Het bericht dat de Tuchtraad Banken het onderzoek naar de voormalig topman van ING noodgedwongen heeft moeten stopzetten. |
|
Michiel van Nispen (SP), Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Tuchtrecht Banken haar tuchtrechtelijke onderzoek naar de mogelijke schending van de bankierseed door de voormalig topman van ING tandenknarsend heeft moeten stopzetten? Wat doet een dergelijke uitspraak van de Tuchtraad volgens u met het, toch al geringe, vertrouwen van mensen in de financiële sector?1
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht. De eed of belofte en het daaraan verbonden tuchtrecht strekken ertoe om het belang van de normen en waarden waar de financiële sector voor staat te onderstrepen, de bewustwording te versterken van degenen die de eed of belofte afleggen en (daarmee) het vertrouwen van de consument in de financiële sector te vergroten. Daarvoor is het uiteraard van belang dat het tuchtrecht adequaat werkt en dat tijdens het tuchtrechtelijk onderzoek de relevante documenten ter beschikking worden gesteld. Indien een bank dit niet actief doet, zal dat naar mijn inschatting niet bijdragen aan het vertrouwen van mensen in de financiële sector. Ik roep banken dan ook in algemene zin op hieraan mee te blijven werken. Dit versterkt het vertrouwen in de financiële sector.
Functioneert het tuchtrecht banken volgens u naar behoren, als de tuchtraad zelf zegt dat het betreurenswaardig is dat door de beperkte mogelijkheden van het bankentuchtrecht niet kan worden beoordeeld of de bankierseed is geschonden door de (voormalige) top van ING? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Voor het goed functioneren van het tuchtrecht is het belangrijk dat de relevante documenten beschikbaar worden gemaakt ten behoeve van het onderzoek naar een tuchtklacht. Het open en toetsbaar opstellen is een essentieel onderdeel van het tuchtrecht. In het bankentuchtrecht doet de Algemeen Directeur van de Stichting Tuchtrecht Banken onderzoek naar tuchtklachten en kan ook zelfstandig een tuchtrechtelijk onderzoek starten naar een bankmedewerker. Het Tuchtreglement Bancaire Sector bepaalt dat de Algemeen Directeur, ten behoeve van het onderzoek, inlichtingen en informatie kan inwinnen bij de bankmedewerker waartegen de tuchtklacht is ingediend alsmede bij de bank waar diegene werkzaam is2. Een bank(medewerker) is verplicht de door de Algemeen Directeur gevraagde inlichtingen en informatie te verstrekken3. Zo kan het niet meewerken aan een tuchtrechtelijk onderzoek op zichzelf grond zijn voor een tuchtrechtelijk verwijt.
De Nederlandsche Bank (DNB) ziet er (risicogeoriënteerd) op toe dat banken daadwerkelijk zijn onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is. Het is niet aan mij om daarover te oordelen.
Klopt het dat het tuchtrecht bij banken op dit moment een vorm van zelfregulering is; dat de bankierseed weliswaar in de Wet financieel toezicht verankerd is, maar het tuchtrecht zelf niet?
In de Wft is opgenomen dat banken onderworpen moeten zijn aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan bepaalde voorwaarden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om adequate waarborgen voor een behoorlijke procesgang en het opdragen van de toepassing en uitvoering van de tuchtrechtelijke regeling aan een onafhankelijke en deskundige externe instantie. Deze wettelijke verankering maakt onderdeel uit van de integere en beheerste bedrijfsvoering van banken. Dit is in lijn met de systematiek van de Wft waarin integriteit primair een aangelegenheid is van de financiële onderneming zelf. Het is aan de financiële onderneming, in dit geval de bank, om ervoor te zorgen dat zij is onderworpen aan tuchtrecht dat ten minste aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zoals opgemerkt in het vorige antwoord ziet DNB er (risicogeoriënteerd) op toe dat banken daadwerkelijk zijn onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is.
De verdere invulling en organisatie van het tuchtrecht is, binnen de wettelijke voorwaarden, primair aan de bank c.q. de bancaire sector zelf. Tuchtrecht ontwikkelt zich immers bij uitstek in de groep zelf. De sector zelf heeft als geen ander inzicht in de verschillende modaliteiten binnen de sector, (ongeschreven) sectorspecifieke en functiespecifieke normen, waarden en standaarden die (behoren te) gelden. Hiermee wordt ook de betrokkenheid van de banken en hun medewerkers bevorderd en daarmee de effectiviteit van het stelsel als geheel.
Zou het niet beter zijn om het tuchtrecht in de wet te verankeren en daarbij de tuchtraad meer middelen te geven om medewerking van partijen af te dwingen?
Zoals in de beantwoording van de vorige vraag vermeld ontwikkelt tuchtrecht zich bij uitstek in de groep zelf. Banken hebben zich in het Tuchtreglement Bancaire Sector er reeds toe verplicht om informatie aan te leveren ten behoeve van een tuchtrechtelijk onderzoek. De Stichting Tuchtrecht Banken ziet toe op naleving van het Tuchtreglement. Daarnaast houdt DNB (risicogebaseerd) toezicht en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is.
Hoe bent u van plan om in de toekomst wel medewerking van partijen af te dwingen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in ieder geval met de Nederlandse Vereniging van Banken het gesprek aan te gaan over het (dis)functioneren van de tuchtraad in deze zaak en daarbij ook aan te dringen op betere medewerking van banken in tuchtzaken? Zo nee, waarom niet?
Voor het functioneren van het tuchtrecht is het belangrijk dat banken meewerken aan het onderzoek naar tuchtklachten. Het is primair aan de toezichthouder om een oordeel te vellen over de naleving van de normen uit de Wft, waaronder die dat banken onderworpen moeten zijn aan een tuchtrechtelijke regeling. Ik zal het belang van actieve medewerking van banken in tuchtzaken, ook voor het vertrouwen in de sector, in gesprekken met de sector benadrukken.
Het rapport 'Israel’s apartheid against Palestinians: Cruel system of domination and crime against humanity' van Amnesty International |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport«Israel’s apartheid against Palestinians: Cruel system of domination and crime against humanity»1 van Amnesty International, dat in navolging van van andere organisaties als Human Rights Watch heeft geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan apartheid, een misdaad tegen de menselijkheid? Wat is uw reactie op het rapport?
Zie de Kamerbrief met de kabinetsappreciatie van het rapport van Amnesty International van 29 april 2022 (met kenmerk 2022Z01929/2022D04225).
Bent u op basis van de door Amnesty International in het rapport gegeven definitie van apartheid van mening dat de Israëlische overheid zich daar schuldig aan maakt? Zo nee, kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat het kabinet doen in het licht van de gerezen consensus omtrent apartheid in Israël en Palestina, en de internationaalrechtelijke verplichting van staten om een dergelijke situatie te (doen) beëindigen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt het kabinet de conclusie van het rapport dat door het gebrek aan doeltreffende maatregelen de internationale gemeenschap heeft bijgedragen aan het ondermijnen van de internationale rechtsorde en Israël heeft aangemoedigd om straffeloos door te gaan met zijn misdaden? Zo ja, is het kabinet bereid over te gaan tot het nemen van wél doeltreffende maatregelen? En wat voor maatregelen heeft het kabinet dan in gedachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt het kabinetsbeleid van het «intensiveren van de relaties» met het Israëlische apartheidsbewind zich met de bewering van Nederland – als land van «vrede en recht» – dat het internationaal opkomt voor mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt het kabinet van de beschuldiging van Israël dat het Amnesty International-rapport «antisemitisch» zou zijn?2 Vindt u deze beschuldigingen gepast? Zo ja, waarom? En wat voor invloed hebben deze beschuldigingen, volgens u, op het bestrijden van daadwerkelijk antisemitisme en een serieuze discussie over mensenrechtenschendingen in Palestina en Israël?
Daar waar het kabinet eerder stelde terughoudend te willen zijn met het gebruik van de term «apartheid», omdat een dergelijke kwalificatie tot op heden niet door een (internationale) rechter is vastgesteld3 , hoe zou een dergelijke uitspraak bij een Nederlandse rechter verkregen kunnen worden, nu er in Nederland zeer terughoudend wordt omgegaan met de universele rechtsmacht voor internationale misdrijven?
Het is niet aan het kabinet om bij de Nederlandse rechter een uitspraak te verkrijgen over dergelijke kwalificaties, of uitspraken te doen hoe een uitspraak verkregen kan worden. Het primaat voor strafrechtelijke vervolging ligt bij het Openbaar Ministerie, en het zou staatsrechtelijk onzuiver zijn als het kabinet hier een actieve rol in zou gaan spelen.
Bent u voornemens om de overige aanbevelingen van Amnesty International over te nemen? Kunt u dit per aanbeveling aangeven en daarbij aangeven waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid een advies te vragen aan de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), danwel de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), over de vraag hoe Nederland zich dient te verhouden tot de gerezen consensus omtrent apartheid als internationaal misdrijf zoals begaan door Israël, nu Nederland op verschillende niveaus intensieve relaties onderhoudt met het apartheidsbewind? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de antwoorden op bovenstaande vragen meenemen in de kabinetsappreciatie van het rapport van Amnesty International? Zo nee, waarom niet?
Ja, met dien verstande dat een aantal vragen buiten de reikwijdte van de brief zijn gebleven, en daarom separaat zijn beantwoord.
Mogelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van uitgestelde zorg vanwege corona |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met situaties waarin sprake is van (dreigende) arbeidsongeschiktheid als gevolg van uitgestelde zorg vanwege corona, zoals bijvoorbeeld iemand met een versleten knie of heup in afwachting een uitgestelde operatie voor een knie- of heupprothese?
Sinds de uitbraak van de coronapandemie staat de zorg in Nederland onder grote druk. Daardoor wordt een deel van de zorg uitgesteld. Ik ben me ervan bewust dat het uitblijven van een behandeling de belastbaarheid van een zieke werknemer en zijn re-integratie negatief kan beïnvloeden. Als een zieke werknemer door uitgestelde zorg niet binnen de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet het werk volledig heeft hervat, is het mogelijk dat hij daarna een WIA-uitkering ontvangt.
Kunt u aangeven om hoeveel personen dit naar verwachting gaat?
Een werkgever en zijn zieke werknemer zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de terugkeer in het arbeidsproces. De bedrijfsarts adviseert over de re-integratiemogelijkheden op basis van de belastbaarheid van de zieke werknemer. De mate waarin uitgestelde zorg de belastbaarheid heeft beïnvloedt en het effect daarvan op de re-integratie, zal per zieke werknemer verschillen. Dit wordt niet bijgehouden of geregistreerd. Dit maakt dat er geen inzicht is in hoe groot de groep werknemers is waarbij uitgestelde zorg vanwege corona een rol speelt of heeft gespeeld in hun re-integratie.
Zijn er meer (vergelijkbare) situaties bekend waarin werknemers als gevolg van uitgestelde zorg door corona hiermee te maken krijgen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe wordt omgegaan met werknemers die hiermee te maken krijgen?
Als door omstandigheden, gelegen buiten de werknemer zelf, een re-integratietraject geen doorgang kan vinden, blijft de werknemer zijn loon of Ziektewetuitkering ontvangen. Dit geldt in alle gevallen. Er zijn helaas meer ziekten met een onvoorspelbaar verloop, waarbij soms onverhoopt meer tijd nodig is voor de re-integratie dan de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet. Na die periode komt een werknemer mogelijk in aanmerking voor een WIA-uitkering. Dat betekent niet het einde van de re-integratie. Ook voor uitkeringsgerechtigden geldt dat er nadruk ligt op ondersteuning van de re-integratie op de arbeidsmarkt.
In hoeverre wordt hierbij ook rekening gehouden met de revalidatieperiode na afloop van een uitgestelde operatie, waardoor een ziekteperiode nog langer kan duren en mogelijk de termijn van twee jaar in de Ziektewet wordt overschreden?
Voor alle werknemers die ziek worden en daardoor hun eigen werk niet meer kunnen doen, gelden de regels zoals vastgesteld in de Wet verbetering poortwachter. Re-integratie is maatwerk en de belastbaarheid van de zieke werknemer is leidend in het re-integratietraject. Dit betekent dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden van de individuele zieke werknemer op dat moment en op basis daarvan er een re-integratieplan wordt opgesteld. Na de periode van 104 weken kan de zieke werknemer een WIA-uitkering aanvragen. Werkgever en werknemer kunnen kiezen voor een vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte wanneer zij denken dat de werknemer binnenkort (volledig) terug kan keren in zijn oude werk. Verlenging van de periode van 104 weken gebeurt in samenspraak, werkgever en werknemer dienen hiertoe gezamenlijk een verzoek in bij UWV. Wanneer zij dat doen en UWV kent de verlenging toe, wordt de WIA-aanvraag uitgesteld.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat werknemers om deze reden na twee jaar in de Ziektewet te hebben gezeten in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) terecht komen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om mensen in een dergelijke situatie tegemoet te komen zodat zij niet als gevolg van uitgestelde zorg ontslagen worden en een WIA-uitkering aan moeten vragen?
Als gevolg van de coronapandemie kunnen zieke werknemers langer op hun medische behandeling hebben moeten wachten of in sommige situaties mogelijk nog steeds wachten op hun behandeling. Ik kan me indenken dat dit tot onzekerheid over de gezondheid kan leiden voor werknemers die hier mee te maken krijgen. Het uitstellen van een medische behandeling kan de ziekteperiode van een werknemer verlengen. De invloed van het uitstellen van een medische behandeling verschilt per individu. Het re-integreren van zieke werknemers is en blijft maatwerk gedurende de periode van 104 weken van loondoorbetaling of Ziektewetuitkering. Als een zieke werknemer niet binnen de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte of Ziektewet het werk volledig heeft hervat, is het mogelijk dat hij daarna een WIA-uitkering ontvangt. In samenspraak kunnen werkgever en werknemer de loondoorbetalingsperiode bij ziekte met maximaal één jaar verlengen. De WIA-aanvraag wordt dan uitgesteld. Als een werknemer daarna recht heeft op een WIA-uitkering betekent dit echter niet dat de inzet op re-integratie stopt. Ook betekent het niet dat de werkgever tot ontslag moet over gaan. Ook de WIA kent mogelijkheden om de re-integratie bij de werkgever voort te zetten.
COVID-19 in Groep A van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de COVID-19 IHR Emergency Committee van de World Health Organisation |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat de advisering tot «Public Health Emergency of International Concern» (PHEIC)-status door de International Health Regulations (2005) Emergency Committee (IHREC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de aanleiding is voor de noodzaak tot ministeriële aansturing van de crisis in Nederland op basis van de Europese wet 1082/2013/EU en derhalve dat het noodzakelijk is COVID-19 in groep A van de Wet publieke gezondheid te plaatsen? Zo nee, wat is de reden om COVID-19 in groep A van de Wet publieke gezondheid te plaatsen? Hoe en door wie wordt getoetst of aan deze redenen wordt voldaan?1, 2, 3
Zoals eerder aangegeven is de indeling in categorie A, B1, B2 of C in de Wet publieke gezondheid (Wpg) gerelateerd aan het volgende:
De vraag of landelijke regie door de Minister van VWS noodzakelijk wordt geacht. Als dat het geval is, dan wordt de ziekte in categorie A ingedeeld;
De maatregelen gericht op individuen die potentieel noodzakelijk geacht worden om te kunnen worden opgelegd ter bescherming van de publieke gezondheid. Voor de B2-ziekten is dat een tijdelijk beroepsverbod. Voor B1-ziekten kan daarnaast een gedwongen onderzoek en gedwongen isolatie worden opgelegd en voor A-ziekten komt daar nog de mogelijkheid voor het opleggen van een gedwongen quarantaine bij. C-ziekten kennen geen op het individu gerichte gedwongen maatregelen, maar alleen advisering en begeleiding van individuen en groepen.
Voor alle categorieën geldt een meldingsplicht, waarbij voor een A-ziekte de melding onverwijld wordt doorgegeven aan de GGD.
De aanwijzing van een uitbraak van een ziekte als Public Health Emergency of International Concern (PHEIC) door de International Health Regulations Emergency Committee (IHREC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) maakt het wel voor de hand liggend dat landelijke regie noodzakelijk is.
Is het juist te concluderen dat de wetgeving in de Europese Unie in dit geval leidend is voor de in te voeren wetgeving in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De wetgeving in de Europese Unie speelt een rol bij de vraag of landelijke regie door de Minister van VWS voor de hand ligt, maar is zeker niet leidend.
Deelt u de visie dat de wetgeving in de Europese Unie de decentrale werkwijze van Nederland in geval van infectieziektebestrijding onmogelijk maakt? Zo nee, waarom niet?
Die visie deel ik niet, zie ook het antwoord op vraag 2.
Herinnert u zich dat het Outbreak Management Team (OMT) COVID-19 op 27 januari 2020 geadviseerd heeft om een infectie met COVID-19 meldingsplichtig te maken in categorie A? Herinnert u zich dat de reden voor het OMT om COVID-19 als meldingsplichtige ziekte in groep A te adviseren was om tijdige passende maatregelen te kunnen nemen ten aanzien van patiënten en contacten om verdere verspreiding te voorkomen? Deelt u de visie dat «passende maatregelen» ook lokaal genomen zouden kunnen worden en dit dus een ander argument is dan de noodzaak tot landelijke regie? Zo nee, waarom niet?4
Ik deel uw visie dat «passende maatregelen» ook lokaal genomen kunnen worden niet. Voor een deel van de maatregelen zal dit zeker gelden, voor een belangrijk deel van de maatregelen niet. Ik wijs u op de problemen die ten aanzien van reizen en vakantie zijn ontstaan doordat verschillende lidstaten binnen Europa verschillende maatregelen nemen. Eenzelfde problematiek binnen Nederland zou voor veel meer mensen moeilijkheden opleveren.
Deelt u de visie dat bij een meldingsplicht een inbreuk wordt gedaan op het medisch beroepsgeheim en de privacy van de patiënt en dat een meldingsplicht derhalve zorgvuldig afgewogen dient te worden? Zo nee, waarom niet? Hoe is de afweging gemaakt om COVID-19 meldingsplichtig te maken? Wat zijn de criteria om COVID-19 niet langer meldingsplichtig te achten? Wie beslist hierover?
Privacy speelt een belangrijke rol bij de zorgvuldige afweging rond meldingsplicht. Het OMT heeft geadviseerd over de meldplicht voor COVID-19, de Minister van VWS beslist daarover.
Wat is de huidige casusdefinitie van COVID-19, aangezien deze ziekte meldingsplichtig is? Kunt u een overzicht geven van alle casusdefinities van COVID-19 sinds 27 januari 2020 tot de meest recente casusdefinitie? Zo nee, waarom niet?
De casusdefinitie is op genomen in de LCI richtlijn5 Bevestigde persoon: iedereen bij wie door middel van gevalideerde PCR of andere nucleïnezuuramplificatietest of een in Nederland gevalideerde antigeen(snel)test (ook zelf-afgenomen) een infectie met SARS-CoV-2 is vastgesteld. Bij deze richtlijn is ook uitgebreid versiebeheer opgenomen.6
Bent u ermee bekend dat de indeling van een infectieziekte in Groep A gerelateerd is aan de vraag of landelijke regie door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport noodzakelijk wordt geacht en de vraag of maatregelen nodig worden geacht die gericht zijn op individuen die potentieel noodzakelijk worden gedacht om te kunnen worden opgelegd ter bescherming van de publieke gezondheid? Herinnert u zich dat u in de antwoorden op vragen van het lid Baudet bij antwoord 3 aangaf dat de keuze om COVID-19 in te delen in groep A te maken heeft met de ernst van de aandoening? Deelt u de visie dat dit antwoord op vragen van het lid Baudet dat het bij plaatsing in groep A gaat om de ernst van de aandoening onjuist was? Zo nee, waarom niet?5, 6
De vraag of landelijke regie noodzakelijk is, en of op het individu gerichte maatregelen en een meldplicht aan de orde zouden moeten zijn, hangen ook samen met de ernst van de aandoening. Dat antwoord was daarmee dus niet onjuist.
Wat zijn de criteria op basis waarvan landelijke regie door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport noodzakelijk geacht? Voldoet COVID-19 aan deze criteria? Zo ja, op basis van welk bewijs?7
De vraag of landelijke regie noodzakelijk is, is het criterium. Daaraan voldoet COVID-19. Dit bewijs wordt alleen al geleverd door de ongelooflijke hoeveelheid Kamervragen die over dit onderwerp beantwoord moeten worden. Indien er geen landelijke regie is, is er ook geen rol voor de Eerste of Tweede Kamer om het kabinet ter verantwoording te roepen voor het gevoerde beleid en de genomen maatregelen ten aanzien van de bestrijding van COVID-19.
Wat zijn de criteria om te concluderen dat er maatregelen nodig worden geacht die gericht zijn op individuen die potentieel noodzakelijk worden gedacht om te kunnen worden opgelegd ter bescherming van de publieke gezondheid? Voldoet COVID-19 aan deze criteria? Zo ja, op basis van welk recent bewijs?
De vraag of maatregelen nodig worden geacht die gericht zijn op het individu is het criterium. Daaraan voldoet COVID-19. Er zijn maatregelen op het gebied van isolatie, quarantaine en dergelijke noodzakelijk gebleken.
Op welk moment vervalt de noodzaak tot het behoren tot Groep A Wgp? Wanneer zou COVID-19 afgeschaald kunnen worden naar de B- of C-groep? Op basis van welke criteria zou geconcludeerd worden dat lokale bestrijding van COVID-19 volstaat voor de bescherming van de volksgezondheid in Nederland?
In mijn brief van 9 februari jl. heb ik u geïnformeerd over de korte termijn aanpak Covid-19 en daarbij ook een doorkijk voor de lange termijn gegeven. In mijn brief over de lange termijn die ik daarbij heb aangekondigd, ga ik ook in op de criteria voor afschaling.
Herinnert u zich dat u in antwoord op vragen van de Eerste Kamer aangegeven heeft dat gebrek aan capaciteit in de zorg geen factor speelt bij de vraag of een infectieziekte wordt ingedeeld in groep A? Is het ook niet zo dat gebrek aan capaciteit in de zorg een aanleiding kan zijn om landelijke regie van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te nemen danwel om bepaalde maatregelen aan individuen op te leggen en derhalve dat gebrek aan zorgcapaciteit via die weg toch een reden is voor plaatsing in groep A Wpg?8
Het organiseren van landelijke verdeling van capaciteit in de zorg is één van de redenen dat het goed is als er landelijke regie is. Ik zou dat geen omweg willen noemen maar een overweging.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden en wel voor 22 februari 2022 wanneer de behandeling van de wijziging Wet publieke gezondheid in verband met het coronavirus in de Eerste Kamer is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb mijn uiterste best daarvoor gedaan.
