Een brand op een balkon waar een lhbti+ vlag hing |
|
Ines Kostić (PvdD), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister ) , Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het akelig gebeuren in Breda waar, waarschijnlijk door brandstichting, een brand uitbrak op een balkon waar een lhbti+ vlag hing en waarbij het appartement volledig uitbrandde?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de brandstichting volgens politie mogelijk te maken had met de regenboogvlag?
Het is zorgwekkend en boosmakend wanneer een voorwerp zoals een regenboogvlag object van haat wordt. Voor mij staat de regenboogvlag in de eerste plaats voor het idee dat iedereen openlijk moet kunnen houden van wie die wil houden en daar ook in vrijheid uiting aan moet kunnen geven, zonder bang te hoeven zijn voor geweld, vandalisme, discriminatie of andere negatieve of hatelijke uitingen. Wel moet ik hierbij de kanttekening plaatsen dat het onderzoek nog loopt en het voorbarig is om nu al conclusies te trekken uit dit specifieke incident.
Deelt u de mening dat een ieder mag zijn wie hij/zij/die wil zijn en dat als iemand ervoor kiest om een regenboogvlag op te hangen, dat moet kunnen zonder gevaar?
Ja, die mening deel ik. Het is van groot belang dat iedereen in Nederland, dus ook lhbtiq+ personen, zich veilig en geaccepteerd voelen. Iedereen moet kunnen zijn wie die wil zijn en iedereen moet op een veilige manier kunnen deelnemen aan onze samenleving. Het ophangen van een regenboogvlag is een vrijheid waar niet aan getornd mag worden.
Welke nazorg is geboden aan het betreffende slachtoffer van dit misdrijf?
Na de brandstichting hebben zowel de wethouder als de burgemeester van gemeente Breda een gesprek gevoerd met het slachtoffer om de situatie te bespreken en ondersteuning te bieden. Ook COC Tilburg-Breda e.o. staat in nauw contact met het slachtoffer en onderhoudt regelmatig overleg. Verder worden slachtoffers van strafbare feiten bij het doen van aangifte gewezen op ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland. Vanwege de privacy en de veiligheid van het slachtoffer doe ik geen verdere uitspraken over deze specifieke zaak.
Welke acties worden thans genomen om dit soort haatmisdrijven, die aan het toenemen zijn, richting lhbti+ personen te voorkomen?
Acties vinden op allerlei niveaus plaats. Maatschappelijke organisaties, zoals het COC en andere aan de lhbtiq+ gemeenschap gelieerde organisaties, spelen daarbij een belangrijke rol. De overheid ondersteunt hen bijvoorbeeld via strategische partnerschappen. Zo werken ze aan maatschappelijke acceptatie, gelijke behandeling en veiligheid van lhbtiq+ personen.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt vanuit haar portefeuille aan het bevorderen van veiligheid en acceptatie van lhbtiq+ personen. Dit gebeurt onder andere door in te zetten op burgerschapsonderwijs. Scholen moeten via burgerschapsvorming aandacht besteden aan het bijbrengen van kennis van en respect voor verschillen, onder meer voor seksuele diversiteit. Het Expertisepunt Burgerschap biedt handvatten en informatie voor scholen over hoe zij hun burgerschapsopdracht en onderwijs vorm kunnen geven.
Daarnaast steunt de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Stichting School en Veiligheid (SSV), een organisatie die zich inzet voor een sociaal veilig schoolklimaat. Dat doen ze onder andere door het geven van actuele informatie en deskundig advies aan scholen via hun website, trainingen, conferenties en een adviespunt.
Verder biedt COC Nederland ondersteuning aan scholen door bijvoorbeeld het faciliteren van Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), het organiseren van Paarse Vrijdag en het opbouwen van een docentennetwerk. Ook laat de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een onderzoek uitvoeren naar de dalende acceptatie van lhbtiq+ personen in Nederland.
Maakt u zich ook zorgen over de toename van discriminatie en geweld tegen lhbti+ personen, ook nu niet alle gemeenten en provincies regenbooggemeenten zijn en lang niet alle gemeenten en provincies hier beleid op maken?
Ja, ik maak me zorgen en vind het feit dat er nog steeds zoveel discriminatie van en geweld tegen lhbtiq+ personen plaatsvindt onacceptabel.
Op dit moment zijn er 55 gemeenten die meedoen aan het programma regenboogsteden, en het worden er steeds meer. Dat is een positieve ontwikkeling. Maar belangrijker is dat er in heel Nederland beleid is dat erop gericht is dat iedereen veilig kan zijn, ongeacht wie je bent of van wie je houdt.
Wat gaat u de komende tijd doen om alle gemeenten en provincies te verleiden en ertoe te bewegen om acties te ondernemen voor de veiligheid van lhbti+ personen en daar beleid op te maken? Wat gaat u doen als ze dat weigeren of daar niet toe in staat zijn?
Laat mij beginnen te stellen, dat de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik de 55 gemeenten in het programma Regenboogsteden steunen. De Regenboogsteden zetten zich in voor het verbeteren van de sociale acceptatie en veiligheid van lhbtiq+ personen. Zij ontvangen hiervoor een financiële bijdrage, en worden daarnaast ook inhoudelijk geadviseerd door kennisinstituut Movisie.
Daarnaast zijn er nog veel meer gemeenten die zelfstandig lhbtiq+ beleid ontwikkelen en zich tot Regenbooggemeente hebben uitgeroepen. De uitwisseling van kennis en de verbinding tussen de Regenboogsteden en de zelfstandige gemeenten worden gefaciliteerd door Movisie. In totaal komen we daarmee in Nederland op meer dan 100 steden die actief bezig zijn met acceptatie en veiligheid van lhbtiq+ personen.
Alle gemeenten kunnen gebruik maken van de vrij toegankelijke handreikingen op de website van Movisie voor het maken van lhbtiq+ beleid op gemeentelijk niveau.
Ik juich toe dat gemeenten zich inzetten voor lhbtiq+ personen, ofwel via het programma Regenboogsteden, dan wel als zelfstandige regenbooggemeente. Het is uiteindelijk aan gemeenten zelf om een Regenboogstad te worden.
Welke aanvullende acties gaat u de komende tijd zelf ondernemen om de veiligheid van lhbti+ personen te waarborgen, zowel preventief als repressief? Meer specifiek, welke investeringen gaat u doen in het onderwijs, juist nu blijkt dat de acceptatie van lhbti+ personen onder jongeren aan het afnemen is?
Uit de GGD Jeugdmonitor blijkt dat in een aantal regio’s in Nederland minder jongeren hebben gezegd dat ze homoseksualiteit normaal vinden dan in voorgaande jaren. Het is belangrijk om te melden dat het om een enkele vraag ging in een deel van de GGD regio’s, en dat dit dus geen uitgebreid onderzoek naar acceptatie van lhbtiq+ personen is geweest, en ook niet representatief is voor heel Nederland.
Dat gezegd hebbende is het duidelijk dat er nog steeds te veel incidenten plaatsvinden richting lhbtiq+ personen in Nederland. Vanaf dit najaar zal ik daarom samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een vervolginzet vormgeven, gericht op het bevorderen van de veiligheid van de lhbtiq+ gemeenschap. Het is van belang om daarbij naar oorzaken van gedrag te kijken, zodat het ongewenste gedrag bij de wortel aangepakt kan worden. Naar deze zaken gaat de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan ook onderzoek doen, in samenspraak met het COC. De onderzoeksopdracht wordt dit najaar door de Staatssecretaris uitgezet. De resultaten van dit onderzoek worden verwacht voor de zomer van 2025. Daarnaast gebeurt er al veel in het kader van het onderwijs. Zo wordt er hard gewerkt om het Wetsvoorstel Vrij en Veilig Onderwijs uiterlijk 2025 bij uw Kamer in te dienen. Dit wetsvoorstel stelt verschillende maatregelen om de veiligheid op scholen te verbeteren. Ook is de wegwijzerwebsite www.jouwveiligeschool.nl opgericht, waarop scholen informatie kunnen vinden om de sociale veiligheid van leerlingen te bevorderen. Verder ondersteunt het kabinet verschillende organisaties, zoals SSV en COC, waarbij scholen terecht kunnen voor ondersteuning en advies op het gebied van sociale veiligheid en acceptatie van lhbtiq+ leerlingen.
Voor de repressieve kant verwijs ik naar het initiatiefwetsvoorstel discriminatoir aspect als strafverzwaringsgrond (35 709) dat bij de Tweede Kamer aanhangig is. De initiatiefnemers hebben beoogd de wettelijke strafverzwaringsgrond die in dat voorstel van toepassing zal zijn bij strafbare feiten met een discriminatie-aspect, nauw te laten aansluiten bij het discriminatie-aspect dat in het huidige strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerie aanleiding geeft om een hogere straf te eisen.
Wanneer verschijnt het nieuwe actieplan tegen geweld tegen lhbti+ personen?
De evaluatie van het Actieplan Veiligheid LHBTI 2019–2022 is op 14 mei 2024 aan de Kamer aangeboden. Een van de kritiekpunten uit de evaluatie was dat de samenhang in dat actieplan ontbrak. Dat nemen we ter harte. Daarom hechten de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik aan een zorgvuldig proces. Dit najaar wordt een project gestart dat moet resulteren in een vervolgaanpak. Wij verwachten uw Kamer daar komend voorjaar verder over te kunnen informeren.
Bent u voornemens om de afspraken uit het Regenboog Stembusakkoord 2023 over de aanpak van discriminatie en geweld tegen de regenbooggemeenschap uit te voeren, waaronder een toename van 4 naar 40 discriminatierechercheurs, meer tijd en geld voor de roze in blauw- politieteams, verplichte aanpak van discriminatie op de politieacademie en meer tijd, beleid en capaciteit voor de aanpak van online discriminatie? Zo ja, op welke wijze en wanneer?
In het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma heeft het kabinet aangekondigd dat er maatregelen worden genomen tegen geweld gericht tegen lhbtiq+-personen. Zoals reeds aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 zal ik samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vanaf dit najaar aan een vervolginzet vormgeven. Ten aanzien van online discriminatie zal door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dit najaar een plan van aanpak aan uw Kamer toegestuurd worden.
Ten aanzien van de discriminatierechercheurs, de roze in blauw- politieteams en de verplichte aanpak van discriminatie op de politieacademie kan ik uw Kamer het volgende meegeven. Momenteel worden stappen gezet om het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) structureel in te bedden in de politieorganisatie. In het regeerakkoord staat dat het kabinet het ECAD-P structureel zal gaan financieren. Met dit besluit wordt ruimte gemaakt voor verdere besluitvorming over de toekomstige vormgeving van deze werkwijze en inrichting van het ECAD-P binnen de politie. Ik zal uw Kamer hierover informeren in het tweede halfjaarbericht politie 2024. Roze in blauw netwerk is onderdeel van het Netwerk Divers Vakmanschap (NDV). Voor alle teams binnen het NDV van de politie is een korpsregeling vastgesteld; hierin staat beschreven hoeveel diensttijd de NDV-leden kunnen inzetten voor hun werkzaamheden van het NDV. Voor wat betreft de politieacademie: de aanpak van discriminatie en racisme is een standaard onderdeel van het curriculum op de politieopleiding.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan de motie van de leden Mutluer en Westerveld over nader onderzoek doen naar intersectionele vormen van discriminatie en oplossingsrichtingen?2
In 2021 zijn in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kennistafels georganiseerd over hoe een intersectionele benadering de preventieve aanpak van racisme en discriminatie kan versterken. De inzichten gaven aanleiding om verder te verkennen hoe intersectioneel denken en werken kan worden versterkt bij Rijksambtenaren in het domein van de discriminatie en racisme aanpak. In opdracht van de voormalig Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en Werkgelegenheid is door Expertisecentrum Diversiteitsbeleid (ECHO) de Pilot intersectionele blik in de discriminatie aanpak ontwikkeld en uitgevoerd.
Op het gebied van emancipatie is de inzet om te kijken naar groepen van mensen die op verschillende assen kunnen afwijken van de geldende norm. Zo hebben de Emancipatiemonitor en Lhbtiq+-monitor expliciet aandacht voor vrouwen en lhbtiq+ personen met- en zonder beperking. Ook voor de monitor over representatie in de media streeft het kabinet ernaar om meerdere achtergrondkenmerken in kaart te brengen. De eerstvolgende editie van de monitor, die begin november 2024 uitkomt, kijkt naar de representatie van vrouwen en personen met een beperking. Bij volgende edities kunnen ook de andere achtergrondkenmerken worden toegevoegd.
Op deze manier is er aandacht voor de raakvlakken van discriminatiegronden. De Alliantie Verandering van Binnenuit richt zich op lhbtiq+ personen en personen met een migratieachtergrond, die zowel vanwege hun gender, hun migratieachtergrond en/of hun godsdienst gediscrimineerd worden.
Er is ook een financiële bijdrage geleverd aan verkennend onderzoek naar de ervaringen en behoeften van oudere queer personen van kleur door het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS).
De nog steeds openbare bangalijsten |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Struycken |
|
![]() |
Kent u het bericht «Telegram blijft verwijderverzoeken bangalijsten negeren, Offlimits eist toezichthouders in te grijpen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het voor slachtoffers van bangalijsten onverteerbaar is dat hun namen nog steeds op Telegram te vinden zijn en dat daardoor nog steeds schade wordt veroorzaakt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Ik vind het onverteerbaar voor slachtoffers en maak mij grote zorgen hierover. Het heeft enorme impact op deze vrouwen en dit raakt mij diep.
Deelt u de mening van Offlimits dat het «uitblijven van actie vanuit de overheid [tegen Bangalijsten op Telegram] onbegrijpelijk en onacceptabel» is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke actie is dan tot nu toe wel door toezichthouders ondernomen?
Ik begrijp dat het voortbestaan van de bangalijsten verschrikkelijk is voor de betrokkenen en dat zij hier ernstig last van kunnen hebben en ik betreur dan ook de houding van Telegram. Daarom volg ik met interesse de afwegingen die de organisaties maken die mogelijk actie kunnen ondernemen, te weten het Openbaar Ministerie, de Autoriteit Persoonsgegevens en de Autoriteit Consument en Markt. Zij hebben verregaande zelfstandigheid en het is uiteindelijk aan hen om per geval een afweging te maken over de eventuele toepassing van beschikbare bevoegdheden en instrumenten.
Het Openbaar Ministerie doet samen met de politie momenteel breder onderzoek naar de mate waarin Telegram meewerkt aan Notice and Action-verzoeken, waartoe zij zelf via hun eigen website oproepen. Vooralsnog is uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar voren gekomen dat Telegram Notice and Action-verzoeken niet honoreert, waarbij het gaat om het verzoek tot het verwijderen van divers strafbaar materiaal, waaronder bangalijsten. Daarnaast wordt door het Openbaar Ministerie onderzocht of en in hoeverre Telegram (inmiddels) wel meewerkt aan bevelen tot het ontoegankelijk maken van content op basis van rechterlijke machtigingen. Dit omvat onder andere bevelen op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering waarbij, na machtiging van de rechter-commissaris, een online aanbieder kan worden bevolen om inhoud ontoegankelijk te maken wanneer er sprake is van strafbare inhoud. Het onderzoek beslaat een breed scala aan verdenkingen van strafbare feiten, zoals de online handel in drugs en wapens, terreur en online materiaal van seksueel kindermisbruik. Afhankelijk van hoe het Openbaar Ministerie de uitkomsten van het onderzoek beoordeelt, worden vervolgacties overwogen. Het Openbaar Ministerie maakt per geval een afweging over vervolgstappen, rekening houdend met de beschikbare capaciteit en de omstandigheden van het geval.
Ten aanzien van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is in een eerdere beantwoording van Kamervragen aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris Rechtsbescherming en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ingegaan op de onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden die de AP heeft.2 Eén van de mogelijkheden die daarbij wordt genoemd, is dat belanghebbenden om handhaving kunnen vragen door middel van een handhavingsverzoek. Op basis van het bericht van Offlimits stel ik vast dat deze stap nu is gezet. Het is aan de AP om eventuele vervolgstappen te bepalen. Uiteraard zal ik de ontwikkelingen daaromtrent met interesse blijven volgen.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de (beoogd) toezichthouder op de digitaledienstenverordening3 (Digital Services Act – DSA) in Nederland. Telegram is echter wettelijk vertegenwoordigd in België. Daarom is het primair aan de Belgische toezichthouder te besluiten over handhaving ten aanzien van Telegram op grond van de DSA. Uit het feit dat het handhavingsverzoek tevens aan de beoogd toezichthouder op de DSA in België is verzonden blijkt dat de verzoekers dit aspect in overweging hebben genomen. Net als in Nederland moet de uitvoeringswet in België echter nog door het parlement worden behandeld alvorens er toezicht kan worden gehouden.
Belangrijk om op te merken is dat de reikwijdte van de DSA op de verschillende functies van Telegram nog niet geheel duidelijk is. Het is waarschijnlijk dat de openbare chatgroepen op Telegram voldoen aan de definitie van online platform onder de DSA, waardoor dat onderdeel van de dienst aan de daarvoor geldende verplichtingen zal moeten voldoen. Besloten (groeps)gesprekken vallen niet onder de definitie van online platform van de DSA, net zoals vergelijkbare interpersoonlijke communicatiediensten zoals WhatsApp, Signal, en Facebook Messenger er niet onder vallen.
Over welke juridische instrumenten beschikken de in het bericht genoemde toezichthouders, te weten de Autoriteit Persoonsgegevens, de Autoriteit Consument en Markt, de Belgische toezichthouders en de Europese Commissie, om handhavend tegen Telegram te kunnen optreden? Zijn deze instrumenten effectief om er voor te kunnen zorgen dat de bangalijsten van Telegram verdwijnen? Zo ja, waarom is daar dan nog geen gebruik van gemaakt? Zo nee, waarom niet en welke instrumenten zijn nog wel beschikbaar om handhavend te kunnen optreden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 heeft de AP diverse onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving en in het kader daarvan audits uitvoeren en gegevensverwerkingen inzien. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen.4 Het is aan de AP om te beoordelen of in het geval van de bangalijsten sprake is van een schending van de gegevensbeschermingswetgeving en of zij tot handhaving overgaat en zo ja, in welke vorm dat gebeurt. Belanghebbenden kunnen hier ook om vragen door middel van een handhavingsverzoek, waarin de AP wordt verzocht om van haar bevoegdheden gebruik te maken. Nu dit laatste in gang is gezet, kijk ik met belangstelling uit naar de afweging van de AP.
Telegram valt onder toezicht van de Belgische toezichthouders (zie voor toelichting onder vraag 3). Zowel de Belgische toezichthouders als de ACM zijn nog niet bevoegd, omdat de betreffende uitvoeringswetgeving nog niet is aangenomen. Zodra dat wel het geval is, en voor zover Telegram onder de DSA valt, biedt de DSA diverse bevoegdheden die de nationale toezichthouders en de Europese Commissie in staat stellen om onderzoeks- en sanctiemaatregelen te nemen. Bij een vermoeden van niet-naleving van bepalingen uit de DSA door online aanbieders kunnen bijvoorbeeld informatieverzoeken worden gedaan, inspecties worden uitgevoerd of gesprekken worden afgenomen. Voor wat betreft de sanctionering is er in een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien. De DSA biedt ruimte om geldboeten en dwangsommen op te leggen en in uiterste gevallen en onder bepaalde stringente voorwaarden kan de toezichthouder de rechter verzoeken om de toegang tot een dienst tijdelijk te beperken.5 De ACM kan – na inwerkingtreding van de uitvoeringswet – als Nederlandse toezichthouder gebruik maken van de mogelijkheden die de DSA biedt om de Belgische toezichthouders te verzoeken om onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen.6 Ook gezamenlijk onderzoek met de Belgische toezichthouders op hun initiatief of op aanbeveling van de digitaledienstenraad behoort tot de mogelijkheden. Meldingen die bij toezichthouders onder de DSA worden gedaan gelden als signalen die helpen bij het uitvoeren van het toezicht en de handhaving op de naleving van de DSA. De toezichthouders hebben geen instrumenten om verwijdering van specifieke content af te dwingen. Wel is het zo dat onder de DSA de aansprakelijkheidsvrijstelling wegvalt op het moment dat Telegram op de hoogte is van bepaalde illegale content en niet prompt handelt om die inhoud te verwijderen of anderszins ontoegankelijk te maken. Hiermee voorziet de DSA in een prikkel om illegale content te verwijderen.
De AP kan in individuele gevallen handhavend optreden als er sprake is van schending van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen. Weigert een partij, dan kan de AP aanvullende maatregelen nemen of een gerechtelijke procedure starten.7
Voor de beoogde toezichthouders onder de DSA geldt dat, zodra zij bevoegd zijn, het aan hen is om te bepalen of en op welke wijze zij opvolging geven aan een handhavingsverzoek.
