Het bericht 'Belastingadviseurs kritisch: veel zoekgeraakte post bij de fiscus; e-mailen niet mogelijk' |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Belastingadviseurs kritisch: veel zoekgeraakte post bij de fiscus; e-mailen niet mogelijk»?1
Ja.
Hoe kan het dat brieven en poststukken, zelfs wanneer deze aangetekend zijn verstuurd, zoekraken bij de Belastingdienst? Bent u het ermee eens dat dit, op zijn zachtst gezegd, onwenselijk is?
Het is inderdaad een onwenselijke situatie dat post zoekraakt of met vertraging wordt behandeld. De exacte omvang van dit probleem kan echter niet worden vastgesteld. Alle binnenkomende post gaat over bijna tien miljoen brieven per jaar, die verspreid over tientallen locaties van de Belastingdienst binnenkomen. Er is geen centraal registratiesysteem waarin alle binnenkomende post wordt ingeboekt. De centraal binnengekomen post wordt grotendeels gedigitaliseerd en aangeboden aan diverse binnen de Belastingdienst beschikbare behandelsystemen, zoals die voor bezwaarschriften.
Mogelijke oorzaken voor het (tijdelijk) zoekraken zijn divers en hebben onder meer verband met onjuiste bezorging, onvolledige adressering, uitgestelde verwerking, interne distributie en onvolledige bekendheid met de werkwijze bij verschillende onderdelen. Aangetekende brieven worden na digitalisering verwerkt als reguliere post en zijn in het systeem niet te herleiden als aangetekend. Om die reden lopen binnen de Belastingdienst verschillende initiatieven (vastgestelde formulieren met juiste voor ingevulde adressering, specifieke kenmerken voor classificatie en koppeling aan bestaande dossiers zoals beconnummers, voorkomen van verzamelbrieven met meerdere onderwerpen in één envelop, etc.) om het zoekraken te voorkomen en de interne distributie en communicatie hieromtrent te verbeteren. Er loopt daarnaast overleg met de betrokken externe partijen (o.a. fiscaal dienstverleners) en de Belastingdienst biedt handreikingen (zoals een contactkaart met te gebruiken adressen, gewenste vorm en inhoud van poststukken, voorlichting over interne procedure, etc.) om zoekraken of vertraging in de behandeling te voorkomen en te beperken. Ik verwijs hierbij tevens naar eerdere antwoorden op Vragen van het lid Lodders (VVD) aan de Staatssecretaris van Financiën over het bericht Voorstel: Track & Trace voor de Belastingdienst.2
Welke fiscale en/of formeel rechtelijke gevolgen kan dit zoekraken van stukken voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst hebben? Hoe omvangrijk zijn deze gevolgen? Wat gaat u eraan doen om deze problemen op te lossen en naar de toekomt toe zoveel mogelijk te voorkomen?
De belangrijkste formeelrechtelijke gevolgen bij het zoekraken van stukken kunnen zich voordoen bij stukken die binnen een bepaalde termijn bij de Belastingdienst moeten worden ingediend, zoals een aangifte of een bezwaarschrift. In dat geval kan een discussie ontstaan over of het stuk (tijdig) is ingediend. In deze gevallen verplicht de wet de Belastingdienst echter een ontvangstbevestiging te zenden, zodat duidelijk is dat het stuk door de Belastingdienst is ontvangen en op welk moment zodat geen discussie hierover kan ontstaan. Bovendien is het in deze gevallen mogelijk om het stuk digitaal in te dienen.
Klopt het dat het verzenden van e-mails nog niet formeel geregeld is bij de Belastingdienst? Zo ja, waarom niet en zou dit niet wenselijk zijn?
Het gebruik van e-mail is formeel geregeld via het besluit fiscaal bestuursrecht.3
Het versturen van e-mails door of namens belastingplichtigen kan risico’s met zich meebrengen, doordat er geen zekerheid is dat een e-mail bij de bedoelde ontvanger en in een veilige digitale omgeving aankomt. Daarom kan niet in alle situaties met de Belastingdienst gemaild worden. Op de website van de Belastingdienst is aangegeven wanneer verantwoord gecommuniceerd kan worden via e-mail.4
De Belastingdienst verkent de verdere mogelijkheden voor het gebruik van e-mail en/of alternatieven voor het digitaal uitwisselen van informatie. Bij een dergelijke oplossing is het randvoorwaardelijk dat er zekerheid is over de veilige aflevering van het digitale bericht.
Wordt er aan gewerkt om dit digitale verkeer op korte termijn formeel mogelijk te maken? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het is formeel mogelijk om in bepaalde situaties via e-mail met de Belastingdienst te communiceren.
Erkent u het belang van bereikbaarheid en toegankelijkheid van de Belastingdienst? Waarom hebben belastingadviseurs die werkzaam zijn voor het MKB minder snel een vast contactpersoon vergeleken met belastingadviseurs die werkzaam zijn voor grote bedrijven? Kunt u toezeggen dit te gaan adresseren en ervoor zorgen dat belastingadviseurs voor het MKB sneller/vaker een vast contactpersoon krijgen?
Ja, ik erken het belang van een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid van de Belastingdienst. Het versterken hiervan past ook binnen mijn ambities om de dienstverlening van de Belastingdienst te verbeteren zoals beschreven in de Meerjarenvisie Belastingdienst 2020–2025.5
Het toezicht van de directie Grote Ondernemingen op de grootste 8.500 organisaties van Nederland gebeurt via individuele klantbehandeling. Het gevolg is dat deze organisaties een vaste contactpersoon binnen de Belastingdienst hebben. Als deze grote organisaties zich laten vertegenwoordigen door een belastingadviseur kan deze ook gebruik maken van deze vaste contactpersoon.
De directie Midden- en Kleinbedrijf (MKB) kent een doelgroep van ongeveer 3,1 miljoen MKB- bedrijven. Deze doelgroep is te groot voor een individuele klantbehandeling. Een groot deel van deze MKB-bedrijven laat zich ondersteunen door één van de ruim 20.000 fiscaal dienstverleners (FD’s).
Voor deze FD’s zijn er diverse contactmogelijkheden beschikbaar. De Belastingdienst heeft convenanten gesloten met individuele organisaties, (koepel)organisaties van fiscaal intermediairs en brancheorganisaties die werkzaam zijn in het midden- en kleinbedrijf. FD's met een convenant Horizontaal Toezicht (HT) hebben een vast contactpersoon in de vorm van een relatiebeheerder. FD’s zonder een convenant HT kunnen voor één-op-één contact gebruik maken van de accountmanagers van de FD-teams die op elk MKB-kantoor beschikbaar zijn.
Additionele interactie voor FD's wordt geboden via de Helpdesk Intermediairs waarbij bellende FD's met beconnummer met voorrang geholpen worden en een Forum FD waar 21.657 (status medio mei 2022) leden op zijn aangesloten. Op het Forum FD staat een contactkaart die FD’s kunnen gebruiken om het juiste kanaal te vinden bij de Belastingdienst voor hun vragen of voor het verkrijgen van informatie. Op deze kaart staan ook de e-mailadressen opgenomen om in contact te komen met de accountmanagers van de FD-teams.
Verder is er sinds december 2021 een Meldpunt FD voor spoedeisende situaties die ogenschijnlijk niet langs de gebruikelijke kanalen tot een passende oplossing leidt. Het Meldpunt FD is – net zoals de contactkaart – een activiteit die voortkomt uit het programma Meerjarenplan FD. Het programma heeft primair tot doel de samenwerking tussen FD's en de Belastingdienst in co-creatie te versterken. Bereikbaarheid is het eerste thema dat binnen dit programma is opgepakt. Samen met FD's zijn/worden activiteiten uitgewerkt die de bereikbaarheid verbeteren. De vijf grote beroeps- en koepelorganisaties FD, waaronder het Register Belastingadviseurs (RB) en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), spelen bij deze co-creatie een prominente rol.
De adviseurs tonen zich volgens het bericht onverminderd kritisch over de verharding in de relatie met de Belastingdienst. Herkent u deze verharding? Zo ja, wat is hiervan de reden? Is dit een wenselijke ontwikkeling? Zo nee, wat zouden partijen moeten doen om deze relatie te verbeteren? Wat gaat u daar aan doen?
Signalen over het gevoel dat er verharding optreedt in de relatie tussen Belastingdienst en FD zijn vanuit de beroeps- en koepelorganisaties FD en het landelijk Intermediairpanel in de voorbije periode vaker gedeeld. Desgevraagd geven FD’s in de dialoog met de Belastingdienst aan dat zij ervaren dat de Belastingdienst in de uitvoering strakker stuurt op de formele procesregels. Onderdeel van de eerdergenoemde Meerjarenvisie is dat de Belastingdienst burgers en bedrijven centraal stelt. Daarbij geldt als uitgangspunt een basis van vertrouwen. Vertrouwen in burgers en bedrijven, maar ook vertrouwen in hun belastingadviseur. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dat vertrouwen in mindere mate aanwezig is in de verhouding Belastingdienst, belastingplichtige en/of belastingadviseur. Er wordt dan door partijen eerder teruggegrepen op het formele (proces) recht. Dit neemt de laatste jaren toe in de fiscale uitvoeringspraktijk. Het is belangrijk dat er (ook) in die situaties waarin het risico op verharding zich voordoet persoonlijk contact blijft bestaan. Dat vergt een inspanning van de Belastingdienst, maar ook van de belastingplichtige en/of zijn of haar belastingadviseur. De inspanning die ik op dit punt wil plegen is de Belastingdienst te vragen aandacht te besteden aan dit bericht en dit te bespreken in de reguliere overleggen die plaatsvinden tussen de Belastingdienst en de (koepels van) FD’s. Aan de hand van concrete casussen kan dan eventueel besproken worden waar die verharding zich voordoet en wat daarvan de oorzaak is om daarvan te kunnen leren.
Klopt het dat de Belastingdienst veelal hogere boetes oplegt dan in het verleden? Bent u het ermee eens dat sommige boetes niet in verhouding staan tot het verzuim? Wat is uw zienswijze ten aanzien het ontbreken aan de menselijke maat in deze context? Hoe kijkt nu naar de mogelijkheid om (meer) fiscale mediation toe te passen voor dergelijke en andere fiscale disputen?
De Belastingdienst kan verzuimboeten opleggen tot een in de wet bepaald maximumbedrag. Wanneer en tot welk bedrag een verzuimboete in beginsel wordt opgelegd is bepaald in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Deze standaardbedragen zijn in recente jaren niet verhoogd. Daarnaast heb ik geen aanwijzingen dat de inspecteur vaker hogere boetes oplegt dan volgt uit het BBBB. De mening van de NOB en het RB dat er hogere boetes worden opgelegd dan in het verleden kan ik daarom moeilijk plaatsen.
Eerder heeft het lid Van Weyenberg onder meer tijdens het Algemeen Overleg van 25 september 2019 een vraag gesteld over strikte wetgeving over verzuimbeboeting. Toen is aangegeven dat uw Kamer schriftelijk zou worden geïnformeerd over het verzuimboetebeleid.6 In het Algemeen Overleg van 4 maart 2020 heeft het lid Van Weyenberg zijn vraag herhaald.7 In de brief met deze informatie zal verder worden ingegaan op de functie en het doel van de verzuimboete en de grondslag en beginselen bij het verzuimboetebeled. In deze brief wordt daarnaast ingegaan op de geluiden die uit de samenleving zijn gekomen over het verzuimboetebeleid. Omdat het in deze brief gaat om een brede uiteenzetting van het verzuimboetebeleid, verwijs ik voor de beantwoording van deze vraag graag naar deze brief die na het reces wordt verwacht.
Kunt u uitgebreid reflecteren op het geconstateerde beperkte (en/of afnemende?) enthousiasme en draagvlak voor Horizontaal Toezicht?
HT bestaat sinds 2005 en is bedoeld voor ondernemingen en FD’s die zichtbaar en structureel uit zichzelf de fiscale regels willen en kunnen naleven. De Belastingdienst past zijn toezicht hierop aan. HT kent twee varianten, individuele convenanten met ondernemingen en convenanten via FD’s. In 2005 zijn de eerste individuele handhavingsconvenanten gesloten met grote ondernemingen en in 2008 is het eerste convenant gesloten met een koepel van FD’s. Met de invoering van HT liep Nederland voorop met deze aanpak binnen het fiscale toezicht. In de eerste jaren stond HT vooral in het teken van normalisering van soms vastgelopen verhoudingen en het mogelijk maken van werken in de actualiteit. In de jaren daarna heeft HT zijn plek binnen de toezicht- en handhavingsstrategie gekregen. Sinds de invoering van HT in 2005 is de werkwijze niet wezenlijk veranderd, maar de (fiscale) wereld daaromheen wel. HT bewoog in de praktijk slechts beperkt mee met maatschappelijke, politieke en beleidsmatige ontwikkelingen, zowel nationaal als internationaal, hetgeen ook tot kritiek leidde bij FD’s.
Dat heeft in 2018 geleid tot het besluit om HT door te ontwikkelen. Deze doorontwikkeling is in de jaren 2018 en 2019 in nauw overleg met de branche-, beroeps- en koepelorganisaties vormgegeven. Daarbij zijn eerder opgekomen verbetersuggesties die onder meer afkomstig waren van het vorige onderzoek naar de relatie tussen Belastingdienst en FD’s van de NOB en het RB meegenomen. In het Jaarplan 2020 van de Belastingdienst8 zijn de belangrijkste wijzigingen voor het HT opgenomen. De implementatie van de wijzigingen als gevolg van de doorontwikkeling HT is weliswaar in 2020 gestart maar het neemt – mede vanwege overgangsregelingen voor individuele convenanten – naar verwachting een aantal jaren voordat alle wijzigingen volledig doorgevoerd zijn.
De wijzigingen hebben met name voor grote organisaties tot gevolg dat minder organisaties in aanmerking komen voor een individueel convenant. Middelgrote organisaties kunnen vanaf 2020 alleen via een convenant met een fiscaal dienstverlener participeren in horizontaal toezicht. Met de grootste 100 bedrijven wordt ook geen individueel convenant meer gesloten. Voor deze bedrijven wordt een individueel toezichtplan opgesteld, waarin wordt beoordeeld in hoeverre met de bedrijven kan worden samengewerkt volgens de uitgangspunten van horizontaal toezicht. Voor de overige grote organisaties geldt dat de voorwaarden voor een individueel convenant zijn verduidelijkt en strikter gemaakt, in lijn met internationale ontwikkelingen en ontwikkelingen op het gebied van corporate governance. Voor een aantal organisaties zijn de nieuw geformuleerde voorwaarden (nog) niet haalbaar. Dit alles maakt dat het aantal grote organisaties met een individueel convenant afneemt. We zien daarnaast wel dat veel grote organisaties de uitgangspunten van horizontaal toezicht toepassen, doordat zij werken aan hun Tax Control Framework en tax governance codes onderschrijven, zoals de onlangs door VNO/NCW gepubliceerde code en de internationale Global Reporting Initiative (GRI) 207.9
Omdat de enquête van NOB-RB eind 2021 is afgenomen is het mogelijk dat de leden nog geen of weinig ervaring hebben opgedaan met de nieuwe werkwijzen. De eerste geluiden over de doorontwikkeling van HT zijn niet negatief en de wijzigingen hebben gezorgd voor hernieuwde interesse van een aantal beroepsverenigingen en ook een aantal grote FD’s. Ik wacht dan ook met belangstelling het volgende onderzoek van de NOB en het RB af.
Erkent u ten aanzien van Horizontaal Toezicht dat beoogde voordelen voor belastingplichtigen niet uit de verf komen en de methode eerder kostenverhogend dan -verlagend werkt? Zo ja, welke verbeteringen kunnen worden getroffen?
Bij HT via FD’s past de Belastingdienst zijn toezicht aan op het werk dat de FD voor zijn klant (de onderneming) doet en past zijn toezicht daarop aan. Het uitgangspunt bij HT is dat de FD namens de onderneming tijdig een convenantaangifte indient. De basis hiervoor ligt in de houding en het gedrag (vertrouwen, begrip en transparantie) van zowel de onderneming als de FD en het interne kwaliteitssysteem van de FD. Daarnaast worden relevante fiscale standpunten die tot verschil van inzicht kunnen leiden, door de FD met de Belastingdienst afgestemd voordat de aangifte wordt ingediend (vooroverleg).
In de praktijk hoeft een aangifte ingediend onder HT niet duurder te zijn, omdat de Belastingdienst geen extra kwaliteitseisen stelt. Overigens berekenen de meeste deelnemende FD’s dan ook geen hogere prijs voor een aangifte die onder HT wordt ingediend.
Bij aangiften die onder HT worden ingediend is het toezicht aangepast. Er hoeven minder vaak vragen gesteld te worden of boekenonderzoeken uitgevoerd te worden, hetgeen kostenbesparend voor de belastingplichtige is. Zo wordt een teruggaaf omzetbelasting onder HT in beginsel zonder vragen afgehandeld en zeer snel uitgekeerd. In het geval dat een bijzondere gebeurtenis in het bedrijf leidt tot een fiscaal standpunt kan dit leiden tot vooroverleg. Vooroverleg werkt kostenverhogend voor belastingplichtige. Sommige FD’s geven aan dat het «verplichte» vooroverleg naar hun mening betekent dat zij op de stoel van de inspecteur moet gaan zitten. Daar staat tegenover dat verzoeken om vooroverleg onder HT over het algemeen zo snel mogelijk worden afgewikkeld, omdat ook hierbij vertrouwd kan worden op de feiten zoals deze door de FD worden aangeleverd. Dit voorkomt meestal het opvragen van stukken en andere toezichtinterventies achteraf.
Wat is uw toekomstvisie rondom het instrument Horizontaal Toezicht? Wat is er geleerd van de afgelopen jaren dat dit instrument in gebruik is? Op welke onderdelen zijn herijkingen/aanpassingen nodig?
Als onderdeel van de uitvoerings- en toezichtstrategie stimuleert de Belastingdienst ondernemers en FD’s tot deelname aan een convenant in het kader van HT. Onderdeel van de uitvoerings- en handhavingsstrategie is dat we het toezicht zoveel mogelijk afstemmen op het gedrag van belastingplichtigen. Waar het HT vanaf de invoering in 2005 tot de doorontwikkeling uit 2019 minder onderscheid maakte bij de verschillende werkzaamheden die FD’s verrichten is dat anders na de doorontwikkeling van HT. Het doel van de doorontwikkeling is om de plaats van HT in het handhavingsbeleid van de Belastingdienst te preciseren en om het proces van HT richting ondernemingen en FD’s te verduidelijken, zodat het past bij de huidige tijd.
Bij de individuele convenanten bij grote ondernemingen wordt in de doorontwikkeling een onderscheid gemaakt naar verschillende categorieën grote organisaties en zijn alle organisaties opnieuw ingedeeld met een bijpassende vorm van HT. Vanaf de implementatie in 2020, wordt dan ook meer aangesloten bij de kenmerken van grote ondernemingen en verschillen in werkzaamheden die de fiscaal dienstverleners voor hun klanten verrichten.
Alle aanpassingen zijn vastgelegd in de nieuwe Leidraden («Leidraad Toezicht Grote Ondernemingen» aangevuld met de «Good Practices Fiscale Beheersing», maart 2021 en update december 202110 en «Leidraad Horizontaal Toezicht Fiscaal dienstverleners» september 202111). Mijn verwachting is dat deze wijzigingen beter aansluiten bij de huidige tijd en werkwijze van zowel de ondernemingen, de FD’s als de Belastingdienstdienst. Uiteraard blijft de Belastingdienst in gesprek met de deelnemers aan het HT om aan te kunnen blijven sluiten bij maatschappelijke en fiscale ontwikkelingen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het laatste IPCC rapport en het 'besparingsplan aardgas' van de NVDE |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het laatste IPCC rapport en het «besparingsplan aardgas» van de NVDE, gepubliceerd op 2 maart?1
Ja.
