Het artikel ‘Claims Conference reageert op kritiek’ |
|
Chris Simons (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Claims Conference reageert op kritiek»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de verontrustende resultaten van gedane onderzoeken naar antisemitisme in de Nederlandse samenleving aanleiding geven tot een hernieuwde inspanning om het historisch besef ten aanzien van de Tweede Wereldoorlog in het algemeen, en de Jodenvervolging in het bijzonder, te vergroten? Zo nee, waarom niet?
Ik vind de recente signalen over toenemend antisemitisme en afnemende kennis over de Holocaust zeer zorgelijk. Dit vraagt een niet aflatende inspanning om het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder over de Holocaust te blijven vertellen. Over mijn inzet hiervoor heb ik uw Kamer op 9 november 2022 geïnformeerd2.
Deelt u de mening dat het met name van belang is om de overdracht van historische kennis onder kinderen, tieners en jongvolwassenen over deze onderwerpen te vergroten? Zo nee, waarom niet?
Het is mijn ambitie dat iedere inwoner van Nederland in iedere levensfase op een kwalitatief hoogwaardige wijze in aanraking komt met het verhaal van de Tweede Wereldoorlog. Het bereiken en betrekken van de jongere generaties is daarbij een van mijn prioriteiten3.
Bent u bekend met de jaarlijkse Nationale Kinderherdenking in Madurodam die elk jaar voor en door kinderen en hun ouders wordt georganiseerd?
Ja.
Bent u van mening dat deze Nationale Kinderherdenking bij kan dragen aan het vergroten van het historisch besef over, en beter begrip van de Tweede Wereldoorlog?
Ik vind de Kinderherdenking een mooie herdenking die op een waardevolle wijze kan bijdragen aan de overdracht van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog aan kinderen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de Nationale Kinderherdenking sterk gecontinueerd kan worden binnen de herdenkingscultuur van de Tweede Wereldoorlog?
Er zijn meerdere organisaties die een waardevolle bijdrage leveren aan de herdenkingscultuur in Nederland. Ik ben in gesprek met deze organisaties, waaronder de Nationale Kinderherdenking, hoe deze bijdrage in de toekomst versterkt zou kunnen worden. Daarbij financier ik momenteel een pilot waarin wordt onderzocht of er voor deze organisaties een basisinfrastructuur kan worden ingericht die bijdraagt het veld WOII veerkrachtiger te maken. Wel heb ik aangeven dat structurele subsidiering van de Nationale Kinderherdenking vanuit het Ministerie van VWS voor nu niet aan de orde is.
Het bericht ‘IS-vrouwen waren geen brave huismoeders – ze deden in wapens, explosieven en slaven, volgens het OM’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IS-vrouwen waren geen brave huismoeders – ze deden in wapens, explosieven en slaven, volgens het OM»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Wat is uw reactie op het feit dat uitreizigers die op basis van een rechterlijke uitspraak terug naar Nederland zijn gehaald na een beroep op het recht om aanwezig te zijn bij hun strafzaak, nu massaal fysiek afwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak?
Ik wil vooropstellen dat het kabinet er belang aan hecht dat verdachten van ernstige misdrijven op de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak verschijnen. Dit kan belangrijk zijn voor slachtoffers, doet recht aan het maatschappelijk belang dat het strafproces in aanwezigheid van de verdachte plaatsvindt en geeft de rechter en de officier van justitie een mogelijkheid zich een beeld te vormen van een verdachte. Om deze redenen maakt de verschijningsplicht voor een verdachte bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak onderdeel uit van de Wet uitbreiding slachtofferrechten. Ten aanzien van de inwerkingtreding van de verschijningsplicht verwijs ik naar het antwoord op vraag 5, 6 en 7.
In algemene zin wil ik aangeven dat het tegen mijn rechtvaardigheidsgevoel ingaat indien een verdachte van terroristische misdrijven, die bewust is uitgereisd naar ISIS-gebied en daarna door de Nederlandse Staat naar Nederland is gerepatrieerd omdat hij/zij in persoon aanwezig wil zijn bij de strafzaak, vervolgens niet bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aanwezig zou zijn. Hoewel deze mogelijke gang van zaken juridisch kan, valt dit in het kader van het maatschappelijke debat over uitreizigers moeilijk uit te leggen, ook richting de slachtoffers en nabestaanden van de gruwelijke misdrijven die door ISIS zijn gepleegd.
Op dit moment kan een verdachte er echter in alle gevallen voor kiezen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Nu is het wel zo dat een rechter kan bevelen dat de verdachte in persoon zal verschijnen of dat diens medebrenging wordt gelast.2 Of dat in deze strafzaken tegen uitreizigers aan de orde zal zijn, is dus aan de rechter om te bepalen.
Een aantal Nederlandse uitreizigers is ter berechting naar Nederland overgebracht om straffeloosheid te voorkomen. De rechter had namelijk in een aantal strafzaken bepaald dat zij verwacht dat de van terroristische misdrijven verdachte uitreizigers binnen een bepaalde periode naar Nederland zijn gerepatrieerd, om bij de behandeling van de strafzaak aanwezig te kunnen zijn. Bij het uitblijven hiervan had de rechter kunnen besluiten tot beëindiging van die strafzaken.
In de strafzaken tegen uitreizigers waar de vragenstellers op doelen gaat het overigens nog niet om de inhoudelijke behandeling van de strafzaak maar om een pro forma behandeling. Dergelijke zittingen zijn nodig indien een zaak binnen een bepaalde wettelijke termijn op een terechtzitting moet worden behandeld, maar het nog te vroeg is om deze inhoudelijk te behandelen, bijvoorbeeld omdat er nog onderzoek moet worden verricht, rapportages betreffende de verdachte moeten worden opgesteld of getuigen moeten worden gehoord. Omdat het nu nog een pro forma behandeling betreft, vind ik het te vroeg om hierover conclusies te trekken.
Het staat buiten kijf dat er voor de slachtoffers van misdaden van IS gerechtigheid moet komen en zij ten volle hun rechten in het strafproces moeten kunnen uitoefenen.
Slachtoffers en nabestaanden hebben in het strafproces verschillende rechten, waaronder het recht op informatie, het recht op bijstand en het recht om een schadevergoeding te vragen.3 Daarnaast hebben slachtoffers van bepaalde (ernstige) delicten spreekrecht tijdens de zitting waar de strafzaak inhoudelijk behandeld wordt. Deze slachtofferrechten gelden uiteraard ook voor yezidi-slachtoffers. Een slachtoffer kan deze rechten uitoefenen, ongeacht of een verdachte aanwezig is bij de strafzaak. Wel is het zo dat de aanwezigheid van een verdachte bij de behandeling van een strafzaak voor sommige slachtoffers belangrijk kan zijn. Zoals gezegd is dit één van de redenen waarom de verschijningsplicht voor een verdachte onderdeel uitmaakt van de Wet uitbreiding slachtofferrechten. Slachtoffers die daarvoor kiezen, hebben op die manier namelijk de gelegenheid om bij de uitoefening van hun spreekrecht aan de verdachte te vertellen wat het misdrijf met hen heeft gedaan. Er zijn overigens ook slachtoffers die juist geen prijs stellen op de aanwezigheid van de verdachte omdat een confrontatie bijvoorbeeld belemmerend werkt in hun herstel. Welke rechten het slachtoffer of diens nabestaanden willen uitoefenen tijdens het strafproces, is dan ook geheel aan hen om te bepalen.
Deelt u de mening dat (yezidi)slachtoffers en nabestaanden door deze gang van zaken ernstig tekort worden gedaan in de uitoefening van hun slachtofferrechten?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er concrete maatregelen gestart om te bezien hoe de bijdrage van yezidislachtoffers aan strafprocessen in Nederland kan worden verbeterd, zoals het spreekrecht? Hoe lopen de gesprekken hierover waaraan u refereerde in het commissiedebat Terrorisme/extremisme van 24 november 2022?
Er moet gerechtigheid komen voor de yezidi-slachtoffers. Het is daarom van groot belang dat de slachtoffers hun rechten ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
De politie en het Openbaar Ministerie (OM) staan in contact met de organisaties die een rol kunnen spelen in de ondersteuning en het bijstaan van yezidi-slachtoffers. Waar nodig of wenselijk wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om op afstand (bijvoorbeeld door middel van een videoverbinding) het spreekrecht uit te oefenen. Ook is er voor yezidi-slachtoffers de mogelijkheid tot ondersteuning door een Nederlandse advocaat of door een slachtoffercoördinator van het OM.
Binnen enkele maanden staat er weer een gesprek gepland met de politie en het OM met de focus op opsporing en vervolging van misdrijven gepleegd tegen yezidi’s. De positie van yezidi-slachtoffers in het strafproces zal daar aan bod komen, samen met de noodzaak en mogelijkheden voor het instellen van een aparte officier van justitie voor genocide, zoals door mij is toegezegd tijdens het dertigledendebat van 9 februari jl. over het bericht dat een vrouwelijke Syriëganger het Nederlanderschap terugkrijgt.
Waarom is de verschijningsplicht voor verdachten van ernstige misdrijven uit de Wet uitbreiding slachtofferrechten, zoals aangenomen door de Eerste Kamer in april 2021, nog steeds niet in werking getreden?
Op 21 juni 2022 is in het Staatsblad gepubliceerd dat de Wet uitbreiding slachtofferrechten in drie tranches in werking zal treden.4 De eerste twee tranches zijn al in werking getreden (op 1 juli 2022 en 1 januari 2023). De derde tranche, die onder meer de verschijningsplicht voor de verdachte bevat, zal op een nader te bepalen datum in werking treden. In de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2022–2025 is de verwachting uitgesproken dat de verschijningsplicht per 1 juli 2023 in werking zou kunnen treden.5 In antwoord op Kamervragen tijdens de begrotingsbehandeling 2023 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is aangegeven dat uw Kamer uiterlijk in mei 2023 zou worden geïnformeerd of de datum van 1 juli 2023 haalbaar zou zijn, omdat de invoering forse personele en budgettaire gevolgen heeft en het in kaart brengen van deze uitvoeringsconsequenties meer tijd kostte dan aanvankelijk gedacht. Inmiddels is duidelijk dat de eerder gecommuniceerde datum van inwerkingtreding van de verschijningplicht van 1 juli 2023 niet haalbaar is. In april van dit jaar wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de verschijningsplicht en de nieuwe datum van inwerkingtreding.
Als de verschijningsplicht wel in werking was getreden, klopt het dan dat deze IS-terroristen verplicht waren om fysiek aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak?
Volgens het nieuwe, nog niet in werking getreden wetsartikel 258a Sv is een verdachte verplicht om in persoon op de terechtzitting te verschijnen, kort en zakelijk weergeven;
Uit het door de vragenstellers aangehaalde artikel komt naar voren dat de verdachten worden verdacht van deelname aan een terroristische organisatie. Deelname aan een terroristische organisatie kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal 15 jaar. Dat betekent dat deze verdachten onder het bereik van de toekomstige verschijningsplicht vallen, zolang zij zich in voorlopige hechtenis of detentie bevinden en het een inhoudelijke behandeling van de zaak betreft. De voorzitter van de rechtbank kan onder het komende recht echter ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of het slachtoffer beslissen dat de verplichte verschijning van de verdachte achterwege blijft in verband met zwaarwegende belangen van de verdachte, het slachtoffer of een van de andere procesdeelnemers. Verschijning kan ook achterwege blijven indien geen van de procesdeelnemers de verplichte verschijning wenselijk of noodzakelijk vindt.
Heeft u de Kamer geïnformeerd over uitstel van inwerkingtreding van dit onderdeel van deze wet?
Zie antwoord vraag 5.
Kinderontvoeringen naar Polen en het negeren van een Europees Aanhoudingsbevel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de casus van de gezochte Nederlandse moeder en de vier ontvoerde kinderen uit Zwolle? Zo nee, bent u bereid kennis te nemen van de casus?1
Ja, ik ben bekend met deze casus.
Wat is uw beeld ten aanzien van de toepassing van weigeringsronden uit het Haags Kinderontvoeringsverdrag door landen zoals Polen waar gerechtelijke procedures traag verlopen?
Ik herken het door u geschetste beeld ten dele. In sommige gevallen wordt een beroep gedaan op de weigeringsgronden in het Haags kinderontvoeringsverdrag in het voordeel van de meenemende ouder. Daarnaast ondervinden sommige ouders problemen bij de tenuitvoerlegging van beslissingen tot teruggeleiding van hun kinderen naar Nederland. In principe staat dit los van de toepassing van eventuele weigeringsgronden door de rechter. Die problemen bij de tenuitvoerlegging vinden hun oorsprong in het nationale recht van het betreffende land. Het kabinet volgt deze problematiek nauwgezet en spreekt relevante landen hier bij gelegenheid op aan. Te meer omdat ik veel waarde hecht aan een correcte naleving van het Haags kinderontvoeringsverdrag.
In hoeverre herkent u het beeld dat Poolse rechters in het voordeel van de ontvoerende moeder vonnis wijzen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom weigert een land, zoals bijvoorbeeld Polen, om kinderen terug te geleiden naar Nederland indien daartoe door een rechter is besloten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de kinderen waarvan de rechter geoordeeld heeft dat zij naar Nederland moeten, zoals in de casus als benoemd in vraag 1, ook daadwerkelijk zo snel mogelijk naar Nederland worden teruggebracht?
De Nederlandse Centrale autoriteit vraagt bij bilaterale contacten met Polen voortdurend aandacht voor correcte naleving van het Haags kinderontvoeringsverdrag. Ook in een breder verband wordt hierop aangedrongen: samen met een aantal andere lidstaten heeft Nederland zich in december 2022 gevoegd in een zaak voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. In deze zaak is door een Poolse rechter een prejudiciële vraag gesteld over strijdigheid tussen Poolse wetgeving en Europese regelgeving op het gebied van internationale kinderontvoering. Het Hof heeft deze prejudiciële vraag inmiddels bevestigend beantwoord. Ook binnen de Europese Commissie is aandacht voor de naleving van het Haags kinderontvoeringsverdrag. Om deze reden is de Europese Commissie een zogenaamde inbreukprocedure tegen Polen gestart.
