Verzorgingsplaatsen van de toekomst |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV) |
|
|
|
|
Erkent u dat het huidige beleid, met de hoge kosten voor kavelverwerving en exploitatie omtrent verzorgingsplaatsen langs rijkswegen, de beoogde gelijke kansen voor mkb-ondernemers ondermijnt? En zo nee, waarom niet?
Onder het huidige beleid bestaat er geen veiling voor shops of laadpalen op verzorgingsplaatsen. Vergunningen voor deze voorzieningen worden via een loting (in het geval van een zelfstandig laadstation – een basisvoorziening) of op aanvraag (als het gaat om laadpalen of shops als aanvullende voorziening) toegekend.
De locaties voor de verkoop van motorbrandstoffen (benzinestations) worden door het Rijksvastgoedbedrijf geveild. Het Rijksvastgoedbedrijf veilt de huurrechten voor tankstations op basis van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (ook wel Benzinewet genoemd). In deze veilingen worden soms hoge bedragen betaald. De markt bepaalt de hoogte van deze biedingen echter zelf.
Iedere partij kan onder dezelfde voorwaarden meedoen aan de veilingen van tankstations. Dat gezegd hebbende is er sprake van enige toetredingsdrempels tot de benzinemarkt. Uit evaluaties van de Benzinewet komt onder meer dat toetreding tot de benzinemarkt moeilijk is omdat het een ingewikkelde markt is. Deze markt vraagt specifieke kennis, een netwerk en adviseurs, veel kapitaal en ervaring met tankstations langs rijkswegen.
Voor alle voorzieningen geldt dat vergunninghouders voor het gebruik van de grond (verzorgingsplaatsen liggen op Rijksgrond) huur betalen aan het Rijksvastgoedbedrijf. De hoogte van de huurprijs hangt onder meer af van het aantal passanten, de grootte van de locatie, het aantal verkochte liters brandstof en kWh aan stroom. Kleinere tankstations betalen dus ook minder huur dan grotere stations. Dit komt kleinere (mkb-)partijen ten goede.
Welke concrete stappen zult u nemen om mkb-ondernemers betere kansen te geven bij de veilingen van rijksweglocaties, en wanneer kunnen zij deze verwachten?
Gelijke toegang voor alle ondernemers is erg belangrijk. Daarom heeft het Ministerie van IenW al sinds de start van het programma Verzorgingsplaats van de toekomst op frequente basis contact met kleine en grote ondernemers.
Rijksweglocaties voor motorbrandstoffen worden geveild onder de Benzinewet. De Benzinewet wordt met een nieuw beleid op de verzorgingsplaatsen niet gewijzigd.
Op dit moment ligt er een conceptwetsvoorstel voor ter internetconsultatie. Met dit conceptwetsvoorstel wordt een nieuw systeem voorgesteld voor het verlenen van vergunningen voor laadpalen en shops op verzorgingsplaatsen. Het voorstel is onderdeel van een nieuw beleid op de verzorgingsplaatsen. Een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van dit beleid en het conceptwetsvoorstel is een gelijk speelveld en gelijke kansen voor (mkb-)ondernemers.
In het conceptwetsvoorstel dat openstaat voor consultatie is bijvoorbeeld opgenomen dat voor iedere dienst een aparte vergunning wordt vergeven. Dit is belangrijk om ondernemers gelijkwaardige kansen te bieden. Zo heeft een brede groep ondernemers toegang tot de markt. Dit verlaagt toetredingsdrempels, leidt tot meer concurrentie en biedt de weggebruiker meer keuzevrijheid. Een ondernemer die bijvoorbeeld alleen een shop wil aanbieden, maar geen laadstation, biedt alleen op de shop. Een ondernemer die alleen een laadstation wil aanbieden, biedt alleen op het laadstation. Een ondernemer die beiden wil aanbieden biedt op beiden. Wanneer bijvoorbeeld de hele verzorgingsplaats aan een partij zou worden gegund (na veiling) zou dit ten nadele van kleinere (innovatieve) partijen zijn. Zij zouden in deze variant («alles in een hand» genoemd) dan moeten bieden voor de hele verzorgingsplaats (tanken, laden en shop).
Daarnaast doet het kabinet onderzoek naar het beperken van de regeldruk o.a. in de uitwerking van een nieuw beleid. Hierbij worden alle aanbieders op verzorgingsplaatsen geconsulteerd. De bevindingen neemt het kabinet mee in de uitwerking van het wetsvoorstel.
Bent u zich bewust van de negatieve gevolgen van de Tijdelijke Beleidsregel voor de uitrol van laadpalen, de verkeersveiligheid, de weggebruikers en de energietransitie?
De tijdelijke beleidsregel is nodig om nieuw beleid straks in te kunnen voeren. Onder de tijdelijke beleidsregel worden nieuwe vergunningen voor laadpalen op verzorgingsplaatsen toegekend met een aangepaste looptijd. De looptijd van de nieuwe vergunning hangt af van de resterende looptijd van het zelfstandige laadstation (de zogenoemde basisvoorziening laden) op de verzorgingsplaats. Alleen als deze resterende looptijd korter is dan 5 jaar wordt een vergunning voor een laadpaal niet toegekend. Dit is om te voorkomen dat er vergunningen worden toegekend die niet redelijkerwijs zijn terug te verdienen binnen de looptijd. Wanneer de periode langer is dan 5 jaar wordt een vergunning dus verleend tot de duur van de basisvoorziening laden op diezelfde verzorgingsplaats.
Het kabinet is zich bewust van de zorgen van de sector. Daarom werkt het kabinet hard door aan nieuw beleid. Bijvoorbeeld door een conceptwetsvoorstel in consultatie te doen. De overgang van een bestaande situatie naar een nieuw beleid vraagt om moeilijke keuzes. Als deze keuzes nu niet worden gemaakt blijft de problematiek op verzorgingsplaatsen die aanleiding was voor een nieuw beleid, voortbestaan.
Tot slot: de tijdelijke beleidsregel lijkt geen negatieve invloed te hebben op de verkeersveiligheid en het aanbod van voorzieningen op de verzorgingsplaats. Wat betreft de verkeersveiligheid: het beperken van laadpalen tot één of enkele plekken op de verzorgingsplaats beperkt zoekverkeer van weggebruikers op zoek naar een geschikte laadpaal. Dit verkleint het risico op verkeersonveilige verplaatsingen op de verzorgingsplaats. Wat betreft het aanbod: in de toekomst is een grootschalige uitbreiding van het aantal laadpalen nodig, maar het bestaande netwerk lijkt op dit moment nog te voldoen aan de vraag van de weggebruiker.
Kent u de zorgen van de sector? En wat is de reden voor de verlenging van de Tijdelijke Beleidsregel, ondanks de zorgen van de sector?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom werd de Tijdelijke Beleidsregel niet per 1 januari 2025 beëindigd, zoals de sector vraagt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke alternatieven ziet u om de uitrol van laadinfrastructuur te versnellen zonder de bestaande ondernemers te benadelen?
Om de uitrol van laadpalen te versnellen is een nieuw systeem van vergunningverlening nodig. Een nieuw systeem zal ook meer duidelijkheid bieden voor alle ondernemers. Het wetsvoorstel dat nodig is voor dit systeem ligt op dit moment voor ter internetconsultatie.
Vanaf 2028 verlopen de vergunningen voor laadstations op ruim 166 verzorgingsplaatsen. Het is de bedoeling dat deze worden geveild op grond van de wet ‘marktordening voorzieningen verzorgingsplaatsen’. Hier kunnen bestaande (maar ook eventuele andere, nieuwe ondernemers) aan meedoen. De eerste veilingen kunnen plaatsvinden nadat de nieuwe wet inwerking is getreden, naar verwachting vanaf 2027.
Gelijke kansen voor ondernemers en lage toetredingsdrempels zijn belangrijke uitgangspunten van een nieuw beleid op de verzorgingsplaatsen, waar het conceptwetsvoorstel een onderdeel van is. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dit betekent ook dat bestaande ondernemers niet worden benadeeld. Onder het nieuwe beleid worden de looptijden van bestaande vergunningen dan ook gerespecteerd.
Hoe verklaart u dat de zorgplicht voor leveringszekerheid van brandstoffen tot 2050 botst met de teruglopende verkoop en de blijvende investeringsverplichtingen voor mkb-ondernemers?
Het huidige beleid en het nieuwe beleid kennen geen plicht om de leveringszekerheid te waarborgen. Wel is het belangrijk dat het aanbod van voorzieningen op de verzorgingsplaats goed aansluit op de behoefte van de weggebruiker en het wagenpark. Tankstations blijven voorzien in een essentiële behoefte voor de Nederlandse weggebruiker, de behoefte aan benzinepompen en laadpalen zal de komende decennia naast elkaar blijven bestaan. Het merendeel van de Nederlandse automobilisten rijdt nog vele jaren op fossiele brandstof. Het is daarom vanzelfsprekend dat er zo veel mogelijk plekken zijn en blijven om te tanken.
Wel zien we dat de verkoop van motorbrandstoffen langs het hoofdwegennet al enige tijd aan het afnemen is. Uiteraard is het van belang dat er voldoende tankaanbod blijft dat aansluit bij de behoefte van de automobilisten.
Om te bepalen hoe dit wordt gedaan zal samen met de markt gekeken worden naar een passende strategie die rekening houdt met voldoende aanbod en de levensvatbaarheid van motorbrandstofverkooppunten op het hoofdwegennet. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Hoe denkt u de leveringszekerheid van brandstoffen te garanderen, terwijl tegelijkertijd de levensvatbaarheid van mkb-tankstations onder druk staat?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe kunnen mkb-tankstationhouders tegemoetgekomen worden voor de hoge kosten die zij moeten blijven maken voor de levering van brandstof, terwijl de afname hiervan steeds verder daalt en zij geen laadpalen mogen openen?
Zoals aangegeven bij antwoord op vragen 7 en 8 gaan we in gesprek met de markt over hoe om te gaan met de afnemende vraag naar fossiele brandstoffen. Als een ondernemer ziet dat de behoefte van de weggebruiker verandert, kan hij er bijvoorbeeld voor kiezen minder tankzuilen aan te bieden en zich meer te richten op laadpalen. Hiervoor biedt hij mee op een locatie voor laadpalen die onder het nieuwe beleid in de markt wordt gezet. Ondernemers kunnen zo zelf bepalen of ze motorbrandstoffen, laadpalen of beiden willen aanbieden. De tijdelijke beleidsregel, die de looptijd van aangevraagde vergunningen voor laadpalen – op dit moment in bepaalde gevallen verkort, is een tijdelijke maatregel.
Deelt u de mening dat het beperken van de rechten van mkb-tankstationhouders die hebben betaald voor hun concessie leidt tot onbetrouwbaar overheidsbeleid en een vertrouwensbreuk met de sector?
Nee, deze mening deelt het kabinet niet. De looptijden van bestaande van ondernemers, waaronder de mkb-tankstationhouders, zijn en worden gerespecteerd. De tankstationhouders hebben via de benzineveiling het recht verkregen een tankstation uit te baten voor een periode van maximaal 15 jaar. Deze overeenkomsten worden gerespecteerd. Er is veelvuldig contact geweest met de sector tijdens het opstellen van een nieuw beleid. Ook heb ik bij mijn aantreden gesprekken gevoerd met de belanghebbende partijen. Hier heb ik ook aangegeven dat de zorgen van deze partijen mee zullen worden genomen in het verder uitwerken van het nieuwe beleid.
Welke concrete maatregelen neemt u om het vertrouwen van mkb-tankstationhouders te herstellen en hun verleende rechten te waarborgen gedurende de concessieperiode?
De belanghebbende partijen, waaronder de mkb-tankstationhouders, zijn betrokken bij de vorming van een nieuw beleid. Gesprekken met deze partijen worden op dit moment nog steeds gevoerd en zullen ook in de toekomst gevoerd blijven worden.
Daarbij hebben alle belanghebbende partijen de komende weken de gelegenheid om via de openstaande internetconsultatie te reageren op een conceptwetsvoorstel dat onderdeel is van het nieuwe beleid.
Kunt u toezeggen dat de uitfasering van fossiele brandstoffen gebaseerd zal zijn op objectieve criteria, vastgesteld aan de hand van een «routekaart» en in overleg met de sector?
Het is inderdaad de bedoeling dat er voor de eventuele uitfasering van fossiele brandstoffen objectieve criteria gebruikt worden. Deze uitfasering wordt uitgewerkt in de routekaart, maar deze onderdelen van het nieuwe beleid zijn geen onderdeel van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel ziet met name op het systeem voor de verdeling van vergunningen. Voor de routekaart wordt een apart participatietraject opgezet. Dit traject zal naar verwachting in het tweede deel van 2025 plaatsvinden. Zo hebben alle belanghebbende partijen een kans om mee te denken over de «verzorgingsplaats van de toekomst».
Welke stappen heeft u al gezet om de samenwerking met de sector te verbeteren en wat is de tijdlijn voor concrete acties?
De sector is intensief betrokken bij de vorming van het nieuwe beleid op verzorgingsplaatsen. De sector zal ook betrokken worden bij de nadere uitwerking ervan. Op deze manier krijgen belanghebbenden meermaals de mogelijkheid hun zienswijze te geven en eventuele zorgen aan te kaarten. De zorgen die u benoemt in uw vragen zijn bekend bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Zie ook de antwoorden op vraag 11 en 12.
Bent u bereid om regelmatig met de sector in gesprek te gaan om de voortgang te bespreken en aanpassingen in het beleid door te voeren indien nodig?
Uiteraard. Die contacten zijn er al geruime tijd met het ministerie en die contacten zullen ook blijven.
Mijnbouwherstel in Limburg |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er tussen 2020 en 2024 ondernomen om de openstelling van de schadeafhandeling mogelijk te maken?
Vanaf 2020 zijn met rechtsopvolgers van voormalige mijnbouwbedrijven gesprekken gevoerd. Helaas lukte het niet om met de rechtsopvolgers tot een passende oplossing te komen voor de afhandeling van schade door voormalige steenkoolwinning. Vanaf 2022 zijn er gesprekken gevoerd met de regio over de vormgeving van een regeling waarbij het uitgangspunt een onverplichte tegemoetkoming vanuit de overheid was voor mijnbouwschade aan woningen van particuliere huiseigenaren. In mei 2023 heeft het kabinet samen met de regio gezamenlijke uitgangspunten vastgesteld en in oktober 2023 is dit verder uitgewerkt tot de zogenoemde inrichtingsprincipes.
Vervolgens is geprobeerd om de uitvoering van de beoogde regeling bij een bestaande organisatie te beleggen. Dit bleek helaas niet mogelijk. Hierbij is ook gekeken naar regionale oplossingen. Omdat het twee tot drie jaar kan duren voordat er een nieuwe organisatie met een wettelijke taak is opgericht en ingericht, is er nu voor gekozen om eerst een tijdelijke organisatie in te richten die vervolgens over kan vloeien in een definitieve organisatie. De implementatie hiervan vergt tijd. Ook voor een tijdelijke organisatie geldt bijvoorbeeld dat er een ICT-systeem moet worden ingericht en mensen moeten worden geworven. Het streven is om de tijdelijke organisatie zo spoedig mogelijk te laten starten met de afhandeling van schades. De schadeafhandeling zal eind 2025 worden gestart.
Kunt u nu bevestigen dat u alles scherp op de radar heeft zodat het gerechtvaardigd is te zeggen dat het Rijk kan garanderen dat de regeling op 2 januari 2026 uiterlijk voor burgers opengaat?
Ja, het kabinet heeft de benodigde stappen scherp op de radar. De grootste stap is het inrichten van de tijdelijke organisatie. Deze zal bemenst worden vanuit RVO en werken onder de vlag van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Parallel hieraan zal begonnen worden met het inrichten van een definitieve organisatie. Dit traject zal twee tot drie jaar duren. Ik zal mij maximaal inspannen om ervoor te zorgen dat de regeling, en als eerste het digitale loket, eind 2025 open kan.
Op welke wijze kunt u versnelling organiseren binnen het voorbereidingsproces, zodat zorgvuldigheid en daadkracht worden gecombineerd en de regeling mogelijk al in 2025 open kan voor de gedupeerde eigenaren?
De huidige planning voor het inrichten van de tijdelijke organisatie is ambitieus, maar haalbaar. Het kabinet begrijpt dat u daadkracht wil zien. De kennis en ervaring die is opgedaan bij de oprichting van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG), de voorganger van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), zal worden gebruikt om de uitvoering van de regeling via de tijdelijke organisatie in te richten. Die ervaring leert ook dat het juist in deze fase belangrijk is om zorgvuldig te zijn, om te zorgen voor een soepele implementatie en uitvoering van de regeling. Het kabinet zal de regeling eind 2025 openstellen.
Welke zwaarwegende redenen zouden er kunnen zijn om eventueel van een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) af te zien? Zijn er alternatieve rechtsvormen die voor de betrokken burgers sneller of betere uitkomsten kunnen bieden?
Het kabinet heeft in het voorjaar van 2024 aan het adviesbureau AEF gevraagd om mogelijke organisatievormen te onderzoeken. Uit het advies kan geconcludeerd worden dat een Rijksdienst de meest haalbare optie is. In juni 2024 zijn twee kwartiermakers aan de slag gegaan. Zij hebben in december 2024 geadviseerd om een zelfstandig bestuursorgaan in te richten.
Het kabinet werkt nu, naar het advies van de kwartiermakers, verder uit hoe de uitvoering kan worden vormgegeven. Dit moet gebeuren in lijn met het kabinetsbeleid inzake verzelfstandiging1 en in een wet.2 Dit beleid vereist terughoudendheid bij het opzetten van (nieuwe) zelfstandige bestuursorganen. Om die reden vergt dit instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als verantwoordelijk Minister voor de organisatie van het openbaar bestuur. Ook worden de aanbevelingen van de Nationale ombudsman gevolgd om de lessen uit andere hersteloperaties te benutten.3
Kunt u toelichten welke processen parallel geschakeld zijn of worden teneinde de burgers niet nodeloos te laten wachten op openstelling, in het licht van de oprichting van een Tijdelijke Organisatie (TO)?
Een operationele Tijdelijke Organisatie is nodig om de regeling open te kunnen stellen. Hier zit straks de menskracht, de systemen en het fysieke loket om – samen met de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade – de aanvragen te kunnen behandelen. Conform planning zal de regeling eind 2025 open gaan. Een projectteam vanuit KGG-RVO zal tot en met medio december werken aan de volgende parallelle trajecten. Dit zijn:
Deelt u dat de burgers die schade hebben niet nodeloos in schadetoerekeningformules betrokken moeten worden? Als het aannemelijk is dat de aangetroffen schade voortkomt uit de mijnbouw, is dat dan afdoende?
Ja, dat deelt het kabinet. Het kabinet wil dat de schadeafhandeling laagdrempelig en transparant is. Het kabinet deelt ook dat het criterium «voldoende aannemelijk» voor deze schade afhandeling zal worden gebruikt. Fysieke schade aan woningen van particuliere huiseigenaren waarvan het voldoende aannemelijk is dat deze is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkoolwinning zal worden vergoed. Wat voldoende aannemelijk is, zal objectief en op eenduidige en begrijpelijke wijze moeten worden vastgesteld. Zo moet bijvoorbeeld worden vastgesteld of de schade geen andere autonome oorzaak heeft. De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft de definitie van «voldoende aannemelijk» nader uitgewerkt in de werkgroep «Aannemelijkheid». De commissie wordt gevraagd om advies uit te brengen over aanvragen op grond van de regeling, doet in dat kader onderzoek en geeft een advies over het schadebedrag. De commissie zal in de komende maanden via een pilot project bekijken hoe het criterium «voldoende aannemelijk» in de praktijk werkt.
De besluiten op basis van de adviezen van de commissie worden ten tijde van de Tijdelijke Organisatie genomen door de Minister, en later door Instituut Mijnbouwschade Limburg (IML) op het moment dat het IML daartoe wordt gemandateerd.
De regeling zal ook gaan gelden voor particuliere huiseigenaren die lid zijn van een Vereniging van Eigenaren.
Is het volgen van een medezeggenschapstraject een vereiste voor het oprichten van een Tijdelijke Organisatie? Is het noodzakelijk dat de selectie van directeur en bestuur via de Algemene Bestuursdienst verloopt, of is dit een keuze die u zelf kunt maken?
Het kabinet verwacht dat het medezeggenschaptraject voor de tijdelijke organisatie nodig zal zijn. Het functieniveau van de bestuurlijke en de leidinggevende functies van de tijdelijke organisatie en een definitieve organisatie vereisen dat de werving via de Algemene Bestuursdienst verloopt. De regio zal betrokken worden bij het opstellen van de functieprofielen en bij de selectie van de kandidaten.
Is de gehele post «Schadeafhandeling Mijnbouw Limburg» in de begroting van Klimaat en Groene Groei bedoeld voor schade-uitkeringen aan gedupeerde burgers, of worden hier ook andere kosten uit gefinancierd?
De post «Schadeafhandeling Mijnbouw Limburg» is bedoeld voor de schadevergoedingen, onderzoekskosten en uitvoeringskosten. Voor de periode 2025 tot 2029 zijn de volgende bedragen beschikbaar: € 5,7 mln. (2025), € 2,2 mln. (2026), € 4,0 mln. (2027), € 4,0 mln. (2028), € 4,0 mln. (2029). Vanaf 2030 is structureel € 1,0 mln. beschikbaar.4 De inzet van het kabinet is om de kosten te verhalen op de rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwbedrijven.
Is de begrotingspost van 19,5 miljoen euro bedoeld als een eerste aanzet, en is voorzien dat deze wordt aangevuld zolang dat nodig is?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat in de nieuwe structuur die nu wordt ingericht, de samenwerking tussen de drie overheidslagen geborgd blijft? Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de nieuwe organisaties onafhankelijk kunnen adviseren, terwijl er tegelijkertijd voldoende draagvlak in de regio blijft bestaan?
De betrokkenheid van de regio bij deze regeling is heel belangrijk en daarmee een sleutel voor succes. Uiteraard zal op bestuurlijk niveau in een adequate overlegstructuur worden voorzien. In de komende maanden zal met de regio verder worden verkend op welke wijze haar rol bij de afhandeling van schade door de uitvoeringsorganisatie kan worden vormgegeven. Dat dit de vorm krijgt van een adviesrecht voor de regio deelt het kabinet echter niet op voorhand. Het is bijvoorbeeld onduidelijk wat de status van zo’n advies zou zijn op het moment dat de schadeafhandeling wordt uitgevoerd door een zelfstandige uitvoeringsorganisatie.
Deelt u de zienswijze dat het opteren voor een adviesrecht door de regio een sleutel voor succes is, en bent u bereid zich maximaal in te spannen om dit te realiseren?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u toezeggen dat de Commissie Mijnbouwschade aan de slag gaat met de 10 pilotgevallen, en dat de Kamer op de hoogte wordt gehouden van het verloop van deze pilots?
Ja, de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) heeft hiervoor onlangs een opdracht gekregen. Via deze pilot kan de commissie onder meer testen hoe het uitgangspunt voldoende aannemelijkheid in de praktijk werkt. De commissie heeft op 21 maart jl. met de tien bewoners gesproken en heeft hen geïnformeerd over de planning van de pilot. De commissie zal over de pilot een rapport opstellen. Het rapport zal naar verwachting na de zomer gereed zijn. Het zal in de stuurgroep I3ML worden besproken en naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Kunt u toelichten hoe een samenwerking met het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) concreet zal worden ingevuld en welke voordelen dit oplevert voor de schadeafhandeling in Limburg?