Deelt u de bevindingen uit het IPCC rapport, te weten dat de bestaande infrastructuur voor fossiele brandstoffen meer CO2 equivalenten uitstoot (660Gt), dan het koolstofbudget dat nog resteert voordat de 1,5 graden wordt bereikt (500Gt)? Zo niet, waarom niet?
Ja, het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) geeft inderdaad aan dat de totale toekomstige CO2-uitstoot van bestaande fossiele infrastructuur (naast olie en gas ook gebruik van kolen) zonder CO2-maatregelen het resterende koolstofbudget voor 1,5 graden overstijgt (IPCC WGIII rapport, Summary for Policymakers, paragraaf B1.7).
Deelt u de mening dat de mogelijkheid tot het vervangen van Russisch gas via het loslaten van de maximale productiecapaciteit van 35 procent bij kolencentrales, het importeren van LNG en extra winning van (Gronings) gas en de plannen om nieuw gas te winnen op de Noordzee met Duitsland – waar op 1 juni de Nederlandse vergunning voor is afgegeven – haaks staat op de noodzaak om de bestaande infrastructuur voor fossiele brandstoffen sneller af te bouwen, zoals als noodzakelijk is aangekaart in het meest recente IPCC rapport? Zo ja, waarom heeft de Minister de vergunning afgegeven voor extra winning van aardgas in de Noordzee? Zo niet, graag een toelichting.
Nee. Het IPCC geeft aan voor beperking van de uitstoot van CO2 in lijn met de 1,5 graden op korte termijn, met name de mondiale uitfasering van het kolengebruik vergt. Dat is met het verbod op de inzet van kolen in de elektriciteitsvoorziening in 2030 voor Nederland reeds geborgd. Voor de uitfasering van het gebruik van olie en gas is meer tijd beschikbaar. De vervanging van Russisch gas vormt een grote uitdaging voor de Nederlandse energievoorzieningszekerheid. Het kabinet zet in op verschillende maatregelen om deze voorzieningszekerheid te waarborgen, met name voor huishoudens en vitale sectoren. Zij doet dit door het vullen van strategische gasvoorraden, het vergroten van de import van LNG, bevorderen van energiebesparing en door het maken van afspraken met bedrijven over productiebeperking bij eventuele acute tekorten. Het bevorderen van de lokale gasproductie in kleine velden vormt daar ook een onderdeel van. De inzet van lokale gasvoorraden kan de noodzaak en afhankelijkheid van de import van LNG en een toename van de inzet van kolen in de elektriciteitsproductie verminderen. Het kabinet blijft er de voorkeur aan geven gas te winnen uit de Nederlandse kleine velden op land en op zee, zolang en voor zover dit nodig is voor de Nederlandse gasvraag. Hierbij zal niet meer worden gewonnen dan nodig is voor de binnenlandse consumptie. Dit is beter voor het klimaat dan import van LNG en daarnaast remt productie in eigen land nieuwe importafhankelijkheid van andere landen. Nederland houdt daarbij vast aan zijn klimaatdoelen voor 2030 en eventuele extra emissies door de vervanging van Russisch gas, zoals het loslaten van de maximale productiecapaciteit van 35 procent bij kolencentrales, zullen worden gecompenseerd met extra maatregelen. De inzet van eigen gas ter vervanging van Russisch gas zal niets afdoen aan de ambitie van het kabinet om tot een energietransitie richting een klimaatneutrale energievoorziening te komen.
Kunt u een appreciatie geven van het besparingsplan aardgas van de NVDE?
Welke maatregelen ziet u als haalbaar om zo snel mogelijk uitvoering te geven aan het besparingsplan aardgas? Hoe voert u deze maatregelen op dit moment zo snel mogelijk uit?
Kunt u aangeven welke maatregelen, die onderdeel zijn van het besparingsplan aardgas, dit parlementaire jaar al zijn genomen?
Welke problemen zorgen er volgens u voor dat het besparingsplan aardgas niet kan worden uitgevoerd? Hoe bent u voornemens de obstakels zo snel mogelijk op te lossen?
Deelt de mening dat in uitvoering van het besparingsplan aardgas, gezien de huidige geopolitiek situatie, geen noodzaak bestaat voor het aanboren van nieuwe fossiele brandstoffen? Zo niet, kunt u uw standpunt toelichten?
Die mening deel ik niet. Ik ben eerder via de Kamerbrieven van 14 maart en 22 april (Kamerstuk 29 023, nrs. 283 en 302) uitgebreid ingegaan op de noodzaak en de maatregelen die nodig zijn voor de korte, middellange en lange termijn om het gasverbruik te reduceren. Daarbij heb ik ook het vergroten van het aanbod van andere fossiele bronnen genoemd (via extra LNG-importcapaciteit) om deels het gas uit Rusland te vervangen, naast het verhogen van de energie-efficiëntie en het versnellen van duurzame energieproductie.
De opslag van aardgascondensaat in Roodeschool |
|
Henk Nijboer (PvdA), Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «overlaadstation in Roodeschool verplaatsen» en het «ongevraagd advies omtrent vergunningsituatie Noordgastransport in Roodeschool» van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)?1
Ja, ik ken beide.
Erkent u dat de risico’s hoger zijn dan wettelijk toegestaan, zoals door SodM wordt geconcludeerd?
De activiteiten op deze locatie zijn vergund en kunnen in de toekomst alleen doorgaan als NGT de extra maatregelen en voorzieningen treft die ik zal opleggen als de activiteiten in hun huidige omvang op deze locatie worden gecontinueerd. Dit betreft dan technische maatregelen die nu de stand der techniek zijn en waarmee het huidige veiligheidsniveau verder verhoogd kan worden.
Op dit moment heeft SodM geconstateerd dat het voorgeschreven grindbed op de overslaglocatie Roodeschool niet goed onderhouden is. Het grindbed is voorgeschreven in huidige vergunning uit 2004. Dit raakt in hoofdzaak de veiligheid van de medewerkers van NGT zelf. De overslagactiviteiten van NGT zijn daarom stil gelegd tot het grindbed voldoet aan de eisen.
Op de locatie Roodeschool wordt door NGT aardgascondensaat in treinwagons gepompt. Het aardgas wordt per pijpleiding aangevoerd vanaf aangesloten platforms van verschillende operators op de Noordzee. Het komt ongeveer 6 kilometer ten noorden van Roodeschool bij Uithuizen aan land waar het gescheiden wordt vanwaar het aardgascondensaat per pijpleiding naar Roodeschool gaat. Op de locatie Roodeschool worden twee maal per week vijf treinwagons gevuld met aardgascondensaat en afgevoerd. Buiten deze handelingen vinden geen activiteiten plaats op de locatie Roodeschool. Het huidige activiteiten niveau ligt fors (80% tot 90%) lager dan in 2004 is vergund. Mogelijk dat nieuwe projecten, zoals de gaswinning boven Schiermonnikoog, over twee jaar tot een verhoging van het huidige activiteitenniveau kunnen leiden. Dit acht ik niet wenselijk en dus kijk ik naar actualisatie van de vergunning en mogelijke verplaatsing.
Het onderhoud van het spoor en de spoorwegvoorzieningen binnen de inrichting vallen onder verantwoordelijkheid van ProRail. Mijn verantwoordelijkheid ligt bij de beoordeling van de veiligheid van de inrichting en haar activiteiten. SodM en EZK zijn in 2021 begonnen met een traject om de actualiteit van alle milieuvergunningen te toetsen. Uit de eerste toetsingen blijkt dat in sommige gevallen een actualisatie noodzakelijk is maar er zijn geen acute risico’s geconstateerd.
Dit geldt ook voor de locatie Roodeschool. Er is geen sprake van een acute dreiging voor de omgeving, maar de vergunning moet wel worden geactualiseerd naar de huidige stand der techniek. Er zijn sinds zes jaar nieuwe rekenregels voor het bepalen van risicocontouren en daarnaast ook nieuwe technieken en regels. SodM heeft geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de in de vergunning voorgeschreven voorzieningen. De toepassing van de nieuwe rekenregels op wat maximaal vergund is, geeft een andere uitkomst dan in 2004. De beperkte omvang van de huidige activiteiten en mogelijke maatregelen en voorzieningen moeten hierin nog wel worden meegenomen. De beperkte omvang van de huidige activiteiten geeft een lager risico. SodM, mijn ambtenaren en NGT zijn hierover nog in overleg. Het verschil in het risico dat is verbonden aan de omvang van de in 2004 vergunde activiteiten en het risico dat is verbonden aan de huidige activiteiten neem ik mee in mijn afwegingen bij het actualiseren van de vergunning en een eventuele verplaatsing.
Met het actualiseren van de vergunning zal ik nog voor het einde van het jaar, indien nodig, aan NGT nieuwe extra maatregelen en voorzieningen opleggen of de vergunning beperken waarmee een hoger veiligheidsniveau kan worden gerealiseerd. SodM kan in de tussentijd vanuit haar rol als toezichthouder passende maatregelen opleggen aan NGT. De beantwoording van deze vragen en de actualisatie en mogelijke verplaatsing zijn en worden afgestemd met SodM.
De omvang van de activiteiten zoals die in 2004 zijn vergund is niet meer wenselijk en zal vermoedelijk ook niet meer vergund kunnen worden. Los van de mogelijkheid om de vergunning te actualiseren heeft het mijn sterke voorkeur om de overslag van aardgascondensaat op een andere locatie dan Roodeschool te laten plaatsvinden.
Erkent u dat cruciale voorzieningen om de veiligheid te borgen ontbreken, zoals SodM op locatie heeft vastgesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u voorts de conclusie van SodM dat de berekening van de risicocontour zoals aangeleverd voor de vergunning niet correct is?
Zie antwoord vraag 2.
Neemt u de conclusie van SodM over dat de huidige activiteiten op de huidige locatie niet vergunbaar zijn?
Ik heb kennis genomen van het advies van SodM, waarin zij stelt dat zij er op dit moment van uitgaan dat de in 2004 vergunde activiteiten op deze locatie niet vergunbaar zijn. Om die reden geeft SodM mij in overweging om het gesprek met NGT te openen over een bedrijfsverplaatsing binnen een afzienbare periode. Daarnaast adviseert SodM mij de vergunning zo snel mogelijk te actualiseren. Beide adviezen neem ik over. Op dit moment wordt overigens slechts 10% tot 20% van de vergunde activiteiten benut. Hierdoor is er geen sprake van een onveilige situatie. Zie ook het antwoord op vraag 2, 3 en 4.
Gaat u zorgen dat het de opslag van aardgascondensaat in Roodeschool zo snel mogelijk stopt? Welke stappen gaat u daar op welke termijn voor zetten?
De activiteiten in hun huidige omvang in Roodeschool kunnen in de toekomst alleen worden voortgezet indien NGT extra maatregelen treft zoals een dampretoursysteem. Het heeft echter mijn sterke voorkeur de activiteiten te verplaatsen. Op dit moment wordt er een aantal projecten op de Noordzee gestart die binnen twee jaar mogelijk ook gebruik wil maken van Roodeschool. Dit vind ik ongewenst, los van de vraag of het past. Enkele jaren geleden waren er ook al plannen om de activiteiten te verplaatsen. Mijn ambtenaren hebben de eerste gesprekken met gemeente, provincie en NGT al gevoerd. Ook ikzelf ben in gesprek geweest met de gemeente over mogelijke scenario’s. De verschillende scenario’s voor verplaatsing zullen worden uitgewerkt en er zal gekeken worden wat het meest kansrijk en wenselijk is. Ik zal u hierover na het zomerreces verder informeren. NGT heeft als zelfstandig bedrijf en vergunninghouder een eigen verantwoordelijkheid bij het bepalen van haar keuze.
In antwoord op kamervragen van het lid Beckerman over de overslag van aardgascondensaat in Roodeschool (Aanhangsel handelingen II 2021/22, nr. 2515) gaf u aan dat: «de risico’s binnen de wettelijke normen vallen zodat ik een verplaatsing niet kan afdwingen», heeft u nu dit niet waar blijkt te zijn wel wettelijke mogelijkheden om deze verplaatsing af te dwingen?
Op basis van het recente onderzoek naar de actualiteit van de vergunning uit 2004 is geconstateerd dat het risico op de locatie Roodeschool verder verkleind kan en moet worden door maatregelen en voorzieningen die destijds nog niet gangbaar waren. Deze maatregelen zijn voorwaardelijk voor NGT om de activiteiten te kunnen continueren op de huidige locatie. Ik zal mij inspannen om NGT te overtuigen dat het vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijker is om de activiteiten te verplaatsen naar een locatie die daarvoor meer geschikt is.
Hoe gaat u zorgen dat de communicatie met omwonenden over dit rapport en de vervolgstappen goed verloopt?
Ik heb inmiddels zelf kort gesproken met inwoners uit Roodeschool en bestuurders van de gemeente. Mijn ambtenaren hebben dit ook gedaan. Ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen hebben de conclusies van het toezicht toegelicht aan de bewoners. Mijn ambtenaren zullen de contacten met de bewoners verder onderhouden. De komende tijd zullen er gesprekken worden gevoerd over de toekomst van de activiteiten van NGT in Roodeschool. De bewoners zullen tijdig worden geïnformeerd over vervolgstappen in dit traject.
Hoe gaat u zorgen dat financiën geen probleem of vertragende factor worden bij het verplaatsen van deze opslag?
De uitwerking van de verschillende scenario’s zal in eerste instantie worden gebaseerd op veiligheid en ruimtelijke inpassing. In alle scenario’s zal NGT een deel van de kosten moeten dragen.
Dit SodM advies komt voort uit het «inhaalprogramma milieuvergunningen», welke andere vergunningen zijn en worden hiervoor onderzocht?
Het «inhaalprogramma milieuvergunningen» betreft een gezamenlijk project van het Ministerie van EZK en SodM om de gezamenlijke kennis op het vlak van het thema «Milieu» voor vergunningverlening en toezicht en handhaving een kwaliteitsimpuls te geven. Het is in 2021 gestart. Een groot deel van dit traject is het screenen van alle afgegeven milieuvergunningen. Dit traject is nog niet afgerond. Het gaat om ongeveer 750 vergunningen die zullen worden gescreend. Op basis van een eerste analyse door de ambtenaren van EZK en SodM zijn de omgevingsvergunningen en mijnbouwmilieuvergunningen voor een aantal locaties gescreend. SodM heeft deze locaties verscherpt gecontroleerd. Daarbij zijn bij Roodeschool diverse overtredingen aangetroffen, waaronder het achterstalligonderhoud aan het grindbed, geen acuut gevaarlijke situaties aangetroffen en was de feitelijke situatie ter plaatse in lijn met de beschrijvingen van de activiteiten en de installaties in de milieuvergunningen. Wel is duidelijk geworden dat verschillende milieuvergunningen, waaronder die van Roodeschool, moeten worden geactualiseerd om te voldoen aan meer recente wet- en regelgeving. Verder zullen ook alle afgegeven omgevingsvergunningen en mijnbouwmilieuvergunningen voor alle mijnbouwlocaties doorgelicht gaan worden. Deze twee trajecten zullen de komende jaren zijn beslag krijgen.
Kunnen omwonenden met zorgen ook op verzoek door SodM de vergunning laten onderzoeken?
De vergunning voor de inrichting in Roodeschool is inmiddels doorgelicht en de bewoners zijn hierover al geïnformeerd. Op basis van de omvang van de vergunde activiteiten, het type vergunning en de locatie wordt een selectie gemaakt van welke vergunningen wanneer worden doorgelicht.
SodM houdt toezicht op alle mijnbouwlocaties. Daarvoor maakt zij gebruik van de geldende vergunningen. Er wordt gecontroleerd of aan de vergunning wordt voldaan en of de situatie ter plaatse aanleiding geeft tot het aanpassen van de vergunning. SodM adviseert mij verder over alle vergunningaanvragen waar ik een besluit op moet nemen.
SodM houdt toezicht op de veilige werking van alle mijnbouwlocaties en installaties. Indien er zorgen zijn kan SodM indien nodig vanuit haar toezichthoudende rol des gevraagd duidelijkheid verschaffen over de zorgen van omwonenden. De feitelijke veiligheidssituatie is daarbij bepalend en indien nodig kan ik de vergunning aanpassen. Gezien het grote aantal vergunningen is het efficiënter dat de screening wordt gedaan op basis van de programmatische aanpak die door EZK en SodM is gemaakt.
Kunt u deze kamervragen met spoed beantwoorden zodat omwonenden niet nog langer in onveilige omstandigheden zitten?
Ja.
Het bericht 'Lelystad Airport dreigt met rechtszaak over stikstofvergunning vanwege besluit minister' |
|
Derk Jan Eppink (JA21), Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lelystad Airport dreigt met rechtszaak over stikstofvergunning vanwege besluit Minister»?1
Ik heb kennisgnomen van het bericht. Het is mij bekend dat Lelystad Airport bezwaar maakt tegen de door mij uitgevoerde beoordeling om de PAS-melding buiten het legalisatietraject te laten. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft deze brief momenteel in behandeling.
Het genoemde bericht verwijst naar de beoordeling van de verificatie van de PAS-melding. Deze beoordeling van de PAS-melding is met de grootste zorgvuldigheid tot stand gekomen. In de beoordeling concludeer ik dat de PAS-melding niet voldoet aan artikel 2.8b criterium f. van de Regeling Natuurbescherming. Legalisatie van het project Lelystad Airport op basis van de PAS-melding ligt daarom niet in de rede.
Voor toestemming op grond van de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb) voor ingebruikname van Lelystad Airport voor groot handelsverkeer dient Lelystad Airport een reguliere vergunningprocedure te doorlopen. Daar ziet dit bericht niet op.
Bent u bereid af te zien van de afwijzing van de aanvraag voor de stikstofvergunning?
Het betreft hier een verificatie van de PAS-melding. Zoals gezegd gaat het hier niet om een aanvraag voor een vergunning in het kader van de Wnb, dus ook niet van een afwijzing van een aanvraag van een vergunning. Op de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de brief met betrekking tot de verificatie van de PAS-melding kan ik nu niet vooruitlopen.
Kunt u een overzicht geven van de gronden waarop de afwijzing van de stikstofvergunning is gebaseerd?
De reden tot afwijzing is dat de voor legalisatie aangemelde situatie (het project) afwijkt ten aanzien van de emissiefactor warmte-inhoud. Daarnaast is sprake van substantiële wijzigingen in de verkeersituatie. In de berekening van de PAS-melding is het verkeersgebied beperkt tot de provincie Flevoland. In de ter legalisatie aangeboden berekening zijn echter aanvullend extra snelwegtrajecten opgenomen, zoals het traject tussen Muiden (A1 P&R Muiden) en Almere (A6 aansluiting met N702) en de A27 tussen Utrecht Noord (nabij Blauwkapel) en de Stichtse brug.
Er is sprake van wijzigingen die in meerdere N2000-gebieden tot meer stikstofdepositie leiden dan in het in 2019 gemelde project.
Hiermee voldeed Lelystad Airport niet aan de wettelijke voorwaarden voor het legaliseren van een PAS-melding. Ik heb de Tweede Kamer over mijn oordeel geïnformeerd op 7 maart 2022 (Kamerstuk 35 334, nr. 174).
Kunt u een overzicht geven welke aanpassingen Lelystad Airport moet uitvoeren om wel te voldoen aan de gestelde eisen voor een stikstofvergunning?