Waarom weigeren de Poolse autoriteiten om een Europees Aanhoudingsbevel uit te voeren en wat vindt u daarvan?
Het is aan de rechter van de aangezochte lidstaat om een besluit te nemen over de uitvoering van een Europees Aanhoudingsbevel. Op een rechterlijke beslissing van een andere lidstaat van de Europese Unie in een individuele zaak kan ik niet ingaan.
Hoe ziet u de toekomst van het Haags Kinderontvoeringsverdrag indien dit verdrag in veel gevallen niet meer dan een papieren tijger blijkt te zijn?
Landen die zijn aangesloten bij de verordening Brussel II ter en het Haags kinderontvoeringsverdrag – zoals Polen – zijn gehouden deze na te leven. Indien een land het verdrag structureel niet nakomt, spreekt het kabinet het desbetreffende land daarop aan. Zoals ook gemeld in mijn brief van 16 december jl. wordt gewerkt aan een protocol om landen te kunnen aanspreken op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de naleving van het Haags kinderontvoeringsverdrag2. Het protocol moet duidelijk maken wie wanneer in actie komt en welke diplomatieke wegen kunnen worden bewandeld om de betrokken verdragslanden te kunnen aanspreken. Dit protocol zal volgens de huidige planning voor de zomerreces van 2023 worden opgeleverd, periodiek worden geëvalueerd en waar nodig aangescherpt.
Het vrijlaten van twee criminele kopstukken in Dubai |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse drugsbazen van «superkartel» in Dubai alweer op vrije voeten, kopstuk Edin G. spoorloos»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat Edin G. en Zouhair B. op vrije voeten zijn?
Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik als Minister van Justitie en Veiligheid geen uitspraken doen. Er is nauw contact met de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten over deze zaken, ook naar aanleiding van deze berichtgeving. In algemene zin merk ik op dat het in uitleveringsprocedures niet ongebruikelijk is dat personen, hangende zo’n procedure, onder voorwaarden op vrije voeten worden gesteld.
Waarom hebben de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten criminele kopstukken Edin G. en Zouhair B. vrijgelaten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de stelling van de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten dat Nederland het papierwerk te laat zou hebben ingediend, hetgeen uitdrukkelijk weersproken wordt door het Nederlandse Openbaar Ministerie?
Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. In het algemeen kan ik aangeven dat mijn ministerie als centrale autoriteit in nauw contact staat met centrale autoriteiten wereldwijd, om zaken onder de aandacht te brengen en om er voor te zorgen dat de juiste informatie bij de juiste autoriteiten beschikbaar is. Bij uitleveringsprocedures is tijdige aanlevering van de juiste documenten aan de buitenlandse autoriteiten essentieel. In de praktijk werken de politie, het OM, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en mijn departement nauw samen om dit te bewerkstelligen.
Het is vervolgens aan de autoriteiten van het aangezochte land om de nationale (gerechtelijke) procedures te volgen waarin het uitleveringsverzoek wordt getoetst en ook al dan niet hier informatie over te naar buiten te brengen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten deze twee criminele kopstukken zo snel mogelijk aanhouden en uitleveren aan Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat andere landen, zoals de Verenigde Arabische Emiraten, geen vrijhaven zijn voor criminele kopstukken omdat zij via dergelijke landen uitlevering aan Nederland kunnen ontlopen?
In het kader van de aanpak van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit is internationale samenwerking van groot belang. Het is bovendien een gedeeld belang van vele landen wereldwijd. Samen met diverse partners, zoals politie en OM, zet mijn ministerie in op intensivering van de strafrechtelijke samenwerking met prioritaire landen, waaronder de Verenigde Arabische Emiraten, Marokko en Colombia. Onder meer door het sluiten van bilaterale verdragen op het gebied van rechtshulp en uitlevering wordt de samenwerking met deze landen verder uitgebouwd. Bilaterale verdragen met deze landen zijn naar mijn oordeel een onmisbare bijdrage aan de noodzakelijke intensivering van de internationale strafrechtelijke samenwerking die Nederland in staat moet stellen nog meer te doen aan de bestrijding van de grensoverschrijdende ondermijnende criminaliteit.
Moorden in Nederland en de Iraanse Revolutionaire Garde |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op basis van Common Position 931 van de EU en de daarbij behorende factsheet, een onderzoek naar het mogelijk faciliteren van een terroristische daad in een EU-land voldoende is om een entiteit op de terreurlijst van de EU te plaatsen?
Ja, indien er door een bevoegde autoriteit een beslissing is genomen tot het instellen van een onderzoek en er bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen zijn voor het plegen van een terroristische daad, poging tot het plegen van een dergelijke daad of deelname aan of het vergemakkelijken van een dergelijke daad kan een entiteit op de EU-terrorismelijst worden geplaatst.
Hoe kwalificeert u de acties van het Iraanse regime op Nederlands grondgebied in 2015 in Almere en 2017 in Den Haag, respectievelijk de moorden op Ali Motamed en Ahmad Molla Nissi?
Zoals destijds ook in een brief aan uw Kamer medegedeeld, had de AIVD sterke aanwijzingen dat Iran betrokken was bij de liquidaties van twee Nederlanders van Iraanse komaf in Almere in 2015 en in Den Haag in 2017. Het betrof in deze gevallen tegenstanders van het Iraanse regime.
Het kabinet vond en vindt dat dergelijke vijandige acties de Nederlandse soevereiniteit op flagrante wijze schenden en onaanvaardbaar zijn. Vanwege deze bevindingen van de AIVD heeft Nederland in juni 2018 diplomatieke maatregelen getroffen. De Iraanse ambassadeur is ontboden en er zijn twee medewerkers van de Iraanse ambassade uitgewezen. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat deze diplomaten niet zijn uitgezet vanwege een vastgestelde betrokkenheid bij (de aansturing van) de liquidaties, maar als duidelijk signaal dat Nederland het ontoelaatbaar vindt dat Iran waarschijnlijk achter deze ernstige zaken zit.2
Wat vindt u van de woorden van de ambtsvoorganger van de Minister van Buitenlandse Zaken die aan de Tweede Kamer schreef dat «De AIVD heeft sterke aanwijzingen dat Iran betrokken is geweest bij de liquidaties van twee Nederlanders van Iraanse komaf in Almere in 2015 en in Den Haag in 2017» en «dat Iran waarschijnlijk achter deze ernstige zaken zit»?1
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u de rol van de Iraanse Revolutionaire Garde bij deze moorden, nu het een feit van algemene bekendheid is, dat acties in het buitenland door de Quds-divisie van de Iraanse Revolutionaire Garde worden uitgevoerd, uitgezet of gefaciliteerd?
Zoals in antwoord op vraag 2 en 3 gesteld, had de AIVD sterke aanwijzingen dat Iran betrokken was bij de liquidaties van twee Nederlanders van Iraanse komaf in Almere in 2015 en in Den Haag in 2017. In het openbaar kan de AIVD niet ingaan op de aard van deze aanwijzingen.
In hoeverre is het onderzoek dat zowel door de AIVD als door de opsporingsinstanties verricht is naar de moorden in Almere en in Den Haag, voldoende om te spreken van «onderzoek naar het mogelijk faciliteren van een terroristische daad»?
De AIVD is geen bevoegde nationale autoriteit die besluiten kan nemen op basis waarvan de EU kan overgaan tot plaatsing van een persoon of entiteit op de EU-terrorismelijst.3 De AIVD doet onderzoek naar dreigingen tegen de nationale veiligheid. In algemene zin kan het kabinet u melden dat inlichtingendiensten informatie uit hun kanaal kunnen delen met opsporingsdiensten indien dit opportuun is. In gevallen waarbij de inlichtingendiensten overgaan tot het ontsluiten van informatie aan de opsporingsdiensten, houdt dat overigens niet zonder meer in dat die specifieke informatie ook leidt tot vaststelling van strafbare feiten of zelfs een verdenking.
De strafrechtelijke onderzoeken naar de liquidaties bevatten geen bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen dat de Islamitische Republiek Iran betrokken zou zijn bij de liquidaties van twee Nederlanders van Iraanse komaf in Almere in 2015 en in Den Haag in 2017. Zo is in het hoger beroep tegen de verdachten van de moord op Ali Motamed in Almere in 2015 niet komen vast te staan dat er sprake is van betrokkenheid van de Islamitische Republiek Iran bij de gepleegde moord.4
Op basis van de genoemde strafrechtelijke onderzoeken kan IRGC daarom niet op de EU-terrorismelijst worden geplaatst.
Bent u bereid om zo snel mogelijk te onderzoeken of de betrokkenheid van het Iraanse regime bij de moorden in Almere en in Den Haag, voldoende is om te kwalificeren als «onderzoek naar het mogelijk faciliteren van een terroristische daad»? Zo ja, kunt u de uitkomst zo snel mogelijk aan de Kamer toesturen? Zo nee, waarom kwalificeren twee in Nederland door het Iraanse regime uitgevoerde moorden dan niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening van de VVD-fractie dat Nederland, gelet op de in Nederland gepleegde moorden, het voortouw zou kunnen nemen in Europees verband om de Iraanse Revolutionaire Garde op de terreurlijst van de EU te plaatsen? Zo ja/nee, waarom?
Het kabinet pleitte er in EU-verband herhaaldelijk voor om de Iraanse Revolutionaire Garde op de terrorismelijst van de EU te plaatsen indien dit juridisch mogelijk is. Nederland heeft hierbij een voortrekkersrol gespeeld. Mede op verzoek van Nederland heeft de Juridische Dienst van de Raad van de EU een advies uitgebracht over de juridische mogelijkheden om de IRGC op de EU-terrorismelijst te plaatsen. Dit advies stelt dat het op dit moment helaas juridisch niet mogelijk is om de IRGC te listen als terroristische organisatie. Het kabinet blijft zich inzetten om schendingen van het internationale recht door de IRGC tegen te gaan en kijkt daarbij naar alle mogelijke instrumenten (inclusief listings en sancties) in samenwerking met andere lidstaten.
De communicatie tussen familieleden van en met AIT-en EBI gedetineerden |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het requisitoir van het Openbaar Ministerie (OM) in de strafzaak tegen voormalig advocaat Youssef T. en specifiek de stellingen dat meerdere familieleden van Ridouan Taghi zich schuldig maken aan criminele communicatie en dat zij onderdeel zijn van een criminele organisatie waarvan Ridouan Taghi de leider is?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen in de strafzaak tegen voormalig advocaat Youssef T. Ik ben ook bekend met de strekking van het requisitoir. Het requisitoir zelf heb ik echter niet ingezien noch ontvangen van het Openbaar Ministerie. De inhoud en vorm van het requisitoir zijn aan de Officier van Justitie die wat betreft de strafvervolging onafhankelijk optreedt.
In hoeverre is volgens u het recht op communicatie van een gedetineerde onbeperkt?
Een gedetineerde heeft recht op contact met de buitenwereld. Dat kan via brieven, telefoon of bezoek.1 Dit contact is voor de ruim 9.000 gedetineerden van belang om het contact met hun gezin of familie te behouden, voor het vinden van een baan of voor het volgen van een studie. Dat wil niet zeggen dat het recht op communicatie onbeperkt is. Afhankelijk van het soort justitiële inrichting en type regime kan de toegestane frequentie en wijze verschillen. Daarnaast heeft de directeur van een inrichting de bevoegdheid om brieven of andere poststukken te controleren en/of weigeren met oog op de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting en ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid.2
Als het gaat om de communicatie tussen gedetineerden en de buitenwereld dient er een onderscheid te worden gemaakt tussen het overgrote deel van de gedetineerdenpopulatie, die communicatie gebruikt voor het doel zoals hierboven omschreven, en een categorie gedetineerden die de communicatiemogelijkheden gebruikt om door te gaan met hun criminele praktijken. Voor de laatste, kleine categorie is het mogelijk om intensiever toezicht te houden of om in sommige gevallen de communicatiemogelijkheden – tijdelijk – stil te leggen. Zo zijn er door een recente wijziging van de huisregels per medio december jl. voor plaatsing in de extra beveiligde inrichting (EBI) in Vught verstrekkende toezichtsmaatregelen mogelijk bij gedetineerden.3 Deze gedetineerden mogen nog maar één keer per week 10 minuten telefonisch contact hebben. Dit contact mag alleen met mensen die zich op dat moment hebben gemeld en geïdentificeerd bij een door DJI aangewezen locatie. Een telefoongesprek vanuit huis voeren kan daardoor niet meer. Ook het bezoeken van gedetineerden in de EBI is verder ingeperkt. Deze gedetineerden kunnen één keer per week één uur bezoek ontvangen, waarbij maximaal één persoon per bezoekmoment is toegestaan.
Communicatie tussen gedetineerden en geprivilegieerde personen zijn uitgesloten van de toezichtsmaatregelen die op basis van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) opgelegd kunnen worden. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden hebben politie en justitie bevoegdheden om op dit contact inbreuk te maken. In september 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de spoedige aanpassing van de Pbw. In deze aanpassing neem ik de mogelijkheid van visueel toezicht op gesprekken tussen geprivilegieerde personen en een specifieke groep gedetineerden mee.4 In november 2022 heb ik uw Kamer laten weten dat ik de uitvoering van de motie-Ellian mee zal nemen bij de aanpassing van de Pbw.5 Zoals aangekondigd verwacht ik dat het wetsvoorstel begin april bij uw Kamer kan worden ingediend.
Wat vindt u van communicatie tussen gedetineerden op een Afdeling Intensief Toezicht of in een Extra Beveiligide Inrichting (AIT- en EBI-gedetineerden) en andere personen, waaronder ook familieleden, die een verdachte rol in een criminele organisatie kunnen hebben?
