Het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale studieschuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over dat aan het begin van het studiejaar 2024–2025 de totale studieschuld in Nederland € 29 miljard bedroeg?1
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van deze schuld naar verwachting uiteindelijk kwijtgescholden zal worden? Graag uitgesplitst naar de volgende categorieën: overlijden van de schuldenaar, medische gronden en kwijtschelding na afloop van de 35-jarige aflossingsperiode.
Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillende factoren. Denk daarbij aan leengedrag van de student, de economische omstandigheden en de rentestanden, die allemaal over een langere periode variëren. Een accurate raming van het bedrag dat wordt kwijtgescholden is voor de lange termijn daarom niet te geven, zeker niet wanneer de kwijtscheldingen verder in de toekomst liggen. Daarom wordt voor de lange termijn uitgegaan van het percentage dat het CPB bij de invoering van het leenstelsel heeft becijferd, 13,6% van de studieleningen wordt kwijtgescholden.2
Voor de beantwoording van deze vraag kijken we primair naar de kwijtscheldingen binnen de begrotingshorizon. Binnen de begrotingshorizon wordt zo nauwkeurig mogelijk geraamd op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
In navolgende tabel is de hoogte van de belangrijkste kwijtscheldingen weergegeven. Bij deze tabel zijn de volgende kanttekeningen van belang.
Aanvullende beurs
26,4
29,0
31,0
33,0
36,0
36,0
36,0
Overlijden
14,2
15,0
15,0
15,0
15,0
16,0
16,0
Kwijtschelding einde 15jaarstermijn
54,9
55,0
68,0
85,0
105,0
125,0
142,0
Nieuwe aanspraak
10,5
12,5
11,0
9,5
8,0
8,0
8,0
Hoe worden deze kwijtscheldingen administratief verwerkt? Wordt hiervoor een specifiek budget gereserveerd, of worden deze kosten verwerkt binnen de algemene begroting? Kunt u dit toelichten?
De meeste kwijtscheldingen worden in het financiële systeem van DUO apart geboekt, verantwoord en gemonitord. In het Departementaal Jaarverslag van OCW worden deze kwijtscheldingen vervolgens verantwoord onder de inkomensoverdracht Overig uitgaven (R) op het studiefinancieringsartikel (artikel 11). Naast kwijtscheldingen vinden op de Overige uitgaven (R) ook technische bijstellingen plaats.
Jaarlijks wordt in het voorjaar de studiefinancieringsraming bijgesteld. De kwijtscheldingen worden dan allemaal zo nauwkeurig mogelijk geraamd voor de jaren binnen de begrotingshorizon. Dit gebeurt op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen over de uitstaande studieschulden en het studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 wordt de kwijtschelding op basis van medische gronden niet afzonderlijk geraamd en verantwoord. DUO rekent de kosten die voortvloeien uit deze kwijtschelding toe aan de verschillende studiefinancieringsproducten waar de kwijtschelding betrekking op heeft (hoofdzakelijk de rentedragende lening).
Kunt u een overzicht geven van de spreiding van studieschulden onder studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000? Hierbij het verzoek om per categorie het aantal studenten én de totale schuld in euro’s vermelden.
Onderstaande tabel geeft de spreiding van de definitieve studieschulden (inclusief rente) onder (oud-)studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000 weer. Hierbij is per categorie het aantal studenten en de totale schuld in euro’s opgenomen. De leningen ten aanzien het levenlanglerenkrediet en Caribisch Nederland (WSF BES) zijn buiten beschouwing gelaten. Ook de prestatiebeurzen die nog niet zijn omgezet naar een gift of definitieve lening zijn niet meegenomen.
Deze tabel, evenals de tabellen in de andere antwoorden, geeft de stand per 31 december 2025 weer. Er is gekozen om in de beantwoording de meest actuele stand van de studieschulden te presenteren. Hierdoor sluiten de tabellen niet aan op de stand die het CBS heeft gebruik voor hun publicatie.
736.508
308.111
182.357
121.360
81.527
53.291
34.353
41.495
1.559.002
€ 2.955
€ 4.464
€ 4.494
€ 4.209
€ 3.641
€ 2.910
€ 2.220
€ 3.426
€ 28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat deze de actuele schulden weergeeft. Dit betekent dat een deel van de debiteuren nog studeert en hun schuld dus verder zal oplopen, terwijl een ander deel al is begonnen met aflossen, waardoor hun huidige schuld lager ligt dan aan het begin van de aflossingsfase.
Volgens het bericht bedroeg de totale studieschuld € 29 miljard aan het begin van studiejaar 2024–2025. Kunt u aangeven welk deel van deze schuld valt onder het oude stelsel (SF15) en welk deel valt onder het nieuwe stelsel (SF35)? Hierbij ook het verzoek om aan te geven om hoeveel studenten het in beide gevallen gaat.
Onderstaande tabel geeft het aantal personen en de totale uitstaande schuld weer per terugbetaalregime. Hierbij zijn het terugbetaalregime SF15-oud en SF15-nieuw samengenomen als SF-15. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, geven de tabellen de stand per 31 december 2025.
759.727
12.241
537.888
12.231
219.307
3.847
1.516.922
28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat een persoon onder meerdere terugbetaalregimes van DUO kan vallen. Bijvoorbeeld als een debiteur een studieschuld heeft uit een eerdere studie en daarmee onder SF-15 valt maar inmiddels opnieuw is gaan studeren (onder SF-35). Hierdoor ligt het aantal personen in bovenstaande tabel hoger dan het aantal unieke personen voor alle fases. Het aantal unieke personen voor alle fases betreft 1.417.298.
Daarnaast zijn in de groep «nog studerend» alleen studenten opgenomen die een collegegeldkrediet of een rentedragende lening hebben. Studenten die uitsluitend een voorlopige lening in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.
Volgens het CBS zijn er 1,6 miljoen mensen met een studieschuld. Kunt u aangeven hoe deze groep is onderverdeeld in de volgende categorieën: nog studerend, afgestudeerd en in de aanloopfase (nog niet begonnen met aflossen) en bezig met het afbetalen van de studieschuld.
In onderstaande tabel staan de gegevens voor het aantal personen uitgesplitst naar studiefase, aanloopfase en aflosfase.
300.449
246.775
969.698
Een kanttekening bij deze tabel is dat één persoon in meerdere fases kan voorkomen, bijvoorbeeld wanneer iemand die al aan het aflossen is over een eerdere studie en vervolgens opnieuw besluit te gaan studeren.
Kunt u aangeven hoeveel van de personen die zijn begonnen met het aflossen van hun studieschuld daarvan het volledige wettelijke maandbedrag betalen en hoeveel gebruik maken van de draagkrachtregeling en daardoor een lager maandbedrag betalen?
Onderstaande tabel geeft het aantal personen weer dat aan het aflossen is en of zij onder draagkracht vallen. Dit aantal wijkt af van het totaal aantal personen in de aflosfase, omdat in deze tabel alleen debiteuren zijn meegenomen waarvoor in december 2025 door DUO een termijn in rekening is gebracht. Personen die zich in de aanloop- of studiefase bevinden, een schorsing of stopzetting hebben, in een aflossingsperiode zitten of onder de schuldsanering vallen, zijn niet in de tabel opgenomen.
909.748
414.682
495.066
Een kanttekening bij deze tabel is dat voor debiteuren onder het terugbetaalregime SF15-oud niet automatisch een draagkrachtmeting wordt uitgevoerd dat moeten de debiteuren zelf aanvragen. Voor debiteuren uit SF15-oud die zelf geen draagkracht hebben aangevraagd, is daardoor niet bekend of zij in aanmerking zouden zijn gekomen voor een verlaging van hun wettelijke maandbedrag.
Wat is de voornaamste opleidingsrichting van personen met een studieschuld van € 50.000 of meer? Gaat het voornamelijk om alphastudies, betastudies of gammastudies?
Het is niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren, omdat DUO de opleidingsrichting van studenten niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is namelijk niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor de benodigde koppeling tussen gegevensbestanden is daarom geen grondslag in de wet. De overheid moet bij het koppelen van gegevensbestanden zorgvuldig te werk gaan. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen moet daarbij in verhouding staan tot de noodzaak van deze koppeling.
Voorts merk ik op dat er veel verschillende factoren invloed hebben op de hoogte van een studieschuld, waardoor er geen causaal verband kan worden gelegd tussen enkel het type studie dat een debiteur heeft gevolgd en de hoogte van diens studieschuld. Door deze complexiteit van factoren zie ik geen overtuigende reden om deze koppeling van gegevensbestanden te realiseren.
Veiligheid van Joodse studenten en isolatie van dissidente academici |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Onderzoeker Amanda Kluveld: Er zijn Joodse studenten die met studie stopten om onveiligheid»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak dat actiegroep Free Palestine Maastricht een eigen «kantoortje» heeft op de Maastricht University?
Instellingen gaan – binnen de kaders van wet- en regelgeving – zelf over wie zij gebruik laten maken van de ruimtes op hun instelling. Binnen deze kaders staat het instellingen vrij om hun eigen criteria te hanteren. Van de Universiteit Maastricht heb ik begrepen dat zij bepaalde ruimtes beschikbaar stelt aan studentorganisaties, Free Palestine Maastricht is er daar een van. Het criterium dat de Universiteit Maastricht hanteert voor het gebruik maken van deze ruimtes is dat een organisatie een studentorganisatie moet zijn die bij de universiteit bekend is en geregistreerd staat. In het geval van Free Palestine Maastricht is dit zo.
Het is aan de instelling, die de verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving draagt, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt.
Mag een politieke actiegroep als Free Palestine Maastricht volgens het bestaande universiteits- en onderwijsbeleid gebruikmaken van permanente kantoorruimtes op universiteiten? Zo ja, welke criteria gelden daarvoor en wie beslist hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met de onderzoeker in kwestie eens dat de oproep «Kill All Zionists» als profielnaam op Instagram in feite een directe oproep tot geweld is tegen Joodse studenten en medewerkers? Hoe verhouden zulke uitingen zich tot een veilige en inclusieve leeromgeving?
Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk van de hand wijst. Daarbij passen dergelijke uitingen uiteraard ook niet in een veilige en inclusieve leeromgeving. Het is niet aan mij als Minister om te oordelen of er sprake is van een directe oproep tot geweld. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit. In het algemeen kan ik wel met uw Kamer delen dat het rapport «Gevangen in vrijheden»2 van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ons leert dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël.
Bent u bekend met het artikel «Zwijg, zionist! Hoe universiteiten dissidenten monddood maken»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat academici die afwijkende opvattingen hebben over Israël en Gaza zich beperkt voelen in hun vrijheid van meningsuiting?
Ik ben ervan op de hoogte dat het open debat over Israël en Gaza aan universiteiten al enige tijd onder grote druk staat. Het signaal dat academici zich beperkt voelen in het uiten van hun opvattingen hierover vind ik zorgelijk. Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek de plaats voor open debat en dialoog, waarin er ruimte moet zijn voor ieders geluid, ook wanneer dit soms schuurt.
In hoeverre bereiken signalen over sociale en professionele isolatie van academici aan Nederlandse universiteiten het Ministerie van OCW, en welke acties of maatregelen acht u nodig om de academische vrijheid in dit soort kwesties te waarborgen?
Laat ik vooropstellen dat het sociaal en professioneel isoleren van onderzoekers, evenals andere vormen van sociale onveiligheid, ontoelaatbaar is. Signalen over vormen van (sociale) onveiligheid van wetenschappers bereiken mij onder andere via het platform WetenschapVeilig dat op initiatief van UNL, de KNAW en NWO en met ondersteuning van mijn ministerie eind 2022 is gelanceerd. Op de website is informatie beschikbaar voor wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe om te gaan met bedreigingen, intimidatie en haatreacties. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en bedreiging gepubliceerd4. In 2026 zal deze worden herhaald.
Er is een veilige, open en inclusieve cultuur nodig om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs en een veilige leer- en werkomgeving te borgen. Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om hier zorg voor te dragen. Voor het handelingsperspectief is het van belang om een onderscheid te maken tussen academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het verschil is dat academici in functie een beroep kunnen doen op academische vrijheid, met inachtneming van de waarden waar academische vrijheid op berust. Vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe. Meer inzicht in dit onderscheid is nodig. Daarom werkt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) op verzoek van mijn ministerie aan een advies over vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Ik verwacht dit advies in de zomer. Ook verwacht ik in de zomer een advies van de KNAW over de juridische borging van academische vrijheid. Daarnaast start ik dit najaar een inventarisatie naar pluriformiteit in de wetenschap.5 Op basis van deze adviezen en inventarisatie bekijk ik of, en zo ja, welke acties of maatregelen nodig zijn om de academische vrijheid te waarborgen.
