Gedwongen uithuisplaatsingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven bij hoeveel procent van de gedwongen uithuisplaatsingen (bijvoorbeeld afgelopen jaar) minstens één van de ouders door de strafrechter (al) veroordeeld is voor (een vorm van) kindermishandeling en indien u hiertoe niet in staat bent, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten verrichten en zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport tijdens de begrotingsbehandeling van 4 maart 2026 heeft toegelicht, beschikken wij niet over de gevraagde gegevens. Ook acht ik nader onderzoek hiernaar niet zinvol. Naast kindermishandeling zijn er meer situaties die een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen voor een kind en daarmee een grond kunnen zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing
Een tekort aan niet-westerse donoren. |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Marlons enige kans op genezing is een niet-westerse donor, en daar is een tekort aan», waaruit blijkt dat er een tekort is aan niet-westerse donoren?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat er een tekort is aan niet-westerse donoren?
Ja. Het kabinet is van mening dat het belangrijk is om zoveel mogelijk patiënten te kunnen helpen bij het vinden van een match met een geschikte donor. Om het succes van bepaalde behandelingen met lichaamsmateriaal te vergroten moet de donor matchen met de patiënt.
Het hebben van dezelfde afkomst tussen een donor en een patiënt is zeer bepalend voor het vinden van een goede match en daarmee de overlevingskansen van de patiënt. Afkomst speelt een belangrijke rol bij succesvolle bloedtransfusie en stamcel- en orgaantransplantatie, omdat de kans op een succesvolle match tussen een donor en een patiënt groter is wanneer deze genetisch op elkaar lijken. De biologisch-medische kenmerken passen dan beter bij elkaar. Met een meer divers donorbestand wordt de kans op een match en daarmee de overlevingskansen voor patiënten vergroot.
Patiënten met een niet-westerse afkomst vinden op dit moment minder snel een match dan andere patiënten, omdat er minder donoren met een niet-westerse afkomst zijn. Het minder snel vinden van een match heeft een negatieve invloed op de gezondheid en overlevingskansen van deze patiënten. Om te zorgen dat iedereen gelijke kansen heeft op goede zorg is het dan ook belangrijk dat de donorbestanden voldoende divers zijn.
Wat wordt er op dit moment gedaan door het Ministerie van VWS om het tekort aan niet-westerse donoren te verkleinen?
Om de diversiteit in de donorbestanden te vergroten, is voor de periode 2023 tot 2027 een subsidiebedrag van € 2,1 miljoen beschikbaar gesteld aan Matchis (stamcellen), Sanquin (bloedproducten) en de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS, organen en weefsels). VWS heeft aangestuurd op samenwerking van deze partijen zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de onderlinge expertise en ervaringen.
Met de subsidiegelden die beschikbaar zijn gesteld, zijn onder andere de volgende activiteiten gefinancierd:
In Nederland geldt dat, om in aanmerking te komen voor vergoeding van (zorg)kosten bij orgaandonatie bij leven (nier, deel van lever) en stamceldonatie, de donor geen Nederlandse zorgverzekering hoeft te hebben. Ook hierdoor worden drempels bij het vinden van een niet-westerse donor (bijvoorbeeld een familielid in het buitenland) weggenomen. De zorgkosten van een buitenlandse donor worden vergoed onder voorwaarde dat de transplantatie plaatsvindt in Nederland of in een land dat lid is van de Europese Economische Ruimte.
Kosten kunnen ook vergoed worden wanneer de transplantatie plaatsvindt in het land waar de donor woont, mits de donor verwant is aan de patiënt. Dit kan helpen bij het vinden van een niet-westerse donor. Ook de onkosten van een donor uit het buitenland kunnen worden vergoed, bijvoorbeeld de vervoerskosten naar Nederland.
In hoeverre is er sprake van ongelijke overlevingskansen tussen patiëntengroepen?
Het vinden van een goede match is voor bepaalde patiëntengroepen lastiger doordat de donorbestanden onvoldoende divers zijn. Dit heeft invloed op de overlevingskansen van deze patiënten. Wat de exacte invloed van het gebrek aan diversiteit van de donorbestanden is op overlevingskansen van verschillende patiëntengroepen, is niet bekend.
Welke belemmeringen ervaren mensen met een migratieachtergrond bij het registreren als donor?
Over de belemmeringen die mensen met een migratieachtergrond ervaren bij het registreren als donor na overlijden is weinig bekend. Als het gaat om donatie bij leven blijkt uit recente onderzoeken2 dat bereidheid tot doneren onder Nederlanders van Marokkaanse en Surinaamse afkomst toeneemt als hun kennis en bewustwording over donatie bij leven wordt verhoogd. In het onderzoek onder Nederlanders van Marokkaanse afkomst gaf deze groep aan belang te hechten aan betrouwbare informatie, religieuze legitimiteit (hoe verhoudt een religie zich tot donatie) en voorlichting via professionals, moskeeën en rolmodellen binnen de gemeenschap. In het onderzoek onder Nederlanders van Surinaamse afkomst gaf deze groep aan belang te hechten aan duidelijke, herkenbare en breed gedeelde informatiecampagnes waarbij de nadruk ligt op de noodzaak van donatie en het belang van matching. Ook hechten zij aan betrouwbare communicatie vanuit de gemeenschap.
Welke concrete stappen worden genomen om deze drempels weg te nemen?
Met ondersteuning van VWS hebben stichting Matchis, Sanquin en de NTS de campagne «Donor van Ons» opgezet. Deze campagne heeft als doel de bewustwording bij Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond te vergroten over het belang van afkomst bij bloed-, stamcel-, orgaan- en weefseldonatie en de gevolgen van hun ondervertegenwoordiging in de donorbestanden. Deze organisaties hebben in de afgelopen jaren ook ieder afzonderlijk campagnes gevoerd die gericht waren op specifieke doelgroepen.
Hoe effectief is de huidige internationale samenwerking bij het vinden van matches? Zijn er mogelijkheden om deze databanken verder uit te breiden of beter toegankelijk te maken?
Bij het toewijzen van organen werkt Nederland samen met zeven Europese landen: België, Duitsland, Hongarije, Kroatië, Luxemburg, Oostenrijk en Slovenië. Deze landen zijn aangesloten bij Eurotransplant. Eurotransplant houdt bij de toewijzing van organen rekening met verschillende kenmerken van donor en ontvanger, zoals bloedgroep en weefseltype. Omdat er gewerkt wordt met één donor meldsysteem en één centrale wachtlijst is de kans op het vinden van een goede match groter. Een goede match zorgt ervoor dat uitkomsten van transplantaties gunstiger zijn. Bovendien heeft de patiënt bij een betere match na de transplantatie een betere kwaliteit van leven.
Voor bloeddonatie is Sanquin nauw aangesloten bij het internationale netwerk van bloedbanken. Deze internationale route is vooral beschikbaar in noodgevallen. In de zoektocht naar zeldzame bloedgroepen is het noodzakelijk om binnen Nederland in het donorbestand voldoende donors met zeldzame bloedgroepen te hebben.
Voor stamceldonatie is internationale samenwerking onmisbaar voor het vinden van voldoende matches voor patiënten in Nederland. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een wereldwijde donorbank met 43 miljoen potentiële donoren. De meeste stamceldonoren voor Nederlandse patiënten zijn afkomstig uit Duitsland. Er is internationaal ook ondersteuning via de World Marrow Donor Association waarvan Matchis een actief lid is. Voor bepaalde groepen patiënten in Nederland biedt de huidige internationale samenwerking onvoldoende kans op het vinden van een goede match. Dit is één van de redenen waarom er nu donorwerving in de Caribische regio wordt opgezet.
Hoe wordt de effectiviteit gemeten van de campagne «Donor van Ons» van Matchis, Sanquin en de Nederlandse Transplantatie Stichting, en in hoeverre blijkt uit die metingen dat de campagne aantoonbaar doelgroepen met een diverse (niet-westerse of gemengde) achtergrond bereikt?
De campagne Donor van Ons is een campagne die gericht is op bewustwording, niet op werving van donoren. Om een beeld te vormen van het effect van de campagne is en wordt door Matchis, Sanquin en de NTS voorafgaand aan en tijdens de campagne een nul- en één-meting uitgevoerd onder de doelgroepen. Deze online metingen richten zich op kennisvragen over doneren en het belang van afkomst bij het vinden van een donormatch.
De effectiviteit van de campagne zelf wordt gemeten door middel van bereik, unieke impressies en interactie van de social mediacampagne. Daarnaast worden de effecten van influencer-inzet, bereik via out of home reclame (metro, abri’s) en gegenereerde media-aandacht gemeten. De campagne is op dit moment nog niet afgerond. Nadat de campagne afgerond is, zal VWS deze samen met Matchis, Sanquin en de NTS evalueren.
Overweegt u aanvullende beleidsmaatregelen om de diversiteit in donorregistraties structureel te vergroten?
Na afronding van alle in de periode 2023 tot 2027 geplande activiteiten en afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie van de campagne Donor van Ons zal, op basis van de resultaten hiervan, worden bezien of eventuele aanvullende maatregelen op dit onderwerp nodig zijn.
Het bericht ‘Gegijzeld tijdens de nachtdienst’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemde uitzending?1
Ja, ik ben bekend met bovengenoemde uitzending.
Hoe oordeelt u over het bericht dat drie van de vier zorgverleners te maken krijgt met agressie op het werk?
Elk incident van agressie tegen een zorgverlener is er één te veel. Ik vind het zorgwekkend dat een aanzienlijk deel van de professionals in de sector hiermee geconfronteerd wordt. Zorgverleners moeten hun werk te allen tijde veilig kunnen doen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat veel zorgverleners, die een incident hebben meegemaakt, zich in de steek gelaten voelen door hun werkgever?
Het signaal dat zorgverleners zich na een incident onvoldoende gesteund voelen door hun werkgever vind ik zorgelijk. Incidenten kunnen een grote fysieke en emotionele impact hebben op zorgverleners, waardoor goede opvang en nazorg van groot belang zijn.
Werkgevers hebben op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. Dit betekent dat zij beleid moeten voeren om arbeidsrisico’s, zoals agressie en psychosociale arbeidsbelasting, te voorkomen of te beperken. Werkgevers zijn verplicht maatregelen te nemen om deze risico’s te verminderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet erop toe dat werkgevers de Arbowet naleven.
Hoe oordeelt u over het bericht dat goede nazorg vaak uitblijft en afhankelijk lijkt van de werkgever, of zelfs de leidinggevende?
Zoals hierboven gezegd, goede opvang en nazorg zijn cruciaal. Het is zeer onwenselijk als dit uitblijft of als een werkgever hier onvoldoende aandacht voor heeft.
In de sector zie ik gelukkig goede voorbeelden van werkgevers die aandacht hebben voor de opvang en nazorg bij agressie en hier passend beleid op voeren. Voor werkgevers zijn materialen beschikbaar die hen helpen bij het opstellen van goed beleid op dit gebied. Bijvoorbeeld het Handboek Veilige zorg (te vinden op de websites van de O&O-fondsen van de ziekenhuizen, UMC’s, VVT en GGZ) of De complete agressie-aanpak (te vinden op de websites van de arbeidsmarktplatforms voor jeugdzorg en sociaal werk).