De toename van het stikstofoverschot en nieuwe gerechtelijke uitspraken die het huidige stikstofbeleid afkeuren |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Tjeerd de Groot (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het stikstofoverschot in de landbouw, ondanks de uitspraak van de Raad van State in 2019 over de PAS, in 2020 niet afgenomen, maar zelfs toegenomen is?1
Het depositieoverschot is in 2020 gestegen t.o.v. 2019. Het is het beeld van een trend die we al sinds 2010 zien. Het stikstofoverschot naar de bodem (o.a. nitraat) is toegenomen onder meer door de toename in het gebruik van (stikstof) kunstmest. In 2020 was deze toename ongeveer 4,5 procent ten opzicht van 2019. Deze toename kan leiden tot meer uit- en afspoeling van stikstof naar het grond- en oppervlaktewater waardoor onze waterkwaliteit verslechtert. Dit is ook precies de reden waarom voor een integrale stikstofaanpak is gekozen en staat los van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Raad van State) over de PAS (ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603).
De toename van het gebruik van stikstofkunstmest past niet bij de wens van LNV om kringlopen meer te sluiten. De Minister van LNV zet zich in om het gebruik van kunstmestvervangers uit dierlijke mest meer mogelijk te maken. Dan kan de toepassing van stikstofkunstmest afnemen.
Daarnaast neemt het kabinet maatregelen in het kader van het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn om te gaan voldoen aan de eisen van de Europese Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water.
Tussen 2010 en 2020 is de stikstof uitstoot naar de lucht (ammoniak) uit stallen afgenomen met name door het gebruik van emissiearmere technieken zoals luchtwassers.
Kunt u bevestigen dat wanneer alle natuurvergunninghouders hun ongebruikte (latente) ruimte volledig zouden opvullen, dit nog tot jaarlijks 30 miljoen kilo extra stikstofuitstoot zou leiden (op een jaarlijkse totale uitstoot van 177 miljoen kilo)?2 3
Er wordt verwezen naar berekeningen door het Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico. Deze hebben betrekking op het verschil tussen de vergunde uitstoot en de daadwerkelijke uitstoot, oftewel het extrapoleren van de gerapporteerde uitstoot van vergunde veestallen met de 25% latente ruimte uit de inventarisatie onbenutte emissieruimte in vergunningen van veehouderijen rondom de Peelvenen.
Bij extern salderen kan, op basis van beleidsregels en bestuurlijke afspraken (Kamerstuk 32 670, nr. 167) alleen gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit. Dat betekent dat de niet-gerealiseerde capaciteit, die onderdeel uitmaakt van de latente ruimte, bij het intrekken van de vergunning van de saldogever komt te vervallen. Bovendien wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd.
Het is de vraag of veehouderijen onbenutte latente ruimte ook daadwerkelijk kunnen gebruiken. In het door Investico gebruikte onderzoek wordt onderkend dat de latente ruimte in milieuvergunningen en -meldingen van veehouderijen een stabiel gegeven is. Door andere regelgeving, bijvoorbeeld t.a.v. dierrechten, fosfaatrechten, mestverwerking, milieuregelgeving en financiële en economische belemmeringen, wordt ingebruikname van latente ruimte al beperkt. Samen met de provincies onderzoek ik momenteel hoe ongewenste ingebruikname van latente ruimte in vergunningen verder kan worden beperkt. Ik zal uw Kamer voor de zomer hierover informeren.
Erkent u dat er ernstige twijfels bestaan onder juristen over de wettelijke basis voor de overdraagbaarheid van natuurvergunningen, oftewel extern salderen, omdat natuurvergunningen worden afgegeven en geldig zijn voor specifieke activiteiten op specifieke locaties?4 Hoe beoordeelt u dit?
Nee, dat erken ik niet. Extern salderen is het op verzoek van de saldogever inperken of intrekken van een toestemmingsbesluit voor het ene project, waardoor de veroorzaakte stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied afneemt, ten gunste van toestemmingverlening aan een project op een andere locatie dat stikstofdepositie veroorzaakt op dezelfde stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in het gebied.
Dit is een in de jurisprudentie toegestane vorm van mitigatie. Verwezen wordt naar punt 39.7 van de PAS-uitspraak waarin de Raad van State oordeelt dat extern salderen kan als wordt voldaan aan de voorwaarden voor extern salderen die eerder in de rechtspraak zijn gesteld (de Raad van State verwijst daarbij naar de uitspraak ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931) én als uitgesloten is dat de saldoafnames waarmee extern gesaldeerd wordt, betrokken kunnen zijn in de stoppersruimte die in het kader van het PAS beschikbaar wordt of is gesteld.
Ten opzichte van de door de Raad van State geformuleerde voorwaarden hebben Rijk en provincies aanvullende eisen gesteld die onder meer zijn opgenomen in de beleidsregels van de provincies. Er kan op grond van die beleidsregels alleen worden gesaldeerd met ruimte binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit, waarvan vervolgens eerst nog 30% wordt afgeroomd waarmee niet gesaldeerd kan worden. Daaraan is in meer recente jurisprudentie van de Raad van State toegevoegd dat als extern salderen door de overheid als mitigerende maatregel wordt ingezet, de eis geldt dat de daaraan gekoppelde intrekking of beperking van de vergunning voor het saldogevende bedrijf geen maatregel is die al nodig was om behoud van de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied te borgen en de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen te halen (zie bijv. ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318). Overigens zijn stikstofrechten geen eigendom (zie uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6375).
Kunt u bevestigen dat er in Wormer (Noord-Holland) stikstofruimte voor een appartementencomplex werd gevonden door te salderen met een natuurvergunning van een veevoerfabriek die al twintig jaar dicht was?5 Kunt u bevestigen dat Rijkswaterstaat voor de stikstofuitstoot van de verlenging van de A15 bij Nijmegen stikstofruimte gebruikt van een veehouder die een jaar eerder al naar Canada was geëmigreerd?6
De provincie Noord-Holland heeft hier als bevoegd gezag toestemming voor verleend. Ik vertrouw erop dat de provincie zich aan de eigen beleidsregels houdt.
Rijkswaterstaat sluit voor extern salderen alleen overeenkomsten met bedrijven die daadwerkelijk in bedrijf waren of konden zijn op basis van hun vergunning. Het uitgangspunt dat daarbij gehanteerd wordt is de vergunde «feitelijk gerealiseerde capaciteit». Dit is afgesproken tussen Rijk en provincies (en gemeenten) en door de voormalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Kamer gecommuniceerd (Kamerstuk 32 670, nr. 167). Bij een veehouderij betekent dit dat de stallen nog aanwezig zijn op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Dat is ook van toepassing op de ViA15. In dit geval is gehandeld binnen de geldende juridische kaders en beleidsafspraken.
Erkent u dat door deze oude vergunningen niet in te nemen, maar opnieuw in te zetten voor nieuwe stikstofuitstoot, dit bijdraagt aan de nog steeds toenemende stikstofuitstoot en verslechtering van natuurgebieden?
Salderen met slapende vergunningen is op basis van de geldende beleidsregels niet mogelijk. Met slapende vergunningen worden vergunningen bedoeld die al een tijd niet meer worden gebruikt en ook niet meer in gebruik genomen kunnen worden, bijvoorbeeld omdat gebouwen er niet meer staan of er een bouwvergunning nodig is om een activiteit weer op te kunnen starten.
Staat u achter uw uitspraak: «Als we hele oude vergunningen gaan afstoffen en die ruimte inzetten, dan doen we niks voor de natuur. Dat noem ik de randjes opzoeken. Die tijd is voorbij.»?7
Ja, ik sta achter die uitspraak.
Kunt u bevestigen dat de rechtbank Oost-Brabant in de zaak over de Amercentrale in Geertruidenberg heeft geoordeeld dat niet tot in het einde der dagen intern gesaldeerd moet kunnen worden met de latente ruimte uit een oude vergunning, waarbij het stelde: «zolang ongelimiteerd gebruik kan worden gemaakt van bestaande rechten uit het verleden is het dweilen met de kraan open»?8
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde in de uitspraak over de Amercentrale dat met emissieruimte die niet kan worden gebruikt zonder nieuwe toestemming, en die niet passend is beoordeeld, alleen mag worden gesaldeerd als er genoeg daling van stikstofdepositie wordt gerealiseerd. Met deze uitspraak brengt de rechtbank een nuancering aan op de geldende jurisprudentie van de Raad van State dat gesaldeerd mag worden met toegestane emissieruimte, ongeacht of die feitelijk wordt gebruikt.
Kunt u bevestigen dat ook het Interprovinciaal Overleg (IPO) in een evaluatie heeft geconcludeerd dat de huidige beleidsregels voor intern en extern salderen niet uit kunnen sluiten dat de stikstofuitstoot toeneemt?9
Over het algemeen volstaat het afroompercentage van 30% om feitelijke depositiestijging te voorkomen, omdat de latente ruimte in vergunningen gemiddeld 30% bedraagt. In de evaluatie van de beleidsregels concludeert het IPO dat in individuele gevallen (lokale) depositiestijging niet is uitgesloten, bijvoorbeeld wanneer een specifieke saldogever meer latente ruimte in de vergunning heeft dan 30%. Samen met de provincies onderzoek ik momenteel hoe ongewenste ingebruikname van latente ruimte in vergunningen kan worden beperkt. Ik zal uw Kamer voor de zomer hierover informeren.
Kunt u bevestigen dat zowel de rechtbank Noord-Nederland als de rechtbank Midden-Nederland besluiten voor de uitbreidingen van veehouderijen hebben vernietigd, omdat zij oordelen dat de effectiviteit van staltechnieken zoals luchtwassers en emissiearme stalvloeren onvoldoende bewezen is om de stikstoftoename door uitbreidingen te compenseren (middels intern salderen)?10 11 Kunt u bevestigen dat de rechtbank Midden-Nederland hierbij heeft aangegeven: «Het is aan het kabinet en aan de wetgever om in actie te komen voor een oplossing die verder gaat dan een individuele rechtszaak»?12
Dat klopt. Emissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) geven de te verwachten gemiddelde emissie per dierplaats van een staltechniek weer en komen tot stand op basis van beoordeling in praktijkstallen bij goed gebruik van die techniek. In deze uitspraken heeft de rechter geoordeeld dat er twijfel is of de emissiefactoren in individuele gevallen voldoende zekerheid geven over de werkelijke emissie van het veehouderijbedrijf in het kader van de Wet natuurbescherming. Door de toepassing van de Rav-emissiefactoren bij intern salderen (d.w.z. verminderen emissie per dier en toename van aantal dieren) stond volgens deze rechtbanken niet zonder meer vast dat geen sprake was van een toename van de ammoniakdepositie op een Natura 2000-gebied. Daardoor stond eveneens niet vast dat verlening van een vergunning niet zou kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied.
Ik begrijp dat de rechtbanken snel meer duidelijkheid willen hebben over het stikstofbeleid. Daar wordt hard aan gewerkt. Er worden verschillende stappen gezet om ervoor te zorgen dat de benodigde stikstofreductie wordt behaald. Een voorbeeld is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Daarnaast wordt er op moment bezien hoe invulling gegeven kan worden aan de afspraken uit het Coalitieakkoord. Ik informeer de Kamer daarover in de hoofdlijnenbrief. Daarbij kijk ik uiteraard ook naar de uitspraken van de rechtbanken.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LNV de provincies Friesland en Utrecht ondersteunt in hun hoger beroep tegen deze rechterlijke uitspraken?13 14 Zo ja, hoe vindt u deze houding te rijmen met uw eigen uitspraak dat «de tijd van de randjes opzoeken voorbij is»?
De provincie Friesland heeft het hoger beroep ingetrokken. Zoals aangegeven in antwoorden op Kamervragen van het lid Van Campen (VVD)(Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1022) ondersteun ik de provincie Utrecht in het hoger beroep dat bij de Raad van State is ingesteld. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie van de leden Van Campen en Boswijk over provincies maximaal steunen in hoger beroep die uw Kamer heeft aangenomen. Het hoger beroep kan de duidelijkheid ten goede komen ten aanzien van de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden de toepassing van de betreffende Rav-emissiefactoren in het kader van de Wnb mogelijk blijft. Met die duidelijkheid is eenieder gediend.
Deelt u het inzicht dat we hoe dan ook moeten voorkomen dat de stikstofuitstoot verder blijft toenemen? Zo ja, bent u bereid het intern en extern salderen tijdelijkon hold te zetten totdat er een lange termijnaanpak is vastgesteld waarmee de stikstofdoelen uit het coalitieakkoord met zekerheid zullen worden gehaald? Zo nee, waarom niet?
Ik deel dat voorkomen moet worden dat de stikstofuitstoot verder toeneemt. Provincies kunnen als bevoegd gezag besluiten om intern en extern salderen tijdelijk on hold te zetten. De provincie Overijssel zag bijvoorbeeld aanleiding om daartoe over te gaan. Ik vind het niet opportuun om alle mogelijkheden voor salderen nu tijdelijk stop te zetten. Ik verken samen met provincies welke stappen we moeten zetten ten aanzien van toestemmingverlening inclusief intern en extern salderen. Voor de zomer informeer ik de Kamer over de uitkomsten hiervan.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de vastgestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Een zorgvuldige beantwoording kostte helaas meer tijd dan de reguliere termijn voor beantwoording.
Snelwegverlichting en reflectoren |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel kilometer snelweg momenteel onverlicht is?
Uit het Nationaal Wegenbestand (NWB) en de dataset WEGGEG (weggegevens van Rijkswegen) blijkt dat langs ca. 1.300 km autosnelweg (van de ca. 2.500 km autosnelwegen; 52%) geen verlichting is aangebracht en dat langs ca. 1.200 km wel verlichting is aangebracht (48%).
Bent u het ermee eens dat snelwegverlichting essentieel is voor de verkeersveiligheid? Zo ja, kunt u zich ervoor inzetten om meer snelwegverlichting te realiseren? Zo nee, bent u bereid om te kijken naar andere mogelijkheden om de verkeersveiligheid op dit vlak te verbeteren?
Verlichting is belangrijk voor de verkeersveiligheid op drukkere autosnelwegen. Verlichting wordt daarom aangelegd op autosnelwegen met een intensiteit van minstens 3.000 motorvoertuigen per uur per rijbaan. Bij lagere intensiteiten wordt verlichting aangebracht als sprake is van complexe rijtaken zoals bij afritten en scherpe bochten. Op een deel van de autosnelwegen wordt daarnaast de verlichting ‘s nachts1 uitgeschakeld2. Naar aanleiding van het besluit van mijn ambtsvoorganger in 20193 en conform de motie Stoffer4 schakelt Rijkswaterstaat de verlichting op de trajecten waar deze van 23h tot 5h is uitgeschakeld gefaseerd ’s nachts weer in. Dit voorjaar zal ik uw Kamer hierover nader informeren.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar het plaatsen van reflectoren (zogeheten kattenogen) tussen de middenstrepen van snelwegen (dus niet enkel in de bermen) ten behoeve van de zichtbaarheid van de weg?
Er zijn reeds uitgebreide onderzoeken door Rijkswaterstaat uitgevoerd naar de bruikbaarheid van kattenogen5, 6. Er kleven veel nadelen aan de toepassing en het beheer van wegdekreflectoren (kattenogen) zoals slechte overrijdbaarheid voor motorrijders, geluidsoverlast en ze kunnen loskomen door bijvoorbeeld sneeuwschuiven. De zichtbaarheid van de weg wordt voldoende geborgd door bestaande voorzieningen zoals de retroreflecterende wegmarkeringen, zogeheten bermplankjes met reflectoren, reflecterende hectometerpaaltjes en bochtschilden bij scherpe bochten. Daarnaast worden steeds meer voertuigen uitgerust met zgn. «lane departure warning» waarbij het voertuig de weggebruiker waarschuwt als deze de markering dreigt te overschrijden. Op dit moment zie ik dus geen aanleiding voor verder onderzoek naar de genoemde reflectoren.
Het bericht dat de roestende olietanker FSO Safer voor de kust van Jemen kan leiden tot één van de grootste olierampen in de geschiedenis |
|
Raoul Boucke (D66), Alexander Hammelburg (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van Greenpeace over de risico’s van de slecht onderhouden olietanker voor de kust van Jemen?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de verschillende ecologische, humanitaire, economische en gezondheidsrisico’s die uiteen worden gezet in het rapport?
Nederland is zich bewust van de urgentie van dit probleem alsook de verstrekkende ecologische, humanitaire en economische gevolgen voor Jemen en de Rode Zee-regio in het geval van een olieramp veroorzaakt door de olieopslagtanker Safer. Om die reden werkt Nederland nauw samen met de VN en andere landen en organisaties om deze potentiële olieramp te voorkomen. Nederland heeft een aanjagende rol en ondersteunt de VN waar mogelijk. Ook vraagt Nederland in internationale fora en via diplomatieke wegen aandacht voor dit probleem.
Bent u bekend met het feit dat er reeds zeewater in de machinekamer van de roestende olietanker is aangetroffen en experts beamen dat onderhoud niet langer mogelijk is omdat de staat van het schip te zwak is?2
Ja, de berichten dat er reeds zeewater in de machinekamer is aangetroffen zijn mij bekend. De Safer heeft sinds 2015 geen substantieel onderhoud of inspectie gehad. Hoewel er geen uitspraken gedaan kunnen worden over de exacte staat van de Safer, is deze zeer waarschijnlijk slecht.
Klopt het dat Nederland reeds middelen beschikbaar heeft gesteld voor het voorkomen van een olieramp?3 Wat is er van die middelen terechtgekomen?
Nederland heeft eind 2020 een bedrag van USD 1,686 miljoen beschikbaar gesteld ten behoeve van een eerder door de VN geleid project met als doel een inspectie- en lichte onderhoudsmissie. Door een gebrek aan de noodzakelijke medewerking van de Houthi’s die controle hebben over het gebied waarin de tanker ligt, is dit project stopgezet. De overeenkomst met de VN eindigde 30 september 2021. Van de Nederlandse bijdrage is 161.000 USD uitgegeven, de financiële afhandeling zal in juni 2022 plaatsvinden en de resterende middelen zullen worden geretourneerd.
Hoe staat het met de onderhandelingen tussen de Verenigde Naties en de Houthi rebellen over de olietanker? Hebben de VN nog steeds toegang tot het schip en zou een internationale coalitie een operatie kunnen starten?4
De VN coördineert de internationale aanpak van de kwestie en voert in dat kader gesprekken met de betrokken partijen, inclusief de Houthi’s. Tevens is onlangs door de VN een MoU gesloten met de Houthi’s. De noodzaak van het voorkomen van deze potentiële olieramp wordt breed gedeeld. Er wordt momenteel door de VN gewerkt aan een nieuw projectplan waar nog definitieve overeenstemming over moet worden bereikt en waarvoor brede internationale steun moet worden gevonden.
Zijn er Nederlandse bedrijven die over het materieel, de expertise en de techniek beschikken om dit probleem op te lossen? Welke bedrijven zijn dit?
Ja. De VN is verantwoordelijk voor het contracteren van bedrijven die het project kunnen uitvoeren. Nederland speelt hierbij een actieve aanjagende en ondersteunende rol en beziet hoe onze kennis of expertise kan bijdragen aan het voorkomen van deze potentiële olieramp.
Gaat het hier dan bijvoorbeeld om een drijfconstructie die om de tanker heen geplaatst kan worden om de verspreiding van de olie te voorkomen? Zo ja, is deze techniek eerder met succes gebruikt? Zo nee, kunt u aangeven wat voor expertise en techniek wordt geleverd?
De aanpak die de VN voor ogen heeft voorziet in het wegnemen van de acute dreiging van een olieramp door het overpompen van de olie naar een vervangende tanker. Daarnaast heeft de VN ook een coördinerende rol bij voorbereiding van een contingency plan. Dit plan heeft als doel de impact van een olieramp te beperken als deze zich onverhoopt toch voltrekt.
Is bekend van wie de olie is, en welk oliebedrijf dit heeft geleverd? Waar ligt de juridische verplichting in het geval van lekkage?
De olie in de Safer is juridisch gezien voor het overgrote deel eigendom van de Jemenitische overheid en voor het overige deel van verschillende private partijen. De FSO Safer ligt (onverzekerd) in wateren gecontroleerd door de Houthi’s, hetgeen de situatie uitermate complex maakt. Gelet op de desastreuse gevolgen van een olieramp moet al het mogelijk gedaan worden dit scenario te voorkomen.
Bent u bereid een verdere financiële of technische bijdrage te leveren om de risico’s omtrent deze olietanker te mitigeren?
Dit zal afhankelijk zijn van het definitieve projectplan en de benodigde steun van andere partijen, maar Nederland staat hier welwillend tegenover.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en gezien de aard van het probleem zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De situatie in Mali |
|
Agnes Mulder (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland zeer bezorgd over situatie in Mali, beraadt zich op militaire missie»?1
Ja.
Kunt u uw zorgen nader toelichten?
Het kabinet is zeer bezorgd over de politieke ontwikkelingen en de aanwezigheid van Russische paramilitairen in Mali, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief «Politieke ontwikkelingen in de Sahelregio» d.d. 9 februari jl. (kenmerk 2022Z02373). Het kabinet is in gesprek met zijn partners binnen de VN en de EU over de mogelijke gevolgen van de opstelling van de transitieautoriteiten voor de inzet in de VN-missie MINUSMA en de EU-missies in Mali en de Nederlandse bijdrage daaraan. Over de gevolgen voor Taakgroep Takuba is uw Kamer separaat geïnformeerd via de Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba» (d.d. 17 februari jl.).
Klopt het dat het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de MINUSMA-missie heroverweegt?
De VN-missie MINUSMA is een geïntegreerde missie die zich met name richt op het bevorderen van de stabiliteit in Mali, de bescherming van de burgerbevolking en de uitvoering van het vredesakkoord uit 2015. Vooralsnog ziet MINUSMA voldoende mogelijkheden voor de uitvoering van haar mandaat. Het kabinet houdt – in nauwe samenspraak met de VN en gelijkgezinde partners – de actuele ontwikkelingen in Mali nauwlettend in de gaten en de gevolgen hiervan voor MINUSMA. Het stopzetten van de Nederlandse civiele en militaire bijdrage aan de VN-missie MINUSMA is momenteel niet aan de orde.
Klopt het dat Frankrijk deze week in overleg treedt met andere landen die actief zijn in de VN-missie MINUSMA? En zo ja, wordt Nederland ook geconsulteerd en wat wordt de Nederlandse inzet indien dit het geval is?
Frankrijk heeft de afgelopen periode met grote regelmaat overleggen georganiseerd met andere landen die actief zijn in Taakgroep Takuba. Nederland heeft hieraan ook op ministerieel niveau deelgenomen. Over de uitkomt hiervan bent u separaat geïnformeerd (Kamerbrief «Besluit terugtrekking Taakgroep Takuba» d.d. 17 februari jl.). Afstemming over MINUSMA gebeurt primair via de VN in New York.
Klopt het dat Nederland alleen verder wil met de MINUSMA-missie als een ander land de aanzienlijke rol van Frankrijk overneemt? En zo ja, aan welke landen wordt hierbij gedacht en hoe reëel acht u de kans dat een ander land deze rol overneemt?