Het bericht ‘Bijna een half miljoen mensen die niet kunnen werken vallen tussen wal en schip’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna een half miljoen mensen die niet kunnen werken vallen tussen wal en schip» uit Trouw van dinsdag 10 februari 2026?1
Ja.
Deelt u de mening van Patricia Van Echtelt dat de Participatiewet tot een uitzichtloze situatie leidt en voor veel mensen een eindstation is? Zo nee, waarom niet?
De Participatiewet vormt een vangnet dat tegelijkertijd bedoeld is om mensen ertoe te bewegen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Voor veel mensen kan dat ook en is de Participatiewet toereikend2. Voor veel mensen is de wet een vangnet en een springplank naar werk. In 2024 zijn bijna 52.000 mensen vanuit de bijstand aan het werk gegaan. Daarnaast is een groeiende groep mensen die langdurig of structureel niet in staat is om te werken afhankelijk van de Participatiewet. Zij zijn door een chronische ziekte of beperking niet in staat om zich «uit de bijstand te werken». Dit wordt bevestigd in de probleemanalyse van de Participatiewet3 en door de commissie die in 2024 een probleemanalyse en oplossingsrichtingen voor de WIA heeft opgesteld (OCTAS).4
Eerder heeft voorgaande Staatssecretaris bij de Kamer aangekondigd mogelijkheden te onderzoeken hoe deze doelgroep tegemoet kan worden gekomen. Het Ministerie van SZW werkt momenteel aan het in beeld brengen van de mogelijkheden. Dit is onderdeel van de fundamentele herziening van de Participatiewet (spoor 2 van het programma Participatiewet in Balans). De Tweede Kamer is hierover in juli 2025 geïnformeerd.5
Bent u het ermee eens dat het stelsel van uitkeringen op dit moment zo is ingericht dat mensen geen passende uitkering of onvoldoende uitgekeerd krijgen? Zo nee, waarom niet?
De sociale zekerheid in Nederland werkt voor veel mensen goed en biedt passende ondersteuning en motivatie. Maar we zien ook dat er knelpunten zijn en dat de uitkeringen en daarbij behorende verplichtingen niet voor iedereen passend zijn. Dat geldt voor mensen die zich door ziekte of beperking niet uit de bijstand kunnen werken.
In het coalitieakkoord Aan de slag is aangegeven dat het belangrijk is dat we samenwerken aan een sociale zekerheid die begrijpelijk en betrouwbaar is voor mensen, activerender is, en werkbaar en robuust voor de uitvoering. Daarom hebben wij in het coalitieakkoord opgenomen dat we kiezen voor een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast hervormen we de Participatiewet. Daarbinnen moeten beleidskeuzes worden uitgewerkt die wij deze kabinetsperiode graag met uw Kamer willen bespreken.
In deze herziening is er oog voor de knelpunten in het huidige stelsel. Zoals arbeidsongeschikten die onder of buiten de Participatiewet vallen. Ook werkt het kabinet verder aan voorstellen voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (Baz). In het coalitieakkoord hebben we aandacht voor de groep mensen in de Participatiewet die echt niet kan werken. Hen zullen wij niet constant vragen dit toch te doen.
Wat gaat het kabinet doen voor de bijna 500.000 mensen die in het artikel worden genoemd? Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat deze mensen wel de juiste uitkering en het juiste bedrag uitgekeerd krijgen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de visie van dit kabinet op het stelsel van arbeidsongeschiktheid wat uitvoeriger beschrijven en daarbij meenemen welke knelpunten het kabinet ziet en aan welke richting van oplossingen het kabinet daarbij denkt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke hardheden ziet het nieuwe kabinet in de Participatiewet? En aan welke oplossingsrichtingen voor die hardheden denkt het nieuwe kabinet?
In het coalitieakkoord Aan de slag wordt ingezet op hervorming van de Participatiewet. Met spoor 1 van de Participatiewet in Balans is wetgeving tot stand gekomen die grotendeels per 1 januari 2026 is ingevoerd. De rest volgt per 2027. Deze wet richt zich op het doorvoeren van ruim twintig verbeteringen in de Participatiewet om de bijstand eenvoudiger en menselijker te maken. Het coalitieakkoord spreekt over het voortzetten van het hervormen van de Participatiewet (spoor 2). Daarbij ligt de focus op dat meer mensen de weg naar werk vinden door «inzet op zeer intensieve begeleiding». Daarnaast werkt het Ministerie van SZW ook samen met de VNG aan spoor 3 van de herziening van de Participatiewet. Dat gaat over het vakmanschap van de uitvoering. Ook deze maatregelen dragen bij aan een beter werkende Participatiewet voor mensen, werkgevers en de uitvoerders bij gemeenten.
Op welke manier zal het beleid van het nieuwe kabinet richting arbeidsongeschiktheid afwijken van dat van het oude kabinet?
Het kabinet werkt aan een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het uitgangspunt hierbij is dat mensen op een goede en snelle manier worden begeleid naar werk. Er zijn eerder verschillende rapporten verschenen die de noodzaak en urgentie van een herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid onderstrepen, zoals het eerdergenoemde OCTAS-rapport en het IBO «Werk aan de WIA». Naar aanleiding van deze adviezen investeert het kabinet onder andere in taakherschikking bij UWV en het verbeteren van het proces rondom herbeoordelingen. Ook wordt de IVA-uitkering voor nieuwe instroom afgeschaft. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de WIA weer uitvoerbaar te maken.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Tieman , Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
De uitspraak waaraan gerefereerd wordt in het nieuwsbericht betreft een tussenuitspraak en is geen definitief oordeel. Het past mij niet om mij te mengen in een zaak die onder de rechter is of daar een oordeel over te geven. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Binnen de Europese Unie (EU) is overlevering mogelijk. Middels een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) kan een EU-lidstaat verzoeken om de overlevering van de verdachte van een misdrijf of een veroordeelde. Een EAB is gebaseerd op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB), dat in Nederland geïmplementeerd is in de Overleveringswet. De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam is als enige in Nederland bevoegd om te oordelen over inkomende overleveringsverzoeken. De IRK beslist per individueel geval of de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd en toetst hierbij het EAB aan de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Onderdeel van die toets is dat de uitvoering van een EAB niet tot gevolg mag hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen wordt aangetast. De situatie in de Nederlandse gevangenissen is geen onderdeel van die toets.
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Jaarlijks vinden er vele overleveringen naar België plaats. Daarbij worden altijd garanties opgevraagd bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden. Tot op heden hebben de detentieomstandigheden in België er niet toe geleid dat er geen gevolg werd gegeven aan een EAB.
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Het is een grondwettelijk en rechtsstatelijk uitgangspunt dat de rechtspraak onafhankelijk en onpartijdig is. Ik heb dan ook geen mogelijkheden om sturing te geven aan de IRK en dit zou ook niet passend zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Ja.
De Kamerbrief Toekomst exportkredietverzekering |
|
Inge van Dijk (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Loopt de aanbesteding van de exportkredietverzekeringen (EKV) nog conform planning, te weten een selectie van drie partijen in de periode januari/maart en een gunningsfase t/m september?
Ja, de verwachting is dat de aanbesteding conform planning nog dit jaar afgerond wordt. In september 2025 is een markt- en stakeholderconsultatie doorlopen, waarin belangrijke stakeholders bij de ekv-uitvoering (zoals ekv-gebruikers, ngo’s en belangenorganisaties, zoals VNO-NCW/MKB-Nederland) zijn geconsulteerd over de concept-aanbestedingsstukken. In januari van dit jaar is vervolgens de aanbesteding formeel begonnen.2
De selectiefase is recentelijk afgesloten. In deze fase hebben zich partijen gemeld om deel te nemen aan het gunningsproces. Na beoordeling van hun stukken, zijn de geselecteerde partijen uitgenodigd om deel te nemen aan de gunningsfase. De voorlopige gunning aan één partij wordt verwacht in de zomer van 2026.3 De aanbesteding bevindt zich daarmee in een vergevorderd stadium. Na afloop van de bezwaartermijn4 kan de definitieve gunning nog dit jaar plaatsvinden. Daarmee is de aanbesteding afgerond.
Kunt u een indicatie geven van de looptijd van het contract (in jaartallen vanaf 2029) dat met deze aanbesteding wordt gegund?
Ik zal de uitvoering voor een initiële periode van 7 jaar aanbesteden.5 Deze periode begint te lopen vanaf de ondertekening van een overeenkomst met een winnende partij, waarbij het streven is om dat eind van dit jaar te doen. Vanaf de start van deze overeenkomst kan deze jaarlijks met 1 jaar worden verlengd, tot maximaal 25 jaar. Dit biedt flexibiliteit voor de Staat om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te kiezen, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en de ekv-uitvoerder zekerheid te bieden.
Het bovenstaande betekent concreet: de beoogde ingangsdatum van de overeenkomst is eind 2026. Dit betekent dat de initiële periode van 7 jaar eind 2033 afloopt, indien er geen tussentijdse verlenging plaatsvindt.
Erkent u de kansen die door Invest-NL en Invest International worden geschetst in hun position paper2 om het instrument EKV onderdeel te laten zijn van de op te richten Nationale Investerings Instelling (NII)?
In enkele Europese landen is het ekv-instrument met financieringsinstrumenten in een instelling gecombineerd. Dit kan voordelen bieden voor een integrale financieringsaanpak, maar deze voordelen kunnen ook bereikt worden door een goede samenwerking. Dit is reeds het geval in Nederland (zie vraag 4). De ekv-uitvoering wordt momenteel aanbesteed aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. De aanbesteding is in een vergevorderd stadium. De voorbereiding van een eventuele toevoeging van de ekv aan de nog op te richten nationale investeringsinstelling is een complex en een meerjarig traject en lost de onrechtmatigheid van de ekv-uitvoering op korte termijn niet op. De genoemde contracttermijn (zie vraag 2) biedt voldoende tijd om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te bezien, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en een ekv-uitvoerder zekerheid te bieden. Na afloop van het contract is voorzien in een exit plan in geval van een nieuwe uitvoerder, zoals een staatsdeelneming in de vorm van de NII. In het huidige contract met de ekv-uitvoerder bestaat een dergelijk exit plan niet.
Zo niet, hoe reflecteert u op het feit dat de EKV een integraal onderdeel is van vergelijkbare nationale publieke financieringsinstellingen, waaronder Bpifrance Frankrijk en EIFO in Denemarken?
Er zijn raakvlakken tussen de benodigde dienstverlening voor de ekv en de taken die momenteel worden uitgevoerd door Invest International. De twee partijen werken dan ook al nauw samen, bijvoorbeeld wanneer financiering door Invest International gecombineerd wordt met een ekv-dekking. Daarnaast worden klanten snel en adequaat doorverwezen naar de juiste organisatie. Hierdoor ontstaat voor ekv-gebruikers een Whole-of-Government / 1 loket ervaring, waarop de Nederlandse ekv reeds hoog scoort, vergelijkbaar met Bpifrance in Frankrijk en EIFO in Denemarken.7 De TeamNL-benadering, oftewel de gezamenlijke inzet van de Nederlandse overheid en private partners om export te stimuleren, is gericht op het versterken van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. De aanpak is gericht op het wegnemen van financiële en andere handelsbelemmeringen en een optimale informatievoorziening over kansen voor Nederlandse exporteurs. Deze samenwerking en de verdere intensivering hiervan, vinden wij belangrijk en de rol van de ekv uitvoerder hierin als pro-actieve partner is als eis opgenomen in de aanbestedingsstukken.
Wat is het eerstvolgende moment waarop, wanneer de EKV gegund wordt conform lopende aanbesteding, de EKV onderdeel zou kunnen worden van de NII?
Het is op dit moment niet voorzien dat de ekv onderdeel wordt van de NII. Contractueel gezien zou dit op zijn vroegst eind 2033, conform de lopende aanbesteding, mogelijk zijn. Zie ook de termijn in antwoord op vraag 2.
Welke opties zijn er om binnen de lopende aanbesteding de EKV onder te brengen bij de op te richten NII (en dus in de praktijk bij Invest-NL/Invest International)?
Er zijn geen opties om binnen de lopende aanbesteding de ekv onder te brengen bij de op te richten NII. En zonder aanbesteding blijft de onrechtmatigheid bestaan.
Kunt u in kaart brengen wat de voor- en nadelen zouden zijn van het stopzetten van de lopende aanbesteding en de EKV zo snel mogelijk bij de op te richten NII onder te brengen?
Het vorige kabinet heeft besloten om de ekv-uitvoering aan te besteden aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. Ik wil deze onrechtmatigheid zo snel mogelijk oplossen.