Hoe oordeelt u over het bericht dat ook financiële steun voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt vaak uitblijft?
Welke maatregelen worden nu genomen om trauma bij zorgverleners te voorkomen?
De maatregelen die worden genomen verschillen per werkgever. In grote lijnen begint de zorg na een incident met intercollegiale opvang en/of opvang door de leidinggevende. Een tweede stap is een nazorgteam, een bedrijfsopvangteam (BOT), opvang door bedrijfsmaatschappelijk werk of de arbo-arts. Dit kan zowel intern als extern belegd zijn. De laatste stap is de gespecialiseerde opvang. Soms kiest een slachtoffer ook voor een andere route, bijvoorbeeld voor lotgenotencontact.
Bent u bekend met de anti-PTSS-programma’s, zoals die bij de politie bestaan?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het absoluut nodig is dat er dergelijke uniforme afspraken worden gemaakt voor werknemers in de zorg die slachtoffer worden van een incident? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is van groot belang dat werkgevers medewerkers beschermen tegen het oplopen van PTSS op het werk. Behalve preventie van agressie zijn daarbij ook opvang en nazorg van belang. Het is daarbij ook van belang dat werkgevers oog hebben voor de risico’s voor het ontwikkelen van PTSS. Ik laat het aan de werkgevers en hun brancheorganisaties om te bepalen in hoeverre het daarvoor noodzakelijk is dat er uniforme afspraken worden gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat werknemers in de zorg extra risico lopen, omdat zij bijvoorbeeld ook meer in aanraking komen met het toenemend aantal verwarde personen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In bepaalde delen van zorg en welzijn komt (fysieke) agressie vaker voor, bijvoorbeeld voortkomend uit het ziektebeeld van patiënten. Dit kan ervoor zorgen dat medewerkers in specifieke branches risico lopen op het meemaken van agressie en het ontwikkelen van psychosociale klachten.
Zou de expertise van ARQ ingezet kunnen worden voor de zorgsector?2
Ja, dat kan. Werkgevers kunnen ARQ inschakelen voor diverse diensten. In 2023 heeft ARQ de Richtlijn psychosociale ondersteuning zorgprofessionals gepubliceerd.
Welke maatregelen gaat u nemen om de nazorg voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt, te verbeteren en te borgen?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 hebben werkgevers op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers.
Ik ondersteun werkgevers hierbij door:
Het tekort aan SEH-artsen en het niet volledig opvolgen van het advies van het Capaciteitsorgaan |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VWS-plannen voor SEH-artsen vallen Yara Basta rauw op haar dak»?1
Ja.
Klopt het dat het Capaciteitsorgaan in december 2025 heeft geadviseerd om het aantal opleidingsplaatsen voor SEH-artsen te verhogen van 40 naar 60 per jaar, en dit advies slechts gedeeltelijk wordt overgenomen, resulterend in circa 50 opleidingsplaatsen voor 2027?
Nee dat is onjuist. De besluitvorming over het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 zal later dit jaar plaatsvinden. Naar verwachting wordt de Tweede Kamer in het tweede kwartaal geïnformeerd door middel van de kabinetsreactie op de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor de periode 2027–2030. Het kabinet kan niet vooruit lopen op de budgettaire besluitvorming. Dit misverstand is ontstaan omdat VWS, op verzoek van Stichting BOLS die jaarlijks advies uitbrengt over de verdeling van de opleidingsplaatsen, richtinggevende instructies heeft gegeven voor 2027. Omdat het kabinet niet vooruit kan lopen op budgettaire besluitvorming, zijn deze instructies gericht op de huidige financiële kaders. Met deze instructies kon BOLS alvast een start maken met het toewijzingsjaar 2027.
Waarom wijkt u af van het advies van het Capaciteitsorgaan, terwijl dit orgaan een bredere en meer realistische raming hanteert waarin ook zogenoemde «verborgen vacatures» zijn meegenomen?
Zie antwoord op vraag 2.
In hoeverre is het besluit om het aantal opleidingsplaatsen te beperken ingegeven door budgettaire kaders in plaats van zorginhoudelijke noodzaak?
Zie antwoord op vraag 2.
Erkent u dat het zichtbare aantal vacatures een onderschatting vormt van het werkelijke tekort, en dat beleid dat daarop wordt gebaseerd structureel te laag uitvalt?
Het ramingsmodel van het Capaciteitsorgaan omvat een breed palet aan parameters en brengt de benodigde capaciteit aan zorgprofessionals integraal in beeld. De raming is niet uitsluitend gebaseerd op zichtbare vacatures, maar op een samenstel van factoren, waaronder demografie, zorgvraag, vergrijzing, in- en uitstroom en opleidingscapaciteit. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat beleid op basis van deze ramingen structureel te laag wordt vastgesteld.
Hoe voorkomt u dat het tekort verder oploopt door gelijktijdige factoren als vergrijzing, toenemende zorgvraag en uitstroom van personeel?
Zoals in vraag 5 aangegeven houdt het Capaciteitsorgaan in haar adviezen ook rekening met factoren als vergrijzing en uitstroom. Naast de instroom via de opleidingen geldt dat de personele houdbaarheid een brede uitdaging is waar het kabinet alle partijen in zorg en welzijn voor nodig heeft. Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen met 100.000 mensen. Voor dit doel zet het kabinet, samen met het veld, tot en met 2028 de volgende stappen gericht op het vergroten van de ruimte voor professionals:
Tot slot blijft dit kabinet zorg- en welzijnswerkgevers stimuleren om het werkplezier van hun medewerkers te borgen en uitstroom van personeel terug te dringen. De primaire verantwoordelijkheid voor deze zaken ligt immers bij de werkgevers. De overheid ondersteunt hen hierbij, in het bijzonder op onderwerpen als het vergroten van professionele autonomie en zeggenschap via het Landelijk Actieplan Zeggenschap en de Landelijke Monitor Zeggenschap, het terugdringen van verzuim en verloop via het Preventieplan Zorg en Welzijn en het ondersteunen bij de aanpak van agressie met onder andere de campagne «Blijf jezelf, tel even tot 11». Ook is sinds kort met ondersteuning van VWS het nieuwe loopbaanplatform Zowi in testversie beschikbaar gekomen voor de sector. Studenten, professionals en zij-instromers kunnen hier terecht voor betrouwbare informatie en concreet advies over hun (eerste of volgende) loopbaanstap in zorg en welzijn.
Acht u het verantwoord dat SEH-afdelingen opereren op minimale bezetting zonder buffer, terwijl de werkdruk aantoonbaar toeneemt en uitvalrisico’s hoog zijn?
Ziekenhuizen doen hun best om SEH-afdelingen zo goed mogelijk te bemensen, rekening houdend met piekmomenten. Als het echt niet anders kan hanteren ze tijdelijk een presentatiestop voor mensen met een niet levensbedreigende zorgvraag. Voor dat soort situaties worden in de regio goede afspraken gemaakt, zodat de ambulancedienst weet waar de patiënt terecht kan. Deze afspraken dragen bij aan de kwaliteit van de zorg voor de patiënt en het voorkomen van overbelasting van de medewerkers.
Hoe voorkomt u dat het opleiden van extra artsen onvoldoende effect sorteert, zolang uitstroom door werkdruk en beperkte duurzame inzetbaarheid niet structureel wordt aangepakt?
De verantwoordelijkheid voor de aanpak van uitstroom en uitval van personeel ligt primair bij werkgevers in zorg en welzijn. Het kabinet stimuleert hen om hier actief mee aan de slag te gaan door het verspreiden van kennis en informatie en het delen van goede voorbeelden. Via ondersteuning van het preventieplan zorg en welzijn deelt het kabinet bijvoorbeeld de werkwijze, inzichten en handelingsperspectieven van deze data-gedreven aanpak om verzuim en verloop te verminderen en werkplezier te vergroten. Daarnaast ziet het kabinet dat op verschillende plaatsen in de sector actief ingezet wordt op zaken rond behoud en ontwikkeling van medewerkers. In Zuid-Limburg wordt bijvoorbeeld met behulp van transformatiemiddelen uit het Integraal Zorgakkoord gewerkt aan een domeinoverstijgende arbeidsmarktaanpak met concrete activiteiten op het gebied van behoud en duurzame inzetbaarheid. Dergelijke veelbelovende aanpakken deel ik actief, onder andere via het Actie Leer Netwerk of via de communicatiekanalen van VWS.
Acht u het risico reëel dat SEH-afdelingen moeten afschalen of tijdelijk sluiten door personeelstekorten? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
De personeelstekorten in de acute zorg zijn het gevolg van bredere arbeidsmarktproblematiek. Met de ondertekening van het AZWA zet het kabinet samen met de sector stappen om de tekorten terug te dringen.
Naast het beschikbaar stellen van opleidingsplekken voor medisch specialisten, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel, worden sinds 1 januari 2025 ook modules van de verpleegkundige vervolgopleidingen bekostigd vanuit de beschikbaarheidbijdrage. Hierdoor kunnen verpleegkundigen ook delen van opleidingen in het acute cluster volgen, passend bij de werkzaamheden en de persoonlijke situatie. Dit maakt het volgen van specialistische modules laagdrempeliger en zorgt voor snellere inzetbaarheid op de afdeling.
Daarnaast staat in het AZWA dat in de regio’s afspraken worden gemaakt over de inrichting van het zorglandschap. Daaronder valt ook de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende zorg.
Als een ziekenhuis een SEH wil afschalen of (tijdelijk) sluiten, moet het ziekenhuis een zorgvuldig besluitvormingsproces volgen, met betrokkenheid van bijvoorbeeld gemeenten en inwoners. Deze regelgeving wil het kabinet aanscherpen. De beide Kamers zullen een concept van deze aanscherpingen nog voor de zomer ontvangen.
Welke integrale strategie hanteert u voor de acute zorg, inclusief verpleegkundigen en andere zorgprofessionals, in plaats van een eenzijdige focus op opleidingsplaatsen?
Het kabinet wil investeren in een toekomstbestendig zorglandschap en zet daarbij in op passende zorg als norm. Dit vraagt om blijvende aandacht en anders kijken naar de zorg: meer sturen op zorg die bijdraagt aan gezondheid en kwaliteit van leven. Het kabinet bouwt daarom verder op de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA), en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Van belang is dat in de regio’s afspraken worden gemaakt over de inrichting van de acute zorg en de samenwerking tussen ziekenhuizen en binnen de keten van acute zorg. Aandachtspunten bij deze afspraken zijn de toegankelijkheid en kwaliteit van de acute zorg en de beschikbaarheid, het werven en behouden van medewerkers.
Bent u bereid alsnog het volledige advies van het Capaciteitsorgaan over te nemen en het aantal opleidingsplaatsen te verhogen naar 60 per jaar? Zo nee, welke gevolgen accepteert u voor de toegankelijkheid van de acute zorg?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de druk op de spoedeisende hulp niet uitsluitend het gevolg is van een tekort aan personeel, maar ook samenhangt met factoren als gebrekkige doorstroming binnen ziekenhuizen, inefficiënte organisatie en suboptimale inzet van bestaande capaciteit?