Voor een vergunning in het kader van de Wnb dienen de effecten (stikstof en andere effecten op Natura 2000-gebieden) van het gehele project passend te worden beoordeeld in een Passende Beoordeling. Om te komen tot een vergunbare situatie dient uit de Passende beoordeling te blijken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Lelystad Airport is zelf verantwoordelijk voor het nemen van eventuele bronmaatregelen.
Hoe kijkt u aan tegen de overweging van Lelystad Airport tot het nemen van rechtsmaatregelen als u de vergunning niet alsnog afgeeft?
Lelystad Airport heeft uiteraard het recht om gebruik te maken van bezwaar- en beroepsmogelijkheden.
Kan Lelystad Airport open onder de voorwaarden van een PAS-vergunning? Zo nee, waarom niet?
Nee. Lelystad Airport heeft onder het PAS een melding gedaan. De verificatie van de melding heeft geresulteerd in het oordeel dat de melding niet voor legalisatie in aanmerking komt. Dat betekent dat Lelystad Airport zelf verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde maatregelen in het kader van een reguliere vergunningaanvraag.
Deelt u de uitspraak van Lelystad Airport dat het meent «recht te hebben op legalisatie» vanwege «alle toen geldende rekenmodellen en voorschriften»?
Nee, deze uitspraak deel ik niet.
De brandweerzorg |
|
Caroline van der Plas (BBB), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Past het volgens u bij de wens van de Kamer voor meer uniforme normen met betrekking tot opkomsttijden, dat de veiligheidsregio Noord-Holland Noord eigenstandig de opkomsttijd verruimt van 6 naar maar liefst 18 minuten voor niet-zelfredzame personen?1 2
In mijn brief van 8 juli 2022 heb ik u geïnformeerd over de systematiek van de gebiedsgericht opkomsttijden.3 Binnen de wettelijke kaders bepalen de besturen de ambities en het kwaliteitsniveau van de veiligheidsregio. Dit wordt vastgelegd in het regionale beleidsplan. Zij baseren zich daarbij op een regionaal risicoprofiel, dat onder verantwoordelijkheid van het bestuur in afstemming met de gemeenteraden tot stand komt.
Het halen van opkomsttijden is een van de elementen om effectieve en hoogwaardige brandweerzorg te realiseren. Ik acht het dan ook van groot belang dat veiligheidsregio’s hier hun verantwoordelijkheid in nemen. Ik heb u in mijn brief van 8 juli 2022 geïnformeerd over de systematiek van de gebiedsgerichte opkomsttijden. De systematiek van gebiedsgerichte opkomsttijden wordt opgenomen in het besluit Veiligheidsregio’s als voldaan is aan een aantal randvoorwaarden, waaronder het jaarlijks informeren van de betreffende gemeente over de gerealiseerde brandweerzorg.
Vindt u het wenselijk dat de opkomsttijden zo verruimd worden? Vindt u dat de veiligheid van kwetsbare mensen in noodsituaties zo goed geborgd wordt? Kunt u uw beantwoording niet beperken tot een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat er brandweerkazernes worden gesloten, wettelijke taken worden geschrapt en functies worden aangepast zonder dat de werkvloer hierbij vooraf bij is betrokken? Hoe past dit bij de wens van de Kamer dat de werkvloer meer zeggenschap krijgt bij dit soort verregaande besluiten?3
Het sluiten van kazernes is een proces dat loopt via de gemeenten, de Algemeen Besturen van Veiligheidsregio’s. Het betrekken van de werkvloer is hierbij van groot belang. Ik heb van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord begrepen dat nu eerst gesprekken met onder meer de werknemers en de gemeenten worden gevoerd en dat nadere planvorming is uitgesteld tot volgend jaar.
Hoe beoordeelt u de opmerking van het algemeen bestuur van de veiligheidsregio Gelderland-Midden, dat het maken van lokale maatwerkafspraken het uitgangspunt van een regionale brandweerzorg kan ondergraven?4
Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de brandweerzorg. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is. Actieve betrokkenheid van de gemeenteraad is hierbij van belang. Aan de hand van het vastgestelde dekkingsplan legt het bestuur jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraden binnen de regio. Hierbij is halen van in het dekkingsplan vastgestelde opkomsttijden en de gerealiseerde brandweerzorg geen vrijblijvende kwestie.
In hoeverre vindt u de zeggenschap van lokale volksvertegenwoordigers geborgd in de structuur van de veiligheidsregio? Vindt u het wenselijk dat door de huidige getraptheid van de controle op de veiligheidsregio’s de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord verregaande besluiten neemt zonder de lokale volksvertegenwoordiging te betrekken?
De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft aangegeven in de planvorming de gemeenteraden goed mee te nemen. Zo zijn in de eerste helft van juli regionale raadbijeenkomsten voor de raadsleden van de 16 gemeenten en zal een toekomstig plan via de zienswijze procedure langs de gemeenteraden gaan.
De slagkracht van een veiligheidsregio wordt door de Veiligheidsregio’s binnen het wettelijke kader, in dit geval het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr)6, vastgesteld. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de brandweerzorg. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is aan bijvoorbeeld tankautospuiten of ondersteuningseenheden. Actieve betrokkenheid van de gemeenteraad is hierbij van belang. Aan de hand van het vastgestelde dekkingsplan legt het bestuur jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraden binnen de regio.
Bent u bereid met de veiligheidsregio Noord-Holland Noord in gesprek te gaan over uw voornemen tot wettelijke normeringen, zeggenschap van de werkvloer bij ingrijpende beslissingen en het betrekken van het lokale bestuur? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb het bestuur van de Veiligheidsregio uitgenodigd voor een gesprek.
Hoe is het volgens u mogelijk dat veiligheidsregio’s verregaande besluiten kunnen nemen om bijvoorbeeld kazernes te sluiten, terwijl er blijkbaar geen informatie voorhanden is over het aantal voertuigen, vrijwilligers of ander materieel? Op basis van welke informatie worden deze beslissingen dan genomen?5
Gegevens over het aantal voertuigen of ander materiaal worden niet door mijn ministerie geregistreerd. In mijn brief van 8 juli ben ik nader ingegaan op de brandweerkerndata.8
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed, inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren.
Vindt u het wenselijk dat veiligheidsregio’s onder de noemer van experimenten, pilots en «innovatieve inzetconcepten» ongecontroleerd fundamentele en grootschalige organisatorische wijzigingen kunnen doorvoeren, die feitelijk een systeemaanpassing zijn en niet in lijn zijn met de huidige wet- en regelgeving? Bent u bereid deze «innovatieve inzetconcepten» te stoppen voordat de brandweerzorg dusdanig is verslechterd dat het gevaar voor mensen oplevert en veel (onherstelbare) schade binnen de brandweerorganisatie oplevert?6
Ik ben het met u eens dat experimenten met gebiedsgerichte opkomsttijden de brandweerzorg op een gelijkwaardig niveau moet houden. Graag wijs ik erop dat de kwaliteit van de brandweerzorg de verantwoordelijkheid van de besturen van de veiligheidsregio’s is. Zij leggen daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Ik onderschrijf uiteraard dat het behoud van de huidige kwaliteit van brandweerzorg van groot belang is. Daarbij hecht ik eraan dat de besturen van de veiligheidsregio’s realistische opkomsttijden vaststellen.
Hebben de voorgenomen plannen van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord effect op de rampenbestrijding rondom het marineterrein in Den Helder? Zo ja, hoe? Zo nee, is er voldoende afstemming tussen de brandweerorganisatie die verantwoordelijk is voor de brandweerzorg op en rondom het marineterrein en de veiligheidsregio?
De veiligheidsregio Noord-Holland Noord geeft aan dat de ontwikkelrichting geen effect heeft op de rampenbestrijding rondom het marineterrein in Den Helder.
Hoe is het volgens u mogelijk dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord niet weet wat er uit het eigen dekkingsplan van 2015 volgt, zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 3 in de aangehaalde beantwoording van eerdere schriftelijke vragen?7
In de eerdere beantwoording van schriftelijke vragen inzake het schrappen van materieel en personeel heb ik aangegeven dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord de aantallen niet herkent. In antwoord drie staat dat de Veiligheidsregio nu eerst in gesprek gaat, voordat er verdere stappen worden gezet.
Bent u bereid om alsnog een overzicht te verschaffen van de bezuinigingen van de afgelopen 10 jaar op de brandweer, per veiligheidsregio, zoals eerder gevraagd? Zo nee, waarom niet?8
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed, inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Voor informatie over bezuinigingen op de brandweer in de veiligheidsregio’s verwijs ik u naar de begrotingen van de afzonderlijke veiligheidsregio’s. Dit zijn openbare documenten.
Wanneer wordt het «integraal wettelijk kader» voor de crisisbeheersing en brandweerzorg verwacht?
Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat van 24 maart 202212 stuur ik de contourennota voor het eind van dit jaar naar de Kamer.
In hoeverre ziet u een rol voor het CBS om de data van de brandweerzorg weer bij te houden en openbaar te maken?
Vanwege opgelegde taakstellingen heeft het CBS in 2016 besloten om de uitvoering van de niet verplichte Brandweerstatistiek per 2018 te stoppen. Vanaf 2019 heeft het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) namens de veiligheidsregio’s de verantwoordelijkheid voor de dataverzameling en statistieken van de veiligheidsregio’s en het openbaar maken hiervan. Daarbij maakt het NIPV gebruik van de specialistische kennis en ervaring van het CBS. De samenwerking met het CBS is in 2018 vastgelegd en de zogenaamde data-alliantie13. Vakinhoudelijke kennis van het NIPV en de veiligheidsregio’s kunnen zo gecombineerd worden met de opgebouwde kennis van het CBS.
Naast de rol die het CBS momenteel heeft om advies te geven wanneer het NIPV hier om vraagt, zie ik om bovenstaande redenen geen rol voor het CBS om de data van de brandweerzorg weer bij te houden en openbaar te maken.
Herinnert u zich dat uit onderzoek van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) blijkt dat er volgens de veiligheidsregio’s zelf 953 brandweerposten waren, eind 2020, terwijl dat er in 1995 volgens het CBS nog 1053 waren? Hoe verklaart u dit en kunt u daarbij de bevolkingsdichtheid meenemen?9
De afname van 9,5% in het aantal brandweerposten over de 25 jaar tussen 1995 en 2020 is te verklaren doordat binnen deze tijd voormalige ca. 400 gemeentelijke brandweerkorpsen, bestaande uit ca. 1.000 lokale posten, zijn samengevoegd tot 25 brandweerregio’s. Sommige posten zijn gesloten, omdat zij werden verplaatst, samengevoegd of dat er een nieuwbouw voor in de plaats werd gerealiseerd. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in 2010 is het aantal posten overigens beperkt afgenomen. Per 1 januari 2018 telt Nederland 951 brandweerposten. In de periode 2009–2017 zijn 21 kazernes gesloten. Enkelen daarvan zijn heropend op een nieuwe locatie of samengevoegd. Er werden in de gehele periode 2009–2017 14 nieuwe brandweerkazernes geopend15.
Deze afname in het aantal posten ten opzichte van de toename in bevolkingsdichtheid zegt overigens weinig over de geleverde brandweerzorg. In deze 25 jaren zijn er bijvoorbeeld veel nieuwe technologische ontwikkelingen geweest die het werk van de brandweer effectiever en efficiënter maken, zoals inzet van drones en blusrobots. Verder zijn posten over de jaren een beter netwerk gaan vormen waarin ze elkaar door een slimme samenstelling en spreiding ondersteunen en versterken.
Wat vindt u ervan dat uit de reacties op het onderzoek van de SP naar de brandweer naar voren kwam dat er voor brandweervrouwen, die soms kleiner van stuk zijn, niet altijd passende beschermingsmiddelen beschikbaar zijn en veiligheidsregio’s dit niet altijd adequaat oppakken? Deelt u de mening dat alle brandweerlieden veilig hun werk moeten kunnen doen?
Ik deel uw mening dat hulpverleners altijd veilig hun werk moeten kunnen doen. De veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor de uitrusting van alle brandweermensen.
Begrijpt u dat, zeker gezien de wens dat vrouwen zich welkom voelen bij de brandweer en het lage percentage werkzame brandweervrouwen, dit soort moeilijkheden waar brandweervrouwen in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen, demotiverend kunnen werken? Bent u bereid erop toe te zien dat veiligheidsregio’s verplicht zijn voor passende beschermingsmiddelen te zorgen voor alle brandweerlieden? Zo nee, waarom niet?10
Het bestuur van de Veiligheidsregio dient als verantwoordelijk werkgever zorg te dragen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en dat conform artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet deze geborgd is met persoonlijke beschermingsmiddelen.
De antwoorden op Kamervragen over ondermaatse motoriek basisschoolleerlingen |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de verschillen in vaardigheden na afronding van de post-initiële-hbo-opleiding bewegingsonderwijs enerzijds en het volgen van een volledige opleiding aan de ALO anderzijds?1.
Beide opleidingen voorzien in een startbekwaamheid om bekwaam bewegingsonderwijs te geven in het primair onderwijs. Afgestudeerden van de post-initiële-hbo-opleiding bewegingsonderwijs die werken als vakspecialist met een minimale omvang van 0,2 fte hebben meer kennis van pedagogie, psychologie en andere vakgebieden. Hierdoor zijn er meer mogelijkheden tot afstemming en samenhang. Afgestudeerden van de ALO hebben meer kennis over bewegingswetenschappelijke kwesties, diverse theorieën over motorisch leren, motorische ontwikkeling, motorische remedial teaching en talentontwikkeling.
Het uitgangspunt van de post-initiële-hbo-opleiding is vanaf de start (2003) dat zij over dezelfde vaardigheden en competenties beschikken voor het lesgeven in bewegingsonderwijs in het primair onderwijs als afgestudeerden van de ALO. In 2008 is de omvang van de opleiding teruggebracht van 800 naar 600 uur, hierdoor zijn onder andere stage-uren, theorie over motorische ontwikkeling en kennis van motorische remedial teaching verminderd of verdwenen. In 2018 is het opleidingskader herzien en is er meer aandacht voor buitenactiviteiten rond de school, veiligheid en ongevallen.
Beschikt u over onderzoeksresultaten die aantonen dat een docent met een post-initiële-hbo-opleiding even effectieve gymlessen geeft als een docent die een opleiding aan de ALO heeft gevolgd? Zo niet, kunt u hier onderzoek naar doen?
Het Mulier Instituut deed onderzoek naar het verschil tussen vakleerkrachten en groepsleerkrachten met een bevoegdheid bewegingsonderwijs. Hierin kwam naar voren dat ouders en kinderen tevreden zijn over de aandacht die de groeps- en vakleerkracht bewegingsonderwijs heeft voor het geluk en de gezondheid van de kinderen. Het lijkt hiervoor niet uit te maken of een vakleerkracht of een groepsleerkracht met bevoegdheid het bewegingsonderwijs verzorgt.
Onder regie van de Inspectie van het Onderwijs wordt in schooljaar 2023/2024 een peilingsonderzoek uitgevoerd naar de beweegcompetenties van leerlingen einde basisonderwijs. Onderdeel van dit onderzoek vormt het in kaart brengen van de samenhang van deze beweegcompetenties met achtergrondkenmerken van leerlingen, leerkrachten en scholen (inclusief het bewegingsonderwijs op de scholen). Net als bij Peil. Bewegingsonderwijs 2016/2017 is gedaan, zal ook nu gekeken worden naar de samenhang tussen de beweegcompetenties en het type leerkracht (vakleerkracht, vakspecialist of (on)bevoegde groepsleerkracht) dat de lessen bewegingsonderwijs verzorgt.
Wat doet u beleidsmatig met alle rapporten die wijzen op de meerwaarde van leskrijgen van een ALO-opgeleide vakdocent bewegingsonderwijs? Heeft hier reeds een inventarisatie plaatsgevonden welke meerwaarde de ALO-opgeleide vakdocent heeft? Indien deze inventarisatie nog niet heeft plaatsgevonden, bent u bereid deze op korte termijn te doen en de resultaten met de Kamer te delen?
Ik heb werkdrukmiddelen en middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs beschikbaar gesteld aan scholen waarmee onder andere vakleerkrachten (bewegingsonderwijs) aangesteld kunnen worden. Daarnaast stimuleer ik de inzet van vakleerkrachten bewegingsonderwijs door middel van de Brede Regeling Combinatiefunctie. Deze middelen hebben invloed gehad op de stijging in de inzet van vakleerkrachten.
Het Mulier Instituut heeft geïnventariseerd welke meerwaarde de ALO-opgeleide vakdocent heeft. Deze inventarisatie wordt als bijlage bij deze beantwoording meegestuurd.2
Welke beleidsmatige voorstellen zijn de afgelopen jaren gedaan met betrekking tot de ALO-opgeleide vakdocent bewegingsonderwijs gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is de invoering van twee uur verplicht bewegingsonderwijs voldoende om het percentage kinderen met ondermaatse motoriek van 24% substantieel verder te laten dalen? Zo ja, waar is dit op gebaseerd? Zo nee, wat gaat u doen om dit percentage wel verder te laten dalen en is hier voor de ALO-opgeleide vakdocent een prominente rol weggelegd?
Goed bewegingsonderwijs door een bevoegde en bekwame leerkracht is van belang. Ik vind dat scholen naast de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, in de gaten moeten houden hoe het is gesteld met de motorische vaardigheden. Twee uur bewegingsonderwijs per week is echter niet voldoende om kinderen met ernstige achterstanden in de motorische vaardigheden op een voldoende niveau te brengen. Dit kan alleen als er ondersteuning door middel van fysiotherapie, motorische remedial teaching en/of extra beweegmoment plaatsvindt.
Voor leerlingen met ernstige motorische achterstanden of belemmeringen kan de school bekijken of meer ondersteuning nodig en mogelijk is, eventueel met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs. De intern begeleider of ondersteuningscoördinator kan leraren, ouders en leerlingen begeleiden bij het organiseren van de goede hulp.
Scholen die extra motorische achterstanden bij hun leerlingen constateren na de periode van thuisonderwijs, ten gevolgen van corona, moeten zich ervoor inzetten deze in te halen. Dat kan met gebruikmaking van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs.
Deelt u de mening dat het aannemen en opleiden van meer ALO-docenten helpt bij het oplossen van het lerarentekort?
Meer vakleerkrachten zijn in mijn ogen niet direct een oplossing voor het lerarentekort. In de praktijk is er door een vakleerkracht juist een dubbele bezetting (groepsleerkracht én vakleerkracht) die bekostigd moet worden.
De inzet van meer vakleerkrachten (zoals voor bewegingsonderwijs) kan wel bijdragen aan het verminderen van de werkdruk van leerkrachten. Door de inzet van vakleerkrachten kan tijd vrijgespeeld worden voor het onderwijzend personeel voor taken buiten het lesgeven.
Wat gaat u doen om scholen ertoe te bewegen meer ALO-docenten aan te nemen?
Mijn prioriteit is om te zorgen dat de verplichte twee lesuren bewegingsonderwijs gegeven worden door een bevoegde leerkracht. De keuze voor een ALO-docent of een groepsleerkracht, ligt bij de school, en ik vind dat scholen hier gedegen afwegingen in moeten maken en strategisch personeelsbeleid bij moeten voeren. Zoals eerder genoemd kunnen de werkdrukmiddelen en de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs ingezet worden voor het aannemen van vakleerkrachten (zoals voor bewegingsonderwijs), bovenop de bekostiging die scholen natuurlijk al ontvangen.
Dit schooljaar informeer ik het onderwijsveld over de urennorm bewegingsonderwijs. Dit doe ik samen met de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO), Vereniging Sport en Gemeenten (VSG), PO-Raad en ALO Nederland. Daarbij zal ik benadrukken welke meerwaarde een vakleerkracht bewegingsonderwijs kan hebben.