Zijn er mogelijkheden om een digitaal loket eerder te openen dan december 2025, bijvoorbeeld in een beperkte vorm, zodat burgers zich tijdig kunnen melden en voorbereiden op de aanvraagprocedure?
Kunt u aangeven hoe dit adviesloket wordt ingericht, welke diensten het biedt en op welke termijn het operationeel zal zijn?
Kunt u aangeven hoe deze pilotgevallen met kleine schadegevallen worden geselecteerd en of de lessen hieruit direct worden meegenomen in de verdere uitrol van de regeling?
Het bericht 'Minister wijst verder onderzoek naar eilanden met zonnepanelen in IJsselmeer definitief van de hand' |
|
Joost Eerdmans (JA21), Henk Vermeer (BBB) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Welke procedures, zoals de rijkscoördinatieregeling, lopen er op dit moment nog om project Wieringerhoek alsnog doorgang te laten vinden?1
Er lopen op dit moment geen procedures. Onlangs heeft het kabinet het besluit genomen om de aanvraag van Meerlicht B.V., tot het nemen van een projectbesluit voor het project Buitendijks Plan, af te wijzen.
Is het definitieve standpunt van u dat het project Wieringerhoek geen doorgang kan vinden?
De ontwikkeling van een zon-op-waterproject in de Wieringerhoek staat op gespannen voet met een aantal andere belangrijke opgaven in het gebied (waterberging, zoetwatervoorraad, ecologie en Defensie). Als Rijk vinden wij het van belang om deze opgaven, die al onder druk staan, niet verder in de verdrukking te brengen met de ontwikkeling van een zon-op-waterproject. Daarmee concludeert het kabinet dat er op dit moment geen of onvoldoende zicht is op het verkrijgen van de vereiste toestemmingen en vergunningen voor het project.
Bent u op de hoogte dat provincie Noord-Holland en gemeente Medemblik stappen zetten om het project Wieringerhoek alsnog te realiseren?
Het is het kabinet bekend dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik het project een warm hart toedragen, maar het kabinet is niet op de hoogte van eventuele stappen die zij zetten om het project alsnog mogelijk te maken.
Vindt u het ook een vreemde en onwenselijke situatie dat de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik doorgaan om project Wieringerhoek te realiseren, ondanks dat de Minister heeft aangegeven het project stop te zetten? Bent u voornemens om alle verdere stappen van de provincie Noord-Holland en de gemeente Medemblik een halt toe te roepen?
Het Rijk is eigenaar van het IJsselmeer. Dit betekent dat medewerking van het Rijk vereist is voor het verkrijgen van de voor het project benodigde gronden. Bovendien geldt dat Rijksenergieprojecten (waar ook zonprojecten met een capaciteit van ten minste 50 megawatt (MW) onder vallen), onder de Omgevingswet de projectprocedure dienen te doorlopen. Ik ben samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) bevoegd gezag voor deze projectprocedure. Gezien dit gegeven en het kabinet de aanvraag van Meerlicht B.V. tot toepassing van de projectprocedure reeds heeft afgewezen, ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om gevolg te geven aan uw oproep.
De tijdsplanning van het wetsvoorstel overgang pensioenaanspraken politieke ambtsdragers naar het nieuwe pensioenstelsel |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de tijdsplanning van het wetsvoorstel overgang pensioenaanspraken politieke ambtsdragers naar het nieuwe pensioenstelsel van uw ambtsvoorganger?1
Ja, ik ben bekend met de tijdsplanning van het wetsvoorstel. De tijdsplanning is te vinden in bijlage 2 van de Kamerbrief van 3 juni 2024 (Kamerstukken II 2023/23 32 043, nr. 651).
Kunt u toelichten waarom er nog geen concreet wetsvoorstel ter consultatie is voorgelegd om de pensioenen vanuit de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (APPA) onder het nieuwe pensioenstelsel te laten vallen?
De reden dat de consultatie nog niet plaats heeft kunnen vinden is de kabinetswissel en de complexe juridische en technische vraagstukken die spelen bij de overgang van de APPA-regeling naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit zal zo snel mogelijk gebeuren. Ik verwacht de Kamer het wetsvoorstel te kunnen aanbieden in de loop van 2025.
Kunt u aangeven waarom het tijdsplan van uw ambtsvoorganger vertraging heeft opgelopen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de reden dat dit traject niet direct na het sluiten van het pensioenakkoord in gang is gezet?
Het pensioenakkoord is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers- en werknemersorganisaties over de herziening van ons pensioenstelsel. Hierin schetsten betrokken partijen de contouren van een nieuw pensioenstelsel en de maatregelen die nodig zijn voor de overstap op dat nieuwe stelsel.
Politieke ambtsdragers hebben echter een eigen wettelijke pensioenregeling. Nadat het pensioenakkoord was gesloten en de voorbereidingen voor de uitwerking van het Pensioenakkoord in de Wet toekomst pensioenen startten, is tegelijkertijd begonnen met het uitwerken van ideeën voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel voor politieke ambtsdragers.
Het kabinet heeft tegen deze achtergrond een ambtelijke interdepartementale werkgroep van de vier betrokken Ministeries (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Financiën, BZK en Defensie) medio 2022 de opdracht gegeven om te komen tot een oplossing voor de overdracht van de begrotingsgefinancierde pensioenen (behalve de pensioenen van politieke ambtsdragers zijn ook de pensioenen van militairen van voor 2001 begrotingsgefinancierde).
De werkgroep heeft affinancieren en invaren geadviseerd aangezien deze optie volledig in lijn is met het uitgangspunt van de Wtp om bestaande en toekomstige pensioenaanspraken over te dragen naar het nieuwe pensioencontract. Vervolgens heeft het kabinet in een brief de consequenties voor de Appa van deze oplossingsrichting beschreven. In de brief is het wetsvoorstel aangekondigd.
Deze overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is een complex proces. Die overgang kan niet op dezelfde manier worden ingericht als voor reguliere pensioendeelnemers. Het streven blijft er op gericht om de Aanpassingswet Appa volledig in werking te laten treden per 1 januari 2028.
Hoe verklaart u dat politieke ambtsdragers op dit moment nog niet onder het nieuwe pensioenstelsel vallen, terwijl dit voor reguliere pensioendeelnemers al in gang is gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen moeten nog worden doorlopen voordat het wetsvoorstel voor de wijziging van de APPA-regeling kan worden ingediend bij de Tweede Kamer?
Zoals gezegd is de overgang naar een nieuw pensioenstelsel een juridisch en technisch ingewikkeld proces met veel betrokken partijen. Dit vraagt de nodige afstemming in informeel overleg met betrokken partijen zoals de decentrale overheden, de Appa-uitvoeringsorganisaties en ABP. Een interbestuurlijke werkgroep van BZK en de bestuurlijke koepels geeft dit overgangsproces vorm.
De pensioenen van politieke ambtsdragers worden namelijk in het huidige stelsel achteraf uit de begrotingen van overheidsinstellingen betaald. Om de overstap naar fondsfinanciering, wat verplicht is in het nieuwe stelsel, mogelijk te maken is het noodzakelijk om eerder opgebouwde pensioenaanspraken af te financieren door middel van een eenmalige kapitaalstorting aan ABP. Om in kaart te brengen wat de financiële gevolgen voor het Rijk en de decentrale overheden voor deze overgang zijn, loopt er nu in opdracht van het Ministerie van BZK en in samenwerking met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen een onderzoek. Dat is van belang om de financiële implicaties van het wetsvoorstel te kunnen schetsen.
Wat is de huidige concrete tijdsplanning voor dit wetsvoorstel, uitgedrukt in maanden?
Voor het doorlopen van de stappen en een concrete tijdsplanning verwijs ik naar bijlage 2 van de Kamerbief van 3 juni 2024 (Kamerstukken II 2023/23 32 043, nr. 651).
Hoe verhoudt de voortgang van deze wetswijziging zich tot de invoering van het nieuwe pensioenstelsel voor andere groepen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het uitstel van deze wijziging lastig uit te leggen is aan de «gewone» pensioendeelnemers die al wel onder de nieuwe regels vallen?
Zie antwoord vraag 4 en 5.
Wat doet uw ministerie om de voortgang van deze wetswijziging te bespoedigen?
Deze mening deel ik niet. Politieke ambtsdragers vallen vanwege hun bijzondere functie in een eigenstandige wettelijke pensioenregeling. De Wet toekomst pensioenen geldt in beginsel niet voor de pensioenregeling voor politieke ambtsdragers.
Maar de ingeslagen weg voor de pensioenen van politieke ambtsdragers heeft als consequentie dat op dezelfde wijze als voor alle werknemers die onder de Wtp vallen ook alle pensioenaanspraken van degenen die hebben besloten tot invoering van het nieuwe pensioenstelsel – bewindspersonen en Tweede Kamerleden – worden overgezet naar het nieuwe pensioenstelsel. Een uitzonderingspositie voor politieke ambtsdragers wordt op deze wijze juist voorkomen.
Dit is ook in lijn met het uitgangspunt uit de integrale visie rechtspositie politieke ambtsdragers uit 2015. Daarin wordt gesteld dat er geen aanleiding meer is om de pensioenaanspraken van politieke ambtsdragers en de financiering daarvan te laten verschillen van werknemers die onder de verplichtstelling vallen voor hun pensioenvoorziening.
Wanneer wordt het wetsvoorstel uiterlijk bij de Tweede Kamer ingediend?
Het wetsvoorstel is in voorbereiding. Op dit moment wordt er een gezamenlijk onderzoek uitgevoerd door BZK, VNG, IPO en de Unie van waterschappen, om de financiële implicaties van de kapitaaloverdracht in kaart te brengen voor decentrale overheden.
De Kamerbrief wijziging ontwikkelkader windenergie op zee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom wordt in het Ontwikkelkader windenergie op zee geen aandacht besteed aan de impact op de visserijsector, terwijl in het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma deze sector expliciet als prioriteit wordt genoemd?
Het Ontwikkelkader windenergie op zee is een document waarin het kabinet enerzijds de technische kaders geeft voor het net op zee en anderzijds de volgorde van de ontwikkeling van windenergiegebieden op zee bepaalt. Dit laatste deel betreft de routekaart windenergie op zee. De laatste wijzigingen in de routekaart heeft het kabinet toegelicht in een brief van 21 november 20241 waarin is ingegaan op de mogelijkheden voor visserij in en rond windparken. Deze mogelijkheden onderzoekt het kabinet in aanloop naar de volgende tenderprocedures. De beleidsmatige afweging tussen visserij en windenergie op zee wordt gemaakt in het Programma Noordzee, niet in het Ontwikkelkader. Bij het inpassen van nieuwe windenergiegebieden in de Partiële Herziening van het Programma Noordzee, eind 2025 voorzien, kijkt het kabinet eerst naar ruimte voor de visserij. Ook zorgt het kabinet samen met de partijen van het Noordzeeoverleg voor een zorgvuldige balans met andere activiteiten op de Noordzee, waaronder naast visserij ook mijnbouw, scheepvaart en defensie, met oog voor de natuur, kustverdediging, zandwinning en maritiem erfgoed. De uitkomsten van wijzigingen van het Programma Noordzee zullen, waar nodig, wel verwerkt worden in het Ontwikkelkader.
De huidige wijzigingen betreffen het deel van het Ontwikkelkader dat gaat over het net op zee. Deze wijzigingen zijn technisch van aard en hebben geen betrekking op de visserij.
Met de wijziging van het Ontwikkelkader in december 2024 zijn de volgende wijzigingen gemaakt:
Hoe wordt geborgd dat windenergieprojecten niet ten koste gaan van de toekomst en economische positie van de visserij, zoals afgesproken in het hoofdlijnenakkoord?
Op verschillende momenten wordt er geborgd dat windenergieprojecten zo min mogelijk gevolgen hebben voor de visserij. Dit doet het kabinet allereerst door het betrekken van de visserij bij het aanwijzen van windenergiegebieden op zee, zoals momenteel plaatsvindt in een Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022–2027. Daarbij zoekt het kabinet nieuwe windenergiegebieden zoveel mogelijk buiten waardevolle visgronden. Ook heeft het kabinet in het Programma Noordzee 2022–2027 twee eerder aangewezen windenergiegebieden3 op waardevolle visgronden geschrapt. Zo heeft het kabinet ruimte behouden op het voor de visserij meest waardevolle, zuidelijke deel van de Nederlandse Noordzee.
Verder is er in het Programma Noordzee 2022–2027 afgesproken om windparken op zee zo compact mogelijk te bouwen, door de windturbines relatief dicht op elkaar te plaatsen, namelijk met een dichtheid van 10 megawatt per vierkante kilometer. Op die manier blijft er zoveel mogelijk ruimte buiten de windparken beschikbaar voor o.a. visserij. In vergelijking met het eerste grootschalige windpark Borssele wordt vanaf de windparken in IJmuiden Ver bijna 2,5 keer zoveel productiecapaciteit per vierkante kilometer gerealiseerd en heeft dit windpark daarmee een 60% kleinere omvang dan in het geval de uitgangspunten van windpark Borssele zouden zijn gebruikt. Nog compactere windparken zouden leiden tot te veel productieverlies doordat de windturbines dan in te sterke mate elkaars wind afvangen.
Ook wordt economische impact verminderd door het faciliteren van passieve visserij binnen bepaalde windparken. Zo is er ruimte aangewezen voor passieve visserij in de gebiedspaspoorten van al gerealiseerde windparken – in Borssele en in Hollandse Kust (zuid) en (noord).
Tot slot onderzoekt de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur óf en zo ja onder welke voorwaarden vormen van actieve visserij op termijn in windparken toegestaan kunnen worden, rekening houdend met ecologie en ander gebruik. Dit ook ter invulling van de gewijzigde motie Van der Plas4 (BBB). Als deze onderzoeken aanleiding geven tot het aanpassen van het beleid voor medegebruik kan dit opgenomen in het volgende Programma Noordzee 2028–2033.
Wordt de visserijsector structureel betrokken bij de planning van wind op zee, volgens de toezegging om stakeholders vroegtijdig te betrekken?
Ja. Het kabinet betrekt de visserijsector structureel bij de planning van windenergie op zee. Dat gebeurt via bilaterale gesprekken met sectorvertegenwoordigers en via het Noordzeeoverleg, waaraan de visserijorganisaties deelnemen. Over de Partiële Herziening van het Programma Noordzee heeft het Noordzeeoverleg zijn aanbevelingen gegeven aan het kabinet. Die worden meegenomen bij besluitvorming.
Welke stappen zet u om de cumulatieve effecten van windenergie op visserij en mariene ecosystemen in kaart te brengen, in lijn met de uitgangspunten van duurzaam beleid uit het regeerprogramma?
Zowel bij het aanwijzen van windenergiegebieden in (een Partiële Herziening van) het Programma Noordzee 2022–2027 als bij de kavelbesluiten voor de individuele windparken onderzoekt het kabinet de milieueffecten van windenergie op zee. De gevolgen voor de natuur en andere gebruikers op zee, waaronder visserij, staan samengevat in milieueffectrapportages die voor deze besluiten worden opgesteld. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de best beschikbare en meest recente informatie die onder andere voortkomt uit gerichte onderzoeksopdrachten uitgevoerd door onafhankelijke expertise- of onderzoeksbureaus en uit langjarige onderzoeksprogramma’s, zoals het Wind op zee ecologisch onderzoeksprogramma (Wozep), dat in mijn opdracht de cumulatieve ecologische effecten van windparken op zee onderzoekt. Ook werkt het Rijk aan het in kaart brengen van de stapeling van effecten door verschillende ruimtelijke ontwikkelingen op de visserij. Daarnaast wordt in de Partiële Herziening van het Programma Noordzee 2022–2027 ook vastgelegd dat er onder andere aandacht moet zijn voor de cumulatieve effecten van voorgestelde en geplande gebiedssluitingen en -beperkingen voor visserij op de primaire Nederlandse aanvoersector en de visserijketen en -gemeenschappen.
Is compensatie of ondersteuning voor getroffen vissers voorzien, zoals overeengekomen om sectoren een duurzame toekomst te bieden?
Bij de vaststelling van het Programma Noordzee 2022–2027 heeft het kabinet middelen gereserveerd voor de inpassing van windenergie op zee in relatie tot andere gebruikers van de Noordzee. Hierin is er ook geld gereserveerd voor de visserijsector. Een budget van 199 miljoen euro is vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij en deels reeds ingezet voor subsidieregelingen voor verduurzaming van de visserij. Daarnaast is hiervan 30 miljoen ter beschikking gesteld voor de landzijdige keten en visserijgemeenschappen om zich aan te passen aan de gevolgen van de krimp van de visserij. In 2024 zijn daartoe afspraken gemaakt tussen het Rijk en het Bestuurlijk Platform Visserij over de besteding van deze middelen via het Visserij Ontwikkel Plan5.
Daarnaast zijn er in het Noordzeeakkoord door het Rijk afspraken gemaakt over de balans tussen de transities van energie, visserij/voedsel en natuur op zee. Tevens is een budget beschikbaar gesteld van 45 miljoen euro (10 miljoen nationale middelen die op de begroting staan bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, 35 miljoen EMFAF gelden) voor de verduurzaming van de kottervisserijsector. Ook deze middelen zijn deels via subsidieregelingen reeds ter beschikking van de sector gesteld.
In hoeverre is visserij binnen bestaande en/of nieuwe windmolenparken mogelijk?
In het Noordzeeakkoord en in het Programma Noordzee 2022–2027 is de mogelijkheid van medegebruik in windparken opgenomen. Er zijn momenteel vier vormen van medegebruik toegestaan, waaronder passieve visserij en aquacultuur. Ruimte voor deze vormen van voedselwinning uit zee wordt aangewezen in de gebiedspaspoorten die de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vaststelt. Daarin wordt een afweging gemaakt tussen alle vormen van medegebruik. Niet alle vormen van medegebruik kunnen in combinatie met elkaar plaatsvinden.
Andere vormen van visserij zijn vooralsnog niet toegestaan vanuit veiligheidsoogpunt en om schade aan windparken en bekabeling te voorkomen. In 2019 hebben er drie studies6 plaatsgevonden naar de mogelijkheden voor actieve visserij binnen windparken op zee. Op basis van de resultaten van deze studies is indertijd in het Noordzeeakkoord vastgelegd actieve visserij in windparken niet toe te staan. Dit had vooral te maken met de meerkosten voor de inrichting van het windpark en hoogte van verzekeringspremies voor de vissers.
Door de toegenomen druk op de ruimte en naar aanleiding van de gewijzigde motie Van der Plas (BBB)7 acht het Kabinet een nadere overweging van dit beleid noodzakelijk. De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onderzoekt om die reden wederom óf en zo ja onder welke voorwaarden toch vormen van actieve visserij op termijn in windparken toegestaan kunnen worden, rekening houdend met haalbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid. Als deze onderzoeken aanleiding geven tot het aanpassen van het beleid voor medegebruik, kan dit worden opgenomen in het volgende Programma Noordzee 2028–2033.
Is het mogelijk om natuurcompensatie voor windmolens op zee te realiseren binnenin de kavel van het te bouwen windmolenpark op zee? Zo ja, wat zijn de richtlijnen en vereisten voor natuurcompensatie bij dit type projecten?
Er zijn tot op heden, anders dan de wettelijke kaders zoals die volgen uit de Omgevingswet, geen vereisten of voorschriften voor actief natuurherstel of natuurcompensatie binnen windparken.
Het kavelbesluit, dat bepaalt waar en onder welke voorwaarden een windpark op zee aangelegd wordt en in bedrijf genomen mag worden, wordt getoetst aan de wettelijke kaders uit de Omgevingswet. Op grond van die toets kunnen mitigerende maatregelen noodzakelijk blijken, die de negatieve effecten op de Noordzeenatuur verminderen. Voor de noodzakelijke mitigerende maatregelen bevatten de kavelbesluiten verplichtende voorschriften.
De noodzaak voor, en aard van mitigerende maatregelen wordt bepaald op basis van de milieueffectrapportage en een Passende beoordeling die voor elk kavelbesluit worden opgesteld. De noodzaak en aard hangen af van de specifieke locatie van het kavel en de daar voorkomende soorten en habitat(s). Daarbij worden ook alle fasen van een windpark beschouwd: zo is er een geluidsbelasting voor zeezoogdieren bij de aanleg en ontstaat een aanvaringsrisico voor vogels in de operationele fase.
Wanneer met natuurcompensatie compensatie wordt bedoeld in de zin van Natura 2000 wetgeving, dan gaat dat specifiek om de zogenoemde ADC-toets. Het gaat hier om de effecten op eventueel naast gelegen Natura 2000-gebieden, windparken worden namelijk niet in deze gebieden gebouwd. Deze ADC-toets is de laatste stap die genomen kan worden wanneer een Passende beoordeling significant negatieve effecten niet op voorhand kan uitsluiten. Voor de betreffende activiteit mogen er dan geen reële alternatieven zijn, moet er sprake zijn van een dwingende reden van groot openbaar belang en moet natuurcompensatie plaatsvinden. Voor deze vorm van natuurcompensatie gelden strenge juridische voorwaarden. In het geval de ADC-toets succesvol wordt doorlopen, zijn de compenserende maatregelen onderdeel van de voorwaarde waaronder de vergunning wordt verleend. Tot nu toe is voor windparken op zee geen gebruik gemaakt van de ADC-toets.
Bovenop de mitigerende maatregelen bevatten recente kavelbesluiten ook voorschriften voor natuur-inclusief bouwen, dat wil zeggen een zo natuurvriendelijk mogelijke aanleg van windparken, die kansen voor natuurontwikkeling stimuleert. Daarmee dragen de windparken bij aan herstel en versterking van de Noordzeenatuur en daarmee aan het vergroten van de ecologische draagkracht.
Een andere manier waarop nu al wordt ingezet op versterking en herstel van de Noordzeenatuur vindt plaats via de criteria van de procedures (tenders) waarmee de vergunningen voor de windparken op zee worden verstrekt. Die criteria dagen de biedende partijen uit tot het toepassen van nieuwe innovatieve maatregelen.
Ten slotte kunnen er ook kansen zijn voor natuurherstel en -versterking in de ruimte tussen de windturbines, die niet tot het windpark behoort. Het gaat dan om een vorm van medegebruik. Via een gebiedspaspoort wordt aangegeven welke vorm van medegebruik waar binnen een windpark kan plaatsvinden. Dit gebiedspaspoort wordt door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opgesteld. Actief natuurherstel is één van de vormen van medegebruik.
In hoeverre zijn de mogelijke negatieve effecten van de bouw en exploitatie van windmolenparken op zee op de natuur goed in kaart gebracht? Zijn er specifieke studies of rapporten die hierover zijn opgeleverd?
De effecten van windparken op de Noordzeenatuur behoren tot de meest grondig in kaart gebrachte effecten van alle menselijke activiteiten op zee. Toch zijn er ook nog kennislacunes, mede doordat meten en monitoren op zee kostbaar en tijdrovend is. Het Rijk werkt samen met veel partijen om de kennisbasis zo snel mogelijk te vergroten en de impact op natuur zo te minimaliseren. Dit vindt voornamelijk plaats via het langjarige Wind op zee ecologisch onderzoeksprogramma (Wozep), dat in mijn opdracht de cumulatieve ecologische effecten van windparken op zee onderzoekt. Daarnaast is er het bredere programma Monitoring-Onderzoek-Natuurversterking-Soortbescherming (MONS), dat als doel heeft de vraag te beantwoorden of en hoe het veranderende gebruik van de Noordzee past binnen de ecologische draagkracht van de Noordzee. De meest recente wetenschappelijke kennis van Wozep en MONS wordt verzameld op het Noordzeeloket8.
