De beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad over wat dient te worden verstaan onder ‘eerste aflossing’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Struycken , Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording van de prejudiciële vragen van de Hoge Raad over wat dient te worden verstaan onder «eerste aflossing» in het kader van een buitengerechtelijke schuldenregeling zoals bedoeld in artikel 285 eerste lid onder f en artikel 349a lid 1 Faillissementswet ECLI:NL:HR:2024:1913?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat de antwoorden van de Hoge Raad van grote invloed zijn op de huidige praktijk van (gemeentelijke) schuldhulpverlening?
Ja, wij zien dat de antwoorden van de Hoge Raad mogelijk grote gevolgen hebben voor zowel een buitengerechtelijke schuldregeling2 als het wettelijke schuldsaneringstraject.
De Hoge Raad biedt verduidelijking over wat wordt verstaan onder «eerste aflossing», «in het kader van» en een «buitengerechtelijke schuldregeling» als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f» in art. 349a lid 1 Fw. Dit wetsartikel is per 1 juli 2023 gewijzigd en geeft de mogelijkheid om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) in te laten gaan vanaf de dag waarop een eerste aflossing is gedaan in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling. De datum per wanneer de Wsnp van toepassing wordt verklaard kan daarmee voor de datum liggen waarop de rechter uitspraak doet. De Hoge Raad overweegt onder meer dat de periode tussen het moment dat de eerste aflossing is gedaan in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling en het moment dat de rechter de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreekt het minnelijke voortraject is. Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad blijkt dat onder de «eerste aflossing», «in het kader van» en «buitengerechtelijke schuldregeling» wordt verstaan dat ook aflossingen aan een of enkele schuldeisers wegens een door hen gelegd beslag als eerste aflossing kunnen gelden. Ook wanneer blijkt dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft moet dit worden gezien als «een eerste aflossing» in de zin van art. 349a lid 1 Fw. Dit kan daarmee ook gevolgen hebben voor de ingangsdatum van de toepassing van de Wsnp. De ingangsdatum van de Wsnp is afhankelijk van hoe het proces van een buitengerechtelijke schuldregeling heeft plaatsgevonden. Zo dient de schuldenaar, om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, te hebben voldaan aan de verplichtingen uit het buitengerechtelijk traject voortvloeien. Wij blijven monitoren hoe deze beantwoording zich in de praktijk verder ontwikkelt, voor zowel een buitengerechtelijke schuldregeling als het wettelijke traject.
Op welke wijze borgt u dat deze nieuwe toepassing zowel in beleid als uitvoering in alle gemeenten beschikbaar is, zodat mensen in een minnelijk schuldhulpverleningstraject erop kunnen vertrouwen dat dit traject in overeenstemming met de antwoorden van de Hoge Raad wordt uitgevoerd? Op welke wijze worden medewerkers in de schuldhulpverlening en het bredere werkveld geïnformeerd en geïnstrueerd over de juiste interpretatie van deze wet- en regelgeving, conform de antwoorden van de Hoge Raad?
Het kabinet werkt aan het Nationaal Programma Armoede en schulden. Hierin worden de maatregelen uit de kabinetsreactie op het IBO rapport over problematische schulden3 verder uitgewerkt. Hierbij wordt bekeken hoe de beantwoording van de Hoge Raad zich tot deze maatregelen verhoudt.
De invulling van een buitengerechtelijke schuldregeling is niet in wetgeving vastgelegd. Het is aan de uitvoerders zelf om naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad richtlijnen op te stellen en overeenstemming te bereiken met schuldeisers. De branchevereniging NVVK heeft aangekondigd de gedragscode voor schuldhulpverleners te wijzigen naar aanleiding van de antwoorden van de Hoge Raad.
Wordt bij de verdere ontwikkeling van de basisdienstverlening rekening gehouden worden met de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad? Zo ja, op welke wijze?
Nee, de basisdienstverlening4 blijft ongewijzigd. Deze is middels bestuurlijke afspraken op 24 maart 2024 vastgesteld.5 De basisdienstverlening gaat niet expliciet over een buitengerechtelijke schuldregeling, maar kijkt naar verschillende aspecten binnen de gehele schuldhulpverlening, zoals de aanmeldfase en nazorg. De basisdienstverlening is vastgesteld en wordt momenteel geïmplementeerd via het actieplan van de basisdienstverlening.6
Hoe beoordeelt u het verschil van inzicht tussen de «Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen» en de beantwoording van de prejudiciële vragen van de Hoge Raad?
Het is duidelijk dat er een verschil zit in de huidige Recofa-richtlijnen en de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad. Dit verschil ziet met name op wat kan worden verstaan onder de eerste aflossing in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling.
Tot voor kort werd ervan uit gegaan dat een eerste aflossing aan het collectief van schuldeisers diende te geschieden. Gelet op de beantwoording van de Hoge Raad zal moeten worden bezien wat de gevolgen hiervan zullen zijn voor de praktijk. Recofa heeft aangegeven dat het arrest van de Hoge Raad aanleiding geeft om de richtlijnen, voor zover deze zien op de in het arrest behandelde vraagstukken, opnieuw kritisch tegen het licht te houden en te bezien of wijziging daarvan noodzakelijk is.
Zou het – in het vervolg – niet beter c.q. zorgvuldiger zijn wanneer dusdanig concrete uitwerking van wet- en regelgeving wordt vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB), zodat het onder directe democratische controle staat, in plaats van in een richtlijn van Recofa? Zo nee, waarom niet?
De Recofa-richtlijnen zijn geen recht of wet in de zin van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, maar landelijke afspraken tussen insolventierechters ten einde te zorgen voor een zoveel mogelijk gelijke behandeling van gelijke gevallen. Deze richtlijnen worden op www.rechtspraak.nl gepubliceerd zodat schuldhulpverleners hier rekening mee kunnen houden en de beslissing van de rechter voor de schuldenaar voorspelbaarder wordt. Iedere rechter is evenwel bij de beoordeling van een schuldsaneringsverzoek, binnen de grenzen van de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad, vrij te beslissen op dat verzoek. Er zijn veel verschillen in de buitengerechtelijke schuldregelingen onderling, omdat zoals benoemd bij vraag 3, de invulling niet is vastgelegd in wetgeving. Juist daarom is het belangrijk dat de rechter een afweging kan maken op basis van maatwerk op basis van de situatie van de debiteur en de invulling van een buitengerechtelijke regeling. Wij zien vooral voordelen in deze Recofa-richtlijnen. Deze zijn namelijk door gespecialiseerde rechters opgesteld, zijn relatief snel aan te passen en bieden ruimte aan rechters om in concrete gevallen maatwerk te bieden. Er is bovendien geen grondslag in de Faillissementswet om tot een AMvB te komen om voor dit onderwerp regels te stellen.
Bent u het eens dat deze uitspraak er niet toe moet leiden dat de schuldhulpverlener geen maatregelen meer treft om een loonbeslag tegen te gaan binnen het minnelijke traject om de gelijkheid van schuldeisers te waarborgen?
Hier zijn wij het mee eens. We volgen de ontwikkelingen hieromtrent op de voet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijven hierover in gesprek met de direct betrokken belanghebbenden. Bij de uitwerking van de IBO maatregelen wordt bekeken hoe de beantwoording van de Hoge Raad zich hiertoe verhoudt en waar nodig wordt dit meegenomen in de verdere uitwerking.
De Ranglijst Christenvervolging 2025 van Open Doors. |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU), Derk Boswijk (CDA), Isa Kahraman (NSC) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2025 van Open Doors, waarin gesteld wordt dat ruim 380 miljoen christenen te maken hebben met zware vervolging en discriminatie vanwege hun geloofsovertuiging?1
Ja. Op 4 februari jl. heb ik dit rapport persoonlijk in ontvangst genomen, hetgeen mij de gelegenheid gaf om direct met Open Doors van gedachten te wisselen over de bevindingen van het rapport.
Herkent u de trends die Open Doors schetst, namelijk dat 380 miljoen christenen wereldwijd te maken hebben met zware vervolging en discriminatie omwille van hun geloof; de toename van autoritaire regimes in Centraal-Azië; christenen en andere minderheden die klem zitten in landen die gebukt gaan onder burgeroorlog, zoals Soedan, Jemen en Myanmar; het escalerende geweld in Sub-Sahara Afrika, bijvoorbeeld in Nigeria, waar veel christenen slachtoffer zijn van geweld? Wat is in algemene zin uw (beleidsmatige) reactie op deze ontwikkelingen?
Het kabinet herkent de trends die worden geschetst in het Open Doors rapport en ziet eveneens een wereldwijde toename van vervolging, discriminatie en geweld tegen religieuze minderheden. Dit is, helaas, onderdeel van een bredere trend dat mensenrechten wereldwijd onder toenemende druk staan. De oorzaken zijn divers maar omvatten onder meer de opkomst van autoritaire regimes, de impact van burgeroorlogen op etnische minderheden (zoals in Soedan, Jemen en Myanmar) en het escalerende geweld in Sub-Sahara Afrika. Vrijheid van religie en levensovertuiging is daarom al vele jaren één van de vijf kernprioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Ook dit kabinet blijft zich inzetten voor vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. Dat gebeurt onder andere door inzet via multilaterale fora, bilaterale gesprekken en steun aan ngo’s die opkomen voor religieuze minderheden.
Welke mogelijkheden ziet u om, bijvoorbeeld via de Verenigde Naties (VN)-mensenrechtenraad via het middel van de Universal Periodic Review, misstanden te benoemen, zoals bijvoorbeeld in de aankomende review van Kirgizië, een land dat opvalt op de lijst door de snelle verslechtering van de positie van christenen en andere religieuze en niet-religieuze minderheden?
Nederland doet in de Universal Periodic Review(UPR) regelmatig aanbevelingen over vrijheid van religie en levensovertuiging en vraagt in de VN-Mensenrechtenraad actief aandacht voor de bescherming van religieuze minderheden. Samen met gelijkgezinde partners zal Nederland de situatie in Kirgizië en andere landen waar de religieuze vrijheid onder druk staat, aan de orde blijven stellen. De negatieve ontwikkelingen in Kirgizië zullen worden meegenomen in de Nederlandse aanbevelingen tijdens de 49e UPR-sessie in mei 2025.
Welke mogelijkheden ziet u om de vrijheid van religie en levensovertuiging een belangrijk agendapunt te maken in besprekingen met landen als Saoedi-Arabië, India en China, en de andere landen op de Ranglijst Christenvervolging die zowel qua handel als diplomatiek belangrijke partners zijn van Nederland?
Zowel bilateraal als in EU-verband zijn mensenrechten onderwerp van gesprek met de autoriteiten van landen zoals Saoedi-Arabië, India en China. Op voorstel van onder meer Nederland is vrijheid van religie bijvoorbeeld expliciet besproken tijdens de EU-India Mensenrechtendialoog die op 8 januari jl. plaatsvond. Tijdens het inkomende bezoek van Chinese vicepremier Ding Xuexiang op 21 en 22 januari jl. zijn de mensenrechtensituaties in Xinjiang en Tibet besproken. Op 22 en 23 oktober jl. bracht de Mensenrechten Ambassadeur een bezoek aan Saoedi-Arabië in het kader van de bilaterale mensenrechtendialoog tussen beide landen.
Klopt het dat Pakistan al jaren een speciale EU-handelsstatus (GSP+) kent? Klopt het tevens dat de beloofde verbetering op het gebied van mensenrechten, inclusief de vrijheid van religieuze minderheden waaronder christenen en bijvoorbeeld ook de Ahmadiya moslimminderheid niet behaald lijkt, en dat de situatie op dit terrein zelfs lijkt te verslechteren? Welke mogelijkheden ziet u in dit verband om ervoor te zorgen dat de regering van Pakistan serieus werk gaat maken van een verbetering?
Pakistan valt sinds 2014 onder het APS+ schema van het Algemeen Preferentieel Stelsel. In ruil voor het implementeren van 27 internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu en goed bestuur, krijgen APS+ landen tariefvrije toegang voor 66% van de EU-tarieflijnen. De effectieve implementatie van die verdragen wordt door de Europese Commissie gemonitord.
De Europese Commissie riep Pakistan in het APS+ monitoringsrapport van november 2023 o.a. op om maatregelen te nemen ter verbetering van rechten van minderheden en vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook in de huidige monitoringscyclus zijn dit aandachtspunten. De Europese Commissie brengt waarschijnlijk in juni 2025 een bezoek aan Pakistan in het kader van de tweejaarlijkse APS+ monitoringscyclus. Nederland heeft, in lijn met de motie Ceder en Stoffer2 in Brussel het belang benadrukt om effectieve maatregelen ter bescherming van religieuze minderheden zwaar mee te laten wegen in de beoordeling van Pakistan. In EU-verband wordt consistent de boodschap aan de Pakistaanse autoriteiten overgebracht dat verlenging van de Pakistaanse APS+ status mede afhangt van voortgang op mensenrechten, waaronder de situatie van religieuze minderheden. Zo vonden er in november 2024 twee dialogen plaats tussen Pakistan en de EU (de «Pakistan-EU Sub-Group meeting on Democracy, Governance, Rule of Law and Human Rights» en de «Pakistan-EU Sub-Group on Trade») waarin onder andere de APS+ onderwerp van gesprek was. Bij deze gesprekken is van de zijde van de EU het belang van volledige implementatie van de 27 internationale verdragen benadrukt. Nederland brengt deze boodschap ook bilateraal over, meest recentelijk tijdens de bilaterale politieke consultaties in Islamabad op 20 januari 2025.
Herkent u de signalen uit landen uit sub-Sahara Afrika en ook Jemen dat bij de distributie van noodhulp sprake is van discriminatie? Wat bent u van plan te doen om NGO’s en andere partners te stimuleren op het gebied van religieuze geletterdheid en een gelijke behandeling te garanderen voor een ieder, ongeacht leeftijd, geslacht religie of levensovertuiging?
Humanitaire hulp wordt geboden op basis van humanitaire principes (neutraliteit, onpartijdigheid, onafhankelijkheid en menselijkheid) en een analyse van de hulpbehoeftes. Dit heeft tot doel om ervoor te zorgen dat hulp de mensen met de hoogste noden bereikt, inclusief kwetsbare groepen. In gevallen waar berichten ons bereiken dat gemarginaliseerde groepen niet bereikt worden gaat Nederland het gesprek hierover aan met hulporganisaties en met nationale overheden die als eerste verantwoordelijk zijn voor mensen in nood. Nederland heeft geen signalen ontvangen dat er momenteel sprake zou zijn van discriminatie jegens religieuze minderheden bij de distributie van noodhulp in sub-Sahara Afrika en Jemen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief over toekomstige samenwerking met maatschappelijke organisaties van 11 november jl. van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, blijft er in het nieuwe programma voor het maatschappelijk middenveld na 2025 aandacht voor het beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentele vrijheden van kwetsbare groepen met specifieke inzet op religieuze minderheden en lhbtiq+-personen.
Herkent u het beeld dat in landen als Nigeria, Burkina Faso, Myanmar en India veel mensen op de vlucht zijn binnen het eigen land? Hoe kan Nederland helpen om deze mensen die in eigen land gevlucht zijn (IDP’s) vrijwillig terug te laten keren, waarbij er speciale aandacht is voor veiligheid voorafgaand, tijdens en na de terugkeer, herstel en teruggave van land, huizen en andere eigendommen, humanitaire hulp, basisdiensten en duurzame mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien en tot slot ook rechtspraak over gepleegde misdaden, veroordeling van schuldigen en rehabilitatie van slachtoffers?
Wereldwijd, waaronder in de genoemde landen, zijn veel mensen op de vlucht in eigen land. Deze landen zijn zelf primair verantwoordelijk voor de vrijwillige terugkeer van IDP’s. Waar mogelijk ondersteunt Nederland dit door programma’s gekoppeld aan migratie, veiligheid en rechtsorde. Zo konden mede door de Nederlandse bijdrage aan de Regionale Stabilisatiefaciliteit voor de Tsjaadmeerregio ruim 1,1 miljoen ontheemden terugkeren naar hun gemeenschap, of zich in een andere gestabiliseerde gemeenschap hervestigen – merendeels in Noordoost-Nigeria. Via het programma PROSPECTS3 investeert Nederland in meerdere landen in het verbeteren van toegang tot onderwijs, bescherming en werk voor IDP’s en gastgemeenschappen.
Op welke manier kan het kabinet de Nigeriaanse overheid en andere overheden in Sub-Sahara Afrika ondersteunen in het voeren van een actief beleid op het vinden, verzamelen en in beslag nemen van (hand)vuurwapens?
Het kabinet erkent het belang van de ondersteuning van overheden in het voeren van een actief beleid op het vinden, verzamelen en in beslag nemen van (hand)vuurwapens. In Nigeria ondersteunt Nederland de overheid middels een bijdrage aan de bovengenoemde Regionale Stabilisatiefaciliteit en aan de Europese Vredesfaciliteit (EPF). Via deze instrumenten wordt een Multinational Joint Task Force(MNJTF) ondersteund in militaire operaties tegen jihadistische bewegingen in de Tsjaadmeerregio, waarbij wapens in beslag worden genomen en vernietigd.
Welke mogelijkheden ziet u om een internationale onderzoekscommissie op te richten onder auspiciën van de VN om de aard en de omvang van het geweld in Nigeria te onderzoeken, met bijzondere aandacht voor de achterliggende religieuze identiteit van daders en slachtoffers van dit geweld?
Nederland zal in de Mensenrechtenraad actief aandacht blijven vragen voor religieus geweld, en de Speciaal Rapporteur Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, Nazila Ghanea, oproepen aandacht te schenken aan de situatie in Nigeria. De Speciaal Rapporteur kan ook zelfstandig onderzoek doen naar landensituaties. In 2023 uitte de Speciaal Rapporteur, samen met andere VN-gezanten, nog haar zorgen over de situatie van christenen in Nigeria.
Nederland heeft tijdens de 57e Mensenrechtenraad (september jl.) Nigeria opgeroepen religieuze gemeenschappen te beschermen, en dit ook tijdens de Universal Periodic Review van Nigeria in 2024 opgebracht. Het kabinet acht het op dit moment onwaarschijnlijk dat er brede steun zal zijn voor het oprichten van een VN-gemandateerde internationale onderzoekscommissie voor religieus geweld in Nigeria.
Op welke manier dringt u er bij de Algerijnse regering op aan om alle waarschuwingen, sluitingsbevelen en rechtszaken tegen kerken en andere gebedshuizen in te trekken; te zorgen voor de onmiddellijke heropening van alle gesloten kerken; en toestemming te verlenen aan alle kerken die zijn aangesloten bij de Eglise protestante d'Algérie (EPA) om gehuurde gebouwen te blijven gebruiken als gebedshuizen?
De bilaterale relatie met Algerije is breed en beslaat vele beleidsterreinen. In gesprekken met de Algerijnse autoriteiten komt ook vrijheid van religie en levensovertuiging in beide landen aan bod. Zo sprak de Nederlandse ambassadeur in Algerije hier begin januari over met de Algerijnse Minister van Religieuze Zaken.
Wat is de strategie van het kabinet om technologische ontwikkelingen ook vanuit een mensenrechtenperspectief te bekijken en het voortouw te nemen bij het ontwikkelen van Europese en internationale normen en ethische kaders rond de export en het gebruik van technologie en AI over de hele wereld?
Het kabinet zet zich in voor het versterken van democratische principes en mensenrechten in de context van (nieuwe) technologieën, waaronder Artificiële Intelligentie. Hieronder valt de waarborging van mensenrechten en democratische beginselen bij standaarden voor nieuwe technologieën en het stimuleren van staten en bedrijven om mensenrechtenschendingen tegen te gaan. Het kabinet blijft bepleiten dat internationaal recht ook voor digitale middelen geldt, wereldwijd. De inzet staat verder beschreven in de Internationale Cyberstrategie (2023–2028).
De situatie in Syrië na het tijdperk Assad is op dit moment nog zeer onzeker, wat is de aanpak van Nederland als het gaat om een inclusieve behandeling van Syriërs die niet tot de religieuze meerderheid behoren, zoals christenen, Alevieten, niet-religieuzen en Koerden?
Het kabinet benadrukt sinds de val van het Assad regime het belang van een vreedzame en inclusieve transitie in Syrië. In gesprekken die gevoerd worden over Syrië en in internationale fora zoals de EU, zal Nederland dit blijven bepleiten. Zo heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken op 16 december 2024 opgeroepen tot bescherming van deze groepen. Daarnaast heeft de Speciaal Gezant voor Syrië tijdens zijn recente bezoek aan Damascus op 2 en 4 januari jl. het belang van de bescherming van alle gemeenschappen, waaronder christelijke minderheden, benadrukt. Voor het Nederlandse beleid met betrekking tot Syrië blijft de aandacht voor (religieuze) minderheden van belang.
Welke rol ziet u in het verband met de door Open Doors gesignaleerde ontwikkelingen voor de Nederlandse Speciaal gezant voor religie en levensovertuiging en de EU-gezant voor godsdienstvrijheid?
De Nederlandse Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging werkt middels coördinatie van diplomatieke inspanningen nauw samen met de EU-gezant om godsdienstvrijheid te bevorderen en vervolging van religieuze minderheden, waaronder christenen, tegen te gaan. Daarnaast heeft de Nederlandse Speciaal Gezant regelmatig contact met ngo’s, met name Faith Based Organisations, die zich inzetten voor godsdienstvrijheid. Zowel de Speciaal Gezant Religie en Levensovertuiging als de Mensenrechtenambassadeur gebruiken de publicaties van Open Doors regelmatig in hun werk. Ook proberen zij bij bezoeken aan landen waar veel christenvervolging plaatsvindt waar mogelijk kerken te bezoeken of christelijke gemeenschappen te ontmoeten.
Bent u bekend met de artikelen in het Nederlands Dagblad «Aramese christenen in Syrië vrezen voor hun bestaan en erfgoed: «Massale uittocht moet worden voorkomen»»1 en de Telegraaf «Israël waarschuwt voor gevaren van «slachter» Al-Sharaa: «Westen trapt vol in de val van nieuwe Syrische leider»»2?
Ja.
Hoe beoordeelt u de huidige veiligheidssituatie voor minderheden als Aramese christenen en Koerden in Syrië?
Sinds de val van het Assad-regime op 8 december 2024 is de situatie onoverzichtelijk. Het kabinet is bekend met de berichten over vermeende bedreigingen van inwoners van Maaloula door gewapende groepen. Tegelijkertijd blijft het HTS-leiderschap oproepen tot bescherming van alle gemeenschappen, onder wie ook Aramese christenen en Koerden. Het kabinet beschikt niet over informatie die berichten bevestigt dat er sinds de val van het Assad-regime sektarische incidenten hebben plaatsgevonden tegen Aramese christenen in Maaloula, maar we blijven dit monitoren.
Welke gevolgen verbindt u aan deze inschatting voor de Nederlandse en Europese diplomatieke inzet? Welke rol ziet u verder weggelegd voor Nederland en/of de Europese Unie (EU) in het waarborgen van constitutionele mensenrechten en een inclusieve politieke transitie naar een stabiel landsbestuur in Syrië?
Nederland benadrukt binnen de EU en in regionale contacten het belang van een door Syrië geleide inclusieve politieke transitie. In internationale fora, zoals de EU, zal Nederland blijven pleiten voor een vreedzame en inclusieve politieke transitie. Daarnaast heeft de Speciaal Gezant voor Syrië tijdens zijn recente bezoek aan Damascus op 2 en 4 januari jl. het belang van de bescherming van alle bevolkingsgroepen benadrukt.
Hoe beoordeelt u in dit licht de waarschuwingen van de Israëlische regering en waar blijkt dat uit in uw handelen?
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen die Israël heeft ten aanzien van de ontwikkelingen in Syrië. Nederland benadrukt in diplomatieke contacten het belang van een door Syrië geleide inclusieve politieke transitie met respect voor mensenrechten inclusief vrouwenrechten en gemeenschappen.
In hoeverre heeft u inzicht in de betrokkenheid van minderheden bij het opstellen van een nieuwe Syrische Grondwet, waarvan Hay’et Tahrir al-Sham (HTS)-leider al-Sharaa stelt dat het moet worden voorbereid en geschreven in de komende drie jaar?3
Onderwerpen zoals een politieke transitie, een nieuwe Grondwet en verkiezingen zullen aan bod komen in een nog te organiseren Nationale Dialoog Conferentie. Deze Conferentie is door de interim-regering aangekondigd maar er is nog geen datum bekendgemaakt. De interim-regering heeft aangekondigd vertegenwoordigers van alle geledingen van de Syrische bevolking uit te zullen nodigen.
Heeft de Speciaal Gezant voor Syrië toezeggingen gekregen of afspraken gemaakt met het interim-bestuur ten aanzien van de betrokkenheid van minderheden zoals christenen bij de politieke transitie? En zo ja, welke en met welk vervolg?
In de gesprekken van de Speciaal Gezant met de interim-regering in Damascus is de positie van etnische en religieuze gemeenschappen besproken, waarbij de interim-regering heeft aangegeven een Syrië na te streven waarin alle gemeenschappen zich thuis voelen. Zij zeggen daartoe direct contact te hebben gezocht met gemeenschaps- en geestelijke leiders.
Is de situatie in Maaloula aan bod gekomen in gesprekken met het interim-bestuur? Is het de inzet van HTS de oplopende spanningen in Maaloula te temperen en een massale uittocht van christelijke families kan voorkomen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat doet u met dit gegeven?
De Speciaal Gezant voor Syrië heeft tijdens zijn recente bezoek aan Damascus op 2 en 4 januari jl. gesproken over het belang van de bescherming van alle bevolkingsgroepen, inclusief Aramese christenen. Het kabinet onderstreept het belang van een rol in het politieke proces voor alle bevolkingsgroepen, waaronder christenen. De Speciaal Gezant heeft de situatie van christenen besproken tijdens zijn bezoek. De Speciaal Gezant heeft niet specifiek de situatie in Maaloula opgebracht.
Is in het gesprek tussen de Speciaal Gezant en het interim-bestuur naast over de aanwezigheid van Iran en Rusland, ook gesproken over aanwezigheid van Turkije en de vermoedde steun van deze staat aan de Sultan Suleiman Shah Brigade?
Er is met de Syrische interim-regering in dit eerste contact niet gesproken over specifieke milities of Brigades.
Bent u bekend met de uitspraak van Al-Sharaa dat Syrië en Rusland «gemeenschappelijke strategische belangen» hebben?4 Hoe zet u zich in om te voorkomen dat Rusland zijn strategische positie in Syrië terugwint in het huidige machtsvacuüm?
Tot welke inzichten hebben de gesprekken van de Speciaal Gezant met christelijke religieuze leiders geleid? Hoe gaat de Speciaal Gezant het ontstane beeld van de situatie betrekken bij eventuele vervolggesprekken met het interim-bestuur?
In de gesprekken heeft de interim-regering benadrukt dat religieuze en etnische minderheden al eeuwen een onlosmakelijk deel van de Syrische bevolking uit maken.