In principe is er communicatie mogelijk tussen deze gedetineerden en andere personen. Wel is het zo dat personen met wie gedetineerden op de EBI contact willen hebben vooraf worden gescreend. Als het GRIP hier aanleiding toe ziet kunnen zij de directeur adviseren geen contact toe te staan.6 Een gedetineerde kan bezwaar en beroep aantekenen tegen een specifieke door de penitentiaire inrichting opgelegde maatregel. In de aanpassing van de Pbw wordt meegenomen dat de bevelsbevoegdheid kan worden ingezet voor EBI- en AIT- gedetineerden. Deze aanpassing ziet op de mogelijkheid te bevelen dat een gedetineerde wordt onderworpen aan verdergaande beperkingen in zijn communicatie.
Vindt u dat gedetineerden, maar specifiek gedetineerden op een AIT en in een EBI, mogen communiceren met personen waarvan minst genomen het vermoeden bestaat dat zij criminele boodschappen doorgeven aan anderen of minst genomen het vermoeden bestaat dat sprake is van deelneming aan een criminele organisatie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Als de directeur van een inrichting, het Openbaar Ministerie en/of de politie het vermoeden hebben dat communicatie met een gedetineerde wordt misbruikt om voortgezet crimineel te kunnen handelen, dan wordt hiertegen opgetreden. Het GRIP kan hierover gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan een directeur van een penitentiaire inrichting. Zo kan de communicatie met specifieke personen worden verboden of kan extra toezicht op de communicatie worden uitgeoefend. In de EBI worden gesprekken standaard opgenomen en poststukken worden gescreend. Dit is met uitzondering van geprivilegieerde contacten. Op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) gebeurt dit via specifiek opgelegde maatregelen. Voor penitentiaire inrichtingen met een ander regime zijn deze maatregelen eveneens mogelijk indien hiertoe aanleiding is. De directeur beslist over het opleggen van een maatregel.
Waarom mag Ridouan Taghi contact hebben met familieleden waarvan het OM ten minste een verdenking heeft van het doorgeven van criminele boodschappen aan de buitenwereld? Kunt u bij deze vraag de stelling van het OM betrekken dat sprake is van een strak aangestuurd samenwerkingsverband, waar de familie van Ridouan Taghi onderdeel van is?
Ik ga niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. In de antwoorden op vragen 2 tot en met 4 heb ik in aangegeven wat de regels zijn omtrent communicatie van gedetineerden met andere personen en dat er maatregelen kunnen worden getroffen indien er aanwijzingen zijn dat er misbruik wordt gemaakt van de communicatie.
Bent u bereid om per direct te realiseren dat Ridouan Taghi niet mag communiceren met personen waarvan het vermoeden bestaat dat zij criminele boodschappen doorgeven en/of onderdeel zijn van zijn criminele organisatie?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken, dus ruim vóór het commissiedebat gevangeniswezen en tbs van 8 februari 2023, beantwoorden?
Ja.
Het aansturen van een criminele organisatie vanuit detentie door Benaouf A. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank van 6 december 2022 in het zogeheten 13Maracane proces?1
Ja, ik ben bekend met deze uitspraak.
Wat vindt u van het feit dat een Mocro-mafia kopstuk, namelijk Benaouf A., blijkens het vonnis vanuit detentie «huiveringwekkende» moordplannen beraamde, onder andere door het ronselen van zogenaamde «hitters» en het maken van prijsafspraken voor het plegen van moorden?
Ik heb kennisgenomen van de uitspraak van de rechter. Ik vind het onacceptabel dat er vanuit detentie door kon worden gegaan met crimineel handelen. Het bestrijden van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie (VCHD) heeft de hoogste prioriteit, waaronder het tegengaan van binnensmokkelen en opsporen van contrabande en in het bijzonder telefoons. Mijn departement en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) werken hier continu en met grote intensiteit aan, in goede samenwerking met de betrokken ketenpartners. Deze samenwerking is geïntensiveerd met de Taskforce aanpak georganiseerde criminaliteit in detentie en bij berechting. Deze Taskforce heeft onder andere de wijziging van de Regeling Selectie, Plaatsing en Overplaatsing Gedetineerden (RSPOG) gerealiseerd. Deze wijziging is medio december in werking getreden. Hieronder kom ik uitgebreider op deze wijziging terug.
Wat vindt u van het feit dat Benaouf A. «een coördinerende en sturende rol» vervulde vanuit detentie onder andere door het gebruik van PGP-telefoons?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom zit een crimineel kopstuk als Benaouf A., gelet op strafrestant, vervolgstraffen, criminele carrière, macht en middelen, niet in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught?
Ik ga niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Ik beantwoord de vragen daarom in algemene zin.
Plaatsingen in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) worden gedaan via de Selectie Adviescommissie Extra Beveiligde Inrichting. In deze adviescommissie zitten vertegenwoordigers van DJI, het OM, het GRIP en een psychiater. Zij geven een advies ten aanzien van de plaatsing.2
De afgelopen jaren hebben we de gevangenispopulatie in Nederland zien veranderen. De groep gedetineerden waarop extra toezicht moet worden uitgeoefend, neemt in omvang toe. In juni 2022 en september 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de maatregelen tegen deze buitencategorie criminelen.3 Met de bouw van het Justitieel Complex Vlissingen (JVC), met daarin een tweede EBI, komt er extra beveiligde gevangeniscapaciteit. Een tweede EBI biedt meer mogelijkheden om gedetineerden van elkaar te scheiden en netwerkvorming tegen te gaan. Om de toename van deze extreem gevaarlijke gedetineerden op te vangen wordt de capaciteit van afdelingen met Intensief Toezicht (AIT) in de komende periode fors uitgebreid. Het doel van dit intensieve toezicht is om vluchtgevaar tegen te gaan en te voorkomen dat gedetineerden door gaan met criminele activiteiten tijdens hun detentie. In de volgende voortgangsbrief van de Taskforce, naar verwachting in maart, ga ik concreter op de nieuwe Afdelingen met Intensief Toezicht in.
Verder is er onlangs een motie van het lid Ellian (VVD) aangenomen.4 Daarin wordt de regering verzocht om te onderzoeken of een (tijdelijke) locatie met hoogbeveiligde cellen gerealiseerd zou kunnen worden. Dit onderzoek is op dit moment in volle gang. Ik informeer uw kamer over de uitkomsten in de volgende voortgangsbrief van de Taskforce.
Door de recente aanpassing van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) is het nu mogelijk om iemand in een extra beveiligd regime te plaatsen op basis van een dreiging die uitgaat van iemands rol en positie binnen een crimineel netwerk.5 Daarnaast is met deze aanpassing het besluit omtrent verlenging van plaatsing van een gedetineerde in de EBI aangepast van elke zes maanden naar elke twaalf maanden.
In hoeverre ziet u inmiddels in dat een zaak zoals die van Benaouaf A. exemplarisch is, namelijk iemand die nu veroordeeld is voor het aansturen van een criminele organisatie vanuit detentie, voor de te lichte beoordeling van de plaatsing in gevangenissen van criminele kopstukken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen worden getroffen bij het plaatsingsbeleid om te voorkomen dat criminelen (uiteindelijk) niet in het juiste regime worden geplaatst, waardoor zij door kunnen gaan met het aansturen van criminele organisaties?
Afgelopen juni en september heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang op de maatregelen die worden onderzocht en getroffen in de strijd tegen voortgezet crimineel handelen tijdens detentie.6 Een van de maatregelen is het verbeteren van de informatiedeling. Er hebben verkennende gesprekken plaatsgevonden tussen DJI en ketenpartners over het optimaliseren van de informatie-uitwisseling zodat de juiste inschatting kan worden gemaakt van mogelijke risico’s zoals VCHD. In de eerstvolgende voortgangsbrief van de Taskforce ga ik hier verder op in. Met goede informatie over het risicoprofiel van een gedetineerde kunnen vanaf de eerste dag in detentie adequate toezichtsmaatregelen worden opgelegd en kan de gedetineerde in een inrichting met het juiste beveiligingsniveau worden geplaatst.
Kunt u toezeggen dat de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), nu nieuwe plaatsingsgronden zijn gecreëerd, op basis van de meest actuele informatie en inzichten, criminele kopstukken zoveel mogelijk in de EBI zal plaatsen?
Gedetineerden worden in de EBI geplaatst op grond van criteria die zijn genoemd in een juridisch kader en op advies van de Selectie Adviescommissie Extra Beveiligde Inrichting. Dit doen zij op basis van de meest actuele informatie en inzichten. Er waren drie hoofdgronden voor plaatsing in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught: A: een extreem vluchtrisico, B: extreem maatschappelijk risico en C: risico van voorgezet crimineel handelen tijdens detentie. Zoals hierboven aangegeven is door de wijziging van de Rspog medio december 2022 een vierde grond toegevoegd (de D-grond) waarmee plaatsing in de EBI ook mogelijk wordt bij de dreiging die uitgaat van iemands rol en positie in een crimineel netwerk.
Het bericht 'Adviescommissie stapt op omdat minister ongeschikte notarissen benoemt' |
|
Michiel van Nispen (SP), Raymond Knops (CDA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Adviescommissie stapt op omdat Minister ongeschikte notarissen benoemt»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de voltallige Adviescommissie toegang notariaat (CTN) uit protest is opgestapt omdat u tegen het advies van de commissie in meermaals ongeschikt geachte kandidaat-notarissen heeft benoemd?
Ja, alle leden van de CTN hebben ontslag aangevraagd. Als reden hiervoor hebben de leden van de CTN aangegeven dat ik in enkele gevallen anders heb besloten dan de CTN adviseerde. Er is een verschil van inzicht ontstaan tussen de CTN en het ministerie over de wijze waarop adviezen van de CTN in de individuele besluitvorming betrokken zijn.
Zo ja, wat is de achterliggende reden dat u tegen het advies van de CTN in kandidaat-notarissen heeft benoemd en dat de Kamer hierover niet is geïnformeerd?
Allereerst hecht ik er waarde aan te benadrukken dat het advies inwinnen van de CTN één van de elementen is waaraan voldaan moet zijn alvorens ik een besluit neem. Het proces van benoemingen is een met waarborgen omkleed proces en vergt een zorgvuldige besluitvorming. Het gaat voorts om individuele besluiten die ik als Minister voor Rechtsbescherming neem en die voor belanghebbenden vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.
In hoeveel gevallen is deze situatie aan de orde geweest, waarbij de CTN negatief adviseerde over een benoeming van een kandidaat-notaris wegens persoonlijke ongeschiktheid of vrees voor de integriteit van de notaris, maar de kandidaat wel is benoemd?
In 2022 zijn er door de CTN in totaal 78 adviezen gegeven, waarvan vier negatieve adviezen. In 2022 ben ik in drie gevallen afgeweken van een negatief advies van de CTN. Het eerste negatieve advies waarvan ik ben afgeweken dateerde uit 2017 en daarover zijn diverse procedures gevoerd. Het tweede advies dateerde uit 2021 en het derde betreft één van de vier negatieve adviezen van de CTN uit 2022.
In alle drie de gevallen ben ik – na het inlassen van een zienswijzefase met het oog op de vereiste zorgvuldigheid en wettelijke verplichting en in een geval een bezwaarfase – tot de conclusie gekomen dat benoeming verantwoord zou zijn, mede door voorzieningen die betrokkenen hadden getroffen. De onderbouwing van de adviezen was een geschilpunt waarover met de commissie is gesproken, maar ook over zaken als bejegening van kandidaten door de commissie. Het afwijken van de adviezen is naar de commissie uitgebreid gemotiveerd.
Overigens heeft de bezwaarcommissie in eerdere procedures de bezwaren van (toegevoegd) notarissen gegrond geacht vanwege motiveringsgebreken, waardoor betrokkene alsnog werden benoemd. Mede in het licht hiervan onderneem ik, in samenspraak met de CTN en de KNB, actie om aan de term «persoonlijke geschiktheid» (artikel 8 Wna) een nadere invulling te geven, in samenspraak met de commissie en de KNB.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaren een kandidaat-notaris geweigerd op basis van een advies van de CTN en hoe vaak is na een weigering bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter aangetekend?
In de afgelopen vijf jaar zijn zes kandidaat-notarissen geweigerd, onder andere op basis van een negatief advies van de CTN. In vier gevallen is er bezwaar aangetekend tegen deze weigering. Van deze vier gevallen zijn er drie kandidaat-notarissen na de bezwaarprocedure alsnog benoemd.
In de afgelopen vijf jaar is één keer beroep aangetekend bij de bestuursrechter. Dit beroep zag op de vergoeding van de proceskosten, nadat het bezwaar van betrokkene inhoudelijk gegrond was verklaard.
Bij hoeveel kandidaat-notarissen is vertraging ontstaan in de benoeming als gevolg van het opstappen van de CTN? Kunt u garanderen dat bij alle kandidaat-notarissen de wettelijke termijn van vijf maanden niet wordt overschreden?
In ten minste 18 gevallen is vertraging opgetreden door het opstappen van de CTN. Er wordt gepoogd om deze vertraging zo klein mogelijk te houden, maar ik kan niet garanderen dat de vijf maanden termijn niet wordt overschreden.
Samen met de KNB – die ik hiervoor zeer erkentelijk ben – heb ik ervoor gezorgd dat er per 1 december 2022 een nieuwe tijdelijke commissie is benoemd.
Inmiddels heeft er een startbijeenkomst plaatsgevonden tussen het ministerie en de tijdelijke commissie, waarbij in kaart is gebracht welke openstaande procedures er zijn en hoe deze in verdere behandeling genomen kunnen worden.
Er bestaat intensief contact tussen de verschillende partijen zodat deze benoemingen zorgvuldig en voortvarend kunnen worden opgepakt. Zo heeft de tijdelijke commissie de frequentie van de bijeenkomsten verhoogd om zo snel mogelijk de achterstanden weg te werken en de vertraging te beperken. De verwachting is dat de effecten van de opgelopen vertraging voor betrokkenen zeer beperkt zullen zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat benoemingsprocedures nog verdere vertraging oplopen?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de bevindingen van de tijdelijke commissie over de manier waarop de advisering over kandidaat-notarissen is georganiseerd tijdig delen met de Kamer?
