Strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat per 1 juli 2026 in China een wet in werking treedt die kritiek op de regering strafbaar stelt?1
Ja.
Is het juist dat ook personen die buiten China kritiek op de Chinese regering uiten daardoor strafbaar zijn en bij aankomst in China daarom gearresteerd kunnen worden?
Het is niet aan het kabinet om buitenlandse wetten te interpreteren of voorspellingen te doen over de toekomstige handhaving daarvan. Het is wel mijn verantwoordelijkheid om op basis van wetteksten en daadwerkelijke implementatie mogelijke effecten op Nederlandse burgers te monitoren en dat zal ik ten aanzien van deze wet ook doen. In dat kader baart artikel 63 zorgen. Daarin staat dat ook organisaties en individuele burgers buiten China juridisch vervolgd kunnen worden voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving.
Indien de vorige vraag door u niet ontkennend beantwoord kan worden, wat gaat u dan doen om Nederlanders die naar China willen gaan te waarschuwen dat zij het risico lopen in China gearresteerd te worden als zij eerder kritiek op de Chinese regering hebben geuit?
Op dit moment geeft het reisadvies China al aan dat het strafbaar kan zijn om online berichten te plaatsen of te delen, die kritisch zijn over China of de Chinese overheid. Er staat dat dit ook kan gelden voor berichten die Nederlandse burgers voor aankomst in China hebben geplaatst, gedeeld of gesteund. Het ministerie beoordeelt doorlopend of reisadviezen moeten worden aangepast en zal dat ook ten aanzien van de invoering en handhaving van deze wet doen.
Heeft de bedoelde wet terugwerkende kracht voor daden die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet?
Ik kan geen voorspellingen doen over de toekomstige implementatie en handhaving van de wet. Een terugwerkende kracht is niet terug te vinden in de tekst van de wet, maar het valt niet uit te sluiten dat de mogelijkheid voor juridische vervolging per 1 juli voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid ook geldt voor feiten van voor die datum. Bovendien is in bepaalde regio’s van China al (lokale) wet-en regelgeving van kracht die ziet op het bevorderen van etnische eenheid.
Is in die wet duidelijk omschreven wat wordt verstaan onder kritiek op de Chinese regering?
Nee. De wet beoogt immers geen strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering als zodanig, maar de mogelijkheid van juridische vervolging voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid.
Klopt het dat daaronder ook wordt verstaan het uiten van gedachten die in strijd zijn met de Chinese claim dat Taiwan en inwoners van Taiwan onderdeel zijn of moeten zijn van de Volksrepubliek China?
Indien het ontkennen van Chinese etnische eenheid, die zich volgens deze wet ook expliciet uitstrekt tot Taiwan, door de Chinese autoriteiten als ondermijnend in de zin van deze wet wordt aangemerkt, zou dat op basis van deze wet tot juridische vervolging kunnen leiden.
Wilt u deze vragen voor 30 juni beantwoorden?
Vanwege zorgvuldigheid in de beantwoording heb ik deze termijn niet gehaald, maar de reguliere beantwoordingstermijn aangehouden.
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Ja.
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland die kan werken actief moet deelnemen en bijdragen aan onze samenleving. Veel mensen willen niet aan de kant staan, maar graag meedoen. Ondanks de hoge arbeidsparticipatie zijn er nog altijd mensen niet aan het werk, terwijl zij wel zouden kunnen of willen werken.1 Dit geldt ook voor nieuwkomers voor wie het vinden en behouden van een baan niet vanzelfsprekend is. Werken is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook in het belang van deze mensen zelf: het geeft voldoening, eigenwaarde en vergroot de zelfredzaamheid. Daarnaast stelt werk hen in staat een bijdrage te leveren aan de kosten van de opvang en het bevordert de integratie en latere arbeidsdeelname, terwijl het de afhankelijkheid van sociale voorzieningen in een later stadium verkleint en tekorten op de arbeidsmarkt vermindert. Langdurig aan de zijlijn staan bereikt het tegenovergestelde en zorgt voor een langere bijstandsafhankelijkheid dan nodig. Het is dus in het belang van onze samenleving, arbeidsmarkt en de mensen zelf om asielzoekers en statushouders eerder en sneller aan het werk te helpen.
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Ja. De asielopvang dient primair om asielzoekers onderdak en basisvoorzieningen te bieden gedurende de behandeling van hun asielverzoek door de IND en in de periode dat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen en in afwachting zijn van huisvesting. Als het asielverzoek wordt afgewezen dient de asielzoeker de asielopvang te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee is de opvang dus nadrukkelijk geen structureel arbeidsmarktinstrument.
Tegelijkertijd laat het Europese kader, de Opvangrichtlijn, zien dat arbeidsdeelname van asielzoekers niet volledig losstaat van het opvangsysteem. Lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers met een grote kans op inwilliging van het asielverzoek zo vroeg mogelijk toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Bovendien geldt als norm dat deze asielzoekers zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na registratie van hun aanvraag, mogen werken. Vanuit dat perspectief is het met oog op de onder antwoord 2 genoemde voordelen waardevol om asielzoekers waar mogelijk te laten werken.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden in de asielprocedure aan het werk mogen. Zij krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren én bij te kunnen dragen aan de kosten van de opvang. Asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd hebben, ook overeenkomstig de Europese regels uit de herschikte Opvangrichtlijn, geen recht om te werken. Daarnaast wil het kabinet direct aan het begin van de asielprocedure starten met taalles voor asielzoekers met een kansrijke asielaanvraag. Deze plannen worden verder uitgewerkt in de Taskforce Asiel en Migratie.
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Asielaanvragen van asielzoekers met een kansrijke aanvraag stroomden voor de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026 in spoor 4 in. Spoor 4 omvatte dus alle vreemdelingen die geen Dublinclaimant zijn (spoor 1) en niet afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst en ook geen bescherming elders in de EU genieten (spoor 2). In aanvulling op de doelgroepen die voorheen werden aangeduid als sporen 1 en 2 worden nu ook alle nationaliteiten met een gemiddeld EU inwilligingspercentage van minder dan 20% toegevoegd aan de doelgroep «kansarm», terwijl een aantal van deze «kansarme» nationaliteiten, zoals Moldavië en Algerije, tot 12 juni 2026 onder spoor 4 werden behandeld, omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden voor afhandeling in spoor 1 en 2.
In onderstaande tabellen is de afdoening weergegeven van zowel eerste als opvolgende aanvragen waarop in spoor 4 is beslist. Bij de tabel wordt opgemerkt dat een aanvraag in een eerder jaar kan zijn ingediend dan het jaar waarin op de aanvraag is beslist. Gegevens van voor 2013 zijn vanwege technische redenen niet beschikbaar.
2013
9.580
4.800
50%
2014
17.150
12.000
70%
2015
21.850
16.790
77%
2016
25.610
19.700
77%
2017
11.510
6.000
52%
2018
6.510
3.170
49%
2019
8.100
4.510
56%
2020
11.270
8.480
75%
2021
15.810
11.740
74%
2022
17.150
14.500
85%
2023
18.570
14.020
76%
2024
22.610
15.620
69%
2025
17.060
7.170
42%
2026 (tot 12 juni)
9.450
2.340
25%
2013
3.200
1.120
35%
2014
2.490
840
34%
2015
1.730
510
30%
2016
1.620
420
26%
2017
2.100
430
20%
2018
2.410
360
15%
2019
3.680
350
9%
2020
1.540
190
12%
2021
1.350
300
22%
2022
1.510
680
45%
2023
1.490
480
32%
2024
1.790
350
19%
2025
2.080
270
13%
2026 (tot 12 juni)
880
60
7%
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie speelt geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Uit onderzoek van Regioplan2 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie geldt niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Zie antwoord op vraag 7.
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Het onderhavige kabinetsplan heeft als doel om asielzoekers en statushouders die in Nederland verblijven sneller aan het werk te helpen. Dit voorstel strekt niet tot het wijzigen van voorwaarden voor toelating tot Nederland of de Nederlandse arbeidsmarkt. De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd, wordt versneld behandeld. Daarbij geldt dat voor een aantal categorieën asielzoekers binnen die versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Ook voor asielzoekers met een overdrachtsbesluit is de toegang tot de arbeidsmarkt uitgesloten.
In Nederland mogen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten na zes maanden betaald werk verrichten. Er ligt een voorstel om deze wachttermijn te verkorten naar drie maanden. Dit sluit aan bij ons omringende lidstaten. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België en Luxemburg hanteren een wachttermijn van vier maanden.
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het migratieproces van asielmigranten. In 2023 publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een wetenschappelijk WODC-onderzoek naar de wijze waarop asielmigranten een bestemmingsland «kiezen», waaruit geen eenduidige conclusie kon worden getrokken, maar waaruit wel blijkt dat met name andere factoren dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken, een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar het land van bestemming.3 Tegen die achtergrond en het feit dat het Nederlandse beleid aansluit bij dat van omringende landen verwacht het kabinet niet dat het onderhavige plan ervoor zal zorgen dat dit Nederland aantrekkelijker maakt voor het doen van een asielaanvraag dan ons omringende lidstaten.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Het kabinet zet erop in dat iedereen in Nederland mee kan doen en wil het arbeidspotentieel van mensen die reeds in Nederland zijn zoveel mogelijk benutten. In dat kader maakt het kabinet zich ook hard om asielmigranten sneller naar werk te begeleiden. Dit draagt bij aan hun integratie en participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt als zij voor een langere termijn in Nederland verblijven. Dat helpt om de druk op de arbeidsmarkt te verlichten, zeker als de nieuwkomers werk vinden in de cruciale opgaven uit de Talentstrategie. En dit kan tevens een bijdrage leveren aan het verminderen van de noodzaak om arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, hetgeen in lijn is met het advies voor gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Het klopt dat de arbeidsmarktkrapte afgelopen jaar licht is afgenomen. Desondanks is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Tabel 3 geeft de vacaturegraad, het aantal openstaande vacature per duizend banen, per sector in de afgelopen 10 jaar weer.4 De vacaturegraad is het afgelopen jaar in de meeste sectoren gedaald. Op de lange termijn is te zien dat de vacaturegraad voor alle sectoren nog steeds hoger ligt dan 10 jaar geleden.
Kijkend naar de langere termijn voorspelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat, mede door demografische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt op lange termijn krap zal blijven. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft inzicht in waar de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt zich bevinden via de berekening van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep.5 Deze indicator is te vertalen als de mate waarin een toekomstige baanopening voor een beroep gevuld kan worden door nieuw arbeidsaanbod met een daarvoor geschikte opleiding, maar is niet direct te vertalen naar tekorten in aantallen banen. De indicator baseert zich op historische patronen en verwachte economische ontwikkelingen, maar kan geen rekening houden met beleidsaanpassingen en gedragsaanpassingen op de arbeidsmarkt als gevolg van de verwachte knelpunten.
De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is van veel factoren afhankelijk, zoals conjunctuur, de vraag naar bepaalde producten maar ook de geopolitieke situatie en laat zich hierdoor lastig voorspellen. Zo is het bijvoorbeeld nog onzeker wat de economische impact van de inval in Iran zal zijn op de arbeidsmarkt. Het CPB onderzocht dit en verwacht dat de werkloosheid stijgt naar tussen de 4,5 en 4,9 procent in 2027 aan de hand van verschillende scenario’s.6
De instroom van 75.000 extra werknemers kan bijdragen aan het verlichten van gerichte tekorten. Deze werknemers zullen in Nederland echter ook producten en diensten consumeren, wat zorgt voor extra vraag naar arbeid. Dit verkleint het verminderende effect op de arbeidsmarktkrapte.