Ten behoeve van besluitvorming voor windenergie op zee wordt steeds de meest recente kennis gebruikt. Voor de analyse van de effecten van windenergie op de Noordzeenatuur wordt gebruik gemaakt van het speciaal ontwikkelde Kader ecologie en cumulatie (KEC), dat de impact van alle windparken op de Noordzee tezamen op o.a. zeezoogdieren, vogels en vleermuizen in kaart brengt. Voor andere menselijke activiteiten op zee is een dergelijke cumulatieve aanpak nog niet gemeengoed. Ook het in kaart brengen van de cumulatieve effecten van alle drukfactoren, zoals wind op zee, scheepvaart en visserij, tezamen op de Noordzeenatuur vergt nog aanvullend onderzoek, dat nu onder andere via het Greater North Sea Basin Initiative samen met de andere Noordzeeladen in gang is gezet.
Alle kennis wordt verwerkt in de milieueffectrapportages die ten grondslag liggen aan de besluitvorming voor windenergie op zee. Voor het aanwijzen van windenergiegebieden in het Programma Noordzee stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verplicht een plan-milieueffectrapport en Passende beoordeling op. Deze gaan – op hoog abstractieniveau – ook in op de effecten op natuur. Voor ieder afzonderlijk kavelbesluit wordt vervolgens verplicht een gedetailleerd project-milieueffectrapport, Passende beoordeling en soortenbeschermingstoets opgesteld. Deze rapporten worden tezamen met de kavelbesluiten gepubliceerd.
Is het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) betrokken bij de planning of/en evaluatie van de effecten van windmolenparken op zee op de natuur?
Ja, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is verantwoordelijk voor toetsing van projecten op natuurwetgeving. In een vroegtijdig stadium is de Staatssecretaris betrokken bij de aanwijzing van windenergiegebieden op zee in het Programma Noordzee. Daarnaast worden kavelbesluiten in overeenstemming met deze Staatssecretaris genomen. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is ook betrokken bij de stuurgroep Wozep.
In hoeverre is het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) «Schipperen met ruimte» meegenomen in de wijziging ontwikkelkader windenergie op zee?
De recente wijziging van het Ontwikkelkader windenergie op zee betreft technische wijzigingen voor het net op zee. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor de scheepvaartveiligheid.
Met hoeveel schepen moet de Kustwacht uitbreiden voor de bewaking van de veiligheid op zee door het toenemende aantal windmolenparken op zee?
De Kustwacht heeft opdracht gegeven tot het verwerven van een extra 24/7 handhavingsvaartuig. Dat betekent extra capaciteit voor het handhaven van wet- en regelgeving in- en rondom windparken op zee. Binnen het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur wordt er ook gekeken naar de capaciteiten van de Kustwacht om een grotere rol, in het beschermen van de infrastructuur op de Noordzee, te kunnen spelen. Overigens heeft de Koninklijke Marine hierin ook een actieve betrokkenheid en een samenwerking met de Kustwacht. Over het Actieplan ter bescherming van de infrastructuur is de Kamer geïnformeerd op 10 juli 20249. In deze brief is de Kamer ook geïnformeerd over de incidentele middelen die voor 2024 en 2025 zijn vrijgemaakt om dit Actieplan te kunnen gaan uitvoeren. Van deze incidentele middelen zijn ook investeringen gedaan in de middelen voor de Kustwacht. Over welke dit zijn wordt de Kamer in het tweede kwartaal van dit jaar nader geïnformeerd. Hierin zal de Kamer ook worden geïnformeerd welke middelen structureel nodig zijn om vanaf 2026 de Noordzee te kunnen beschermen.
Wordt de Kustwacht betrokken bij de bescherming van windmolenparken op zee?
Ja, de Kustwacht is intensief betrokken bij de bescherming van windmolenparken op zee.
Hoe wordt er samengewerkt met de Kustwacht en andere schepen om de veiligheid en het beheer van de parken te waarborgen?
Er wordt samengewerkt met zes opdrachtgevende departementen en de beheerder binnen de Raad voor de Kustwacht.
Wordt er in de plannen voor de aanleg van onderzeese kabels voor windmolenparken op zee rekening gehouden met de toegenomen dreigingen vanuit Rusland, zoals schade aan kabels?
Ja, TenneT heeft hierin als netbeheerder van het net op zee een eigen verantwoordelijkheid om de integriteit en veiligheid van het net op zee te waarborgen. Zie ook antwoord vraag 15.
Zijn er specifieke maatregelen getroffen om de kabels te beveiligen?
Nederland heeft groot belang bij de aansluiting van windparken op zee. Incidenten, zoals de sabotage van de Nord-Streamleidingen in september 2022 en recentere sabotage in de Oostzee, laten het belang zien van de beveiliging van infrastructuur. Sabotage, manipulatie of spionage zou de energievoorziening kunnen verstoren en daarmee een grote economische en sociale impact kunnen hebben.
Voor de beveiliging van energie-infrastructuur werkt de Rijksoverheid nauw samen met TenneT en Gasunie en de veiligheidsdiensten om te zorgen dat securityintegraal wordt meegewogen bij de aanleg van de onderzeese infrastructuur. Ook nemen TenneT en Gasunie conform hun wettelijke taak zelf verantwoordelijkheid om de weerbaarheid van kabels en leidingen te verhogen.
Momenteel worden de European Critical Entities Resilience (CER), de Network and Information Security directive (NIS2) omgezet in de Nederlandse Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyber beveiligingswet. Deze wetgevingen leiden tot een verdere versterking van de digitale en fysieke weerbaarheid van de vitale infrastructuur. Entiteiten die onder deze wetgevingen komen te vallen moeten aanvullend passende en evenredige weerbaarheidsverhogende maatregelen nemen. Daarnaast is op 13 juni 2024 de Netcode Cybersecurity (NCCS) in werking getreden. Deze sectorspecifieke Europese wetgeving over grensoverschrijdende cybersecurity in de elektriciteitssector stelt aanvullend op de NIS2 concretere en bindende grensoverschrijdende cybersecurityeisen vast voor elektriciteitsentiteiten.
Daarnaast zet het kabinet in op een robuuste aanpak om de bescherming van de infrastructuur op de Noordzee te kunnen borgen en waar nodig te verbeteren. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat coördineert het Programma Bescherming Noordzee infrastructuur (PBNI). Over de strategie en het Actieplan ter bescherming van de infrastructuur is de Kamer geïnformeerd op 10 juli 202410. Mijn departement, inclusief de programma’s voor wind op zee en netten op zee, is op het PBNI aangesloten.
Is er een plan voor het vervangen van verouderde windmolens op zee en voor het efficiënter plaatsen van nieuwe windmolens, bijvoorbeeld door betere technologie of optimalisatie van de locaties of dichter op elkaar zetten op een kavel?
Aan het eind van de vergunningsduur moet een windpark op zee in z’n geheel worden verwijderd. Dit is bepaald in de Omgevingswet. Voor oudere windparken, die destijds onder de Waterwet zijn vergund, kan de vergunninghouder een verlenging van de vergunning aanvragen. Het initiatief daarvoor ligt bij de vergunninghouder.
Voor de recentere windparken die zijn vergund onder de Wet windenergie op zee bepaalt die wet dat de maximale vergunningsduur 40 jaar bedraagt. Dit is inclusief de bouw- en verwijdertijd.
De ontwikkeling van windturbines laat nog steeds vooruitgang zien. Turbines worden nog steeds groter en efficiënter, waardoor er meer energie tegen lagere kosten is te produceren. Grotere windturbines zijn daarnaast ook gunstiger voor het beperken van aanvaringsslachtoffers van vogels en vleermuizen.
De ontwikkeling naar grotere windturbines en de resultaten van de in antwoord 6 vermelde studies naar de mogelijkheden voor actieve visserij binnen windparken op zee hebben er toe geleid dat windparken op zee steeds «compacter» zijn geworden, in de zin dat er meer productievermogen (uitgedrukt in megawatt, MW) per oppervlakte-eenheid (uitgedrukt in vierkante kilometer (km2)) wordt gerealiseerd. Waar er bij de windparken in het windenergiegebied Borssele nog ongeveer 4 MW/km2 staat is er in het Programma Noordzee 2022–2027 bepaald dat 10 MW/km2 voortaan het uitgangspunt is. De meest recent vergunde windparken in windenergiegebieden Hollandse Kust (west) en IJmuiden Ver hanteren al dit uitgangspunt. Oftewel voor hetzelfde productievermogen wordt nog maar 40% van de oorspronkelijke ruimte gebruikt. Daarmee blijft er meer ruimte over voor andere activiteiten buiten het windpark. Keerzijde is wel dat de businesscase van de windparken nadelig wordt beïnvloed, doordat de windturbines in grotere mate elkaar wind afvangen, en dat ruimte-intensief medegebruik, zoals actieve visserij, binnen windparken uitdagend(er) is.
Wat zijn de verwachte kosten voor de bouw en exploitatie van windmolenparken op zee? Hoe worden deze kosten gedekt?
De geschatte investeringskosten voor een windpark op zee zijn 2 tot 2,5 miljard euro per gigawatt geïnstalleerd windvermogen. De geschatte operationele kosten voor een windpark op zee bedragen ongeveer 120 miljoen euro per jaar per gigawatt geïnstalleerd windvermogen. Dit zijn private kosten, die door de windparkontwikkelaar worden betaald.
Is het mogelijk om subsidie te verkrijgen voor de bouw van windmolenparken op zee op basis van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Op basis van het huidige Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie is het niet mogelijk om subsidie te verlenen aan windparken op zee. In het verleden hebben windparken wel subsidiebeschikkingen verkregen op basis van dit Besluit, maar de laatste jaren zijn windparken op zee zonder subsidie verleend en is deze mogelijkheid er niet meer.
Gaat het Rijk de toegenomen kosten voor de bouw en exploitatie van windmolenparken compenseren door middel van subsidies?
De toegenomen kosten zullen niet worden gecompenseerd zolang deze kosten passen binnen de businesscase van de windparkontwikkelaar. Indien blijkt dat de bouw van een windpark op zee niet meer uit kan zonder subsidie, dan zal het kabinet verschillende maatregelen overwegen die de businesscase kunnen verbeteren.
Wat zijn de plannen voor het beheer van windmolenparken na het einde van hun levensduur?
Aan het eind van de vergunningsduur moet een windpark op zee op grond van de Omgevingswet in z’n geheel worden verwijderd. Onder de Wet windenergie op zee is de vergunninghouder van het windpark verplicht de kosten voor verwijdering te dragen. Hiertoe dient zij een bankgarantie te overleggen.
Het bericht dat de Europese Commissie subsidies heeft verstrekt aan milieuorganisaties om specifieke wetgevingsvoorstellen te promoten, zoals de Natuurherstelwet |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van De Telegraaf dat de Europese Commissie subsidies heeft verstrekt aan milieuorganisaties om specifieke wetgevingsvoorstellen te promoten, zoals de Natuurherstelwet?
Ja
Deelt u de mening dat het gebruik van subsidies om lobbyactiviteiten te financieren transparant en democratisch verantwoord moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, het gebruik van subsidies moet zo transparant en democratisch verantwoord mogelijk zijn. Om in aanmerking te komen voor een subsidie, moet worden voldaan aan vastgestelde eisen die staan beschreven in een openbaar gepubliceerde subsidieregeling. In de subsidieregeling is beschreven welke doelgroep onder welke voorwaarden en voor welke activiteiten in aanmerking komt voor een subsidie.
De Ministeries van KGG, van BZK/VRO en van EZ zetten subsidies niet in met als doel om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren. Subsidieverstrekking geschiedt uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Maatschappelijke organisaties kunnen – net als overigens bedrijven – een aanvraag doen voor een subsidie. Maatschappelijke organisaties hebben daarbij een bijzondere positie omdat zij burgers vertegenwoordigen en zo bijdragen aan het pluriforme debat dat past bij onze representatieve democratie.
Kunt u een overzicht geven van alle subsidies die door de Nederlandse overheid de afgelopen vijf jaar zijn verstrekt aan milieuorganisaties en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die actief zijn op het gebied van klimaat en natuurbeleid?
Nee. Het kabinet houdt geen centraal overzicht bij van alle rijkssubsidies. Elk departement publiceert met de jaarlijkse ontwerpbegroting een subsidieoverzicht. Daarbij geldt dat verleende subsidies die zijn te herleiden tot individueel bedrijfs- of organisatieniveau niet openbaar worden gemaakt.
Voor subsidiebeschikkingen waarin sprake is van staatssteun moet binnen twintig werkdagen na de steunverlening een ad-hoc-kennisgeving gedaan worden, gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. De betreffende beschikkingen worden dan wel eerst geanonimiseerd. Indien de staatssteun aan een individuele onderneming meer dan 100.000 euro bedraagt, geldt dat bepaalde gegevens (zoals de bedrijfsnaam van de steunontvanger, KVK-nummer en het steunbedrag) moeten worden gepubliceerd in de State Aid Transparency Award Module (TAM) van de Europese Commissie.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan deze subsidies, en hoe wordt gecontroleerd of deze subsidies uitsluitend worden gebruikt voor de afgesproken doelstellingen?
De afzonderlijke departementen hebben eigen wet- en regelgeving op het gebied van subsidies. Het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS)1, ook wel bekend als het Uniform Subsidiekader (USK), is bedoeld als algemeen kader voor het opstellen van deze wet- en regelgeving. Dit is een bindend raamwerk voor subsidieverstrekking dat overal binnen de Rijksoverheid moet worden toegepast.
De Ministeries van KGG, BZK en van EZ hanteren ook een eigen kaderwet voor subsidies. Voor subsidies van de Ministeries van BZK en VRO is de kaderwet overige BZK-subsidies2 van toepassing. In deze kaderwetgeving is onder meer bepaald dat een subsidie slechts wordt verstrekt voor activiteiten die passen binnen beleidskaders. Bij het verstrekken van een subsidie wordt op basis van de aanvraag, waarin beschreven staat voor welke activiteiten subsidie wordt aangevraagd, getoetst of deze activiteiten passen binnen het beleid. In de subsidiebeschikking worden voorwaarden en verplichtingen gesteld waar de subsidieontvanger aan moet voldoen. Bij de subsidievaststelling wordt gecontroleerd of de subsidieontvanger hier aan heeft voldaan.
Is het mogelijk dat Nederlandse subsidiegelden direct of indirect worden gebruikt voor lobbyactiviteiten bij Europese instellingen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gebruiken de Ministeries van KGG, van BZK en van EZ subsidieverstrekking uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Er worden geen subsidies verstrekt met als doel om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren.
Bent u bereid de onderliggende subsidieovereenkomsten met milieuclubs en ngo’s openbaar te maken en deze naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn subsidies voor economische activiteiten boven de 100.000 Euro die vanwege staatssteunaspecten formeel bij de Europese Commissie moeten worden aangemeld in het TAM-register, openbaar. Overige subsidies worden niet openbaar gemaakt.
Welke stappen onderneemt u om te waarborgen dat publieke middelen niet worden ingezet voor lobbyactiviteiten die gericht zijn op het beïnvloeden van nationaal of Europees beleid?
Zie ook antwoord op vraag 2. De Ministeries van KGG en van EZ gebruiken subsidieverstrekking uitsluitend om bepaalde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken op respectievelijk het terrein van klimaat, energie en economie. Het Ministerie van BZK en van VRO zet subsidiëring in voor respectievelijk het bevorderen van de democratische rechtsstaat, het ondersteunen van decentraal bestuur en het versterken van het bouwen, het wonen en de woonomgeving. Er worden geen subsidies verstrekt om lobbyactiviteiten van derde partijen richting de overheid te financieren.
Wat is uw reactie op het feit dat het European Environmental Bureau expliciete opdrachten kreeg om wetgevingsvoorstellen ambitieuzer te maken, en hoe beoordeelt u de rol van milieuorganisaties in het publieke debat in dit licht?
Via de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel heeft Nederland recentelijk contact gehad met Commissaris Serafin. De Commissaris heeft aangegeven nader onderzoek te zullen doen naar de subsidieverlening door de Europese Commissie. Het kabinet wacht nadere stappen van de Commissie af. Het kabinet heeft van de Commissie geen signalen ontvangen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden. Het European Environmental Bureau heeft bovendien eind januari in een reactie duidelijk gemaakt dat de berichtgeving ongegrond is en berust op misinformatie.
Ziet u aanleiding om het huidige Nederlandse subsidiebeleid te herzien om te voorkomen dat dergelijke praktijken plaatsvinden?
Nee. De huidige subsidieregels en uitvoeringscontroles waarborgen dat het subsidiebeleid uitsluitend gericht blijft op het bevorderen van beleidsdoelen die de Rijksoverheid nastreeft.
Hoe waarborgt u een eerlijke balans tussen de inspraak van organisaties die zakelijke belangen vertegenwoordigen en organisaties die zich inzetten voor milieu- en klimaatzaken bij de totstandkoming van beleid?
De Rijksoverheid gaat altijd in gesprek met een brede groep belanghebbenden en waarborgt een evenwichtige afweging tussen verschillende perspectieven, zowel van organisaties met zakelijke belangen als van partijen die zich inzetten voor milieu en klimaatzaken. De kwaliteit, relevantie en onderbouwing van inbreng staan daarbij centraal, ongeacht het profiel van de organisatie.
In het klimaatbeleid gebeurt dit onder andere via de sectorale uitvoeringsoverleggen, die als opvolgers van de klimaattafels fungeren binnen het Nationaal Klimaatakkoord. Hierin geven zowel bedrijven als maatschappelijke organisaties advies aan de verantwoordelijke vakminister. Daarnaast is recent een publieke consultatie gehouden op het concept-Klimaatplan, waarbij burgers, bedrijven en organisaties hun visie konden delen zonder onderscheid tussen organisaties of personen met zakelijke of maatschappelijke belangen.
In het ruimtelijk domein is verder de toepassing van de Omgevingswet relevant. Deze wet kent ook regels voor participatie waarbij is aangegeven dat alle relevante belanghebbenden (inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit moeten worden betrokken.
Op vele manieren vindt dus een brede en evenwichtige inspraak plaats, zodat alle belanghebbenden kunnen bijdragen aan beleidsprocessen.
Het bericht 'Bijna vijftig strijders en zes jihadisten uit buitenland benoemd tot officieren in Syrië' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Bijna vijftig strijders en zes jihadisten uit buitenland benoemd tot officieren in Syrië»?1 Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Syrië op de voet. Dit blijkt onder andere uit het bezoek dat de Syrië Gezant bracht aan Syrië op 2 en 4 januari jl., waaruit vooralsnog het beeld naar voren komt dat in een uiterst complexe en diffuse interne situatie het interim-bestuur inzet op een inclusieve koers, met respect voor mensenrechten.
Zonder af te willen doen aan de grote behoefte aan hulp en bescherming voor alle verschillende bevolkingsgroepen, zoals onder andere de Christenen, Alavieten en Koerden binnen de Syrische bevolking in deze voor hen dynamische tijden, kunt u zich voorstellen dat met name deze passage leidt tot verontwaardigde reacties van Nederlandse burgers: «De de facto leider van Syrië, Ahmed al-Sharaa, had maandag een ontmoeting met een Oekraïense delegatie, geleid door de Oekraïense buitenlandminister Andrii Sybiha. Sybiha zei dat Oekraïne meer voedsel en hulpgoederen naar Syrië zal sturen»?
Veel Nederlanders ondervinden dagelijks de negatieve gevolgen van diverse conflicten wereldwijd. Zo stegen door de grootschalige invasie door Rusland in Oekraïne voedsel- en energieprijzen in Nederland en Europa; het kabinet is zich daar terdege bewust van. Conform het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma steunt Nederland Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel en we doen dit onverminderd.
Sinds het uitbreken van de agressieoorlog door Rusland faciliteert het World Food Programme (WFP) het zogeheten Grain from Ukraine Initiative. Dit initiatief wordt gefinancierd door internationale donoren (het deel voor Syrië met name door Noorwegen en Luxemburg) en richt zich enerzijds op het hulp bieden aan boeren en voedselproducenten in Oekraïne door het inkopen van graan, anderzijds op het leveren van graan aan hulpbehoevende landen zoals Syrië. Dit initiatief helpt dus niet alleen honger in deze landen te bestrijden, maar draagt ook bij aan de ondersteuning van de graanproductie in Oekraïne en de veerkracht van Oekraïense boeren. Oekraïne beheert het initiatief maar levert zelf geen financiële bijdrage. Er is dus geen sprake van een donatie van Oekraïne.
Hoe rijmt u het feit dat Nederland als een van de trouwste bondgenoten van Oekraïne tot nu toe ruim 12 miljard euro heeft uitgegeven aan (de oorlog in) Oekraïne en heeft aangegeven de steun aan Oekraïne «onverminderd voort te zullen zetten», met het bericht dat Oekraïne nu heeft toegezegd meer voedsel en hulpmiddelen aan Syrië te zullen sturen?
Het kabinet heeft zoals u weet via het Regeerprogramma afgesproken de steun aan Oekraïne onverminderd voort te zetten. Het gaat hierbij naast militaire steun ook om niet-militaire steun om Oekraïne economisch en maatschappelijk op de been te houden. Ondanks de forse impact van de oorlog is Oekraïne nog steeds een grote producent van graan en een essentiële leverancier voor veel landen in Afrika en het Midden-Oosten, waaronder Syrië. Volgens het kabinet is er hierbij geen sprake van tegenstrijdigheid omdat het niet gaat om een donatie van Oekraïne aan Syrië, zoals ook toegelicht in antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of hieruit te concluderen valt dat de Oekraïne eigenlijk zelf geen behoefte meer heeft aan Nederlandse steun of in ieder geval genoeg heeft ontvangen?
Gezien het feit dat Oekraïne slechts beheerder is van het Grain from Ukraine Initiative en geen financiële bijdrage levert, kan dit niet geconcludeerd worden. De financiële bijdragen aan het WFP worden uitsluitend gedaan door donorlanden. Nederland heeft een bijdrage geleverd aan het Grain from Ukraine initiatief respectievelijk EUR 4 miljoen in 2022 en EUR 2 miljoen in 2023.2
Kunt u aangeven hoe u denkt de Nederlandse bevolking deze steun van Oekraïne aan Syrië te kunnen uitleggen, in een periode waarin Nederland zich (anders dan andere lidstaten van de EU) wel aan de begrotingsregels (zoals die van de Europese Monetaire Unie) houdt en Nederland om die reden minder investeringen kan doen in bijvoorbeeld infrastructuur, koopkracht en verlaging van energietarieven, accijnzen en andere voor onze eigen bevolking zeer belangrijke zaken?
Zoals uitgelegd in antwoord 2 en 3, is er geen sprake van een donatie van Oekraïne aan Syrië.
Wilt u toezeggen dat u de Oekraïense regering gaat vragen hoe zij dit zelf denkt te kunnen verantwoorden aan hun belangrijkste geldschieters en bondgenoten?
Het Grain from Ukraine Initiative is een samenwerking tussen het WFP en Oekraïne, gestoeld op humanitaire principes en met steun van internationale donoren tot stand gekomen. Oekraïne voert het initiatief uit en WFP rapporteert aan de deelnemende internationale partners over de voortgang. Zo zijn door middel van het initiatief meer dan 286.000 ton landbouwproducten geleverd aan 12 landen met kritieke voedseltekorten.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het eerstvolgende debat van de commissie Buitenlandse Zaken (over het Midden-Oosten) op 14 januari 2025 beantwoorden?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
De 54ste jaarlijkse bijeenkomst van het World Economic Forum in Davos tussen 20-24 januari aanstaande |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Waarom stuurt het Nederlandse kabinet zo'n zware delegatie ten opzichte van die van andere landen naar de 54ste jaarlijkse bijeenkomst van het World Economic Forum?