Ja, ik kan uw Kamer informeren aan de hand van de werkzaamheden van de tijdelijke commissie en de nadere invulling van de term «persoonlijke geschiktheid» zoals bedoeld in artikel 8 Wna. Gelet op de tijdelijkheid van de commissie, zal dat in 2023 sowieso zijn beslag krijgen.
De vertraging van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vlissingen |
|
Chris Simons (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u zich voorstellen dat deze vertraging in Zeeland met gefronste wenkbrauwen wordt ontvangen, gelet op al het eerdere uitstel ten aanzien van grote projecten in Zeeland?
De vertraging is zeer te betreuren. Ik kan mij de teleurstelling in Zeeland dan ook goed voorstellen. De actualisatie van de planning is een forse tegenvaller voor Zeeland en voor ons. Helaas worden veel bouwprojecten in Nederland op dit moment geconfronteerd met vertraging, bijvoorbeeld als gevolg van de stikstofproblematiek of andere (internationale) factoren, zoals de oorlog in Oekraïne. Het Justitieel Complex Vlissingen (JCV) vormt hier geen uitzondering op.
Hoe reageert u op de vrees van Zeeland dat sprake kan zijn van afstel in plaats van uitstel?
In mijn brief van 7 december jl. heb ik aangegeven dat van uitstel geen afstel komt. De komst van het JCV staat absoluut niet ter discussie. Zoals eerder aangegeven, is de afgelopen periode zichtbaarder geworden welke ondermijnende impact de georganiseerd criminaliteit heeft op ons land en onze rechtsstaat. Deze ontwikkelingen maken de noodzaak van het JCV alleen maar groter.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er op korte termijn voldoende EBI-waardige cellen zijn in Nederland, juist gelet op de vele aanhoudingen van criminele kopstukken?
De Extra Beveiligde Inrichting (EBI) is het regime met de hoogste mate van beveiliging zoals omschreven in artikel 13 van de Penitentiaire Beginselenwet. Er is op dit moment één EBI, de tweede komt in het JCV. Varianten op een EBI of EBI-waardige cellen bestaan niet. Wel wordt de capaciteit van het aantal afdelingen met Intensief Toezicht (AIT) in de komende periode fors uitgebreid.
Het doel van dit intensieve toezicht is om vluchtgevaar tegen te gaan en te voorkomen dat gedetineerden door gaan met criminele activiteiten tijdens hun detentie. Gedetineerden die ervan worden verdacht dat ze onderdeel uitmaken van hetzelfde criminele netwerk en waarvan het vermoeden is (of het risico bestaat) dat ze voortgezet crimineel handelen, krijgen op deze wijze extra en intensief toezicht en kunnen verspreid over het land worden geplaatst om voortgezet crimineel handelen in detentie (VCHD) en ondermijnende criminaliteit nog beter te kunnen bestrijden en waar mogelijk voorkomen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de EBI in Vught geen gevaarlijke cocktail van criminele kopstukken wordt, nu duidelijk is dat de EBI in Vlissingen pas over acht jaar klaar zal zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u met urgentie uitvoering geven aan de aangenomen motie van het lid Ellian (Kamerstuk 36 200, nr. 64) om hoogbeveiligde cellen te zoeken en een (tijdelijke) locatie voor de EBI-plus categorie?
Met de wijziging van de Regeling Selectie, Plaatsing en Overplaatsing van gedetineerden (RSPOG) medio december gelden voor gedetineerden die op twee specifieke gronden in de EBI zijn geplaatst inmiddels extra strenge regels.1 Er is op dit moment geen sprake van een tekort aan cellen voor deze categorie gedetineerden of voor gedetineerden met een hoog of extreem vlucht- en maatschappelijk risico. In reactie op de genoemde motie wordt wel onderzocht wat ervoor nodig is om op relatief korte termijn capaciteit te realiseren, mocht er behoefte ontstaan om meer gedetineerden met een hoog vlucht- en maatschappelijk risico te plaatsen. Hierbij wordt gekeken naar cellen die qua beveiligingsniveau liggen tussen een EBI en een reguliere cel.2 Het uitgangspunt is een kleinschalige en flexibele afdeling die kan worden ingezet voor doelgroepen met een zwaarder beveiligingsregime en intensievere of specifieke begeleiding. Hierbij valt te denken aan een beheersafdeling voor problematische gedetineerden of een afdeling met intensief toezicht. Ik verwacht uw Kamer hier bij de volgende voortgangsbrief over de aanpak van georganiseerde criminaliteit tijdens detentie en berechting te kunnen informeren. Deze wordt nog dit kwartaal aan uw Kamer verzonden.
Kunt u ondubbelzinnig bevestigen dat maximale inspanningen worden geleverd om zowel een tijdelijke als definitieve ontsluitingsweg bij de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Vught te realiseren en dat u van alle overheden maximale medewerking hieraan vraagt? Zo ja/nee, waarom?
Dit kan ik bevestigen. In de afgelopen maanden heeft onderzoek plaatsgevonden naar alternatieven voor een tijdelijke tweede ontsluitingsweg vanaf de PI Vught voor de hoogrisico-transporten van het Bijzonder Ondersteuningsteam
(BOT) van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van DJI. Realisatie hiervan is mogelijk in 2023/2024. Een permanente ontsluitingsweg naar de PI is opgenomen in een inmiddels vastgestelde gebiedsvisie. Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen voor wijziging van het bestemmingsplan. Naar verwachting wordt dit eind 2024 ter inzage gelegd.
In hoeverre bent u bereid om zo spoedig mogelijk een van de toekomstige Afdelingen Intensief Toezicht, om te vormen tot een mini EBI, bijvoorbeeld in Lelystad?
Er zijn op dit moment geen plannen voor het realiseren van een derde (mini-)EBI. Zoals hierboven omschreven wordt in reactie op de genoemde motie van het lid Ellian onderzocht wat nodig is om op relatief korte termijn capaciteit te realiseren mocht er behoefte ontstaan om meer gedetineerden met een hoog vlucht- en maatschappelijk risico te plaatsen.
Waarom bestaat er geen enkele mogelijkheid om sneller te kunnen aanbesteden gelet op de grote veiligheidsbelangen die in het geding zijn?
Het Rijk en ook het Rijksvastgoedbedrijf zijn gehouden aan Europese aanbestedingsregels. Deze voorzien niet in clausules of uitzonderingen waarin veiligheidsbelangen kunnen leiden tot een kortere doorlooptijd. Daarnaast is op basis van juridisch advies de aanbestedingsvorm gewijzigd naar een combinatie van gedeeltelijk openbaar en gedeeltelijk heimelijk aanbesteden. Dit heeft tot gevolg dat bepaalde onderdelen van de aanbestedings- en ontwerpfase niet langer parallel maar volgtijdelijk met meerdere partijen zullen worden uitgevoerd, wat extra tijd vraagt dan bij de start van het project medio 2020 voorzien. Vanzelfsprekend zetten we alles op alles om binnen de geldende wet- en regelgeving de realisatie van JC Vlissingen zo snel als mogelijk te doorlopen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over gevangeniswezen en tbs van 8 februari 2023?
Ja.
De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam tussen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake het geschil tussen de AP en de KNLTB van 22 september 2022?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State inzake het geschil tussen de AP en VoetbalTV van 22 juli 2022?2 Wat is uw reactie op deze uitspraak?
Met de uitspraak ben ik bekend. De Raad van State heeft geoordeeld dat de AP ten onrechte niet de andere belangen die VoetbalTV heeft aangevoerd bij haar beoordeling heeft betrokken. VoetbalTV stelde namelijk dat het niet uitsluitend een commercieel belang had bij het maken van beelden van voetbalwedstrijden. De vraag of een louter commercieel belang op zichzelf kan dienen als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens, is nog niet beantwoord. Over ditzelfde vraagstuk heeft de rechtbank Amsterdam in de zaak tussen de AP en de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) op 22 september een tussenuitspraak3 gedaan, waarin zij heeft besloten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) te stellen. Een van de vragen is of een zuiver commercieel belang kan gelden als gerechtvaardigd belang. De rechtsontwikkeling op dit punt is dus nog gaande. Het past mij om de uitkomsten daarvan af te wachten.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere Kamervragen over het bericht VoetbalTV daagt privacywaakhond AP voor de rechter om uitblijven besluit van 10 september 2020?3
Ik ben bekend met deze antwoorden.
Bent u bekend met het artikel van NRC van 3 juli 2022 «Brussel vindt Nederlandse privacywaakhond te strikt»?4 Wat is uw reactie op dit artikel?
Dit artikel is mij bekend. In het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) zijn de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten verenigd en worden richtsnoeren opgesteld om de uitleg van de AVG te harmoniseren en om handhaving gelijker in te richten. Laatstelijk in 2014 is door de voorganger van de EDPB, de «Artikel 29-werkgroep», een advies uitgebracht over de uitleg van het begrip «gerechtvaardigd belang».6 Over de uitleg van dit begrip heeft de Rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Deze procedure duurt gemiddeld twee jaar. De beantwoording door het HvJEU zal vervolgens van toepassing zijn in alle Europese lidstaten. De Rechtbank stelt deze vraag om meer duidelijkheid te krijgen, omdat uiteindelijk de interpretatie van Unierechtelijke begrippen aan het HvJEU is. Ik vind het een goede zaak wanneer daardoor rechtseenheid ontstaat over de uitleg van deze norm.
Is de brief van de Europese Commissie in het artikel van NRC gedeeld met het kabinet? Zo ja, wat was destijds de reactie van het kabinet op deze brief, zo nee, waarom niet en vindt u niet dat dit soort zienswijzen onder de aandacht zouden moeten worden gebracht van de Minister voor Rechtsbescherming?
De brief is destijds niet gedeeld met het kabinet. Uiteraard volg ik de ontwikkelingen in het gegevensbeschermingsrecht met belangstelling. Dat laat onverlet dat de Europese Commissie in beslotenheid met een toezichthouder als de AP moet kunnen corresponderen zonder daarbij de regering van de desbetreffende lidstaat te betrekken.
Is de brief van de Europese Commissie door de AP ingebracht in de juridische procedures tegen VoetbalTV en de KNLTB? Zo nee, wat vindt u daarvan?
De stukken die worden gewisseld binnen de beslotenheid van een (in dit geval nog lopende) gerechtelijke procedure zijn tussen de partijen en de rechter. Tijdens een gerechtelijke procedure geldt altijd een vorm van beslotenheid over de stukken die tussen de verschillende partijen en de rechter worden gedeeld. Dat is ook in deze zaak het geval.
Als de brief van de Europese Commissie niet in betreffende juridische procedures is gedeeld, bent u in dat geval bereid te laten onderzoeken of de AP in deze procedures onrechtmatig heeft gehandeld?
Voor een dergelijk onderzoek zie ik geen aanleiding. Het is niet aan het kabinet om zich te mengen in gerechtelijke procedures waarin het zelf geen partij is.
Is het achterhouden van relevante informatie zoals de zienswijze van de Europese Commissie in een juridisch geschil wat u betreft wenselijk in onze democratische rechtsstaat?
De beoordeling welke stukken voor de beslechting van een geschil noodzakelijk zijn, is aan de rechter, niet aan het kabinet.
Deelt u het oordeel van de Europese Commissie uit maart 2020 dat de lijn van de AP veel te strikt is? Acht u de motivering van de Europese Commissie om de AP hierop te wijzen steekhoudend?5 Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. De rechtsvraag of een zuiver commercieel belang een gerechtvaardigd belang in de zin van artikel 6, eerste lid onder f, van de AVG kan zijn (en het verwerken van persoonsgegevens met het oog daarop rechtmatig kan zijn), is in het kader van prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJEU. Ik vind het passend om het oordeel van het HvJEU af te wachten.
Kunt u er bij de AP op aandringen dat zienswijzen van de Europese Commissie over de interpretatie van de AVG voortaan op de website van de AP worden gepubliceerd? Zo nee, waarom niet?
Daartoe ben ik niet voornemens. De Europese Commissie gaat, als opsteller en verzender ervan, in de eerste plaats zelf over de publicatie van haar documenten.
Is er sinds de uitspraak van de Raad van State van juli 2022 contact geweest met de AP en is de AP gewezen op de consequenties die de uitspraak met zich meebrengt voor het handhavingsbeleid van de AP? Zo ja, wat is uit dit contact gekomen?
Er is geen contact geweest tussen mijn departement en de AP in de hier bedoelde zin naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State.
Is sinds de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) ooit de Landsadvocaat om advies gevraagd over de interpretatie van het begrip «gerechtvaardigd belang»? Zo ja, wat was de strekking van dit advies?
Het kantoor van de Landsadvocaat, Pels Rijcken, is niet om advies gevraagd. De AP had Pels Rijcken wel gevraagd om haar bij te staan in de procedure over de aan de KNLTB opgelegde boete. Pels Rijcken heeft echter laten weten dat het haar niet vrijstond om als advocaat voor de AP op te treden vanwege conflicterende belangen.
Deelt u nog steeds de mening dat het onwenselijk is dat de AVG in Nederland strikter wordt toegepast dan in andere EU-lidstaten? Zo ja, waarom houdt de AP tot op heden nog altijd vast aan een striktere interpretatie van het begrip «gerechtvaardigd belang» dan andere EU-lidstaten?
Door de AVG gelden in Europese lidstaten in beginsel gelijke normen wat betreft gegevensbescherming en privacy. Op een aantal punten biedt de AVG ruimte aan landen om nadere regels vast te stellen, of dienen lidstaten in lidstaatrechtelijk recht zaken te regelen, zoals bijvoorbeeld uitzonderingen op het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. In de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming (UAVG), maar ook in sectorwetgeving wordt uitvoering gegeven aan deze ruimte. Unierechtelijke begrippen dienen echter unierechtelijk te worden uitgelegd. In de European Data Protection Board (EDPB) zijn de Europese privacytoezichthouders verenigd en worden guidelines gemaakt om de uitleg van de AVG te harmoniseren en om handhaving gelijker in te richten. Laatstelijk in 2014 is door de voorganger van de EDPB, de «Article 29 Working Party», een advies uitgebracht over de uitleg van het begrip «gerechtvaardigd belang»8. Over de uitleg van dit begrip heeft de Rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze procedure duurt gemiddeld twee jaar. De beantwoording door het Hof zal vervolgens van toepassing zijn in alle Europese lidstaten.
