. Het kabinet ziet dat deze situatie onzekerheid oplevert, omdat huishoudens en ondernemers zich zorgen maken of de prijzen blijven stijgen en of ze hun energierekening nog kunnen betalen. Het kabinet erkent deze zorgen en heeft daarom besloten om dit jaar, eenmalig, de energiebelastingen aan te passen om een lastenverlichting te realiseren.
De ACM controleert of energieleveranciers kunnen voldoen aan de eisen voor leveringszekerheid en monitort in dat kader de financiële positie van energieleveranciers. Zij doet dit jaarlijks in oktober en vanwege de huidige marktomstandigheden dit jaar al in september, en kijkt daarbij een jaar vooruit. Door het gehele jaar heen voert ACM risico georiënteerd toezicht. Zo kijkt de ACM bijvoorbeeld met de coronacrisis en nu de hoge gasprijzen in hoeverre dergelijke crises invloed hebben op de betrouwbaarheid van de levering door de leveranciers. Daarnaast monitort de ACM de organisatorische, technische en financiële vereisten voor energieleveranciers blijvend, hetgeen ook dient ter bescherming van consumenten. Als ACM problemen signaleert, zal ze in nauwer contact met de onderneming te treden en zich in het uiterste geval voor te bereiden op de procedures rond eventuele faillissementen of intrekking van de leveringsvergunning voor het leveren aan huishoudens en klein-zakelijke afnemers. Het behoort niet tot de taak van ACM om faillissementen te voorkomen en dit ligt ook niet binnen de mogelijkheden van ACM. De taak van ACM is om de leveringszekerheid te borgen, met andere woorden om te zorgen dat consumenten niet zonder elektriciteit en gas komen te zitten.
In aanvulling op het huidige toezicht, werk ik aan een scherper wettelijk kader voor toezicht en scherpere eisen aan energieleveranciers, bijvoorbeeld de verplichting tot aanlevering van accountantsverklaringen en een expliciete meldplicht bij wijziging in organisatorische, financiële en administratieve kwaliteiten bij de onderneming.
De aanscherpingen zijn opgenomen in het voorstel voor een nieuwe Energiewet, welk wetsvoorstel momenteel voorligt bij betrokken toezichthouders voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets en zal na advisering door de Raad van State in 2022 naar uw Kamer worden gestuurd.
Deze periode van hoge prijzen voor gas en elektriciteit vormt een grote opgave voor alle leveranciers en voor het systeem van Nederland. We zien dat meerdere energieleveranciers failliet zijn gegaan en dat dit grote nadelige gevolgen voor consumenten heeft. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, vind ik het dan ook belangrijk – gezien de faillissementen dit jaar en de nadelige financiële gevolgen voor consumenten – om nader te onderzoeken of het wenselijk en mogelijk is nadere eisen te stellen aan de financiële positie van de energieleveranciers om zo de kans te verkleinen dat faillissementen zich voordoen. Bij dit onderzoek wil ik tevens de mogelijkheden onderzoeken om de positie van consumenten bij faillissementen te verbeteren, in aanvulling op de uitkomsten van het bovenstaande onderzoek. Als aangekondigd, zal ik dit door een externe partij laten onderzoeken, in goed overleg met de ACM en de leveranciers. Indien dit leidt tot wijzigingen in de wetgeving, zal ik uw Kamer informeren.
Tot slot ga ik in op de vraag in hoeverre consumenten de consequenties van energiecontracten kunnen overzien. De leveranciers hebben de verplichting consumenten te informeren over hun rechten alvorens zijn een energiecontract afsluiten. Het is momenteel wettelijk geborgd dat consumenten voordat zij hun contract sluiten op de hoogte worden gebracht van de belangrijkste aspecten van het leveringscontract. Hieronder valt niet alleen de prijs en prijs per factuurperiode, maar ook de duur van de overeenkomst, of de overeenkomst automatisch verlengd wordt, en informatie over opzeggen van het contract. De nieuwe Elektriciteitsrichtlijn die in het wetsvoorstel van de Energiewet wordt geïmplementeerd, bevat extra eisen ten opzichte van de huidige wettelijke regels, bijvoorbeeld een samenvatting van het contract en opname van de einddatum van het contract in de factuur en factureringsinformatie.
Ook stelt de Elektriciteitsrichtlijn eisen aan prijsvergelijkingsinstrumenten zodat de consument op transparante wijze van informatie wordt voorzien om hem in staat te stellen het contract te kiezen dat het beste bij hem past.