Druk op de spoedeisende hulp kan verschillende oorzaken hebben. Voorbeelden daarvan zijn de hoogte van de acute zorgvraag, personeelskrapte op de spoedeisende hulp of in de rest van het ziekenhuis (wat de doorstroom vanuit de SEH belemmert) of in de wijkverpleging of verpleeghuiszorg (wat de doorstroom uit het ziekenhuis belemmert). Van belang zijn een goede personeelsplanning in het ziekenhuis en een brede triage, zodat patiënten niet onnodig op de SEH terecht komen. Verder is belangrijk dat er in de regio goede afspraken zijn in de hele keten en dat er inzicht is in actueel beschikbare capaciteit.
Welke concrete maatregelen neemt u om deze structurele knelpunten in de organisatie en doorstroming van de acute zorg aan te pakken, naast het verhogen van opleidingscapaciteit? E.g. flexibele personeelsinzet hebben voor pieken (bijv. meer ongelukken).
Over de organisatie van en de doorstroming vanuit de acute zorg kunnen het beste afspraken gemaakt worden in de regio, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in die regio. Afspraken over de inrichting van de acute zorg die zijn opgenomen in regionale plannen vormen een belangrijk uitgangspunt voor de inkoop en financiering door zorgverzekeraars.
Het programma zorgcoördinatie is bedoeld om te zorgen dat patiënten de juiste zorg op de juiste plek door de juiste zorgverleners krijgen. Om dat te bevorderen zijn hierover in het Integraal Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt. Inmiddels zijn door alle regio’s transformatieplannen ingediend en goedgekeurd en wordt volop gewerkt aan de uitvoering hiervan.
VWS-plannen voor SEH-artsen vallen Yara Basta rauw op haar dak – Zorgvisie
Het bericht dat een failliete ggz-aanbieder mogelijk wordt overgenomen door een private equity investeerder |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de failliete ggz-aanbieder Phitaal GGZ mogelijk wordt overgenomen door private equity investeerder Apax Partners SAS?1
Het is aan de curator om, in samenspraak met zorgverzekeraars, een afweging te maken over een eventuele overname. Voor mij staat daarbij voorop dat de continuïteit, kwaliteit en toegankelijkheid van zorg voor cliënten geborgd zijn. Een nieuwe eigenaar dient te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en staat onder toezicht van onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die toezicht houdt op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Mentaal Beter, de overnemende partij die een doorstart maakt met Phitaal onder de naam Mentaal Beter Vitaalpunt, is al langer actief in de Nederlandse ggz en bekend met het wettelijk kader waaraan zij moeten voldoen.
Deelt u de mening dat er grote risico’s kleven aan de verdere groei van private equity binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Uit onderzoek blijkt ook niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Ook niet in de ggz2. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Zorgaanbieders die de zorg uitsluitend als verdienmodel zien, horen niet thuis in de zorg. Bijvoorbeeld doordat er aan het realiseren van (uitkeerbare) winst een groter belang wordt gehecht dan aan de kwaliteit of toegankelijkheid van zorg. Daarnaast heeft het kabinet eerder ook aangegeven dat de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg ook positieve effecten kan hebben. Private equity partijen zorgen voor een alternatieve manier van financiering (anders dan bijvoorbeeld een lening van de bank) voor zorgaanbieders en kunnen daardoor bijdragen aan onder andere innovatie en het optimaliseren van bedrijfsprocessen. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Deelt u de zorgen over het feit dat private equity partijen als Apax Partners primair gericht zijn op het maken van zoveel mogelijk winst? Deelt u de mening dat dit onverenigbaar is met het oplossen van de problemen waar de ggz momenteel mee te maken heeft?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag twee, vindt het kabinet dat zorgaanbieders die enkel de zorg als verdienmodel zien niet thuis horen in de zorg, en dus ook niet in de ggz. Zorgaanbieders dienen zich te houden aan de regels, verantwoord om te gaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Dit geldt voor alle zorgaanbieders, ongeacht de betrokkenheid van private equity financiering. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Met het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) is het mogelijk voorwaarden te verbinden aan winstuitkeringen. Dit ziet onder andere op het op orde hebben van de kwaliteit van zorg en het voldoen aan financiële ratio’s voorafgaand en na het voldoen van een winstuitkering. Op dit moment is het kabinet bezig met aanscherpingen op het wetsvoorstel, specifiek gericht op winstuitkeringen en de risico’s van private equity partijen. Daarnaast werkt het kabinet ook aan een wetsvoorstel om de zorgspecifieke fusietoets van de NZa aan te scherpen. Met dit wetsvoorstel kan de NZa fusies en overnames meer inhoudelijk toetsen.
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag twee blijkt niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg, ook niet in de ggz3. Het aanbod van allerlei partijen is dan ook van belang: er wachten veel mensen op een behandeling in de ggz.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is vorig jaar afgesproken dat er meer behandelcapaciteit moet komen voor patiënten met een complexe zorgvraag. Dit gebeurt door binnen het bestaande kader te schuiven met menskracht en middelen, waarbij het zwaartepunt verschuift van de behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen Dit vraagt iets van de hele ggz-sector, inclusief de ggz-aanbieders die in handen zijn van private equity investeerders.
Weet u hoeveel zorggeld er de afgelopen jaren uit de zorg is geroofd door private equity partijen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom bent u niet geïnteresseerd in hoeveel zorggeld weglekt naar op winst beluste investeerders, maar kiest u er wel voor om € 10,3 miljard extra op de zorg te bezuinigen, omdat de zorgkosten anders te hoog zouden worden?
Het kabinet herkent zich niet in de woorden uit deze vraag. Zoals eerder aangegeven kan de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg onder de juiste voorwaarden ook positieve effecten hebben. Maar het kabinet vindt ook dat zorgaanbieders met enkel een financieel motief niet thuis horen in de zorg en dat uitwassen en misbruik moeten worden aangepakt.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 25 maart j.l. een Informatiekaart gepubliceerd over dividenduitkeringen in de zorg. Het kabinet is erg blij met het inzicht dat de NZa in deze publicatie verschaft over gerapporteerde dividenduitkeringen in de zorg. Het geeft inzicht in de dividenduitkeringen die gedaan zijn door zorgaanbieders. Hierin wordt ook ingegaan op de rol van private equity. De NZa heeft aangegeven dat het niet mogelijk is om de
dividenduitkeringen te specificeren naar private equity partijen. Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Het kabinet vindt het daarom niet nodig en bovendien onhaalbaar om hier nog aanvullend onderzoek naar te doen en wil zicht richten op het aanpakken van onwenselijk gedrag.
De inzichten uit deze informatiekaart gebruikt het kabinet dan ook bij de aanscherpingen van de Wibz. De Kamer wordt hier voor de zomer over geïnformeerd.
Zijn er nog andere mogelijkheden om de mensen die onder behandeling waren bij Phitaal GGZ een voortzetting van hun behandeling te bieden?
Het faillissement van Phitaal betekent niet dat de zorg voor cliënten stopt. Lopende behandeltrajecten kunnen op dit moment bij Phitaal worden voortgezet en zorgvuldig worden afgerond. Dit kan onder andere doordat zorgverzekeraars de zorg blijven vergoeden en hiervoor bevoorschotting hebben verstrekt. Daarnaast hebben zorgverzekeraars ook een boedelkrediet ter beschikking gesteld aan de curator. Hierdoor kan de curator blijven voldoen aan de betalingsverplichtingen die nodig zijn om de zorg te continueren.
De curator heeft, in samenspraak met zorgverzekeraars, onderzocht of Phitaal overgenomen kan worden door een andere partij of dat cliënten overgeplaatst kunnen worden naar omliggende zorgaanbieders. Belangrijke aspecten bij die overweging zijn de continuïteit van zorg, het belang van de patiënt en de belangen van schuldeisers. Zij hebben daarbij de beschikbare alternatieven beoordeeld en de keuze gemaakt voor Mentaal Beter.
Overigens staat het individuele patiënten vrij om zich in te schrijven bij een andere zorgaanbieder dan de overnemende partij.
Hoe gaat u waarborgen dat de zorg voor de cliënten van Phitaal GGZ voortgezet wordt met hun eigen zorgverlener en hoe gaat u ervoor zorgen dat de wachtlijsten niet langer worden, zonder dat zij worden overgeleverd aan private equity?
Gestreefd wordt naar continuïteit van zorg voor patiënten. Een belangrijk onderdeel van effectieve behandeling, en daarmee ook de continuïteit van zorg, in de geestelijke gezondheidszorg is de vertrouwensrelatie tussen cliënt en behandelaar. De curator heeft aangegeven ernaar te streven om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Onder het belang van de continuïteit van zorg valt ook het voorkomen van oplopende wachtlijsten.
Bij de doorstart van Phitaal naar Mentaal Beter Vitaalpunt worden zeven behandellocaties voortgezet4, net als de zorg voor alle cliënten die in deze locaties onder behandeling zijn. De specialistische behandelcapaciteit van Phitaal blijft met
de doorstart behouden op deze locaties. Voor de satelliet-locatie in Capelle aan den IJssel zijn zorgverzekeraars bezig om de huidige cliënten door te middelen naar andere zorgaanbieders. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de transfertafel in deze regio.
In algemene zin kan worden gesteld dat veel mensen nu te lang op een passende behandeling in de ggz moeten wachten, ook mensen die zorg hard nodig hebben. In het IZA en AZWA zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de ggz te verbeteren. Zo zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit, het realiseren van pro-actieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor behandeling van mensen met complexe zorgvragen.
Overigens is het niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is of zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.
Wat gebeurt er met het de zorgverleners van Phitaal GGZ? Welke garanties zijn er dat zij hun baan en hun arbeidsvoorwaarden kunnen behouden?
Het streven van de curator is om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Na een faillissement zijn daarvoor echter geen garanties. Het is aan de curator om afspraken te maken met zorgverleners en de overnemende partij over arbeidsvoorwaarden.
Bent u bereid om alle vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?»1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Jolie heeft mij een aangrijpende brief gestuurd over haar situatie. Die brief raakt mij zeer.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom het medicijn Enhertu (trastuzumab deruxtecan) niet wordt vergoed voor borstkankerpatiënten met HER2-low?
Enhertu is een geneesmiddel dat voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker (en andere soorten kanker) is geregistreerd. Door de hoge prijs in combinatie met de hoge verwachte uitgaven is het middel voor alle toekomstige indicaties in de sluis geplaatst. Dat gebeurt als pakketopname van een nieuw geneesmiddel of een nieuwe indicatie vanuit maatschappelijk perspectief risicovol is. Geneesmiddelen en indicaties die in de sluis staan worden pas vergoed vanuit het basispakket als ze voldoen aan de pakketcriteria. Daarvoor kijkt het Zorginstituut of het geneesmiddel effectief is. Een geneesmiddel is effectief als het even goed of beter werkt dan de huidige standaardbehandeling. Ook beoordeelt het Zorginstituut de kosteneffectiviteit, dat zegt of de extra kosten van een geneesmiddel voor een specifieke indicatie, in dit geval Enhertu bij HER2-low borstkanker, in verhouding staan tot de extra effectiviteit.