Dit jaar zullen drie Nederlandse Ministers naar Davos afreizen voor het World Economic Forum (WEF): de Minister-President, de Minister van Defensie en de Minister van Klimaat en Groene Groei. Dit is een kleinere delegatie dan die van vorig jaar, toen er zes leden namens het kabinet deelnamen. In vergelijking met delegaties van andere landen is dit een relatief kleine delegatie.
Welke sessies gaan deelnemers namens Nederland bijwonen?
De programma’s van de deelnemende bewindspersonen zijn op dit moment nog niet volledig afgerond. Er vindt nog overleg plaats met het WEF over de invulling ervan.
Wat ligt er in Davos concreet op tafel om aan deel te nemen en/of om over te spreken?
Het hoofdthema van de jaarlijkse vergadering van het WEF is «Collaboration for the intelligent age». Op uitnodiging van het WEF nemen de bewindspersonen deel aan sessies die aansluiten bij de Nederlandse beleidsprioriteiten. De meeste WEF-sessies worden live gestreamd en zijn na afloop terug te kijken op de website van het WEF. Er zijn ook WEF-sessies met een vertrouwelijk karakter. Op dit moment wordt er nog gewerkt aan de programma’s van de bewindspersonen.
Wat is het doel van de aanwezigheid van leden van het Nederlandse kabinet?
De jaarlijkse vergadering van het WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. De bijeenkomst biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Worden er namens Nederland, de Europese Unie of andere entiteiten intenties/convenanten/verdragen gesloten en/of andere afspraken gemaakt? Zo ja, waar gaan die over? Welk mandaat hebben de aanwezigen?
Er zullen tijdens de jaarlijkse vergadering van het WEF geen intenties, convenanten of verdragen worden gesloten of afspraken met een rechtsgeldig of anderszins politiek karakter worden gemaakt namens Nederland, de Europese Unie of andere entiteiten.
In welke overleg met de Tweede Kamer is dit aan de orde geweest?
Er worden voor de jaarlijkse vergadering van het WEF geen politieke besluiten voorbereid, waarover vooraf overleg met de Tweede Kamer had moeten plaatsvinden.
Welk besluit van de ministerraad ligt hieraan ten grondslag?
De bewindspersonen maken zelfstandig de afweging om wel of niet deel te nemen aan de jaarlijkse vergadering van het WEF in Davos. Er ligt geen besluit van de ministerraad aan ten grondslag.
Kan het kabinet garanderen dat er geen enkele afspraak gemaakt wordt, welke niet eerst aan de Tweede Kamer ter besluitvorming wordt voorgelegd?
De jaarlijkse vergadering van het WEF is enkel een platform voor de uitwisseling van ideeën over oplossingen voor wereldwijde vraagstukken. Tijdens de jaarlijkse vergadering van het WEF worden er geen politieke besluiten genomen of internationale afspraken gemaakt, waarvoor instemming van de Tweede Kamer nodig is.
Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden alvorens afgereisd wordt naar Davos?
Ja.
Agri-PV |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de definitie van Agri-PV ruimte moet bieden aan de innovatiekracht van de energiesector én de agrarische sector en hierin niet te beperkend moet zijn, zodat de mensen in het veld kunnen onderzoeken welke vormen van Agri-PV – bijvoorbeeld combinaties met akkerbouw, pluimvee of melkvee – het meest kansrijk zijn?
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij Agri-PV de bestemming van de grond agrarisch blijft, aangezien zonne-energie wordt toegevoegd aan een agrarische activiteit en niet andersom?
Het is in principe aan gemeenten om in het omgevingsplan de bestemming (ofwel functie) van gronden te bepalen. De gemeente bepaalt dus of gronden een agrarische functie hebben of niet en welk gebruik ter plaatse is toegestaan. De inzet van het kabinet en zoals afgesproken met het bestuurlijk akkoord over de aanscherping van de voorkeursvolgorde zon1 is dat de primaire functie bij agri-PV substantieel agrarisch is. Daarmee is het logisch dat die gronden een agrarische bestemming behouden.
Bent u bereid om samen te werken met de Ministeries van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Klimaat en Groene Groei om het regelgevend kader voor Agri-PV optimaal aan te laten sluiten bij de agrarische bedrijfsvoering, zodat er zo min mogelijk verandert voor agrariërs wanneer zij zonne-energie toevoegen aan hun agrarische activiteit op hetzelfde perceel? Bent u het met BBB eens dat dit duidelijkheid zou bieden aan de agrarische sector en ruimte geeft aan innovatie?
Ja, vanuit het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) wordt al samengewerkt aan hoe agri-PV kan worden doorontwikkeld en zo de juiste inpassing kan krijgen in zowel het agrarisch bedrijf als het energiesysteem. Zowel de landbouw- als energiesector wordt hierbij betrokken. Het kabinet zet hierbij in op een win-winsituatie waarbij de voordelen van agri-PV benut kunnen worden in het agrarisch bedrijf en waarbij tegelijkertijd ook bijgedragen wordt aan het (lokale) energiesysteem. In 2024 is vanuit LVVN en KGG een onderzoek uitgezet naar kansen en belemmeringen voor agri-PV in Nederland bij Wageningen Environmental Research (WEnR). De publicatie van dit rapport wordt dit voorjaar verwacht waarna de Kamer wordt geïnformeerd zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van 6 januari jl.2.
Kunt u bevestigen dat de fiscale situatie voor agrariërs die kiezen voor Agri-PV kraakhelder moet zijn en geen bottleneck mag vormen? Kunt u bevestigen dat indien dit wel het geval is u samen met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gaat onderzoeken hoe dit te bewerkstelligen? Begrijpt u dat dit onder andere gaat over de bedrijfsopvolgingsregeling voor landbouwbedrijven (BOR), vrijstellingen rondom de overdrachtsbelasting en de landbouwvrijstelling (vrijstelling op belasting van waardevermeerdering)?
Binnen de fiscaliteit moet per geval worden beoordeeld of er aanspraak kan worden gemaakt op de verschillende regelingen. Het kabinet kan daar nu geen algemene uitlatingen over doen. In concrete gevallen kan de belastingplichtige een vooroverleg met de Belastingdienst aanvragen.
Bent u bereid om samen met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur te onderzoeken of de huidige uitvoeringsregeling van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) (artikel 6, lid 5) aangepast kan worden, zodat installaties die zonne-energie opwekken niet categorisch worden uitgesloten als subsidiabele hectare? Zeker als de ruimte onder de panelen ook een agrarische toepassing heeft, bijvoorbeeld in de vorm van biodiversiteitsontwikkeling? Deelt u de mening van de BBB dat dit essentieel is voor de innovatiekracht en mogelijkheden voor agrariërs om Agri-PV in hun bedrijfsvoering in te passen?
Ja, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal bezien of aanpassing van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 aan de orde is. Overigens sluit de huidige uitvoeringsregeling GLB 2023 op dit moment zonnepanelen niet categorisch uit (zie artikel 6 lid 5). Een goede definitie van agri-PV is cruciaal om te zorgen voor een uitvoerbare regeling die ruimte biedt aan innovatieve oplossingen om een substantiële agrarische functie te combineren met de opwekking van zonne-energie.
Kunt u bevestigen dat de aanwezigheid van zonnepanelen geen impact zou moeten hebben op de hoeveelheid mest die op een perceel mag worden uitgereden, en of dit ook geldt voor Agri-PV projecten?
Nee, dat kan de Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur niet in algemene bevestigen. De hoeveelheid mest die mag worden uitgereden hangt af van de feitelijke situatie op het landbouwperceel en is niet specifiek afhankelijk van de aanwezigheid van zonnepanelen; daarbij gelden de regels over mestplaatsingsruimte die volgen uit de Meststoffenwet.
Bent u bereid om te onderzoeken of biodiversiteit bevorderende kruidenstroken of andere groenvoorzieningen die direct onder de zonnepanelen worden geplant, aanspraak kunnen maken op de Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLB) subsidie, net als reguliere agrarische activiteiten?
ANLb heeft als doel bij te dragen aan biodiversiteit, en daarnaast aan water- en klimaatdoelen. Conform de Contourennota Agrarisch natuurbeheer ligt het zwaartepunt van de inzet bij prioritaire gebieden. Provincies voeren het ANLb uit, op basis van een Natuurbeheerplan. De Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ziet geen aanleiding voor een onderzoek naar de inzet van het ANLb specifiek in combinatie met zonnepanelen. Tegelijkertijd is het niet uitgesloten dat dergelijke groenvoorzieningen in specifieke gevallen in aanmerking kunnen komen voor een vergoeding.
Kunt u bevestigen dat er beleidsmatige ruimte moet zijn om te innoveren met verschillende Agri-PV concepten, zodat deze in de praktijk bewezen kunnen worden en de inpasbaarheid in de agrarische bedrijfsvoering wordt gewaarborgd?
Ja.
Windturbinegeluid |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de norm voor windturbinegeluid gebaseerd moet worden op maximaal 10% ernstig gehinderden, conform de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)?
Nee, de WHO doet geen aanbeveling voor het maximale percentage ernstige hinder, maar geeft gezondheidskundige advieswaarden voor een geluidsniveau dat bij voorkeur niet overschreden wordt. Op basis van de beschikbare informatie over de relatie met hinder geeft de WHO voor windturbinegeluid een voorwaardelijke advieswaarde van 45 decibel (Lden). Voor het bepalen van een wettelijke normstelling moet vervolgens een afweging worden gemaakt, waarbij naast het belang van gezondheid ook het belang van het behalen van duurzame energiedoelstellingen een rol speelt.
Bent u bekend met onjuiste gegevens in het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieufactsheet (RIVM) over windturbinegeluid, waaronder de hindercurve bij 47 decibel (dB) Lden en de invloed van turbinegrootte op laagfrequent geluid?
Nee, er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de factsheet van het RIVM. Ten aanzien van de hindercurve wordt in de RIVM factsheet beschreven dat deze in 2008 door TNO opgestelde blootstelling-responsrelatie (de relatie tussen windturbinegeluid en hinder) destijds als uitgangspunt voor beleid is gekozen. Binnen het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid houdt het RIVM, in samenwerking met de GGD, de internationale stand van kennis over de gezondheidseffecten van windturbines actueel. Wanneer dit tot andere of nieuwe relevante inzichten leidt, zal het RIVM bepalen of dit aanleiding geeft tot aanpassing van de factsheet.
Waarom heeft het RIVM tot op heden niet inhoudelijk gereageerd op kritiek op deze gegevens?
Het is onjuist dat het RIVM niet heeft gereageerd. Naar aanleiding van enkele mensen die vragen hadden gesteld en/of kritiekpunten hadden op de factsheet, heeft het RIVM ter beantwoording Q&A’s geplaatst op de website van het RIVM en zijn in de factsheet nog enkele tekstuele verduidelijkingen aangebracht.
Vindt u onafhankelijk gezondheidsonderzoek door Nederlandse universiteiten noodzakelijk?
Onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar gezondheidseffecten is belangrijk, of dit nu door universiteiten gebeurt of door andere wetenschappelijke instituten zoals het RIVM. In opdracht van de Ministeries van IenW en KGG voert het RIVM een uitgebreid veldonderzoek uit naar de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en slaapverstoring in de Nederlandse situatie. Voor dit onderzoek heeft het RIVM een wetenschappelijke en maatschappelijke klankbordgroep ingesteld. Deze klankbordgroep bestaat uit inhoudelijke specialisten, vertegenwoordigers van bewoners, brancheorganisaties, overheden en Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en). Hiermee wordt brede betrokkenheid gewaarborgd en wordt expertise vanuit verschillende perspectieven benut. De resultaten van dit onderzoek worden eind 2026 verwacht.
Bent u bereid de toepassing van Lden als normeringssysteem te herzien?
Nee, hiertoe is geen aanleiding. De geluidsnormen zijn, in lijn met de WHO-advieswaarden en met de normen voor andere geluidbronnen, uitgedrukt in de jaargemiddelde geluidmaat Lden, omdat deze aansluit bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-milieueffectrapport (plan-MER) dat is opgesteld voor nieuwe windturbinebepalingen laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn.
Waarom zijn er geen aparte normen voor amplitudemodulatie, tonaal geluid, laagfrequent geluid en infrageluid?
Het plan-MER dat is opgesteld voor de nieuwe windturbinebepalingen geeft aan dat Lden een goede maat is om de hinderlijkheid van windturbinegeluid te beoordelen. De relatie tussen Lden en de hinder wordt al mede bepaald door de specifieke kenmerken van windturbinegeluid, zoals amplitudemodulatie en laagfrequent geluid. Het RIVM geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat laagfrequent geluid en infrageluid andere effecten hebben op omwonenden dan «normaal» geluid. Wel volgt uit het plan-MER dat incidenteel voorkomende bromtonen (tonaal geluid) extra hinderlijk kunnen zijn. Daarom wordt bij het opstellen van nieuwe milieunormen voor windturbines apart aandacht besteed aan de bescherming hiertegen.
Overweegt u een moratorium op nieuwe windturbines en vervanging van bestaande turbines?
Nee, windenergie op land draagt bij aan de energieonafhankelijkheid van Nederland. Daarnaast is windenergie op land onmisbaar voor de energietransitie en het behalen van onze nationale klimaatdoelen, vastgelegd in de Klimaatwet, en Europese klimaat- en energiedoelen in 2030. Het kabinet zet zoveel mogelijk in op wind op zee, maar de ruimte daar is beperkt en windenergie op zee vraagt veel transportcapaciteit over land. Het is wel belangrijk dat de plaatsing van windturbines op land op een zorgvuldige manier gebeurt, met adequate bescherming van milieu en gezondheid als randvoorwaarde. Het Ministerie van IenW gaat niet over plaatsing of vervanging van windturbines, maar is verantwoordelijk voor de milieunormering. Het is aan het bevoegd gezag om bij plaatsing van nieuwe windturbines of vervanging van bestaande windturbines te controleren of de geluidsniveaus en andere milieuaspecten binnen de geldende milieunormering vallen.
Bent u bereid windturbines binnen 2 kilometer van woningen tussen 20.00 en 07.00 uur stil te zetten?
Nee, het verlenen of (deels) intrekken van vergunningen voor windparken is aan het bevoegd gezag, vaak gemeente of provincie. Het bevoegd gezag zal voorafgaand aan plaatsing of bij tussentijdse handhaving toetsen of aan de geluidsnormen wordt voldaan. Ter bescherming tegen slaapverstoring is naast de Lden een aparte norm voor nachtelijk geluid (Lnight) opgenomen. Met deze normen wordt de kans op ernstige hinder bij de hoogst belaste omwonenden beperkt. Bij omwonenden op grotere afstand van het windpark zullen de geluidsniveaus, en daarmee de kans op hinder, in de regel lager zijn. Het gaat bij het toetsen aan de normen dus om het beperken van de maximale kans op ernstige hinder, niet om het percentage van alle omwonenden van een windpark dat naar verwachting ernstige hinder ervaart.
Bent u bereid vergunningen in te trekken van windparken waar meer dan 10% van de omwonenden ernstige hinder ervaart?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is uw standpunt over de gezondheidsrisico’s van slaapverstoring door windturbinegeluid?
Uit literatuuroverzichten van internationale onderzoeken blijkt dat er geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken over de samenhang tussen geluid van windturbines en slaapverstoring. Voor andere gezondheidseffecten is onvoldoende bewijs gevonden voor een direct effect van het wonen in de nabijheid van een windturbine of het geluid ervan. Wel is er een verband aangetoond tussen enerzijds ervaren hinder door windturbinegeluid, en anderzijds zelf gerapporteerde slaapverstoring en verschillende gezondheidsklachten, zoals hoofdpijn, tinnitus, duizeligheid en misselijkheid. Door via de geluidnormen de kans op hinder te beperken, wordt naar verwachting dus ook de kans beperkt op slaapverstoring en eventuele andere gezondheidsklachten.
Bent u bereid medici te betrekken bij het opstellen van normen voor windturbinegeluid?
Bij het opstellen van normen voor windturbinegeluid wordt het plan-MER als uitgangspunt genomen. Het plan-MER is gebaseerd op de actuele internationale stand van de kennis op het gebied van gezondheidseffecten van windturbines en geeft eventuele hiaten hierin aan, maar richt zich niet op het uitvoeren van nieuw onderzoek. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft in haar advies over het opgestelde plan-MER voor de windturbinebepalingen geconcludeerd dat het milieueffectrapport de milieugevolgen van verschillende milieunormen, waaronder die voor geluid, over het algemeen nauwkeurig in beeld brengt. Dat neemt niet weg dat het belangrijk is om de bestaande kennis continu te actualiseren en waar nodig uit te breiden. In opdracht van het Ministerie van VWS heeft Nivel (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg) onlangs een verkenning uitgevoerd op basis van gezondheidsregistraties van omwonenden van windturbines over een periode van tien jaar (2012–2021)1. Deze analyse liet geen significant verband zien tussen het wonen nabij windturbines of de geluidsniveaus en gezondheidsklachten die bij de huisarts zijn gemeld.
Laat u onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de bijdrage van windturbinewieken aan verhoogde Bisfenol A (BPA) concentraties in oppervlaktewater?
De kwaliteit van het oppervlakte-, grond- en drinkwater wordt in Nederland uitgebreid gecontroleerd op chemische verontreinigingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de stof Bisfenol A (BPA) een bedreiging vormt voor de kwaliteit hiervan. Er wordt geen onderzoek gedaan naar de specifieke bijdrage van windturbinebladen aan de concentratie BPA in oppervlaktewater. BPA is een component die wordt gebruikt bij de productie van de bladen van windturbines. BPA wordt echter vrijwel volledig omgezet tijdens het chemische proces dat plaatsvindt. In het eindproduct kan een kleine hoeveelheid niet-omgezette BPA aanwezig blijven. Deze overgebleven hoeveelheid BPA verschilt per product, maar ligt in de ordegrootte van 0,001 tot 0,01%.
Wachttijden voor stroomaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de wachttijden tot 70 weken voor stroomaansluitingen voor huishoudens? Wat is de omvang van dit probleem?
Er zijn inderdaad wachttijden voor sommige huishoudens en kleine bedrijven met een kleinverbruikersaansluiting. Op dit moment moeten enkele duizenden klanten langer wachten op een nieuwe aansluiting of verzwaring. Dit is een relatief klein percentage van het totaal aantal aanvragen voor nieuwe aansluitingen of het verzwaren van de bestaande aansluitingen. Het overgrote deel van de aanvragen wordt zonder vertraging aangesloten.
De netbeheerders geven wel aan dat zowel het aantal wachtenden als de wachttijden beginnen toe nemen. De doorlooptijd voor de groep aanvragen met vertraging is momenteel 40 tot 70 weken met een enkele uitschieter. In het eerste kwartaal van 2025 komt er meer inzicht in deze doorlooptijden met de online stroomnetchecker die door de netbeheerders wordt ontwikkeld.
De vertraging komt doordat netbeheerders steeds vaker eerst nieuwe kabels moeten aanleggen of een elektriciteitshuisje of verdeelstation moeten plaatsen, voordat de verzwaring of nieuwe aansluiting kan worden gerealiseerd. Dit zijn zeer lokale situaties, op buurt en straatniveau, die door heel Nederland kunnen voorkomen.
Wat zijn de grootste belemmeringen voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet (bijvoorbeeld tekort aan personeel, vergunningen)?
De uitbreiding van het elektriciteitsnet is een ongekend grote opgave. Dit vraagt veel van alle betrokken partijen. Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de doorlooptijd van een project en daarmee op de uitbreiding van het elektriciteitsnet. Het kan per gebied verschillen waar de knelpunten zitten. In stedelijk gebied gelden bijvoorbeeld andere uitdagingen voor het realiseren van energieprojecten dan in landelijk gebied. Er is dus geen eenduidig beeld te schetsen voor heel Nederland. Op hoofdlijnen zien we dat er een onderscheid kan worden gemaakt in knelpunten in de voorbereidings- en bouwfase, in de beleidsfase en in de samenwerking. In de bouwfase spelen met name tekort aan personeel, schaarste van materialen en logistieke uitdagingen. Zo hebben de netbeheerders bijvoorbeeld tot 2030 28.000 extra mensen nodig. In de voorbereidingsfase gaat het onder andere om het vinden van een geschikte locatie, het verwerven van of afspraken maken over het gebruik van grond, wijziging van het omgevingsplan en benodigde vergunningen. Daarnaast blijkt dat een goede samenwerking tussen netbeheerder en overheden van cruciaal belang is om snel stappen te kunnen zetten in de uitbreiding van het net. In het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) werkt het kabinet gezamenlijk met netbeheerders, overheden, de ACM en marktpartijen aan het mitigeren van deze knelpunten.
Hoe worden de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord over versnelde netuitbreidingen en aanpak van netcongestie uitgevoerd?
Het kabinet voert stevig regie op het oplossen netcongestieproblemen en het toekomstbestendig maken van het elektriciteitsnet, zoals afgesproken in het hoofdlijnenakkoord. Deze aanpak richt zich op versnelling van besluitvorming en ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur, en op het bevorderen van flexibel elektriciteitsgebruik, onder meer met decentrale oplossingen zoals energiehubs. Het kabinet trekt hierbij op met netbeheerders, mede-overheden, de ACM en marktpartijen. De Kamer is verder per brief van 21 november jl.1 geïnformeerd over de laatste ontwikkelingen en resultaten.
Welke stappen worden gezet om de vergunningverlening te versnellen?
Er worden verschillende stappen gezet om de vergunningverlening te versnellen. Concreet wordt er gewerkt aan twee juridische maatregelen. Deze maatregelen zijn onderdeel van de versnellingsaanpak energietransitie waarover de Tweede Kamer in het voorjaar 2023 is geïnformeerd. Met de AMvB besluit Versnelde procedure vanwege zwaarwegend maatschappelijk belang zijn er versnellingen in de beroepsprocedure voor aangewezen elektriciteitsprojecten van 21kV of meer, onder ander met beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze aanwijzing kan leiden tot een versnelling van 1,5 jaar. De internetconsultatie hiervoor is afgerond. Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting bevat de grondslag voor dit besluit en dit wetsvoorstel ligt ter behandeling bij de Tweede Kamer. Ten tweede is recent de internetconsultatie afgerond voor de invoering van de gedoogplicht van rechtswege in de ontwerpfase. Met deze wijzigingen kunnen de onderzoeks- en meetwerkzaamheden sneller uitgevoerd worden. Dit kan leiden tot een versnelling van in ieder geval 2 maanden en tot wel 1,5 jaar, afhankelijk van of in de huidige situatie bezwaar en/of beroep wordt ingesteld.
Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheid voor het afgeven van meerdere vergunningen tegelijkertijd. Bovendien wordt verkend of een bredere stikstofaanpak voor energie-infrastructuur juridisch haalbaar is, ook omdat deze projecten stikstofreductie in de toekomst mogelijk maken. In de voortgangsbrief Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), die ongeveer gelijktijdig met deze antwoorden naar de Kamer wordt gezonden, zullen de uitkomsten van deze verkenning worden gedeeld. Het kabinet blijft zoeken naar aanvullende manieren om procedures te versnellen.
Wat doet u om de beschikbaarheid van technisch personeel voor netuitbreiding te vergroten?