Het informeren van de Kamer |
|
Lisa Westerveld (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Snels (GroenLinks) over het informeren van de Kamer (ontvangen op 18 april 2018)?1
Ja.
Deelt u nog steeds de mening dat alvorens de media geïnformeerd worden over een kabinetsplan, eerst de Kamer geïnformeerd dient te worden?
Een zorgvuldige informatievoorziening van beide Kamers is in het licht van artikel 68 Grondwet essentieel in de verhouding tussen de regering en Kamers. Daarbij hoort dat de regering de Kamers zo snel als redelijkerwijs mogelijk informeert over relevante zaken. Op deze wijze is het voor leden mogelijk zich op basis van officiële stukken een goed oordeel te vormen.
Hoe vindt u dat het sinds de beantwoording van genoemde schriftelijke vragen is gegaan met het naleven van de werkafspraken tussen kabinet en Kamer over de wijze van informeren van de Kamer?
De voornoemde beginselen zijn nog steeds leidend voor leden van dit kabinet.
Hoe vaak heeft u sinds de beëdiging van dit kabinet bewindslieden gewezen op het feit dat plannen altijd eerst naar de Kamer moeten worden gestuurd voordat de media worden geïnformeerd?
Zie het antwoord op vraag 2. Voorts merk ik op dat de voorzitter van de Tweede Kamer in een brief van 24 januari 2022 inzake bij alle bewindspersonen aandacht heeft gevraagd voor informatievoorziening en werkafspraken. Deze brief is in het kabinet besproken en hierop heb ik, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een antwoord aan u toegezonden op 4 mei 2022.
Kunt u zich voorstellen dat Kamerleden hun werk niet goed kunnen doen, wanneer zij moeten reageren op berichtgeving in de media terwijl de informatie nog niet aan de Kamer is gezonden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het feit dat een bewindspersoon graag in de media wil optreden (bijvoorbeeld interview in een krant of een optreden in een televisie-uitzending) over een kabinetsplan het niet rechtvaardigt dat media voordat een kabinetsplan naar de Kamer wordt gestuurd van het kabinetsplan (onder embargo) op de hoogte worden gesteld? Zo nee, waarom acht u een media-optreden en/of het onder embargo naar de media sturen van een kabinetsplan belangrijker dan het tijdig informeren van de Kamer? En op welke wijze acht u dit passen binnen de werkafspraken met de Tweede Kamer?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Raming van de Kamer (gepland op 20 juni 2022)?
Ja.
Burgerschapsonderwijs |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Inspectie keurt plannen voor nieuwe scholen af: «Het bestuur had nauwelijks concrete leerdoelen geformuleerd»», «Burgerschapsonderwijs is een struikelblok voor nieuwe scholen», «Meeste initiatieven voor nieuwe middelbare scholen afgewezen vanwege kwaliteit burgerschapsonderwijs» en «Geen nieuwe middelbare school voor Kerkrade. Martin Buber-droom valt in duigen: «Dit is een slag in ons gezicht»»?1
Ja.
Bent u van mening dat het Advieskader nieuwe scholen 2021 ten aanzien van burgerschapsonderwijs (indicator D1) de eerdere kritiek ondervangt dat de normen voor burgerschapsonderwijs te vaag zouden zijn? Zo ja, kunt u aangeven waarin de duidelijkheid en (rechts)zekerheid bestaan die het nieuwe kader biedt? Is de huidige werkwijze een toonbeeld van voorspelbaarheid en transparantie?
Per 1 augustus 2021 is de wettelijke burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs verduidelijkt en aangescherpt. Het Advieskader van de Inspectie van het Onderwijs ten aanzien van nieuwe scholen sluit zeer nauw aan bij die wettelijke opdracht en de daarin geformuleerde eisen. Het betreft samengevat de volgende eisen. Het onderwijs moet actief burgerschap en sociale cohesie bevorderen. Dat betekent: de school moet de basiswaarden en de ontwikkeling van de sociale en maatschappelijke competenties op «doelgerichte» en «samenhangende wijze» bevorderen. Het bestuur moet daarnaast zorgdragen voor een schoolcultuur waarin basiswaarden worden aangeleerd en deze kunnen worden geoefend. Het Advieskader geeft daarbij aan dat een aanvraag daarom een beschrijving moet bieden van de wijze waarop het burgerschapsonderwijs vormgegeven zal worden, zodanig dat inzichtelijk is hoe dit onderwijs doelgericht en samenhangend vorm krijgt.
Aanvragen waarin de beoogde onderwijsdoelen («doelgericht») én de opbouw van het aanbod («samenhangend») voldoende duidelijk worden beschreven, voldoen. De stelselmatige toepassing van deze op de wet gebaseerde eisen verschaft de (rechts)zekerheid die van belang is. Daarbij is ruimte om per school op een eigen, binnen het klimaat van de nieuwe school passende wijze, vorm te geven aan de manier waarop de onderwijsdoelen en de opbouw van het aanbod worden vormgegeven.
De transparantie en voorspelbaarheid zijn verder geborgd door andere voorzieningen zoals opgenomen in de werkwijze in het Advieskader, zoals de mogelijkheid voor aanvragers tot een gesprek, het geven van een toelichting en het hoor en wederhoor bij het concept-verslag.
Kunt u aangeven welke lijst van elf bouwstenen de inspectie gebruikt voor het beoordelen van burgerschapsvorming? Waarom is deze lijst niet te vinden in het Advieskader?
De toetsing van indicator D1 vindt plaats op de in vraag 2 beschreven werkwijze. Indien met de 11 bouwstenen gedoeld wordt op producten die in het kader van het ontwikkelproces curriculum.nu verschenen zijn: dit zijn geen eisen waar de inspectie op toetst (zie ook het antwoord op vraag 2 en 9).
Vindt u het wenselijk dat aanvragen onder meer worden afgewezen, omdat het burgerschapsonderwijs nog niet tot op vakniveau en de keuze van lesmethodes is uitgewerkt? Hoe is deze toespitsing tot op vakniveau te verenigen met de keuze van de wetgever om niet te bepalen op welke wijze en bij welke vakken het burgerschapsonderwijs aan bod komt?
Ik vind het wenselijk dat aanvragen worden afgewezen als deze niet aan de daaraan gestelde eisen voldoen. De inspectie oordeelt daarover als onafhankelijke partij. Een uitwerking op vakniveau of lesmethoden zijn geen eisen. Dergelijke keuzes zijn aan de school. Dit is ook niet zoals de inspectie naar bestaande scholen kijkt of aanvragen voor nieuwe scholen toetst. Met de aanvraag moet inzichtelijk gemaakt worden dat aangenomen kan worden dat het onderwijs zoals de school dat van plan is te geven, doelgericht en samenhangend zal zijn. Hoe de school aan deze wettelijke eisen wil voldoen, is aan de school. Of het onderwijs doelgericht is, blijkt uit de formulering van geconcretiseerde leerdoelen die de school bereiken wil voor bevordering van basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Of het onderwijs samenhangend is, blijkt uit de logische opbouw van de leerstof en aanpak waarmee de school de leerdoelen bereiken wil.
Wat is uw reactie op de kritiek van scholen dat de inspectie een veel te gedetailleerde uitwerking van het burgerschapsonderwijs vraagt voor de fase waarin deze initiatieven zich bevinden? Hoe zijn zulke concrete eisen op een geloofwaardige manier te herleiden tot het wettelijk kader en hoe wordt rekening gehouden met het feit dat bestaande scholen een jaar respijt krijgen bij invoering van de nieuwe wet?
Zoals toegelicht in antwoord 2 vraagt de inspectie geen gedetailleerde uitwerkingen, hoewel ik mij kan voorstellen dat scholen dit wel zo ervaren. Gezien het belang dat uw Kamer en ik hechten aan goed burgerschapsonderwijs is het van groot dat belang dat de inspectie toetst of mag worden aangenomen dat de bevordering van burgerschap, zoals beschreven in de aanvraag, doelgericht en samenhangend zal zijn.
Het is zaak dat scholen vóór zij gesticht worden, goed nadenken over burgerschapsonderwijs. Bestaande scholen hebben een jaar respijt gekregen omdat het gaat om nieuwe eisen die mogelijk een wijziging in bestaand beleid inhouden. Dat kost tijd. Een nieuwe, nog te stichten school, kan vanaf het begin rekening houden met de nieuwe eisen aan het burgerschapsonderwijs.
Dat betekent dat van zowel bestaande als nieuw te stichten scholen vanaf schooljaar 2022/23 aan de wettelijke eisen moeten voldoen, waarbij voor de beoordeling (in 2021/22) van aanvragen voor nieuwe scholen geldt dat deze, conform het Advieskader, aannemelijk maken dat het onderwijs doelgericht en samenhangend zal zijn.
Bent u ermee bekend dat er aanvragen zijn die op zeer concreet niveau overzicht bieden van thema’s, leerdoelen en leerlijnen van het burgerschapsonderwijs en die toch zijn afgewezen? Kunt u zich voorstellen dat voor betrokkenen niet duidelijk is wat zij dan nog meer moeten doen? Op welke wijze gaat u er ook voor zorgen dat de inspectie beter communiceert over doelen en verwachtingen?
De eisen die worden gehanteerd zijn weergegeven in het antwoord bij vraag 2. Het kan voorkomen dat door initiatieven onvoldoende inzicht wordt gegeven in bedoelde eisen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als wel allerlei thema’s worden genoemd, maar niet wordt uitgewerkt welke leerdoelen de te starten school wil realiseren. Daarbij krijgen scholen voldoende vrijheid om het plan aan te laten sluiten op hun eigen inrichting. De beoordelingsprocedure laat ook zien dat relatief beperkte uitwerkingen tot een positief advies kunnen leiden. Dat maakt duidelijk dat de hoeveelheid informatie niet relevant is. Wel relevant is of de aanvrager voldoet aan bovenbedoelde wettelijke eisen.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 biedt de wetswijziging reeds de verduidelijking omtrent de burgerschapsopdracht. Aansluitend daarop heeft de inspectie haar werkwijze in het Advieskader, dat door mij is vastgesteld, duidelijk beschreven. Ik heb van de inspectie begrepen dat zij, om initiatiefnemers verder te helpen bij de voorbereiding van een aanvraag, in aanvulling op voornoemde punten in de volgende ronde bovendien een voorlichtingsbijeenkomst in september zal organiseren.
Ik wil er tevens op wijzen dat de nieuwe stichtingsprocedure niet alleen tot doel heeft om het scholenaanbod beter te laten aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen, maar ook beoogt de kwaliteit van nieuwe scholen te waarborgen en te voorkomen dat er initiatieven met onvoldoende kwaliteit starten. Dat vind ik van groot belang voor alle leerlingen.
Tot slot wil ik benadrukken dat de evaluatie van de nieuwe stichtingsprocedure al in de zomer van 2021 is gestart. De tussenrapportage volgt in december 2023 en de eindrapportage in december 2025. In de tussentijd schroom ik niet om wijzigingen door te voeren zoals het vrijgeven van ouderverklaringen bij een bezwaar, het verbod op een beloning voor een ouderverklaring of het verlengen van de periode waarin ouderverklaringen kunnen worden ingediend. Ook start mijn ministerie in september een werkgroep met gemeenten om de rol van gemeenten in de stichtingsprocedure te verduidelijken en verbeteren. Ik licht uw Kamer, begin november, nader in over deze trajecten. Op dat moment informeer in uw Kamer ook over het aantal initiatiefnemers dat daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend voor een nieuwe po- of vo-school.
Hoe is de lijn van de inspectie dat scholen al in deze vroege fase duidelijkheid moeten bieden tot op de keuze van lesmethodes te verenigen met het feit dat zulke keuzes juist pas goed gemaakt kunnen worden in afstemming met het personeel en conform de geldende vereisten van betrokkenheid en medezeggenschap?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe reageert u op de kritiek van betrokkenen dat de inspectie de werkwijze zeer summier motiveert, ondanks toezeggingen geen hoor en wederhoor toepast en zonder uitleg afwijzingen uitdeelt? Bent u ook van mening dat de inspectie op grond van het motiveringsbeginsel concreet dient aan te geven waarom documenten die het burgerschapsonderwijs beschrijven niet toereikend zijn?
De inspectie heeft mij laten weten zich niet te herkennen in de kritiek waarnaar in de vraag wordt verwezen. Aan alle initiatiefnemers is de mogelijkheid tot hoor- en wederhoor geboden op het verslag. Ik hecht er waarde aan dat de inspectie de adviezen schriftelijk heeft gemotiveerd, en initiatiefnemers de gelegenheid biedt om een nadere toelichting te vragen. Ook worden alle aanvragers, in het besluit gewezen op de mogelijkheden voor bezwaar en beroep. Meerdere aanvragers maken gebruik van deze mogelijkheid.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat initiatieven voor nieuwe scholen in detail op burgerschap worden beoordeeld, terwijl u in het masterplan basisvaardigheden zelf schrijft dat voor burgerschap nog nauwelijks onderwijsdoelen bekend zijn?2
Ik deel, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 4 en 5, niet de opvatting dat initiatieven voor nieuwe scholen in detail op burgerschap worden beoordeeld. De aangescherpte burgerschapsopdracht is voldoende duidelijk over de eisen die aan het burgerschapsonderwijs worden gesteld, waarbij het Advieskader aangeeft welke werkwijze de inspectie hanteert voor het advies bij aanvragen voor nieuwe scholen. In de aangehaalde passage uit het masterplan basisvaardigheden wordt gedoeld op het feit dat de curriculumherziening nog gaande is. In dat traject worden ook de kerndoelen met betrekking tot burgerschap herzien. Tot dat moment bevatten ook de huidige kerndoelen inhouden die relevant zijn burgerschap.
Het bericht ‘Peuk peperduur; kabinet: prijsverhoging sigaretten tot 47 euro in 2040’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Peuk peperduur; kabinet: prijsverhoging sigaretten tot 47 euro in 2040»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Klopt het dat u een enorme prijsstijging op pakjes sigaretten door wilt voeren? Zo ja, kunt u dit voornemen toelichten?
Zoals u weet heb ik de Tweede Kamer beloofd om met een uitgewerkt voorstel te komen waarmee we als samenleving de doelen van het Nationaal Preventieakkoord met betrekking tot roken kunnen halen2. Het hoofddoel is een rookvrije generatie in 2040. Een verdergaande accijnsverhoging na 2024 is één van de maatregelen die ik meeneem in mijn verkenning omdat dit wetenschappelijk wordt gezien als een zeer belangrijke maatregel om het aantal rokers terug te dringen.
Deelt u de mening dat het aan de overheid is om voor te lichten over de gevaren van roken, maar dat de keuze uiteindelijk aan de mensen zelf is?
Roken is een ernstige verslaving die veel persoonlijk en maatschappelijk leed veroorzaakt. In 2020 overleden in Nederland bijna achttienduizend mensen door roken.3 Wanneer kinderen die beginnen met roken, blijven roken, is de kans meer dan 50% dat zij aan de gevolgen daarvan zullen komen te overlijden4.
Wanneer iemand verslaafd is, is er geen sprake van een vrije keus. Het kabinet is van mening dat, gezien de gezondheidsschade voor rokers zelf en hun naasten, voorkomen moet worden dat jongeren gaan roken en dat rokers geholpen moeten worden om te stoppen.
Waarom bent u er zo op gedreven om met een suikertaks, vleestaks, verhoging van accijnzen et cetera, zo in te grijpen in de vrije keuze van mensen om te leven zoals zij dat willen?
In ons land heeft ongeveer de helft (50%) van de volwassen overgewicht. Daarnaast is roken nog altijd een belangrijke oorzaak van ziekte en sterfte. Het doel van het kabinet is een gezonde generatie in 2040. In mijn brief van 17 maart jl.5 heb ik aangekondigd dat ik me volop wil inzetten voor een fit, gezond en veerkrachtig Nederland en daar is een sterke en brede preventieaanpak voor nodig met allerlei maatregelen.
Prijsmaatregelen zijn hierin een belangrijk instrument en voor veel onderwerpen die u hierboven aansnijdt bewezen effectief. Dit is ook te vinden in het rapport «Gezondheidsgerelateerde belastingen, Bouwstenen voor een beter belastingstelsel».6 Om te preventieaanpak te versterken is dan ook een aantal prijsmaatregelen aangekondigd in het coalitieakkoord.
Denkt u niet dat mensen die willen roken hun tabak gewoon over de grens gaan halen in België of Duitsland?
Het rapport «Prijsgevoeligheid van rokers» van het RIVM laat zien dat na de accijnsverhoging met 1 euro per 1 april 2020, 11% van de rokers is gestopt, 25% minder is gaan roken, 8% is overgestapt op een goedkoper product en dat 4% rookwaren vaker in het buitenland kocht. Het RIVM concludeert dat er geen grote toename van grenseffecten door de accijnsverhoging heeft plaatsgevonden en denkt dat het niet erg waarschijnlijk is dat een groot deel van de Nederlandse rokers bij verdere prijsstijgingen vaker naar het buitenland zal reizen om daar rookwaren te kopen.7 Het onderzoek is echter wel met onzekerheden omgeven vanwege de samenloop met de tijdelijke, beperkende COVID-19 maatregelen. Het onderzoek liet overigens ook zien dat 20% van de rokers ook al voor de accijnsverhoging van 1 april 2020 altijd of regelmatig rookwaren in het buitenland kocht. Ook het Empty Pack Survey van het Ministerie van Financiën geeft op dit moment geen aanleiding een grote verschuiving naar het buitenland te verwachten.8
Deelt u de mening dat het duurder maken van sigaretten zal gaan zorgen voor meer sigarettensmokkel en meer illegale productie van tabak en dus ook voor meer consumptie van illegale tabak? Zo nee, waarom niet en kunt u dit onderbouwen?
Hogere accijnzen en grotere prijsverschillen kunnen factoren zijn die van invloed zijn op de omvang van de illegale handel in tabaksproducten. Echter andere factoren zoals sociale acceptatie van illegale handel, een hoog corruptieniveau, aanwezigheid van informele distributiekanalen, een gebrek aan inzet om de illegale handel aan te pakken en een inefficiënte douane en belastingadministratie spelen een belangrijkere rol9.
Er zijn bovendien landen die hebben laten zien dat het goed mogelijk is om tegelijkertijd de accijns substantieel te verhogen én de omvang van illegale handel in tabaksproducten terug te dringen10. Daarnaast is er bewijs dat duidt in de richting dat het marktaandeel van illegale handel juist groter is in landen met lage accijns en prijzen dan in landen met hoge accijns en prijzen.11
Teneinde illegale handel in tabaksproducten tegen te gaan heeft Nederland in 2020 Europese regels ingevoerd. Tabaksproducten moeten getraceerd kunnen worden door de hele keten. De verplichting is van toepassing op alle in de EU geproduceerde tabaksproducten en op producten van buiten de EU die voor de Europese markt bestemd zijn.
Tevens is in alle EU-lidstaten een veiligheidskenmerk verplicht gesteld om de authenticiteit van de tabaksproducten beter te kunnen controleren en de strijd tegen de illegale handel in tabaksproducten in de EU te intensiveren. In Nederland is gekozen om het accijnszegel aan te wijzen als veiligheidskenmerk. Voordeel hiervan is dat het hierbij gaat om bewezen technologie (het accijnszegel is zeer goed beveiligd) en dat er optimaal gebruik wordt gemaakt van de ervaring van de Douane in het bestaande toezicht op het gebruik van de accijnszegel.