Enhertu is voor de behandeling van HER2-low borstkanker nog niet opgenomen in het basispakket. Het Zorginstituut heeft geoordeeld dat Enhertu bij HER2-low borstkanker effectief is, maar dat de extra effecten niet opwegen tegen de extra kosten van HER2-low borstkanker (het middel is voor deze indicatie dus niet kosteneffectief). Daarom adviseert het Zorginstituut dit geneesmiddel pas in het basispakket op te nemen nadat de leverancier een aanzienlijke korting heeft gegeven.2
Helaas heeft de prijsonderhandeling voor Enhertu bij HER2-low borstkanker niet tot een positief resultaat geleid. Het valt mij zwaar dat Enhertu niet kan worden opgenomen in het basispakket voor deze indicatie. Dit is teleurstellend voor patiënten, hun naasten en behandelaren die hun hoop hebben gevestigd op dit geneesmiddel.
Enhertu is voor een andere indicatie inmiddels wel vergoed. Dat is voor patiënten met HER2-positieve borstkanker. Deze indicatie stond ook in de sluis en is vervolgens door het Zorginstituut beoordeeld.
Het Zorginstituut adviseert een lagere korting voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker om de extra effecten in balans te brengen met de extra kosten dan bij HER2-low borstkanker.3 Na een onderhandeling wordt Enhertu sinds 11 april 2024 vergoed vanuit het basispakket bij HER2-positieve borstkanker.
Deelt u de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling indien een medicijn voor de ene groep borstkankerpatiënten wel vergoed wordt, maar niet voor een andere groep borstkankerpatiënten die evenredig baat heeft bij dit middel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Enhertu is voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker geregistreerd. Het Zorginstituut heeft op basis van de ingediende dossiers van de leverancier twee aparte beoordelingen gegeven, één voor Enhertu bij HER2-postieve borstkanker en een bij HER2-low borstkanker. In het kort komt het erop neer dat de extra effecten en extra kosten voor deze twee groepen borstkankerpatiënten niet gelijk zijn. Dat betekent dat er minder korting nodig is voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker dan bij HER2-low borstkanker.
Klopt het dat het gaat om een groep van 1.500 vrouwen in Nederland?
Er zijn jaarlijks ongeveer 1500 vrouwen met HER2-low borstkanker, maar niet alle patiënten komen in aanmerking voor behandeling met Enhertu. Volgens het pakketadvies van het Zorginstituut komen er jaarlijks ongeveer 585 patiënten met HER2-low borstkanker in aanmerking komen voor behandeling met Enhertu.
Klopt het dat het medicijn in 26 andere Europese landen wel beschikbaar is voor deze groep?
Het kabinet kan niet verifiëren in welke landen Enhertu voor de behandeling van vrouwen met HER2-low borstkanker wordt vergoed. Daar komt bij dat vergoeding van een geneesmiddel niet in elk land hetzelfde betekent als in Nederland, namelijk dat elke patiënt die in aanmerking komt voor de behandeling deze ook daadwerkelijk krijgt.
Hoe legt u aan deze 1.500 vrouwen uit dat u het middel, wat hun leven kan verlengen en kwaliteit van leven kan verbeteren, niet vergoedt?
Het lot van deze patiënten raakt mij zeer. De afweging of Enhertu voor deze patiënten wordt opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering, is zorgvuldig gemaakt. Namens het kabinet volg ik daarbij het beleid van mijn voorgangers. Het kabinet begrijpt dat dat zeer teleurstellend is voor Jolie, andere patiënten en hun families.
Daarbij wijst het kabinet op het volgende. Gegeven dat er beperkte financiële middelen zijn, moeten er keuzes worden gemaakt in de zorg. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst behaald worden. Het kabinet houdt rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers – ook als dat betekent dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel. Het kabinet zou willen dat we dergelijke keuzes niet zouden hoeven maken, want het zou patiënten zoals Jolie natuurlijk heel graag een ander bericht geven, maar helaas is dat – en hier moet het kabinet toch ook wijzen op de hoge prijzen van dit soort geneesmiddelen – een luxe die ons niet gegeven is.
Betekent uw reactie op de brief van Jolie Jacobs dat de situatie van patiënten met HER2-low borstkanker «nadrukkelijk uw aandacht heeft» dat u zich niet alleen laat informeren, maar dat u alles zult doen wat in uw mogelijkheden ligt om dit middel zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor deze groep patiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven welke stappen u gaat ondernemen en wat het tijdspad is?
De situatie van patiënten met HER2-low borstkanker heeft nadrukkelijk mijn aandacht. Zo verzoek ik, namens het kabinet, de leverancier of hij nu wel bereid is om een maatschappelijk aanvaardbare prijs overeen te komen. Het kabinet wil patiënten nadrukkelijk geen valse hoop geven, soms lukt het niet om tot overeenstemming te komen met leveranciers.
Bent u bereidt om, zo snel als mogelijk, het besluit van uw voorganger te herzien en om dit medicijn alsnog toe te laten tot het basispakket en daarmee beschikbaar te maken voor de borstkankerpatiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet?
Als de leverancier bereid is om alsnog tot aanvaardbare prijsafspraken te komen, ben ik, namens het kabinet, bereid om Enhertu op te nemen in het basispakket. Het kabinet roept de leverancier op om, in het belang van alle patiënten met HER2-low borstkanker, zijn standpunt te heroverwegen. Ook staat voor de leverancier de mogelijkheid open om nieuwe data aan te leveren bij het Zorginstituut en een herbeoordeling te vragen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw asbest gevonden is in speelzand dat online te koop was?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat asbesthoudend speelzand alsnog te koop was, ook nadat verschillende producenten en verkopers aangaven dat ze de verkoop ervan hadden opgeschort?
Het is onwenselijk dat er alsnog asbesthoudend speelzand te koop was. De verantwoordelijkheid om veilige producten op de markt te brengen ligt bij de marktdeelnemers (zoals fabrikanten, importeurs en distributeurs). Uit het krantenartikel blijkt dat de betreffende marktdeelnemers die speelzand hebben aangeboden waarin asbest is aangetroffen, direct actie hebben ondernomen om het betreffende product van de markt te halen. Daarmee handelden zij conform de Europese wet- en regelgeving voor speelgoed, waarin is geregeld dat marktdeelnemers direct maatregelen treffen zodra zij informatie ontvangen dat er iets mis is met het speelgoed dat zij verkopen.
Hoe gaat u bovenstaande in de toekomst voorkomen?
In de speelgoedwetgeving is vastgelegd welke taken en verantwoordelijkheden marktdeelnemers hebben, om te voorkomen dat zij niet-conform speelgoed op de markt aanbieden.
De NVWA zal asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht. Afhankelijk van het risico zal de toezichtintensiteit daar op worden aangepast. Daarbij gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Het kabinet zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de huidige wettelijke limiet.
Ziet u met licht op het bovenstaande de tot nu toe genomen acties als voldoende om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand?
Het kabinet heeft de nodige en mogelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand.
Aan (onder andere) ouders en kinderopvangorganisaties is meteen geadviseerd om het speelzand voorlopig even niet te gebruiken totdat het RIVM haar gezondheidskundige risicobeoordeling heeft afgerond.
Kinderopvangorganisaties zijn daarop gestopt met het aanbieden van dit type speelgoed aan kinderen tijdens hun verblijf op de opvanglocatie. Nu de resultaten van de risicobeoordeling bekend zijn geworden, adviseren de brancheverenigingen in de kinderopvang hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken. Het kabinet heeft daar begrip voor.
Fabrikanten, webshops en winkeliers hebben vrijwillig, of op verzoek van de NVWA, speelzand van de markt gehaald. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico zal, zoals eerder genoemd, de NVWA asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht en zal het kabinet zich inzetten voor aanscherping van de wettelijke limiet.
Ziet u ook dat terugroepacties op eigen verantwoordelijkheid van bedrijven geen garantie bieden dat potentieel gevaarlijke producten niet langer verkocht worden? Zo ja, hoe ziet u in dit licht de reactie van de voormalige Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport waarin vooral verwezen werd naar de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven?
In Europese wetgeving is de verantwoordelijkheid voor productveiligheid duidelijk geregeld: marktdeelnemers moeten kunnen aantonen dat hun producten veilig zijn en de NVWA houdt daarop streng toezicht. Wanneer sprake is van een ernstig risico kan de NVWA een publiekswaarschuwing of verplichte terugroepactie opleggen. Terugroepacties blijven een belangrijk instrument, maar toezicht blijft uiteraard noodzakelijk om de veiligheid van producten op de markt te borgen. Het is niet volledig te garanderen dat alleen conforme producten op de markt komen.
Deelt u de mening dat de resultaten van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zelf laat uitvoeren te lang op zich laten wachten? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze mening niet. Het kabinet vindt het van groot belang dat dergelijk onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd onderkent het kabinet dat er vanaf het begin grote behoefte was aan informatie over asbest in speelzand. Daarom heeft de NVWA op 13 maart een tussenrapportage van onderzoeksresultaten naar buiten gebracht. Hieruit bleek dat in 5 producten meer asbest was aangetroffen dan de wettelijke limiet. Deze producten zijn toen direct van de markt gehaald.
Daarnaast is ook een gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door het RIVM. Ook dit onderzoek moest zorgvuldig gebeuren en was tijdrovend. De resultaten van de beoordeling zijn inmiddels openbaar gemaakt via de website van het RIVM.
Ziet u het als een beperking dat de NVWA niet handhavend kan optreden op basis van externe resultaten van geaccrediteerde laboratoria wanneer sprake is van een risico voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is van groot belang dat de monstername (het in bewaring stellen van het product) onder toeziend oog van een inspecteur gebeurt, die de eed of belofte heeft afgelegd. Hiermee kan in juridische zin worden gegarandeerd dat er geen fraude is gepleegd ten tijden van de monstername. De NVWA heeft geaccrediteerde laboratoria benaderd om hun testuitslagen te ontvangen, om op die manier een breder beeld te krijgen van de situatie.
Deelt u de mening dat het lange wachten op onderzoeksresultaten van de NVWA en het uitblijven van aangekondigde instructies voor kinderdagopvangorganisaties kunnen leiden tot een afwachtende houding bij sommige van deze organisaties?
Het onderzoek naar en de risicobeoordeling van asbest in speelzand was erg complex. Het was noodzakelijk om dit zorgvuldig te doen. De brancheverenigingen in de kinderopvangsector hadden al proactief opgeroepen om speelzand op te bergen en voorlopig niet meer te gebruiken. Het beeld van het kabinet is dat de sector gehoor heeft gegeven aan dit signaal. Op basis van de risicobeoordeling door het RIVM en het Buro-advies kan de sector bepalen of zij speelzand willen blijven gebruiken. Zoals eerder aangegeven adviseren de brancheverenigingen hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken.
Wat vindt u van signalen dat sommige scholen het speelzand nog steeds of weer gebruiken, omdat leveranciers zelf zeggen dat het asbestvrij is?