Deelt u de mening dat als er niet handhavend tegen Telegram kan worden opgetreden dat dan betekent dat Telegram en vergelijkbare berichtendiensten en internetsites voortaan vrij spel hebben om strafbare content te verspreiden waaronder «wapens, drugs, beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik en dus ook bangalijsten» en dat dan het grondrecht op een persoonlijke levenssfeer niet meer gewaarborgd kan worden? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat dit onaanvaardbaar is en wat gaat u doen om er voor te zorgen dat er wel handhavend kan worden opgetreden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het onaanvaardbaar is als online omgevingen verworden tot een vrijhaven voor illegale content en strafbare activiteiten. De DSA stelt dan ook dat openbare sociale media gehouden zijn op te treden tegen het openbaar maken en verspreiden van illegale content als zij er weet van hebben dat dit via hun platformen plaatsvindt. Bij berichtendiensten, zoals WhatsApp, Signal, maar dus ook Telegram, is de wetgever terughoudender om het belang van opsporing en handhaving te faciliteren, omdat daarbij grondrechten van gebruikers in het geding kunnen komen, zoals het recht op privacy en het recht op communicatie- en briefgeheim.
De aanhoudende inzet van rechtshandhavingsautoriteiten samen met relatief recente ontwikkelingen zoals de introductie van de Verordening Terroristische Online Inhoud8 en de DSA, en de oprichting van de Autoriteit Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) versterken de handhavingsmogelijkheden ten aanzien van online aanbieders. Daarnaast blijft het kabinet zich inspannen voor aanvullende wetgevende instrumenten waar nodig, zoals de Verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik waarover nog wordt onderhandeld.
Het bericht omtrent de opheffing van commissie Schneiders die de Landelijke Eenheid onderzocht en zou monitoren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() |
Klopt het dat het eindrapport van commissie-Schneiders is opgeleverd conform het instellingsbesluit en dat de commissie nu is opgeheven? Bent u bereid om dat rapport per omgaande naar de Kamer te sturen?1
Ja.
Wat vindt u van de kritiek van politiebond NPB, de Centrale Ondernemingsraad (COR), de voorzitter van de commissie en politiemensen dat dit een onverstandig besluit is en de timing een slechte en dat dit zal leiden tot voortzetting van de omstreden cultuur waaronder de vriendjespolitiek en het structureel wantrouwen richting leidinggevenden?
Ik zie deze transitie, net als alle vergelijkbare trajecten gericht op cultuurverandering en doorontwikkeling, als een meerjarige inspanning en niet als een afgeronde zaak. De transitie bij de Landelijke Eenheden (LE-en) gaat een volgende fase in. Om de voortgang te volgen zijn de volgende afspraken gemaakt. Toezicht op en sturing geven aan de opvolging van de gedane aanbevelingen is een verantwoordelijkheid van de korpsleiding en in het verlengde daarvan de leidingen van de Landelijke Eenheden. Met de korpschef is afgesproken dat er een intern monitoringsproces wordt ingericht waarbij de uitkomsten door de korpsleiding worden gevolgd. De commissie Schneiders heeft ook naar deze aanpak gekeken. De korpschef heeft daarbij de heer Schneiders gevraagd om formeel als adviseur bij dit proces betrokken te blijven. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft daarnaast gesprekken gevoerd met de commissie Schneiders om tot een goede overdracht van taken te komen. De Inspectie zal haar toezicht op de LE-en in lijn met de bevindingen van de commissie Schneiders en de aanbevelingen in haar eerdere rapporten oppakken. Het toezicht van de Inspectie richt zich in ieder geval op de kwaliteit van de taakuitvoering. Het departement houdt vanuit haar reguliere rol toezicht op de beheersaspecten.
De korpschef heeft bij mij aangegeven dat de korpsleiding en eenheidsleidingen periodiek blijven reflecteren met vertegenwoordigers van de medezeggenschap en de vakbonden op het transitieproces. De korpsleiding en ik zijn ervan overtuigd dat er dankzij de grote inspanningen van alle medewerkers van de Landelijke Eenheden nu een gedegen fundament ligt waarop de Landelijke Eenheden verder kunnen bouwen en de veranderingen verder kunnen worden geborgd.
Klopt het dat de focus op de transitie van de Landelijke Eenheid de afgelopen tijd is afgenomen en de structuur meer aandacht heeft gekregen dan de cultuur? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Nee, ik herken het beeld niet dat de focus op de transitie van de Landelijke Eenheid de afgelopen tijd is afgenomen. In het afgelopen jaar zijn grote stappen gezet, de Landelijke Eenheid is gesplitst in twee eenheden per 1 januari 2024. Dit was een complexe exercitie waarvoor veel medewerkers van de Landelijke Eenheid heel hard hebben gewerkt. Deze splitsing per 1 januari is zonder grote problemen verlopen en dat verdient een groot compliment.
De administratieve splitsing van de Landelijke Eenheid heeft in de eerste periode van de transitie relatief veel aandacht gevraagd. Dit is conform de transitieplannen die vooraf zijn gemaakt, en die door de commissie Schneiders zijn getoetst.2
Tegelijk is er niet stilgezeten op het vlak van cultuur en leiderschap. Met inbreng van medewerkers is een passend leiderschapsprofiel opgesteld. Volgens dit profiel zijn de nieuwe eenheidsleidingen samengesteld. Er is gestart met besturing door middel van meerdere Hoofden Operatiën in plaats van twee Hoofden Operatiën per eenheid, waardoor er binnen de eenheidsleiding meer aandacht is voor vakontwikkeling. Daarnaast is het traject gestart van het schouwen van alle leidinggevenden van de Landelijke Eenheden. In de schouwcommissies, die met alle leidinggevenden in gesprek gaan, zijn ook medewerkers van de werkvloer vertegenwoordigd. Ook op het gebied van cultuur zijn stappen gezet, zo is het instrumentarium voor het voeren van «Dialoog in Teams» ontwikkeld en zijn de eerste teams uitgekozen om te starten met deze dialoogsessies. Samen met medewerkers zijn er handreikingen ontwikkeld over (on)gewenst gedrag. Urgente situaties in teams, die raken aan ongewenst gedrag en ongewenste omgangsvormen, worden met voorrang aangepakt. Momenteel is men bezig met een inventarisatie langs de teams om behoeftes op te halen en op basis daarvan de aanpak te prioriteren. Er vindt voortdurend, actief en transparant, informatievoorziening en communicatie plaats naar de medewerkers, onder andere in interactieve medewerkersbijeenkomsten en met eigen flitspeilingen over de transitie. Tot slot is in beide eenheden met medewerkers hard gewerkt aan de nieuwe identiteit van de eenheden.
Hoe beoordeelt u in dat geval de hoofdbevindingen van de commissie over de stand van zaken transitie waarin onder andere is opgenomen dat de opgestelde aanpak van de korpsleiding voor de werkcultuur in de praktijk nog vorm en kleur moet krijgen? Hoe beoordeelt u de kritiek van de commissie hierop?2
Cultuurverandering is een complex traject en dient zorgvuldig te worden aangepakt. Ik heb er begrip voor dat de politie ervoor heeft gekozen om eerst een programmatische aanpak neer te zetten met input vanuit onder andere medewerkers, de Ondernemingsraden (OR) en de commissie Schneiders. Dit heeft tijd gekost. Het is van belang dat de aanpak op teamniveau wordt toegespitst en niet slechts een uniforme aanpak wordt nagestreefd. Als gevolg van deze aanpak kunnen positieve cultuurelementen op teamniveau worden behouden en versterkt.
Hoe gaat u garanderen dat de vijf hoofdbevindingen van de commissie (afronding spoor 1 en 2a, het werkcultuur, basis op orde, overzicht stand van zaken teams, medewerkersparticipatie) daadwerkelijk worden opgepakt? Hoe gaat de Inspectie hierop toezicht houden gelet op hun onafhankelijke rol?
De uitvoering van de transitie gebeurt volgens het korpstransitieplan. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is hiervoor een intern sturings- en monitoringsproces ingericht. De heer Schneiders zal betrokken blijven en de korpsleiding van advies voorzien. De Inspectie Justitie en Veiligheid zal haar toezicht op de LE-en in lijn met de bevindingen van de commissie Schneiders en de aanbevelingen in haar eerdere rapporten oppakken. De Inspectie houdt primair toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering. Vanuit haar onafhankelijke positie als toezichthouder staat het de Inspectie vrij om haar werkwijze te kiezen en dat kan ook zijn het monitoren van de taakuitvoering. Daarmee heeft de Inspectie eerder ruimschoots ervaring opgedaan. Het departement houdt vanuit haar reguliere rol toezicht op beheersaspecten.
Welke concrete zichtbare veranderingen op het gebied van de cultuur zijn de afgelopen jaren wel doorgevoerd in relatie tot de reorganisatie van de Landelijke Eenheid?
Zie hiervoor het laatste deel van antwoord 3.
In hoeverre wordt de COR hierbij structureel betrokken?
Voorafgaand aan de splitsing van de Landelijke Eenheid was de OR nauw betrokken bij de transitie. Voor de eenheidsleidingen van LX en LO zijn de nieuwe OR-en belangrijke gesprekspartners in deze transitie. Op korpsniveau wordt ook de COR structureel betrokken, evenals overige stakeholders. De COR is sinds de start uitgenodigd en aanwezig geweest bij dit stakeholdersoverleg. De korpschef heeft bij mij aangegeven dat de korpsleiding periodiek blijft reflecteren met vertegenwoordigers van de medezeggenschap en de vakbonden op het transitieproces.
Specifiek, welke concrete acties zijn ondernomen ter vervanging van leidinggevenden zonder kennis? Zijn de leidinggevenden inmiddels geschouwd, en is er een rapport over de uitkomsten hiervan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 worden de leidinggevenden in alle lagen van de LX en LO geschouwd. Inmiddels is van meer dan de helft van de leidinggevenden deze ontwikkelingsgerichte schouw afgerond, naar verwachting is dit traject eind dit jaar volledig afgerond. De uitkomsten worden vertaald in individuele en collectieve ontwikkeltrajecten. Deze trajecten zijn daarna structureel onderdeel van de Resultaat en & Ontwikkelingscyclus van de leidinggevenden binnen de Landelijke Eenheden.
Welke concrete acties zijn ondernomen ten aanzien van de aanpak van de vriendjespolitiek en betere medewerkersparticipatie en met welke zichtbare resultaten zijn daaromtrent geboekt volgens u? Graag elk onderdeel apart en uitgebreid beantwoorden.
Ik herken mij niet in het gebruik van de term vriendjespolitiek. Ook de commissie Schneiders heeft niet in dergelijke termen gerapporteerd. Wel signaleert de commissie in haar eindrapportage dat er op het gebied van verbetering van het leiderschap inmiddels aanzienlijke stappen zijn gezet. Naar het oordeel van de commissie heeft de transitie, en dan specifiek de leiderschapsschouw, bijgedragen aan bewustzijn bij leidinggevenden over de gewenste stijl van leiderschap en het omgaan met elkaar. Voorts heeft de korpschef mij aangegeven dat bij de vervulling van vacatures stringent wordt gewerkt volgens het korpsbrede werving- en selectiebeleid en dat ook de medezeggenschap hierop zeer alert is.
Ten aanzien van betere medewerkersparticipatie: enkele concrete acties die zijn ondernomen met behulp van medewerkersparticipatie zijn eerder aan de orde gekomen in deze antwoorden, bijvoorbeeld het opstellen van het gewenste leiderschapsprofiel, de participatie in de schouwcommissies en handreikingen over (on)gewenst gedrag. Ook hebben medewerkers, onder meer ten tijde van de splitsing, geparticipeerd in klankbordgroepen en ontwikkelgroepen. Daarnaast is een start gemaakt met diverse ontwerpvraagstukken. Bij deze ontwerpvraagstukken staat het vak centraal, iets waar medewerkers vanuit hun rol als expert bij uitstek de toekomst van hun vakgebied mede kunnen vormen. Dit gebeurt in ontwerpteams waarin de werknemers kunnen deelnemen. Leidinggevenden worden gestimuleerd om hun medewerkers hier actief aan deel te laten nemen.
Is de reorganisatie van de Landelijke Eenheid wat u betreft af? Zo nee, heeft u er vertrouwen in dat dit op een goede wijze wordt opgepakt? Zo ja waar baseert u dat op? En hoe beoordeelt u dat?
De transitie is niet af, dit is een complex traject dat meerjarige inspanning vraagt. De medewerkers en de leiding van de Landelijke Eenheden hebben een enorme prestatie neergezet de afgelopen jaren. De splitsing van de Landelijke Eenheid is goed verlopen en de basis voor verandering is gelegd. De transitie gaat nu een nieuwe fase in. De leidingen van de Landelijke Eenheden en de korpschef moeten zelf invulling en sturing geven aan dit proces. Via een stevige interne monitoring van de voortgang en het toezicht door de Inspectie kan de voortgang goed worden gevolgd. Zoals eerder aangegeven zal de heer Schneiders formeel als adviseur van de korpschef betrokken blijven.
Bent u ondanks het instellingsbesluit en gelet op de geuite kritiek bereid om met de commissie-Schneiders, de politieleiding en de bonden in gesprek te gaan om te bezien op welke wijze het werk van de commissie zeker in het licht van de gewenste cultuurverandering nog wel zou kunnen gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. De transitie zal een proces van jaren zijn en op dit moment gaat de transitie een nieuwe fase in. De leidingen van de Landelijke Eenheden en de korpschef moeten zelf invulling en sturing geven aan dit proces. Via een stevige interne monitoring van de voortgang en het toezicht door de Inspectie kan de voortgang goed worden gevolgd. Zoals eerder aangegeven zal de heer Schneiders formeel als adviseur van de korpschef betrokken blijven. Daarmee heb ik er vertrouwen in dat het toezicht op het proces, en de mogelijkheid om het proces kritisch te kunnen blijven volgen ook voor de komende periode voldoende is ingericht.
Blijven in lijn met de aanbevelingen van commissie-Schneiders financiële middelen voor de transitie beschikbaar? Zo nee, kan daarmee de transitie dan wel optimaal verlopen?
De middelen die vanuit mijn departement en vanuit de politiebegroting beschikbaar zijn gesteld voor de transitie van de Landelijke Eenheid blijven daarvoor structureel beschikbaar. Ook voor het zetten van een betekenisvolle eerste stap voor de ambities op het gebied van doorontwikkeling van het vak zijn middelen beschikbaar gesteld, deze blijven beschikbaar voor dat doel.4
Slachtoffers bangalijsten op Telegram |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Struycken , Eppo Bruins (minister ) (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Ouders van slachtoffers bangalijsten starten stichting: «Gedragsregels gaan niet ver genoeg»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat naast gedragsregels ook duidelijke maatregelen en sancties moeten worden opgelegd aan de makers en verspreiders van bangalijsten omdat goede voornemens alleen niet voldoende zijn om de vrouwen die hier slachtoffer van worden te beschermen? Zo ja, welke acties onderneemt u daartoe?
Het is verschrikkelijk voor getroffen vrouwen dat er dergelijke lijsten worden gemaakt en verspreid. Dat is onacceptabel. Gevallen als deze laten zien dat er een cultuurverandering nodig is naar een situatie waarin iedereen op een respectvolle manier met elkaar omgaat niet alleen bij studenten en verenigingen maar in de hele samenleving.
In beginsel is het de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen en de studentenverenigingen zelf om te zorgen voor een veilige omgeving, met bijpassende gedragsregels en bijbehorende mogelijkheden voor handhaving en sanctieoplegging. In het geval van een studentenvereniging kan de vereniging maatregelen nemen. Wanneer er een financiële relatie is met een onderwijsinstelling kan de onderwijsinstelling besluiten sancties op te leggen. Het is goed om te zien dat onderwijsinstellingen vanuit deze verantwoordelijkheid dergelijke mogelijkheden ook hebben benut. Eerder is gesproken met de onderwijsinstellingen over de rol die zij hebben in hun relatie met studenten- en studieverenigingen. Deze gesprekken zullen worden voortgezet.
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) ondersteunt GELIJKSPEL, een stichting die voorlichting geeft aan studentenorganisaties en verenigingen over omgangsvormen rond seks en het creëren van een positieve seksuele cultuur. Ook ondersteunt de Staatssecretaris van OCW de campagne «Ben je oké?» van Rutgers die zich specifiek richt op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij studentenverenigingen. Daarnaast omvat de integrale aanpak sociale veiligheid van het Ministerie van OCW maatregelen zoals een landelijk programma, waarbij instellingen en studenten initiatieven en activiteiten kunnen organiseren om sociale veiligheid te verbeteren. Dit programma is tevens opengesteld voor studie- en studentenverenigingen.
Ook zijn er strafrechtelijke mogelijkheden, voor de gevallen waarin sprake is van strafbare feiten. In dat kader wijs ik op de bestaande mogelijkheden voor het opsporen en vervolgen van belediging, smaad of laster en doxing.2
Deelt u de mening dat het pact dat studentenverenigingen samen met de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld recent hebben gesloten tegen seksueel geweld een eerste stap is, maar nog te vrijblijvend? Bent u bereid, zeker als verbetering uitblijft, om met de universiteiten en hogescholen afspraken te maken over sancties en handhavingsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Het sluiten van het pact is een cruciale stap. Tegelijkertijd kost cultuurverandering tijd en vergt het interventies op verschillende niveaus. Met de integrale aanpak sociale veiligheid is vorig jaar door het Ministerie van OCW een pakket aan maatregelen aangekondigd dat momenteel in gang wordt gezet. Voorbeelden zijn een onderzoek naar de verbetering van klacht- en meldvoorzieningen en een landelijk programma, waarbij instellingen en studenten (verenigingen) initiatieven en activiteiten kunnen organiseren om sociale veiligheid te verbeteren.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, is eerder gesproken met de onderwijsinstellingen over de rol en verantwoordelijkheid die zij hebben in hun relatie met studenten- en studieverenigingen. De Minister van OCW vindt het een goede zaak als instellingen besluiten voorwaarden te stellen rond veiligheid bij het verstrekken van een subsidie aan een organisatie. Instellingen hebben hem laten weten dat ze niet schuwen een financiële relatie stop te zetten als er sprake is van een ernstig incident. In het geval van Utrecht is dit dan ook gebeurd.
De Minister van OCW blijft in gesprek met de instellingen over de verschillende aspecten van grensoverschrijdend gedrag en ook over hun relatie met studenten- en studieverenigingen in dit kader. Er is vanuit het Ministerie van OCW met de «integrale aanpak sociale veiligheid» een pakket aan maatregelen in gang gezet om de sociale veiligheid te verbeteren. Uw kamer is daarover recent geïnformeerd in de voortgangsbrief integrale aanpak sociale veiligheid hoger onderwijs en wetenschap.3 De Minister van OCW wil de uitwerking daarvan echter eerst afwachten. Als verbetering evenwel uitblijft, zal in overleg met de onderwijsinstellingen en andere stakeholders worden bezien welke aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen, bijvoorbeeld de toepassing van sancties en handhavingsbeleid.
Wat vindt u ervan dat slachtoffers van bangalijsten nu zelf moeten opdraaien voor de gemaakte kosten voor bijvoorbeeld een psycholoog, advocaat, verhuizing of kosten in verband met het voortijdig afbreken van een opleiding? Hoe gaat u deze slachtoffers beter ondersteunen?
Voor slachtoffers bestaan al diverse algemene voorzieningen om hen te ondersteunen en op weg te helpen in hun herstel. Zo kunnen slachtoffers, indien zij dit wensen, gebruik maken van gratis hulp en ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland (Direct hulp voor slachtoffers - Slachtofferhulp Nederland; hierna: SHN). Dat kan op zowel praktisch als emotioneel gebied en tevens kan, in geval van een strafzaak, juridische ondersteuning worden geboden. Indien meer gespecialiseerde hulp nodig is, wordt een slachtoffer doorverwezen door SHN naar gespecialiseerde instanties.
Het strafrechtelijk onderzoek inzake de bangalijsten duurt nog voort. Zodra het onderzoek is afgerond zal het OM beoordelen of en zo ja welke strafbare feiten zijn gepleegd en welke afdoening hiervoor passend is. Als er een strafzaak volgt, kunnen de slachtoffers de zich voegen als benadeelde partij om hun schade te verhalen op de daders.
Daarnaast kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het plaatsen van persoonsgegevens op bangalijsten en het verspreiden van dergelijke lijsten ook civielrechtelijk worden aangepakt. Slachtoffers kunnen in zo'n geval via de civiele rechter een schadevergoeding vorderen op grond van onrechtmatige daad. Ook zal een deel van de (medische) kosten mogelijk vergoed kunnen worden via bijvoorbeeld een zorgverzekering.
Wat vindt u ervan dat ouders van slachtoffers zich genoodzaakt voelden stichting Stop Bangalijsten op te richten om de collectieve belangen van de slachtoffers te behartigen, mede in verband met het feit dat slachtoffers anoniem willen blijven?
Ik betreur het dat de slachtoffers van deze lijsten uit angst voor meer schade zich genoodzaakt voelen anoniem te blijven, maar ik begrijp deze wens. Het is daarom van belang dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten aangifte doen bij de politie. In dat geval zijn er een aantal voorzieningen waar slachtoffers die anoniem willen blijven een beroep op kunnen doen bij politie, officier van justitie en rechter. Zo is het mogelijk dat het adres van een slachtoffer niet in de aangifte komt te staan. Verder kan de politie in bijzondere gevallen een nummer in plaats van de naam van een slachtoffer vermelden in het dossier. Ook is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om anoniem te getuigen en kan een locatie- gebieds- of benaderverbod worden opgelegd ter bescherming van een slachtoffer. In de rechtszaal kunnen slachtoffers vragen om een speciale plaats voor slachtoffers en kan een slachtofferverklaring door iemand anders worden voorgelezen.
Dit alles laat onverlet dat het iedereen vrij staat om een stichting op te richten met het oog op de collectieve belangen van slachtoffers.