Welke stappen zijn er sinds 2020 gezet om de AP het belang van rechtseenheid onder de aandacht te brengen en wat heeft de AP sindsdien gedaan om rechtseenheid te bevorderen?
De AP is lid van de EDPB en heeft in samenwerking met de andere Europese privacytoezichthouders in 2022 al meer dan tien guidelines vastgesteld ter bevordering van de rechtseenheid binnen Europa.
Bent u bereid in het kader van het terugdringen van onnodige juridische procedures in gesprek te gaan met de AP om het boetebesluit jegens de KNLTB te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de onafhankelijke positie van de AP en het feit dat er op dit moment een juridische procedure loopt over dit boetebesluit, ben ik niet voornemens met de AP hierover in gesprek te gaan. De AP treedt op grond van artikel 52 van de AVG onafhankelijk op bij de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegewezen. Dat geldt ook voor juridische procedures.
De bijeenkomst in Amsterdam waar David Icke zal spreken |
|
Ulysse Ellian (VVD), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met de bijeenkomst «De dag van de menselijke verbinding» waar David Icke hoofdspreker is?
Ja.
Wat vindt u ervan dat een notoir Holocaustontkenner en antisemiet als David Icke in onze hoofdstad voornemens is te spreken op een bijeenkomst die plaatsvindt in de schaduw van nota bene het Nationale Oorlogsmonument op de Dam?
Ik vind de berichtgeving aanleiding geven tot zorg. Voor antisemitisme en holocaustontkenning is geen plaats in Nederland. Ik steun de Amsterdamse driehoek in het zware beroep dat zij op de organisatie doen om de uitnodiging in te trekken en op die manier rekening te houden met de zorgen van brede groepen in de samenleving of de negatieve gevolgen die een dergelijk optreden in de samenleving kan oproepen.
Dat neemt niet weg dat ik de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid hoog in het vaandel heb staan. Om deze vrijheden te waarborgen, is in artikel 7 van de Grondwet censuur door de overheid verboden. Dit censuurverbod maakt het voor de overheid onmogelijk om op voorhand te oordelen over de inhoud van wat er gezegd wordt, maar strafbare uitingen kunnen uiteraard wel achteraf tot vervolging leiden.
De bijeenkomst heeft (nog) niet plaatsgevonden en verschillende overheidspartijen bezien op dit moment hun handelingsopties.
Welke acties kunnen worden genomen om te voorkomen dat David Icke zal spreken?
De verantwoordelijkheid om David Icke een platform te geven ligt in de eerste plaats bij de organisatoren van de bijeenkomst. Zij kunnen op elk moment beslissen de aard en inhoud van de bijeenkomst te wijzigen in een richting die het risico op het plegen van mogelijk strafbare feiten of op het ontstaan van wanordelijkheden verkleint.
Verder is het aan de burgemeester om demonstraties in goede banen te leiden, waarover verantwoording wordt afgelegd aan de gemeenteraad. Daarbij is het uitgangspunt dat de burgemeester zich inspant om demonstraties te faciliteren. Het verbieden of beperken van demonstraties is op grond van de Wet openbare manifestaties alleen toegestaan ter bestrijding van wanordelijkheden, in het belang van het verkeer en om de gezondheid te beschermen. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangehaald, mag de inhoud geen grond zijn voor het vooraf verbieden of beperken van een demonstratie. Maar een demonstratie is geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. De grens van de vrijheid van meningsuiting wordt bereikt wanneer tijdens de demonstratie wordt overgegaan tot strafbare feiten, zoals belediging van personen, opruiing tot geweld of haat zaaien tegen bevolkingsgroepen. Dergelijke uitingsdelicten kunnen strafrechtelijk worden gehandhaafd, evenals geweldsdelicten zoals vernielingen of geweld tegen personen.
Tot slot wordt op verzoek van Amsterdam momenteel door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzocht, of David Icke toegang tot Nederland ontzegd kan worden.
Wat vindt u van het samenwerkingsverband «Samen voor Nederland» dat kennelijk bewust een spreker als David Icke uitnodigt?
Mogelijk waren onderdelen van het betreffende samenwerkingsverband niet op de hoogte van de reputatie van David Icke. Met de maatschappelijke ophef die nu is ontstaan, kan niemand die betrokken is bij de organisatie van deze bijeenkomst nog meer voorwenden hiermee onbekend te zijn. Ik roep de organisatoren van de bijeenkomst op zich nogmaals te beraden over hun keus om David Icke een podium in Nederland te geven. Ik steun ook de gemeente Amsterdam in de vraag aan de IND om te onderzoeken of betrokkene de toegang tot ons land kan worden geweigerd.
Wat doet het feit dat een bijeenkomst met een dergelijke spreker kennelijk in onze hoofdstad georganiseerd wordt, met de gevoelens van onveiligheid van de Joodse gemeenschap?
Mij is bekend dat het nieuws dat David Icke in Amsterdam komt spreken, tot grote beroering en gevoelens van onveiligheid in de Joodse gemeenschap heeft geleid. Vanwege zijn signaleringsfunctie staat de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding in nauw contact met de Joodse gemeenschap. Ook hij signaleert de gevoelens van onveiligheid die de aankondiging van de komst van David Icke heeft opgeroepen bij de Joodse gemeenschap. Deze gevoelens en daaruit voortkomende zorgen begrijp ik goed. Ik keur de handelwijze van de organisatoren van de voorgenomen bijeenkomst af.
Hoe ziet u deze bijeenkomst in het licht van het alsmaar toenemende antisemitisme in Europa?
Naar mijn oordeel is het effect van de bijeenkomst tegengesteld aan de titel die eraan is gegeven («De dag van de menselijke verbinding»). Het is onvermijdelijk dat de bijeenkomst internationaal wordt opgepikt. In die zin levert de berichtgeving over deze bijeenkomst nu al een negatieve bijdrage aan de bestrijding van antisemitisme. In 2021 nam antisemitisme verder toe in Nederland. De aanstelling van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding op 1 april 2021 is een van de maatregelen die de rijksoverheid neemt in de strijd tegen antisemitisme. Op 6 oktober 2022 stuurde ik het werkplan van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding naar de Tweede Kamer. Dit plan vormt zijn uitgangspunt voor concrete acties, onder meer tegen de verspreiding van antisemitische complottheorieën en Holocaustontkenning. Zo zal de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding met burgemeesters en politie in gesprek gaan over het beschikbaar stellen van voldoende capaciteit om demonstraties op antisemitische uitingen te kunnen monitoren. Het werkplan bevat verder maatregelen, die toezien op het tegengaan van Holocaustverdraaiing middels de strafrechtketen, educatie en (online) campagnes. Complottheorieën, antisemitisme en Holocaustontkenning kunnen de democratische rechtsstaat schaden. Enerzijds omdat de legitimiteit van gezagdragers wordt ondermijnd, anderzijds omdat in nationale wetgeving en internationale verdragen een verbod is vastgelegd op het aanzetten tot haat.
De mogelijk tweede open communicatielijn van Ridouan Taghi |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving «Weski smokkelde berichten uit EBI onder druk van Ridouan Taghi» en «Was Inez Weski ook doorgeefluik voor Ridouan Taghi»?1, 2
Ja.
Kunt u garanderen dat Ridouan Taghi op dit moment geen tweede open communicatielijn heeft, waarvan misbruik kan worden gemaakt voor criminele doeleinden? Zo ja of nee, waarom?
Bovenstaande berichtgeving betreft communicatie via zogenaamde geprivilegieerde contacten.3 Ik kan niet garanderen dat gedetineerden geen misbruik maken van deze geprivilegieerde contacten. Communicatie tussen gedetineerden en geprivilegieerde personen zijn uitgesloten van de toezichtsmaatregelen die op basis van de Penitentiaire beginselenwet opgelegd kunnen worden. Als er concrete aanwijzingen zijn dat dergelijke contacten worden misbruikt voor strafbaar handelen, dan hebben politie en justitie vergaande bevoegdheden om op dit contact inbreuk te maken, zoals het tappen van gesprekken. Daarbij geldt dat inbreuk op het grondbeginsel van vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt terecht zwaarwegende waarborgen kent.
Voor een beperkte groep gedetineerden ga ik, binnen de waarborgen die hiervoor gelden, de mogelijkheid om visueel toezicht te houden op deze gesprekken meenemen in de wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, zoals ik die heb aangekondigd in mijn brief van 26 september jl.
Kunt u garanderen dat bij twijfel toegang tot de Extra Beveiligde Inrichting ontzegd wordt? Zo ja of nee, waarom?
De Raad voor de straftoepassing en jeugdbescherming (RSJ) heeft uitgemaakt dat in de Penitentiaire beginselenwet niet expliciet de mogelijkheid tot het weigeren van een advocaat tot de inrichting is geregeld. Daartegenover geldt als algemeen beginsel dat binnen een penitentiaire inrichting de orde en de veiligheid dienen te worden gehandhaafd. Ook de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming dient ongestoord plaats te vinden. In zeer uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat de toegang van een advocaat in strijd komt met deze algemene beginselen. In die gevallen kan de advocaat gerechtvaardigd niet worden toegelaten. Een andere grond tot weigering kan zich voordoen indien de veiligheid van eenieder in de inrichting aanwezig niet verzekerd is als de advocaat wordt toegelaten.4
Een besluit om een advocaat de toegang tot de inrichting te weigeren vereist dan ook een draagkrachtige motivering, gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden. Dergelijke informatie wordt gedeeld via het zogeheten Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP). Het GRIP fungeert als centraal informatieknooppunt tussen het OM, de politie en de DJI en brengt advies uit in een zogeheten GRIP-rapport. Op basis van een GRIP-rapport kan dan alsnog een besluit worden genomen om een advocaat uit te sluiten van de toegang. Daarbij geldt dat alleen twijfel onvoldoende grondslag biedt om hiertoe over te gaan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden, uiterlijk voor het aanstaande commissiedebat gevangeniswezen en tbs?
Ja.
Het bericht ‘Justitie Den Haag schrapt 53 zaken: Wietkwekers en drugsdealers ontlopen straf’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Justitie Den Haag schrapt 53 zaken: Wietkwekers en drugsdealers ontlopen straf»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle zaken bij de rechtbank Den Haag waarvan het Openbaar Ministerie (OM) heeft verzocht om niet-ontvankelijkheid, alsmede de straffen die zouden zijn geëist als deze zaken waren doorgezet?
Laat ik vooropstellen dat het zorgelijk is dat het OM is genoodzaakt om dit soort maatregelen te nemen. Het is een slecht signaal richting de samenleving en niet goed voor het vertrouwen in de rechtsstaat. Het OM neemt dan ook de nodige maatregelen om dit in de toekomst te voorkomen.
Het OM kan niet aangeven wat de strafeis in de zaken zou zijn geweest. Een strafeis formuleren betreft maatwerk en deze kan gewijzigd worden tot op de zitting. Op basis van de strafvorderingsrichtlijnen is er een grote diversiteit in de te eisen straffen.
Inhoudelijk gaat het met name om ontnemingszaken, waarbij het OM geld wilde ontnemen (bijvoorbeeld van crimineel verkregen geld), en druggerelateerde feiten. In een aantal zaken is het geld echter al op een andere manier ontnomen. Bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van de verdachte naar de slachtoffers moet. Daarnaast betreft het verdachten die sindsdien niet meer de fout in zijn gegaan. Een deel betreft zeer oude strafzaken rondom het dealen van drugs of het kweken van hennep, beide van relatief beperkte omvang.
Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Relevante factoren waren onder meer: dat er geen directe slachtoffers zijn, dat er al schadeherstel heeft plaatsgevonden, dat een andere reactie op het misdrijf is gevolgd of dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Verder is gekeken naar de aard van de feiten: zo wordt er bijvoorbeeld niet getornd aan de vervolging van ernstige geweldsmisdrijven en zedendelicten.
Voor alle zaken geldt dat zij minimaal vier jaar oud zijn. Het zijn zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. In afwachting van een nieuwe zitting kregen andere zaken, bijvoorbeeld met directe slachtoffers, voorrang. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. In de paar zaken waar sprake was van een direct slachtoffer heeft het OM contact met hen opgenomen en hen de omstandigheden uitgelegd.
Rechtszekerheid en een goede procesorde brengen met zich mee dat de zaken die bleven liggen in het belang van alle partijen wel moeten worden afgedaan. De wet bepaalt dat zaken die al eerder op zitting zijn geweest alleen kunnen worden beëindigd door het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
Waarom is kennelijk gekozen voor zaken waarin sprake is van drugscriminaliteit?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat in deze zaken geen directe slachtoffers zijn?
Voor beantwoording van deze vraag verwijs ik ook naar de antwoorden op vraag 2 en 3. Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Eén relevante factor was onder meer dat er geen directe slachtoffers zijn. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. Voor zover wel sprake was van een directe slachtoffer gaat het over het algemeen om slachtoffers die niet op vergoeding van schade rekenen via het strafrecht en geen gebruik willen maken van hun spreekrecht.
Wat vindt u van het signaal dat hiermee wordt gegeven aan de samenleving, namelijk dat drugscriminaliteit loont, en het signaal aan de politie dat hun werk tevergeefs was?
Ik vind het een slecht signaal richting de samenleving en heel erg dat het OM zich genoodzaakt ziet dit te doen. Het is niet goed voor het vertrouwen in de rechtstaat en frustrerend voor de politie als zaken op deze manier worden afgerond. Tegelijkertijd gaat het – vergeleken met het totaal aantal zaken dat het OM jaarlijks in behandeling neemt – om een beperkt aantal zaken en verwacht ik niet dat criminelen zich hierdoor straffeloos zullen voelen.
