Mogelijke consequenties van strafbaarstelling illegaliteit |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid spoedadvies te vragen aan de Raad van State over de vraag of een aanmerkelijke kans bestaat dat ook individuele gedragingen uit medemenselijkheid of humanitaire hulp strafbaar zullen zijn in samenhang met artikel 108a van de Asielnoodmaatregelenwet?
Ik heb vandaag in uw Kamer aangegeven dat het kabinet als de asielnoodmaatregelenwet wordt aangenomen aan de slag zal gaan met strafbaarstelling illegaliteit en daarbij de handhavingspraktijk zal vragen prioriteit te geven aan criminele en overlastgevende asielzoekers. Daarmee ligt niet voor de hand dat zaken als hulp via kerken en het leger des Heils door dit artikel geraakt worden.
Wat ik als Minister echter niet kan, in het kader van de trias politica, is definitief uitsluitsel geven over de vraag hoe het OM en de rechtspraak het artikel zullen interpreteren.
U vraagt mij, omdat u op dit punt juridisch advies wil van de Raad van State, om het artikel over de strafbaarstelling van illegaliteit van de Asielnoodmaatregelenwet (108a) niet in werking te laten treden voordat advies verkregen is en daarmee op dit punt gebruik te maken van de bestaande mogelijkheid die deze wet biedt voor een artikelsgewijze inwerkingtreding.
Ik ben daartoe bereid zodat uw Kamer vandaag in meerderheid voor het wetsvoorstel kan stemmen en we geen tijd verliezen om het asielbeleid strenger te maken.
Ik zal zodra het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is aangenomen de Raad van State vragen te adviseren over de vraag of een aanmerkelijke kans bestaat dat ook individuele gedragingen uit menselijkheid of humanitaire hulp onder dit artikel vallen. Dit mede naar aanleiding van berichtgeving vandaag dat dit in landen als België, Italië en Duitsland zou zijn uitgesloten van vervolging.
Na ommekomst van het advies van de Raad van State wil ik met uw Kamers beraadslagen over de consequenties van het zwaarwegende advies van de Raad van State, alvorens dit artikel in werking te laten treden.
Bent u bereid het desbetreffende artikel niet in werking te laten treden totdat u met de Tweede Kamer heeft beraadslaagd over de consequenties van het zwaarwegende advies van de Raad van State?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden nog voor de aanvang van eindstemmingen in de Tweede Kamer op 3 juli 2025?
Ja.
De nieuwe cijfers van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) |
|
Harmen Krul (CDA), Diederik van Dijk (SGP), Jesse Six Dijkstra (NSC), Mirjam Bikker (CU) |
|
Struycken , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de nieuwe cijfers van LADIS1 en de reactie van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz? Wat is in algemene zin uw reactie hierop?
Ja, ik heb kennisgenomen van de nieuwe cijfers van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) en de reactie van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz.2 Deze nieuwe cijfers vind ik zorgelijk. Het aantal mensen in behandeling voor kansspelverslaving is in 2024 verder gestegen en 18 procent van de personen in behandeling is onder de 25 jaar. Daar waar mensen aangeven waar ze gokken, blijkt dat de toename van de instroom met name online gokken betreft. 44 procent van de personen met gokproblematiek wordt voor het eerst behandeld in de verslavingszorg. Ook andere recente onderzoeken duiden op zorgelijke trends, zoals de resultaten van het WODC-onderzoek «Deelname aan kansspelen in Nederland» dat de voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming op 3 juli jongstleden met uw Kamer heeft gedeeld.3 Dit onderzoek laat een toename zien van het aantal minderjarigen en jongvolwassen dat deelneemt aan online kansspelen en risicovol of problematisch gedrag vertoont.
Bovengenoemde cijfers onderstrepen hoe belangrijk het is om in te zetten op het voorkomen van gokgerelateerde schade, zoals is aangegeven in de visie op het kansspelbeleid, die op 14 februari jongstleden aan uw Kamer is gestuurd.4 In deze brief zijn ook maatregelen aangekondigd om de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) te herzien. De nieuwe visie kent als belangrijkste doelstelling het beschermen van burgers tegen schade door gokken, met specifieke aandacht voor jongvolwassenen en minderjarigen. De aangekondigde maatregelen hebben onder andere betrekking op het verhogen van de minimumleeftijd voor deelname aan de meest risicovolle kansspelen naar 21 jaar, het aanscherpen van de zorgplicht van aanbieders, het inrichten van een verdergaand verbod op reclame voor online gokken en een overkoepelend stortingslimiet voor online gokken. Daarnaast wordt ingezet op intensieve bestrijding van het illegale aanbod en deelname daaraan.
De afgelopen periode heeft de voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming naast de aangekondigde wetswijziging diverse maatregelen genomen om spelers beter te beschermen. Denk aan het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka), de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag (Regeling sbs) en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Kansspelautoriteit (Ksa). In de brief van 3 juli jongstleden is uw Kamer tevens geïnformeerd over het concretiseren en aanscherpen van de zorgplicht van online kansspelaanbieders en de effectmeting door de Ksa van de regels met betrekking tot spelersbescherming die in oktober 2024 van kracht zijn geworden.5 Daarnaast wordt ingezet op preventieve maatregelen, zoals gerichte bewustwordingsactiviteiten om met name jongvolwassenen bewust te maken van de risico’s van gokken. Doorgaans duurt het een aantal jaar voordat mensen met een verslaving terechtkomen in de zorg. Dat betekent helaas ook dat het waarschijnlijk een aantal jaar zal duren voordat we kunnen verwachten de effecten van maatregelen tegen gokverslaving terug te zien in de verslavingscijfers in LADIS.
Bent u ook geschrokken van het feit dat het aantal mensen dat zich met gokproblematiek meldt om hulp, blijft stijgen? Wat vindt u ervan dat 44% van deze groep voor het eerst in behandeling komt, wat aantoont dat er een geheel nieuwe groep is ontstaan met gokproblemen, in het bijzonder jongeren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat deze gigantische toename van gokverslaafden extra schrijnend is, omdat er nog steeds geen wettelijk verbod op (online)gokreclames is? Bent u bereid hier zo snel mogelijk verandering in te brengen? Wat is de kortst mogelijke termijn waarop u de benodigde wetgeving aan de Kamer kunt voorleggen en wilt u dit toezeggen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vragen één en twee, vind ik de toename van mensen in behandeling voor kansspelverslaving zorgelijk. Met het Besluit orka dat op 1 juli 2023 in werking is getreden, is de reclame voor online kansspelen sterk beperkt. Er geldt een verbod op het maken van reclames voor online kansspelen op tv, op de radio en in de publieke ruimte. Onder strikte voorwaarden is het nog mogelijk om gericht reclame te maken op internet. Per 1 juli jongstleden is het laatste deel van het Besluit orka in werking getreden, namelijk het verbod op sponsoring van de sport door online aanbieders.
Momenteel wordt gewerkt aan een verdergaand verbod op reclame voor online kansspelen dat onderdeel is van de aangekondigde maatregelen om de Wet koa te herzien. Dit betekent aanpassing van de reclameregels en reclame beperken tot het strikt noodzakelijke, met als uitgangspunt «verboden, tenzij». Zoals aangegeven in de brief van 14 februari jongstleden worden eind dit jaar de contouren van mijn voorstellen met uw Kamer gedeeld. Het streven is om het betreffende wetsvoorstel in 2026 in consultatie te brengen. Dit is de kortst mogelijke termijn om de benodigde wetgeving aan de Kamer voor te leggen. Dit in verband met de nog lopende onderzoeken die benodigd zijn voor onderdelen van het wetsontwerp en de onderliggende beleidskeuzes, het doorlopen van het beleidskompas en verschillende toetsen die moeten plaatsvinden.
Bent u in het verlengde hiervan bereid om de minimumleeftijd voor gokken te verhogen, juist nu de cijfers laten zien dat een aanzienlijk deel van de nieuwe gokverslaafden jongeren betreft?
Het beschermen van minderjarigen en jongvolwassenen tegen schade door gokken is een speerpunt van het kansspelbeleid. Een van de maatregelen zoals aangekondigd in de brief van 14 februari jongstleden betreft daarom een verhoging van de minimumleeftijd voor de meest risicovolle kansspelen naar 21 jaar.
Bent u met oog op de onthutsende cijfers uit de eerdere vragen bereid om de aangekondigde beleidsmaatregelen om de wet Kansspelen op afstand te herzien, te versnellen? Wanneer kan de Kamer deze tegemoetzien?
Zoals tevens aangegeven in mijn antwoord op vraag drie kan het betreffende wetsvoorstel niet eerder dan in 2026 in consultatie gebracht worden. Voor alle genoemde maatregelen geldt dat deze vragen om een gedegen probleemanalyse en onderbouwing. Dat is nodig om te bewerkstelligen dat de gekozen oplossingen op proportionele wijze zullen bijdragen aan de beleidsdoelstellingen. Op dit moment lopen de onderzoeken die benodigd zijn voor afronding van de beleidskompassen.
Zou het naar uw inschatting niet veel beter zijn om gokken categorisch te verbieden, om zo jongeren en andere kwetsbare groepen echt te beschermen?
De bescherming van burgers tegen schade door gokken, in het bijzonder jongeren en andere kwetsbare groepen, staat voor mij voorop. Dit vraagt juist om regulering van gokken. Legaal aanbod is nodig om mensen die willen deelnemen aan kansspelen te kunnen beschermen. Bij illegaal aanbod zijn er geen waarborgen voor bescherming. Zonder legaal aanbod is alleen illegaal aanbod beschikbaar. Het is niet realistisch dat met meer handhaving illegaal aanbod en deelname daaraan volledig kan worden bestreden.
Welke maatregelen gaat u treffen om de zorgwekkende ontwikkelingen rond drugsverslaving uit het rapport te keren?
Voorop staat dat verslaving zoveel mogelijk moet worden voorkomen door inzet op preventie van het gebruik van drugs en vroegsignalering. Op deze terreinen bestaat een divers aanbod aan effectieve en doelgroepgerichte maatregelen. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is verantwoordelijk voor deze maatregelen. De Staatssecretaris zet zich daarbij vooral in op het voorkomen van drugsgebruik onder jongeren. Ik verwijs hierbij naar de brief over drugsbeleid die recent aan uw Kamer is gestuurd.6
Met de recent gelanceerde Samenhangende preventiestrategie zet het kabinet preventie meer centraal. De preventiestrategie bevat concrete acties en maatregelen om ziekte en zorg te voorkomen en daarbij toe te werken naar een gezonde generatie in 2040. Drugsgebruik is een van de 11 preventiethema’s waarvoor concrete ambities (voor 2028 en 2040) en acties zijn opgenomen.
Naast preventie en het in een vroeg stadium signaleren van problematisch gebruik, is het belangrijk dat mensen met een verslaving goede en passende zorg krijgen. We hebben hiervoor in Nederland kwalitatief goede verslavingszorg. Om mensen tijdig toe te geleiden naar de juiste hulp en ondersteuning is een belangrijke rol weggelegd voor bijvoorbeeld de huisarts en de praktijkondersteuner GGZ. Ook is er steeds meer aanbod van e-health interventies en zelfhulpgroepen.
Veel mensen met een verslaving hebben onderliggende problematiek of kwetsbaarheden, zoals een psychische aandoening, verstandelijke beperking, dakloosheid, schuldenproblematiek of een detentieverleden. Het komt regelmatig voor dat mensen met complexe (multi-)problematiek lang moeten wachten op zorg of niet in zorg komen. Oorzaken hiervan zijn onder andere exclusiecriteria die door aanbieders gehanteerd worden. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn met de sector afspraken gemaakt deze exclusiecriteria te schrappen, tenzij dit om zorginhoudelijke redenen niet kan. Dit moet ertoe leiden dat mensen sneller in zorg komen, ook als er sprake van multiproblematiek, zoals verslaving en psychische/psychiatrische problematiek.
Wat zegt het u dat men in de verslavingszorg een toename ziet van behandelingen voor nieuwe middelen als 3-MMC en ketamine? Wat gaat u doen om juist ook de aanwezigheid van deze middelen aan te pakken, om zo te voorkomen dat deze zorgelijke trend zich doorzet?
De stijging van het aandeel 3-MMC en ketamine in de verslavingszorg is een zorgelijke ontwikkeling. Het is goed dat er ook voor deze middelenverslavingen een goed en toegankelijk aanbod van behandelingen is. Daarnaast willen we het gebruik van deze middelen zoveel mogelijk voorkomen. Specifiek voor het gebruik van designerdrugs (zoals afgeleiden van het al verboden 3-MMC) is het van belang dat de nieuwe wet gericht op verbieden van groepen Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS) per 1 juli. in werking is getreden. Doordat deze designerdrugs nog legaal waren, kregen gebruikers onterecht de indruk dat ze niet schadelijk of verslavend zijn. Daarom vindt de overheid een verbod nodig. Daarnaast wordt ingezet op preventie en voorlichting gericht op de doelgroep, bijvoorbeeld via sociale media.