Is het u bekend dat rechtsbijstandsverzekeringen van de slachtoffers tot nu toe collectieve acties als deze niet willen vergoeden? Bent u bereid om hier met de rechtsbijstandsverzekeringen een gesprek te voeren teneinde maatwerk te leveren bij online shaming? Zo ja, wanneer kunnen we daar een terugkoppeling van ontvangen?
In principe gaan verzekeraars zelf over hun producten en diensten, en over aan wie zij deze aanbieden. Dat laat onverlet dat ik naar aanleiding van deze vragen navraag heb gedaan bij het Verbond van Verzekeraars. Het Verbond gaf aan dat zij zich niet herkent in het beeld dat rechtsbijstandsverzekeraars collectieve acties, waaronder acties van stichting Stop Bangalijsten, op voorhand niet vergoeden. Rechtsbijstandverzekeraars bieden naturaverzekeringen aan en zorgen voor rechtshulp; in beginsel door hun eigen juristen of advocaten. In zaken met meerdere belanghebbenden voeren rechtsbijstandverzekeraars waar mogelijk een collectieve actie samen met andere belangenbehartigers. Die aanpak vraagt om maatwerk en daar hebben zij oog voor. De rechtsbijstandverzekeraars ondersteunen de acties van de stichting Stop Bangalijsten. Hiervoor geldt echter wel dat een verzoek om rechtshulp onder de polisdekking van de rechtsbijstandverzekering moet vallen en dit is niet altijd het geval. De rechtsbijstandverzekeraars zijn kortom zeker bereid om dit soort collectieve acties te ondersteunen, mits dit verenigbaar is met de polisvoorwaarden.
Bent u bereid stichting Stop Bangalijsten te ondersteunen en een gesprek hierover met hen aan te gaan?
Vanzelfsprekend is er, in aanvulling op het reeds bestaande contact, de mogelijkheid voor de stichting om met onze ministeries in gesprek te gaan. Daar staan wij voor open. Daarnaast wil ik de stichting er via deze weg al op wijzen dat zij kan verkennen of ze samen met een onderwijsinstelling en/of studentenvereniging een subsidieaanvraag kan indienen via het landelijk programma sociale veiligheid van OCW, voor een initiatief. Overige financiële middelen zijn niet beschikbaar.
Waarom is er in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van het lid Mutluer over bangalijsten over Telegram niet verwezen naar de ernstige schending ingevolge de AVG en de handhavingsmogelijkheden van de toezichthouders, zowel in Belgie als in Nederland, de Autoriteit Persoonsgegevens in deze? Is hierover contact geweest tussen het ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens? Zo ja, wat zijn daar de uitkomsten van? Zo nee, waarom niet?2
De eerdere vragen en de antwoorden daarop zagen op de mogelijkheden die het strafrecht biedt tegen de verspreiding van bangalijsten. De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) is aangewezen5 als de toezichthoudende autoriteit op de toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). In het kader daarvan kan de AP weliswaar bestuurlijke boetes opleggen, maar zij is geen strafrechtelijke autoriteit. De AP is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Om dat te kunnen doen, heeft de AP diverse onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving en in het kader daarvan audits uitvoeren en gegevensverwerkingen inzien. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van een gegevensverwerkingen. Het is de AP zelf die bepaalt of zij tot handhaving overgaat en zo ja, in welke vorm dat gebeurt. Belanghebbenden kunnen hier ook om vragen door middel van een handhavingsverzoek, waarin de AP wordt verzocht om van haar bevoegdheden gebruik te maken. Over handhaving in voorkomende gevallen, noch over het handhavingsbeleid in brede zin onderhoudt de AP in het licht van voornoemde onafhankelijkheid contact met mijn departement.
Welke parallellen ziet u tussen organisaties als het Amsterdamse ziekenhuis OLVG en het Haga Ziekenhuis aan wie de Autoriteit Persoonsgegevens een stevig boetebesluit oplegde vanwege onvoldoende beveiliging van medische dossiers en Telegram die nog veel verder gaat en zelf bijzondere persoonsgegevens van studentes op het platform plaatst. Kunnen uit deze rechtspraak lessen getrokken worden als het gaat om het bestrijden van de verspreiding van bangalijsten? En zo ja, wilt u die dan inzetten?3
Ik zie geen parallellen. In de genoemde boetebesluiten stond namelijk niet de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens als zodanig centraal, maar de vraag of er voldoende technische en organisatorische maatregelen waren getroffen om een passend beveiligingsniveau te waarborgen (artikel 32, eerste lid, AVG). Voordat aan deze vraag wordt toegekomen, zal altijd eerst moeten vaststaan dat de gegevensverwerking op zichzelf rechtmatig is. Wanneer de AVG op een verwerking van persoonsgegevens van toepassing is, is altijd vereist dat een geldige grondslag voor die verwerking bestaat. In artikel 6 van de AVG staan de zes mogelijke grondslagen voor het verwerken van persoonsgegevens, zoals toestemming van betrokkene of gerechtvaardigd belang. Het is aan de AP als onafhankelijke toezichthouder die bevoegd is om te beoordelen of sprake is van het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens. Het indienen van een klacht of verzoek bij de AP kan een dergelijke beoordeling in gang zetten.
De voorgenomen sluiting van het politiebureau in Wolvega |
|
Lilian Helder (PVV), Songül Mutluer (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() |
Kent u de berichten «Weststellingwerf wil politiebureau overnemen» (Leeuwarder Courant 4 juli 2024) en «Als politie zich terugtrekt, grijpen criminelen hun kans» (Stellingwerf 4 juli 2024)?
Ja.
Deelt u de mening dat het voor de veiligheid van belang is dat de politie zichtbaar aanwezig is in wijken, buurten en regio’s? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De politie speelt een belangrijke rol in het bevorderen van de veiligheid in wijken, buurten en regio’s. Daarbij speelt zichtbare aanwezigheid een belangrijke rol. De politie is op verschillende manieren zichtbaar en bereikbaar in wijken, buurten en regio’s. De zichtbare aanwezigheid van politie wordt primair verzorgd door de wijkagent en zijn of haar collega’s van het basisteam. Contact met de politie kan fysiek plaatsvinden (op een teambureau, politiepost of op straat), maar ook online of telefonisch.
Deelt u de mening dat de sluiting van het politiebureau in Wolvega niet in lijn is met het voornemen zoals verwoord in uw eigen Hooflijnenakkoord te weten: «Er komt zichtbare aanwezigheid en meer politie en politieposten in wijken, in buurten, in de regio»? Zo nee, waarom niet?
Het hoofdlijnenakkoord zal in de komende periode verder uitgewerkt worden in een regeerprogramma. De uitwerking van de doelstelling om zichtbare aanwezigheid van de politie te behouden wordt daarin meegenomen.
Deelt u de mening dat met de sluiting van het politiebureau in Wolvega er minder tijd voor politiezorg in die plaats komt, de informatiepositie van de politie daar verslechtert en agenten minder aandacht voor Wolvega kunnen gaan hebben?
De politiepost groot in Wolvega wordt in 2025 vervangen door een politiepost klein. Dit is een nieuwe kleinere politiepost, passend bij de werkzaamheden en dienstverlening. De nieuwe politiepost komt op een goed toegankelijke plaats in een gebouw bij een ketenpartner. Hier kunnen inwoners aangifte doen en de politie bereiken, waarbij openingstijden en aanwezigheid in nauw overleg met het lokaal bestuur worden vastgesteld. Kleinere politieposten zijn op afspraak (tijdens kantoortijden) geopend. Burgers hoeven dus niet verder te reizen naar een politielocatie. De politie blijft voor hen op dezelfde manier bereikbaar.
Een kleinere politiepost kan daarnaast fungeren als uitvalsbasis voor de wijkagent en aanloopplek voor de diender op straat (noodhulp en handhavingstaken). De tijd voor politiezorg en de informatiepositie van de politie is daarnaast niet afhankelijk van een fysieke locatie.
Transformatie naar een nieuwe kleinere politiepost in Wolvega zorgt er voor dat capaciteit kan worden vrijgemaakt voor meer «blauw» op straat. Dit draagt bij aan de politiezorg ter plaatse en behoud van de informatiepositie van de politie. De agenten blijven werkzaam in het gebied van basisteam Zuidoost-Fryslân en werken vanuit het teambureau in Heerenveen, de politiepost groot in Oosterwolde (gemeente Ooststellingwerf) en de nieuwe kleinere politiepost in Wolvega (gemeente Weststellingwerf).
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de voorgenomen sluiting van het politiebureau?
In 2014 zijn in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie afspraken gemaakt over een meerjarig huisvestingsplan. In het kader van de vorming van de Nationale Politie is besloten tot een transformatie naar een kleiner aantal politiebureaus, ondersteund door een operationeel netwerk van politieposten. In de huisvestingsvisie 2040 van de politie is het uitgangspunt van één teambureau per basisteam en ondersteuning met politieposten daar waar nodig opnieuw opgenomen.
Keuzes over welke politiebureaus of posten die worden toegevoegd, geopend blijven of sluiten is een verantwoordelijkheid van de politie. De politie overlegt hierover met het betrokken lokaal gezag. Het is aan de politie om binnen het gestelde financiële kader te bepalen hoe zij de huisvesting van de politie het beste kan inrichten. Het is tevens aan de politie om voorgenomen wijzigingen hierin af te stemmen in overleg met het betrokken lokaal gezag. Daarbij spelen naast de veiligheidssituatie en aanrijtijden, overwegingen van doeltreffendheid en doelmatigheid alsook overwegingen over kwaliteit van het politiewerk en de kwaliteit van de dienstverlening een rol. De huisvestingsaanpak wordt steeds besproken in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP).
In overleg met het lokaal gezag is naast het teambureau in Heerenveen een politiepost aanwezig in Oosterwolde en een politiepost in Wolvega. De politiepost groot in Wolvega wordt in 2025 vervangen door een politiepost klein, passend bij de werkzaamheden en dienstverlening.
Ik heb er vertrouwen in dat de politie de keuze voor sluiting van het politiebureau Wolvega weloverwogen maakt en de genoemde zorgen heeft betrokken en zal blijven betrekken in haar afwegingen.
Deelt u de mening dat indien de gemeente Weststellingwerf het genoemde politiebureau overneemt dat er daarmee nauwelijks nog sprake van kan zijn dat bezuinigingen een reden voor sluiting zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De keuze voor huisvesting in een nieuwe kleinere politiepost in het gebouw van een ketenpartner in Wolvega past bij de werkzaamheden en de dienstverlening van de politie ter plaatse. Het verkopen aan en weer terug huren van de grotere bestaande politiepost van de gemeente Weststellingwerf past niet binnen deze opzet, de organisatieontwikkeling van de politie en het financieel kader dat daarvoor is.
Bent u op de hoogte van de gesprekken tussen de gemeente Weststellingwerf en het politiebestuur van het district Zuidoost-Friesland? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte stellen van de voortgang van deze gesprekken? Zo nee, kunt u zich alsnog laten informeren en de Kamer op de hoogte stellen van de voortgang van deze gesprekken?
Team, districts- en eenheidsleiding van de politie zijn sinds juni 2023 intensief in gesprek en overleg met de burgemeester van Weststellingwerf over de dienstverlening door de politie in Wolvega en de (ontwikkelingen in de) nieuwe huisvesting van de politie in Wolvega. Op 11 juni jl. was er een gesprek en dat wordt vervolgd. In eerste instantie was er sprake van een verhuizing van agenten van Wolvega naar Oosterwolde. In overleg met de burgemeester is afgesproken dat een deel van de agenten verhuizen naar het teambureau in Heerenveen. Dit levert een verbetering op van de bereikbaarheid van Wolvega met een reistijd van een kwartier.
Hoe gaat u in het algemeen er voor zorgen dat er zichtbare aanwezigheid en meer politie en politieposten in wijken, in buurten en de regio komt en in het bijzonder in de gemeente Weststellingwerf?
Zie antwoord vraag 3.
Onveiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Mark Harbers (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het onderzoek van AD en Pointer over de onveiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat vrouwen uit onveiligheidsgevoelens allerlei voorzorgsmaatregelen nemen zoals het vermijden van bepaalde plekken of het op zak hebben van zelfverdedigingssleutelhangers of pepperspray, wat bovendien onder de Vuurwapenverordening 1930 valt? Wat vindt u ervan dat veel vrouwen dit kennelijk nodig achten?
Iedereen zou veilig moeten zijn, in huis en op straat. Het is niet acceptabel dat mensen – en in dit bericht veel vrouwen – zich genoodzaakt voelen om voorzorgsmaatregelen te nemen om zich veilig te voelen in hun eigen leefomgeving. Dat vrouwen bepaalde plekken vermijden of het nodig achten om zelfverdedigingsmiddelen bij zich te dragen, zoals sleutelhangers of pepperspray, wijst op een probleem in onze samenleving: er zijn plekken of ervaringen van mensen waar sprake is geweest van intimidatie, ongewenste aandacht of geweld.
Het is een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat iedereen zich vrij en veilig kan bewegen, zonder angst of bedreiging. Hoewel sommige zelfverdedigingsmiddelen, zoals pepperspray onder de Wet wapens en munitie vallen en verboden zijn, moeten we vooral werken aan de oorzaken van het onveiligheidsgevoel en de versterking van preventieve maatregelen die bijdragen aan een veiligere samenleving. Het feit dat vrouwen dergelijke maatregelen overwegen, is een duidelijke indicatie dat er nog veel werk te doen is op het gebied van bewustwording, preventie en veiligheid. Dit vraagt om een gezamenlijke inspanning van de overheid, de samenleving en alle betrokken partijen.
Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren genomen om de veiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte te verbeteren, met name ’s avonds en ’s nachts? Wat zijn de resultaten daarvan? Is de informatie van vrouwen die daadwerkelijk incidenten hebben meegemaakt hierin meegenomen?
Voor een aantal voorbeelden van maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om de veiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte te verbeteren, verwijs ik u naar vraag 8 en 9.
De Veiligheidsmonitor geeft inzicht in de ontwikkeling van onveiligheidsbeleving van vrouwen. Daarin is te zien dat de algemene onveiligheidsgevoelens van vrouwen tussen 2012 en 2019 zijn gedaald en stabiel zijn gebleven tussen 2019 en 2021. Tussen 2021 en 2023 is het percentage vrouwen dat zich in het algemeen wel eens onveilig voelt licht gestegen, van 42 naar 44 procent.
Specifieker voelde 5 procent van de vrouwen zich in 2023 ’s avonds op straat in hun eigen buurt onveilig. Daarin is geen verschil te zien met 2021. 4 procent van de vrouwen reed of liep in 2023 wel eens om als vorm van vermijdingsgedrag.
Ook dat percentage is niet veranderd ten opzichte van 2021.
Als gekeken wordt naar welke incidenten vrouwen daadwerkelijk meemaken in deze context, dan is te zien dat in totaal 6,5 procent van de vrouwen in 2023 slachtoffer werd van een geweldsdelict (bedreiging, mishandeling of seksueel geweld). Dat percentage is even groot als bij mannen. Ook is dit percentage toegenomen ten opzichte van 2021, toen 5 procent van de vrouwen slachtoffer werd van een geweldsdelict. Het is echter niet bekend welk percentage van deze delicten plaatsvond in de openbare ruimte. Wel is bekend dat 57,5 procent van de vrouwelijke slachtoffers in 2023 de dader niet kende.
Hoe beoordeelt u het feit dat uit het onderzoek van AD en Pointer blijkt dat 9 op de 10 vrouwen zich onveilig voelen op stations en 82% van hen in het openbaar vervoer (ov)? Hoe verhoudt zich dit tot het feit dat vrijwel alle stations een voldoende scoren in de Stationsbelevingsmonitor? Hoe verklaart u het verschil?
Ik vind het zorgelijk dat een substantiële groep vrouwen heeft aangegeven zich onveilig te voelen in het openbaar vervoer en de omgeving van haltes en stations. Ik vind het van belang dat reizigers en personeel veilig kunnen reizen en werken in het OV. Samen met de OV-sector monitoren we actief de ontwikkelingen aan de hand van representatieve en periodieke metingen. De enquête van Pointer en het AD heeft daarbij een andere en minder representatieve insteek, zoals deze partijen ook zelf aangeven, toch biedt de enquête zeer waardevolle informatie. De enquête geeft namelijk goed inzicht in locaties waar de deelnemende vrouwen zich onveilig voelen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn daarom een goede aanvulling op de bestaande OV-monitors. De focus en manier van deze bestaande representatieve onderzoeken is echter deels anders. Zo is de omgeving van of route naar halte of station geen onderdeel van de OV-klantenbarometer of de Stationsbelevingsmonitor omdat dit valt onder de publieke ruimte. Pointer en het AD scharen dit wel onder OV en noemen dit een «spoorzone». Een ander verschil is dat de enquête van Pointer en AD zich specifiek op vrouwen heeft gericht die zich onveilig voelen in de publieke ruimte. De bredere OV-monitors vragen daarentegen alle reizigers naar hun (veiligheids)ervaringen met het OV.
Wat vindt u ervan dat vervoersbedrijven bij onderzoeken over veiligheidsgevoelens in het ov en op stations bij de resultaten geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen? Vindt u dat deze splitsing wel gemaakt moet worden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat in onderzoeken naar reizigerservaringen gebruik wordt gemaakt van relevante uitsplitsingen. In sommige gevallen is dat een onderscheid op basis van gender. Enkele OV-partijen en decentrale OV-autoriteiten hebben reeds het verantwoordelijke kennisplatform CROW gevraagd de gendervraag opnieuw onderdeel te laten zijn van de enquêtes. Ik herken het belang van deze informatie en sluit mij bij dat verzoek aan. Tot 2018 was de gendervraag een vast onderdeel van de OV-Klantenbarometer. Het laatste jaar waarin deze monitor de gendervraag bevatte, toont geen substantieel verschil in de gemiddelde veiligheidservaring van vrouwen versus mannen. Beiden geven de sociale veiligheid in het OV een ruime voldoende, net als de jaren daarvoor.
Over het algemeen wordt de veiligheid op stations ook in de Stationsbelevingsmonitor (SBM) van 2023 met een ruime voldoende beoordeeld. De SBM bevat de gendervraag op dit moment wel. Deze uitsplitsing is geen onderdeel van de openbare publicatie, maar deze informatie is ter beschikking voor opdrachtgevers en beleidsmakers. Wanneer de veiligheidservaring op basis van gender wordt uitgesplitst, zijn er 111 Nederlandse stations die door vrouwen lager beoordeeld worden dan een zes. In totaal zijn er 58 stations die door zowel mannen als vrouwen lager beoordeeld worden dan een zes. Het Ministerie van IenW gaat met NS en ProRail in gesprek over deze inzichten, evenals over de uitkomsten van de enquête van Pointer en het AD. IenW verwacht voor de SBM dat de uitsplitsing op basis van gender behouden blijft en zal NS en ProRail vragen dit ook onderdeel te laten zijn van de openbare publicatie.
Bent u in gesprek met gemeenten, ov-bedrijven en/of reizigersvereniging Rover over de schrikbarend hoge percentages vrouwen die zich onveilig voelen in het ov en op stations? Zo ja, welke concrete acties zijn er uit deze gesprekken voortgekomen? Zo nee, bent u bereid deze gesprekken te voeren?
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat zijn doorlopend in gesprek met veiligheidspartijen, decentrale overheden en de OV-sector over het verbeteren van de veiligheid in en rondom het OV. De conclusies van de enquête van Pointer en het AD worden uiteraard in deze gesprekken meegenomen.
Ook wordt er gezamenlijk gewerkt aan concrete maatregelen, zoals cameratoezicht, extra beveiliging, verhuur van commerciële ruimtes met ruimere openingstijden, het plaatsen van groen of hekwerken en het verbeteren van zichtlijnen. Dit soort maatregelen worden waar mogelijk en nodig toegepast op alle 404 stations, waarbij ieder station anders is en een ander type aanpak vereist. NS en ProRail hebben laten weten dat in het geval van de stations met een beoordeling van zes of lager de stationsmanagers goed op de hoogte zijn van de precieze verbeterpunten en er gewerkt wordt aan concrete acties.
Ter bevordering van de samenwerking, kennisuitwisseling, informatiedeling en innovatie over sociale veiligheid in het OV is er in 2020 het convenant sociale veiligheid afgesloten onder leiding van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de provincies, de politie, de OV-bedrijven en ProRail. Daarnaast is het afgelopen jaar gewerkt met een actieplan sociale veiligheid in het OV. Hiermee zijn diverse stappen gezet om de veiligheid in en rond het OV te verbeteren. Zo zijn er in de afgelopen jaren camera’s geplaatst, stations afgesloten met ov-chipkaartpoortjes, werkt de sector met bodycams én kunnen NS-reizigers in het hele land onveilige situaties in treinen en stations via whatsapp melden. De komende periode wordt het convenant geëvalueerd en vernieuwd. De veiligheid zal dan ook onze aandacht blijven houden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu zal op een later moment erop terugkomen over hoe hij verder invulling wil geven aan het verbeteren van de veiligheid en het veiligheidsgevoel in en rondom het OV.
Deelt u de mening van onderzoeker Krista Schram dat er te weinig rekening wordt gehouden met de veiligheid van vrouwen omdat vaak voorbij wordt gegaan aan het feit dat zij andere dingen belangrijk vinden als het op veiligheidsbeleving aankomt dan mannen? Zo ja, hoe gaat u hier verandering in brengen? Zo nee, waarom niet?