De beschikbaarheid van voldoende technisch geschoold personeel is een essentiële randvoorwaarde voor de energietransitie in de volle breedte. Het kabinet werkt hier aan met het Actieplan Groene en Digitale Banen2. Dit richt zich onder meer op het verhogen van de instroom in technisch onderwijs en in de technische arbeidsmarkt. Ook de netbeheerders werken er als werkgever hard aan om vakmensen aan zich te binden en voor hun sector te behouden. Zij werken daarbij nauw samen met uiteenlopende betrokken partijen. Een goed voorbeeld is het samenwerkingsverband Mensen Maken de Transitie van acht landelijke partijen die, naast de netbeheerders, de bouwbedrijven, installateurs en onderwijs- en onderzoeksinstellingen vertegenwoordigen. Daarbinnen is de Taskforce Elektra actief, gericht op de randvoorwaarden voor de noodzakelijke netuitbreiding van de midden- en laagspanningsnetten, waaronder voldoende arbeidscapaciteit, effectievere samenwerking en technologische innovatie.
Hoe verhoudt de investeringsimpuls van 160 miljard euro zich tot de geplande energiebehoefte en het hoofdlijnenakkoord?
De netbeheerders investeren fors in het Nederlandse elektriciteitsnet, vanaf 2025 zo’n € 8 miljard per jaar. Zij stellen elke twee jaar investeringsplannen (IP’s) op om inzicht te geven in de benodigde en geplande investeringen in de komende tien jaar. De meest recente IP’s zijn in april dit jaar naar de Kamer gestuurd3. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 werkt het kabinet, om deze plannen te kunnen realiseren, aan versnelling van besluitvorming en ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuurprojecten van de netbeheerders.
Welke maatregelen waarborgen dat huishoudens en het mkb zo min mogelijk geraakt worden bij netcapaciteitstekorten?
Voor het antwoord op deze vraag is het van belang om een onderscheid te maken tussen netcongestie in het hoog- en middenspanningsnet en netcongestie in het laagspanningsnet. Op veel plekken in het land dreigt overbelasting van het hoog- of middenspanningsnet. Hier kunnen alle afnemers in een bepaalde regio in principe hinder van ondervinden, zowel groot- als kleinverbruikers. In de praktijk ondervinden tot nu toe vooral grootverbruikers hinder. Grootverbruikers die (extra) transportcapaciteit willen contracteren komen in een congestiegebied namelijk op een wachtrij. Voor de groei van de netbelasting van kleinverbruikers houden netbeheerders ruimte beschikbaar. Deze werkwijze zorgt er voor dat huishoudens en bedrijven en instellingen met een kleine aansluiting zo min mogelijk geraakt worden door het netcapaciteitstekort. Alleen in de regio Flevopolder-Gelderland-Utrecht («FGU») dreigt die ruimte zonder aanvullende maatregelen op te raken. Daarom zijn specifiek voor dat gebied aanvullende maatregelen afgesproken4.
Het zal echter steeds vaker voorkomen dat lokaal ook de laagspanningsnetten zelf vol raken. Op de laagspanningsnetten zijn vrijwel uitsluitend kleinverbruikers aangesloten. Dat betekent dat kleinverbruikers hier meer hinder van kunnen gaan ondervinden. Een nieuwe of grotere aansluiting is dan bijvoorbeeld pas mogelijk nadat er eerst nieuwe kabels zijn aangelegd of er een elektriciteitshuisje of verdeelstation is geplaatst. In januari van dit jaar heeft de toenmalige Minister voor Klimaat en Energie de Actieagenda voor congestie in laagspanningsnetten naar de Kamer gestuurd met maatregelen om netcongestie in het laagspanningsnet tegen te gaan5. Doel van die maatregelen is om de maatschappelijke impact van netcongestie zo veel mogelijk te beperken.
Hoe sluit de aanpak van netcongestie aan bij de klimaatdoelen uit het hoofdlijnenakkoord?
Uit de Klimaat- en Energieverkenning 2024 (KEV) komt naar voren dat netcongestie een knelpunt vormt voor het bereiken van de doelen voor reductie van de emissie van broeikasgassen. Ook de Raad van State wijst hier op in zijn advies bij de Klimaatnota6. De voortvarende aanpak van netcongestie door het kabinet draagt bij aan het behalen van deze doelen voor reductie van de emissie van broeikasgassen, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord.
Welke regio’s hebben de meest acute wachttijden, en welke samenwerking zoekt u met decentrale overheden?
De problemen rondom volle laagspanningsnetten zijn lokaal van karakter, op buurt- en straatniveau door het hele land. Oplopende wachttijden doen zich voor in zowel steden, dorpen als buitengebieden en kennen ieder een eigen oorzaak en oplossing. Na de publicatie van de online stroomnetchecker in het eerste kwartaal van 2025 kunnen consumenten zien of er op hun postcode problemen op het stroomnet bekend zijn, en of er een kans is dat zij langer moeten wachten. Hiermee proberen netbeheerders inzicht te geven in wat drukte op het stroomnet in de buurt op lokaal niveau betekent.
In het LAN werkt het kabinet met mede-overheden, netbeheerders en de ACM aan het beter benutten van het net én het versneld aanleggen van de elektriciteitsinfrastructuur. Gezamenlijk prioriteren we de benodigde acties en werken we die ook gezamenlijk uit. Daarnaast werken we regionaal goed samen in de provinciale Energy Boards waarin ook Rijk, provincie, gemeenten en netbeheerders zijn vertegenwoordigd. De investeringen worden met de verschillende overheden afgestemd in de nationale en provinciale MIEKs.
De uitbreiding van het laagspanningsnet gebeurt door middel van de wijkgerichte aanpak, ook wel de buurtaanpak genoemd. Dit betekent dat het net buurt voor buurt wordt verzwaard. Netbeheerders spannen zich in om de overlast voor bewoners zoveel mogelijk te beperken, maar dit is niet geheel te vermijden en noodzakelijk om te zorgen dat alle huishoudens probleemloos elektriciteit kunnen blijven gebruiken. Per buurt worden de bewoners op de hoogte gehouden van de werkzaamheden. Dit wordt in goed overleg met de verschillende overheden gedaan.
Wat is het tijdspad voor oplossingen en verbeteringen in de netcapaciteit, specifiek voor huishoudens?
Het tijdpad van oplossingen is sterk afhankelijk van het specifieke knelpunt dat geadresseerd moet worden; zie ook het antwoord op vraag 7. Een uitbreiding van het hoogspanningsnet kent een doorlooptijd van 7 tot 10 jaar. Een uitbreiding van een laagspanningsnet, door het aanleggen van nieuwe kabels of het plaatsen van een elektriciteitshuisje of verdeelstation duurt momenteel tussen de 40 en 70 weken, maar onder andere door personeelsgebrek is de verwachting dat deze doorlooptijd in de toekomst op gaat lopen.
Om te voorkomen dat voor huishoudens de doorlooptijd steeds verder oploopt is het van groot belang dat ook huishoudens en het mkb de bestaande netcapaciteit beter gaan benutten. In de brief van 21 november jl.7 is de Kamer geïnformeerd over de stappen die op dat vlak zijn en worden gezet.
De misleidende praktijken van energieleverancier Hollandse Energie Maatschappij (HEM) |
|
Wytske de Pater-Postma (CDA), Henk Vermeer (BBB), Sandra Beckerman , Silvio Erkens (VVD), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misleidende praktijken van energieleverancier HEM, zoals vastgelegd in de uitzendingen van onder meer Radar?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de ernst van de situatie waarin consumenten worden geïntimideerd met ongegronde claims, en dreigementen om goederen in beslag te nemen?
De bescherming van afnemers van elektriciteit en gas is onmiskenbaar van zeer groot belang. Daarom is in de Energiewet een stevig en uitgebreid consumentenbeschermingsregime opgenomen.
Wat vindt u ervan dat consumenten geen duidelijke uitleg krijgen over kosten en vaak zelfs worden geïntimideerd? Hoe classificeert u dit gedrag?
Het kabinet vindt het van belang dat het voor alle betrokken partijen, maar in het bijzonder voor consumenten, duidelijk is wat de contractvoorwaarden betekenen. In de Energiewet staat dat de ACM de mogelijkheid krijgt om een wervingsstop op te leggen wanneer een leverancier zich niet aan de regels van oneerlijke handelspraktijken houdt, zodat een leverancier geen nieuwe klanten kan aannemen zolang zij de zaken niet op orde hebben. Ook regelt de Energiewet dat de ACM de mogelijkheid krijgt om de vergunning in te trekken bij herhaaldelijk schuldig maken aan oneerlijke handelspraktijken (misleiding/agressieve verkoop).
Welke maatregelen treft u om consumenten op korte termijn te beschermen tegen deze wanpraktijken?
De onafhankelijke toezichthouder ACM houdt toezicht en grijpt in wanneer zij dit nodig acht. Zij weegt haar besluit zorgvuldig en doet er alles aan om de klanten van deze partij niet in de kou te laten staan. In de Energiewet worden enerzijds de eisen voor het verkrijgen van een vergunning aangescherpt (zo krijgt de ACM de bevoegdheid om via de Wet Bibob de betrouwbaarheid en integriteit van energieleveranciers te toetsen) en krijgt anderzijds de ACM de mogelijkheid om in te grijpen als een leverancier die actief is op de energiemarkt zich niet aan de regels houdt. Zie ook de beantwoording van vraag 6.
Bent u het ermee eens dat dit soort bedrijven structurele misleiding geen recht meer zouden moeten hebben op een vergunning om energie te leveren?
Ik deel de mening dat agressieve handelspraktijken hard aangepakt moeten worden. In de Energiewet krijgt de ACM voldoende nieuwe handvatten om stevig op te treden als zij dat nodig acht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe zorgt de nieuwe Energiewet voor voldoende bevoegdheden voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op hierop scherper te handhaven? Is het mogelijk om bepaalde onderdelen van deze wet al eerder te laten ingaan?
Voor de toekomst scherpt de Energiewet de eisen aan voor leveranciers om op de Nederlandse markt elektriciteit of gas te mogen leveren aan consumenten. Ook krijgt de ACM voldoende nieuwe handvatten om stevig op te treden wanneer dat nodig is. Zo kan de ACM straks scherper vooraf toetsen om malafide ondernemers te kunnen weren en kan zij ook tijdens de rit ingrijpen in het geval van oneerlijke handelspraktijken of het niet voldoen aan een jaarlijkse financiële stresstest – en de ACM kan als ultieme sanctie de vergunning intrekken.
Kleine ondernemers die in 2022 klant zijn geworden bij HEM melden soortgelijke klachten; bent u ook van mening dat kleine ondernemers ook dezelfde mate van consumentenbescherming zouden moeten genieten? Staat dat nu voldoende in de Energiewet?
Het wetsvoorstel ziet op kleinverbruikers, daaronder vallen alle aansluitingen met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3 x 80 Ampère voor elektriciteit of 40 m3(n) per uur voor gas. Kleinverbruikers genieten extra bescherming ten opzichte van grootverbruikers via energiewetgeving maar ook via het Burgerlijk Wetboek (oneerlijke handelspraktijken), omdat het om huishoudens/consumenten/kleinzakelijke klanten gaat.
Zijn er andere toezichthouders onder andere ministeries die mogelijk ook ingezet kunnen worden om de praktijken van HEM een halt toe te roepen gezien hun schandalige praktijken?
In de berichtgeving gaat het onder andere over vermeende dreiging met het sturen van een gerechtsdeurwaarder. Het beroep gerechtsdeurwaarder is een beschermd of gereglementeerd beroep. De bevoegde personen moeten zijn opgenomen in een openbaar register, zodat altijd geverifieerd kan worden of iemand terecht de titel voert. Iemand die niet bevoegd is mag deze titel niet voeren, dat is strafbaar. De beroepsgroep gerechtsdeurwaarders staat onder toezicht van het Bureau Financieel Toezicht. Uiteraard kan de consument daarnaast net als nu naar de rechter stappen, maar met de Energiewet wordt voor consumenten ook gegarandeerd dat zij op een toegankelijke wijze hun recht kunnen halen, doordat het voor vergunninghoudende leveranciers verplicht wordt om aangesloten te zijn bij een buitengerechtelijke instantie voor geschilbeslechting.
Hoe kijkt u naar de mogelijkheden voor een beroepsverbod voor dit soort foute types? Kan dat al volgens u met de nieuwe Energiewet? Zo nee, bent u bereid dit uit te werken voor de volgende nota van wijziging van de Energiewet?
In de Energiewet wordt de lat voor het verkrijgen en behouden van een vergunning voor leveren aan consumenten op de Nederlandse markt verhoogd. Daarnaast maakt het vragen van een VOG en toepassing van de wet Bibob het mogelijk dat de integriteit van de aanvrager van een vergunning wordt getoetst. Zo kan de ACM straks beter toetsen aan de poort en eventuele kwaadwillende partijen tegenhouden. Tevens kan zij ingrijpen in het geval van oneerlijke handelspraktijken of het niet voldoen aan een jaarlijkse financiële stresstest- en als ultieme sanctie de vergunning intrekken.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De overstap van de industrie naar groene waterstof en de raffinageroute |
|
Silvio Erkens (VVD), Henk Vermeer (BBB), Henri Bontenbal (CDA), Pieter Grinwis (CU) |
|
Chris Jansen (PVV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Industrie vreest einde groene waterstof: «Dit plan legt er een bom onder»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling vanuit de industrie dat de Nederlandse waterstofeconomie om zeep wordt geholpen door de voorgestelde correctiefactor van 0,4 voor de raffinageroute, omdat daarmee de waarde van geproduceerde groene waterstof meer dan gehalveerd wordt?
De raffinageroute in de systematiek Energie voor Vervoer van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) beoogt een bijdrage te leveren aan de Nederlandse waterstofmarkt, in aanvulling op het waterstofinstrumentarium van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). Van het begin af aan is helder gemaakt dat het gebruik van hernieuwbare (groene) waterstof in raffinaderijen onder voorwaarden mag meetellen voor credits. Hierover zijn in het verleden ook afspraken gemaakt, zie onder meer «Kabinetsaanpak Klimaatbeleid»2.
In de eerste voortgangsbrief implementatie RED-III vervoer d.d. 26 april 20243 is aangegeven dat er begrensd ruimte komt voor de raffinageroute. In deze brief is ook een correctiefactor aangekondigd, inclusief nader onderzoek om de hoogte van de correctiefactor te bepalen. Bij de totstandkoming van deze keuze is de markt geraadpleegd. Destijds waren de reacties veelal positief ten opzichte van eerdere beleidsopties die voor hebben gelegen. De raffinageroute met correctiefactor werd gezien als een goed midden tussen CO2-reductie in de sector mobiliteit, prijseffecten aan de pomp en stimulering van hernieuwbare waterstof.
In hoeverre is er contact geweest met de sector over de impact van deze maatregel op concrete projecten voor elektrolyse? Wat doet de correctiefactor met de business case voor deze projecten?
Voor het TNO-onderzoek dat ten grondslag ligt aan de aangekondigde hoogte van de correctiefactor, zoals voorgesteld door de Staatssecretaris van IenW in zijn brief van 30 oktober 2024, zijn uiteenlopende marktpartijen gesproken over de correctiefactor en de impact daarvan. Een deel van de bedrijven gaf aan zich zorgen te maken over de impact van de correctiefactor op de businesscase vanwege de lagere waarde van credits. Een ander deel van de respondenten pleit juist voor een (lage) correctiefactor om ruimte te scheppen voor meer elektrolyseprojecten. Ten slotte zijn er partijen die aangeven dat snelle duidelijkheid omtrent de raffinageroute voor hun investeringsbeslissing van groter belang is dan de hoogte van de correctiefactor; langere onduidelijkheid is voor deze partijen onwenselijk.
TNO geeft aan dat bij het bepalen van de correctiefactor kan worden meegewogen wat de impact is van andere opties naast de inzet van hernieuwbare waterstof via de raffinageroute en via direct gebruik met mogelijk lagere kosten, zoals bijmenging van geïmporteerde synthetische brandstoffen. Dit zou de kans op inzet van in Nederland geproduceerde waterstof via direct gebruik en via de raffinageroute kunnen verkleinen. Het is nog onduidelijk welke rol de import van synthetische brandstoffen tot en met 2030 zal spelen; de verwachting is dat dit op korte termijn nog niet op grote schaal het geval zal zijn. De onzekerheid hierover op de verwachte creditwaarde lijkt echter wel een aandachtspunt in de sector.
Naast gesprekken met marktpartijen ten behoeve van het TNO-onderzoek, heeft IenW ambtelijk in april 2024 een breed bezochte stakeholderbijeenkomst belegd rond de invulling van de implementatie van de RED-III (inclusief raffinageroute en correctiefactor) en hebben verschillende 1-op-1 gesprekken met sectorpartijen plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de business case voor elektrolyseprojecten in Nederland zich tot de business case in Duitsland, België en Frankrijk zowel voor als na introductie van de correctiefactor?
Met de openstelling van de raffinageroute (met correctiefactor) wordt ook in Nederland een aanvullende mogelijkheid geboden om hernieuwbare waterstof te verwaarden. Dit zou moeten bijdragen aan de businesscase voor elektrolyseprojecten zoals benoemd in de Kamerbrief Voortgang implementatie RED-III vervoer4. In de brief is aangegeven dat de voorkeur uit gaat naar directe inzet van hernieuwbare waterstof in de mobiliteit, maar ook dat er op dit moment in Nederland nog niet veel elektrolysecapaciteit is om hernieuwbare waterstof te produceren. De raffinageroute beoogt de elektrolysecapaciteit op te schalen, wat uiteindelijk ook de directe inzet van hernieuwbare waterstof ten goede komt.
De systematiek Energie voor Vervoer, waar de raffinageroute onderdeel van is, richt zich niet enkel op het halen van de doelen uit de Hernieuwbare Energierichtlijn (RED-III), maar ook op de nationale klimaatdoelen. Inzet van hernieuwbare waterstof via de raffinageroute draagt niet bij aan het Nederlandse klimaatdoel voor de sector mobiliteit, maar aan het doel voor de sector industrie. In de andere landen wordt dit onderscheid niet op deze manier gemaakt. In Nederland wordt een subverplichting voor elke mobiliteitssector (land, zee, binnenvaart en luchtvaart) ingevoerd, waar ook de raffinageroute aan kan bijdragen. Hierdoor is de vormgeving zoals gebruikt in Duitsland en Frankrijk niet vergelijkbaar met onze systematiek.
De stimulerende rol van de raffinageroute is door de correctiefactor minder groot dan in de hierboven genoemde landen. Dit is een bewuste keuze om een gelijk speelveld tussen de raffinageroute en direct gebruik van hernieuwbare waterstof in mobiliteit te creëren. In de voorstellen voor de implementatie van de RED-III in Nederland is gekozen voor een vormgeving waarin het prijseffect aan de pomp beperkt blijft. Bij een grotere ruimte voor de raffinageroute buiten het subdoel voor hernieuwbare waterstof of een extra stimuleringsfactor zoals in Duitsland, zou het prijseffect aan de pomp toenemen.
Is de impact van de gekozen correctiefactor op investeringen in groene waterstof in Nederland goed in beeld gebracht? Kunt u hier inzicht in geven?
De verwachte impact op investeringen was geen onderdeel van de onderzoeksvraag om te komen tot een correctiefactor. Door de respondenten in het TNO-onderzoek is hier wel op gereflecteerd, zoals toegelicht onder vraag 3.
Na het stellen van Kamervragen heeft de Kamer de motie van de leden Bontenbal en Vermeer aangenomen over een onderzoek naar hoe de raffinageroute eruit moet zien om maximaal bij te dragen aan de verduurzamingsdoelstellingen van de industrie5. Er is gestart met invulling te geven aan deze motie en dit zal meer inzicht geven in de impact van correctiefactoren op investeringen in hernieuwbare waterstof in Nederland, de verduurzaming(sdoelen) in de industrie en de doelen van de systematiek Energie voor Vervoer.
Deelt u de mening dat er momenteel nog geen volwassen markt is voor groene waterstof en dat de overheid, als het de industrie wil helpen verduurzamen, het opbouwen van deze markt zou moeten ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de markt voor hernieuwbare waterstof zit nog in de beginfase en wordt daarbij ook geconfronteerd met de nodige hobbels. In de Kamerbrief Voortgang waterstofbeleid6 die voorafgaand aan het commissiedebat «Waterstof, groen gas en andere energiedragers» op 10 december naar de Kamer is gestuurd, beschrijft de Minister van KGG de stand van zaken en de vervolgstappen.
Onderkent u het feit dat de raffinageroute er juist voor zou moeten zorgen dat de waterstofmarkt op gang komt en er een basis voor investeringen in groene waterstof beschikbaar komt? Hoe draagt het voorstel voor de correctiefactor daaraan bij?
De raffinageroute is een van de instrumenten om de hernieuwbare waterstofmarkt op gang te brengen. Het waterstofinstrumentarium vanuit KGG bestaat verder uit onder meer IPCEI-subsidies, OWE-subsidies, een importtender onder H2Global en toekomstige vraagsubsidies. Daarnaast werkt KGG aan een mogelijke jaarverplichting voor het gebruik van hernieuwbare waterstof in industriële processen.
De raffinageroute was oorspronkelijk bedoeld om de eerste elektrolyseprojecten te realiseren. Er is te zien dat investeringsbeslissingen in grootschalige elektrolyseprojecten uitblijven, onder meer vanwege onzekerheden over de afname. Naast voornoemde instrumenten blijft de raffinageroute een relevant instrument om een zekere afzetmarkt voor hernieuwbare waterstof te bieden. De correctiefactor is ontworpen om directe inzet te belonen, ook vanwege de directe CO2-reductie die dit voor de sector mobiliteit oplevert. De correctiefactor zorgt voor een gelijker speelveld tussen de geprefereerde directe inzet en inzet via de raffinageroute. Verder creëert het aanvullende ruimte voor de raffinageroute, zonder dat de subdoelen hoeven te worden verhoogd en de prijs aan de pomp verder stijgt.
Deelt u de constatering dat het voorstel voor deze correctiefactor ervoor zal zorgen investeringen in groene waterstof niet in Nederland plaats zullen vinden, maar in ons omringende landen waar geen correctiefactor geldt en waar ook andere voorwaarden voor waterstofproductie gunstiger zijn? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden, gezien de onzekerheden in de markt, bijvoorbeeld op het gebied en gereedkomen van waterstof(import)infrastructuur. Er zijn inderdaad risico’s en daarom wordt een zorgvuldig proces gevolgd. Er zijn nationaal verplichtingen voor de inzet van hernieuwbare waterstof in vervoer neergelegd op basis van de RED-III (ook zijn er op basis van de RED-III nationaal verplichtingen voor de inzet van hernieuwbare waterstof in de industrie). Het behalen van de verplichting voor waterstof in vervoer kan via directe inzet en/of de raffinageroute worden ingevuld. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de inzet van nationaal geproduceerde en geïmporteerde hernieuwbare waterstof of synthetische brandstoffen. Met de voorgestelde correctiefactor wordt een gelijk speelveld gecreëerd tussen directe inzet (ook uit importstromen) en indirecte inzet via de raffinageroute.
De directe inzet moet zich nog verder ontwikkelen. De resultaten van de eerste openstelling van de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWiM) tonen interesse van de markt, met een overinschrijving van 78% op het budget van 22 miljoen euro.
De verwachting was dat import van hernieuwbare waterstof en synthetische brandstoffen een beperkte rol zal spelen richting 2030. Hiermee was de inschatting dat de raffinageroute ook bij de implementatie van de voorgestelde correctiefactor voldoende afzetmogelijkheden heeft. Zoals aangegeven onder vraag 5 is gestart met het uitvoering geven aan de motie om de impact van de correctiefactor nader te onderzoeken. De resultaten hiervan en de signalen die zijn ontvangen bij de consultatie van de Regeling energie vervoer aankomend voorjaar zullen worden meegewogen in het proces.