De christelijke geestelijk leiders die de Speciaal Gezant sprak hebben aangegeven niet als «minderheid» aangeduid te willen worden. Ook vanuit het leiderschap van de nieuwe regering, waaronder interim-Minister voor Buitenlandse Zaken Al-Shaibani, wordt duidelijk gemaakt dat men de term «minderheden», zoals veelal gebruikt in het Westen, wil vermijden. Dit creëert onnodige separatie tussen bevolkingsgroepen. Syrische christenen willen gezien worden als gelijk onderdeel van de Syrische bevolking en aangeduid als christelijke «gemeenschap».
Het kabinet zal bij vervolgcontacten het belang van een rol in het politieke proces voor alle bevolkingsgroepen, waaronder christenen, blijven benadrukken.
Bent u bekend met berichten dat HTS het onderwijsprogramma in de door hen gecontroleerde gebieden in Syrië ingrijpend heeft gewijzigd? Kunt u bevestigen dat deze wijzigingen, zoals gerapporteerd, een sterk ideologische insteek hebben, gericht op het herschrijven van geschiedenis en religieuze interpretaties?
Ja. In een reactie heeft de Syrische interim-Minister van onderwijs, Nazir al-Qadri, aangegeven dat verwijzingen naar de rol en functie van de familie Assad zijn aangepast. Hij gaf voorts aan dat het curriculum onveranderd blijft tot nog op te zetten commissies het eens zijn over een nieuw curriculum. Het kabinet acht het van belang dat de volle breedte van etnische en religieuze gemeenschappen in Syrië bij het transitie proces en het opnieuw opbouwen van een pluriforme gemeenschap, waar ook een geaccepteerd schoolcurriculum tot behoort, betrokken worden.
Hoe beoordeelt u de aanpassing in het curriculum waarbij de verwijzing naar «zij op wie (Allah) woedend is» expliciet wordt gekoppeld aan «christenen en joden»? Wat is uw visie op het verwijderen van de Aramese Koningin Zenobia en de Aramese goden uit de geschiedenisboeken? Deelt u de zorg van vragenstellers dat met het herschrijven van geschiedenis en schoolboeken, vrijheden en een cultuur waarin minderheden zich veilig weten steeds meer beknelt raken? Wordt het Syrisch bestuur hierop aangesproken?
Zie het antwoord op vraag 11.
Wat is uw reactie op de wijziging van de definitie van «martelaar,» waarbij dit nu verwijst naar iemand die sterft voor de islam in plaats van voor het vaderland? Welke gevolgen kan deze aanpassing hebben voor het bredere veiligheidsklimaat in Syrië?
Zie het antwoord op vraag 11.
Kunt u toelichten welke consequenties de afschaffing van de term «Ottomaanse bezetting» en het verwijderen van de jaarlijkse herdenking op 6 mei, waarop Syrische leiders door de Ottomanen werden geëxecuteerd, hebben?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke mogelijkheden ziet u voor Nederland, binnen de EU en de Verenigde Naties (VN), om aandacht te vragen voor deze zorgwekkende ontwikkelingen?
Verschillende landen zijn sinds de val van het Assad-regime bijeengekomen om de situatie in Syrië te bespreken, waarbij werd opgeroepen tot de bescherming van de rechten van gemeenschappen. Bijvoorbeeld op 14 december 2024 in Aqaba in Jordanië en op 12 januari jl. in Riyadh in Saoedi-Arabië, maar ook binnen VN- en EU-verband. Daarnaast hebben verschillende landen een bezoek aan Damascus afgelegd voor gesprekken met het interim-bestuur, waarin het belang van de rechten van minderheden en van een inclusieve politieke transitie is benadrukt. Ook worden er, onder andere door Nederland, verschillende initiatieven ondersteund die zich richten op accountability en de bescherming van mensenrechten.
Welke rol kan Nederland spelen in het bevorderen van een toekomst waarin inclusief en feitelijk correct onderwijs in Syrië wordt hersteld?
Zie het antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat er momenteel een avondklok van kracht is in Homs, Syrië? Zo ja, welke maatregelen nemen de Syrische autoriteiten om deze avondklok te handhaven, en wat zijn de gevolgen hiervan voor de lokale bevolking, met name voor minderheden in de stad?
Het kabinet is bekend met de beelden en de avondklok in de stad Homs. Inmiddels heeft de interim-regering op 12 januari een beperkte militaire actie in de stad Homs uitgevoerd, die op 16 januari is afgerond, gericht op elementen van het oude-regime en het vinden van wapenvoorraden. Inmiddels is de avondklok opgeheven.
Bent u bekend met videobeelden die de situatie in Homs tijdens de avondklok documenteren? Wat is de beoordeling van de impact van deze avondklok op de mensenrechten en de bewegingsvrijheid van burgers in de regio?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u op de hoogte van berichten over pamfletten waarin de Syrische autoriteiten vrouwen oproepen tot het dragen van islamitische klederdracht? Wat is de officiële reactie van de Syrische regering op deze oproep?
Ik ben op de hoogte dat er individuen zijn die een strikte hijab willen bevorderen. Het Syrisch interim-bestuur heeft eerder aangegeven dat kledingswijze een individuele keuze betreft.
Welke inspanningen levert u om de mensenrechten en vrijheden van burgers in Syrië te ondersteunen, en welk beleid is er bij situaties zoals nu al gerapporteerd in Maaloula en Homs?
Momenteel zijn er geen concrete aanwijzingen dat er specifieke minderheidsgroepen gevaar lopen onder het huidige interim-bestuur. Het kabinet benadrukt sinds de val van het Assad regime het belang van de bescherming van mensenrechten en (religieuze) gemeenschappen, zoals christenen, Koerden, Druzen en Alawieten. In internationale fora, zoals binnen de EU, zal Nederland blijven pleiten voor een vreedzame en inclusieve politieke transitie. Zo heeft Nederland tijdens de Raad van Buitenlandse Zaken op 16 december 2024 opgeroepen tot bescherming van deze groepen. Daarnaast heeft de Speciaal Gezant voor Syrië tijdens zijn recente bezoek aan Damascus op 2 en 4 januari het belang van de bescherming van alle bevolkingsgroepen benadrukt.
Wat doet Nederland om via internationale organisaties zoals de VN of andere mechanismen toezicht te houden op de mensenrechtensituatie in Syrië, en in hoeverre wordt de situatie in Homs daarbij geadresseerd?
Nederland zet zich al jaren in voor de verbetering van de mensenrechtensituatie in Syrië. Nederland steunt de VN-bewijzenbank van Syrië (IIIM) zowel politiek als financieel, en heeft voor 2024–2025 een bedrag van EUR 500.000 toegezegd. Met deze Nederlandse steun wordt het mechanisme in staat gesteld om bewijsmateriaal van mensenrechtenschendingen te blijven verzamelen. Daarnaast zet Nederland zich via de VN-Mensenrechtenraad in voor de verlening van het mandaat van de Commission of Inquiry (CoI) voor Syrië. De CoI doet sinds 2011 onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Syrië. Aangezien de CoI gemandateerd is om alle vermeende mensenrechtenschendingen in Syrië te onderzoeken, staat het de commissie vrij om ook onderzoek te verrichten naar de situatie in Homs.
Welke humanitaire hulp biedt Nederland momenteel aan kwetsbare gemeenschappen in Syrië, en hoe wordt ervoor gezorgd dat deze hulp de meest getroffen bevolkingsgroepen, waaronder minderheden in Homs, bereikt?
Nederland ondersteunt al jaren bij het reageren op humanitaire noden in Syrië middels ongeoormerkte bijdragen, waardoor humanitaire organisaties snel hun middelen kunnen inzetten op basis van de grootste noden. Tevens ondersteunde Nederland specifiek in 2024 met EUR 19,2 miljoen via zowel de Dutch Relief Alliance (DRA) als VN-landenfondsen. Die steun wordt ingezet ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Dit kan ook gemeenschappen in Homs betreffen.
De acute medische situatie van Palestijnen in Gaza |
|
Don Ceder (CU) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Israel raid empties northern Gaza’s last functioning major hospital of all patients and detains its director»1? Hoe beoordeelt u dit bericht en bent u al in gesprek met de Israëlische regering hierover?
Ja. Het kabinet heeft met zorg kennis genomen van de beschietingen op het Kamal Adwan-ziekenhuis en is zeer verontrust over de ontwrichting van het medische systeem in Gaza, en de grote impact op mensen die acute c.q. langdurige medische zorg nodig hebben. Zoals in de Kamerbrief van 21 januari jl. (Kamerstuk 23 432, nr. 546) is gemeld, wordt mede hierom in gesprekken met Israël steevast door het kabinet de noodzaak van een drastische toename van het hulpvolume voor de bevolking in de Gazastrook onderstreept.
Krijgen alle patiënten op dit moment de juiste medische zorg? Waar zijn alle patiënten allemaal naartoe overgebracht, zowel patiënten in kritieke toestand als patiënten in minder kritieke toestand? Kunnen zij daar voldoende zorg ontvangen en hoe verloopt het transport?
Het geweld in en rond het Kamal Adwan-ziekenhuis is op zichzelf uiterst zorgwekkend, maar het feit dat ook andere ziekenhuizen en medische posten in Noord-Gaza reeds grotendeels of volledig buiten dienst zijn geraakt maakt de impact extra groot. Patiënten werden uit het getroffen ziekenhuis geëvacueerd, maar of zij elders voldoende zorg konden ontvangen is hoogst onzeker.
Daar waar in het artikel wordt gesteld dat een aantal patiënten in kritieke toestand naar het Indonesian Hospital is gebracht, maar de directeur-generaal stelt dat deze buiten functie is, kunt u aangeven of deze bewering klopt? Is het dan zo dat patiënten in kritieke toestand dus de facto geen zorg krijgen? Indien er geen zorg is, kunt u per ommegaande opheldering vragen aan de Israëlische autoriteiten?
Die berichten zijn mij bekend. Het kabinet kan niet verifiëren hoeveel hulp op welk moment in welk ziekenhuis kan worden geboden maar het medische systeem in Noord-Gaza is duidelijk ontwricht. Nederland roept de Israëlische autoriteiten op om het humanitair oorlogsrecht te allen tijde te respecteren, en om toegang voor (medische) hulp snel en blijvend te faciliteren. De verruiming van humanitaire toegang door het staakt-het-vuren biedt enig perspectief voor alle mensen in Gaza die medische noodhulp behoeven.
Kunt u aangeven hoeveel werkende ziekenhuizen/medische centra nog werkzaam zijn in Gaza? Hoeveel medisch personeel is er naar schatting nog operationeel?
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) rapporteerde op 3 januari dat 20 van de 36 ziekenhuizen in Gaza waren gesloten en 16 nog deels operationeel. Hiermee was de totale capaciteit nog slechts 1800 ziekenhuisbedden. Daarnaast maakte de WHO melding van ernstige hinder bij de toelating en distributie van medische middelen, met vergaande consequenties voor de medische capaciteit.
Hoeveel veldhospita zijn er opgezet door Israël in Gaza? En hoeveel zijn daarvan in Noord-Gaza? Hoe beoordeelt u de stelling van de Verenigde Naties (VN) dat als gevolg van de inval 75.000 Palestijnen nu risico lopen2, ook in het licht van de stelling van de Israeli Defense Forces, zoas weergegeven in het artikel, dat de patiënten voorafgaand aan de operatie zijn geëvacueerd en «tienduizenden liters brandstof, voedsel en medische benodigdheden» zijn geleverd?
Volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de VN (OCHA) zijn elf veldhospitalen operationeel in Gaza. Deze worden gerund door hulporganisaties als Artsen zonder Grenzen en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging. In Deir al-Balah zijn vier veldhospitalen, in Khan Younis vijf en in Rafah twee. OCHA meldt dat van de elf veldhospitalen, zes volledig en vijf gedeeltelijk operationeel zijn. De in het artikel genoemde humanitaire levering van brandstof, voedsel, medische benodigdheden en andere essentiële goederen hield geen verband met Israëlische aanvallen op deze ziekenhuizen.
Hoeveel capaciteit hebben deze veldhospita en welke zorg kan er niet geleverd worden die normaal wel geboden kon worden in ziekenhuizen in Gaza?
De WHO meldde op 19 januari jl. n.a.v. het staakt-het-vuren dat de uitdagingen op het gebied van gezondheidszorg enorm blijven. Ziekenhuizen zijn beschadigd of gedeeltelijk verwoest. Medische evacuaties vanuit Gaza naar het buitenland verlopen nog steeds moeizaam. Veldhospitalen kunnen de rol van reguliere ziekenhuizen niet volledig opvangen. Er blijft een ernstig tekort aan gespecialiseerde zorg.
Daar waar in het artikel wordt gesteld dat er 240 mensen zijn opgepakt, waaronder de directeur, en verder wordt vermeld dat Hamas een basis had opgeslagen in het ziekenhuis, in hoeverre kunt u verifiëren of dit klopt?
Het kabinet heeft niet de informatie om dergelijke beweringen te kunnen verifiëren.
Als de bewering niet klopt of er geen enkel bewijs voor geleverd kan worden, kunt u dan per ommegaande om de vrijlating van het medisch personeel, de directeur dr. Abu Safiya, verzoeken?
Ik heb in mijn gesprekken met Israël het belang van bescherming van medisch personeel benadrukt. Het blijft ook na het staakt-het-vuren belangrijk dat hier aandacht voor blijft bestaan, en dat fundamentele rechten van medische staf worden gerespecteerd. Het kabinet zal de Israëlische autoriteiten hiertoe blijven oproepen, ook met betrekking tot de gearresteerde ziekenhuisdirecteur
Waar is de stelling van Amnesty International, dat er sprake was van marteling van het medisch personeel, op gebaseerd? Kunt u verifiëren of dit klopt en, als dat zo is, per ommegaande actie verzoeken van de Israëlische regering om de verantwoordelijken te vervolgen?
Het kabinet heeft geen kennis over de bron van de stelling van Amnesty International en kan deze dus ook niet verifiëren.
Daar waar het United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) stelt dat de Israëlische autoriteiten 48 van de 52 pogingen van de VN om de humanitaire toegang tot Noord-Gaza te coördineren hebben geweigerd en dat «vier goedgekeurde bewegingen allemaal met belemmeringen te maken kregen», betekent dit dat er geen hulp Noord-Gaza binnenkomt of gebeurt dat op andere manieren? Zo ja, via welke andere manieren/kanalen?3
De toevoer van hulpgoederen tot Gaza was zeer slecht voordat het staakt-het-vuren inging op 19 januari jl. Dat geldt met name voor toegang tot delen van Noord-Gaza, waar de VN en andere hulporganisaties nagenoeg geen humanitaire hulp konden leveren. In periode van 6 oktober tot 31 december 2024 hebben de VN 165 pogingen ondernomen om hulpgoederen te leveren in Noord-Gaza, waarvan 149 pogingen werden geweigerd. Zestien pogingen werden toegestaan, maar in de praktijk belemmerd op het vlak van veiligheidsgaranties en andere problemen met toegang.
Is er inmiddels sprake van officieel vastgestelde honger in (Noord)-Gaza? Zo ja, kunt u van de Israëlische regering per ommegaande eisen een einde te maken aan de situatie en voldoende voedselleveranties te faciliteren?
Er was en is sprake van honger in de Gazastrook. In de rapportage van het gezaghebbende Integrated Food Phase Classification (IPC) gepubliceerd op 17 oktober 2024 werd geschat dat 1,84 miljoen Gazanen in acute voedselonzekerheid leefden. Daarnaast waarschuwde de IPC op 8 november 2024 voor het acute risico op hongersnood in Noord-Gaza, waarbij de grenscriteria voor hongersnood wellicht al waren bereikt. Vaststelling van hongersnood is een technische aangelegenheid, en uiterst complex in een context zoals Gaza, maar een dergelijke waarschuwing van IPC noopt tot doortastende actie van de internationale gemeenschap. Nederland heeft veelvuldig bij Israël aangedrongen op het onmiddellijk verruimen van humanitaire toegang. De toegangssituatie lijkt ten gevolge van het staakt-het-vuren te zijn verbeterd, maar zorgen van de internationale gemeenschap over honger blijven bestaan. Nederland volgt de ontwikkelingen met prioriteit en blijft Israël oproepen om ervoor te zorgen dat humanitaire leveringen – zowel de invoer van goederen als benodigdheden voor distributie – voldoende worden gefaciliteerd.
Welke indruk heeft u nu met betrekking tot de vraag of er sprake is van een eerlijke verdeling van voedsel onder (religieuze minderheden)/verschillende clans, aangezien in eerdere berichtgeving werd gesteld dat (religieuze) minderheden in Gaza, zoals Palestijnse Christenen, bij de verdeling van voedsel benadeeld werden.
Humanitaire organisaties trachten hulp, waaronder voedselhulp, zoveel als mogelijk te verdelen op basis van de grootste noden, conform de humanitaire principes van menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid. Wel heeft de extreme en volatiele conflictsituatie in de Gazastrook de ordentelijke distributie van humanitaire hulp ernstig bemoeilijkt. Met berichten over specifieke benadeling van religieuze minderheden bij distributies is het kabinet niet bekend.
Gelet op berichten over slachtoffers als gevolg van onderkoeling4, hoeveel kinderen zijn inmiddels aan onderkoeling in Gaza overleden?
De VN maakten begin januari melding van het vreselijke nieuws dat ten minste acht baby’s aan de gevolgen van onderkoeling zijn overleden in de laatste weken van 2024.
Zijn er voldoende humanitaire hulpgoederen geleverd om de kou tegen te gaan, specifiek voor pasgeborenen? Zo niet, kunt u bij de Israëlische autoriteiten opheldering vragen en erop aandringen dit per ommegaande mogelijk te maken?
De levering van hulpgoederen ter voorbereiding op de winter werd ernstig belemmerd. De hulpverlening in oktober – ondanks diplomatieke druk van Nederland en andere landen alsook vanuit de hulporganisaties zelf – kwam nagenoeg tot stilstand. Hulp kon in november en december bij lange na niet voldoende worden opgeschaald. Dat maakt dat veel Palestijnen in de Gaza nu niet voldoende beschermd zijn tegen het koude weer en de regen. Het staakt-het-vuren van 19 januari jl. biedt voorzichtig meer ruimte voor de levering van hulpgoederen, waaronder goederen voor onderdak en winterization, maar uitdagingen ten aanzien van de opschaling van hulpverlening blijven aanzienlijk. Nederland zal blijven benadrukken dat Israël de plicht heeft om ervoor te zorgen dat humanitaire hulp veilig en effectief geleverd en gedistribueerd kan worden.
Wat is de sterfte bij geboorte in Gaza in 2024? In hoeverre verschilt dit van overige jaren in de periode 2019–2023?
De kans op miskramen en sterfte bij geboorte is aanzienlijk toegenomen in de Gazastrook door de oorlog, zoals ook blijkt uit het thematische rapport over aanvallen op ziekenhuizen in Gaza dat op 31 december werd gepubliceerd door het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten (OHCHR). In een door medisch-academisch tijdschrift The Lancet gepubliceerd onderzoek van 23 januari jl. wordt onderbouwd dat de levensverwachting in de Gazastrook in de eerste twaalf maanden van de oorlog is gedaald met 34,9 jaar.
Wat is de huidige populatie van Gaza per 31-12-2024, voor zover bekend of geschat op basis van betrouwbare bronnen? In hoeverre verschilt dit van de jaren 2019, 2020, 2021, 2022 en 2023?
Volgens het Palestijnse Centraal Bureau voor de Statistiek was de populatie in 2023 2.226.544. Mede door de oorlog zijn geen recente betrouwbare cijfers over de populatie beschikbaar.
Wat zijn momenteel de meest voorkomende ziekten/kwalen waar men in Gaza aan overlijdt? Zijn er voldoende medicijnen/apparatuur voor behandelingen? Welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat de medische zorg in Gaza gewaarborgd wordt en blijft?
In de Gazastrook zijn veel gevallen van besmettelijke ziekten – waaronder acute luchtweginfecties, diarree, huiduitslag, waterpokken, geelzucht – en de verspreiding daarvan, te midden van chronische waterschaarste en gebrekkig beheer van afval- en rioolwater. Zo werd het poliovirus gedetecteerd op 16 juli 2024, waarna er een campagne is opgezet door het Ministerie van Gezondheid in Gaza in samenwerking met de WHO, UNRWA, UNICEF en andere partners. Op 17 januari jl. meldde de VN dat de uitdagingen nog steeds enorm zijn voor Gaza, met tekorten aan voedsel, brandstof en medische benodigdheden. Meer dan 12.000 patiënten, van wie een derde kinderen, wacht nog steeds op evacuatie voor gespecialiseerde zorg. Sinds de ingang van het staakt-het-vuren op 19 januari komt de toevoer van hulpgoederen op gang, maar daarmee nemen de noden nog niet af. Het is cruciaal dat dat de condities van het staakt-het-vuren het herstel van zowel medische noodhulp als algemene toegang tot medische zorg mogelijk maken. Het is tevens van belang dat medische evacuaties beter en sneller doorgang kunnen vinden, bijvoorbeeld via de grensovergang bij Rafah. Hier zal het kabinet zich, ook in komende periode, diplomatiek voor blijven inzetten. Zo heb ik hier recent over gesproken met mijn Egyptische counterpart.
Welke stappen zijn er mogelijk om via luchttransport de humanitaire hulp te doen toenemen? Welke rol kunt u spelen om tot een permanente luchtbrug te komen?
Verreweg de meest effectieve weg om hulp de Gazastrook in te krijgen is het verruimen en versnellen van toegang over land. Dit heeft prioriteit en daarom heeft Nederland in december 2024 een bijdrage van EUR 5 miljoen toegekend aan de Jordaanse landroute, die de afgelopen maanden een levensader vormde voor de humanitaire hulpverlening aan Gaza. De Nederlandse steun draagt bij aan het onderhoud en de opschaling van deze route.
Omdat via de lucht slechts kleine hulpvolumes geleverd kunnen worden en airdrops relatief kostbaar zijn, is dit een laatste redmiddel wanneer landtoegang niet mogelijk is. In een multinationale coalitie onder aanvoering van Jordanië heeft Nederland in het voorjaar van 2024 in totaal tien airdrops uitgevoerd voor hulp aan de noodlijdende Gazaanse bevolking. Deelname aan airdrops met militaire transporttoestellen is sindsdien gepauzeerd. Wel steunt Nederland het Jordaanse initiatief voor een helikopterluchtbrug tussen Jordanië en de Gazastrook voor lichte hoogwaardige goederen zoals medicijnen. Defensie heeft twee specialisten ter beschikking te gesteld om vanuit Amman een bijdrage te leveren aan de planning cell voor dit initiatief. Van een permanente luchtbrug is op dit moment echter geen sprake.
Bij de afweging voor nieuwe hulp via de lucht spelen meerdere factoren een rol. Behalve de situatie op de grond en de beschikbaarheid van benodigde capaciteiten en middelen, wordt de inzet op andere hulpsporen in samenhang meegewogen. In dit kader verwelkomt het kabinet de groei van het aantal trucks met hulpgoederen dat sinds het staakt-het-vuren Gaza heeft bereikt. Deze hulpverlening over land blijft de primaire inzet van dit kabinet.
Welke stappen zijn er mogelijk om via zeetransport de humanitaire hulp te doen toenemen? Worden er nieuwe stappen ondernomen om een stabiele haven te bouwen? Welke rol kunt u spelen om tot een permanente stroom van humanitaire hulp via de zee te komen?
Ook voor humanitaire hulp via zee geldt: de route over land is effectiever en efficiënter. In de Gazastrook ontbreekt het bovendien aan de benodigde haveninfrastructuur. De door de VS aangelegde tijdelijke pier voor de kust van Gaza werd geplaagd door slechte weersomstandigheden en complexe logistiek. Nederland heeft de inspanningen van Cyprus en internationale partners om een maritieme corridor op te zetten naar de Gazastrook (waaronder via de haven van Ashdod) gesteund, maar hulpverlening langs deze weg is niet op grote schaal op gang gekomen en Nederland zet momenteel niet meer actief in op deze route.
Daar waar midden december het bericht kwam dat een staakt-het-vuren in Gaza nabij was, wat is momenteel de stand van zaken? Waarom is er een vertraging en hoe zien de voorwaarden eruit waarover momenteel nog geen overeenstemming is?5
Op 15 januari jl. hebben Israël en Hamas een overeenkomst bereikt over het staakt-het-vuren. Deze is op 19 januari jl. ingegaan. Nederland zet zich onverminderd in om het staakt-het-vuren te helpen handhaven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, zo uitgebreid mogelijk en voor 5 januari 2025?
Het is helaas niet gelukt om te voldoen aan uw verzoek. Het vergaren van de juiste informatie om uw vragen te beantwoorden nam veel tijd in beslag. Wel heb ik de vragen, conform uw verzoek, onafhankelijk beantwoord.
Het bericht 'Asielzoekers met bekeringsverhaal krijgen minder vaak een verblijfsvergunning, zien advocaten' |
|
Diederik Boomsma (CDA), Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het dat asielaanvragen waarin een bekering als grond voor vervolging wordt opgegeven, nu strenger beoordeeld worden, zoals advocaten aangeven?1
Per 1 juli 2024 heeft er een wijziging plaatsgevonden van het beoordelingskader voor asielaanvragen. Deze wijziging betrof onder meer een aanpassing aan het gehanteerde toetsingskader ten aanzien van de bewijslastverdeling, waaronder de geloofwaardigheidsbeoordeling. Die wijziging gold voor de geloofwaardigheidsbeoordeling van alle asielaanvragen, niet alleen die van aanvragen waarin een religieus motief als grond voor vervolging wordt opgegeven.
In de beoordeling van geloofwaardigheid worden alle relevante elementen, zoals door de vreemdeling naar voren gebracht of overgelegd, betrokken. Vergeleken met de uitvoeringspraktijk van voor de beleidswijziging, hebben documenten een meer prominente plek in de beoordeling. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de beoordeling zoals volgt uit de Kwalificatierichtlijn. Het zal niet voor alle vreemdelingen mogelijk zijn om hun asielrelaas met documenten te onderbouwen. In die gevallen zal, net als voorheen, een beoordeling gemaakt worden van de geloofwaardigheid op grond van de overgelegde verklaringen en documenten, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden. Op die manier wordt rekening gehouden met de moeilijke bewijspositie waarin vreemdelingen (kunnen) verkeren. Aanvragen waarin bekering als grond voor vervolging wordt aangevoerd, worden in beginsel dan ook niet strenger beoordeeld. Daarnaast is Werkinstructie 2022/3 Bekering en afvalligheid niet gewijzigd. Deze Werkinstructie wordt in zaken waarin een bekeringsmotief is aangevoerd dan ook steeds betrokken bij de beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling.
Op welke manieren is het beleid aangescherpt?