Een leverancier is ervoor verantwoordelijk dat zijn product aan de wet- en regelgeving voldoet. Zoals aangetoond in het onderzoek van de NVWA bevat het meeste speelzand geen of hele kleine hoeveelheden asbest. Maar het kabinet heeft er begrip voor als ouders of kinderdagverblijven liever het zekere voor het onzekere nemen en voor alternatief speelgoed kiezen.
Wat vindt u van het gegeven dat sommige leveranciers hiervoor buitenlandse laboratoria gebruiken die niet in Nederland geaccrediteerd zijn en die bovendien geen elektronenmicroscopie gebruiken, maar lichtmicroscopie waarmee asbest niet altijd aangetoond kan worden?
Het is van belang dat de juiste methoden op een goede manier wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van gehaltes aan asbest in speelzand is een methode nodig met een voldoende lage detectiegrens. Lichtmicroscopie heeft een detectiegrens gelijk aan de wettelijke limiet van 0,1% asbest. Elektronenmicroscopie kan asbest in speelzand tot veel lagere concentraties vaststellen. De combinatie van NEN 5896 en VDI 3866-5 is daarbij de meest geschikte aanpak om een indicatie te geven
van het asbestgehalte in speelzand volgens de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)2. Laboratoria hoeven niet in Nederland geaccrediteerd te zijn om een dergelijke methode goed uit te voeren.
Kunt u bevestigen dat de resultaten afkomstig van laboratoria die niet in Nederland geaccrediteerd zijn in Nederland niet rechtsgeldig zijn?
Nee, als een onderzoek is uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium met de juiste methoden, dan is dat conform wet- en regelgeving acceptabel.
Laat de NVWA naast onderzoek naar asbest in het speelzand zelf ook onderzoek doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderdagverblijven en scholen waar dit speelzand gebruikt is, zoals ook in Australië en Nieuw-Zeeland gedaan is?
Nee, er is geen sprake van geweest dat de NVWA zelf onderzoek zou gaan doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderopvangcentra en scholen.
De lucht in een klaslokaal wordt continu ververst door mechanische ventilatie. Op basisscholen en kinderopvangcentra houdt het schoonmaakprotocol in dat alle oppervlakken dagelijks nat worden gereinigd, waardoor elke keer veel van de neergeslagen vezels worden verwijderd. Aangezien de bron van de verontreiniging is weggenomen en de klaslokalen meerdere malen nat zijn gereinigd, is professionele sanering van de klaslokalen niet nodig.
Deelt u de mening dat zolang dit probleem niet aan de bron aangepakt wordt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen?
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onder de grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast heeft het RIVM aangetoond dat het gezondheidsrisico van spelen met verschillende soorten speelzand, waarin minder dan 0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is.
Desondanks zal het kabinet zich binnen Europa inzetten voor een lagere wettelijke eis voor het asbestgehalte in speelzand. Het kabinet heeft hierover advies gevraagd aan het RIVM.
Deelt u de mening dat de NVWA voldoende capaciteit moet hebben om zelf slagvaardig op te kunnen treden rondom productveiligheid in plaats van de verantwoordelijkheid vrijwel geheel bij de markt te leggen en dat daar een passende bekostiging bij hoort? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Producenten en handelaren zijn zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via onder andere de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om zijn toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS jaarlijks 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Welke vormen van bekostiging voor de NVWA worden onderzocht, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd en op welke manier wordt daarmee voldoende slagkracht voor de NVWA gewaarborgd?
Naar aanleiding van de agentschapsdoorlichting van de NVWA door PricewaterhouseCoopers uit 2024, kijken de departementen met de NVWA naar andere vormen van bekostiging om het risicogericht toezicht door de NVWA beter te waarborgen. Hierover is de Kamer ook geïnformeerd (Kamerstuk 33 835, nr. 257).
Bij deze analyse wordt gekeken welke knelpunten en belemmeringen worden ervaren door de NVWA en welke oplossingen mogelijk zijn, waaronder verschillende bekostigingsvormen. Het is geen doel op zich om tot een andere bekostigingswijze te komen.
De Kamer zal uiterlijk einde van dit jaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Het bericht 'Amerikaanse chantage kost mensenlevens' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amerikaanse chantage kost mensenlevens» van Aidsfonds en Rutgers van 23 januari 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Amerikaanse beslissing om hulporganisaties, andere overheden, en Verenigde Naties (VN)-agentschappen die Amerikaans geld ontvangen, te verbieden om te werken aan diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, bovenop het verbod op het verlenen van abortuszorg?
Op 23 januari heeft de VS aangekondigd dat ze de bestaande Mexico City Policy gaan uitbreiden. Er zijn drie «rules» gepubliceerd die restricties opleggen in relatie tot alle VS financiering, op het gebied van abortus, «gender ideology» en DEI (Diversity, Equity en Inclusion). Samen wordt dit het «human flourishing in foreign» assistance beleid genoemd. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie van dit beleid, de juridische haalbaarheid ervan, en de uiteindelijke impact. Organisaties weten dus nog niet hoe dit beleid hen precies zal raken. Het kabinet deelt de zorgen van veel organisaties over de potentiële consequenties voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden. Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is uiterst zorgwekkend.
Deelt u de analyse dat deze maatregelen hulporganisaties ernstig belemmeren in het bieden van hulp aan kwetsbare groepen en dat dit zal leiden tot meer onveilige abortussen, moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat er een ontheffing (waiver)mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen. Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van toegang tot veilige abortus, diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, dan zal dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot meer onveilige abortussen, een hogere moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Onderhoudt uw ministerie contact met de Amerikaanse autoriteiten over deze beslissing? Op welk niveau? Wat wordt er in die contacten gewisseld? Bent u van plan om ambtgenoten op deze beslissing aan te spreken?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington, zo ook over de uitbreiding van de Mexico City Policy. Het doel van die gesprekken is om zoveel mogelijk te voorkomen dat dit beleid een negatieve impact heeft op vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden en op door Nederland gefinancierde programma’s en organisaties. Gegeven de grote financieringsbehoefte voor mondiale gezondheid zet Nederland, samen met andere donoren, in op een zo efficiënt mogelijke besteding van de nog beschikbare middelen. Voor het kabinet staat de toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen centraal. De VS blijft een belangrijke donor op het gebied van mondiale gezondheid, waarmee wij in nauwe dialoog blijven over dit thema.
Het kabinet volgt de uitvoering van het «human flourishing in foreign assistance» beleid ook samen met cross regionale coalities zoals de Equal Rights Coalition (ERC). Deze cross regionale coalitie van 44 landen, werkt nauw samen om rechten van lhbtiq+-personen wereldwijd te beschermen en te bevorderen.
Bent u het ermee eens dat Nederland historisch een voortrekkersrol heeft gespeeld in het verdedigen van de rechten en gezondheid van vrouwen, meiden, LHBTI-personen en andere groepen? Onderschrijft u het belang, gezien de terugtrekkende beweging van Amerika, om deze voortrekkersrol stevig te herpakken? Op wat voor manier doet u dat, bijvoorbeeld in Europees en VN-verband?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR, vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+-personen. Dit zijn ook kernprioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid van dit kabinet.
Nederland zal zich nog nadrukkelijker inzetten voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, aangezien we sterker staan als we ons gezamenlijk uitspreken. De Nederlandse inspanningen zijn gericht op het behoud en verder brengen van internationale afspraken op het gebied van SRGR, gendergelijkheid en vrouwenrechten binnen de VN. Nederland nam bijvoorbeeld een leidende rol tijdens de 70e zitting van de Commission on the Status of Women in maart dit jaar. De onderhandelingen over de politieke slotverklaring, werden gekenmerkt door forse tegendruk op bestaande internationale afspraken over vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). De VS diende acht amendementen in op de politieke slotverklaring, die tegen bestaande internationale afspraken in gingen. De leider van de Nederlandse delegatie, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, heeft vervolgens namens de EU een stemming aangevraagd. Daardoor werden de amendementen verworpen en werd de politieke slotverklaring met een grote meerderheid van stemmen aangenomen.
Ook binnen de EU blijft Nederland zich inzetten, samen met gelijkgezinden, voor behoud van bestaande afspraken. Binnen de beschikbare financiële ruimte blijf ik ook inzetten op SRGR (inclusief toegang tot veilige abortus), gendergelijkheid en vrouwenrechten.
Herinnert u zich de leidende rol die Nederland nam tijdens de vorige instelling van de Global Gag Rule, middels het initiatief van toenmalig Minister Ploumen om met SheDecides het financieringsgat op te vullen dat Trump achterliet? Bent u van plan die leidende rol, die door het vorige kabinet is losgelaten, weer te herpakken? Zo nee, waarom niet?
Nederland steunt het platform SheDecides nog steeds, met een bedrag van 900.000 EUR voor drie jaar. SheDecides speelt een belangrijke rol in het beschermen en bevorderen van internationale afspraken op het gebied van SRGR en gendergelijkheid. Tegelijkertijd is de reikwijdte van het «human flourishing in foreign assistance» beleid veel groter dan in 2017. Naast financiering is het bieden van politiek tegenwicht en gezamenlijk optrekken cruciaal. Tijdens mijn recente reis naar de VN heb ik uitgedragen dat Nederland staat voor een sterk multilateraal systeem en dat de VN kan rekenen op steun van Nederland voor normatieve mandaten, zoals op het gebied van gender gelijkheid en SRGR. Nederland wil hierin samen met EU-landen optrekken.
De inzet van het kabinet is om in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen. Het kabinet is bereid hier een leidende rol in te spelen.
Indien het antwoord op vraag 6 «Ja» is, hoe herpakt u die leidende rol? Doet u dit door de bezuinigingen op mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (54 miljoen in 2026, en 174 miljoen in 2027) terug te draaien?
Zoals beantwoord bij vraag 5 en 6, staat het kabinet pal voor universele mensenrechten en de internationale afspraken die hierover gemaakt zijn in multilateraal verband. Daarbij blijft Nederland zich inzetten voor het recht op gezondheid en SRGR voor iedereen. Het kabinet werkt daarom nauw samen met onze gelijkgezinde partners en de landen waar we werken.
Dit kabinet zal de bezuinigingen van het vorige kabinet op gezondheid en SRGR – EUR 124 miljoen in 2026 en EUR 172 miljoen in 2027 (t.o.v. 2024) – niet volledig ongedaan kunnen maken. Wel heeft het kabinet in de Voorjaarsnota voor 2.026 EUR 11 miljoen extra vrijgemaakt voor de inzet op mondiale gezondheid en SRGR. Daarnaast is het kabinet conform het coalitieakkoord voornemens om vanaf 2027 te blijven bijdragen aan de mondiale gezondheidsstrategie.
Bent u bereid, als Nederland en met gelijkgestemde landen, te zoeken naar alternatieve vormen van financiering voor VN-instanties en organisaties die door deze maatregel worden getroffen?