De aanbesteding zorgt – na een periode van onzekerheid naar aanleiding van de constatering van de Algemene Rekenkamer van de comptabele onrechtmatigheid- voor rust en duidelijkheid in de ekv-uitvoering. Inmiddels bevindt het aanbestedingsproces zich in een vergevorderd stadium. Het tussentijds beëindigen van de aanbesteding zou de overheid richting het bedrijfsleven en geïnteresseerde partijen tot een onbetrouwbare partner maken en de onzekerheid rondom de uitvoering weer vergroten. Bovendien zou de onrechtmatigheid dan dus niet worden opgelost.
Het oprichten van de NII, en eventuele toevoeging van de ekv daaraan, is een complex en een meerjarig traject. Dit biedt op de korte termijn dus geen oplossing voor de onrechtmatige uitvoering van de ekv. Dat is bestuurlijk onwenselijk en juridisch kwetsbaar. Op langere termijn – wanneer de NII is opgericht en volledig operationeel is – zou de ekv ondergebracht kunnen worden bij de NII indien daartoe dan zou worden besloten.
Het bundelen van krachten van de financieringsinstellingen wordt ook bereikt door de TeamNL-benadering in de aanbestedingstukken te eisen, waar de ekv-uitvoerder actief moet samenwerken met andere financiële instellingen (zoals Invest-NL en Invest International en in de toekomst: de NII) die instrumenten aanbieden aan het Nederlandse bedrijfsleven.
Hoe weegt u deze voor- en nadelen ten opzichte van de kansen van het bundelen van de financiële instrumenten binnen de NII?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoe zou, in het scenario dat de EKV onderdeel wordt van de NII, het menselijk kapitaal en de meer dan 90 jaar aan kennis en kunde van uitvoerder Atradius geborgd kunnen worden?
Integratie van het ekv-instrumentarium in de NII is op dit moment niet voorzien.
Het bericht ‘Honderden Nederlandse kinderen slachtoffer van website voor afpersers’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL Nieuws waaruit blijkt dat een website actief is waarop persoonsgegevens van honderden Nederlanders, waaronder kinderen, staan met als doel om met deze persoonsgegevens de betrokkene af te persen en/of en intimideren?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke website, dat evident is ingericht om de persoonlijke levenssfeer van personen waaronder minderjarigen te schenden, per direct offline gehaald zou moeten worden?
Het misbruiken van persoonsgegevens met afpersing en intimidatie als doel is een zeer ernstig probleem, in het bijzonder in het geval van minderjarigen. Misbruik van persoonsgegevens kan een ingrijpend effect hebben op het slachtoffer en heeft vaak grote gevolgen. Misbruik van persoonsgegevens en de verspreiding van (schadelijke) illegale content online is een complex probleem. Door het grensoverschrijdende karakter en de anonimiteit en snelheid die het internet gebruikers biedt, vormt het aanpakken van kwalijke websites een uitdaging voor de handhaving. Online dienen mensen zich net zo goed aan de regels te houden als offline. Het huidige instrumentarium is erop gericht om de veiligheid van de online omgeving te vergroten en dergelijke schendingen van de persoonlijke levenssfeer van personen tegen te gaan. Allereerst wordt zelfregulatie door de internetsector gestimuleerd. Vanuit de sector zijn er meerdere initiatieven, zoals de Gedragscode Abusebestrijding en de Gedragscode Notice and Take Down, om schadelijke content tegen te gaan. Daarnaast zijn er bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civielrechtelijke mogelijkheden. Ook is doxing sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld (artikel 285d Wetboek van Strafrecht). Dit artikel maakt het ongevraagd verzamelen, verspreiden of openbaar maken van persoonsgegevens met het doel iemand te intimideren of lastig te vallen strafbaar.
De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van online aanbieders van tussenhandeldiensten is gereguleerd via de digitaledienstenverordening (Digital Services Act – DSA). Deze EU-verordening bevat diverse zorgvuldigheidsverplichtingen die onder meer moeten helpen om illegale content tegen te gaan. Zo moet er bij een melding van illegale content prompt actie worden ondernomen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is in Nederland de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door online aanbieders die in Nederland zijn gevestigd. De ACM werkt voor het toezicht en de handhaving op de DSA, waar nodig, samen met de Europese Commissie en andere lidstaten.
Strafrechtelijk heeft de officier van justitie de mogelijkheid om in specifieke gevallen een aanbieder van een communicatiedienst te bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken. In het geval van buitenlandse online aanbieders dient gebruik te worden gemaakt van een rechtshulpverzoek. Dit is vaak tijdrovend, omdat de verantwoordelijke hostingpartij niet altijd kan worden achterhaald en/of worden bereikt. De uitkomst ervan is afhankelijk van de medewerking van het land waaraan het verzoek is gericht. Indien een online aanbieder geen gevolg geeft aan bevelen van de officier van justitie, dan voorziet het strafrecht in de mogelijkheid tot strafvervolging van de aanbieder voor het strafbaar feit dat is begaan. Omdat strafrechtelijk optreden vaak complex en tijdrovend is, en gezien het internationale component afhankelijk is van de bereidheid tot coöperatie van andere landen, zet de politie ook in op alternatieve mogelijkheden, zoals naming and shaming en preventie.2
De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) is de toezichthouder op de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP beoordeelt uit eigen beweging dan wel op verzoek of in voorkomende gevallen wordt voldaan aan de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een bestuurlijke boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen.
Personen kunnen zich ook tot de civiele rechter wenden. Oordeelt deze dat de betreffende content onrechtmatig is, bijvoorbeeld wegens onbevoegd gebruik van persoonsgegevens, dan kan de civiele rechter verwijdering daarvan bevelen.
Om slachtoffers laagdrempelige hulp en een handelingsperspectief te bieden, faciliteert het Ministerie van Justitie en Veiligheid Stichting Offlimits. Via de hulplijn van Offlimits kunnen slachtoffers illegale online content melden. Offlimits beoordeelt deze meldingen en kan, indien sprake is van illegale content, melding doen bij de desbetreffende internettussenpersoon via wie de content beschikbaar is. Offlimits is door de ACM op grond van de DSA aangewezen als betrouwbare flagger.
Klopt het dat deze website al geruime tijd bekend is bij politie? Zo ja, welke concrete acties zijn sindsdien ondernomen om de website offline te halen of de hostingprovider(s) op te sporen?
De politie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
In het algemeen zijn er, zoals in het antwoord op vraag twee aangegeven, verschillende maatregelen die hostingproviders, de ACM, AP, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) kunnen nemen om een website met illegale content offline te krijgen en/of om de hostingproviders van een website op te sporen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee, kan de handhaving bij hostingproviders in het buitenland uitdagend zijn vanwege jurisdictie, omdat medewerking mede afhankelijk is van het land waar de dienst is gevestigd.
Hoeveel aangiften zijn bij de politie bekend die direct te relateren zijn aan deze specifieke website? Wat gebeurt er met deze aangiften? Hoe worden de slachtoffers geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van deze aangiften?
De politie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
Slachtoffers worden in het algemeen via MijnSlachtofferzaak.nl op de hoogte gehouden over de voortgang van de behandeling van hun aangifte. Met MijnSlachtofferzaak biedt de overheid slachtoffers en nabestaanden één plek waar zij alle berichten over de zaak kunnen inzien. In dit online dossier treft een slachtoffer alle informatie van de politie over de zaak, en ook het OM, Slachtofferhulp Nederland en Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) informeren hier slachtoffers. Tenslotte informeert ook Schadefonds Geweldsmisdrijven het slachtoffer op MijnSlachtofferzaak over een eventuele tegemoetkoming.
Hoe ziet de internationale samenwerking eruit bij dergelijke verwerpelijke websites die door hostingbedrijven worden gerund buiten Nederland?
De aanpak van bad hosting is zeer complex en tijdrovend vanwege het internationale en volatiele karakter van de hostingindustrie. Al jaren werken de Nederlandse politie, het Openbaar Ministerie en verschillende publieke en private partners samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is dit ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting. Voor strafrechtelijke samenwerking gelden internationale verdragen. Informatie uit het buitenland wordt verkregen op basis van rechtshulpverzoeken, al dan niet voorafgaand aan een bevriezingsbevel.
Daarnaast wordt binnen het project Cleannetworks in samenwerking met de Stichting Nationale Beheersorganisatie Internet Providers (NBIP) het project en de Gedragscode Abusebestrijding verder gestimuleerd op Europees niveau. Voor dit project heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een Europese subsidie toegekend gekregen. Hierover bent u eerder in de Kamerbrief Integrale aanpak cybercrime geïnformeerd. Binnen het project is de verdere uitbreiding en focus op de Europese markt een belangrijk onderdeel. Misbruik van de digitale infrastructuur is immers grensoverschrijdend en alleen door ons ook buiten de Nederlandse markt te richten kan het meer gericht worden tegengegaan. Hiermee streeft de overheid naar een gelijk speelveld van de sector binnen de EU met dezelfde voorwaarden en voorkomt oneerlijke concurrentie voor de Nederlandse sector.
Kunt u aangeven of en zo ja welke juridische of technische belemmeringen bestaan om de hostingpartij te dwingen een website waar strafbare feiten op plaatsvinden offline te halen?
In het algemeen is het lastig voor Nederlandse autoriteiten om een buitenlandse website die gehost wordt in het buitenland, offline te krijgen. Dit kan bijvoorbeeld komen omdat niet bekend is welke hostingdienst erachter zit of niet bekend is waar de hostingdienst gevestigd is. Hierover bent u ook geïnformeerd in Kamerbrief «Voortgang integrale aanpak cybercrime» in het onderdeel over de verkenning naar de aanpak van bad hosting.3 Deze verkenning is gezamenlijk met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd. In deze verkenning is gekeken naar maatregelen die kunnen worden genomen tegen malafide hosters. Uw Kamer wordt vóór de zomer nader geïnformeerd over de aanpak bad hosting middels een voortgangsbrief over dit onderwerp.
Wordt er door politie proactief gemonitord op websites of platforms waar doxing plaatsvindt, vergelijkbaar met de aanpak bij kinderporno of terrorisme? Waarom wel of waarom niet?
Anders dan bij kinderpornografisch materiaal en terroristische content vindt door de politie en het Openbaar Ministerie niet structureel intensief onderzoek plaats naar doxing. Doxing komt vaak op naar aanleiding van concrete gebeurtenissen en valt onder de generieke opsporing. Kinderpornografisch materiaal en terroristische content zijn anders van omvang en aard. Daar wordt permanent strafrechtelijk op ingezet met onder meer specialistische teams.4 Een permanente inzet op alle strafbare feiten is met het oog op beschikbare capaciteit binnen de opsporing niet mogelijk. Daarin moeten keuzes worden gemaakt.
Voor kinderpornografisch materiaal en terroristische content geldt bovendien dat de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), op basis van Europese en nationale wetgeving de bevoegdheid heeft om bestuursrechtelijk op te treden tegen kinderpornografisch materiaal en terroristische content. De ATKM is zodoende bevoegd een aanbieder van een hostingdienst het bevel te geven het desbetreffende materiaal ontoegankelijk te maken binnen één respectievelijk twaalf uur. De ATKM doet hiervoor zelf actief onderzoek en beoordeelt daarnaast online content aan de hand van meldingen.
Wanneer de politie een melding of aangifte van doxing ontvangt met voldoende aanknopingspunten kan er een opsporingsonderzoek worden opgestart. Het is dan ook positief dat de aanpak van doxing per 1 januari 2024 is versterkt door de strafbaarstelling hiervan in artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht. Ook kan de officier van justitie, krachtens artikel 125p Wetboek van Strafvordering, aanbieders van communicatiediensten bevelen strafbare content (waaronder doxing), ontoegankelijk te laten maken.
Acht u het wenselijk om het delict «doxing» zwaarder te gaan vervolgen, zeker wanneer het om minderjarigen gaat en het leidt tot seksuele intimidatie en ernstige psychische schade?
Het OM is verantwoordelijk voor de vervolging van strafzaken. Bij het bepalen van de strafeis kan er door het OM rekening worden gehouden met strafverzwarende omstandigheden. In de Richtlijn voor strafvordering doxing van het OM wordt er onder andere rekening gehouden met de gevolgen voor slachtoffers. Naast doxing kan er sprake zijn van een andere strafbare gedraging. Het is aan het OM om te besluiten of en op basis van welke gronden vervolging plaatsvindt.
Welke extra stappen bent u bereid te nemen om kinderen online beter te beschermen tegen dit soort extreme vormen van digitale intimidatie?