In de oude werkwijze werden de overgelegde documenten meegewogen met de verklaringen en alle andere bewijsstukken om tot een oordeel over de geloofwaardigheid te komen. Dit deed onvoldoende recht aan de mogelijkheid die in de Kwalificatierichtlijn is opgenomen om het relaas volledig te onderbouwen met documenten. Voorts worden nu alle omstandigheden van de zaak beter betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. De vreemdeling moet een oprechte inspanning verrichten om diens aanvraag te staven, diens verklaringen moeten samenhangend en aannemelijk zijn en de vreemdeling moet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd wil de IND de geloofwaardigheid aannemen. Verder moeten alle documenten zijn overgelegd waarover de vreemdeling redelijkerwijs kan beschikken en moet de aanvraag tijdig zijn ingediend of moet er een verklaring zijn gegeven waarom het niet mogelijk was dat te doen.
In de huidige werkwijze wordt daarom eerst beoordeeld of het motief volledig is onderbouwd met (objectieve) documenten. Indien het motief voldoende met (objectieve) documenten is onderbouwd, kan dit motief op basis daarvan reeds geloofwaardig worden geacht. Indien het motief niet volledig is onderbouwd met documenten, zal de geloofwaardigheid van het motief worden beoordeeld aan de hand van de geloofwaardigheidstoets zoals vervat in de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid Vreemdelingenwet 2000 en artikel 4, vijfde lid van de EU Kwalificatierichtlijn. Indien aan alle vijf de voorwaarden wordt voldaan kan het motief alsnog geloofwaardig worden geacht.
Wat betreft de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering, zal de nadruk in veel gevallen liggen op hetgeen de vreemdeling heeft verklaard. Die verklaringen zullen, net als voorheen, beoordeeld worden volgens de Werkinstructie 2022/3 Bekering en afvalligheid. Deze werkinstructie is op 1 juli 2024 niet gewijzigd.
Klopt het dat minder asielaanvragen op grond van bekering dit jaar zijn toegewezen? Komt dit doordat er minder geloofwaardige verzoeken zijn gedaan of weegt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de inhoud van het vluchtrelaas anders dan voorheen?
De IND beschikt niet over deze informatie omdat niet op geaggregeerd niveau wordt bijgehouden wat het asielmotief is van zaken die worden ingewilligd en afgewezen.
Kunt u aangeven hoeveel asielaanvragen bekering als motief hadden in de afgelopen vijf jaar en hoeveel daarvan zijn afgewezen en hoeveel daarvan zijn toegewezen?
De IND beschikt niet over deze informatie omdat niet op geaggregeerd niveau wordt bijgehouden wat het asielmotief is van zaken die worden ingewilligd en afgewezen.
Klopt het dat er van asielzoekers verwacht wordt meer van het relaas met documenten te onderbouwen? Zo ja, met welk type documenten dient volgens u het asielrelaas onderbouwd te worden?
Nee, van vreemdelingen wordt niet verwacht dat zij het relaas met documenten onderbouwen. Zoals uiteengezet in mijn antwoord op vraag 1 en 2 klopt het wel dat vreemdelingen onder de huidige werkwijze een extra mogelijkheid krijgen, zoals ook neergelegd in de Kwalificatierichtlijn, om het relaas volledig te onderbouwen met documenten. Dat zij het relaas met documenten onderbouwen wordt echter niet van hen verwachten. Documenten hebben zo wel een meer prominente plek in de beoordeling gekregen. De IND beoordeelt in de huidige werkwijze eerst of het asielmotief volledig is onderbouwd met (objectieve) documenten. Indien het motief voldoende met (objectieve) documenten is onderbouwd, kan dit motief op basis daarvan als geloofwaardig worden geacht. Ook alle «niet-objectieve» documenten, zoals verklaringen van derden worden nog altijd betrokken bij de beoordeling, conform WI 2022/3 voorschrijft.
Met welk type documenten kan een asielzoeker onderbouwen dat hij of zij met vervolging om politieke of religieuze redenen te maken heeft? Kent u dergelijke documenten uit de praktijk?
Zoals uiteengezet in Werkinstructie 2024/6 moet het gaan om objectieve documenten die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. In beginsel kunnen documenten als objectieve onderbouwing gelden, indien:
Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die zien op de persoonlijke omstandigheden en de verklaringen van de vreemdeling bevestigen.
In bovengenoemde werkinstructie wordt een voorbeeld gegeven van een authentiek en onvervalst arrestatiebevel waaruit blijkt dat de vreemdeling wordt gezocht vanwege politieke activiteiten. Dit is slechts één voorbeeld van een type document dat een asielzoeker kan aanleveren om diens asielmotief te onderbouwen.
In het geval van vervolging om politieke of religieuze redenen zal het in veel gevallen niet mogelijk zijn om de overtuiging met documenten te onderbouwen. De problemen die de vreemdeling heeft ervaren als gevolg van die overtuiging kunnen mogelijkerwijs echter wel met documenten onderbouwd worden. Wat betreft de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering, zal de nadruk in veel gevallen liggen op hetgeen de vreemdeling heeft verklaard. Die verklaringen zullen, net als voorheen, beoordeeld worden volgens de Werkinstructie 2022/3 Bekering en afvalligheid. Deze werkinstructie is op 1 juli 2024 niet gewijzigd.
Dienen dergelijke documenten altijd origineel te zijn? Zo ja, waarom acht u dit een redelijke eis?
Ja, in beginsel is het niet mogelijk om een asielmotief enkel op basis van kopieën van documenten aannemelijk te maken, omdat de authenticiteit van kopieën niet is vast te stellen. Kopieën kunnen uiteraard wel betrokken worden bij de geloofwaardigheidstoets die volgt als het motief niet volledig met documenten is onderbouwd en deze verband houden met de verklaringen van de vreemdeling. Daarmee wordt nadrukkelijk niet voorbijgegaan aan documenten die niet aan de eisen voldoen om het relaas volledig te onderbouwen.
Is er iets veranderd aan de geloofwaardigheidsbeoordeling voor asielverzoeken met een bekeringsmotief en zo ja, wat precies?
Voor het antwoord op vraag 8 verwijs ik u graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Hoe komen beslismedewerkers aan de benodigde kennis voor de beoordeling van asielverzoeken met een bekeringsmotief en hoe is deze kennis geborgd in de IND? Worden dergelijke asielverzoeken in de praktijk behandeld zonder betrokkenheid van een bekeringscoördinator?
De IND investeert op verschillende manieren in het actualiseren en op peil houden van de kennis en vaardigheden van de medewerkers, ook ten aanzien van bekering en afvalligheid. Naast de verplichte EUAA-modules Evidence Assessment, Inclusion, en Interviewing Vulnerable Persons en modules over de uitvoering van de Procedurerichtlijn en de Integrale Geloofwaardigheidsbeoordeling, worden er trainingen gegeven over bekering en afvalligheid.
Verder wordt in elke zaak een bekeringscoördinator geraadpleegd. Dit zijn medewerkers met kennis van en ervaring met zaken waarin een religieus motief wordt aangevoerd. De bekeringscoördinatoren overleggen periodiek met elkaar, waarbij ervaringen worden gedeeld over zaken waarin een religieus motief is aangevoerd, jurisprudentie wordt besproken en (beleids)ontwikkelingen worden toegelicht. Ook vinden er gesprekken plaats met het maatschappelijk middenveld. Voor zaken waarin een religieus motief is aangevoerd, zijn er gelet hierop, dan ook al een aantal kwaliteitswaarborgen geïmplementeerd.
Kunt u reageren op de stelling van de in het artikel aangehaalde advocaten die zeggen dat veel IND-medewerkers weinig begrip hebben van het christendom en van het proces van bekering?
Dat medewerkers van de IND weinig begrip hebben van het christendom en proces van bekering, herken ik niet. Zoals in mijn antwoord op vraag 9 reeds uiteengezet, kennen zaken waarin een religieus motief is aangevoerd reeds meer waarborgen dan andere zaken. Verder wordt primair uitgegaan van de verklaringen van de vreemdeling. Uiteraard blijven het complexe zaken, maar de IND is toegerust om te voldoen aan de wettelijke taak die op hen rust om ook deze aanvragen te beoordelen.
Hoe lang werkt de gemiddelde beslisambtenaar bij de IND? Klopt het dat personeelsverloop de kennis en kunde binnen de IND aantast? Zo nee, hoe wordt dat effectief voorkomen?
Het is niet mogelijk om uit de systemen van de IND betrouwbare informatie te generen over hoe lang de gemiddelde beslisambtenaar bij de IND werkt. Er is voldoende kennis en kunde binnen de IND voor het behandelen van deze aanvragen. Daarnaast worden nieuwe medewerkers door ervaren medewerkers opgeleid. Daarmee wordt de kennis en kunde ook weer overgedragen aan de nieuwe medewerkers. Verder zijn er juist in zaken waarin een religieus motief is aangevoerd voldoende kwaliteitswaarborgen om de kennis en kunde op peil te houden.
Maakt kennis van het christendom en bekering onderdeel uit van de opleiding voor beslisambtenaren? Zo ja, op welke manier maakt dit deel uit van de opleiding?
Zoals uiteengezet in mijn antwoord op vraag 9 investeert de IND op verschillende manieren in het actualiseren en op peil houden van de kennis en vaardigheden van de medewerkers, ook ten aanzien van bekering en afvalligheid.
De IND zet in op het behoud van expertise door alle medewerkers generalistisch te trainen. Hierdoor zijn alle medewerkers getraind in het beoordelen van aanvragen waarin bekering of afvalligheid als motief wordt aangevoerd, en blijft de IND in staat deze beoordeling te verrichten. De deskundigheid van de IND is verder verankerd in werkinstructies, specifieke trainingen die verplicht zijn voor alle medewerkers en in het raadplegen van een bekeringscoördinator in zaken waarin de asielzoeker bekering tot een andere religie of afvalligheid wordt aangevoerd als asielmotief.
Heeft u kennisgenomen van het opinieartikel gepubliceerd in het Nederlands Dagblad waarin gesteld wordt dat medewerkers soms over te weinig kennis van het christelijk geloof beschikken en bovendien hun subjectieve mening daarover gegeven?2 Erkent u dat de voorbeelden gegeven in het artikel in de praktijk voorkomen? Zo nee, kunt u dit antwoord onderbouwen?
Ik ben bekend met het opinieartikel dat is gepubliceerd in het Nederlands Dagblad. Ik herken niet dat medewerkers over te weinig kennis van het christelijk geloof beschikken, noch dat zij hun subjectieve mening daarover geven. Verder verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 9 en vraag 12.
Hoe kan het voorkomen dat IND-medewerkers persoonlijke, subjectieve opvattingen over religies in hun vraagstelling door laten klinken? Acht u dit professioneel en wenselijk? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit te voorkomen?
Dat IND-medewerkers persoonlijke, subjectieve opvattingen over religies in hun vraagstelling door laten klinken, herken ik niet. Voor het overige verwijs ik naar hetgeen ik uiteengezet heb in mijn antwoord op vraag 13.
Op welke manier wordt externe expertise op dit thema betrokken bij beslissingen over asielverzoeken met een bekeringsmotief?
In individuele zaken weegt de IND ingebrachte informatie van externe experts, zoals de rapporten van Commissie Plaisier, altijd mee in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde bekering. De relevantie en weging van deze externe expertise is ook neergelegd in de verschillende werkinstructies. Hiermee is de rol van een externe deskundige dus reeds vastgelegd in de asielprocedure. Het gewicht dat wordt toegekend aan externe expertise is afhankelijk van de geleverde input, op welke wijze dit tot stand is gekomen en van de individuele omstandigheden van de zaak. Het is echter primair aan de asielzoeker om middels zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken aan de IND dat hij is bekeerd. Daarnaast is het aan de IND om een oordeel te vormen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de bekering op grond van de gegeven verklaringen.
De Nederlandse steun aan projecten in de Palestijnse gebieden |
|
Don Ceder (CU) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat op het webportaal voor de Nederlandse ontwikkelingshulp (https://www.nlontwikkelingshulp.nl) van bepaalde projecten in de Palestijnse gebieden geen documenten alsactivity appraisal documentszichtbaar zijn, maar slechts de melding getoond wordt «BEMO NIET BESCHIKBAAR VOOR PUBLICATIE»?1
Het gaat hier om verzoeningsprojecten tussen Israëliërs en Palestijnen die gefinancierd worden uit het aan de post Ramallah gedelegeerde budget voor Veiligheid en Rechtsorde. Verzoeningsprojecten hebben baat bij anonimiteit gezien de gevoelige materie en de mogelijke risico’s voor betrokkenen. Daarom worden deze projecten geanonimiseerd voordat gegevens gepubliceerd worden op het webportaal voor ontwikkelingshulp.
Wat is de reden dat op het webportaal voor de Nederlandse ontwikkelingshulp (https://www.nlontwikkelingshulp.nl) van bepaalde projecten in de Palestijnse gebieden documenten alsactivity appraisal documentshelemaal niet zichtbaar zijn of genoemd worden, zoals bij het «Project in Palestinian administered areas»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reden dat in het bovengenoemde voorbeeld de naam van de uitvoerende maatschappelijke organisatie niet genoemd wordt? Wat is de reden dat er geen projectomschrijving vermeld staat?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reden dat de namen van de uitvoerende maatschappelijke organisaties in andere gevallen niet genoemd wordt, of het nu omdonor based NGO’sof om recipient country based NGO’sgaat?
Zie antwoord vraag 1.
Bij welke andere landen of gebieden komt het voor dat deze informatie niet inzichtelijk is en wat is daar de reden van?
Dit kan in alle landen of gebieden voorkomen waar door Nederland gefinancierde projecten plaatsvinden en waar openheid een gevaar met zich mee kan brengen voor betrokkenen, bijvoorbeeld als het gaat om projecten gericht op mensenrechten.
Bent u bereid deactivity appraisal documentsvan het hierboven genoemde project en van alle andere projecten waarvan ze niet zichtbaar zijn, alsnog te publiceren op deze website? Zo nee, waarom niet?
Nee. Om de betreffende organisaties in staat te stellen om verzoeningsprojecten uit te voeren wordt ervoor gekozen om deze informatie niet openbaar te maken.
Bent u bereid alle niet-omschreven projecten waarbij helemaal geenproject appraisal documents vermeld staan, zoals in het in vraag 2 genoemde voorbeeld, alsnog op deze website te omschrijven en de project appraisal documentsdie hierbij horen ook te publiceren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens dat de Kamer inzicht moet kunnen verkrijgen in de doelen, inzet van budget en resultaten van projecten die gefinancierd worden vanuit het Nederlandse budget voor ontwikkelingshulp?
Ja. Het webportaal voor ontwikkelingshulp is zo transparant mogelijk over Nederlandse ontwikkelingsprojecten. Alleen gevoelige data worden geanonimiseerd omwille van de redenen die hierboven vermeld zijn. Op hoofdlijnen kan voor deze projecten wel het doel en het beoogd resultaat worden gedeeld.
Op welke manier houdt u financieel toezicht op uitgaven aan dergelijke projecten?
Toezicht geschiedt op gebruikelijke wijze, zoals ook het geval is bij andere projecten. Afspraken over de uitvoering en monitoring van het project worden vastgelegd in een subsidiebeschikking danwel bijdrageovereenkomst.
Naast de periodieke inhoudelijke en financiële rapportageverplichtingen waaraan de contractpartij moet voldoen, is er regelmatig contact met de uitvoeringsorganisaties van de projecten over de uitvoering en resultaten. Waar mogelijk bezoeken medewerkers van de posten Ramallah en Tel Aviv de projecten.
Op basis van welke criteria zijn de projecten waarop in de hierboven gestelde vragen gedoeld wordt gekozen? Welke contractvoorwaarden zijn er gesteld alvorens er middelen worden toegekend aan een organisatie of activiteit?
De projectvoorstellen worden getoetst op beleidsrelevantie in relatie tot de beleidsdoelstellingen van BZ. Tevens worden voorstellen getoetst op beheersmatige aspecten, inclusief de inzet van middelen en de haalbaarheid van de beoogde resultaten.
De selectiecriteria voor de verzoeningsprojecten die worden gehanteerd zijn:
Beoogd doel en effect van de activiteiten moet duurzaam zijn: divers en lange-termijn gericht.
In hoeverre corresponderen de doelen van de hierboven betrokken gefinancierde organisaties met de Nederlandse beleidslijn ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict, namelijk dat Nederlandse middelen niet mogen worden gebruikt voor activiteiten die strijdig zijn met het Nederlandse buitenlandbeleid?3
Nederland is actief op het gebied van verzoeningsprojecten tussen Israëliërs en Palestijnen. Deze projecten kunnen rekenen op steun van de Tweede Kamer, zoals onder meer blijkt uit de motie Mulder en Ceder (35 925-V nr. 93, 6 juli 2022) en motie Dobbe (23 432, nr. 524, 23 mei 2024), en zijn volledig in lijn met het Nederlandse buitenlandse beleid dat gericht is op een gedragen tweestatenoplossing.
Het bericht 'Faber beperkt inspraak van adviesorganen bij overhaaste wetgeving’ |
|
Don Ceder (CU), Marieke Koekkoek (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Struycken , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Faber beperkt inspraak van adviesorganen bij overhaaste wetgeving»?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u niet de gangbare consultatieperiode van minimaal vier weken hanteert bij deWijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis?
Het kabinet vindt het noodzakelijk om met urgentie in te zetten op een breed pakket aan maatregelen om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten. De invoering van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de voorwaarden voor nareis zijn onderdeel van die maatregelen, zoals ook is opgenomen in het regeerprogramma.2 Om die reden is het wetgevingsproces, waaronder de consultatiefase, versneld doorlopen zodat het wetsvoorstel nog in 2024 aan de Afdeling advisering van de Raad van State kon worden voorgelegd. Daarmee heb ik uitvoering gegeven aan de brieven van 25 oktober 2024 en van 14 november 2024.3 Ik merk overigens op dat uw Kamer door middel van een motie heeft gevraagd om een nog spoediger tijdpad, waarin de wetsvoorstellen in 2024 aan de Tweede Kamer zouden worden voorgelegd.4
Zoals ik aangaf in het commissiedebat van 19 december 2024, en zoals in de memorie van toelichting staat vermeld, zal ik adviezen die op een later moment nog worden ontvangen alsnog betrekken in het wetgevingsproces. In dit verband heeft onder meer de Raad voor de rechtspraak een nader advies aangekondigd.5
Kunt u toelichten waarom de asielnoodmaatregelenwet niet ter consulatie is gestuurd naar de Nederlandse Orde van Advocaten, in tegenstelling tot wat u eerder schreef in de kamerbrief van 14 november?2
Gelet op de hierboven beschreven urgentie is het concept voor een Asielnoodmaatregelenwet voorgelegd aan de organisaties die in hun uitvoering direct door het voorstel worden geraakt. Het concept is daarom voorgelegd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Raad voor de rechtspraak, het openbaar ministerie en de politie. In de kamerbrief van 14 november 2024 is overigens niet opgenomen dat het concept voor een Asielnoodmaatregelenwet aan de Nederlandse Orde van Advocaten zou worden voorgelegd.
Aan welke organisaties is de asielnoodmaatregelenwet wel ter consulstatie voorgelegd?
Zie antwoord vraag 3.
Op basis van welke kenmerken kan een wetsvoorstel als vertrouwelijk geclassificeerd worden en kunt u aangeven welke van deze kenmerken voorkomen bij de asielnoodmaatregelenwet?
Als uitgangspunt geldt dat een consultatieronde niet vertrouwelijk is. Dat was ook in dit geval beoogd. Op het briefhoofd van de aanbiedingsbrief waarmee het wetsvoorstel ter consultatie is voorgelegd was echter de aanduiding «Dep. vertrouwelijk» blijven staan. Dit is abusievelijk gebeurd en inhoudelijk ook niet juist, aangezien bij een consultatie-uitnodiging naar haar aard geen sprake is van departementaal vertrouwelijke informatie. In de tekst van de aanbiedingsbrief zelf is ook niet om vertrouwelijkheid gevraagd. De beide wetsvoorstellen zijn na toezending ervan aan de Afdeling advisering van de Raad van State actief openbaar gemaakt door publicatie op de wetgevingskalender.
Welke maatregelen treft u om de verkorte consultatieperiode niet tot gebruikelijke werkwijze te maken?
Ik heb op dit moment geen voornemen om ook in andere trajecten op het gebied van asiel en migratie deze verkorte consultatietermijn te hanteren.
Kunt u aangeven of het proces voor beide wetsvoorstellen geheel verloopt volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving? Zo nee, op welke punten wordt precies afgeweken en waarom?
In de Aanwijzingen voor de regelgeving7 is geen minimumtermijn opgenomen voor het in consultatie geven van wetgeving.
Hoe verhoudt dit proces zich tot de recent gepubliceerde eerste versie van de Staat van de wetgeving?3
In de Staat van de Wetgevingskwaliteit wordt opgemerkt dat bij spoedwetgeving de uitdaging is om een balans te vinden tussen de gewenste snelheid en zorgvuldigheid in het wetgevingsproces. In het onderhavige geval is een afweging gemaakt tussen de noodzaak om op zeer korte termijn maatregelen te nemen om de asielketen te ontlasten, en het belang om het wetgevingsproces zo zorgvuldig mogelijk te doorlopen. Dat heeft ertoe geleid dat in dit geval het wetgevingsproces versneld is doorlopen.
Wordt het gebruikelijke proces van ambtelijke afstemming en onderraden doorlopen, of gaan deze twee wetsvoorstellen zonder de gebruikelijke voorfase direct naar de ministerraad? Zo ja, wat is hiervan de precieze reden?
De wetsvoorstellen zijn vanwege de urgentie niet in een ambtelijk voorportaal besproken, maar geagendeerd voor de Raad Asiel en Migratie en daar op 17 december 2024 behandeld. Vervolgens zijn de wetsvoorstellen op 20 december 2024 door de ministerraad behandeld.
Klopt het dat de IND niet voor alle wetsvoorstellen die op de planning staan vooraf een uitvoeringstoets heeft kunnen doen en klopt het dat de IND hiertegen (formeel) bezwaar heeft ingediend? Zo ja, bij welke wetsvoorstellen is dit niet gebeurd en wat bent u voornemens te doen na het bezwaar van de IND?
De IND is bij het opstellen van de wetsvoorstellen betrokken en heeft ook in de consultatiefase advies uitgebracht. De IND heeft daarbij de zorg uitgesproken dat er onvoldoende inzicht is in de effecten van de beoogde veranderingen op de IND. Deze zorg neem ik serieus. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering van de wetsvoorstellen en de daarin opgenomen maatregelen, zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties, waaronder de IND.
Herkent u het beeld dat de Nederlandse Orde van Advocaten door uw werkwijze «buiten spel» wordt gezet? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dit beeld niet. Het advies van de Nederlandse Orde van Advocaten van 2 december 2024 is bij het opstellen van het wetsvoorstel tot invoering van een tweestatusstelsel betrokken. Ik ben op dit moment niet in gesprek met de Nederlandse Orde van Advocaten.
Bent u in gesprek met de Nederlandse Orde van Advocaten over de bezwaren die zij uiten, waaronder de ingekorte consultatieperiode? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u motiveren waarom maartschappelijke organisaties zonder toelichting van u de vraag krijgen om vertrouwelijke met informatie om te gaan? Hoe gebruikelijk is deze werkwijze?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven bij welke op de planning staande wetsvoorstellen u de spoedprocedure met een verkorte consultatie periode wilt hanteren, en kunt u per wetsvoorstel toelichten waarom het gebruik van de spoedprocedure gerechtvaardigd is?
Ik heb op dit moment geen voornemen om ook in andere trajecten op het gebied van asiel en migratie deze verkorte consultatietermijn te hanteren.
De opmars van de HTS in Syrië |
|
Isa Kahraman (NSC), Pieter Omtzigt (NSC), Don Ceder (CU) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel in de Volkskrant getiteld «Voor het eerst in jaren doet Hayat Tahrir al-Sham het Syrische regime wankelen − wie zijn deze rebellen?»?1
Ja.
Kunt u aangeven uit welke groeperingen Hayat Tahrir al-Sham (HTS) bestaat?
HTS is in 2017 gevormd uit een samengaan van meerdere gewapende Syrische verzetsgroeperingen van grotendeels soennitische islamitische signatuur, waaronder Jahbat Al-Nusra.
Welke landen leveren wapens of andere vormen van materiële of financiële hulp aan HTS?
Het is het kabinet niet bekend welke landen HTS in die vormen steunen.
Klopt het dat Turkije steun verleent aan HTS, zoals door meerdere media2 wordt gemeld? Zo ja, kunt u toelichten waar deze steun uit bestaat (bijvoorbeeld logistiek, wapens, financiering of andere hulp)?
Ik ben bekend met deze berichten, maar het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie waarmee deze berichten bevestigd of ontkend kunnen worden. Turkije geeft zelf aan de organisatie niet te steunen.
Constaterende dat HTS door de Verenigde Staten en de Verenigde Naties (VN) wordt aangemerkt als een terroristische organisatie, is de Europese Unie (EU) ook voornemens om deze organisatie op de terrorismelijst te zetten?
Hay'at Tahrir al-Sham (HTS) staat op de VN ISIS/Al-Qaida sanctielijst, deze listing is door de EU overgenomen. Daarmee ziet de EU, inclusief Nederland, HTS als een terroristische organisatie. De komende periode is het van belang om te bezien of de opstelling van HTS mogelijk aanleiding geeft tot het heroverwegen van de listing in VN- (en EU-) verband.
Welke maatregelen overweegt Nederland te nemen tegen landen die HTS direct of indirect ondersteunen? Is hierover binnen de EU of Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) overleg gaande?
Op dit moment heeft het kabinet geen informatie beschikbaar over welke landen HTS steunen. Binnen diverse internationale gremia is contact over de geopolitieke ontwikkelingen. Er is op dit moment geen overleg gaande binnen de NAVO hierover.
Beschouwt Nederland HTS als een terroristische organisatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft Nederland contacten gehad met HTS of heeft het momenteel lopende contacten? Zo ja, kunt u toelichten wat de doelstelling van deze contacten was?
Nederland onderhoudt momenteel geen contacten met HTS.
Kunt u bevestigen of er berichten zijn over toenemende mensenrechtenschendingen tegen minderheden in door HTS gecontroleerde gebieden? Indien ja, wat is uw oordeel hierover?
Uit meerdere rapporten van o.a. de VN onderzoekscommissie voor Syrië en mensenrechtenorganisaties blijkt dat ook HTS zich in Syrië schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen waaronder willekeurige arrestaties, marteling en wrede, onmenselijke en vernederende behandeling van gedetineerden. Deze mensenrechtenschendingen waren echter niet zozeer gericht op minderheden, als wel op vermeende tegenstanders van HTS. Nederland beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat deze schendingen zijn toegenomen. Wat betreft de positie van minderheden in HTS-gebied geldt dat HTS zich vanaf 2021 actiever heeft ingezet voor de positie van minderheden, waaronder christenen en Druzen, door hen bijvoorbeeld land en bezittingen terug te geven, die eerder tijdens het Syrische conflict waren ingenomen. Het moet worden bezien of de mensenrechten van minderheden ook in de toekomst worden gerespecteerd. Nederland hecht aan die rechten, bijvoorbeeld voor christenen en Koerden, draagt dat actief uit en blijft alert op de ontwikkelingen.