Er bestaan afspraken tussen de Franse operatie Barkhane, waar Taakgroep Takuba onderdeel van uitmaakt, en de VN-missie MINUSMA. Frankrijk kan MINUSMA ondersteunen in geval van nood, bijvoorbeeld door het geven van luchtsteun en bij medische evacuaties. Het kabinet houdt nauwlettend in de gaten hoe de ontwikkelingen betreffende Barkhane en Takuba de VN-missie MINUSMA en tevens de Europese trainingsmissie (EUTM) in Mali beïnvloeden en staat hierover in nauw contact met betrokken partijen.
Wat betreft de Taakgroep Takuba is het niet aannemelijk dat een ander land de leidende rol van Frankrijk overneemt.
Kunt u aangeven wanneer en op welke wijze u contact hebt gehad met de Franse regering over de situatie in Mali?
Momenteel is er vrijwel dagelijks op velerlei wijze contact met vertegenwoordigers van de Franse regering over de situatie in Mali, inclusief via persoonlijke ontmoetingen en beveiligde videoconferenties op politiek niveau. Dit contact verloopt zowel via de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken als op hoogambtelijk niveau en via de Nederlandse ambassades in Parijs en Bamako. De Minister van Defensie overlegde telefonisch met haar Franse collega op 24 januari jl. en 11 februari jl., en de Minister van Buitenlandse Zaken sprak tijdens een werkbezoek aan zijn Franse collega in Parijs op 28 januari jl. eveneens over de ontwikkelingen in Mali en de mogelijke impact daarvan op de veiligheidsinzet in de regio. De meest recente beveiligde videoconferenties op ministerieel niveau voor de Ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken vonden plaats op respectievelijk 11 en 14 februari jl. In aanvulling daarop is informatie uitgewisseld via de twee Nederlandse militairen in Taakgroep Takuba.
Kunt u garanderen dat Frankrijk geen troepen uit Mali terugtrekt zonder dat bondgenoten daarover worden geconsulteerd?
Frankrijk heeft de coalitiegenoten van Taakgroep Takuba steeds zeer nauw betrokken bij de politieke besluitvorming en het operationele planningsproces van de missie.
Deelt u de observatie dat het Franse belang om aanwezig te zijn in Mali mede is ingegeven door de aanwezigheid van de uraniummijnen in Noord-Niger? En bent u in gesprek met Franse partners over het instandhouden van de productie van uranium voor de Europese markt in de regio rond Mali? Hoe schat u het belang van het in stand houden van deze productie in?
De internationale inzet in de Sahelregio is gericht op het bevorderen van duurzame vrede, stabiliteit en ontwikkeling. Het is het kabinet bekend dat Franse bedrijven concessies voor uraniumwinning in Niger hebben, maar dit staat los van deze inzet. Naast Franse bedrijven hebben ook (staats)bedrijven van andere landen concessies voor de uraniumwinning in Niger, waaronder bedrijven uit China, Japan, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zuid-Korea.
Kunt u aangeven welke andere landen dan degene die zijn aangesloten bij de MINUSMA-missie, aanwezig zijn in Mali of Niger?
De VN-missie MINUSMA is een geïntegreerde missie waaraan tientallen landen een diplomatiek, civiele of militaire bijdrage leveren. Het gaat hierbij ook om westerse landen en (buur)landen uit de regio (zie voor volledig overzicht https://peacekeeping.un.org/en/mission/minusma). Daarnaast leveren tevens meerdere Europese landen een bijdrage aan de Europese Trainingsmissie (EUTM) en de Europese capaciteitsopbouwmissie (EUCAP Sahel) in Mali. Ook zijn vele andere landen in Mali aanwezig, zowel op het gebied van veiligheid (o.a. Rusland) als op het gebied van handel (o.a. China) of ontwikkelingssamenwerking (o.a. Canada).
Deelt u onze zorg dat de toenemende afwezigheid van Europese landen in de sub-Sahara regio leidt tot toenemende extremistische groepen als aan Al-Qaida en Islamitische Staat gelieerde jihadisten?2
De Sahel is voor het kabinet een onverminderd prioritaire regio op het vlak van veiligheid, ontwikkelingssamenwerking en migratie. Het gebrek aan duurzame vrede, stabiliteit en ontwikkeling in de Sahel brengt risico’s met zich mee voor zowel de Sahel en West-Afrika, als voor Nederland en de EU, in de vorm van terroristische dreiging en irreguliere migratiestromen. Nederland zet zich – samen met gelijkgezinde partners – in om de grondoorzaken van armoede, instabiliteit, gewelddadig extremisme en terrorisme en klimaatverandering in de Sahel weg te nemen en de weerbaarheid van de bevolking in deze fragiele regio te vergroten. Nederland zal zich de komende jaren ook richten op de West-Afrikaanse kuststaten, waar Nederlandse en Europese (handels)belangen liggen en die kwetsbaar zijn voor de zogenaamde spill-overvan gewelddadig extremisme en terrorisme vanuit de Sahel.
De terugtrekking van Taakgroep Takuba en de Franse operatie Barkhane uit Mali zal gevolgen hebben voor de bestrijding van terroristische groeperingen in de Liptako-Gourma-regio (het grensgebied tussen Mali, Niger en Burkina Faso). Nederland en zijn Europese partners blijven echter gecommitteerd aan het tegengaan van de terroristische dreiging in de Sahel en aan de spill-over hiervan naar in het bijzonder de West-Afrikaanse kuststaten.
Klopt het dat Noorwegen en Zweden hun soldaten zullen terugtrekken? Wat is hun tijdpad van terugtrekking en wat betekent dat voor de veiligheid van de Nederlandse aanwezigheid?
De aan Taakgroep Takuba deelnemende landen, waaronder Nederland, hebben op 17 februari jl. besloten om Takuba uit Mali terug te trekken, omdat niet langer aan de politieke, juridische en operationele voorwaarden voor inzet kon worden voldaan.
Noorwegen besloot reeds op 1 februari jl. zijn geplande inzet in Takuba te annuleren. Het bleek voor de Noorse overheid onmogelijk om met de Malinese autoriteiten een juridisch kader vast te stellen dat de veiligheid van de Noorse militairen voldoende zou borgen. De voorziene troepen waren nog niet uitgezonden, waardoor van terugtrekking geen sprake is. Het Zweedse nationale mandaat voor Taakgroep Takuba eindigt zoals was voorzien in maart 2022. Zweden en Noorwegen blijven deelnemen aan MINUSMA.
Beide ontwikkelingen hebben geen consequenties voor de veiligheid van de Nederlandse militairen aanwezig in Mali.
In hoeverre zijn de ontwikkelingen in Mali van invloed op de positie van Luitenant-Generaal Mathijssen, de Force Commander van MINUSMA, en zijn Nederlandse staf?
Vooralsnog ziet de VN-missie MINUSMA voldoende mogelijkheden voor de uitvoering van haar mandaat. Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en staat hierover in nauw contact met de VN en andere troepen-leverende landen.
Betekent een eventueel stopzetten van de Nederlandse militaire bijdrage aan de MINUSMA-missie in Mali ook dat de positie van Force Commander MINUSMA door Nederland wordt losgelaten?
De Force Commander MINUSMA is in dienst van de VN. Deze positie is niet gekoppeld aan de Nederlandse militaire bijdrage aan MINUSMA. Het stopzetten van de Nederlandse civiele en militaire bijdrage aan de VN-missie MINUSMA is momenteel niet aan de orde.
Verwacht u een geweldsescalatie in Mali, indien Frankrijk en andere Westerse landen zich terugtrekken uit Mali?
De veiligheidssituatie in Mali en de bredere regio is complex en onvoorspelbaar. Nederland heeft de afgelopen jaren – samen met gelijkgezinde partners – in multilateraal verband een bijdrage geleverd aan capaciteitsopbouw van de Malinese veiligheidssector. Het is op dit moment moeilijk te voorspellen wat het precieze effect zal zijn van het stopzetten van de bestaande missies op de stabiliteit van Mali en de bredere regio. Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en onderhoudt hierover nauw contact met bondgenoten.
Heeft u een goed beeld van het aantal Nederlandse burgers in Mali en hoe zorgen u ervoor dat zij tijdig kunnen vertrekken indien de situatie in Mali escaleert?
Op dit moment zijn er 60 Nederlanders in Mali geregistreerd bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. Aangezien niet alle Nederlanders zich bij de informatieservice registeren kan het daadwerkelijke aantal Nederlanders in Mali hoger liggen. Het is verder bekend dat er 115 Nederlanders verbonden zijn aan de VN-missie en EU-missies.
Voor de landen waar de veiligheidssituatie en de capaciteiten van de lokale autoriteiten daar aanleiding toe geven, beschikken de betreffende ambassades over een uitgewerkt evacuatieplan voor de aanwezige Nederlanders en eigen stafleden. Nederland werkt daarbij nauw samen met bevriende landen ter plaatse. Dit geldt ook voor Mali, waar evacuatie op dit moment niet aan de orde is, ook omdat er nog commerciële vluchten zijn. Preventie en eigen verantwoordelijkheid staan bij de evacuatie van Nederlanders uit het buitenland centraal. Het evacueren van staatsburgers door Nederland vindt slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaats, te weten wanneer er geen enkele andere mogelijkheid is om zelfstandig een bepaald gebied veilig te verlaten en Nederland daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om staatsburgers uit het gebied te evacueren. In aanloop naar een mogelijke evacuatie, hanteert de Nederlandse overheid de volgende stappen: 1) Alle niet-noodzakelijke reizen ontraden (code «oranje»); 2) Alle reizen ontraden (code «rood») en indien de veiligheidssituatie dit toelaat, Nederlanders oproepen zelfstandig het land te verlaten; 3) Overgaan tot evacuatie wanneer dit gezien de veiligheidssituatie noodzakelijk is en de operatie verantwoord kan worden uitgevoerd.
Wordt er in EU-verband gesproken over Mali en, zo ja, in hoeverre is er eensgezindheid over de Europese Mali-strategie?
De EU volgt de ontwikkelingen in Mali op de voet en onderzoekt de mogelijke gevolgen van de situatie, inclusief een gedegen risico-inschatting en scenario-planning ten aanzien van de Europese presentie en inzet van Europese instrumenten in de regio. De situatie in Mali staat regelmatig op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken, zo ook tijdens de Raad van 21 februari a.s. Onder de EU-lidstaten is er veel eensgezindheid ten aanzien van de zorgen over de huidige politieke spanningen en de aanwezigheid van Russische paramilitairen. Tegelijkertijd benadrukken EU-lidstaten het belang om de communicatiekanalen met de Malinese transitieautoriteiten open te houden.
Vindt er bilateraal en multilateraal overleg plaats met de Malinese autoriteiten om de situatie te de-escaleren?
In multilateraal en regionaal verband vindt veelvuldig overleg plaats met de Malinese transitieautoriteiten om de situatie te de-escaleren. Nederland blijft daarbij ECOWAS, de Afrikaanse Unie (AU) en de VN/MINUSMA ondersteunen in hun poging om in dialoog met de Malinese transitieautoriteiten een uitweg te vinden uit de huidige impasse. Deze inzet is afgestemd in EU-kader en conform de koers van gelijkgezinde partners in de West-Afrikaanse regio (ECOWAS). Inmiddels hebben de Malinese transitieautoriteiten een coördinatiemechanisme opgezet ten behoeve van een voortzetting van de dialoog met ECOWAS, de AU en de VN om tot overeenstemming te komen over een transitietijdpad.
Ook in Europees en bilateraal verband vindt overleg plaats met de Malinese transitieautoriteiten, mede gericht op de-escalatie en terugkeer naar een proces van democratische transitie. Hierop werd onder meer ingezet tijdens een ontmoeting op 2 februari jl. tussen de EU-ambassadeur en transitiepremier Maïga en tijdens een politieke dialoog van de EU met de Malinese Minister van Buitenlandse Zaken, Abdoulaye Diop, eind november jl., waaraan ook de Nederlandse ambassadeur deelnam. Een vergelijkbare boodschap werd eveneens in november afgegeven door de Nederlandse Speciaal Gezant voor de Sahel en de Nederlandse ambassadeur in een bilateraal onderhoud met Minister Diop.
Wat weet u over de aanwezigheid van de Wagner Group in Mali? Klopt het dat de Wagner Group inmiddels weer is vertrokken uit Mali?3
Het is het kabinet bekend dat Russische paramilitairen sinds begin van dit jaar tot op heden actief zijn in Mali. Het kabinet acht het waarschijnlijk dat een deel van deze paramilitairen behoort tot de private military company Wagner. Het is eveneens mogelijk dat het reguliere Russische militairen van de Russische overheid zijn of een mix van beide. Het kan op dit ogenblik niet worden bevestigd dat er een overeenkomst bestaat tussen de Malinese autoriteiten en de Wagner Group. Deze ontwikkelingen zijn desondanks zeer zorgelijk.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Rijbewijs halen? Dan moet je bij deze rijschool minstens één keer in een elektrische auto lessen?' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welk aandeel van de rijscholen op dit moment autolessen aanbiedt in elektrische auto’s versus een traditionele verbrandingsmotor? Hoe vertaalt zich deze verdeling naar het totale wagenpark van rijscholen?1
Uit navraag bij de rijscholenbranche komt naar voren dat betrouwbare cijfers niet voorhanden zijn. Een voorzichtige conclusie is dat rijles in een elektrische auto op zeer beperkte schaal plaatsvindt.
De vraag naar rijlessen in een elektrische auto lijkt wel toe te nemen. Daarnaast komt uit de navraag naar voren dat de grotere rijscholen eerder een elektrische auto aanschaffen dan de kleine rijscholen.
Bent u het ermee eens dat het aanmoedigen van het gebruik van een elektrische auto voor autorijlessen een positieve bijdrage kan leveren aan beeld over en het gebruik van deze auto’s?
Uit navraag bij de rijschoolbranche komt naar voren dat er drie redenen zijn waarom rijscholen nu nog terughoudend zijn met de aanschaf van een elektrische lesauto. De eerste is de relatief hoge aanschafprijs. De tweede is de beperkte actieradius die het niet mogelijk maakt een hele dag achter elkaar les te geven. De derde reden is het feit dat leerlingen die les krijgen en examen doen in een automatisch geschakelde auto (dit betreft alle elektrische en hybride auto’s) een zogenaamde «automaatcode» op hun rijbewijs krijgen. Dit houdt in dat zij met dit rijbewijs niet in handgeschakelde auto’s mogen rijden.
Het aanmoedigen van het gebruik van een elektrische auto tijdens de rijles kan positief bijdragen aan het beeld over elektrische auto’s. Als iemand al rijles heeft gehad in een elektrische auto zal dat het maken van een weloverwogen keuze van het type auto dat mogelijk wordt aangeschaft vergemakkelijken. Uit enquêtes in het kader van een experiment van de provincie Gelderland («Les Elektrisch2») komt naar voren dat aspirant bestuurders tevreden tot zeer tevreden zijn nu zij ervaring hebben opgedaan in een elektrische auto.
Het experiment «Les Elektrisch» is gericht op het stimuleren van rijles in een elektrische auto. Daarnaast heeft het Ministerie van IenW het voornemen om te verkennen wat mogelijk is om binnen het bestaande kader het lessen met elektrische auto’s te stimuleren. Ook zal worden ingezet op het verder opzetten van een landelijke werkgroep met branchepartijen om in gezamenlijkheid landelijke acties op te pakken, zoals het begeleiden van rijschoolhouders, het organiseren van webinars over elektrisch rijden en de inzet van elektrische demo lesauto’s door heel Nederland. Landelijke verspreiding van kennis onder rijscholen over bijvoorbeeld de zogenaamde «total cost of ownership» voor een rijschool en de duurzaamheid van een elektrische lesauto zal eveneens door het Ministerie van IenW worden opgepakt.
In hoeverre zijn voor elektrisch rijden specifieke vaardigheden zoals bijvoorbeeld het (op tijd) laden, inschatten van de actieradius en het verbruik van de batterij onderdeel van het curriculum en/of examinering van rijscholen?
Voor elektrisch rijden gelden op onderdelen andere vaardigheden dan de «conventionele» auto’s. Denk daarbij aan bijvoorbeeld de «one pedal drive» (remmen en gas geven met één pedaal, met minimaal gebruik van het rempedaal), het goed plannen van de autorit en het hoge vermogen van een elektrische auto waardoor deze sneller accelereert dan een conventionele auto. Dit laatste heeft invloed op de voertuigbeheersing.
Een aantal aspecten van elektrisch rijden komt nu al aan de orde in het theorie-examen. De verwachting is dat wanneer elektrisch rijden meer de standaard is geworden, het praktijkexamen daarin uiteraard mee verandert. Dit betekent dat het CBR andere eisen zal gaan stellen voor het behalen van dit praktijkexamen.
Als een rijschool rijles in een elektrische auto aanbiedt dan hoort in de rijopleiding aandacht te zijn voor onderwerpen als tijdig laden en inschatting van de actieradius. Er is op dit moment in Nederland geen sprake van een voorgeschreven curriculum ten behoeve van de rijopleiding. Het is aan de rijscholen zelf om invulling aan de rijopleiding te geven.
Vindt u het noodzakelijk dit onderdeel te maken van het (voorgeschreven) curriculum en/of examinering van rijscholen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent het ermee eens dat milieubewust rijden onderdeel zou moeten zijn van het curriculum? Zo ja, hoe wordt dat nu concreet vormgegeven in het curriculum? Zo nee, waarom niet?
In de rijopleiding wordt al rekening gehouden met milieubewust rijden zoals eerder laten uitrollen van het voertuig en onder een bepaald aantal toeren rijden en dergelijke, maar van een voorgeschreven curriculum ten behoeve van de rijopleiding is in het huidige stelsel geen sprake. Daarnaast bevat het theorie-examen vragen over milieubewust rijden.
Milieubewust rijden wordt daarnaast gestimuleerd met behulp van de website Home | Iedereen doet wat.
In hoeverre beschikken locaties van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) over laadpalen?
Het CBR beschikt momenteel niet over laadpalen bij de praktijkexamenlocaties. Het CBR doet op dit moment onderzoek naar de mogelijkheden tot het plaatsen van laadpalen op deze locaties.
Op welke manieren moedigt de rijksoverheid het elektrisch rijden door rijscholen aan? En hoe doet zij dat bij de uitrol van laadinfrastructuur bij rijscholen en het CBR?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 loopt momenteel in opdracht van de provincie Gelderland het experiment «Les Elektrisch» dat is gericht op het stimuleren van rijles in een elektrische auto. Ook landelijk zullen acties worden uitgevoerd die het gebruik van een elektrische auto tijdens autorijlessen stimuleren.
Daarnaast wordt het elektrisch rijden voor ondernemers (waaronder de rijinstructeur) financieel gestimuleerd door onder andere fiscale voordelen voor elektrische voertuigen en oplaadpunten via de milieu-investeringsaftrek (MIA). Ook is er een verlaagd belastingtarief voor publieke laadpalen. Deze financiële ondersteuning stimuleert het elektrisch rijden onder ondernemers en dus ook rijscholen3.
Het CBR heeft momenteel geen laadinfrastructuur op de praktijkexamenlocaties. Wel wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor het plaatsen van laadpalen.
Hiernaast zet ik mij in Brussel in om de regels over de automaatcode in de derde Europese rijbewijsrichtlijn te wijzigen, waardoor het voor leerlingen gemakkelijker wordt om voor een volledig elektrisch les- en examentraject te kiezen.
Daarbij moet dan wel als uitgangspunt gelden dat de verkeersveiligheid goed wordt geborgd. Een voorstel van de Europese Commissie wordt eind dit jaar verwacht, waarna er naar verwachting nog verschillende jaren nodig zijn voor het doorlopen van de EU-wetgevingsprocedure.
Gezien de ambitie uit het coalitieakkoord om elektrisch rijden verder te stimuleren, bent u bereid een concreet plan op te stellen voor het gebruik van elektrische auto’s voor rijscholen?
In het antwoord op vraag 2 is aangegeven op welke manier elektrisch rijden tijdens de rijlessen wordt aangemoedigd. Ik zal met het CBR en met de rijscholen verkennen hoe het gebruik van elektrische auto’s voor de rijles kan worden gestimuleerd. De keuze voor het al dan niet aanschaffen van een elektrische auto wordt uiteindelijk door rijscholen zelf gemaakt.
Het bericht ‘Maxima als test voor de monarchie’ uit het Algemeen Dagblad van 31 januari 2022 en de documentaire ‘Een Porseleinen Huwelijk van BNNVARA |
|
Joost Sneller (D66), Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maxima als test voor de monarchie» uit het Algemeen Dagblad van 31 januari 2022 en de documentaire «Een Porseleinen Huwelijk» van BNNVARA?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de afwijzingsbrief met de beslissing van het openbaar ministerie om Jorge Zorreguieta niet te vervolgen was opgesteld door de topman van het Openbaar Ministerie (OM) Joan De Wijkerslooth en deze vervolgens werd verstuurd door en onder de naam van de hoofdofficier van het arrondissementsparket Amsterdam?
Bij brief van 21 maart 2001 heeft de hoofdofficier van justitie te Amsterdam beslist op de aangifte die op 12 januari 2001 was gedaan bij het College van procureurs-generaal tegen de heer Zorreguieta. Aan de beslissing lag een concepttekst ten grondslag die was opgesteld door de raadadviseur van het College van procureurs-generaal. De betrokkenheid (van adviseurs) van het College van procureurs-generaal is in zaken als de onderhavige niet ongewoon. Dit past ook in de taakstelling van het College van procureurs-generaal zoals omschreven in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), waar in lid 6 is opgenomen dat het College algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.
Kunt u het interne memo van 13 maart 2001 en de fax van 14 maart 2001 van de top van het OM aan Minister-President Kok openbaren waarin de brief van het Hof van Amsterdam wordt gedicteerd? Zo niet, kun u verzoeken deze documenten openbaar te maken als deze documenten bij andere instanties berusten?1
Bijgaand treft u de gevraagde documenten aan, behoudens de namen van ambtenaren. Hierbij is ervan uitgegaan dat waar in de vraag het «Hof van Amsterdam» is genoemd, hiermee het arrondissementsparket Amsterdam (van het OM) wordt bedoeld.
Zijn er aanwijzingen waarom het OM toentertijd koos voor deze gang van zaken? Welke regels en protocollen golden er rondom het opstellen en versturen van beslissingen tot niet-vervolging?
Er zijn geen regels voor het verzenden van beslissingen tot (niet)vervolging. Wel geldt dat het College van procureurs-generaal moet worden geïnformeerd over gevoelige zaken. Dit houdt verband met de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid voor het Openbaar Ministerie. Met het oog hierop is in artikel 129 van de Wet RO bepaald dat het College de Minister de inlichtingen geeft die deze nodig heeft. Gelet op artikel 129 van de Wet RO is zowel de Minister van Justitie als de Minister-President in 2001 geïnformeerd over de aangifte tegen de heer Zorreguieta en de voorgenomen afdoening. Van politieke beïnvloeding van de inhoud van deze beslissing is niet gebleken.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken politieke beïnvloeding en geen volledige onafhankelijkheid van het OM kan suggereren? Zo ja, waarom wel? Zo, nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de top van het OM het Ministerie van Algemene Zaken eerder op de hoogte stelde van de afwijzingsbrief dan de Minister van Justitie?