De mening van onderzoeker Krista Schram neem ik serieus. De veiligheidsbeleving van vrouwen heeft belangrijke aandachtspunten, waarmee rekening moet worden gehouden. Met het oog hierop zijn inmiddels inspanningen geleverd om rekening te houden met de veiligheid van vrouwen. Wel is het goed hier steeds alert op te blijven en te kijken of de inspanningen kunnen worden aangescherpt, bijvoorbeeld door hier jaarlijks apart naar te kijken. Ik zal deze suggestie aankaarten bij de betrokken partners, zoals hierna genoemd. Er wordt in verschillende beleidsplannen en veiligheidsinitiatieven aandacht besteed aan de specifieke behoeften van vrouwen, zoals in het programma Veilige Steden dat gemeenten door het hele land ondersteunt bij het verbeteren van de veiligheid voor vrouwen en meisjes, met een focus op de openbare ruimte en uitgaansgelegenheden. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) ondersteunt en stimuleert dit programma. Movisie, dat sinds 1 september 2023 het programma heeft overgenomen, ondersteunt gemeenten met individuele begeleiding, werkateliers en het delen van goede praktijkvoorbeelden. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is in gesprek met onder andere het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en het programma Veilige Steden hoe, in aanvulling op het programma Veilige Steden, gemeenten verder kunnen worden ondersteund in de aanpak van straatintimidatie.
Verwacht u dat de Wet seksuele misdrijven, die per 1 juli a.s. ingaat en waar ook straatintimidatie onder valt, zal leiden tot minder onveiligheidsgevoelens onder vrouwen? Wordt er, in afstemming met politie, boa’s en gemeenten, bijvoorbeeld extra aandacht besteedt aan de aanpak van straatintimidatie op plekken waar vrouwen volgens onderzoek extra veel onveiligheidsgevoelens ervaren?
De Wet seksuele misdrijven verbetert de strafrechtelijke bescherming van burgers tegen seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ik verwacht dat de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar, waarvan ook een normerende en afschrikwekkende werking uitgaat, bijdraagt aan een samenleving waarin burgers zich ongehinderd en vrij in het openbaar kunnen begeven en zich veiliger voelen, zonder angst voor ongewenste seksuele toenadering van anderen. Dit normerende en preventieve effect wordt naar verwachting versterkt door de landelijke publiekscampagne over de Wet seksuele misdrijven waarin aandacht wordt geschonken aan seksuele intimidatie in het openbaar.
Het is verder aan het lokaal gezag om de inzet op de aanpak van (seksuele)
intimidatie in het openbaar te bepalen, maar ik verwacht dat als het bekend is dat seksuele intimidatie vaker op bepaalde locaties voorkomt, daar in deze aanpak extra aandacht aan wordt besteed. De lokale aanpak van seksuele intimidatie bestaat overigens niet alleen uit een strafrechtelijk deel maar ook en vooral uit preventie van, voorlichting en bewustwording over seksuele intimidatie.
Bent u bekend met onderzoek van de Erasmus Universiteit en TU Delft dat laat zien dat de inrichting van de openbare ruimte onveiligheidsbeleving van jonge vrouwen in de hand werkt, deels doordat bij de inrichting van de publieke ruimte de behoeften van jongens en jonge mannen als norm worden genomen? Bent u bereid in gesprek te gaan met gemeenten over hoe in het ontwerpproces van de openbare ruimte al rekening gehouden kan worden met de behoeften van vrouwen en hen hier actief bij te betrekken?2
Ja, ik ben bekend met dit onderzoek.
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werken samen aan veilig ontwerp en beheer van de openbare ruimte, zowel met gemeenten als specifiek de gebieden binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid.
Vanuit Justitie en Veiligheid wordt het Centrum voor Criminaliteitspreventie gefinancierd om gemeenten te ondersteunen in het veilig ontwerp en beheren van de openbare ruimte. Een middel hiervoor is de Veiligheidseffectrapportage. Hierin wordt ook aandacht besteed aan veiligheid(sbeleving) van vrouwen.
In het Nieuw Handboek Veilig Ontwerp en Beheer, dat deze zomer wordt gepubliceerd en medegefinancierd is door de beiden ministeries, wordt ook aandacht besteed aan inclusiviteit in de openbare ruimte. Het gaat hierbij om het creëren van omgevingen die veiligheid, comfort en «welkom-voelen» bevorderen voor alle gebruikers, ook vrouwen. Dit vereist voortdurende evaluatie en aanpassing om ervoor te zorgen dat de ruimten blijven voldoen aan ieders behoeften. Het handboek is gericht op een diverse groep lezers die betrokken zijn bij de veiligheid en het beheer van stedelijke omgevingen. Van ontwerpers, bouwers en beheerders tot gemeenten. Ook richt het handboek zich op politie, woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars, bouw- en omgevingsbeheermanagers.
Vragen de resultaten uit het onderzoek van AD en Pointer wat u betreft om extra actie of aanvullende maatregelen en zo ja, wat behelzen die en wanneer worden deze ingezet? Zo nee, waarom niet?
Het handboek Veilig Ontwerp en Beheer zoals genoemd in het antwoord op vraag 9 wordt deze zomer gepubliceerd. Hierin wordt aandacht besteed aan omgevingen die veiligheid, comfort en «welkom-voelen» creëren voor alle gebruikers, ook vrouwen. Het vereist voortdurende evaluatie en aanpassing om ervoor te zorgen dat de ruimten blijven voldoen aan ieders behoeften.
Voor het openbaar vervoer hebben ProRail en vervoerders een primaire verantwoordelijkheid bij het waarborgen van de veiligheid van reizigers en personeel. Ik vraag de betrokken partijen om hierin hun rol te pakken en waar noodzakelijk te komen met aanvullende maatregelen. Er is echter ook meer onderzoek nodig om meer te weten over de redenen achter deze resultaten en de effectiviteit van mogelijke aanvullende maatregelen te toetsen.
Extreemrechtse memes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Grappig, maar gevaarlijk: NCTV wil maatschappij wapenen tegen extreemrechtse «meme»»1?
Ja.
Deelt u de mening dat dit soort memes veel impact kunnen hebben op de samenleving en in het bijzonder op jongeren en hun gedachtenontwikkeling?
Memes zijn een belangrijk online communicatiemiddel voor extreemrechts2 en worden op diverse manieren en met verschillende functies ingezet. De stelselmatige verspreiding van extreemrechtse memes draagt bij aan de normalisering en sociale acceptatie van een onverdraagzaam gedachtegoed, leidt tot (online) groeps- en identiteitsvorming binnen een radicale subcultuur en biedt mogelijk inspiratie voor geweld of ander extremistisch handelen. Zo kan de normalisering van extremistisch gedachtegoed leiden tot racisme, uitsluiting en discriminatie van minderheden en andersdenkenden. Memes kunnen daarnaast bijdragen tot niet-gewelddadige extremistische acties als haatzaaien, angst verspreiden, doelbewust desinformatie verspreiden, demoniseren en intimideren, verwerpen van wet- en regelgeving, en pogingen om een parallelle samenleving tot stand te brengen waarbij het gezag van de Nederlandse overheid en het rechtssysteem worden afgewezen. Dit zijn ongewenste ontwikkelingen die de sociale cohesie aantasten en de democratische rechtsorde en daarmee ook de nationale veiligheid op termijn kunnen ondermijnen.
Via memes kan extremistisch gedachtegoed op een laagdrempelige manier verspreid worden richting jongeren. Zo bereiken aanhangers van extreemrechts vooral jongeren in het online domein, die in de eerste instantie niet ontvankelijk zijn voor ingewikkelde ideologische extremistische theorieën. Omdat memes de extreemrechtse boodschap – zoals antidemocratische, racistische en onverdraagzame uitingen – juist op een zogenaamd humoristische en subtiele manier verpakken, bestaat het risico dat jongeren op deze manier toch geïnteresseerd raken in het extreemrechtse gedachtegoed. Op deze manier kunnen jongeren van grotere sociale media platformen en gamefora gelokt worden naar alternatieve en besloten platformen, waar veel explicietere rechts-extremistische ideeën worden gedeeld, waaronder kwaadaardige complottheorieën, geweldsfantasieën, antisemitisme en boodschappen die aanzetten tot haat.
Hoe gaat u de samenleving en in het bijzonder jongeren weerbaarder maken tegen extreemrechtse memes waarvan de inhoud vergaande radicalisering en extremisme of zelfs terrorisme beoogt en verheerlijkt2?
Het kabinet is van mening dat er in onze democratische rechtsorde absoluut geen plaats is voor rechts-extremistische uitingen of opvattingen. Het is zorgelijk en kwalijk dat extreemrechts gedachtegoed onder andere via memes breed verspreid wordt en een aantrekkingskracht uitoefent op met name kwetsbare, jonge mannen, niet zelden minderjarig. Het kabinet is er alles aan gelegen om jongeren hiertegen te beschermen en weerbaar te maken, niet alleen vanwege de dreiging van extremistisch en/of terroristisch geweld maar ook voor de kansen en toekomst van deze jongeren. Dit vergt een aanpak van twee kanten; het vergroten van de (online) weerbaarheid van jongeren en, het tegengaan van de online verspreiding van deze extremistische en soms zelfs terroristische content. Het is binnen onze democratie een grondrecht om een open discussie te voeren, waarin mensen hun mening vrij kunnen uiten. Maar dat betekent niet dat er in onze democratische rechtsorde plaats is voor rechts-extremistische uitingen.
Het is allereerst belangrijk om bewustzijn te creëren voor online content die wellicht onschuldig lijkt, maar dat zeker niet is. Daarom is het van belang om de mediawijsheid en digitale weerbaarheid van met name jongeren te versterken. Het vergroten van digitale weerbaarheid gebeurt nu vooral via diverse cursussen en programma’s gericht op jongeren. Er wordt ingezet op het verhogen van mediawijsheid ten aanzien van online bronnen, het herkennen van extremistische boodschappen, en middels de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.4 Zo is er het lesprogramma «Under Pressure» dat zich richt op het vergroten van weerbaarheid tegen desinformatie en het vergroten van democratisch burgerschap onder jongeren om zo de voedingsbodem voor polarisatie en radicalisering te verminderen.5 De inzet op het vergroten van digitale weerbaarheid via (lokale) interventies en het ondersteunen van professionals en gemeenten wordt de komende jaren verder versterkt. Daarnaast wordt de adequate inzet van de versterkingsgelden die gemeenten kunnen aanvragen voor de aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme benut om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Zo maken diverse gemeenten reeds gebruik van online (weerbaarheids)cursussen en projecten die hiervoor aandacht vragen.
Ook het tegengaan van de online verspreiding van extremistische en terroristische content heeft prioriteit. In de beantwoording van de vragen 7, 8 en 9 ga ik hier verder op in.
Wat zijn de huidige mogelijkheden om te handhaven op extremistische memes of memes die oproepen tot geweld? Op welke vlakken schieten het strafrecht of mogelijkheden tot online contentbeheer tekort?
Het kabinet werkt aan een Versterkte Aanpak Online (VAO) inzake extremistische en terroristische content. De contourenbrief hierover is op 12 december 2023 naar uw Kamer is gestuurd.6 Eén van de prioriteiten binnen deze Versterkte Aanpak Online is het tegengaan van zogenoemde borderline («legal yet harmful») content waartoe memes vaak kunnen worden gerekend. De uitwerking van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content kunt u na de zomer 2024 verwachten.
Indien er wel sprake is van online terroristisch materiaal, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) verwijderingsbevelen sturen op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud7 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud.8 Aanbieders van hostingdiensten zijn verplicht om specifiek materiaal op aanwijzing van de ATKM binnen een uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Memes die niet in strijd zijn met de Verordening Terroristische Online Inhoud kunnen niet door de ATKM worden verwijderd (zie ook de beantwoording van vragen 7, 8 en 9).
Wanneer er sprake is van memes die strafbare feiten of strafbare uitlatingen bevatten, zoals bedreiging, is strafrechtelijke opsporing van de personen achter (anonieme) accounts mogelijk. Het is aan het Openbaar Ministerie om dit te beoordelen.
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Is er voldoende kennis en capaciteit bij de politie om dit soort memes te herkennen? Zo nee, welke acties worden of kunnen worden ondernomen om die kennis bij de politie te doen toenemen? Is hier tijdens de opleiding aandacht voor? Zo nee, wordt dit in de toekomst wel opgenomen in het curriculum?
In de opleidingen bij de politie is er aandacht voor actuele ontwikkelingen op het gebied van extreemrechts, waaronder rechts-extremisme en rechtsterrorisme. In het kader van de aanpak contraterrorisme, extremisme en radicalisering heeft de politie samen met de NCTV een digitale symbolenbank ingericht. Deze symbolenbank is beschikbaar voor politieagenten en helpt bij het herkennen van rechts-extremistische verschijningsvormen, waaronder memes. Binnen de politie is er thans voldoende expertise aanwezig om dit soort memes te herkennen en om de organisatie hierover breed te kunnen adviseren.
Ziet u mogelijkheden om jongerenwerkers in te zetten om jongeren hier online op aan te spreken of voor te behoeden? Welke best practices bestaan al in het lokale veld?
Jongerenwerkers zijn onmisbare professionals om preventieve maatregelen ten aanzien van (online) extremisme uit te voeren. Zo werken diverse gemeenten reeds met online jongerenwerkers die via sociale mediaplatformen in contact staan met jongeren en hen zo ondersteunen. Bij zorgelijk online gedrag, zoals ondermijning, georganiseerde criminaliteit, radicalisering en extremisme, kunnen jongerenwerkers daarover in gesprek gaan met jongeren en zo nodig interveniëren. Het is van belang dat personen die een voorbeeldfunctie bekleden – zo ook jongerenwerkers – zich bewust zijn van dit soort memes en zich actief uitspreken tegen extremistische uitingen om de normalisering hiervan tegen te gaan.
Daarnaast worden er in samenwerking met gemeenten en professionals door het Rijk handelingsperspectieven opgesteld om hen te ondersteunen bij het versterken van digitale weerbaarheid in preventie van o.a. extremisme. Ook wordt er naar manieren gekeken om jongeren zelf te betrekken bij het versterken van de digitale weerbaarheid. Verder werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een overzicht van interventies gericht op preventie van radicalisering, waarbij specifiek aandacht wordt gegeven aan interventies in het online domein. Aanvullend, zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3, ondersteunt de NCTV gemeenten via de versterkingsgelden om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Uiteraard zullen eventuele nieuwe online interventies getoetst worden aan alle relevante wettelijke en juridische kaders waaronder die met betrekking tot de privacy.
De komende jaren zal er bijzondere aandacht uitgaan naar het integreren van het online domein in de lokale aanpak van radicalisering en extremisme. Daarom blijven de Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overleg met gemeenten en (jeugd)professionals, om het delen van best practices te stimuleren en faciliteren, de ervaren knelpunten verder te onderzoeken, effectieve methoden voor een lokale (preventieve) aanpak van online extremisme en terroristische activiteiten verder te ontwikkelen en waar mogelijk uit te breiden.
Hoe kijkt u aan tegen de rol van platforms in contentmoderatie van extremistische content, met name de berichten-applicaties (WhatsApp, Telegram, Signal), Alt-tech of alternatieve platformen (Gab, Parler, Bitchute, Minds, RocketChat) en rechts-extremistische en terroristische websites, fora en online netwerken?
Ik deel de zorgen ten aanzien van de verspreiding van extremistische online content op platforms en berichtendiensten. De mate waarin deze diensten content (kunnen) modereren verschilt aanzienlijk. Bij sommigen is (stevige) verbetering nodig. Dit geldt met name ten aanzien van alternatieve platformen zoals door het lid Mutluer genoemd, waar contentmoderatie in veel gevallen vrijwel geheel afwezig is. Hierdoor kan extremistische content veelvuldig voorkomen.
Daar waar sprake is van memes die terroristische online content bevatten, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud9 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud10 hostingbedrijven en platformen verplichten deze content binnen één uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Ook heeft de ATKM de bevoegdheid om boetes te versturen naar aanbieders van hostingdiensten indien zij een verwijderingsbevel niet opvolgen. Deze boete kan oplopen tot 4% van de jaarlijkse omzet van de betreffende hosting provider.
De mate waarin sociale media bedrijven zich inspannen om de verspreiding van terroristische online inhoud te beperken is onderdeel van de dialoog met de internetsector, die ik in het kader van de eerdergenoemde Versterkte Aanpak Online ben gestart over deze thema’s. Tijdens deze gesprekken heb ik mijn zorgen over de verspreiding van extremistische online content geuit en de platforms aangesproken op hun rol in het veilig houden van hun online omgeving. De inzet blijft gericht op een structurele dialoog met de internetsector over specifiek deze onderwerpen.
Heeft u deze platforms aangesproken op hun rol? Zo ja, hoe verliepen deze gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit te doen? Welke rol hebben de providers hier volgens u in?
Zie antwoord vraag 7.
Welke rol ziet u voor de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) bij het aanspreken van platforms die dit soort memes toestaan en bij het laten verwijderen van dit soort content, mede in het licht van de Verordening terroristische online-inhoud?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe beziet u het spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het gevaar van extreemrechtse memes (met name de groep extremistische memes) anderzijds? Hoe wordt hierin onderscheid gemaakt tussen extremisme, terrorisme en activisme?
In de fenomeenanalyse van de NCTV wordt een meme gedefinieerd als een idee, uiting of mening gevat in tekst of in visueel materiaal zoals een foto, video of gif-bestand al dan niet voorzien van tekst of geluid, die online wordt gekopieerd en verspreid. Het gaat dus om (een onderdeel van) uitingen van personen, die in beginsel beschermd worden door de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting is een kernwaarde van de democratie. Zij kan slechts worden beperkt op grond van een wettelijke bepaling en wanneer die beperking een gerechtvaardigd doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Voorbeelden van dat soort beperkingen zijn er voor onder meer kinderpornografie, terroristische inhoud en haatzaaien, die allen strafbaar zijn gesteld.11 Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen uitingen in de fysieke wereld en online content: dat wat strafbaar en onrechtmatig is in de fysieke wereld is dat ook online. Om ontoelaatbare beperkingen van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen is het beleid voor dit soort memes primair gericht op het verhogen van bewustwording, kennis en weerbaarheid.
In algemene zin geldt dat in een democratische rechtsorde personen te allen tijde binnen de grenzen van de wet hun grondrechten moeten kunnen uitoefenen. In de praktijk kan dit leiden tot een botsing van grondrechten, waarbij de uitoefening van een grondrecht door de ene persoon of groep leidt tot een botsing met een grondrecht van een andere persoon of groep. Grondrechten zijn echter niet absoluut. In de Grondwet en in verdragen zoals het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens is vastgelegd dat grondrechten onder voorwaarden kunnen worden beperkt voor een zwaarwegender doel in het kader van het algemeen belang. Vanuit het oogpunt van algemeen belang is er wetgeving met daarin beperkingen van het recht van vrijheid van meningsuiting, zoals het antidiscriminatieverbod of het verbod tot haatzaaien of opruiing. Daarnaast is soms voor deze botsing van grondrechten een contextuele rechtsstatelijke toets (door de rechter) nodig om te bepalen welke grondrecht in het specifieke geval voorrang heeft ten opzichte van andere grondrechten. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of bepaalde uitingen al dan niet worden beschermd door het recht op de vrijheid van meningsuiting of andere grondrechten.
Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat extremisme niet in het verlengde van activisme ligt, maar wezenlijk iets anders is. Men dient ervoor te waken om een directe causale lijn te zien waarbij uitgegaan wordt dat maatschappelijke onrust en allerlei vormen van activisme uiteindelijk tot extremisme zouden kunnen leiden. De doelen die extremisten nastreven en/of de middelen zijn inherent antidemocratisch of ondemocratisch. Bij activisten is dit niet het geval. Om te bepalen of iets extremistisch is, worden deze gedragingen nooit geïsoleerd bezien, maar altijd binnen de context van een ideologisch motief en gepaard gaande met geweld of stelselmatige en doelbewuste gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen. Voor een uitgebreidere toelichting op extremisme, het onderscheid met activisme en terrorisme, verwijs ik u naar de onlangs verschenen Nationale Extremismestrategie 2024–2029.12
Wat zijn naar aanleiding van de fenomeenanalyse van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de volgende stappen die u op dit onderwerp gaat nemen?
De conclusies uit de fenomeenanalyse zullen betrokken worden bij de verdere uitwerking van de Versterkte Aanpak Online en de uitvoering van de Nationale Extremismestrategie 2024–2029.13 Deze strategie schetst een overzicht en de kaders voor de beleidsinzet op extremisme, waaronder ook de inzet op weerbaarheid.
Bent u bereid te onderzoeken of een publiekscampagne over extreemrechtse memes eraan kan bijdragen dat burgers de beeldtaal en symboliek van memes beter leren herkennen, waarin nadrukkelijk wordt gepoogd om de groep jongeren te bereiken die door extreemrechtse memes geïnteresseerd raken in het gedachtegoed en daardoor mogelijk radicaliseren?
