De financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven door de weigerachtige houding van meerdere zorgverzekeraars om het ziekenhuis voldoende te financieren |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het ziekenhuis Bernhoven in de financiële problemen dreigt te geraken doordat zij minder zorg gericht op productie levert, maar passende zorg gericht op de patiënt als uitgangspunt?1, 2, 3
Bent u op de hoogte van het feit dat vijf zorgverzekeraars, te weten: Zilveren Kruis/Achmea, Menzis, ONVZ, ASR en Salland die samen een marktaandeel van twintig procent hebben in het werkgebied van Bernhoven, weigeren om – net als de andere zorgverzekeraars Bernhoven aanvullend te financieren zodat de financiële toekomst van Bernhoven kan worden gegarandeerd?
Bent u het ermee eens dat alle zorgverzekeraars gezamenlijk de plicht hebben het ziekenhuis Bernhoven langjarig voldoende te financieren om te voorkomen dat het ziekenhuis failliet gaat en/of gedwongen zou worden te fuseren met een ander ziekenhuis in de omgeving waardoor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg voor 280.000 patiënten in de regio Oss, Bernheze, Maashorst, Meijerijstad onder druk komt te staan?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is wanneer een ziekenhuis financieel gestraft wordt voor het inzetten op passende zorg, terwijl uw kabinet juist expliciet wil inzetten op passende zorg?
Deelt u de mening van uw voorganger dat de werkwijze van het ziekenhuis Bernhoven een voorbeeld is dat navolging verdient? Kunt u dit toelichten?4
Klopt het dat een aantal verzekeraars de gemaakte afspraken uit het continuïteitsplan uit 2024 niet nakomt? Kunt u dit toelichten?
Hoe groot is het risico dat een deel van de zorg uit het ziekenhuis Bernhoven zal verdwijnen?
Bent u bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen te bemiddelen dan wel in te grijpen bij het conflict tussen een aantal zorgverzekeraars en ziekenhuis Bernhoven om te komen tot een eerlijke en reële financiering door alle zorgverzekeraars waarbij enerzijds verkeerd uitpakkende productieprikkels worden vermeden en anderzijds het ziekenhuis langjarig financiële zekerheid kan worden geboden?
Bent u het ermee eens dat ten alle tijde moet worden voorkomen dat het ziekenhuis Bernhoven failliet gaat? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel als de toegankelijkheid van de zorg nog verder achteruitgaat?
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Toegang tot abortusmedicatie in de VS |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Met pillen kunnen vrouwen in de VS nu nog zelf kiezen voor abortus»?1
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat personen toegang hebben tot veilige abortuszorg? Deelt u de afschuw over het feit dat vrouwen in de Verenigde Staten (VS) in toenemende mate de toegang tot veilige abortuszorg wordt ontnomen?
Deelt u de zorgen dat anti-abortusbewegingen, ook in de EU en Nederland, vaak gesteund en soms zelfs gefinancierd worden door organisaties uit de VS? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat wij als Nederland, ook binnen de context van de EU, pal voor het recht op abortuszorg moeten staan?
Deelt u de analyse dat met een eventueel verbod op het middel mifepriston een chilling effect kan optreden en angst bij hulpverleners, met uiteindelijk ook als gevolg dat vrouwen, met name vrouwen in een kwetsbare positie, belemmerd worden in de toegang tot abortuszorg?
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten over het eventuele verbod? Zo ja, op welk niveau en wat wordt er in deze contacten gewisseld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassadeur over (toegang tot) abortuszorg en het mogelijke verbod op mifepriston?
Deelt u de mening dat Nederland een voortrekkersrol moet vervullen bij de bescherming en bevordering van de rechten, gezondheid en positie van vrouwen en meisjes wereldwijd? Kunt u toelichten welke concrete stappen u momenteel zet om deze rol invulling te geven, en welke aanvullende maatregelen of ambities u voor de komende periode voor ogen heeft?
Op welke concrete wijze wenst u uitvoering te geven aan de motie Kröger c.s. over zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve rechten en gezondheidszorg?
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden voor het besluit van het Hooggerechtshof met betrekking tot de verstrekking van mifepriston?
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.
De uitbraak van het Hantavirus |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u op dit moment de ernst en het potentiële risico van het Hantavirus voor de volksgezondheid?
Het andesvirus, een hantavirus, kan ernstige ziekte veroorzaken, namelijk het Hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS). In vergelijking met andere ziektebeelden veroorzaakt door hantavirussen die in Europa en Azië voorkomen, is HCPS een ernstiger ziektebeeld met hoge mortaliteit. Mensen kunnen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige long- en hartproblemen. Het risico voor de volksgezondheid hangt, naast de ernst van de ziekte, ook af van het risico op overdracht. Alhoewel het andesvirus het enige hantavirus is waarbij mens-op-mens overdracht is beschreven, komt infectie van mens op mens zeer weinig voor. Internationaal zijn slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens komt alleen voor als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben. Het risico voor de volksgezondheid wereldwijd wordt daarom door de World Health Organization (WHO) als «laag» ingeschat. Het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) schat het risico voor specifiek de EU in als «zeer laag». Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) sluit zich voor Nederland bij deze internationale inschatting aan en stelt dat het risico dat het virus zich in Nederland zal verspreiden heel klein is.
Zou u uiteen kunnen zetten hoe momenteel de prevalentie van het Hantavirus in Nederland concreet wordt gemonitord? Welke methodologieën worden daarbij toegepast?
De in Nederland voorkomende hantavirussen vallen onder de meldingsplicht groep C. Dit houdt in dat een patiënt gemeld moet worden aan de GGD. De GGD meldt dit aan het CIb en levert gegevens voor de landelijke surveillance. Bij elk bewezen autochtoon humaan geval wordt bronopsporing geadviseerd. Indien een bron gevonden is, kunnen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Het RIVM monitort via de meldingsplicht de aantallen ziektegevallen door orthohantavirussen in Nederland en brengt hierover onder andere jaarlijks verslag uit in de Staat van Zoönosen.Omdat het andesvirus alleen voorkomt bij een specifiek type rijstrat, een knaagdier dat alleen in Zuid-Amerika voorkomt, zijn er geen patiënten geweest die dit virus in Nederland hebben opgelopen. Het andesvirus is inmiddels aangewezen als meldingsplichtige infectieziekte groep A2, en moet bij vermoeden gemeld worden bij de GGD. Het RIVM houdt op deze wijze landelijk overzicht van eventuele verdere mens-op-mens verspreiding in Nederland.
Heeft u reeds de verschillende mogelijke methodologieën om de besmettingen met en de verspreiding van het Hantavirus te monitoren in kaart gebracht en/of externe expertise ingewonnen om deze methodologieën in kaart te brengen?