Er is voor gekozen om geen einddatum op te nemen voor de raffinageroute, in afwachting van post-2030 doelen die in de mogelijke opvolger van de RED-III worden gesteld. Het is nog geen gegeven dat er een opvolger komt, maar het kabinet zet zich daar richting de Commissie voor in.
Hoe rijmt u het voorstel voor de correctiefactor met het voornemen uit het regeerprogramma on Nederlandse koppen op Europees beleid te schrappen?
Hier is geen sprake van een nationale kop. De correctiefactor is een uitwerking van een Europese verplichting, die ontworpen is zodat de systematiek Energie voor Vervoer ook voldoende bijdraagt aan het nationale klimaatdoel voor de sector mobiliteit. Het regeerprogramma houdt vast aan de klimaatdoelen. Als de correctiefactor hoger wordt, of wordt losgelaten, wordt het maximaal in te zetten volume via de raffinageroute kleiner, of moet het subdoel worden verhoogd, samen met aanvullende maatregelen om het behalen van het nationale klimaatdoel voor de sector mobiliteit te borgen.
Kunt uitleggen op welke wijze deze correctiefactor direct gebruik stimuleert? Wat zijn verwachte effecten van de correctiefactor op direct gebruik?
De correctiefactor zorgt ervoor dat een gelijker speelveld ontstaat tussen de inzet van hernieuwbare waterstof bij de raffinage van (fossiele) transportbrandstoffen en de directe levering van hernieuwbare waterstof aan waterstofvoertuigen / (lucht)vaartuigen. Verder leidt de correctiefactor ertoe dat de raffinagecredits minder snel het subdoel vullen; ze tellen immers minder mee. Hierdoor blijft eerder ruimte over voor directe inzet onder het subdoel.
Uit het TNO-onderzoek blijkt dat zonder correctiefactor directe inzet zeer beperkt aan bod komt binnen de systematiek Energie voor Vervoer, aangezien de raffinageroute dan de goedkoopste manier is om credits te genereren en daarmee aan de RFNBO-verplichting te voldoen.
Wat zijn de gevolgen van de gekozen correctiefactor voor het doelbereik van de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse (OWE)? Wat is de verwachting van de elektrolysecapaciteit die met en zonder de correctiefactor kan worden gerealiseerd met het voor de OWE beschikbare budget? Klopt het dat de correctiefactor zal zorgen voor een hogere subsidiebehoefte en dat er dus meer belastinggeld nodig zal zijn om dezelfde doelen te halen?
Er zijn beperkt waterstofmiddelen beschikbaar voor het realiseren van de ambitieuze bindende Europese waterstofdoelen voor de mobiliteit en de industrie. Het openstellen van de raffinageroute leidt naar verwachting tot minder benodigde OWE-subsidie dan de situatie waarin geen raffinageroute beschikbaar is. Een mogelijk gevolg van de voorgestelde correctiefactor is dat elektrolyseprojecten die van plan zijn aan raffinaderijen te leveren meer OWE-subsidie gaan aanvragen, omdat de betalingsbereidheid van raffinaderijen voor hernieuwbare waterstof afneemt als gevolg van een lagere waarde van credits verkregen via de raffinageroute. Dit zou betekenen dat de totale subsidiebehoefte voor het behalen van nationale en Europese hernieuwbare waterstofdoelen stijgt. Zodra de uitkomsten van de huidige OWE-openstelling bekend zijn, kan beter worden ingeschat wat het effect is van de gekozen correctiefactor op de subsidiebehoefte van de Europese doelen.
Kunt u aangeven in hoeverre de volgende elementen onderdeel waren van de opdracht aan TNO voor haar onderzoek:
In de eerste voortgangsbrief implementatie RED-III vervoer van april heeft de Staatssecretaris van IenW aangegeven dat het ministerie zou laten onderzoeken welke correctiefactor het meest geschikt is om te bewerkstelligen dat de directe inzet van RFNBO's in de verschillende mobiliteitssectoren meer loont dan de inzet van hernieuwbare waterstof in raffinaderijen. De opdracht richtte zich hiermee specifiek op het gelijke speelveld tussen directe inzet en inzet via de raffinageroute. De andere aspecten die in de vraag worden genoemd zijn deels toegelicht in het TNO-onderzoek, op basis van input van de respondenten. Deze vormden formeel geen onderdeel van de onderzoeksopdracht en zijn niet meegenomen in het bepalen van de voorgestelde hoogte van de correctiefactor.
Welke alternatieve beleidsopties heeft u onderzocht en besproken met de sector om te komen tot een pakket waarmee zowel de doelen voor Renewable Fuel of Non-Biological Origin-gebruik (RFNBO-gebruik) in de mobiliteit en het opschalen van de elektrolysecapaciteit in Nederland? Is bijvoorbeeld de optie van een hogere correctiefactor, met daarbij ook een hoger doel voor het RFNBO-volume? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de eerste voorstellen van de Commissie is in de startfase van de implementatie van de RED-III gesproken over hogere subdoelen voor hernieuwbare waterstof in mobiliteit. Na bekendmaking van de forse ambitieverlaging in de definitieve RED-III is gekozen om de nationale subdoelen in lijn te brengen met de Europese doelen om nationale koppen te vermijden.
Hierna zijn opties verkend om (1) een verplichting aan raffinaderijen op te leggen voor de inzet van hernieuwbare waterstof, en (2) om raffinagecredits te laten concurreren met onder meer geavanceerde biobrandstoffen in plaats van directe inzet van RFNBO’s. De optie van het niet instellen van een correctiefactor is bekeken, maar is niet voorgesteld vanwege voorziene gevolgen. Ten eerste zou de raffinageroute dan slechts ruimte bieden aan een beperkt aantal elektrolyseprojecten (circa 500 MW). Het zou verhoging van het subdoel voor hernieuwbare waterstof in mobiliteit vergen om genoeg ruimte voor de ons bekende elektrolyseprojecten te creëren. Omdat de raffinageroute niet bijdraagt aan CO2-reductie in de mobiliteit, zou bij verhoging van het subdoel ook de algehele jaarverplichting extra moeten worden verhoogd om het klimaatdoel veilig te stellen. Dit zou resulteren in een stijging van de prijs aan de pomp. Bovendien zou dit ten koste gaan van de beleidswens van IenW om directe inzet van hernieuwbare waterstof in de mobiliteit te stimuleren met de systematiek Energie voor Vervoer.
In het onderzoek dat wordt uitgevoerd in het verlengde van de motie Bontenbal en Vermeer wordt onder meer inzicht gegeven in de impact van correctiefactoren op investeringen in hernieuwbare waterstof in Nederland, de verduurzaming(sdoelen) in de industrie en de doelen van de systematiek Energie voor Vervoer.
Bent u bereid om het hierboven omschreven alternatief en andere alternatieve maatregelen voor de correctiefactor van 0,4 alsnog te overwegen om te komen tot een beleidspakket dat zowel direct gebruik als het opschalen van waterstofproductie in Nederland stimuleert? Zo nee, waarom niet?
Zoals genoemd onder vraag 5, wordt momenteel invulling gegeven aan de motie van de leden Bontenbal en Vermeer die oproept tot nader onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek – tezamen met de reacties op het wijzigingsvoorstel Besluit Energie Vervoer – neemt het kabinet mee in de verdere implementatie van RED-III vervoer. Hierbij wordt een balans gezocht tussen de hoofddoelen van de systematiek Energie voor Vervoer, stimulering van Nederlandse waterstofproductie en -toepassing in industrie en/of mobiliteit en de prijs aan de pomp.
Het rapport ‘Het Windmolendrama’ van Clintel |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Het Windmolendrama» van Clintel?
Ja.
Waarom heeft u nog geen uitgebreid veldonderzoek laten uitvoeren naar de gezondheidsklachten door laagfrequent geluid van windturbines, ondanks recente wetenschappelijke bevindingen?
De zorgen over mogelijke gezondheidseffecten van windturbines voor omwonenden neem ik zeer serieus. In 2021 heeft het Ministerie van KGG het RIVM, in samenwerking met de GGD, opdracht gegeven om het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid op te richten. Dit expertisepunt houdt de internationale stand van kennis over de gezondheidseffecten van windturbines actueel door middel van uitgebreide overzichtsstudies. Hinder door windturbinegeluid is het meest beschreven en bewezen effect, en kan indirect andere gezondheidsklachten veroorzaken. Het is begrijpelijk dat dit voor omwonenden een zorg kan zijn. Onderzoeken naar slaapverstoring door windturbines laten verschillende resultaten zien, waardoor er geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken. Voor andere gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten en mentale gezondheid, is momenteel onvoldoende bewijs dat deze samenhangen met het geluid of wonen in de buurt van windturbines. Het is belangrijk dat we de bestaande kennis continu actualiseren en waar nodig uitbreiden. In opdracht van het Ministerie van VWS heeft Nivel onlangs een verkenning uitgevoerd op basis van gezondheidsregistraties van omwonenden van windturbines over een periode van tien jaar (2012–2021). Deze analyse liet geen significant verband zien tussen het wonen nabij windturbines of de ervaren geluidsniveaus en gezondheidsklachten die bij de huisarts zijn gemeld1.
Dit onderzoek van Nivel is de basis voor de verdere verkenning van mogelijke gezondheidseffecten, in aanvulling op de bestaande kennis. Daarnaast voert het RIVM, in opdracht van IenW en KGG, een uitgebreid veldonderzoek uit. Dit onderzoek richt zich op de blootstelling-responsrelatie in Nederland door het geluid van windturbines te koppelen aan ernstige geluidshinder en slaapverstoring. De beleving van laagfrequent geluid van windturbines zal daarbij ook verder worden onderzocht door het RIVM. Op basis van wetenschappelijke literatuur geeft het RIVM overigens aan dat laagfrequent geluid geen andere effecten voor omwonenden heeft dan «normaal» geluid. De resultaten hiervan worden eind 2026 verwacht. Er zijn geen aanwijzingen dat eerder gevonden verbanden tussen windturbinegeluid en effecten niet meer toepasbaar zouden zijn.
Hoe beoordeelt u de huidige jaargemiddelde geluidsnorm (Lden) voor windturbines, gezien het rapport «Het Windmolendrama» waarin wordt gesteld dat deze norm geen adequate bescherming biedt tegen geluidsoverlast?
De geluidsnormen zijn, in lijn met de WHO-advieswaarden en de normen voor andere geluidbronnen, uitgedrukt in een jaargemiddelde geluidmaat, omdat deze aansluit bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-milieueffectrapport dat is opgesteld voor nieuwe windturbinebepalingen laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn. De mate van bescherming hangt vooral af van de gekozen normwaarde, waarvoor aansluiting wordt gezocht bij de WHO-advieswaarde.
Waarom werd de Tweede Kamer in 2011 door het kabinet niet volledig geïnformeerd over de waarschuwingen van TNO, RIVM en de Inspectie VROM inzake de gebrekkige geluidsnormen voor windturbines?
De rapporten van TNO en RIVM zijn gepubliceerd en zijn gebruikt voor de normstelling voor windturbinegeluid in 2011. Van de genoemde rapporten is alleen het rapport van de Inspectie destijds niet geheel vrijgegeven omdat het persoonlijke beleidsopvattingen bevatte. Uit de rapporten blijkt onder andere dat windturbinegeluid bij eenzelfde geluidsniveau hinderlijker is dan bijvoorbeeld wegverkeer. Om die reden is voor een strengere norm gekozen ten opzichte van de norm voor andere geluidsbronnen. Ook is mede naar aanleiding van het rapport van de Inspectie een aparte norm voor de nacht opgenomen ter bescherming tegen slaapverstoring en is extra aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de normen in het reken- en meetvoorschrift. Dit is destijds ook aangegeven in de Nota van Toelichting.
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat toekomstige milieueffectrapportages (MER) voor windturbinenormen onafhankelijk en volledig zijn, gegeven de zorgen over betrokken adviesbureaus met banden in de windindustrie?
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de procedure en voor de goede kwaliteit van een (plan-)milieueffectrapportage. Milieueffectrapporten voor plannen worden beoordeeld door de onafhankelijke Commissie voor de m.e.r. Ook is het milieueffectrapport onderdeel van de geboden participatie en inspraak. Het milieueffectrapport wordt gebaseerd op de actuele stand van de kennis en geeft eventuele hiaten hierin aan, maar richt zich niet op het uitvoeren van nieuw onderzoek. De Commissie voor de m.e.r heeft in haar advies over het opgestelde plan-MER voor de windturbinebepalingen geconcludeerd dat het milieueffectrapport de milieugevolgen van verschillende milieunormen, waaronder die voor geluid, over het algemeen nauwkeurig in beeld brengt. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor aangetaste onafhankelijkheid of belangenverstrengeling bij betrokken adviesbureaus.
Welke maatregelen neemt u om ecologische schade door windturbines, zoals de impact op vogel- en insectenpopulaties, te onderzoeken en te beperken?
In de huidige praktijk is onder andere toestemming op grond van de Omgevingswet nodig voor een windproject. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt gevraagd om een ecologische toets naar het effect op (populaties van) vogels en vleermuizen. Bij het afgeven van vergunningen worden in voorkomende gevallen ook mitigerende maatregelen zoals een stilstandvoorziening bij bepaalde windturbines voorgeschreven.
Tijdens de EZK-begrotingsbehandeling van 2023 is € 25 miljoen vrijgemaakt om ecologie en biodiversiteit te versterken bij hernieuwbare energieprojecten op land. Het budget wordt over de RES-regio’s verdeeld die hiermee energieprojecten kunnen realiseren en tegelijkertijd de lokale natuur kunnen verbeteren. De Natuur- en Milieufederaties (NMF) en het Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NP RES) hebben een toolbox ontwikkeld met adviezen om de impact op flora en fauna, waaronder vogel- en insectenpopulaties, te beperken. De RES-regio’s worden bij dit traject betrokken.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de kosten van windturbines niet te laten leiden tot hogere energierekeningen voor burgers en waardevermindering van huizen in de nabijheid van windparken?
Zoals aangegeven in het Regeerprogramma is een van de doelen van het kabinet om betaalbare energie te borgen voor mensen met een kleine beurs. Daarom volgen we de ontwikkeling van de energierekening en netwerktarieven voor burgers en bedrijven doorlopend.
Het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) bekostiging elektriciteitsinfrastructuur heeft als doel om inzicht in en grip te krijgen op de omvang van de investeringen in de elektriciteitsinfrastructuur tussen nu en 2040, en de bekostiging, verdeling en financiering ervan. Dit IBO moet leiden tot concrete beleidsopties, die bijdragen aan onze concurrentiepositie en de betaalbaarheid. Een onderzoeksvraag uit de taakopdracht van het IBO is waar de kosten van de uitbreiding en verzwaring van de netten volgens de huidige systematiek neerslaan en welk effect deze investeringen hebben op de nettarieven van burgers en bedrijven. Het kabinet reageert spoedig na publicatie op de beleidsaanbevelingen uit dit IBO (voorzien bij Voorjaarsnota 2025).
Windenergie op land is, naast windenergie op zee, één van de goedkoopste en meest efficiënte bronnen van duurzame elektriciteit en daarmee onmisbaar in de energietransitie. Hoewel windturbines een effect kunnen hebben op de waarde van nabijgelegen woningen, zijn er onder voorwaarden regelingen zoals nadeelcompensatie beschikbaar, waarmee woningeigenaren een tegemoetkoming kunnen krijgen voor schade, zoals waardedaling van hun woning.
Daarnaast zijn er mogelijkheden voor omwonenden om financieel mee te profiteren van windprojecten, bijvoorbeeld via een omwonendenregeling die kortingen op stroom of subsidies voor duurzame aanpassingen biedt, via een omgevingsfonds waarbij ontwikkelaars investeren in lokale voorzieningen zoals natuurontwikkeling en sportfaciliteiten, of door mede-eigenaarschap, waarbij omwonenden of lokale bedrijven aandelen of obligaties kunnen kopen in een windproject.
Bent u bereid een moratorium in te stellen op de verdere uitrol van windturbines op land, totdat er diepgaander onderzoek is verricht naar de gezondheids- en milieueffecten?
Nee, ik zal geen moratorium instellen. Windenergie op land en zee dragen bij aan de energieonafhankelijkheid van Nederland, zoals toegelicht in de Energienota 20242. Daarnaast is windenergie op land onmisbaar voor de energietransitie en het behalen van onze nationale klimaatdoelen, vastgelegd in de Klimaatwet, en Europese klimaat- en energiedoelen in 2030. Het kabinet zet zoveel mogelijk in op wind op zee. Maar de ruimte daar is beperkt en windenergie op zee vraagt veel transportcapaciteit (hoogspanningsmasten) over land.
De plaatsing van windenergie op land gebeurt zorgvuldig, met oog voor andere belangen. Adequate bescherming van milieu en gezondheid, externe veiligheid en luchtvaartveiligheid zijn daarbij randvoorwaarden. Er leven veel zorgen over de mogelijke gezondheidseffecten van het wonen nabij windturbines. Het kabinet heeft begrip voor deze zorgen en vindt het belangrijk dat de plaatsing van windturbines op een zorgvuldige manier gebeurt. De afgelopen jaren zijn er tientallen studies gedaan naar de gezondheidseffecten. We weten dat omwonenden met name geluidshinder kunnen ervaren van windturbines en dat er mogelijk ook een verband is met slaapverstoring. Het RIVM houdt, zoals ook hierboven aangegeven, in opdracht van het Ministerie van KGG de internationale stand van kennis over de gezondheidseffecten van windturbines actueel. Elke drie maanden publiceert het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid een overzicht van nieuwgevonden wetenschappelijke artikelen en andere relevante informatie over windturbines en gezondheid. De Staatssecretaris van Openbaar Vervoer en Milieu werkt momenteel aan het opstellen van milieunormen voor windturbines. Hierbij wordt de meest actuele kennisbasis gebruikt.
Welke acties onderneemt u om ervoor te zorgen dat de besluitvorming in regionale energieregio’s onder volledige democratische controle plaatsvindt, met meer zeggenschap voor burgers?
Het is essentieel om bewoners actief te betrekken bij beslissingen die hun leefomgeving beïnvloeden. Binnen de Regionale Energiestrategieën (RES) zijn zoekgebieden voor wind- en zonne-energie zorgvuldig vastgesteld via een democratisch proces. Het Klimaatakkoord legt eveneens nadruk op proces- en financiële participatie bij hernieuwbare energieprojecten op land. Hierbij is het van belang om alle belanghebbenden vroegtijdig in het proces te betrekken, zowel bij het ontwikkelen van beleid als bij het realiseren van energieprojecten. De Kamer is hierover geïnformeerd in de kabinetsvisie op burgerbetrokkenheid bij de energietransitie3.
Binnen het participatieproces staan beleidsparticipatie, procesparticipatie en financiële participatie centraal. Omwonenden worden actief betrokken bij de ontwikkeling van energiebeleid, de ruimtelijke inpassing van energieprojecten en het maken van afspraken over hun financiële deelname bij de projecten. Gemeenten hebben hierbij een stimulerende en coördinerende rol om de participatie voor duurzame energie-initiatieven te waarborgen. Het kabinet ziet geen aanleiding om extra maatregelen te treffen.
Wat doet u om te voorkomen dat nieuwe windturbineprojecten in strijd met Europese wetgeving worden gerealiseerd, zoals het Europees Hof en de Raad van State recentelijk hebben vastgesteld?
Op basis van uitspraken van het Europees Hof over vergunningen voor windturbines in België heeft de Raad van State in juni 2021 geoordeeld dat de Nederlandse algemene milieunormen voor windturbines in strijd zijn met het Europees recht. Voor deze normen had namelijk een plan-milieueffectrapport opgesteld moeten worden en dat was niet gebeurd. Naar aanleiding van deze uitspraak werkt de Staatssecretaris van Openbaar Vervoer en Milieu aan nieuwe milieunormen voor windturbines op basis van een plan-milieueffectrapport (planMER). De publieke consultatie over de concept-AMvB heeft inmiddels plaatsgevonden. Naar verwachting zal de voorhang bij het parlement dit najaar plaatsvinden. Beoogde inwerkingtreding van de nieuwe milieunormen is gepland op 1 juli 2025. In de tussenliggende periode kunnen bevoegde gezagen (voornamelijk gemeenten) per windpark eigen milieunormen vaststellen om een aanvaardbaar milieubeschermingsniveau te waarborgen. Het Rijk ondersteunt gemeenten hierbij.
Hoe gaat u waarborgen dat de besluitvorming rondom windturbineparken transparanter verloopt en burgers beter geïnformeerd worden?
Zie antwoord vraag 9.
Welke acties onderneemt u om te voorkomen dat vergunningen worden verleend op basis van onrechtmatige normen, zoals aangetoond in diverse rechtszaken tegen bestaande windparken?
Zolang nieuwe windturbinebepalingen nog niet in werking zijn getreden, zullen gemeenten als gevolg van het Nevele-arrest voor zover het nieuwe windparken betreft in de omgevingsvergunning en het bestemmingplan zelf moeten voorzien in een adequaat, op de lokale situatie toegesneden beschermingsniveau. Eigen normen van decentrale overheden dienen goed onderbouwd te worden, onder andere op basis van de wetenschappelijke kennis over Windenergie en Gezondheid. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van dit proces.
Wat gaat u ondernemen om de financiële risico’s voor burgers, zoals de waardedaling van woningen in de omgeving van windturbines en stijgende energiekosten door windprojecten, te beperken?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om de betrokkenheid van onafhankelijke wetenschappers te vergroten bij onderzoek naar de gezondheids- en milieueffecten van windturbines, gezien de monopoliepositie van het RIVM?
Het RIVM is een zelfstandig onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hoewel het Ministerie van VWS eigenaar is van het RIVM en – samen met andere ministeries – optreedt als opdrachtgever, werkt het RIVM onafhankelijk bij de uitvoering van zijn onderzoeken. De Wet op het RIVM waarborgt deze onafhankelijkheid.
In het kader van continue kennisontwikkeling wordt daarnaast een onderzoek naar de gezondheids- en milieueffecten van windturbines niet uitsluitend door het RIVM uitgevoerd. Om de objectiviteit en transparantie te vergroten, wordt voor het blootstelling-respons relatie onderzoek een wetenschappelijke en maatschappelijke klankbordgroep ingesteld. Deze klankbordgroep omvat inhoudelijke specialisten, vertegenwoordigers van bewoners, brancheorganisaties, overheden en GGD’s (Gemeentelijke Gezondheidsdiensten). Hiermee wordt brede betrokkenheid gewaarborgd en wordt expertise vanuit verschillende perspectieven benut.
Gezien deze waarborgen en de betrokkenheid van diverse onafhankelijke deskundigen, ziet het kabinet geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het RIVM in het uitvoeren van haar werkzaamheden.
Welke aanvullende maatregelen neemt u om te waarborgen dat windturbinenormen omwonenden effectief beschermen, met inachtneming van de WHO- en EU-richtlijnen voor industrielawaai?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op vraag 8 en 10 werkt de Staatssecretaris van Openbaar Vervoer en Milieu momenteel aan het opstellen van milieunormen voor windturbines op basis van een plan-milieueffectrapport. Hierbij wordt de meest actuele kennisbasis gebruikt en wordt voor de bescherming tegen ernstige geluidshinder aansluiting gezocht bij de WHO-advieswaarde voor windturbinegeluid. Daarnaast wordt apart aandacht besteed aan de bescherming tegen incidenteel voorkomende bromtonen. De EU-richtlijnen bevatten geen normen voor de bescherming tegen geluid van industrie, windturbines of andere bronnen, de normering is aan de lidstaten zelf.
Wat is uw standpunt ten aanzien van de kosten-batenverhouding van windenergie vergeleken met andere energiebronnen, met oog op de systeemkosten, afhankelijkheid van fossiele energie en inefficiëntie van windenergie?