Een van de doelen van de publieke fenomeenanalyse naar het gebruik van memes door extreemrechts is het informeren van burgers over de gevaren omtrent extreemrechtse memes. Hierbij is het vooral zaak om bewustzijn te creëren dat sommige memes niet zo onschuldig zijn als ze lijken. Via het netwerk van de NCTV worden met de analyse professionals bereikt die met jongeren werken. Daarnaast neemt de NCTV in gesprekken met zijn communicatiepartners mee wat de toegevoegde waarde kan zijn van een jongerencampagne aanvullend op de bestaande communicatie inzet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over terrorisme/extremisme op 20 juni a.s.?
Ja.
Bangalijsten op Telegram |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Bangalijsten met honderden volgers op Telegram, advocaten eisen actie van OM»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Welke handvatten heeft u om te voorkomen dat bangalijsten worden verspreid op platforms als Telegram? Wat vindt u van het «dringend beroep» dat kenniscentrum voor online misbruik OffLimits en advocaten van slachtoffers op u doen om dit aan te pakken en hoe gaat u hier gevolg aan geven?
Het is bekend dat Telegram gebruikt wordt voor verschillende criminele en ongewenste activiteiten, inclusief het verspreiden van zogenaamde bangalijsten. Telegram is een applicatie die bestaat uit een openbaar gedeelte met daarnaast de mogelijkheid om met elkaar in besloten groepen te chatten. In de besloten groepen en de 1-op-1 gesprekken is de onderlinge communicatie versleuteld. Omdat het hier gaat om besloten groepen is het lastig om zicht te hebben wat er allemaal in deze groepen omgaat. Zo is er niet altijd zicht op het bestaan van elke groep en is er vaak sprake van een systeem van alternatieve groepen waar op overgestapt wordt na neerhalen van een groep of wanneer men vermoedt dat opsporingsinstanties aanwezig zijn in de groep. In de praktijk is het voor de opsporing daarom niet altijd eenvoudig om zicht te hebben op alle illegale activiteiten op Telegram.
Er zijn mogelijkheden voor de politie en het openbaar ministerie om mensen die materiaal delen, deelnemers van groepen en beheerders die tevens verdacht worden van het plegen van ernstige strafbare feiten, te identificeren. Medewerking van Telegram is hiervoor niet altijd nodig. Zelfs zonder hun hulp lukt het de politie in bepaalde gevallen om mensen te identificeren die illegaal materiaal delen. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval kunnen hiervoor strafvorderlijke bevoegdheden worden ingezet.
Ik begrijp het dringende beroep van Offlimits en de advocaten van slachtoffers heel goed; het is vreselijk dat deze lijsten bestaan en in deze groepen gedeeld worden. Het is bekend dat Telegram slecht bereikbaar is voor politie en justitie en dat is zorgelijk. Dat neemt niet weg dat pogingen gedaan blijven worden om in direct contact te treden met Telegram om bij hen verzoeken en bevelen neer te leggen om het materiaal te verwijderen.
Klopt het dat de officier van justitie de bevoegdheid heeft om een bevel aan Telegram te geven om gegevens op bijvoorbeeld bangalijsten ontoegankelijk te maken, maar dat justitie weigert op voorhand maatregelen te nemen omdat ze denken dat Telegram daar niet aan mee zal werken?
Als het noodzakelijk is ter beëindiging van het strafbare feit kan de officier van justitie – ook voordat een verdachte voor het strafbare feit is veroordeeld – in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv).
Het is niet zo dat justitie bij voorbaat weigert om deze bevoegdheid in te zetten tegen Telegram. Inzet van deze bevoegdheid vraagt in eerste instantie een weging of aan de daarvoor geldende voorwaarden kan worden voldaan. Zoals gezegd is het lastig om in contact te treden met Telegram. Dat betekent dat de rechter-commissaris ook beperkte mogelijkheden heeft om Telegram te horen alvorens een machtiging uit te vaardigen, terwijl het bieden van gelegenheid daartoe wel een voorwaarde is volgend uit artikel 125p lid 4 Sv. Tenslotte is Telegram niet in Nederland gevestigd; een bevel zal daarom via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Welke druk kan het Openbaar Ministerie wel uitoefenen richting Telegram om deze lijsten te verwijderen en niet meer toe te staan?
Als aan de voorwaarden van artikel 125p Sv is voldaan kan de officier van justitie ervoor kiezen om hiervoor een bevel ontoegankelijkmaking te geven. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 3.
Kunnen Telegram of haar bestuurders strafrechtelijk worden vervolgd omdat het platform met de verdere verspreiding van bangalijsten meewerkt aan doxing, sinds 1 januari 2024 in Nederland een strafbaar feit?
Strafbare doxing (artikel 285d Wetboek van Strafrecht) doet zich voor in de gevallen waarin – kort gezegd – persoonsgegevens van een ander worden verspreid om die ander vrees aan te (laten) jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te (laten) hinderen in de uitoefening van ambt of beroep. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het verspreiden van adresgegevens of een (naakt of niet-naakt) foto van een persoon op grond waarvan de identiteit van die persoon kan worden vastgesteld. Dit misdrijf kan ook worden begaan door (bestuurders van) een rechtspersoon. Het is in concrete gevallen aan het openbaar ministerie te besluiten of vervolging wordt ingesteld, en zo ja, wie wordt vervolgd en voor welk strafbaar feit.
Wat gaat u eraan doen om het contact met Telegram te verbeteren? Is het mogelijk om Telegram op het offline halen van de bangalijsten aan te spreken middels de partij die het platform in Brussel heeft aangewezen als haar vertegenwoordiger in de EU, de European Data Protection Office?
De wettelijk vertegenwoordiger die Telegram heeft aangewezen is niet de European Data Protection Office, maar een privaat bedrijf dat European Digital Services Representative heet. Zij verzorgen de wettelijke vertegenwoordiging voor de Digital Services Act en de Terrorist Content Online Regulation voor bedrijven die buiten de Europese Unie gevestigd zijn. In het geval van deze casus rondom bangalijsten op Telegram is de Digital Services Act niet van toepassing, omdat deze alleen ziet op het openbare deel van het internet; niet op interpersoonlijke communicatiediensten of besloten groepen. Omdat Telegram een wettelijk vertegenwoordiger in België heeft aangewezen is de digitaledienstencoördinator van België verantwoordelijk voor de handhaving op de Digital Services Act.
In het kader van Europese strafrechtelijke samenwerking bestaat er een netwerk van officieren van justitie op het gebied van cybercrime. De aanpak van de verspreiding van illegale content op Telegram en het gebruik van Telegram voor illegale activiteiten staat hier ook op de agenda.
Hoe worden de verantwoordelijken aansprakelijk gesteld? Kan bij het strafproces herstelrecht worden ingezet?
Het strafrechtelijke onderzoek inzake de bangalijsten duurt nog voort. Zodra het onderzoek is afgerond en het dossier bij het openbaar ministerie ligt, zal bekeken worden welke strafbare feiten er zijn gepleegd en of, en zo ja welke afdoening hiervoor wordt gekozen. Herstelrecht of mediation behoort in strafzaken zeker tot de mogelijkheden.
Er kan voor het plaatsen van persoonsgegevens op bangalijsten en het verspreiden van dergelijke lijsten mogelijk ook civielrechtelijke aansprakelijkheid bestaan. Slachtoffers kunnen dan zelf direct een dader aanspreken op onrechtmatige inhoud. Dit zal door de rechter worden getoetst aan de voorwaarden van de onrechtmatige daad uit artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.
Hoe wordt slachtofferhulp geboden aan de slachtoffers en hun omgeving?
Bij elke aangifte bij de politie die wordt opgenomen, worden de gegevens van een slachtoffer automatisch doorgestuurd naar Slachtofferhulp Nederland, tenzij de aangever aangeeft dit niet te willen. Slachtofferhulp Nederland neemt contact op met het slachtoffer en biedt zowel juridische als emotionele ondersteuning aan.
Alarmpistolen die door jongeren worden omgebouwd tot dodelijke vuurwapens |
|
Michiel van Nispen (SP), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de aflevering «Wapenhandelaar laat wapen zien» van Undercover Sven van 21 april 2024?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Hoe vaak vonden in 2023 veroordelingen plaats voor het verkopen of bezitten van een alarmpistool en in hoeveel van die gevallen ging het om minderjarigen?
In de registratiesystemen van de Rechtspraak kan niet specifiek gezocht worden op veroordelingen voor het verkopen of bezitten van een alarmpistool. Daarom is in overleg met het ministerie gezocht op het aantal zaken in 2023 waarin de rechtbank artikel WWM 26 en/of artikel WWM 31 bewezen heeft verklaard. Hierbij gaat het in de onderstaande genoemde zaken niet alleen om het verkopen of bezitten van een alarmpistool, maar over alle soorten wapens van categorie II en III zoals beschreven in de WWM2. Het ging in 2023 om 1.721 zaken, waarbij het in 265 zaken ging om een veroordeelde die ten tijde van het plegen van het strafbare feit minderjarig was3.
Deelt u de zorgen over jongeren die via social media als Telegram makkelijk en goedkoop (omgebouwde) wapens kopen en verkopen? Wat doet u eraan om dit te voorkomen of aan te pakken?
VIk deel de zorgen als het gaat om de verkoop van illegale goederen, zoals drugs en wapens, via social media platformen als Telegram. Er wordt door de politie dan ook speciale aandacht besteed hieraan. Zo heeft de politie in 2023 onderzoek laten verrichten naar de aard en omvang van illegale wapenhandel via Telegram en heeft de politieregio Den Haag geïntensiveerd op het doen van onderzoeken naar aanleiding van pseudo-verkoop op Telegram. Daarnaast wordt momenteel door het ministerie onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de aanpak van illegale handel in bijvoorbeeld drugs en wapens via online platformen te versterken.
Op welke manier heeft u tot dusver uitvoering gegeven aan de aanbeveling uit de WODC-evaluatie naar aanleiding van het «Actieplan Wapens en Jongeren» om extra aandacht te besteden aan het achterhalen van de motieven voor jongeren om een wapen te dragen?
De uitkomsten van het WODC-rapport bevestigen dat we meer moeten doen om het wapenbezit onder jongeren terug te dringen. Hierbij moeten we inzetten op meer en ook andere middelen. In het najaar van 2023 heeft onder andere een rondetafelgesprek met experts en (ervarings)deskundigen plaatsgevonden en is met jongeren zelf gesproken over hun motieven en ervaringen. Met inachtneming van de aanbevelingen uit het evaluatierapport zetten de deelnemers aan het Actieplan zich gezamenlijk in op het tegengaan van wapenbezit en wapengebruik onder jongeren, onder meer door: 1) Verdiepend onderzoek te doen naar de doelgroep en de achterliggende oorzaken voor het dragen wapens; 2) In te zetten op contact met de doelgroep. Dit bijvoorbeeld door de inzet van jongerenwerkers en rolmodellen; 3) Aandacht te besteden aan scherpte in de uitvoering. Denk hierbij aan acties die erop gericht zijn om de doelgroep beter te bereiken, zoals specifieke wijken en jongeren, en; 4) het ontstane netwerk van ambtenaren, bestuurders en professionals in de komende tijd te behouden en te verstevigen.
De kamer zal in het derde kwartaal dit jaar nader geïnformeerd worden over de uitkomsten en voortgang van dit actieplan.
Naast het Actieplan Wapens en Jongeren wordt ook ingezet op programma’s zoals Preventie met Gezag. Hierin worden 27 gemeenten ondersteund in het vormgeven van de aanpak voor jongeren in een kwetsbare positie en hun gezin. De aanpak draait om perspectief bieden én grenzen stellen: dit om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met criminaliteit, daarin doorgroeien en/of recidiveren maar ook door de justitiële functie in de wijk te versterken.
Hoe beoordeelt u de bevindingen van onderzoekers aan de Erasmus Universiteit dat vrijwel alle redenen die jongeren aanvoeren om een wapen op zak te hebben voortkomen uit onveiligheidsgevoelens? Wat gaat u doen om de oorzaak van deze onveiligheidsgevoelens aan te pakken en niet alleen te focussen op het innemen van wapens?2
Het onderzoek uit Rotterdam is uitgevoerd in Rotterdam. Hieruit volgt dat het grootste deel van de groep jongeren die in Rotterdam zijn ondervraagd een wapen dragen vanuit algemene of concrete onveiligheidsgevoelens. Daarnaast blijkt onder een deel van de onderzoekdeelnemers ook een motivatie te liggen in het hebben van een interesse in wapens.
Dat angstgevoelens een motief zijn voor jongeren voor het dragen van een wapen is verontrustend. Momenteel wordt verder onderzoek gedaan naar de achterliggende oorzaken en werkzame interventies bij wapengeweld door jongeren. Op basis van de uitkomsten daarvan zullen we samen met onder andere gemeenten de komende tijd werken aan een herijking van het actieplan Wapens en Jongeren (2024–2025). Daarbij zal ook aandacht zijn voor motieven voor wapenbezit bij jongeren zoals onveiligheidsgevoelens.
In hoeverre heeft u inzicht in de subculturen onder jongeren waar de onveiligheidsgevoelens en het wapenbezit het grootst zijn?
Vanuit het onderzoek in Rotterdam blijkt dat jongeren die wapens gebruiken vaker waarden en opvattingen onderschrijven die passen bij een straatidentiteit.
Daarnaast geeft dit onderzoek aanleiding om de onveiligheidsgevoelens als motief voor wapenbezit verder te onderzoeken. In het verdiepend onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd is de inzet dan ook om meer zicht te krijgen op de verschillende doelgroepen en motieven, om zo tot gerichtere, effectieve interventies te komen, zoals het gericht kunnen wegnemen van onveiligheidsgevoelens. In het onderzoek wordt onder andere ook gekeken naar de online- en offline leefomgeving van jongeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een bewustwordingscampagne voor jongeren over de consequenties van het ombouwen, verkopen of bezitten van wapens het probleem kan verkleinen?
Zowel in de evaluatie van het Actieplan Wapens en Jongeren als het Onderzoek «Voorkomen is beter dan genezen» (Kruisbergen & De Jonge, 2022) wordt hierop in gegaan. Bewustwordingscampagnes ten aanzien van wapens en jongeren kunnen worden ingezet, maar vooral als ze goed zijn afgestemd op de doelgroep en worden ondersteund door bredere gemeenschapsinitiatieven. De combinatie van educatie, positieve rolmodellen, en actieve betrokkenheid van de gemeenschap blijkt cruciaal voor het succes van dergelijke campagnes. Het is echter belangrijk te erkennen dat de impact op gedrag variabel kan zijn en dat een multidisciplinaire aanpak vaak het beste werkt.
Hoe beoordeelt u het feit dat gasalarmpistolen in Nederland wel, maar in België en Duitsland niet verboden zijn? Deelt u de mening dat we in Nederland dweilen met de kraan open zolang deze geweren over de grens overal te verkrijgen zijn?
Na 2015 heeft de harmonisatie van de Europese wetgeving de lidstaten dichterbij elkaar gebracht. Er bestaan echter nog steeds aanzienlijke verschillen die grote risico’s met zich meebrengen. De aanpak van deze omgebouwde gas- en alarmpistolen wordt hierdoor bemoeilijkt. Dit neemt echter niet weg dat wij in Nederland ons kunnen focussen op de nationale aanpak en handel van wapens kunnen en moeten versterken.
Bent u bereid in gesprek te gaan met nabijgelegen landen waar de regelgeving omtrent gasalarmpistolen verschilt van die in Nederland en afspraken met deze landen te maken over hoe hier samen in kan worden opgetrokken?
De ombouw van gas- en alarmpistolen is regelmatig onderwerp van gesprek op verschillende internationale overleggen, zoals de VN en de EU. In deze gesprekken heeft Nederland en ook landen zoals Zweden de problematiek aangekaart. Daarnaast hebben verschillende landen, waaronder Nederland, binnen de Europese Commissie benadrukt dat de volledige naleving van Europese wetgeving essentieel is. Ook is Nederland, als co-driver van het programma Firearms trafficking, actief betrokken bij het European Multidiciplinary Platform Against Criminal Treats (EMPACT)5, dat door middel van EU brede acties en kennisdeling criminele netwerken en individuele criminelen, die betrokken zijn bij illegale handel, distributie en gebruik van vuurwapens, aanpakken.
Klopt het dat momenteel niet wordt bijgehouden welk percentage van in beslag genomen handvuurwapens is omgebouwd? Kunt u zich vinden in schattingen van de politie Zeeland-West-Brabant dat inmiddels bijna de helft van de in beslag genomen vuurwapens een omgebouwd alarmpistool is?3
Het klopt dat de laatste onderzoeken van de Nederlandse politie aangeven dat ongeveer 40% van de inbeslaggenomen wapens omgebouwde gas- en alarmpistolen betreffen. Echter, het inzicht in en de aanpak van wapenhandel kan beter. De oprichting van het National Firearms Focal Point, het NFFP, waarvoor de eerste mensen op dit moment worden aangenomen, zal hieraan gaan bijdragen. Door deze extra analyse capaciteit, specifiek gericht op wapens en wapenhandel in Nederland, kan beter inzicht verkregen worden in de aard en omvang en kan de aanwezige (politie) capaciteit effectiever worden ingezet.
Kan de Digital Services Act een rol spelen in het voorkomen van illegale verkoop van (omgebouwde) wapens via online platforms? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat hierop gehandhaafd wordt?
Op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Ook zijn er mogelijkheden om personen die strafbare feiten plegen via online-platformen te herleiden. Het identificeren van mensen die materiaal delen, deelnemers van groepen en beheerders is dan ook prioriteit van politie en openbaar ministerie. Op die manier wordt er door opsporing in geïnvesteerd om besloten groepen zoveel mogelijk vrij te maken van illegale content. Door gebruik van technische maatregelen is medewerking van online platforms, zoals bijvoorbeeld Telegram, hier niet altijd voor nodig. Zelfs zonder hun hulp lukt het politie om dergelijke groepen te infiltreren en mensen te identificeren.
Hoe zorgt u ervoor dat een platform als Telegram, dat niet onder de Digital Services Act valt, mee gaat werken aan het voorkomen van illegale activiteiten zoals de verkoop van omgebouwde wapens? Wat doet u eraan om het contact met Telegram te verbeteren?4
De positie van Telegram onder de Digital Services Act is inderdaad nog niet geheel duidelijk. Het bedrijf hoeft niet aan de strengste regels te voldoen: daarvoor is het simpelweg niet groot genoeg. Die regels gelden alleen voor platforms met meer dan 45 miljoen Europese gebruikers; Telegram claimt er 39,5 miljoen te hebben. Het is waarschijnlijk wel zo dat de openbare chatgroepen op Telegram voldoen aan de definitie van online platform onder de Digital Services Act, terwijl besloten groepsgesprekken erbuiten vallen. Jurisprudentie en toezichthouders zullen hier uiteindelijk duidelijkheid over moeten bieden.
Voor hun openbaar toegankelijke groepen biedt de Digital Services Act handvaten. Ik wijs in dit verband met name op de verplichtingen neergelegd in artikel 16: dat voorziet in kennisgevings- en actiemechanismen voor illegale inhoud; artikel 18: op grond waarvan vermoedens van strafbare feiten waarbij het leven of de veiligheid van een persoon of personen worden bedreigd moeten worden gemeld bij de bevoegde instanties; artikel 23: op grond waarvan gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen geschorst moeten worden en op artikel 28 wat de verplichting voor online platforms inhoudt om minderjarigen te beschermen.
Telegram heeft via haar website een wettelijke vertegenwoordiger in België aangewezen. Dit zal betekenen dat de Belgische toezichthouder op de Digital Services Act handhavend zal kunnen gaan optreden jegens Telegram wanneer zij niet aan verplichtingen voldoen. Mocht Telegram zich niet aan de eisen van de Digital Services Act houden, dan kan de Autoriteit Consument en Markt als Nederlandse toezichthouder gebruik maken van de mogelijkheden die de Digital Services Act biedt om de Belgische toezichthouder te verzoeken om onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen (artikel 58 DSA).
Russische desinformatiecampagnes |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Glimina Chakor (GL), Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Jesse Klaver (GL) |
|
Gräper-van Koolwijk , Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere schriftelijke vragen van de leden van GroenLinks-PvdA over Russische desinformatiecampagnes?1
Bent u van mening dat de in uw antwoord vermelde maatregelen en acties afdoende zijn om Nederland te beschermen tegen Russische desinformatie, of ziet u noodzaak aanvullende maatregelen te treffen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het artikel «Tsjechisch desinformatie-netwerk met Russische inmenging werd opgericht in Nederland» van De Groene Amsterdammer van 28 maart jongstleden?2
Heeft u de Tsjechische regering verzocht om de informatie over Russische financiering van Nederlandse politici met u te delen? Zo ja, bent u bereid die informatie openbaar te maken? Zo nee, gaat u dat alsnog doen?
Herinnert u zich de uitspraak van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat er geen tekenen waren van buitenlandse inmenging bij de verkiezingen? Staat u nog steeds achter deze uitspraak?
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de onthulling van de Tsjechische geheime dienst dat de Voice of Europe een Russische desinformatie-outlet blijkt te zijn dat fungeerde als doorgeefluik voor financiële transacties tussen het Kremlin en Nederlandse politici?
Deelt u de zorgen dat Rusland via dit soort outlets het Nederlandse publieke debat verstoort en daarmee onze verkiezingen beïnvloedt?
Bent u bereid om een onderzoek in te stellen of er meerdere soortgelijke outlets in Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie bestaan?
Wanneer ontvangt de Kamer van het kabinet de voortgangsbrief over de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie?