De WHO en het ECDC hebben advies uitgebracht over het in kaart brengen van de besmettingen en de verspreiding van het andesvirus naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. In Nederland baseren we ons, voor het beleid ten aanzien van de contacten, op deze adviezen. Ook voor het in kaart brengen van andere hantavirussen, die alleen van dieren op mensen worden overgebracht, handelt Nederland in lijn met internationale richtlijnen.
Welke methodologieën passen andere landen reeds toe?
Andere landen passen dezelfde methodologieën toe om de besmettingen met en de verspreiding van het hantavirus te monitoren. Daarover is in de afgelopen periode zeer intensief overleg geweest binnen de daarvoor bestemde coördinatiestructuren op EU-niveau en met de WHO.
Zijn er op dit moment meerdere varianten van het Hantavirus in omloop? Zo ja, welke varianten betreft het en in welke regio’s of landen worden deze vastgesteld?
Ja, er komen verschillende soorten hantavirussen voor in verschillende regio’s. Er zijn zo’n 60 verschillende hantavirussen bekend, waarvan er zo’n 30 kunnen worden overgedragen van knaagdier naar mens en ziekte kunnen veroorzaken.
In Nederland komen drie soorten hantavirussen voor die ziekte bij mensen kunnen veroorzaken. Deze worden door verschillende soorten knaagdieren overgedragen op mensen. Zo is het Puumalavirus afkomstig van rosse woelmuizen, het Seoulvirus van (tamme) ratten en het Tulavirus van veldmuizen. Van de drie in Nederland voorkomende hantavirussen worden de meeste mensen niet ziek. In 90% van de gevallen krijgt men hier geen klachten van. Als iemand wel ziek wordt, lijken de klachten vaak op griep. Hoe ernstig de klachten zijn, kan verschillen per virus en per individu.
In de rest van Europa komen ook andere hantavirussen voor. Deze geven in de meeste gevallen vergelijkbare klachten. Bij het dobravavirus, een variant die voorkomt in de Balkanlanden, wordt vaker het ernstigere ziekteverloop gezien. De sterfte aan de in Nederland voorkomende hantavirussen is erg laag, namelijk kleiner dan 1%.
Hantavirussen, zoals het andesvirus, die in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen, kunnen zorgen voor ernstigere ziekte. Hierbij kunnen mensen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige longproblemen en hartfalen. Er is sprake van hoge mortaliteit. Buiten Noord- en Zuid-Amerika komen deze hantavirussen niet voor, omdat de betreffende gastheerreservoirs alleen in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de besmettelijkheid van de verschillende varianten?
Het andesvirus is de enige variant van het hantavirus die van mens op mens overdraagbaar is. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens vindt alleen plaats als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben.
Welke cruciale kennis ontbreekt momenteel nog? Laat u bijkomend onderzoek uitvoeren naar die ontbrekende kennis?
Voor de aanpak van deze uitbraak is de huidige kennis afdoende. Eerdere uitbraken in Zuid-Amerika hebben laten zien dat met case opsporing en contact tracing een uitbraak snel onder controle gebracht kan worden. Daarnaast zijn, toen het schip voor anker lag bij de Kaapverdische eilanden op 4 en 5 mei 2026, epidemiologen van de WHO en het ECDC aan boord gegaan om de uitbraak te onderzoeken en meer inzicht te verkrijgen. Via monitoring en onderzoek wordt aanvullende kennis opgebouwd.
Bent u bekend met de casus van een Italiaanse man die in het ziekenhuis opgenomen werd met symptomen van het Hantavirus?1
Het mediabericht is bekend. Via officiële kanalen is hierover niets gemeld.
Beschikt u over meer informatie of deze man in contact is gekomen met de Nederlandse vrouw die met eenzelfde KLM-vlucht wilde meereizen en even later aan de gevolgen van het Hantavirus overleed? Wordt hier nader onderzoek naar gevoerd?
Deze informatie is niet bekend. Uit het feit dat er in het overzicht van ECDC geen informatie is opgenomen over een persoon uit Italië kan worden opgemaakt dat deze persoon niet besmet was.
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde varianten van mens op mens overdraagbaar zouden kunnen zijn? Zo ja, wat is hierover bekend? Welke acties onderneemt u om hierover meer kennis te vergaren?
Het andesvirus is het enige soort hantavirus, waarbij aanwijzingen zijn voor overdracht van mens op mens. Overdracht vindt waarschijnlijk plaats via direct speekselcontact, en mogelijk ook via druppels uit de neuskeelholte. De kans dat mensen elkaar besmetten, is klein. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van het andesvirus van mens op mens kan alleen gebeuren bij intensief en langdurig contact met een besmet persoon.
Hoe verloopt momenteel het bron- en contactonderzoek indien sprake is van een vermoedelijke of bevestigde besmetting?
Er loopt bron- en contactopsporing in relatie tot de uitbraak op het schip m/v Hondius. Hiervoor heeft het RIVM een speciale richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Beschikt Nederland momenteel over voldoende capaciteit om, indien noodzakelijk, snel en effectief bron- en contactonderzoek uit te voeren en op te schalen?
Ja, het andesvirus beschikt niet over de eigenschappen die kunnen leiden tot grote uitbraken. Het andesvirus verspreidt alleen van mens tot mens bij intensief en langdurig contact. Uitbraken die bekend zijn, zijn klein in aantallen en altijd gelinkt aan een specifieke setting zoals huishouden, ziekenhuis, verjaardag of zoals nu een cruiseschip. Daarnaast zijn maatregelen uit voorzorg genomen naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. Alle opvarenden van de m/v Hondius zijn ofwel in isolatie in het ziekenhuis, ofwel in quarantaine op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, ofwel in thuisquarantaine. Zij worden strikt gemonitord: de GGD is in direct, dagelijks contact met deze personen.
Kunt u stap voor stap toelichten welke procedures in werking treden wanneer iemand besmet blijkt te zijn? Welke stappen moeten besmette mensen en hun omgeving doorlopen?
Als iemand besmet blijkt te zijn met het andesvirus en voor de infectie kenmerkende klachten ontwikkelt, wordt de desbetreffende persoon opgenomen in een academisch ziekenhuis. De GGD voert bron- en contactopsporing uit bij de besmette persoon en plaatst diens hoogrisicocontacten zo nodig uit voorzorg in thuisquarantaine. Diagnose van de besmette persoon wordt vastgesteld binnen een paar uur bij het RIVM dan wel het Erasmus MC. Bij bevestiging van de diagnose wordt de quarantaine tot zes weken na het laatste onbeschermde contact gecontinueerd.