De zorgen over recreatief gebruik van ketamine worden gedeeld. Daarom is aan het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd om een risicobeoordeling op ketamine uit te voeren en hierover te adviseren, ook over een eventueel verbod op één van de Opiumwetlijsten.
Wat zegt het u dat uit het rapport blijkt dat cannabis met 39% de op één na meest voorkomende problematiek is in de verslavingszorg onder jongeren onder de 25 jaar?
Uit de meest recente cijfers van het LADIS blijkt dat cannabis onder jongeren tot 25 jaar, met een aandeel van 39%, de meest voorkomende problematiek is in de verslavingszorg.7 Het aandeel jongeren neemt wel af, maar dit blijft verontrustend.
Het gebruik van cannabis op jonge leeftijd kan nadelige effecten hebben op de ontwikkeling van het brein. De hersenen zijn in de adolescentie en vroege volwassenheid nog volop in ontwikkeling. Cannabisgebruik op jonge leeftijd wordt geassocieerd met een verhoogde kans op concentratieproblemen, angstklachten en een verminderde school- of werkprestatie.8 Problematisch gebruik hangt bovendien vaak samen met bredere problematiek op andere leefgebieden.9
Deze cijfers onderstrepen het belang van preventie.
Er bestaan verschillende interventies gericht op jongeren, zoals de in mei gelanceerde Drug Check-up, die jongeren en jongvolwassenen op een laagdrempelige manier inzicht biedt in hun middelengebruik, en de ICan-app, die ondersteuning biedt aan jongeren die zelfstandig willen minderen of stoppen met cannabisgebruik.10 Ook het programma Helder op School draagt via het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs bij aan structurele preventie gericht op alcohol, drugs, roken en gamen.11 Professionals in zorg, onderwijs en het sociaal domein kunnen daarnaast gebruikmaken van het programma Open en Alert, dat hen ondersteunt bij het signaleren van middelengebruik en het tijdig toeleiden naar hulp.12
De Nationaal Rapporteur Verslavingen (NRV) zet zich ook in op het terrein van preventie van verslaving en heeft het initiatief genomen om samen met een groot aantal andere partijen tot een integrale richtlijn verslavingspreventie te komen. De richtlijn wordt eind 2026 verwacht.
Wat zijn – los van alle andere lichamelijke, psychische, materiële en immateriële schade – de kosten voor de cannabisgerelateerde verslavingszorg? Is het in het licht van al die kosten en negatieve effecten niet gek dat de staat cannabis gedoogt en zelfs stimuleert met het «wietexperiment»? Bent u het ermee eens dat we dit beter zo snel als mogelijk terug kunnen draaien?
Er zijn geen afzonderlijke landelijke cijfers beschikbaar over de kosten van cannabisgerelateerde verslavingszorg. Binnen de bekostiging van de geestelijke gezondheidszorg worden de kosten doorgaans niet uitgesplitst naar specifieke middelen zoals cannabis. Wel is bekend dat van de mensen die in de verslavingszorg zitten, het grootste gedeelte hulp krijgt voor alcoholgerelateerde problematiek (44%), terwijl 15% hulp krijgt vanwege cannabisgerelateerde problematiek.13 Verder is bekend dat in 2019 de totale uitgaven aan zorg voor verslaving aan alcohol en drugs gezamenlijk 1.091 miljard euro bedroegen. Dit kwam neer op 1,13% van de totale zorguitgaven in Nederland. Van deze uitgaven ging bijna 90% naar de geestelijke gezondheidszorg (979 miljoen euro). De overige uitgaven betroffen de ziekenhuiszorg (26,6 miljoen euro; 2,4%) en de openbare gezondheidszorg (13,9 miljoen euro; 1,3%).14
Het Experiment gesloten coffeeshopketen onderzoekt of het mogelijk is een gesloten en gereguleerde cannabisketen te realiseren in tien gemeenten. De gereguleerde cannabis wordt verkocht in coffeeshops in die gemeenten. Het is dus niet zo dat het aanbod van cannabis wordt verruimd met het experiment, de toevoer van cannabis naar die steden wordt enkel gereguleerd. Bovendien is er binnen het experiment extra aandacht voor preventie en vroegsignalering.
De brief van omstreden VN-rapporteur Albanese aan Christenen voor Israël (CvI) |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP), Joost Eerdmans (EénNL), Diederik van Dijk (SGP), Eric van der Burg (VVD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Omstreden VN-rapporteur in dreigende brief: CvI waarschijnlijk betrokken bij oorlogsmisdaden»1 en «VN-rapporteur Francesca Albanese valt Christenen voor Israël aan: Dit kan leiden tot meer agressie»2?
Ik ben bekend met de berichtgeving. De brief zelf is niet openbaar gemaakt. Het rapport3 van Speciaal Rapporteur Albanese, gepubliceerd op 30 juni 2025, heeft een korte paragraaf over faith-based organisations, die (extremistische) kolonisten in bezette gebieden financieel zouden steunen, waarbij ook de organisatie Christenen voor Israël wordt genoemd. Ik verwijs u tevens naar antwoorden op eerder gestelde Kamervragen hierover van het lid Van Baarle (2025Z05935).4
Beschouwt u dit als binnen het mandaat van de Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties (VN), Albanese, of een overschrijding daarvan?
Communicatie met niet-statelijke actoren past binnen het mandaat van Speciaal Rapporteurs. Dit is vastgelegd in de «Manuals of Operations» of «handleiding», paragraaf 81 en 83.5
Bent u bereid de Speciaal Rapporteur hierop aan te spreken?
Zoals in het antwoord op vraag twee uiteengezet, past het versturen van brieven aan niet-statelijke actoren binnen het mandaat van Speciaal Rapporteurs. Dit betekent niet dat ik het eens ben met de inhoud van haar brieven.
Vindt u dit ook zorgelijk gelet op de aanhoudende ongeregeldheden van pro-Palestijnse demonstraties rond activiteiten van Christenen voor Israel (CvI), verstoringen van activiteiten, bekladding van het pand van CvI en vernielingen rondom hun activiteiten en sprekers?
Dergelijke vernielingen en intimidatie zijn verwerpelijk. In deze tijden van aanzienlijke maatschappelijke spanningen rondom de situatie het Midden-Oosten is respectvolle omgang van groot belang, ook als gezichtspunten verschillen. Alhoewel het Speciaal Rapporteur Albanese vrij staat om, indien goed onderbouwd en met ruimte voor hoor- en wederhoor, haar zorgen over activiteiten van bepaalde organisaties kenbaar te maken, dient ook zij zich bewust te zijn van risico’s op verdere polarisatie. Dat Nederland bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese afkeurt is bekend en dat is haar meerdere malen medegedeeld. Nederland steunde de herbenoeming van mevrouw Albanese niet.
Deelt u de mening van de indieners dat dit intimidatie van een maatschappelijke organisatie in de hand werkt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening van de indieners dat een VN-rapporteur niet met «strafrechtelijke gevolgen» hoort te dreigen en dat dat ver buiten haar werkzaamheden dient te vallen?
Het staat Speciaal Rapporteurs vrij om eigen adviezen te geven of visies te presenteren. Tegelijkertijd mag van een Speciaal Rapporteur zorgvuldigheid worden verwacht, zoals ook is omschreven in de VN-gedragscode voor Speciaal Rapporteurs.6 Het is klip en klaar dat nationale overheden gaan over toepassing van nationaal strafrecht, en niet een Speciaal Rapporteur.
Wat houdt het «Advocacy ondernemen en publieksbekendheid vergroten» van het mandaat3 van de Speciaal Rapporteur van de VN in?
Zowel advocacy, oftewel het bepleiten van een bepaalde zaak, als het vergroten van publieksbekendheid van situaties waarover een Speciaal Rapporteur rapporteert, hoort bij hun taken8. Invulling hieraan wordt gegeven door gesprekken met overheden, maar evenzeer door interactie met het maatschappelijk middenveld, publieke optredens en het geven van verklaringen over zowel hun rapporten als hun bevindingen.
Is de voorgenoemde bevoegdheid nog verder uitgewerkt danwel begrensd voor de werkzaamheden van de Speciaal Rapporteur?
Werkzaamheden van de Speciaal Rapporteurs zijn vastgelegd in de hierboven genoemde Manual of Operations9, evenals in de resolutie waarin het mandaat van de betreffende Speciaal Rapporteur wordt afgesproken. Daarnaast worden Speciaal Rapporteurs geacht zich te houden aan de VN-gedragscode.10
Acht u het wenselijk dat de Speciaal Rapporteurs deze bevoegdheid hebben? Indien ja, acht u deze voldoende begrensd? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo niet, bent u het met de indieners eens dat dit beperkt dient te worden tot advocacy richting de overheid en niet het bedrijfsleven of maatschappelijk middenveld?
Het kabinet vindt de bevoegdheden van Speciaal Rapporteurs voldoende helder omschreven, conform ook het antwoord op vraag 8. Dat betekent dat interactie tussen Speciaal Rapporteurs breder kan zijn dan alleen met overheden. In het geval van bijvoorbeeld de Speciaal Rapporteur voor Mensenrechten in Iran of de Speciaal Rapporteur voor Rechten van Personen met een Handicap zou een beperking tot alleen overheden ook waardevolle interactie met het maatschappelijk middenveld en/of het bedrijfsleven uitsluiten. Bij gelegenheid zal Nederland mevrouw Albanese blijven aanspreken over de inhoud van haar rapporten en publieke uitlatingen.
Hoe is deze beschrijving van bevoegdheden van de Speciaal Rapporteurs van de Verenigde Naties geformuleerd en waar zou deze aangepast kunnen worden?
De aard van de werkzaamheden van de Speciaal Rapporteurs is vastgelegd in de resolutie die de werkzaamheden van de VN-Mensenrechtenraad en zijn instrumenten beschrijft (A/HRC/RES/5/2). Specifieke uitwerking is te vinden in de «Manual of Operations» of «handleiding» (zie antwoord op vraag twee) en in resoluties over het betreffende mandaat van de Speciaal Rapporteur. De handleiding is bedoeld als leidraad voor de mandaathouders en ter verduidelijking van hun werk. De handleiding beoogt mandaathouders te ondersteunen bij hun inspanningen om mensenrechten te bevorderen en te beschermen. Daarnaast is er de gedragscode waaraan de Speciaal Rapporteurs zich dienen te houden. De bevoegdheden van Speciaal Rapporteurs kunnen door de VN-lidstaten gezamenlijk aangepast worden. Dat zou gebeuren via een resolutie in de Mensenrechtenraad. Los van het feit dat er, naar alle waarschijnlijkheid, bij andere landen nauwelijks wens is om de huidige procedures aan te passen, zou een dergelijk proces ook risico’s behelzen die goed afgewogen moeten worden met het oog op de onafhankelijkheid van alle Rapporteurs.
Gaat u bezwaar maken tegen een eventueel rapport van de Speciaal Rapporteur waar ongefundeerde beweringen over Christenen voor Israël worden gedaan na onjuiste berichtgeving?
Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3. Het rapport is inmiddels gepresenteerd onder agenda-item 7 van de 59ste zitting van de Mensenrechtenraad, die loopt van 16 juni tot 9 juli. Item 7 betreft het permanente agenda-item van de VN-Mensenrechtenraad dat is gewijd aan Israël en de Palestijnse Gebieden. Nederland is het niet eens met het bestaan van dit aparte agendaonderwerp en spreekt, uit algemene onvrede over dit agenda-item, net als verschillende EU-landen daarom niet onder item 7.
Is het gebruikelijk dat een Speciaal Rapporteur vertrouwelijk communiceert met externen buiten de VN die niet een bron voor hun rapportage zijn?
Dat is niet ongebruikelijk. Dit geeft de ontvangende partij de gelegenheid om in vertrouwelijkheid te reageren op de communicatie van de Speciaal Rapporteur, alvorens het rapport gepubliceerd wordt.
Het beoordelen en terugsturen van christelijke vluchtelingen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het terugsturen van christelijke vluchtelingen naar Nigeria, waar christenvervolging aan de orde van de dag is (met name in het noordelijke deel van Nigeria) en waarvan de mate van vervolging door Open Doors als «extreem» wordt aangeduid, ook in het licht van de recente aanval waarbij zeker 42 christenen om het leven zijn gebracht?1 2
Het landgebonden asielbeleid voor Nigeria is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7/25). In het huidige beleid worden christenen niet als groep of profiel aangemerkt waarvoor een verhoogd risico geldt. Dat laat onverlet dat altijd een individuele beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt, waarbij de vrees voor vervolging of het risico op ernstige schade bij terugkeer naar land van herkomst wordt getoetst aan actuele landeninformatie. Het is daarbij aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer te vrezen heeft.
Een terugkeerbesluit wordt pas opgelegd als door de IND is vastgesteld dat de vreemdeling geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade.