Is het kabinet naar aanleiding van de onthulling over Voice of Europe en met het oog op de aanstaande Europese verkiezingen bereid aanvullende investeringen doen in de capaciteit van de Rijksoverheid om de dreiging van desinformatie tegen te gaan?
Bent u bereid om deze schriftelijke vragen te beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het bericht dat volgens de Tsjechische geheime dienst Rusland cash betaalde aan Nederlandse en Europese politici van dinsdag 2 april aanstaande?
Het artikel 'Serious security breach hits EU police agency' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Serious security breach hits EU police agency»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat afgelopen zomer een reeks zeer gevoelige bestanden met de persoonlijke informatie van topfunctionarissen en gesprekken van Europol zijn verdwenen terwijl ze achter slot en grendel werden bewaard in een beveiligde opslagruimte in het hoofdkantoor van Europol in Den Haag?
Ik betreur dat bestanden met de persoonlijke informatie van topfunctionarissen van Europol zijn verdwenen. Dit is altijd zorgelijk. Het schaadt niet alleen het vertrouwen in de instelling, maar het brengt ook de privacy en veiligheid van topfunctionarissen in gevaar. Momenteel wordt door Europol onderzocht hoe dit heeft kunnen gebeuren zodat passende maatregelen genomen kunnen worden om herhaling te voorkomen en de integriteit van haar gegevens te waarborgen.
Sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Europol heeft mij laten weten dat op 7 september 2023 de Veiligheidscoördinator van Europol op de hoogte is gesteld dat personeelsdossiers van Europol-medewerkers verdwenen waren. Europol heeft in oktober 2023 de Raad van Bestuur van Europol, waarvan Nederland deel uitmaakt, op de hoogte gebracht van het datalek.
Wordt hier onderzoek naar gedaan? Wanneer is dat onderzoek klaar?
Het verdwijnen van de bestanden met persoonlijk informatie van topfunctionarissen van Europol is een interne aangelegenheid. De antwoorden die ik hier geef zijn op basis van informatie van Europol. Na melding aan de Veiligheidscoördinator van Europol op 7 september 2023 heeft Europol direct een veiligheidsonderzoek gestart. Daarnaast heeft Europol de politie in Den Haag ingelicht. Europol heeft alle relevante stakeholders geïnformeerd en betrokken, inclusief de bevoegde autoriteiten in Nederland, de Raad van Bestuur van Europol en de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming (EDPS). Ook werden de individuele Europol-medewerkers die door het incident zijn getroffen op de hoogte gebracht. Het veiligheidsonderzoek zal in de loop van 2024 worden afgerond.
Kunt u aangeven of hierbij ook wordt gekeken naar de invloed hiervan op de huidige en toekomstige aanpak van (internationale) criminaliteit en de bescherming van persoonsgegevens en gesprekken van medewerkers van Europol?
Europol geeft aan dat het veiligheidsonderzoek zich ook richt op het niet naleven van professionele verplichtingen door Europol-medewerkers. Dit betreft met name de toegangscontrole tot de betrokken administratieve personeelsdossiers en de tijdigheid van de incidentmelding. Operationele informatie van de kernactiviteiten van Europol werd nooit beïnvloed door het incident.
Welke acties worden in de tussentijd ondernomen om ervoor te zorgen dat dit soort lekken van gesprekken en persoonsgegevens van medewerkers van Europol als wethandhavingsautoriteit niet plaatsvinden?
Volgens Europol zijn er organisatorische verbeteringsmaatregelen in de HR-afdeling in gang gezet. Meer specifiek is er een uitgebreide beoordeling van HR-processen gestart, waarbij ook het beheer van personeelsdossiers wordt doorgelicht.
Het bericht ‘Kritiek op besluit provincie Friesland tegen actief regenboogbeleid' |
|
Ines Kostić (PvdD), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kritiek op besluit provincie Friesland tegen actief regenboogbeleid»?1
Ja.
Zijn de voorwaarden waaraan een provincie moet voldoen om zich regenboogprovincie te mogen noemen, vastgelegd? Zo ja, waar en wat zijn die voorwaarden? Zo nee, kunt u voor die voorwaarden zorgen?
De regenboogprovincies zijn een initiatief van de provincies zelf en daarmee is ook de invulling hiervan en de financiering aan de provincies zelf. OCW heeft hierin dus geen voorwaardenscheppende rol. Dat neemt niet weg dat ik dit initiatief van de provincies als Minister van OCW van harte ondersteun. Daarom heb ik een financiële bijdrage geleverd aan kennisinstituut Movisie waarmee zij onder meer uitwisseling van kennis en verbinding tussen de regenboogprovincies faciliteren.
Deelt u de mening dat als een provincie het predicaat regenboogprovincie heeft die provincie dan ook een actief «regenboogbeleid» zou moeten voeren waaronder het actief inzetten voor onder meer de veiligheid en acceptatie van de lhbti-gemeenschap? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat is de waarde van dat predicaat dan nog?
Het is van groot belang dat iedereen in Nederland, dus ook lhbtiq+ personen, zich veilig en geaccepteerd weten. Iedereen moet de ruimte en vrijheid krijgen om zichtbaar en openlijk zichzelf te kunnen zijn, zonder negatieve invloed van seksuele en gendernormen en zonder geconfronteerd te worden met verbaal of fysiek geweld. Dat kan ik niet alleen bereiken. Ik ben dan ook verheugd met het feit dat in de periode van 2016 tot 2020 alle provincies Regenboogprovincie zijn geworden. Uit de nieuwe Inventarisatie Regenboogbeleid Regenboogprovincies 2022 blijkt ook dat provincies steeds concreter invulling geven aan lhbtiq+ beleid. Bij veel provincies staat lhbtiq+ acceptatie en veiligheid dus hoog op de agenda. Ik werk hierin graag samen met de provincies, maar zoals gezegd is de invulling van het regenboogbeleid uiteindelijk aan de provincies zelf.
Deelt u de mening dat regenboogprovincies in het kader van de acceptatie en de veiligheid van de lhbti-gemeenschap een regierol hebben te vervullen om inclusie en diversiteit actief te bevorderen in de regio en initiatieven te verbinden? Zo ja, kunt u dan met de provincie Fryslân in overleg treden over hoe die rol wel kan worden ingevuld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u de Inventarisatie Regenboogbeleid Regenboogprovincies?2 Zo ja, deelt u de mening dat u een sturender rol moet gaan spelen om te zorgen dat provincies hun rol als aanjager van initiatieven en verbinder voor het bevorderen van de veiligheid en acceptatie van de lhbti-gemeenschap nog beter waar gaan maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel meldingen de afgelopen drie jaar bij de Antidiscriminatievoorzieningen in Fryslân zijn gemaakt van discriminatie, uitsluiting dan wel onveiligheid van de lhbti-gemeenschap en hoeveel meldingen en aangiftes bij de politie?
Bijgaande cijfers zijn aangeleverd door Discriminatie.nl/Fryslân/Tumba:
Grond
Meldingen in 2021
Meldingen in 2022
Meldingen in 2023
Geslacht(Trans)
2
3
6
Seksuele gerichtheid
10
14
34
12
17
40
Grond
Meldingen in 2021
Meldingen in 2022
Meldingen in 2023
Seksuele gerichtheid
66
73
74
Het bericht dat bij de brandweer PTSS niet wordt herkend als beroepsziekte, in tegenstelling tot bij defensie en politie |
|
Songül Mutluer (PvdA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht dat bij de brandweer het posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) niet wordt herkend als beroepsziekte, in tegenstelling tot bij defensie en politie?1
Ja.
Klopt het dat PTSS geen erkende beroepsziekte is bij de brandweer, waardoor brandweerlieden zelf psychische hulp moeten opzoeken en uitgevallen medewerkers hierdoor gekort worden op hun salaris? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
PTSS is op dit moment geen landelijk erkende beroepsziekte bij de brandweer in Nederland. De veiligheidsregio’s hebben mij recent aangegeven te werken aan een landelijke modelregeling PTSS. Het uitgangspunt hierbij is dat een dergelijke regeling moet gaan gelden voor zowel beroepskrachten als vrijwilligers. Zie voor een nadere toelichting over het erkennen van beroepsziekten het antwoord op vraag 3.
Op dit moment is het zo geregeld dat indien er brandweermensen (tijdelijk) arbeidsongeschikt raken, er waar nodig maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden door veiligheidsregio’s. Het feit dat PTSS niet als landelijke beroepsziekte is erkend bij de brandweer, betekent niet dat individuele veiligheidsregio’s in individuele gevallen deze ziekte niet als beroepsziekte kunnen aanmerken. Op dit moment is het zo dat enkele veiligheidsregio’s een (tijdelijke) regeling hebben waarin PTSS door hen wordt erkend als beroepsziekte.
De veiligheidsregio’s geven aan dat als sprake is van een beroepsziekte, waarbij arbeidsongeschiktheid wordt gekwalificeerd als in en door de dienst, er de aanspraken volgen uit de rechtspositie, zoals volledige doorbetaling van het salaris, aanvulling op de WGA/IVA-uitkering en de vergoeding van geneeskundige kosten voor behandeling en verzorging. Voor brandweervrijwilligers is dit momenteel niet vastgelegd.
Voor een inhoudelijke toelichting op de inrichting van het opvang- en nazorgproces door veiligheidsregio’s bij de brandweer verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
In algemene zin ben ik van mening dat de brandweermensen die in- of door- brandweerwerk in de knel raken, hier tijdig hulp en adequate ondersteuning voor moeten krijgen. Ik vind het belangrijk dat de zorg voor PTSS bij de brandweer in Nederland op orde is.
Wat is de reden dat PTSS bij defensie en de politie wel wordt erkend als beroepsziekte, maar niet bij de brandweer?
PTSS kan worden veroorzaakt door één of meerdere ingrijpende gebeurtenissen. Wanneer deze zich in overwegende mate voordoen in het werk, kan er sprake zijn van een beroepsziekte.2 In het algemeen geldt, dat of er sprake is van een beroepsziekte, dit in individuele gevallen wordt vastgesteld door een bedrijfsarts.
Bij Politie en Defensie is PTSS (landelijk) erkend als beroepsziekte in juridische zin. Dit betekent dat Politie en Defensie de erkenning van PTSS vastgelegd hebben in de rechtspositie middels rechtspositionele regelingen. Dit zijn geldende afspraken tussen werkgevers en werknemers.
Daarbij is het in Nederland zo geregeld, dat bij zowel Politie als Defensie het werkgeverschap centraal is belegd. Anders dan bij Politie en Defensie ligt de werkgeversverantwoordelijkheid voor de brandweer bij de besturen van de 25 veiligheidsregio’s. Zo is ook de juridische erkenning van PTSS als beroepsziekte bij de brandweer binnen de veiligheidsregio’s aan de besturen van de individuele veiligheidsregio's voorbehouden.
Hoeveel brandweerlieden kampen naar schatting jaarlijks met een posttraumatische stressstoornis?
Er is op dit moment geen goed zicht op het aantal brandweermensen met PTSS in Nederland.
Deelt u de mening dat het aantal PTSS-gevallen bij de brandweer beter en centraal geregistreerd moet worden en zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen?
De werkgeversverantwoordelijkheid voor de brandweer ligt bij de besturen van de 25 veiligheidsregio’s. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) is de werkgever verantwoordelijk voor een gezonde en veilige werkomgeving. De werkgever laat zich daarbij ondersteunen door een bedrijfsarts en andere Arbodeskundigen. Als een bedrijfsarts een beroepsziekte vaststelt, moet de bedrijfsarts dit melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten3 (hierna: NCvB).
In het afgelopen Veiligheidsberaad is gesproken over de zorg rondom PTSS bij de brandweer. Als stelselverantwoordelijk Minister blijf ik in gesprek met de veiligheidsregio’s als werkgevers van de brandweer in Nederland, hierbij zal ik ook inzicht in de omvang meenemen.
Bent u het eens met de stelling dat het onbegrijpelijk is dat brandweerlieden onvoldoende hulp krijgen bij psychische problemen en dat de gegeven hulp per veiligheidsregio verschilt, terwijl zij zich dagelijks inzetten om mensen in nood te helpen en regelmatig worden blootgesteld aan traumatische gebeurtenissen?
In algemene zin ben ik van mening dat de brandweermensen die in- of door- brandweerwerk in de knel raken, hier zelf tijdig en adequate hulp moeten krijgen, Zeker in het geval van psychische problemen die te relateren zijn aan hun inzet bij de brandweer. Ik vind het belangrijk dat de zorg voor PTSS bij de brandweer in Nederland op orde is. De veiligheidsregio’s hebben als werkgevers van de brandweer de verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkomgeving op grond van de Arbowet.
Herkent u het beeld dat brandweerlieden niet goed voorbereid zouden worden op de impact van aangrijpende gebeurtenissen, zoals verdrinkingen en suïcides?
Uit de gesprekken met brandweermensen weet ik dat dit ingrijpende ervaringen zijn. Ik heb dit ook besproken met de burgemeesters in het Veiligheidsberaad van 18 maart jl.
Wat is op dit moment het protocol wanneer brandweerlieden aangeven met psychische klachten te kampen na een heftige gebeurtenis tijdens het werk en welke rol hebben de veiligheidsregio’s hierin?
De veiligheidsregio’s hebben als werkgevers van de brandweer een verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkomgeving op grond van de Arbowet.
Voor de inrichting van het opvang- en nazorgproces hanteren de veiligheidsregio's de Richtlijn Psychosociale Ondersteuning Geüniformeerden4. Deze Richtlijn is opgesteld in samenwerking met de verschillende hulpdiensten en wordt momenteel herzien. De Richtlijn Psychosociale ondersteuning is voor de veiligheidsregio’s vertaald naar een toolbox Psychosociale Ondersteuning5 en de Handreiking Opvang en Nazorg Brandweer6. De toolbox bevat eenduidige en uniforme handvatten voor de veiligheidsregio’s gericht op het goed
opvangen van medewerkers en het voorkomen van klachten en uitval. Daarbij is tevens aandacht voor klachten die zich later openbaren, of klachten die ontstaan als gevolg van een stapeling van stress en/of langdurige belasting. De toolbox is volgens de veiligheidsregio’s bedoeld voor alle medewerkers van de veiligheidsregio's, ongeacht of ze repressieve taken hebben of niet.
Na het bieden van hulp bij natuurlijk herstel na een schokkende gebeurtenis, kan georganiseerde collegiale ondersteuning nodig of gewenst zijn. Dit aanbod wordt gedaan door getrainde collega's van het Team Collegiale Opvang (TCO). De medewerker zelf, een leidinggevende of de meldkamer kan hierom verzoeken. De collegiale ondersteuning heeft een steunende, signalerende en adviserende functie. Bovendien volgt het TCO de medewerkers na ingrijpende gebeurtenissen actief. Als de gesprekken niet tot het gewenste effect leiden, wordt een advies voor verwijzing naar professionele hulpverlening gegeven.
Soms is een schokkende gebeurtenis zo ingrijpend, dat er verwerkingsproblemen ontstaan die het dagelijks functioneren en het welbevinden (ernstig) verstoren. In dat geval is doorverwijzing naar professionele psychische hulpverlening mogelijk. Dit kan op verschillende manieren georganiseerd worden en is veelal afhankelijk van de hulpvraag van de individuele collega.
Hebben de veiligheidsregio’s gespecialiseerde personen in dienst die brandweerlieden kunnen helpen bij ernstige psychische problemen, zoals een psycholoog, of beschikken zij over een loket waar brandweerlieden laagdrempelig terecht kunnen voor hulp en advies?
Er zijn enkele veiligheidsregio’s die een psycholoog, bedrijfsmaatschappelijk werker of geestelijk verzorger in dienst hebben. De meeste veiligheidsregio’s werken (daarnaast) samen met gespecialiseerde instituten. Enkele veiligheidsregio’s zijn aangesloten op het Steunpunt Brandweer7, andere veiligheidsregio’s maken gebruik van vergelijkbare aanbieders van psychosociale hulp voor medewerkers. Daarnaast zijn de collega's uit de collegiale ondersteuningsteams beschikbaar voor hulp en advies, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Wat is de rol van verzekeraars als het gaat om steun van brandweerlieden met PTSS en klopt het dat PTSS-claims als onverzekerbaar worden beschouwd? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Het Verbond van Verzekeraars en de veiligheidsregio’s geven aan dat PTSS in beginsel verzekerbaar is. Het is een beroepsziekte die vaker voorkomt en de beoordeling van aanspraken die daarop zijn gebaseerd, valt onder de dekking voor werkgeversaansprakelijkheid.
Bij gebleken aansprakelijkheid van de werkgever wordt de schade die een werknemer lijdt als gevolg van PTSS onder de aanwezige aansprakelijkheidsverzekering van de werkgever vergoed. Het Verbond van Verzekeraars en de veiligheidsregio’s geven aan dat behandelen van deze claims complex is, omdat de schade medisch en juridisch in causaal verband tot de PTSS moet staan.
De veiligheidsregio’s zijn de werkgevers van de brandweer. Zie voor een nadere toelichting op de huidige vastgelegde aanspraken voor brandweermensen mijn antwoord op vraag 2.
Is er een compensatieregeling voor de hoofdwerkgever van brandweervrijwilligers bij tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van PTSS en zo nee, zou die er volgens u moeten zijn?
Nee, een dergelijke regeling is er niet en het is een verantwoordelijkheid van werkgevers en vakbonden om hier naar te kijken.
Klopt het dat de veiligheidsregio’s een waarborgfonds hebben opgezet voor onverzekerbare claims waar PTSS niet onder valt? Wat vindt u daarvan?
Ja, er is een waarborgfonds door de veiligheidsregio’s opgericht om te voorzien in de financiering van onverzekerbare aanspraken na dienstongevallen. Volgens de veiligheidsregio’s is de insteek beperkt tot dienstongevallen waar fysiek letsel uit volgt.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de omvang van PTSS bij de brandweer in Nederland en in gesprek te gaan met de veiligheidsregio’s om PTSS te erkennen als beroepsziekte bij de brandweer?
Op 18 maart jl. heb ik gesproken met de voorzitters van de veiligheidsregio’s in het Veiligheidsberaad over de zorg rondom PTSS bij de brandweer. De veiligheidsregio’s hebben mij aangegeven te werken aan een landelijke modelregeling PTSS. Het uitgangspunt hierbij is volgens de veiligheidsregio’s dat een dergelijke regeling moet gaan gelden voor zowel beroepskrachten als vrijwilligers. Daarbij heb ik vernomen dat de gezamenlijke werkgeversvereniging van de 25 veiligheidsregio’s dit ook gaat agenderen voor overleg met de vakbonden.
Als stelselverantwoordelijk Minister blijf ik in gesprek met de veiligheidsregio’s als werkgevers van de brandweer in Nederland, hierbij zal ik ook inzicht in de omvang meenemen. Daarbij zal ik de voortgang nauwgezet volgen en breng ik uw Kamer hiervan ook op de hoogte.
De nog altijd bestaande oververtegenwoordiging van mannen in de top van grote Nederlandse bedrijven en de stijging van het aantal vrouwen die maar heel beperkt blijft |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u zich bewust dat EU-lidstaten in 2022 een vrouwenquotum in de top van bedrijven zijn overeengekomen waarbij over uiterlijk vijf jaar minstens 40 procent van de raden van commissarissen moesten bestaan uit vrouwen of 33 procent, maar dat dan een derde van de raden van bestuur en raden van commissarissen bij elkaar opgeteld uit vrouwen zou moeten bestaan?
Ja.
Hoe beoordeelt u in dit licht het bericht «Nog geen jubelstemming over genderdiversiteit»1?
Het is de eerste keer sinds de invoering van de Wet «Evenwichtiger verhouding tussen mannen en vrouwen in bestuur en raad van commissarissen» (Topvrouwenwet) dat bedrijven rapporteren aan de SER via het Diversiteitsportaal. Deze eerste resultaten zijn al enorm waardevol. Ik ben blij met de stijgende lijn van het aandeel vrouwen in topposities in het bedrijfsleven. Deze cijfers passen in een jarenlange trend. Tegelijk ben ik van mening dat de toename te traag gaat. Het is belangrijk dat er versnelling plaatsvindt.
Ziet ook u een samenhang tussen de heel beperkte stijging van het aantal vrouwen in de top van grote Nederlandse bedrijven en het gegeven dat ruim de helft van deze bedrijven het afgelopen jaar geen cijfers heeft kunnen doorgeven over het aantal vrouwen in bestuurslagen, doordat er geen sancties op staan, hoewel transparantie eigenlijk wel is verplicht? Hoe onderbouwt u dit?
Ik vind het nog te vroeg om conclusies te trekken over de beperkte stijging van het aantal vrouwen in de top. Er is slechts inzicht in de cijfers van het eerste jaar waarin bedrijven moeten rapporteren aan de SER. Ik ben in afwachting van de volledige rapportage van de SER, waarin een uitgebreidere analyse is opgenomen van deze cijfers.
Daarnaast zal naar verwachting volgende maand het Centraal Planbureau (CPB) rapporteren over de effecten van het invoeren van het diversiteitsquotum op de korte termijn.
In 2027 zal een tussentijdse evaluatie van de wet plaatsvinden. Ook hierop wil ik niet vooruitlopen.