20
24
29
33
26
30
51
49
46
44
41
12
16
19
26
20
23
35
31
32
33
33
18
24
34
38
30
35
56
53
52
55
51
24
27
33
38
27
33
60
53
48
46
44
20
20
24
27
23
28
43
43
41
40
39
14
18
21
24
23
24
36
40
40
36
35
20
22
24
25
29
29
71
53
45
36
26
17
21
27
31
24
27
46
44
42
42
40
27
28
25
34
42
35
69
65
57
52
35
16
24
36
28
23
23
54
48
50
48
54
20
32
50
59
42
54
76
72
72
81
74
21
28
33
39
29
32
64
57
51
49
48
15
20
28
35
22
26
48
45
41
39
33
35
42
48
55
23
44
112
77
66
63
60
52
53
64
68
52
64
91
69
60
55
52
28
32
43
44
34
36
53
50
44
44
32
16
19
31
31
21
24
52
45
42
35
35
35
37
43
46
36
45
70
64
58
54
51
12
12
15
17
15
17
28
30
29
30
29
14
18
23
25
28
29
37
43
48
36
31
8
9
10
13
11
12
19
21
22
17
16
17
22
24
27
27
27
42
45
45
45
44
16
23
20
32
23
27
51
47
37
39
34
22
23
29
29
20
28
47
57
52
50
44
Voorlopige cijfers
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
De vergrijzende bevolking leidt tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt, waardoor veel vacatures onvervuld blijven. Met name in sectoren als het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en de woningbouwsector is sprake van een toenemende vraag. Tegen deze achtergrond leidt de instroom van nieuwkomers over het algemeen niet tot verdringing van Nederlandse werknemers, maar vormt deze juist een aanvulling op de arbeidsmarkt.
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Het kabinet wil de samenleving en economie versterken door randvoorwaarden voor toekomstige welvaart op orde te brengen. Doel is dat de economie gemiddeld 1,5% per jaar blijft groeien. Om deze doelstelling te behalen is essentieel de arbeidsproductiviteit te verhogen en innovatie aan te jagen. We zullen namelijk meer werk met relatief minder mensen moeten doen. Dat komt omdat de vraag naar mensen zeer waarschijnlijk harder groeit dan het aantal mensen dat beschikbaar is. Onder andere door vergrijzing, maar ook door een mismatch tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden. Maar de concurrentie om talent is internationaal hoog, vooral om technisch en digitaal talent. Tegelijkertijd laat het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 zien dat een vermindering van alle vormen van migratie nodig is. Tegen deze achtergrond werkt het kabinet aan een Talentstrategie om schaars talent op te leiden en te begeleiden naar een aantal cruciale opgaven waar Nederland voor staat.
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Er wordt geen statistiek bijgehouden over de aansluiting van werkervaring of diploma’s uit het land van herkomst op tekortsectoren. Ook over de richtingen waarin statushouders in Nederland hun diploma’s behalen, is geen statistiek voorhanden. Dat betreft zowel de afstudeerrichting van hier behaalde diploma’s in het reguliere onderwijs, als deelname aan zij- en voorschakeltrajecten voor statushouders, waar door tekortsectoren in wordt geïnvesteerd.
Op basis van beschikbare data over formele diploma’s (CBS Dashboard Wet Inburgering, CBS Dashboard Asiel en Integratie), is de schatting in de orde van grootte van minimaal 25 à 30% van de statushouders vanaf 18 jaar een in Nederland erkend diploma heeft om op mbo-niveau of hoger aan het werk te kunnen Dit percentage is gebaseerd op de volgende data:
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Niet iedere nieuwkomer zal direct beschikken over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de nieuwkomers relevante werkervaring of een opleiding uit het land van herkomst heeft, waardoor met gerichte ondersteuning doorstroom naar werk in deze sectoren mogelijk is.
Dit vraagt om investeringen in het leren van de Nederlandse vaktaal en het ontwikkelen van basisvaardigheden via praktijkgerichte scholing. Werken in deze sectoren vereist vaak een toereikend niveau van de Nederlandse taal en voldoende beroepsvaardigheden.
Via een voorschakeltraject, gevolgd door een (leer)baan, kunnen nieuwkomers doorgroeien naar werk op niveau. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, verken ik de mogelijkheden om tussen arbeidsmarktregio’s en tekortsectoren afspraken te maken over de inzet van voorschakeltrajecten en praktijkgerichte scholing voor (instap)functies binnen de Ontwikkelpaden. Hier zet ik ook op in via de landelijke werkgeversdeals.
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
In hoeverre de instroom van 75.000 extra werknemers effect heeft op de gestelde factoren is onzeker. Dit hangt af van het beroep, de sector, de baanduur en andere kenmerken. Wel heeft het CPB vorig jaar geconcludeerd dat de effecten van arbeidsmigratie op lonen en baankansen van ingezetenen tot nu toe over het algemeen beperkt lijken.8 Dat heeft ermee te maken dat arbeidsmigranten veelal werk verrichten dat bestaande arbeid aanvult in plaats van deze te vervangen, ook omdat ingezetenen naar andere banen en functies bewegen.
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
In de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers is geen sprake van een flexibilisering van de inburgeringseisen. Het streefniveau blijft immers taalniveau B1. Ook de andere verplichte onderdelen (KNM, MAP, PVT) blijven in stand.
De aanpak Werk en Meedoen ziet wel toe op flexibilisering van de manier waarop de inburgeraar aan de inburgeringseisen kan voldoen. Zo verkent de Minister van Werk en Participatie de mogelijkheden om meer tijd te creëren voor werkende inburgeraars om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Ook het inburgeringsaanbod dient flexibeler te worden, zodat inburgeraars hun inburgeringslessen beter kunnen combineren met werk. Hierbij denk ik aan het uitbreiden van het lesaanbod in het weekend en de avonduren, online onderwijs, duale trajecten (bijvoorbeeld startbanen), vier dagen werk en één dag taalles of (non-formeel) taalonderwijs organiseren op de werkvloer. De kwaliteit van de inburgering komt dus niet in het geding, want de uitgangspunten van de wet veranderen niet.
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Ik vind dat het spreken van de Nederlandse taal op de werkvloer het uitgangspunt moet zijn. Dat is voor de beroepen waar asielmigranten in terecht komen niet anders dan voor andere doelgroepen. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bedrijven is Nederlands ook nog steeds de primaire interne voertaal. Het aandeel bedrijven met Engels als primaire interne voertaal ligt rond de 10–15%. 36% van de werknemers werkt op een werkplek waar meer dan één taal wordt gesproken. In die meertalige werkomgevingen is Engels na Nederlands de meest gebruikte taal (23%).9
Het combineren van klassikale taallessen met werken in een Nederlandstalige context zorgt ervoor dat de taal sneller wordt geleerd. Een veel gebruikte werkvorm hiervoor zijn duale trajecten. Gemeenten zorgen in de uitvoering van de Wet inburgering 2021 voor een aanbod van participatie-activiteiten. Deze schrijft bovendien voor dat deze activiteiten plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving.
Daarnaast zet ik via het plan van aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers ook in op het leren van de Nederlandse taal op de werkvloer. Ik ga afspraken maken met werkgevers, waarin ik nadrukkelijk de wens zal meenemen dat asielmigranten in een Nederlandstalige context behoren te werken. Daarnaast ondersteun ik initiatieven zoals van Stichting Het Begint met Taal, die werkgevers kunnen ondersteunen middels het opleiden van taalbuddies op de werkvloer.
Verder is om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders, de subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) ingericht. Deze regeling helpt werkgevers bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. In 2025 is in totaal € 2,8 miljoen aan subsidie verstrekt. Uit de evaluatie van het eerste tijdvak (2024) door Regioplan, opgenomen in de bijlage, blijkt dat werkgevers tevreden zijn over de regeling. Het vermindert de drempel om statushouders aan te nemen.
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Ja. Dit is staand beleid en wordt «kansrijke koppeling» genoemd. Binnen de kansrijke koppeling wordt expliciet gekeken naar factoren die de kans op snelle participatie en integratie vergroten, waaronder werk, opleiding, of de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Als een statushouder al werk heeft, is het uitgangspunt dat bij de koppeling met een gemeente zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de regio waar die arbeid wordt verricht, zodat werk kan worden behouden en voortgezet. Deze kansrijke koppeling kan in 80% van de gevallen worden gevolgd. De koppelingssystematiek als zodanig is samen met medeoverheden vastgesteld.
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Zoals onder vraag 21 toegelicht, spelen arbeidsmarktoverwegingen een rol bij de huisvesting van statushouders, maar het is niet de enige of doorslaggevende factor. Binnen de koppeling wordt breder ook gekeken naar andere factoren zoals kwetsbaarheid of opleiding. Arbeid is dus één van de elementen die meewegen bij de plaatsing van statushouders bij gemeenten, met als doel hun integratie en participatie te bevorderen.
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
De inzet van arbeidsmarktoverwegingen bij de koppeling van statushouders aan gemeenten en vervolgens de huisvesting van deze groep staat niet op gespannen voet met het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming. Economische belangen spelen geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Ook de asielopvang en de daaropvolgende huisvesting van statushouders vloeien primair voort uit diezelfde humanitaire bescherming en de daaruit voortvloeiende wettelijke rechten.
Zoals onder vraag 3 toegelicht, is het tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken dat binnen die kaders het wél van grote maatschappelijke waarde is om voor asielzoekers die een goede kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en voor statushouders, zo goed mogelijk aansluiting te vinden met werk en participatie. Wanneer statushouders sneller en beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, versterkt dat hun zelfredzaamheid en integratie. Bovendien is de samenleving als geheel gebaat bij een goede benutting van talent en arbeidspotentieel, zeker in een context van arbeidsmarktkrapte.
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Op dit moment zijn er nog geen separate middelen voor het plan van aanpak Werk en Meedoen gereserveerd. Zodra ik hier meer over weet, informeer ik uw Kamer hierover. De inzet op vergroting van de arbeidsdeelname van nieuwkomers kent, naast relatief beperkte kosten, ook potentieel grote maatschappelijke baten. Dit betreft bijvoorbeeld directe inverdieneffecten via de inkomstenbelasting, REBA-inkomsten en lagere uitkeringslasten. Acties met financiële gevolgen zullen worden vormgegeven binnen de financiële kaders van het coalitieakkoord. Daarbij zullen we ook aandacht hebben voor de (financiële) opbrengsten van het plan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht dat het natuurvriendelijk inrichten van oevers goedkoper is dan wegvangen voor de aanpak van uitheemse rivierkreeftensoorten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning, waaruit blijkt dat het natuurvriendelijker inrichten van oevers op de lange termijn veel goedkoper is dan het wegvangen van uitheemse rivierkreeftensoorten?1
Ja.
Deelt u de mening dat inzetten op een instrument als wegvangen (doden), dat € 475 per m2 kost, een slechtere besteding is van belastinggeld dan inzetten op een oplossing van € 320–€ 360 per m2 (natuurvriendelijke oevers), zeker als deze goedkopere oplossing een effectieve en zogenaamde no-regret maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Om uitheemse rivierkreeften effectief te kunnen beheersen is het vaak nodig om verschillende maatregelen aanvullend op elkaar in te zetten. Een effectieve en kostenefficiënte beheersingsaanpak is daarbij afhankelijk van verschillende factoren zoals de locatie, de soort rivierkreeft en type watersysteem. Natuurvriendelijke oevers kunnen een belangrijk deel uitmaken van zo'n beheersingsaanpak. Tegelijk is het niet overal mogelijk om natuurvriendelijke oevers aan te leggen, onder andere door ruimtegebrek. Om de uitheemse rivierkreeften effectief te beheersen is het vaak nodig om aanvullend aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers ook andere maatregelen in te zetten, waaronder het wegvangen van uitheemse rivierkreeften om de initiële populatie terug te dringen. Nadelen van wegvangen zijn dat dit inderdaad kostbaar is, vaker herhaald dient te worden, niet op grote schaal uitvoerbaar is en ook ongewenste neveneffecten kan hebben zoals bijvangst. Dit is waarom het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften is opgesteld2. Dit afwegingskader helpt waterbeheerders (waterschappen, provincies en gemeenten) per situatie te bepalen welke (combinatie van) maatregelen effectief en kostenefficiënt is.
Gelet op het feit dat een eerste indicatie van hoogheemraadschap Rijnland laat zien dat voor het «beheersmatig wegvangen» van rivierkreeften een bedrag nodig is van zo’n 20 tot 25 miljoen euro per jaar, wat landelijk neer zou komen op ongeveer 400 tot 500 miljoen euro per jaar; deelt u de mening dat dit heel veel geld is voor een oplossing die niet structureel is, aangezien rivierkreeften gelijk zullen terugkeren zodra het wegvangen stopt? Zo nee, waarom niet?2
Een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften is sterk locatieafhankelijk en dit moet per waterschap bepaald worden. Het wegvangen van uitheemse rivierkreeften is een kostbare maatregel, maar zoals hierboven toegelicht kan dit soms wel nodig zijn om een omslag te bewerkstelligen. Wegvangen dient niet gezien te worden als eigenstandige maatregel, maar als steunmaatregel binnen een bredere beheersingsaanpak. Daarmee is het één van de maatregelen die noodzakelijk kan zijn in een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften. Afhankelijk van de locatie en de staat van de natuur in dat gebied kan wegvangen een passende maatregel zijn. Er zijn ook goed ontwikkelde natuurgebieden die last hebben van uitheemse rivierkreeften. Het is maatwerk per gebied om te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn. Wegvangen in grote open watersystemen met veel uitwisseling met omliggende wateren is daarbij meestal niet heel effectief.