Welke mogelijkheid ziet u om sancties of andere diplomatieke drukmiddelen in te zetten tegen landen of groeperingen die de mensenrechten in Syrië schenden, en is Nederland bereid dit in internationaal verband te bespreken?
Het huidige EU sanctieregime ten aanzien van Syrië zal hervormd moeten worden. Ter uitvoering van motie Paternotte/Kahraman (21 501-02, nr. 2991) bespreekt Nederland momenteel het sanctiebeleid met internationale en Europese partners. Dit beleid moet worden geënt op de nieuw ontstane situatie in Syrië, waarbij het uitgangspunt een inclusieve en vreedzame politieke transitie is. Uiteraard is respect voor mensenrechten en respect voor minderheden hierbij essentieel.
Welke stappen kan Nederland binnen de EU en de VN ondernemen om ervoor te zorgen dat er onafhankelijke waarnemers uit neutrale landen worden ingezet in de regio, om schendingen van minderheidsrechten te monitoren?
Nederland en de EU zullen naar aanleiding van de recente machtswisseling in Syrië nauwlettend in de gaten houden of de verschillende Syrische partijen tot een vreedzame machtsdeling kunnen komen, en zullen een dergelijke inclusieve politieke transitie waar mogelijk steunen, in eerste instantie via de VN. Het sturen van internationale waarnemers is in dit stadium niet aan de orde.
Aangezien HTS bekend staat als een jihadistische organisatie die minderheden zoals christenen3 (onder wie Arameeërs, Assyriërs, Grieks Orthodoxen, Katholieken en Armenen), Koerden en Yezidis ernstig onderdrukt, welke concrete stappen kan Nederland, eventueel in samenwerking met bondgenoten, ondernemen om de veiligheid van deze minderheden te waarborgen in de regio?
Zie ook vraag 9, 10 en 11. HTS heeft in de afgelopen jaren zijn houding met betrekking tot de positie van minderheden verbeterd. HTS-leider Abu Mohammad al Jolani heeft gewerkt aan het imago van een verzetsorganisatie tegen het regime van Assad, die wil pogen bescherming te bieden aan een ieder. Afgewacht moet worden in hoeverre HTS bereid en in staat zal zijn aan deze koers vast te houden nu het over een veel groter gebied de scepter zwaait. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Constaterende dat de humanitaire situatie in de regio Idlib en Aleppo verslechtert en dat grote groepen proberen te vluchten, welke mogelijkheden ziet u om humanitaire hulp te bieden, zodat deze vluchtelingen zoveel mogelijk in hun eigen land of regio opgevangen kunnen worden en niet gedwongen worden naar Europa te vluchten?
Humanitaire hulp aan de verschillende gebieden in Syrië werd tot nu toe met name gecoördineerd door de VN en geleverd via diverse kanalen. Ook Nederland draagt hier op jaarlijkse basis aan bij met flexibele meerjarige financiering aan humanitaire partners. Specifiek in 2024 gaat dit om EUR 19,2 miljoen: EUR 7,3 mln. via de Dutch Relief Alliance en EUR 12 mln. via twee VN humanitaire landenfondsen. Zodra de coördinatie in de nieuwe situatie vorm krijgt en humanitaire noden in kaart zijn gebracht, zullen VN-organisaties en NGO’s (mede) dankzij de flexibele financiering van Nederland in staat zijn snel te reageren. Op dit moment is de gehele situatie in Syrië, inclusief de humanitaire situatie, nog ongewis. Ter uitvoering van motie Van Baarle (21 501-02, nr. 2994) inventariseert het kabinet in EU-verband wat de maximaal mogelijk haalbare steun voor Syrië kan zijn.
Kunt u aangeven hoe Nederland samenwerkt met NGO’s, internationale organisaties, en lokale gemeenschappen om de situatie van minderheden in door HTS gecontroleerde gebieden te verbeteren?
Nederland werkt samen met verschillende VN-organisaties, NGO’s en het Rode Kruis en de Rode Halve Maan Beweging die actief zijn in Syrië. Zo steunt Nederland in het kader van gerechtigheid voor slachtoffers NGO’s die zorgen voor het documenteren van onder meer mensenrechtenschendingen en andere misstanden in Syrië. Daarnaast ondersteunt Nederland de Syrian Women Advisory Board om te bevorderen dat vrouwen deelnemen aan mogelijke vredesprocessen in Syrië. Deze steun zal ook door blijven gaan nu HTS de macht heeft gegrepen in voormalige regime gebieden. Nederland steunt ook initiatieven die buiten HTS gecontroleerd gebied vallen, zoals het Syria Recovery Trustfund, dat is gericht op ondersteuning van sociaaleconomische integratie van ontheemden, waaronder Al Hol-terugkeerders. Ten slotte ondersteunt Nederland humanitaire hulp in heel Syrië met flexibele meerjarige financiering aan humanitaire partners, waaronder de Dutch Relief Alliance, die met lokale organisaties samenwerken om te reageren op acute noden. Daarbij is er aandacht voor het bereiken van gemarginaliseerde groepen. Dit gebeurt ook in HTS gecontroleerd gebied, waar ondanks de onzekere en onveilige situatie een aantal lokale partners weer is gestart met activiteiten op het gebied van gezondheidszorg.
Welke internationale stappen kunnen ondernomen worden richting een duurzame vrede in Syrië?
Het is in eerste instantie aan de betrokken Syrische partijen om in de nieuwe machtsverhoudingen tot een vreedzame machtsdeling te komen. Het is daarbij zaak waar mogelijk die landen die een aanwezigheid hebben in Syrië, namelijk Rusland, Iran, Turkije, Israël en de VS op te roepen partijen die ruimte te geven en dit proces niet te frustreren uit eigenbelang. VNVR resolutie 2254 biedt een kader voor een inclusief politiek proces dat tot vrede en stabiliteit in Syrië moet leiden. Deze resolutie vormt tevens het mandaat van de VN Speciaal Gezant voor Syrië, Geir Pedersen. Het is aan Nederland en de EU om hem zoveel mogelijk te steunen in zijn pogingen een dergelijk proces te faciliteren. Daarbij moet worden aangetekend dat VNVR resolutie 2254 niet volledig toepasbaar is op de huidige realiteit, omdat bepaalde groepen die nu grote delen van Syrië in handen hebben, zoals HTS, daarin niet worden genoemd als partijen die bij het proces betrokken zijn. Er zal dus een manier moeten worden gevonden om ook die partijen volwaardig mee te nemen in een politiek proces. Tegelijkertijd biedt VNVR resolutie 2254 wel een goede basis en een raamwerk waarover brede overeenstemming bestaat.
Kunt u deze vragen één voor één en voor het commissiedebat over het Midden-Oosten van 11 december a.s. beantwoorden?
Nee, maar wel op tijd voor het uitgestelde commissiedebat op 18 december.
Het bericht ‘Veel kinderen hebben spijt van aankopen in games, zoals loot boxes’ |
|
Harmen Krul (CDA), Don Ceder (CU) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat veel kinderen tussen de acht en twaalf jaar spijt hebben van hun aankopen in games, zoals blijkt uit onderzoek van Unicef?1
Ik vind de resultaten van het onderzoek van Unicef zorgelijk. Game-aanbieders bieden tools voor ouderlijk toezicht aan (zogenaamde «parental control»). Het is van belang dat ouders deze ook gebruiken en dergelijke aankopen met hun kinderen bespreken. Desondanks blijken veel Nederlandse basisschoolkinderen – al dan niet via hun ouders – aankopen te doen waar ze wel eens spijt van hebben. Dit kan onder andere te maken hebben met groepsdruk. Alhoewel groepsdruk om bepaalde aankopen te doen helaas van alle tijden is (en breder dan games), bevestigt het onderzoek van Unicef dat kinderen kwetsbaar zijn in een digitale omgeving.
Wat vindt u ervan dat van de 188.000 ondervraagde kinderen de helft aangaf weleens aankopen te doen in games? Bent u het ermee eens dat dit zorgwekkende cijfers zijn gezien de jonge leeftijd van de kinderen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit onderzoek nog eens extra de noodzaak van een verbod op loot boxes onderstreept, zoals de Kamer heeft verzocht in de motie-Bontenbal c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 881)?
Ja, ik deel die mening.
Klopt het dat u in het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken heeft aangegeven dat uw inzet erop is gericht om dit verbod te regelen in de aangekondigde Europese Digital Fairness Act, maar dat het onzeker is of deze verordening zo’n voorstel zal bevatten?
Ik heb al eerder bij de Europese Commissie gepleit voor strengere regels rondom in-app aankopen, waaronder een generiek verbod op loot boxes en strengere regulering van zogenaamde pay-to-win mechanismen en digitale munten. Dit standpunt is op verschillende manieren bij de Europese Commissie en andere lidstaten onder de aandacht gebracht, onder andere door het publiceren van een non-paper in juli 20232, het organiseren van een bijeenkomst in Brussel in november 2023 en tijdens de Informele Raad voor Concurrentievermogen over consumentenbescherming van 19 april 20243. Onder veel lidstaten leven vergelijkbare zorgen over in-game aankopen.
Mijn inzet is erop gericht om een verbod op loot boxes te regelen in de aangekondigde Europese Digital Fairness Act en ik zoek hiervoor de samenwerking met andere lidstaten. Het voorstel van de Europese Commissie wordt eind 2025 of begin 2026 verwacht. In de mission letter4 van Eurocommissaris McGrath is aangekondigd dat de Digital Fairness Act voldoende bescherming moet bieden rondom het verslavend ontwerp van digitale diensten.
Klopt het dat u in hetzelfde Wetgevingsoverleg heeft aangegeven dat lidstaten op dit punt geen strengere nationale regels kunnen opleggen?
Ik heb in het Wetgevingsoverleg aangegeven dat er bij de relevante Europese consumentenwetgeving5 sprake is van maximumharmonisatie. Dit betekent dat individuele lidstaten op dit terrein geen strengere regels mogen opleggen om de consument te beschermen.
Ziet u het risico dat een verbod op loot boxes veel vertraging oploopt, als dit uiteindelijk niet in het Europese voorstel wordt opgenomen? Hoe gaat u er dan voor zorgen dat de motie wordt uitgevoerd?
De Digital Fairness Act is reeds aangekondigd op Europees niveau. Of deze Act aanvullende regels rondom loot boxes zal bevatten is nog onzeker. In de mission letter van Eurocommissaris McGrath is aangekondigd dat de Digital Fairness Act voldoende bescherming moet bieden rondom het verslavend ontwerp van digitale diensten.
Ik zet mij in om een verbod op loot boxes op te laten nemen in de Digital Fairness Act, zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 4. In de eerste helft van 2025 zal ik de Kamer nader informeren over de Nederlandse inzet in aanloop naar een mogelijk voorstel van de Europese Commissie.
Kunt u aangeven waarom het in België wel is gelukt om op nationaal niveau loot boxes te verbieden via de kansspelwetgeving?
De kansspelwetgeving in België kent een andere definitie van kansspel dan de Nederlandse, waardoor betaalde loot boxes in sommige gevallen in België worden aangemerkt als kansspel en onder een vergunningsplicht vallen. Het aanbieden van deze loot boxes zonder vergunning is in België vervolgens verboden. Gratis loot boxes, waarin alsnog mogelijk risicovolle elementen kunnen zitten, zijn ook in België niet verboden.
De Nederlandse kansspelwetgeving kent een andere definitie van kansspelen. Het aanpakken van loot boxes via de Nederlandse kansspelwetgeving is in een eerder stadium reeds onderzocht6. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in maart 2022 dat een loot box in de game FIFA19 en daaropvolgende versies geen kansspel is waarvoor een vergunning nodig zou zijn. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak is het verkrijgen en het openen van deze loot boxes geen opzichzelfstaand kansspel volgens de Nederlandse definitie van kansspel.
Omdat loot boxes bijna altijd onderdeel zijn van een breder spel, is vervolgens ook het reguleren van loot boxes via een aanpassing van de kansspelwetgeving geen kansrijke en ook geen wenselijke route. Daarmee zouden immers niet alleen de beperkte spelelementen, maar hele spellen die die spelelementen bevatten onder de kansspelwetgeving vallen. Bovendien geldt dat de problematiek met sommige ontwerpkeuzes in games breder is dan alleen loot boxes, bijvoorbeeld ten aanzien van het gebruik van pay-to-win mechanismen en digitale munten. Dit sluit niet goed aan bij een eventuele route via de kansspelwetgeving.
Ik constateer om deze redenen dat het verder reguleren van loot boxes niet goed past binnen bestaande wetgeving. Een mogelijk alternatief zou nieuwe nationale wetgeving kunnen zijn met als doel de gezondheid van burgers te beschermen.
Ik ben echter van mening dat een verbod op loot boxes op Europees niveau het meest effectief is en daarom de voorkeur heeft. Het betreft hier bij uitstek een internationale markt en daarom kan met Europese wetgeving meer impact gemaakt worden.7 Nationale regels kunnen namelijk makkelijker omzeild worden, terwijl Europese regels ervoor kunnen zorgen dat game-aanbieders hun verdienmodel gaan aanpassen, omdat dan dezelfde regels voor een veel grotere markt gelden. Consumenten, zowel volwassenen als minderjarigen, worden hierdoor uiteindelijk beter beschermd. Bovendien is het voor ondernemers veel duidelijker als er eenduidige regels in de EU gelden en die niet per lidstaat verschillen.
Welke mogelijkheden ziet u om ook in Nederland op nationaal niveau loot boxes aan te pakken, bijvoorbeeld via de kansspelwetgeving of een andere route?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om, gezien de urgentie en het onderzoek van Unicef, niet te wachten op Europese wetgeving maar alvast in Nederland alles op alles te zetten om zo snel mogelijk een verbod op loot boxes in te voeren?
Nederland pleit voor een verbod van loot boxes in de Digital Fairness Act en ik dring er bij de Europese Commissie op aan om zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen. Ik wil niet vooruitlopen op nationale wetgeving, omdat ik verwacht dat er op Europees niveau actie wordt ondernomen.
Ik merk nogmaals op, zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 7 en 8, dat Europese wetgeving een effectiever instrument is.
Bent u bereid om in Europees verband aan te geven dat Nederland aan een nationaal verbod werkt, als in Europa onvoldoende stappen worden gezet en onvoldoende snelheid wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Crisis UWV nog groter, ook missers bij mogelijk duizenden jonggehandicapten: ‘Kommer en kwel’’ |
|
Hans Vijlbrief (D66), Inge van Dijk (CDA), Don Ceder (CU), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u in de brief die u deze week naar de Kamer stuurt over de problemen bij het UWV1 ook op de volgende vragen antwoord geven:
Het is buitengewoon vervelend dat dit onrust veroorzaakt bij mensen die afhankelijk zijn van UWV voor een uitkering. Samen met UWV doe ik er alles aan om hier op korte termijn meer concreet inzicht in te bieden.
Vrijdag jl. heb ik u een brief gestuurd over de verbeteraanpak WIA-kwaliteit. In deze brief schets ik de situatie rond de Wajong, in aanvulling op mijn brief van 23 oktober jl.2. Het is verontrustend dat we over de Wajong veel niet weten en is er nader onderzoek nodig.
Zoals in mijn brief van vrijdag jl. aangegeven is er al aandacht geweest voor de problemen met de Wajong in de jaren 2016–2019, hier zijn destijds ook Kamervragen over beantwoord3. UWV werkte daarna verder aan verbetering. Helaas zijn de kwaliteitsmetingen vanaf 2020 afgeschaald en is het nu onvoldoende duidelijk hoe het is gesteld met de kwaliteit van de Wajong-beoordelingen, omdat dit niet navolgbaar is.
Daarom is het van groot belang dat er meer duidelijkheid komt over de kwaliteit van de beoordeling van Wajong aanvragen. In de brief heb ik geschetst welke onderzoeken er lopen en nog worden gestart. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van deze onderzoeken.
Waren in september al signalen bij het ministerie bekend dat ook met betrekking tot de Wajong zaken goed mis waren? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet, aangezien er al verschillende rapporten over bleken te zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de problemen binnen het UWV al jaren bekend waren, maar bij het ministerie niet? Zo ja, wat zegt dit dan over de samenwerking met UWV en de betrouwbaarheid van UWV als uitvoeringsorganisatie van het ministerie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u in de brief ook beschrijven hoe u maatregelen wil gaan nemen om de fouten bij de Wajong te herstellen, en te zorgen dat de verkeerde werkwijze bij het UWV ook ten aanzien van de Wajong richting de toekomst anders wordt?
Ja, dit maakt onderdeel uit van de brief.
Bent u bereid de problematiek rond de Wajong toe te voegen aan het verzoek tot uitvoeren van onderzoek naar aanleiding van de eerder vastgestelde
In de brief heb ik aangegeven welke onderzoeken er lopen en nog worden gestart bij de Wajong. Als deze zijn afgerond, kan worden bezien of nader (onafhankelijk) onderzoek nodig is.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-)problematiek door de Algemene Rekenkamer?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt er nog nader onderzoek gedaan naar signalen dat er ook problemen zijn bij de Werkloosheidswet (WW) en Ziektewet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hier meer informatie over verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit maakt onderdeel uit van de brief.
Kunt u de genoemde rapporten van het UWV als bijlage bij de brief met de Kamer delen? Zo niet, waarom niet?
Het genoemde rapport is de evaluatie SMC 20244 en is bijgevoegd bij de beantwoording van deze vragen.
Het bericht 'Geboortezorg voor asielzoekers van 'onacceptabel' niveau, concluderen onderzoekers' |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Geboortezorg voor asielzoekers van «onacceptabel» niveau, concluderen onderzoekers»?1 Zo ja, vindt u dit reden tot grote zorg en kunt u de Kamer van een uitgebreide reactie voorzien?
Ja, ik ben bekend met het rapport en het NOS-bericht en heb kennisgenomen van de aanbevelingen die in het rapport worden gedaan. Voor een reactie op het rapport verwijs ik graag naar de antwoorden op onderstaande vragen van uw Kamer.
Welke verklaringen zijn er en wat gaat u doen met het feit dat de geboortesterfte bij baby’s van asielzoekers ten minste anderhalf keer zo hoog is en een laag geboortegewicht twee keer zo vaak voorkomt, wat een significant verschil betreft ten opzichte van vrouwen zonder vluchtelingenachtergrond?
De constatering dat geboorte-uitkomsten bij vrouwen met een vluchtachtergrond significant slechter zijn dan bij andere bevolkingsgroepen bleek al uit een eerder onderzoek, waar het voorliggende EGALITE rapport op voortborduurt. Mijn ambtsvoorganger is schriftelijk ingegaan op dit eerdere onderzoek en ik sluit mij volledig bij hem aan dat wij deze cijfers betreuren.2 Ook ben ik bekend met het feit dat er bij baby’s van asielzoekers vaker sprake is van een lager geboortegewicht en dat dit van invloed is op een kansrijke start.
Zoals ook in het rapport wordt aangegeven, is ongeveer de helft van de zwangere vrouwen in de opvang reeds zwanger op het moment dat ze in Nederland aankomen. Dat betekent dat zij in de eerste periode van hun zwangerschap mogelijk niet dezelfde zorg hebben gehad als wij in Nederland gewend zijn. Daarbij komt dat deze vrouwen vaak een zware reis achter de rug hebben op het moment dat zij in Nederland aankomen. Dit kan ook effect hebben op de ontwikkeling van het nog ongeboren kind en daarmee het geboortegewicht of geboorte-uitkomsten. Daarnaast herken en erken ik dat de huidige opvangsituatie en de noodgedwongen inzet van noodopvang uitdagingen met zich meebrengt ten aanzien van de leefomstandigheden en toegang tot zorg voor o.a. zwangere vrouwen.
Het staat buiten kijf dat ernstige geboorte-gerelateerde complicaties onder zwangere vrouwen in opvanglocaties voorkomen moeten worden en zwangere vrouwen in opvanglocaties moeten kunnen rekenen op volwaardige geboortezorg. Hier is reeds veel voor georganiseerd. Zo heeft elke locatie een aandachtsfunctionaris zwangeren. Deze COA-medewerker is het aanspreekpunt voor de betrokken zorgverleners en weet wie de zwangeren zijn op de locatie. De aandachtsfunctionarissen wijzen de zwangere asielzoeksters de weg naar de verloskundige zorg door te informeren, ondersteunen en signaleren. Ook geven zij informatie over de organisatie van de verloskundige zorg en over de faciliteiten die het COA biedt.
Desalniettemin leidt het gebruik van noodopvang, die vaak voor korte duur wordt opgetuigd en weer moet worden afgebouwd, tot uitdagingen om dit alles goed te organiseren. De in het Regeerprogramma opgenomen ambitie om noodopvang zo veel mogelijk te beperken en duurzame opvangplekken te realiseren is hiervoor belangrijk. Deze ambitie wordt momenteel verder uitgewerkt door het Ministerie van Asiel en Migratie.
Ook bieden de aanbevelingen uit het EGALITE rapport mijn departement, het Ministerie van VWS en het COA handvatten om verbeteringsmogelijkheden te bezien en nader uit te werken, zowel op beleidsniveau als ook praktijkgerichte aanbevelingen voor zorgverleners en medewerkers van het COA. De aanbevelingen uit dit onderzoek worden ook besproken in de ketenwerkgroep geboortezorg asielzoeksters met vertegenwoordigers van alle betrokken (zorg)organisaties.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om zwangere vrouwen in asielzoekerscentra voor een afspraak met een verloskundige een lange reis te laten maken via het openbaar vervoer? Bent u bekend met de problemen omtrent vervoer van zwangere vluchtelingen door gecontracteerde taxibedrijven, zoals weigering van vrouwen met weeën, te lange aanrijtijden en het niet op komen dagen van taxi’s? Wat gaat u doen om deze problemen op te lossen?
Het bieden van volwaardige gezondheidszorg en geboortezorg houdt in dat deze zorg toegankelijk moet zijn. Voor alle locaties van het COA geldt daarom dat er afspraken zijn gemaakt met verloskundepraktijken in de omgeving om goede zorg en begeleiding te kunnen waarborgen. Voor zwangere asielzoeksters geldt dat ze vanaf week 36 standaard gebruik kunnen maken van taxivervoer van en naar zorgbestemmingen. Daarnaast kan de verloskundig zorgverlener tot de conclusie komen dat de zwangere al voor de 36 weken om medische redenen niet in staat is zelfstandig te reizen naar een zorgbestemming (zoals de verloskundige of het ziekenhuis). Buiten de termijnen van het zorgtaxivervoer kunnen COA locatiemanagers alternatief vervoer voor zwangere asielzoekers faciliteren, zoals beschreven in de ketenrichtlijn. Wanneer de verloskundige inschat dat de termijn van een uur aanrijtijd van een taxi te lang is voor de zwangere bij een naderende bevalling moet de verloskundige om die reden een ambulance inschakelen.
Hoe spant u zich in om geboortezorg te concentreren op de asielzoekerscentra zelf? Wat zijn de «haken en ogen» aan het concentreren van de geboortezorg bij asielzoekerscentra waar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) over spreekt, kunt u de Kamer hier nader over informeren?
Voor elke opvanglocatie is momenteel een verloskundige praktijk gecontracteerd en de toegang tot geboortezorg gegarandeerd. Een van de genoemde randvoorwaarden in het EGALITE rapport is het concentreren van zorg voor zwangere asielzoekers en statushouders verblijvend in opvanglocaties. In de praktijk gebeurt dit in sommige gevallen al. Sinds de zomer van 2023 plaatst het COA zwangere vrouwen die bij hun aankomst in Ter Apel 34 weken of langer zwanger zijn namelijk in de locatie Musselkanaal. Alle betrokken organisaties (COA, verloskundige praktijk, kraamzorg) op de locatie Musselkanaal zijn hier goed op voorbereid. Door een specifieke locatie in te richten voor deze specifieke doelgroep, kan kennis en ervaring op een nog efficiëntere manier opgedaan en ingezet worden.
Bij het proces van het verplaatsen van zwangere asielzoekers naar Musselkanaal (wat gezien kan worden als een vorm van concentratie van specifieke begeleiding en expertise) moet echter een aantal kanttekeningen geplaatst worden. Zwangere vrouwen hebben gezondheidszorg gericht op zwangerschap, bevalling en kraamperiode binnen een specifiek tijdsframe nodig. Om deze specifieke begeleiding aan elke zwangere vrouw in een opvanglocatie te kunnen bieden, zouden de bevallen vrouwen na de geboorte en kraamperiode weer moeten verhuizen om ruimte te maken voor andere zwangere vrouwen.
Dit heeft ten eerste als consequentie dat er extra verhuisbewegingen gemaakt moeten worden. Daarbij dient een goede afweging te worden gemaakt tussen de toegevoegde waarde die deze specifieke locatie en bijbehorende begeleiding heeft, ten opzichte van het negatieve effect van de verhuizing náár, en van de locatie. Daarbij speelt ook mee dat oudere broers en zussen in de schoolgaande leeftijd mee zouden moeten verhuizen, wat nadelig kan zijn voor deze kinderen. Ten tweede vormt de huidige opvangsituatie nog geen passende context voor het concentreren van geboortezorg. Door een tekort aan opvangplekken stagneert de doorstroom van bevallen vrouwen vanuit Musselkanaal naar andere locaties, waardoor er niet altijd voldoende plekken vrijkomen voor nieuwe zwangere vrouwen.
Het concentreren van geboortezorg zou zorgen voor meer specialiteit en ervaring van specifieke geboortezorgverleners met de doelgroep. Dit zou uiteraard een positieve ontwikkeling zijn. Met het oog op de huidige stokkende doorstroom van asielzoekers zou dit echter als consequentie kunnen hebben dat niet alle zwangere vrouwen toegang zouden hebben tot deze selecte groep gespecialiseerde verloskundigen en er een verschil in zorgkwaliteit voor deze doelgroep kan ontstaan. Om deze reden is het allereerst van belang dat elke geboortezorgverlener bekend is met de Ketenrichtlijn Geboortezorg Asielzoekers en deze implementeert in zijn/haar behandeling van asielzoekers – in lijn met één van de drie randvoorwaarden die in het EGALITE rapport genoemd worden. Het concentreren van geboortezorg, bijvoorbeeld door het uitbreiden van het initiatief in Musselkanaal, zou alleen onderzocht en uitgelopen kunnen worden op het moment dat de doorstroom vanuit dergelijke locaties gegarandeerd kan worden door het COA.
Wat vindt u ervan dat overplaatsingen door het COA veelal gebeuren zonder overleg met zorgverleners?