Hoe verklaart u de grote verschillen tussen verschillende sectoren nog in de genderbalans, bijvoorbeeld tussen de bouwbesturen waar maar 5,8 procent vrouw is, terwijl dit in de culturele sector al 31,8 procent is?
Hier is op dit moment geen eenduidig antwoord op te geven. Er kunnen verschillende oorzaken voor zijn. Hiervoor is nader onderzoek nodig. Ik ben voornemens om eind maart een voortgangsrapportage over genderdiversiteit in de top naar uw Kamer te sturen.
Welke mogelijkheden ziet u voor uzelf of uw ambtsopvolger om in dezen actie te ondernemen?
Ik ga aan de bedrijven die niet gerapporteerd hebben een brief te sturen. Hierin zal ik deze bedrijven oproepen om dit alsnog over 2022 te doen. Daarnaast zal ik in deze brief opnieuw benadrukken dat bedrijven die niet rapporteren niet aan hun wettelijke rapportageverplichtingen voldoen en dat dit zichtbaar is gemaakt in de dataverkenner van de SER. Ik hoop dat de maatschappelijke druk op deze bedrijven toeneemt om openheid van zaken te geven.
De Russische desinformatiecampagne via sociale media in Duitsland |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Glimina Chakor (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Gräper-van Koolwijk , Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() |
Kent u het rapport van de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken over de systematische en massale Russische desinformatiecampagne via het sociale mediakanaal X waarover bericht is in Der Spiegel?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke activiteiten een rechtstreekse bedreiging zijn voor de democratische rechtsstaat en daarmee voor de staatsveiligheid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat inmenging door statelijke actoren onze belangen, waaronder onze nationale veiligheidsbelangen, kunnen schaden. Zoals ook vermeld in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2 vormen de inlichtingen en beïnvloedingsactiviteiten van diverse statelijke actoren in Nederland een blijvende dreiging voor de sociale en politieke stabiliteit. Daarnaast geeft de AIVD in het jaarverslag van 2022 aan dat een optelsom van verschillende dreigingen tegen de democratische rechtsorde onze samenleving raakt. Sommige landen, zoals Rusland, buiten het wantrouwen tegen democratische instituties uit en dragen daarmee bij aan maatschappelijke onrust in het Westen.2
Herinnert u zich de uitspraak van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat er geen tekenen waren van buitenlandse inmenging bij de verkiezingen? Staat u nog steeds achter deze uitspraak? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot een gelijktijdige uitspraak van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat er wel degelijk sprake is van desinformatie?2
Het kabinet herinnert zich deze uitspraak en staat hier nog steeds achter. Des- of misinformatie kan ook worden verspreid zonder dat er sprake is van buitenlandse inmenging. Zo ontving het Ministerie van BZK op 22 november via de media meldingen over berichten op X waarin kiezers die op PvdA/GroenLinks wilden stemmen, tijdens de verkiezingen twee hokjes moesten inkleuren. Dit leidt tot een ongeldige stem. Vergelijkbare oproepen heeft het Ministerie van BZK ook bij eerdere verkiezingen gezien.4
Deelt u de mening dat het aannemelijk is dat ook in Nederland door Rusland of wellicht ook andere buitenlandse mogendheden via onder andere sociale media desinformatiecampagnes worden gevoerd? Zo ja, heeft u hiervoor concrete aanwijzingen? Welke zijn dat?
Ik deel deze mening. De AIVD signaleert in het jaarverslag 2022 onder meer dat er landen zijn, waaronder Rusland, die westerse democratieën onopgemerkt proberen te ondermijnen en de Nederlandse overheid heimelijk proberen te beïnvloeden. Over Rusland schrijft de AIVD dat het heimelijk zoekt naar ingangen in de Europese politiek, en bij Europese bestuurders en bij de media. Afgelopen jaar hebben statelijke actoren soms verregaande pogingen gedaan om in Westerse landen het publieke debat over de invasie in Oekraïne en het politiek-bestuurlijke bestel heimelijk te beïnvloeden.5 Dergelijke ervaringen leren ons dat we waakzaam moeten blijven. Omdat het verkiezingsproces nu en in de toekomst ongestoord moet verlopen, vrij van ongewenste beïnvloeding en inmenging, heb ik uw Kamer recentelijk een brief gezonden met een overzicht van mogelijke risico’s voor het verkiezingsproces en de maatregelen die worden genomen om ons hierop voor te bereiden.6
Bent u in contact getreden met de Duitse regering om na te gaan of zij over signalen beschikt dat ook in Nederland of andere EU-lidstaten sprake is (geweest) van desinformatiecampagnes door buitenlandse mogelijkheden? Zo ja, welke informatie heeft dit opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen?
Het kabinet staat zowel bilateraal als in multilateraal verband in nauw contact met bevriende landen waar het buitenlandse inmenging en Foreign Information Manipulation and Interference (FIMI) betreft. Dit betreft o.a. de doorlopende uitwisseling van informatie in EU-verband (o.a. via de Horizontal Working Party on Enhancing Resilience and Countering Hybrid Threats en het Rapid Alert System), binnen het NAVO-bondgenootschap en via het Hybrid Centre of Excellence. Via deze weg worden FIMI-campagnes gesignaleerd, vindt uitwisseling plaats over de verschillende verschijningsvormen van FIMI en worden best practices gedeeld over het verhogen van de weerbaarheid en responsmogelijkheden. Dit is ook bruikbaar voor het Nederlandse dreigingsbeeld. Waar nodig wordt ook gekeken naar een gezamenlijke reactie. Voorbeelden daarvan zijn de jaarlijkse FIMI-publicatie van EDEO waarin een overzicht wordt gegeven van gedetecteerde modus operandi7, en de sancties die in juli 2023 aan verschillende Russische personen en bedrijven zijn opgelegd vanwege FIMI-campagnes.8
Indien er geen concrete aanwijzingen zijn, bent u dan bereid een onderzoek in te stellen, in lijn met wat er in Duitsland is gebeurd, om na te gaan welke activiteiten op dit vlak mogelijk in Nederland plaatsvinden? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt eventuele veranderingen in het dreigingslandschap nauwgezet. Het kabinet ziet de dreigingen die door andere lidstaten worden geïdentificeerd en begrijpt dat dit leidt tot zorgen. In de brief 9 november 2023 heeft het kabinet daarom al aangekondigd te onderzoeken of, en zo ja hoe, de Rijksbrede aanpak van desinformatie over de kernprocessen van de democratie versterkt moet worden. Uw Kamer wordt over de verdere invulling en de termijn waarbinnen uw Kamer de resultaten kan verwachten geïnformeerd in de Voortgangsbrief over de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie. De ervaringen en werkwijzen van andere lidstaten zullen in ieder geval worden meegenomen in dit onderzoek.
De AIVD en MIVD kunnen sowieso onderzoek doen naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. In dit onderzoek kunnen de diensten stuiten op onder meer pogingen van manipulatie of het verspreiden van desinformatie. De AIVD en MIVD zullen partners voor wie dit relevant is informeren.
Deelt u de zorg van de Duitse regering dat deze activiteiten een eerlijk verloop van de verkiezingscampagne voor de Europese verkiezingen negatief zouden kunnen beïnvloeden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De ervaringen in landen om ons heen leren ons dat we waakzaam moeten blijven. Het verkiezingsproces moet, nu en in de toekomst, ongestoord verlopen, vrij van ongewenste beïnvloeding en inmenging. Daarom heeft de Minister van BZK op 9 november 2023 een brief aan de Kamer verzonden met een overzicht van mogelijke risico’s voor het verkiezingsproces en de maatregelen die zijn genomen om ons hierop voor te bereiden.9 De maatregelen die in deze brief worden genoemd worden herhaald in aanloop naar de EP-verkiezingen. Dit betreft onder andere het gebruik van heldere communicatie over de verkiezingen en de organisatie van webinars voor gemeenteambtenaren en verkiezingstafels voor vertegenwoordigers van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Kiesraad en alle veiligheidspartners.
Welke maatregelen treffen andere EU-lidstaten (in aanvulling op de Digital Services Act) om desinformatiecampagnes door buitenlandse mogelijkheden te bestrijden? Zijn er voorbeelden van instrumentarium waarover deze lidstaten beschikken waar Nederland nu niet over beschikt? Zo ja, welke?
De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) doet onderzoek naar Foreign Information Manipulation and Interference (FIMI), waarbij EDEO mandaat heeft voor Open source intelligence onderzoek (OSINT) naar actoren van derde landen en daaraan gelinkte bronnen.10 In een recent gepubliceerd rapport geeft EDEO toelichting op de gebruikte methodologie en de in 2023 gedetecteerde campagnes en trends. EDEO signaleert tevens specifieke dreigingen gericht op de integriteit van electorale processen, en doet suggesties voor preventieve en reactieve maatregelen die lidstaten kunnen nemen wanneer ze hiermee worden geconfronteerd. 11
Daarnaast hebben diverse EU lidstaten afdelingen buiten de I&V-diensten die zich (o.a.) richten op OSINT-onderzoek naar FIMI-campagnes. Voorbeelden zijn Duitsland (Referat 607, binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de recent door de Minister van Binnenlandse Zaken aangekondigde nieuwe eenheid in oprichting12), Frankrijk (VIGINUM, binnen het Secretariaat-Generaal voor Nationale Defensie en Veiligheid) en Zweden (Swedish Psychological Defense Agency, binnen het Ministerie van Defensie); die reeds meerdere FIMI-campagnes hebben blootgelegd.
Bent u van mening dat de Nederlandse wet- en regelgeving op dit moment voldoende waarborgen biedt om desinformatiecampagnes door buitenlandse mogendheden te bestrijden? Op welke analyse baseert u deze conclusie? Zo nee, welke stappen gaat u zetten zodat Nederland beter in staat is desinformatiecampagnes te bestrijden?
In de brief 9 november 2023 heeft het kabinet aangekondigd te onderzoeken of, en zo ja hoe, de Rijksbrede aanpak van desinformatie over de kernprocessen van de democratie versterkt moet worden. Uw Kamer wordt over de verdere invulling en de termijn waarbinnen uw Kamer de resultaten kan verwachten geïnformeerd in de Voortgangsbrief over de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie. De ervaringen en werkwijzen van andere lidstaten zullen in ieder geval worden meegenomen in dit onderzoek.
In algemene zin geldt dat het Nederlandse beleid tegen statelijke dreigingen is een continue afweging tussen belangen, dreigingen en weerbaarheid. Deze dreiging wordt geadresseerd met een breed palet aan maatregelen, zoals is beschreven in de Kamerbrief Aanpak statelijke dreigingen en aanbieding dreigingsbeeld statelijke actoren 2.13
Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen bij de nationale implementatie van de Digital Services Act en de Digital Markets Act om desinformatie beter te bestrijden binnen Nederland? Bent u bereid dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld dient te worden dat zowel de Digital Markets Act als de Digital Services Act verordeningen zijn. Dat betekent dat zij rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Daardoor is van implementatie strikt genomen geen sprake. De verordeningen moeten wel worden uitgevoerd. Dat houdt onder meer in dat er toezichthouders worden aangewezen, dat de benodigde bevoegdheden voor het toezicht worden toegekend, en dat er een grondslag wordt gecreëerd voor gegevensuitwisseling met andere toezichthouders en/of overheidsorganisaties. Dit gebeurt door middel van uitvoeringswetgeving.
De Digital Markets Act (DMA) bevat regelgeving voor de allergrootste wereldwijd actieve platforms met een poortwachtersfunctie. Dit zijn platforms waar consumenten en ondernemers nauwelijks meer omheen kunnen. De verboden en verplichtingen uit de DMA moeten zorgen voor betere bescherming van consumenten en ondernemers en meer concurrentie op digitale markten. De DMA is niet van belang voor de bestrijding van desinformatie.
De Digital Services Act beoogt wel mede de verspreiding van desinformatie en andere schadelijke inhoud aan te pakken. De Digital Services Act bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten voor door hun gebruikers verstrekte informatie en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze aanbieders aan moeten voldoen bij het verlenen van hun diensten.
De Digital Services Act betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de verordening aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.14 Op nationaal niveau kunnen dus geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Dit doet overigens niet af aan de andersoortige beleidsmaatregelen die er op nationaal niveau worden genomen tegen desinformatie. Voor een overzicht van dat beleid verwijs ik u naar de reeds genoemde Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.15
Bent u van mening dat sociale media platforms hun verantwoordelijkheid om desinformatie tegen te gaan in voldoende mate nemen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, welke stappen gaat u zetten?
Op het Transparency Centre16 van de Europese praktijkcode tegen desinformatie zijn sinds 2023 rapportages te vinden van een groot aantal sociale media platforms waarin zij uiteenzetten hoe zij hun verantwoordelijkheid nemen om desinformatie tegen te gaan. Op basis van deze rapportages is een eerste onderzoeksrapport verschenen waarin structurele indicatoren worden uitgewerkt.17 Daar is te lezen dat sociale media platforms in verschillende mate en op verschillende manieren hun verantwoordelijkheid om desinformatie tegen te gaan nemen. Waar op X18, voorheen Twitter, de vindbaarheid van desinformatie, de ratio van desinformatie actoren en de relatieve interactie met desinformatie het hoogste is, volgt Facebook op de eerste twee indicatoren op een tweede plek. Bij zowel de relatieve als de absolute interactie met desinformatie volgt YouTube op een tweede plek. TikTok heeft in absolute getallen de meeste interactie met desinformatie, maar behoort, net als Instagram, tot een middenmoter wanneer het gaat om de ratio en de vindbaarheid van desinformatie, en kent de laagste relatieve interactie met desinformatie.
In hoeverre dit voldoende is, is aan de toezichthouder om te beoordelen binnen het wettelijk kader van de DSA. In het geval van zeer grote online platforms als X, Facebook en Twitter is dat primair de Europese Commissie. Op 18 december 2023 heeft de Commissie een formele procedure ingeleid om te beoordelen of X mogelijk inbreuk heeft gemaakt op de DSA19. Daarbij wordt specifiek gekeken naar «de doeltreffendheid van de maatregelen ter bestrijding van informatiemanipulatie op het platform, en de doeltreffendheid van daarmee verband houdende beleidsmaatregelen om de risico's voor het maatschappelijk debat en de verkiezingsprocessen te beperken». De inleiding van een formele procedure geeft de Commissie de bevoegdheid om verdere handhavingsmaatregelen te nemen, zoals voorlopige maatregelen en besluiten wegens niet-naleving.
Het schrappen van verkrachting uit Europese wetgeving over gendergerelateerd geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de brief van PvdA-Europarlementariër Vera Tax over het schrappen van verkrachting uit de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld die mede is ondertekend door verschillende maatschappelijke organisaties en Europarlementariërs van GroenLinks, CDA, D66, ChristenUnie en Partij voor de Dieren? Zo ja, wat is uw reactie op deze brief?
De richtlijn betekent voor de vele vrouwen en meisjes in de Europese Unie een forse verbetering van de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Nederland heeft daarom het voorzitterschap gesteund in het formuleren van maatregelen voor de preventie en bestrijding van geweld en voor de bescherming van slachtoffers. De richtlijn bevat een belangrijk hoofdstuk over preventie om onderliggende patronen van dwang, macht en controle te voorkomen, en voorziet in specifieke maatregelen ter voorkoming van verkrachting. De lidstaten sturen een krachtige boodschap: wij aanvaarden niet dat vrouwen meer risico's lopen dan mannen. Met de recente overeenstemming op 6 februari 2024 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie is dit bevestigd.
De argumentatie voor het kabinetsstandpunt kunt u vinden in de brief van 5 februari 20241 en de geannoteerde agenda voor de JBZ-raad op 8 en 9 juni 2023 die op 31 mei 2023 naar uw Kamer is verzonden.2 Over deze geannoteerde agenda heeft een schriftelijk overleg plaatsgevonden op 5 juni 2023.
Hoe legt u uit dat Nederland zich in Europa niet bij landen als België, Luxemburg, Zweden en Griekenland voegt in het opnemen van verkrachting in Europese wetgeving, terwijl u onlangs de – verdergaande – Wet seksuele misdrijven door de Tweede Kamer heeft geloodst? Staat u nog steeds volmondig achter de Wet seksuele misdrijven nu u in Europa op dit onderwerp de kant van landen als Hongarije en Polen kiest?
Nederland heeft samen met de meerderheid van de lidstaten, waaronder Frankrijk en Duitsland, het advies van de Juridische Dienst van de Raad gevolgd, omdat het de onderstaande risico’s niet wil aanvaarden en het de bevoegdhedenverdeling die in het Verdrag van de Werking van de Europese Unie is opgenomen niet wil oprekken.
Zoals in de brief van 5 februari 2024 is toegelicht, is het voor Nederland belangrijk dat aan de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten op het gebied van strafrechtelijke wetgeving niet wordt getornd. Ook op dat punt hebben we een verantwoordelijkheid. Het is belangrijk dat de EU-bevoegdheden niet worden opgerekt. De verdeling van bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten is een waarborg dat op EU-niveau geen regels worden vastgesteld voor strafrechtelijke onderwerpen die op specifieke wijze in Nederland zijn geregeld. Ik wijs bijvoorbeeld op prostitutie en medisch-ethische kwesties, waaronder abortus en euthanasie. Dit zijn bij uitstek onderwerpen waar wij, als Nederland, zélf over willen gaan. We willen in wetgeving maatwerk kunnen toepassen voor de Nederlandse samenleving.
Aanvullend hierop, Nederland wil niet het risico lopen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie – in het geval de richtlijn aan het Hof wordt voorgelegd – de richtlijn geheel of deels buiten werking stelt omdat de rechtsgrondslag niet solide is.
De onderhandelingen over de Europese richtlijn hebben geen invloed op de Wet Seksuele Misdrijven. De Wet Seksuele Misdrijven is gericht op de Nederlandse context en verbetert Nederlandse wetgeving om de bescherming van slachtoffers tegen inbreuken op de lichamelijke en seksuele integriteit strafrechtelijk te versterken. Onze wet gaat aanzienlijk verder dan het commissievoorstel.
Wat is volgens u het signaal dat Nederland afgeeft aan slachtoffers van seksueel geweld binnen en buiten Nederland door verkrachting niet op te willen nemen in Europese wetgeving over gendergerelateerd geweld?
Voor vrouwen en meisjes in de EU worden belangrijke stappen gezet in de verbetering van preventie, hulp aan slachtoffers en toegang tot het recht. Het tegengaan van geweld tegen vrouwen is dan ook een belangrijke prioriteit van het kabinet. De richtlijn is met name een forse verbetering voor de slachtoffers van seksueel geweld in de EU. In de tekst van de richtlijn zijn de volgende maatregelen opgenomen:
Klopt het dat het verzet van Nederland om verkrachting in de Europese wetgeving op te nemen op juridische gronden gestoeld is? Zo ja, hoe verklaart u dat landen als België, Luxemburg, Zweden en Griekenland tot een andere conclusie zijn gekomen op dit punt?
In het antwoord op vraag 2 en in de brief van 5 februari 2024 heb ik toegelicht hoe het kabinet tot het Nederlands standpunt is gekomen. De meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, wil de juridische risico’s die verbonden zijn aan de EU-harmonisatie van de genoemde strafbaarstelling niet accepteren. Een kleinere groep lidstaten heeft een andere afweging gemaakt.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als lidstaten verschillende minimumnormen hebben als het gaat om de strafbaarstelling van verkrachting? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het wenselijk om het delict verkrachting op basis van het ontbreken van instemming in alle EU-lidstaten op te nemen in het nationale strafrecht én het kabinet wil de bepalingen uit het Werkingsverdrag inzake de EU ten aanzien van strafbaarstelling van delicten in EU-wetgeving respecteren. Nederland hanteert een brede en ambitieuze inzet op vrouwenrechten, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en gelijke rechten voor lhbtiq+ personen. Daarom maakt het kabinet zich internationaal hard voor de ratificatie en implementatie van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul).3 In dit verdrag is het delict verkrachting op basis van het ontbreken van instemming opgenomen. Zes EU-lidstaten hebben dit verdrag nog niet geratificeerd.4 Zoals bekend zijn ook staten die geen lid zijn van de EU partij bij het Verdrag van Istanbul.
Deelt u de mening dat het opnemen van verkrachting in de Europese wetgeving vrouwen meer bescherming biedt tegen geweld, met name in lidstaten die niet het Verdrag van Istanbul volgen of waar minimumnormen omtrent verkrachting lager liggen dan nu wordt voorgesteld door de EU? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is dit reden om het Nederlandse standpunt te herzien zodat vrouwen ook in deze landen beter in bescherming kunnen worden genomen tegen seksueel geweld?
De minimumnormen voor betere slachtofferbescherming van alle slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld worden via deze EU-richtlijn en met steun van Nederland vastgelegd. Dit geldt ook voor slachtoffers van verkrachting. Het feit dat verkrachting niet op EU-niveau strafbaar wordt gesteld, doet daaraan niet af. Voor de regeling van de bescherming van slachtoffers bestaat in het VWEU een afzonderlijke rechtsgrondslag. Het betreft ook vijftig andere minimumnormen voor de verbetering van de hulpverlening, toegang tot het recht, preventie en samenwerking tussen de betrokken ketenpartners. Dit betekent dat ook vrouwen in de EU-lidstaten die de Conventie van Istanbul niet hebben geratificeerd, beter worden beschermd met de richtlijn. Het standpunt van het kabinet dat er geen solide rechtsgrondslag is voor harmonisatie van strafbaarstelling van verkrachting, staat dus niet in de weg aan een flinke verbetering van de positie van slachtoffers van geweld tegen vrouwen (waaronder verkrachting) en huiselijk geweld in de gehele Unie.