Op 14 maart 2001 is de voorgenomen afdoeningsbeslissing door de secretaresse van de toenmalig Collegevoorzitter gefaxt aan de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken. Bij fax van 16 maart 2001 is deze conceptafdoening ook naar de Minister van Justitie gestuurd. Er is niet na te gaan of er anderszins contact is geweest met de Minister van Justitie en Minister-President in de tussenliggende periode.
Welke Minister heeft op dit moment het eerste informatierecht als het OM of de inlichtingendiensten een zaak behandelen waarin (leden van) het Koninklijk Huis zijn betrokken?
Waar het gaat om informatie van het Openbaar Ministerie, bepaalt artikel 129 van de Wet RO dat het College de Minister van Justitie en Veiligheid de inlichtingen geeft die deze nodigt heeft. De Wet RO gold destijds al gelijkelijk. In de onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Algemene Zaken geïnformeerd over de aangifte (en de voorgenomen afdoening) tegen de heer Zorreguieta. Er is geen regelgeving inzake een prioritering ten aanzien van het informeren. De praktijk is dat de Minister van Justitie en Veiligheid als eerste wordt geïnformeerd door het OM over zaken waarin de Minister inlichtingen nodig heeft. Benadrukt moet worden dat het OM een eigenstandige, rechtsstatelijke positie heeft en dat de Minister van Justitie en Veiligheid niet treedt in het handelen van officieren van justitie in individuele zaken. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie van 21 maart 2001 om de aangifte tegen de heer Zorreguieta niet in behandeling te nemen, een rechtsmiddel heeft opengestaan. De advocaten van aangever hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In de antwoorden op de vragen 15 en 16 hierna wordt de vraag over de inlichtingendiensten beantwoord.
Kunt u aangeven of er sinds de gebeurtenissen waarnaar de nieuwsbronnen verwijzen voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat beslissingen van het OM over het wel of niet vervolgen van personen in politiek gevoelige zaken onder politieke druk genomen worden? Kunt u aangeven hoe deze waarborgen eruitzien?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat in augustus 1999 een rapportage is opgesteld over Jorge Zorreguieta zonder dat toenmalig Minister Peper van Binnenlandse Zaken en Minister-President Kok hiervan op de hoogte waren?
Nee, dit kunnen wij niet bevestigen. De BVD heeft bedoelde rapportage niet opgesteld. Evenmin heeft de BVD onderzoek gedaan naar de heer Zorreguieta of diens achtergronden. Wel heeft de heer Koerten – het toenmalige plaatsvervangend hoofd van de BVD – medio september 1999 tijdens een kennismakingsbezoek aan de Argentijnse collegadienst gevraagd naar mogelijke dreigingen tegen Máxima Zorreguieta. Deze vraag stelde hij op verzoek van de SG van het Ministerie van Justitie (d.d. 30 augustus 1999, een schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek volgde op 2 september) en met toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (d.d. 6 september 1999). Achtergrond van het verzoek van de SG van Justitie was de persoonsbeveiliging van Máxima Zorreguieta en de Prins van Oranje. De Minister-President en de directeur van het Kabinet der Koningin zijn pas na het genoemde bezoek van de heer Koerten op de hoogte gesteld van het bezoek, het verzoek van de SG van Justitie en de uitkomst hiervan.
Kunt u bevestigen dat plaatsvervangend-directeur van de Binnenlandse Veiligheidsdienst Onno Koerten deze rapportage heeft opgesteld op basis van het onderzoek dat hij heeft gedaan in de maanden vóór het verschijnen van dit rapport in augustus 1999? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waar het Nederlandstalige deel van de rapportage precies is aangetroffen toen de Rijksvoorlichtingsdienst hier onderzoek naar deed?
Ja, bij het Ministerie van Algemene Zaken, zonder informatie over de opdrachtgever of wie van de opdracht op de hoogte was.
Kunt u aangeven waarom de Rijksvoorlichtingsdienst niet vast kan stellen in wiens opdracht het Nederlandse deel van de rapportage is gemaakt en ook niet wie daarvan op de hoogte was?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat er paralellen zijn met het onderzoek naar Edwin de Roy van Zuydewijn, nu dat laatste onderzoek ook werd uitgevoerd zonder dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister-President daarvan op de hoogte waren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 9 en 10 heeft de BVD geen onderzoek gedaan naar de heer Zorreguieta. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft toestemming gegeven aan het plaatsvervangend hoofd van de BVD om, op verzoek van de SG van Justitie, te informeren naar mogelijke dreigingen tegen Máxima Zorreguieta. De Minister-President en de directeur van het Kabinet der Koningin zijn nadien van dit verzoek en de uitkomst van het gesprek op de hoogte gesteld. Naar de antecedenten van de heer De Roy van Zuydewijn heeft de BVD in 2000 op verzoek van de directeur van het Kabinet der Koningin naslag en onderzoek gedaan. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister-President zijn hier toen niet vooraf over geïnformeerd. Zoals vermeld in de brief die de Minister-President over deze kwestie op 10 maart 2003 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 28 811, nr. 1), was dit wel wenselijk geweest. In 1999 is de Minister-President evenmin vooraf geïnformeerd.
Kunt u met zekerheid aangeven dat de toenmalige directeur van het Kabinet van de Koning – zoals ook het geval was bij het onderzoek naar de Roy van Zuydewijn – niet de opdrachtgever van het onderzoek naar Zorreguieta was? Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven of er na het onderzoek naar de Roy van Zuydewijn waarborgen zijn getroffen om onderzoeken waarbij de bevoegde personen niet op de hoogte zijn te voorkomen? Zo ja, welke waarborgen?
Ja. Zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 maart 2003 zijn sluitende afspraken gemaakt. Deze afspraken houden in dat de AIVD verzoeken tot het naslaan van gegevens omtrent potentiële leden van de koninklijke familie meldt aan de Minister van BZK. Voorts is afgesproken dat deze verzoeken van de directeur van het Kabinet van de Koningin, thans het Kabinet van de Koning, via de SG van Algemene Zaken aan de AIVD worden gedaan (Handelingen II 2002/03, nr. 48, p. 3173–3232). In reactie op van Toezichtsrapport 36 van de CTIVD (inzake het vervolgonderzoek naar door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten betreffende (kandidaat) politieke ambtsdragers en potentiële leden van de koninklijke familie) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van 18 december 2013 (Kamerstuk 29 924, nr. 1) beide Kamers bericht dat het voor de partners van leden van de koninklijke familie niet op voorhand duidelijk is op welk moment hun relatie aanleiding zal geven tot een naslag. Het is aan het Kabinet van de Koning in overleg met de dienst koninklijk huis om te bepalen wanneer de relatie dusdanig bestendig is dat een naslag dient te worden verzocht. De CTIVD achtte het van belang dat de betrokkene door de dienst koninklijk huis, na overleg met het Kabinet van de Koning, tijdig op de hoogte wordt gebracht van het verzoek dat aan de AIVD zal worden gedaan. De huidige stand van zaken is dat in de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten2017 de zogenoemde F-taak is opgenomen (in artikel 8 lid 2). Dit houdt in dat de AIVD op verzoek een mededeling doet omtrent door de dienst verwerkte gegevens over personen of instanties. De Minister-President, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie bepalen gezamenlijk de gevallen waarbij dat dient te geschieden. Hiermee is de bestaande praktijk van het verrichten van naslagen ook bij wet vastgelegd.
Kunt u aangeven of deze waarborgen op dit moment nog steeds gelden en er anno 2022 voldoende waarborgen zijn om herhaling van dergelijke onderzoeken te voorkomen?
Zie antwoord vraag 15.
Deelt u de mening dat uit de gang van zaken rondom het onderzoek naar Zorreguieta blijkt dat de democratie moest wijken voor de monarchie via kanalen die opereren op het randje van de ministeriële verantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden 2 tot en met 16.
Een voor de belastingdienst beschamende uitspraak bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over o.a. zwarte lijsten |
|
Renske Leijten (SP), Pieter Omtzigt |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022 (ECLI:GHARL:2022:488)?
Ja.
Heeft u de uitspraak in zijn geheel gelezen? Wat dacht u toen u de uitspraak las?
Ja, ik heb de uitspraak gelezen.
Een uitspraak die ook bij mij vragen oproept. Vragen waarvan de beantwoording – in bredere context – cruciaal is voor een goede appreciatie van het handelen van de Belastingdienst en de positie van de belastingplichtige in zaken zoals hier aan de orde. Ook om te bezien waar verbetering nodig en mogelijk is.
Is het kantoor van de Landsadvocaat op enigerlei wijze bij deze kwestie betrokken geweest?
De Landsadvocaat is niet betrokken (geweest) bij deze kwestie.
Is er namens de Minister van Financiën beroep in cassatie tegen deze uitspraak ingesteld? Zo nee, kunt u aangeven dat dit niet zal gebeuren? Zo ja, op welke gronden?
Tegen de uitspraak van het Gerechtshof Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:488) is en zal geen cassatie ingesteld worden. De inspecteur heeft ter zitting toegezegd de naheffingsaanslagen loonbelasting te vernietigen en deze toezegging wordt nagekomen.
Zijn de signalen op de FSV-lijst die betrekking hebben op deze onderneming en/of burgers die eigenaren zijn van deze onderneming onderzocht of is het bij een vermoeden gebleven?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de fiscale positie van een individuele belastingplichtige.
Ik heb de Belastingdienst gevraagd de werkwijze bij zaken waarin de FSV (mogelijk) een rol speelt in kaart te brengen, om te bezien of deze werkwijze kan worden verbeterd. Daarbij zal echter rekening gehouden moeten worden met de redenen waarom de FSV in de zogenoemde digitale kluis geplaatst is en hoe de daarmee beoogde waarborgen behouden kunnen blijven.
Begin januari 2021 heeft een van de eigenaren van de belanghebbende zijn belastingdossiers opgevraagd (CAF en project 1043) en ook zijn FSV-dossier. Waarom zijn deze nog niet overhandigd? Deelt u de zienswijze dat als deze stukken niet in deze procedure aan het Hof zijn overgelegd artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht niet is nageleefd?
De fiscale geheimhoudingsplicht (art 67 AWR) staat mij niet toe in te gaan op vragen over een individuele zaak. In zijn algemeenheid heeft een belanghebbende in bezwaar recht op inzage in de stukken die betrekking hebben op de zaak. Dit zijn de stukken die de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die relevant kunnen zijn voor de beslechting van de geschilpunten die de belanghebbende in zijn bezwaar opwerpt. Anders dan in de vraag besloten lijkt te liggen, heeft een belanghebbende geen recht op inzage in zijn belastingdossier. Dat recht volgt evenmin uit de AVG; deze verordening geeft recht op inzage in de verwerking van persoonsgegevens. Dit AVG-inzagerecht houdt onder andere in een overzicht van verwerkingsdoeleinden en van de ontvangers aan wie de persoonsgegevens eventueel zijn verstrekt maar niet op inzage in stukken.
Op grond van art. 8:42 Awb verstrekt de inspecteur de rechter de op de zaak betrekking hebbende stukken. Zoals gezegd zijn dit de stukken die hem ter beschikking staan of hebben gestaan en die relevant kunnen zijn voor de beslechting van de in (hoger) beroep nog openstaande geschilpunten. Stukken uit de FSV kunnen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, bijvoorbeeld in het geval van een tip die aanleiding is geweest voor een onderzoek dat heeft geleid tot de in geschil zijnde correcties. In die gevallen moet de inspecteur de tip aan de rechter verstrekken, al dan niet met een beroep op art. 8:29 Awb. In veel andere gevallen, waarin geen verband is tussen de informatie die ook in de FSV stond en de nog openstaande geschilpunten, zal het voor de inspecteur niet kenbaar zijn dat de belanghebbende in de FSV geregistreerd stond. Sinds 27 februari 2020 is de FSV niet meer toegankelijk voor medewerkers van de Belastingdienst. De FSV bevindt zich in de zogenoemde digitale kluis en is voor dit soort situaties niet benaderbaar voor de inspecteur. Er bestaat wel een werkinstructie voor verweerders in fiscale procedures ingeval een rechter vragen stelt over de FSV. Daartoe heeft een zeer beperkt aantal medewerkers een autorisatie ontvangen waarmee ze een back-up van de FSV kunnen raadplegen.
Momenteel wordt in kaart gebracht of deze situatie wenselijk is en wat eventuele mogelijkheden zouden zijn om de inspecteur voor deze specifieke situaties toch (beperkte) toegang tot de FSV te geven in zaken waarin dat aan de orde kan zijn.
Is het Besluit Beroep in Belastingzaken in deze zaak nageleefd? Zo ja, hoe verklaart u het dan dat de zaak eerst tot de mondelinge behandeling voor het hof door de Belastingdienst is doorgezet en de inspecteur vervolgens pas ter zitting heeft toegezegd de naheffingsaanslagen te zullen vernietigen?
Het Besluit Beroep in Belastingzaken bevat een groot aantal beleidsregels, onder andere over de inhoud van het verweerschrift, de collegiale toetsing op de inhoud daarvan door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren en de aanwezigheid en de bijstand ter zitting. De fiscale geheimhoudingsplicht staat mij niet toe in te gaan op vragen over een individuele zaak. Omdat de uitspraak in dit geval gepubliceerd is, kan ik wel zeggen dat daaruit blijkt dat aan de regel van aanwezigheid en bijstand voldaan is.
In het algemeen kan ik daaraan toevoegen dat de inspecteur bij de aanslagregeling de nodige zorgvuldigheid betracht. Een zaak in bezwaar wordt opnieuw beoordeeld door een andere medewerker dan degene die bij het opleggen van de belastingaanslag(en) betrokken was. Ook vindt bij de behandeling van bezwaar of beroep collegiale toetsing plaats van bijvoorbeeld het verweerschrift en wordt de zaak nog eens op zijn merites beoordeeld. In de loop van een procedure, ook pas in beroep of hoger beroep, kunnen altijd nieuwe feiten en omstandigheden opkomen of aangevoerd worden die de inspecteur alsnog tot een ander inzicht brengen. Ik onderschrijf dat de inspecteur met dit andere inzicht ook tijdens een zitting bij zijn verdere handelen rekening houdt. Naar mijn mening is de inspecteur daartoe zelfs gehouden. Ik onderschrijf dat het krijgen van dergelijke inzichten in een zo vroeg mogelijk stadium moet plaatsvinden.
Hoe kijkt u in dit licht aan tegen het recente beperken van de rol van de vaktechnisch coördinator formeel recht bij beroepsprocedures (zie het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 2 november 2021, Stcrt. 2021, nummer 46005, paragraaf 2.2.4)?
Bij het Besluit van 25 maart 2021, nr. 2021–1729, is de betrokkenheid van de vaktechnisch coördinatoren op diverse plekken in het Besluit Beroep in Belastingzaken verduidelijkt of versterkt, zoals een voorgeschreven betrokkenheid bij de afweging of hoger beroep moet worden ingesteld. Paragraaf 2.2.4 van dit besluit ziet op de toestemming voor het vragen om verlenging van de termijn voor het indienen van een verweerschrift. In het Besluit van 2 november 2021, nr. 2021–18832, is onder meer bepaald dat de inspecteur hiervoor toestemming moet vragen aan de betrokken vaktechnisch coördinator in plaats van (in alle gevallen) aan de vaktechnisch coördinator formeel recht. Hiermee is beoogd dat de meest gerede vaktechnisch coördinator oordeelt, zodat een zorgvuldige toetsing plaatsvindt.
Wat vindt u ervan dat deze onderneming in deze zaak tot tijdens de mondelinge behandeling heeft moeten volharden in zijn standpunt? Waarom is deze zaak niet eerder geschikt?
Ik kan u de gevraagde mening niet geven zonder in te gaan op de specifieke feiten en omstandigheden in deze zaak. Dat staat de fiscale geheimhoudingsplicht mij niet toe. Uit de publicatie van de uitspraak blijkt dat de rechtbank Noord-Nederland het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen loonbelasting ongegrond verklaard heeft. De belanghebbende is daartegen in hoger beroep gegaan.
In de uitspraak wordt beschreven dat deze ondernemer 400 poststukken van de Belastingdienst heeft ontvangen. Is deze hoeveelheid gangbaar?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op een individuele zaak.
In het algemeen verschilt het aantal stukken dat voor en na de aanslagregeling en in de bezwaarfase wordt gewisseld sterk per zaak. Het aantal stukken in een zaak met een langer voortraject, bijvoorbeeld omdat een controle plaatsvindt, zal groter zijn dan het aantal stukken in een zaak waarin geen controle plaatsgevonden heeft. Daarnaast wordt bijvoorbeeld loonheffing en in sommige gevallen ook omzetbelasting per maand aangegeven. Ook kan sprake zijn van meerdere entiteiten, bijvoorbeeld twee partners, een houdstermaatschappij en verschillende werkmaatschappijen. Bij een geschil over meerdere jaren en over verschillende middelen kan het aantal stukken dan fors oplopen.
De belanghebbende heeft verklaard 100 bezwaarschriften te hebben gestuurd. Zijn deze bezwaarschriften behandeld?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de AWR kan ik niet ingaan op een individuele zaak.
Staan er BV’s en NV’s direct of indirect op de FSV-lijst? Zo ja, hoeveel? Hoe komen ze van de lijst af?
Zoals mijn ambtsvoorganger op verschillende momenten heeft aangegeven stonden er ook rechtspersonen in de FSV. De FSV is op 27 februari 2020 uit gezet. Op 27 januari 20211 heeft hij hierover onderstaande tabel met uw Kamer gedeeld:
Registraties in FSV
Personen
Rechtspersonen
Onbekend1
Totaal
Vóór schoning
244.607
85.435
6
330.048
Na schoning
133.508
52.542
5
186.055
Verwijderd
111.099
32.893
1
143.993
Onbekend: het identificatienummer is een niet-uitgegeven nummer.
Welke rechtsgevolgen had het voor de aandeelhouders als een bedrijf op de lijst stond? Was er bijvoorbeeld beleid of gewoonte om nooit te schikken, hoge boetes op te leggen, tegen toegang te verlenen tot schuldsanering of andere zaken?
PwC doet onderzoek naar de effecten van de FSV op burgers en bedrijven. Uw Kamer heeft inmiddels drie onderzoeken ontvangen:
PwC doet momenteel nog onderzoek naar de gevolgen van FSV-registraties bij de directie MKB en naar de gebruikte «query’s aan de poort». Mijn verwachting is nu dat ik beide rapporten in maart met uw Kamer kan delen. Pas daarna bestaat er een completer beeld. Ik zal alle bevindingen in de bijgaande en komende rapporten gebruiken bij de verdere uitwerking van een tegemoetkomingsregeling voor onterechte nadelige gevolgen van de FSV, zoals door uw Kamer gevraagd in de motie van het lid Snels.
Zijn al deze bedrijven en al hun aandeelhouders bericht dat zij op lijsten terecht zijn gekomen?
Nee, zoals mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 25 maart 20215 heeft aangegeven informeert de Belastingdienst, met uitzondering van een aantal uitzonderingssituaties, burgers (natuurlijke personen) én ondernemers in de zin van de Wet Inkomstenbelasting over het feit dat zij in de FSV waren geregistreerd. Andere rechtspersonen worden niet geïnformeerd omdat de AVG van toepassing is op persoonsgegevens en de motie Marijnissen II verzoekt mensen te informeren.
Hoeveel burgers met een eigen onderneming, IB-onderneming of bijvoorbeeld een BV of NV staan op de FSV-lijst? Hoeveel van deze bedrijven zijn geconfronteerd met onderzoeken?
Om deze vraag te beantwoorden moet er nader onderzoek worden gedaan en een nieuwe query worden gebouwd. Zodra dit onderzoek is afgerond, informeer ik u over het aantal burgers met een eigen onderneming, IB-onderneming of bijvoorbeeld een BV of NV op de FSV-lijst.
Wanneer komt er een generieke FSV-, CAF- en Project 1043-regeling? Wordt hiervoor een aparte herstelorganisatie opgericht?
Ten aanzien van de FSV is mijn voorganger in zijn brief van 6 december 20216 ingegaan op de contouren van een tegemoetkomingsregeling en op de dilemma’s die hierbij spelen. Belangrijke vraagstukken hierbij zijn onder andere de vraag of, en zo ja hoe, het schenden van de privacy op zichzelf een grond is voor een vorm van tegemoetkoming, wie een dergelijke regeling moet uitvoeren en wat de gewenste en uitvoerbare mate van maatwerk bij de uitvoering van een dergelijke regeling. Zoals ik heb toegezegd in mijn brief van 25 januari jl7. zal ik in het eerste kwartaal van 2022 terugkomen op de uitwerking en de wijze van uitvoering.
Ten aanzien van CAF heb ik in mijn brief van 25 januari jl. aangegeven dat ik het wenselijk acht dat er volledige duidelijkheid komt over de onderzoeken en werkwijze van CAF. Dit gaat daarom door een externe partij worden onderzocht. Wanneer een externe partij is geselecteerd zal ik uw Kamer via de kwartaalrapportage HVB informeren over de planning en opzet van het onderzoek. Nu over een «CAF-regeling» spreken is nog niet aan de orde. Dit geldt ook voor 1043/ analyse aan de poort. Zoals mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 25 november 2021 heeft aangegeven doet PwC nog onderzoek naar welke query’s er zijn gebruikt in analyse aan de poort. Bovendien is de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) voor het proces analyse aan de poort nog in beoordeling bij de Functionaris Gegevensbescherming (FG). Voor ik een oordeel over 1043/ analyse aan de poort vorm, wil ik het advies van de FG en het rapport van PwC afwachten. Ik zal uw Kamer informeren wanneer het advies van de FG en het rapport van PwC beschikbaar zijn.
Kunt u aangeven of in deze generieke regeling voor fiscale rechtszaken net zoals in deze zaak de door belanghebbenden gestelde werkelijke kosten van beroepsmatige rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking kunnen komen? Zo nee, staat een belanghebbende dan de weg naar de rechter open?
Voor de vergoeding van proceskosten geldt in fiscale zaken het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit besluit gaat uit van forfaitaire vergoeding. In artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat in bijzondere omstandigheden van deze forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken. Dit kan dus ook betekenen dat de werkelijke kosten van beroepsmatige rechtsbijstand vergoed worden. Bij afwijzing van een verzoek om (werkelijke) proceskosten kan de belanghebbende dit voorleggen aan de fiscale rechter. Voor de uitwerking van een FSV-regeling verwijs ik naar het antwoord op vraag 16.
Heeft u in de uitspraak van het Hof gelezen dat door de inspecteur is gesteld dat: «De controle is uitgevoerd door [naam8] en het is bij de Belastingdienst bekend dat hij een strenge aanpak hanteerde. [naam8] werkt thans niet meer als controleur.»? Hoe voorkomt u dat andere burgers en bedrijven worden geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van dergelijke medewerkers?