Hoe wordt bij terugkeerbesluit meegewogen in hoeverre de situatie voor christelijke vluchtelingen veilig is in het land van herkomst?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn de medewerkers van de immigratie- en naturalisatiedienst (IND) volgens u voldoende op de hoogte van de situatie waarin christenen in Nigeria zich momenteel bevinden en wat mogelijke consequenties zijn van terugkeer?
Ja, medewerkers van de IND worden opgeleid om zowel in het horen als beslissen actuele landeninformatie te betrekken. Ter ondersteuning van de hoor- en beslismedewerkers van de IND en om in de informatiebehoefte te voorzien, zijn op de aanmeldcentra medewerkers van het Regionaal Informatiecentrum aanwezig die landinhoudelijke vragen kunnen beantwoorden. Het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) verzamelt daarnaast landinhoudelijke informatie, onderhoudt kennis(netwerken) en stelt (actuele) landeninformatie beschikbaar aan medewerkers in het beslisproces.
Zowel informatie die door de medewerkers zelf wordt verzameld, als informatie die door de vreemdeling of de advocaat wordt overgelegd, moet worden betrokken in de beslissing op de asielaanvraag.
Hoe wordt de hiervoor benodigde informatie door de IND verkregen en geverifieerd?
De landeninformatie die nodig is om een beslissing te maken op de asielaanvraag wordt op verschillende manieren verkregen. Medewerkers hebben zelf toegang tot actuele landeninformatie middels (thematische) ambtsberichten en andere rapporten en factsheets. Daarnaast kan, zoals beschreven in het antwoord op vraag 3, om specifieke, recente landeninformatie worden verzocht bij het RIC en TOELT. Tot slot wordt ook informatie aangedragen door de vreemdeling of advocaat betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag.
In hoeverre hebben de hoor- en beslismedewerkers van de IND voldoende expertise om de geloofwaardigheid van gelovigen en bekeerlingen te beoordelen?
De IND zet in op het behoud van expertise door alle medewerkers generalistisch te trainen. Hierdoor zijn alle medewerkers getraind in het beoordelen van aanvragen waarin bekering of afvalligheid als motief wordt aangevoerd, en blijft de IND in staat deze beoordeling te verrichten.
De IND investeert op verschillende manieren in het actualiseren en op peil houden
van de kennis en vaardigheden van de medewerkers, ook ten aanzien van de geloofwaardigheid van de relazen van (gesteld) gelovigen en bekeerlingen. Naast de verplichte EUAA-modules Evidence Assessment, Inclusion, en Interviewing Vulnerable Persons en modules over de uitvoering van de Procedurerichtlijn en de geloofwaardigheidsbeoordeling, worden er specifieke trainingen gegeven over bekering en afvalligheid. Verder wordt in elke zaak een bekeringscoördinator geraadpleegd. Dit zijn medewerkers met kennis van en ervaring met zaken waarin een religieus motief wordt aangevoerd. De bekeringscoördinatoren overleggen periodiek met elkaar, waarbij ervaringen worden gedeeld over zaken waarin een religieus motief is aangevoerd, jurisprudentie wordt besproken en (beleids)ontwikkelingen worden toegelicht. Ook vinden er gesprekken plaats met het maatschappelijk middenveld. Voor zaken waarin een religieus motief is aangevoerd, zijn er, gelet hierop, dan ook al een aantal kwaliteitswaarborgen geïmplementeerd.
De deskundigheid van de IND is verder verankerd in werkinstructies, waarbij de Werkinstructie 2022/3 Bekering en afvalligheid steeds door IND-medewerkers betrokken wordt in zaken waarin een bekeringsmotief is aangevoerd.
In individuele gevallen kan ook informatie worden ingebracht van externe experts. De relevantie en weging van deze externe expertise is ook neergelegd in de verschillende werkinstructies.
Hoe wordt de kennis van het christelijk geloof bij beoordeling van geloofwaardigheid van bekering door de IND geborgd en versterkt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol speelt professionalisering van de IND-medewerkers door middel van externe experts hierin? Hoe vaak heeft dit plaatsgevonden in de achterliggende jaren?
In individuele zaken weegt de IND ingebrachte informatie van externe experts, zoals de rapporten van Commissie Plaisier, altijd mee in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde bekering. De relevantie en weging van deze externe expertise is ook neergelegd in de verschillende werkinstructies. Hiermee is de rol van een externe deskundige dus reeds vastgelegd in de asielprocedure. Het gewicht dat wordt toegekend aan externe expertise is afhankelijk van de geleverde input, op welke wijze dit tot stand is gekomen en van de individuele omstandigheden van de zaak.
Het is echter primair aan de asielzoeker om middels zijn eigen verklaringen aannemelijk te maken aan de IND dat hij is bekeerd. Daarnaast is het aan de IND om een oordeel te vormen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de bekering op grond van de gegeven verklaringen.
Voorts vinden er, zoals in antwoord op vraag 5 en 6 reeds genoemd, gesprekken plaats met het maatschappelijk middenveld en zijn er themadagen voor de bekeringscoördinatoren, waarop uitwisseling plaatsvindt met externe partijen.
Hoe vaak en wanneer wordt een bekeringscoördinator geraadpleegd bij een besluit over een asielaanvraag van een mogelijke bekeerling?
In elke zaak waarbij de beoordeling van bekering of afvalligheid als motief is aangedragen, wordt in de regel een bekeringscoördinator geraadpleegd. Afhankelijk van de zaak kan de betrokkenheid van de bekeringscoördinator meer of minder zijn, maar in ieder geval worden alle beslissingen aan hen voorgelegd.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat de expertise bij de IND voor bekeringszaken versterkt wordt? Vindt u ook dat daarbij externe expertise betrokken dient te worden?
Ik zie geen concrete aanleiding om de expertise bij de IND voor bekeringszaken verder te versterken, omdat al doorlopend wordt ingezet op het trainen en toerusten van medewerkers in bekeringszaken. Zoals toegelicht in de beantwoording op voorgaande vragen, zijn in bekeringszaken al meer waarborgen aanwezig dan in andere zaken. Daarbij wordt reeds externe deskundigheid betrokken, zowel als het gaat om het meewegen van rapportages van externe deskundigen in individuele zaken, als het neerleggen van externe expertise in verschillende werkinstructies.
De geëscaleerde demonstratie bij een bijeenkomst van Christenen voor Israël |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de beelden van de demonstratie in Barneveld op maandag 26 mei 2025 bij een bijeenkomst van Christenen voor Israël?1 Kunt u uitgebreid reageren op de ontstane situatie nadat een pro-Palestijnse demonstratie uit de hand liep?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. De burgemeester van Barneveld stelt in zijn reactie: «Samenkomsten en (tegen)demonstraties mogen er zijn. Geweld van wie dan ook keur ik af en betreur ik zeer». Het kabinet onderschrijft deze reactie.
In hoeverre acht u het gewenst dat bezoekers van een bijeenkomst door demonstranten gedwongen worden om door een haag van schreeuwende en joelende demonstranten over een besmeurde vlag en langs bebloede poppen moeten lopen om de bijeenkomst te kunnen bezoeken? Ziet u dit ook als een vorm van intimidatie?
Ik vind het onacceptabel dat bezoekers van de bijeenkomst zich geïntimideerd hebben gevoeld. Zowel het recht op vereniging/vergadering als het demonstratierecht zijn essentieel in een democratische rechtsstaat en verdienen beide bescherming. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt om beide rechten te faciliteren is aan het lokaal gezag. Uit het statement van de burgemeester van Barneveld blijkt dat de bijeenkomst heeft kunnen plaatsvinden, waarmee zij het recht op vereniging/vergadering hebben kunnen uitoefenen. Ook geeft de burgemeester aan dat de politie heeft optreden waar dat nodig is geweest.
Kunt u aangeven in hoeverre u van mening bent dat de bezoekers van de bijeenkomst van Christenen voor Israël hun grondwettelijk recht op vereniging hebben kunnen uitoefenen? Kunt u aangeven of u van mening bent dat de intimiderende acties van de demonstranten beschermd worden door het demonstratierecht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze het bevoegd gezag en de politie hebben opgetreden om de vrijheid van vergadering én de fysieke veiligheid van de bezoekers bij deze bijeenkomst te waarborgen?
Zowel het recht op vereniging/vergadering en het demonstratierecht verdienen bescherming. Het is de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren en waar nodig in te grijpen. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij om hier een oordeel over te geven. In het raadsmemo van de burgemeester van Barneveld wordt het verloop van de avond beschreven, inclusief op welke wijze er is opgetreden.2
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het WODC de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in de zomer van 2025 verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
Bent u van mening dat het wenselijk was geweest deze demonstratie op grotere afstand van de ingang van de vergaderlocatie en/of in een daartoe aangewezen vak te laten plaats vinden? Hoe ondersteunt u burgemeesters in de afweging om demonstraties bij vergaderingen op zo'n manier plaats te laten vinden dat het recht op demonstratie niet ten koste gaat van het recht op vrije vergadering?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat, getuige de beelden, de demonstranten deels gemaskerd hun intimiderende acties hebben uitgevoerd? Kunt u aangeven waarom dit feit blijkbaar geen aanleiding vormde voor het bevoegd gezag om handhavend op te treden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de locatie van samenkomst van bijeenkomsten van Christenen voor Israël geheim moet worden gehouden tot het laatste moment? Bent u het eens met de stelling dat alleen dit feit al dit zeer intimiderend is voor zowel organisatie als bezoekers van deze bijeenkomsten? In hoeverre wordt hiermee het recht op vrijheid van vereniging (artikel 8 van de Grondwet) geschonden?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het beeld waarbij demonstranten het recht op vrije vergadering inperken door agressieve demonstratiemethoden, waaronder intimidatie, van bezoekers van zulke vergaderingen, in het bijzonder van Christenen voor Israël? Herkent u het beeld dat na eerdere betogingen in Zaltbommel, Katwijk en nu Barneveld hier ook een escalerende beweging te zien is? Hoe luidt uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze wordt het recht op vrijheid van vereniging geborgd voor bijeenkomsten georganiseerd door Christenen voor Israël? Bent u bereid zich extra in te spannen om dit recht ook voor deze organisatie structureel te waarborgen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in gesprek te treden met Christenen voor Israël over bijeenkomsten in de nabije toekomst om ervoor te zorgen dat deze, conform het recht op vrije vergadering, op ongestoorde wijze kunnen plaats vinden?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het bericht ««Gokgedupeerden» willen hun geld terug van onlinecasino’s: maken ze een kans, ze drukten toch zelf op het knopje?»1 2
Ja.
Kunt u reflecteren op het feit dat gokbedrijf Unibet in de periode voorafgaand aan de legalisering van de onlinekansspelmarkt in 2021 illegaal zeer actief was op de Nederlandse onlinegokmarkt, waarbij duizenden gokkers geld hebben verloren en Unibet hiervoor geen verantwoordelijkheid neemt?
Ik vind het onwenselijk dat partijen zonder vergunning kansspelen aanbieden. Bij illegale aanbieders zijn geen waarborgen voor de bescherming van spelers. Dit heb ik eerder aangegeven in de beantwoording van Kamervragen, gesteld door de leden Van Nispen en Bikker op 14 januari jl.3 Een belangrijke reden voor legalisering was om spelers waarborgen voor veilig spel en bescherming te kunnen bieden.4 Door de regulering van de online kansspelmarkt zijn er nu wettelijke normen waar vergunninghouders zich aan dienen te houden. Ook kan daardoor de Kansspelautoriteit (Ksa) toezicht houden op de naleving binnen de gereguleerde markt en ingrijpen wanneer de wet wordt overtreden, zowel binnen het gereguleerde aanbod als ook bij illegaal aanbod.
Tevens heb ik bij de beantwoording van voornoemde Kamervragen toegelicht dat de aanvrager van een vergunning door de Ksa streng wordt doorgelicht aan de hand van alle geldende criteria en vergunningseisen conform wet- en regelgeving voordat tot afgifte van een vergunning voor kansspelen op afstand wordt overgegaan. Zonder in de beoordeling van deze casus te treden, geldt dat bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand is besloten dat zonder enige clementie voor aanbieders die in het verleden de wet hebben overtreden, een veilig gecontroleerd en attractief aanbod niet tot stand zou komen.
Om hier duidelijke grenzen aan te stellen, heeft de Ksa mede naar aanleiding van de motie Postema beleidsregels geïntroduceerd.4
Om voor de coulanceregeling in aanmerking te komen dienden een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de datum dat zij een aanvraag indienden te hebben onthouden van online kansspelaanbod gericht op Nederland.5 Het niet voldoen aan deze criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet verleend werd. De Ksa beslist als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan over vergunningaanvragen. Ik merk op dat voor de merknamen Pokerstars en Bwin geen vergunningen voor het aanbieden van online kansspelen in Nederland zijn afgegeven.