Kinderen kunnen zich niet altijd zelfstandig beschermen en weerbaar opstellen in de online omgeving. Er worden verschillende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de digitale leefomgeving van kinderen veilig(er) wordt en hun rechten geborgd en versterkt worden. Dit gebeurt samen met Europese partners, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, ouders, verzorgers en kinderen. De maatregelen richten zich niet alleen op kinderen en ouders, maar ook op ontwikkelaars en aanbieders van online diensten en producten, en op professionals in de zorg en in het onderwijs. De voormalig Staatssecretaris van BZK heeft uw Kamer hierover op 4 september 2025 een brief gezonden waarin de strategie voor online kinderrechten is neergelegd.5 Deze strategie wordt jaarlijks geactualiseerd; de verwachting is dat voor het zomerreces een nieuwe brief volgt.
Slechtere zorg na overname huisartsenpraktijk door commerciële partij Arts en Zorg |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Radar van 9 februari jl. over de slechte zorg bij commerciële huisartsenpraktijk Arts en Zorg?1
Ja.
Deelt u de grote zorgen over de verhalen van patiënten bij Arts en Zorg, die soms zelfs in levensgevaar komen doordat ze tegen digitale muren lopen, geen contact kunnen krijgen met de praktijk of steeds wisselende artsen en praktijkondersteuners spreken?
Allereerst is het betreurenswaardig dat de patiënten waarover de uitzending van Radar gaat slechte ervaringen in de huisartsenzorg hebben. Goede en toegankelijke huisartsenzorg vormt het fundament van het Nederlandse zorgstelsel. Dat borgen we met wet- en regelgeving van de overheid en normen en richtlijnen van de beroepsgroepen. Deze beschrijven onder meer de eisen die aan de bereikbaarheid van een huisartsenpraktijk worden gesteld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt aan de hand daarvan toezicht op kwaliteit en veiligheid van de zorg. Dit toezicht vindt mede plaats op basis van signalen, onder andere uit de media. De IGJ geeft aan dat zij de signalen uit de uitzending niet herkennen vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. In dat licht is het belangrijk dat patiënten die slechte ervaringen in de (huisartsen)zorg hebben ook een melding doen bij de IGJ. Overigens heeft de IGJ in 2023 reeds een inspectiebezoek aan een praktijk van Arts en Zorg gebracht en zij concludeerde toen dat deze bij de getoetste onderwerpen voldeed aan de geldende wet- en regelgeving.2
Naast bovengenoemde kaders moeten aanbieders van huisartsenzorg werken volgens de kernwaardenvan de huisartsenzorg. Deze beschrijven onder meer het belang van continuïteit in de arts-patiëntrelatie. In lijn met afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft de beroepsgroep recent een uitgebreide duiding van deze kernwaarden opgeleverd.3 Hiermee hebben zorgverzekeraars, zorgaanbieders en toezichthouders extra handvatten om te toetsen of een huisartsenpraktijk aan deze kernwaarden voldoet. Het kabinet verwacht van deze partijen dat zij de zorg conform de duiding van de kernwaarden organiseren. Partijen zullen de komende maanden, aan de hand van casuïstiek die onder meer door de IGJ zal worden ingebracht, waar nodig verdere concretisering aanbrengen. Daarmee wordt beoogd de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meer handvatten te geven om vanuit hun toezicht eerder te kunnen interveniëren en zorgverzekeraars beter in staat te stellen gericht te contracteren en zo de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg duurzaam te borgen.
Tot slot heeft de beroepsgroep recent aangegeven dat de toekomst van de huisartsenzorg hybride is, maar dat belangrijke randvoorwaarden in acht moeten worden genomen om digitale huisartsenzorg in te zetten.4 Fysieke zorg moet daarbij altijd mogelijk zijn binnen dezelfde praktijk. In het kader van de kernwaarde «persoonsgericht» dient besluitvorming over digitale of fysieke zorg te gebeuren op basis van samen beslissen.
Hoe verklaart u dat deze wanpraktijken bij commerciële partijen blijven plaatsvinden, ondanks eerdere stappen die mede op initiatief van de Kamer op dit terrein zijn gezet?
Of er sprake is van wanpraktijken is aan toezichthoudende instanties om te beoordelen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, herkent de IGJ de signalen uit de uitzending niet vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. Signalen in de media kunnen voor de inspectie aanleiding zijn om extra toezichtsactiviteiten te starten. Samen met partijen uit de huisartsenzorg en toezichthouders NZa en IGJ heeft het kabinet de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet om risico’s van ketenvorming in de huisartsenzorg tegen te gaan. Deze stappen zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de NZa en IGJ in hun rapport over de opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg5. Een van deze stappen is de duiding van de kernwaarden van de huisartsenzorg door de beroepsgroep, waarover de Kamer recent is geïnformeerd.6 Zorgverzekeraars gaan aan de slag met de vertaling hiervan in het inkoopbeleid. In het antwoord op vraag 2 is toegelicht welke stappen daarnaast zullen worden gezet.
Tevens wordt een werkgroep opgezet waarin vroegtijdig signalen tussen partijen, waaronder zorgverzekeraars en toezichthouders, worden gedeeld. Het kabinet is ervan overtuigd dat onwenselijke ontwikkelingen op deze manier vroegtijdig kunnen worden gesignaleerd en gestopt.
Welke concrete stappen zijn er gezet na het faillissement van Co-Med?
De volgende stappen zijn en worden gezet:
Hoe kan worden voorkomen dat het bij Arts en Zorg net zo uit de hand loopt als bij Co-Med, aangezien nu al een schrikbarend percentage van 42% van de patiënten negatieve gevolgen voor hun gezondheid ervaart door de veranderingen in praktijken als gevolg van de overname?
Het is aan de onafhankelijke toezichthouders IGJ en NZa, die toezien op de kwaliteit en het rechtmatig functioneren van een specifieke aanbieder, om in situaties waarin dat nodig is nader onderzoek te doen en effectief op te treden. Ook betrokken zorgverzekeraars, die de zorg inkopen, hebben een rol in de toets op het leveren van kwalitatief goede zorg en controle op declaraties. De NZa en IGJ hebben aangegeven dat zij de signalen niet herkennen vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk om, conform de leerpunten die volgen uit de evaluatie van Co-Med, de signalen serieus te nemen en met de betrokken partijen en toezichthouders vinger aan de pols te houden.
Hoe beziet u de klachten van patiënten over Arts en Zorg in relatie tot de gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)? Deelt u de mening dat de praktijken van Arts en Zorg ingaan tegen de afspraken in het AZWA en zo ja, welke acties gaat u ondernemen om deze commerciële partij tot de orde te roepen?
Het is primair aan zorgverzekeraars en toezichthoudende instanties om te beoordelen of aanbieders voldoen aan wettelijke kaders, eisen vanuit de beroepsgroep en de kernwaarden van de huisartsenzorg. Zorgverzekeraars en toezichthouders hebben instrumenten om in te grijpen wanneer dat nodig is.
In het algemeen geldt dat in het AZWA concrete afspraken zijn gemaakt om de huisartsenzorg toegankelijk te houden en het werken met een vaste patiëntenpopulatie voor huisartsen weer de norm te maken. In een recente brief is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze afspraken.11 Een van de afspraken betreft de concretisering van de kernwaarden van de huisartsenzorg, die in antwoord op vraag 2 is beschreven.
Deelt u de zorg over het waterbedeffect dat ontstaat door het gebrek aan goede zorg bij partijen als Arts en Zorg, waarbij patiënten uit wanhoop uitwijken naar huisartsenpraktijken in andere dorpen en wijken die vervolgens weer moeten overgaan tot een patiëntenstop? Hoe kunnen de afspraken uit het AZWA en de voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff «Stop de commercie, steun de huisarts»2 bijdragen aan een oplossing hiervoor?
Alle aanbieders van huisartsenzorg dienen te werken volgens de in het antwoord op vraag 2 beschreven kaders, normen, richtlijnen en kernwaarden. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht richting hun verzekerden en moeten er via de zorginkoop op sturen dat hun verzekerden goede zorg krijgen. Toezichthouders IGJ en NZa zien toe op de (wettelijke) verantwoordelijkheden van zorgaanbieders en zorgverzekeraars.
Ook wanneer zorg volgens alle geldende kaders wordt geleverd, kan het zijn dat patiënten niet tevreden zijn over hun huisarts. In dat geval staat het hen vrij om een andere zorgaanbieder te zoeken. Het klopt dat de toegankelijkheid van huisartsenzorg, zeker in bepaalde gebieden, onder druk staat waardoor een andere aanbieder vinden niet eenvoudig of zelfs onmogelijk is. De afspraken in het AZWA over de huisartsenzorg zijn er, in lijn met de initiatiefnota van het lid Bushoff, op gericht om de toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg overal in Nederland te borgen. Onder meer door middel van een landelijk ruil- en inschrijfsysteem voor patiënten is het doel om de toegankelijkheid van huisartsenzorg te vergroten. Dat neemt niet weg dat het voor mensen die reeds een huisarts in de buurt hebben lastig kan blijven om te wisselen van huisarts. Bij zo’n wens kunnen zij ook een beroep doen op de zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Kamerbreed aangenomen motie van het lid Mohandis c.s.3 over het over het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg naar aanleiding van de initiatiefnota van het lid Bushoff?
De motie Mohandis over het opstellen van een uitvoeringsagenda beschouwt het kabinet als grote steun voor de werkagenda huisartsenzorg zoals afgesproken met landelijke partijen in het AZWA.
De werkagenda huisartsenzorg in het AZWA is dan ook bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda en komt voor een groot deel overeen met de concrete voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff. Zoals gebruikelijk en toegezegd in de Kamerbrief van 2 februari jl.14 zal ik de Kamer nader informeren over de voortgang van de afspraken die gemaakt zijn in het IZA en het AZWA, dit betreft ook de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg. De volgende Kamerbrief ontvangt de Kamer dit voorjaar.
Wanneer wordt de uitvoeringsagenda op basis van de motie Mohandis c.s. met de Kamer gedeeld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is de werkagenda huisartsenzorg in het AZWA bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda. De Kamer is in de brief van 3 november 2025 hierover geïnformeerd.15 Middels de IZA/AZWA-monitoring wordt de Kamer meerdere keren per jaar geïnformeerd over de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg. In de recent verzonden brief over de voortgang van de AZWA-afspraken huisartsenzorg is de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken van de uitvoering van de werkagenda.16
Op welke manier wordt extra inzet gepleegd op de voorstellen uit de initiatiefnota die volgens u al staande praktijk waren maar nog onvoldoende effect hebben, zoals de motie verzocht?
Met de werkagenda in het AZWA zet het kabinet ook extra in op voorstellen die al staande praktijk zijn. Een voorbeeld hiervan is de aanvullende inzet op (financieel) maatwerk door zorgverzekeraars. Waar de staande praktijk is dat verschillende zorgverzekeraars al maatwerk in de huisartsenzorg toepassen, is met deze afspraak landelijk vastgelegd dat alle verzekeraars dit gaan doen en zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop. De Kamer is over de uitvoering van deze afspraak recent geïnformeerd.17
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het Nederlandse goud in New York |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Is het, gezien het feit dat de Verenigde Staten zelfs niet langer lippendienst bewijst aan het «internationaal recht», bovendien heeft gedreigd bondgenoten (Denemarken) aan te vallen, heel waarschijnlijk betrokken is bij de aanval op Nordstream en daarmee indirect ook ons land en daarnaast ook Nederland en andere Europese landen er zelf niet langer voor terugdeinzen geld van een centrale bank waar we (formeel) niet mee in staat van oorlog verkeren te confisqueren, verstandig, zoals de Minister aan de Kamer schrijft, (blind) te vertrouwen op de afspraken die met de Verenigde Staten zijn gemaakt over de opslag van het Nederlandse goud in New York?
Zoals ik schreef in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen over de goudvoorraad1 is de verantwoordelijkheid voor het beheer van de Nederlandse goudvoorraad belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB). Het beheer van de goudvoorraad maakt onderdeel uit van haar onafhankelijke taken als nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken. Deze onafhankelijkheid houdt in dat DNB verantwoordelijk is voor beslissingen over de opslag en beveiliging van het goud. Met de VS, Canada en het VK heeft DNB goede afspraken over het opslaan en de beveiliging van het goud. DNB houdt de ontwikkelingen rond de goudvoorraad voortdurend in de gaten en maakt daarbij doorlopend risicoanalyses.