Ik heb het citaat in de uitspraak van het Hof gelezen. Ik kan de juistheid van deze kwalificatie en met name de context waarin de inspecteur deze gegeven heeft niet beoordelen. Dit neemt niet weg dat ik er vertrouwen in heb dat in het algemeen door de medewerkers van de Belastingdienst gehandeld wordt binnen de kaders van de wet, de regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het Hof heeft in de procedure de inspecteur tweemaal voorgehouden of de Belastingdienst kan worden vertrouwd. Bevreemdt deze vraag na het kennisnemen van deze uitspraak u?
Het vertrouwen van burgers en bedrijven in de Belastingdienst is geschaad. Dit komt onder andere door de omgang met gegevens in de FSV. Van een FSV-registratie was ook in deze zaak sprake, zo is op te maken uit de uitspraak van het Gerechtshof. In die zin bevreemdt de vraag mij niet. In recente rapporten hebben de Raad van State en de Raad voor de Rechtspraak ook een kritischere houding richting uitvoeringsorganen als de Belastingdienst aangekondigd. Voor de Belastingdienst is en blijft essentieel dat de Belastingdienst richting belastingplichtigen en in procedures voor de rechter eerlijk en transparant optreedt. Het herwinnen en behouden van het vertrouwen in de Belastingdienst heeft mijn prioriteit. In antwoord op vraag 20 ga ik hier nader op in.
Wat gaat u doen om te werken aan herstel van vertrouwen in de voor onze maatschappij cruciale overheidsdienst die de Belastingdienst is en aan het voorkomen van dit soort rechtszaken?
De inspecteur gaat in het algemeen zorgvuldig te werk bij het opleggen van aanslagen en het behandelen van bezwaarschriften. Ook voor de gang naar de rechter is voorzien in regels die voorkomen dat lichtvaardig geprocedeerd wordt (zie mijn antwoord op vraag 7). Ondanks de te betrachten zorgvuldigheid is niet uit te sluiten dat rechtszaken als in het onderhavige geval zich voordoen, bijvoorbeeld wanneer pas op een later moment tijdens de gerechtelijke procedure feiten en omstandigheden opkomen die tot de conclusie leiden dat een aanslag alsnog vernietigd moet worden. De rechter vormt een belangrijk onderdeel van de rechtsbescherming, bijvoorbeeld als er in een eerdere fase onverhoopt iets niet goed is gegaan of als er een geschil bestaat over de uitleg van een wetsbepaling. In die zin is de mogelijkheid om een rechter in te schakelen positief.
Het vertrouwen van burgers en bedrijven in de Belastingdienst is onder druk komen te staan. Dit is ook terug te zien in de cijfers van de Fiscale Monitor, waarbij het vertrouwen op het laagst is sinds de eerste meting in 2015. Het vertrouwen van burgers en bedrijven zal hersteld moeten worden, ik vind het belangrijk dat de Belastingdienst een overheidsorgaan is waar burgers en bedrijven vertrouwen in hebben en omdat dit ook als fundament geldt voor de naleving van fiscale regels. Om het vertrouwen te herstellen is het cruciaal de blik naar buiten te vergroten, externe signalen op te vangen en te benutten om de processen en dienstverlening van de Belastingdienst te verbeteren. De Belastingdienst gaat in 2022 verder met het vergroten van de kennis van fiscaal-juridische en andere relevante onderwerpen in de hele organisatie. Daarvoor zijn verschillende inhoudelijke programma’s ontwikkeld. Voor alle leerprogramma’s geldt dat het niet alleen gaat om meer vakkennis, maar ook om aspecten die opkomen bij vraagstukken over de menselijke maat. Dit wordt opgenomen in bestaand opleidingsmateriaal. Belangrijk is dat de opleidingen aansluiten bij wat medewerkers ervaren in hun dagelijkse contacten met burgers en bedrijven. Er moet bijvoorbeeld worden ingegaan op het meewegen van de belangen van burgers en bedrijven, het omgaan met weerstand, het voorkomen van conflicten, het kunnen reflecteren op het eigen optreden en dit ook bespreekbaar kunnen maken.
Deze en andere maatregelen zoals beschreven in het Jaarplan 20228 van de Belastingdienst worden genomen om verder te bouwen aan vertrouwen en dit te herstellen.
Hoe en op welke termijn wilt u volledige openheid geven aan de Kamer over de FSV-lijsten, over de uitwisseling van data en andere zaken die zijn voorgevallen?
Ik wil zoveel mogelijk volledige openheid geven. Zoals in het antwoord op vraag 13 is aangegeven lopen er nog onderzoeken naar de FSV. Door mijn ambtsvoorganger is eerder aangegeven dat onderzoek zal helpen om meer duidelijkheid te krijgen, maar dat dit niet alle onduidelijkheid kan wegnemen. Zoals hij in zijn brief van 6 december heeft aangegeven moeten we constateren dat er, juist vanwege de complexiteit en de gebrekkige datakwaliteit in de FSV, nog veel onduidelijk is over de reden en gevolgen van registratie op individueel niveau. Daarnaast is het zo dat om op individueel niveau een compleet beeld te krijgen minimaal 10 systemen binnen de Belastingdienst geraadpleegd moeten worden.
Ten aanzien van de verstrekking uit de FSV aan andere organisaties heb ik in mijn brief van 1 februari jl.9 gemeld dat PwC op 20 januari 2022 de data (van het onderzoek naar gegevensverstrekking) aan de Belastingdienst heeft overgedragen. De Belastingdienst onderzoekt deze data en doet dat met inachtneming van de privacy van de genoemde burgers. Daarna zal de Belastingdienst de mensen om wie dit gaat conform motie Marijnissen II10 informeren over wat er is gebeurd, met welke organisatie deze gegevens zijn gedeeld en of dit proactief of reactief was vanaf de zijde van de Belastingdienst.
PwC wijst er daarnaast op dat mogelijk meer informatie uit de FSV extern is verstrekt dan uit het bijgaande onderzoek naar voren is gekomen; het heeft aanvullende e-mailboxen geïdentificeerd van waaruit mogelijk ook gegevens uit de FSV zijn gedeeld. Ik vind het belangrijk dat burgers een zo volledig mogelijk beeld krijgen van met wie hun gegevens zijn gedeeld en ik wil ook de geïdentificeerde functionele postbussen laten onderzoeken. In dat kader zal ook nader worden bezien in hoeverre voor de geconstateerde gegevensdelingen een voldoende rechtsgrondslag bestond. De Belastingdienst treedt bovendien in overleg met de organisaties waarmee gegevens zijn uitgewisseld.
Hoeveel zaken, die betrekking hebben op de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV) zijn geschikt? Kunt u een indicatie geven wat er gevonden is in die zaken?
Het is niet bekend in hoeveel zaken de FSV heeft gespeeld en die zijn geschikt.
Hoeveel rechtszaken spelen er rond FSV en/of de UHT? Wat voor zaken zijn dat (kort geding, beroep, hoger beroep)? Wat is de inhoud van deze zaken?
Het is niet bekend hoeveel (rechts)zaken op dit moment spelen waarbij FSV aan de orde is.
Voor wat betreft rechtszaken rondom UHT (de hersteloperatie) het volgende:
In onderstaande tabel treft u een overzicht van de gevraagde rechtszaken over UHT/de hersteloperatie. Onder de tabel treft u per soort rechter een toelichting.
Niet tijdig afgehandeld
20
Niet tijdig in behandeling
30
Voorlopige voorziening afgehandeld
16
Voorlopige voorziening in behandeling
4
Regulier beroepen
8
Kort geding ingetrokken
2
Kort geding met uitspraak
6
Totaal
86
Hoger beroep
10
Stand 24 februari 2022
De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) heeft 20 beroepen tegen het niet-tijdig een beslissing nemen («niet tijdig») afgehandeld. Er zijn daarnaast 30 beroepen niet-tijdig in behandeling. Er zijn 16 verzoeken om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter afgehandeld. Er zijn 4 verzoeken om een voorlopige voorziening in behandeling. Er zijn 8 reguliere beroepen ingesteld, die nog allen in behandeling zijn. De beroepen niet-tijdig zien op het uitblijven van beslissingen in het primaire proces (beslissing in het kader van Catshuisregeling, beslissing in het kader van de integrale beoordeling en beslissing in het kader van een verzoek om compensatie aanvullende werkelijke schade) en op het uitblijven van beslissingen in het bezwarenproces. De voorlopige voorzieningen zijn voor een groot deel (12) ingesteld door één gemachtigde, waarbij deze verzoeken telkens door de rechtbank worden afgewezen omdat het griffierecht niet is betaald. De overige voorlopige voorzieningen zien op het uitblijven van een beslissing door UHT en zijn in zoverre ook vergelijkbaar met de beroepen niet-tijdig. De 8 reguliere beroepen zijn alle nog in behandeling en bevinden zich grotendeels in het beginstadium. Deze beroepen zijn nog niet ter zitting bij een rechter geweest. Om die reden valt er nog weinig te duiden over deze reguliere beroepen. Het geschil voor de 8 reguliere beroepen ziet voor het overgrote deel op de hoogte van de forfaitaire compensatie.
Er zijn daarnaast zeven kort gedingen bij de civiele rechter aangespannen rondom de hersteloperatie. Twee kort gedingen over inzage van dossiers zijn inmiddels ingetrokken. Drie vorderingen van een juridisch adviesbureau van verschillende gedupeerde ouders over kosten van juridische bijstand zijn afgewezen. Eén kort geding, over de schuldenproblematiek, is afgewezen omdat eiser niet in aanmerking kwam voor toepassing van de verzochte regeling. De laatste, van een ex-partner eveneens over de schuldenproblematiek, is door de voorzieningenrechter afgewezen.
Er zijn momenteel 10 hoger beroepszaken met een UHT-component. Dit betreft al langer lopende zaken die niet primair zagen op (het uitblijven van) een beslissing van UHT. Belanghebbenden zijn inmiddels ook gecompenseerd door UHT, de zaken worden aangehouden totdat de dossiers aan de zijde van UHT naar tevredenheid van de ouder zijn afgehandeld.
Klopt het dat de Landsadvocaat zaken namens de Belastingdienst behandelt bij deze zaken? Zo ja hoeveel en hoeveel geld is daarmee gemoeid?
Er is voor de Belastingdienst geen sprake van inzet van de Landsadvocaat in lopende Rechtbank of Hof-zaken (of bezwaarprocedures) over de FSV.
Hoeveel ambtenaren van de Belastingdienst/Douane/Financiën (of hun echtgeno(o)t(e)/fiscaal partner) stonden op de FSV-lijsten? Hoe zijn deze mensen geïnformeerd?
Ambtenaren worden op dezelfde wijze geïnformeerd over een eventuele registratie in de FSV. Het personeelsbestand van het Ministerie van Financiën mag niet worden vergeleken met de FSV. Alleen wanneer een medewerker de opname op de FSV-lijst uit eigen beweging gemeld heeft bij de werkgever, is dat wel bekend.
Indien een ambtenaar (of partner) op de FSV-lijst stond, had dat dan intern gevolgen zoals minder/geen kans op promotie of op verlenging van een tijdelijk contract? Zo ja, kunt u dat precies aangeven?
Het personeelsbestand van het Ministerie van Financiën mag niet worden vergeleken met de FSV. Een medewerker kan uit eigen beweging bekend gemaakt hebben aan de werkgever dat deze opgenomen is op de FSV-lijsten.
Welke hulp en tegemoetkoming wordt geboden aan (voormalig) ambtenaren van de Belastingdienst die op de zwarte lijsten stonden?
Het personeelsbestand van het Ministerie Financiën mag niet worden vergeleken met de FSV. Een medewerker kan uit eigen beweging bekend gemaakt hebben aan de werkgever dat deze opgenomen is op de FSV-lijsten. Indien de medewerker hierop een beroep doet, wordt ondersteuning geboden uit bestaande voorzieningen zoals bijvoorbeeld vertrouwenspersonen en bedrijfsmaatschappelijk werk. Gezien de vertrouwelijkheid van deze dienstverlening is dat bij de werkgever niet bekend.
Kunt u deze vragen een voor een binnen drie weken beantwoorden?
Deze vragen zijn door mij één voor één beantwoord binnen drie weken.
De tekortschietende steun aan dierenhulpverleners voor het weghalen van met vogelgriep besmette, in het wilde levende dieren |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Vogelgriepvirus slaat zijn vleugels uit» en «Vogelgriep jaagt dierenambulance op kosten: «We willen geld van de overheid»»?1 2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat alleen al in Noordoost Friesland de afgelopen winter meer dan 10.000 in het wild levende dieren slachtoffer zijn geworden van de vogelgriep?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een uitbraak in de regio Brandwijk (Alblasserwaard) de dierenambulance Vianen in vier dagen tijd maar liefst 850 dieren uit de natuur heeft opgehaald, waarvoor de ambulance 3.000 euro aan materiaal heeft aangeschaft?3
Het is mij bekend dat dierenambulances in meerdere gevallen en op verschillende locaties dode en zieke dieren uit de natuur hebben opgehaald. Het is mij bekend dat dierenambulances aanlopen tegen kosten voor materiaal.
Kunt u bevestigen dat kadavers van dieren, die zijn gestorven vanwege vogelgriep, uit de natuur weggehaald moeten worden volgens de EU-Diergezondheidsverordening?
In verordening (EU) nr. 2020/687 is opgenomen dat de bevoegde autoriteit er voor moet zorgen dat wilde dieren waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een categorie A ziekte, zoals vogelgriep, opgeruimd worden.
Wie is hoofd- en eindverantwoordelijk voor het uitvoeren van deze wettelijke taak en wie voert het in de praktijk uit?
Het opruimen van dode wilde vogels is een gedeelde verantwoordelijkheid. In eerste instantie is de rechthebbende of beheerder van de grond waarop een kadaver zich bevindt verantwoordelijk voor het weghalen van dode wilde vogels. Ook de overheid heeft verantwoordelijkheid in het opruimen van dode wilde vogels die vermoedelijk doodgegaan zijn aan vogelgriep. Om de uitvoering van deze gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk te ondersteunen heb ik samen met de veiligheidsregio Friesland een handreiking voor het opruimen van dode wilde vogels en de omgang met levende zieke vogels gemaakt4. De handreiking is een belangrijk hulpmiddel, maar de uitdaging is om de uitvoering in de praktijk waar nodig te verbeteren. Ik zal daarom met betrokken partijen in overleg gaan om te kijken hoe we samen de uitvoering van deze gedeelde verantwoordelijkheid in de praktijk verder kunnen verbeteren.
Deelt u de mening dat veiligheid voor mens én dier voorop moet staan bij het opruimen van de kadavers en dat de veiligheid beter kan worden gegarandeerd door het gebruik van de juiste beschermingsmiddelen, zoals een veilig mondmasker, wegwerpoverall en -handschoenen?
Het is belangrijk dat mensen die dode vogels met vogelgriep opruimen de juiste maatregelen nemen om dit veilig te doen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft daarom een protocol opgesteld voor het veilig opruimen van dode vogels5. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onderdeel van dat protocol.
Wie is verantwoordelijk voor de financiering van het uit de natuur weghalen van kadavers van dieren die zijn gestorven vanwege vogelgriep?
Door de gedeelde verantwoordelijkheid en verschillende betrokken partijen is er niet één partij verantwoordelijk voor de financiering van het opruimen van kadavers. De financieringsvraag zal ik betrekken bij het overleg dat ik in het antwoord op vraag 5 noemde. Ook zal ik de kennis en ervaring van de samenwerking in Friesland hier bij benutten.
Is het waar dat dierenambulances en dierenhulpverleners in de praktijk meestal zelf opdraaien voor de hoge kosten van het aanschaffen van beschermingsmiddelen om veilig te kunnen werken met vogelgriepslachtoffers?4 Zo ja, kunt u aangeven welke eindverantwoordelijken mogelijk tekort schieten in het ondersteunen van de financiering?
Het is mij bekend dat dierenambulances voor een belangrijk deel worden gefinancierd uit donaties die zij ontvangen. Voor een deel zal dit geld ook besteed zijn aan persoonlijke beschermingsmiddelen. Soms geven gemeenten financiële steun voor hulp aan wilde dieren.
Erkent u dat het zeer onwenselijk is dat dierenhulporganisaties opdraaien voor de financiële lasten die horen bij het uitvoeren van een maatschappelijke taak? Zo nee, waarom niet?
Helaas zijn er ook dit jaar, net als vorig jaar, erg veel wilde vogels het slachtoffer van vogelgriep. Dierenhulporganisaties, waaronder dierenambulances, zetten zich in om gewonde of zieke vogels te helpen. Dat doen zij op basis van vrijwilligheid. Hun vrijwillige activiteiten waardeer ik, en deze kunnen ook in de maatschappij rekenen op waardering. Binnen wat in hun vermogen ligt, zetten zij zich voor dieren in. Tegen die achtergrond is het ook aan de organisaties zelf om ervoor te waken dat ze niet meer kosten maken dan in hun vermogen ligt.
Klopt het dat uw voorganger in maart 2021 eenmalig subsidie heeft toegezegd aan dierenhulporganisaties om een deel van de hogere kosten te dekken, gemaakt vanwege de uitzonderlijk hoeveelheid aantal zieke vogels als gevolg van de vogelgriep? Zo ja, hoeveel subsidie is er gegaan naar dierenhulporganisaties en hoeveel procent van de kosten zijn hiermee gedekt? (Kamerstuk 2021D11218)
Dat klopt. Het betreft een eenmalige subsidie van 50.000 euro. Daarmee zou 50% van de extra kosten die in dat seizoen gemaakt waren gedekt zijn.
Bent u er van op de hoogte dat het Ministerie van VWS in november 2021 schriftelijk een donatie heeft toegezegd aan Stichting Dierenlot van het landelijk consortium hulpmiddelen, in de vorm van een grote partij overtollige beschermende middelen, maar dat deze donatie nooit gedaan is en dat de hulpmiddelen in plaats daarvan zijn doorverkocht? Wie is verantwoordelijk voor de beslissing om deze afspraak niet na te komen en wat vindt u hiervan?
Stichting Dierenlot heeft in week 6 de eerste levering van de gevraagde FFP2 maskers, isolatiejassen en brillen ontvangen. Zij hebben vanwege het grote volume van de gewenste artikelen gevraagd of ze de goederen gespreid zouden kunnen ontvangen. Vanwege de controle op de rechtmatigheid van deze gift en de vele logistieke werkzaamheden bij het BureauLCH heeft het uitleveren iets langer geduurd maar is nu wel op gang gekomen.
Kunt u aangeven of het Rijk, provincies en gemeenten zich al hebben beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst aangaande financiering van vogelgriep gerelateerde activiteiten door dierenhulporganisaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er afgesproken? (Kamerstuk 2021D11218)
In mijn antwoord op de vragen waar u naar verwijst heeft voormalig Minister Schouten aangegeven met de opvangcentra, provincies en gemeenten een aantal acties in gang te hebben gezet voor een betere en duidelijke basis voor de activiteiten van opvangcentra. De RDA-zienswijze wildopvang maakt hier deel van uit en zal ingaan op de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie. Dit rapport is nog niet opgeleverd en ik verwacht het binnenkort. Op basis van de zienswijze zullen Rijk, provincies en gemeenten zich beraden over het ontwikkelen van aanvullend beleid voor de toekomst. Ten aanzien van vogelgriep zal ik op korte termijn met partijen in overleg gaan, zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven wat er uit de door uw voorganger uitgevoerde inventarisatie van de wensen van opvangcentra en gemeenten omtrent de taken en bevoegdheden aangaande vogelgriep naar voren is gekomen? (Kamerstuk 2021D11218)
Uit signalen vanuit dierenhulporganisaties en lokale overheden komt naar voren dat de uitvoering complex is en niet in iedere gemeente hetzelfde. De uitvoeringsknelpunten verschillen ook per gemeente. Ik zal gemeenten die betrokken willen worden en dierenhulporganisaties ook betrekken bij het overleg dat ik in antwoord op vraag 5 heb genoemd.
Op welke manier en op welke termijn gaat u zorgen dat dierenhulpverleners beschikken over de benodigde beschermingsmiddelen om veilig hun werk te kunnen doen?
Zie mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk vóór het commissiedebat Zoönosen en dierziekten op 24 februari 2022, beantwoorden?
U ontvangt de antwoorden bij deze.
Het bericht ‘Luchtvaartonderzoek houdt vliegherrie buiten beeld, waarschuwt GGD’ |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de dringende oproep van de Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD’en) over de te gebruiken grenswaarden voor geluid in de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke maatschappelijke kostenbatenanalyses (MKBA’s)?1
Om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om MKBA’s en welvaartsanalyses op het gebied van luchtvaart zo consistent en goed mogelijk uit te voeren is in juli 2021 een eerste versie van de werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s uitgebracht. Zoals in de brief van 2 februari 2022 aan de Commissie voor IenW2 ook is aangegeven, kan en zal deze werkwijzer nog verbeterd worden, omdat op een aantal punten nog aanvullend onderzoek nodig is om welvaartskosten en -baten in de toekomst beter te kunnen inschatten. Die verbeterpunten staan genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft de opsteller van de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld.
Zoals PBL en CPB in de beoordelingsbrief3 bij de werkwijzer hebben aangegeven geldt het principe dat de MKBA-onderzoeker zelf verantwoordelijk is voor het op een zo goed mogelijke manier in beeld brengen van alle aspecten die relevant zijn bij een MKBA. De werkwijzer helpt hierbij door aan te geven wat geschikte methoden of afwegingen zijn. Als sprake is van een algemene consensus dan is de werkwijzer voorschrijvend. Als er meerdere geschikte methoden zijn of er onduidelijkheid bestaat over de geschiktheid van methoden, dan geeft de werkwijzer een aanbeveling en is er meer keuzevrijheid voor de MKBA-onderzoeker.
Zoals het artikel in Trouw aangeeft heeft de GGD GHOR Nederland mij op 14 januari 2022 een brief gestuurd waarin wordt opgeroepen specifieke waarderingskengetallen voor geluidhinder in de werkwijzer te laten toevoegen. Ik vind het van belang dat er over de relatie tussen geluidbelasting en ervaren hinder meer kennis wordt ontwikkeld. Dat wordt in gang gezet en daarbij zal ook aandacht besteed worden aan de monetarisering van geluidhinder conform de aanbeveling hierover in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. Alle nieuwe inzichten en zienswijzen, dus ook die van de GGD GHOR Nederland, worden daarbij betrokken.
Ziet u, naar aanleiding van deze oproep, aanleiding de werkwijzer aan te passen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn uw beweegredenen om wel of niet een (afweging van de) geluidsbelasting van 45 decibel voor de dag en 40 decibel voor de nacht (advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)) te hanteren?
Het kabinet heeft nog geen inhoudelijk standpunt bepaald inzake de doorwerking in het geluidbeleid van de publicatie «Environmental Noise Guidelines for the European Region» van de WHO. De opstellers van de werkwijzer hebben dit als uitgangspunt genomen en aansluiting gezocht bij de grenswaarden zoals die thans in beleid, wet- en regelgeving over luchtvaart worden gehanteerd. In zijn algemeenheid zijn dit 48 dB Lden voor het etmaal en 40 dB Lnight voor de nachtperiode.