Ook heeft Nederland in oktober 2020 het protocol tegen illegale tabakshandel bij het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (FCTC) geratificeerd. Het protocol schrijft uiteenlopende maatregelen voor waarmee illegale handel wordt tegengegaan zoals een verplichting om verdachte transacties te melden, controlemaatregelen op de doorvoer van tabaksproducten en internationale samenwerking. Dit is aanvullend op het reeds bestaande toezicht op illegale handel in tabaksproducten door de Douane en FIOD.
Wat vindt u ervan dat het inmiddels voor steeds meer producten loont om naar het buitenland uit te wijken: een tankbeurt, sigaretten, een fles wijn, maar ook voor de normale boodschappen? Heeft dit kabinet niets beters te doen dan het leven van gewone Nederlanders onbetaalbaar te maken?
In mijn brief van 17 maart jl.12 heb ik aangekondigd dat ik me volop wil inzetten voor een fit, gezond en veerkrachtig Nederland en dat daarvoor een sterke en brede preventieaanpak nodig is waarmee we investeren in een gezonde generatie voor 2040. Het RIVM heeft geconstateerd dat er meer nodig is dan in 2018 is afgesproken om de ambities voor 2040 te behalen. Hiertoe bekijk ik zoveel mogelijk samen met partijen hoe we effectieve acties uit het Nationaal Preventieakkoord kunnen aanvullen, intensiveren en versnellen om ons commitment te verzilveren.
Het bericht 'Energieleveranciers moeten btw-verlaging direct doorberekenen' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de btw-verlaging energiegebruikers moet ontlasten en dat energieaanbieders dit niet voor zichzelf dienen te houden?1
Het kabinet deelt het streven dat de belastingverlaging van de btw volledig ten goede komt aan de eindgebruiker.
Erkent u dat het feit dat bij de meeste energieleveranciers klanten zelf in actie moeten komen om te profiteren van de btw-verlaging, de effectiviteit en de doelmatigheid van de btw-verlaging ondermijnt?
Energieleveranciers hebben via Energie-Nederland uitgesproken zich maximaal in te spannen om de btw-verlaging al in 2022 (in meerdere of mindere mate) voor consumenten zichtbaar te maken in hun maandelijkse voorschotten. Voorschotbedragen moeten zo goed mogelijk aansluiten op het eindbedrag op de jaarnota. Het doel daarvan is om consumenten bij de (jaar)afrekening zo min mogelijk bij -of terug te laten betalen. Consumenten worden goed geïnformeerd of hun voorschotbedrag past bij het actuele energieverbruik en de actuele energietarieven. Zij ontvangen adviezen voor eventuele aanpassing van het voorschotbedrag (naar boven of naar beneden). De (stijging van de) energierekening over de tweede helft van 2022 wordt bij de eindafrekening wel degelijk gedempt ook als de maandelijkse voorschotten in 2022 niet omlaag worden aangepast. Het breed verlagen van voorschotten is onwenselijk. Met name omdat de groep en de bedragen die consumenten moeten bijbetalen groter worden. Zeker omdat er momenteel meer consumenten zijn wier voorschotbedragen al te laag zijn als gevolg van de stijgende energietarieven.
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft hier op 29 juni met Energie-Nederland over gesproken. Daarmee is de motie van het lid Van Baarle2 afgedaan.
Begrijpt u dat vanwege de extra administratie en de angst voor een naheffing en de extra administratie veel mensen terughoudend zullen zijn met het terugvragen van hun geld en juist veel huishoudens die de btw-verlaging erg goed kunnen gebruiken hierdoor niet bereikt worden door de regeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om energieleveranciers te verplichten om het voorschot direct door te berekenen aan hun klanten zodat huishoudens ook daadwerkelijk wat hebben aan de btw-verlaging?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat de winst is voor energieleveranciers om de verlaging van de btw niet automatisch toe te passen voor de gebruikers?
Het niet op eigen initiatief aanpassen van de voorschotten door de energiebedrijven levert hoogstens een cashflow-voordeel op omdat de energiebedrijven hebben aangegeven dat verrekening van de btw-verlaging wordt meegenomen in de eindnota’s. Daarnaast is het denkbaar dat energiebedrijven vanuit een prudentieoogpunt voorkeur geven aan een naar boven afgerond voorschot. Op die manier worden in enige mate de risico’s afgedekt die sterk stijgende energieprijzen in een dynamische markt met mogelijk te lage voorschotten oproepen. De (stijging van de) energierekening over de tweede helft van 2022 wordt bij de eindafrekening wel degelijk gedempt ook als de maandelijkse voorschotten in 2022 niet omlaag worden aangepast.
Wat is er gekomen uit uw toegezegde contact met energiebedrijven over hun (coulante) omgang met klanten met betalingsproblemen?
Het kabinet heeft regelmatig contact met de energieleveranciers. Tijdens deze gesprekken wordt ook stevig de maatschappelijke rol die energieleveranciers hebben om huishoudens te ondersteunen bij de hoge energierekening besproken, bijvoorbeeld middels informatievoorziening, energiecoaches en vroegsignalering van betalingsproblemen. Daarbij is het belangrijk dat energieleveranciers goede voorlichting geven over prijzen en contracten.
Net als het kabinet nemen de energieleveranciers de situatie zeer serieus. De energieleveranciers geven aan dat ze actief consumenten benaderen over de problematiek, signaleren vroegtijdig wanneer er betalingsproblemen kunnen ontstaan en werken samen met o.a. gemeenten om oplossingen te bieden.
Zo geven leveranciers aan dat ze hun klanten onder andere actief wijzen op het wijzigen van de voorschotten om een betalingsachterstand en hoge eindafrekening te voorkomen of om bijvoorbeeld de btw-verlaging per 1 juli te verwerken. Daarnaast geven leveranciers aan dat ze klanten wijzen op betalingsregelingen en schuldhulpverlening, om een oplossing te bieden bij betalingsachterstanden. Ook werken leveranciers mee aan het tot stand brengen van schuldhulpregelingen en geven leveranciers de gemeente een signaal wanneer hun eigen inspanningen, zoals persoonlijk contact zoeken en een betalingsregeling aanbieden, de betalingsachterstanden niet oplossen.
Het kabinet blijft in gesprek met een aantal energieleveranciers om betalingsproblemen als gevolg van de gestegen energierekening zo veel mogelijk te voorkomen. In de Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden, waar de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen uw Kamer voor de zomer over informeert, wordt de samenwerking met de energieleveranciers ook benoemd.
Is bekend hoeveel inwoners hun rekening niet meer kunnen betalen en een achterstand of zelfs een afsluiting hebben gekregen in 2021 en 2022? Kunt u dit uit (laten) zoeken?
Uit navraag bij de netbeheerders volgt dat het aantal afsluitingen in 2022 toeneemt ten opzichte van de jaren 2021 en 2020. De afgelopen twee jaar zijn minder mensen afgesloten vanwege de coronacrisis, recent zien netbeheerders de getallen weer toenemen. Betalingsproblemen zijn een belangrijke reden voor het beëindigen van het contract door de leveranciers. De energieleveranciers hebben aangegeven niet over exacte getallen over het aantal klanten met betalingsachterstanden te beschikken. Wel zien zij de aantallen op dit moment langzaam toenemen door de hoge energieprijzen. Om te voorkomen dat mensen in de betalingsproblemen komen bieden energieleveranciers daarom ruimere betaalregelingen en maatwerk voor klanten aan.
Zoals eerder genoemd is het kabinet in gesprek met een aantal energieleveranciers om betalingsproblemen als gevolg van de gestegen energierekening zoveel mogelijk te voorkomen. In de Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden, waar de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen uw Kamer voor de zomer over informeert, wordt de samenwerking met de energieleveranciers ook benoemd.
Aanranding door asielzoekers |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Asielzoeker uit Hardenberg verdacht van aanranding slapende vrouw (19) in trein» en «Asociale asielzoekers beloond met eigen bus»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat asielzoekers die de wet overtreden hun kansen op asiel hebben verkeken en Nederland moeten worden uitgezet? Zo neen, waarom niet?
Ik deel de mening dat er daadkrachtig moet worden opgetreden tegen wetsovertredingen door iedereen, en dus ook asielzoekers. Asielzoekers die in Nederland een misdrijf plegen, worden in Nederland vervolgd. Het is aan de rechter om te oordelen over schuldigverklaring en, bij schuldigverklaring, over een op te leggen sanctie.
Ten aanzien van het beschermingsvraagstuk, is het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland.
Op grond van Europese regelgeving kan de IND de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus echter alleen weigeren of intrekken op grond van openbare orde indien de vreemdeling (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (bijzonder) ernstig misdrijf. Hiervan is sprake als een straf is opgelegd van minimaal zes maanden («ernstig misdrijf» in geval van subsidiaire bescherming) of tien maanden («bijzonder ernstig misdrijf» bij een vluchtelingenstatus). Ook moet er sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap, in artikel C2/7.10.1 van de Vreemdelingencirculaire (Openbare orde als afwijzingsgrond) is een verdere invulling van dit begrip gegeven. Daarnaast dient voor een intrekking van een reeds verleende vergunning gekeken te worden naar de zogenoemde glijdende schaal in het kader van de openbare orde (art. 3.86 Vb). Hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, hoe hoger de straf moet zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te kunnen gaan.
Een veroordeling voor een (bijzonder) ernstig misdrijf kan dus grond zijn om geen verblijfsvergunning te verlenen. Na een afwijzend besluit van de IND start de DT&V het terugkeerproces. Dit kan ook vanuit strafdetentie of vreemdelingenbewaring.
Heeft u de bereidheid om de drie asielzoekers die betrokken zijn geweest bij de aanranding van een vrouw met pek en veren uit te zetten, waarbij de man die de vrouw heeft betast bij schuld eerst zijn straf moet uitzetten? Zo neen, waarom niet?
Zoals gezegd worden asielzoekers die in Nederland een misdrijf plegen, in Nederland vervolgd met als uitgangspunt dat vreemdelingen die misdrijven plegen, niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland.
Momenteel loopt het strafrechtelijk onderzoek. Zoals u bekend, kan ik niet ingaan op individuele zaken.
Zonder strafrechtelijke veroordeling bestaat er geen juridische grondslag om over te gaan tot verblijfsbeëindiging en uitzetting.
Deelt u de mening dat Nederland veel te coulant is richting zich misdragende asielzoekers? Zo neen, hoe duidt u dan het feit dat zich misdragende asielzoekers eerder een eigen bus hebben gekregen?
Nee, die mening deel ik niet. We treden op tegen overlastgevende en criminele asielzoekers. Zo is er een Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS)-protocol waarbij voor alle door vreemdelingen begane strafrechtelijke vergrijpen wordt bezien welke gevolgen deze vergrijpen hebben voor hun verblijfsrecht.
Uiteraard worden desalniettemin maatregelen genomen om overlast verder te beperken.
Naar aanleiding van de overlast op buslijn 73 tussen Emmen en Ter Apel is sinds 2019 een pendelbus ingezet die tussen station Emmen en het aanmeldcentrum in Ter Apel rijdt. Door de inzet van de pendelbus en de inzet van onder andere hosts op het station Emmen is de overlast aanzienlijk afgenomen.
Uitgangspunt is dat deze pendelbus een tijdelijke oplossing is en dat er structurele oplossingen komen voor het overlastprobleem. Ik ben daarom samen met IenW en vervoerders in gesprek over de verdere aanpak van overlast in het openbaar vervoer. Ik informeer uw Kamer zodra deze verdere aanpak gereed is.
Wilt u per heden alle wetsovertredingen van asielzoekers melden aan de Kamer, met daarbij de uitzettingen die u daaraan koppelt? Zo neen, waarom niet?
Ik informeer uw Kamer jaarlijks over incidenten in de migratieketen middels de incidentenrapportage. Daarnaast informeer ik uw Kamer over vertrek via de Staat van Migratie. Deze beide documenten worden uw Kamer op korte termijn. toegezonden. Ik zie geen aanleiding om van deze overeengekomen werkwijze af te wijken.
Het memorandum van het Nationaal Comité 4 en 5 mei |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het fragment in de toelichting van het memorandum over de «De koloniale oorlog in Indonesië», waarin staat: «We herdenken alle Nederlandse en Indonesische slachtoffers die hier vielen.»?
Ja.
Is het juist dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei bij vragen van Kamerleden hierover verwijst naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Kunt u aangeven wie met deze slachtoffers worden bedoeld en waar zij volgens u slachtoffer van zijn?
Sinds 1961 worden alle burgers en militairen die «in het belang van het Koninkrijk zijn gevallen» herdacht. Zowel de Japanse bezetting als de periode 1945–1949 zijn derhalve impliciet al decennia verankerd in de Nationale Herdenking. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) geeft in het memorandum aan dat alle oorlogsslachtoffers van de koloniale oorlog in Indonesië worden herdacht. Dit betreft zowel Nederlandse als Indonesische oorlogsslachtoffers.
Verder geeft het NC bij de kranslegging voor burgerslachtoffers in Azië aan dat er burgers worden herdacht die zijn omgekomen «als gevolg van verzet, internering, oorlogsgeweld, uitputting, honger en dwangarbeid».
Kunt u daarnaast aangeven wat uw overwegingen zijn om deze groep op te nemen in de herdenking en op wiens initiatief of opdracht dit is gebeurd?
Het initiatief is door het NC zelf genomen. Het NC is een onafhankelijke organisatie die zelfstandig besluit over de wijze waarop de herdenking op 4 mei wordt vormgegeven. Dit betreft ook eventuele tekstaanpassingen van het memorandum.
Bent u zich bewust van het feit dat onder «Indonesische slachtoffers» van de «koloniale oorlog» ook Indonesiërs vallen die vochten voor de toenmalige vijand?
Ja.
Bent u zich bewust van het feit dat er zich onder de «slachtoffers» aan Indonesische zijde ook oorlogsmisdadigers bevinden?
Tijdens de Nationale Herdenking staat het herdenken van slachtoffers centraal, dat is niet hetzelfde als zij die vochten en eventuele oorlogsmisdadigers.
Begrijpt u dat het herdenken van deze «Indonesische slachtoffers», met name de «slachtoffers» die vochten voor de toenmalige vijand, op nota bene 4 mei voor veel (Indisch-)Nederlandse slachtoffers zeer pijnlijk is, omdat zij de facto gedwongen worden om de daders van hun leed eer te bewijzen?
Ik ben mij ervan bewust dat er vanuit de Indische gemeenschap verschillend wordt gereageerd op het herdenken van Indonesische slachtoffers tijdens de Nationale Herdenking. Sommige Indische Nederlanders ervaren dit als pijnlijk, anderen spreken hiervoor waardering uit.
Bent u ervan op de hoogte dat Indonesiërs tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog gruwelijk hebben huisgehouden onder aanvankelijk met name (Indische) Nederlanders en dat – ook volgens historici als bijvoorbeeld dr. Herman Bussemaker – dit Indonesische (Bersiap-)geweld allesbepalend is geweest voor de identiteitsvorming van Indische Nederlanders?
Ik ben mij ervan bewust dat zowel in de Tweede Wereldoorlog als de periode daarna burgers en militairen zijn omgekomen en vermoord in voormalig Nederlands-Indië. De periode direct na de Tweede Wereldoorlog, de periode die in Nederland bekend staat als de Bersiap, kenmerkte zich door extreem geweld waarvan vele bevolkingsgroepen slachtoffer waren. Ik besef dat deze verschrikkelijke ervaringen tot op de dag van vandaag doorwerken.
Begrijpt u dat het voor deze groep, waarvan het leed sowieso in ons collectieve geheugen vrij onbekend is, zeer pijnlijk is dat daar nu opnieuw aan voorbij lijkt te worden gegaan?
Bij de Nationale Herdenking worden alle oorlogsslachtoffers herdacht. Het herdenken van de ene groep slachtoffers gaat niet ten koste van het herdenken van andere slachtoffers. Verder zet ik mij ervoor in dat de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië in de Nederlandse samenleving wordt verankerd, inclusief de zwarte bladzijden.
Begrijpt u het gevoel van woede en miskenning van (Indische) Nederlanders, doordat Indonesische daders door het comité nu als slachtoffers worden neergezet?
Ik deel het beeld niet dat het NC nu daders neerzet als slachtoffers. Gevoelens van woede en miskenning jegens gebeurtenissen in het verleden en heden zijn ingewikkeld om volledig en altijd te begrijpen en in alles rekening mee te houden. Maar ik heb zeker begrip voor de wezenlijke plek die deze gevoelens kunnen innemen in het bestaan van de mensen die zich hier miskend voelen.
In hoeverre is het herdenken van slachtoffers van de toenmalige vijand te verenigen met het nationale/Nederlandse karakter van de Nationale Dodenherdenking?
De geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië is een integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. Het herdenken van alle slachtoffers in voormalig Nederlands-Indië sluit derhalve aan bij het karakter van de Nationale Herdenking op 4 mei.
Heeft u hierover contact gehad met vertegenwoordigers van de gemeenschap van Indische Nederlanders en vertegenwoordigers van de Veteranen? Zo ja, met wie en wanneer?
Het NC is een onafhankelijke organisatie die zelfstandig besluit over de wijze waarop de herdenking op 4 mei wordt vormgegeven. Dit betreft ook eventuele tekstaanpassingen van het memorandum en de partijen die hierbij worden betrokken. Het NC is overigens continu in gesprek met verschillende (Indische) organisaties en belangengroepen.
De huisvesting van onderwijsexpertisecentrum De Berkenschutse |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is u bekend dat de gemeente Heeze-Leende de nieuwbouw van Onderwijsexpertisecentrum De Berkenschutse niet kan betalen?
Op 4 juni 2021 heeft de Minister voor Basis- en Voortgezet en Media een brief ontvangen van de burgemeester van de gemeente Heeze-Leende, de Raad van Bestuur Kempenhaeghe en de Directeur van Brainport Eindhoven. In de brief staat dat de onderwijshuisvesting van de Berkenschutse aan vervanging toe is en dat de gemeente niet over voldoende middelen beschikt om nieuwbouw te realiseren. Het concrete verzoek in de brief van 4 juni 2021 is om extra geld te ontvangen aanvullend op de vergoeding die de gemeente jaarlijks krijgt voor onderwijshuisvesting. Ook wordt gevraagd voor het schoolbestuur de ruimte te creëren om mee te betalen aan nieuwbouw.
In 2020 en 2021 hebben er meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen OCW, de gemeente Heeze-Leende en het bestuur van de Berkenschutse. Daarbij zijn de mogelijkheden onderzocht om aan het verzoek tegemoet te komen.
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente te voorzien in passende huisvesting van de school, die voldoet aan de wettelijke vereisten, zoals opgenomen in het Bouwbesluit. De reguliere oplossing in een dergelijke situatie is dat de gemeente geld reserveert of geld leent voor nieuwbouw van de school en vervolgens de rente en aflossing ten laste van de huisvestingsvergoeding brengt. De Wet op de Expertise Centra biedt geen ruimte aan schoolbesturen om mee te betalen aan nieuwbouw, tenzij het gaat om aanvullende investeringen die uitgaan boven de verplichting die de gemeente heeft.
Naar aanleiding van de brief heeft in oktober 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen de Directeur Primair Onderwijs en de burgemeester van Heeze-Leende. De burgemeester heeft gevraagd of een ambtelijke delegatie van OCW de situatie van de school wil bekijken. Het bezoek staat gepland op 1 juli 2022.
Deelt u de mening dat De Berkenschutse een unieke school is met een belangrijke bovenregionale functie, doordat de school onderwijs biedt aan bijvoorbeeld langdurig zieke leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen, leerlingen met epilepsie en leerlingen met een autismespectrumstoornis?