Windenergie op land is, naast windenergie op zee, één van de goedkoopste en meest efficiënte bronnen van duurzame elektriciteit en daarmee onmisbaar in de energietransitie (zie ook het antwoord op vraag 7 en 13). Producenten van windenergie ontvangen via de SDE++ gedurende de looptijd van een project alleen subsidie voor de onrendabele top, dat wil zeggen wanneer de marktopbrengsten te laag zijn om de kostprijs te dekken. De onrendabele top van windenergie op land is in de meeste gevallen beperkt. Ook wordt er in sommige gevallen verwacht dat over de gehele looptijd geen subsidie uitgekeerd zal worden. Voor windenergie op zee is er voor de meeste projecten helemaal geen sprake van subsidie. De geboden ondersteuning door de SDE++ is noodzakelijk voor hernieuwbare elektriciteitsprojecten om de financieringskosten en daardoor de totale kosten laag te houden. Nederland moet in de komende jaren nog veel productie van hernieuwbare energie realiseren om tot een hernieuwbaar energiesysteem te komen, en daarvoor zijn ook nog windparken nodig.
Hoe waarborgt u de veiligheid van megawindturbines met hoogtes tot 280 meter voor omwonenden, gezien de potentiële risico’s voor gezondheid en veiligheid?
De voorgenomen normen voor geluid en externe veiligheid zullen ook gelden voor hogere windturbines en bieden daarmee dezelfde basisbescherming voor omwonenden (gelet op de kans op hinder en het plaatsgebonden risico). Het kan wel zijn dat de hiervoor benodigde afstand tot de bebouwing groter is bij grotere windturbines, in vergelijking met relatief minder hoge windturbines. Daarnaast moeten, net als elke windturbine, ook grotere windturbines voldoen aan de ontwerpnorm NEN-EC-IEC 61400-1. Verder moeten ook grotere windturbines minimaal één keer per jaar worden beoordeeld op beveiligingen, onderhoud en reparatie. Hiermee wordt de veiligheid van windturbines voldoende geborgd.
Welke stappen gaat u zetten om vervuiling van bodem en grondwater door windturbines door onder andere bladererosie en veiligheidsincidenten te onderzoeken en wettelijk te reguleren, gezien de risico’s voor landbouwgrond en voedselvoorziening?
Bij de productie van en in de windmolens zelf worden chemische stoffen gebruikt. De in het Clintel rapport genoemde stof Bisfenol A wordt breed in de industrie toegepast (totaal gebruiksvolume in de EU is meer dan een miljoen ton per jaar). Gelijktijdig heeft de stof inderdaad ook schadelijke eigenschappen. Het is belangrijk om te zorgen dat het gebruik van deze stoffen niet leidt tot risico’s voor gezondheid of milieu. Dit geldt ook voor het gebruik van andere mogelijk schadelijke stoffen. Het is het meest effectief en het minst marktverstorend om maatregelen die risico’s voor gezondheid en milieu van chemische stoffen te voorkomen, EU-breed te treffen. In dit verband is het relevant dat Duitsland op dit moment een restrictie voorbereidt op het gebruik van bisfenol A en vergelijkbare chemische stoffen. Nederland heeft, samen met andere landen waaronder Duitsland, een voorstel opgesteld voor een brede restrictie op het gebruik van PFAS. De Nederlandse inzet is erop gericht om zo snel mogelijk te beslissen over dergelijke restrictievoorstellen.
De tegenwerking van verduurzaming door woningbouwvereniging Delta Wonen te Zwolle |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van bewoners van woningen van Delta Wonen te Zwolle, die tegenwerking ervaren bij hun pogingen om verduurzamingsmaatregelen door te voeren, zoals de installatie van airco’s en zonnepanelen?
Ja, ik ben bekend met deze situatie.
Klopt het dat Delta Wonen de installatie van fluisterstille airco’s niet toestaat, terwijl bewoners hierom verzoeken vanwege de hitteproblemen op de bovenste etages?
Uit contact met deltaWonen begrijp ik dat de aanvraag van fluisterstille airco’s overwogen is, maar is afgewezen vanwege het feit dat het geluid en de trillingen van de airco’s overlast voor de buren en omwonenden op andere etages veroorzaken. Dat komt doordat de constructievloeren en balkons van het woongebouw met elkaar in verbinding staan.
Bent u ervan op de hoogte dat bewoners met gezondheidsproblemen, extra te lijden hebben onder de oplopende binnentemperaturen, die in de zomer kunnen oplopen tot 30 graden Celsius, zonder de mogelijkheid van adequate verkoeling?
Het klopt dat er woningen zijn die in de zomer snel kunnen opwarmen. Met name voor mensen met een slechte gezondheid kan dit een probleem zijn. Bewoners kunnen hier in eerste instantie zelf diverse maatregelen voor treffen, zoals voorkomen dat de zon overdag instraalt door overdag de gordijnen te sluiten, schaduwdoeken ophangen en ventileren op momenten dat het buiten kouder is dan in de woning.
In situaties waarin de huurwoning zodanig opwarmt dat er sprake is van een gebrek en de bewoner dit zelf niet kan oplossen, kan de huurder de verhuurder aanspreken voor een oplossing, die zonwering kan plaatsen en aanvullende ventilatiemaatregelen kan treffen.
Mocht de verhuurder weigeren een oplossing te bieden, dan kan de huurder naar de Huurcommissie of eventueel de rechter stappen. Het kan zijn dat de verhuurder er op basis van de uitspraak van de Huurcommissie of de rechter voor kiest andere maatregelen te treffen dan de plaatsing van de installatie van airco’s en zonnepanelen. Daar heeft de verhuurder keuzevrijheid in zolang de maatregelen ervoor zorgen dat het gebrek van oververhitting wordt opgeheven.
Kunt u bevestigen dat Delta Wonen vorig jaar voorzieningen heeft aangebracht, zoals een vernieuwd plat dak en elektrische kookvoorzieningen, om verduurzaming zoals de aanleg van zonnepanelen mogelijk te maken, maar dat zij nu weigert mee te werken aan de daadwerkelijke uitvoering van deze verduurzamingsplannen?
Ik heb begrepen dat deltaWonen de woningen in 2023 heeft verduurzaamd door de gevels en het dak te isoleren, een nieuw ventilatiesysteem te plaatsen, groepenkasten te vernieuwen en een aansluiting voor zonnepanelen te maken. Hierbij heeft deltaWonen bekeken of bij de verduurzaming ook zonnepanelen geplaatst kunnen worden. In deze situatie is volgens deltaWonen het probleem dat het dakoppervlak ruimte biedt voor drie zonnepanelen per woning, waardoor de servicekosten die deltaWonen aan de bewoners doorberekent om de investering te kunnen doen, hoger uitvallen dan de besparing die de zonnepanelen opleveren op de energierekening. Daardoor pakt het plaatsen van drie zonnepanelen voor de bewoners en voor de corporatie – met de huidige stand van de techniek – niet goed uit. deltaWonen heeft aangegeven dat zij in de gaten houden of het met goedkopere of nieuwe, innovatieve zonnepanelen in de nabije toekomst wel voordelig is om drie zonnepanelen te installeren.
Deelt u de mening dat woningcorporaties een belangrijke rol hebben in de energietransitie en dat tegenwerking van verduurzamingsmaatregelen, die bewoners zelf aandragen en waar al voorzieningen voor zijn getroffen, onacceptabel is?
Ik ben het zeer met u eens dat woningcorporaties een belangrijke rol vervullen in de energietransitie van de gebouwde omgeving. Ze zorgen er met de verduurzaming van hun bezit voor dat huurders een lagere energierekening krijgen, het comfort van de woningen omhoog gaat en de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving afneemt. In 2022 zijn er Nationale Prestatieafspraken met de corporatiesector gemaakt over de inspanningen die corporaties de komende jaren moeten leveren om de volkshuisvestelijke opgaven op het gebied van nieuwbouw, verduurzaming, leefbaarheid en betaalbaarheid te realiseren. Onderdeel van die afspraken is onder andere dat woningcorporaties alle slecht geïsoleerde huurwoningen met energielabels E, F en G uiterlijk in 2028 uitfaseren en 675.000 woningen toekomstklaar isoleren tot en met 2030. Daarnaast is afgesproken dat woningcorporaties geen huurverhoging doorvoeren aan de zittende huurders voor de isolatiemaatregelen die zij nemen. Op dit moment ben ik in gesprek met de corporaties over het verder versnellen van hun inspanning op verduurzaming voor de komende 10 jaar.
Verduurzamingsinitiatieven van bewoners kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van corporatiebezit en kunnen een verdere versnelling in gang zetten. Desondanks kunnen verhuurders, en dus ook woningcorporaties, een goede reden hebben om niet met een initiatief in te stemmen. Het initiatief kan de verduurzamingsplannen van de verhuurder bijvoorbeeld doorkruisen of belemmeren, qua timing of omdat de verhuurder de verduurzaming van de woning wil combineren met groot- en planmatig onderhoud. Het integraal verduurzamen van de woning zorgt voor een grotere besparing op de energierekening en is kostenefficiënter dan een specifieke maatregel. Bovendien is één maatregel vaak onvoldoende om de woning structureel te verbeteren en voor echt lagere energielasten te zorgen. Dat neemt niet weg dat het bezwaar van de verhuurder moet opwegen tegen de redenen die de huurder(s) voor het initiatief hebben. Dat zal per situatie verschillend zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen om te waarborgen dat woningcorporaties zoals Delta Wonen hun medewerking verlenen aan verduurzamingsinitiatieven die bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen en het verminderen van de afhankelijkheid van aardgas?
Woningcorporaties dragen met de Nationale Prestatieafspraken bij aan het verlagen van de energierekening van huurders, het verhogen van het wooncomfort en het behalen van de klimaat- en energiedoelen. Daarnaast is een ontwerpwetsvoorstel in voorbereiding ter aanpassing van het initiatiefrecht van huurders. Dit wetsvoorstel richt zich op meer en betere mogelijkheden voor huurders om initiatieven te nemen voor verbeteringsmaatregelen. De consultatiereacties op dit wetsvoorstel worden momenteel verwerkt. Ik verwacht dit wetsvoorstel in de loop van 2025 naar uw Kamer te kunnen sturen.
Bent u bereid in overleg te treden met Delta Wonen om tot een oplossing te komen die zowel de verduurzaming als het welzijn van de bewoners ten goede komt?
Zowel de bewoners van deltaWonen als deltaWonen zelf kunnen goede redenen voor en tegen het verduurzamingsinitiatief hebben. Het is niet aan mij om in individuele situaties te beoordelen en te toetsen of het initiatief van de bewoners redelijk is. Bewoners kunnen zich, als de gesprekken met deltaWonen niet tot het gewenste resultaat leiden, tot de Huurcommissie of de rechter wenden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook woningcorporaties hun verantwoordelijkheid nemen en bewoners niet worden tegengewerkt in hun wens om te verduurzamen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 6 werk ik op dit moment aan een wetsvoorstel voor het verbeteren van het initiatiefrecht van huurders. Dat wetsvoorstel richt zich op meer en betere mogelijkheden voor huurders om initiatieven te nemen voor verbeteringsmaatregelen. Mijn doel is dit wetsvoorstel in de loop van 2025 aan uw Kamer te sturen. Daarnaast verwacht ik van corporaties dat zij blijven werken aan het realiseren van de doelen rond verduurzaming die zijn vastgelegd in de Nationale prestatieafspraken. Ik zie ook dat corporaties de afgelopen jaren een versnelling hebben ingezet met verduurzaming.
De onderzoekscommissie naar de kwaliteit van de ramingen en het budgetrecht |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bevestigt u dat u tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen van 3 oktober 2024 heeft aangekondigd om een onderzoek te doen naar de kwaliteit van de ramingen en daartoe een onderzoekscommissie, een «Commissie van Wijzen», in te stellen?
Ja. Ik heb het initiatief genomen om een expertgroep realistisch ramen in te stellen. Dit heb ik bij de Algemene Financiële Beschouwingen aangekondigd. Ik heb tegelijk met de beantwoording van deze vragen de onderzoeksopzet en taakopdracht aan uw Kamer aangeboden.
Kunt u aangeven per jaar over 2021, 2022, 2023 en 2024 wat de raming van het tekort, de raming van de uitgaven en de raming van de inkomsten was bij het Centraal Planbureau (CPB) en bij het Ministerie van Financiën ten tijde van de Miljoenennota was?
De ramingen van tekort, uitgaven en inkomsten door Financiën zijn te vinden in de Miljoenennota’s voorafgaand aan de genoemde jaren. De ramingen van het CPB staan in de Macro-Economische Verkenningen (MEV) die op hetzelfde moment zijn gepubliceerd.
Kunt u aangeven per jaar over 2021, 2022, 2023 en 2024 wat het tekort was, wat de totale inkomsten waren en wat de totale uitgaven waren (voor 2024: de meest actuele stand van zaken)?
De realisaties van tekort, inkomsten en uitgaven zijn te vinden in het Financieel Jaarverslag van het Rijk over de betreffende jaren. De meest actuele stand van zaken voor 2024 vindt u terug in de Miljoenennota. Bij Najaarsnota, die uiterlijk 1 december aan uw Kamer zal worden aangeboden, zal een nieuwe update van het EMU-saldo gegeven worden.
Kunt u voor zowel het CPB als voor het Ministerie van Financiën aangeven hoeveel de voorspellingen op het tekort, de inkomsten en de uitgaven afweken van de ramingen?
De verschillen tussen ramingen en realisaties vormen onderdeel van het onderzoek van de expertgroep. Eerdere analyses kunt u vinden in het rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte, de beleidsdoorlichting van het begrotingsbeleid, het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2023, de Voorjaarsnota 2024 en de Miljoenennota 2025. In het onderzoek zal langjarig worden teruggekeken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot deze Commissie van Wijzen?
Ik informeer u hierover via de gelijktijdig met deze beantwoording verzonden brief.
Hoe gaat gewaarborgd worden dat deze commissie neutraal en onafhankelijk zal zijn?
De expertgroep heeft een onafhankelijke voorzitter. Bovendien neemt een onafhankelijke wetenschapper als externe expert plaats in de groep. Dit is de gebruikelijke manier om neutraliteit in beleidsevaluaties te borgen. Daarnaast nemen CBS, DNB en CPB zitting in de werkgroep die allen een onafhankelijke rol hebben binnen de context van ramingen en realisaties en om die reden ook gevraagd zijn.
Bent u bereid om in de commissie buitenlandse wetenschappers te vragen?
Voor deze commissie is gekozen om primair nationale expertise in de werkgroep zitting te laten nemen: CPB, DNB en CBS naast de onafhankelijke expert en voorzitter. Buitenlandse wetenschappers hebben niet de specifieke kennis en expertise van de Nederlandse begroting die nodig is voor dit onderzoek. Wel zullen internationale ramingen, van bijvoorbeeld IMF en OESO, betrokken worden in het onderzoek en zal waar mogelijk gekeken worden naar de afwijkingen in andere landen over de afgelopen periode. Hierbij is het tijdpad met publicatie vóór de Voorjaarsnota ambitieus.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de commissie bestaat uit mensen die niet direct of indirect voor het Ministerie van Financiën en/of het CPB werken?
Nee. De expertise die medewerkers van Financiën en het CPB hebben is onmisbaar voor dit onderzoek. Daarbij hecht ik eraan dat de expertgroep wordt geleid door een onafhankelijke voorzitter en wetenschapper, zoals ook aangegeven tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen.
Wat is de onderzoeksvraag die de commissie moet beantwoorden?
Ik informeer u hierover via de gelijktijdig met deze beantwoording verzonden brief.
Bent u bereid de onderzoeksopdracht eerst met de Kamer te bespreken?
Gezien de krappe deadline zal de expertgroep nu van start gaan met de taakopdracht die staat toegelicht in mijn brief.
Kunt u de Commissie van Wijzen vragen om advies uit te brengen over de wijze waarop de ramingen zowel aan de inkomstenkant als aan de uitgavenkant verbeterd kunnen worden?
Ja, dit is onderdeel van de vraag. Zie hierover de gelijktijdig met deze beantwoording verzonden brief.
Kunt u ook een vergelijking maken met het ramingsproces in landen zoals Duitsland, Frankrijk en België?
Het rapport zal een internationale vergelijking bevatten en zal waar relevant en mogelijk ook kijken naar de landen die u noemt.
Kunt u er voor zorgen dat er uiterlijk 1 april 2025 een rapportage wordt opgeleverd?
Ja.
Wilt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Ja.
PV-panelen en PFAS |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Schaduwkant van een zonnepaneel»?1
Ja.
Wat gaat u doen om de productie van Europese zonnepanelen te bevorderen, gezien de dumping van goedkope Chinese panelen in Europa en de Amerikaanse maatregelen?
In juni 2023 is het SolarNL programma goedgekeurd, een Nationaal Groeifondsproject van bijna 900 miljoen euro, waarvan 312 miljoen euro subsidie en 100 miljoen euro lening, voor het stimuleren van een Nederlandse maakindustrie van duurzame en innovatieve zonnepanelen producten (488 miljoen euro volgt via private financiering). Het SolarNL programma ontwikkelt en industrialiseert drie innovatieve zon-PV-technologieën die elk concurrerend zijn op hun respectieve innovatieve markten: hoog-rendements silicium heterojunctie «HJT»-cellen, flexibele perovskiet-folies en op maat gemaakte zonnepanelenproducten voor integratie in gebouwen en automotive toepassingen.
Binnen SolarNL wordt er samengewerkt met partijen uit andere EU-landen. Gezamenlijk geven zij een impuls aan een Nederlandse en Europese maakindustrie voor zonnepanelen. Daarmee dragen zij bij aan de energietransitie én de energieonafhankelijkheid van Nederland en de EU.
Wetgeving vanuit de Europese Unie is van groot belang voor het opbouwen van klimaatneutrale industrieën in Europa en om de Chinese concurrentie het hoofd te kunnen bieden. De aangekondigde Net Zero Industry Act, waarbij er wordt verplicht om minstens 40% lokaal geproduceerde netto-nultechnologieën te produceren, zal een boost geven aan de Nederlandse PV-maakindustrie en de afzetmarkt binnen Europa versterken.
Wat is het huidige percentage zonnepanelen dat geproduceerd is in Nederland, de EU en daarbuiten?
De productiecapaciteit van zon-PV wordt uitgedrukt in Wattpiek (Wp). In 2023 werd ongeveer 400 GWp (400 miljoen Wattpiek) wereldwijd geproduceerd. Hiervan werd meer dan 80% geproduceerd in China. India produceerde ongeveer 5–6% van het totale GWp, de VS ongeveer 3–5% en Europa ongeveer 3–4%. Overige producerende landen zijn Vietnam, Maleisië, Zuid-Korea en Japan. Nederland was verantwoordelijk voor minder dan 1% van de globale productiecapaciteit2.
Van de verschillende stappen van de waardeketen heeft Europa op dit moment de sterkste positie op de productie van modules, met 55 bedrijven die samen 14 GW aan productiecapaciteit hebben. In Nederland wordt op dit moment een kleine hoeveelheid vaak gespecialiseerde producten gemaakt (bijvoorbeeld lichtgewicht, met op maat gemaakte kleuren en patronen, of building integrated). In het SolarNL Groeifondsprogramma werken bedrijven en kenniscentra aan het realiseren of opschalen van productie.
Welke stappen onderneemt u om lokaal geproduceerde zonnepanelen te stimuleren?
De belangrijkste stap die wordt genomen is het goedkeuren en uitvoeren van het Nationaal Groeifondsprogramma SolarNL. Zoals benoemd in vraag 2, stimuleert het Groeifondsprogramma de lokale maakindustrie van duurzame en innovatieve zonnepanelen. Hiermee draagt het programma bij aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 en zorgt het voor duurzaam verdienvermogen voor de Nederlandse economie.
Daarnaast wordt verkend welke opties er zijn binnen de rijksoverheid, en daarbuiten, om de vraag naar duurzame zonnepanelen te stimuleren. Zo wordt er gekeken hoe in de subsidies van het Rijk, zoals de SDE++, de keuze voor duurzame zon-PV verder gestimuleerd kan worden, bijvoorbeeld door het opnemen van aanvullende eisen (in Europese context ook wel non-pricing criteria) in aanbestedingen en tenders. Op dit moment vindt onderzoek plaats over de mogelijkheid tot certificering van de CO2 -voetafdruk van zonnepanelen, om meer transparantie te bewerkstelligen en indien mogelijk een eis met maximale voetafdruk op te nemen in de SDE++.
Welke zonnepanelen bevatten PFAS en hoeveel ervan zijn dat?
Een groot aandeel zonnepanelen bevat een PFAS-folie die in het achterblad (ook wel bekend als de «backsheet») van het zonnepaneel is verwerkt. PFAS vergroot de bestendigheid en daarmee de levensduur van het zonnepaneel tegen ultraviolet licht, vocht en andere weersinvloeden. Zonnepaneelproducenten zijn niet verplicht te vermelden op het product welk merk en type backsheet zij gebruiken. Hierdoor en door de diversiteit aan fabrikanten op de markt en grondstoffen die worden gebruikt voor de productie van zonnepanelen, zijn inschattingen over welk type zonnepanelen PFAS bevatten en het aandeel PFAS in zonnepanelen onzeker.
Bestaan er PFAS-vrije zonnepanelen en wat doet u om deze te bevorderen?
Naast dat het aandeel PFAS in zonnepanelen al langzaam wordt teruggebracht door verschillende fabrikanten van backsheets, bestaan ook PFAS-vrije backsheets voor zonnepanelen. Dit betreft veelal PFAS-vrije polymeren of glas. Waar het marktaandeel van PFAS-vrije polymeren in opkomst is, groeit het marktaandeel van glas-glaspanelen sneller. Glas-glaspanelen hebben het voordeel dat deze vaak bifacial zijn waardoor deze zonnestroom opwekken aan beide zijden van het zonnepaneel. Glas-glaspanelen hebben een beperkte meerprijs ten opzichte van conventionele zonnepanelen. We verkennen met betrokken partijen eventuele maatregelen op het gebied van bevordering van PFAS-vrije zonnepanelen.
Overweegt u PFAS-vrije zonnepanelen verplicht te stellen bij overheidsaanbestedingen?
De huidige criteria voor maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) door overheden bevatten momenteel geen verplichtingen op PFAS-vrije zonnepanelen. Wel is er aandacht voor dit onderwerp in de zogeheten MVI Buyer Group Duurzame Zonnepanelen3. Volgend jaar worden de MVI-criteria weer geactualiseerd en zal het eventueel toevoegen van PFAS-vrije zonnepanelen als criterium kunnen worden bezien. Bij de realisatie van projecten met zonnepanelen door het Rijksvastgoedbedrijf wordt vaak gebruik gemaakt van glas-glaspanelen waar geen PFAS in zit.
Een belangrijke ontwikkeling is de publicatie van het voorstel voor een Europees verbod op PFAS door het European Chemical Agency (ECHA) op 7 februari 2023. Een dergelijk Europees verbod wordt een restrictie genoemd. Momenteel wordt in Europa bezien welke uitzonderingen er op dat verbod moeten komen voor noodzakelijke toepassingen van PFAS. Het initiatief voor de restrictie is genomen door Nederland in samenwerking met Denemarken, Duitsland, Noorwegen en Zweden. Over de wenselijkheid en mogelijkheid van dit voorstel voor een Europees verbod op PFAS zal nader overleg worden gevoerd met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Hoe staat het met de recycling van zonnepanelen in Nederland?