Nederland onderhoudt nauw contact met VN-organisaties, gelijkgezinde donoren, maatschappelijke organisaties, filantropische instellingen en ontvangende landen, over de mogelijke impact van het VS beleid binnen de VN en hoe wij hier een gezamenlijk antwoord op kunnen geven. In een context van afnemende ODA en tekorten en verstoring in gezondheidsdiensten wereldwijd, lijkt het antwoord vooralsnog te liggen in de kwaliteit van financiering (zoals meerjarige ongeoormerkte financiering), diplomatieke en politieke inspanningen ter bescherming van SRGR, gendergelijkheid en de meest gemarginaliseerde groepen. Nederland is en blijft daarom een stabiele en betrouwbare donor van o.a. de WHO, UNFPA en UNAIDS en van de humanitaire inspanningen van de VN bijvoorbeeld via UNHCR, UNICEF en WFP.
Bent u er van op de hoogte dat elke euro die bezuinigd wordt op dit thema, leidt tot meer ongeplande zwangerschappen, onveilige abortussen, hiv-doden, en hiv-besmettingen? Wat doet u om dit scenario te voorkomen?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is dat Nederland zich inzet voor gezondheidssysteemversterking. Verbeterde dienstverlening op het gebied van SRGR is daar een belangrijk onderdeel van. Zie verder mijn antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Herinnert u zich dat de Nederlandse inzet op vrouwenrechten en gender – die door het vorige kabinet werd gestopt – alleen door een ingreep van de Kamer nog tot en met 2027 wordt gecontinueerd? Wat doet u om dit budget ook na 2027 te herstellen en door te kunnen gaan met het steunen van vrouwen- en LHBTI-rechtenverdedigers wereldwijd?
Ja. Als gevolg van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 21) komt – na aanname van de Ontwerpbegroting BHO 2027 in zowel de Eerste als Tweede Kamer – in 2.026 EUR 22 miljoen en in 2.027 EUR 21 miljoen beschikbaar voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Daarnaast heeft het kabinet in de Voorjaarsnota aanvullend EUR 5 miljoen in zowel 2026 en 2027 beschikbaar gemaakt voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Conform het coalitieakkoord zet dit kabinet zich internationaal actief in voor de bescherming van de rechten van vrouwen en is het voornemens hier vanaf 2027 opnieuw in te investeren. In lijn met deze ambitie zal bij het opstellen van de BHOS begroting 2027 worden bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2.
Welke rol ziet u voor uzelf wat betreft het bevorderen van de internationale toegang tot abortuszorg en het internationaal tegengaan van bijvoorbeeld moedersterfte en hiv-infecties?
Nederland is en blijft een betrokken en actieve speler op veilige abortus, het tegengaan van moedersterfte en hiv-infecties. Ik zie hier een belangrijke rol voor mijzelf als Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Als Minister zal ik mij actief blijven inzetten voor de bescherming van gelijke rechten voor iedereen, zowel via partnerschappen met maatschappelijke organisaties en multilaterale instellingen als binnen multilaterale fora zoals de VN Mensenrechtenraad. Tijdens de voorjaarsvergadering van de Wereldbank in april 2026 zal ik aandacht vragen voor de gezondheid van vrouwen en meisjes en de Nederlandse steun hiervoor uitspreken bij een bijeenkomst van het Global Financing Facility dat met dit doel is opgericht.
Naast de diplomatieke inzet via de VN en de EU, investeert Nederland in organisaties zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF), het Safe Abortion Action Fund (SAAF) en Ipas. Nederland is de grootste donor aan UNAIDS en we zijn de zesde donor van UNFPA. Daarnaast is het kabinet dit jaar gestart met een nieuw financieringsinstrument, onderdeel van het bredere FOCUS kader, dat inzet op de preventie en bestrijding van hiv-infecties in Zuidelijk Afrika.
Bent u van plan publiekelijk steun uit te spreken voor de overheden en organisaties die niet het contract ondertekenen dat hen door de Amerikaanse overheid wordt voorgelegd om te stoppen met alle werkzaamheden rond gendergelijkheid en diversiteit?
Nederland kiest voor een zo effectief mogelijke inzet. Het Amerikaanse beleid zal voor elk type organisatie anders uitpakken en het kabinet zal daarom niet ingaan op individuele partners en wat zij doen. Zo kunnen overheden, die geld aannemen van de VS, mogelijkerwijs nog steeds werken op abortus, gender, diversiteit, inclusie en gelijkheid, met andere financieringsbronnen. Het kabinet wil graag in gesprek blijven met deze overheden. De ervaring met de vorige Mexico City Policy leert namelijk dat er een neiging is tot over-implementatie en zelfcensuur. Daarnaast is het van belang om te noemen dat veel partners die essentieel zijn voor de uitvoering van ons SRGR beleid, geen Amerikaanse financiering meer ontvangen. Deze financiering stopte met het opheffen van USAID.
Bent u bekend met de verklaring van 2 maart 2026 van 10 landen, waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waarin zij deze nieuwe regels veroordelen en opkomen voor het recht van iedereen op zelfbeschikking? Waarom ontbreekt Nederland onder deze verklaring? Is Nederland gevraagd om mee te tekenen? Zo ja, waarom heeft Nederland niet meegetekend? Steunt Nederland de inhoud van deze verklaring?2
Het kabinet is bekend met de verklaring en Nederland is gevraagd om mee te tekenen. Het kabinet heeft gekozen niet te tekenen omdat dit een bredere afweging vereist. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie en daarmee over de impact van het beleid van de VS. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet om duidelijker in beeld te krijgen hoe dit beleid de gezondheid raakt van vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen. Nederland is hierover in contact met de VS, de landen waar Nederland mee samenwerkt op deze thema’s, gelijkgezinde donoren en partners. De verklaring is op 2 maart gepubliceerd op de website van SheDecides. Zoals reeds beantwoord, staat het kabinet pal voor mensenrechten en blijft het kabinet inzetten op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Het dwingen tot het dragen van een mondkapje |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Mogen verpleeghuizen, gelet op ontvangen signalen dat bijvoorbeeld de Clariane Group dit beleid in Nederland al heeft ingevoerd of wil gaan invoeren, verplegers dwingen een mondkapje te dragen tijdens hun werk?
Er is op dit moment geen wettelijke verplichting voor het dragen van mondkapjes. Voor het gebruik van mondneusmaskers in de zorg zijn professionele richtlijnen opgesteld. Werkgevers hebben volgens de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor het gezond en veilig werken van hun werknemers en dienen op basis van een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie beleid te formuleren dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
Vanuit de STOP-strategie1 (zie art. 3 lid 1 onder b Arbowet) kan het ter beschikking stellen van een persoonlijk beschermingsmiddel aan werknemers, zoals een mondkapje, een laatste redmiddel zijn. De werkgever mag vanuit de zorgplicht en op basis van het instructierecht een mondkapjesplicht invoeren, om een veilige en gezonde werkomgeving te garanderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
EU-subsidies voor abortus in andere lidstaten |
|
Sebastiaan Stöteler (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-subsidie mag voortaan gebruikt worden om abortus uit te voeren»?1
Ja.
Hoe reageert u op het besluit van de Europese Commissie dat subsidies uit het Europees Sociaal Fonds gebruikt mogen worden voor het uitvoeren van abortus in een andere EU-lidstaat (met een ruimer abortusbeleid dan het herkomstland)?
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft op 26 februari jl., in reactie op een burgerinitiatief, geduid dat de financiering van abortuszorg voor vrouwen die genoodzaakt zijn hiervoor naar een ander EU-land af te reizen, mag worden bekostigd vanuit het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+). Er zijn echter geen aanvullende middelen beschikbaar gesteld vanuit het ESF+. Het is dus een keuze van lidstaten zelf of ze het reeds toegewezen geld hiervoor willen gebruiken.
Het ESF+ is in Nederland belegd bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ESF+ middelen zijn op dit moment ook al belegd voor andere doelen. Het kabinet informeert de Kamer dit voorjaar uitgebreider over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie.
Kunt u bevestigen dat medisch-ethische kwesties nationale bevoegdheden zijn en de Europese Commissie er dus niets mee te maken heeft hoe EU-lidstaten hun abortusbeleid en -zorg vormgegeven? Deelt u de conclusie dat het verstrekken van EU-subsidies voor het uitvoeren en daarmee het faciliteren van abortus hiermee in strijd is? Hoe gaat u dit tegen?
Ja, medisch-ethische kwesties zijn een nationale bevoegdheid. De mededeling van de Commissie treedt hier ook niet in. Zoals ik eerder met uw Kamer heb gedeeld in reactie op de Kamervragen van het lid van Dijk (SGP)2, is er geen discussie over de verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).3 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.4 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.5 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.6 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst7 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unie-rechtelijke vrij-verkeersregels, waardoor vrouwen uit andere EU-lidstaten van dergelijke zorg gebruik kunnen maken in landen waar dat wordt aangeboden.
Het burgerinitiatief My Voice, My Choice heeft de Commissie opgeroepen lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige, of legale toegang toe hebben. Als reactie op dit burgerinitiatief heeft de Commissie verduidelijkt dat lidstaten uit het al bestaande ESF+ kunnen putten om de toegang tot abortuszorg voor vrouwen in kwetsbare situaties te verbeteren.
Dit is in principe niets nieuws. Een van de doelstellingen van dit fonds is namelijk het verbeteren van de toegang tot en de betaalbaarheid van diensten, met inbegrip van gezondheidsdiensten.
De Commissie concludeert in haar mededeling dat de financiering van abortuszorg voor vrouwen uit een ander land past bij dit doel van het ESF+. De Commissie legt in haar mededeling tevens uit dat het benutten van het ESF+ fonds voor abortuszorg aan buitenlandse vrouwen past binnen het rechtskader van de EU. Het gaat dan overigens nadrukkelijk om de zorgkosten.
Dit alles doet niet af aan het feit dat het aan lidstaten zelf is om hun wet- en regelgeving rond abortus te bepalen.
Deelt u de mening dat de Europese Commissie EU-lidstaten die terughoudend zijn ten aanzien van abortus ondergraaft? Deelt u daarnaast de vrees dat de zorg van EU-lidstaten met een ruimer abortusbeleid overvraagd kan worden?
Nee, het blijft primair aan lidstaten zelf om te bepalen of zij abortus in hun land toestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Het enige dat de Commissie met haar mededeling verduidelijkt is dat ESF+ middelen mogen worden gebruikt voor de financiering van abortuszorg voor vrouwen uit andere landen.
Als gezegd informeert het kabinet de Kamer dit voorjaar nog uitgebreider over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie. Dan zal ook worden ingegaan op de mogelijke gevolgen van de mededeling.
Hoeveel vrouwen uit andere EU-lidstaten zijn de afgelopen tien jaar naar Nederland gekomen voor het ondergaan van abortus? Kunt u een overzicht verstrekken met cijfers per jaar en herkomstland?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd rapporteert jaarlijks over de abortuscijfers.8 Tussen 2015 en 2024 ondergingen in totaal 33.095 buitenlandse vrouwen9 een zwangerschapsafbreking in Nederland. De bijlage bij de rapportage bevat een uitsplitsing naar vrouwen uit België, Duitsland, Frankrijk, Ierland en Polen.10 Vrouwen uit andere landen zijn samengevat in de categorie «overige landen». Daarin zitten zowel vrouwen uit andere EU-lidstaten, als vrouwen van buiten de EU. Het is daarom niet mogelijk een volledig overzicht te geven van het aantal vrouwen dat specifiek uit EU-lidstaten naar Nederland is gekomen voor een abortus.