Zou het niet verstandiger zijn – om dit vertrouwen en het systeem te testen – om in ieder geval een klein deel van het Nederlandse goud dat is opgeslagen in New York te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Tot slot, mocht over een paar jaar blijken dat het Nederlandse goud in de Verenigde Staten niet langer in Nederlandse handen is (het goud is bijvoorbeeld in beslag genomen of «bevroren») omdat Nederland het goud niet tijdig heeft gerepatrieerd, wie kan de Tweede Kamer (en daarmee de Nederlandse bevolking) dan primair verantwoordelijk stellen voor het besluit om niet tijdig ons goud te repatriëren? De Nederlandsche Bank of het Ministerie van Financiën?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt?1
Ja.
Deelt u de constatering dat deze situatie zichtbaar maakt hoe afhankelijk Nederland voor een deel van zijn voedselvoorziening is van productie in het buitenland?
Voedselvoorziening is een systeemvraagstuk. Een samenhangend netwerk van import, productie, verwerking, verhandeling en logistiek. Ik deel de constatering dat de Nederlandse voedselvoorziening voor een deel is gebaseerd op invoer van voedsel uit het buitenland. Dit draagt bij aan een grote zekerheid van een divers, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod in Nederland en daarmee aan een grote mate van voedselzekerheid.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de Nederlandse voedselzekerheid wanneer beschikbaarheid van voedselproducten direct wordt beïnvloed door weersomstandigheden in andere landen?
De invoer van voedsel uit het buitenland maakt het Nederlandse voedselsysteem minder kwetsbaar voor structurele verstoringen en draagt bij aan een divers en betaalbaar voedselaanbod. De Europese interne markt is daarbij van groot belang voor zowel de beschikbaarheid van voedsel uit andere EU-lidstaten als de afzet van Nederlandse producten, en draagt daarmee bij aan de robuustheid van het Europees voedselsysteem. Hetzelfde geldt voor invoer uit en afzet in derde landen.
Als Nederland de voedselvoorziening voornamelijk zou baseren op binnenlandse productie, zou het aanbod niet alleen minder divers zijn maar ook duurder uitvallen, omdat sommige producten hier niet, beperkt of alleen tegen hogere kosten dan elders kunnen worden geproduceerd. Bovendien zou de voedselzekerheid kunnen afnemen, doordat ook in Nederland buitengewone weersomstandigheden kunnen leiden tot tegenvallende of mislukte oogsten.
De gevolgen voor de Nederlandse voedselzekerheid van buitengewone weersomstandigheden in specifieke productielanden, zoals Spanje of Marokko, blijven doorgaans beperkt doordat er alternatieven beschikbaar zijn, zoals: Nederlandse seizoensproducten, verwerkte voedselproducten (o.a. ingevroren, ingeblikte of gedroogde groenten en fruit) en import uit andere landen.
Heeft u inzicht in de mate waarin Nederland voor de dagelijkse voedselvoorziening nu al afhankelijk is van specifieke buitenlandse regio’s? Zo ja, kan u dit overzicht met de Kamer delen?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezonden, bevat het rapport: De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2025, in hoofdstuk 8 («Afhankelijkheden in de Nederlandse landbouwimport»), gedetailleerde informatie over de afhankelijkheid van voedselproducten uit verschillende regio’s buiten Europa.2
In hoeverre wordt in het huidige landbouw- en voedselbeleid expliciet rekening gehouden met het verkleinen van deze afhankelijkheid?
Het betrekken van voedsel uit meer bronnen dan alleen binnenlandse productie draagt bij aan een hoge mate van zekerheid en een gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod. Eventuele leveringsonderbrekingen uit binnen- of buitenland kunnen in de regel worden opgevangen door productsubstitutie of diversificatie van importstromen om kwetsbaarheden te laten afnemen. Tegelijkertijd blijft het van belang om de Nederlandse voedselvoorziening voor de lange termijn weerbaar te maken tegen uiteenlopende risico's, waaronder klimaat- en geopolitieke risico's. Dit ziet niet alleen op voedselproductie zelf, maar ook op de beschikbaarheid van essentiële grondstoffen en productiemiddelen voor de landbouw, zoals kunstmest, energie, veevoergrondstoffen en (onderdelen van) landbouwmachines. Mijn departement zet zich daarom in voor de waarborging van de beschikbaarheid van deze cruciale voedsel- en productiemiddelen.
Deelt u de opvatting dat een sterke en toekomstbestendige Nederlandse landbouwsector een belangrijke randvoorwaarde is voor de voedselzekerheid van ons land?
De voedselzekerheid van Nederland leunt in belangrijke mate op een robuust, duurzaam en toekomstbestendig agrocomplex. Dat betekent niet dat we volledig zelfvoorzienend moeten zijn. Het is daarbij van belang te benadrukken dat de kracht van het Nederlandse agrocomplex ook deels is gebaseerd op de import van voedsel van binnen en buiten de EU en onmisbare productiemiddelen, die een belangrijke randvoorwaarde vormen voor een hoge mate van voedselzekerheid. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 5 zou zonder import het voedselaanbod in Nederland minder zeker, minder divers en bovendien duurder zijn. Ik sta voor een sterke, toekomstbestendige en duurzame landbouwsector, functionerend binnen goed functionerende internationale voedselketens.
Hoe weegt u het belang van het behouden en versterken van binnenlandse voedselproductie mee bij beleidskeuzes die effect hebben op de omvang en mogelijkheden van de Nederlandse landbouwsector?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 3, 5 en 6 produceert Nederland niet al het voedsel zelf dat in ons land wordt geconsumeerd. De binnenlandse landbouwproductie is mede afhankelijk van de invoer van productiemiddelen. Tegelijkertijd wordt in Nederland een aanzienlijke hoeveelheid voedsel geproduceerd, bewerkt en verwerkt voor de export, wat bijdraagt aan het verdienvermogen. Dit betreft onder meer de productie van dierlijke producten zoals zuivel, vlees en eieren, naast plantaardige producten zoals aardappelen, uien en diverse groenten uit de tuin- en akkerbouw waarin Nederland een belangrijke positie heeft opgebouwd. Daarnaast speelt de voedselverwerkende industrie een belangrijke rol in de verwaarding van landbouwproducten, bijvoorbeeld door melk te verwerken tot kaas of cacaobonen tot chocolade. Deze vorm van waardecreatie borgt de internationale exportpositie van Nederland.
Het versterken van de binnenlandse voedselproductie betekent in deze context dat een deel van de huidige landbouwactiviteiten vervangen zou moeten worden door de productie van voedsel dat nu in Nederland in onvoldoende mate wordt geproduceerd. Gezien de Europese interne markt acht ik dat niet noodzakelijk en kan dit bovendien leiden tot een minder optimale uitkomst wat betreft een voldoende, divers en betaalbaar voedselaanbod. Voor de voedselzekerheid in Nederland is het daarom niet vereist dat de omvang of samenstelling van de land- en tuinbouw per se ongewijzigd blijft. Daarbij geldt ook dat beslissingen over wat en hoeveel er wordt geproduceerd, primair bij de agrarische ondernemers liggen, binnen de kaders van een verantwoorde omgang met natuur, milieu en leefomgeving.
Welke concrete maatregelen neemt u om de eigen productiecapaciteit van voedsel in Nederland te beschermen en waar mogelijk te versterken, juist met het oog op toenemende internationale onzekerheden en klimaatrisico’s?
Het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen is van groot belang en heeft de volle aandacht van het kabinet. Voedselvoorziening maakt onderdeel uit van de rijksbrede aanpak voor weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Zo wordt voedselvoorziening opgenomen in de nationale vitale infrastructuur. Tegelijkertijd brengt de overheid strategische afhankelijkheden in kaart en neemt zij waar nodig gerichte mitigerende maatregelen. Op Europees niveau draagt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bij aan het versterken van de voedselzekerheid door een stabiele en duurzame landbouwproductie binnen de Europese Unie te waarborgen.
Bent u bereid om voedselzekerheid expliciet als zwaarwegend criterium mee te nemen bij toekomstige besluiten die gevolgen hebben voor de Nederlandse landbouwproductie?
Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van de overheid. Daarom is het van belang om voldoende productie van belangrijke voedselproducten in Nederland te handhaven op een duurzame wijze. Daarnaast is het van belang om maatregelen te nemen om de invoer van voedselproducten van elders te waarborgen, om zo veel mogelijk comparatieve voordelen te benutten. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en open en diverse handelsstromen vormt daarvoor de basis.
Deelt u de opvatting dat een landbouwsector die op voldoende schaal en met voldoende productievolume opereert, economisch weerbaarder en minder kwetsbaar is voor verstoringen dan een sector die slechts op minimale schaal produceert voor uitsluitend de binnenlandse markt?
De kracht en kwetsbaarheid van land- en tuinbouwbedrijven en deelsectoren worden niet alleen bepaald door schaalgrootte en productievolume. Hoewel schaal en volume kunnen bijdragen aan efficiëntie en concurrentiekracht, brengen ze onder bepaalde omstandigheden ook risico’s met zich mee, zoals zichtbaar werd tijdens de vraaguitval in de COVID-19-pandemie en bij extreme weersomstandigheden. Daarom is het van belang dat, naast het nastreven van schaalvergroting en doelmatigheid, ook wordt ingezet op diversificatie van zowel productie als handelsstromen en op het versterken van de weerbaarheid van de landbouwsector en de gehele voedselvoorzieningsketen. Handelsverdragen kunnen hierin een aanvullende rol spelen.
Deelt u de opvatting dat export van Nederlandse landbouwproducten een logisch onderdeel is van een goed functionerende mondiale economie, waarbij Nederland landbouwproducten exporteert en andere landen bijvoorbeeld techniek, auto’s of grondstoffen exporteren die Nederland importeert?
Net zoals Nederland profiteert van de invoer van voedselproducten waarin andere landen comparatieve voordelen hebben, kan de voedselzekerheid in andere landen worden versterkt door de invoer van landbouwproducten waarin Nederland zelf comparatieve voordelen heeft. Afhankelijkheden werken immers twee kanten op. Naast landbouwproducten produceert Nederland bovendien veel andere goederen die in het buitenland gewild en gevraagd zijn. Export en import, van producten en diensten uit andere economische sectoren dan de landbouw dragen eveneens bij aan de welvaart, en daarmee ook de voedselzekerheid, in Nederland.
Deelt u de mening dat juist deze exportpositie bijdraagt aan de economische kracht, innovatie en continuïteit van de Nederlandse landbouwsector en daarmee indirect ook aan de voedselzekerheid van Nederland zelf?
Ja. Zie ook het antwoord op de vorige vraag.
De terugroepactie van babyvoeding door Danone |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Danone roept al deze baby- en kindervoeding terug in Nederland»?1
Ja.
Is er een indicatie dat in Nederland baby’s overleden zijn door de aanwezigheid van de giftige stof cereulide in melk? Bent u bereid de Kamer te informeren als hiervan sprake blijkt te zijn?
Op dit moment is er geen indicatie dat in Nederland baby’s zijn overleden door de aanwezigheid van cereulide in baby- en/of kindervoeding. Mocht dat onverhoopt wel gebeuren, dan zal ik de Kamer daarover informeren.
Kunt u, na afronding van het lopende NVWA-onderzoek, aangeven of Danone tijdig de publiekswaarschuwing heeft geplaatst?2
Na het afronden van het NVWA-onderzoek – waarbij ook wordt gekeken naar tijdigheid van waarschuwen – publiceert de NVWA het proces en de geaggregeerde resultaten op de website. In het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan ik over individuele bedrijven geen specifieke bedrijfsinformatie verschaffen.
In hoeverre zijn verkooppunten van baby- en opvolgmelk wettelijk verplicht om klanten te compenseren bij een terugroepactie, bijvoorbeeld door vervanging met een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag?
Allereerst zijn bedrijven zelf verantwoordelijk voor de productie van veilige en betrouwbare voedingsmiddelen. Consumenten die babymelk kopen mogen dus verwachten dat zij een veilig product krijgen. Als dat niet zo is, hebben zij op grond van de wettelijke garantieregels recht op vervanging door een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag binnen een redelijke termijn. Verkopers van baby- en opvolgmelk die onderdeel uitmaken van de terugroepactie zijn hiervoor wettelijk verantwoordelijk.
Klopt de suggestie dat Nederland later in actie is gekomen dan autoriteiten in andere landen? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) andere criteria voor het terugroepen van babyvoeding dan toezichthoudende agentschappen elders in de EU?
De NVWA heeft direct gereageerd op meldingen van Nestlé. Begin december 2025 werd de eerste verontreiniging gemeld bij de NVWA. De oorzaak leek een enkele verontreinigde productielijn bij de productielocatie van Nestlé in Nederland te zijn. De producten van deze lijn waren wel in Nederland geproduceerd, maar niet in Nederland verkocht. In landen waar de producten verkocht zijn, is onmiddellijk een veiligheidswaarschuwing afgegeven. Op 5 januari jl. meldde Nestlé dat uit de oorzaakanalyse bleek dat niet de productielijn, maar een verontreinigde grondstof de oorzaak leek te zijn. Daarop is de terugroepactie uitgebreid naar andere producten vanuit de productielocatie in Nederland als ook vanuit Nestlé productielocaties in andere lidstaten. Een tweetal van die producten bleken wel in Nederland te zijn verkocht en dus heeft de NVWA op 5 januari een veiligheidswaarschuwing geplaatst.