Tijdens thuisquarantaine gaat iemand thuis (of ergens anders) in quarantaine: bij gezondheidsklachten moet men meteen de GGD bellen. De GGD begeleidt de personen in thuisquarantaine en geeft advies op maat. Het doel van thuisquarantaine is het bewaken van de gezondheid van de mensen in quarantaine en hun naasten, en het voorkomen van verspreiding van infectieziekten.
Welke behandelmogelijkheden zijn momenteel beschikbaar of in ontwikkeling voor besmette patiënten? Zijn die van toepassing op verschillende varianten van het virus?
Er is geen geregistreerde behandeling of (internationale) richtlijn voor andesvirus-infecties. Bij mensen die met ernstige ziekte door het andesvirus in het ziekenhuis worden opgenomen, is de behandeling vooral gericht op het ondersteunen van de ademhaling en het voorkomen van andere complicaties. Er zijn meerdere antivirale middelen die werkzaam zouden kunnen zijn. Voor sommige middelen zijn er data over in vitro gevoeligheid of uit dierproeven. Wat dat betekent voor behandeling van mensen is nog niet bekend. Er zijn echter zeer weinig data over het effect van antivirale middelen bij andesvirus-infecties bij mensen, omdat deze variant zelden voorkomt.
Wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins of andere preventieve maatregelen om besmetting met het Hantavirus te voorkomen? Zo ja, welke rol speelt Nederland hierin?
Er zijn meerdere vaccins in ontwikkeling tegen hantavirussen. Deze vaccins zijn allemaal nog in een premature ontwikkelingsfase, zodat er geen vaccins zijn, behoudens vaccins in China en Zuid-Korea tegen de daar circulerende hantavirussen. Deze worden daar bij risicogroepen ingezet en werken niet tegen het andesvirus.
In Nederland gelden algemene preventieve maatregelen tegen besmetting met de in Nederland voorkomende varianten van het hantavirus. Voor het andesvirus heeft het RIVM een richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Werkt Nederland op het vlak van vaccins samen met andere Europese landen en Europese instellingen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit?
Op EU-niveau wordt informatie uitgewisseld over welke medische tegenmaatregelen ingezet kunnen worden om de verspreiding van andesvirus tegen te gaan. Het gaat dan om onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen, in combinatie met protocollen rondom het gebruik ervan. Ook wordt geïnventariseerd welke geneesmiddelen eventueel van meerwaarde zouden kunnen zijn voor bijvoorbeeld de behandeling van symptomen. Er zijn nog geen concrete stappen gezet op het gebied van vaccinontwikkeling.
Indien Nederland onderzoek naar vaccins mee financiert of faciliteert, welke voorwaarden zullen gesteld worden naar betaalbaarheid en beschikbaarheid van eventuele ontwikkelde vaccins?
Op dit moment is er geen specifiek onderzoek geïdentificeerd naar vaccins tegen het andesvirus waar vanuit Nederland of op EU-niveau financiering voor beschikbaar gesteld kan worden.
Welke internationale maatregelen worden genomen naar aanleiding van de huidige uitbraak van het Hantavirus en op welke manier draagt Nederland daaraan bij?
Nederland ondersteunt bij internationale uitbraken als die van het Hantavirus met het uitwisselen van kennis en informatie en het delen van ervaringen via de Health Security Committee, de ECDC en de WHO.
De bilaterale, Europese en internationale samenwerking is goed verlopen. Nederland is ook tevreden met de wijze waarop de WHO en de Europese Commissie de coördinatie hebben opgepakt. Nederland heeft via bilaterale samenwerking nauw samengewerkt met andere lidstaten, en dan met name Spanje. Dit gebeurde zowel via het postennetwerk als ook via het netwerk van het Health Security Committee (HSC). Op Europees niveau vonden bijna dagelijks bijeenkomsten plaats van dit comité onder voorzitterschap van de Europese Commissie. Ook zijn door de Europese Commissie bijeenkomsten georganiseerd met landen buiten de EU, die passagiers aan boord van de m/v Hondius hadden, om hen op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen en eventuele vragen te beantwoorden. Het Europese Uniemechanisme voor civiele bescherming, en in het bijzonder het Emergency Response Coordination Centre van de Europese Commissie, organiseerde daarnaast diverse overleggen om overzicht te creëren in de verschillende repatriëringsacties van de EU-lidstaten.
Daarnaast heeft het RIVM het Europese Unie referentielaboratorium voor de publieke gezondheid op het gebied van knaagdier-overdraagbare infectieziekten gesteund met adviezen en materialen, zodat zij centraal weer laboratoria in andere EU-landen kunnen steunen en heeft het RIVM laboratoria in andere landen voorzien van protocollen.
Kunt u reflecteren op de huidige positie van het kabinet ten aanzien van het internationale pandemieverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? In hoeverre verschilt de positie van dit kabinet ten aanzien van het pandemieverdrag van die van het vorige kabinet?
Het pandemieverdrag, waarover de onderhandelingen nog steeds gaande zijn, kan een belangrijke bijdrage leveren ten aanzien van het voorkomen van, en het vergroten van de paraatheid ten aanzien van uitbraken, ook die van virussen zoals het andesvirus. Het verdrag richt zich onder meer op het sneller delen van virusmateriaal en informatie tussen landen wereldwijd. Bij een situatie zoals die zich voordeed op het m/v Hondius, waarbij meerdere landen in Afrika en Europa betrokken zijn, kan dat bijdragen aan een beter begrip van de situatie. De bevestiging dat het hier ging om de andesvariant van het hantavirus werd al snel geleverd via een Zuid-Afrikaans laboratorium.
Het kabinet is van mening dat het pandemieverdrag een zinvolle bijdrage kan leveren aan pandemische paraatheid en hoopt daarom dat de definitieve tekst van het verdrag spoedig wordt afgerond. Deze virusuitbraak toont aan dat pandemische paraatheid onverminderd aandacht blijft vereisen.
In welke mate monitort Nederland virusuitbraken en opkomende infectieziekten in andere landen om vroeg geïnformeerd te zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s door ziektes die zich naar Nederland zouden kunnen verspreiden?
De internationale samenwerking rond surveillance is door de COVID-19-pandemie versneld en afspraken over het leveren van data hebben ook hier een meer verplichtend karakter gekregen. Nederland is nauw aangesloten op het internationale systeem van monitoring en surveillance van infectieziekten. Het RIVM is nationaal contactpunt voor het ECDC en neemt deel aan Europese surveillanceprogramma’s voor infectieziekten, zoals surveillance van antimicrobiële resistentie (EARS-Net), influenza (griep) en voedsel-gerelateerde infecties. Het RIVM staat, mede via de programma’s en systemen van het ECDC en de WHO, in nauw contact met volksgezondheidsinstituten in het buitenland. Bij het RIVM worden infectieziektesignalen uit binnen- en buitenland wekelijks besproken tijdens het Signaleringsoverleg, waaraan ook GGD’en deelnemen. De signalen vormen de basis van de opschalingsstructuur om waar nodig bestrijdingsmaatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen.