Kunt u beamen dat het onderhoud van natuurvriendelijke oevers in het algemeen goedkoper is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers, zoals blijkt uit het onderzoek?
Het onderzoek doet deze uitspraak over onderhoudskosten over oevers van wateren waar sprake is van een overmatige aanwezigheid van rode Amerikaanse rivierkreeften. In zijn algemeenheid kan niet gesteld worden dat onderhoud van natuurlijkvriendelijke oevers goedkoper (of duurder) is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers. Hierbij zijn diverse factoren van invloed, waaronder het type watergang en het gebruik ervan.
Is het niet bij een beperkt budget de meest financieel verantwoordelijke beslissing om zo veel mogelijk in te zetten op het natuurvriendelijk maken van oevers? Zo nee, waarom niet?
Waterbeheerders van een gebied kunnen zelf inschatten welke maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften zij noodzakelijk achten en welke financiële middelen zij daarvoor inzetten. Voor waterschappen geldt hierbij dat zij de inkomsten uit de watersysteemheffing mogen gebruiken voor het nemen van maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften als anders het behalen van KRW-doelen in gevaar zou komen. Het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften helpt waterbeheerders deze inschatting te maken.
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat het creëren van natuurvriendelijke oevers in Leiden heeft gezorgd voor een afname van 17 keer het aantal rivierkreeften aldaar [KI5]? Welke lessen trekt u hieruit voor uw beleid? Gaat u naar aanleiding hiervan uw beleid nog aanscherpen en zo ja, op welke punten?
Dit past in het beeld dat de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers, op locaties waar dit mogelijk is, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het terugdringen van de aantallen uitheemse rivierkreeften. Voor een verdere toelichting op de kabinetslijn ten aanzien van de aanpak van de uitheemse rivierkreeft verwijs ik naar de kabinetsbrief die onlangs aan uw Kamer is toegezonden (Kamerstuk 2026Z15808). Hierin wordt ook op het onderzoek van Hoogheemraadschap van Rijnland ingegaan.
Bent u ermee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat ook in de omliggende gebieden van de pilot met natuurvriendelijke oevers een vermindering van rivierkreeften te zien was? Neemt u dit uitstralende effect ook mee in het afwegingskader Aanpak invasieve exoten? Zo nee, waarom niet?
Het desbetreffende onderzoek laat inderdaad ook in de omliggende gebieden een vermindering van uitheemse rivierkreeften zien. Dat is hoopgevend. Tegelijk wijst het onderzoek erop dat de bevindingen met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Binnen het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften (OBUR) werken we met verschillende partijen aan een onderzoeksagenda. LVVN heeft recent een meerjarige subsidie van 400.000,- euro aan Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) verleend voor aanvullend onderzoek om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van Hoogheemraadschap van Rijnland, worden ook gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen.
Bent u het eens met het onderzoek van OBN Natuurkennis dat, naast natuurvriendelijke oevers, andere ecologische maatregelen die robuuste watersystemen versterken toegepast moeten worden om onze natuur te herstellen en te komen tot een gezonde balans?3 Zo nee, waarom niet?
Ja, hier zijn wij het mee eens.
Kunt u beamen dat het creëren van natuurvriendelijke oevers ook een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit en daarmee bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water?
Ja, dat kunnen wij beamen.
Kunt u beamen dat hiermee sprake is van een win-win situatie: invasieve exoten worden aangepakt, de natuur wordt versterkt, natuurdoelen komen dichterbij, water wordt schoner en gezonder en de kosten op lange termijn liggen vele malen lager? Zo nee, waarom niet?
Natuurvriendelijke oevers kunnen vaak een win-win situatie zijn. De effectiviteit van beheersingsmaatregelen is echter sterk afhankelijk van de locatie en de specifieke situatie. Daarom zet het kabinet in op een brede beheersingsaanpak.
Bent u bereid de uitkomsten en berekeningen uit dit het eindrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning te verwerken in het landelijk aanvalsplan invasieve exoten en het bijbehorende afwegingskader, in lijn met de aangenomen motie-Kostić?4 Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van deze adviesbureaus, worden gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is al in januari van dit jaar aan uw Kamer aangeboden. Dit aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid op hoofdlijnen en de bijlagen 6, 7 en 9 bevatten de specifieke landelijke afspraken (doelstelling) per invasieve exoot van de Europese Unielijst. Het aanvalsplan beschrijft niet in detail welke specifieke maatregelen voor deze (meer dan 114) verschillende invasieve exoten kunnen worden getroffen. Maatregelen zijn ook continu in ontwikkeling en kunnen door de tijd heen veranderen op basis van nieuwe inzichten. Documentatie hierover is zeer omvangrijk en via diverse kanalen en netwerken beschikbaar voor waterbeheerders, terreinbeherende organisaties en andere partijen.
Kunt u deze vragen één voor één voor het komende commissiedebat Water beantwoorden?
Gezien de korte termijn tussen de indiening van de vragen en het commissiedebat Water is het niet gelukt om de vragen te beantwoorden voor het Commissiedebat.
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Marjolein Faber (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. In de verdere beantwoording ga ik voor zover mogelijk nader op de gebeurtenissen in, maar wat in algemene zin in ieder geval geldt is dat het nooit de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
De politie heeft laten weten dat zij bekend zijn met het incident. Op basis van de bevindingen ter plaatse herkent de politie het beeld dat wordt geschetst echter niet als zodanig. Wel zijn er uitlatingen gedaan die de agenten ter plaatse noopten de desbetreffende personen daarop aan te spreken.
Zowel de politie als het Openbaar Ministerie (OM) hebben laten weten dat er tot op heden geen aangiftes zijn gedaan naar aanleiding van de gebeurtenissen. Er loopt op dit moment geen strafrechtelijk onderzoek. Mocht dat op enig moment toch aan de orde zijn, dan is de beoordeling van specifieke gedragingen op mogelijke strafbaarheid in eerste instantie aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. Ik zal dan ook niet verder in dit specifieke geval treden.
Wel geldt in algemene zin, zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, dat het absoluut niet de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij het uitoefenen van hun vrijheid van meningsuiting of hun vrijheid van vereniging. Natuurlijk hoort bij onze democratische rechtsstaat ook dat er ruimte moet zijn voor het laten horen van tegengeluid, maar dat mag nooit gepaard gaan met intimidatie, laat staan strafbare handelingen.
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Het is binnen onze democratische rechtsorde van belang dat eenieder zijn vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging kan uitoefenen, ongeacht politieke of ideologische inhoud – zolang dat uiteraard de grenzen van het strafbare niet overschrijdt. Dat politieke of ideologische meningen tegenreacties kunnen en mogen oproepen is evenzeer onderdeel van onze democratische rechtsorde: voor het uiten van die tegenreactie en een andere mening moet ook ruimte zijn. Ook hiervoor geldt echter dat de grenzen van het strafbare niet overschreden mogen worden: voor intimidatie of geweld is geen plek. Dat dit kan schuren of botsen is bekend; incidenten uitsluiten is onmogelijk. Wanneer daarbij verstoring van de openbare orde ontstaat is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Als er sprake is van strafbare feiten, kan door de politie onder gezag van de officier van justitie worden opgetreden.
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft geen (wettelijke) grondslag om onderzoek te doen naar organisaties of personen en zal derhalve groeperingen of individuen niet in kaart brengen. De NCTV stelt wel het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) op, waarin het actuele dreigingsniveau, trends, achtergronden en de aard van de dreiging worden beschreven. Zoals beschreven in het DTN van juni 2026 is over het algemeen de geweldsdreiging die uitgaat van de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen.2
Bij wetsovertredingen, zoals bedreigingen of geweld, kan de politie onder bevoegd gezag van het OM optreden. Op het moment dat gedragingen de lat van extremisme of terrorisme halen, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering, waar gemeenten regievoerder zijn. Personen worden opgenomen in deze aanpak aan de hand van objectieve criteria die omschreven staan in de wet. Deze criteria zijn ideologieneutraal en gaan over radicalisering en extremisme, niet over activisme. Het bespreken van personen in deze aanpak vindt plaats op lokaal niveau. Het kabinet heeft dus geen inzicht in hoeveel personen er besproken worden in de persoonsgerichte aanpak of welk gedachtegoed zij aanhangen.
Het gevraagde overzicht van incidenten in de afgelopen vijf jaar is door de politie en het OM niet te genereren, omdat er in de systemen van beide organisaties geen specifieke classificering is met betrekking tot linksextremisme.
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen door het bericht van Hackedemia.nl.
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat persoonsgegevens op een veilige en rechtmatige manier worden verwerkt. Mensen die contact zoeken met 113 zitten in een bijzonder kwetsbare positie en moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Om dergelijke medische gegevens te beschermen is de NEN 7510 norm (informatiebeveiliging in de zorg) verplicht gesteld voor alle zorgaanbieders. Stichting 113 Zelfmoordpreventie werkt in overeenstemming met deze norm.
Het onderzoek uit het artikel van Hackemedia heeft uitgewezen dat Stichting 113 niet op de voorgeschreven manier gegevens verwerkte. Uit de update van hetzelfde artikel blijkt dat Stichting 113 Zelfmoordpreventie op een manier heeft gereageerd die door de onderzoekers als adequaat wordt aangeduid, en de onderzoekers bedanken Stichting 113 Zelfmoordpreventie voor de voortvarendheid in oppakken van de bevindingen van de onderzoekers.
Daarnaast heeft Stichting 113 laten weten dat de bevindingen van Hackedemia uitsluitend toezagen op de wijze waarop technische gegevens, waaronder cookiegegevens, werden verwerkt bij het bezoek aan de website van Stichting 113. Deze gegevens kunnen inderdaad worden aangemerkt als persoonsgegevens. De bevindingen hadden echter geen betrekking op de inhoudelijke behandeling van hulpvragen of op de vertrouwelijkheid van contacten tussen hulpzoekers en Stichting 113. Er zijn geen aanwijzingen dat chatgesprekken, telefonische contacten of andere vormen van hulpverlening zijn gecompromitteerd of voor onbevoegden toegankelijk zijn geweest. Dergelijke inhoudelijke hulpverleningsgegevens worden niet gedeeld met derden.
Voor zover Hackedemia de verwerking van persoonsgegevens door Stichting 113 heeft onderzocht, beperkte dat onderzoek zich tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van het gebruik van de website en niet tot de kern van de hulpverlening door Stichting 113. De bevindingen van Hackedemia zijn volgens Stichting 113 desondanks uiterst serieus genomen.
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Het gebruik van dergelijke techniek is onderworpen aan regels die hoofdzakelijk in de telecommunicatiewet zijn opgenomen. Het toezicht op de naleving van deze regels is belegd bij onafhankelijke toezichthouders. Een overzicht waar en in welke mate dit probleem verder voorkomt is niet bekend bij het kabinet. Het kabinet onderschrijft echter het belang ervan om deze problematiek onder de aandacht te brengen bij de relevante toezichthouders en zal dan ook de bevindingen van de onderzoeker bij hen onder de aandacht brengen.
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Met haar reactie op het trackingonderzoek van Hackedemia heeft Stichting 113 Zelfmoordpreventie op dat punt onmiskenbaar een stap gezet om het vertrouwen te bevorderen.
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Met de stelling is het kabinet het eens. Wat betreft de controlelijst stelt het kabinet vast dat deze is toegesneden op een concreet onderzoek. Het kabinet onderschrijft uiteraard het belang dat wettelijke kaders worden nageleefd. Op welke manier dat wordt geborgd, is in de eerste plaats aan verwerkingsverantwoordelijken zelf. De beoordeling daarvan is aan de onafhankelijke toezichthouders.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het is aan de zorgorganisaties zelf om te voldoen aan de geldende wet -en regelgeving. Toezicht op de naleving en de handhaving van deze geldende normen liggen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en Autoriteit Consument en Markt.
Om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen is de NEN 7510 norm verplicht gesteld in de wet. Daarmee zijn er – bovenop de regels die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Telecommunicatiewet stellen – al regels om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen.