Inhoudelijk zijn het veel ontnemingszaken waarin de bijbehorende strafzaak wel is afgedaan. In deze ontnemingszaken wilde het OM crimineel geld afpakken, maar bleek bijvoorbeeld dat bij verdachte weinig tot niets te halen. In een aantal gevallen is het afpakken al op een andere manier geregeld, bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van verdachte naar de slachtoffers moet.
Tevens verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2 en 3 voor de relevante factoren en belangen die hebben meegewogen in de keuzes van het OM.
Deelt u onze grote zorg dat drugscriminelen zich straffeloos kunnen wanen en juist ook bij jonge daders daardoor het risico toeneemt dat ze verder verweven raken met de drugscriminaliteit? Is er gekeken naar het daderprofiel bij de keuze van zaken waar niet-ontvankelijkheid verzocht is? Zo ja, welke keuzes zijn gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom zijn deze zaken zo lang blijven liggen, terwijl het volgens de berichtgeving, gaat om zaken waarin sprake is van drugscriminaliteit en crimineel voordeel?
Zoals bij vraag 2 en 3 opgemerkt zijn het zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. Deze zaken lagen stil in afwachting van een nieuwe zitting. Die nieuwe zitting kwam er echter niet, omdat andere zaken voorrang kregen, waaronder bijvoorbeeld zaken met directe slachtoffers.
Welke maatregelen treft u met het Bestuurlijk Ketenberaad om te voorkomen dat zaken wegens gebrek aan capaciteit niet meer worden behandeld?
Het Bestuurlijk Ketenberaad heeft tot doel om op basis van onderlinge afstemming het functioneren van de strafrechtketen te bevorderen. Het terugdringen van voorraden, het identificeren van knelpunten en het richting geven aan het oplossen daarvan zijn vaste aandachtsgebieden van het Bestuurlijk Ketenberaad. Zo is het verkorten van de doorlooptijden een prioritair thema. In dat kader heeft het Ketenberaad, naar aanleiding van de doorlichting van de strafrechtketen, opdracht gegeven tot het opstellen en uitvoeren van het Actieplan Strafrechtketen (Actieplan). Over de uitvoering van dat Actieplan heb ik uw Kamer samen met de Minister voor Rechtsbescherming laatstelijk geïnformeerd op 22 juli 20222.
Op grond van het Coalitieakkoord zijn hiervoor middelen beschikbaar. Om de werkdruk te verlagen is het OM, mede met behulp van middelen uit het Coalitieakkoord, bovenop de reguliere instroom van officieren van justitie reeds vorig jaar gestart met het in drie jaar laten instromen en opleiden van 250 officieren van justitie.
De rechtspraak ontvangt tot slot ook extra middelen op grond van het Coalitieakkoord waarmee de capaciteit van de rechtspraak kan worden versterkt.
Is er overleg geweest door het OM met de politie? Zo nee, waarom niet?
Ja, er heeft van tevoren afstemming plaatsgevonden tussen OM en de politie.
De mogelijkheid in het erfrecht dat de dader erft van een slachtoffer |
|
Ulysse Ellian (VVD), Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat iemand die terbeschikkingstelling (tbs) opgelegd heeft gekregen nadat hij zijn eigen vrouw had vermoord toch aanspraak maakt op haar erfenis?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de dader toch mag erven, als zeer onrechtvaardig beschouwd kan worden en onacceptabel is voor de nabestaanden? Zo nee, waarom niet?
Deze zaak betreft een individuele casus die nog onder de rechter is. Uit ambtelijk ingewonnen informatie bij de rechtspraak heb ik vernomen dat tegen de uitkomst in deze zaak hoger beroep is ingesteld. Ik kan hierover daarom nog geen uitspraken doen. In algemene zin ben ik wel met u eens dat het zeer onrechtvaardig voelt dat iemand van wie bewezen is verklaard dat hij zijn echtgenote om het leven heeft gebracht en daarvoor de maatregel tbs heeft opgelegd gekregen, nog aanspraak zou kunnen maken op haar erfenis. Voor de overige nabestaanden is dit heel pijnlijk. Ik snap dan ook de maatschappelijke verontwaardiging die hierover is ontstaan.
Kunt u schetsen hoe op dit moment wordt omgegaan met de interpretatie van de onwaardigheid om uit een nalatenschap voordeel te trekken van artikel 4:3 Burgerlijk Wetboek (BW)? Klopt het dat deze uitzonderingsgrond, op basis waarvan iemand een erfenis kan worden ontzegd, op dit moment zeer strikt wordt uitgelegd door rechters?
Artikel 4:3 BW bevat een aantal limitatieve gronden waarop een persoon van rechtswege onwaardig wordt om uit de nalatenschap enig voordeel te trekken. Een van deze gronden is het geval dat iemand onherroepelijk is veroordeeld voor het ombrengen van de overledene, dat heeft geprobeerd, voorbereid of hieraan heeft deelgenomen. Een andere grond is het geval dat iemand onherroepelijk is veroordeeld voor een opzettelijk tegen de overledene gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaar of dat misdrijf heeft geprobeerd te plegen, heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen.
Van een onherroepelijke veroordeling is geen sprake als het strafbare feit niet aan de dader kan worden toegerekend vanwege een ziekelijke stoornis en hem uitsluitend de maatregel tbs is opgelegd. Vanwege het ontbreken van een veroordeling valt een dergelijke situatie niet onder een van de onwaardigheidsgronden in artikel 4:3 BW.
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de voorliggende Kamervragen oordeelde de rechtbank Gelderland dat artikel 4:3 BW niet van toepassing is, omdat de dader niet strafrechtelijk veroordeeld is voor het strafbare feit, maar van alle rechtsvervolging is ontslagen wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Hierdoor kan de dader geen verwijt worden gemaakt van het plegen van het strafbare feit en niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daad (Rechtbank Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498). Deze uitspraak is vergelijkbaar met een uitspraak van het Hof Amsterdam van 13 mei 1976, ECLI:NL:HGHAMS:1976:AC3027, NJ 1977, 213. Daarin werd geoordeeld dat van een veroordeling die tot onwaardigheid leidt, geen sprake is als de erfgenaam wegens zijn geestestoestand niet strafbaar is verklaard en de opname in een psychiatrisch ziekenhuis wordt bevolen. Om dezelfde reden – het ontslag van alle rechtsvervolging en de niet-toerekenbaarheid van de dader in strafrechtelijke zin – oordeelde de rechtbank Gelderland dat zich niet zodanig uitzonderlijke feiten en omstandigheden voordoen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de dader zijn rechten uitoefent die hem als wettig erfgenaam toekomen.
In de rechtspraak zijn enkele gevallen bekend waarin erfgenamen, ondanks dat zij juridisch niet onwaardig waren, toch geen voordeel uit de nalatenschap konden trekken, omdat dit zodanig indruist tegen het rechtsgevoel en strijd oplevert met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Ik noem hier de uitspraak van de Rechtbank Middelburg van 5 oktober 2011, ECLI: NL:RBMID:2011:BU6593. In deze zaak was van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake en daarmee ook niet van onwaardigheid op grond van artikel 4:3 BW, omdat de man die werd verdacht van moord op zijn echtgenote, in afwachting van zijn strafproces zich in de penitentiaire inrichting van het leven had beroofd. Op grond van de wettelijke erfopvolging zou de erfenis van de om het leven gebrachte vrouw aan de man toekomen en na diens overlijden aan zijn erfgenamen. De rechtbank oordeelde dat deze vererving zo stuitend is dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om de erfenis aan hem en zijn erfgenamen te laten toekomen. Het uitoefenen van de rechten als wettelijk erfgenaam leverde naar het oordeel van de rechtbank, ook in het licht van het algemene rechtsbeginsel dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander, onder de omstandigheden van dat geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een onaanvaardbaar resultaat op.
Een ander vreselijk geval met een soortgelijke uitkomst is de zaak die leidde tot de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003, 53. In deze zaak ging het om een kleinzoon die een levenslange gevangenisstraf had opgelegd gekregen wegens moord op zijn ouders, waarna zijn oma hem bij testament uitdrukkelijk had uitgesloten als erfgenaam. Na het overlijden van zijn oma beriep de kleinzoon zich op het erfdeel van zijn om het leven gebrachte vader waarop hij in de plaats van zijn vooroverleden vader aanspraak zou hebben. Omdat het levensdelict niet was gepleegd tegen de overledene (de oma) was artikel 4:3 BW naar de letter van de wet niet van toepassing. Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat hier sprake was van zodanig zeer uitzonderlijke omstandigheden dat de kleinzoon op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geen voordeel mag hebben uit de erfenis van zijn oma. Daarbij overwogen de rechtbank en het hof dat de regeling van onwaardigheid in het erfrecht uitdrukking geeft aan een achterliggend algemeen beginsel in het recht dat men geen voordeel behoort te hebben van het opzettelijke doden van een ander.
Uit deze uitspraken volgt dat niet gezegd kan worden dat artikel 4:3 BW in de rechtspraak steeds zeer strikt wordt uitgelegd. Een niet-restrictieve uitleg vindt ook steun in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010, 206 m.nt. S. Perrick (Velcea et Mazare/Roemenië)). Volgens het Hof verplicht het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) verdragspartijen niet om een wettelijke bepaling inzake de onwaardigheid van erfgenamen te hebben, maar als hiervoor een nationale bepaling bestaat, dan moet deze bepaling worden uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de bedoeling ervan. Het Hof oordeelde in een soortgelijk geval als in de zaak die leidde tot de hiervoor genoemde uitspraak van de Rechtbank Middelburg, dat de bijzondere omstandigheden van het geval meebrachten dat het automatisch en restrictief uitleggen van de Roemeense bepaling inzake het onwaardig verklaren om te erven verder gaat dan wat nodig was om de rechtszekerheid te waarborgen.
Wordt met de huidige lezing van artikel 4:3 BW volgens u voldoende recht gedaan aan de gevoelens van de nabestaanden in gevallen zoals beschreven in bovengenoemd bericht? Zo ja, waarom bent u die mening toegedaan?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, wordt artikel 4:3 BW, ondanks de limitatieve opsomming van onwaardigheidsgronden, niet steeds restrictief uitgelegd. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid bieden de rechter ruimte om vanwege de bijzondere omstandigheden van het concrete geval een erfenis aan een erfgenaam te ontzeggen. Zoals hiervoor ook vermeld, begrijp ik dat de uitspraak die aanleiding heeft gegeven tot de recente nieuwsberichten en de vragen van uw Kamer, heel onbevredigend is voor de nabestaanden van de om het leven gebrachte vrouw, maar kan ik daarop niet verder ingaan vanwege het daartegen ingestelde hoger beroep
Bent u het eens met de stelling dat het goed zou zijn om het erfrecht aan te scherpen, zodat expliciet wordt gemaakt dat een dader – ontoerekeningsvatbaar of niet – geen voordeel kan hebben van zijn daad en dus niet kan erven van het slachtoffer dat is overleden? Bent u bereid te kijken of er andere manieren zijn om in ieder geval dit doel te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik hiervoor heb vermeld, heb ik uit ambtelijk ingewonnen informatie begrepen dat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld. Ik wil nu eerst de verdere procedure afwachten voordat ik ga onderzoeken of het nodig is om de onwaardigheidsgronden van artikel 4:3 BW uit te breiden.
Het uitblijven van de verkenning naar het gebruik maken van genealogische databanken bij het oplossen van cold case zaken |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u het antwoord van uw ambtsvoorganger dat in de eerste maanden van 2022 de verkenning naar het gebruik van genealogische databanken bij het oplossen van cold cases met de Kamer gedeeld zou worden?1
Ja.
Waarom is deze verkenning nog niet met de Kamer gedeeld en wanneer kan de Kamer deze verkenning verwachten?
De eerste stap in deze verkenning was, zoals mijn voorganger uw Kamer heeft bericht, de vraag beantwoorden of een pilot om met behulp van private genealogische DNA-databanken onbekende doden te identificeren, waarbij geen sprake is van een verdenking van een strafbaar feit, mogelijk en zinvol was en zo ja, onder welke voorwaarden.2 Daarbij was de veronderstelling dat een dergelijke pilot ook een bijdrage zou kunnen leveren aan de discussie over het gebruik van genealogische DNA-databanken in strafzaken. Uit de verkenning blijkt dat er momenteel geen technische belemmeringen zijn om gebruik te maken van de bekende private Amerikaanse genealogische DNA-databanken. Het NFI kan het type DNA-profiel dat de commerciële DNA-databanken standaard gebruiken zelf genereren of dit door een extern Nederlands bedrijf laten doen. De verkenning heeft niet geleid tot meer inzicht in de vraag in hoeverre het gebruik van private genealogische DNA-databanken meerwaarde heeft in de Nederlandse situatie en in de maatschappelijke lasten en baten. Om dit in kaart te brengen zullen er actuele casussen moeten worden onderzocht. De conclusie van mijn departement en dat van BZK is echter dat het op dit moment niet goed verdedigbaar is dat er een afdoende juridische grondslag is voor een dergelijk onderzoek.
Het OM onderzoekt op dit moment – gelet op de ervaringen en rapporten in het buitenland – of en zo ja hoe de genealogische databanken kunnen worden gebruikt in strafzaken. Dit onderzoek zal uiterlijk voorjaar 2023 zijn afgerond. Indien het OM tot de conclusie komt dat het huidige wettelijke kader voldoende ruimte biedt voor een pilot, en we tot inzet overgaan, is het uiteindelijk aan de strafrechter om over de toelaatbaarheid van die inzet een oordeel te geven.
Wat staat nog in de weg aan het starten van een kleine afgebakende pilot om het gebruik van genealogische databanken bij een cold case en een ongeïdentificeerde dode uit te proberen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de stelling dat de resultaten uit andere landen veelbelovend zijn en dat hiermee het leed van nabestaanden verzacht kan worden? Zo ja of nee, waarom?