Voor bepaalde ziekteverwekkers, die worden overgedragen door vectoren zoals teken, muggen, knutten en zandvliegen of via voedsel (zoals Salmonella), is het RIVM door de Europese Commissie benoemd tot Europees referentie laboratorium (EURL) voor publieke gezondheid. Binnen deze referentienetwerken vindt veel uitwisseling plaats van kennis en nieuwe ontwikkelingen.
Ook neemt het RIVM deel aan Europese projecten betreffende gezamenlijke versterking van diagnostiek, surveillance/uitbraakdetectie, het delen van data en pandemische paraatheid. Dit gebeurt vaak vanuit de One Health-benadering. De WHO heeft binnen het RIVM meerdere zogenaamde samenwerkingscentra (Collaborating Centres) aangewezen die verschillende WHO-activiteiten ondersteunen. Hierin werken internationale partijen samen op het gebied van onder meer pokken, ziekteverwekkers in voedsel, antimicrobiële resistentie en water. Daarnaast is het RIVM WHO Collaborating Centre op het gebied van «laboratory preparedness and response to high risk pathogens and biorisk» en heeft het in die hoedanigheid de benodigde netwerken voor laboratorium signalering, expertise uitwisseling en ondersteunt het bij internationale uitbraken, bijvoorbeeld door referentiebepalingen, confirmatie van diagnostiek of het aanleveren van monsters. Tevens ondersteunt het RIVM de WHO bij de implementatie van de Internationale Gezondheidsregeling (IHR).
Welke bijdrage levert Nederland aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises en om behandelingen of preventieve maatregelen voor dergelijke gezondheidsrisico’s te ontwikkelen?
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises. De kern daarvan is dat Nederland internationale samenwerking, surveillance, kennisuitwisseling en financiering inzet om gezondheidscrises beter te voorkomen en te beheersen. Nederland heeft een kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie vastgesteld waarin extra nadruk ligt op versterking van gezondheidssystemen wereldwijd en voorbereiding op toekomstige pandemieën. Er gaat extra aandacht naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering, omdat die nieuwe infectie- en gezondheidsrisico’s kunnen vergroten. Het RIVM is betrokken bij Europese partnerschapsprogramma's en internationale onderzoeksprojecten, dat zich richt op pandemische paraatheid, en faciliteert daarnaast ook onderzoek naar infectieziekten en deelt kennis met andere partijen om effectieve preventie en behandeling te waarborgen. Het RIVM verzamelt en deelt tevens data over infectieziekten om deel te nemen aan internationale «datasharing» initiatieven die ook voor onderzoeksdoeleinden gebruikt worden. Deze initiatieven zijn cruciaal voor het voorkomen van uitbraken en het verbeteren van de gezondheidssamenwerking wereldwijd.
Ook heeft Nederland in de afgelopen jaren financieel bijgedragen aan het internationale pandemiefonds, dat zich richt op het versterken van preventie en paraatheid in met name ontwikkelingslanden, en aan CEPI, het internationale onderzoekcollectief dat onder meer vaccinontwikkeling bevordert rondom ernstige infectieziekten.
Kunt u reflecteren op de staat van de wereldwijde pandemische paraatheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsrisico’s in Nederland, inclusief Caraïbisch Nederland?
De COVID-19-pandemie heeft geleid tot een versterking van de nationale en internationale surveillance en samenwerkingsstructuren, die ervoor moeten zorgen dat grootschalige uitbraken voorkomen worden, en als ze voorkomen, dat ze snel gesignaleerd worden en dat de wereld beter voorbereid is ze in gezamenlijkheid te bestrijden. Nederland heeft daarin een actieve rol en stelt expertise beschikbaar.
De EU heeft de afgelopen jaren in de wetgeving, samenwerkingsverbanden en coördinatie versterkt op het gebied van pandemische paraatheid en respons en er is meer samenwerking en informatie- en data-uitwisseling op het gebied van hoogrisicopathogenen en bioriskmanagement. Op WHO-niveau is in 2024 naar aanleiding van de COVID-19-pandemie de Internationale gezondheidsregeling gewijzigd, die binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Ook de onderhandelingen over een specifieke bijlage bij het WHO-pandemieverdrag bevinden zich in een vergevorderd stadium.
Door deze versterkingen en initiatieven zijn de mondiale structuren op het vlak van pandemische paraatheid robuuster geworden. Dat neemt niet weg dat lidstaten individueel verantwoordelijk zijn en blijven voor het op peil houden van hun pandemische preventie, paraatheid en respons.
Met betrekking tot de pandemische paraatheid en de bestrijding van infectieziekten hebben in Caribisch Nederland de vier landen overeenstemming bereikt over de verdere ontwikkeling van de Dutch Caribbean Public Health Expertise Network (DuCaPHEN). Daarmee wordt de gezamenlijke inzet voor kennisuitwisseling en regionale coördinatie op het gebied van volksgezondheid versterkt. De landen hebben bovendien herbevestigd dat zij blijven streven naar geharmoniseerde wet- en regelgeving op het gebied van volksgezondheid in het Caribische deel van het Koninkrijk. De vier landen nemen stappen om de crisisparaatheid te verbeteren, wat cruciaal is om het Koninkrijk effectief en gecoördineerd op gezondheidscrises te laten reageren.
Welke rol ziet deze regering voor zichzelf in de versterking van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid?
De regering zet zich onverminderd in voor het versterken van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid. Dit doet zij door een actieve opstelling in de onderhandelingen rondom het pandemieverdrag alsook door actief bij te dragen aan verdere versterking en verbetering van de EU-samenwerking op het vlak van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Ook voert Nederland de Mondiale Gezondheidsstrategie uit, waar onder meer pandemische paraatheid en het versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur kernthema’s zijn, en draagt zij in multilaterale fora actief bij aan de verbetering van de mondiale gezondheidsarchitectuur, waarbij de samenwerking tussen overheidsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties, fondsen en andere partners beter op elkaar afgestemd moet worden.
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
De Google Spreadsheet waarnaar wordt verwezen is géén publicatie van het Ministerie van VWS, maar is door een X-gebruiker opgesteld op basis van een document dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) openbaar is gemaakt.2 Dit originele document bevat ook batchnummergegevens van coronavaccins.