Het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Slachtoffers van seksuele misdrijven kunnen zich bij verschillende organisaties melden. Een groot deel van de slachtoffers die zich melden, meldt zich bij de politie. Daarnaast melden slachtoffers zich bij het Centrum Seksueel geweld (hierna: CSG) of Slachtofferhulp Nederland (SHN). Ook bij Veilig Thuis komen signalen van seksueel geweld binnen. Als een melding binnenkomt bij de politie dan verwijst de politie – indien daartoe aanleiding bestaat en het slachtoffer dit wenst – door naar CSG, SHN en Veilig Thuis. Een groot deel van de CSG aanmeldingen komt vanuit de politie. Het CSG biedt 24/7 professionele hulp aan slachtoffers van seksueel geweld en werkt daarin samen met artsen, verpleegkundigen, de politie en hulpverleners. Het CSG is operationeel op 16 locaties in Nederland en heeft daarmee een landelijke dekking, waarbij elke regionale CSG een samenwerkingsverband behelst van meerdere en variërende lokale instanties. Met deze lokale inbedding, de landelijke dekking en de specialistische kennis op het terrein van seksueel geweld, is het CSG een belangrijke netwerkpartner. Slachtoffers krijgen na aanmelding één vaste casemanager. Deze casemanager beoordeelt de situatie van het slachtoffer altijd op de noodzaak tot forensisch onderzoek (ten behoeve van een eventuele strafzaak), medische zorg, juridische ondersteuning en psychologische zorg en leidt toe naar deze zorg. Vervolgens biedt de casemanager de eerste periode na de melding traumagerichte begeleiding om het herstel te bevorderen, en coördineert de casemanager de ingezette multidisciplinaire zorg.
Indien het slachtoffer dit wenst kan het CSG doorverwijzen naar de politie voor het doen van aangifte of eerst doorverwijzen naar een slachtofferadvocaat of juridisch medewerker van SHN voor juridische ondersteuning bij het doen van aangifte. Dit geldt ook andersom: partners verwijzen het slachtoffer indien gewenst door naar het CSG. De behoefte van het slachtoffer is hierin leidend.
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en veiligheid, waaronder de politie. De samenwerking tussen de in de vraag genoemde partijen is de afgelopen jaren geïntensiveerd. Uit het onderzoeksrapport «laagdrempelige hulp voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties» uit 2024 van het Verwey-Jonker instituut bleek dat – met het brede aanbod als het gaat om hulp en ondersteuning van onder meer slachtoffers van seksueel geweld – slachtoffers niet altijd goed weten waar zij terecht kunnen omdat het aanbod versnipperd is, de hulp niet altijd aansluit bij de behoeften van slachtoffers en slachtoffers vaak meerdere keren hun verhaal moeten doen voordat zij op de juiste plek terecht komen.1 Daarnaast bestaan er regionale verschillen als het gaat om de samenwerking, waardoor de geboden zorg en ondersteuning aan slachtoffers niet overal hetzelfde is.
Om de genoemde knelpunten weg te nemen, hebben de bij slachtoffers van seksueel geweld betrokken organisaties2 een position paper opgesteld met daarin de ambitie om te komen tot betere samenwerking. Om hieraan uitwerking te geven hebben de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), de organisaties gefaciliteerd bij het ontwikkelen van een «nieuwe» werkwijze onder de noemer «goed georganiseerd hulplandschap voor slachtoffers van seksueel geweld», kortgezegd «Gezamenlijke Aanpak triage en regie». De werkwijze – die is uitgewerkt door professionals van de betrokken organisaties – stelt de behoeften van slachtoffers en hun (in)directe omgeving centraal en ziet erop toe dat partijen samenwerken om te komen tot de meest passende inzet op het gebied van veiligheid, zorg (medisch, forensisch en/of psychologisch), herstel en ondersteuning in het strafproces. De werkwijze bestaat kort gezegd uit drie kernelementen:
De werkwijze is eind 2025 en begin 2026 in twee regio’s getest en ook geëvalueerd, zowel op uitvoerbaarheid als op proces. Het procesevaluatierapport is op 9 juli jl. aan uw Kamer aangeboden3. Uit de evaluatie blijkt dat de ontwikkelde werkwijze op basis van (internationaal) wetenschappelijk onderzoek positief kan bijdragen aan de mate waarin slachtoffers zich geholpen voelen. Uit het rapport blijkt ook dat de rollen en taken van het CSG, SHN en ook Veilig Thuis niet op alle punten helder zijn afgebakend en dat een overlap daarin een goede samenwerking tussen deze partijen in de weg kan staan bij de hulp aan slachtoffers. Dit najaar stuurt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de beleidsreactie op dit rapport, tezamen met de door PricewaterhouseCoopers (hierna: PWC) opgestelde uitvoerbaarheidstoets. In deze brief zal uw Kamer ook worden geïnformeerd over de besluitvorming met betrekking tot een mogelijk landelijke uitrol van de werkwijze en de wijze waarop voornoemde knelpunten in de samenwerking zullen worden geadresseerd en opgelost.
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Doorgeleiding van slachtoffergegevens van de politie naar SHN gaat automatisch via het politiesysteem, mits het slachtoffer hier geen bezwaar tegen heeft. Slachtofferhulp kan een slachtoffer dan actief benaderen voor ondersteuning. De doorverwijzing vanuit politie naar CSG vindt plaats via fysiek en telefonisch contact, of door het slachtoffer te informeren over de mogelijkheid om zelf contact op te nemen met het CSG. Een praktische uitdaging is dat het CSG regionaal is georganiseerd en bestaat uit samenwerkingsverbanden van verschillende moederorganisaties, zoals ziekenhuis, GGD, Veilig Thuis of GGZ. Daardoor verschillen systemen en informatievoorziening tussen regio's. In het kader van de Gezamenlijke Aanpak wordt onderzocht hoe noodzakelijke gegevensuitwisseling toekomstbestendig en uniform kan worden ingericht binnen de geldende privacywetgeving.
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Een efficiënte en effectieve aanpak van zedenzaken heeft prioriteit omdat elk slachtoffer van seksueel geweld de bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. De zaakstroom zeden is bovendien één van de geprioriteerde zaakstromen van het Bestuurlijke Ketenberaad Strafrechtketen (BKB).
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen «zedenrecherche») belast met de aanpak van seksuele misdrijven. De huidige bezetting van deze teams (672 FTE) blijft achter bij de formatie (708 FTE).4 Afgelopen jaren zijn verschillende investeringen gedaan ten behoeve van het uitbreiden van de formatie om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften mede als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven te kunnen opvangen. Door de pensioenuitstroom en de krappe arbeidsmarkt blijft het evenwel een uitdaging om de personele bezetting op peil te houden.
Om de doorlooptijden in zedenzaken te verkorten hebben de ketenpartners samen gewerkt in het Actieplan Versterken Ketenaanpak Zedenzaken. Ten behoeve van dit plan zijn maatregelen voorgesteld en doorgevoerd die structureel moeten bijdragen aan het verkorten van doorlooptijden en aan verdere professionalisering van de aanpak van zedenzaken. Het gaat onder meer om het optimaliseren van werkprocessen binnen en tussen organisaties, het prioriteren van zedenzaken bij de zittingsplanning, betere sturing op capaciteit en prioritering en meer maatwerk door een passende en betekenisvolle afdoening voor slachtoffers – of dat nu een strafrechtelijke afdoening is, begeleiding naar hulpverlening of toepassing van herstelrecht.
Ondanks al deze inspanningen blijven de teams opsporing seksuele misdrijven onder druk staan. Niet alleen door de personele bezetting die achterblijft bij de formatie, maar ook de hogere instroom (+ 9%) en de meer complexere (online) onderzoeken zorgen ervoor dat de streefnormen/ doorlooptijden (nog) niet worden behaald.
Zoals in eerdere brieven gemeld5 bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker in zedenzaken – geen eenvoudige oplossing, maar de resultaten over 2024 laten zien dat de gezamenlijke inspanning die de strafrechtketen de afgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren. Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de strafrechtketen van 16 december 2025 bevestigen de cijfers tot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.6 Dit ondanks de hogere instroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom de) Wet Seksuele Misdrijven. De organisaties in de strafrechtketen blijven ook in 2026 via de structuur van het actieplan nauw samenwerken en zich inspannen om de gezamenlijke aanpak van zedenzaken verder te versterken.
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat een vorm van triage noodzakelijk is, niet alleen om opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten, maar bovenal om goed aan te kunnen sluiten bij de behoeften en verwachtingen van slachtoffers en hen het beste aanbod te bieden met het oog op wat zij nodig hebben.
Er vindt op dit moment al triage plaats bij de teams opsporing seksuele misdrijven van de politie. Deze teams beoordelen of een strafrechtelijke interventie, een alternatieve interventie of een combinatie hiervan – gehoord ook de wensen van het slachtoffer – het meest passend is in de concrete zaak. Daarbij wordt ook beoordeeld om welk strafbaar feit het gaat en of sprake is van spoed en/of acute onveiligheid. Ook factoren als «kansrijkheid», impact en capaciteit worden hierin meegewogen. Op deze manier wordt de schaarse opsporingscapaciteit daar ingezet, waar een strafrechtelijk proces ook echt passend, haalbaar en helpend lijkt te zijn.
Met het inrichten van de Gezamenlijke Aanpak Triage en Regie wordt deze strafrechtelijke triage niet vervangen, maar aangevuld met multidisciplinaire triage. Hierdoor kan naast strafrechtelijke interventies ook vroegtijdig worden gekeken naar passende zorg, herstel, bescherming en ondersteuning.
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
In de afgelopen periode is naar aanleiding van geconstateerde knelpunten een nieuwe werkwijze ontwikkeld om de zorg en ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld beter te organiseren. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De werkwijze gaat ervan uit dat de verschillende voornoemde organisaties goed samenwerken en triëren, zodat het niet uitmaakt waar een slachtoffer zich meldt en het in alle gevallen goed geholpen wordt. Organisaties brengen elk hun eigen verantwoordelijkheid en kennis in op het gebied van strafrecht, veiligheid, ondersteuning, herstel en zorg. Zo wordt ook voorkomen dat medische, veiligheids- en strafrechtelijke aspecten los van elkaar worden beoordeeld. Eén partij hiervoor verantwoordelijk maken komt niet tegemoet aan de noodzaak om deze verschillende perspectieven/expertises bij elkaar te brengen. Daarnaast hebben politie en OM hun eigenstandige rol als het gaat om opsporing en vervolging.7
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Zie antwoord vraag 6.
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en veiligheid, waaronder de politie. Het CSG heeft geen rol in een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich lenen voor strafrechtelijke afdoening. Dit is in ons rechtsbestel voorbehouden aan de politie, in nauwe samenwerking met het openbaar ministerie (OM). Het slachtoffer kan hier desgewenst juridisch in worden ondersteund door een slachtofferadvocaat of een juridisch medewerker van SHN. Het is onwenselijk dat hulpverlenende organisaties deze rol zouden overnemen van de opsporingsinstanties en ik zie daar geen voordelen van. Wel heeft het CSG een belangrijke rol in het organiseren van de eventuele noodzakelijke medische zorg in de eerste 7 dagen na een incident en het veilig stellen van forensisch bewijs, alsook het herkennen en doorverwijzen in het geval van trauma en de behoefte aan (specialistische) psychologische zorg bij misbruik langer geleden.
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Ja. De huidige praktijk weerspiegelt deze opvatting ook. Er wordt ingezet op verdere versterking van dit uitgangspunt via de verbeterde samenwerking tussen voornoemde samenwerkingspartners.
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Na elke melding van een seksueel misdrijf wordt door de teams opsporing seksuele misdrijven aan de melder informatie verstrekt over het aangifteproces, de rechten van het slachtoffer en over de mogelijkheid van herstel(recht). Er zijn mogelijkheden voor slachtoffers bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven om een financiële tegemoetkoming aan te vragen, om ondersteuning te ontvangen van Perspectief Herstelbemiddeling, Slachtofferhulp Nederland, een slachtofferadvocaat of reguliere zorg (bijvoorbeeld doorgeleiding naar de GGZ). Binnen de werkwijze van de gezamenlijke aanpak informeert een casemanager of regiehouder slachtoffers over de mogelijkheden en zorgt voor afstemming tussen betrokken partijen.