De Berkenschutse is een onderwijsexpertisecentrum voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dat onderwijs, vorming en begeleiding biedt aan leerlingen met epilepsie, langdurig zieke leerlingen (LZK), zeer moeilijk lerende leerlingen (ZML), ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen (EMB) en leerlingen met een autismespectrum stoornis (ASS). Een grote school voor speciaal onderwijs zoals de Berkenschutse heeft een bovenregionale, landelijke functie, maar dat is niet uniek.
Hoe verklaart u dat de gemeente Heeze-Leende onvoldoende budget heeft om adequate, toekomstbestendige huisvesting van deze school te realiseren?
Gemeenten ontvangen via de algemene uitkering van het gemeentefonds middelen voor hun taken waaronder onderwijshuisvesting. Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen, hangt af van hun kenmerken en belastingcapaciteit. Deze kenmerken heten maatstaven. Elke maatstaf heeft een bedrag voor elke «eenheid». Het gemeentefonds kent onder andere als maatstaven leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en onderwijsachterstand.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor (ver)nieuwbouw en schoolbesturen voor de materiële instandhouding van schoolgebouwen. Vanuit die verantwoordelijkheid mag van gemeenten en schoolbesturen worden verwacht dat zij in het proces van planvorming, uitvoering en onderhoud van nieuwe huisvesting goed met elkaar optrekken, rekening houdend met de bestaande bestuurlijke en financiële kaders die tot hun beschikking staan.
Deelt u de zorg dat het niet kunnen realiseren van voornoemde huisvesting ertoe zal leiden dat kwetsbare kinderen niet meer het onderwijs en de zorg kunnen ontvangen die ze hard nodig hebben, waardoor ze uit het schoolsysteem dreigen te vallen en waardoor hun kansen om uiteindelijk volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving drastisch worden ingeperkt?
Ik ga er van uit dat de Berkenschutse er ondanks de uitdaging met betrekking tot de huisvestingssituatie alles aan doet om onderwijs en zorg te bieden aan de leerlingen op hun school.
Hoeveel geld krijgen gemeenten voor huisvesting van scholen via het gemeentefonds per ingeschreven leerling in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, speciaal voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs? Van welke factoren hangt dit af?
Zoals bij vraag 3 aangegeven ontvangen gemeenten via de algemene uitkering van het gemeentefonds middelen voor hun taken waaronder onderwijshuisvesting. Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen, hangt af van hun kenmerken en belastingcapaciteit. Deze kenmerken heten maatstaven. Elke maatstaf heeft een bedrag voor elke «eenheid». Het gemeentefonds kent onder andere als maatstaven leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en onderwijsachterstand.
Vindt er differentiatie plaats tussen verschillende clusters in het speciaal onderwijs wat betreft het budget dat gemeenten ontvangen voor huisvesting? Zo ja, hoe ziet deze differentiatie eruit?
Nee, zoals bij vraag 5 aangegeven ontvangen de gemeenten geen geoormerkt budget voor huisvesting. Gemeenten ontvangen middelen uit het gemeentefonds op basis van maatstaven en deze middelen zijn vrij besteedbaar. Het is aan de gemeenteraad om te bepalen hoe die middelen worden besteed.
Zijn er meer signalen bekend van kleine gemeenten die de financiering van nieuwbouw van scholen met een uniek en bovenregionaal karakter niet rondkrijgen?
Ja er zijn meer signalen. Drie gemeenten die scholen hebben met een regiofunctie en daardoor meer dan 150 leerlingen per duizend inwoners hebben, hebben aangegeven dat de vergoeding voor de onderwijshuisvesting niet toereikend is om aan de verplichting met betrekking tot de onderwijshuisvesting te voldoen. Een andere gemeente geeft aan de financiering van een uitbreiding van een school niet rond te krijgen voor een school waar een derde van de leerlingen van buiten de gemeente komt.
Hoe worden kleine gemeenten, voor wie nieuwbouw van een school een groot deel van het budget kan zijn, ondersteund bij de financiering van huisvesting voor scholen?
Zoals aangegeven bij vraag 5 ontvangen gemeenten voor nieuwbouw van een school middelen uit het gemeentefonds. Het gemeentefonds kent onder andere als maatstaven leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en onderwijsachterstand. Het is aan de gemeenteraad om te bepalen hoe die middelen worden besteed.
Kunt u toezeggen zich in te spannen voor de leerlingen van De Berkenschutse, opdat zij naar school kunnen blijven gaan in een omgeving die voldoet aan de kwaliteitseisen en aan de specifieke behoeften van leerlingen op het gebied van zorg en onderwijs?
Op 1 juli 2022 bezoeken ambtenaren van OCW de Berkenschutste. Daarbij zal de situatie worden bekeken en nogmaals worden besproken wat er binnen de beperkingen die de wet oplegt mogelijk is. Over de uitkomsten informeer ik u na de zomer.
De opvang van Oekraïense ontheemden, asielzoekers en vergunninghouders |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de actuele stand van zaken is in het realiseren van opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden? Hoeveel beschikbare opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden blijven momenteel onbenut?
Het aantal beschikbare en bezette opvangplekken voor Oekraïense ontheemden wordt dagelijks gemonitord en gerapporteerd. Op dit moment (rapportage 7 juni) zijn bijna 48.000 opvangplekken voor Oekraïense ontheemden beschikbaar. Hiervan zijn 41.500 plekken bezet. Het aantal beschikbare plekken is ca 6.500.
Zijn er gesprekken geweest met gemeenten deze beschikbare opvangplaatsen in te zetten voor de opvang van asielzoekers en/of vergunninghouders? Zo ja, met welke gemeenten is hierover gesproken en wat zijn de uitkomsten van die gesprekken?
Er zijn de afgelopen periode gesprekken met gemeenten gevoerd over de opvang van zowel Oekraïense ontheemden als asielzoekers/vergunninghouders. De keuze voor wie een locatie wordt ingezet is hierbij ook besproken. Het is van belang dat zowel asielzoekers, statushouders als ontheemden een dak boven hun hoofd hebben. De uiteindelijke keuze om een locatie beschikbaar te stellen voor ontheemden of asielzoekers/vergunninghouders ligt bij de gemeenten en niet bij mij. Er is geen overzicht beschikbaar van met welke gemeenten hierover is gesproken en welke keuze hierin is gemaakt.
Kunt u aangeven welke gemeenten expliciet hebben aangegeven alleen opvangvoorzieningen beschikbaar te willen stellen voor Oekraïense ontheemden? Zo ja, om hoeveel opvangplaatsen gaat het?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, met het oog op de schrijnende humanitaire omstandigheden in de opvang in Aanmeldcentrum Ter Apel, alsnog c.q. wederom in gesprek te gaan met gemeenten over hun bereidheid de onbenutte opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden alsnog beschikbaar te stellen voor asielzoekers en/of vergunninghouders? Zo nee, waarom niet?
Het aantal beschikbare opvangplekken voor ontheemden is op dit moment niet voldoende om ook asielzoekers/vergunninghouders op te vangen. Vanuit zowel DG-Oekraïne als DG Migratie wordt continu gezamenlijk ingezet op zowel opvang voor Oekraïense ontheemden als asielzoekers/vergunninghouders. Uitbreiding van de capaciteit moet bij voorkeur zowel naar de ontheemden als asielzoekers/vergunninghouders gaan. Dit wordt in gesprekken voor nieuwe locaties actief gemeld. Er is afgesproken dat per veiligheidsregio 150 plekken beschikbaar worden gesteld voor asielzoekers/vergunninghouders/overloop Ter Apel. De definitieve keuze voor opvangplekken ligt bij de Veiligheidsregio’s/gemeenten.
Bent u bereid deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat over de komende JBZ-Raad 9 juni a.s. (onderdeel vreemdelingen- en asielbeleid) te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Signalen dat gemeenten slecht voldoen aan de verplichtingen uit de privacywet |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u de signalen dat gemeenten hun informatiehuishouding slecht op orde hebben? Kunt u dit toelichten?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport van Bits of Freedom (BoF) en daaruit blijkt dat de informatiehuishouding bij 10 grote gemeenten niet goed op orde is. Er zijn de afgelopen tijd diverse voorbeelden geweest van overheidsorganisaties waar de naleving van de AVG beter moet. Het achterblijven van de naleving van de AVG vind ik een kwalijke zaak. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens op rechtmatige wijze worden verwerkt, zeker bij de overheid. Om die reden is het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) op ons verzoek momenteel bezig met een onderzoek naar de naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) door overheden.
Naar aanleiding van het rapport van BoF ga ik in gesprek met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en gemeenten om te kijken op welke wijze het kabinet kan ondersteunen bij het op orde krijgen van hun informatiehuishouding. Gemeenten zullen daarmee dan zelf aan de slag moeten; de verantwoordelijkheid voor de naleving van de AVG ligt uiteindelijk bij de gemeente zelf als verwerkingsverantwoordelijke. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 van het lid Bouchallikh (GroenLinks) aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het onderzoek «De staat van privacy bij gemeenten» van Bits of Freedom (ingezonden 9 juni 2022).
Bent u het met de onderzoeker eens dat, voordat gemeenten aan de slag gaan met nieuwe technologieën en data-gedreven werken, eerst de basis op orde moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, ook bij experimenten met nieuwe technologieën achten wij het van belang dat de geldende regelgeving wordt gehanteerd en, indien er persoonsgegevens worden verwerkt, conform de AVG gehandeld wordt.
Hoe verklaart u dat gemeenten te weinig middelen vrijmaken voor gegevensbescherming? Ziet u een verband met de bezuinigingen vanuit het Rijk op gemeenten de afgelopen jaren en het nijpende personeelstekort bij vele gemeenten?2 3 4 5 6 7 8
Het rapport beschrijft dat in de onderzochte gemeenten er onvoldoende middelen worden ingezet, waardoor privacy-teams onderbezet blijken met als gevolg dat er onvoldoende geadviseerd kan worden over gegevensbescherming en -beveiliging. Het kabinet signaleert dat personeelstekorten bij gemeenten ertoe leiden dat bepaalde gemeentelijke taken minder goed kunnen worden uitgevoerd. Veel gemeenten kampen met een groot aantal vacatures. Met betrekking tot het bevorderen van gegevensbescherming bij gemeenten heeft het kabinet naar aanleiding van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) extra geïnvesteerd in informatiehuishouding en dienstverlening bij uitvoeringsorganisaties en gemeenten. Er wordt 150 miljoen structureel geïnvesteerd in gemeenten, die bestemd is als impuls voor onder andere digitale dienstverlening en informatiepunten, robuuste rechtsbescherming, systeemleren, versterking van de uitvoeringscapaciteit en integraal werken. Echter, niet alles is een kwestie van budget. Bewustwording en normbesef zijn begrippen die voor de hele maatschappij gelden: voor iedere burger, ieder bedrijf en iedere organisatie die persoonsgegevens verwerkt. De overheid vormt daarop geen uitzondering. En hoe meer AVG-bewustzijn er is op besluitvormend niveau, hoe meer we voorkomen dat er een werkwijze ontstaat die indruist tegen de AVG.
Ziet u het gevaar van gemeenten die wel gebruik maken van algoritmes en data om fraude op te sporen, maar tegelijkertijd de gegevensbescherming niet op orde hebben?
Dit risico zie ik ook. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 2.
In hoeverre houdt u toezicht op de mate van kwaliteit van gegevensbescherming bij gemeenten? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet houdt geen toezicht op de naleving van de AVG bij gemeenten. Dat is primair de taak van de Functionaris Gegevensbescherming (FG), de interne toezichthouder van de gemeente. Deze rol vindt het kabinet belangrijk en heeft voor de naleving van de AVG een sleutelpositie. De rol van de FG als verlengstuk van de toezichthouder binnen een organisatie is dan ook van groot belang. Daarom onderzoekt de Minister voor Rechtsbescherming of er een nationaal register voor FG’s kan worden opgericht, waarmee we deze functie verder professionaliseren. Daarmee kunnen we een belangrijke stap zetten in het toezicht, ook op overheidsorganisaties. Het toezicht op de toepassing van de AVG in brede zin is belegd bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Kunt u toelichten wat de mogelijkheden zijn tot handhaving zodat gemeenten de gegevensbescherming van mensen op orde krijgen?
Handhaving en toezicht van de AVG zijn taken van de AP. De taken en bevoegdheden van de AP staan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en zijn verder uitgewerkt in de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Alhoewel toezicht vaak wordt benoemd als belangrijkste taak, is voorlichting dat ook. Voorlichting heeft een preventieve werking op de toezichthoudende taak van de AP. Op de website van de AP is voldoende informatie te vinden voor eenieder die persoonsgegevens verwerkt.
Bent u bereid om gemeenten te verbieden gebruik te maken van voorspellende algoritmes zo lang deze niet getoetst zijn en de rechtsbescherming van mensen niet gewaarborgd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Om de rechten van burgers te beschermen, moeten overheden zich aan wet- en regelgeving houden en daarbij wordt nieuwe wet- en regelgeving voorbereid die ook op algoritmische voorspellende besluitvormingssystemen van toepassing is.
Er is al een kader dat voorspellende algoritmen reguleert: de Grondwet en de fundamentele mensenrechten vereisen dat waar een inbreuk op een recht is toegelaten, deze inbreuk wettelijk moet worden geregeld en noodzakelijk en proportioneel moet zijn. Domein-specifieke wetgeving reguleert de bevoegdheid waaruit besluitvorming volgt. Het bestuursprocesrecht stelt regels aan besluitvorming, zoals de motivering ervan en hoor en wederhoor. Het non-discriminatierecht verbiedt het maken van een (ongerechtvaardigd) onderscheid tussen mensen. De privacy- en gegevensbeschermingswetgeving – waaronder de AVG – stelt regels aan het gebruik van persoonsgegevens. De AVG verplicht onder meer tot het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) als een gegevensverwerking een hoog privacy-risico oplevert voor de mensen waarvan de gegevens worden verwerkt. Dat geldt ook als daarvoor een (voorspellend) algoritme waarin persoonsgegevens worden verwerkt wordt ingezet.
Specifiek voor AI-systemen met een hoog risico voor mensenrechten, de gezondheid en veiligheid is er in EU-wetgeving (AI-verordening) in voorbereiding die met name de ontwikkelingsfase van deze systemen verder reguleert.
De AI-verordening, is in belangrijke mate van toepassing op voorspellende algoritmen of algoritmische besluitvormingssystemen bij de overheid. Voor AI-systemen met een hoog risico is voorzien in een set eisen aan de ontwikkeling en ingebruikname van deze systemen waaraan aantoonbaar moet zijn voldaan. Zo moet een risico analyse worden gedaan en worden onder andere eisen gesteld aan de datakwaliteit; de accuraatheid van het systeem; moet het systeem voldoende transparant zijn voor degene die het toepast en moet er adequaat menselijk toezicht op mogelijk zijn. Dit wordt verder uitgewerkt in de werkagenda Digitalisering.
Is er onderzoek gedaan naar de vraag in welke mate lokale volksvertegenwoordigers in staat zijn om hun controlerende taak op dit gebied uit te voeren? Zo nee, bent u daartoe bereid?
In het Adviesrapport «Sturen of gestuurd worden» wijst de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) volksvertegenwoordigers en bestuurders, maar ook de ambtenaren die hen ondersteunen, op de dringende noodzaak om de legitimiteit van sturen met data te waarborgen.9 In het rapport stelt de ROB onder andere dat het noodzakelijk is dat (interbestuurlijke) samenwerking bij digitaliseringsprocessen gebeurt op een manier dat deze rekening houden met publieke waarden, waaronder transparantie en verantwoording. Ik ga graag met de VNG en de Vereniging van Raadsleden in gesprek hoe we de adviezen uit het rapport verder kunnen uitwerken.
Het bericht dat wetgeving doorrijden na een aanrijding aanzienlijk aangescherpt dient te worden. |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «wetgeving doorrijden na een aanrijding dient aanzienlijk aangescherpt te worden»?1
Ja
Wat is uw reactie op dit bericht?
Bewust doorrijden na een ongeval is onacceptabel en moet hard worden bestraft. Om die reden is op 1 januari 2020 de wet aangepast en is de maximumstraf voor doorrijden na een ongeval waarbij letsel is ontstaan, iemand overleden is of iemand in hulpeloze toestand is achter gelaten, verhoogd van drie maanden naar één jaar. Ook zijn de opsporingsbevoegdheden van de politie bij ernstige gevallen van doorrijden na een ongeval toen verruimd.
Klopt de bewering van de Vereniging Verkeersslachtoffers dat als een doorrijder zich binnen een bepaalde tijd na de aanrijding bij de politie meldt, dit geen consequenties heeft voor de strafmaat?
In sommige gevallen geldt inderdaad dat als iemand zich binnen 12 uur meldt, hij of zij niet voor het doorrijden na een ongeval vervolgd wordt. Ik wil voorop stellen dat deze termijn in ieder geval niet geldt voor die gevallen waarbij een slachtoffer in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (artikel 7, eerste lid, onder b WVW 1994). In dergelijke gevallen kan er altijd vervolgd worden voor het doorrijden na het ongeval, ook als de dader zich alsnog binnen 12 uur meldt.
Echter, niet iedereen die doorrijdt na een ongeval doet dit bewust of heeft kwade zin. Soms is een ongeval niet opgemerkt of ontstaat er uit paniek een vluchtreactie. De 12-uurs termijn die in artikel 184 Wegenverkeerswet is opgenomen, is voor dit soort gevallen bedoeld. Het stimuleert mensen om, nadat het besef is gekomen dat er een ongeluk heeft plaatsgevonden of iemand spijt heeft van een vluchtreactie, zich alsnog te melden. Dat is zowel in het belang van de dader en in het belang van het slachtoffer.
Voorwaarde is wel dat de verdachte zich vrijwillig en op eigen initiatief meldt bij de politie. Als de bestuurder al is aangehouden of verhoord, dan kan er wel degelijk vervolgd worden voor doorrijden na een ongeval.
Overigens kan de bestuurder altijd, ook als hij of zij zich binnen de 12 uur meldt en niet vervolgd kan worden voor het doorrijden na de aanrijding, vervolgd worden voor het veroorzaken van het ongeval zelf.
In hoeverre kan het rijden onder invloed hiermee worden verborgen, aangezien alcohol dan uit het bloed is verdwenen?
De politie registreerde in de afgelopen vijf jaar jaarlijks gemiddeld zo’n 80.000 gevallen van doorrijden na een aanrijding. In veruit de meeste gevallen gaat het om aanrijdingen met alleen materiële schade, bijvoorbeeld parkeerschade. In 2021 vielen er bij aanrijdingen waarna een betrokkene doorreed in totaal 550 slachtoffers, waarvan het merendeel lichtgewond raakte en geen behandeling in het ziekenhuis nodig had.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keren dat het doorrijden na een aanrijding wordt geregistreerd door de politie in de afgelopen vijf jaren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe vaak is het Openbaar Ministerie in de afgelopen vijf jaren overgegaan tot vervolging voor het doorrijden na een aanrijding en wat was de gemiddelde strafeis?
Het OM is in de afgelopen vijf jaren in gemiddeld ongeveer 2400 gevallen per jaar overgegaan tot het instellen van vervolging voor het doorrijden na een aanrijding.
Er zijn bij het OM geen gegevens bekend met betrekking tot de gemiddelde strafeis. Op basis van de richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval kan de officier van justitie straffen eisen die variëren van een geldboete van € 500 tot een gevangenisstraf van drie maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 70 maanden. Deze eisen kunnen nog hoger uitvallen indien sprake is van recidive en/of indien een slachtoffer in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Indien door het verkeersongeval een ander is gedood, letsel is toegebracht of iemand in hulpeloze toestand wordt achtergelaten, wordt het doorrijden na de aanrijding meegenomen als strafverzwarende omstandigheid voor het veroorzaken van het ongeval zelf. De strafeisen variëren al naargelang de verschillende omstandigheden waarvan bij het ongeval sprake was. Bij lichamelijk letsel waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld en verlaten van de plaats van het ongeval wordt er bijvoorbeeld een gevangenisstraf van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar geëist. Wanneer het slachtoffer overleden is, er sprake is van een zeer hoge mate van schuld en de plaats van het ongeval verlaten is, schrijft de richtlijn een strafeis van 4 jaar gevangenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 5 jaar voor. Door het OM wordt waar nodig in de strafeisen maatwerk geleverd om de eisen verder te verhogen.