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat uit het rapport van de GGD Zuid-Holland Zuid «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» blijkt dat in meerdere buurten van Dordrecht-West meer longkanker voorkomt dan het landelijke gemiddelde. Het kabinet begrijpt daarom de zorgen van de bewoners over hun gezondheid. Gezondheidsschade door schadelijke emissies in de leefomgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Het rapport bevat een belangrijk signaal. Het is ernstig dat longkanker bij bewoners van Dordrecht-West vaker voorkomt dan het landelijk gemiddelde. Het is goed dat de GGD hier aandacht voor vraagt. Het kabinet neemt dit signaal serieus. Het onderzoek wijst op blootstelling aan schadelijke stoffen in het verleden, waaronder op het werk, en op schadelijke emissies in het heden en op leefstijlfactoren, waaronder roken. Gelukkig is de situatie op het werk en in de leefomgeving sterk verbeterd ten opzichte van het verleden en is er breed ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken. Het kabinet werkt aan een gezonde leefomgeving en stuurt zoveel mogelijk op een verbetering van de leefstijl, onder meer door het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken.
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Het is niet precies te zeggen op hoeveel plaatsen in Nederland de situatie vergelijkbaar is met die in Dordrecht-West. Het RIVM meet in samenwerking met GGD’en en Omgevingsdiensten op een aantal plekken verspreid door Nederland de luchtkwaliteit. Informatie uit de metingen en uit berekeningen zijn openbaar te vinden op de websites van het luchtmeetnet2 en de Atlas Leefomgeving3. Het is bekend dat luchtvervuiling de belangrijkste van alle milieufactoren is die de gezondheid negatief beïnvloedt. Naast milieufactoren dragen ook persoonsgebonden factoren en gedrag bij. Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van de ziektelast in Nederland4.
Overal is de situatie anders en is die in het verleden ook anders geweest. De invloed van luchtverontreiniging is groter op plaatsen met veel verkeer en industrie in Nederland en waar emissies uit verschillende bronnen, onder meer uit de industrie, samenkomen. Voorbeelden zijn de IJmond en de regio Rotterdam.
De luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de op dit moment geldende EU-normen, en is daarmee op veel plekken op een goed niveau. Deze normen liggen momenteel nog boven het gezondheidskundig meest wenselijke niveau, zoals deze zijn vastgelegd in de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)5. Vanaf 2030 gelden dan ook nieuwe, aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, als gevolg van de in 2024 herziene richtlijn Luchtkwaliteit. Deze normen liggen een stuk dichter bij de advieswaarden van de WHO. Het is de inzet van het kabinet om in 2030 overal in Nederland aan deze nieuwe grenswaarden te voldoen. Daardoor zullen de gezondheidsrisico’s van luchtvervuiling verder afnemen.
Binnen Nederland werken sinds 2020 152 overheden (139 gemeenten, alle provincies en het Rijk) samen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Doel is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te bewerkstelligen, met name door het verlagen van emissies van luchtvervuilende stoffen, ook als al aan de huidige grenswaarden wordt voldaan. Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20246, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke voorwaarde bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt7. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
De GGD Zuid-Holland Zuid doet aanbevelingen, gericht op a) het verder verlagen van de emissies van vervuilende stoffen rond Dordrecht-West, b) aanvullende maatregelen in de woningen, zoals filters in ventilatiesystemen, c) maatregelen gericht op een prettige, gezonde en verkoelende leefomgeving, en d) maatregelen om roken te ontmoedigen. De gezamenlijke overheden geven hier op de volgende wijze invulling aan:
Deze aanpak richt zich op het meer houvast bieden voor het Rijk, provincies en gemeenten voor het treffen van maatregelen voor een gezonde luchtkwaliteit in zwaarder belaste gebieden, zoals omwonenden bij industrie.
Een door de GGD geopperde verlaging van de maximumsnelheid naar 80 kilometer per uur op de A16 en de N3, zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte invloed hebben op de luchtkwaliteit in Dordrecht-West. Emissies van personenauto's en vrachtverkeer op wegen met een maximumsnelheid van 100 km/u, zoals de A16 en de N3, verschillen niet of nauwelijks van emissies op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/u8. Emissies van het wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink gedaald, en met name emissies van NOx zullen in de komende jaren nog verder dalen. De concentraties van NO2 en fijnstof rond de A16 en N3 voldoen aan de huidige grenswaarden.
In 2030 zullen er op grond van de in 2024 herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit strengere grenswaarden gelden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht. Overheden nemen continu maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Om overal in Nederland aan deze nieuwe normen te kunnen voldoen, is richting 2030 nog extra inzet nodig. Dit zal ook ten goede komen aan de gezonde leefomgeving. Op dit moment wordt bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn.
In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden9, wordt via de verkenning positieve financiële prikkels in algemene zin onderzocht of het mogelijk is om bovenwettelijke maatregelen te nemen voor het terugdringen van negatieve gezondheidseffecten door de industrie financieel te ondersteunen. Het feit dat de GGD Zuid-Holland Zuid deze maatregelen als effectief aanwijst, zal in dit onderzoek worden meegenomen.
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
De maatregelen die genomen worden in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het halen van de aangescherpte grenswaarden uit de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit zullen de ziektelast van luchtverontreiniging in de nabije toekomst laten dalen. Dankzij die aanpak zullen mensen in Nederland, ook in Dordrecht-West, uiteindelijk langer en langer gezond leven.
Het is verder belangrijk te constateren dat mensen in lagere leefomgevingskwaliteit meer kans hebben op gezondheidsschade. Het is alle overheden er veel aan gelegen de gemiddelde leefomgevingskwaliteit in Nederland te verbeteren. De Omgevingswet is met deze insteek vormgegeven en dwingt alle overheden om expliciet rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners. Ook in Dordrecht-West zal een verbetering van de leefomgevingskwaliteit gezondheidswinst opleveren.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in om roken en vapen onder jongeren terug te dringen via voorlichting, normcampagnes, rook -en reclameverboden en beperking van verkooppunten. In algemene zin daalt het aantal rokers in Nederland al jaarlijks, helaas is het effect daarvan op het aantal mensen met longkanker pas na vele jaren merkbaar.
Het onderzoek van de GGD Zuid-Holland Zuid in Dordrecht-West, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) past in deze inzet. De thema’s waaraan het programma NPLV werkt in Dordrecht-West zijn het verkleinen van gezondheidsachterstanden en het investeren in goede woningen en een verbetering van de fysieke leefomgeving. Zowel landelijk als lokaal wordt aan deze uitdagingen gewerkt.
Als laatst heeft de gemeente Dordrecht de verantwoordelijkheid om onder de Wet Publieke Gezondheid elke vier jaar een nota gezondheidsbeleid op te stellen waarin de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd.
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 4a en 5.