Vindt u het wenselijk dat gokbedrijven zoals Unibet, PokerStars en Bwin, die jarenlang illegaal online kansspelen hebben aangeboden in Nederland, hierna gewoon een vergunning kunnen krijgen voor de Nederlandse onlinegokmarkt? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat wanneer een gokbedrijf weigert mee te werken aan de aangespannen rechtszaken door gedupeerde gokkers, zoals het weigeren om gokkers te compenseren of transactiegegevens te verstrekken, dit geen consequenties hoeft te hebben voor de vergunning? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan. Mochten nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt, kan de Ksa besluiten de vergunning in te trekken. Daarbij gaat het om het betrouwbaarheidsvereiste vervat in artikel 4b, eerste lid, en specifiek voor kansspelen op afstand artikel 31i van de Wet op de kansspelen (Wok) alsmede de daarop berustende betrouwbaarheidsbepalingen. Dat omvat een betrouwbaarheidsbeoordeling op grond van artikel 3.4 Besluit kansspelen op afstand, waarbij de Ksa bepaalde antecedenten in de beoordeling kan meenemen.
De Ksa zal de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot de betreffende vergunninghouder meewegen in de beoordeling van de aanvragen voor een nieuwe vergunning vanaf 2026. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling. Wanneer rechterlijke uitspraken niet worden opgevolgd, weegt de Ksa dit mee in de integriteitsbeoordeling. Voor zover bekend is er overigens in Nederland nog geen zaak waarin een vergunde aanbieder van kansspelen op afstand heeft geweigerd om aan een onherroepelijk vonnis van een rechter uitvoering te geven.
Hoe beoordeelt u het feit dat Unibet geen transactiegegevens meer verstrekt om zo de rechtsgang van de gokkers te frustreren?
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven, is het niet aan mij om dit gedrag te beoordelen. Als wettelijke verplichtingen niet worden nageleefd, dan keur ik dat vanzelfsprekend af.
Het uitgangspunt is dat de Staat niet treedt in geschillen over civiele rechtsverhoudingen tussen een (illegale) aanbieder van kansspelen en de speler. De beoordeling van een geschil over de civiele rechtsverhouding van de partijen is voorbehouden aan de rechter.
Bent u het ermee eens dat het doelbewust saboteren van gokkers die naar de rechter stappen vanwege verloren geld bij illegale gokbedrijven, de geloofwaardigheid en zorgplicht van het online gokbedrijf zodanig aantast dat de vergunning direct moet worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om over deze specifieke casus in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit (Ksa) om te onderzoeken welke stappen ondernomen kunnen worden om te voorkomen dat nog meer gokkers geen inzicht krijgen in de transactiekosten en betalingsoverzichten van hun verloren geld?
Ik ben voortdurend met de Ksa in gesprek, ook over dergelijke ontwikkelingen. Als het gaat om de concrete casus dan moet de Ksa de zaak vanuit haar rol als onafhankelijke toezichthouder kunnen beoordelen. De Ksa is over deze kwestie in gesprek met Optdeck, dat Unibet in Nederland exploiteert. Het is echter niet aan de Ksa om een oordeel over de inzage in transactiegegevens te vellen. Het is aan de rechter om uitspraak hierover te doen. Op 4 en 7 juli jl. heeft de rechter in eerste aanleg zich ook uitgelaten over het verstrekken van inzage in transactiegegevens.5 In de eerste zaak werd de vordering om inzage te verlenen toegewezen. In de tweede zaak werd de partij die namens meerdere spelers inzage in de transactiegegevens vorderde niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze partij volgens de rechtbank niet bevoegd is om een dergelijke vordering in te stellen. De Ksa zal de handelwijze van een vergunde kansspelaanbieder in dit soort procedures meewegen in de beoordeling van de vergunninghouder bij het aanvragen van een nieuwe vergunning, maar heeft zoals gezegd geen rol als partij in deze procedures.
Vindt u dat een gokbedrijf zoals Unibet een veilig en gecontroleerd aanbod van online kansspelen – een belangrijke doelstelling van het legaliseren van online kansspelen – creëert wanneer stelselmatig gegevens worden achtergehouden om te voorkomen dat gokkers hun verloren geld terug kunnen eisen van de periode dat het gokbedrijf illegaal online kansspelen aanbood in Nederland?
Het bieden van een veilig en gecontroleerd aanbod door een vergunninghouder in de periode dat deze vergund is en gedrag dat gaat over een periode dat deze niet was vergund, zijn twee losse zaken. De vergunninghouder moet zich geheel houden aan de Wet op de kansspelen over de periode dat hij een vergunning heeft verkregen. De inzage in spelersdata daarentegen betreft een periode dat de vergunninghouder geen vergunning had. Over die periode strekt het toezicht van de Ksa zich niet uit. Ik vind met de Ksa dat rechtspersonen en hun opvolgers die nu een vergunning hebben voor het aanbieden van kansspelen een maximale inspanning moeten plegen om zaken die zich voor de vergunningsperiode afspeelden behoorlijk af te wikkelen. Hieruit kunnen omstandigheden naar voren komen die relevant zijn voor de algemene betrouwbaarheids- en integriteitstoets van een vergunde aanbieder. Daar behoort het maximaal verstrekken van noodzakelijke gegevens wat mij betreft bij.
Heeft Unibet zich gehouden aan de afkoelperiode die inhoudt dat twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de datum dat een aanvraag tot een vergunning is ingediend, het bedrijf zich heeft onthouden van online kansspelaanbod gericht op Nederland?
Ja. Indien Unibet zich daar niet aan had gehouden, zou er geen vergunning zijn verleend. De Ksa heeft toentertijd Unibet een vergunning verleend dus er is geen aanleiding om anders te vermoeden.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen van het lid Boswijk (CDA), op 15 januari 2025, over de casus dat Unibet geen inzage geeft in transactiegegevens, heeft u geantwoord dat u de Ksa en de Autoriteit Persoonsgegevens gewezen heeft op deze casus. Zijn er daarna vervolgstappen ondernomen door de Ksa of de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)? Zo nee, waarom niet?
De Ksa heeft met de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) contact opgenomen om deze casus onder de aandacht te brengen. De AP houdt de Ksa op de hoogte van relevante ontwikkelingen hieromtrent. Bovendien stelt de AP dat het altijd mogelijk is voor mensen om een klacht in te dienen bij de AP wanneer Unibet geen gehoor geeft aan het verzoek om inzage van persoonsgegevens. De AP wikkelt deze klachten af en zet ze door naar de privacytoezichthouder van Malta (de IDPC). Zij zijn namelijk de leidende toezichthouder in deze kwestie, aangezien het hoofdkantoor van Unibet daar is gevestigd. Om deze reden kunnen de klachten ook rechtstreeks bij de Maltese toezichthouder worden ingediend. De AP houdt nauw contact met haar collega’s in Malta over de voortgang van het onderzoek naar deze klachten.
Heeft u deze casus inderdaad onder de aandacht gebracht bij andere Europese lidstaten, in het bijzonder bij Malta, en zo ja, welke concrete afspraken zijn hierover gemaakt?
Ik heb contact met andere lidstaten die onze zorgen over de mogelijke gevolgen van de Maltese wet Bill 55 delen en over gerechtelijke uitspraken inzake deze wet. Ook volg ik nauwgezet de lopende procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), waarbij prejudiciële vragen gesteld zijn over de werking van Bill 55. Hierbij zijn met name de prejudiciële vragen die Oostenrijk gesteld heeft van belang. Op 16 oktober 2024 heeft het Handelsgericht Wien in Oostenrijk aan het HvJEU gevraagd om overeenkomstig artikel 267 VWEU een prejudiciële beslissing te nemen over een rechtszaak die betrekking heeft op de terugbetaling van spelersverliezen die zijn geleden bij illegale kansspelaanbieders op grond van een nietige overeenkomst.6
Daarnaast heeft Malta zelf prejudiciële vragen gesteld over de verenigbaarheid van Duits recht met Europees recht, in een zaak waarbij een Duitse eiser verliezen terugeist van in Malta gevestigde en vergunde kansspelaanbieders.7 Gezien de context van lopende procedures en het bindende karakter van uitspraken van de HvJEU zie ik op dit moment geen toegevoegde waarde om Malta aan te spreken.
Meerdere landen, waaronder Nederland, hebben de zorgen over de onverenigbaarheid van de Bill 55 met het EU-recht onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft op 18 juni jl. een formele inbreukprocedure aangekondigd tegen Malta vanwege Bill 55.8 Volgens de Commissie overtreedt Malta met deze de wetgeving de Europese Verordening betreffende bevoegdheid en erkenning van rechterlijke uitspraken. De Commissie stuurt een aanmaningsbrief aan Malta, waarna het land twee maanden de tijd heeft om te reageren en de door de Commissie geconstateerde tekortkomingen aan te pakken. Komt er geen bevredigend antwoord, dan kan de Commissie besluiten een met redenen omkleed advies uit te brengen. Mocht daar geen afdoende reactie uit blijken, kan de zaak worden voorgelegd bij het HvJEU. Ik ben zeer verheugd met de genomen stappen door de Europese Commissie en onderschrijf de constateringen van de Commissie.
Worden er vanuit Europa stappen ondernomen om Malta aan te spreken op de aangenomen Bill-55?
Zie antwoord vraag 11.
Haatpredikers op de TU Eindhoven |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de TU Eindhoven sprekers uitnodigt die Hamas verheerlijken, verdacht worden van steun aan Islamitische Staat (IS) en hebben opgeroepen om de demonstratie in Katwijk te laten ontsporen in rellen?1 2
Wij delen de bezorgdheid over de verspreiding van eventuele extremistische boodschappen. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan. Deze inzet is onder meer beschreven in de Nationale Extremismestrategie 2024–2029. Daar waar het gaat om extremistische sprekers is het in eerste instantie aan organisatoren van een evenement om te zorgen dat zij geen podium worden geboden. De TU Eindhoven heeft laten weten dat de lezing is verboden.
Deelt u de zorg dat hier sprake kan gaan zijn van extremistische uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt dit zich tot de brief van oktober 20233 die zag op het versterken van de aanpak van extremistische sprekers en de positie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierin?
De brief van oktober 2023 ziet op het voornemen om de maatregel te versterken om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren in het belang van openbare orde of nationale veiligheid. Het weren uit Nederland vindt plaats door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengen Informatiesysteem (SIS) te signaleren voor grensweigering en waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een inreisverbod of een ongewenstverklaring op te leggen. De IND baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de AIVD of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek. Wanneer de sprekers geen vreemdelingen zijn kan dit juridisch kader niet worden toegepast omdat zij niet onder de vreemdelingenwet vallen.
Ziet u mogelijkheden om de sprekers een gebiedsverbod op te leggen om te voorkomen dat de betreffende predikers woensdag komen spreken en treedt u hiertoe ook in overleg met de burgemeester van Eindhoven? Hoe wordt daarnaast voorkomen dat deze predikers ook op andere plekken in Nederland opereren?
Voor extremistisch gedachtegoed is in Nederland absoluut geen plek. Daarbij is het aan de organisatoren van een evenement om te zorgen dat deze plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en wordt voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. In het voorliggende geval heeft de TU Eindhoven de door een stichting georganiseerde lezing verboden. Daarnaast zijn burgemeesters verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en zal altijd binnen de lokale driehoek een beoordeling van dergelijke evenementen plaatsvinden. Het vooraf verbieden door een gemeente is alleen mogelijk als sprake is van een concrete en ernstige bedreiging van de openbare orde. Het lokaal bestuur maakt daarin een eigen afweging.
De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) maakt het mogelijk om aan een persoon, die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in het belang van de nationale veiligheid. Een mogelijke maatregel is een gebiedsverbod voor een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, mits kan worden onderbouwd dat de aanwezigheid van de persoon in dit specifieke gebied een dreiging tegen de nationale veiligheid vormt en de gedragingen van de persoon voldoen aan bovenstaande norm.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op de TU Eindhoven om dit evenement niet door te laten gaan?
De TU Eindhoven heeft laten weten de lezing te verbieden en dat de organiserende partij hierover is ingelicht.
Welke regelgeving is van toepassing voor de stichting die dit organiseert?
De TU Eindhoven heeft laten weten dat voor alle bijeenkomsten op de campus geldt dat de organiserende stichting en andere aanwezigen zich moeten houden aan de wettelijke kaders en het beleid, zoals dit is opgesteld door TU Eindhoven. Het beleid van TU Eindhoven vereist onder andere dat evenementen uitsluitend doorgang kunnen vinden wanneer de titel een objectieve weergave is van de inhoud van de bijeenkomst en geen opruiende toon bevat. Daarnaast moet een evenement voldoen aan de kernwaarden van de instelling. In dit geval heeft de TU Eindhoven besloten dat hier geen sprake van is en heeft het evenement verboden.
Welk contact is er geweest met de gemeente Eindhoven? Bent u bezorgd dat dit leidt tot radicalisering van jongeren? Zo ja, wat gaat u daartegen doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven toegelicht is het aan organisatoren van een evenement om te voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. De TU Eindhoven heeft in dit geval aan de organiserende partij laten weten dat zij de lezing hebben verboden. Daarnaast geldt in algemene zin dat het lokaal bestuur verantwoordelijk is voor de openbare orde en veiligheid en in dit kader altijd een eigen afweging maakt.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 21 mei beantwoorden?