Volgens het Nationaal (W)EEE Register (NWR) is in 2023 1.381 ton ingezameld aan zonnepanelen waarvan 51 ton is gerecycled in Nederland en 1.053 ton in Europa4. Afgedankte zonnepanelen vallen onder de wettelijk verplichte uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) volgens de EU Richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (Richtlijn AEEA). Op basis van UPV zijn producenten en importeurs verplicht afgedankte zonnepanelen in te zamelen en correct te verwerken. De producentenorganisatie Stichting OPEN (Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland) voert in opdracht van de producenten en importeurs deze wettelijke UPV-taken collectief uit in Nederland.
Voor de bekostiging van de inzameling en verwerking van afgedankte zonnepanelen moeten producenten en importeurs een afvalbeheerbijdrage betalen aan Stichting OPEN. Vanaf 1 juli 2023 is deze afvalbeheerbijdrage voor zonnepanelen verhoogd naar 4 cent/kg. Met deze afvalbeheerbijdrage kan Stichting OPEN de komende jaren een fonds opbouwen waarmee de benodigde recyclingcapaciteit, die na 2030 een toenemende hoeveelheid afgedankte zonnepanelen moet verwerken, kan worden gerealiseerd. Tevens heeft Stichting OPEN in juni jl. een uitvraag gepubliceerd waarop partijen die voldoende kwalitatieve en kwantitatieve recyclecapaciteit kunnen bieden, hun interesse kenbaar kunnen maken5.
Zijn er volledig recyclebare zonnepanelen en overweegt u een verplichte recyclenorm?
In de Richtlijn AEEA zijn minimale streefcijfers opgenomen voor nuttige toepassing en recycling van de gehele productgroep AEEA. Er zijn dus geen toegesneden waarden opgenomen voor zonnepanelen. In 2026 zal de Europese Commissie een voorstel publiceren voor herziening van de richtlijn, dat biedt een kans om desgewenst toegesneden eisen te stellen op hergebruik, nuttige toepassing en recycling van AEEA en zonnepanelen in het bijzonder.
Middels de uitvoering van het Nationale Programma Circulaire Economie wordt gewerkt aan het bevorderen van circulaire zonnepanelen. Verschillende maatregelen worden uitgevoerd waarbij prioritering wordt gegeven aan maatregelen met de meeste slagkracht op korte termijn, zoals het verkennen van een maximale CO2-voetafdruk voor zonnepanelen. Het is namelijk van groot belang om de transitie naar een circulaire economie in de uitrol van zonnepanelen door te maken.
Het bericht 'Vernietiging Armeens erfgoed in Nagorno-Karabach: 'Doelbewust uitwissen geschiedenis'' |
|
Claudia van Zanten (BBB), Henk Vermeer (BBB) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Vernietiging Armeens erfgoed in Nagorno-Karabach: «Doelbewust uitwissen geschiedenis»»? Zo ja wat is uw beider reacties hierop?1
Wij zijn bekend met dit artikel. Wij hechten groot belang aan de bescherming van het Armeens cultureel erfgoed in de zuidelijke Kaukasus.
Kunt u toezeggen dat u de Azerbeidzjaanse ambassadeur gaat ontbieden over de doelbewuste vernietiging van soms eeuwenoud Armeens erfgoed in Nagorno-Karabach en de daarbij mogelijk gepaard gaande schending van mensenrechten die de overgebleven Armeniërs kunnen treffen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zonder meer bezorgd over de berichten aangaande het Armeens cultureel erfgoed. Het cultureel erfgoed ter plaatse kent een lange en complexe geschiedenis, waarbij zowel Armeense als Azerbeidzjaanse culturele erfstukken in de afgelopen decennia beschadigd of vernietigd zijn geraakt.
Nederland hecht groot belang aan het Haags Verdrag van 1954 en het Tweede Protocol van 1999, waar beide landen partij bij zijn. Deze verdragen verplichten hen om schade aan culturele goederen tijdens gewapende conflicten te voorkomen. We moedigen beide landen aan om deze verplichtingen na te leven en bij te dragen aan de bescherming van het cultureel erfgoed; voor wat betreft genoemde regio moedigen we Azerbeidzjan hiertoe aan.
Het belang van bescherming van cultureel erfgoed in de regio heeft Nederland recentelijk op hoog niveau opgebracht bij de Azerbeidzjaanse overheid. Nederland heeft daar nogmaals toegezegd gekregen dat Azerbeidzjan cultureel erfgoed in de regio zal beschermen en dat Azerbeidzjan de samenwerking met UNESCO opzoekt. Azerbeidzjan gaf in dat gesprek aan dat – sinds het de Karabach regio en de omliggende gebieden onder eigen controle heeft – er verschillende stappen zouden zijn gezet om dit erfgoed te beschermen.
Kunt u de regering van Azerbeidzjan oproepen direct te stoppen met het verder beschadigen, onteren en uitwissen van Armeens erfgoed, waaronder ook christelijke kerken, kloosters en begraafplaatsen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u de regering van Azerbeidzjan dringend verzoeken de plegers van deze misdaden op te sporen en te straffen voor hun misdaden, een deel van hen is immers op camera's vastgelegd en daarmee makkelijk te vinden? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht groot belang aan het Haags Verdrag van 1954 en het Tweede Protocol daarbij, dat ieder land een verbod oplegt om misdaden tegen een ander volk en zijn historisch-culturele goederen te begaan en partijen ook verplicht om schendingen van het Verdrag en Tweede Protocol als misdrijven aan te merken, nationaal strafbaar te stellen en daders te vervolgen. Het is aan Armenië en Azerbeidzjan om binnen dit kader zorg te dragen voor opsporing en vervolging van misdrijven. Het kabinet steunt het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan en roept beide partijen op om te komen tot een alomvattend vredesakkoord met inbegrip van bescherming van cultureel erfgoed.
Wilt u de regering van Azerbeidzjan dringend verzoeken de Armeense minderheden die nog in Nagorno-Karabach zijn overgebleven te beschermen en met rust te laten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in gesprek met de Azerbeidzjaanse autoriteiten, waarin mensenrechten steevast worden genoemd. Nederland onderschrijft daarbij in het bijzonder het belang van de bescherming van kwetsbare groepen. In gesprekken met de Azerbeidzjaanse overheid heeft deze zich gecommitteerd aan bescherming van de (weinige) Armeniërs die nog in de regio wonen.
Wilt u de regering van Azerbeidzjan dringend verzoeken aan te geven hoe zij de Armeense minderheden die Nagorno-Karabach ontvlucht zijn of nog zijn overgebleven gaat compenseren voor hun achtergelaten en/of beschadigde bezittingen? Zo nee, waarom niet?
De spanningen tussen Armeniërs en Azerbeidzjanen in de Karabach regio hebben historische wortels die teruggaan tot het einde van de negentiende en eeuw. In deze lange periode zijn aan beide zijden grote groepen mensen van huis en haard verdreven, en hebben daar immateriële en materiële schade bij geleden, waaronder ook schade aan cultureel erfgoed. Mede daarom hecht het kabinet grote waarde aan de onderhandelingen over een alomvattend vredesakkoord. Het is aan de beide landen om te bepalen op welke plaats in dat proces de situatie van vluchtelingen («internally displaced persons») moet worden behandeld. Beide partijen hebben aangegeven al vergevorderd te zijn in dit proces en bilateraal de vredesbesprekingen voort te zetten. Nederland blijft beide partijen voortdurend aanmoedigen om snel tot een vredesakkoord te komen. Naar aanleiding van de motie van de leden Kahraman en Ceder (motienummer 21501-02-2947) over de bescherming van het Armeens cultureel erfgoed heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse zaken van 14 oktober de EU en de Europese lidstaten verzocht om Armenië en Azerbeidzjan te blijven oproepen tot een alomvattend vredesakkoord te komen, met inbegrip van bescherming van cultureel erfgoed.
Kunt u aangeven of en wat voor projecten er op het gebied van educatieve en/of culturele uitwisselingen op dit moment lopen met Armenië en/of Azerbeidzjan, en of u op deze of op andere wijze een rol kan spelen om deze ontwikkelingen te stoppen en meer begrip voor elkaars culturen te krijgen?
De Nederlandse ambassades financieren activiteiten met behulp van diverse budgetten. Prioritair is bevordering van het vredesproces in Armenië en Azerbeidzjan. Ook zijn er activiteiten ter bevordering van mensenrechten, democratie en rechtsstaat en ter versterking van het maatschappelijk middenveld.
Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de financiering van een project gericht op identificatie menselijke resten die zijn aangetroffen in de Karabach regio, uitgevoerd door The International Commission on Missing Persons (ICMP). Dit project richt zich ook op het opbouwen van een samenwerkingsmechanisme tussen beide landen en kan bijdragen aan de verwerking van het gedeelde traumatische verleden.
Kunt u de huidige gebeurtenissen onderdeel laten uitmaken van onderwijsprogramma's over de Armeense genocide als zijnde een actueel voorbeeld van het uitwissen van de geschiedenis van een volk, net zoals ook gerichter onderwijs over bijvoorbeeld de holocaust in het regeerakkoord is opgenomen?
Scholen in Nederland bepalen zelf hoe zij binnen de bestaande wettelijke kaders inhoudelijk invulling geven aan de kerndoelen. Het staat ze vrij om als verdieping voorbeelden te geven van conflicten door de geschiedenis heen. Aan antisemitisme, de Holocaust en Jodenvervolging zijn scholen verplicht om aandacht te besteden in hun lessen. In het primair onderwijs is kennis over de Holocaust verwerkt in de kerndoelen 52 en 53, vallend onder het domein «Oriëntatie op jezelf en de wereld – Tijd». In de onderbouw van het voortgezet onderwijs is kennisoverdracht van de Holocaust verwerkt in kerndoel 37, vallend onder onderdeel «Mens en maatschappij». Ook in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs wordt onder andere via de vakken geschiedenis en maatschappijleer aandacht besteed aan burgerschap, Holocaust en internationale relaties. De kerndoelen worden enkel op hoofdlijnen vastgesteld.
Kunt u gezamenlijk in kaart brengen waar op dit moment in andere conflicten het behoud en voortbestaan van erfgoed, historie en de cultuur van strijdende partijen risico's lopen en wat Nederland eraan zou kunnen doen om dit te beschermen?
Op veel plaatsen in de wereld, zoals in Oekraïne, Soedan, Jemen, Gaza en Libanon zijn conflicten gaande waarbij ook schade wordt aangebracht aan historisch erfgoed en cultuur. Nederland maakt deel uit van samenwerkingsverbanden die zich inzetten voor behoud en bescherming van cultureel erfgoed, zoals via de VN organisatie voor onderwijs en cultuur UNESCO. Met UNESCO organiseerde Nederland in mei in Den Haag de conferentie «Cultural Heritage and Peace: Building on 70 years of UNESCO Hague Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict» om aandacht te vestigen op het belang van de bescherming van cultureel erfgoed tijdens gewapend conflict. Ook steunt Nederland de uitvoeringsorganisatie CER (Cultural Emergency Response) die zich volledig toelegt op cultural emergency response in crisisgebieden.
Hoe het groene beleid van de Europese Unie kwalijke emissies buiten de EU veroorzaakt. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het onderzoek «Global spillover effects of the European Green Deal and plausible mitigation options» van de Universiteit van Groningen?1
Ja. Het onderzoek bevat diverse herkenbare conclusies. Bijvoorbeeld dat de spillover-effecten van Europees duurzaamheidsbeleid een aandachtspunt vormen. Vervolgens stelt het rapport drie opties voor, met als doel om zulke spillover-effecten te beperken: (1) het verkleinen van de verschillen in gewasopbrengsten in ontwikkelingsregio’s, (2) het uitfaseren van op voedsel gebaseerde biobrandstoffen in de Europese Unie en (3) het aanpassen van het dieet op basis van de door de EAT-Lancet Commissie aanbevolen diëten.
Het kabinet heeft enkele opmerkingen bij het onderzoek. Zie daarvoor de beantwoording van de onderstaande vragen.
Herkent u de conclusies van het onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat landbouwgrond in de Europese Unie (EU) wordt omgezet tot bebossing om EU-doelstellingen te halen?
Het kabinet is van mening dat er zeer zorgvuldig moeten worden omgegaan met landbouwgrond en de conclusies uit het rapport onderschrijven dat standpunt. Mede in dat licht werkt het kabinet ook aan een nieuw kader voor het beter beschermen van hoogwaardige landbouwgrond. Dat sluit het behalen van doelstellingen op het gebied van natuur, biodiversiteit en klimaat echter niet uit.
Het kabinet is van mening dat een toekomstgericht voedselsysteem met een sterke landbouwsector hand in hand kunnen gaan met het realiseren van doelstellingen op het gebied van natuur, biodiversiteit en klimaat. Onderdeel hiervan is dat er in de EU meer bomen en bossen worden aangeplant en dat de EU de uitstoot van broeikasgassen drastisch vermindert, de effecten van klimaatverandering keert en biodiversiteit herstelt. De Green Deal geeft daar voor een belangrijk deel invulling aan.
Er zijn verschillende typen omgeving die in aanmerking komen voor de aanplant van bos of bomen, waaronder stedelijke parken, openbare en particuliere eigendommen, vergroening van gebouwen en infrastructuur, en landbouwgebied. Naar schatting is er in 2030 4,8 miljoen ha aan verlaten landbouwgrond in de EU. Deze gronden zijn in de EU-bossenstrategie aangemerkt als kans voor bosaanplant. Nederland heeft deze strategie verwelkomd. Hiermee wordt echter geen causaal effect onderbouwd tussen bebossing binnen de EU en de verplaatsing van voedselproductie naar buiten de EU.
Het genoemde onderzoek stelt dat het beleid van de Europese Green Deal voor bioenergiegewassen, de introductie van biologische landbouw, en bebossing in de EU mogelijk zouden kunnen leiden tot een toename aan landbouwgrond buiten de Europese Unie als aan de in het artikel gestelde voorwaarden wordt voldaan.
De impact op verschillende regio’s varieert aanzienlijk. In het genoemde artikel (p. 2) wordt aangegeven dat de uitbreiding van landbouwgebied buiten de EU vooral verwacht wordt in de rest van Europa, Rusland en Canada. Voor de rest van Europa betreft dit met name verwachte omzetting van weide en grasland naar akkerland. Voor Rusland en Canada wordt dit niet gespecificeerd.
Landbouwproductiviteit is op verschillende manieren te meten en verschilt ook binnen de EU per land en binnen landen per regio. Gemiddeld kan de EU als een regio met hoge landbouwproductiviteit worden beschouwd. De vergelijking van productiviteit met de rest van Europa, Rusland en Canada verschilt per EU-lidstaat.
Klopt het dat door de bebossing in de EU de voedselproductie naar buiten de EU verplaatst?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat deze uitbreiding vooral plaatsvindt in veelal natuurlijke ecosystemen buiten de EU?
Zie antwoord vraag 3.
Is de productiviteit per hectare in deze landen vergelijkbaar als in de EU?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat door dit spillover-effect de ambities van de EU teniet gedaan worden, de mondiale impact van de EU aanzienlijk blijft en onze voedselproductie onnodig geschaad wordt?
Verschillende mogelijke spillover-effecten van EU ambities worden door het kabinet meegewogen, daarbij wordt zowel rekening gehouden met voedselproductie als klimaatmitigatie. De studie laat zien dat mogelijke negatieve spillover-effecten effectief kunnen worden gemitigeerd. Dit geldt zowel binnen de EU als erbuiten, daar waar het handelen van de EU effect op heeft.
Wat zijn de gevolgen voor de Europese voedselzekerheid?
Het is van belang om goed oog te hebben en houden voor goed onderbouwde en breed gedeelde signalen over de verschillende mogelijke effecten, inclusief die op voedselzekerheid, van de Green Deal, maar ook van andere (toekomstige) initiatieven. Het behalen van afgesproken doelen, het borgen van voedselzekerheid en het behoud van een sterke landbouwsector is voor dit kabinet namelijk van essentieel belang. Vanwege ons klimaat, onze bodemgesteldheid en de complexiteit van productieketens voor bepaalde voedingsmiddelen is ook op regels gebaseerde handel met betrouwbare handelspartners buiten de EU van belang voor onze voedselzekerheid.
De Green Deal vraagt om een toename van biologische landbouw, heeft dit impact op de natuur buiten Europa? En zo ja welke invloed?
Zoals de auteurs in het rapport aangeven zou met biologische landbouw de biodiversiteit buiten Europa kunnen toenemen, maar om dit in beeld te brengen op een wereldschaal is ingewikkeld. Ten principale mag men verwachten dat een toenemende vraag naar biologische producten en biologisch areaal binnen de EU ook meer aanbod van biologische producten vanuit derde landen zal betekenen. Omdat de import van biologische producten uit derde landen aan de EU-standaarden moet voldoen, zou dit in die landen een positief effect op de biodiversiteit kunnen hebben. Op de kwestie of een groter oppervlak biologische landbouw in derde landen ook betekent dat er minder ruimte is voor de natuur, gaat het rapport niet in.
Klopt het dat de voorschriften van de Green Deal moeilijk te handhaven zijn?
De Green Deal is een breed koepelbegrip. Voorschriften zijn opgenomen in de vele verordeningen en richtlijnen die onder de Green Deal vallen. Het kabinet beoordeelt de handhaafbaarheid bij alle EU-voorstellen conform de daarvoor geldende procedures en informeert de Kamer hierover conform de EU-informatievoorziening.
Zo ja, waardoor komt dat voornamelijk?
Zie antwoord vraag 10.
Welke maatregelen gaat u op EU-niveau op korte, middellange en lange termijn nemen om deze spillover te reduceren en onze voedselproductie hier te houden, en efficiënter te maken?
Commissievoorzitter Von der Leyen heeft in haar Political Guidelines 2024–2029 aangekondigd om binnen honderd dagen van het aantreden van de nieuwe Europese Commissie een Vision for Agriculture and Food te presenteren. Hierin wordt een visie verwacht voor het Europese landbouw- en voedselsysteem op zowel korte als lange termijn. Het kabinet zal deze visie te zijner tijd beoordelen en uw Kamer hierover informeren.
Het stopzetten van leningen aan bedrijven die zich alleen richten op het oppompen van olie en gas en het ontwikkelen van nieuwe velden |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat ING per direct geen nieuwe leningen meer verleent aan bedrijven die zich alleen richten op het oppompen van olie en gas en het ontwikkelen van nieuwe velden?1
Ja.
Om welke bedrijven gaat het?
Ik beschik niet over die informatie. Met welke partijen financiële instellingen financieringsrelaties aangaan, is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een financiële instelling kan er uit eigen beweging en onder voorwaarden (zoals de vereisten uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming) voor kiezen informatie om financieringsrelaties te openbaren, maar dit is niet verplicht.
Is het toegestaan om groepsgewijs bedrijven op deze gronden een leningverstrekking te weigeren?
Het staat financiële instellingen vrij om bedrijven wier bedrijfsactiviteiten niet overeenkomen met hun beleid omtrent maatschappelijk verantwoord ondernemen niet te financieren. Vanuit risicomanagementoogpunt is het van belang dat financiële instellingen al hun financiële risico’s adequaat beheersen. Teveel CO2-intensieve activiteiten op de balans is een risico, omdat de waarde hiervan op termijn kan afnemen door de verduurzaming van de economie. Daarnaast spant ING zich als ondertekenaar van het Klimaatcommitment in om een actieve bijdrage te leveren aan het Akkoord van Parijs. Circa vijftig Nederlandse financiële instellingen hebben dit ondertekend. Met dit initiatief pakt de financiële sector een belangrijke rol binnen de klimaattransitie.
Wat zijn de financiële en economische gevolgen voor Nederland bij het stoppen van verstrekken van leningen aan deze olie- en gasbedrijven?
De verwachting is dat de gevolgen voor de Nederlandse economie zeer beperkt zijn. ING geeft aan per direct te stoppen met het verstrekken van nieuwe financieringen aan pure-play upstream olie- en gasbedrijven die nieuwe velden blijven openen. Ook zal ING geen nieuwe financieringen meer verstrekken aan nieuwe LNG-exportterminals. Het gegeven dat ING niet langer nieuwe financieringen aan deze bedrijven zal verstrekken betekent niet dat deze bedrijven elders geen financieringen meer aan kunnen trekken. Tevens is dit type bedrijven niet alleen afhankelijk van bancaire financiering. Ook voor eventuele Nederlandse toeleveranciers hoeven er dus niet direct gevolgen te zijn. Het is belangrijk dat alle partijen, waaronder eventuele Nederlandse toeleveranciers, nadenken over de kansen en uitdagingen die de transitie naar een duurzame economie vormt voor hun verdienmodel.
Zijn deze bedrijven zonder deze leningen sterk genoeg om te overleven?
Dat ING zal stoppen met het verstrekken van nieuwe financieringen aan een bepaalde groep bedrijven, betekent niet dat ook bestaande financieringen stopgezet worden of deze bedrijven elders geen nieuwe financiering meer kunnen aantrekken. Wel zouden de kapitaalkosten van deze bedrijven kunnen toenemen op het moment dat meer financiële instellingen besluiten soortgelijke stappen te zetten. Ook kan het zijn dat financiële instellingen hogere risicopremies rekenen voor financieringen van CO2-intensieve activa die een verhoogd transitierisico lopen. Andersom zouden ook minder CO2-intensieve bronnen van energie financieel aantrekkelijker kunnen worden.
Heeft de Minister gesprekken gevoerd met de directie van de bank over de impact die dit kan hebben op het investeringsklimaat in Nederland, de energieprijzen en de bestaanszekerheid van burgers?
Ik spreek regelmatig met verschillende financiële instellingen, waarbij ook klimaat en verduurzaming aan bod komt. Over deze specifieke beslissing heb ik niet met ING gesproken.
Weet de Minister of andere banken, zowel nationaal als internationaal, vergelijkbare bewegingen gaan maken of al maken, eventueel ook in andere strategisch belangrijke sectoren?
In de financiële sector wordt het belang van het adequaat beheersen van duurzaamheidsrisico’s en het leveren van een proactieve bijdrage aan de klimaattransitie breed onderkend, zowel in Nederland als daarbuiten. Daarnaast zijn er diverse wettelijke verplichtingen omtrent het beheersen van aan duurzaamheid gerelateerde financiële risico’s. Vanuit beide invalshoeken zijn er steeds meer financiële instellingen die er voor kiezen om voor bepaalde activiteiten, zoals exploratie naar nieuwe olie- en gasvelden, niet langer nieuwe financieringen te verstrekken. Ook grote internationale financiële instellingen nemen dergelijke stappen.
Welke gevolgen heeft het stoppen van de leningen op de energietransitie, aangezien wij op dit moment nog niet onafhankelijk zijn van olie en gas?
De stap die ING zet, heeft betrekking op nieuwe financieringen. Dit raakt dus niet aan bestaande investeringen, zoals bijvoorbeeld bestaande olie- en gasprojecten. Wel kan het zijn dat de kapitaalskosten voor een specifieke groep bedrijven met minder duurzame activiteiten toenemen als gevolg van financieringsbeslissingen van financiële instellingen. Het effect daarvan op de energietransitie is naar verwachting positief, omdat het bedrijven aanjaagt te verduurzamen. Het is daarbij wel van belang om op te merken dat de energietransitie niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. Op weg naar een volledig klimaatneutraal Nederland in 2050 zal aardgas (en daarmee ook de exploratie- en productieactiviteiten) in de komende decennia nog een belangrijke rol blijven spelen ten behoeve van de gasleveringszekerheid. Voor een geleidelijke transitie is daarom ook een passende afbouw van (bank)financiering van fossiel van belang.
Wat zijn de gevolgen voor Nederlandse toeleveranciers van deze bedrijven en/of bedrijvenclusters in Nederland?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.