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Bente Becker (VVD), Etkin Armut (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
Het artikel ‘Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: ‘Verzekeraars hebben te veel macht’ |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: «Verzekeraars hebben te veel macht»»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het zorgverzekeringsstelsel de manier waarop Bernhoven passende zorg levert juist zou moeten stimuleren? Zo ja, waarom lukt dit nu niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. De keuze van Bernhoven om de organisatiefocus volledig te richten op het implementeren van passende zorg is de weg die dit kabinet wil inslaan. We moeten leren van de lessen die zijn geleerd bij Bernhoven en veldpartijen aanmoedigen deze lessen te benutten.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan.
Ik heb uw Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Wat vindt u ervan dat het Bernhoven door deze financiële crisis nu financieel afhankelijk wordt van onder andere meer patiënten en goed moet kijken naar welke behandelingen of afdelingen meer geld opleveren? En wat zegt dit over ons zorgverzekeringsstelsel?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en kosten die de zorginstelling maakt. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren (kpi’s), die bijvoorbeeld gericht zijn op afspraken over passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Op welke manieren kan passende zorg worden gerealiseerd, zonder dat het systeem van betaling per patiënt op de schop gaat?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit, met passende zorg nu en in de toekomst. Zoals beschreven in voorgaande vragen kan in sommige gevallen de bekostiging knellen bij het leveren van passende zorg. De NZa onderzoekt daarom samen met veldpartijen welke verbeteringen er nodig zijn. Ook kijken de partijen hoe de huidige bekostiging van de medische-specialistische zorg de beweging naar passende zorg beter kan ondersteunen. Tegelijkertijd biedt de contractering veel ruimte om afspraken te maken over passende zorg, door bijvoorbeeld in te zetten op meerjarenafspraken, waarbij er uitgebreidere en meer inhoudelijke afspraken worden gemaakt dan alleen afspraken over de productie. Deze afspraken in de inkoop van zorg kunnen nu al met de huidige manier van bekostigen worden gemaakt en toegepast.
Deelt u de opvatting dat ziekenhuizen te afhankelijk zijn van zorgverzekeraars voor het maken van langetermijnafspraken? Zo nee, waarom niet?
Ziekenhuizen zijn voor hun inkomsten afhankelijk van zorgverzekeraars. Tegelijk hebben ze ook eigen beleidsruimte en andere vormen van financiering.
Het kabinet vindt het wenselijk dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen en wanneer dat nodig is. Daarom gaat het kabinet actiever sturen op de organisatie van zorg in de regio. De regionale plannen over het zorglandschap moeten daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio en moeten worden door vertaald in het inkoopbeleid. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat ze sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg. Daarvoor gaan we de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Wat kunt u doen om lange-termijnafspraken met ziekenhuizen te bevorderen?
Om lange-termijn afspraken te bevorderen zet het kabinet enerzijds in op een passend zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio. Anderzijds zet het kabinet in op de versterking van de rol van de zorgverzekeraars. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat zij sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg.
Wanneer er een gezamenlijke visie is over de toekomstige inrichting van het regionale zorglandschap en welke aanpak nodig is om dit toekomstbeeld te bereiken, dan is het uitgangspunt dat hier regionale afspraken over worden gemaakt vanuit een meerjarig perspectief.
De doorvertaling van deze regionale afspraken naar de zorginkoop is hierbij van groot belang en is een van de afspraken waar zorgverzekeraars en gemeenten zich in het IZA al aan hebben gecommitteerd.
Wat betekent het dat de financiële positie van het ziekenhuis Bernhoven van BDO een 2 uit 10 krijgt, voor het rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel?
De financiering van de werving en selectie als ook het opleiden en scholen van personeel is een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering in ziekenhuizen. Daar waar er sprake is van marktfalen bij opleiden, pakt het kabinet zijn rol op. Via het instrument van de beschikbaarheidsbijdrage stelt het kabinet opleidingsplaatsen beschikbaar voor een groot aantal (medische) vervolgopleidingen voor artsen, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel in het ziekenhuis (CZO opleidingen). Daarnaast stelt het kabinet via subsidieregelingen middelen beschikbaar voor het opleiden en ontwikkelen van zorgpersoneel in ziekenhuizen. Het betreft de middelen van de Subsidieregeling Strategisch Opleiden MSZ, en het Stagefonds tot en met schooljaar 2026/2027.
In reactie op deze vraag heeft Bernhoven bij het Ministerie van VWS aangegeven dat zij op dit moment geen knelpunten ervaren als het gaat om rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel. Zij kunnen vacatures bovengemiddeld goed invullen, er zijn weinig moeilijk invulbare vacatures en de uitstroom ligt op jaarbasis lager dan het gemiddelde op regionaal en landelijk niveau. Waar het gaat om opleiden en scholen van personeel geeft het ziekenhuis aan binnen de FZO-regio conform de regionale ramingen op te leiden en recent een jarenlange verlenging te hebben gekregen van de accreditatie van de CZO-opleidingen. Het ziekenhuis laat tot slot weten dat veel van de medewerkers aangeven dat zij heel bewust voor Bernhoven hebben gekozen vanwege de sterke focus op passende zorg, waarbij de patiënt en de mens achter de patiënt centraal staan.
Bent u het eens met de quote van de bestuursvoorzitter van Bernhoven: «De zorg wordt ook niet goedkoper van een fusie?»? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat fusies zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Zo kunnen fusies schaalvoordelen met zich meebrengen en daarmee de doelmatigheid van zorg vergroten. Soms is een fusie ook noodzakelijk om de continuïteit van zorg te borgen, waardoor de toegankelijkheid van zorg beter geborgd, terwijl hier mogelijk hogere kosten mee gemoeid zijn. Tegelijkertijd kunnen fusies ook risico’s met zich meebrengen. Zo kunnen er door een fusie onvoldoende keuzemogelijkheden overblijven voor de patiënt of kan een ziekenhuis een te sterke economische machtpositie verkrijgen.
Het is niet aan het kabinet om fusies te beoordelen, maar aan de NZa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijk toezichthouders. De NZa beoordeelt fusies op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) via de zorgspecifieke fusietoets (zft). Daarbij toetst de NZa een voorgenomen fusie op de continuïteit van cruciale zorg en de zorgvuldige betrokkenheid van cliënten, medewerkers en andere stakeholders. De ACM beoordeelt een voorgenomen fusie op grond van de Mededingingswet (Mw). Daarbij toetst de ACM op mogelijk concurrentiebeperkende effecten, zoals een vermindering van de keuzemogelijkheden en potentiële prijsstijgingen.
Het kabinet verwacht dat fuserende partijen – gegeven de beoordeling door beide toezichthouders – eerst zorgvuldig afwegen wat de gevolgen van een fusie zijn voor de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 22 april jl.4 is het kabinet daarnaast voornemens het fusietoezicht in de zorg en economie-breed aan te passen. Daarmee worden de toezichthouders beter in staat gesteld evident onwenselijke concentraties in de zorg tegen te houden (NZa) en eerlijke concurrentie economie-breed te bevorderen (ACM).