Ja.
Het toezicht en vergunningverlening onder de Wet Wapens en Munitie. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat verhuurvergunningen voor luchtdrukwapens en airsoftapparaten bij een bedrijfsverhuizing naar een andere politieregio niet automatisch worden overgenomen, terwijl de aanvraag oorspronkelijk is getoetst aan landelijk geldende regels? Acht u het wenselijk dat eerder verleende vergunningen, mits ongewijzigd qua inhoud, door een andere regio worden gerespecteerd?
Bij verhuizing naar een andere politieregio wordt een adreswijziging doorgevoerd op de bestaande erkenning. Dit kan tot gevolg hebben dat een geheel nieuwe erkenning – onder dezelfde condities – zal worden verstrekt. Het mandaatbesluit politie reguleert de geografische afhandeling van aanvragen waarbij rekening wordt gehouden met de woon- of verblijfplaats (bij particulieren) dan wel de vestigingsplaats van rechtspersonen.
Biedt de Wet wapens en munitie volgens u ruimte voor regionale verschillen in de toekenning voor de verhuur van airsoft- en luchtdrukapparaten? Zo ja, hoe verklaart u deze verschillen? Kunt u daarbij ingaan op de verantwoordelijkheid van de korpschef?
De Wet wapens en munitie biedt geen ruimte voor regionale verschillen in het verlenen van erkenningen op grond van artikel 9 van de Wet wapens en munitie (Wwm) voor het vervaardigen of transformeren, of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen van wapens en munitie. De verlening van erkenningen in de zin van artikel 9 Wwm is een complex vraagstuk waarbij de uitgangspunten van de Wet wapens en munitie, de Regeling wapens en munitie en de Circulaire wapens en munitie 2019 in acht genomen dienen te worden. Het is niet ondenkbaar dat er verschillen kunnen ontstaan, aangezien de verlening van erkenningen lokaal geschiedt en eventuele interpretatieverschillen van de wet- en regelgeving tot verschillen zouden kunnen leiden. Echter, zodra deze verschillen opgemerkt worden, zal ingezet worden op het nivelleren hiervan. Dit kan in sommige gevallen, gelet op artikel 7 tweede lid van de wet, leiden tot een wijziging dan wel intrekking van een eerder verleende erkenning op grond van artikel 9 Wwm, mocht daar aanleiding toe zijn. De Wet wapens en munitie biedt daar ook de ruimte toe. De verantwoordelijkheid van de korpschef tot het verlenen, wijzigen en intrekken van erkenningen op grond van artikel 9 Wwm vloeit voort uit de Wet wapens en munitie. Deze verantwoordelijkheid is middels een mandaatbesluit belegd bij de politiechefs van de eenheden. Binnen de eenheden zijn zogenaamde ondermandaten opgesteld voor de uitvoerende afdelingen korpscheftaken.
Bent u bereid te onderzoeken of voor aanbieders van airsoftsport een lichter of modulair opleidingstraject kan worden ingericht dat beter aansluit bij het karakter van airsoft als gereguleerde sport en bij het modulair ingerichte curriculum van de Politieacademie, waardoor zij zich niet meer hoeven te registeren als wapenhandelaar?
De Wet wapens en munitie stelt eisen aan de vakbekwaamheid en betrouwbaarheid van aanvragers en houders van een erkenning van artikel 9 Wwm. In sommige gevallen kan een lichtere eis op het vlak van de vakbekwaamheid worden gesteld Deze gevallen staan in de Regeling wapens en munitie. Het is mij bekend dat er vanuit de airsoftbranche de wens is voor een meer modulair gericht opleidingsaanbod voor de vakbekwaamheid, afhankelijk van de soorten wapens en diensten die de erkenninghouder wil bieden aan klanten. Ook in het rapport van Commissie Wet wapens en munitie «Ringen rond de roos»1 is vanuit de wapenbranche deze wens geuit. Deze wens wordt meegenomen in het moderniseringstraject van de Wet wapens en munitie. Met de politieacademie die als opleidingsinstituut voorziet in deze opleiding, zal nader verkend worden op welke wijze deze modulaire ontwikkeling tot stand kan worden gebracht. Afstemming met de vakhandel zal daarbij plaats vinden.
Deelt u de vrees dat er versnippering van het toezicht op de airsoftbranche ontstaat indien er meerdere erkende verenigingen met officiële status ontstaan die op verschillende wijzen toezicht houden op de naleving van regels door leden omtrent airsoftapparaten?
Bij airsoft kunnen meerdere verenigingen de beoefening van airsoftsport aanbieden, waarbij de verenigingen binnen de kaders van wet- en regelgeving dienen te opereren. De aanwezigheid van meerdere erkende airsoftverenigingen is van belang om keuzevrijheid voor deelnemers van de airsoftsport te creëren. Dit bevordert de vrijheid van vereniging, zoals neergelegd in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het doen ontstaan van keuzevrijheid voor deelnemers van de airsoftsport strookt eveneens met de strekking van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2023.2 Ten slotte is het aannemelijk dat er met de erkenning van andere verenigingen een gezonde concurrentie ontstaat waarin de verenigingen zullen streven naar een optimale dienstverlening met aandacht voor het op een veilige wijze doen beoefenen van de airsoftsport. Ik deel de genoemde vrees niet, temeer omdat de airsoftbranche haar bestaansrecht ontleent aan de erkenning als vereniging.
Hoe vindt het toezicht vanuit het ministerie en de Politie plaats op erkende verenigingen met officiële status? Welke eisen worden er gesteld aan bestuurders van verenigingen die werkzaam zijn in de wapenbranche? Hoe worden lopende aangiften van fraude meegewogen in de toekenning van de officiële status?
Artikel 2.9.1 van de Circulaire wapens en munitie 2019 stelt gedetailleerde eisen waar een airsoftvereniging aan moet voldoen alvorens in aanmerking te komen voor erkenning in de zin van artikel 17a, eerste lid Regeling wapens en munitie. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de betrouwbaarheid van het bestuur. Uit de statuten of huisregels van de vereniging moet blijken dat de betrouwbaarheid van bestuursleden wordt getoetst. Uit de statuten moet in ieder geval blijken dat bestuursleden een verklaring omtrent het gedrag, verlof, erkenning op grond van artikel 9 Wwm of een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit dienen te overleggen. Ook moeten de statuten een bepaling bevatten dat er ten aanzien van een bestuurslid geen vrees voor misbruik mag bestaan.
Bij de beoordeling van een aanvraag tot erkenning van een vereniging worden de voorwaarden uit artikel 2.9.1 van de Circulaire wapens en munitie 2019 getoetst en worden alle belangen meegewogen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij worden eventuele aangiften, meldingen, eerder opgelegde sancties of overige signalen over de vereniging of bestuursleden bij de beoordeling meegewogen.
De korpschef voert controles uit en de politie houdt toezicht vanuit haar algemene toezichthoudende rol op grond van de Wet wapens en munitie. Bij een aantal toezichtstaken is een frequentie van de controles en het toezicht voorgeschreven aan de korpschef in de Circulaire wapens en munitie 2019. Bij de overige taken worden afwegingen gemaakt op basis van risicobeoordeling. Daarnaast kunnen signalen, meldingen of handhavingsverzoeken aanleiding zijn om controles te houden. Tevens dienen erkende verenigingen mij tijdig op de hoogte stellen van relevante voorgenomen wijzigingen van de statuten en dienen daar overleg over aan te gaan. Ook feiten omtrent bestuursleden die effect op de erkenning kunnen hebben, dienen erkende verenigingen mij tijdig te communiceren.
Klopt het dat aspirant-leden van erkende airsoftverenigingen in beginsel niet vallen onder de vrijstellingsregeling zoals bedoeld in artikel 17a van de Regeling wapens en munitie? Acht u het wenselijk dat deze personen, zolang zij geen volwaardig lid zijn, toch airsoftwapens kunnen kunnen aanschaffen?
Personen die ten minste de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en door middel van een bewijs van voorlopig lidmaatschap kunnen aantonen aspirant-lid te zijn van een erkende airsoftvereniging, zijn op grond van artikel 17b, eerste lid, onder a Regeling wapens en munitie vrijgesteld van het verbod tot het voorhanden hebben van airsoftwapens voor de beoefening van de airsoftsport in verenigingsverband. Daarnaast bevat artikel 17c, eerste lid, Regeling wapens en munitie een vrijstelling voor het dragen van airsoftwapens door aspirant-leden.
Daarbij geldt wel de voorwaarde dat dit slechts geldt indien en voor zolang zij tezamen met een volwaardig lid de airsoftsport beoefenen. Ik benadruk dus dat de vrijstellingsregeling voor aspirant-leden aanzienlijk beperkter is dan de vrijstellingsregeling voor volwaardige leden. Ik wijs er ook op dat artikel 2.9.1 Circulaire wapens en munitie 2019 bepaalt dat verenigingen in de statuten moeten opnemen dat aspirant-leden, net zoals dat geldt voor bestuursleden, een verklaring omtrent gedrag, verlof, jachtakte of erkenning dienen te overleggen. Daarmee wordt dus geborgd dat de betrouwbaarheid van aspirant-leden wordt beoordeeld. Verenigingen zijn overigens niet verplicht om aspirant-leden in de zin van artikel 17b, eerste lid, onder a Regeling wapens en munitie in hun statuten aan te wijzen, en kunnen ervoor kiezen om in hun statuten alleen (volwaardige) leden aan te wijzen in de zin van artikel 17a Regeling wapens en munitie. Verenigingen kunnen daarnaast ook introducées aanwijzen ingevolge artikel 17b Regeling wapens en munitie.
Bent u bereid in de aangekondigde wijziging van de Wet wapens en munitie de verlenging van de geldigheidsduur van de jachtakte op te nemen conform motie-Van der Staaij (Kamerstuk 34 432, nr. 11) en daarbij aan te sluiten bij de geldigheidsduur van het jachtexamen?
De Wet wapens en munitie wordt gemoderniseerd. Het vraagstuk over de geldigheidsduur van omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit, verloven en andere typen vergunningen – alsook andere vraagstukken – zijn onderdeel van dit moderniseringstraject.
Het UN Watch onderzoek naar omstreden VN-rapporteur Francesca Albanese |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Omstreden VN-rapporteur Albanese opnieuw onder vuur: Rapport over gesponsorde Anti-Israël tournee in doofpot»?1
Ja.
Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport van United Nations (UN) Watch «Nothing to Hide»?2
Ja.
Kunt u een appreciatie van het rapport van UN Watch naar de Kamer sturen in antwoord op deze vragen of separaat?
Het recente rapport «Nothing to Hide» (mei 2025), gaat in op diverse klachten tegen het functioneren van Speciaal Rapporteur Albanese, die door het coördinatie comité van Speciaal Rapporteurs reeds zijn behandeld en afgedaan. Met het rapport probeert UN Watch duidelijk te maken dat het functioneren van Speciaal Rapporteur Albanese toch in strijd is met de gedragscode en dat het interne klachtensysteem binnen de VN niet naar behoren functioneert. De huidige voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad heeft in een bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de VN-Mensenrechtenraad («het bureau») op 1 april 2025 de leden van het bureau geïnformeerd over de gevolgde procedures inzake klachten over Speciaal Rapporteur Albanese. Hierbij heeft de voorzitter ook verwezen naar een brief van het coördinatie comité van Speciaal Rapporteurs die klachten omtrent het functioneren van Speciaal Rapporteur hebben behandeld conform de daartoe ingestelde regels en procedures. Het kabinet heeft op dit moment geen indicatie dat de gevolgde procedures ontoereikend zijn. Zowel de notulen van de bijeenkomst van het bureau als de brief van het coördinatie comité vindt u als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen.
Bent u bereid alle documenten van het coördinatiecomité over de klachten aan het adres van Speciaal Rapporteur Albanese te delen, zowel over online uitingen als het vergoeden van reizen?
Klachten over het handelen van VN Speciaal Rapporteurs worden altijd vertrouwelijk behandeld. Vanwege de vele aandacht voor de verlenging van de ambtstermijn van Speciaal Rapporteur Albanese heeft de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad besloten toch een tweetal documenten openbaar te maken, die als bijlage zijn meegestuurd met deze beantwoording. Het gaat om de hierboven genoemde brief van het coördinatie comité waarin uiteen is gezet hoe de diverse klachten tegen het functioneren van Speciaal Rapporteur Albanese zijn behandeld en welke stappen zijn genomen. Daarnaast ook de hierboven genoemde notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de VN-Mensenrechtenraad («het bureau») waarin wordt ingegaan op de correspondentie van de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad betreffende deze klachten. Het kabinet heeft geen beschikking over aanvullende documenten.