Het betreft complexe materie, dat blijkt ook uit de ontwikkelingen in andere landen. Ik verwijs u naar hetgeen ik uw Kamer eerder heb gemeld over Zweden.3 Daarnaast zijn er bij de successen in de Verenigde Staten ook kritische kanttekeningen geplaatst, omdat de reeds bestaande mogelijkheden om te identificeren onvoldoende zijn benut.4
Kunt u deze vragen vóór het commissiedebat strafrechtelijke onderwerpen beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Vrijheid voor leider Bende van Venlo lonkt na zeven moorden’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrijheid voor leider Bende van Venlo lonkt na zeven moorden»?1
Ja.
Klopt het dat de Frank P. in totaal ongeveer 250 geweldsdelicten heeft gepleegd, waaronder ten minste zeven moorden?
De heer P. is op 26 april 1996 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor meervoudige moord en meervoudige gekwalificeerde doodslag op in totaal zeven personen. Over mogelijk gepleegde delicten die niet hebben geleid tot deze veroordeling kan ik geen uitspraken doen.
Sinds wanneer staat de tot levenslang veroordeelde Frank P. op de wachtlijst van de Rooyse Wissel?
P. staat sinds 8 september 2022 op de wachtlijst van het forensisch psychiatrisch centrum (FPC) De Rooyse Wissel.
Zijn alle slachtoffers en nabestaanden betrokken bij het besluit om Frank P. op de wachtlijst van de Rooyse Wissel te plaatsen? Zo ja, hoe zij zijn betrokken en zo nee, waarom niet?
Om te beginnen wil ik benadrukken dat P. mogelijk wordt overgeplaatst naar FPC De Rooyse Wissel zodat hij daar een behandeltraject kan volgen, er is geen sprake van re-integratieactiviteiten zoals verlof of andere vrijheden (zie ook de beantwoording op vraag 6 en 7). Slachtoffers en nabestaanden worden geïnformeerd over een overplaatsing als er sprake is van vrijheden. In dit geval is dat daarom niet gebeurd.
Klopt het dat er in 2019 meerdere adviezen zijn geweest, waaronder die van het Adviescollege Levenslanggestraften, op grond waarvan destijds is geoordeeld dat zelfs van een eerste stap richting terugkeer in de samenleving niet aan de orde kon zijn?
Voordat ik in ga op de zaak P., schets ik eerst het beleidskader voor de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf.2 Het beleidskader voorziet in een procedure voor herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf en biedt mogelijkheden voor de levenslanggestrafte om zich daarop voor te bereiden. Op grond van dit kader adviseert het Adviescollege Levenslanggestraften (hierna: Adviescollege) 25 jaar na aanvang van de detentie of een levenslanggestrafte kan worden toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doet het Adviescollege bij iedere levenslanggestrafte. Het Adviescollege hanteert hierbij de volgende vier criteria:
Voorafgaand aan de advisering door het Adviescollege vindt een uitgebreid onderzoek plaats, waarbij de betrokkene onder meer ter observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) wordt geplaatst voor ten minste zes weken. Het Adviescollege baseert zijn advies mede op het rapport van het PBC. Naast het onderzoek door het PBC wordt advies ingewonnen bij de reclassering en wordt een nabestaanden- en slachtofferonderzoek uitgevoerd. Ook hoort het Adviescollege de slachtoffers en nabestaanden, indien zij dat wensen, en tot slot de levenslanggestrafte zelf.3
Het Adviescollege brengt vervolgens advies uit aan mij zodat ik een beslissing kan nemen over het al dan niet toelaten van een levenslanggestrafte tot de re-integratiefase.
In de zaak P. heeft het Adviescollege op 11 maart 2019 negatief geadviseerd omtrent de toelating tot de re-integratiefase. Zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften ben ik gehouden bij een negatief advies van het Adviescollege dienovereenkomstig te beslissen. Bij besluit van 8 juli 2019 heb ik aan P. medegedeeld dat hij niet wordt toegelaten tot de re-integratiefase. Het Adviescollege heeft in zijn advies van 2019 opgenomen dat het na twee jaren een vervolgadvies zou uitbrengen (zie antwoord op vraag 6 en 7).
Waarom kan een eerste stap richting terugkeer in de samenleving nu wel aan de orde zijn?
In november 2021 heeft het Adviescollege vervolgadvies uitgebracht in de zaak P. Het Adviescollege adviseerde op basis van zijn deskundig oordeel en alle uitgevoerde onderzoeken opnieuw om P. niet toe te laten tot de re-integratiefase. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 5 ben ik gehouden bij een negatief advies van het Adviescollege dienovereenkomstig te beslissen. Bij besluit van 21 december 2021 heb ik wederom aan P. medegedeeld dat hij niet wordt toegelaten tot de re-integratiefase.
De plaatsing van P. op de wachtlijst van FPC De Rooyse Wissel is dan ook niet in het kader van de re-integratiefase, maar in het kader van behandeling. Het PBC heeft door middel van observatieonderzoek een stoornis bij P. geconcludeerd en hierover in juni 2021 gerapporteerd. P. heeft in september 2021 een verzoek ingediend tot overplaatsing naar een FPC voor behandeling van die stoornis. In dit verband is het Murray-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van belang. Op grond van het Murray-arrest is elke lidstaat verplicht zijn volledige medewerking te geven aan een behandeling van een stoornis bij een gedetineerde wanneer er een reële kans is dat door de behandeling zijn recidiverisico wordt verminderd. Het OM heeft negatief geadviseerd over het opstarten van een behandeltraject van P. Het Adviescollege heeft in november 2021 overwogen dat betrokkene een behandelingstraject zal moeten ingaan gericht op vermindering van het recidiverisico, teneinde in de toekomst eventueel in aanmerking te kunnen komen voor toelating tot de re-integratiefase.
Alles overwegende heb ik bij besluit van 21 december 2021 aan P. gecommuniceerd dat ik de besluitvorming omtrent zijn overplaatsingsverzoek naar een FPC aanhoud in afwachting van de uitkomst van de indicatiestellingsprocedure (een indicatie is een verwijzing die nodig is voor behandeling van een justitiabele in een instelling). Inmiddels is voor P. een indicatie afgegeven voor plaatsing in een FPC voor behandeling. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 staat P. sinds 8 september 2022 op de wachtlijst van FPC De Rooyse Wissel. Wanneer een opnamedatum bekend is, neemt de directeur van de penitentiaire inrichting namens de Minister een besluit over het overplaatsingsverzoek. Tijdens het behandeltraject zal geen sprake zijn van re-integratieactiviteiten zoals verlof of andere vrijheden. Na afloop van de behandeling gaat P. weer terug naar de penitentiaire inrichting. Het Adviescollege brengt in 2023 weer een vervolgadvies uit in de zaak P. omtrent de re-integratiefase.
Heeft het Openbaar Ministerie positief geadviseerd tot deze stap? Zo nee, waarom heeft u daar dan toch toe besloten?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe is bij het besluit in 2019 en het besluit in 2022 de impact op de vele slachtoffers en nabestaanden in Venlo en omstreken gewogen?
Het wegen van de belangen van slachtoffers en nabestaanden gebeurt door het Adviescollege in het kader van zijn advisering aan de Minister voor Rechtsbescherming over de toelating tot de re-integratiefase. Aan slachtoffers en nabestaanden wordt gevraagd of zij bereid zijn mee te werken aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek. Een dergelijk onderzoek vindt plaats door tussenkomst van Slachtofferhulp Nederland.
Indien de slachtoffers en nabestaanden dat wensen, worden zij door het Adviescollege gehoord in het kader van het eerste advies. Bovenstaande is ook van toepassing op de zaak P.
Het niet weigeren van de toegang tot de EBI aan de advocaat en neef van Ridouan T. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Politie en OM wisten al in 2018 dat advocaat en neef van Taghi niet deugde» en «Politie wist dat advocaat Youssef Taghi contacten had met criminele milieu, maar hij mocht toch EBI in»?1, 2
Ja.
Door wie is besloten dat Youssef Taghi vanaf 11 maart 2021 toegang tot de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) verkreeg?
De directeur van de PI Vught heeft dat op 10 maart 2021 besloten.3
Op grond waarvan is de beslissing genomen dat Youssef Taghi vanaf 11 maart 2021 toegang tot de EBI verkreeg?
Die beslissing is genomen omdat er op dat moment onvoldoende concrete informatie was die een weigeringsgrond vormde.
Het besluit om Y. Taghi in zijn hoedanigheid als rechtsbijstandverlener de toegang tot de EBI te weigeren is genomen na aanwijzingen dat hij zijn geprivilegieerde positie zou hebben misbruikt door misbruik te maken van de geheimhoudertelefoon. De deken deed als toezichthouder naar aanleiding van een signaal van het Openbaar Ministerie, onderzoek naar deze aanwijzingen. Gedurende dit onderzoek is, ter bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid en ter voorkoming van strafbare feiten, Y. Taghi de toegang ontzegd. De deken heeft in zijn onderzoek geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren dat de advocaat misbruik had gemaakt van zijn geprivilegieerde positie.
Daarmee verviel de grond waarop Y. Taghi de toegang werd ontzegd.
Welke noodzaak was er om Youssef Taghi tot de EBI toe te laten, gelet op het feit dat de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) de beslissing van de EBI om Youssef Taghi de toegang tot de EBI te weigeren, in stand liet?
De Commissie van Toezicht van de PI Vught en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) hebben geoordeeld dat het besluit om Y. Taghi de toegang tot de EBI gedurende het onderzoek van de deken te weigeren niet onredelijk of onbillijk was. Nadat de deken in zijn onderzoek had geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren dat de advocaat misbruik had gemaakt van zijn geprivilegieerde positie verviel de weigeringsgrond waarop Y. Taghi de toegang werd ontzegd.
Waarom was het welbekende feit dat Youssef Taghi ook in contact stond met Anouar Taghi, een andere neef van Ridouan T. en tevens een verdachte in de zaak van de moord op Derk Wiersum, niet voldoende om Youssef Taghi de toegang tot de EBI te weigeren?
Ik realiseer mij dat het verbazing wekt dat een familielid van een gedetineerde die in het strengste detentieregime dat Nederland kent is geplaatst zonder toezicht toegang tot een gedetineerde heeft. De toegang kan geweigerd worden in het belang van de orde en veiligheid in de inrichting, het voorkomen van strafbare feiten of ter bescherming van slachtoffers.
Alleen het bestaan van een familierelatie tussen gedetineerde en advocaat is conform de regelgeving geen weigeringsgrond.
Hoe en door wie is het onderzoek van de Deken van de Orde van Advocaten gewogen en beoordeeld?
Nadat het OM, de politie en DJI na lezing van het onderzoek moesten concluderen dat de eerdere weigeringsgrond voor het verlenen van toegang was weggevallen, en hadden vastgesteld dat er ook geen andere weigeringsgronden meer waren, heeft de directeur EBI besloten om de advocaat weer toegang te geven.
Waarom is kennelijk zoveel waarde gehecht aan het onderzoek van de Deken, terwijl evident zowel bij het Openbaar Ministerie als bij de politie meer relevante informatie beschikbaar was over Youssef Taghi?
In overleg met de betrokken ketenpartners is onderzocht of er nog andere gronden zijn waarop de toegang kon worden ontzegd. Daartoe is ook advies van de landsadvocaat ingewonnen. Daarbij is door politie en OM beoordeeld of de bij hen aanwezige informatie over Youssef T. op zichzelf voldoende aanleiding zouden kunnen geven voor een zodanige ontzegging. De beschikbare informatie was naar hun oordeel niet van dien aard dat deze een zo ingrijpende beslissing tot weigering van een advocaat, konden rechtvaardigen. Het onderzoek naar het misbruik van de geheimhoudertelefoon door de deken was vanaf het moment dat Youssef T. zich in december 2020 meldde echter wél een gegronde reden om hem de toegang tot de EBI te ontzeggen. Toen dat onderzoek in maart 2021 afgerond was en de deken geen misbruik had vastgesteld, verviel de mogelijkheid om hem nog langer toegang te ontzeggen.
Waarom is niet alles op alles gezet om Youssef Taghi de toegang tot de EBI te ontzeggen, zeker toen duidelijk was dat Ridouan Taghi persisteerde in het toevoegen van zijn neef Youssef Taghi als advocaat?
Zie antwoord vraag 7.
De detentie van Naoufal F. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat Naoufal F. op dit moment in de PI Arnhem is gedetineerd?
Ik ga niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Ik zal de verdere vragen daarom in algemene zin beantwoorden.
Waarom zit Naoufal F. niet meer in een zogeheten AIT (Afdeling Intensief Toezicht)?
In algemene zin kan ik het volgende zeggen. Op grond van artikel 16 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan een directeur gedetineerden op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) plaatsen. De nadruk ligt bij de AIT op het toezicht. Het doel van dit intensieve toezicht is om te voorkomen dat gedetineerden doorgaan met criminele activiteiten tijdens hun detentie. Activiteiten vinden in kleinere groepen plaats. De contacten met de buitenwereld worden gemonitord en het dagprogramma wordt gecompartimenteerd uitgevoerd. Gedetineerden van de AIT komen zo min mogelijk in aanraking met gedetineerden van andere afdelingen. Gedetineerden in een AIT hebben veelal een zogeheten GVM-status (gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico). Na een half jaar wordt opnieuw bezien of de gedetineerde op de GVM-lijst blijft. Als er aanleiding voor is kan dat ook eerder.
Waarom is Naoufal F. niet in de categorie «extreem» geplaatst, op basis van de Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM)-circulaire?
In algemene zin geldt dat er voor de GVM-lijst onderscheid wordt gemaakt tussen gedetineerden in de categorieën verhoogd, hoog en extreem. In welke categorie een gedetineerde wordt ingedeeld wordt afgewogen in het Operationeel Overleg (OO). In het OO zitten onder meer afgevaardigden van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP), het Openbaar Ministerie, een afvaardiging van DJI en de selectiefunctionaris. In het OO wordt een risico-inschatting gemaakt op basis verschillende factoren, zoals het gedrag van een gedetineerde tijdens de detentie (is er sprake van mogelijk voortgezet crimineel handelen tijdens detentie), informatie van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) en het Openbaar Ministerie (OM).