Waarom is de in het artikel genoemde Engelse methodiek voor het monetaristen van geluid niet toegepast in de werkwijzer?
De werkwijzer is opgesteld door een consortium onder leiding van SEO. De andere partijen van het consortium waren Decisio, To70 en Twynstra Gudde. Het ministerie is in inhoudelijke zin niet verantwoordelijk geweest voor de keuzes van methodieken die zijn opgenomen in de werkwijzer. Het ministerie heeft vraag 4 en 5 voorgelegd aan de onderzoekers. Zij geven aan dat het Verenigd Koninkrijk (VK), in tegenstelling tot wat de GGD in haar brief beweert, een ondergrens hanteert die omgezet naar de Nederlandse situatie overeenkomt met 53 tot 55 dB Lden. Deze ondergrens wordt gebruikt in het VK in de Web-based Transport Analysis Guidance (WebTAG) die is voorgeschreven bij het monetariseren van geluid4.
Klopt het dat deze methodiek in het Verenigd Koninkrijk, waaronder dus ook bij luchthavens, reeds wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat de huidige werkwijzer voor luchtvaartspecifieke MKBA’s is gebaseerd op wetenschappelijke consensus? Zo nee, bent u bereid de werkwijzer te herzien om dit te bereiken?
Ja, ik ben van mening dat de werkwijzer op een verantwoorde onafhankelijke en wetenschappelijke wijze tot stand is gekomen.
Zoals aangegeven in de brief5 van 2 februari 2022 aan de Tweede Kamer is de uitbesteding van de opstelling van de werkwijzer geheel volgens de regels van betrokkenheid als opdrachtgever bij onafhankelijk onderzoek in de Gedragscode Integriteit Rijk verlopen6. De werkwijzer is opgesteld door een consortium onder leiding van SEO. De andere partijen van het consortium waren Decisio, To70 en Twynstra Gudde. Deze partijen beschikken over uitgebreide kennis en ervaring met MKBA-onderzoek op het gebied van luchtvaart. De voortgang van het onderzoek en de opstelling van de werkwijzer is bewaakt door een begeleidingsgroep waarin de planbureaus CPB en PBL (onder meer vertegenwoordigd door de auteurs van de Algemene MKBA-leidraad uit 2013) alsmede experts op het gebied van MKBA’s van het KiM waren vertegenwoordigd. Naast literatuurstudie en analyse heeft het consortium veel uiteenlopende experts geïnterviewd, waaronder de relevante andere instituten en adviesbureaus met kennis op het gebied van luchtvaartspecifieke MKBA’s. Na oplevering is de werkwijzer volgens voorschrift door het PBL en het CPB getoetst aan hun Algemene MKBA-leidraad. De conclusie van deze toets was dat de werkwijzer een adequate leidraad is voor het opstellen van luchtvaartspecifieke MKBA’s. De kwaliteitstoets is samen met de werkwijzer aan de Tweede Kamer gezonden7.
Na publicatie van de werkwijzer heeft een aantal organisaties8 aangegeven dat er andere visies en inzichten zijn over de aanbevelingen en methodieken in de werkwijzer. Deze hebben vooral betrekking op de waardering van geluidhinder en op het onderwerp waar in vraag 7 naar verwezen wordt, namelijk waardering van reistijden. Uiteraard zijn deze verschillen de moeite waard om nader te onderzoeken. Mogelijk nuanceren reeds in de werkwijzer opgenomen kanttekeningen en voorstellen voor gevoeligheidsanalyses de aard van deze verschillen. Het zelfde geldt voor de onderzoeksagenda die bij de werkwijzer is gevoegd. Daarin wordt aangegeven welke kennis er volgens het consortium nog ontbreekt of moet worden aangevuld om de aanbevelingen te verbeteren. De onderzoeksagenda kan overigens ook aangevuld worden met nieuwe onderwerpen. De inzichten die uit het onderzoek voortkomen zullen uiteindelijk leiden tot een herziene werkwijzer, waarbij gestreefd wordt naar zo breed mogelijke consensus over de uitgangspunten bij deskundigen. Daarbij zullen vanzelfsprekend alle verschillende visies worden betrokken. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun toets blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden.
Zo ja, hoe weegt de kritiek dat bijvoorbeeld de kosten van extra reistijd bij een krimp van luchtvaart te hoog zijn ingeschat?
Zie antwoord vraag 6.
Gezien de constatering in de onderzoeksagenda van de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s van mei 2021 dat discussie kan ontstaan over de in Nederland hoger dan elders ingeschatte tijdwaardering voor luchtvervoer, acht u het gepast een andere (meer dan gemiddelde) tijdwaardering toe te passen in de werkwijzer?
Op dit moment voert het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) onderzoek uit naar reistijdwaarderingen voor het voor- en natransport bij vliegreizen. Dit vindt plaats naar aanleiding van de vraag hierover in de onderzoeksagenda, als aanvulling op het hoofdonderzoek reistijd- en betrouwbaarheidswaardering voor alle vervoersmodaliteiten. Daarbij wordt ook onderzocht of dit vergelijkbaar is met de reistijdwaardering van vliegen of van auto en ov-reizen. Met dit onderzoek wordt invulling gegeven aan de onderzoeksvragen in relatie tot reistijdwaardering in de onderzoeksagenda bij de werkwijzer. De resultaten van dit onderzoek worden begin 2023 verwacht. Daarmee zal meer kennis beschikbaar komen over kengetallen voor reistijdwaardering die in luchtvaartspecifieke MKBA’s toegepast kunnen worden.
Gezien de kritiek van verschillende partijen op de werkwijzer en daaruit volgende discussies, bent u van mening dat de werkwijzer een toereikend instrument is in het adequaat en zorgvuldig in kaart brengen van alle kosten en baten voor luchtvaartgerelateerde activiteiten?
De werkwijzer die in juli 2021 is gepubliceerd is een belangrijke stap geweest om meer duidelijkheid te scheppen over uitgangspunten en methodieken om luchtvaartspecifieke MKBA’s zo consistent en goed mogelijk uit te voeren. Het is van belang om te beseffen dat de werkwijzer een eerste versie is en dat deze op een aantal punten nog verbeterd kan worden, omdat op een aantal onderdelen nog aanvullend onderzoek nodig is. Die verbeterpunten staan ook genoemd in de werkwijzer en de daarbij gevoegde onderzoeksagenda. Waar verbeteringen mogelijk zijn heeft het consortium in de werkwijzer voorlopige aanbevelingen opgenomen en gevoeligheidsanalyses voorgesteld. Overigens is het goed om daarbij te benadrukken dat de werkwijzer naast aanbevelingen over reistijd- en geluidhinderwaarderingen ook aanbevelingen over berekening van andere welvaartskosten en -baten bevat en dat ook die in de onderzoeksagenda aan bod komen. Met de uitvoering van de onderzoeksagenda is inmiddels gestart (zie ook antwoord op vraag 12). Verder is het goed te benoemen dat in de werkwijzer is opgenomen dat een MKBA de besluitvorming dient maar deze niet vervangt. Een MKBA is niet meer en niet minder dan een belangrijke informatiebron die beschikbaar moet zijn als besluitvorming plaatsvindt.»9
Bent u bereid om bij die luchtvaartspecifieke MKBA’s waarbij de rijksoverheid betrokken is altijd een second opinion te laten uitvoeren, zoals het Centraal Planbureau (CPB) en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in hun brief adviseren?
Ja, zoals ook in de werkwijzer staat aangegeven is het gewenst dat indien een MKBA wordt opgesteld ten behoeve van een luchthaven(verkeer)besluit voor Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis (waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is) het ministerie een second opinion laat uitvoeren.
Kunt u, uitgesplitst per aandachtspunt, ingaan op de stand van zaken van de aandachtspunten zoals genoemd in de brief van het CPB en PBL die als bijlage is meegestuurd met de brief van uw voorganger van 9 juli 2021 (Kamerstuk 31 936, nr. 869)?
De aandachtspunten in de brief van CPB en PBL waaraan in de vraag wordt gerefereerd betreffen aandachtspunten bij het gebruik van de werkwijzer. Deze zijn dus vooral bedoeld voor de uitvoerders van MKBA’s. Bij second opinions van MKBA’s ten behoeve van een luchthaven(verkeer)besluit voor Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis (waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is) zal worden bezien hoe met deze aandachtspunten is omgegaan.
Wat is de stand van zaken van de acties en actualisaties uit de onderzoeksagenda bij de werkwijzer luchtvaartspecifieke MKBA’s» van mei 2021? Wanneer verwacht u de update van scenario’s uit de studie «Nederland in 2030–2050: twee referentiescenario’s – Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving» (WLO) en reistijdwaardering (die volgens het CPB en PBL uitgevoerd zullen worden) te kunnen toepassen in de werkwijzer en de Kamer hierover te informeren?
Op dit moment werkt het ministerie een plan uit om tot uitvoering van de onderzoeksagenda bij de werkwijzer te komen. Een aantal onderzoeken is al gestart, bijvoorbeeld het onderzoek van het KiM naar reistijdwaarderingen (zie mijn antwoord op vraag 8), en ook is er inmiddels al een onderzoek beschikbaar met relevante informatie over niet-CO2-effecten10. De uitvoering van de onderzoeksagenda zal tot aanvullende inzichten leiden. Op basis daarvan zal er een volgende, verbeterde versie van de werkwijzer opgesteld worden. Daarbij wordt gestreefd naar zo breed mogelijke consensus bij deskundigen. Zoals PBL en CPB ook aangeven in hun kwaliteitstoets op de werkwijzer blijft het tot die tijd de taak van elke MKBA-opsteller om de meest recente kennis over input en methodes voor MKBA’s in de uitwerking mee te nemen. Waar nodig kan met gevoeligheidsanalyses gewerkt worden om aan te geven wat andere aannames betekenen voor de robuustheid van de analyse.
Nog bezien moet worden wanneer de werkwijzer herzien zal worden. Ik zal in samenwerking met het KiM goed de stand van nieuwe inzichten bijhouden en de Kamer, maar zeker ook de (potentiële) uitvoerders van MKBA’s, daarover informeren.
Kunt u de bovenstaande vragen ruim voor het commissiedebat Luchtvaart van 24 februari beantwoorden omwille van een goed geïnformeerd debat?
Ja.
Het bericht 'Mkb'er kiest voor lening om aan eisen banken te voldoen' |
|
Hawre Rahimi (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mkb’er kiest voor lening om aan eisen banken te voldoen»?1
Ja.
Zo ja, bent u al in gesprek met banken en ondernemers over waarom dit zo is? Zo ja, wat is er tot nu toe uit deze gesprekken gekomen? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie overlegt op reguliere basis met (vertegenwoordigers van) banken en vertegenwoordigers van ondernemers, ook over de financieringsbehoefte van ondernemers en de belemmeringen die ze daarbij ervaren. In de gesprekken is aandacht voor wat nodig is voor ondernemers en voor aspecten als liquiditeit, zekerheden en de eigenvermogenspositie. Ook is er altijd aandacht voor signalen die ons bereiken ten aanzien van ondernemers die niet terecht kunnen bij banken. Banken hebben aangegeven open te staan voor signalen van ondernemers die knelpunten ervaren bij hun bedrijfsfinanciering, om deze te bespreken en waar mogelijk ook tot oplossingen te komen.
Voor investeringen of financieringen met een hoger risico is een hoger rentepercentage begrijpelijk, immers de risico’s voor de financier zijn hiervoor hoger. De mogelijke opbrengsten voor de ondernemer zijn ook hoger dankzij een verbeterde omzet en winst door de investering.
Deelt u de mening dat deze constatering zeer zorgelijk is, met name gezien het feit dat 70 procent van de werkgelegenheid bij de mkb’ers ligt en deze daarmee in gevaar komt? Zo ja, hoe beoordeelt u deze zorgelijke situatie en waar ziet u concrete mogelijkheden, ook gelet op het coalitieakkoord, om financieringsmogelijkheden voor mkb’ers te verbreden? Zo nee, waarom niet?
Toegang tot financiering is een belangrijke randvoorwaarde voor het mkb om te kunnen blijven ondernemen. Het kan voor ondernemers lastig zijn om voor risicovollere investeringen externe financiering aan te trekken. Voor risicovolle investeringen is een sterk eigen vermogen of voldoende onderpand vaak een belangrijke voorwaarde om krediet te krijgen (en niet alleen bij bancaire financiers). Dit is niet altijd voorhanden bij mkb-ondernemers.
Het is hierbij aan banken zelf om te bepalen hoe zij het risico van een investeringspropositie inschatten, of zij een ondernemer kredietwaardig vinden en of zij tot financiering willen overgaan.
In dit licht zie ik dat, in het algemeen, financiering door middel van een achtergestelde lening ondernemers extra kansen kan bieden. Achtergestelde leningen kunnen onder bepaalde voorwaarden worden gerekend tot het eigen vermogen (garantievermogen). Ondernemers met een propositie die onvoldoende basis biedt voor een reguliere lening, door onvoldoende eigen vermogen of een te hoog risico, kunnen op deze manier mogelijk toch financiering ophalen. Zoals in het artikel wordt aangegeven maakt een achtergestelde lening geen gebruik van zekerheden of onderpand en kan het tot het eigen vermogen worden gerekend. Bovendien geeft het voor andere financiers meer zekerheid.
Dit neemt niet weg dat banken zich dergelijke signalen uit het krantenartikel zouden moeten aantrekken. Ik acht het namelijk van belang dat banken zich bereid tonen om ondernemers te financieren met een risicovoller profiel of investeringsbehoefte.
Het kabinet richt zich op het verbeteren van de toegang tot financiering van het mkb door het wegnemen van onnodige belemmeringen en daarmee het dichten van de financieringskloof. Daar blijven we aan werken en dat kent geen eindig tijdspad. Zo kunnen bedrijven via de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) makkelijker bij een bank terecht middels een garantie indien deze bedrijven onvoldoende onderpand kunnen bieden. Ook via Qredits hebben veel ondernemers de afgelopen jaren financiering kunnen verkrijgen. Zowel de BMKB en Qredits worden geëvalueerd, zo kunnen we zien of het beter kan. Daarnaast stimuleert het kabinet de alternatieve financieringsmarkt op verschillende manieren, zoals met (financiële) ondersteuning van de stichting MKB Financiering en met het DACI-fonds, een fonds om het aanbod van financiering voor alternatieve financiers te vergroten.
Het is van belang dat ondernemers betere toegang krijgen tot financiering geschikt voor investeringen en meer mogelijkheden krijgen op de alternatieve financieringsmarkt. Het Comité voor Ondernemerschap heeft hier afgelopen november al een advies over uitgebracht. Het Nederlands Comité voor Ondernemerschap pleit voor versterking van het eigen vermogen van het mkb via een fonds. Een nieuw fonds kan volgens het Comité in de kern gezonde ondernemers helpen om te investeren, onder meer in vernieuwing, verduurzaming en digitalisering. Ik zal in het voorjaar een reactie op dit advies aan uw Kamer sturen.
Deelt u de mening dat ondernemers hierdoor onnodig veel kosten maken door meer rente te betalen dan nodig is en daarmee minder geld over is voor innovatie en investering? Zo ja, bent u bereid om met ondernemers en banken in gesprek te gaan om deze financieringsproblematiek aan te pakken om de positie van mkb’ers te versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat mkb’ers wel gewoon terecht kunnen bij banken en kunt u hiervoor een tijdspad geven?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Woede en verbijstering, Rijkswaterstaat wil na 130 jaar pontje Nieuwer ter Aa opdoeken: ‘Onacceptabel’’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woede en verbijstering, Rijkswaterstaat wil na 130 jaar pontje Nieuwer ter Aa opdoeken: «Onacceptabel»»?1
Ja.
Waarom wordt de veerpont bij Nieuwer ter Aar uit de vaart genomen, terwijl deze veel wordt gebruikt door onder meer scholieren?
Het voornemen komt voort uit de nautische onveiligheid van de veerpont. Rijkswaterstaat heeft als vaarwegbeheerder gevraagd aan MARIN om onderzoek te doen de nautische veiligheid van de veerpont. Het rapport van MARIN (bijgevoegd) beschrijft de nautische risico’s, namelijk:
Groot aanvaarrisico door steeds meer grote schepen op het Amsterdam-Rijnkanaal. In 2010 is het pontje bovendien al een keer aangevaren met een dodelijk slachtoffer als gevolg.
Deze grotere schepen veroorzaken daarnaast meer waterbeweging waardoor de veerpont dusdanig beweegt dat letsel kan ontstaan bij vallende passagiers tijdens de overtocht en bij het overstappen van de wal naar de pont (en v.v.).
Deze risico’s nemen alleen maar toe vanwege de schaalvergroting in de binnenvaart en het feit dat er sinds februari 2020 grotere schepen door het Amsterdam-Rijnkanaal varen naar aanleiding van de opening van de 3e sluiskolk Prinses Beatrixsluizen.
Daarom hebben we het voornemen om de veerpont De Aa uit de vaart te nemen, maar we zijn nog in overleg met de gemeente. Het is dus nog geen definitief besluit. Bij de definitieve besluitvorming zal ook rekening worden gehouden met het belang van het gemeentebestuur en de inwoners van Stichtse Vecht.
Vindt u het acceptabel dat kinderen vanaf augustus via een drukke en gevaarlijke weg zonder fietspad naar school moeten?
De maatschappelijke effecten van het uit de vaart nemen zijn, op verzoek van Rijkswaterstaat, onderzocht door SWECO. Per werkdag maken gemiddeld 276 personen gebruik van de veerpont (261 fietsers, 15 voetgangers). 1/3 hiervan betreft woon-schoolverkeer, 1/3 woon-werkverkeer en 1/3 overig. Wanneer de veerpont daadwerkelijk uit de vaart wordt genomen, zullen de gebruikers 3.4 kilometer moeten omfietsen. Een enkele reis duurt daarmee tussen de 6 en 10,5 minuten langer. Het is begrijpelijk dat men dat liever niet wil, maar gezien het groeiende aanvaarriscio door het toegenomen verkeer in het Amsterdam-Rijnkanaal acht ik het handhaven van het veer te gevaarlijk.
Uit het SWECO-onderzoek blijkt overigens dat de bestaande alternatieve routes veilig zijn en slechts beperkte hinder opleveren. Daarmee is er een structureel en verkeersveilig alternatief beschikbaar. Wel zijn er nog aandachtspunten voor de sociale veiligheid (onvoldoende verlichting, weinig bebouwing). Hierover is Rijkswaterstaat in gesprek met de gemeente.
Bent u het ermee eens dat het voorgenomen besluit van Rijkswaterstaat moet worden geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Vindt u ook dat de veerpont pas uit de vaart genomen mag worden, als er een alternatief in de vorm van een fietsbrug ter plaatse is gerealiseerd?
Zoals aangegeven in antwoord 3 is er een structurele en verkeersveilige alternatieve fietsroute beschikbaar, maar zijn we wel in gesprek met de gemeente over de sociale veiligheid en de gevolgen van het mogelijk uit de vaart halen van de pont. Wat betreft de door de gemeente Stichtse Vecht en provincie Utrecht geuite wens tot een fietsbrug: de betreffende omfietsroute valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het ligt daarmee in de rede dat het initiatief tot een eventuele fietsbrug ook door hen wordt genomen.
Het bericht 'Minister zet ventilatie op scholen op 1' |
|
Kiki Hagen (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister zet ventilatie op scholen op 1»?1
Ja.
Heeft u een beeld van de ventilatie op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, instellingen voor vroeg- en voorschoolse educatie (vve’s) en op mbo’s, hogescholen en universiteiten? Komen daar ook CO2-meters?
Het kabinet heeft geen inzicht in de maatregelen met betrekking tot ventilatie op instellingsniveau in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho). De verantwoordelijkheid voor een gezond onderwijs- en werkklimaat ligt primair bij de instellingen. Daarom heeft OCW regelmatig contact met de sectorraden over de ventilatie op onderwijslocaties in het mbo en ho. Zij geven aan dat onderwijsinstellingen veel aandacht hebben voor de ventilatie in de lokalen. Zij hebben OCW gemeld dat zowel in het mbo als ho de afgelopen periode inventarisaties hebben plaatsgevonden of de ventilatie in de gebouwen van de instellingen op orde is. Waar nodig zijn maatregelen getroffen om de situatie te verbeteren. Daarnaast organiseren de sectorraden bijeenkomsten over dit onderwerp en in het mbo zijn in de richtlijnen van de MBO-raad ook afspraken gemaakt over CO2-metingen2. Op het gebied van ventilatie dienen alle onderwijsruimten bovendien te voldoen aan de normen opgenomen in het Bouwbesluit 2012.3
Inzicht in de luchtkwaliteit is van belang om waar nodig extra maatregelen te kunnen nemen met betrekking tot ventilatie. Het is aan instellingen om op dit vlak zelf een passende manier te vinden om dit inzicht te verkrijgen en passende maatregelen te treffen. Om de luchtkwaliteit in de onderwijsgebouwen op peil te houden maakt een deel van de instellingen gebruik van een klimaatbeheersingssysteem. Via dit systeem krijgen de instellingen inzicht in de luchtkwaliteit in de diverse ruimtes. Daarnaast worden ook mobiele CO2-meters ingezet, om metingen te doen wanneer er zorgen zijn over de luchtkwaliteit in een specifieke ruimte.
Het kabinet heeft geen beeld van de ventilatie op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties. De verantwoordelijkheid voor een gezonde (werk)omgeving ligt bij de houder. Locaties dienen aan bepaalde eisen te voldoen en hier wordt risico-gestuurd toezicht op gehouden. Zie verder bij het antwoord op vraag 3.
Onderschrijft u de ambitie van Minister Wiersma (Primair en Voortgezet Onderwijs) om ventilatie op scholen te verbeteren? Zo ja, welke stappen zet u om te garanderen dat elk kind, elke student en elke werknemer op kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, vve’s, mbo’s, hogescholen en universiteiten in schone lucht werkt en studeert? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat ventilatie op alle plekken waar onderwijs gegeven wordt op orde moet zijn. Ook voor kinderen binnen kinderopvangvoorzieningen acht het kabinet een goede luchtkwaliteit van belang4. Vanuit de Wet Kinderopvang en het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan respectievelijk het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de luchtkwaliteit. Hierop wordt toegezien door gemeenten en de GGD.
In de Wet Kinderopvang zijn geen specifieke eisen omschreven met betrekking tot de luchtkwaliteit maar de wet schrijft wel voor dat alle kinderopvanglocaties de beschikking moeten hebben over een actueel gezondheid- en veiligheidsbeleid. In dit beleid worden de belangrijkste risico’s beschreven met betrekking tot de gezondheid en veiligheid van de kinderen. Luchtkwaliteit kan één van deze risico’s zijn. Mocht dit het geval zijn dan is de opvanglocatie verplicht om dit in zijn gezondheid- en veiligheidsbeleid te beschrijven en hier maatregelen op te nemen.