Kunt u in gesprek gaan met het Openbaar Ministerie om de Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval aan te passen om de strafeisen te verhogen?2
De richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen en verlaten plaats ongeval is na de wetswijziging op 1 januari 2020 ook aangepast. De strafeisen voor doorrijden na een aanrijding met de dood of letsel tot gevolg of het in hulpeloze toestand achterlaten van een slachtoffers, zijn toen verhoogd. Ik zie geen aanleiding om met het OM in gesprek te gaan om de richtlijn nu opnieuw aan te passen.
In hoeverre wijken de straffen voor het doorrijden na een aanrijding in Nederland af van straffen in omringende landen?
In België liggen de maximumstraffen voor het gronddelict lager. Voor het doorrijden na een ongeval kan een gevangenisstraf van 15 dagen tot 6 maanden worden opgelegd (artikel 33 wegverkeerswet 1968). Indien er gewonden of doden zijn gelden wel hogere straffen voor het doorrijden. Respectievelijk maximaal 3 en 4 jaar. Ook in Duitsland geldt een maximumstraf van 3 jaar voor het doorrijden na een ongeval (artikel 142 van het Wetboek van strafrecht). Overigens geldt ook in Duitsland als er slechts sprake is van onbeduidende materiële schade een bedenktermijn van 24 uur waarbinnen bestuurders zich zelf kunnen melden
Wat is uw reactie op de oplossing van de Vereniging Verkeersslachtoffers waarin wordt gepleit om de termijn waarin iemand zich moet melden in te korten met een verplichte bloedproef?
Indien er sprake is van een vermoeden van rijden onder invloed, wordt er nu ook al een blaastest en/of speekseltest afgenomen eventueel gevolgd door een bloedonderzoek bij een positieve uitslag. Naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Slootweg en Helder3 zal ik samen met politie en OM onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de 12-uurs termijn uit artikel 184 WVW aan te passen en zo eventueel misbruik nog verder te voorkomen. Zoals ook eerder aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het ook in het belang van de slachtoffers om bestuurders te stimuleren zichzelf te melden. Zonder dader kan de eventuele schade immers niet verhaald worden. Dit zal dan ook meegewogen worden in de besluitvorming over de eventuele aanpassing van deze termijn.
Wat is uw reactie op de oplossing van de Vereniging Verkeersslachtoffers waarin de doorrijder moet aantonen dat hij/zij op het moment van de aanrijding niet onder invloed was?
De bewijslast voor het rijden onder invloed ligt altijd bij het OM. Dit geldt voor de vervolging van alle misdrijven en dus ook voor het rijden onder invloed. Van dit belangrijke principe binnen onze rechtsstaat kan en wil ik ook in dit geval niet afwijken. Zoals in het antwoord op vraag 4 en 9 is aangegeven doen politie en OM altijd uitgebreid onderzoek bij een ernstig ongeval en als er sprake is van een vermoeden van rijden onder invloed.
Wat is uw reactie op de oplossing van de Vereniging Verkeersslachtoffers dat, indien een doorrijder zich niet binnen drie uur meldt, terwijl er slachtoffers of gewonden te betreuren zijn, de wetgeving aanzienlijk aangescherpt dient te worden?
De 12-uurs termijn is nu al niet van toepassing als iemand in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Iemand kan in die gevallen dus altijd vervolgd worden voor het doorrijden na een ongeval, ook als hij of zij zich vrijwillig heeft gemeld. Zoals ook in het antwoord op vraag 9 is aangegeven zal ik naar aanleiding van de aangenomen motie samen met politie en OM onderzoeken of de wetgeving op het doorrijden na een aanrijding verder aangescherpt moet worden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het tweeminutendebat Verkeersveiligheid?
In verband met de benodigde afstemming met politie en OM is dit helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Ondanks ophef wijzen meer reformatorische scholen homohuwelijk af’ |
|
Paul van Meenen (D66), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ondanks ophef wijzen meer reformatorische scholen homohuwelijk af»?1
Ja.
Klopt het dat in de meest recente online schoolgidsen en identiteitsprofielen 36 van de 161 scholen seksuele relaties tussen twee mensen van hetzelfde geslacht nog steeds afkeuren? Zo ja, gaat u met de betreffende scholen in gesprek om hier verandering in te brengen en wat doet u nog meer om dit in de toekomst te voorkomen?
Ja, er zijn schoolgidsen en identiteitsverklaringen die seksuele relaties tussen twee mensen van hetzelfde geslacht afkeuren. Ik vind het niet wenselijk dat scholen zich op deze manier uitspreken. Scholen hebben de wettelijke verplichting om een vrij en veilig schoolklimaat te creëren waar leerlingen zich (sociaal) veilig voelen. De Inspectie houdt hier toezicht op en zal niet schromen om in te grijpen wanneer scholen zich niet aan deze wettelijke verplichting houden. Ik informeer uw Kamer in de loop van dit jaar over het mogelijk verbieden van (bepaalde vormen van) identiteitsverklaringen in reactie op de motie-Kwint c.s. en de motie-Gündoğan/Simons.2 Daartoe doe ik eerst zorgvuldig onderzoek. In die reactie zal ik nader ingaan op dit punt.
Hoe verklaart u dat er sprake is van een toename in plaats van een afname, mede gelet op alle stappen die de Inspectie en u de afgelopen tijd hebben gezet om de sociale veiligheid te waarborgen en het aandringen van de Kamer om dit onderwerp te prioriteren?
Ik heb geen pasklaar antwoord op de vraag waarom meer reformatorische scholen het huwelijk voor echtparen van hetzelfde geslacht afwijzen. Of een gemeenschap een specifieke overtuiging heeft is op zich niet relevant. Binnen artikel 23 GW mag deze opvatting ook bestaan, maar mag niet leiden tot onveiligheid. Dat laatste staat voor mij buiten kijf.
Het gaat er om dat scholen verplicht zijn om te zorgen voor de sociale veiligheid van leerlingen en medewerkers, en daarnaast vorm te geven aan burgerschapsonderwijs waarin de basiswaarden van de democratische rechtstaat centraal staan. Belangrijker nog: ook de schoolcultuur moet in overeenstemming zijn met die basiswaarden. Daar ziet de inspectie ook op toe.
Hoe duidt u daarbovenop de woorden van de voorzitter van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs dat «alle reformatorische scholen een homoseksuele relatie afwijzen»2?
De voorzitter van de VGS gaat over zijn eigen woorden. Net als in reactie op vraag 3 gaat het erom dat scholen deze opvatting mogen hebben, maar dat dit niet mag leiden tot onveiligheid. Ik zie ook dat dit soms op gespannen voet staat met elkaar. Daarom zijn scholen bovenal verplicht om zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat. Iedere leerling in Nederland heeft het recht om zichzelf te zijn, los van zijn of haar seksuele gerichtheid. Daar doen de opvattingen van de voorzitter van de VGS niets aan af. Daar waar scholen verzuimen om ervoor te zorgen dat elke leerling zich veilig en geaccepteerd weet, zal de inspectie ingrijpen. Dat is ook één van de speerpunten van mijn beleid. Ik beraad mij momenteel op de mogelijkheden om dit ook in navolging van oproepen uit uw Kamer verder te verduidelijken.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de afspraak uit het coalitieakkoord, die het volgende stelt: «Onderscheid bij toelating vanwege de grondslag van de school mag niet tegelijk direct onderscheid inhouden op grond van ras, nationaliteit, seksuele geaardheid of burgerlijke staat.»?
Scholen hebben de wettelijke taak om te zorgen voor een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Scholen mogen geen leerlingen discrimineren op grond van ras, nationaliteit, seksuele gerichtheid etc. Daar waar scholen dat wel doen zal de Inspectie daarop toezien en waar nodig handhaven. Halverwege 2023 ontvangt u de beleidsreactie op het Onderwijsraadadvies «Grenzen stellen, ruimte laten». In die reactie zal ik verder ingaan op dit punt.
Wanneer is de Inspectie gereed om sneller te handelen inzake gevallen van sociale onveiligheid in lijn met de gemaakte afspraken in het coalitieakkoord?
Het inspectietoezicht is gebaseerd op wet- en regelgeving. Waar het coalitieakkoord een wijziging van wet- of regelgeving vraagt, bepaalt de herziening daarvan ook de herziening van het inspectietoezicht. Waar het gaat om aanpassing van het toezicht binnen bestaande wet- en regelgeving en daarop gebaseerde toezichtkaders, kan aanpassing van de werkwijze sneller worden gerealiseerd. Dit betreft onder meer de respons op signalen of risico’s. Afhankelijk van de situatie is reeds nu sprake van aangescherpt optreden bij signalen van sociale onveiligheid. In mijn brief «Samen voor beter onderwijs, duidelijk over kwaliteit»4 beschrijf ik welke maatregelen de inspectie en ik nemen om het toezicht verder aan te scherpen. Zie hiervoor uitgebreider ook het antwoord op vraag 10.
Zoals ik in de Kamerbrief «Vrij en veilig onderwijs»5 heb aangekondigd houdt de inspectie op basis van de sectorwetgeving toezicht op de sociale veiligheid op scholen. Zo ontvangt zij van iedere school de resultaten van de verplichte jaarlijkse schoolmonitor en pakt zij signalen op afkomstig van besturen, schoolleiders, docenten, ouders en leerlingen. Dit toezicht is met ingang van dit schooljaar geïntensiveerd. Dit betekent dat tekortkomingen rond de uitvoering van de jaarlijkse monitoring van de sociale veiligheid, signalen, en de reactie van de school op risico’s en incidenten, sneller zullen leiden tot onderzoek en handhavend optreden door de inspectie. Daarnaast zijn de beslisregels rond herstelopdrachten aangescherpt door de standaard «Veiligheid» zwaarder te laten wegen, en wordt er door de inspectie een specifieke escalatieladder uitgewerkt voor sociale veiligheid. Dit kader helpt bij het bepalen van de soort maatregel, die passend is bij de zwaarte van een tekortkoming.
Wat vindt u ervan dat organisaties die opstaan tegen seksuele diversiteit en de «homolobby» gastcolleges geven op middelbare scholen?
Ik heb al aangegeven dat scholen een belangrijke verantwoordelijkheid hebben om zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat en het welzijn van al hun leerlingen. Verder zijn scholen verplicht om te zorgen dat al het onderwijs, ook dat van gastlessen, voldoet aan wettelijke eisen en dat het van goede kwaliteit is.
Scholen hebben veel vrijheid bij het inrichten van hun onderwijs en hun grondslag en overtuigingen kunnen daarvoor een belangrijke basis vormen. Zo mogen scholen gastlessen organiseren die aansluiten bij hun grondslag of identiteit. Wel moeten leerlingen in het onderwijs worden begeleid om zelfstandig een mening te vormen, ook als die mening niet overeenkomt met die van de school. Daarbij is het van belang dat zij gedegen en correcte informatie aangereikt krijgen. Indien leerlingen doelbewust onjuist geïnformeerd worden, is dat onacceptabel. Het maakt niet uit welke opvatting dan ook wordt verkondigd, als die eenzijdig of onjuist is en desinformatie betreft is dat niet in de haak. Als er naar aanleiding van gastlessen klachten komen, kan dit voor de inspectie een signaal zijn om hier in hun toezicht aandacht aan te geven. Hier ga ik bij vraag 9 verder op in.
Bent u van mening dat dergelijke gastcolleges zorgen voor een veilig schoolklimaat waarin elke leerling het gevoel heeft dat hij of zij zichzelf kan zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Wordt toezicht gehouden op welke gastcolleges scholen organiseren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de lessen, en daarmee ook voor de kwaliteit van gastlessen. Ook dat onderwijs moet namelijk voldoen aan de wettelijke eisen en van goede kwaliteit zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat er een veilig schoolklimaat is en de inhoud van de lessen feitelijk juist is. Ook begeleiding van kritische meningsvorming en het maken van eigen keuzes vallen daaronder. De inspectie houdt toezicht op het bestuur, en daarmee indirect ook op gastlessen.
De inspectie ziet in het algemeen onder meer toe op de manier waarop scholen invulling geven aan de kerndoelen en de bevordering van burgerschap. Het bestuur is te allen tijde verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van onderwijs, voor alle onderdelen daarvan, dus ook voor gastlessen. Als sprake is van signalen, ongeacht waarop deze betrekking hebben, betrekt de inspectie ook deze bij haar toezicht. Waar nodig spreekt de inspectie besturen aan, doet zij onderzoek en treedt zij handhavend op. Als er specifieke zorgen zijn is het altijd mogelijk om contact op te nemen met de inspectie. Dat kan via het contactformulier van de inspectie6.
Kunt u toelichten wat de laatste stand van zaken is omtrent de motie van het lid Van Meenen die oproept de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven altijd werk te maken van individuele meldingen en signalen van onveiligheid (Kamerstuk 31 289, nr. 484)? Is al meer duidelijk over de inrichting van het klantcontact bij de Inspectie?
Aandacht voor meldingen, signalen en risico’s zijn een vast onderdeel van het toezicht en worden altijd betrokken bij de bepaling van de manier waarop het toezicht in concrete situaties wordt ingevuld. De ernst en urgentie van een signaal of risico, en de situatie en context spelen daarbij een belangrijke rol. Als het signaal daartoe aanleiding geeft, kan dat zo nodig leiden tot directe opvolging van het signaal in de vorm van onderzoek en zo nodig handhaving door de inspectie. In andere situaties kan er bijvoorbeeld sprake van zijn dat de inspectie zich op een andere wijze van de situatie op de hoogte stelt, een bestuur opdracht geeft tot het verstrekken van nadere informatie, een opdracht geeft tot herstel en toezicht houdt op de naleving daarvan, of het signaal betrekt bij toezichtactiviteiten op een later moment.
Omdat het toezicht van de inspectie voor een deel risicogestuurd is ingericht, spelen meldingen, signalen en risico’s daarbij op bovengenoemde manier stelselmatig een rol en bepalen mede de inrichting daarvan. De invulling daarvan is in de afgelopen periode al aangescherpt en zal nog verder worden versterkt.
De al gerealiseerde aanscherpingen hebben betrekking op achtereenvolgens de volgende punten. De meldingsroute op de website van de inspectie is verduidelijkt. Dit maakt het voor melders gemakkelijker snel de juiste weg te vinden en verlaagt de drempel contact te zoeken. Het informeren van melders over de opvolging die aan een melding gegeven wordt is eveneens versterkt. Op die manier wordt de transparantie van het proces vergroot en het inzicht van melders in de acties die ondernomen worden. Signalen worden eveneens betrokken bij het toezicht gebaseerd op de jaarlijkse monitoring van de sociale veiligheid door scholen. De aanscherping van dit toezicht draagt daarmee eveneens bij aan verscherping van de opvolging van signalen, en is een vast onderdeel van de jaarlijkse risicoanalyse die de inspectie uitvoert voor alle scholen. Ten slotte worden signalen en meldingen structureel in het toezicht, bijvoorbeeld bij het bestuursbezoek, meegenomen.
Het instellen van de doodstraf in Irak voor mensen die normalisatie of vrede met Israël nastreven |
|
Derk Jan Eppink (JA21), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Iraq passes law to criminalise relations with Israel»?1
Ja.
Wat is het doel en de inhoud van de wet waar het artikel naar verwijst?2 Klopt het dat deze wet verder gaat dan een vergelijkbare wet uit 1969?3
De wet Criminalizing Normalization and the Establishment of Relations with the Zionist Entity werd op 26 mei jl. aangenomen in het Iraakse parlement. De wet bouwt voort op een vergelijkbare wet uit 1969. Waar de wet uit 1969 zich beperkt tot het strafbaar stellen van aanmoedigen van zionisme, gaat de nieuwe wet ook over het nastreven van normalisering en criminaliseert specifieke activiteiten.
De wet legt een verbod op het aanknopen van diplomatieke, politieke, militaire, economische, culturele of enige vorm van banden met Israël op. Verder vermeldt de wettekst specifiek «deelname aan conferenties en bijeenkomsten die worden georganiseerd of gesponsord door zionistische instellingen of andere instellingen die normalisatie bevorderen of relaties aangaan» met Israël. Normalisering wordt gedefinieerd als «elke handeling die enige vorm van betrokkenheid zou opleveren, direct of indirect, met als doel relaties aan te gaan met de zionistische entiteit.» Tevens zou de wet het voor Irakezen binnen of buiten het land illegaal maken om in contact te komen, incl. via sociale media, met Israëlische functionarissen of conferenties bij te wonen van organisaties die banden hebben met Israël. De wet (artikel 9) bepaalt dat deze van toepassing is op alle «Iraakse overheidsinstellingen», inclusief Ministers en Iraakse volksvertegenwoordigers, de rechterlijke macht en mediaorganisaties.
Er staat een gevangenisstraf tot levenslang voor elke Irakees die «naar de zionistische entiteit is gereisd of een van zijn ambassades of instellingen in welk land dan ook heeft bezocht of er contact mee heeft opgenomen.» Een uitzondering wordt gemaakt voor bijvoorbeeld religieuze bezoeken, mits vooraf goedkeuring is verkregen van het Iraakse Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Hoe verhouden doel en inhoud van de wet zich tot het Handvest van de Verenigde Naties en andere internationale (mensenrechten)verdragen waar Irak partij bij is?
Een aantal strafbaarstellingen uit de wet staat op gespannen voet met het internationaal recht, in het bijzonder wanneer de toekomstige toepassing van deze wet leidt tot een inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. De exacte implicaties van de wet moeten uit de toepassing van de wet in de praktijk blijken, maar de inhoud van deze wet en de daarin als strafbaar gedefinieerde feiten bieden aanleiding tot grote zorg.
Klopt het dat personen die streven naar normalisatie van de betrekkingen met Israël een levenslange gevangenisstraf en zelfs de doodstraf kunnen krijgen? Zo ja, onder welke precieze omstandigheden kan of zal dit het geval zijn?
Artikelen 6 t/m 9 van de wet spreken over het aanknopen van banden met Israël, het aanmoedigen van Zionisme en het bevorderen van of aangaan van relaties met Israël of Israëlische entiteiten als gronden waarvoor een levenslange gevangenisstraf of de doodstraf opgelegd kan worden.
Begrijpt en deelt u de afschuw en zorg van de indieners over het op deze wijze bestraffen en daarmee zelfs voorkómen van een streven naar normalisatie en vrede?
Ja. De exacte implicaties daarvan moeten uit de toepassing van de wet in de praktijk blijken, maar de inhoud van deze wet en de daarin als strafbaar gedefinieerde feiten zijn zeer zorgelijk. Nederland heeft de zorgen geuit bij de Iraakse autoriteiten en de kwestie aangekaart op EU-niveau. Nederland zal zich bilateraal en EU-verband blijven uitspreken tegen deze wet en de uitvoering van de wet aandachtig en nauwgezet volgen.
Het kabinet steunt de trend tot normalisatie in de betrekkingen met Israël en is deswege tegen het principe van de wet. Nederland is tevens principieel tegen de doodstraf, bepleit de afschaffing van de doodstraf onder alle omstandigheden wereldwijd en trekt hierin op in EU-verband. Deze welbekende positie wordt uitgedragen in bilaterale contacten met landen waar de doodstraf wordt toegepast, zoals in Irak, en in multilaterale fora zoals in de VN.