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
Behoeften van slachtoffers kunnen verschillen en in elke zaak anders zijn. Uit het onlangs verschenen onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) «De behoeften van slachtoffers van misdrijven – een systematised review (2008–2025) van geuite slachtofferbehoeften» blijkt dat slachtoffers onder andere behoefte hebben aan erkenning, duidelijke informatie, passende ondersteuning en een eenvoudige toegang tot hulp8. Juist daarom is het van belang dat slachtoffers toegang hebben tot meerdere vormen van ondersteuning en dat niet uitsluitend vanuit een strafrechtelijk perspectief wordt gekeken. Het voornoemde onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker instituut geeft inzicht in de belemmeringen die slachtoffers ervaren bij het vinden van de juiste hulp (en impliciet het doen van een melding). Wat blijkt is dat het voor slachtoffers vooral belangrijk is dat de professionals die zij tegenkomen begrijpen binnen welke context het misbruik of geweld heeft plaatsgevonden en dat zij niet telkens opnieuw hun verhaal hoeven doen.
De meeste slachtoffers doorlopen een aantal fasen in hun zoekgedrag. Zij proberen eerst door middel van gesprekken met hun omgeving en online informatie te vinden om te kunnen duiden wat hen is overkomen. Daarna gaan ze op zoek naar de juiste hulp waarna zij zich mogelijk ergens melden. Niet elk slachtoffer doorloopt deze drie fasen. Er is een groep slachtoffers die vrijwel meteen nadat zij te maken hebben gehad met misbruik of geweld hulp zoeken of aangifte doen. Dit zijn voornamelijk slachtoffers van geweld bij wie de pleger een onbekende is en waarbij er dus geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Er is echter een veel grotere groep slachtoffers die niet meteen hulp zoekt of aangifte doet. Voor hen is dit veelal een complex en langdurig proces dat weken, maanden of jaren in beslag kan nemen. Omdat slachtoffers zich op verschillende plekken kunnen melden zijn er geen cijfers te geven over het aantal slachtoffers dat wel informatie ontvangt of wordt begeleid, maar niet kiest voor het doen van aangifte.
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Ja, die opvatting deel ik. Voor sommige slachtoffers is erkenning, traumagerichte begeleiding (waaronder psycho-educatie), behandeling, schadevergoeding, inzet van ervaringsdeskundigen en/-of lotgenoten of het herstelrecht belangrijker dan een strafproces. Herstelrecht kan worden ingezet in of naast het strafrecht. Als de toepassing van herstelrecht wenselijk wordt geacht in het kader van het strafproces is op grond van het Beleidskader Herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces (hierna: Beleidskader) mediation in strafzaken de voorliggende voorziening. Herstelbemiddeling is daarnaast altijd mogelijk naast het strafproces bijvoorbeeld met inzet door Perspectief Herstelbemiddeling (PH). Herstelbemiddeling wordt door PH in toenemende mate ingezet.
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zie het antwoord op vraag 6 en 7.
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Ik heb navraag gedaan binnen het European Network on Victims’ Rights (ENVR). Daaruit blijkt dat er geen internationale voorbeelden zijn waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen. In het evaluatierapport van Regioplan/NSCR worden wel verschillende (internationale) onderzoeken aangehaald die ingaan op en een onderbouwing bieden voor verschillende onderdelen van de ontwikkelde werkwijze, waaronder een uniforme intake, triage en regie. De beleidsreactie op dit rapport wordt, tezamen met de door PWC opgestelde uitvoerbaarheidstoets, zoals ik in antwoord twee heb aangegeven, dit najaar aan uw Kamer aangeboden.
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven geschetst is reeds een nieuwe werkwijze ontwikkeld waar het CSG – naast andere partners – nauw bij betrokken is en een van de kernelementen multidisciplinaire triage betreft. Over de uitvoerbaarheid van een mogelijk landelijke uitrol van deze werkwijze, ook met het oog op gegevensdeling en privacy, zal de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige zorg, Jeugd en Sport uw Kamer in het najaar informeren.
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Iedereen in Nederland moet zich veilig kunnen voelen en moet zijn of haar geloof vrij kunnen belijden, zonder geconfronteerd te worden met intimidatie, bedreiging of vernieling van religieuze gebouwen. Incidenten waarbij sprake is van geweld, vernieling of discriminerende uitingen zijn ernstig en onacceptabel. Wanneer dergelijke gedragingen gericht zijn tegen personen of groepen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met een discriminatoir aspect. Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict.
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Er bestaat geen afzonderlijke landelijke registratie waarin alle incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën als aparte categorie worden geregistreerd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een structurele landelijke toename van gewelds- en vandalisme-incidenten specifiek gericht tegen moskeeën. Wel is bekend dat islamitische gemeenschappen en moskeeën in Nederland te maken krijgen met bedreigingen, discriminatie, vernielingen en andere vormen van intimidatie. Elk incident is er één te veel.
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Bij incidenten waarbij mogelijk sprake is van een discriminatoir motief wordt dit nadrukkelijk betrokken bij de beoordeling en strafrechtelijke opvolging.
Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een landelijk patroon van aanvallen tegen moskeeën. Wel kunnen individuele incidenten een discriminerend karakter hebben en als zodanig worden onderzocht en aangepakt. Het is aan politie en OM om per individuele zaak onderzoek te doen naar de omstandigheden en eventuele motieven van de dader(s).
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
De aanpak van geweld, discriminatie en intimidatie bestaat uit verschillende onderdelen. Politie en OM zetten zich in voor opsporing en vervolging van daders. Daarbij wordt, wanneer daar aanleiding toe bestaat, rekening gehouden met een mogelijk discriminatoir aspect.
In dat kader gaat mijn ministerie onder meer in gesprek met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap om signalen en ervaringen op te halen. Op basis van deze verkenning zal worden bezien welke eventuele aanvullende maatregelen of verbeteringen in de aanpak nodig zijn.
Verder werkt de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) momenteel aan een advies aan het kabinet voor een nationaal plan tegen moslimdiscriminatie. De uitkomsten daarvan zullen worden betrokken bij de verdere beleidsontwikkeling.
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende veiligheidsmaatregelen ligt op de eerste plaats bij deze instellingen zelf. De lokale driehoek kan aanvullende veiligheidsmaatregelen nemen als deze instellingen, redelijkerwijs op eigen kracht geen, of onvoldoende, weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico. Het treffen van aanvullende maatregelen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie en het risicobeeld.
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden nooit publiekelijk mededelingen gedaan over de precieze invulling van (specifieke) beveiligingsmaatregelen.
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Het kabinet vindt het belangrijk om in gesprek te blijven met vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen en maatschappelijke organisaties over signalen uit de praktijk, ervaren veiligheid en de aanpak van discriminatie. Mijn ministerie voert daarnaast reeds gesprekken met de gemeenschappen om op te halen wat nodig is in de aanpak van geweld tegen moskeeën. Waar relevant worden de uitkomsten hiervan betrokken bij het beleid en de verdere aanpak van discriminatie en veiligheidsvraagstukken.
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Een uitbreiding van middelen specifiek gericht op moskeeën acht het kabinet op dit moment niet noodzakelijk. Indien uit dreigingsanalyses of concrete risico’s blijkt dat aanvullende maatregelen nodig zijn, worden deze getroffen.
De beoordeling of aanvullende veiligheidsmaatregelen nodig zijn vindt plaats op basis van actuele dreigingsinformatie en het lokale veiligheidsbeeld. De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende maatregelen ligt daarbij primair bij het lokale gezag.
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Er bestaat geen afzonderlijke landelijke registratie waarin alle incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën als aparte categorie worden geregistreerd. Incidenten worden geregistreerd op basis van het gepleegde strafbare feit en eventuele discriminatieaspecten. Daarbij kan uit de registratie niet in alle gevallen worden afgeleid of een incident heeft plaatsgevonden bij een moskee of andere religieuze instelling.
Tot voor kort werd moslimdiscriminatie binnen de strafrechtelijke registraties onder de discriminatiegrond godsdienst geregistreerd. Inmiddels is moslimdiscriminatie als aparte categorie opgenomen in de registratie. De bestaande registraties bieden daarmee beter inzicht in incidenten waarbij sprake is van moslimdiscriminatie. Dit laat onverlet dat geen afzonderlijke landelijke registratie bestaat van alle incidenten met geweld en/of vandalisme gericht tegen moskeeën als object.
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Het kabinet vindt het belangrijk om de veiligheid van religieuze instellingen, waaronder moskeeën, blijvend aandacht te geven. Daarom verken ik momenteel hoe de aanpak van de veiligheid van moskeeën en andere islamitische instellingen verder kan worden versterkt. In dat kader gaat mijn ministerie onder meer in gesprek met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap om signalen, ervaringen en eventuele knelpunten op te halen.
Op basis van deze verkenning zal worden bezien op welke onderdelen versterking van de aanpak wenselijk is. Daarbij wordt ook betrokken of de bestaande instrumenten en werkwijzen toereikend zijn om de veiligheid van religieuze instellingen te waarborgen.
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Het stelsel rond legaal wapenbezit is in opzet stringent en legt aan (aanstaande) verlofhouders verplichtingen op. De Wet wapens en munitie (WWM) gaat er immers vanuit dat legaal wapenbezit en -gebruik risico’s voor anderen en de openbare orde en veiligheid met zich brengen en het veiligheidsgevoel van burgers kunnen aantasten. Om die reden zijn wapens dan ook bij uitgangspunt wettelijk verboden voor alle burgers. Zoals verankerd in de WWM, staat de overheid een vergunning voor een wapen alleen toe wanneer er sprake is van een redelijk belang en wanneer er geen vrees voor misbruik bestaat; dat laatste is één van de belangrijkste weigeringsgronden. Deze waarborgen worden in de praktijk vormgegeven via vergunningplichten, antecedenten- en betrouwbaarheidstoetsen, eisen aan veilige opslag en periodieke herbeoordelingen.
De stringente uitgangspunten van de wet zijn in de praktijk niet op alle onderdelen goed uitgewerkt. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft in 2011 gesignaleerd dat de toepassing van de criteria «redelijk belang» en «vrees voor misbruik» uiteenloopt en dat onvoldoende helder is welke feiten en omstandigheden bij die beoordeling zwaarder moeten wegen. Daarnaast zijn er zwakke plekken in stelsel en uitvoering benoemd en blijkt dat het stelsel in de praktijk als ontoegankelijk wordt ervaren. In 2022 is de e-screener opgeschort en is het WM32-formulier tijdelijk ingevoerd om de psychische gesteldheid te toetsen. Deze werkwijze is gebaseerd op zelfverklaring en referenten en heeft wel waarde heeft maar is geen toereikend instrument is voor het toetsen van de fysieke en psychische gesteldheid.2 In 2024 ontving uw kamer het verslag van kennistafels die zich hadden gebogen over suggesties voor een definitieve oplossing.3 Deze bevindingen worden meegenomen in de nadere uitwerking van de toetsen voor fysieke en psychische gesteldheid.
Kortom: ik erken dat verlofhouders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften; die noodzakelijk zijn gelet op het uitgangspunt «wettelijk verboden voor alle burgers». Tegelijk constateer ik dat dit stelsel op onderdelen onvolledig, ineffectief, onduidelijk of juridisch ontoereikend is. Daarom werk ik aan verduidelijking en versterking van de toepassing van «redelijk belang» en «vrees voor misbruik», aan meer uniformiteit in de beoordeling, aan een robuustere toetsing van de fysieke en psychische geschiktheid die verder gaat dan zelfverklaring, en aan verbetering van de gebruikte instrumenten. Zo blijft de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van burgers leidend en wordt deze in de praktijk beter geborgd.
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Dit is geen kwestie van óf-óf. De aanpak van illegaal wapenbezit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
Ik zet in op de aanpak van illegale wapens. Per 1 juli 2026 is de maximumgevangenisstraf voor onder meer het in strijd met de wet vervaardigen of voorhanden hebben van illegale wapens verdubbeld van 4 naar 8 jaar4. Politie en OM zetten hier hard op in: tijdens een recente landelijke actiedag zijn tientallen vuurwapens aangetroffen en 14 verdachten aangehouden. Daarnaast wordt gericht geïnvesteerd in preventie, onder meer via een educatief pakket op scholen over «life skills» zoals conflicthantering (Voel je veilig), om de weerbaarheid van jongeren te vergroten en wapenbezit te voorkomen.