Verwacht u dat er méér vrouwen naar Nederland zullen komen voor het ondergaan van abortus? Hoe gaat u dit voorkomen?
Het kabinet informeert de Kamer dit voorjaar uitgebreider schriftelijk over het kabinetsstandpunt betreffende de mededeling van de Commissie. Dan zal het kabinet ook ingaan op de mogelijke gevolgen.
Deelt u de mening dat – ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven – primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en abortussen?
Voor het kabinet staan niet de aantallen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor dit kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen terug te dringen. Vrouwen in Nederland kunnen in vrijheid beslissen over hun zwangerschap en hebben toegang tot abortuszorg van hoge kwaliteit. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van deze goede en toegankelijke abortuszorg en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. De activiteiten om de regie van mensen op hun kinderwens te versterken staan in de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.11
De aanpak heeft een nationaal karakter en richt zich dus op vrouwen binnen Nederland.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Boekholt-O’Sullivan , David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten de jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Nu de schoolbesturen hun zorgen hebben geuit via een brief aan onder meer de gemeenteraad van Lelystad is het in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
De huidige twee aanbieders van jeugd-GGZ hebben er voor gekozen om niet in te schrijven op de aanbesteding voor jeugd-GGZ per 1 juli 2026. Dit aanbestedingsproces is afgerond en de gemeente Lelystad heeft zeven nieuwe aanbieders gecontracteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas en hebben samen met het samenwerkingsverband een zorgplicht. Vanuit deze rol kunnen zij o.a. extra ondersteuning en specialisten inzetten, zoals een orthopedagoog, psycholoog en gedragsspecialist. Deze extra ondersteuning of inzet van specialisten moet gericht zijn om succesvol onderwijs te kunnen volgen en moet bijdragen aan onderwijsdoelen. Daarbij dient uiteraard goede afstemming te zijn met gemeenten over de inzet en beschikbaarheid van jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad van Lelystad om te zorgen dat er goed uitvoering wordt gegeven aan de Jeugdwet. Zij zijn verantwoordelijk dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp ontvangen en dat er ook een goede afstemming is met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs.
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te voorzien in een passend jeugdhulpaanbod voor de kinderen en gezinnen woonachtig in hun gemeente. Gemeenten moeten hierover afspraken maken met jeugdhulpaanbieders. In de gemeente Lelystad is geen sprake van vastgelopen contractonderhandelingen, maar van een wijziging van contractering van aanbieders. Lelystad heeft zeven nieuwe zorgaanbieders gecontracteerd voor de jeugd-GGZ per 1 juli 2026. De NZa wil meer zicht krijgen op wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Dit is ook primair aan de gemeente. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg.
Het burgerinitiatief ‘My Voice, My Choice’ |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat op 26 februari de Europese Commissie zal spreken over het burgerinitiatief «My Voice, My Choice», gericht op het instellen van een financieel mechanisme waarmee iedereen in de Europese Unie (EU) toegang krijgt tot abortuszorg? Bent u ook bekend met het feit dat negen Europese lidstaten (Estland, Oostenrijk, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Polen, Slovenië, Spanje en Zweden) de Europese Commissie (EC) hebben aangeschreven om hun steun te betuigen voor het initiatief?
Ja, het kabinet is bekend met het feit dat de Europese Commissie het voornemen heeft om op 26 februari een reactie te geven op het burgerinitiatief «My Voice, My Choice». Daarnaast is het bekend met de steunbetuiging van een aantal Europese lidstaten middels een door Spanje opgestelde brief aan de Europese Commissie.
Bent u het eens dat iedereen binnen de EU recht zou moeten hebben op toegang tot veilige, goede abortuszorg?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Steunt u het burgerinitiatief «My Voice, My Choice» en de oproep die daarin gedaan wordt voor toegang tot abortuszorg binnen de gehele EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om net als de negen andere lidstaten die dat al gedaan hebben, de EC aan te schrijven voor 26 februari a.s. en in deze brief uw steun te uiten voor het initiatief?
Het initiatief roept op om lidstaten financieel te ondersteunen bij het aanbieden van abortuszorg aan vrouwen die in hun eigen land geen toegang hebben tot abortus. Zo zouden bijvoorbeeld vrouwen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen voor een abortus, de behandeling vergoed kunnen krijgen. Het kabinet heeft waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers en lidstaten om de toegang tot veilige abortus in de EU te verbeteren.
Voordat het kabinet steun kan uitspreken voor een dergelijk initiatief, is het belangrijk dat de mogelijke implicaties van veranderend beleid in beeld zijn. Aangezien de EC nog niet heeft gereageerd op het burgerinitiatief is het op dit moment nog niet duidelijk wat de (financiële) impact van het voorstel zou kunnen zijn voor Nederland.
Op 26 februari maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen. Naar aanleiding hiervan zal het kabinet het Nederlandse standpunt, indien nodig, interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer wordt hier sowieso nader over geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 25 februari voor 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
De juridische onhoudbaarheid van financiële steun aan Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van Advocates for the Future waarin wordt gesteld dat de voorgenomen staatssteun van maximaal 2 miljard euro aan Tata Steel Nederland juridisch onhoudbaar, ineffectief en onrealistisch is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de juridische analyse van Advocates for the Future van 19 december 2025 dat de voorgenomen staatssteun aan Tata Steel in haar huidige vorm niet voldoet aan de vereisten van noodzaak, effectiviteit en proportionaliteit onder de Europese staatssteunregels (CEEAG), met name omdat niet is aangetoond dat de maatregelen leiden tot daadwerkelijke en additionele klimaat- en gezondheidswinst? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Advocates for the Future heeft de juridische analyse ingediend als reactie op de publieke consultatie van de Joint Letter of Intent met Tata Steel2. Alle reacties op de publieke consultatie worden momenteel samengevat tot een zogenaamd hoofdlijnenverslag. Dit hoofdlijnenverslag wordt binnenkort naar de Kamer verzonden.
De Nederlandse staat wil en zal geen staatssteun verlenen aan een private onderneming in het kader van de maatwerkaanpak om te voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De maatregelen onder de maatwerkaanpak moeten dan ook bovenwettelijk zijn. De staat ziet hier streng op toe en ook de Europese Commissie (hierna: EC) controleert dat de steun niet wordt gegeven om aan geldende EU-wetgeving te voldoen. De verwachte CO2-reductie van de projecten in de JLoI wordt onderschreven door het rapport van de technische adviseur van de staat. De Landsadvocaat heeft juridisch advies verleend over de (aanvullende) milieumaatregelen en in het bijzonder de bovenwettelijkheid daarvan. Dit advies is naar de Kamer verzonden.3 De Landsadvocaat concludeert dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet juridisch afdwingbaar zijn zonder maatwerkafspraak. Daarmee is de beoogde gezondheidswinst dus additioneel aan de geldende wet- en regelgeving.
Staatssteun kan rechtmatig worden verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden van een Europees staatssteunkader, in dit geval, de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (2022/C 80/01) (CEEAG). De beoogde steunmaatregel wordt dus conform de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader opgesteld. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van dit kader. De juridische borging van het behalen van de doelen wordt uitgewerkt in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Kunt u aangeven of u een juridische staatssteunanalyse heeft laten opstellen waarin expliciet wordt getoetst aan artikel 107, lderde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het CEEAG-kader en het beginsel «de vervuiler betaalt», en bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen vóór verdere besluitvorming? Zo nee, bent u bereid deze op te stellen en te delen?
De verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel zal door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG. Om die reden wordt de beoogde steunmaatregel zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan, waaronder bijvoorbeeld het beginsel «de vervuiler betaalt» voor de milieumaatregelen. Dit is geanalyseerd en hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. Echter, het formele notificatietraject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart. Op het moment van de formele notificatieprocedure wordt door de EC getoetst of de steunmaatregel voldoet aan alle voorwaarden en verplichtingen uit de CEEAG en of de steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. De EC is exclusief bevoegd om te beoordelen of de steun verenigbaar is met artikel 107, derde lid, VWEU. De steun kan niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Deze goedkeuring, en daarmee de toets aan artikel 107, derde lid, VWEU, wordt openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de aan de Kamer verstrekte CO2-reducties zijn berekend en welke aannames daarbij zijn gehanteerd over productievolumes en referentiescenario’s? Kunt u de onderliggende stukken en exacte wetenschappelijke bronnen met de Kamer delen, zodat de Kamer haar controlerende en kaderstellende taak naar behoren kan uitvoeren?
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven zijn bij de Kamerbrief4 over de ondertekening van de JLoI ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd5.
Hoe beoordeelt u de kritiek van experts dat de beoogde CO2-reducties grotendeels een «papieren werkelijkheid» betreft omdat een aanzienlijk deel van de uitstoot het gevolg is van capaciteitsafbouw, emissieverplaatsing en aannames? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw beoordeling dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven zijn de beoogde CO2-reducties getoetst door de technische adviseur van de staat6. Het rapport hierover is met de JLoI meegestuurd naar de Kamer. Wat betreft de punten over capaciteitsafbouw en emissieverplaatsing verwijs ik graag naar eerdere beantwoording waarin wordt aangegeven dat er geen sprake is van capaciteitsafbouw en dat de maatwerkaanpak zich focust op vermindering van de directe CO2-uitstoot bij de bedrijven zelf. De komende periode worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen uitgewerkt en opgenomen in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Waarom is bij de beoordeling van de klimaatwinst uitsluitend gekeken naar emissiereducties binnen Nederland (scope 1), terwijl bekend is dat methaanlekken bij gaswinning de totale klimaatimpact substantieel kunnen verhogen?
Een vergelijkbare vraag is eerder gesteld en beantwoord. Voor uw gemak hieronder nogmaals de exacte vraag en het antwoord.
Acht u het verenigbaar met de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord dat het grootste deel van de steun wordt ingezet voor installaties die primair op aardgas zullen gaan draaien, zonder harde verplichting tot tijdige omschakeling naar hernieuwbare energie, terwijl onzeker is of en wanneer omschakeling naar groene waterstof daadwerkelijk mogelijk zal zijn gezien de beperkte beschikbaarheid en concurrerende vraag? Op welke wetenschappelijke bronnen baseert u uw positie hierin dan precies (graag met nauwkeurige bronvermelding)?
De maatwerkafspraak met TSN beoogt een grote CO2-reductie van 7,2 Mton/jaar en forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te realiseren. Verder is in de JLoI opgenomen dat TSN ernaar streeft om uiterlijk in 2045 en zo snel als redelijkerwijs mogelijk is klimaatneutraliteit te bereiken. Juist vanwege de 1,5°C-doelstelling van het Parijsakkoord is het van belang om op korte termijn de emissies naar beneden te brengen.