Welke gevolgen heeft in uw ogen het mogelijk onterecht vergoeden van reizen van de Verenigde Naties (VN) speciaal rapporteur voor haar functioneren?
Het is gebruikelijk dat een VN Speciaal Rapporteur wordt uitgenodigd om te spreken over diens werk, bijvoorbeeld op een universiteit, en dat deze reis wordt vergoed door de uitnodigende partij. Zo komen er regelmatig verschillende VN Speciaal Rapporteurs op bezoek in Nederland voor deelname aan conferenties of het geven van lezingen. Het is niet ongebruikelijk dat de reiskosten (deels) worden vergoed door de uitnodigende partijen, onder meer omdat het reguliere VN-budget niet toereikend is voor de financiering van alle activiteiten die Speciaal Rapporteurs ondernemen ter implementatie van hun mandaat.
Het coördinatie comité heeft wat betreft reisvergoedingen geen belangenverstrengeling of schending van de gedragscode vastgesteld. De door UN Watch genoemde reis van Speciaal Rapporteur Albanese naar Australië werd volgens het coördinatie comité rechtmatig uit het reguliere reisbudget vergoed. Haar reiskosten binnen Australië en Nieuw-Zeeland zijn deels vergoed door derde partijen, waarover dezerzijds geen oordeel kan worden gegeven. Albanese kan geen gebruik maken van het reisbudget voor bezoek aan de Palestijnse Gebieden of Israël omdat ze daar geen toegang tot krijgt. Om die reden kan zij een beroep doen op het beperkte VN-reisbudget voor reizen naar derde landen. Het kabinet heeft geen indicatie of additionele informatie waaruit zou blijken dat er wel onterechte vergoedingen zouden zijn ontvangen.
Bent u van mening dat de aanklachten over onterechte vergoeding van de reis van VN-rapporteur Albanese onpartijdig en naar behoren zijn onderzocht?
Zoals u kunt lezen in de brief van het coördinatie comité, dd. 28 maart 2025, en in de notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de Mensenrechtenraad («het bureau»), dd. 1 april 2025, zijn deze uitgebreid onderzocht en er is geen schending van de gedragscode vastgesteld. Ik heb op dit moment geen reden om van dat oordeel af te wijken.
Hoe reageert u op de aantijgingen over het overmaken van honorariums en vergoedingen voor spreekbeurten die indirect aan de Speciaal Rapporteur en haar medewerking ten goede komen? Deelt u de mening dat dit buitengewoon ongewenst is?
Ja, ik deel dat het ongewenst is dat honorariums aan het team en het werk van de Speciaal Rapporteur ten goede zouden kunnen komen. Dit is door het coördinatie comité met Speciaal Rapporteur Albanese besproken, waarbij Speciaal Rapporteur Albanese heeft aangegeven dat ze geen betaling of honorarium heeft geaccepteerd, of dit ooit zal doen, voor werk dat ze in haar officiële VN-capaciteit doet.
Deelt u de twijfels over de onafhankelijkheid van het onderzoek naar mevrouw Albanese door verklaarde voorstanders en vrienden, die tevens de herbenoeming vierden?
Op dit moment is er geen reden om te twijfelen aan de integriteit van deze interne klachtenprocedure. Als actief lid van de VN-Mensenrechtenraad respecteert Nederland de VN-regels en procedures voor afhandeling van eventuele klachten over het functioneren van Speciaal Rapporteurs.
Constaterende dat de VN-onderzoekscommissie na enkel gesprekken met rapporteur Albanese concludeert dat de door haar gedane uitingen niet antisemitisch waren, vindt u dat de eerder bevraagde uitspraken antisemitisch zijn?3
Zoals ik ook in eerdere beantwoording aan uw Kamer heb aangegeven, vind ik enkele van de uitlatingen van Speciaal Rapporteur Albanese onbetamelijk en niet in lijn met de gedragscode, en dit blijf ik ook vinden. Nederland heeft Speciaal Rapporteur Albanese hier meermaals op aangesproken, meest recentelijk in februari 2025. Indien nodig zal het kabinet zorgen over de impact van bepaalde uitlatingen van Speciaal Rapporteur Albanese opnieuw onder de aandacht brengen.
In een sindsdien verwijderde tweet spreekt zij over «de Joodse brigade» en trawanten4, ziet u dit als antisemitisch? En bent u bereid dit met de indieners te veroordelen?
Voelt u zich, dit alles overwegende, gesterkt in uw ingenomen standpunt tegen de herbenoeming van Speciaal Rapporteur Albanese?
Bent u bereid in de VN aan te dringen op meer neutrale en onpartijdige onderzoeken, waar die neutraliteit en onpartijdigheid in het geding komt door personele samenstelling of werkwijze?
Heeft u tevens kennisgenomen van de inhoudelijke lobbyactiviteiten van de Speciaal Rapporteur in Australië?5 Deelt u het inzicht dat beleidsbeïnvloeding op nationale terreinen ver buiten het VN-mandaat van een rapporteur is?
Welke mogelijke gevolgen hebben klachten over het functioneren van de Speciaal Rapporteur na de herbenoeming voor haar functioneren?
Deelt u het inzicht dat deze onthullingen buitengewoon schadelijk zijn voor het aanzien van de VN en de geloofwaardigheid van haar verslaglegging?
Het bericht ‘Cryptomijnen in een land onder hoogspanning’. |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP), André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Cryptomijnen in een land onder hoogspanning»?1
Ja
Welke Nederlandse of Europese wet- en regelgeving, dan wel IMVO-normen, zijn van toepassing op Nederlandse ondernemers en bedrijven die actief zijn in het cryptomijnen in derde landen?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. De Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) wordt met het Omnibus I voorstel vereenvoudigd en zal gefaseerd toegepast worden vanaf juli 2028.
Wat is precies de toegevoegde waarde van het cryptomijnen in Ethiopië aan de lokale economie en samenleving?
Ethiopië heeft een groot tekort aan buitenlandse deviezen en werkt, met steun van het Internationaal Monetair Fonds, aan het vergroten van deze deviezenvoorraad. De bedrijven die zich in Ethiopië bezig houden met cryptomijnen, betalen een hoger tarief voor het gebruik van elektriciteit dan de Ethiopische bevolking. Omdat zij hun inkomsten genereren in buitenlandse deviezen en die om moeten zetten in lokale valuta om hun rekeningen te betalen, dragen zij bij aan de voorraad buitenlandse deviezen van Ethiopië.
In hoeverre profiteert de lokale bevolking van Ethiopië van de praktijken die in het artikel genoemd worden?
Voor zover bekend is er, behalve middels afdrachten aan de Ethiopische staatskas, geen significant direct economisch voordeel voor de Ethiopische bevolking bij de activiteiten van buitenlandse crypto miners.
Kan het kabinet toelichten wat volgens haar de wenselijkheid is van het cryptomijnen in Ethiopië door Nederlandse ondernemers en bedrijven?
Het kabinet moedigt Nederlandse crypto miners niet aan om actief te worden in Ethiopië. Tegelijkertijd staat het deze ondernemers vrij om activiteiten te ontplooien in Ethiopië, mits deze in lijn zijn met relevante internationale standaarden en lokale wet- en regelgeving.
Hoe ziet de inzet van het kabinet eruit om de beperkte elektriciteit die voorradig is in Ethiopië ten goede te laten komen aan de bevolking zelf?
Er is in Ethiopië geen gebrek aan opgewekte elektriciteit. Er is dus ook geen sprake van verdringing van de lokale bevolking door crypto-investeerders. Wel is er nog altijd sprake van beperkte distributiecapaciteit van het elektriciteitsnet, met name in rurale gebieden. Daar heeft de bevolking last van. De Ethiopische overheid investeert in uitbreiding van het distributienetwerk, maar vooralsnog is dat onvoldoende om alle lagen van de bevolking te bereiken, onder meer door financieringstekorten. Om de benodigde economische groei te bewerkstelligen, voorziet de Ethiopische overheid een belangrijke rol voor de private sector en maakt zich hard voor het aantrekken van buitenlandse investeerders. De komst van cryptobedrijven past in deze strategie.
Acht het kabinet het noodzakelijk om met extra regelgeving te komen om de negatieve gevolgen van cryptomijnen in derde landen te verminderen, en zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet acht aanvullende wetgeving niet noodzakelijk. Het kabinet verwacht van alle bedrijven dat zij zakendoen in lijn met de OESO richtlijnen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights.
Wat is het morele oordeel van het kabinet over het artikel, met name met het oog op de schrijnende armoede en grote maatschappelijke problemen die een land als Ethiopië teisteren?
In het algemeen steunt Nederland de Ethiopische economische hervormingsagenda, de Homegrown Economic Reform Agenda. Hierbij ligt een sterke nadruk op ontwikkeling van de private sector. Dit biedt meer kansen voor ondernemers, in een van oudsher sterk gesloten economisch systeem. Nederland draagt hieraan bij door programma’s op het gebied van private
sectorontwikkeling. Ongelijkheid en armoede blijven echter zeer grote uitdagingen in Ethiopië en het artikel illustreert dit. Nederland zet zich daarom tevens in voor armoedebestrijding en het leveren van diensten op het gebied van bijvoorbeeld water, voedselzekerheid en gezondheid. Dit biedt mensen perspectief, en legt een basis voor lokale economische ontwikkeling in een markt van ruim 130 miljoen inwoners. Ook draagt het bij aan stabiliteit.
Hoe verhoudt de ontwikkeling die in het artikel genoemd wordt zich tot de Nederlandse hulp aan Ethiopië? Werken deze elkaar niet tegen?
Het kabinet zet zich in voor inclusieve economische groei in Ethiopië die ten goede komt aan de bevolking en kansen biedt aan Nederlandse ondernemersDaarbij werkt Nederland, waar mogelijk, samen met de Ethiopische overheid om dit te bewerkstelligen. De Ethiopische inzet op het aantrekken van cryptobedrijven versterkt niet de Nederlandse hulp maar werkt deze ook niet tegen. Er is geen samenwerking op het terrein van crypto en er bestaan geen plannen in die richting.
De advertentie van ambtenaren van het ministerie van Asiel en Migratie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de advertentie in dagblad Trouw van ambtenaren van het Ministerie van Asiel en Migratie, waarin kennelijk afstand wordt genomen u?1
Hoe verhoudt deze advertentie zich volgens u tot het loyaliteitsvereiste van een ambtenaar, zoals vastgelegd in artikel 10 van de Ambtenarenwet 2017? Hoe weegt u daarbij de gekozen uitingswijze, namelijk het welbewust zoeken van een landelijk platform om een gevoelige boodschap zo breed mogelijk te verspreiden?
Onderkent u dat dergelijke uitingen door ambtenaren op gespannen voet staan met de bepaling dat een ambtenaar zich «onthoudt van het openbaren van gedachten of gevoelens (...) indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie (...) niet in redelijkheid zou zijn verzekerd»? Vindt u het ook onacceptabel dat groepen ambtenaren op oneigenlijke wijze de taak van het departement doorkruisen door schijnbaar in naam van de organisatie boodschappen te verspreiden?
Deelt u de mening dat een dergelijke actie potentieel schadelijk is voor bewindspersonen én ambtenaren, aangezien door middel van rolvermenging de verschillende posities worden ondermijnd?
Welke stappen heeft u ondernomen of bent u voornemens te ondernemen naar aanleiding van deze advertentie?
Bent u bereid in het kabinet aandacht te vragen voor het feit dat ambtenaren zich vaker lijken uit te spreken tegen het optreden van bewindspersonen of het kabinet, zoals eerder ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich uitspraken tegen het Israëlbeleid?
Daar zie ik op dit moment geen aanleiding toe.
De uit de hand gelopen bijeenkomst op 22 april in Lelystad |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Mirjam Bikker (CU), André Flach (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met een bijeenkomst van «Christenen voor Israël» op 22 april in Lelystad waarbij genodigden en aanwezigen drie kwartier langer moesten binnen blijven vanwege hun veiligheid en niet konden vertrekken op advies van de politie door een tegendemonstratie?1
Ja.
Is deze tegendemonstratie vooraf aangekondigd? Zo ja, is er door de burgemeester een vergunning verleend om op de desbetreffende plek te demonstreren?
Uit navraag bij de gemeente Lelystad blijkt dat de gemeente Lelystad kort voor de lezing is geïnformeerd over de demonstratie. Daarom zijn de organisatoren vooraf niet ingelicht.
Zijn de organisatoren van de bijeenkomst vooraf ingelicht over een tegendemonstratie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke ondersteuning biedt u aan gemeenten die situaties willen voorkomen zoals de belaging in Zaltbommel en nu de opsluiting van onschuldige bezoekers in Lelystad?
In Nederland is de burgemeester verantwoordelijk voor het faciliteren van het demonstratierecht. Er zijn diverse handreikingen over het demonstratierecht, zoals Bijkans Heilig van de gemeente Amsterdam en de website www.demonstratierecht.nl waar betrokken partijen terecht kunnen voor vragen. Daarnaast kunnen gemeenten ook terecht bij het Nederlands Genootschap van burgemeesters (NGB).