Het stelsel voor legaal wapenbezit zoals uitgewerkt in de Wet wapens en munitie is een ander vraagstuk. In Nederland geldt een verbod op wapenbezit, via vergunningen kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt voor een beperkt aantal gerechtvaardigde toepassingen. Als overheid hebben we de verantwoordelijkheid om die uitzonderingen zó in te richten dat toepassingen daadwerkelijk gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en om te zorgen voor eisen en voorschriften die het risico op misbruik beperken. De verplichtingen voor verlofhouders zijn noodzakelijke waarborgen om de openbare orde en veiligheid te beschermen.
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om alleen vergunningen te verlenen aan personen indien toereikende eisen en voorschriften worden gesteld aan de aanvrager of houder van een vergunning en getoetst wordt of aan de eisen en voorschriften wordt voldaan. De overheid dient ook te voorzien in controle en toezicht op de personen en na te gaan of zij zich houden aan de eisen en voorschriften van de vergunning.
De aanpassingen voor nieuw beleid en wetgeving zijn erop gericht om heldere en eenduidige eisen en voorschriften te stellen aan aanvragers en houders van een wapenvergunning. Deze eisen en voorschriften zijn veelal een uitwerking van de uitgangspunten van de huidige wet- en regelgeving. Zo dient een aanvrager of houder van een wapenvergunning te worden getoetst op risicofactoren waaronder de psychische gesteldheid met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen, zoals voorgeschreven in de Circulaire wapens en munitie.
In aanloop naar nieuwe wetgeving wordt tussentijds gekeken naar, waar dat mogelijk is, het verlichten van de administratieve druk, digitalisering van het administratieve aanvraagproces wat ook voor de aanvragers en houders druk wegneemt, en het verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsdiensten. Het is de taak van de overheid om te bepalen wat een zinvolle en gerechtvaardigde toepassing is voor wapens door burgers en in welke gevallen we dus een uitzondering op het wapenverbod voor burgers willen toestaan. De lastenverzwaring voor uitvoeringsdiensten zal zo veel mogelijk worden beperkt door het opstellen van helder beleid op gerechtvaardigde toepassingen van de betrokken ministeries.
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Het door de overheid verlenen van een wapenvergunning is een uitzondering op het algemene wapenverbod voor burgers. In de toekomst zal dit alleen gebeuren indien een psychologisch onderzoek bij aanvragers en houders is afgenomen. De overheid heeft immers een actieve plicht om ervoor te zorgen dat er enkel vergunningen worden verleend aan mensen die daar psychisch gezien op een verantwoorde manier mee om kunnen gaan. Steeds meer Europese landen stellen dergelijke psychologische onderzoeken verplicht aan aanvragers en houders van vergunningen.
Net als mijn voorganger, hanteer ik het uitgangspunt dat de overheid geen wapenvergunningen dient te verlenen aan personen met risicofactoren en dat hiertoe een psychologisch onderzoek moet worden doorlopen om vast te stellen of bij personen al dan niet indicaties van een risico aanwezig zijn.5 Het belang van de samenleving gaat altijd boven de aanvrager of houder van een wapenvergunning.
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Zoals toegelicht bij het antwoord bij vraag 3 is dit geen kwestie van óf-óf. De aanpak van criminaliteit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en uitlegbaar beleid te maken bij het toestaan van uitzonderingen op het algemene verbod op wapens voor burgers. Dit betekent dat de beoogde toepassingen van de wapens gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en dat er toereikende eisen en voorschriften worden gesteld die het risico op misbruik beperken.
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
In mijn brief van 17 juni jl. zijn de contouren van de nieuwe wet omschreven die de oorspronkelijke fundamenten van de wet beogen te herstellen en die de uitzonderingen op het verbod strikt, uitlegbaar en navolgbaar beogen te begrenzen. Zoals uit de Kamerbrief blijkt, gaat het over een stelselwijziging die invloed heeft op de uitgangspunten en de opbouw van de wet. De maatregelen in de stelselwijziging adresseren onder meer: het ontbreken van een toereikend instrument voor psychische beoordeling en het ontbreken van eisen aan fysieke geschiktheid; het (tegenwettelijk) neerleggen van de feitelijke beslissingsbevoegdheid bij verenigingen; ontbreken van verankerde bekwaamheidseisen (m.u.v. jacht); risico’s van thuisbewaring en transport; onvoldoende zicht en traceerbaarheid van munitie, en verhoging van gevaarzetting van wapens door technologische ontwikkelingen (zoals zware luchtdrukwapens); inconsistente regelgeving en gegevensuitwisseling; niet-kostendekkende uitvoering en wisselende kwaliteit bij uitvoeringsdiensten.
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 17 juni jl. beschrijf ik de noodzaak van nieuw beleid en wetgeving en een stelselherziening om de genoemde tekortkomingen te adresseren. Hierbij wordt zorgvuldig gewerkt: maatregelen worden uitgewerkt met uitvoeringstoetsen op proportionaliteit en haalbaarheid, en waar mogelijk worden knelpunten die geen wetswijziging vergen eerder aangepakt. Daarmee wordt zowel handhaving versterkt als regelgeving verbeterd.
Tevens staat in mijn brief van 17 juni jl. opgenomen dat het uitgangspunt voor wetgeving is dat degene die profijt heeft van de vergunning, de kosten die de overheid maakt voor de vergunningverlening, controle en toezicht dient te vergoeden. Eerder heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat een kostendekkend stelsel gewenst is, zodat de financiële lasten niet bij de overheid liggen.6 Momenteel inventariseert een extern onderzoeksbureau de totale kosten van het stelsel en wordt er een onderbouwd kostprijsmodel ontwikkeld ten behoeve van het innen van onkostenvergoedingen.
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Ja. Uit de studie van het CPB blijkt dat de inkomenseffecten van hogere energie- en brandstofprijzen voor de meeste huishoudens beperkt zijn, maar dat er ook groepen zijn die hierdoor merkbaar harder geraakt worden2. Het gaat daarbij met name om huishoudens met een inkomen tot modaal die relatief veel gas verbruiken, veel kilometers rijden of beide doen. In een negatief scenario kan het inkomenseffect voor deze huishoudens oplopen tot 6% van het besteedbaar inkomen. Het Kabinet heeft bijzondere aandacht voor huishoudens die minder financiële ruimte hebben. Daarom zijn in het voorjaar extra middelen vrijgemaakt zodat huishoudens kunnen meekomen in de energietransitie en voor het openstellen van het Noodfonds. Op deze manier komt de ondersteuning terecht bij de huishoudens die dat het meeste nodig hebben.
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat ook huishoudens met een lager inkomen kunnen profiteren van verduurzaming en zich daarmee beter kunnen beschermen tegen te hoge energieprijzen of het risico op sterke fluctuatie van die prijzen. Daarom zijn er verschillende gerichte maatregelen om deze huishoudens te ondersteunen.
Het kabinet en medeoverheden realiseren zich bovendien dat naast geld vaak meer nodig is. Via gemeenten worden huishoudens met een slecht geïsoleerde woning geholpen met subsidies, energiecoaches, energiefixers en begeleiding bij de uitvoering van maatregelen. Ook kunnen huishoudens met een lager inkomen gebruik maken van aanvullende regelingen. Zo verstrekt het Nationaal Warmtefonds leningen tegen aantrekkelijke voorwaarden, met 0% rente bij een inkomen lager dan 60.000 euro, om verduurzamingsmaatregelen te kunnen financieren. Met het energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek waar huishoudens terechtkunnen voor informatie, advies, financiering en ondersteuning.
De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is voor iedereen beschikbaar om het nemen van isolatiemaatregelen, een warmtepomp en/of een zonneboiler te stimuleren.
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Veel subsidies die gericht zijn op het stimuleren van energiebesparende maatregelen in woningen en mobiliteit werden voorheen veel gebruikt door mensen met hoge middeninkomens en hoge inkomens. Uit cijfers van het CBS over 2024 blijkt dat van de toegekende subsidies voor woningen 29,4% terechtkwam bij huishoudens met een verzamelinkomen van meer dan € 100.000. Bij de ISDE was dit ongeveer 33%.
Voor huishoudens in een kwetsbare positie is vaak aanvullende financiële en praktische ondersteuning nodig om verduurzamingsmaatregelen te kunnen nemen en gebruik te kunnen maken van landelijke subsidies. Daarom zet de overheid gericht in op ondersteuning van huishoudens die dit het hardst nodig hebben, onder meer via het Nationaal Isolatieprogramma, energiecoaches en energiefixers.
Daarnaast zijn maatregelen getroffen zoals het uitfaseren van de labels E, F en G uiterlijk in 2028 in de huursector, het Nationaal Warmtefonds, het Isolatieoffensief en het Energiehuis. Zo heeft inmiddels ruim de helft van de particuliere leningnemers bij het Nationaal Warmtefonds een verzamelinkomen tot € 60.000. Voor deze groep geldt bovendien een rentepercentage van 0%.
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
In 2024 hadden ongeveer 241 duizend huishoudens zowel een laag inkomen (<130% van de lage inkomensgrens) als een woning met een lage energetische kwaliteit (LILEK). Dit komt overeen met 2,9% van alle huishoudens.3
De bredere groep huishoudens met energiearmoede bestond in 2024 uit ongeveer 510.000 huishoudens, oftewel 6,1% van alle huishoudens. Van deze groep woonde 74,6% in een corporatiewoning, 17,2% in een overige huurwoning en 8,1% in een koopwoning.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De prijs van ruwe olie fluctueert aanzienlijk, inmiddels is de prijs van weer gedaald vergeleken met een aantal weken terug. Wanneer de prijs van ruwe olie hoger wordt kan dit wel een negatieve impact hebben op de bereikbaarheid van laagste inkomensgroepen, omdat de brandstofkosten ten opzichte van het totale besteedbaar inkomen kunnen toenemen. Dit is echter sterk afhankelijk van autobezit en van de hoeveelheid kilometers die gereden wordt.
Een accijnskorting zou ook voor een groot deel terecht komen bij hogere inkomens, omdat daar zowel meer autobezit als meer gereden kilometers zijn. Het kabinet kiest voor gerichtere maatregelen, die niet tot gevolg hebben dat de vraag naar fossiele brandstoffen verder stijgen nu de commerciële reserves van brandstoffen nog schaars zijn.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Sociale isolatie en vereenzaming zijn complexe problemen die het gevolg kunnen zijn van uiteenlopende persoonlijke, sociale en financiële omstandigheden, maar ook samenhangen met de mate waarin mensen in staat zijn hulp in te schakelen. Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding en versnelt de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens. Gemeentes hebben daarnaast zelf vaak sociaal beleid als het gaat om het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk, die op korte afstand zijn en lopend te bereiken (buurtcentra, buurttuinen etc.).
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voor heel 2026 van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Daarnaast wordt de openstelling van de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Daarnaast houdt het kabinet de brandstofprijzen en koopkrachtontwikkelingen van burgers nauwgezet in de gaten. Mocht hier aanleiding voor zijn, dan kan het kabinet nieuwe gerichte maatregelen overwegen in de jaarlijkse koopkrachtbesluitvorming in augustus.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Het Kabinet wil er voor zorgen dat alle groepen mee kunnen in de transitie. Dit kabinet zet daarom al meerdere jaren stappen in het verduurzamen van huur- en koopwoningen en zet daar met het Isolatieoffensief en het Energiehuis extra kracht bij. Ook wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel voor het Europese Sociaal Klimaatfonds waarin op zowel de woningbouw als mobiliteit plannen worden opgenomen voor de lagere inkomens. In het voorjaar van 2027 ligt de brede beleidsherziening van het energie- en klimaatbeleid voor, waarbij de overheid ook aandacht zal schenken aan de gevolgen voor kwetsbare huishoudens.
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt het belang om huishoudens met een lager inkomen te ondersteunen bij het verminderen van hun afhankelijkheid van fossiele energie. Daarom zet het kabinet onder meer in op gerichte ondersteuning bij woningisolatie en op een sloop- en vervangingsregeling voor particuliere auto’s.
Via het Nationaal Isolatieprogramma en gemeenten kunnen huishoudens met een slecht geïsoleerde woning aanvullende subsidies, begeleiding en ontzorging krijgen. Met het Energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek voor informatie, advies, financiering en ondersteuning. Ook wordt ingezet op gerichte communicatie om huishoudens beter te bereiken.