Van belang bij de risico-inschatting zijn gegevens over macht (bijvoorbeeld de positie van de gedetineerde in een crimineel samenwerkingsverband), middelen (bijvoorbeeld of een gedetineerde over veel geld kan beschikken) en motivatie (bijvoorbeeld als sprake is van een zeer lang strafrestant). Elke zes maanden vindt er een nieuwe risico-inschatting plaats.
Hoe worden de omstandigheden strafrestant, vervolgstraffen, criminele carrière, macht en middelen beoordeeld bij het overplaatsen van gedetineerden die een leidinggevende rol hebben binnen een crimineel samenwerkingsverband?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom zitten gedetineerden die een leidinggevende rol hebben of hadden binnen een crimineel samenwerkingsverband niet ten minste in een Afdeling Intensief Toezicht?
Het is op dit moment alleen mogelijk om op basis van risicoanalyse gedetineerden in een bepaald regime te plaatsen. Mijn voorganger heeft in zijn brief van 22 november 20211 aangegeven de plaatsingsgronden voor de EBI te smal te vinden. Daarom wordt het ook mogelijk om iemand in een extra beveiligd regime te plaatsen op basis van de dreiging die uitgaat van iemands rol en positie binnen een crimineel netwerkt. De zogeheten «Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden» (RSPog) wordt hiervoor aangepast. Deze aanpassing is voor het einde van dit jaar gereed.2
Wat vindt u ervan dat Naoufal F., een van de rechterhanden van Ridouan Taghi en een van de leidinggevenden in het criminele samenwerkingsverband van Ridouan Taghi, in een relatief licht detentieregime verblijft en veelvuldig contact kan hebben met medegedetineerden?
Gedetineerden met een hoog vlucht- en maatschappelijk risico (zogeheten GVM-gedetineerden) krijgen, los van het regime, individueel beperkingen opgelegd. In algemene zin geldt voor gedetineerden die op een GVM-lijst staan dat, op basis van een individuele belangenafweging, een advies wordt uitgebracht aan de selectiefunctionaris. Daarbij wordt rekening gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder ongewenste combinaties van gedetineerden. Dit wordt elke zes maanden opnieuw getoetst. Aan de hand daarvan wordt een gedetineerde in een op dat moment passend regime of afdeling geplaatst.
Wat gaat u doen om te realiseren dat kopstukken uit criminele samenwerkingsverbanden, zoals dat van Ridouan Taghi, onder volledig toezicht staan tijdens detentie en voortgezet crimineel handelen vanuit detentie onder geen beding mogelijk is?
Ik vind het onacceptabel dat criminelen hun handel en wandel voort kunnen zetten wanneer ze veilig achter gesloten deuren behoren te zitten. De afgelopen maanden is hard gewerkt om dit tegen te gaan. Mijn voorganger heeft in de Kamerbrief over de aanpak van georganiseerde criminaliteit tijdens detentie en berechting en in de voortgangsbrief over de implementatie van deze maatregelen al veel in gang gezet.3 Maar recente ontwikkelingen laten zien dat het huidige wet- en regelgevend kader tekort schiet en dat er meer nodig is. Er zullen steeds nieuwe maatregelen moeten worden genomen om geharde criminelen een stap voor te blijven. De afgelopen weken is er dan ook hard gewerkt aan maatregelen om de huidige kwetsbaarheden te beperken. Deze extra maatregelen en de plannen voor wijziging van wet- en regelgeving zijn uiteengezet in de brief: Aanvullende maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit tijdens detentie.4 In de tussentijd worden ten aanzien van de beschreven kopstukken individueel extra maatregelen opgelegd als de situatie daarom vraagt en voor zover de huidige regelgeving dit toelaat.
De kennelijke aanstaande vrijlating van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «vrijlating in zicht voor tot levenslang veroordeelde Appie A.»1 en de podcast «Appie»?
Ja.
Op grond waarvan wordt Appie A. voorbereid op terugkeer in de samenleving? Ligt er een positief advies van het Advies College levenslanggestraften en zo ja, waar is dit op gebaseerd?
Naar aanleiding van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad (HR) heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in 2016 een nieuw beleidskader voor de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf vastgesteld en met de Tweede Kamer besproken.2 Het beleidskader voorziet in een procedure voor herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf en biedt mogelijkheden voor de levenslanggestrafte om zich daarop voor te bereiden.
Op grond van dit kader adviseert het Adviescollege Levenslanggestraften (hierna: ACL) 25 jaar na aanvang van de detentie of de levenslanggestrafte kan worden toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doet het ACL bij iedere levenslanggestrafte. Het ACL hanteert hierbij de volgende vier criteria:
Voorafgaand aan de advisering voor het ACL vindt er een uitgebreid onderzoek plaats, waarbij de betrokkene onder meer ter observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) wordt geplaatst voor ten minste zes weken. Het ACL baseert zijn advies mede op het rapport van het PBC. Naast het onderzoek door het PBC wordt advies ingewonnen bij de reclassering en wordt een nabestaanden- en slachtofferonderzoek uitgevoerd. Ook hoort het ACL indien zij dat wensen de slachtoffers en nabestaanden en tot slot de levenslanggestrafte zelf3.
Het ACL brengt vervolgens advies uit aan de Minister voor Rechtsbescherming zodat hij een beslissing kan nemen over het al dan niet toelaten van een levenslanggestrafte tot de re-integratiefase.
In de zaak Appie A. heb ik op basis van een positief advies van het ACL en de hierboven genoemde onderzoeken besloten Appie A. toe te laten tot de re-integratiefase.
Ik benadruk dat mijn besluit tot toelating van Appie A. tot de re-integratiefase los staat van een eventueel besluit tot (ambtshalve)gratieverlening.
Hoe is vastgesteld dat Appie A., zoals ten tijde van de veroordeling, niet meer zou leiden aan grootheidswaanzin en levensgevaarlijk zou kunnen zijn?
Op basis van het huidige beleidskader wordt uiterlijk zes maanden voorafgaande aan het hiervoor genoemde toetsmoment van het ACL een levenslanggestrafte in het PBC geplaatst. Het PBC verricht gedurende tenminste zes weken, maar zoveel langer als nodig, onderzoek, gericht op diagnostiek en risicoanalyse. Daarbij kan onder meer een oordeel worden gegeven over de persoonlijkheidsontwikkeling van de levenslanggestrafte tijdens de detentie. Tevens kan op basis van klinische bevindingen een risico-inventarisatie en een inschatting worden gemaakt van de kans op gewelddadig gedrag.4
Het ACL baseert zijn advies mede op het rapport van het PBC. Naast het onderzoek door het PBC wordt advies ingewonnen bij de reclassering en wordt een nabestaanden- en slachtofferonderzoek uitgevoerd. Verder ontvangt het ACL altijd het penitentiair dossier en in voorkomend geval het verpleegdossier.5 Het ACL is bevoegd (verdere) informatie in te winnen en bijstand te vragen van (specifieke) deskundigen.
Waarom vindt u dat Appie A. terug zou moeten keren in de samenleving en dus uiteindelijk vrijgelaten zou moeten worden?
Levenslanggestraften moeten zich conform de (Europese) jurisprudentie kunnen voorbereiden op de herbeoordeling. Op grond van het EVRM is een gevangenisstraf zonder perspectief op vrijlating in strijd met het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 3). Om niet zonder perspectief te zijn, moet er uiterlijk 25 jaar na de oplegging van de straf een herbeoordeling plaatsvinden.
Binnen het huidige beleidskader wordt een levenslanggestrafte voorbereid op de herbeoordeling door middel van de procedure bij het ACL.
Het ACL heeft tussen 2018 en heden meerdere (vervolg) adviezen uitgebracht in de zaak Appie A. Het ACL concludeerde dat Appie A. op basis van haar deskundig oordeel en alle uitgevoerde onderzoeken toegelaten kon worden tot de re-integratiefase. Ik heb op basis van het positieve advies besloten Appie A. toe te laten tot de re-integratiefase. Ik vind het in dit stadium nog te vroeg om te spreken over een mogelijke vrijlating.
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Het gratieverzoek van Appie A. is een gratieverzoek in het kader van artikel 4, lid 3 van het Besluit Adviescollege Levenslanggestraften. Daarin staat dat uiterlijk 2 jaar na het uitbrengen van het eerste advies door het Adviescollege, via een ambtshalve gratieverzoek, de mogelijkheid tot gratie moet worden bezien.
Voor de beoordeling van een gratieverzoek van een levenslanggestrafte worden de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie om advies gevraagd. Dit is conform artikel 5 van de Gratiewet.
Momenteel bevindt het gratieverzoek van Appie A. zich in deze adviesfase.
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in uw besluitvorming en vindt u dat de stem van nabestaanden en/of slachtoffers zwaar zou moeten wegen?
De algemene lijn is dat slachtoffers en nabestaanden- voor zover zij traceerbaar zijn – geïnformeerd worden over het adviestraject bij het ACL. Aan hen wordt gevraagd of zij bereid zijn mee te werken aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek. Een dergelijk onderzoek vindt plaats door tussenkomst van Slachtofferhulp Nederland. Indien de slachtoffers en nabestaanden dat wensen worden zij door het ACL gehoord in het kader van het eerste advies. De belangen van de slachtoffers en de nabestaanden worden meegewogen bij de toelating van een levenslanggestrafte tot de re-integratiefase. Ook in de zaak Appie A. zijn de slachtoffers en nabestaanden geïnformeerd.
Wat is uw beleid ten aanzien van gratieverleningen, en specifiek bij levenslang, op dit moment precies?
De daadwerkelijke herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf (en eventuele invrijheidstelling) vindt na zevenentwintig jaar detentie plaats via een ambtshalve gratieprocedure. In die procedure staat de vraag centraal of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel in redelijkheid meer dient. De rechter brengt daarbij conform de Grondwet en de Gratiewet advies uit, waarna een beslissing wordt genomen door de Kroon, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming. Voor de beoordeling van een gratieverzoek van een levenslanggestrafte worden bij de advisering de volgende criteria gehanteerd:
Bij de ambtshalve gratieprocedure informeert het Adviescollege de Minister over de voortgang van de toegekende re-integratieactiviteiten. Een beslissing op een gratieverzoek is persoonsgebonden en toegesneden op de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Deze worden meegewogen in het gratiebesluit. Bij het nemen van dat besluit is het advies van de rechter in beginsel leidend.
De uitvoering van de motie per direct nadere maatregelen invoeren in de EBI in Vught |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Waarom is nog geen brief aan de Kamer gestuurd over de uitvoering van de motie Ellian (Kamerstukken II 2022/23, 24 587, nr. 844) die op 7 juli is aangenomen en waarmee de regering is verzocht om per direct nadere maatregelen in te voeren in de EBI in Vught?
Inmiddels is de brief waaraan wordt gerefereerd aan uw Kamer verzonden.1
Wanneer gaat u deze motie uitvoeren en gaat u deze motie onverwijld en onverkort uitvoeren?
De Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (RSPOG) vormt het juridisch kader op basis waarvan gedetineerden in een bepaald regime worden geplaatst. Hierin zijn ook de gronden voor plaatsing in de EBI opgenomen. Kort gezegd zijn er twee hoofdgronden voor plaatsing in de EBI: een extreem vlucht- en maatschappelijk risico (A- en B-grond) en een risico/vermoeden op voortgezet crimineel handelen tijdens detentie (C-grond). In de brief van mijn voorganger dd. van 22 november 2021 is aangegeven dat, gelet op de huidige dreiging, de plaatsingsgronden te smal zijn. Daarom wordt de regelgeving aangepast met een vierde grond (de D-grond) zodat plaatsing in de EBI ook mogelijk wordt bij de dreiging die uitgaat van iemands rol en positie in een crimineel netwerk.
Op mijn aanwijzing wordt voor deze categorie een aanpassing van de huisregels doorgevoerd. Hierin wordt een passage opgenomen die stelt dat, als een gedetineerde op basis van de C- en/of D-grond in de EBI is geplaatst, de extra maatregelen zoals beschreven in de motie automatisch op hen van toepassing zijn.2 Dit heeft tot gevolg dat de directeur de maatregelen niet individueel hoeft op te leggen. Dit komt de veiligheid van directie en medewerkers ten goede, alsook de orde en veiligheid binnen de inrichting.
De aanpassing van de Rspog is in concept gereed. Deze is, zoals gebruikelijk, voor advies voorgelegd aan de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugd (RSJ). De RSJ heeft acht weken om hierop te reageren, maar gelet op de urgentie vraag ik de RSJ om dit zo snel mogelijk ter hand te nemen. Daarna kan worden besloten tot publicatie van de Rspog en inwerkingtreding van de huisregels. Op deze wijze geef ik op de kortst mogelijke termijn op een veilige en verantwoorde wijze uitvoering aan de motie. In de tussentijd worden waar nodig op individueel niveau de benodigde toezichtsmaatregelen getroffen.
Ziet u de urgentie van het invoeren van nadere maatregelen in de EBI? Zo ja, waarom duurt het inmiddels 7 weken om te melden hoe deze motie uitgevoerd gaat worden? Zo nee, waarom niet?
Het bestrijden van Voortgezet Crimineel Handelen tijdens detentie (VCHD) heeft topprioriteit. Mijn departement en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) werken hier continu aan, in goede samenwerking met de ketenpartners. De afgelopen periode heb ik gezocht naar een manier om recht te doen aan de geest van de motie en tevens recht te doen aan aspecten als veiligheid en juridische uitvoerbaarheid. Daarom heeft mijn reactie op welke wijze de motie wordt uitgevoerd helaas langer op zich laten wachten dan door uw Kamer gevraagd en ik graag had gezien.
Kunt u deze vragen binnen één week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.