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven7 is in de JLoI overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de nieuw te bouwen DRP-installatie zal vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. De installatie kan technisch overgaan op groene waterstof en/of biomethaan en hiervoor zijn dus geen technische aanpassingen nodig. Om in de tussenfase dat de DRP op aardgas draait een grotere CO2-reductie mogelijk te maken wordt CCS toegepast. Als is overgestapt op biomethaan kunnen hiermee ook negatieve emissies worden gerealiseerd.
Voor de aankoop van groene waterstof en biomethaan is de Staat voornemens een lening van 200 miljoen euro te verstrekken. De haalbaarheid van de overstap op groene energiebronnen is getoetst door de technische en financiële adviseurs van de staat. Voor groen gas specifiek schat externe adviseur Common Futures het Europese productiepotentieel voor groengasproductie op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN van 0.5 bcm te voldoen. De juridische waarborgen voor de overstap op groene energiebronnen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de voorwaarden uit het relevante staatssteunkader van de EC, de CEEAG.
Waarom zijn in de Joint Letter of Intent geen juridisch afdwingbare verplichtingen opgenomen die Tata Steel verplichten om uiterlijk op een vast moment te stoppen met het gebruik van kolen en aardgas? Hoe wordt het risico op een langdurige fossiele lock-in voorkomen, en kunt u de expertbronnen waarop u zich baseert meesturen?
Het proces van de maatwerkaanpak is zo georganiseerd dat de JLoI inspanningsverplichtingen bevat. Zie vraag 7 hierboven voor een nadere toelichting op de afspraken over de overstap van kolen naar aardgas en het voorkomen van een lock-in.
Kunt u toelichten hoe en door wie is getoetst en vastgesteld dat de gesubsidieerde maatregelen niet (gedeeltelijk) zien op naleving van bestaande wettelijke verplichtingen van Tata Steel? Hoe wordt precies voorkomen dat publieke middelen worden ingezet voor kosten die op grond van het beginsel «de vervuiler betaalt» voor rekening van het bedrijf zelf horen te komen?
De maatwerkaanpak richt zich op het realiseren van bovenwettelijke maatregelen, oftewel maatregelen die een grotere reductie bewerkstelligen dan wettelijk verplicht. Er kan dus ook alleen maatwerksteun worden gegeven voor bovenwettelijke maatregelen. De Staat toetst hier streng op. Ook de EC toetst dat de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, zie ook het antwoord op vraag 2. Hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar zijn.8
Aangezien de voorgestelde steun slechts betrekking heeft op een deel van de staalproductie en Tata Steel zelf niet in staat zou zijn om de productie te vergroenen, hoe voorkomt u dat een subsidiefuik ontstaat? Staat niet reeds vast dat Tata Steel straks voor meer subsidie zal aankloppen? En wordt het door de nu voorgestelde steunmaatregelen van 2 miljard euro niet lastiger om deze te weigeren? Kunt u aangeven hoe precies dit scenario wordt voorkomen?
Met de JLoI committeert de staat zich op dit moment op geen enkele manier aan aanvullende investeringen boven op de beoogde maatwerksubsidie van 2 miljard euro. Daarbovenop is in de JLoI opgenomen dat er geen maatwerksteun wordt voorzien voor de tweede fase van de verduurzaming van TSN. De staat ziet op dit moment ook geen realistisch scenario waarin de tweede fase van de verduurzaming van TSN in aanmerking komt voor maatwerkondersteuning. De tweede fase zal naar de huidige verwachting medio jaren ’30 worden uitgevoerd. Op dat moment zijn naar verwachting hoge EU ETS kosten en een goedwerkende CBAM in combinatie met een mogelijk kolenverbod aan de orde. Dit alles maakt het zeer onwaarschijnlijk dat er überhaupt subsidie mag worden verstrekt voor deze fase. Tegelijkertijd kan dit scenario nooit volledig uitgesloten worden, omdat wet- en regelgeving en klimaatbeleid in de toekomst kan wijzigen. Daarbij is het goed om op te merken dat een individueel bedrijf niet kan worden uitgesloten van eventueel in de toekomst bestaande generieke subsidie-instrumenten. Zie ook de beantwoording van vragen van de leden Kostić (PvdD), Dassen (Volt), Van Oosterhout en Zalinyan (beiden GroenLinks-Pvda) die op 4 februari jl. zijn beantwoord en eveneens zien op het voorkomen van, kort gezegd, een subsidiefuik.9 Zie voor uw gemak hieronder de exacte vragen en beantwoording:
Waarom is er geen volledige en transparante counterfactual analyse gepubliceerd waaruit blijkt welk investeringspad Tata Steel zonder staatssteun zou volgen? Hoe kan zonder zo’n analyse worden vastgesteld dat sprake is van een daadwerkelijk stimulerend effect van de steun?
Het counterfactual scenario bevat bedrijfsvertrouwelijke informatie en is om deze reden, net als de businesscase, niet gepubliceerd. Dit is de gebruikelijke gang van zaken bij dit soort trajecten van individuele ondernemingen. De businesscase en het counterfactual scenario van TSN worden uitvoerig getoetst door de financiële adviseur van de staat. Daarbij moet, voor het verkrijgen van goedkeuring voor de eventuele staatssteun door de EC, zoals de CEEAG voorschrijft, ook inzicht worden geboden in het counterfactual scenario en een onderbouwing van het stimulerend effect worden gegeven. De EC toetst deze dus ook en deze analyse is dus van belang voor het verkrijgen van goedkeuring van de EC voor het verlenen van rechtmatige staatssteun.
Hoe verhoudt het ontbreken van een afgeronde milieueffectrapportage en gezondheidseffectrapportage zich tot het vereiste dat de steun bovenwettelijk is en daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van de gezondheid van omwonenden? Op welke onafhankelijke wetenschappelijke adviezen baseert u zich precies?
Zie de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording, de beantwoording van vraag 2 hierboven en de eerdere beantwoording van vergelijkbare vragen over het MER [PM verwijzing]. Daarbij moet worden opgemerkt dat bovenwettelijkheid wordt afgemeten aan (normen uit) nationale en Europese wetgeving, niet aan een het MER of de GER. Een MER of GER is immers een uitwerking van de effecten van de voorgestelde plannen van Tata Steel waar Tata Steel een vergunning voor aanvraagt. Zie ook het eerder aan de Kamer gestuurde advies van de Landsadvocaat.10
Kunt u toelichten hoe de gezondheidswinst voor omwonenden van Tata Steel onafhankelijk en zoveel mogelijk real time zal worden gemonitord, conform aangenomen motie-Teunissen c.s. over zo snel mogelijk zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel (Kamerstuk 28 089, nr. 302), en welke sancties op welke termijn volgen indien deze uitblijft?
Deze elementen worden nader uitgewerkt richting het sluiten van de maatwerkafspraak. Zie ook de aanbiedingsbrief bij deze beantwoording. Zoals reeds geantwoord11 op 25 november 2025 op een eerdere vraag van de leden Kostić (PvdD) en Koekkoek (Volt) over dit onderwerp is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, boven op de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft.
Kunt u toelichten of de Europese Commissie al een eerste analyse heeft gemaakt van de steunmaatregelen? Wat is de status van de beoordeling door de Commissie? Kunt u het standpunt van de Commissie met de Kamer delen?
Zoals aangeven bij het antwoord op vraag 3 is met de EC gesproken over de voorwaarden vanuit het steunkader waaronder rechtmatige staatssteun zou kunnen worden verleend. De gesprekken met de EC worden doorlopend gevoerd en zijn constructief. Echter, het formele notificatie traject van de steunmaatregel bij de EC is nog niet gestart en de EC heeft dus ook nog geen formele beoordeling afgerond.
Bent u bereid verdere besluitvorming en een eventuele staatssteunmelding bij de Europese Commissie op te schorten totdat (a) een volledige juridische staatssteunanalyse is afgerond en gedeeld met de Kamer, (b) bindende klimaatdoelen en gezondheidsdoelen zijn vastgelegd (in lijn met de onafhankelijke adviezen van o.a. Expertgroep Gezondheid IJmond), en (c) duidelijk is dat de maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan de mondiale klimaatdoelen?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 3, zal de verenigbaarheid met de interne markt van de beoogde steunmaatregel door de EC worden getoetst aan de hand van de CEEAG en is de maatregel om die reden zo vormgegeven dat aan de betreffende voorwaarden voldaan kan worden. De maatwerkafspraak met TSN is de snelste en effectiefste weg naar verduurzaming en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De inzet voor de maatwerkafspraak is gebaseerd op verschillende adviezen en rapporten, waaronder de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en mogelijke afspraken juridisch, technisch en financieel te toetsten. Het kabinet vindt het in het belang van de omwonenden en het klimaat dat Tata Steel op de kortst mogelijke termijn de nodige verbeteringen gaat realiseren. Verdere onderzoeken zullen het proces vertragen terwijl het juist in ons allerbelang is om voortgang te boeken. Zoals eerder in deze en eerdere beantwoording aangegeven worden de juridische waarborgen voor het behalen van de doelen de komende periode verder uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. De EC toetst bepaalde aspecten van deze waarborgen ook bij het beoordelen van de maatregel aan het relevante staatssteunkader, CEEAG. Het goedkeuringsbesluit van de EC wordt openbaar gemaakt.
Herinnert u zich dat eerdere analyses van experts benadrukken dat de transformatie van Tata Steel naar aardgasproductie met CCS de Nederlandse energietransitie belemmert door grootschalige vraag naar (groen)gas, wat mest uit de bioindustrie vereist en daarmee een lock-in van intensieve veehouderij creëert, inclusief greenwashing-effecten? Hoe beoordeelt u deze bevindingen en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u die beoordeling? Erkent u dat industrie afhankelijk maken van de intensieve veehouderij ingaat tegen de aangenomen motie-Tjeerd de Groot om die intensieve veehouderij af te bouwen?2 Hoe wordt precies gewaarborgd dat de stappen die worden genomen met Tata Steel die afbouw niet vertragen of dwarsbomen?
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven13, leidt het gebruik van biomethaan niet tot een afhankelijkheid van mest. Biomethaan kan namelijk ook uit andere rest- en afvalstromen worden geproduceerd. Daarbij wordt ook import van biomethaan voorzien. Er is dus geen sprake van een afhankelijkheid tussen de verduurzaming van de industrie en de intensieve veehouderij. Het milieubeleid en de bijbehorende regelgeving in de landbouw, waar een vermindering van de omvang van de veestapel onderdeel van uitmaakt, bepaalt de hoeveelheid mest die geproduceerd wordt in Nederland. Het kabinet houdt bij de vormgeving van biomethaan beleid rekening met een krimp van de veestapel. Waarbij een daling in de hoeveelheid beschikbare mest geen risico vormt voor het biomethaan beleid.14
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat de 2 miljard euro steun aan Tata Steel leidt tot een afhankelijkheid van gas en biomethaan uit veeteeltmest in plaats van een versnelling van de overstap naar echt hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie direct voor groene waterstofproductie?
Zie het antwoord op vraag 16.
Kunt u deze vragen individueel en vóór het debat over de Jointetter of Intent met Tata Steel beantwoorden?
Ja.
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.