Tot 2 februari 2026 was binnen de EU geen geharmoniseerde grenswaarde voor cereulide in zuigelingenvoeding. De NVWA gebruikte tot die datum een grenswaarde die het RIVM in 2013 had geadviseerd: 0,03 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht. Op 2 februari heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een grenswaarde van 0.014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht geadviseerd. Die grenswaarde is vanaf dat moment door alle toezichthoudende agentschappen in de EU (en dus ook de NVWA) overgenomen.
Het sluiten van zorgvilla’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgvilla sluit plots de deuren: «We dachten dat het een phishingmail was. Dit kan toch niet?»»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Begrijpt en herkent u de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf, zoals die van ExpertCare?
Het leven voor gezinnen met een kind dat medische zorg nodig heeft, is intens en uitdagend. Ik begrijp en herken dan ook de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf. Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Hoeveel van dit soort medische dagverblijven/zorgvilla’s, zoals ExpertCare, zijn er momenteel in Nederland?
Acht leden van Binkz bieden 24-uurs kindzorg aan. Vijftien leden van Binkz hebben een verpleegkundig kinderdagverblijf.
Is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gebracht van het feit dat ExpertCare de deuren van hun dagverblijf zal sluiten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Op 27 januari 2026 heeft het Ministerie van VWS via een persbericht van ExpertCare het voorgenomen besluit vernomen om hun locaties voor medische kindzorg per 31 maart 2026 te sluiten. Het Ministerie van VWS heeft van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) begrepen dat de NZa en zorgverzekeraars voorafgaand aan dit persbericht niet op de hoogte waren van het voorgenomen besluit. Sindsdien houdt de NZa het Ministerie van VWS intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden.
Moet het worden gemeld als dergelijke organisaties als ExpertCare, die een uniek aanbod leveren en voorzien in specialistische zorg, de deur sluiten?
Ja, op grond van het continuïteitsbeleid dient een aanbieder van zorg voor zeer specifieke cliënten, zoals ExpertCare, een melding te doen bij de zorgverzekeraar(s) als de betreffende zorgaanbieder gaat sluiten. De zorgverzekeraars maken doorgaans in hun contracten afspraken hierover. Ook dienen de zorgverzekeraars hierover de NZa te informeren. Als de NZa in gesprek met zorgverzekeraars en de aanbieder geen zekerheid kan krijgen over het borgen van continuïteit van zorg, schaalt de NZa op naar het Ministerie van VWS2.
Welke concrete maatregelen zijn er getroffen, zowel door het ministerie als door ExpertCare, om de zorgvilla’s open te houden?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de financiële bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u nog om te voorkomen dat de zorgvilla’s gesloten moeten worden?
Kern van het continuïteitsbeleid is dat de continuïteit van zorg centraal staat, en niet de continuïteit van individuele zorgorganisaties3. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Zoals hierboven aangegeven, houdt de NZa toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Kunt u deze vragen ieder apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Een tweet van de directeur van de Amerikaanse inlichtingendiensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze tweet1 van Tulsi Gabbard, directeur van de Amerikaanse inlichtingendiensten, waarin ze stelt dat Rusland niet de militaire capaciteit heeft om Oekraïne, laat staan heel Europa, te veroveren?
Ja.
Deelt de Nederlandse regering deze analyse van de Amerikaanse regering? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Rusland beschikt over grote militaire capaciteiten en blijkt in staat om de verliezen in Oekraïne aan te vullen. Daarbij heeft Rusland zich bereid getoond om grote verliezen te accepteren om militaire doelen te behalen. Oekraïne is tot nu toe in staat geweest om een volledige verovering te voorkomen, mede dankzij de militaire en niet-militaire steun van partners, waaronder Nederland. Het kabinet zal Oekraïne blijven steunen en partners hiertoe oproepen. De veiligheid en stabiliteit in Europa zouden immers nog verder ondermijnd worden, als Rusland zou worden beloond voor zijn agressie.
Is, wat de Nederlandse regering betreft, Rusland militair in staat Europa te veroveren? En is de Nederlandse regering wel of niet van mening – los van het feit of Rusland hier militair toe in staat is – dat Rusland de ambitie heeft om Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder militair te veroveren?
Het kabinet ziet Rusland als de grootste veiligheidsdreiging voor Nederland en Europa. Het Kremlin beschouwt de oorlog tegen Oekraïne als onderdeel van een breder conflict met de NAVO. Rusland bereidt zich voor op een langdurige confrontatie met de NAVO, ook op militair gebied. Rusland is niet alleen in staat gebleken de substantiële verliezen in Oekraïne op te vangen, maar zelfs de krijgsmacht uit te breiden en te hervormen. Mede door de materiële steun die Rusland ontvangt van landen zoals Noord-Korea en Iran kan het een deel van de eigen productie gebruiken en vergroten om de strategische reserves aan te vullen. De invloed van de oorlog in Iran zou hier verandering in kunnen brengen, maar de precieze consequenties blijven vooralsnog onduidelijk. Ook hebben de verschillende Russische krijgsmachtonderdelen aanzienlijk geïnvesteerd in de integratie van onbemande systemen, waarbij geleerde lessen uit de oorlog tegen Oekraïne ingezet worden om de effectiviteit van deze inzet te vergroten.
De Russische inspanningen zijn er op gericht de NAVO politiek uiteen te spelen. Indien de oorlog met Oekraïne is beëindigd, is Rusland militair in staat om een in tijd en ruimte beperkte operatie tegen één of meerdere bondgenoten uit te voeren. Mede gezien onze bondgenootschappelijke verplichtingen, raakt dit Nederland direct. De Russische krijgsmacht voert daarnaast verschillende activiteiten uit om de escalatiebereidheid van de NAVO te testen. De Russische risicobereidheid is de afgelopen jaren toegenomen, getuige de diverse drone-incidenten en Russische schendingen, al dan niet opzettelijk, van NAVO-luchtruim. Ook zijn andere hybride activiteiten, cyberaanvallen, sabotage- en desinformatie-activiteiten in Europa toegenomen en vinden regelmatig Russische schendingen van het NAVO-luchtruim plaats. Deze strategie richt zich ook steeds vaker op Nederland, waarbij zowel grootschalige cyber-attacks, gerichte beïnvloeding van politici als spionageoperaties in de Noordzee de nationale veiligheid ondermijnen.
Daarom is het van belang dat NAVO bondgenoten de collectieve verdediging en afschrikking versterken door het verhogen van de bijdrages naar 3,5% defensie-uitgaven en 1,5% bredere veiligheid- en defensie gerelateerde uitgaven van het bruto binnenlands product.
Het spionageschandaal bij de NCTV |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een voormalig medewerker van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) jarenlang staatsgeheime informatie zou hebben doorgespeeld aan de Marokkaanse geheime dienst?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze zaak een van de grootste veiligheids- en spionageschandalen uit de recente Nederlandse geschiedenis is? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een medewerker met toegang tot uiterst vertrouwelijke informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) jarenlang ongecontroleerd honderden staatsgeheime documenten kon printen, meenemen en digitaliseren?
Welke concrete tekortkomingen in toezicht, interne controle en informatiebeveiliging hebben dit mogelijk gemaakt?
Kunt u aangeven welke risico’s deze informatielekken hebben opgeleverd voor de nationale veiligheid en de veiligheid van Nederlandse burgers?
Zoals geschetst Kamerbrief van 25 november 2025 is door de politie direct na de aanhouding van de verdachte gekeken naar de veiligheidsrisico’s voor zowel medewerkers als lopende onderzoeken.4 Mede naar aanleiding van deze doorlichting heeft de politie maatregelen genomen. Op dit moment loopt, mede naar aanleiding van de motie Six-Dijkstra, een onderzoek naar de schade van de mogelijk gelekte gegevens bij de NCTV.5 Zoals toegezegd in de brief van 10 november jl. zal ik uw Kamer voor zover dit mogelijk is nader informeren over relevante ontwikkelingen.
In hoeverre zijn door deze zaak lopende operaties, informatiebronnen of personen in binnen- en buitenland in gevaar gebracht?
In zijn algemeenheid geldt dat dat er in de openbaarheid niet wordt ingegaan op vragen omtrent staatsgeheime informatie of operaties. Voor de behandeling hiervan heeft de Kamer haar geëigende kanalen.
Wanneer ontving de AIVD de eerste signalen van mogelijk ongeoorloofd contact tussen de verdachte en buitenlandse inlichtingendiensten, en waarom is toen niet eerder ingegrepen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat Nederland structureel te naïef omgaat met buitenlandse inmenging en spionage, met name vanuit landen die hier een grote diaspora hebben?
Sinds 2018 zet het kabinet Rijksbreed in op tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging.6 In 2023 is deze aanpak geïntensiveerd, met onder andere maatregelen om het bewustzijn over statelijke inmenging te vergoten en de strafbaarstelling van spionageactiviteiten in Nederland uit te breiden.7 Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de Kamerbrief «Stand van zaken aanpak ongewenste buitenlandse inmenging» en de fenomeenanalyse van de AIVD en NCTV over dit thema.8
Deelt u de zorg dat ambtenaren met sterke persoonlijke, familiale of buitenlandse loyaliteiten kwetsbaar kunnen zijn voor belangenverstrengeling en het schenden van het ambtsgeheim, zoals blijkt uit recente zaken waaronder die van Fouad A.?2
De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) stelt dat privécontacten van rijksambtenaren het vertrouwen van het publiek in de overheid kunnen beïnvloeden. Hier staat tegenover dat een ambtenaar recht heeft op de bescherming van zijn of haar privéleven zolang de uitoefening van dit recht het functioneren of het functioneren van de dienst niet schaadt. Voor ambtenaren met toegang tot relevante informatie of diensten geldt dat het integriteitsrisico groter is. De Rijksoverheid zet daarom in op bewustwording over integriteitsrisico’s, onder andere via het rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning».
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of er sprake is van structurele patronen bij het schenden van het ambtsgeheim, waaronder het beschermen van bekenden, en of huidige screenings- en toezichtmechanismen daarbij tekortschieten?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vragen 2, 3 en 4. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse staat in deze zaak, gezien de verdenkingen van direct contact tussen de verdachte en hoge functionarissen van de Marokkaanse inlichtingendienst?
Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is het van belang om eerst de uitkomsten van het strafproces af te wachten.
Worden er, naar aanleiding van deze zaak, diplomatieke of veiligheidsmaatregelen overwogen ten aanzien van de samenwerking met Marokko?
Zie antwoord vraag 11.
Acht u de huidige screenings- en herbeoordelingsprocedures voor medewerkers met toegang tot staatsgeheime informatie toereikend? Zo nee, welke aanscherpingen acht u noodzakelijk?
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat collega’s inloggegevens konden uitlenen zonder dat dit direct werd gesignaleerd of gesanctioneerd?
Deelt u de opvatting dat het uitlenen van accounts en het meenemen van staatsgeheime stukken naar huis wijst op een gebrekkige veiligheidscultuur binnen de NCTV?
Welke bestuurlijke of disciplinaire gevolgen zijn er verbonden aan het falen van interne beveiligingsmaatregelen binnen de NCTV?
In hoeverre wordt momenteel rekening gehouden met mogelijke kwetsbaarheden voor buitenlandse beïnvloeding, zoals financiële voordelen, reizen of andere gunsten, bij medewerkers in gevoelige functies?
Van alle rijksambtenaren wordt verwacht dat zij in hun werk betrouwbaar, onafhankelijk en onpartijdig zijn. In artikel 8, eerste lid, onder e, van de Ambtenarenwet 2017 is opgenomen dat het de ambtenaar niet is toegestaan om zonder toestemming van de overheidswerkgever giften, vergoedingen en beloften van een derde aan te nemen of hierom te vragen, indien de ambtenaar als ambtenaar met deze derde betrekkingen onderhoudt. Als grondregel geldt dat het aannemen van geschenken slechts geoorloofd is wanneer de handelingsvrijheid van de ambtenaar er niet direct of indirect door wordt aangetast én het gedrag van de ambtenaar de toets van de openbare verantwoording kan doorstaan.11 Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is opgenomen, dient elke rijksambtenaar bij geschenken na te gaan wat de achtergrond en mogelijke bijbedoelingen van een geschenk zijn. Indien een ambtenaar zich hierdoor niet meer vrij voelt om een onpartijdige beslissing te nemen, moet een geschenk geweigerd worden. In het geval van een geschenk door een buitenlandse relatie, dient de rijksambtenaar dit te beschouwen als een geschenk aan de organisatie en bespreekt de rijksambtenaar het geschenk met de leidinggevende. In het verlengde hiervan is het Rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning» in het leven geroepen tegen ondermijning vanuit statelijke actoren, buitenlandse beïnvloeding, en criminele organisaties. Vanuit het programma is er bijvoorbeeld een toolkit ontwikkeld waarmee Rijksorganisaties een risicoanalyse kunnen uitvoeren ten aanzien van corruptie en ondermijning.