Bent u bereid de relevante scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting bij de lijst met ombuigingen 2026 (begroting 2027) aan te passen aan de huidige stand van onderzoek of hier het gesprek over aan te gaan met Minister van Financiën? Zo nee, waarom niet?
De lijst met ombuigingen is een ambtelijk product van het Ministerie van Financiën dat jaarlijks wordt geactualiseerd en een overzicht biedt van technische mogelijkheden om de overheidsuitgaven te verlagen (bezuinigingsmaatregelen). De ombuigingslijst is bedoeld ter ondersteuning van goed geïnformeerde besluitvorming en bevat geen oordeel over de politieke (on)wenselijkheid. De ombuigingslijst van 2026 is nog niet gepubliceerd, en ombuigingslijsten uit eerdere jaren bevatten geen algemene scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting. Wel zijn in ombuigingslijsten in eerdere jaren potentiële maatregelen opgenomen over concentratie en sluiting van SEH’s. Deze maatregelen worden beschreven op een hoog abstractieniveau. Wanneer daartoe aanleiding is, worden ombuigingsmaatregelen uit eerdere jaren als vanzelfsprekend geactualiseerd op basis van de meest recente inzichten.
Kunt u voorafgaand aan het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel aangeven op welke manieren het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel impliciet en expliciet stuurt op volume, concentratie en schaalvergroting van basis of reguliere zorg, onder andere aan de poort of via normen bij de ambulance?
Binnen het Nederlandse zorgstelsel wordt op verschillende manieren, zowel impliciet als expliciet, en door verschillende partijen (ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid), gestuurd om te komen tot een inrichting van een zorglandschap waarin de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van zorg worden geborgd. Voor dit kabinet is passende zorg daarbij nadrukkelijk het uitgangspunt en de norm. Een belangrijke rol bij de inrichting van het zorglandschap en de beweging naar passende zorg is weggelegd voor zorgverzekeraars, bij wie de zorgplicht is belegd. Via de contractering sturen zij op doelmatigheid, kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. Het kabinet wil deze rol versterken door zorgverzekeraars meer mogelijkheden te geven om niet-passende zorg niet langer te contracteren of te vergoeden, zodat zij gerichter kunnen sturen op passende zorg en toekomstbestendige toegankelijkheid. Het kabinet gaat de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Naast zorgverzekeraars hebben ook de medische beroepsgroepen een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij bepalen via richtlijnen en kwaliteitsnormen wat goede en passende zorg is. Dit resulteert vervolgens in regionale werkafspraken (onder andere op ROAZ-niveau), waardoor bijvoorbeeld een ambulance weet bij welke poort zij een patiënt met een specifieke ingangsklacht het beste kunnen presenteren, zodat betreffende patiënt meteen de juiste zorg ontvangt. Het kabinet stelt daarbij scherpere eisen aan de totstandkoming en actualisatie van deze normen, zodat duidelijker wordt welke zorg wel en niet passend is.
De beweging naar passende zorg vertaalt zich verder in de inrichting van het medisch zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio:
Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen.
Hoe wordt «overheidsregie op spreiding», afkomstig uit het regeerakkoord, vormgegeven, zowel voor de acute of de planbare zorg? Welke nieuwe instrumenten worden hiervoor ingezet en hoe dragen die bij aan spreiding van reguliere zorg?
Zie antwoord vraag 10.
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Kanker is een ingrijpende en nare ziekte. Het is belangrijk dat ex-kankerpatiënten niet onnodig lang met deze nare periode uit hun leven worden geconfronteerd. Zij moeten die periode kunnen afsluiten, ook bij het aangaan van een verzekering. Daarom heeft het Ministerie van Financiën in 2021 de schone-lei regeling geïntroduceerd, zodat ex-kankerpatiënten na verloop van tijd geen last meer hebben van hun medische verleden bij het aanvragen van verzekeringen. Het ministerie zet zich er hiermee voor in dat zoveel mogelijk ex-kankerpatiënten toegang krijgen tot overlijdensrisicoverzekeringen en dat hun ziektegeschiedenis ook de voorwaarden van die verzekering zo kort mogelijk beïnvloedt.
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Er vindt momenteel overleg plaats tussen artsen en onderzoekers, patiëntorganisaties en verzekeraars. De betrokken partijen zijn de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK), Integraal Kankercentrum Nederland, Nederlands Kankerinstituut/Erasmus MC/Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis, het AYA Zorgnetwerk, Stichting Jongeren en Kanker en het Verbond van Verzekeraars. Zij bekijken gezamenlijk of nieuw onderzoek aanleiding geeft tot wijziging van de termijnen uit de schone-lei-regeling. Mijn ministerie wordt op de hoogte gehouden van hun overleg en monitort de voortgang.
Indien uit de gesprekken blijkt dat de schone-lei-regeling moet worden aangepast, dan zal ik daar het initiatief toe nemen.
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Op basis van de schone-lei-regeling is het mogelijk om voor specifieke vormen van kanker een kortere termijn dan de standaard tien jaar te hanteren waarna de ex-kankerpatiënt zijn of haar doorgemaakte kanker niet hoeft te vermelden. De exacte duur van die termijnen volgt uit afspraken tussen representatieve organisaties van patiënten (NFK) en verzekeraars (Verbond van Verzekeraars). Het wijzigen daarvan gaat niet via herziening van de wettelijke regeling maar door aanpassen van de afspraken tussen deze partijen zelf. Zij hanteren daarbij als uitgangspunt dat een herziening plaatsvindt eens in de drie jaar, of zoveel sneller als de nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven.
Zodra deze partijen overeenstemming bereiken over eventuele wijzigingen dan kan daar praktische uitvoering aan worden gegeven binnen zes tot negen maanden. Deze tijd is nodig processen en beleid van verzekeraars hierop aan te laten passen.
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Er zijn onder de schone-lei-regeling verschillende type kanker aangewezen waarvoor een kortere termijn dan tien jaar geldt, waaronder ook huid-, schildklier- en zaadbalkanker. De vraag is nu of op basis van nieuw wetenschappelijk onderzoek de lengte van die termijnen voor deze kankersoorten mogelijk moet worden aangepast en of nieuwe kankersoorten kunnen worden toegevoegd. Deze typen kanker komen dus zeker aan bod in de gesprekken tussen de verschillende experts.