Bent u bereid het Nederlandse standpunt over het schrappen van verkrachting uit de Europese wetgeving over gendergerelateerd geweld te herzien? Zo nee, waarom niet?
De prioriteit van het kabinet is dat dit pakket aan maatregelen in de richtlijn de eindstreep haalt, dat wil zeggen aanvaard wordt door het Europees Parlement én de Raad. Zoals eerder aangegeven heeft de meerderheid van de lidstaten ervoor gekozen de risico’s die zouden ontstaan door het delict verkrachting op te nemen in de richtlijn, niet te aanvaarden. Deze omstandigheden zijn niet veranderd ten opzichte van de situatie in het voorjaar van 2023 waarop het Nederlands standpunt is gebaseerd. Dit betekent dat het kabinet geen reden heeft gezien om het Nederlandse standpunt te herzien.
Kunt u deze vragen vóór 6 februari, wanneer de onderhandelingen over de wetgeving omtrent gendergerelateerd geweld in Brussel plaatsvinden, beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord. Uw Kamer is heeft op 5 februari 2024 een toelichtende brief over dit onderwerp en het kabinetsstandpunt daarin ontvangen.
Het uitleveringsverdrag dat Nederland heeft gesloten met Marokko |
|
Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is het doel van het recent getekende uitleveringsverdrag tussen Marokko en Nederland?
Het doel van bilaterale uitleveringsverdragen is het vestigen van een rechtsgrondslag voor de uitlevering van personen tussen de verdragsluitende partijen om de vervolging en de tenuitvoerlegging van opgelegde vrijheidsstraffen mogelijk te maken. Het recent ondertekende uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 2024, 1) sluit daarbij aan bij andere uitleveringsverdragen.
Wat is de directe aanleiding voor het uitleveringsverdrag?
Er zijn verschillende aanleidingen voor het sluiten van een bilateraal uitleveringsverdrag met Marokko. De bestrijding van grensoverschrijdende ernstige ondermijnende criminaliteit vergt dat het Koninkrijk der Nederlanden verdragen op het gebied van de strafrechtelijke samenwerking sluit met derde landen die voor het welslagen van die bestrijding belangrijke bijdragen kunnen leveren. Marokko behoort tot die landen. Het Koninkrijk heeft met Marokko in het verleden al verdragen gesloten over de wederzijdse rechtshulp en de overdracht van gevonniste personen. Een uitleveringsverdrag past daarbij. In het bij brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 november 2022 aangeboden Actieplan Marokko (Kamerstukken II 2022/23, 36 200 V, nr. 64) zijn beide landen overeengekomen over een uitleveringsverdrag te gaan onderhandelen. Verbetering van de onderlinge betrekkingen is hierbij ook van belang geweest.
Klopt het dat ook verdachten straks makkelijker uitgeleverd kunnen worden aan het Marokkaanse regime? Kunt u een voorbeeld geven van een situatie waarin dit zich zou kunnen voordoen? Over welke misdrijven gaat het?
Het verdrag maakt, behoudens enkele uitzonderingen, uitlevering mogelijk voor alle strafbare feiten waarvoor krachtens het recht van beide staten een gevangenisstraf van een jaar of een langere duur kan worden opgelegd, of als het gaat om tenuitvoerlegging van een straf, het strafrestant ten minste zes maanden bedraagt. De uitleveringsrelatie met Marokko was voorheen alleen gebaseerd op multilaterale verdragen die uitleveringsbepalingen bevatten. Deze bepalingen beperken de uitlevering tot specifieke strafbare feiten die in het desbetreffende verdrag regeling vinden, zoals drugssmokkel, corruptie of georganiseerde criminaliteit. Delicten waarbij geen verband is met de onderwerpen waarin multilaterale verdragen voorzien, zoals drugssmokkel, corruptie of georganiseerde criminaliteit, kunnen thans geen aanleiding geven tot uitlevering. Het betreft een groot aantal categorieën strafbare feiten, variërend van levensdelicten tot vermogenscriminaliteit. Ook bevat het verdrag op maat gemaakte afspraken over de formaliteiten rondom uitlevering, zoals termijnen en wijze van aanlevering van documenten. Het verdrag heeft geen gevolgen voor de geldende uitleveringsprocedures in het Koninkrijk, zoals die in het geval van Nederland zijn neergelegd in de Uitleveringswet.
Wat is uw opvatting over de werking van de Marokkaanse rechtspraak? Zijn de standaarden van de Marokkaanse rechtspraak op hetzelfde niveau als de Nederlandse rechtspraak? Indien dit niet het geval is, vindt u het dan verstandig om een dergelijk uitleveringsverdrag te sluiten?
Ik onthoud mij van een oordeel over de Marokkaanse rechtspraak. Bij het sluiten van uitleveringsverdragen is geen sprake van een algemeen geldende minimumstandaard. Tevoren wordt geïnventariseerd welke strafrechtelijke samenwerking er met de betrokken staat is, hoe deze samenwerking loopt, en hoe deze zich wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft zou moeten ontwikkelen. Bezien wordt bij welke multilaterale verdragen voor strafrechtelijke samenwerking de desbetreffende staat partij is, en of er uit de samenwerking op die grondslag tekortkomingen voortvloeien die kunnen worden ondervangen met een bilateraal verdrag. Vervolgens wordt bezien bij welke internationale mensenrechtelijke verdragen de desbetreffende staat partij is, en of er sprake is van voortdurende structurele schendingen van de rechten van verdachten. Ten aanzien van Marokko heeft het Koninkrijk toepassing gegeven aan dit beleid. In de memorie van toelichting op het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het verdrag zal in detail over al deze punten verantwoording worden afgelegd.
Heeft u in de gesprekken met uw Marokkaanse ambtsgenoot uw zorgen geuit over het Marokkaanse rechtssysteem en de onterechte veroordeling van mensenrechtenactivisten en journalisten? Zo ja, wat heeft u gezegd? Zo nee, waarom niet?
Het gesprek met mijn Marokkaanse ambtgenoot heb ik, gezien de bijzondere aanleiding voor het bezoek aan Marokko, benut om het wederzijdse belang van de verdere ontwikkeling van de strafrechtelijke samenwerking en de directe ondermijning door drugscriminaliteit van onze rechtsstaat te onderstrepen.
Heeft u de gesprekken met uw Marokkaanse ambtsgenoot benut om zich uit te spreken over de onterechte veroordeling van journalist Omar Radi? Heeft u de aantijging ontkracht dat Radi een spion van Nederland zou zijn?
Ik verwijs de leden allereerst graag naar mijn antwoord op vraag 5. Wat de zaak van heer Radi betreft, verwijs ik de leden graag naar hetgeen de Minister van Buitenlandse Zaken daarover, mede namens mij, heeft medegedeeld in het schriftelijk overleg met de Tweede Kamer over het Actieplan Marokko (Kamerstukken II 2022/23, 36 200 V, nr. 78).
Heeft de Minister garanties afgedwongen zodat Nederlandse activisten zich geen zorgen hoeven maken om gevangen genomen te worden op basis van hun kritiek op de Marokkaanse overheid als zij naar Marokko afreizen, gelet op eerdere voorbeelden zoals de zaak Saïd Chaou?
Dergelijke garanties kunnen in elk geval niet in algemene zin een plaats krijgen in een uitleveringsverdrag, ongeacht de staat die het betreft. Een uitleveringsverdrag bevat immers enkel afspraken over de uitlevering van personen tussen staten. In algemene zin is het zo dat indien de uitlevering moet worden geweigerd omdat er naar het oordeel van de Nederlandse autoriteiten sprake is van een politiek delict, of een daarmee samenhangend delict, die weigering niet wegneemt dat de autoriteiten van de verzoekende staat de opgeëiste persoon kunnen blijven vervolgen en ook aanhouden, wanneer deze persoon op vrijwillige basis naar het verzoekende land afreist.
Is het onder dit verdrag mogelijk om mensen die worden verdacht van – of veroordeeld zijn voor – kritiek op het Marokkaanse regime aan Marokko uit te leveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u verzekeren dat er geen onterecht veroordeelde Marokkaanse journalisten of activisten die zich hebben uitgesproken tegen het Marokkaanse regime worden uitgeleverd en een onterechte gevangenisstraf moeten uitzitten?
Ik verwijs de leden graag naar het antwoord op vraag 8.
Het dreigingsbeeld in Nederland |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u de berichten «Halsema vindt zorgen bij moskeeën «heel logisch»»1 en «De schrik zit erin bij moslims in Culemborg: «We willen extra beveiliging»»?2
Beschikt u over signalen of gegevens over een toegenomen dreiging in de richting van religieuze gemeenschappen en gebouwen ten gevolge van onder andere internationale conflicten of als reactie op de uitslag van de recente Tweede Kamerverkiezingen? Zo ja, waar bestaan die signalen of gegevens uit? Kunt u dat concreet maken?
In hoeverre moeten religieuze gebouwen sinds de Tweede Kamerverkiezingen en het uitbreken van de oorlog tussen Israël en Hamas extra beschermd worden? Kunt u daarbij aangeven of en door wie die bescherming daadwerkelijk wordt geboden en voor welke soort religieuze gebouwen die wordt geboden? Kunt u tevens aangeven welke rol u voor de Koninklijke Marechaussee ziet weggelegd naast de politie?
Hoe en door wie wordt er op dit moment een lokale of regionale inschatting van het dreigingsniveau gemaakt?
Vindt u het wenselijk dat er naast een landelijk dreigingsbeeld ook specifieke dreigingsbeelden worden gemaakt waarin beter ingegaan kan worden op specifieke regionale of lokale situaties of specifieke groepen in de samenleving? Zo ja, waarom en hoe kan dit (beter) vorm gegeven worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bovenstaande vragen beantwoorden voor het aankomende commissiedebat Politie (21–12 aanstaande)?
Hulp aan mannelijke sekswerkers |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het artikel «Eindhovens inloophuis voor jongensprostitués met sluiting bedreigd: «Probleem alleen nog maar groter»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat jonge en zelfs minderjarige mannelijke sekswerkers die te maken hebben met misstanden waaronder gedwongen prostitutie, mensenhandel en uitbuiting hulp nodig hebben? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat die hulp geboden dient te worden onder andere om uitstappen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Er is een onderscheid tussen sekswerk en seksuele uitbuiting (mensenhandel). Sekswerk is in Nederland een legaal beroep voor meerderjarigen. Voor sekswerkers die willen stoppen met het werk en daarbij hulp nodig hebben, worden uitstapprogramma’s gefinancierd middels de Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma’s Prostituees (DUUP). Het doel van de uitstapprogramma’s is om in contact te komen met sekswerkers om hen indien gewenst te voorzien van informatie, hulp aan te bieden bij het proces van overwegen te stoppen en/of het realiseren van een andere daginvulling. De uitstapprogramma’s zijn toegankelijk voor alle sekswerkers. Er bestaat een grote diversiteit onder de sekswerkers, waaronder ook meerderjarige mannelijke sekswerkers, transpersonen en buitenlandse sekswerkers.
Het kopen van seks met een minderjarige is een strafbaar feit. Dit is strafbaar gesteld onder art. 248b van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) wanneer het gaat om 16- of 17-jarige slachtoffers. In het geval van slachtoffers jonger dan 16 jaar valt het kopen van seks onder andere zedenfeiten, namelijk ontucht met een persoon jonger dan 16 jaar (art. 245 of 247 Sr.). Wanneer sprake is van een uitbuitingssituatie, spreken we van mensenhandel. Dit is expliciet strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Hulp en opvang aan slachtoffers van mensenhandel wordt op verschillende manieren aangeboden, denk aan opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo2015), de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel (COSM), en de Jeugdwet.
Naar specifiek jongensslachtoffers van seksuele uitbuiting heeft het «Consortium seksuele uitbuiting jongens en jonge mannen» (een samenwerking tussen zorg- en expertiseorganisaties Koraal, Fier, Lumens, Pretty Woman/Best Man, Sterk Huis) in opdracht van het Ministerie van VWS onderzoek2 uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de achtergrond en ondersteuningsbehoefte van jongensslachtoffers van seksuele uitbuiting. In het onderzoek zijn jongens zelf aan het woord gelaten over seksuele uitbuiting en seksueel geweld en wat eraan vooraf ging. De opgedane kennis en inzichten zijn gebundeld in handreikingen voor ouders van jongensslachtoffers en geven professionals in de zorg, het wijkteam, het onderwijs en bij politie handvatten voor het signaleren, handelen en bieden van passende zorg en ondersteuning. Het Ministerie van VWS ondersteunt in het kader van de no-regrets 2023 van het Programma Samen tegen Mensenhandel in 2024 het vervolgtraject van het Consortium. Dit ziet o.a. op het bereiken van (potentiële) jongensslachtoffers met informatie over slachtofferschap en mogelijkheden voor hulp, gratis e-learning voor professionals en het doorontwikkelen en implementeren van specifieke zorgmethodieken voor jongens en mannen, wat bijdraagt aan laagdrempeligere en toegankelijke zorg en ondersteuning.
Ten slotte is vanuit het Programma Samen tegen Mensenhandel in 2023 een pilot gestart om kwetsbare jongens online proactief te benaderen. Met de pilot, uitgevoerd door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), wordt beoogd online preventie, signalering en zorg aan te bieden aan jongens. Hierbij wordt de overdracht van online naar offline hulpverlening landelijk goed afgestemd.
Kunt u een indicatie geven van hoe groot deze groep landelijk is?
Het is moeilijk om zicht te krijgen op het aantal slachtoffers van seksuele uitbuiting, waaronder het aantal mannelijke slachtoffers. In het jaarbeeld van 2022 van Comensha wordt gesproken over 1 jongensslachtoffer en 53 mannelijke slachtoffers in 2022. In eerder onderzoek wordt echter aangegeven dat geen goede inschatting gemaakt kan worden van de grootte van de groep mannelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting.3
Klopt het dat het Eindhovense inloophuis zelf jaarlijks 70–100 jongens opvangt en begeleidt naar een normaal leven? Hoeveel van die jongens komen van buiten de gemeente Eindhoven?
Ik heb geen inzage in de aantallen jongens en mannen die gebruik maken van dit inloophuis en uit welke regio zij komen.
Deelt u de mening dat het voor jonge mannelijke sekswerkers vanwege taboes op homoseksualiteit, sekswerk en mannelijk slachtofferschap moeilijk is om hulp te zoeken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en waar kunnen deze sekswerkers dan wel terecht?
Onderzoek bevestigt dat mannelijke sekswerkers vaak minder goed op de radar staan van instanties als hulp- en zorgverleners binnen gemeenten. Dat kan onder andere komen door taboes op homoseksualiteit, sekswerk en mannelijk slachtofferschap.4 Mannelijke sekswerkers vallen soms buiten het bereik van het ondersteuningsaanbod.5 Om de drempel voor mannelijke sekswerkers te verlagen hebben verschillende DUUP-organisaties mannelijke hulpverleners aangenomen. Ook concentreren bepaalde organisaties zich op een afgebakende groep binnen de seksbranche, zoals mannelijke sekswerkers. Informatie over moeilijk bereikbare doelgroepen wordt onder andere gedeeld met hulpverleningsorganisaties en DUUP-(centrum)gemeenten via de landelijke ontmoetingsdagen. De verwachting is dat kennisuitwisseling over moeilijk bereikbare doelgroepen ervoor zorgt dat het ondersteuningsaanbod beter aansluit bij de behoefte, waardoor mannelijke sekswerkers de uitstapprogramma’s beter weten te vinden.
Zoals vermeld bij de beantwoording van vraag 2 is in de afgelopen jaren en wordt het komende jaar ingezet op het bieden van betere bescherming en hulp aan jongensslachtoffers van seksuele uitbuiting. Onder andere door het verlagen van drempels voor jongensslachtoffers om hulp te zoeken die – veelal door taboes – niet durven te praten over wat ze meemaken.
Deelt u de mening dat er een laagdrempelige en bij deze doelgroep landelijk bekende hulpvoorziening moet blijven? Zo ja, waarom? Zo nee, waar kunnen deze sekswerkers dan wel terecht?
Meerderjarige mannelijke sekswerkers kunnen voor laagdrempelige hulpvoorzieningen terecht bij de uitstapprogramma’s. Op dit moment is een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s operationeel. Naast de uitstapprogramma’s kunnen meerderjarige mannelijke sekswerkers ook terecht bij andere organisaties, bijvoorbeeld de GGD voor hulp rond seksuele gezondheid.
Deelt u de mening dat het House of Inner Strength (HIS) een goede plek is waartoe vanuit heel Nederland mannen en jongens die sekswerk verrichten zich kunnen wenden en waar zij geholpen kunnen worden? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om dit inloophuis te laten continueren en in ieder geval niet voor het einde van het jaar al te laten stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het is voor potentiële slachtoffers van alle vormen van uitbuiting van belang dat zij de juiste opvang en ondersteuning op de juiste plek krijgen. De opvang van slachtoffers mensenhandel wordt voornamelijk door de centrumgemeenten Vrouwenopvang uit de Decentralisatie-uitkering Vrouwenopvang bekostigd. Hier valt ook de mannenopvang onder. Voor specialistische jeugdhulp voor minderjarigen die te maken hebben met seksuele uitbuiting en seksueel geweld kunnen gemeenten gebruik maken van specialistische zorginstellingen. Gemeenten kunnen hiervoor eigen middelen uit de Algemene Uitkering en de Wmo2015 en Jeugdwet inzetten om de opvang, ondersteuning en hulp te financieren.
Binnen dit stelsel kunnen voorzieningen als het House of Inner Strength, waarin jongens op laagdrempelige wijze in contact komen met lotgenoten en verschillende vormen van hulp kunnen krijgen, bekostigd worden.
Het is nadrukkelijk de taak van gemeenten om opvang en ondersteuning te organiseren. Als het gaat om meer gespecialiseerde voorzieningen kan regionale of bovenregionale samenwerking daarbij noodzakelijk zijn.
Ik heb de kwestie van het House of Inner Strength vorig jaar voorgelegd aan de VNG met het verzoek hierover in gesprek te gaan met de gemeente Eindhoven. Om tegemoet te komen aan de motie Mutluer c.s.6 die de regering verzoekt om met betrokken gemeenten en de VNG in overleg te treden over mogelijke continuering van het House of Inner Strength, zullen zowel JenV als VWS deelnemen aan een vervolggesprek met betrokken organisaties. Dit gesprek zal in maart plaatsvinden.
Bent u bereid om Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma’s voor Prostituees (DUUP) van nu 6 miljoen euro per jaar te verhogen zodat ook de specifieke hulp voor jongen mannelijke sekswerkers daaronder komt te vallen? Zo ja, met welk bedrag gaat u deze uitkering verhogen? Zo nee, waarom niet?
Vanaf 2023 is er per jaar 6 miljoen euro structureel beschikbaar voor de uitstapprogramma’s. Hieronder valt ook de specifieke hulp aan meerderjarige mannelijke sekswerkers. Het netwerk van uitstapprogramma’s is landelijk dekkend.
Bent u bereid om na te gaan hoe het HIS in ieder geval voor 2024 financiering kan ontvangen om de genoemde hulp te kunnen waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bovenstaande vragen voor het op 21 december 2023 geplande commissiedebat over mensenhandel beantwoorden?
Het bericht 'Politie wil meer autowrakken optakelen om misdrijven op te lossen' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Politie wil meer autowrakken optakelen om misdrijven op te lossen»?1
Ja.
Deelt u de mening van de operationeel coördinator van het Landelijk Team Onderwaterzoekingen (LTOZ) dat het borgen van autowrakken tot aanwijzingen kan leiden waarmee een geweldsdelict, diefstal, misdrijf of cold case kan worden opgelost? Zo nee, waarom niet?
Ja die deel ik, zij het met de nuancering dat de politie aangeeft dat haar beeld is dat voertuigen gedumpt worden door daders van minder ernstige misdrijven zoals diefstal.
In hoeveel gevallen leverden uit het water geborgde autowrakken gedurende de laatste twee jaar sporen van strafbare feiten op en wat is er met die sporen gedaan? In welke mate hebben die sporen bijgedragen tot het oplossen van misdrijven?
Dit is onbekend.
Wat is de reden dat deze autowrakken nu niet geborgd worden? Klopt het dat de kosten hiervoor te hoog worden geacht? Zo ja, kunt u dat onderbouwen, ook financieel? Kunt u een indicatie geven om hoeveel autowrakken het jaarlijks gaat?
Klopt het dat bij de beslissing of een autowrak moet worden geborgd door de vaarwegbeheerder (vaak Rijkswaterstaat) alleen wordt gekeken naar het risico van het gevaar voor de scheepvaart? Deelt u de mening dat bij die beslissing ook het aspect van het opsporen van een mogelijk misdrijf betrokken zou moeten worden? Zo ja, wat wilt u daar aan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de politie op zijn minst aanwezig moet zijn bij opschoonacties van Rijkswaterstaat en hierbij moet meedenken over onder andere de wijze waarop een auto gelift wordt (verticaal of horizontaal)? Zo ja, hoe wilt u dat bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in gesprek te gaan met de politie en Rijkswaterstaat over een samenwerking en concrete afspraken rondom het borgen van autowrakken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit gesprek voeren?