In principe delen locaties dagelijks een overzicht van alle vertrekkende bewoners met de lokale GZA-praktijk. Om de continuïteit van zorg rondom verhuizingen zoveel mogelijk te waarborgen zijn hierover afspraken gemaakt en vastgelegd in de ketenrichtlijn geboortezorg. Daarnaast is er ook een «Ketenrichtlijn continuïteit van zorg bij verhuizingen». Deze is samen met de zorgpartners GZA en JGZ tot stand gekomen. Deze richtlijn beschrijft de algemene stappen die COA-medewerkers moeten zetten bij de verhuizing van bewoners zodat medische risico's zoveel mogelijk voorkomen worden, zeker als het gaat om risicogroepen (zoals zwangeren).
Wat gaat u doen om voortaan te voorkomen dat er gevallen ontstaan waarbij er geen medische overdracht bij overplaatsing van zwangere vrouwen plaatsvindt? In hoeverre acht u het van belang om op elke (nood)opvanglocatie aanwezigheid van de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) te faciliteren voor een gedegen gegevensoverdracht bij overplaatsing en adequate medische screening?
Zie ook het antwoord op vraag 5.
Op elke opvanglocatie is toegang tot de huisartsenzorg georganiseerd, grotendeels door GZA. De medische screening door GZA gebeurt bij instroom (de dag na de registratie bij het COA), in de col in Ter Apel, Budel en Zevenaar. Op basis van de informatie die is opgehaald in de medische intake, informeert GZA het COA over de faciliteiten die noodzakelijk zijn voor de vervolgopvang. Personen die niet via de centrale ontvangstlocatie Ter Apel instromen, ontvangen de medische intake op de eerste locatie waar zij verblijven. De gegevensoverdracht gebeurt automatisch via het centrale huisartsensysteem van GZA. Indien nodig verzorgt GZA de overdracht.
Welke maatregelen zijn er in het verleden al genomen rondom de overdracht van medische gegevens naar aanleiding van eerdere incidenten bij de medische zorg voor asielzoekers?2 Hoe staat het met de uitvoering van die maatregelen? Blijken eerder genomen maatregelen onvoldoende gezien de conclusie van de onderzoekers3, of worden ze in de praktijk niet uitgevoerd? Indien dat laatste het geval is, kunt u aangeven hoe dit komt en wat u kunt doen om dit te verbeteren?
Zie ook het antwoord op vraag 5.
Naar aanleiding van de signalen in het verleden zijn nadere afspraken gemaakt met en tussen de verschillende partijen die de huisartsenzorg verzorgen op de opvanglocaties. Deze afspraken hebben er toe geleid dat de informatieoverdracht bij verhuizingen op dit moment goed verloopt. Een belangrijk aandachtspunt hierbij was het zo snel registreren van de asielzoekers en het uitvoeren van de medische intake. Zowel de achterstanden in de registratie als ook in de medische intake zijn toen weggewerkt. Tijdens de medische intake wordt ook gelijk een medisch dossier aangelegd waardoor in principe iedere asielzoeker vrijwel direct na aankomst beschikt over een medisch dossier dat ook bij verhuizingen wordt overgedragen. Ook met GGD-GHOR zijn afspraken gemaakt ten aanzien van het in beeld krijgen en houden van kinderen met het oog op de jeugdgezondheidszorg. Door het inrichten van een zogeheten registratieschil zijn de asielzoekerskinderen in beeld en lukt het in de regel om tijdig, binnen zes weken, de kinderen te zien.
Verder is er een «Ketenrichtlijn continuïteit van zorg rondom verhuizingen» opgesteld. Hierin is opgenomen welke partij welke rol speelt in de continuïteit van zorg rondom verhuizingen van zwangeren. Het COA gaat de aanbeveling met betrekking tot de continuïteit van zorg bij overplaatsingen, net als de andere aanbevelingen uit het EGALITE rapport, nader onderzoeken in samenwerking met de betrokken partijen uit de keten, waaronder GZA, KNOV, NVOG, KCKZ en GGD GHOR.
Deelt u de mening dat het aantal overplaatsingen van zwangere vrouwen omlaag moet, zeker nu uit onderzoek blijkt dat overplaatsingen nog met regelmaat na 34 weken zwangerschap plaatsvinden, wat in strijd is met de ketenrichtlijn Geboortezorg Asielzoekers? Zo ja, hoe spant u zich in om het aantal overplaatsingen te verlagen?
Ik ben het eens met de aanbeveling uit het EGALITE rapport dat het aantal verhuizingen zo veel mogelijk gereduceerd moet worden. Dit geldt niet alleen voor zwangere asielzoekers. Verhuisbewegingen tijdens het asielproces moeten tot een minimum beperkt worden, zeker voor kwetsbaren, aangezien deze kunnen leiden tot stress of problemen met onderwijs- of zorgcontinuïteit. Helaas komen verhuizingen momenteel om diverse redenen veelvuldig voor, bijvoorbeeld vanwege het sluiten van (nood)opvanglocaties, het kortstondig moeten onderbrengen van asielzoekers voor wie geen plek is in Ter Apel, op aangeven van asielzoekers zelf of als gevolg van de asielprocedure. Ik streef er dan ook naar het aantal verhuisbewegingen terug te brengen. Momenteel wordt de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielsysteem uitgewerkt en geïmplementeerd. Dit toekomstbeeld van het asielopvanglandschap is gestoeld op het uitgangspunt om het aantal verhuisbewegingen tot een minimum te beperken.
Zwangere asielzoeksters worden normaal gesproken en in algemene zin 6 weken voor de uitgerekende datum tot 6 weken na de bevalling niet meer verhuisd of overgeplaatst. Zoals u ook aankaart in uw vraag, komt het desondanks toch voor dat zwangere asielzoekers ook na 34 weken zwangerschap overgeplaatst worden (bijvoorbeeld om te verhuizen van een centrale opvanglocatie naar een regulier azc). Dit gebeurt alleen in overeenstemming met GZA, de verloskundig zorgverlener en de asielzoekster en na uitsluiting van medische risico’s.
In hoeverre bent u bekend met omstandigheden van zwangere vrouwen op noodopvanglocaties, waarbij het voorkomt dat vrouwen te maken krijgen met bijvoorbeeld ongedierte, onvoldoende privacy en hygiëne? Hoe verhoudt dit zich tot het voornemen uit het regeerprogramma om opvang verder gedifferentieerd te versoberen?
Zoals ik in mijn reactiebrief5 aan uw Kamer van 4 november jl. over asielkinderen in de noodopvang in o.a. Assen al aangaf, wordt het punt ten aanzien van de hygiëne niet herkend. Ik erken wel dat de inzet van noodopvang om de druk op de opvang te verlichten effect heeft op de mogelijkheden die het COA heeft om te allen tijde passende begeleiding en omstandigheden te realiseren voor kwetsbare doelgroepen, waaronder zwangere vrouwen. Het uitgangspunt is dat in de noodopvang zo min mogelijk kwetsbare personen worden opgevangen. Helaas is het gezien de grote druk op de opvang noodzakelijk om soms ook kwetsbaren zoals zwangere vrouwen op te vangen in de noodopvang. Daarom blijft het ook in de noodopvang van groot belang dat er aandacht is en blijft voor de kwetsbare situatie van zwangere vrouwen. Benadrukt moet worden dat medewerkers van onder andere het COA en GZA zich dagelijks inspannen om de opvang en zorg zo goed mogelijk te laten verlopen.
In het Regeerprogramma en de regeringsbrief van 25 oktober jl. beschrijft het kabinet haar plannen om in te zetten op het (gedifferentieerd) versoberen van de asielopvang en sobere voorzieningen voor statushouders. Deze plannen worden momenteel uitgewerkt door het Ministerie van Asiel en Migratie. Het Ministerie houdt zich in de uitwerking van de kabinetsplannen te allen tijde aan de in de (herziene) Opvangrichtlijn vastgestelde normen voor de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers en kwetsbare groepen, inclusief zwangere vrouwen, als ook aan de in de Kwalificatieverordening gestelde normen voor de toegang tot zorg voor statushouders, inclusief zwangere vrouwen. Hierbij wil ik nogmaals onderstrepen dat zwangere vrouwen in opvanglocaties moeten kunnen rekenen op volwaardige geboortezorg. Dit sluit ook aan bij de in het Regeerprogramma genoemde doelen om gelijkwaardige toegang tot zorg te waarborgen en in te zetten op een kansrijke start, een maatregel die niet alleen een preventief werkt om latere zorgkosten te besparen maar ook goede geboortezorg omvat.
In hoeverre is inzichtelijk wat het voorgenomen besluit om de spreidingswet in te trekken voor gevolgen heeft in deze kwestie van zorg voor zwangere vluchtelingen? Kunt u toezeggen dat de zorg voor zwangere vluchtelingen ook dan niet zal verslechteren, maar verbeteren?
Uw Kamer is door de Minister-President bij brief van 25 oktober 2024 geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om de spreidingswet in te trekken, zo mogelijk nog dit jaar. Dit laat onverlet dat het COA zich onverminderd blijft inzetten om voldoende opvangplekken te creëren in bestaande en nieuwe azc’s. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 al aangaf, houdt het Ministerie van Asiel en Migratie zich in de uitwerking van de kabinetsplannen te allen tijde aan de vastgestelde normen voor de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers en statushouders. Ik zeg toe dat mijn departement samen met betrokken organisaties de aanbevelingen uit het EGALITE rapport ter harte neemt en in gezamenlijkheid uitwerkt op welke wijze deze aanbevelingen meegenomen kunnen worden.
Zijn er extra middelen nodig om deze misstanden te voorkomen en zo ja, hoeveel? Zo nee, op welke termijn zijn deze misstanden opgelost?
Medische zorg voor asielzoekers is vastgelegd en gewaarborgd in de Opvangrichtlijn als ook in de Regeling Medische Zorg Asielzoekers (RMA). De toegang tot zorg is in Nederland goed geregeld en asielzoekers kunnen rekenen op professionele en toegankelijke zorg. De term «misstanden» vind ik om die reden dan ook geen recht doen aan de organisatie en kwaliteit van- en toegang tot zorg voor asielzoekers. Dit betekent niet dat er geen verbeterpunten zijn, dit laten de constateringen en aanbevelingen uit het EGALITE rapport duidelijk zien. Alle betrokken departementen en organisaties zullen deze aanbevelingen verder bestuderen en uitwerken hoe hier invulling aan gegeven kan worden. Het is daarom te vroeg om nu al aan te geven of er mogelijk extra kosten of middelen nodig zijn om aanbevelingen uit het rapport op te volgen.
In relatie tot de ambities uit het Regeerprogramma kan wel gesteld worden dat het beperken van dure noodopvanglocaties en het realiseren van meer duurzame opvangplekken kostenbesparend kan werken. Dit draagt naar verwachting bij aan de leefomstandigheden voor asielzoekers, die op reguliere plekken over het algemeen beter zijn dan op noodopvanglocaties die zijn ingericht op zeer kortdurend verblijf.
Het bericht “Evangelist op station Maastricht met machtsvertoon staande gehouden: 'Intimiderende en dreigende sfeer' |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU), Pieter Grinwis (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) , Chris Jansen (PVV), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Evangelist op station Maastricht met machtsvertoon staande gehouden: «Intimiderende en dreigende sfeer»»?1
Voor de regering staat voorop dat iedereen in Nederland de vrijheid heeft om zijn of haar geloof te belijden. Dat grondrecht staat niet ter discussie.
De politie is ter plaatse geweest naar aanleiding van een melding van overlast door de Nederlandse Spoorwegen (NS). Het optreden van de politie is op basis van de kennis van de lokale situatie en onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Een melding van overlast kan in het algemeen worden gezien als handhaving van de openbare orde wat onderdeel is van de politietaak.
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele zaken. De inzet van politie is een lokale aangelegenheid. Ik verwijs uw Kamer dan ook naar de beantwoording van vragen van de gemeenteraad van Maastricht door de burgemeester2.
Kunt u bevestigen dat de politie ter plaatse is geweest? Op welke manier heeft de politie vervolgens opgetreden? Kunt u aangeven om welke reden de politie op deze wijze ingegrepen heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling dat het zingen van christelijke liederen bij een stationspiano een geheel onschuldige activiteit betreft, wat de verbazing over handhavend ingrijpen door de politie voedt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling dat het handhavend optreden van de politie bij het zingen van liederen bij stationspiano’s zich slecht verhoudt tot de schaars beschikbare handhavingscapaciteit? Deelt u de mening dat de politie haar tijd beter kan besteden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven op welke manier het ingrijpen van de politie bij het zingen van christelijke liederen zich verhoudt tot de vrijheid van godsdienst?
Zonder diep in te gaan op deze individuele zaak kan ik uw Kamer laten weten dat ik van de burgemeester heb begrepen dat er door de politie geen beperkingen zijn opgelegd aan het samenkomen van de groep. De groep is vrijwillig vertrokken en er is geen sprake geweest van het aantasten van de vrijheid van godsdienst.
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen van de leden Ceder, Grinwis en Bikker?2 Deelt u nog steeds de mening dat het uitdelen van folders met een christelijke boodschap op stations verboden kan worden met een beroep op huisregels? Erkent u dat dit voorbijgaat aan de vrijheid van godsdienst?
Ja, deze antwoorden zijn mij bekend. Ten aanzien van de huisregels op stations kan het uitdelen van folders onder omstandigheden worden verboden. Dit gaat niet per definitie voorbij aan de vrijheid van godsdienst, maar bij het opstellen en het toepassen van de huisregels dient er wel rekening gehouden te worden met de bescherming van de grondrechten. Een verbod op het uitdelen van folders dient bijvoorbeeld af te worden gewogen tegen de bescherming van de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
In ieder geval mag de inhoud van een folder in geen geval een rol spelen bij een verbod op het uitdelen daarvan en mag een verbod het uitoefenen van een grondrecht niet illusoir maken. Het is in voorkomend geval aan de rechter om te beoordelen of een verbod proportioneel is.
Deelt u de mening dat de Nederlandse Spoorwegen (NS) te strikt handelen bij evangeliserende activiteiten op stations, waardoor de vrijheid van godsdienst zelfs in het gedrang zou kunnen komen? Deelt u de mening dat de NS hier meer ontspannen mee zouden moeten omspringen?
Zowel de gebeurtenissen op het station Maastricht als die in 2023 op het station Utrecht Centraal, waar in de vraagstelling op wordt gedoeld, zijn in goede orde verlopen en in beide gevallen hebben betrokkenen vrijwillig ervoor gekozen om te stoppen met hun activiteiten. Daarbij is wel een beroep gedaan op de inzet van de politie.
Binnen de stations zijn de NS en ProRail als beheerder bevoegd om huisregels op te stellen. Deze regels dragen bij aan schone, prettige en veilige stationsgebouwen. Een van deze huisregels is dat er schriftelijk toestemming nodig is voor het maken van reclame en het verspreiden van teksten bij het organiseren van een evenement op het station. Voor de activiteiten op station Maastricht op 1 november jl. was voorafgaand geen toestemming gevraagd.
Daarnaast verbiedt artikel 72 van de Wet Personenvervoer 2000 (WP2000) een ieder die zich zodanig gedraagt dat de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord en is een ieder op basis van artikel 73 verplicht de aanwijzingen van de vervoerder op te volgen. De huisregels voor stations en de daaropvolgende handhaving komen daarmee voort uit de wettelijke verplichtingen. Bij een orde verstorende gebeurtenis speelt het onderwerp van de verstoring geen rol en gelden de algemene regels voor alle gebruikers van een station.
De NS handelt bij iedere ordeverstoring op gelijke wijze op basis van de geldende huisregels. Op dit moment zie ik daarom geen reden om met de NS in gesprek te gaan over de huisregels of de handhaving hiervan op stations.
Meer in zijn algemeenheid kan ik uw Kamer meegeven dat de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ook gaat kijken naar veiligheidsconsequenties bij sit ins op NS-stations, zoals aangekondigd in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.4
Bent u bereid om in gesprek te treden met de NS over het harde ingrijpen bij evangelisatieactiviteiten, zoals we vorige week en vorig jaar hebben kunnen zien? Bent u bereid de NS te wijzen op het grote belang van de vrijheid van godsdienst en de zorgvuldigheid waarmee de vrijheid van godsdienst benaderd moet worden? Bent u bereid afspraken met de NS te maken over hoe (niet) op te treden bij evangelisatieactiviteiten op stations, teneinde hier meer ontspannen mee om te gaan? Kunt u de Kamer inlichten over de uitkomsten van dit gesprek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het rapport 'Bouwstenen voor het asielbeleid en het asielstelsel' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke manier het rapport «Bouwstenen voor het asielbeleid en het asielstelsel» dat is geschreven in het kader van de fundamentele heroriëntatie op het asielbeleid, is meegewogen in uw beleid zoals dat is neergelegd het regeerprogramma en in de memorie van toelichting bij de begroting voor uw ministerie?1
De inzichten uit het rapport «Bouwstenen voor een duurzaam asielbeleid» waren één van de beschikbare bronnen ter overweging voor de formerende partijen. De plannen van dit kabinet zijn uiteindelijk neergelegd in het hoofdlijnenakkoord en daarop gevolgde regeerprogramma. Waar de aanbevelingen uit het rapport «Bouwstenen voor een duurzaam asielbeleid» een plek hebben gekregen in het regeerprogramma, zullen deze worden uitgevoerd. Voor zover de aanbeveling niet zijn opgenomen in het regeerprogramma, zijn er geen concrete voornemens deze te implementeren.
Kunt u per voorgestelde maatregel uit het rapport aangeven hoe u dit heeft betrokken in uw beleid, of, in het geval het niet betrokken is, waarom u het niet heeft betrokken in uw beleid?
Er bestaat geen overzicht waarin per aanbeveling is aangegeven of en in welke mate de aanbevelingen een plaats hebben gekregen in het hoofdlijnenakkoord of het daarop gevolgde regeerprogramma. Een overzicht zoals gevraagd is ook niet binnen het tijdsbestek van deze vraagstelling te genereren.
Kunt u deze vragen nog voor de behandeling van de begroting van het Ministerie van Asiel en Migratie beantwoorden?
De beantwoording van deze vragen is zo spoedig mogelijk ter hand genomen.
Het onderzoek ‘De herstelopdracht doorgelicht: Een verkenning naar de rechtmatigheid van herstelopdrachten in het funderend onderwijs’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU), Harmen Krul (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek «De herstelopdracht doorgelicht: Een verkenning naar de rechtmatigheid van herstelopdrachten in het funderend onderwijs» van professor Renée Van Schoonhoven?1
In het onderzoek stelt professor Van Schoonhoven de rechtmatigheid van herstelopdrachten ter discussie. De verkenning was voor de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) aanleiding om de praktijk van de herstelopdrachten tegen het licht te houden. De conclusie die de inspectie ons heeft gemeld is dat zij vertrouwen heeft in de rechtmatigheid van herstelopdrachten. De inspectie hanteert kwaliteitsborgingssystemen en handelt op basis van wettelijke kaders. Naar aanleiding van de verkenning gaat de inspectie wel nader bestuderen of de onderbouwing van de tekortkomingen in de rapporten nog verder kan worden verduidelijkt, en zo ja hoe.
Hoe taxeert u de conclusie van professor Van Schoonhoven dat er in de praktijk herstelopdrachten gegeven worden die geen (of te weinig) juridische basis kennen?
De inspectie heeft een kwaliteitsborgingssysteem en baseert tekortkomingen waarvoor herstelopdrachten worden opgelegd op de wettelijke deugdelijkheidseisen. De wet schrijft voor waar het onderwijs aan moet voldoen, maar daarbij geeft de wet ruimte. Dat is vaak een bewuste keuze van de wetgever, om in concrete gevallen nadere invulling te kunnen geven aan wettelijke normen en rekening te houden met bijzondere situaties. Om de wet te kunnen toepassen, heeft de inspectie op grond van artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht de taak om onderzoekskaders voor te dragen die door de Minister worden vastgesteld. Daarin staat de wijze waarop de wettelijke eisen worden geïnterpreteerd. Daardoor weten zowel scholen en besturen als de inspecteurs waar ze aan toe zijn.
Als de inspectie bij een school of bestuur een tekortkoming in naleving van wettelijke deugdelijkheidseisen constateert, vermeldt zij in het rapport welke wettelijke bepaling niet wordt nageleefd. Om aan scholen en besturen duidelijk te maken wat de wet van hen vraagt, formuleert de inspectie in de rapporten herstelopdrachten. Daarbij wordt altijd verwezen naar de wettelijke deugdelijkheidseis waarop de tekortkoming is geconstateerd.
Is het waar dat de Inspectie van het Onderwijs herstelopdrachten heeft gegeven die niet zijn gebaseerd op het niet-naleven van een deugdelijkheidseis? Zo ja, in hoeveel gevallen en op welke gronden?
De conclusie dat de inspectie herstelopdrachten heeft gegeven die niet zijn gebaseerd op het niet-naleven van een deugdelijkheidseis wordt door de inspectie niet herkend. Naar aanleiding van de verkenning hebben juristen, wetenschappelijk onderzoekers en toezichtdeskundigen van de inspectie onderzoek gedaan naar herstelopdrachten. De conclusie die de inspectie met ons heeft gedeeld is dat de inzet van de herstelopdracht wel degelijk rechtmatig is, omdat deze is gebaseerd op geconstateerde tekortkomingen op de wettelijke deugdelijkheidseisen.
Deelt u de opvatting dat persoonlijke interpretaties van (het door een bestuur of school voldoen aan) een deugdelijkheidseis van een inspecteur niet mogen leiden tot een herstelopdracht of een sanctie en hoe zorgt de Inspectie van het Onderwijs er intern voor dat zulke situaties maximaal worden vermeden?
Wij vinden het belangrijk dat inspecteurs op navolgbare en transparante wijze handelen en oordelen. De inspectie werkt daarvoor met onderzoekskaders waarin de werkwijze wordt beschreven. Daarbij mag het voor een school of bestuur niet uitmaken welke inspecteur het onderzoek doet. Daarom oordelen inspecteurs in de zogeheten risico-kwaliteitsonderzoeken nooit alleen, maar altijd in teams. Die teams wisselen geregeld van samenstelling, wat bijdraagt aan een gelijksoortige en navolgbare manier van werken.
Ook op andere manieren werkt de inspectie aan de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van haar werkwijze. Zo maakt de inspectie gebruik van handreikingen voor een uniforme werkwijze, frequente (bij-)scholing van inspecteurs en consensusoverleggen. Indien een school als «zeer zwak» wordt beoordeeld, wordt dit rapport voor een extra kwaliteitscheck voorgelegd aan een interne toetsingscommissie.
Hoe beschouwt u deze conclusie in relatie tot de wet van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht waarin de stimulerende en de toezichthoudende taak meer onderscheiden zijn?2
De inspectie baseert haar toezichthoudende taak op wettelijke deugdelijkheidseisen. Daarnaast heeft de inspectie ook een stimulerende taak. In 2021 zijn de onderzoekskaders van de inspectie en de bijbehorende inspectierapporten herzien, om duidelijker onderscheid te maken tussen de controlerende en stimulerende taak van de inspectie. Dit is terug te zien in de rapporten, waarin de inspectie helder aangeeft wat beter moet (waarborgen van de deugdelijkheidseisen) en wat beter kan (stimuleren van kwaliteitsaspecten). Enkel die eerste categorie levert een herstelopdracht op. Bij de evaluatie van de initiatiefwet van de leden Bisschop c.s. van 8 april 2026 in mei 2022 bleek al dat het gemaakte onderscheid in lijn is met het doel van de wet.
Kunt u onderbouwen in hoeverre het de taak van de Inspectie van het Onderwijs is om het onderwijskundige beleid van scholen actief bij te sturen en daarvoor de herstelopdracht als middel in te zetten?
Scholen hebben, binnen de grenzen van de wet, de vrijheid om zelf invulling te geven aan hun onderwijskundige beleid. Wel vraagt de wet van scholen dat zij dit beleid vastleggen in het schoolplan. De inspectie kan op dit vlak een tekortkoming constateren wanneer het schoolplan niet alle onderdelen bevat die door de wet worden voorgeschreven (artikel 12 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 2.88 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 21 van de Wet op de expertisecentra). In dat geval kan de inspectie een herstelopdracht opnemen in het rapport, om aan scholen en besturen duidelijk te maken wat de wet van hen vraagt en wat er nog ontbreekt.
Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs beter en concreter onderscheid maken tussen haar oordelende en stimulerende rol?
Naast een toezichthoudende taak heeft de inspectie de wettelijke taak tot het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten (artikel 3, lid 1, sub b, onder 1 van de Wet op het onderwijstoezicht). De stimulerende taak van de inspectie ligt in het verlengde van de taak om te waarborgen dat het onderwijs voldoet aan de wettelijke vereisten.
De inspectie maakt op meerdere manieren onderscheid tussen de toezichthoudende en stimulerende taak, bijvoorbeeld in de onderzoekskaders en in de rapportindeling. In rapporten wordt duidelijk aangegeven wat beter moet en dus onder de toezichthoudende taak valt. Daarnaast geeft de inspectie aan wat er al goed gaat en wat nog beter kan, als onderdeel van de stimulerende taak.
In juni 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop scholen vanuit het toezicht gestimuleerd kunnen worden om te werken aan kwaliteitsverbetering.3 Daarin is onder andere aangegeven dat bij de professionalisering van inspecteurs extra aandacht zal worden besteed aan de stimulerende aspecten van het toezicht.
Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs ervoor zorgen dat elke geconstateerde tekortkoming en dus gegeven herstelopdracht goed is onderbouwd?
De inspectie maakt gebruik van vooraf vastgestelde kwaliteitsnormen en beoordelingswijzen. Dit zorgt ervoor dat tekortkomingen niet willekeurig worden vastgesteld, maar worden beoordeeld op basis van heldere bepalingen. Elke tekortkoming wordt beschreven in een inspectierapport, waarin de context, bevindingen en het oordeel van de inspectie worden vastgelegd. Dit rapport bevat concrete argumenten die de tekortkoming(en) onderbouwen. Op basis van de constateringen worden waar sprake is van tekortkomingen herstelopdrachten geformuleerd.
Wel heeft de inspectie laten weten dat zij uit de discussie over de toepassing van de herstelopdrachten opmaakt dat zij naar scholen en besturen soms een duidelijker onderbouwing kan geven van de tekortkoming en de herstelopdracht die daar bij hoort. Daarmee gaat de inspectie aan de slag. De verkenning onderstreept ook het belang van een onderzoekskader dat zorgvuldig tot stand komt, helder beschreven is en zo duidelijk mogelijk maakt wat de wet van scholen en besturen vraagt. Dit neemt de inspectie mee in de herziening van de onderzoekskaders die op dit moment in voorbereiding is.
Bent u het ermee eens dat scholen een ruime eigen pedagogische en didactische ruimte toekomt bij alle vakgebieden, dus ook bij burgerschap? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze ruimte nu en in de toekomst gehandhaafd blijft? Zo nee, waarom niet?