Hoe gaat u nu de veiligheid voor toekomstige bijeenkomsten van «Christenen voor Israël» waarborgen? Bent u bereid bij volgende bijeenkomsten extra veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (veiligheids)maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats met de politie en het OM. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden.
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van zomer verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
In hoeverre vindt u het toelaatbaar dat bezoekers niet meer naar een bijeenkomst durven omdat er bij binnenkomst een grote groep demonstranten staat waarbij demonstranten op slechts twee meter van de bijeenkomst zijn gekomen?
Uiteraard vind ik het onacceptabel wanneer bezoekers niet meer naar een bijeenkomst durven. De bezoekers van een bijeenkomst oefenen immers hun recht op vrijheid van meningsuiting uit. Ook dit recht verdient bescherming. Tegelijkertijd hebben demonstranten het recht om vreedzaam te demonstreren. Zowel de vrijheid van meningsuiting als het demonstratierecht zijn essentieel in een democratische rechtsstaat en verdienen bescherming. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt om beide rechten te faciliteren is aan het lokaal gezag.
In hoeverre was de tegendemonstratie volgens u in strijd met artikel 146 Wetboek van Strafrecht?
Het is in voorkomend geval aan het OM om te bepalen of sprake is van een strafbare gedraging en of vervolging opportuun is. Het is vervolgens aan de rechter om te bepalen of er daadwerkelijk in strijd is gehandeld met dit artikel.
Het stopzetten van grootschalige voedselhulp in Ethiopië |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Verenigde Naties (VN)-voedselhulp aan 650.000 ondervoede vrouwen en kinderen in Ethiopië wordt stopgezet vanwege tekortschietende financiering?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit zeer zorgelijke bericht, dat zal leiden tot ernstig toenemende honger en ondervoeding in dit grote land?
Dit is inderdaad een zorgelijk bericht omdat 3,6 miljoen mensen in Ethiopië niet langer toegang hebben tot voedselhulp in de komende weken als er niet snel extra geld beschikbaar komt.
Kunt u nader aanduiden welke concrete consequenties (omvang en impact) het stoppen van dit grote voedselprogramma zal hebben in dit kwetsbare land?
Het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de VN heeft genoemde voedselhulp aan 650.000 ondervoede vrouwen en kinderen in Ethiopië inmiddels noodgedwongen stopgezet. In totaal zullen in de komende weken 3,6 miljoen mensen in Ethiopië toegang tot levensreddende voedselhulp verliezen, tenzij er op zeer korte termijn extra financiering gevonden wordt.
De tekorten in financiering hebben er tevens toe geleid dat het WFP de voedselhulp voor een miljoen vluchtelingen in Ethiopië heeft moeten reduceren (tot 60% van rantsoen). De voedselhulp voor 800.000 intern ontheemden is teruggebracht (tot 80% van rantsoen). Vanaf juni heeft het WFP ook niet meer de middelen om vluchtelingen met cash transfers te ondersteunen, en in-kind voedselhulp staat eveneens onder druk als er geen nieuwe financiering wordt gevonden.
In hoeverre heeft dit tevens impact op de fragiele vrede in Tigray en de humanitaire impact van de daar gevoerde oorlog? Hoe weegt u die gevolgen?
De tekorten als gevolg van het afschalen van levensreddende voedselhulp zullen impact hebben op de meest kwetsbaren in Ethiopië. De situatie in de Tigray-regio verdient daarbij bijzondere aandacht vanwege de gevolgen van de burgeroorlog in Noord-Ethiopië, die met name die regio trof. Spanningen in Tigray zijn nog altijd hoog, onder meer omdat er vele honderdduizenden intern ontheemden zijn, die door voortslepende politieke onenigheid niet naar huis kunnen.
Het is mogelijk dat stopzetten van hulp aan deze groep mensen de interne spanningen nog verder zal doen oplopen, en daarmee de vrede in Tigray verder onder druk zal komen te staan. De Nederlandse ambassade in Ethiopië monitort deze situatie nauwgezet en is betrokken bij gesprekken over de-escalatie, en het voorzien in de noden van de bevolking.
Hoeveel geld is er precies tekort voor het betreffende voedselprogramma en wat is er nodig om de grootste consequenties op te vangen?
Het WFP gaf eerder aan dat voor de periode april – september 2.025 USD 222 miljoen nodig is voor levensreddende hulp aan de meest kwetsbare mensen in Ethiopië. Voor een aanzienlijk deel hiervan is nog geen dekking gevonden, vandaar dat WFP nu hulp prioriteert en reduceert.
Welke mogelijkheden heeft Nederland om bij te dragen aan voortgang van dit grootschalige voedselprogramma? Bent u bereid om dit te verkennen en om daaraan zo mogelijk vanuit Nederland bij te dragen?
In 2025 draagt Nederland EUR 60 miljoen bij aan het WFP wereldwijd. Het is aan het WFP om te bepalen waar deze hulp het meest effectief kan worden ingezet, op basis van waar de noden het grootst zijn. Ook draagt Nederland EUR 9 miljoen bij aan het Humanitaire Fonds voor Ethiopië dat eigen prioriteiten kan stellen gebaseerd op acute noden.
Grote bezuinigingen op het Agency for International Development van de Verenigde Staten (USAID) hebben een enorme impact op humanitaire financiering wereldwijd. Dit betekent dat er door organisaties als WFP moeilijke keuzes gemaakt moeten worden, niet alleen in Ethiopië maar ook in andere humanitaire crises als Soedan, Jemen en de Democratische Republiek Congo. Nederland heeft het budget voor humanitaire hulp op peil weten te houden, maar het is voor Nederland onmogelijk om forse wereldwijde reducties in levensreddende hulp te compenseren.
Welke mogelijkheden liggen er op Europees vlak om de ingrijpende consequenties van de tekortschietende financiering te verkleinen? Bent u bereid dit te verkennen?
Door de flexibele manier van financieren kunnen Nederlandse bijdragen door de humanitaire organisaties meteen worden ingezet waar de noden het hoogst zijn, ook of juist wanneer andere bijdragen wegvallen.
Daarnaast spreekt Nederland in allerlei verschillende fora, waaronder in EU-verband, met verschillende donorlanden en organisaties over de impact van het wegvallen van veel humanitaire financiering als gevolg van forse bezuinigingen op USAID. Daarbij wordt specifiek gekeken naar crises die voor humanitaire financiering grotendeels afhankelijk zijn van Amerikaanse fondsen. De problematiek in Ethiopië speelt evenzeer in andere landen waar basale, levensreddende hulp dreigt te worden gestaakt of al gestopt is.
Fors minder financiering voor humanitaire hulp betekent dat er prioriteiten moeten worden gesteld en hervormingen nodig zijn, gericht op een efficiënter humanitaire hulpsysteem. De EU brengt inmiddels in kaart wat de gevolgen zijn van het wegvallen van onder andere Amerikaanse fondsen, en stelt een strategie op voor EU-actie. De EU-financiering voor Ethiopië is voor 2.025 EUR 46 miljoen.
Bent u bereid om contact te leggen met andere Europese landen om te bezien of en in hoeverre er een oplossing is te vinden voor deze financiële problemen met betrekking tot de meest basale levensbehoeften voor talloze vrouwen en kinderen in Ethiopië? Zo ja, op welke wijze kunt u dit vormgeven en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Hoe wij bij een CvI-lezing werden belaagd en geïntimideerd door demonstranten’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), André Flach (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe wij bij een CvI-lezing werden belaagd en geïntimideerd door demonstranten»?1
Ja.
Wat is uw reactie hierop?
Ik vind het onacceptabel dat aanwezigen zich belaagd en geïntimideerd hebben gevoeld.
Bent u het ermee eens dat het demonstratierecht zich absoluut niet leent voor, en zelfs misbruikt wordt indien sprake is van, intimidatie, bedreiging en vernieling van eigendommen?
Demonstreren is een grondrecht, maar geen vrijbrief voor intimidatie, bedreiging, vernieling van eigendommen of (andere) strafbare feiten.
Deelt u de mening dat uit artikel 9 Grondwet voortvloeit dat het recht op betoging beschermd wordt behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet en derhalve ingegrepen moet worden zodra het strafrecht in het geding is?
Het demonstratierecht wordt in verschillende juridische documenten beschermd, waaronder in artikel 9 Grondwet en artikel 11 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het tweede lid van beide artikelen geeft aan wanneer een beperking van het demonstratierecht gerechtvaardigd kan zijn. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat strafrechtelijke vervolging voor strafbare handelingen begaan tijdens demonstraties een gerechtvaardigde beperking van het demonstratierecht kan zijn wanneer sprake is van een laakbare gedraging («reprehensible act»).
Deelt u de zorg dat het demonstratierecht steeds vaker als dekmantel zal dienen teneinde strafrechtelijk gedrag te vertonen zonder dat hier strafrechtelijk tegen wordt opgetreden? Hoe gaat u dit verschijnsel tegen?
Onder gezag van het OM wordt er strafrechtelijk gehandhaafd bij demonstraties als het OM dit opportuun acht in het licht van het kader als geschetst in het antwoord op vraag 4.
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van de zomer verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop
Kunt u zich rekenschap geven van het feit dat het recht op betoging en vereniging door hetzelfde Grondwetsartikel beschermd worden en derhalve dezelfde mate van bescherming verdienen? Kunt u aangeven hoe deze afweging heeft plaatsgevonden in bovengenoemde casus? Weegt hier de religieuze lading van de bijeenkomst nog mee, welke tevens door artikel 6 Grondwet beschermd wordt?
Het klopt dat het recht op betoging en vereniging door hetzelfde Grondwetsartikel worden beschermd. Het hierboven genoemde WODC-onderzoek richt zich ook op situaties waarin er sprake is van botsende grondrechten. Het is aan het lokaal gezag om een dergelijke afweging te maken, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Klopt het dat indien tijdens een demonstratie schade aan eigendommen ontstaat of sprake is van intimidatie slechts achteraf kan worden opgetreden, zelfs indien de Politie bij de demonstratie aanwezig is?
Nee. Het is aan het lokale gezag om te handhaven bij een demonstratie. Als een demonstrant een strafbaar feit pleegt tijdens een demonstratie, dan kan de politie onder gezag van het OM ingrijpen. Er kan ook worden opgetreden onder gezag van de burgemeester indien door alle of een groot deel van de demonstranten strafbare feiten worden gepleegd, bijvoorbeeld door het geven van een aanwijzing (zoals het verplaatsen van de demonstratie) of het ontbinden van de demonstratie.
Bent u bereid er bij lokale bestuurders en het Openbaar Ministerie op aan te dringen dat strafbaar gedrag tijdens demonstraties als zodanig bestempeld wordt en indien nodig de Wet Openbare Manifestaties zo aan te passen dat strafbaar gedrag niet goedgekeurd wordt vanwege het enkele feit dat het door de organisator als demonstratie bestempeld wordt?
Ik loop niet vooruit op het wijzigen van wetgeving voorafgaand aan de resultaten van het WODC-onderzoek.
Het beëindigen van de VWS-subsidie aan het IKNL Trialbureau |
|
Wieke Paulusma (D66), Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU), Harmen Krul (CDA) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het dat u de subsidie aan het trialbureau van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) stopzet?1
Ja. Bij het verlenen van subsidies is de overheid gehouden om te toetsen of de te subsidiëren activiteiten voldoen aan de Europese staatssteunregels. Met deze regels wordt geborgd dat (markt)partijen op een gelijk speelveld opereren. Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van IKNL heeft de toetsing aan de staatssteunregels tot de conclusie geleid dat een deel van de subsidie waar de stichting IKNL een instellingssubsidie2 voor ontvangt vanaf 2026 niet meer in aanmerking komt voor subsidiering. Dit betreft de activiteiten van het zogenaamde trialbureau. Het stoppen van dit deel van de subsidie is ook in lijn met het advies dat het Ministerie van VWS in 2019 heeft ontvangen vanuit ABD-Topconsult over de actualisatie van de (voorwaarden voor) subsidieverstrekking door het Ministerie van VWS aan IKNL. Naar aanleiding van dit advies is het gesprek met IKNL gestart over het niet meer kunnen subsidiëren van het trialbureau. Het Ministerie van VWS verzoekt IKNL sinds 2019 ook om geen nieuwe trials meer op te starten, gefinancierd via de subsidiegelden vanuit het Ministerie van VWS. Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de brief aan uw Kamer uit 2019 over dit onderwerp.3
Waarom heeft u ervoor gekozen om deze subsidie stop te zetten?
Zie het antwoord op vraag 1.
Hoe groot is het subsidiebedrag aan het IKNL Trialbureau?
Het subsidiebedrag voor het trialbureau van IKNL is € 4.086.867 voor het subsidiejaar 2025. De gehele instellingssubsidie van IKNL voor het jaar 2025 is maximaal € 41.467.391,00.
Vanaf welke datum wordt de subsidie precies stopgezet?