Bent u bereid om het beleid rondom het accepteren van geschenken, reizen en andere voordelen van buitenlandse partijen verder aan te scherpen voor ambtenaren met toegang tot staatsgeheimen?
Zie antwoord vraag 17.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel. Als benoemd bij de beantwoording van vragen 2 tot en met 4 heeft mijn ambtsvoorganger de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie. Voor de uitkomsten van dit rapport en de maatregelen die zijn getroffen verwijs ik u naar de eerder genoemde brief van 13 december 2024. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Kunt u toezeggen dat de Kamer volledig en transparant wordt geïnformeerd over de uitkomsten van evaluaties en eventuele hervormingen naar aanleiding van deze zaak?
Bij brief van 24 oktober 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de ADR heb gevraagd om een aanvullend onderzoek te doen bij de NCTV naar de opvolging van de aanbevelingen van het rapport van de ADR naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie en waar nodig aanvullende aanbevelingen te doen. Uw Kamer zal, zoals toegezegd in de genoemde brief en tijdens het debat met uw Kamer van 3 april 2025, vanzelfsprekend over de uitkomsten worden geïnformeerd.
Het bericht dat de NS ICT uitbesteedt aan een Amerikaanse leverancier |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS besteedt ict deels uit aan Amerikaanse leverancier»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke ICT-processen van de NS precies worden uitbesteed?2 Zijn dit (onderdelen van) kritieke processen met gevolgen voor de continuïteit van de NS indien ze langer dan één dag uitvallen?
De aanbesteding betreft een aantal verschillende systemen. Het gaat om:
Uitval van deze systemen heeft niet direct gevolgen voor het rijden van treinen. Wel kan de uitval gevolgen hebben voor andere aspecten van de dienstverlening, wat uiteindelijk tot hinder voor reizigers kan leiden. Het is overigens goed om te beseffen dat bovenstaande functies die onderdeel zijn van de uitbesteding, nu ook al zijn ondergebracht bij derde partijen.
Klopt het dat er ook (onderdelen van) beveiligingssystemen worden uitbesteed aan een Amerikaans bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de digitale autonomie van de Nederlandse (spoor)infrastructuur?
Zie voor een opsomming van de betreffende systemen het antwoord op vraag 2.
Het Security Operations Center wordt door NS zelf verzorgd, op dit moment in samenwerking met een Nederlands IT-bedrijf. In deze aanbesteding heeft NS de cyberrisico’s in kaart gebracht en in lijn daarmee passende eisen gesteld en een passend risicomanagementsysteem gekozen.
Deelt u de opvatting van de NS dat de uitbestede processen niet missiekritisch zijn?3 Kunt u schetsen welke gevolgen het heeft voor de dienstverlening van de NS indien deze systemen wél uitvallen? Kunt u uitsluiten dat de uitvoering van de dienstverlening van NS (het laten rijden van treinen op het hoofdrailnet) in gevaar zou kunnen komen wanneer de betreffende systemen uitvallen? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, deelt u dan de zorgen over deze uitbesteding?
Zie ook het antwoorden op vragen 2 en 3. Uitval van deze systemen heeft geen of beperkte directe gevolgen voor het rijden van treinen. Wel kan de uitval gevolgen hebben voor andere aspecten van de dienstverlening. De daadwerkelijke impact hangt af van de aard en de duur van de onderbreking en het specifieke onderdeel van de dienstverlening dat geraakt wordt.
Hierbij dient te worden benadrukt dat de grootste bedreiging voor de continuïteit van de (digitale) dienstverlening externe kwaadwillenden zijn. Hiertoe is het van belang dat de digitale diensten die worden afgenomen voldoen aan het vereiste beveiligingsniveau. De gekozen dienstverlener voldoet hieraan.
Kan de Amerikaanse overheid, via wet- en regelgeving zoals de CLOUD Act, Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333, toegang krijgen tot gevoelige gegevens over de Nederlandse spoorinfrastructuur? Kunt u dit met een ja of nee beantwoorden en dit met concrete verwijzing naar relevante juridische bronnen toelichten?
Diverse landen kennen inderdaad wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking van dienstverleners bij gegevensverzoeken van veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act, Executive Order 12333, en FISA sectie 702 in de VS. Voor EO12333 is geen medewerking van de leverancier vereist. Dergelijke wet- en regelgeving kan in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens. Op basis van dergelijke regelgeving kan een onder Amerikaanse zeggenschap vallende organisatie de opdracht krijgen gegevens te verstrekken aan de Amerikaanse overheid. Zie verder het antwoord op vragen 2 en 3.
Biedt de groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse ICT-bedrijven de mogelijkheid voor de Verenigde Staten om druk uit te oefenen op Nederland, bijvoorbeeld door de continuïteit van de dienstverlening van de NS in gevaar te brengen?
In deze NS-casus ziet het kabinet geen aanleiding om aan te nemen dat door de inkoop van deze ICT-diensten de continuïteit van de dienstverlening in gevaar wordt gebracht of dat het gebruik van deze specifieke digitale dienst gebruikt zal worden om druk uit te oefenen op Nederland. Nederland en Europa zijn voor cruciale digitale infrastructuur sterk afhankelijk geworden van een klein aantal niet-Europese spelers. Dat maakt ons kwetsbaar in een wereld waarin technologie steeds vaker als geopolitiek machtsmiddel wordt ingezet. Dit levert efficiëntie en toegang tot belangrijke functionaliteiten op, maar legt ook een kwetsbaarheid bloot ten aanzien van afhankelijkheid en digitale autonomie. Daarom is in algemene zin de inzet van het kabinet er op gericht om risicovolle strategische afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Deelt u de mening dat de NS digitale autonomie zou moeten betrachten en af zou moeten zien van deze aanbesteding bij een Amerikaans bedrijf? Welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom voldeed KPN niet meer als aangewezen ICT-leverancier voor deze diensten? Was het strikt noodzakelijk om de ICT uit te besteden, en zo ja, waarom aan een niet-Europees bedrijf?
NS dient zicht te houden aan de Aanbestedingswet. Het eerdere contract met KPN liep af en kende ook geen verlengingsmogelijkheden meer. NS is dan verplicht de opdracht via een Europese Aanbestedingsprocedure in de markt te zetten. Daarbij stelt NS zeer uitgebreide eisen en criteria op het gebied van prijs, kwaliteit, beschikbaarheid (zo min mogelijk storingen) en cyberveiligheid. De Nederlandse dochter van een Amerikaanse onderneming kwam als beste uit de bus.
Past de keuze van de NS om haar ICT uit te besteden aan een Amerikaans bedrijf binnen de ambitie van het kabinet om meer digitaal onafhankelijk te worden? Welke rol heeft de Staat als enig aandeelhouder hierin?
De gunning is een uitkomst van het verplichte Europese aanbestedingsproces. Het kabinet heeft als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Als aandeelhouder van NS staat de Minister van Financiën op dit onderwerp meer op afstand: operationele zaken zoals de wijze van aanbesteden zijn primair de verantwoordelijkheid van het bestuur van de deelnemingen.
Hoe kijkt u aan tegen de keuze van de NS om, tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke situatie en nadat de Rijksoverheid herhaaldelijk het belang van digitale autonomie benadrukte, alsnog ICT uit te besteden aan een niet-Europees bedrijf?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 6, 8 en 9.
Acht u de lange doorlooptijd van het contract, namelijk zes tot twaalf jaar, geschikt gezien de onzekerheid van de geopolitieke relatie met de Verenigde Staten?
Een dergelijke doorlooptijd is niet ongewoon gezien de implementatietijd en -kosten van een dergelijke migratie.
Klopt het dat er geen nationale richtlijnen bestaan om Amerikaanse partijen te weren? Staat dit wel voorzien in het nieuwe cloudbeleid dat nog steeds in ontwikkeling is?
Het klopt dat er geen nationale richtlijnen zijn om Amerikaanse partijen te weren en de inzet van het kabinet is daar ook niet op gericht. Het Rijksbreed cloudbeleid is niet van toepassing op staatsdeelnemingen, en is landenneutraal opgesteld.
Het kabinet heeft wel als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Is in deze aanbesteding voldaan aan de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), waarin staat dat er strenge eisen gesteld moeten worden aan digitale autonomie en soevereiniteit?
Het kabinet heeft besloten dat de departementen, hun diensten en agentschappen, en de politie vanaf 1 januari 2026 de ABRO gaan toepassen bij contracten met bedrijven als daarbij risico’s voor de nationale veiligheid aanwezig zijn. De NS is geen onderdeel van deze organisaties. Voor de implementatie hiervan hebben deze inkopende organisaties tot eind 2027 de tijd gekregen. Daarover is uw Kamer geïnformeerd (TK 2025/2026 26 643, nr. 1438). Als een inkopende organisatie, voordat zij besluit de ABRO toe te gaan passen, al een aanbestedingsproject in gang heeft gezet, is uitgangspunt dat deze aanbesteding niet alsnog onder de ABRO kan worden gebracht.
In bedoelde Kamerbrief is ook gemeld dat voorbereidingen worden getroffen om deze beveiligingseisen ook te laten toepassen door andere inkopende organisaties. Dat gaat om onder meer Zelfstandige Bestuursorganen, provincies, gemeenten, waterschappen en vitale sectoren. Momenteel wordt binnen het rijksbrede programma «Veilig inkopen» onderzocht welke risico’s deze organisaties lopen voor de nationale veiligheid. Het staat nog niet vast welke specifieke organisaties in dit onderzoek worden meegenomen. Voor deze inkopende organisaties worden de benodigde juridische instrumenten, financiën en organisatorische afspraken voorbereid. In het 3e kwartaal van 2026 wordt de Tweede Kamer over de stand van zaken van het programma «Veilig inkopen» geïnformeerd.
De ABRO maakt onderdeel uit van een keten. De inkopende organisatie deelt bij aanvang van een aanbesteding mee dat de ABRO wordt toegepast. Als bij een inkoop de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV) wordt gevolgd, dan biedt dat de mogelijkheid om alleen bedrijven uit de Europese Economische Ruimte én bedrijven uit nader te bepalen landen toe te laten als inschrijver op zo’n inkoop.
De ABRO ziet niet direct op digitale soevereiniteit en biedt geen directe mogelijkheden om ongewenste overnames te voorkomen of bepaalde aanbieders op voorhand uit te sluiten in een aanbesteding. Het Nationaal Bureau Industrieveiligheid (NBIV) controleert het bedrijf dat als winnaar uit zo’n aanbesteding komt of het aan de ABRO-eisen voldoet. Daarbij dient onder meer inzicht te worden gegeven in de organisatiestructuur van en de zeggenschap over een bedrijf. Als de risico’s voor de nationale veiligheid niet kunnen worden beperkt, geeft NBIV geen ABRO-verklaring af en kan in beginsel geen contract worden afgesloten.
Bij een contract waarop de ABRO is toegepast, is de contractspartij verplicht om NBIV tijdig te informeren bij potentiële overnames of wisselingen in significante invloed. Het biedt opdrachtgever en NBIV daarmee de mogelijkheid om de risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Indien die risico’s niet kunnen worden beperkt, kan de ABRO-verklaring worden ingetrokken en kan de inkopende organisatie het contract ontbinden.
Is het mogelijk om via het Cloud Sovereignty Framework van de EU wél voorkeur te geven aan Europese partijen bij ICT-aanbestedingen? Waarom is daar in dit geval geen gebruik van gemaakt?
Het Cloud Sovereignty Framework van de EU is niet van toepassing op deze tender en bestond nog niet ten tijde van het uitzetten van de onderhavige aanbesteding. Het is op basis van de aanbestedingsregels niet toegestaan om gedurende de aanbestedingsprocedure aanvullende eisen (zoals het EU Cloud Sovereignty Framework) toe te voegen.