De verantwoordelijkheid voor het creëren van een gezonde (werk)omgeving in de kinderopvang ligt bij de houder, aangezien dit om een private sector gaat. Vanuit het RIVM is een handreiking5 opgesteld met richtlijnen voor onder andere het luchten, ventileren en het gebruik van een CO2-meter voor een gezond binnenmilieu ten behoeve van het beperken van de verspreiding van infectieziekten onder kinderen en medewerkers. De handreiking is geschreven voor alle medewerkers en beroepskrachten die werkzaam zijn in kinderopvangvoorzieningen.
Ook heeft de Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang (BOinK), in samenwerking met Kenniscentrum Ruimte-OK, een app6 ontwikkeld die kinderopvanglocaties en scholen kan helpen de luchtkwaliteit in groepsruimtes, slaapruimtes en klaslokalen te verbeteren. De app bevat o.a. informatie, oplossingen en een stappenplan. De app is bedoeld voor pedagogisch medewerkers, leerkrachten, locatiemanagers, houders, conciërges, directeuren en besturen van kinderopvang en onderwijs.
De inspectie van de kinderopvanglocaties wordt door de GGD uitgevoerd. Het toezicht in de kinderopvang vindt risico-gestuurd plaats. Dit houdt in dat de toezichthouder het veiligheid- en gezondheidsbeleid beoordeelt, afhankelijk van onder andere het risicoprofiel van de locatie. Mocht de risico-inschatting door de houder en de situatie die de toezichthouder aantreft daartoe aanleiding geven, dan wordt luchtkwaliteit in de beoordeling meegenomen. De toezichthouder toetst of de houder de risico’s voldoende heeft beschreven en maatregelen heeft genomen.
Verder moet de huisvesting van kinderopvangvoorzieningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit besluit omschrijft specifieke eisen voor de luchtkwaliteit in de kinderopvang. Mocht een bestaande kinderopvanglocatie niet voldoen aan de voorschriften, dan kan de desbetreffende gemeente waar de opvanglocatie is gevestigd verlangen van de houder dat het pand wordt aangepast. De zaken die niet voldoen aan de voorschriften moeten binnen een redelijke termijn worden aangepast door de eigenaar van de opvanglocatie.
In het mbo en ho ligt de verantwoordelijkheid voor een gezond werk- en onderwijsklimaat primair bij de instellingen. Zij hebben de verantwoordelijkheid om te voldoen aan de normen in het Bouwbesluit en het opvolgen van de adviezen die het RIVM op het gebied van ventilatie in onderwijsruimtes verstrekt7. Zoals aangegeven bij vraag 2 zijn er door de sectoren acties ondernomen om de ventilatie waar nodig te verbeteren. Vakbonden hebben aangegeven desalniettemin signalen te krijgen dat niet op elke plek de ventilatie op orde lijkt te zijn en zij graag zouden zien dat onderwijsbesturen meer op het vlak van ventilatie zouden ondernemen. Het ministerie heeft naar aanleiding hiervan een gesprek gefaciliteerd tussen vakbonden en de sectorraden voor mbo- en ho-instellingen hierover. De sectorraden hebben toegezegd met de werknemersorganisaties in gesprek te blijven over manieren waarop deze zorgen kunnen worden weggenomen en hun signalen serieus te nemen.
Komt de hulplijn voor primair onderwijs (PO) en voortgezet onderwijs (VO) ook beschikbaar voor kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, vve’s, mbo’s, hogescholen en universiteiten? Zo nee, waar kunnen deze locaties terecht als zij nog geen schone lucht in klaslokalen hebben?
De hulplijn voor primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (VO) wordt niet beschikbaar gesteld voor kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, mbo en ho. De verantwoordelijkheid voor goede luchtkwaliteit in de kinderopvang ligt bij de houder en niet bij de overheid. Voor informatie over luchtkwaliteit en ventilatie is de handreiking van het RIVM8 beschikbaar, evenals de app9 van BOinK (zie antwoord 2). De app is in samenwerking met Kenniscentrum Ruimte-OK ontwikkeld. Dit is de partij die ook de hulplijn voor PO en VO beschikbaar stelt.
Voor mbo en ho geldt dat doordat de meeste instellingen eigenaar zijn van de panden die zij gebruiken, er binnen de instellingen reeds veel expertise is op het gebied van huisvesting. Daarnaast wordt er binnen de sectoren ook informatie en kennis uitgewisseld over (het gebruik van) diverse systemen om luchtverversing te realiseren. Medewerkers en studenten kunnen dan ook bij hun eigen instelling terecht als zij vragen hebben over de ventilatie in onderwijsruimtes.
De samenstellingsvoorschriften voor babyvoeding |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat smeerbaar broodbeleg pas een gebruiksklaar product in de zin van richtlijn 2006/125/EC is als het op brood gesmeerd is en in combinatie met brood genuttigd wordt, zoals geïnstrueerd door de fabrikant, en dat derhalve een aanvullende handeling nodig is alvorens het product geconsumeerd wordt?1
Voor smeerbaar broodbeleg geldt dat het een gebruiksklaar product betreft, wat als zodanig wordt verkocht en zonder verdere handelingen geschikt is voor consumptie. In artikel 9, eerste lid onder j, van Verordening (EU) nr. 1169/20112 is vastgelegd dat een vermelding van de gebruiksaanwijzing verplicht is als het levensmiddel moeilijk te gebruiken is zonder gebruiksaanwijzing. Smeerbaar broodbeleg, bijvoorbeeld chocopasta, is niet moeilijk te gebruiken zonder gebruiksaanwijzing.
Is de veronderstelling juist dat richtlijn 2006/125/EC spreekt over «reconstituted as instructed by the manufacturer» en dat een verwijzing naar de Europese regels over wanneer een gebruiksaanwijzing verplicht is derhalve niet relevant is?
In artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2006/125/EC3 wordt inderdaad gerefereerd aan «reconstituted as instructed by the manufacturer».
In bijlage IV van de Warenwetregeling Babyvoeding is voor producten vastgelegd wat de samenstellingseisen van babyvoeding zijn die als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt. Een gebruiksaanwijzing behoort tot de verplichte voedselinformatie als het levensmiddel zonder deze aanwijzing moeilijk te gebruiken is. Dit is conform artikel 9, eerste lid, onder j, van Verordening (EU) nr. 1169/2011. Voor smeerbaar broodbeleg – zoals bijvoorbeeld chocoladepasta – geldt dat het een gebruiksklaar product betreft, wat zonder verdere handelingen geschikt is voor consumptie.
Deelt u de mening dat het voor de gezondheid van baby’s gaat om de samenstelling van het totale samengestelde product («uit alle bronnen», zoals geformuleerd in bijlage IV, onderdeel 3.2) dat geconsumeerd wordt, in onderhavig geval brood met beleg, en dat samenstellingsvoorschriften vanuit gezondheidsoogpunt derhalve gericht zouden moeten zijn op het totale samengestelde product dat genuttigd wordt?
In artikel 3, tweede lid van de Warenwetregeling Babyvoeding is vastgelegd dat babyvoeding die als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt, moet voldoen aan eisen wat betreft de samenstelling zoals geformuleerd in bijlage IV van de Warenwetregeling Babyvoeding. Bijlage IV geeft de essentiële samenstelling van babyvoeding voor zuigelingen en peuters. De eisen ten aanzien van voedingsstoffen hebben betrekking op het gebruiksklare product, dat als zodanig wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt. Onderdeel 3 van deze bijlage gaat over de essentiële samenstelling van babyvoeding voor zuigelingen en peuters met betrekking tot vetten. Hier is vastgelegd dat voor alle overige eet- en drinkwaren de totale hoeveelheid vet in de eetwaar uit alle bronnen niet groter dan 1,1 g/100kJ (4,5 g/100 kcal) mag zijn.
Deelt u de mening dat ten aanzien van smeerbaar broodbeleg tenminste sprake is van een categorie babyvoeding die niet goed in de huidige regelgeving past, omdat geen sprake is van het rechtstreeks consumeren van een heel potje broodbeleg en ook niet van aanmaken met melk of water?
Voor smeerbaar broodbeleg dat als babyvoeding wordt verkocht of volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is aangemaakt, gelden de samenstellingseisen voor babyvoeding op Europees niveau die zijn vastgelegd in de Richtlijn 2006/125/EG. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Warenwetregeling Babyvoeding.
Bent u bereid de Warenwetregeling Babyvoeding zo aan te passen of toe te passen dat recht wordt gedaan aan de bijzondere positie van smeerbaar broodbeleg?
Voor de samenstellingseisen voor babyvoeding, dient Nederland zich te conformeren aan de eisen zoals deze Europees zijn vastgesteld in Richtlijn 2006/125/EG.
Het gebruik van het stroomstootwapen bij patiënten in de geestelijke gezondheidszorg |
|
Sjoerd Warmerdam (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de geuite zorgen van de Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC) over mogelijk meer stroomstootwapens in de zorg?1
Het gebruik van een stroomstootwapen binnen een zorgsetting door de politie is in beginsel niet wenselijk, omdat dit af doet aan het vertrouwen bij de cliënt dat deze zich in een veilige en beschermende (zorg)omgeving bevindt. Ik heb dan ook begrip voor de opvatting van de Landelijke Organisatie Cliëntenraden (hierna: LOC). Tegelijkertijd betreft het hier situaties waarin zorgprofessionals hun eigen veiligheid niet langer kunnen garanderen en besluiten om assistentie van de politie in te roepen. De politie wordt in bijvoorbeeld ggz-instellingen niet lichtzinnig ingezet. Het zijn dus uitzonderlijke en zeer bedreigende situaties, waarbij de veiligheid van de cliënt, de zorgprofessional en de betrokken agent in het geding is. Het is daarbij aan de betrokken agent om een inschatting te maken van het op dat moment meest passende geweldsmiddel om de veiligheid van alle partijen te garanderen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Hoe vaak wordt een stroomstootwapen gebruikt in de geestelijke gezondheidszorg en is er een toename of afname in het gebruik?
Deze vraag kan niet worden beantwoord. De politie registreert niet expliciet een ggz-instelling als «incident locatie» in haar registratiesysteem. Daarom kunnen er geen landelijke cijfers op geautomatiseerde wijze worden verzameld.
Hoe beoordeelt u het voorstel van LOC dat er een verbod moet komen op het gebruik van het stroomstootwapen in de ggz?
Politie-inzet is gebaseerd op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit alsmede redelijkheid en gematigdheid die over het algemeen per actuele situatie worden bepaald. De politie mag alleen geweld gebruiken als andere vormen van de-escalerend optreden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Het is aan de politieagent zelf om ter plaatse – binnen de geldende regelgeving – te bepalen welke vorm van geweld en eventueel geweldmiddel van de standaard bewapening, indien noodzakelijk voor het te bereiken doel, het beste kan worden ingezet. Politieagenten zijn opgeleid om deze afweging vanuit hun professionaliteit te maken. Een verbod op het gebruik van een geweldmiddel kan met zich meebrengen dat de betreffende agent zich genoodzaakt ziet om een zwaardere vorm van geweld of geweldmiddel in te zetten. Dat acht ik ongewenst.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan motie van de leden Den Boer (D66) en Diertens (D66) over periodiek onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidseffecten van het stroomstootwapen?2
Mijn ambtsvoorganger heeft reeds op 30 januari 2020 aan uw Kamer bericht dat bij de voorbereiding van de invoer van het stroomstootwapen, de opzet van het onafhankelijke wetenschappelijk onderzoek wordt betrokken3. In bijlage 2 van het halfjaarbericht politie dat op 5 november 2020 naar de Kamer is gestuurd, is nader ingegaan op de opzet van het onafhankelijke wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidseffecten van het stroomstootwapen.4 De uitvoering van dit onderzoek blijkt in de praktijk complexer te zijn dan verwacht. In het eerstvolgende halfjaarbericht politie zal ik uw Kamer daarover nader informeren.
Waarom is de toezegging van voormalig Minister van Justitie en Veiligheid om in het halfjaarbericht politie 2020 nader in te gaan op de opzet van dit periodieke onderzoek niet uitgevoerd? Waarom is ook niet in daaropvolgende halfjaarberichten nader ingegaan op het gebruik van het stroomstootwapen?3
Voor wat betreft de opzet van het periodieke onderzoek verwijs ik u naar de beantwoording van vraag vier. Ten aanzien van uw vraag over berichtgeving omtrent het gebruik van het stroomstootwapen kan ik u het volgende melden. De politie maakt dit voorjaar een nieuwe monitor van de inzet van het stroomstootwapen door de pilot teams met betrekking tot de periode vanaf 1 februari 2020 tot 1 januari 2022 openbaar.
Is er nog vervolg gegeven aan het doordenken over het gebruik van het stroomstootwapen in ingesloten setting of in ggz-instellingen? Zo ja, wat is de uitkomst hiervan? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit met spoed te doen nu de politie gestart is met het trainen met het stroomstootwapen?4
In 2019 hebben de politie en de Nederlandse ggz uitgebreid gesproken over de inzet van de politie in de ggz in het algemeen en dat van het stroomstootwapen in het bijzonder. Het overleg heeft geresulteerd in een handelingskader voor het optreden van de politie in de ggz.7 Dit kader richt zich vooral op afstemming tussen de ter plaatse gekomen politie en het behandelend personeel van de soort inzet die is gewenst in combinatie met het behandelingsplan van de cliënt. Op deze manier kan meer rekening worden gehouden met eventuele effecten van het toegepaste geweld op de betreffende persoon. Daarnaast kunnen zo ook eventuele risico’s voor de gezondheid van de betreffende cliënt worden verkleind.
Wat zijn de risico’s van het stroomstootwapen op kwetsbare personen, zoals patiënten met onbegrepen gedrag in bijvoorbeeld ggz-instellingen?
Het stroomstootwapen is een geweldsmiddel en kent als zodanig altijd een risico. De bevindingen en conclusies van het WODC onderzoek8, geven echter geen aanleiding om deze risico’s als hoog in te schatten. Hoewel de fabrikant een gezondheidswaarschuwing geeft, hebben de onderzoekers vastgesteld dat deze waarschuwing, niet is gebaseerd op wetenschappelijke evidentie.
Het WODC onderzoek toont aan dat de hoeveelheid wetenschappelijke literatuur van voldoende kwaliteit zeer beperkt is, met name waar het gaat om onderzoek bij risicogroepen (bijvoorbeeld acute psychiatrie). Dergelijk onderzoek is alleen al om ethische redenen onmogelijk.9
Er kan worden bijgedragen aan het vergaren van meer wetenschappelijk betrouwbare kennis, door na een praktijk inzet van het stroomstootwapen een medisch bevoegd persoon de betrokkene medisch te laten onderzoeken.
Bij dat onderzoek hoort het afnemen van een vragenlijst en deze onder wetenschappelijke standaarden te verzamelen en analyseren.10 Inmiddels is gebleken dat de uitvoering van dit onderzoek vanwege privacyregelgeving en werkdruk bij GGD artsen complexer is dan verwacht. Zoals ik bij vraag 4 aangaf zal uw Kamer hierover in het eerstvolgende halfjaarbericht politie nader worden geïnformeerd.
Ik vind het van belang om nogmaals te benadrukken dat de politie alleen geweld mag gebruiken indien daar een noodzaak toe bestaat. De politie wordt in bijvoorbeeld ggz-instellingen niet lichtzinnig ingezet. Op het moment dat we stellen dat een bepaald geweldmiddel niet gebruikt zou moeten worden kan dat met zich meebrengen dat de betreffende agent zich genoodzaakt ziet om een zwaardere vorm van geweld of geweldmiddel in te moeten zetten. Zoals eerder verteld acht ik dit ongewenst.
Bent u van mening dat gebruik van het stroomstootwapen op deze kwetsbare personen onverstandig is, zolang de risico’s van het gebruik op kwetsbare personen nog onbekend zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Welke interventies moeten bij mensen met onbegrepen gedrag geprobeerd zijn alvorens het stroomstootwapen gebruikt wordt?
De zorginstelling is zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van haar cliënten en medewerkers, met gebruik van haar eigen bevoegdheden. In een uiterst geval kunnen zij bijvoorbeeld teruggrijpen op dwangmiddelen als fixatie of separatie volgens de noodsituatie zoals geregeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Het toepassen van de eigen bevoegdheden kan de inzet van politie beperken, maar kan de inzet van politie helaas nooit helemaal voorkomen. Om deze reden heeft de sector ook de handreiking «(Gewelds)incidenten bij behandelsituaties. Handreiking tot samenwerking tussen GGZ en Politie» opgesteld, waarin stil wordt gestaan bij de rollen en verantwoordelijkheden van de ggz en politie indien zich (gewelds)incidenten voordoen in een behandelsituatie. Doel van deze handreiking is dat ggz en politie met elkaar in gesprek gaan om concrete (werk)afspraken te maken voor het geval zich een incident voordoet.11 Wanneer de politie voor een noodmelding ter plaatse komt, nemen politiemensen op grond van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit de beslissing of geweld moet worden toegepast om iemand onder controle te krijgen en welk geweldsmiddel daarbij eventueel noodzakelijk is. Dit handelingskader is beschreven in de ambtsinstructie en de tijdelijke geweldsinstructie toepassing stroomstootwapen 2022.
De medisch verantwoordelijke van de zorginstelling die 24/7 beschikbaar is, verstrekt daarvoor actief relevante (medische) informatie aan de politiemedewerker, ook in relatie tot mogelijk toe te passen geweldsmiddelen, zodat een weloverwogen interventie kan plaatsvinden. De inzet van politie is er altijd op gericht om de zorginstelling zo spoedig mogelijk in staat te stellen haar eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden weer op te pakken. Structurele inzet van politie kan daarmee niet aan de orde zijn.
Zijn alternatieven op het stroomstootwapen onderzocht? Welke alternatieven ziet u zelf voor het gebruik van het stroomstootwapen?
Op dit moment zijn er geen alternatieven bekend die hetzelfde (tijdelijk) effect hebben. Alleen al door het dreigen met de inzet van het stroomstootwapen kan in meer dan de helft van gevaarsituaties waarin dit geweldmiddel de afgelopen jaren is gebruikt, een gevaarlijke situatie worden gede-escaleerd. Het daadwerkelijk toedienen van stroom middels het gebruik van de schietmodus maakt dat de betrokkene enkele seconden niet in staat is om controle over zijn spieren uit te oefenen. Dit biedt de politie de kans om de betrokkene snel en doeltreffend met gebruik van een minimum aan geweld onder controle te brengen. Hierdoor wordt minder letsel toegebracht dan bij het aanwenden van andere vormen van geweld, zoals zwaar fysiek geweld, hard slaan met de wapenstok, de inzet van de diensthond of het gebruik van het vuurwapen het geval is.
Zou het versterken van kennis van politieagenten over hoe om te gaan met onbegrepen gedrag, het gebruik van het stroomstootwapen kunnen terugbrengen? Zou de inzet van een groter aantal zorgbeveiligers (met kennis over zowel de zorg als hoe te handelen in crisissituaties) het gebruik van het stroomstootwapen in ggz-instellingen kunnen terugbrengen?
De politie mag alleen geweld gebruiken als andere vormen van de-escalerend optreden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Hoewel enige vorm van kennis van onbegrepen gedrag kan bijdragen aan de-escalerend optreden, kan vanwege de onvoorspelbaarheid van een gevaarsituatie het gebruik van geweld of een geweldmiddel, zoals het stroomstootwapen, nooit helemaal tot nul worden teruggebracht.
Specifiek met betrekking tot de inzet van zorgbeveiligers is het aan werkgevers om deze al dan niet in te zetten. Wel is het goed om op te merken dat er in de ggz verschillende professionele richtlijnen en standaarden zijn die betrekking hebben op het behandelen of voorkomen van agressie, bijvoorbeeld de generieke module acute psychiatrie. Afhankelijk van de aard van de agressie/ gewelddadigheid worden deze ingezet. Om te voorkomen dat agressie escaleert in geweld wordt ggz-personeel getraind om dergelijk gedrag te herkennen, waar mogelijk te de-escaleren of anders hoe hier het beste mee om te gaan. Wanneer er risicofactoren aanwezig zijn, worden er voorzorgsmaatregelen genomen. Of de inzet van meer zorgbeveiligers leidt tot vermindering van de inzet van stroomstootwapens of anderszins tot afnamen van het aantal geweldsincidenten is niet bekend.
Zijn er internationale onderzoeken over het gebruik van het stroomstootwapens binnen de ggz? Hoe wordt dit beleid in andere landen toegepast?
Er zijn enkele literatuurstudies waarin wordt gekeken naar het gebruik van stroomstootwapens, onder andere een recent literatuuronderzoek naar het gebruik van het stroomstootwapen bij mensen met zgn. «mental distress».12 Dit onderzoek heeft voornamelijk gekeken naar casussen in de Verenigde Staten, Canada, Nieuw Zeeland en het Verenigd Koninkrijk. In die landen leek er sprake te zijn van een oververtegenwoordiging van personen met zgn. «mental distress» in de totale groep mensen die te maken kreeg met gebruik van het stroomstootwapen.
Het is ingewikkeld om casussen en beleid over het gebruik van het stroomstootwapen in de ggz in andere landen te vergelijken met de situatie in Nederland. Onder andere omdat de inzetcriteria en de wijze van inzet per land van elkaar kunnen verschillen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met patiëntenorganisaties, zorgaanbieders en de politie over de inzet van het stroomstootwapen in de ggz en op zoek te gaan naar alternatieven?
Een dergelijk gesprek moet primair worden gevoerd tussen zorgverleners en politie, omdat zij het beste zicht hebben op de situaties waarin er een beroep wordt gedaan op de politie en hoe er op dat moment het beste gehandeld kan worden door politie om de veiligheid van patiënt, zorgverleners en agent te garanderen.
Berichten dat het kabinet het midden in de stikstofcrisis makkelijker maakt om in een aantal gebieden makkelijker stikstof uit te stoten. |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Vrijhavens voor stikstofuitstoot? Die bestaan niet, zegt de Minister» en «Afstandsgrens stikstofdepositie»? Zo ja, hoe beoordeelt u de kritiek uit deze artikelen?1 2
Ja, daarmee ben ik bekend. Ik ga in de beantwoording op deze Kamervragen nader in op argumenten uit deze artikelen.
Erkent u dat uw antwoord op eerdere Kamervragen enkel kan worden gelezen als een bevestiging dat voor het onderdeel stikstof in die gevallen inderdaad geen vergunningplicht geldt, en dat enkel voor andere aspecten van het project een vergunningplicht is en dat dit niks wijzigt aan het onderdeel stikstof?3
Er zijn op dit moment vier gebieden in Nederland waar binnen 25 kilometer afstand geen (naderend) overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden liggen. Als er geen stikstofaspecten zijn, kan een natuurvergunning alsnog aan de orde zijn vanwege andere aspecten zoals bijvoorbeeld verstoring. Ook gelden andere eisen: een activiteit moet bijvoorbeeld planologisch passen en voldoen aan de van toepassing zijnde milieueisen zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Kunt u nader toelichten wat u bedoelt met «Het kabinet onderzoekt tevens de mogelijkheid om in de individuele vergunningverlening een bijdrage te vragen als passende maatregel voor effecten voor extra emissiereductie»? Wat betekent dit concreet?