Scholen hebben inderdaad veel ruimte om een eigen pedagogische en didactische invulling te geven aan het onderwijs dat zij verzorgen. Ten aanzien van burgerschap geldt dat scholen een wettelijke opdracht hebben om op doelgerichte, samenhangende en herkenbare wijze actief burgerschap en sociale cohesie te bevorderen. Scholen hebben daarbij veel ruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven, zo lang wordt voldaan aan de eisen uit de wet. De inspectie beoordeelt of scholen aan die wettelijke eisen voldoen.
Hoe wilt u voorkomen dat de Inspectie van het Onderwijs herstelopdrachten inzet als verkapt stimuleringsmiddel?
Herstelopdrachten zien alleen op de wettelijke deugdelijkheidseisen en op de uitwerking die de onderzoekskaders daaraan geven. Daarmee geeft de inspectie uitvoering aan de toezichthoudende taak. Herstelopdrachten zijn dus noodzakelijke interventies en geen instrument om scholen aan te moedigen bovenwettelijke verbeteringen te implementeren. De inspectie maakt in haar rapporten ook duidelijk welke uitspraken worden gedaan in het kader van het nalevingstoezicht en welke uitspraken worden gedaan in het kader van stimulerend toezicht. We zien ook dat besturen daar gebruik van maken om verdere verbeteringen door te voeren, omdat zij het belangrijk vinden om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren en de adviezen van de inspectie graag ter harte nemen. Niet omdat zij hiertoe wettelijk verplicht zijn, maar omdat zij dit in het belang van de leerling achten.
Gaat de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van het onderzoek van professor Van Schoonhoven herstelopdrachten intrekken? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Nee, de inspectie geeft aan op basis van de verkenning door professor Van Schoonhoven geen aanleiding te zien herstelopdrachten in te trekken.
Wat doet u om schoolbesturen te wijzen op hun rechten als de Inspectie van het Onderwijs in gebreke blijft en/of onzorgvuldig te werk gaat?
De inspectie neemt verschillende maatregelen om schoolbesturen te wijzen op hun rechten. Zo worden besturen actief geïnformeerd over de hoor- en wederhoorprocedure en het recht op bezwaar en beroep bij het oordeel «zeer zwak». Rapporten met een ander oordeel kunnen aan de civiele rechter worden voorgelegd.
Daarnaast wordt door de inspectie gedurende een onderzoek ruimte geboden voor feedback en eventuele bezwaren tegen de werkwijze van de inspectie. Dit geeft scholen en besturen de kans om hun zorgen te uiten en hierover met de inspectie in gesprek te gaan. Tevens informeert de inspectie scholen en besturen over de mogelijkheid om een klacht in te dienen als zij vinden dat de inspectie onzorgvuldig heeft gehandeld. De inspectie zal dan samen met het bestuur op zoek gaan naar een mogelijke oplossing. Wanneer het niet lukt om tot een gezamenlijke oplossing te komen, wordt de klacht voorgelegd aan een onafhankelijke klachtadviescommissie. Deze klachtenprocedures zijn beschreven op de website van de inspectie en worden indien gewenst toegelicht tijdens inspectiebezoeken.
Wat doet u om schoolbesturen te stimuleren gebruik te maken van de mogelijkheid een bestuursreactie te geven op de bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs?
De inspectie sluit kwaliteitsonderzoeken af met een rapport van bevindingen. In zo’n rapport kan een beleidsreactie van het bestuur worden opgenomen, maar daarnaast kan het bestuur ook een zienswijze als bijlage laten opnemen. De inspectie informeert scholen en besturen via verschillende kanalen over deze mogelijkheden en nodigt het bestuur ook actief uit tot het insturen van een beleidsreactie, die wordt opgenomen als slothoofdstuk van het rapport. Scholen maken in veel gevallen ook al gebruik van deze mogelijkheden.
Bent u ermee bekend dat organisaties in het ringenoverleg soms aangeven dat zij de uitleg van de Inspectie van het Onderwijs niet in overeenstemming vinden met de wet? Vindt u ook dat, om te voorkomen dat individuele scholen last krijgen van een norm die kennelijk betwist wordt, in dit soort situaties nadere bespreking met externen wenselijk is en dat ook het parlement hiervan expliciet op de hoogte gesteld zou moeten worden?
Het Ringenoverleg is een waardevol overleg dat de inspectie met het onderwijsveld voert. Hierin worden onder andere de onderzoekskaders besproken en wordt ook stilgestaan bij de uitleg die wordt gegeven aan wettelijke bepalingen. Waar nodig spreekt de inspectie met individuele organisaties door om specifieke onderwerpen verder uit te diepen en worden wetenschappers geraadpleegd bij de totstandkoming van voorstellen voor de onderzoekskaders, om zo de uitleg van normen extra ter discussie te stellen als daarover meningsverschillen bestaan. De (woordelijke) verslagen van de ringenoverleggen zijn openbaar en worden altijd met de Tweede Kamer gedeeld.4
Het artikel ‘Re-integratie (ex-)gedetineerde personen komt niet goed van de grond’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Hoe duidt u de knelpunten die uit het onderzoek «Van Bajes naar buiten» naar voren komen, namelijk de beperkte mogelijkheden van de casemanager en het re-integratiecentrum (RIC) om een schuldenoverzicht en een betalingsregeling te regelen of in het geval van complexere zaken schuldhulpverlening of -sanering, in het licht van de constatering dat de schuldenaanpak één van de vijf basisvoorwaarden voor een succesvolle re-integratie van (ex-)gedetineerde personen is?1, 2 Welke mogelijkheden zijn er om reeds tijdens detentie meer vorm te geven aan begeleiding bij schulden met het oog op het voorkomen van recidive en het bevorderen van re-integratie?
Uit het onderzoek «Van Bajes naar buiten» blijkt dat de beperkte mogelijkheden van de casemanager om een schuldenoverzicht te maken vooral te maken heeft met de hoge caseload van de casemanager en niet (duidelijk) zichtbare samenwerking met gemeenten. Voor wat betreft de caseload van de casemanager geldt dat er wordt gewerkt aan het verbeteren van het Detentie- en Re-integratieplan (D&R-plan) waardoor naar verwachting de casemanager effectiever kan worden ingezet. In de zesde voortgangsbrief Recht doen, Kansen biedenis uw Kamer hierover geïnformeerd.3 Medio 2025 zal een werklastmeting plaatsvinden van de caseload van casemanagers. Ten aanzien van de schuldhulpverlening geldt dat dit een taak is van de gemeentes (zie het antwoord op vraag4. Voor de samenwerking tussen Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en gemeentes geldt dat sinds 2023 de werkwijze waarop gemeenten worden geïnformeerd over burgers in detentie is vernieuwd. Er is een digitale voorziening ontwikkeld voor het delen van het D&R-plan. Hier maakt ondersteuning bij schulden onderdeel van uit. Via deze voorziening verstuurt DJI binnen 10 dagen informatie over het traject van de gedetineerde aan de gemeente van herkomst. Hierdoor is de gemeente beter betrokken bij de re-integratie van de gedetineerde.
Gemeenten hebben de wettelijke taak om schuldhulpverlening te bieden aan hun inwoners, ook wanneer deze in detentie verblijven. De DJI signaleert bij aanvang van detentie of er schulden zijn. Indien er schulden zijn dan informeert DJI binnen tien werkdagen de gemeente van herkomst over de hulpvraag. De gemeente ondersteunt de gedetineerde bij het vinden van een oplossing voor diens schuldenproblematiek. De casemanagers van DJI hebben een signalerende rol ten aanzien van schulden en de gemeente heeft een ondersteuningsrol bij het oplossen hiervan. Gemeenten hebben beleidsvrijheid over de manier waarop zij gedetineerden ondersteunen bij het oplossen van de schuldenproblematiek. De ondersteuningsmogelijkheden zijn gelijk aan de mogelijkheden die er zijn voor alle inwoners. Zo kan er gebruik worden gemaakt van een schuldbemiddelingstraject of een saneringskrediet wanneer er sprake is van een problematische schuldensituatie.
Is met het aanwijzen van één schuldhulpverlener per regio die werkzaam is de Penitentiaire Inrichting (PI) en het verantwoordelijk maken van deze persoon voor de gedetineerden uit de regio, een betere afstemming van de regierol en informatie-uitwisseling tussen re-integratieprofessionals geborgd zoals aanbevolen in het rapport «Van Bajes naar buiten»? En hoe wordt hierbinnen afstemming en samenwerking tussen Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de regionale schuldhulpverlener en gemeenten geborgd én hoe wordt voorkomen dat er extra afstemmingslast bij gemeenten komt?
Gemeenten kennen beleidsvrijheid in de wijze waarop zij schuldhulpverlening bieden aan hun inwoners die verblijven in detentie. Zij kunnen daarom ook kiezen om hierin regionaal op te trekken. Hierdoor worden de uitvoeringslasten voor de individuele gemeenten verdeeld. In de uitwerking van de genoemde motie5 kwam naar voren dat het aanwijzen van één regionale schuldhulpverlener zal kunnen leiden tot een betere afstemming tussen schuldhulpverlener en de casemanagers van DJI. Op die manier hebben zij niet te maken met individuele gemeenten maar hebben zij één aanspreekpunt per penitentiaire inrichting. Ook voor individuele gemeenten kan de inzet van een regionale schuldhulpverlener effectief zijn. De lokale schuldhulpverleners gaan immers niet meer zelf naar de PI maar kunnen hier een regionale schuldhulpverlener voor inzetten, dit scheelt tijd en daarom ook kosten. In de zomer is aan uw Kamer toegezegd om de mogelijkheid van het inzetten van één regionale schuldhulpverlener te verkennen.6 Over deze toezegging wordt u Kamer voor het einde van het jaar geïnformeerd in de voortgangsbrief Armoede en Schulden.
Hoeveel uur hebben casemanagers gemiddeld beschikbaar voor de schuldenaanpak? Wat is hun caseload? Zijn deze uren ook afdoende voor het begeleiden van gedetineerden ten aanzien van schulden?
Een ureninschatting voor ondersteuning bij specifiek de schuldenaanpak is niet te geven. De casemanagers van DJI hebben de taak om samen met de gedetineerde aan de slag te gaan met een persoonsgericht D&R-plan waarbij aandacht is voor alle basisvoorwaarden. Een schuldenaanpak kan daar onderdeel van uitmaken. Als er sprake is van schulden bij gedetineerden dan wordt de gemeente van herkomst geïnformeerd over de hulpvraag. Gemeenten hebben immers de wettelijke taak om gedetineerden te begeleiden bij het oplossen van de schuldenproblematiek
Zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, wordt er gewerkt aan een verbetering van het D&R proces waardoor naar verwachting de casemanager effectiever kan worden ingezet. Medio 2025 vindt er een werklastmeting plaats van de caseload van casemanagers.7
In hoeverre is de ondersteuning vanuit gemeenten daadwerkelijk effectief voor personen in detentie om het re-integratieproces soepel(er) te laten verlopen?
Er zijn geen cijfers bekend over de effectiviteit van de schuldhulpverlening tijdens detentie. Wel blijkt de problematische schuldensituatie voor een grote groep nazorgkandidaten nauwelijks voor en na detentie te zijn veranderd. Dat wil zeggen dat ongeveer 90% van de nazorgkandidaten die voor detentie problematische schulden had deze nog steeds had na detentie.8 Gemeenten verschillen in de ondersteuningsmogelijkheden die zij bieden aan hun inwoners, ook wanneer zij in detentie verblijven. Hoewel gemeenten de wettelijke taak hebben om ook gedetineerden te ondersteunen bij hun schuldenproblematiek zien we dat de aanpak en capaciteit per gemeente verschilt. Wanneer een inwoner in detentie verblijft, is het voor een lokale schuldhulpverlener praktisch niet goed mogelijk om de verschillende DJI te bezoeken omdat deze op geruime afstand van gemeente kunnen liggen. Er is onvoldoende ruimte om de vraag naar en aanbod van schuldhulpverlening bij elkaar te brengen. Dit maakt het tot een uitdaging voor gemeenten om schuldhulpverlening te bieden aan inwoners die in detentie verblijven.
Hoeveel gemeenten bekostigen tijdelijk de vaste lasten van gedetineerden vanuit de bijzondere bijstand met als doel escalatie van de schuldensituatie na detentie te voorkomen en daarmee het risico op recidive?
Als iemand gedetineerd is, dan heeft hij geen recht op algemene of bijzondere bijstand.9 Het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorziet in de algemene en bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan voor gedetineerden, ook tijdens het weekendverlof. De kosten voor het aanhouden van een woning moet de gedetineerde zelf betalen. Het is zijn eigen verantwoordelijkheid om een afdoende regeling te treffen. In acute noodsituaties waarin dit niet mogelijk is, kan de gemeente op grond van zeer dringende redenen en afhankelijk van het individuele geval bijzondere bijstand verstrekken voor doorbetaling huur en eventuele andere woonlasten (zoals vastrecht voor gas, water en elektriciteit). Het betreft echter slechts heel uitzonderlijke situaties waarbij steeds een strikt individuele afweging van de omstandigheden noodzakelijk is. Het is niet bekend hoeveel gemeenten hier gebruik van maken.
Hoe wordt het instrument van bijzondere bijstand en het doorbetalen van vaste lasten onder de aandacht gebracht bij gemeenten? En wordt dit onderdeel van de basisdienstverlening schuldhulpverlening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse Verenging voor Volkskrediet (NVVK), Divosa en het kabinet?
Het behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het college om invulling te geven aan de uitvoering van de Participatiewet. De gemeenteraad houdt toezicht. Informatie over de toekenning van bijzondere bijstand in dergelijke situaties kunnen gemeenten vinden op reguliere kennisbanken als Stimulansz en Schulinck.
Anders dan de doelgroep jongeren, ondernemers en huisbezitters, is er geen specifieke aanpak voor gedetineerden opgenomen in de basisdienstverlening. Gemeente Den Haag evalueert momenteel de pilot «Schuldenzorgenvrij uit detentie».10 Mocht hun aanpak succesvol zijn gebleken, dan zal de Staatssecretaris van Participatie en Integratie (P&I) in gesprek gaan met VNG, NVVK en Divosa over de mogelijkheid om deze aanpak op te nemen in het actieplan van de basisdienstverlening.
Wanneer kan de Kamer de wettelijke regeling om de zorgverzekering tijdens detentie automatisch op te schorten verwachten?
De Ministeries van VWS en Justitie en Veiligheid onderzoeken samen met de zorgverzekeraars, het CAK en DJI of de zorgverzekering tijdens detentie automatisch kan worden opgeschort en na detentie automatisch hervat. Hiervoor moeten de uitvoeringsconsequenties in beeld worden gebracht en er is een aanpassing van de Zorgverzekeringswet nodig. Uw Kamer wordt via de jaarlijkse brief over het gevangeniswezen op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen van dit punt.
Wanneer wordt het verstrekken van een saneringskrediet tijdens detentie een onderdeel van de basisdienstverlening schuldhulpverlening van VNG, NVVK, Divosa en het kabinet?
Gemeenten kunnen al een saneringskrediet inzetten tijdens detentie. De gemeente Den Haag doet dit al voor haar inwoners die in detentie verblijven. Uit gesprekken met de VNG en NVVK blijkt echter dat gemeenten hierin terughoudend zijn. Omdat de gedetineerden tijdelijk geen inkomen hebben, wordt het inkomen waarop het krediet wordt ingezet geschat. Hiermee loopt de gemeente het risico dat het verstrekte krediet niet volledig kan worden afbetaald door gedetineerden wanneer blijkt dat inkomen te laag is ingeschat. Om dit risico voor gemeenten te verlagen, is de Staatssecretaris van P&I in gesprek met het waarborgfonds saneringskredieten. Dit is toegezegd in de derde voortgangsrapportage van de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden.11 Over deze toezegging wordt u geïnformeerd in de voortgangsbrief Armoede en Schulden die voor het eind van dit jaar naar uw Kamer wordt verzonden.
Welke mogelijkheden zijn er momenteel voor hulp aan gedetineerden bij schulden richting uitstroom uit detentie en in hoeverre is er daarbij sprake van warme overdracht naar hulp bij schulden na detentie?
Zoals eerder aangegeven zijn gemeenten al tijdens detentie verantwoordelijk voor het bieden van schuldhulpverlening aan hun inwoners die in detentie verblijven. Dit op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Indien een gedetineerde uitstroomt naar een andere gemeente dan de gemeente van herkomst, dan verschuift deze verantwoordelijkheid naar de gemeente van uitstroom en is deze gemeente aan zet om schuldhulpverlening vorm te geven voor de ex-gedetineerde. Gemeenten kennen beleidsvrijheid wanneer het gaat om de inrichting van deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting voor 2025 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?
Aan uw Kamer is een uitstelbericht verzonden. Aangezien de beantwoording van de vragen zorgvuldige stemming vraagt tussen verschillende ministeries is het niet mogelijk gebleken om deze voor de begrotingsbehandeling te verzenden.
Het schrappen van de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU), Harmen Krul (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Hoeveel leerlingen ontvangen dit schooljaar godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op een openbare basisschool?
Ongeveer 50.000 leerlingen ontvangen vormingsonderwijs. Daarnaast zijn scholen vanuit de wettelijke kaders verplicht om aandacht te besteden aan identiteitsvorming via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Dit onderwijs moet gegeven worden aan alle leerlingen.
Hoe verhoudt uw voornemen om de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te schrappen zich tot de wettelijke opdracht van artikel 192 van de Wet op het primair onderwijs om subsidie te verstrekken aan de organisatie voor vormingsonderwijs en de duidelijke kaders die daarvoor bij de wetsbehandeling geschetst zijn? Onderkent u dat het schrappen van de subsidie niet mogelijk is zonder wetswijzing?
Met het wegvallen van de bekostiging aan het Centrum voor Vormingsonderwijs (hierna: CvV), valt hun bron van financiering weg. De bekostiging is op dit moment wettelijk geborgd. Voor de beëindiging van de subsidie wordt een voorstel tot wetswijziging gedaan. De financiering is nog voorzien in 2025 en 2026. De komende tijd wordt het juridische proces rondom het stopzetten van de subsidie per 2027 in gang gezet.
Wat is uw reactie op de constatering van het Centrum voor Vormingsonderwijs dat «[m]et dit voornemen het openbaar onderwijs op achterstand [wordt] gezet ten opzichte van het bijzonder onderwijs», omdat openbare scholen nu niet meer tegemoet kunnen komen «aan de terechte vraag naar levensbeschouwelijke vorming»?1
Scholen zijn vanuit de wettelijke kaders ook verplicht aandacht te geven aan de identiteitsontwikkeling van kinderen via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Scholen (zowel openbaar als bijzonder) worden dus niet op achterstand gezet, maar blijven dezelfde bekostiging houden om invulling te geven aan deze wettelijke kaders.
Vanwege de taakstelling moeten er keuzes gemaakt worden. Hierbij is ervoor gekozen het primaire proces van onderwijs (kort gezegd: het verplichte curriculum, opgenomen in de kerndoelen en de burgerschapsopdracht) te ontzien. Vormingsonderwijs is niet opgenomen in dit verplichte curriculum. Hiervoor is vastgelegd dat het aanvullend op verzoek van ouders kan worden aangeboden, ter verrijking van de identiteitsontwikkeling van kinderen.
Verwacht u dat scholen na het schrappen van de subsidie evengoed in staat zijn de leerlingen in de gelegenheid te stellen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen? Kunt u die verwachting onderbouwen? Hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat de subsidie in verband staat met het gewenste hoge kwaliteitsniveau, wat onder andere tot uitdrukking komt in het toepassen van de bevoegdheidseisen?
Die verwachting is er niet. Openbare scholen worden niet bekostigd om godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te geven. Dat past niet bij de aard van openbaar onderwijs. Wel zijn openbare scholen verplicht om via onderwijs over kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht leerlingen voor te bereiden op deelname aan een pluriforme samenleving. Hierbij doen leerlingen kennis op van de verschillende wereldreligies. Ze leren zich ook vanuit hun eigen waarden te verhouden tot mensen met een andere (levensbeschouwelijke) overtuiging. Het vormingsonderwijs is een aanvullend aanbod, buiten het verplichte curriculum van de school. De beëindiging van de subsidie aan het CvV raakt niet het primaire proces van scholen.
De hoge kwaliteit van het huidige vormingsonderwijs komt mede door de bevoegdheidseisen aan vakleerkrachten. Eventuele vragen ten aan de kwaliteit hebben geen rol gespeeld in het voorgenomen besluit de subsidie te beëindigen. Aan deze afweging ligt vooral ten grondslag dat we het primaire proces willen ontzien en dat de versterking van burgerschapsonderwijs ook bijdraagt aan identiteitsontwikkeling.
Erkent u dat levensbeschouwelijk vormingsonderwijs meer is dan «leerlingen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten», maar het ook gaat over het stellen van levensvragen, het zoeken naar een persoonlijk antwoord daarop en het helpen ontwikkelen van een eigen levensbeschouwelijke identiteit en op deze manier geen opdracht vanuit burgerschap is, zoals het Centrum voor Vormingsonderwijs stelt?
Ja, identiteitsvorming van leerlingen is van wezenlijk belang. We zien dat vormingsonderwijs breder is dan alleen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten. Bij vormingsonderwijs is de docent niet neutraal maar geeft hij vanuit de eigen overtuiging les. Vormingsonderwijs draagt echter niet alleen bij aan identiteitsvorming. Onderwijs over bijvoorbeeld het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht draagt ook bij aan de identiteitsontwikkeling van kinderen. Dit aanbod is verplicht vanuit de wet en kerndoelen. In de aangescherpte burgerschapsopdracht van 2021 is opgenomen dat de school leerlingen kennis over en respect voor verschillen in o.a. godsdienst en levensovertuiging moet bijbrengen. De aanvullende waarde van deze subsidieregeling is daarmee afgenomen, zeker daar waar het vormingsonderwijs wordt verstrekt in carrouselvorm. Bij het carrouselmodel ontvangen leerlingen namelijk in lessenserie vormingsonderwijs over verschillende levensbeschouwingen, in plaats van dat leerlingen het hele jaar les krijgen over één specifieke levensbeschouwing. Wij denken dat scholen met het onderwijs over burgerschap en Geestelijke stromingen een groot deel van het aanbod van vormingsonderwijs zullen opvangen en dat leerlingen voldoende ruimte krijgen om te leren van en over elkaars geloof en levensovertuigingen en daarbij hun eigen identiteit verder te ontwikkelen.
Heeft u voorafgaande dit besluit gesproken met ouders die veel waarde hechten aan dit godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs? Wat kunt u delen over deze gesprekken?
Voorafgaand aan dit besluit is niet direct gesproken met ouders van kinderen die vormingsonderwijs ontvangen. Dat is ook niet gangbaar bij dergelijke besluiten. Wel geeft het evaluatierapport enkele inzichten in de positie van ouders ten aanzien van het vormingsonderwijs in de praktijk. Uit de eerste resultaten blijkt dat het aanbod aan vormingsonderwijs op veel scholen in beperkte mate tot stand komt op verzoek van ouders, terwijl het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat ouders de vragende partij zijn. Het evaluatierapport zal begin volgend jaar naar uw Kamer gestuurd worden.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
De vragen zijn op 27 november aan uw Kamer gezonden.
Het bericht 'Bezorgdheid om bezuinigingsplannen onderwijs: ‘Maakt Nederland op lange termijn kapot’' |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman , Jan Paternotte (D66), Chris Stoffer (SGP), Joost Eerdmans (EénNL), Doğukan Ergin (DENK), Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Harmen Krul (CDA), Rob Jetten (D66), Don Ceder (CU) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV), Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bezorgdheid om bezuinigingsplannen onderwijs: «Maakt Nederland op lange termijn kapot»»?1
Ja.
Bent u bekend met de brandbrief van 23 oktober 2024 verstuurd namens VNO-NCW, Universiteiten van Nederland, de CEO’s van NXP Semiconductors Nederland, Siemens Nederland, Johnson & Johnson, Arcadis, VodafoneZiggo, RoyalHaskoningDHV, Adyen, Nationale Nederlanden, Elsevier, Randstad, Signify, Picnic, TomTom, IMC, Vandebron, FrieslandCampina, VDL Groep, Airbus Netherlands, Royal Cosun, Lely, RijkZwaan, Demcon, Thales Nederland, Urenco Nederland en 18 Nederlandse start-ups en scale-ups.
Ja.
Wat is uw reactie op het statement van deze CEO’s en bedrijven die stellen dat de bezuinigingen op onderwijs van dit kabinet een bezuiniging betekenen op het toekomstig verdienvermogen van Nederland? Deelt u de zorg van het bedrijfsleven over de effecten van de onderwijsbezuinigingen op de toekomst van de Nederlandse economie?
De coalitiepartijen hebben bij het Hoofdlijnenakkoord scherpe keuzes moeten maken om de overheidsfinanciën op orde te houden en tegelijkertijd ruimte te vinden voor maatschappelijke investeringen en lastenverlichting. De bezuinigingen op onderwijs komen voort uit deze bredere politieke afwegingen. Ik besef dat bezuinigingen pijnlijk zijn. Ik ga de te nemen maatregelen dan ook zeer zorgvuldig uitwerken, zodat deze zo min mogelijk negatieve impact hebben op het toekomstig verdienvermogen. Tegelijk blijft het kabinet jaarlijks € 45 miljard in onderwijs en onderzoek investeren via de OCW-begroting. Dat zijn forse investeringen die ten goede komen aan de welvaart en het verdienvermogen van ons land. Mijn ambitie is om te zorgen dat die basis op orde blijft en waar mogelijk zelfs effectiever wordt.
Kunt u aangeven hoe deze bezuiniging tot stand is gekomen? Kunt u aangeven welke afwegingen daarbij hebben meegespeeld? Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen van de experts die zijn geconsulteerd bij de besluitvorming over deze bezuiniging?
De maatregelen in het Hoofdlijnenakkoord zijn het resultaat van het formatieproces van de kabinetspartijen. Het parlement is door de formateur geïnformeerd over het formatieproces, de onderliggende documentatie en de geraadpleegde partijen2. Het hoofdlijnenakkoord is vervolgens uitgewerkt in het regeerprogramma. In Bijlage 1 van het regeerprogramma is een overzicht van de belangrijkste gesprekpartners genoemd waarmee in aanloop naar het opstellen van het regeerprogramma is gesproken3.
Wat voor economie wil dit kabinet voor de toekomst van Nederland? Wat is de rol van publiek onderwijs, innovatie en onderzoek in deze economie?
Het kabinet wil een innovatieve concurrerende economie bevorderen, zodat Nederland tot de koplopers blijft behoren op het gebied van onderzoek, innovatie en digitalisering in Europa en daarbuiten. De ambitie is om een gediversifieerde economie te behouden en nieuwe waardeketens in technologisch hoogwaardige industrieën op te bouwen. Hiervoor wordt gewerkt aan de verdere uitrol van de Nationale Technologiestrategie. In het regeerprogramma is de ambitie opgenomen om 3 procent R&D-uitgaven van het bbp te halen in 2030. Daarnaast wordt er gewerkt aan de vernieuwing van het Topsectorenbeleid.