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Het is voor ex-kankerpatiënten van groot belang om weer toegang te krijgen tot betaalbare verzekeringen. Op die manier kunnen zij hun ziekteperiode volledig achter zich laten. Juist dat is de reden dat het Ministerie van Financiën de schone-lei-regeling heeft geïntroduceerd. Voor het goed functioneren van het stelsel van verzekeringen, is het echter ook nodig dat verzekeraars een inschatting maken van de waarschijnlijkheid dat schade optreedt en zij als gevolg daarvan een uitbetaling moeten doen. Wanneer zij bepaalde feiten of omstandigheden niet kunnen meewegen in hun acceptatieproces dan hebben zij een minder compleet beeld van de risico’s die zijzelf lopen en zijn dus minder goed in staat om een gezonde en stabiele financiële positie te waarborgen, die nodig is om zoveel mogelijk Nederlanders een goede verzekering te kunnen bieden.
Solidariteit is een belangrijke pijler van het verzekeringsstelsel. Daarbij is het uitgangspunt dat iedereen vooraf een relatief gelijk risico heeft. Als er sprake is van hogere risico’s is het in het verzekeringsstelsel gebruikelijk dat daar hogere premies tegenover staan.
De schone-lei-regeling borgt dat ook ex-kankerpatiënten kunnen rekenen op de solidariteit van het verzekeringsstelsel, op het moment dat voor hen geen hoger risico meer geldt. Op basis van de schone-lei-regeling is het definitief verboden voor verzekeraars om na een bepaalde periode de doorgemaakte kanker in hun risicobeoordeling te betrekken. Dat is een belangrijke mijlpaal in de zekerheid voor deze ex-kankerpatiënten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Op dit moment kunnen ex-kankerpatiënten onder meer informatie inwinnen via de website van kanker.nl3, de website van NFK4 en de website van het Verbond van Verzekeraars5. Hier kunnen zij bijvoorbeeld een checklist invullen om te bepalen of het in hun situatie nodig is om te melden dat zij kanker hadden.
De NFK en het Verbond van Verzekeraars hebben beide te kennen gegeven dat zij bereid zijn om, waar mogelijk samen, te kijken of er mogelijkheden zijn om de bekendheid van de regeling vergroten.
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Ja, daar ben ik het mee eens. Bij het afsluiten van een verzekering waar een medische keuring voor nodig is, wordt van de verzekeringsnemer gevraagd om een gezondheidsverklaring in te vullen. Dit gebeurt via een standaardmodel gezondheidsverklaring waarin ook wordt genoemd dat een doorgemaakte kanker niet in alle gevallen gemeld hoeft te worden. In de standaardtoelichting worden daarbij zowel de algemene termijnen van tien en vijf jaar als de verkorte termijnen per type kanker uit de schone-lei-regeling weergegeven.
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ex-kankerpatiënten zouden hierbij gebaat zijn. Het Verbond van Verzekeraars gaat hierover de komende tijd in gesprek met haar leden om te kijken of dit mogelijk is. Het doel is om te bezien in hoeverre verzekerden geholpen kunnen worden die bij afsluiting van hun verzekering nog niet onder de regeling vielen.
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat het voor ex-kankerpatiënten frustrerend is dat zij met hun ziekteverleden worden geconfronteerd indien een overlijdensrisicoverzekering moet worden afgesloten. Doel van de schone-lei-regeling is om dit tot een minimum te beperken. Ex-kankerpatiënten kunnen gelukkig bij een deel van de hypotheekverstrekkers terecht zonder een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Ik zie op dit moment daarom onvoldoende aanleiding om dergelijke nieuwe regels te introduceren.
Het bericht ‘Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro’: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro»: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vindt u het onwenselijk dat als een ziekenhuis om niet-medisch noodzakelijke redenen een patiënt een nacht langer laat liggen en daarmee 12.000 euro extra kan declareren terwijl de nacht in werkelijkheid maar een paar honderd euro kost? Zo nee, waarom niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. We willen de voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak. We willen bijsturen waar dat nog niet zover is. De ruimte om niet mee te doen aan passende zorg wordt verkleind. Het kabinet vindt het dan ook onwenselijk als er niet-passende zorg wordt geboden, om welke reden dan ook. Niet-passende zorg is niet alleen niet wenselijk voor de patiënt en zorgprofessional, het leidt ook tot hogere zorgkosten en daarmee een hogere zorgpremie.
Daarom heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel van het passende zorg als norm maken wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over de zorginhoud van passende zorg, de rol van zorgaanbieders, de rol van zorgverzekeraars en over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Staat u achter het principe van «passende zorg»? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet staat achter dat principe, zoals ook toegelicht in het vorige antwoord.
Deelt u de mening dat de manier waarop ziekenhuizen worden gefinancierd slecht aansluit op het principe «passende zorg» en leidt tot perverse prikkels? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden voor partijen ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en de kosten van de zorginstelling. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren(kpi’s), die gericht kunnen zijn op passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Bent u van mening dat de financiële zekerheid voor de regionale ziekenhuizen vergroot moet worden? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland, ongeacht woon- of verblijfplaats, toegang heeft tot goede zorg. Toegankelijke medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Regionale ziekenhuizen vervullen een belangrijke rol in het zorglandschap. In het AZWA is afgesproken dat aanbieders in een regio samenwerken in netwerken, waarbij de ziekenhuizen hun aanbod en hun huidig en toekomstig portfolio op elkaar afstemmen, zodat het regionale zorgaanbod ook in de toekomst aansluit op de zorgbehoefte in de regio en optimaal gebruik wordt gemaakt van regionaal beschikbare kennis, capaciteit en infrastructuur. Het is aan verzekeraars en aanbieders om via de contractering onder meer passende financiële afspraken te maken.
Staat het doel van de invoering van de budgetbekostiging seh nog overeind, namelijk meer financiële zekerheid voor regionale ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de invoering van budgetbekostiging SEH is een bijdrage leveren aan de transitie van de organisatie van acute zorg die nodig is om de acute zorg ook in de toekomst voor patiënten toegankelijk en van goede kwaliteit te houden. De invoering van budgetbekostiging voor de SEH gebeurt in stappen. Per 1 januari 2027 wordt de eerste stap gezet, waarna de bekostiging verder zal worden doorontwikkeld. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat de invoering macro budgetneutraal plaatsvindt.
Doordat ziekenhuizen bij de huidige bekostiging een directer financieel belang kunnen hebben bij het behandelen van patiënten op de SEH, kan het moeilijker zijn om regionale afspraken te maken over samenwerking en bijvoorbeeld het verplaatsen van zorg naar een beter passende plek in de spoedzorgketen zoals van de SEH naar de huisartsenspoed-post. Binnen de acute zorg worden de ambulancezorg en de huisartsenspoedposten al op basis van een budget bekostigd. Budgetbekostiging voor de SEH kan de productieprikkel verminderen, de ketensamenwerking bevorderen en daarmee een doelmatige inzet van schaarse capaciteit beter ondersteunen. En vanwege de garantie van een budget, biedt budgetbekostiging meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen om in een passend zorgaanbod op de SEH te kunnen voorzien.
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.