Deelt u ook de zorg over precedentwerking, waarbij streven naar vrede en normalisatie in meer landen geproblematiseerd en zelfs gecriminaliseerd wordt?
Op dit moment niet. De Iraakse wet staat in contrast met landen in de regio die de afgelopen jaren de banden met Israël hebben aangehaald, waaronder de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Marokko en Sudan. Het kabinet steunt de trend tot normalisatie in de betrekkingen met Israël.
Hebben VN-organen, zoals de VN-Mensenrechtenraad, reeds hun afkeuring hierover geuit?
De VN-organen, Amnesty International en Human Rights Watch hebben vooralsnog geen publieke reactie gegeven op de wet.
Hebben ook internationale mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch inmiddels hun afschuw of afkeuring hierover uitgesproken, zoals ze ook zeer voortvarend zijn in het uiten van veroordelingen aan het adres van Israël?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u in uw bilaterale contacten met de Iraakse regering uw zorg over deze wet uitgesproken, of bent u voornemens dat te doen?
Ja, Nederland heeft in bilaterale contacten de zorgen over het principe van de wet uitgesproken. In deze contacten benadrukt Nederland tevens principieel tegen de doodstraf te zijn en dat de wet de mensenrechten in Irak, en met name de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van religie, verder onder druk zet. Ook in EU-verband heeft Nederland de kwestie aangekaart en deze zorgen over de wetgeving kenbaar gemaakt. Nederland zal zich bilateraal en in EU-verband proactief blijven uitspreken tegen deze wet, Irak hierop blijven aanspreken en de uitvoering van de wet aandachtig en nauwgezet volgen.
Bent u eveneens voornemens uw zorgen hierover in EU- en VN-verband kenbaar te maken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke (sanctie)maatregelen kan of zal Nederland, ook in EU- en VN-verband, nemen als deze wet daadwerkelijk in werking treedt?
De wet treedt formeel pas in werking zodra de Iraakse president de wet heeft ondertekend of binnen 30 dagen na aanname van de wet in het parlement. Nederland blijft de uitvoering van de wet aandachtig en nauwgezet volgen. Eventuele (sanctie-)maatregelen zal Nederland dan onderzoeken.
Het indienen van een VN-resolutie bij de Emergency Special Session over Oekraïne. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Rusland doelbewust de toegang tot de Zwarte Zee blokkeert en daarbij toegeeft dat het dit met voorbedachte rade doet?1
Volgens Oekraïne zijn de havens geblokkeerd door de Russische maritieme operaties als onderdeel van een economische oorlog. Rusland stelt dat het een humanitaire zee corridor heeft ingesteld, maar dat de Oekraïense zeemijnen de belemmering vormen. Feit is dat reders nu niet naar Oekraïne varen omdat er sprake is van een actief conflictgebied en ook als zodanig is aangemerkt door Rusland. Het kabinet acht het – ook met het oog op de voedselzekerheid – dan ook van groot belang dat Rusland zijn militaire operaties gericht tegen Oekraïne in de Zwarte Zee beëindigt.
Bent u bekend met het feit dat hiermee 25 miljoen ton graan Oekraïne niet kan verlaten, en dit in de context van een dreigende voedselcrisis waarin de VN schat dat 161 miljoen mensen in 42 landen aan acute honger zullen lijden, ontzettend grote consequenties zal hebben?
Ja. Het wegvallen van het aanbod van graan uit Oekraïne leidt tot serieuze tekorten en heeft een prijsopdrijvend effect. Volgens de VN is het aantal mensen in ernstige voedselonzekerheid als gevolg van de Russische oorlog tegen Oekraïne gestegen van 276 miljoen naar 323 miljoen2.
Bent u het eens dat Rusland daarmee honger als wapen gebruikt en hiermee grove oorlogsmisdaden begaat of anderszins het internationaal recht schendt?
Nederland veroordeelt ten sterkste de blokkades die door Rusland zijn opgeworpen en die de export door Oekraïne van Oekraïens graan via de Zwarte Zee op dit moment onmogelijk maken. Het kabinet vindt het politiek onaanvaardbaar dat Rusland voedsel inzet als wapen, waardoor de wereldwijde voedselzekerheid in het geding komt.
Juridisch is het opzettelijk uithongeren van de burgerbevolking ten tijde van een gewapend conflict een schending van het humanitair oorlogsrecht en zou mogelijk kunnen worden gekwalificeerd als een oorlogsmisdrijf. Dit geldt echter alleen ten aanzien van de bevolking in het gebied waar het gewapend conflict plaatsvindt, dus ten aanzien van de Oekraïense bevolking. Het verbod op opzettelijke uithongering is vastgelegd in het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève. Rusland is partij bij dit protocol.
Nederland kwalificeert de situatie in Oekraïne als een internationaal gewapend conflict. Dit betekent dat het niet per definitie is verboden voor partijen bij het gewapend conflict om zeeblokkades in te stellen. Het humanitair oorlogsrecht voorziet namelijk in het onder bepaalde voorwaarden instellen van zeeblokkades voor militaire doeleinden. Een dergelijke blokkade is niet toegestaan wanneer het leidt tot uithongering van de burgerbevolking, in dit geval de bevolking van Oekraïne.
Dit alles laat onverlet dat Nederland het gedrag van Rusland ten sterkste veroordeelt.
Bent u bekend met het feit dat er door het activeren van het Uniting for Peace-mechanisme een Emergency Special Session over Oekraïne bij de Verenigde Naties loopt waarbij de Algemene Vergadering veiligheidsonderwerpen van de Veiligheidsraad overneemt en bespreekt in de Algemene Vergadering?2
Ja.
Bent u bereid deze Emergency Special Session over Oekraïne bijeen te roepen om een resolutie in te dienen die het handelen van Rusland in de Zwarte Zee veroordeelt en de route over de Zwarte Zee uitroept als humanitaire corridor voor het transporteren van essentiële ladingen voedsel naar landen waar nijpende voedselcrises dreigen?
Op dit moment zijn er verschillende pogingen om deze blokkade op te heffen. Turkije probeert te faciliteren, daartoe heeft onlangs een gesprek tussen ministers Cavosoglu en Lavrov plaatsgevonden, en de VN is in gesprek met Turkije, Rusland en Oekraïne over een corridor.4 Het kabinet volgt deze onderhandelingen nauwgezet en hoopt op een dergelijke oplossing. Nederland heeft de SGVN laten weten paraat te staan om een bijdrage te leveren indien gewenst. Daarnaast zal ik onderzoeken bij andere AVVN-leden of en hoe het bijeenroepen van een dergelijke sessie kans van slagen heeft. Een grote coalitie is noodzakelijk om een dergelijke resolutie breed aanvaard te krijgen en daarmee een krachtig signaal af te geven.
Bent u bereid, indien deze resolutie een meerderheid krijgt, een voortrekkersrol te spelen met landen in de regio en in het Midden-Oosten en Afrika om de voedseltransporten op gang te krijgen?
Zie antwoord 5.
Kunt u gezien de urgentie van deze kwestie dit zo snel mogelijk in werking stellen en deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het afschaffen van vitamine D uit de basisverzekering |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vitamine D zelf betalen? Voor veel mensen met een donkere huid is het een nood»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het belang van vitamine D voor verschillende lichamelijke processen, zoals groei en behoud van stevige botten en spieren, maar ook als hulpmiddel tegen migraine en chronische vermoeidheid?
Ja. Samen met calcium is vitamine D van belang voor het behoud van stevige botten en spieren. De rol van vitamine D-tekort bij vermoeidheid2 en migraine3 is echter nog niet bevestigd.
Bent u op de hoogte van het feit dat een langdurig gebrek aan vitamine D rachitis bij kinderen veroorzaakt en bij volwassenen leidt tot een hoger risico op hart- en vaatziekten, osteomalacie met diffuse bot- en spierpijnen en proximale spierzwakte (pijn in de bovenbenen en heupen, moeite met overeind komen)?
Het is bekend dat er een relatie is tussen vitamine D tekort en het risico op rachitis bij kinderen en osteomalacie bij volwassenen met als symptomen diffuse (verspreide) bot- en spierpijnen en spierzwakte in bovenbenen en -armen. Over de precieze rol van vitamine D-tekort bij hart- en vaatziekten zijn volgens de Gezondheidsraad echter geen harde uitspraken te doen. Hiervoor ontbreken onderzoeken van goede kwaliteit.4
Bent u op de hoogte van het feit dat veel mensen met een donkere huid de vitamine D-supplementen nodig hebben, omdat hun huid de vitamine minder snel aanmaakt bij contact met uv-straling van de zon?
Het klopt dat ook mensen met een donkere huid een hoger risico lopen op een tekort aan vitamine D. Vitamine D wordt deels opgenomen via voeding en wordt deels geproduceerd door de huid bij blootstelling aan zonlicht. De vitamine D productie in de huid is afhankelijk van meerdere factoren waaronder huidtype, leeftijd van de huid en hoeveelheid blootstelling aan zonlicht. Mensen met een donker huidtype hebben een langere blootstelling aan zon nodig om dezelfde hoeveelheid vitamine D te produceren in de huid dan mensen met een licht huidtype. Andere risicogroepen zijn ouderen, mensen die zwanger zijn en kinderen tot 4 jaar. Om deze reden geeft de Gezondheidsraad advies om bij alle genoemde bevolkingsgroepen vitamine D aan te vullen.3
Bent u op de hoogte van het feit dat ook een enorme hoeveelheid ouderen en baby’s van niet-westerse moeders te maken hebben met een vitamine D-tekort?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 al heb aangegeven is het bekend dat ouderen een verhoogd risico hebben op vitamine D-tekort, omdat een verouderde huid minder vitamine D aanmaakt en ouderen minder in de zon komen. Ook mensen die zwanger zijn, mensen die borstvoeding geven en hun baby’s lopen een verhoogd risico op een vitamine D-tekort. De Gezondheidsraad adviseert vitamine D-suppletie bij al deze groepen, ongeacht huidskleur of culturele achtergrond. Overigens zijn er inderdaad aanwijzingen dat niet-westerse moeders en hun baby’s vaker een vitamine D-tekort hebben dan westerse moeders en hun baby’s.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat baby’s gezond opgroeien en ouderen gezond blijven? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Mensen kunnen gelukkig op allerlei manieren zelf bijdragen aan hun gezondheid, zoals door te bewegen, gezond te eten, en genoeg buiten te komen. Aanvullend is er brede toegang tot middelen om de gezondheid op peil te houden, zoals vitaminen en mineralen. Deze middelen zijn hier ook bij uitstek voor geschikt. De vraag die hierbij belangrijk is, is of deze middelen noodzakelijk zijn om te verzekeren. Voor vitamine D geldt dat dit zonder recept voor een beperkt bedrag verkrijgbaar is en daarom niet noodzakelijk is om te verzekeren. Het geld dat nu collectief via de basisverzekering aan vitamine D wordt uitgegeven, kan beter worden ingezet voor duurdere zorg die wel noodzakelijk is om te verzekeren.
Deelt u de mening dat het, in het kader van beter voorkomen dan genezen, belangrijk is dat het kabinet een gezondere levensstijl aanmoedigt?
Ik vind het belangrijk dat mensen worden aangemoedigd en in staat worden gesteld om zo gezond mogelijk te leven. In het coalitieakkoord zet het kabinet dan ook fors in op het stimuleren van een gezonde leefstijl, onder meer door het aanpakken van gezondheidsverschillen, het werken aan en verbreden van de doelen uit het preventieakkoord en het stimuleren van sport en bewegen. Ook binnen het basispakket zet ik in op het aanmoedigen van een gezonde leefstijl, onder meer door het stimuleren van leefstijlinterventies als (onderdeel van) de behandeling bij leefstijl-gerelateerde aandoeningen. Hierbij is het wel van belang dat zorg voldoet aan de pakketcriteria. Dit wil zeggen dat zorg (kosten)effectief en uitvoerbaar moet zijn, en ook dat zorg noodzakelijk moet zijn om te verzekeren.
Deelt u de mening dat het innemen van voldoende vitamine D voor de genoemde groepen bijdraagt aan een gezondere levensstijl? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Ik sluit me dan ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad om vitamine D te suppleren bij deze risicogroepen. Het suppleren van vitamine D wordt geadviseerd als aanvulling op de adviezen van gezonde voeding en voldoende blootstelling aan zonlicht.5 De vraag die hierbij belangrijk is, is of deze middelen ook noodzakelijk zijn om te verzekeren. Voor vitamine D geldt dat dit, zoals gezegd, zonder recept voor een beperkt bedrag verkrijgbaar is op de vrije markt en daarom niet noodzakelijk is om te verzekeren via het basispakket.
Bent u op de hoogte van de brief die door zorgverzekeraars naar het kabinet is gestuurd en waarin staat dat een gezondere levensstijl vaker vergoed moet worden? Zo ja, wilt u er dan bij de zorgverzekeraars op aandringen om meer preventie te stimuleren?
Ik ben op de hoogte van de brief die door zorgverzekeraars aan het kabinet is gestuurd en ik ben ook met zorgverzekeraars in gesprek over de vraag hoe zij meer kunnen inzetten op preventie. In mijn brief over preventie in het zorgstelsel, die ik binnenkort naar uw Kamer stuur, ga ik hier nader op in. Ik deel immers het belang van het stimuleren van een gezondere leefstijl. Door in te zetten op preventie blijven mensen langer gezond. Naast een hogere levenskwaliteit voor de betrokkenen kan dit ook helpen om op termijn de stijgende zorgkosten te beperken. Preventie en gezonde leefstijl zijn dan ook belangrijke speerpunten in het coalitieakkoord. Waar nodig zal ik alle partijen in de zorg, waaronder zorgverzekeraars, blijven aansporen om vanuit hun rol in het zorgstelstel preventie te stimuleren.
Wat vindt u van het verzoek van de zorgverzekeraars aan het kabinet om vol in te zetten op preventie om hogere zorgkosten op termijn te beperken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het risico bestaat dat als vitamine D niet langer gratis via de huisarts wordt aangeboden, de genoemde groepen minder vitamine D zullen gebruiken en de huisarts minder snel zullen bezoeken voor klachten? Wat vindt u hiervan?
Het is onduidelijk of het niet langer vergoeden van vitamine D uit de basisverzekering ertoe zal leiden dat minder mensen vitamine D zullen gebruiken. Vitamine D is als zelfzorgmiddel te koop voor gemiddeld € 7,30 per persoon per jaar. Deze kosten zijn voor de meeste mensen zelf te dragen. Ook nu vitamine D wordt vergoed vanuit de basisverzekering, dragen veel mensen de kosten hiervan in de praktijk (deels) zelf. Zij betalen voor vitamine D op recept immers het eigen risico. Omdat de kosten van vitamine D – door afleverkosten bij de apotheek en door het ontbreken van concurrentie met zelfzorgproducten – in de basisverzekering hoger liggen dan in de vrije verkoop, is het mogelijk dat deze mensen goedkoper uit zijn wanneer zij vitamine D zelf aanschaffen. Voor het bezoek aan de huisarts geldt dat mensen met klachten altijd terecht kunnen bij de huisarts voor advies. Hiervoor betalen zij geen eigen risico. Indien nodig kan de huisarts patiënten adviseren om vitamine D in te nemen en patiënten kunnen deze vitamine D vervolgens zelf tegen lage kosten aanschaffen.
Tot slot wil ik opmerken dat therapietrouw afhankelijk is van vele factoren. Het is onduidelijk wat de invloed is van vergoeding van zorg op de therapietrouw. Het Zorginstituut zal daarom de effecten van het niet meer vergoeden van vitamine D in de praktijk monitoren, waarbij onder andere wordt gekeken naar eventuele effecten op de therapietrouw en het gebruik van vitamine D door kwetsbare groepen.
Deelt u de mening dat het oneerlijk is om de genoemde groepen, bovenop de gestegen energieprijzen, de gestegen voedselprijzen, de gestegen huurpijzen en de algehele inflatie, nu ook te belasten met extra kosten voor een voor hen noodzakelijk product?
Ik deel deze mening ten dele. Het Zorginstituut heeft in haar advies uitgebreid stilgestaan bij de effecten van het niet meer vergoeden van vitamine D uit het basispakket. Hierbij zijn ook patiëntenorganisaties geconsulteerd en de Adviescommissie Pakket heeft advies uitgebracht over de maatschappelijke effecten. Het Zorginstituut verwacht dat de kosten van vitamine D in de vrije verkoop en van vitamine D in hogere sterkte op recept voor vrijwel iedereen te dragen zijn. Op dit moment is er een stijging in energie- en voedselprijzen. Dit raakt vooral mensen met lagere inkomens. Zij hebben moeite in de breedte om dagelijks rond te komen. Ook de relatief lage kosten van vitamine D kunnen hierbij een probleem zijn. Ik vind het belangrijk om hier oog voor te hebben. Voor deze mensen zijn gelukkig verschillende gemeentelijke voorzieningen beschikbaar. Gemeenten ontvangen 268 miljoen euro per jaar ten behoeve van financieel maatwerk voor hun ingezetenen voor kosten van zorg en ondersteuning. Zij kunnen, waar nodig, mensen bijstaan met bijvoorbeeld gemeentelijke compensatieregelingen en bijzondere bijstand.
Het is daarnaast belangrijk om de effecten van het niet meer vergoeden van vitamine D te blijven volgen. Het Zorginstituut zal daarom monitoren of het niet meer vergoeden van vitamine D gevolgen heeft in de praktijk, en zo ja, welke dat zijn.
Bent u op de hoogte dat het afnemen van de vitamine D-bekostiging vanuit de basisverzekering voor veel Nederlanders van kleur ook een symbolische waarde heeft, omdat zij als specifieke groep nu extra belast worden?
Bijna 5 miljoen mensen in Nederland gebruiken vitamine D vanuit preventief oogpunt of als onderdeel van een behandeling. Een deel hiervan krijgt op dit moment deze vitamine D vergoed uit het basispakket. Onder andere de volgende groepen gebruiken preventief vitamine D omdat ze tot een risicogroep behoren maken: jonge kinderen, mensen die zwanger zijn, ouderen en mensen met een donkere huidskleur. Daarnaast wordt vitamine D voor bijvoorbeeld patiënten met osteoporose toegepast bij hun behandeling. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat de meeste mensen de kosten voor vitamine D zelf kunnen dragen en dat vitamine D daarmee niet noodzakelijk is om te verzekeren uit de basisverzekering. De collectieve uitgaven aan vitamine D kunnen beter worden besteed aan duurdere zorg die wel noodzakelijk is om te verzekeren. Vitamine D zal voor alle bovengenoemde groepen vanaf januari 2023 voor eigen rekening komen. Het is dus niet zo dat één specifieke groep extra wordt belast.
Bent u bereid om vitamine D weer terug te brengen onder de basisverzekering?
Hier ben ik niet toe bereid. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat de meeste mensen de kosten van vitamine D voor gemiddeld € 7,30 per persoon per jaar zelf kunnen dragen. Daarmee is vitamine D geen noodzakelijk te verzekeren zorg. Het blijven vergoeden van vitamine D schept daarom een verkeerd precedent in het licht van het streven naar passende zorg. De samenleving is immers ruim 10 keer zo duur uit wanneer vitamine D wordt vergoed vanuit het basispakket en dit geld kan beter worden besteed aan duurdere zorg die wel noodzakelijk is om te verzekeren. Ik volg daarom het advies van het Zorginstituut op. Daarmee geldt dat de kosten voor het gebruik van vitamine D vanaf 1 januari 2023 voor eigen rekening zullen komen.