Om deze sterke economie te realiseren, moeten we ook keuzes maken over het soort werk dat we stimuleren. Deze keuzes komen terug in de brede arbeidsmarktagenda waarin het kabinet haar aanpak voor de arbeidsmarktkrapte nader uitwerkt. Het kabinet wil bovendien de productiviteit verhogen door onder meer innovatie en de toepassing van arbeidsbesparende technologieën te stimuleren. Hiervoor zal het kabinet een Productiviteitsagenda opstellen. Ook blijft het kabinet praktijkgericht onderzoek stimuleren om zo bij te dragen aan het oplossen van de maatschappelijke opgaven. Naast onderzoek en innovatie vervult ook kwalitatief goed onderwijs hierin een belangrijke rol.
Erkent u dat investeringen in onderwijs, wetenschap en innovatie noodzakelijk zijn voor de economie en het verdienvermogen van Nederland?
Dat erken ik. Nederland investeert daarom jaarlijks ruim € 46 miljard in onderwijs en onderzoek met uitgaven van de OCW-begroting.4 In de komende jaren zal dat volgens de OCW-begroting dalen tot ruim 45 miljard in 2028. Kijkend naar de publieke uitgaven aan R&D dan zijn deze investeringen toegenomen van € 4,7 miljard in 2012 naar € 9,1 miljard in 2023.5
Kunt u de analyse van het kabinet sturen van de effecten van deze bezuiniging op onderwijs en innovatie voor de groei van de Nederlandse economie?
Voor de raming van de economische ontwikkeling baseert dit kabinet zich op de ramingen van het CPB. Er is geen aparte doorrekening gemaakt van specifieke bezuinigingsmaatregelen. In algemene zin hebben publieke uitgaven aan onderwijs en innovatie een positief effect op het verdienvermogen maar dit effect hangt sterk af van de specifieke maatregel. Het is niet mogelijk om een precieze inschatting te geven van de gevolgen hiervan op de welvaart.
Wat is uw reactie op de conclusie van Rabobank dat de bezuinigingen van dit kabinet Nederland op termijn 27 tot 52 miljard euro kunnen kosten? Deelt u deze conclusie? Zo niet, wat is uw eigen raming van het effect op de lange termijn groei? Hoeveel miljard aan bbp gaat er mogelijk verloren?
Ik heb kennis genomen van de conclusie van de Rabobank. Het CPB geeft aan dat het op dit moment niet mogelijk is om langetermijn bbp-/groei-effecten van de uitgaven aan onderwijs en innovatie betrouwbaar te modelleren en te ramen, omdat het effect sterk afhangt van de vormgeving van specifieke maatregelen. Het Kabinet onderkent, net als het CPB dat onderwijs, onderzoek en innovatie een positief effect hebben op welzijn en welvaart. Desalniettemin gaat het niet alleen om de kwantiteit maar ook de kwaliteit van de investeringen en het kader van wet- en regelgeving.
Bestaat er een kans dat het verlies aan bbp meer kost dan dat de bezuinigingen opleveren? Zo nee, waarop baseert u dat?
Het CPB heeft vorig jaar in een publicatie aangegeven dat het op dit moment niet mogelijk is om productiviteitseffecten van R&D beleid betrouwbaar mee te nemen in een macro-economisch model.6 Zie ook de antwoorden op vragen 6, 8 en 10.
Erkent u dat de modellen van het CPB niet het volledige effect op de economische groei weergeven, bijvoorbeeld doordat de langetermijneffecten van bezuinigingen op onderwijs en innovatie niet worden meegewogen? Erkent u dat dit een tekortkoming is in de raming die ten koste gaat van de betrouwbaarheid?
Het klopt dat het CPB de langetermijneffecten van bezuinigingen (of investeringen) op het vlak van onderwijs en innovatie op economische groei niet meeweegt. Het CPB heeft drie jaar geleden een reactie geschreven op een motie die het kabinet opriep om het CPB te vragen om effecten van investeringen in kennis door te rekenen.7 Daarin geeft het CPB aan dat er weliswaar brede consensus is dat onderwijs, onderzoek en innovatie een positief effect hebben op welzijn en welvaart, maar dat niet iedere investering in kennis hetzelfde rendement oplevert. Daarnaast is er veel onduidelijkheid over de grootte van beleidseffecten. Door de grote variëteit in effectgroottes is het niet mogelijk een rendement toe te kennen aan een kennisinvestering als niet helder is op welke wijze de investering besteed zal worden. In aansluiting hierop heeft het CPB recent aangegeven dat het niet in staat is om de effecten van R&D-beleid op een betrouwbare manier mee te nemen in een macro-economisch model. De doorrekeningen van het CPB nemen wel de (korte termijn) budgettaire kosten van investeringen in onderwijs en innovatie mee, maar de (langere termijn) economische baten niet.
Kunt u schematisch weergeven hoeveel procent van het BBP de afgelopen 10 jaar is uitgegeven aan onderwijs en innovatie en schetsen hoe deze ambitie zich in de aankomende jaren ontwikkelt?
De publieke uitgaven aan onderwijs bedroegen in 2013 5,5 procent van het bbp. In 2023 is dat percentage gedaald naar 5,1 procent van het bbp. Het CPB8 raamt dat dit percentage verder daalt naar 4,9 procent van het bbp in 2028.
Voor wat betreft innovatie zijn gegevens over totale uitgaven aan R&D als percentage van het bbp beschikbaar. Deze uitgaven hebben zich ontwikkeld van 2,13 procent in 2013 tot 2,30 procent in 2022.9 Het betreft hier de optelsom van publieke en private uitgaven aan R&D. In tegenstelling tot onderwijsuitgaven is er op het terrein van R&D uitgaven geen raming beschikbaar. Het percentage van het bbp dat wordt uitgegeven aan R&D begeeft zich de afgelopen jaren steeds onder het gemiddelde van 2,73% van de OESO, maar boven het gemiddelde van 2,11% van de EU in 2022.
Erkent u dat publieke investeringen in innovaties een katalysator zijn voor private investeringen? Kunt u een inschatting maken van de omvang van de private investeringen in innovaties die Nederland misloopt door deze bezuiniging op publieke investeringen? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek van de KNAW is gebleken dat meer publieke investeringen in onderzoek en ontwikkeling leiden tot meer private investeringen in onderzoek en ontwikkeling10. Tegelijkertijd levert niet elke extra investering in kennis hetzelfde rendement op. Het maakt dus uit op welke wijze extra investeringen in kennis worden ingezet, en voor welk onderzoek. Het is daarom niet mogelijk om te voorspellen in welke mate het effect van private investeringen verandert door de bezuinigingen.
Kunt u een inschatting geven van hoeveel internationale topwetenschappers Nederland als gevolg van de bezuinigingen zullen verlaten of niet kiezen en gaan voor een aanstelling aan een universiteit in het buitenland?
Ik begrijp de zorg die hierover heerst. De precieze inschatting van het effect hiervan kan ik echter niet maken. Dat hangt af van de wijze waarop de universiteiten en hogescholen de bezuinigingen vertalen naar hun personeelsbeleid.
Hoe verhouden de bezuinigingen op onderwijs, onderzoek en innovatie zich met de door de premier genoemde aanbevelingen uit het Draghi-rapport, dat stelt dat we grootschalig moeten investeren in kennis en innovatie om de concurrentiekracht van de Europese economie niet nog verder te laten afzwakken ten opzichte van de VS en China? Als u deze analyse van Draghi onderschrijft, hoe rijmt u dat dan met de grote onderwijsbezuinigingen van dit kabinet?
Onderwijs, onderzoek en innovatie zijn belangrijke factoren in de ontwikkeling van arbeidsproductiviteit. Hierbij gaat het niet enkel over publieke investeringen maar ook over het scheppen van de juiste randvoorwaarden voor private investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie. Het belang van onderwijs, onderzoek en innovatie is recent bevestigd in het rapport van Draghi: «The future of European competitiveness». Op 4 oktober jl. stuurde het kabinet de reactie op dit rapport aan de Tweede Kamer11. Het kabinet onderschrijft het belang van onderwijs, talent, vaardigheden, en onderzoek en innovatie om zo de productiviteit te verhogen in een vergrijzende samenleving. Hiermee versterken we ons verdienvermogen. Een betere aansluiting van vraag en aanbod van kennis en vaardigheden draagt ook bij aan het aanpakken van de arbeidsmarkttekorten. Ook erkent het kabinet in zijn reactie dat onderzoek en innovatie de katalysator zijn voor productiviteit en welvaart. Het is daarbij van belang om in te zetten op het volledige spectrum van kennisontwikkeling: van fundamenteel onderzoek tot toegepast onderzoek en innovatie en meer aandacht voor valorisatie. Draghi benoemt daarom de doelstelling van 3% van het Europese bbp naar onderzoek en innovatie, een doelstelling die voor 2030 ook in het regeerprogramma is opgenomen. Het kabinet onderschrijft ook de conclusie dat tegelijkertijd meer focus nodig is op strategische onderzoeksprioriteiten en technologiegebieden bij voorkeur in lijn met de Nationale Technologiestrategie, waaronder op het terrein van cybersecurity. Nederland heeft als groot voordeel dat het bij uitstek een land is waarin kennisinstellingen, industrie, en overheid intensief samenwerken. Het kabinet deelt de mening dat Europa, en dus ook Nederland, beter kan profiteren wanneer nauw wordt samengewerkt binnen onderzoeks- en innovatie-ecosystemen, en waarin gezamenlijk kennis wordt gecreëerd en gevaloriseerd.
Wat is uw verwachting van het effect van de bezuinigingen op onderwijs, wetenschap, innovatie voor de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit? Zal deze naar verwachting hierdoor stijgen, of juist dalen? Erkent u dat een stijging van de arbeidsproductiviteit cruciaal is, met het oog op de oplopende personeelstekorten dankzij de vergrijzing? Wat gaat u daaraan doen?
Er is consensus onder economen dat onderwijs en innovatie belangrijke determinanten zijn van arbeidsproductiviteit, hetgeen van belang is om het welvaartsniveau van Nederland op peil te houden12. Dit kabinet heeft in zijnregeerprogramma ook aangekondigd te willen komen tot een Productiviteitsagenda13, die erop gericht is hetzelfde werk te doen met minder mensen. Ook zet het kabinet met de bredere arbeidsmarktagenda in op het moderniseren van de economie en de arbeidsmarkt, door bijvoorbeeld te kiezen voor kwaliteit van werk.
Kunt u reflecteren op het feit dat door teruglopende economische ontwikkeling in de toekomst er minder middelen zullen zijn om onze leraren, zorgmedewerkers en andere publieke voorzieningen te betalen?
Over het belang van productiviteitsgroei heeft het kabinet recent gereflecteerd in een brief aan uw Kamer14. Daarin wordt betoogd dat productiviteitsgroei van belang is om het welvaartsniveau in Nederland vast te houden en om geld te blijven verdienen waarmee we publieke diensten, zoals onderwijs en zorg, kunnen bekostigen. Met de in het regeerprogramma aangekondigde Productiviteitsagenda is de inzet van dit kabinet om de trend van een vertraging van de productiviteitsgroei in de laatste 10 jaar ten opzichte van de decennia daarvoor te keren. Daarnaast heeft het kabinet aandacht voor het verbeteren van het concurrentievermogen, verminderen van administratieve belemmeringen en stimuleren van startups.
Kunt u gedetailleerd inzicht geven in hoe de bezuinigingen neerslaan per provincie? Kunt u daarbij een inschatting geven van de impact op de regionale economie en werkgelegenheid?
Het is niet mogelijk om gedetailleerd inzicht te geven in hoe de bezuinigingen neerslaan per provincie en wat de impact op de regionale economie en werkgelegenheid is. De bezuinigingsmaatregelen op de OCW-begroting kennen geen provinciale of regionale focus, met uitzondering van de afschaffing van de functiemix Randstad. Voor deze maatregel is gekozen, omdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling niet kan worden aangetoond. Het kabinet heeft gekozen om de incidentele extra middelen voor het mbo en het hbo voor krimpregio’s te handhaven. Ook wordt gewerkt aan een stabiele bekostiging zodat mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten bij dalende studentenaantallen een goed onderwijsaanbod op peil kunnen houden, in het bijzonder opleidingen die voor de regio vitaal zijn. Ook de incidentele intensivering in de Campus Groningen van € 50 miljoen blijft gehandhaafd. Daarnaast wordt met «Project Beethoven» in totaal € 2,51 miljard geïnvesteerd door de rijksoverheid, regio en bedrijfsleven in onderwijs, kennis en ruimtelijke infrastructuur in de Nederlandse microchipsector, onder andere in de regio Brainport Eindhoven tot en met 203015.
Weet u hoeveel minder start-ups en scale-ups er in Nederland zullen ontstaan als gevolg van de bezuinigingen? Zo nee, bent u bereid hier een nadere impactanalyse naar uit te voeren? Hoeveel startups vloeien er jaarlijks voort uit (onderzoek van) de universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen? Verwacht u een daling van het aantal startups als gevolg van de bezuinigingen op innovatie, onderzoek en onderwijs?
Sinds 1990 zijn er vanuit Nederlandse kennisinstellingen 2.500 startups ontstaan16. Waaronder 1.200 kennisintensieve startups (deeptech startups) op basis van onderzoek. Vijfhonderdvan deze bedrijven zijn een spin-off, oftewel een kennisintensieve startup met een overeenkomst om het intellectuele eigendom van een kennisinstelling te gebruiken. Jaarlijks worden er gemiddeld 62 nieuwe startups op basis van onderzoek opgericht in Nederland.
Succesvolle valorisatie vraagt om zowel hoogwaardig onderzoek als ondernemerschap, waardoor een bedrijf kan starten en opschalen. Het kabinet blijft inzetten op een ondernemende cultuur binnen kennisinstellingen, betere begeleiding voor ondernemende onderzoekers en onderzoekende ondernemers en transparante en eenduidige IP-voorwaarden. Daarnaast maakt het kabinet middels de intensivering van Invest-NL meer middelen vrij die ten goede komen aan de doorgroei van onder andere kennisintensieve scale-ups, zoals deeptech bedrijven.
Het is niet bekend welke effecten de omvang van de budgetten voor onderzoek en innovatie hebben op het aantal nieuw op te richten startups. Wij verwachten op korte termijn geen daling van het aantal startups. Juist ook omdat het kabinet meer middelen vrijmaakt voor de doorgroei van startups, wat het aantrekkelijker maakt om een deeptech bedrijf te starten.
Wat zijn de arbeidsmarkteffecten van de bezuinigingen op onderwijs, onderzoek en innovatie voor de verschillende arbeidsmarktsectoren op de middellange en lange termijn? Wat voor directe effecten hebben deze onderwijsbezuinigingen op korte termijn voor de arbeidsmarkttekorten in zorg, onderwijs en techniek? Kunt u dit uitsplitsen per sector voor zowel lange als korte termijn?
Instellingen zullen de bezuinigingen op onderwijs, onderzoek en innovatie op verschillende wijzen opvangen. De keuzes die instellingen maken zijn afhankelijk van een diversiteit aan factoren. Hierdoor is het niet mogelijk om betrouwbare doorrekeningen te maken van de arbeidsmarkteffecten van de maatregelen. Het is daarom ook niet mogelijk een uitsplitsing per sector te maken voor zowel de korte als lange termijn. Het CPB raamt in zijn meest recente middellangetermijnraming (MEV 2024) dat de werkloosheid beperkt oploopt tot 4,5 procent in 202817.
Minder werkgelegenheid in de ene sector kan daarnaast ook betekenen dat arbeidskrachten beschikbaar komen voor andere sectoren in de economie. De daadwerkelijke arbeidsmarkteffecten voor onderwijsprofessionals en onderzoekers zullen echter afhangen van de keuzes die instellingen maken in budgetten en personeelsbeleid. De startersbeurzen voor onderzoekers zijn bijvoorbeeld nog niet toegekend, waardoor de stopzetting van deze middelen niet zorgt voor een directe terugval in de werkgelegenheid voor jonge onderzoekers. De eerder voorziene toename in de werkgelegenheid voor onderzoekers, die daarmee samenhing, zal echter niet plaatsvinden.
Welk effect hebben deze bezuinigingen op het Topsectorenbeleid en hoe raakt dit het internationale verdienmodel van Nederlandse ondernemers?
De bezuinigingen hebben beperkt impact op het Topsectorenbeleid. De verwachting is dan ook niet dat dit op korte termijn het internationale verdienmodel van ondernemers raakt. Daarnaast wordt het internationaal verdienmodel door vele factoren bepaald, denk bijvoorbeeld aan onnodige regeldruk.
Wat betekenen de bezuinigingen voor de Nationale Technologiestrategie (NTS)? Gaat het kabinet technologieën en sectoren naar rato korten, of gaat het kabinet technologieën/sectoren schrappen?
De Nationale Technologiestrategie heeft geen eigen budget, maar geeft richting aan de besteding van middelen voor onderzoek en innovatie uit bestaande budgetten op de aangegeven strategische prioriteiten. De NTS als strategie wordt gehandhaafd en in haar geheel onderschreven door dit kabinet, er worden dus geen technologieën uit de NTS geschrapt.
Wat zijn de gevolgen van de onderwijsbezuinigingen op de internationale handel, aangezien Nederland juist vanwege haar innovatieve bedrijven en hoogwaardige export een gewilde handelspartner is? Welke effecten hebben de bezuinigingen op het internationale verdienvermogen van Nederland?
Het is niet mogelijk om een schatting te geven van het effect dat de bezuiniging op de OCW-begroting heeft op toekomstige internationale handel. Dat komt omdat er veel factoren bepalend zijn voor de Nederlandse uitvoer van goederen en diensten. In algemene zin is het wel zo dat bedrijven met R&D en/of innovatie vaker actief zijn op internationale markten18. Hier kan sprake zijn van een selectie-effect omdat deze bedrijven blootstaan aan internationale concurrentie waardoor mogelijk alleen de meest innovatieve bedrijven deze stap kunnen maken. Het CPB verwacht in zijn meest recente middellangetermijnraming (MEV 2024) dat de uitvoer in de periode 2025–2028 blijft groeien met ca. 2,2 procent per jaar19.
Kan worden aangegeven hoe deze bezuinigingen invloed hebben op de toegang tot nieuwe behandelingen voor patiënten? Klopt het dat patiënten mogelijk door deze bezuiniging langer moeten wachten op een nieuwe behandeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
De onderzoeksmiddelen waar nu op bezuinigd wordt, zijn bedoeld voor wetenschap. De bezuiniging daarop kan niet direct gelinkt worden aan de toegang tot nieuwe behandelingen voor patiënten. Tussen onderzoek en uiteindelijke behandeling zitten diverse schakels. Bovendien resulteert niet elk onderzoek in een mogelijke nieuwe behandelmethode.
Heeft u in kaart gebracht wat deze bezuinigingen betekenen voor de ontwikkeling van medicijnen of vaccins? Zo nee, heeft u een risico inschatting gemaakt wat dit betekent voor Nederlanders die nu en in de toekomst zorg nodig hebben? Wat is uw reactie op de gevolgen die KWF schetst voor kankeronderzoek en behandelingen door deze onderwijsbezuinigingen?
Het kabinet heeft die effecten niet in kaart gebracht omdat de relatie niet zo eenduidig is. Zie ook antwoord op vraag 23. Geneesmiddelenontwikkeling is een complex proces dat internationaal plaatsvindt, meestal in de private sector, al dan niet in samenwerking met verschillende publieke partijen. Ook zijn er veel verschillende financieringsvormen voor geneesmiddelenonderzoek, publiek en privaat. Hoewel Nederlandse onderzoekers een belangrijke rol spelen in geneesmiddelenonderzoek is het niet zo dat deze bezuiniging per definitie gaat leiden tot minder nieuwe geneesmiddelen voor de Nederlandse patiënt. Het voorbeeld van kankeronderzoek dat u aanhaalt illustreert dit. Kankeronderzoek kent met KWF een sterke financieringspartner in Nederland. Daarnaast is kankeronderzoek internationaal een terrein waarin ook door bedrijven fors wordt geïnvesteerd.
Wat zijn de effecten van het wegbezuinigen van het stagefonds voor het opleiden van mensen in de zorg? Hoe veel stageplekken financiert het Ministerie van VWS met het stagefond in het mbo en hbo? Hoe gaat het bezuinigen op stageplekken in de zorg bijdragen aan het grote tekort aan stageplekken in de regio Utrecht, Amersfoort en Haaglanden?
Door de Algemene Rekenkamer is onderzocht of het stopzetten van de subsidie gevolgen heeft voor het stageaanbod. De conclusie is dat dit onwaarschijnlijk is.20 Over het studiejaar 2022–2023 werd voor 13.549 fte aan subsidie voor hbo-studenten verstrekt en voor 44.553 fte aan mbo-studenten. In totaal gaat het om 58.102 fte. Volgens het rapport van de Algemene Rekenkamer is het aantal stageplaatsen in de zorg niet nauw verbonden met de beschikbare subsidie. Zorgaanbieders bieden stages aan om toekomstig personeel te werven en aan hen te binden. Dit is daarmee in hun eigen belang. Het stagefonds was daarbij slechts een financiële tegemoetkoming. Tegelijkertijd is de Minister van VWS met u van mening dat opleiden van zorgpersoneel blijvend onze aandacht verdient. Het is belangrijk om voldoende en goed toegerust zorgpersoneel op te leiden en te komen tot een goede verdeling tussen opleidingen binnen en buiten het ziekenhuis. Het is daarvoor van belang dat de kwaliteit van de stagebegeleiding, juist ook gezien de krapte op de arbeidsmarkt, van voldoende niveau blijft, ook met het wegvallen van het stagefonds. Dat blijft het kabinet monitoren en bevorderen, bijvoorbeeld via het stagepact mbo 2023–2027. Daarnaast worden momenteel concrete afspraken gemaakt met het veld voor de Leidraad Vakmanschap en Werkplezier. Scholing en ontwikkeling van medewerkers in de sector zorg en welzijn vormen een belangrijk onderdeel van deze leidraad.
Hoe rijmt u deze grove bezuiniging op stageplekken met de ambitie in het regeerprogramma om speciaal oog te hebben voor opleidingen voor tekortberoepen en het herwaarderen van praktische opleidingen en beroepen?
Werkgevers hebben de verantwoordelijkheid om voldoende stageplaatsen aan te bieden en te zorgen voor goede begeleiding van studenten. In totaal kent het beroepsonderwijs weinig stagetekorten. Het kabinet blijft volgen hoe het aantal stageplaatsen en de begeleiding van studenten in de zorg zich ontwikkelt. Daarnaast zet het kabinet zich voor alle studenten in om te zorgen voor voldoende stageplaatsen en goede begeleiding, onder andere via het stagepact mbo. Bovendien sluit het kabinet in de zomer van 2025 een pact met studenten, werknemers, werkgevers en onderwijsinstellingen in het mbo om studenten gericht op te leiden voor strategische tekortsectoren en voor de verwachte maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat op het gebied van onder andere zorg, techniek en onderwijs.
Kunt u schetsen hoeveel studenten op dit moment uitvallen of school vroegtijdig verlaten bij zorgopleidingen? Denkt u dat verslechterde stagebegeleiding een positieve bijdrage gaat leveren aan uitval bij opleidingen voor beroepen in de zorg? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Het studierendement van de mbo-opleidingen voor zorg en welzijn is 65%, voor de hbo-opleidingen in zorg en welzijn is dat 48%21. Het studierendement is bepaald door te kijken naar het aandeel studenten dat is gestart met een opleiding en hun diploma heeft behaald binnen de nominale (oftewel «normale») studieduur + 1 jaar. Bijvoorbeeld voor verzorgenden is het studierendement 3 + 1 jaar. Voor deze afbakening is gekozen omdat blijkt dat van degenen die hun diploma halen, verreweg de meesten dat binnen de periode van de nominale studiejaar + 1 jaar doen. De cijfers geven dus een goede indicatie van het percentage studenten dat uitvalt of switcht naar een andere opleiding.
De Minister van VWS interpreteert de vraag zo dat met verslechterde stagebegeleiding gedoeld wordt op begeleidingscapaciteit. Zoals de Algemene Rekenkamer in het rapport van 2022 heeft geconcludeerd, is de belangrijkste belemmering om voldoende stages aan te bieden het gebrek aan begeleidingscapaciteit. Veel zorgorganisaties willen wel meer stages aanbieden dan ze nu doen, maar hebben niet genoeg gekwalificeerde medewerkers om de stagiairs op te leiden. Daar moeten andere oplossingen voor worden gevonden op het gebied van behoud en efficiëntie. De Leidraad Werkplezier en Vakmanschap moet daaraan bijdragen. Vanaf 2028 is daarvoor € 40 mln. beschikbaar. Daarnaast blijven we de kwaliteit van stagebegeleiding monitoren. Zie ook vraag 25.
Erkent u dat de Nederlandse veredelingssector en glastuinbouw een significante bijdrage leveren aan de Nederlandse economie en wereldwijde voedselzekerheid door de toonaangevende innovatie en expertise in deze sectoren? Zo ja, wat zal de impact zijn van deze bezuinigingen op deze sectoren?
Ja, het kabinet erkent de significante bijdrage van deze sectoren aan de Nederlandse economie en de wereldwijde voedselzekerheid. De Minister van LVVN beseft dat deze sectoren geraakt zullen worden door de bezuinigingen. Er wordt momenteel gewerkt aan een kabinetsbrede visie op biotechnologie, waaronder veredeling. Versterking van het innovatie-ecosysteem voor biotechnologie zal een aandachtspunt zijn in de visie. Daarnaast wil de Minister van LVVN zoals beschreven in het regeerprogramma, in deze kabinetsperiode stevig inzetten op innovatie in het LVVN domein, zodat de Nederlandse land- en tuinbouw en de keten ook in de toekomst tot de meest concurrerende, innovatieve en duurzame systemen van de wereld behoren. Besluitvorming over de inzet van middelen hiervoor moet nog plaatsvinden.
Erkent u dat de Wageningen Universiteit en Research de hofleverancier is van talent in agrarische topsectoren en een cruciale bijdrage kunnen leveren aan het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen in de landbouw? Wat zal het effect zijn van de onderwijsbezuinigingen op het aantal agro-economische experts in Nederland?
Het kabinet is het met u eens dat Wageningen Universiteit en Research een belangrijke leverancier is van talent en zeer belangrijk is voor het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen in de agrarische topsectoren.