Het Cloud Sovereignty Framework van de EU biedt kwalitatieve scoringseisen voor aanbestedende partijen en heeft als doel om een level playing field te bieden aan clouddienstverleners, en tevens om de sector richting Europese standaarden en waarden te drijven. Het Cloud Sovereignty Framework is dus niet gericht op het uitsluiten van partijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden, nog voordat er onomkeerbare stappen worden gezet?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TikTok-gebruikers aangezet tot terreur voor IS, 15 arrestaties»?1
Ja.
Over welke verblijfsstatussen beschikken de 13 Syrische verdachten, en wat is het herkomstland van de overige verdachten met de Nederlandse nationaliteit?
Het kabinet gaat niet in op individuele casuïstiek en doet geen uitspraken over de verblijfsstatus of andere (persoons)gegevens van betrokkenen.
Kunt u bevestigen dat er al in augustus vorig jaar zicht was op deze verdachten bij de eenheden? Zo ja, waarom hebben deze gevaarlijke jihadisten al die tijd vrij rond kunnen lopen en onze samenleving in gevaar kunnen brengen? Hoeveel van dit soort tikkende tijdbommen lopen er nog steeds rond in Nederland?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kunnen geen nadere uitspraken worden gedaan.
Hoe konden deze Syriërs überhaupt Nederland binnenkomen, terwijl ze nu verdacht worden van het aanzetten tot islamitisch terrorisme?
Zoals aangegeven wordt niet ingegaan op de individuele omstandigheden omtrent het strafrechtelijk onderzoek of de toelatings- en verblijfsprocedure. In zijn algemeenheid geldt dat besluiten over toelating en verblijf individueel en zorgvuldig tot stand komen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen het nationale en Europese wettelijke kader en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid.
In dit kader is in 2023, onder coördinatie van de NCTV, een systeemcheck binnen de migratie- en veiligheidsketen uitgevoerd naar het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. De bevindingen en de voortgang van de maatregelen zijn toegelicht in Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, kan dit leiden tot weigering of intrekking van een verblijfsvergunning.
Het feit dat op een later moment aanwijzingen zijn dat iemand mogelijk betrokken was bij een strafbaar feit betekent niet dat bij binnenkomst dan wel op of na het moment van vergunningverlening reeds informatie beschikbaar was of had kunnen zijn die tot weigering had moeten of kunnen leiden.
Het kabinet blijft inzetten op het zo vroeg mogelijk onderkennen van veiligheidsrisico’s. Ondanks alle inspanningen kan er geen absolute garantie worden gegeven dat er geen mensen dit land binnen komen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, maar de inzet is erop gericht dit zoveel mogelijk te voorkomen. Ook valt niet uit te sluiten dat personen ná het doorlopen van een verblijfsprocedure radicaliseren. Nederland kent een sterke aanpak tegen radicalisering en het voorkomen ervan. Nationale partners staan nauw met elkaar in contact in de aanpak tegen terrorisme en extremisme. Dat blijkt uit deze aanhoudingen.
Bent u bereid om deze verdachten na hun veroordeling Nederland uit te zetten, en waar van toepassing, hun verblijfsvergunning in te trekken of de Nederlandse nationaliteit af te pakken? Zo nee, waarom tolereert u dit soort bedreigingen voor onze veiligheid?
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus.
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
In zijn algemeenheid beziet de IND bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vast stelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
Gelet op het lopende strafrechtelijke onderzoek kan ik niet vooruitlopen op eventuele vreemdelingrechtelijke gevolgen.
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme en dat het Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u eindelijk bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren alsmede een stop op immigratie uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze kwalificatie niet.
Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.
Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.
Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
Het bericht 'Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat ‘op te hangen aan een lantaarnpaal’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat «op te hangen aan een lantaarnpaal»»?1
Ja.
Is het correct dat een medewerker van zorgorganisatie SamenTwente op Twitter/X over een 19-jarige FVD-kandidaat voor de gemeenteraad in Utrecht heeft geschreven: «Met fascisten ga je geen debat aan. Da’s zonde van de tijd. Die moet je gewoon ouderwets ondersteboven aan een lantaarnpaal hangen. En eventueel Bella Ciao erbij zingen.»? Is de Minister bereid, eventueel gebruik makend van de «trusted flagger» status van het ministerie, bij Twitter/X na te vragen of deze tweet daadwerkelijk verstuurd is? Zo nee, waarom niet?
Het doen van bedreigingen keur ik in alle gevallen ten zeerste af. De impact van een bedreiging kan voor iemand zeer ingrijpende gevolgen hebben. Dat gezegd hebbende is het in deze situatie niet aan de Minister van BZK om te verifiëren of bepaalde uitingen al dan niet daadwerkelijk op sociale media zijn gedaan, om uitingen te controleren op echtheid of om na te gaan wie verantwoordelijk is voor de plaatsing ervan. Indien iemand van mening is dat er sprake is van een strafbaar feit kan er aangifte worden gedaan. Ook kan een bericht gemeld worden bij een platform zoals X. Strafbare illegale berichten moeten door X worden verwijderd na melding.
Voor een uitleg over de inzet van de «verkiezingen flaggerstatus» verwijs ik u naar de betreffende bijlage bij de brief van mijn voorganger van 9 januari jl. over de Tweede Kamerverkiezingen.2
Klopt het dat de medewerker van deze zorgorganisatie formeel gezien een «ambtenaar» is?
Zoals hiervoor aangegeven is het geen onderdeel van mijn verantwoordelijkheid om na te gaan wie verantwoordelijk is voor plaatsing van uitingen op sociale media.
Vindt de Minister, primair verantwoordelijk voor zowel het functioneren van de rijksdienst (ambtenarij) als het beschermen van onze democratie, het acceptabel voor een ambtenaar om publiekelijk een kandidaat van een politieke partij waar deze ambtenaar het niet mee eens is, te bedreigen? Is een dergelijke (doods)bedreiging verenigbaar met de Ambtenarenwet?
Het is in alle gevallen volstrekt onacceptabel en onder omstandigheden strafbaar om politici te bedreigen. De toenemende intimidatie van politici is een ernstige ontwikkeling die een bedreiging vormt voor een goede werking van onze democratie. Vanuit het programma Weerbaar Bestuur zet ik mij daarom in om politieke ambtsdragers te ondersteunen wanneer zij geïntimideerd of bedreigd worden.
De Ambtenarenwet 2017 schrijft onder meer voor dat een ambtenaar is gehouden zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ook schrijft de wet voor dat een overheidswerkgever zorgt voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen. Het spreekt voor zich dat een bewezen (doods-)bedreiging door een ambtenaar zich niet verhoudt tot het voorgeschreven goed ambtelijk handelen. Of en in hoeverre overschrijding van de geldende normen in een bepaalde casus aan de orde is, is ter bepaling van de werkgever van de betrokken ambtenaar.
Behoort, in de ogen van de Minister, een ambtenaar, die een (kandidaat-)politicus publiekelijk bedreigt uit zijn ambt te worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Indien een ambtenaar gedrag vertoont dat volgens de werkgever grensoverschrijdend is, kunnen daar consequenties aan verbonden worden. Welke consequenties dat zijn kan onder andere afhangen van wat daarover in een cao is afgesproken, de aard en context van het geconstateerde gedrag, of er sprake is van recidive en of er sprake is van een strafbaar feit.
Het bericht ‘Studenten uit Gaza die beurs was beloofd kunnen toch nog niet door met hun studie in Wageningen’ |
|
Annette Raijer (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Wageningen University & Research de juridische procedure van twee in Gaza geboren studenten faciliteert door de proceskosten te vergoeden en kunt u aangeven uit welke middelen deze kosten worden betaald? Zo nee, waarom niet?1
Ik ben bekend met het bericht.
De Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) geeft een instelling ruimte om voorzieningen te treffen voor de financiële ondersteuning van een internationale student die aan de instelling is ingeschreven. Instellingen gaan zelf over de invulling die zij hieraan geven. De Wageningen Universiteit (WUR) verstrekt jaarlijks twee beurzen aan studenten uit conflictgebieden. De WUR heeft mij laten weten dat deze beurzen worden bekostigd uit een fonds dat hiervoor door de instelling is ingericht. Uit hetzelfde fonds worden nu de proceskosten betaald. De WUR geeft aan dat de middelen voor dit fonds uit de inkomsten uit instellingscollegegeld van niet EER-studenten worden gehaald. Het betreft dus geen middelen die vanuit de Rijksoverheid aan de WUR worden verstrekt. Wel is het zo dat instellingscollegegeld wordt geïnd op basis van WHW waarmee deze middelen als publiek zijn aan te merken.
Hogescholen en universiteiten hebben bestedingsvrijheid voor deze middelen, maar zijn hierbij gebonden aan dezelfde kaders die de WHW aan de besteding van de overheidsbijdrage stelt. Het is aan de WUR om te zorgen dat zij hun middelen binnen de kaders van de wet besteden. Zij rapporteren over hun bestedingen in hun jaarverslag.
Kunt u uitsluiten dat voor deze rechtszaak publiek bekostigde onderwijs- en onderzoeksbudgetten van de universiteit worden ingezet en, zo nee, acht u het wenselijk dat universiteitsgeld wordt gebruikt voor juridische procedures tegen de Staat?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek en niet op het voeren of financieren van rechtszaken om buitenlandse en consulaire besluitvorming af te dwingen?
Ik deel met u dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek. Ik heb geen reden om aan te nemen dat universiteiten van deze doelstellingen afwijken.
Kunt u aangeven of en op welke wijze de betreffende studenten vooraf zijn gescreend op veiligheidsrisico’s, waaronder mogelijke banden met extremistische of terroristische organisaties zoals Hamas?
Deze studenten hebben de reguliere procedure doorlopen. Voorafgaand aan de afgifte van een verblijfsvergunning voor studie voert de IND een openbare orde-check uit in nationale en internationale justitiële en politiesystemen, waaronder het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Aanvragers moeten een antecedentenverklaring invullen en ondertekenen. Deze omvat ook lopende zaken, niet-onherroepelijke veroordelingen en buitenlandse antecedenten. De referent (in dit geval de WUR) ziet hierop toe. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot afwijzing.
Als blijkt dat de betrokkene een gevaar voor de openbare orde en/of nationale veiligheid vormt, zal de aanvraag worden geweigerd.
Bent u bereid vast te leggen dat universiteiten geen financiële, juridische of bestuurlijke verplichtingen mogen aangaan richting personen uit conflictgebieden zolang niet vaststaat dat dit noodzakelijk, veilig en volledig getoetst is en dat dit niet leidt tot precedentwerking?
Het staat buitenlandse studenten vrij om een studie aan Nederlandse universiteiten te volgen als zij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Het in mijn vorige antwoord benoemde reguliere proces is hier een onderdeel van voor studenten die niet uit de EER of uit Zwitserland komen. Deze processen zijn in dit geval doorlopen en hiermee zijn de studenten wat mij betreft afdoende getoetst.
Ik zie op dit moment geen reden om de bestaande processen en regelgeving op dit gebied te wijzigen.
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie van Justitie?1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf. Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details van deze zaak te worden geconfronteerd.
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid, hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid kan blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid, en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf, is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6 en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen hun deuren moeten sluiten. Dit is zeer ingrijpend en buitengewoon vervelend voor de betrokken kinderen en hun ouders of verzorgers, die dagelijks afhankelijk zijn van intensieve en gespecialiseerde zorg. Ook voor de medewerkers, die zich met grote betrokkenheid inzetten voor deze kwetsbare groep, brengt dit veel onzekerheid met zich mee.
Juist bij deze vorm van zorg is continuïteit van groot belang. Wanneer die onder druk komt te staan, leidt dat begrijpelijkerwijs tot zorgen. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen zorgvuldig handelen, ouders en medewerkers goed informeren en alles op alles zetten om passende oplossingen te vinden, waarbij het belang van het kind steeds vooropstaat.
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Ik begrijp dat ouders en hun kinderen in onzekerheid verkeren over waar hun kind zorg kan krijgen. Ik hecht daarom grote waarde aan het belang van continuïteit van zorg, en begrijp dat de huidige situatie veel vraagt van kinderen, hun ouders en medewerkers van Villa ExpertCare.
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting2. De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»3. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Uit de openbare jaarverantwoordingen van Villa ExpertCare valt op te maken dat in 2022 en 2024 een negatief resultaat is behaald en in 2023 een positief resultaat. De jaarverantwoording over 2025 is nog niet gepubliceerd.
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
In februari 2026 is overleg geweest tussen de Branchevereniging integrale kindzorg (Binkz), zorgverzekeraars en de NZa. Mogelijk kan één van de zeven andere leden van Binkz die 24-uurs kindzorg leveren een oplossing bieden. Maar het hoeft niet altijd intramuraal te zijn. Er wordt voor ieder kind gekeken wat passend is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Op dit moment is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.