Daarnaast kunnen huishoudens met een lager inkomen via het Nationaal Warmtefonds gebruikmaken van leningen tegen 0% rente. In de huursector wordt ingezet op het uitfaseren van slechte energielabels en het verduurzamen van sociale en particuliere huurwoningen. Zo verkleint het kabinet de afhankelijkheid van fossiele energie voor lagere inkomens via maatregelen op het gebied van wonen en mobiliteit.
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Ook vrouwen en kinderen moeten nu buiten wachten in Ter Apel, dat steeds meer op een tentenkamp lijkt’ |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel personen de afgelopen weken geen toegang hebben gekregen tot het aanmeldcentrum in Ter Apel en daardoor waren aangewezen op noodopvang buiten of in de directe omgeving? Bent u bereid deze cijfers periodiek met de Kamer te delen zolang de huidige situatie voortduurt?1
Klopt het dat ook (zwangere) vrouwen, kinderen, mensen met een beperking en andere kwetsbare personen nu soms buiten moeten wachten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid en de verplichtingen onder de EU-Opvangrichtlijn, die bijzondere bescherming van kwetsbare groepen voorschrijft?
Kunt u bevestigen dat het beleid om kwetsbare personen altijd toegang te verlenen tot het aanmeldcentrum per of rond 12 juni jl. is gewijzigd of opgeschort? Zo ja, wat was hiervan de oorzaak?
In hoeverre hangt de verslechterde toegang voor kwetsbare personen samen met de invoering van het nieuwe proces van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) als gevolg van het Europese migratiepact? Welk specifiek onderdeel van dat nieuwe proces veroorzaakt dit knelpunt en wanneer verwacht u dat dit is opgelost?
Bent u in gesprek met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Vluchtelingenwerk en het Rode Kruis over het waarborgen van de veiligheid en sfeer rondom het terrein? Zien zij de omstandigheden verslechteren?
Hoe wordt op dit moment, in samenwerking met het Rode Kruis, gewerkt aan een nationaal opschalingsplan waarop kan worden teruggevallen? Op welke termijn kan een dergelijk plan naar de Kamer worden gestuurd?
Welke additionele maatregelen worden verkend om op korte termijn verlichting te bieden aan het aanmeldcentrum in Ter Apel?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Letschert , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Ja.
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Zoals eerder is aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 met de reactie op de twee moties over het WK-voetbal, gunt het kabinet eenieder om van het WK-voetbal te genieten.3 Samen voetbal kijken zorgt voor saamhorigheid en verbinding. Maar er zijn ook regels van toepassing op het vertonen van sportwedstrijden buiten de huiselijke kring (de zogenoemde public viewings). Zoals toegelicht in de brief zijn er verschillende situaties waarop verschillende regels van toepassing zijn. Het gaat onder andere om het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet 2008, mede gebaseerd op Europese staatssteunregels, en om de contractuele bepalingen uit de overeenkomst van de NOS met de FIFA inzake de uitzendrechten voor het WK-voetbal. Uit deze regels vloeit voort dat er een vergoeding gevraagd moet worden voor vertoningen met een commercieel karakter buiten de huiselijke kring.
De betreffende (horeca)ondernemers behalen een direct economisch voordeel door de vertoning van de wedstrijden, omdat uit ervaring blijkt dat deze op dat moment leidt tot een toename van het aantal bezoekers en daarmee tot extra omzet. Dit voordeel manifesteert zich voorafgaand, tijdens en ook na de vertoning en staat in rechtstreeks verband met de beschikbaarstelling van de uitzending. Tegen die achtergrond is de toepasselijkheid van het dienstbaarheidsverbod niet afhankelijk van het overschrijden van een bezoekersdrempel van 5.000 personen. De economische bevoordeling doet zich immers voor ongeacht de omvang van het publiek, zodat ook viewing evenementen met lagere bezoekersaantallen onder de reikwijdte van het dienstbaarheidsverbod vallen.
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Het vertonen van WK-wedstrijden in horecagelegenheden of op andere locaties is een commerciële exploitatie van de uitzendingen die zorgt voor (meer) bezoekers en bijdraagt aan meer omzet voor de ondernemers op dat moment. Ook worden speciale WK-vertoningen georganiseerd waarbij het doel nadrukkelijk is om winst te genereren middels kaartverkoop en/of door extra omzet uit de verkoop van eten en drinken. Aan de andere kant staat het horecaondernemers altijd vrij om geen WK-vertoningen te organiseren als de inschatting wordt gemaakt dat dit commercieel niet interessant is.
Dat de uitzendingen van WK-wedstrijden een substantieel commercieel voordeel kunnen opleveren, blijkt onder meer uit de vele speciaal georganiseerde WK-evenementen. Ook blijkt een aanzienlijke stijging van het aantal pintransacties en de horecaomzet tijdens wedstrijden van het Nederlands elftal.5 Dat de extra horeca-inkomsten tijdens WK-wedstrijden worden gevolgd door mogelijk lagere inkomsten op momenten dat er geen WK-wedstrijden zijn, is niet relevant voor de toepassing van het dienstbaarheidsbeginsel.
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet verbiedt publieke omroepen bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst (of concurrentievoordeel) door commerciële partijen. Dit beginsel is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun, dat beoogt te voorkomen dat publieke middelen worden aangewend ter bevoordeling van marktpartijen.
Zie verder ook het antwoord op vraag 2.
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
De NOS verkrijgt de public viewing-rechten als onderdeel van het totale rechtenpakket dat met de FIFA wordt overeengekomen. Over deze rechten wordt niet afzonderlijk onderhandeld. De huidige overeenkomst ziet overigens op zowel het WK 2026 als het WK 2030. Het niet door de NOS verwerven van de public viewing-rechten betekent overigens niet dat dan voor het commerciële gebruik van deze rechten geen vergoeding verschuldigd zou zijn. In dat geval zullen organisatoren zoals horecaondernemingen of gemeenten de benodigde rechten rechtstreeks bij de FIFA moeten afnemen. De FIFA hanteert daarbij een tariefstructuur die afhankelijk is van het verwachte bezoekersaantal. Zo geldt bijvoorbeeld een vergoeding van 1.000 USD voor evenementen tot en met 1.000 bezoekers, 2.000 USD voor 1.001 tot en met 2.000 bezoekers en 4.000 USD voor evenementen van 2.001 tot en met 5.000 bezoekers.
Daarnaast ontslaat een rechtstreekse licentie bij de FIFA de (horeca)ondernemers niet van de verplichting om toestemming te verkrijgen voor de auteursrechtelijke openbaarmaking van de betreffende uitzending. Daarvoor is in Nederland nog steeds een afzonderlijke licentie van de NOS vereist. In dat scenario zouden organisatoren derhalve met twee afzonderlijke licentieverleners moeten contracteren en twee afzonderlijke licenties moeten verkrijgen.
Een belangrijk verschil met Nederland is dat België niet beschikt over een collectieve beheersorganisatie vergelijkbaar met Videma in Nederland. De Vlaamse publieke omroep VRT is verantwoordelijk voor de licentieverlening voor de openbaarmaking van haar uitzendingen, maar verwijst ondernemers daarnaast naar de FIFA voor het verkrijgen van de benodigde public viewing-licentie. Hierdoor kunnen organisatoren geconfronteerd worden met verschillende rechthebbenden en afzonderlijke licenties met voorwaarden. In Vlaanderen kan deze onduidelijkheid leiden tot onzekerheid bij ondernemers die publieke vertoningen van wedstrijden willen organiseren.
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Het maatschappelijk belang dat hier aan de orde is, is de naleving van nationale en internationale (wettelijke) normen en het onafhankelijk toezicht daarop. Het Commissariaat voor de Media is de onafhankelijke toezichthouder voor de Nederlandse mediasector. Als zelfstandig bestuursorgaan opereert het Commissariaat volledig onafhankelijk, zonder politieke of bestuurlijke inmenging. Juist voor de mediasector is het van belang dat het toezicht onafhankelijk is, mede gelet op het belang van deze sector voor de onafhankelijke nieuwsvoorziening en de democratische rechtsorde. Daarom wil ik als Minister geen moreel appel doen en de deur openzetten voor andere oproepen vanuit de politiek.
Maatschappelijke problemen en/of een groot risico voor het publiek belang zijn algemene uitgangspunten die het Commissariaat voor de Media hanteert in het kader van de prioritering binnen zijn toezichtstrategie maar als onafhankelijke toezichthouder bepaalt het Commissariaat – binnen de bevoegdheden die de Mediawet hem geeft – zelf op welke zaken hij zich in zijn toezicht richt.
De NOS dient zich als publieke omroep te houden aan de regels uit de Mediawet, waaronder het dienstbaarheidsverbod. Op het moment dat het Commissariaat signalen krijgt of uit eigen onderzoek blijkt dat de NOS zich niet aan de Mediawet houdt, is het aan de onafhankelijke toezichthouder om een handhavingstraject te starten. Het past mij niet om een moreel appel te doen op het Commissariaat om dat niet te doen, of mij anderszins te mengen in de uitvoering van het toezicht door het Commissariaat.
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Het dienstbaarheidsverbod is een algemeen beginsel uit de Mediawet 2008 en is tot stand gekomen na langdurige gesprekken met de Europese Commissie over de financiering van de publieke omroep. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van die zaak aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.6 De Europese staatssteunregels bieden naar mijn mening geen ruimte om voor specifieke evenementen zoals een EK- of WK-voetbal een (wettelijke) uitzondering te maken op het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet. Ik zie dan ook geen mogelijkheden om hiervoor een wetswijziging in gang te zetten. Het dienstbaarheidsverbod is gebaseerd op Europese staatssteunregels en is juist bedoeld om ondernemers te beschermen. De publieke omroep dient zich marktconform te gedragen en voorkomen moet worden dat de ene groep ondernemers (bovenmatig) kan profiteren terwijl een andere groep dat niet kan. Zonder het dienstbaarheidsverbod zou er dus oneerlijke concurrentie kunnen plaatsvinden, ofwel doordat de publieke omroep met eigen activiteiten marktverstorend werkt, ofwel doordat bepaalde marktpartijen de markt verstoren vanwege voordelen die zij van de publieke omroep verkrijgen.
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Zoals werd aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 is de regulering van openingstijden (van horeca) een lokale aangelegenheid. Het kabinet is naar aanleiding van de moties in gesprek gegaan met de VNG en heeft de oproep gedaan aan gemeenten om horecaondernemingen tegemoet te komen wanneer zij plannen hebben om WK-wedstrijden te vertonen en daarvoor ruimere openingstijden vereist zijn. De praktijk heeft laten zien dat gemeenten horecaondernemers deze ruimte ook hebben geboden. Steeds meer gemeenten verruimden de openingstijden. Waar in maart 2026 slechts 11% van de gemeenten ruimere openingstijden dan de reguliere sluitingstijden had ingesteld voor het WK, was dat ten tijde van de brief opgelopen naar circa 40%. Later is dit nog verder gestegen naar circa 55%.7 Zoals ook aangegeven in de brief heeft het Rijk geen eigen bevoegdheid om openingstijden landelijk te regelen of gemeenten te verplichten tijdelijk ruimere openingstijden te hanteren.
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
U vroeg mij deze vragen binnen een week te beantwoorden. Dat is helaas niet gelukt aangezien ik voor de beantwoording van de vragen afhankelijk was van informatie van derden en ik de antwoorden ook nog interdepartementaal diende af te stemmen. Op 10 juli 2026 heb ik u een uitstelbrief gestuurd voor de beantwoording van deze (en andere) Kamervragen.
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Ja.
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Subsidies vallen onder het bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet onder het inkooprecht. Wanneer de Rijksoverheid een subsidie verleent, zijn de reguliere Europese en nationale aanbestedingsregels in beginsel niet van toepassing op het verleningsproces. Om te beoordelen of de besteding van overheidsmiddelen op de juiste wijze geschiedt en geen staatssteun oplevert wordt – zoals gebruikelijk – bij elke ingediende aanvraag een staatssteuncheck uitgevoerd.
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Transparantie is van belang zodat de Kamer in staat is haar controlerende taak uit te oefenen. Zoals bij de beantwoording van vragen 2 t/m 8 genoemd, wordt na de formele besluitvorming voldoende informatie openbaar. Bij individuele subsidieverstrekkingen kent de Kamer geen directe operationele controle, dat betekent o.a. dat zij aan de voorkant van processen niet gaat over de verdeling van middelen. Die exclusieve bestuursbevoegdheid ligt bij de Minister als bestuursorgaan.