Instellingen die met bezuinigingen te maken krijgen, zullen keuzes maken die negatieve effecten van de bezuinigingen zoveel mogelijk mitigeren. De Minister van OCW roept op dat ze dat waar nodig en relevant in gezamenlijkheid doen zodat er ook overkoepelend oog is voor het voortbestaan van landelijk benodigde expertise. Welke keuzes instellingen zullen maken en wat de effecten van de bezuinigingen en demografische krimp zullen zijn op de toekomstige arbeidsmarktcapaciteit in verschillende sectoren, zoals bijvoorbeeld op het aantal agro-economische experts, is nu nog niet te zeggen. Daarbij komt dat het aantal agro-economische experts in Nederland, naast het onderwijsaanbod, ook afhankelijk is van de vraag en de aansluiting tussen vraag en aanbod. Het SER-advies «Werken aan veranderkracht» gaat hierop in voor het zogeheten groen-blauwe domein.22 Een inhoudelijke reactie op dit advies is door de Minister van LVVN aan de Kamer toegezegd, begin 2025.
Wat zal de impact zijn van de innovatiebezuinigingen op landbouwinnovaties zoals voedersystemen, mestverwerkingssystemen, melksystemen, dierenwelzijn en innovaties voor uitstootreductie?
Innovatie van de land- en tuinbouwsector staat centraal in het regeerprogramma. De Minister van LVVN zet daarom in op ondersteunend innovatiebeleid. Er is in het Hoofdlijnenakkoord eenmalig € 5 miljard beschikbaar gesteld voor een meerjarige investering in de agrarische sector, onder andere voor innovatie. Over de verdere verdeling van deze middelen moet nog besluitvorming plaatsvinden en wordt de Kamer later door de Minister van LVVN geïnformeerd.
Welke landbouwsector zal het hardst geraakt worden door de innovatiebezuinigingen? Heeft u hier met het kabinet een impactanalyse van gemaakt? Zo nee, bent u bereid dit te doen? Zullen deze bezuinigingen impact hebben op de uitvoering van de nieuwe pesticiden richtlijnen waar zowel agronomische, ecologische als toxicologische kennis voor nodig is?
Er is vanuit het kabinet geen analyse gemaakt van de impact van de bezuinigingen voor de landbouwsector, dus ook niet voor een specifiek thema zoals bestrijdingsmiddelen (waaronder gewasbeschermingsmiddelen). Dit kabinet ziet echter wel het belang van innovatie van de land- en tuinbouwsector en heeft dit een van de prioriteiten gemaakt in het regeerprogramma. Dit kabinet stelt eenmalig € 5 miljard beschikbaar voor investeringen in de agrarische sector, waaronder voor innovatie, zie vraag 30.
Wat betekenen de bezuinigingen op onderwijs, onderzoek en innovatie op belangrijke maatschappelijke doelen?
Onderzoek en innovatie kunnen bijdragen aan belangrijke maatschappelijke doelen. Het kabinet streeft verschillende doelen na, maar heeft daarbij ook te stellen met onvermijdelijke lastige keuzes. Financiële middelen, maar bijvoorbeeld ook beschikbaar personeel zijn niet onbeperkt. De bezuinigingen moeten daarom ook bezien worden in het bredere beeld van het Hoofdlijnenakkoord, de effecten van de overheidsfinanciën en de overige maatschappelijke doelen. Zie ook de vragen 3 en 6.
Kunt u alle vragen separaat beantwoorden voor de behandeling van de onderwijsbegroting?
Ja, met deze beantwoording heb ik daaraan voldaan.
Herinnert u zich de motie-Omtzigt c.s. van april 2023, waarmee de Kamer unaniem vroeg om advies over openbaarheid van de stukken over de Bijlmervliegramp?1
Ja, een beleidsreactie met de stand van zaken van de uitvoering van de motie is op 30 september jl. aan de Kamer gestuurd.1
Hoe beoordeelt u het dat u nu eerst twee externe onderzoeken gaat doen naar de mogelijke uitvoering van twee van de vier aanbevelingen?2
Voor aanbeveling 4 van het ACOI wordt een extern onderzoek uitgevoerd. Aanbeveling 3 wordt uitgevoerd door het Ministerie van IenW in afstemming met een aantal organisaties en de Ministeries van OCW, BZK en JenV.
Met aanbeveling 4 adviseert het ACOI om te investeren in de toegankelijkheid van het archief voor betrokkenen en onderzoekers. Bij het beoordelen van de stukken ter uitvoering van aanbeveling 1 en 2 is door IenW een veel uitgebreider overzicht gemaakt van de diverse documenten in verschillende dossiers van het Nationaal Archief. ACOI adviseert het onderzoek ook te richten op meerdere archieven, zoals het Stadsarchief Amsterdam en mogelijk andere. Extern onderzoek is nodig om de relevante archieven in beeld te krijgen. Er is specifieke expertise uit de archiefwereld nodig om te zorgen dat de opvolging van deze aanbeveling werkbaar is voor de verschillende archieven. Daarnaast is die expertise ook nodig om te zorgen dat de uitvoering voorziet in de behoefte van nabestaanden en bewoners. Bij het Ministerie van IenW is deze expertise niet aanwezig.
Wilt u de precieze vraagstelling van die onderzoeken aan de Kamer doen toekomen?
Voor het onderzoek naar aanbeveling 4 zijn door IenW voor inhoudelijke expertise verschillende verkennende overleggen gevoerd met het Ministerie van OCW, het Stadsarchief Amsterdam en een mogelijke uitvoerder om zo snel en zo goed mogelijk de aanbeveling op te volgen. Om te investeren in de toegankelijkheid van de archieven is in lijn met het ACOI-rapport hieruit de volgende vraagstelling geformuleerd: Onderzoek hoe bestaande inventarissen kunnen worden verduidelijkt, of er andere relevante archieven zijn en wat de behoeften zijn van nabestaanden en omwonenden om de toegankelijkheid van het Bijlmervliegramparchief met een (mogelijke online) onderzoeksgids te vergroten.
Het onderzoek naar aanbeveling 3 kent geen vraagstelling voor extern onderzoek, omdat het ministerie dit zelf uitvoert. Hierbij wordt in ieder geval gekeken naar de wettelijke verdeling van de verantwoordelijkheid, de invulling van een balancing test en de mogelijkheid om een generieke beoordeling bij de balancing test toe te passen. Ook wordt gekeken naar het belang van de bescherming van onderzoeksgegevens om de luchtvaartveiligheid te verbeteren. Over de vraag in hoeverre de openbaarmaking van de archiefstukken in lijn is met de internationale (ICAO) regelgeving vindt op 22 oktober een technische briefing plaats met de Kamercommissie van IenW.
Hoeveel gaan die onderzoeken kosten in tijd en in geld?
Het streven is het onderzoek naar aanbeveling 4 in het eerste kwartaal van 2025 gereed te hebben. De kosten hiervoor zijn nog niet definitief bekend.
Het onderzoek naar aanbeveling 3 wordt door het Ministerie van IenW uitgevoerd. Eerder is de Kamer geïnformeerd dat de benodigde inspanning vanuit IenW, de overige betrokken ministeries en het Nationaal Archief groot is. Zie ook de beantwoording op vraag 8.
Deelt u de verbazing over de noodzaak van een advies over de balancing test?
De balancing test wordt sinds 2016 voorgeschreven door Bijlage 13 bij het Verdrag van Chicago voor de internationale burgerluchtvaart. De invulling die het ACOI in aanbeveling 3 wenst voor de balancing test gaat verder dan hoe de balancing test wordt toegepast. Er wordt geen extern onderzoek of advies uitgebracht over (de noodzaak van) de balancing test. Het Ministerie van IenW bestudeert de aanbeveling en weegt in overleg met relevante partijen zorgvuldig de voor- en nadelen af binnen de wettelijke vereisten. Nagestreefd wordt transparant en duidelijk te zijn over onderzoeken in de burgerluchtvaart.
Als dit onderzoek zo noodzakelijk is, waarom is daar niet mee begonnen in de weken nadat het advies van ACOI is uitgekomen maar heeft u eerst maanden gewacht?
Het ACOI is in april 2023 begonnen met haar onderzoek en heeft de resultaten hiervan op 19 april 2024 gepubliceerd. Het ministerie is direct aan de slag gegaan met de opvolging van de aanbeveling. Het ACOI heeft aanbevolen om «zo snel mogelijk» de door haar genoemde dossiers openbaar te maken. Het ACOI stelt verder in haar rapport dat «wanneer de dossiers openbaar zijn gemaakt» (aanbeveling 1) «en vervolgens in de resterende documenten 64 dossiers zoveel mogelijk documenten door het spitsen van dossiers ook openbaar zijn gemaakt» (aanbeveling 2), voor de «uiteindelijke resterende documenten met toepassing van een balancing kan worden vastgesteld of toegang mogelijk is» (aanbeveling 3).
Voor de uitvoering van aanbeveling 1 en 2 zijn alle stukken (circa 1.300) in de dossiers van de Raad van de Luchtvaart inzake de Bijlmervliegramp beoordeeld. Deze inzet was nodig voor de uitvoering van aanbevelingen 3 en 4. De benodigde expertise voor de uitvoering van aanbeveling 1 en 2, is tevens vereist voor de beoordeling van aanbeveling 3. Deze expertise is beperkt voorhanden en kan ook niet worden ingehuurd, waardoor volgordelijkheid in de uitvoering nodig is. De uitgebreidere inventarislijst die is ontstaan bij de uitvoering van aanbeveling 1 en 2, wordt meegenomen in het onderzoek van aanbeveling 4. Dit geldt ook voor inzichten uit intussen gevoerde gesprekken met het Nationaal Archief en het Stadsarchief Amsterdam.
Wilt u behalve alle organisaties die u nu betrokken zijn bij het advies over de balancing test en die waarschijnlijk zullen pleiten voor grote terughoudendheid, ook organisaties op gelijke voet betrekken die pleiten voor openbaarheid, zoals vertegenwoordigers van de nabestaanden en onderzoeksjournalistiek (Nederlandse Vereniging van Journalisten – NVJ)?
Bij het onderzoek naar aanbeveling 3 worden organisaties vanuit hun wettelijke verantwoordelijkheid betrokken, zoals het Ministerie van OCW vanuit haar verantwoordelijkheid voor de Archiefwet en de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) vanuit haar verantwoordelijk voor luchtvaartongevallenonderzoek. De Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers wordt vanuit hun expertise benaderd voor het onderzoek. IenW hecht eraan dat ook de wensen en het perspectief van nabestaanden en bewoners goed wordt meegenomen in de onderzoeken. Binnenkort nemen IenW en het Nationaal Archief deel aan een informatiebijeenkomst voor de bewoners en nabestaanden van de Bijlmervliegramp. Deze bijeenkomst wordt georganiseerd door het Stadsdeel Zuidoost en het ACOI.
Kunt u een tijdlijn – startend bij de eerste Kamervragen die om openbaarheid vroegen – geven wanneer de balancing test klaar is en de stukken openbaar zullen zijn? Vindt u dat redelijk na april 2023?
Voorop gesteld wordt dat een balancing test om inzage te krijgen in vertrouwelijke stukken sinds 2016 mogelijk is en op verzoek wordt uitgevoerd. Waar het hier om gaat is het beoordelen en waar mogelijk uitvoeren van de aanbevelingen van het rapport van het ACOI. Het opstellen van het rapport heeft het ACOI een jaar gekost. Het beoordelen van de stukken dat door het ACOI is gedaan, moet door IenW opnieuw worden uitgevoerd. Dit is nodig omdat IenW verantwoordelijk is voor de inhoud van het archief en vanuit de verantwoordelijkheid dat Nederland voldoet aan verdragsverplichtingen. Dit is gebeurd in nauwe samenwerking met het Nationaal Archief als verantwoordelijke voor het beheer van het archief.
Zoals in antwoord 6 is aangeven, is dit werk geprioriteerd in lijn met de aanbeveling van het ACOI om stukken zo snel mogelijk openbaar te maken. Het onderzoek door IenW met relevante partijen naar aanbeveling 3 wordt naar verwachting in het voorjaar van 2025 afgerond. Hieronder wordt een nadere tijdlijn gegeven.
Op 19 januari 2016, tijdens het vragenuur in de Tweede Kamer, heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenM antwoord gegeven aan de Kamerleden Elias (VVD), Monasch (PvdA), Omtzigt en Van Helvert (CDA), op vragen over het archief van de Rijksluchtvaartdienst en de termijn waarin de openbaarheid van ongevalsarchieven wordt beperkt (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 43, item 4). In aanvulling daarop heeft op 25 maart 2016 de Staatssecretaris van IenM antwoord gegeven op schriftelijke vragen van de Kamerleden Omtzigt en Van Helvert, ingezonden op 4 maart 2016 inzake de geheimhouding van de stukken (Zie Handelingen II vergaderjaar 2015/16, nr. 2040).
Op 11 oktober 2022 heeft de vaste commissie voor BZK een burgerbrief ontvangen met een vraag over de openbaarheidsbeperking van het archief van de Bijlmervliegramp. Deze brief is ter beantwoording doorgeleid naar de Minister van IenW die de Kamer op 23 november 2022 heeft geïnformeerd (Kamerstuk 22 861, nr. 37). In reactie daarop heeft de vaste commissie voor BZK op 27 januari 2023 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van IenW. Bij brief van 22 maart 2023 zijn deze vragen beantwoord (Kamerstuk 22 861, nr. 39).
Tijdens het tweeminutendebat 13 april 2023 «Geheimhouding stukken Bijlmerramp 1992» worden twee moties ingediend. De motie Leijten (Kamerstuk 22 861, nr. 41) wordt verworpen en de (gewijzigde) motie Omtzigt c.s. (Kamerstuk 22 861, nr. 42) wordt aangenomen.
Ter uitvoering van de werkzaamheden van de motie Omtzigt verleent IenW per brief op 18 juli 2023 toestemming aan het ACOI voor de volledige toegang tot de documenten in het archief van de Raad voor de Luchtvaart bij het Nationaal Archief. Op 26 juli 2023 is door IenW op verzoek aan zeven personen van het ACOI toestemming verleend voor het inzien van de stukken waaraan een openbaarheidsbeperking was gesteld met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten en op 26 september 2023 op verzoek nog eens aan vier personen van het ACOI. In de maanden augustus t/m november 2023 heeft het ACOI onderzoek gedaan in de archieven van de Raad van de Luchtvaart in het Nationaal Archief. In de maanden december 2023 en januari 2024 zijn gesprekken gevoerd met deskundigen, journalisten, wetenschappers en bewoners en nabestaanden van de slachtoffers van de vliegramp.
Op 15 maart 2024 is het ACOI-conceptrapport ter inzage aangeboden aan IenW voor een feitencheck met het verzoek uiterlijk op 22 maart commentaar te leveren. Verlenging van de inzagetermijn was desgevraagd niet mogelijk. Hierop is door IenW op 22 maart commentaar op hoofdlijnen geleverd vanwege de korte inzagetermijn van 1 week. Op 26 maart kwam het ACOI met een aanvullend voorstel voor het instellen van een commissie voor het uitvoeren van de balancing test (en nog zonder de toevoeging dat de commissie ook voor andere luchtvaartrampen in het archief van de Raad voor de Luchtvaart zou kunnen worden ingezet). Op verzoek van IenW ontvangt het ACOI op 29 maart een geactualiseerd conceptrapport (inclusief bijgewerkte aanbevelingen over de commissie). Tevens dringt IenW erop aan dat de OVV ook inzage krijgt in het conceptrapport, omdat bleek dat de OVV als belangrijke stakeholder niet was geïnterviewd bij het rechtsvergelijkend onderzoek. Het ACOI heeft daarop het conceptrapport op 27 maart verstuurd naar de OVV. Op 8 april stuurt de OVV zijn commentaar aan het ACOI met een afschrift aan de Minister van IenW.
Op 19 april 2024 heeft het ACOI het advies uitgebracht over de mogelijkheden om de openbaarheid van het archief over de vliegramp in de Bijlmermeer te vergroten. In de brief van 22 april jl. informeert de Minister van IenW de Kamer van een beleidsreactie te voorzien (Kamerstuk 22 861, nr. 46).
Over de aanbevelingen in het ACOI-rapport zijn op 24 april jl. Kamervragen gesteld door de leden Omtzigt, Palmen (beiden Nieuw Sociaal Contract), White (GroenLinks-PvdA), Ceder (ChristenUnie), Bamenga (D66), Van der Plas (BBB), Vedder (CDA), Van Nispen (SP), Ergin (DENK), Van Houwelingen (FVD), Stoffer (SGP), Koekkoek (Volt), Eerdmans (JA21), Van der Velde (PVV) en Martens-America (VVD). Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, nr. 2024D20035. Deze vragen zijn op 21 mei jl. door IenW beantwoord.
Na de publicatie van het ACOI-rapport is bij IenW direct capaciteit en budget vrijgemaakt om direct met de aanbevelingen 1, 2 en 4 alsmede (bovenvermelde) Kamervragen aan de slag te gaan. Met OCW is ook bij het Nationaal Archief vanwege de vaste procedures bij inzage van archiefstukken en documenten met openbaarheidsbeperking (vanwege het belang van de Staat of zijn bondgenoten) extra inzet geregeld. De beschikbaarheid van de studiezaal en de toezichthouder waren mede bepalend voor het tempo waarin de 80 inventarisnummers en de inhoud daarvan stuk voor stuk (ca. 1.300) konden worden doorgenomen.
Op 1 mei jl. is gestart met het beoordelen van alle stukken van de Bijlmervliegramp in het archief van de Raad van de Luchtvaart. Dit werk, als ook de beoordeling welke dossiers gesplitst moesten worden, is de hele zomer doorgegaan. In de tweede helft van de zomer is tegelijkertijd gekeken naar de voorbereidende werkzaamheden voor aanbevelingen 3 en 4. Naast het tweewekelijks overleg tussen IenW, OCW en het Nationaal Archief om de werkzaamheden en opstellen van de beleidsreactie te verzorgen, zijn er gesprekken gevoerd met verschillende partijen, waaronder het Stadsarchief Amsterdam, de Onderzoeksraad voor Veiligheid en de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers.
Zoals hierboven vermeld is op 21 mei jl. antwoord gegeven op schriftelijke vragen. Hiervoor was de inbreng van diezelfde personen van IenW die in het Nationaal Archief de werkzaamheden verrichtten essentieel. De expertise die voor de verschillende aanbevelingen nodig is, is beperkt beschikbaar.
Op 28 augustus is het Besluit inzake toestemming tot inzage in archiefstukken met betrekking tot het onderzoek naar het luchtvaartongeval dat op 4 oktober 1992 in de Bijlmermeer plaatsvond, gepubliceerd. Dit besluit is in werking getreden op 9 september 2024 en vanaf 10 september kon in het Nationaal Archief iedereen inzage krijgen in de in het besluit vermelde dossiers.
Op 30 september is de beleidsreactie op het ACOI rapport verstuurd aan de Tweede Kamer.
De uitwerking van de aanbevelingen 2, 3 en 4 lopen onverminderd door.
Welke apparatuur is nodig om de audiodossiers te bestuderen? Welke pogingen zijn het afgelopen jaar gedaan om die banden te bestuderen en de apparatuur te verwerven?
Er zijn drie typen audiovisuele dragers in het archief, die elk hun eigen type apparatuur vereisen: (1) Revox B77 geluidsbanden en Revox B77 Bandrecorder, (2) audiocassettes en cassetterecorder, (3) VHS videobanden en VHS videorecorder.
De cassetterecorder en VHS videorecorder zijn aanwezig bij het Nationaal Archief en gebruikt om de medewerkers van het ACOI en IenW, respectievelijk in oktober 2023 en mei 2024 de audiodossiers te laten beluisteren. De Revox B77 is zeer specialistische apparatuur waar specifieke expertise voor nodig is die niet bij het Nationaal Archief aanwezig is. Voor het instellen en afspelen van de geluidsbanden zijn externe professionals nodig. Het betreft materiaal dat beperkt openbaar is in het belang van de Staat of zijn bondgenoten. Daardoor kon het Nationaal Archief deze geluidsbanden niet met externe professionals delen. Bij het uitvoeren van aanbeveling 1 is gebleken dat magnetische beeld- en geluidsdragers door het afspelen in kwaliteit achteruit gaan. Op verzoek van het Nationaal Archief heeft IenW op 23 september toestemming verleend om alle audiovisuele dragers extern te laten digitaliseren. Hierdoor kunnen de drie geluidsbanden waarvoor de specialistische apparatuur nodig is, vervolgens inhoudelijk worden beoordeeld en de gedigitaliseerde audiocassettes en VHS videobanden kunnen digitaal ter inzage worden gegeven. Op 17 oktober is de digitalisering van alle geluidsbanden aan een externe professionele partij gegund.
Wie hebben er nu toegang tot de vertrouwelijke stukken? Kunt u een uitputtende lijst geven?
De stukken zijn beperkt openbaar in het belang van de staat of bondgenoten en worden beheerd bij het Nationaal Archief. Sinds het Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 augustus 2024 (kenmerk IENW/BSK-2024/227830) hebben alle burgers toegang tot 27 dossiers uit het archief van de Raad voor de Luchtvaart (die nog wel beperkt openbaar zijn). Het Nationaal Archief deelt geen gegevens van personen die inzage hebben gevraagd en/of gekregen in stukken. Dit vanuit privacy/AVG-overwegingen en om burgers, onderzoekers, journalisten in staat te stellen om zo anoniem mogelijk stukken te kunnen raadplegen. Indien gedoeld wordt op medewerkers van het Nationaal Archief kan toegelicht worden dat enkel medewerkers die gescreend zijn toegang hebben tot de stukken. Vanuit veiligheidsoverwegingen wordt niet bekend gemaakt hoeveel en welke medewerkers dit zijn.
Van IenW hebben twee personen permanent toegang tot de stukken en voor de uitvoering van de aanbevelingen nog eens twee personen.
Zoals vermeld onder antwoord 8 is door IenW voor het onderzoek van ACOI op 26 juli 2023 aan zeven personen van het ACOI toestemming verleend voor het inzien van de stukken en op 26 september 2023 nog eens aan vier personen van het ACOI.
Kunt u deze vragen een voor een en voor dinsdag 22 oktober a.s. 10 uur beantwoorden in verband met de technische briefing?
Ja.
De opvanglocatie in de Expohal in Assen. |
|
Don Ceder (CU) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de situatie zoals die in Assen is ontstaan?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving.
Past de situatie die in Assen is ontstaan bij uw voornemen om de asielopvang verder te versoberen?
Nee, over de versobering van de opvang wordt uw Kamer op een later moment geïnformeerd.
Kunt u, gezien het feit dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft aangegeven dat opvanglocaties zoals de Expo hal in Assen niet geschikt zijn voor opvang van langer dan twintig dagen en de gemeente Assen stelt dat bijna de helft van de mensen in de hal langer dan de afgesproken tijd in de hal verblijven, bevestigen dat mensen langer dan twintig dagen in de hal verblijven?
Op peildatum 13-11-2025 verbleven 90 van de 473 mensen in de Expohal Assen daar langer dan de norm van 20 dagen. Helaas is de druk op het opvangsysteem al geruime tijd hoog. Door een tekort aan reguliere opvangplekken moet daarom van noodopvang gebruik worden gemaakt. Het COA zet zich in om dit voor kinderen zoveel mogelijk te voorkomen. Waar toch noodzakelijk wordt getracht hen zo snel mogelijk in een regulier AZC te plaatsen. Het COA zet zich in om de kwaliteit van de voorzieningen in noodopvang zoveel mogelijk te borgen, inclusief onderwijs en voorzieningen voor kinderen. Dit is ook afhankelijk van de, door gemeenten, aangeboden locaties. In mijn brief van 4 november jl. kunt u lezen dat het COA in overleg met de bewoners maatregelen heeft getroffen om de situatie in Assen te verbeteren.
Kunt u bevestigen dat het COA heeft aangegeven dat ook gezinnen met kinderen langer in de opvang verblijven dan is afgesproken?
Zie antwoord vraag 3.
Is de Expo hal in Assen volgens u geschikt voor het opvangen van kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen gaat u treffen om de afspraken na te komen, zoals overeengekomen in de Bestuursovereenkomst tussen Assen en het COA, dat mensen niet langer dan twintig dagen in de hal verblijven?
Het is in de eerste plaats van belang dat niemand op straat hoeft te slapen. Daarom ben ik de gemeente Assen dankbaar voor het aanbieden van de Expohal als noodopvangplek. Het verblijf op noodopvanglocaties dient zo kort mogelijk te zijn daarom zet ik met instroombeperkende maatregelen in op het verlichten van de druk op het asielsysteem. Ook het bevorderen van de uitstroom van statushouders zal deze druk verlichten. Daartoe worden sobere doorstroomlocaties ingericht. Tot slot zal de implementatie van de uitvoeringsagenda flexibilisering asielketen een stabiliserende werking op het opvanglandschap te hebben. Als gevolg van deze maatregelen zal noodopvang in de toekomst verminderd nodig zijn.
Hoe gaat u voorkomen dat deze afspraken in de toekomst opnieuw niet nagekomen worden?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat een groep alleenstaande minderjarige vreemdelingen al vanaf april in de Expo hal verblijft?
Er verblijven geen alleenstaande minderjarige vreemdelingen in de Expohal. Bij het verschijnen van de berichtgeving verbleven er twee begeleide minderjarige vreemdelingen (bama’s) in de Expohal Assen. Op 18–10 was dit er nog één. Ik zet mij er, met het COA, voor in om kinderen buiten de noodopvang te houden, dat is niet gemakkelijk, maar de inzet blijft erop gericht.
De staande overeenkomst met UNRWA voor de periode 2023-2025 |
|
Don Ceder (CU) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Welk deel van de vaste jaarlijkse bijdrage van 19 miljoen euro aan UNRWA is juridisch verplicht?
Voor de beantwoording van uw vragen verwijs ik naar de Kamerbrief1 van 8 oktober jl., waarin deze zaken eveneens aan de orde kwamen.
Daarnaast is uw Kamer middels de Kamerbrief van 25 september jl.2 geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om de door het vorige kabinet aangegane financiële verplichting – de jaarlijkse bijdrage van 19 miljoen euro aan UNRWA voor de periode 2023–2025 – gestand te doen.
Het onderliggende contract kent als vanzelfsprekend een aantal ontbindende voorwaarden. Net zoals in alle contracten met (VN-)organisaties wordt vastgelegd dat de bijdrage uitsluitend gebruikt mag worden voor de verwezenlijking van het afgesproken programma. Nederlandse middelen mogen niet gebruikt worden voor activiteiten die strijdig zijn met het Nederlandse buitenlandbeleid. Ook bevat het contract een voorbehoud voor goedkeuring door het parlement van de (BHO-) begroting.
Deze letterlijke passages uit het contract zijn relevant:
Wat is de staande overeenkomst met UNRWA die u voor de periode 2023–2025 heeft en kunt u deze delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Kent deze overeenkomst ontbindende voorwaarden? Zo ja, kunt u de limitatieve opsomming met de Kamer delen en inhoudelijk ingaan op de vraag of er mogelijk sprake is dat er aan een van de ontbindende voorwaarden is voldaan het afgelopen jaar tot heden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor vrijdag 4 oktober 17:00?
Zie antwoord vraag 1.