Daarnaast biedt ACM Consuwijzer onafhankelijke informatie over het aangaan en opzeggen van contracten. Met de recente verhoging van de energieprijzen ziet de ACM de informatiebehoefte van consumenten veranderen. Daarom geeft de ACM onder andere via het loket van ACM ConsuWijzer meer voorlichting over leveringszekerheid en de rechten die consumenten hebben bij het aangaan en opzeggen van hun contract.
Is het mogelijk dat een aantal energieleveranciers, zijnde de zogenaamde «prijsvechters», te grote risico’s heeft genomen in de contractering van nieuwe klanten en contracten op de energiemarkten? Kan het zijn dat deze prijsvechters gegokt hebben op lage elektriciteitsprijzen op de spotmarkten en nu de rekening gepresenteerd krijgen, en dat de klanten hier nu de dupe van zijn? Hoe waardeert u dit gedrag en bent u bereid maatregelen te treffen zodat energieleveranciers prudent inkoopbeleid hebben?
De markt voor levering van energie aan kleinverbruikers is een vrije markt. Dat betekent onder meer dat energieleveranciers die voldoen aan de vergunningvereisten, vrij zijn in hun keuzes in bedrijfsvoering. Dit vergroot de concurrentie op de markt en leidt tot meer keuze en betere prijzen voor consumenten. Inherent aan deze concurrerende omgeving is de toe- en uittreding van energieleveranciers, waarbij de uittreding onder meer kan worden veroorzaakt door een faillissement.
In mijn brief naar aanleiding van motie Omtzigt c.s. naar aanleiding van de derde termijn van de Algemene Financiële Beschouwingen inzake energieleveranciers (Kamerstuk 29 023, nr. 275) ben ik ingegaan op de onafhankelijke rol van toezichthouder ACM op de energiemarkt en de wijze waarop zij deze rol vervult, ook specifiek ten aanzien van het financiële toezicht. Zo heeft ACM dit jaar in het jaarlijkse informatieverzoek leveranciers gevraagd te beschrijven welke inkoopstrategie ze hanteren. Hiermee verkrijgt ACM inzicht in de inkoopstrategie van energieleveranciers die kan worden gebruikt om extra duiding te geven aan de financiële cijfers (zo zou een partij met beperkte liquide middelen extra risico lopen als zij een risicovolle inkoopstrategie hanteert, waardoor ACM gerichter en uitgebreider kan doorvragen).
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangekondigd, wil ik een externe partij onderzoek laten doen, in goed overleg met de ACM en de leveranciers. Het onderwerp van prudent inkoopbeleid kan bij dit onderzoek worden meegenomen. Indien dit leidt tot wijzigingen in de wetgeving, zal ik uw Kamer informeren.
Deelt u de mening dat er strengere regels zouden moeten zijn voor (nieuwe) energieleveranciers met betrekking tot het aanhouden van financiële buffers, net zoals dat bij banken het geval is? Op welke wijze zou een dergelijk voorschrift vorm gegeven kunnen worden?
De ACM houdt toezicht op energieleveranciers die leveren aan huishoudens en klein zakelijke afnemers. Leveranciers moeten beschikken over een vergunning die zij aanvragen bij ACM. De ACM toetst of de leverancier op een betrouwbare wijze en onder redelijke tarieven en voorwaarden energie kan leveren aan huishoudens en klein-zakelijke afnemers. De ACM toetst of de leverancier de consument goed kan bedienen: de leverancier moet beschikken over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten. Met deze eisen is bedoeld te voorkomen dat energieleveranciers zich te lichtvaardig aanmelden voor deze taak en bijvoorbeeld onvoldoende kennis hebben van de energiemarkt.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3, toetst de ACM de financiën van een leverancier jaarlijks en kijkt onder meer of de financiën van een energieleverancier een jaar vooruit voldoende zijn. In mijn brief naar aanleiding van motie Omtzigt c.s. bij de derde termijn van de Algemene Financiële Beschouwingen inzake energieleveranciers (Kamerstuk 29 023, nr. 275) heb ik aangegeven, dat ik aan een scherper wettelijk kader voor toezicht door de ACM en scherpere eisen aan energieleveranciers werk, bijvoorbeeld de verplichting tot aanlevering van accountantsverklaringen en een expliciete meldplicht bij wijziging in organisatorische, financiële en administratieve kwaliteiten bij de onderneming. Deze maatregelen zijn opgenomen in het wetsvoorstel voor de Energiewet dat thans voorligt bij de betrokken toezichthouders voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets en dat in 2022 naar uw Kamer wordt gestuurd. Het onderwerp van financiële buffers kan tevens worden meegenomen bij het onderzoek dat ik heb aangekondigd in het antwoord op vraag 2.