De juridische mogelijkheden worden in beeld gebracht om aan initiatiefnemers een bijdrage te vragen als passende maatregel en de beleidsmatige wenselijkheid wordt getoetst. Gedacht kan worden aan onder meer extra emissiereducerende technieken om bestaande of nieuwe stikstofemissies van activiteiten verder te beperken, een financiële bijdrage voor het treffen van bron- of natuurmaatregelen en/of het beperken van ongewenste ingebruikname van latente ruimte in vergunningen.
Erkent u dat de afkapgrens vooral gericht is op het gemakkelijker maken van vergunningverlening voor infrastructurele projecten? Zo ja, bent u van mening dat de afstandsgrens voorbijgaat aan de bewijslast zoals vastgelegd in de Wet natuurbescherming?
Nee. De maximale rekenafstand is niet gericht op het gemakkelijker maken van vergunningverlening van infrastructurele projecten. Het is de uitkomst van een traject waarin tegemoet is gekomen aan de bevindingen van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof (commissie Hordijk).
Klopt het dat bij het hanteren van de afkapgrens vaak meer dan 75% van de stikstof die wordt uitgestoten buiten beeld blijft? Zo nee, van welk percentage is dan sprake?
Nee dit klopt niet. De maximale rekenafstand geldt niet voor emissies. Initiatiefnemers moeten alle stikstofemissie die toerekenbaar is aan het te beoordelen project, meenemen in berekening van de depositiebijdrage.
De maximale rekenafstand van 25 km geldt alleen voor depositieberekeningen van projecten in het kader van de toestemmingverlening. Voor de berekening van de totale stikstofdepositie geldt de maximale rekenafstand niet. De maximale rekenafstand heeft daarom geen invloed op de bepaling van de totale depositie. Een maximale rekenafstand is daarmee dus nadrukkelijk niet aan de orde bij de berekening van de (ontwikkeling in) totale landelijke deposities, bijvoorbeeld in het kader van de monitoring van de stikstofaanpak.
Het is niet zo dat alle emissies van Nederlandse bronnen, die buiten de 25 km van die emissiebronnen neerslaat, in Nederland terecht komt. Gemiddeld slaat ongeveer twee derde van de totale stikstofemissies (NH3 en NOx) van Nederlandse bronnen buiten Nederland neer (Bron: RIVM-briefrapport 2021–0200). Voor de ammoniakemissies (NH3) geldt dat ongeveer 47% van de Nederlandse ammoniakemissies buiten Nederland neerslaat. Voor stikstofoxiden (NOx) is dit ongeveer 88%.
Voor het deel dat neerslaat in Nederland geldt dat gemiddeld 50% van de stikstofemissie van een bron binnen 25 kilometer deponeert en 50% daarbuiten. Deze fracties geven een gemiddelde inschatting voor een groot aantal bronnen. Met de brief van 9 juli 2021 en de daarbij behorende bijlagen is uw kamer hierover uitgebreid geïnformeerd (Kamerstuk 35 334, nr. 158). De hoogste depositie per hectare treedt op nabij de bron. Voor relatief lage bronnen zoals wegverkeer en stallen geldt bijvoorbeeld dat een groter deel binnen 25 kilometer neerslaat dan voor hogere (industriële) bronnen. De hoeveelheid depositie buiten de 25 kilometer van een bron is veelal lager dan 0,005 mol per hectare per jaar. Dit is de rekenkundige ondergrens bij depositieberekeningen in kader van de toestemmingverlening. Voor een individuele bron geldt dat het percentage van de emissies NOx en NH3 dat zich verder verspreidt dan 25 km onder meer afhankelijk is van de locatie, de stof en de emissiekarakteristieken zoals schoorsteenhoogte en warmte-inhoud.
Kunt u toelichten wat de precieze gevolgen zijn van de implementatie van de afkapgrens van 25 kilometer voor de stikstofdeken die zich uitstrekt over Nederland?
Zoals bij het antwoord op vraag 5 aangegeven en om misverstanden te voorkomen: bij het berekenen van de totale stikstofdeposities van alle bronnen (achtergronddepositie) speelt de maximale rekenafstand geen rol.
De depositiebijdrage van alle activiteiten wordt meegenomen in het bepalen van de totale stikstofdepositie in Nederland, de «stikstofdeken». Nieuwe activiteiten en wijzigingen in bestaande activiteiten kunnen depositie veroorzaken buiten de maximale rekenafstand van 25 km. Hoe groot de depositiebijdrage van toekomstige nieuwe projecten zal zijn als onderdeel van de totale «stikstofdeken», is niet precies te zeggen. Naar schatting van RIVM bedraagt deze bijdrage hooguit enkele molen/ha/jaar en mogelijk zelfs minder.
Bij het vaststellen van de totale deposities op basis waarvan het huidige pakket aan maatregelen van de structurele aanpak stikstof is bepaald, is rekening gehouden met de depositie van nog te vergunnen activiteiten: de bijdrages van toekomstige activiteiten (projecten) zijn verdisconteerd in de emissieramingen van het PBL die gebruikt zijn voor berekening van de totale deposities.
Bij de bepaling van de landelijke deposities in het kader van de stikstofaanpak is uitgegaan van emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL heeft in de emissieramingen de meest plausibel geachte ontwikkeling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen opgenomen, gegeven de veronderstelde economische groei, de prijzen en het meegenomen beleid. In de ramingen zijn ook de verwachte economische en maatschappelijke activiteiten meegenomen, inclusief activiteiten (projecten) waarover nog een toestemmingsbesluit moet worden genomen. In de ramingen is geen rekening gehouden met een afname van de totale emissies als gevolg van projectspecifieke emissie-reducerende mitigerende maatregelen.
Omdat de som van de bijdragen van projecten buiten 25 km onderdeel is van de totale achtergronddepositie, heeft de maximale rekenafstand van 25 kilometer geen consequenties voor de totale depositie op basis waarvan het pakket aan bron- en natuurmaatregelen wordt ingericht.
Heeft inmiddels al definitieve besluitvorming plaatsgevonden omtrent het pakket te nemen mitigerende maatregelen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Het aanvullende pakket bronmaatregelen is niet bedoeld om mogelijke effecten van stikstofneerslag buiten 25 km te mitigeren, maar vormt een versterking van het pakket aan passende maatregelen die rijk en provincies nemen als extra waarborg om te voorkomen dat het totaal aan (achtergrond)deposities, inclusief de projectbijdragen buiten de maximale rekenafstand, leidt tot verslechtering van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
De verdere besluitvorming over de verdeling van de gereserveerde middelen vindt plaats in aanloop naar de Voorjaarsnota. Een ophoging van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden en/of Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, een ophoging van de Tijdelijke subsidieregeling walstroom zeeschepen en subsidie voor verduurzaming van binnenvaartschepen zijn maatregelen die in beeld zijn voor het aanvullende pakket.
Worden de mitigerende maatregelen genomen op dezelfde locatie als nieuwe projecten, zodat de negatieve effecten op de specifieke natuurgebieden dichtbij die projecten ook daadwerkelijk worden gemitigeerd?
Zoals in het antwoord op vraag 7 is aangegeven, is het aanvullend pakket niet bedoeld om mogelijke effecten van stikstofdepositie buiten de maximale rekenafstand van 25 km te mitigeren. De maximale rekenafstand van 25 kilometer voor projectspecifieke berekeningen betekent dat de depositiebijdragen van een nieuwe activiteit of vanuit aanpassing van een bestaande activiteit binnen 25 kilometer worden betrokken in de toestemmingverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (voortoets en passende beoordeling). Dit betreft niet alleen de natuurgebieden binnen 25 km van het project zelf, maar bijvoorbeeld ook alle natuurgebieden binnen 25 km van de (vaar)wegen waar projecten tot verkeersaantrekkende werking leiden. Een initiatiefnemer zal veelal mitigerende maatregelen moeten treffen voor de depositie die zijn project veroorzaakt op Natura 2000-gebieden binnen die 25 kilometer. Dit is het geval als sprake is van een berekende depositiebijdrage op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige habitats waarvan niet kan worden uitgesloten dat die bijdrage een significant negatief ecologisch effect heeft. Mogelijke significant negatieve effecten op alle stikstofgevoelige habitats binnen de maximale rekenafstand worden daarmee voorkomen. Dus ook die in de specifieke Natura 2000-gebieden dichtbij de projecten. Voor deze projectspecifieke mitigerende maatregelen geldt ook de maximale rekenafstand van 25 km. Dat betekent dat de depositiereductie van mitigerende bronmaatregelen in de toestemmingsverlening betrokken wordt tot een afstand van maximaal 25 km van de emissiebron(nen) van die maatregelen. De positieve effecten van mitigerende maatregelen moeten optreden op dezelfde plek als die waar de mogelijk significant negatieve effecten van het project zich zouden kunnen voordoen. Projectspecifieke mitigerende maatregelen zullen dan ook moeten worden getroffen relatief dicht bij de natuurgebieden waar significante effecten niet kunnen worden uitgesloten, om voldoende effect te hebben. Bij projecten met relatief grote stikstofuitstoot zullen in beginsel meer mitigerende maatregelen vereist zijn dan bij projecten met relatief kleine stikstofuitstoot.
De bronmaatregelen die de overheid treft als passende maatregelen en instandhoudingsmaatregelen zien op het verkleinen van de totale stikstofdeken, het borgen van behoud van de natuur en het op termijn bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Deze zijn niet gekoppeld aan specifieke projecten. Dit geldt ook voor het aanvullende pakket passende maatregelen.
Bent u van mening dat u met het invoeren van de afstandsgrens voordat bijbehorende mitigerende maatregelen zijn getroffen, een voorschot neemt op verwachte positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden? Zo nee, waarom niet?
Met het invoeren van de maximale rekenafstand wordt geen voorschot genomen op de verwachte positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden. Het aanvullende pakket bronmaatregelen zoals beschreven in het antwoord op vraag 7 is ook niet bedoeld om mogelijke effecten van projecten te mitigeren. Dit pakket vormt een versterking van het pakket aan passende maatregelen die rijk en provincies nemen in het kader van de structurele aanpak stikstof waarmee onder meer invulling wordt gegeven aan de generieke verantwoordelijkheid tot het treffen van passende maatregelen ter voorkoming van verslechtering van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). In de berekeningen van de benodigde depositiereductie die ten grondslag ligt aan de structurele aanpak zijn de deposities op grotere afstand dan 25 kilometer van de bron – ook van nieuwe initiatieven – meegenomen. Het aanvullend pakket dient als extra waarborg om te voorkomen dat het totaal aan (achtergrond)deposities, inclusief de projectbijdragen buiten de maximale rekenafstand, leidt tot verslechtering van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden,zoals dat is vereist op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Daarmee geeft het kabinet invulling aan de verplichtingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn.
De maximale rekenafstand van 25 kilometer voor projectspecifieke berekeningen in het kader van de toestemmingverlening betekent dat de depositiebijdragen van een nieuwe activiteit of aanpassing van een bestaande activiteit binnen 25 kilometer worden betrokken in de toestemmingverlening van de Wet natuurbescherming (voortoets en passende beoordeling).
Met de maximale rekenafstand van 25 kilometer voor alle bronnen is vanuit technisch modelmatige overwegingen een balans gevonden tussen de volledigheid en de precisie van de berekende stikstofdepositie die wordt betrokken in een passende beoordeling.
Klopt het dat zonder het nemen van mitigerende maatregelen, niet voldaan wordt aan artikel 6.2 van de Vogel- en Habitatrichtlijn (het verslechteringsverbod)?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u van mening dat de implementatie van de afkapgrens ten goede komt aan het herstel en de bescherming van de natuur?
De maximale rekenafstand heeft niet als doel het herstel en de bescherming van de natuur te verbeteren. Daarvoor worden onder andere bron- en natuurmaatregelen in het kader van de structurele aanpak stikstof uitgevoerd.
Hoeveel projecten verwacht u dat op basis van deze afkapgrens zullen worden vergund?
Het valt niet te zeggen hoeveel projecten vergund zullen worden. De staat van de natuur is bepalend voor de mate waarin nieuwe activiteiten ontplooid kunnen worden. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat er op dit moment beperkte mogelijkheden zijn voor toestemmingverlening. De maximale rekenafstand van 25 kilometer verandert dit beeld niet.
Kunt u bevestigen dat er een enorm groot rekenverschil bestaat in het geval van de 25 kilometer afkapgrens bij enerzijds een kleine bron ammoniakemissies nabij een groot Natura 2000-gebied zoals de Veluwe en anderzijds een zeer grote bron NOx op grote afstand van een Natura 2000-gebied?
Bij toestemmingverlening gaat het om emissies en deposities van nieuwe projecten, of om wijzigingen in emissies en deposities van bestaande projecten. Zoals u o.a. ook kunt lezen in de antwoorden op uw vragen van 29 oktober 2021, is de depositie per hectare per jaar het hoogst nabij de bron (Aanhangsel Handelingen II, 2020/2021, nr. 1250). Dit geldt zowel voor ammoniakemissies als voor NOx. Naarmate de afstand tot bron toeneemt, neemt ook de hoogte van de depositie per hectare per jaar af. De emissie waaiert uit. Emissies uit een hoge bron verdunnen sneller dan emissies uit een lage bron. Ammoniakemissies deponeren sneller dan NOx-emissies bij gelijke bronkenmerken. Ongeveer 53% van de Nederlandse ammoniakemissies slaat binnen Nederland neer. Voor stikstofoxiden (NOx) is dit ongeveer 12%.
Van de totale ammoniakemissie uit een relatief lage bron, deponeert een groter deel binnen 25km dan van de totale NOx-emissies uit een relatief hoge bron. Omgekeerd geldt hetzelfde: van de totale NOx-emissie uit een relatief lage bron, deponeert een groter deel binnen 25km dan van de totale NH3-emissies uit een relatief hoge bron.
Kunt u daarmee dus bevestigen dat het percentage deposities dat binnen de 25 kilometer neerslaat tussen beide scenario’s enorm groot zal zijn? Zo ja, waarom beoordeelt u de afkapgrens als verdedigbaar?
Hierbij verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
De maximale rekenafstand van 25 km is verdedigbaar omdat om technisch modelmatige redenen een berekende projectbijdrage voorbij deze rekenafstand niet meer redelijkerwijs toerekenbaar is aan dat project.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om deze afkapgrens toe te passen bij alle nieuwe projecten, om vervolgens het gevaar te lopen dat deze afkapgrens geen stand houdt bij de rechter?
Op basis van de resultaten van de onderzoeken van RIVM en TNO naar de modeleigenschappen van AERIUS heeft het vorige kabinet aanleiding gezien om tot een onderbouwde keuze te komen voor een maximale rekenafstand van 25 kilometer in het kader van toestemmingsverlening. Hierbij is rekening gehouden met de op basis van de meest recente jurisprudentie geldende cumulatieve randvoorwaarden voor het vaststellen van een afbakening voor stikstofdepositie van verschillende emissiebronnen:
Het kabinet heeft dan ook vertrouwen in de onderbouwing van de maximale rekenafstand. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover een oordeel te geven.
Het bericht ‘Miljoenen voor omscholing komen nauwelijks in de sectoren terecht die het nodig hebben: 'Dit slaat de plank volledig mis'. |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Miljoenen voor omscholing komen nauwelijks in de sectoren terecht die het nodig hebben: «Dit slaat de plank volledig mis»»?1
Ja.
Hoe kijkt u er tegen aan dat slechts 30 procent van de 1200 aangeboden opleidingen die gesubsidieerd worden door «NL Leert Door» zich richt op zogenaamde «kansrijke beroepen», beroepen met goede baankansen?
De subsidieregelingen die vallen onder NL Leert Door zijn opgezet aan het begin van de coronacrisis, toen nog onduidelijk was wat de mogelijke gevolgen zouden zijn en er grote werkloosheid dreigde te ontstaan. In die omstandigheden is er voor gekozen om iedereen te ondersteunen die als gevolg van de crisis zijn baan had verloren of mogelijk zijn baan dreigde te verliezen. Bij zo’n brede doelstelling past een breed en divers aanbod van scholing, ontwikkeladvies en ondersteuning. De aangeboden scholing is dan ook bewust breed gehouden en is zeker niet alleen bedoeld voor omscholing maar ook voor bijscholing. Lang niet iedereen hoeft over te stappen naar een heel ander beroep. De scholing in NL Leert Door is daarom ook gericht op het bijblijven in je vak en op het versterken van basis- en beroepsvaardigheden. De regelingen stonden ook open voor tekortsectoren zoals de zorg, techniek en ICT en worden ook door deze sectoren gebruikt. Verder is door EZK als onderdeel van het sociaal pakket een omscholingsregeling gemaakt voor werkgevers die nieuwe werknemers in de techniek of ICT willen omscholen. Deze regeling staat dit jaar nog open.
Kunt u aangegeven hoe u ervoor gaat zorgen dat het percentage van 30% verhoogd wordt en dat met de subsidie van «NL Leert Door» coachingstrajecten, trainingen en opleidingen worden gefaciliteerd die leiden tot om- en bijscholing gericht op sectoren en banen waar nu grote krapte is?
De regelingen van NL Leert Door zijn gemaakt in crisistijd en bewust voor een brede doelgroep ter beschikking gesteld. Het karakter van de aangeboden scholing is eveneens breed gehouden, omdat in die tijd onduidelijk was hoe de arbeidsmarkt er op de langere termijn zou uitzien. Bovendien is lang niet voor iedereen omscholing aan de orde. Voor veel werkenden is het ook van belang om vaardigheden te blijven ontwikkelen binnen het vak dat ze beoefenen.
In die crisistijd was snelheid van belang en vooral ook eenvoud van de regelingen om de uitvoeringslasten zoveel mogelijk te beperken. Het richten van de regelingen op doelgroepen en/of op specifiek aanbod betekent een enorme extra belasting van de uitvoeringsorganisatie. Aangezien deze regelingen einde 2022 aflopen of – in geval van ontwikkeladvies – al afgelopen zijn en de uitvoeringsorganisatie nog steeds fors belast is, ligt een dergelijke aanpassing niet voor de hand.
Ziet u mogelijkheden om de beroepenlijst die is vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aan te passen naar de beroepen die daadwerkelijk tot de kansrijke beroepen horen?
UWV brengt reeds in beeld wat kansrijke beroepen zijn. De lijst van UWV is gebaseerd op cijfers over de afgelopen periode. Het Overzicht Kansrijke beroepen stamt van 20 december 2021.
Wat is de reden dat ruim de helft van het gesubsidieerde aanbod niet toegankelijk is voor mensen met een mbo niveau 3-opleiding of lager?
De subsidieregelingen die vallen onder NL Leert Door zijn opgezet aan het begin van de coronacrisis, toen nog onduidelijk was wat de mogelijke gevolgen zouden zijn en er grote werkloosheid dreigde te ontstaan. In die omstandigheden is er voor gekozen om iedereen te ondersteunen die als gevolg van de crisis zijn baan had verloren of mogelijk zijn baan dreigde te verliezen. Bij zo’n brede doelstelling past een breed en divers aanbod van scholing, ontwikkeladvies en ondersteuning. De omvang van het aanbod zegt op zich nog niets over het bereik van het aanbod bij specifieke groepen. Bij het aanbod zitten bijvoorbeeld ook cursussen basisvaardigheden. De evaluatie van de regelingen zal leren hoe het bereik is geweest bij mensen met verschillende opleidingsachtergronden. Een eerste tussenrapport zal rond de zomer van 2022 naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Op basis van een monitor kan nu wel al iets worden gezegd over de eerste twee tijdvakken, het derde tijdvak loopt dit hele jaar nog. Ongeveer 79 procent van de afgeronde minst omvangrijke scholingstrajecten (categorie A genoemd in de regeling) was op mbo-2 niveau. Van de iets omvangrijker scholing (categorie B) is ruim 44 procent afgerond op mbo-2 niveau. Zie voor meer informatie de Rapportage tweede peiling monitor online scholing2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat juist de mensen met een mbo niveau 3-opleiding of lager toegang krijgen en gestimuleerd worden om gebruik te maken van de «NL Leert Door» regeling?
In de communicatie over NL Leert Door is expliciet aandacht besteed aan het bereik van de regelingen bij praktisch geschoolden. Ook zijn stakeholders hierbij betrokken die nauw in contact staan met deze groepen. Behalve NL Leert Door komt er binnenkort het STAP-budget en flankerend daaraan het STAP-ontwikkeladvies. Dat ontwikkeladvies is alleen voor praktisch geschoolden (maximaal mbo-2 niveau). Zij kunnen bovendien hulp krijgen bij het aanvragen van STAP via de telefoon of fysieke locaties (UWV kantoren, bibliotheken en regionale leerwerkloketten).
De beschikbaarheid van toegankelijke financiering is van groot belang, maar op zichzelf niet voldoende om alle groepen in staat te stellen om met scholing en ontwikkeling aan de slag te gaan. Het is bekend dat de meeste mensen leren op en van het werk. Dat geldt met name voor meer kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Een brede aanpak is nodig, met inzet van werkgevers, sectoren, sociale partners, opleiders en publiek-private samenwerkingsverbanden in regio’s. Het kabinet bouwt daarom voort op de Routekaart voor leren en ontwikkelen3 met naast STAP een breder palet aan maatregelen om mensen te ondersteunen en, onder meer via de SLIM-regeling, te investeren in een stimulerende leercultuur op het werk. Verder is in het coalitieakkoord de publieke financiering van scholing en ontwikkeling uitgebreid, via het principe van leerrechten. Dit principe houdt in dat er meer scholingsbudget beschikbaar komt voor mensen die minder initieel onderwijs hebben genoten.
Bent u voornemens de regeling(en) aan te passen zodat deze regelingen minder willekeurig en breed worden weggezet via wie het eerst komt, het eerst maalt, maar de scholingsmiddelen veel meer gericht worden toegekend aan doelgroepen zoals mbo niveau 3 en anders praktisch geschoolden en gericht naar sectoren en banen waar grote krapte is?
Zie antwoord vraag 3.
Onderzoekt u waar het geld nodig is en kijkt u wat de kwaliteit van opleiders is? Zo ja, hoe vindt dit plaats?
In de regeling NL Leert door met inzet van scholing worden eisen gesteld aan opleiders en aan het aanbod dat zij beschikbaar willen stellen. Zo moeten opleiders voldoen aan kwaliteitseisen en moet het aanbod arbeidsmarktrelevant zijn. Opleiders moeten bijvoorbeeld in het bezit zijn van een kwaliteitskeurmerk.
Bent u bereid om nog eens kritisch naar de «NL Leert Door»-regeling te kijken en deze waar nodig aan te passen zodat de subsidie gaat naar de werknemers waarvoor de subsidie met name bedoeld is?
De regelingen voor scholing en ontwikkeladvies zijn in de crisisperiode bewust gemaakt voor een brede doelgroep van zowel werkenden (inclusief zelfstandigen) als niet werkenden. De evaluatie van de regelingen zal laten zien hoe het bereik is geweest en hoe het aanbod benut is geweest. Zie ook het antwoord bij vraag 7.