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
In dit specifieke geval is van een subsidiebesluit (nog) geen sprake, slechts van een reservering ten behoeve van verstrekking van middelen ten behoeve van Joodse studenten en medewerkers. In algemene zin controleert de Tweede Kamer via de Grondwet en de Comptabiliteitswet de Minister, die op haar beurt via het bestuursrecht (Awb) toezicht houdt op de individuele subsidierelaties. De Tweede Kamer treedt dus niet op als de bezwaarschriftcommissie of directe controleur van één of meerdere specifieke subsidieontvanger(s).
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Zie mijn antwoord op vragen 2 t/m 8.
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Voor wat betreft hun aanspraak verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 2 t/m 8 en 10–11.
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Nee, zie mijn antwoord op vragen 10 en 11.
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Zie antwoord vraag 14.
Het interview van vicepremier Yeşilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Dit kabinet wil zich tot het uiterste inspannen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD) blijft de basis voor de aanpak van dit kabinet, waarbij wordt ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst. Uit de tussentijdse evaluatie2 blijkt echter dat we in het huidige tempo de doelstelling om in 2030 dakloosheid te beëindigen, niet gaan halen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig en daarvoor geven de onderzoekers een aantal adviezen, waar dit kabinet opvolging aan zal geven. Voor het debat over de aanpak van dakloosheid in november zal ik u daar nader over informeren.
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
De inzet op het terugdringen van dakloosheid is niet afhankelijk van het coalitieakkoord. Tijdens het debat over het eindverslag van de informateur heeft de Minister-President al erkend dat het een omissie is dat er niets over dakloosheid in het coalitieakkoord staat. Als er één thema is waar we elkaar van links tot recht op kunnen vinden, is het de aanpak van dak- en thuisloosheid. Niemand zou dakloosheid mee hoeven maken. Het kabinet gaat daarom met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
In 2024 heeft het kabinet een aantal gerichte, aanvullende acties uitgewerkt om jongerendakloosheid te voorkomen, wat heeft geresulteerd in de Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar).3 Het kabinet zet zich onverminderd in om deze maatregelen uit te voeren. Daarnaast wordt binnen het NAD ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst en richten deze generieke maatregelen zich óók op jongeren. Begin juni van dit jaar is door Housing First Nederland en woningcorporatie Portaal met steun van de rijksoverheid de Startmotor Wonen Eerst Jongeren gelanceerd. Hierbij spreken (bestuurders van) vijf Nederlandse steden de gezamenlijke
ambitie uit om (dreigend) dakloze jongeren versneld aan een eigen, stabiele woonplek te helpen. Het doel is om Wonen Eerst uit te laten groeien tot de landelijke norm.
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
In het coalitieakkoord zijn verschillende passages opgenomen over het belang van preventie, bestaanszekerheid, wonen en mentale gezondheid. Daarnaast zet het kabinet zich in om, zoals beschreven in het akkoord, de capaciteit voor complexe ggz casuïstiek te vergroten. Voor de specifieke aanpak van dakloosheid vormt het NAD de basis. Daarin staat preventie centraal en wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid, het tijdig signaleren van risico's en het bieden van passende ondersteuning.
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Op dit moment zijn geen aanvullende budgettaire besluiten genomen specifiek voor het NAD. Aanvullende maatregelen zullen worden uitgevoerd binnen de huidige structurele middelen.
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Het Rijk ondersteunt gemeenten door o.a. de Startmotor Wonen Eerst Jongeren, die gericht is op het realiseren van meer woningen voor dakloze jongeren, mede mogelijk te maken. Als er in de toekomst andere kansrijke initiatieven/plannen zijn, ben ik bereid om daarnaar te kijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Huurmarkt voor 'happy few': vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald’ |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huurmarkt voor «happy few»: vierkantemeterprijzen verdubbeld en aanbod drastisch gedaald»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar de constatering dat de vierkantemeterprijzen zijn verdubbeld terwijl het aanbod is gedaald en er in het lage segment van de vrije huursector nauwelijks aanbod is?
In het artikel wordt gesteld dat het aanbod in de gehele vrije sector is afgenomen en dat via het platform Pararius vrijwel geen middenhuurwoningen meer te krijgen zijn, die worden aangeduid als «het lage segment». Hoewel Pararius niet representatief is voor de hele vrije sector, zie ook ik signalen dat er huurwoningen worden uitgepond – ook in het vrije segment. Dit was voorzien tijdens de invoering van de Wet betaalbare huur, maar is desondanks een beweging die ik wil afremmen. Daarom is het van belang de algemene investeringsbereidheid te verbeteren en ook zo snel mogelijk meer huurwoningen te bouwen. Om deze reden heb ik op 20 april aangekondigd de Wet betaalbare huur (Wbh) al voor de evaluatie te gaan optimaliseren.2 Met deze optimalisatie wordt het woningswaarderingsstelsel (WWS) gericht aangepast om zo verlichting te bieden op specifieke knelpunten die ervaren worden door vooral particuliere verhuurders. Deze maatregelen zijn ter advisering aangeboden aan de Raad van State met als doel ze per 1 januari 2027 in te voeren. Daarnaast bevat de optimalisatie het voorstel om de nieuwbouwopslag te verlengen met 4 jaar. Hiermee wil ik ontwikkelaars een meerjarige zekerheid bieden, en ervoor zorgen dat de middenhuurwoningen die wij zo hard nodig hebben ook daadwerkelijk worden gebouwd. In het kader van de Taskforce versnelling woningbouw kijk ik naar verdere maatregelen die hieraan bijdragen. Hierover wordt meer bekend na de zomer.
Is er volgens u een verband tussen de 65.000 woningen die zijn uitgepond afgelopen jaar en de stijging van de vierkantemeterprijs?
Uit cijfers van het Kadaster volgt inderdaad dat er afgelopen jaar ca. 65.000 woningen zijn verkocht door private verhuurders aan eigenaar-bewoners. De cijfers van het Kadaster betreffen alle huurwoningen in zowel het sociale-, midden- en vrije segment. De data van Pararius betreft een selectie van de woningen in het vrije segment. De woningen die na invoering van de Wet betaalbare huur in het middensegment zijn terecht gekomen, vormen dus geen onderdeel van deze cijfers. Daarnaast zit de vierkantemeterprijs al sinds 2015 in de lift.3 Deze stijgende trend is de aanleiding geweest voor de Wet betaalbare huur. Dit is het gevolg van algehele schaarste aan woningen.
Ik erken dat het uitponden druk zet op het aanbod aan huurwoningen. De reden dat verhuurders besluiten hun woningen te verkopen, is een combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro)-economische omstandigheden. Bij invoering van de Wet betaalbare huur is rekening gehouden met het gevolg dat huurwoningen verkocht worden, wat nu is terug te zien in de cijfers. Om bij te dragen aan een demping van het aantal uitpondingen, wordt de Wet betaalbare huur per 1 januari 2027 geoptimaliseerd.
Hoe verklaart u dat het aanbod verschuift naar het hogere segment en in het lagere segment nauwelijks woningen beschikbaar zijn?
De data van Pararius heeft betrekking op een beperkt deel van het aanbod aan huurwoningen, namelijk een deel van het vrije segment op basis van huurprijs. In deze vraag gaat het dan ook om het hogere en lagere segment binnen het aanbod op Pararius, dus enkel binnen de vrije sector. In het artikel stelt Jasper de Groot, oprichter van Pararius, dat het huidige aanbod op Pararius met name woningen met een hoge prijs zijn en dat er in het lagere segment (hij geeft als voorbeeld een middenhuurwoning) bijna niks beschikbaar is.
De Wet betaalbare huur is ingevoerd als gevolg van schaarste aan betaalbare, kwalitatieve huurwoningen. Deze woningen, die in het middensegment vallen, vormen echter niet allemaal onderdeel van de data van Pararius. De data van Pararius geeft dus geen beeld van de volledige huursector.
Ondanks dat de middenhuurwoningen op Pararius niet representatief zijn voor het landelijke aanbod, zie ik wel dat er al lange tijd een tekort is aan betaalbare middenhuur. Daarom optimaliseer ik vanaf 2027 de Wbh, neemt het kabinet maatregelen om de investeringsbereidheid te verbeteren met de Taskforce versnelling woningbouw, en blijven we ondertussen doorgaan met bouwen.
Bent u het eens dat met name door het aanbod te vergroten, de huurprijzen afnemen? Hoe beoordeelt u dit in lijn met de recente regulering waardoor huurprijzen juist zijn toegenomen?
In algemene zin onderschrijf ik het principe dat een groter aanbod zorgt voor lagere prijzen. Helaas zien we dat de krapte binnen de huursector al lange tijd toeneemt, ook vooraf aan de Wbh. Daarom stimuleer ik de nieuwbouw van middenhuurwoningen ook, bijvoorbeeld via de woningbouwimpuls (WBI) en Realisatiestimulans. Door de wijziging van het Europese DAEB Vrijstellingsbesluit zijn er meer mogelijkheden ontstaan om steun te verlenen voor (de bouw van) middenhuur woningen. Deze ruimte wil ik optimaal benutten. Het kabinet wil woningcorporaties betere financieringsmogelijkheden geven zodat zij vanaf 2029 de afgesproken bouw van 5.000 middenhuurwoningen per jaar gaan halen. De Woningwet zal hiervoor worden aangepast. Na de wetswijziging kunnen corporaties goedkoper geld lenen voor de bouw van middenhuurwoningen.
Om het woningtekort te verminderen zijn jaarlijks minstens 12.000 nieuwe middenhuurwoningen nodig. Dat lukt alleen als private investeerders ook middenhuur blijven bouwen. Om dit aantrekkelijker te maken neemt het kabinet ook voor hen maatregelen. Zo wordt de overdrachtsbelasting voor verhuurders volgend jaar verlaagd van 8 naar 7 procent, wordt de Wbh voor de evaluatie geoptimaliseerd en is het verbeteren van het investeringsklimaat onderdeel van de Taskforce Versnelling Woningbouw.
Vooraf aan de middenhuurregulering was te zien dat woningen bij een bewonerswisseling steeds vaker doorschoven naar het duurdere segment. Dat kwam omdat, als gevolg van toenemende krapte, huurwoningen die wel een middenhuurkwaliteit hadden steeds vaker voor meer dan een middenhuurprijs verhuurd werden. De Wbh is onder andere ingevoerd om te zorgen dat huurwoningen met een middenhuurkwaliteit voor een middenhuurprijs verhuurd worden. Voor middenhuurwoningen waarvan de huur verlaagd moet worden, kan het aantrekkelijk zijn voor de verhuurder om de middenhuurwoning te verkopen. Echter, als deze vooraf aan de Wbh niet voor een middenhuurprijs verhuurd werd, zie ik dit niet als een verloren middenhuurwoning, maar als een huurwoning die blijkbaar alleen voor een vrije segmenthuurprijs verhuurd kon worden.
Hoe bent u van plan regulering aan te passen zodat het weer aantrekkelijk wordt om een pand te verhuren? Welke prikkels wilt u op korte termijn toe passen bij verhuurders om te stimuleren dat men niet verkoopt, maar verhuurt?
Ik ben voornemens per 1 januari 2027 de optimalisatie van de Wbh in werking te laten treden. Hiermee wordt aan verhuurders op specifieke door hen aangegeven knelpunten verlichting geboden in de verhuur van gereguleerde huurwoningen. Deze maatregelen zijn bedoeld om bij te dragen aan een afremming van het uitpondeffect dat we nu zien.
Welke maatregelen bent u van plan te treffen op korte termijn om het investeringsklimaat op de huurmarkt te herstellen?
Ik erken dat er maatregelen genomen moeten worden om het investeringsklimaat te verbeteren. In lijn met het coalitieakkoord wordt de overdrachtsbelasting verlaagd van 8% naar 7% en wordt de opkoopbescherming fors ingeperkt. Daarnaast ligt het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voor in de Eerste Kamer, met een beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2028. Hierbij geldt voor vastgoed een vermogenswinstbelasting: er wordt pas belasting geheven op de waardestijging bij verkoop. Particuliere investeerders geven aan hier goed mee uit de voeten te kunnen. In september komt de Taskforce Versnelling Woningbouw met een integraal actieplan om het aanbod van betaalbare woningen toe te laten nemen. Het verbeteren van het investeringsklimaat voor zowel private partijen als corporaties is onderdeel hiervan.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zeker.
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?