Vanaf wanneer zal het trialbureau van het IKNL haar activiteiten moeten beperken? Klopt het dat het trialbureau al op zeer korte termijn haar activiteiten zal moeten beëindigen?
Zijn er andere manieren denkbaar om de activiteiten van het trialbureau toch te kunnen blijven financieren?
Kunt u toelichten of de activiteiten van het IKNL Trialbureau, het enige onafhankelijke trialbureau van Nederland naar betaalbare kankermedicatie, door andere organisaties overgenomen worden en zo ja, door wie?
Hoe rechtvaardigt u dit besluit gegeven het feit dat kanker de belangrijkste volksziekte is en de behoefte aan betaalbare medicatie dus groot is?
Ik heb mij aan de staatssteunregelgeving te houden. De beslissing om op basis van deze gronden de activiteit van het trialbureau van IKNL te willen beëindigen doet niets af aan het gegeven dat ik veel waarde hecht aan fundamenteel en klinisch onderzoek binnen de oncologie in Nederland en daarvoor ook via verschillende kanalen financiële middelen beschikbaar stel, bijvoorbeeld via programma’s bij ZonMw of via de beschikbaarheidsbijdrage academische zorg (BBAZ)4. Daarnaast stelt het Ministerie van VWS in 2025 € 66,6 miljoen5 beschikbaar voor o.a. het verbeteren van de oncologische zorg en het bevorderen van fundamenteel, translationeel en klinisch onderzoek – hieronder valt ook de gehele instellingssubsidie aan IKNL.
Welke impact heeft het sluiten van het trialbureau op de overige activiteiten van het IKNL?
Van IKNL heb ik begrepen dat de gevolgen van het (voorgenomen) besluit op de gehele organisatie in kaart worden gebracht.
Beperkte oefenmogelijkheden voor de luchtmacht |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Na Ramstein Flag kan op vliegbasis amper nog gevlogen worden»1? Hoe beoordeelt u dit bericht, vooral als het gaat om de zeer beperkte oefenmogelijkheden die resteren na Ramstein Flag?
Ja.
Defensie is zich bewust van de vergunde geluidsruimte die door middel van het Luchthavenbesluit Leeuwarden voor de vliegbasis is vastgesteld. Een grote oefening als Ramstein Flag waarbij ook ’s avonds wordt gevlogen heeft een groot aandeel in de geluidsbelasting. Dit staat op gespannen voet met de noodzakelijke training om inzet gereed te worden en te blijven. Juist in deze tijd van geopolitiek onrust is het van cruciaal belang dat onze mensen voldoende getraind zijn en er voldoende oefenmogelijkheden zijn.
Bent u bereid het Besluit Militaire luchthavens te evalueren en te bezien welk effect de regels en de kosteneenheden hebben op de oefenmogelijkheden voor de luchtmacht? Zo ja, kunt u dit naar de Kamer sturen?
Het Ministerie van Defensie bereidt een wijziging van het Besluit militaire luchthavens (Bml) voor om de geluidbelastingmaat Kosteneenheden (Ke) te vervangen door Lden. Dit is eerder gebeurd voor de burgerluchtvaart. Bij de voorbereiding van deze wijziging zal onder andere aandacht zijn voor de operationele mogelijkheden voor de luchtmacht en de bescherming van de omgeving rond militaire luchthavens. Hierover informeer ik uw Kamer in het derde kwartaal van dit jaar.
Bent u van mening dat de Luchtmacht vanaf Leeuwarden genoeg vlieguren per jaar kan maken of zou u dit idealiter verhogen? Kunt u dit nader onderbouwen?
Ondanks intensief gebruik van simulatoren en oefeningen in het buitenland zijn er momenteel onvoldoende oefenmogelijkheden binnen Nederland. Uitbreiding van oefenmogelijkheden is nodig voor de geoefendheid van onze militairen en is opgenomen in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD). Ook is extra capaciteit nodig voor tijdelijke stationering van jachtvliegtuigen van bondgenoten («bed-down») en voor tactische spreiding van eigen jachtvliegtuigen en van bondgenoten op basis van het «Agile Combat Employment» (ACE) concept van de NAVO. Daarnaast is extra capaciteit nodig vanwege de bijdrage van Nederland aan grootschalige NAVO-oefeningen zoals Frisian Flag en Ramstein Flag. De totale uitbreiding van jachtvliegtuigactiviteiten die Defensie voor ogen heeft voor Nederland, zoals is opgenomen in het NPRD, komt neer op 2.300 sorties (starts en landingen) op jaarbasis. Dit komt bovenop de huidige beschikbare ruimte van 5.200 sorties per jaar en telt dus op tot een totaal van 7.500 sorties per jaar verspreid over Nederland.
In het kader van het NPRD vindt momenteel besluitvorming plaats op welke wijze de benodigde toename van het aantal sorties het beste kan worden geaccommodeerd. Eind mei wil ik uw Kamer de ontwerp Beleidsvisie Nationaal Programma Ruimte voor Defensie toekomen.
Is er binnen het luchtvaartbesluit en de overige wet- en regelgeving enig maatwerk mogelijk dat rekening houdt met de grootte van oefeningen en spreiding gedurende het jaar?
Ja, maatwerk is mogelijk. In het Luchthavenbesluit Leeuwarden is een geluidsruimte vastgesteld. Deze geluidsruimte bepaalt de maximale geluidbelasting die op jaarbasis als gevolg van het gebruik van de vliegbasis mag worden gemaakt.
Defensie plant en spreidt binnen het jaar de oefeningen en trainingen om binnen de geluidsruimte te blijven. Dit is nu mogelijk doordat F35’s de oostflank van het NAVO-verdragsgebied bewaken vanaf Ämari en deelnemen aan oefeningen in het buitenland.
Bent u bereid de nachtstraffactor voor de geluidsruimte te beschouwen en eventueel bij te stellen als deze excessief beperkend is voor het adequate oefenen en vliegen onder omstandigheden als nachtvliegen?
Bij de voorbereiding van de wijziging van het Bml, zoals beschreven bij het antwoord op vraag 2, zal ook aandacht zijn voor de straffactoren en het effect daarvan op de berekening van de geluidbelasting.
Welke rol speelt het Besluit Militaire luchthavens in de vormgeving van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie? En kunt u schetsen hoeveel men erop vooruit gaat met het aantal vliegbewegingen en vlieguren bij de nieuwe ruimtebehoeften inzake laagvlieggebieden en jachtvlieggebieden?
Het Bml geeft voor militaire luchthavens de milieutechnische en ruimtelijke kaders. Vervolgens worden o.a. de geluidsruimtes en de openingstijden voor de specifieke vliegbases in luchthavenbesluiten vastgesteld. Het NPRD is bedoeld om voldoende ruimte te waarborgen voor de uitvoering van militaire taken, rekening houdend met andere ruimtelijke belangen. Na definitieve besluitvorming over het NPRD, eind 2025, zullen indien nodig luchthavenbesluiten worden gewijzigd.
Ten aanzien van de uitbreiding van de jachtvliegtuigcapaciteit in het NPRD zie het antwoord op vraag 3.
Defensie zoekt als onderdeel van het NPRD naar meer laagvlieggebieden voor helikopters vanwege de structurele toename van het aantal helikopterbewegingen in Nederland. Dat heeft o.a. te maken met de veranderende veiligheidssituatie en de hiermee gepaard gaande veranderende taakstelling van helikopters. Een onderdeel hiervan is een toename in laagvliegtraining, omdat laagvliegen noodzakelijk is tijdens missies in een hoger geweldsspectrum. Daarnaast is er meer diversiteit in de laagvlieggebieden nodig om afwisseling in de trainingen te realiseren. Dit verbetert de kwaliteit van de training.
Welke overige knelpunten zijn er bekend rond het oefenen en voldoende vlieguren maken en vliegbewegingen uitvoeren voor operationele piloten van de Koninklijke Luchtmacht? Kunt u de Kamer daarover informeren?
Defensie inventariseert of de geldende wet- en regelgeving, die ingericht is voor vredestijd, leidt tot andere knelpunten dan de fysieke en milieuruimte die wordt geadresseerd met het NPRD. Vanuit die hoedanigheid, lopen er vanuit Defensie nu verschillende initiatieven, het eerdere genoemde NPRD maar ook het voornemen om te komen tot een Wet op de defensiegereedheid, waarover Defensie uw Kamer binnenkort informeert. Beide initiatieven moeten verzekeren dat de gereedheid van het militair vermogen van de krijgsmacht is geborgd en de gereedstelling niet in gevaar komt.
Het bericht dat de Nationale Politie en het ministerie van SZW en VWS iftars organiseren. |
|
Diederik van Dijk (SGP), André Flach (SGP) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat diverse politie-eenheden en ministeries ook dit jaar iftars organiseren, faciliteren of daaraan actief deelnemen?1 2
De politie neemt sinds een aantal jaren deel aan een aantal iftars op verschillende plekken in het land. Dit wordt gedaan om in verbinding te staan met verschillende groepen in de samenleving. Ook organiseert de politie zelf diverse bijeenkomsten in het teken van betekenisvolle dagen, waaronder iftars.
Verschillende ministeries organiseren bijeenkomsten in het licht van betekenisvolle dagen, waaronder iftars.
Bent u bekend met de sterk religieuze lading en achtergrond van de Ramadan en welk beeld denkt u neer te zetten met deelname aan een iftar? Bent u zich bewust dat de Ramadan een uiting is van de innerlijke jihad3 die iedere moslim houdt en is ingesteld door de profeet Mohammed waarmee afhankelijkheid aan Allah betuigd wordt?
Het is bekend dat het vasten tijdens de ramadan onderdeel is van de geloofsbelijdenis van veel moslims. Deelname aan iftars kan bijdragen aan het bevorderen van sociale cohesie en begrip tussen betrokken (politie)ambtenaren en de diverse groepen in de samenleving.
Hoe is het organiseren en bijwonen van iftars in politie-uniform te verenigen met de neutraliteit die de Politie dient uit te stralen, zoals onder andere blijkt uit de Gedragscode lifestyle-neutraliteit waarin bepaald is dat de politieambtenaar zich er rekenschap van geeft om in het belang van zijn gezag, neutraliteit en zijn eigen veiligheid, bij zijn optreden, in contact met het publiek, een gezagsuitstralende, neutrale en veilige houding behoort in te nemen?
Ik vind dat er een verschil zit tussen het bijwonen van een iftar en een oproep tot gebed in uniform. Een oproep tot gebed in uniform vind ik niet passen bij een politie die neutraliteit uitstraalt. Verschillende levensopvattingen en geloofsovertuigingen mogen er zijn, maar zijn een privéaangelegenheid. Het is belangrijk dat een publiek optreden in uniform geen blijk geeft van deze persoonlijke opvattingen.
Deelt u de mening dat het uitspreken van een islamitisch gebed (De sjahada4) door een politieambtenaar in functie bij een iftar met publiek niet strookt met de gezagsuitstralende, neutrale houding van de politie? Hoe is deze praktijk te rijmen met uw opvatting dat religieuze uitingen niet in combinatie met het politie-uniform mogen gebeuren?5
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzichtelijk maken wat de kosten voor de Nationale Politie zijn om de vele iftars in diverse Politie-eenheden te organiseren?
De aanwezigheid van de politie bij iftars die door burgers worden georganiseerd brengt geen kosten met zich mee.
Alle activiteiten die de politie organiseert met het doel het diverser en inclusiever maken van de politieorganisatie (waaronder de organisatie van iftars) zijn ingebed in de structuur van de organisatie en geborgd in het beheersplan en de begroting. Er zijn geen aparte bedragen geoormerkt voor dit specifieke doel.
In hoeverre organiseren de politie en ministeries op periodieke basis ook bijeenkomsten voor andere religieuze stromingen dan de islam of participeren zij daarin?
De politie organiseert net zoals ministeries en andere publieke organisaties bijeenkomsten in het teken van betekenisvolle dagen. Dit wordt gedaan in het kader van diversiteit- en inclusiebeleid. Er wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan religieuze momenten zoals Kerst, Chanoeka en de ramadan, maar ook aan seculiere betekenisvolle dagen zoals pride en vrouwendag.
Er is geen rijksbreed beleid aan welke dagen aandacht wordt besteed; ministeries en publieke organisaties zoals de politie bepalen dit zelf. Hierbij wordt gestreefd naar een goede mix van betekenisvolle dagen.
Wat is de reden dat voornamelijk islamitische feestdagen een plek lijken te krijgen bij de politie en ministeries? Deelt u de mening dat de neutraliteit van de overheid ter discussie kan worden gesteld bij het regelmatig organiseren van islamitische bijeenkomsten?
Zie antwoord vraag 6.
Geeft u zich er rekenschap van dat wanneer er met regelmaat selectief stilgestaan wordt bij bepaalde religieuze feesten dit niet inclusief en divers is tegenover andere religies waarvoor geen of minder bijeenkomsten worden georganiseerd? Hoe weegt u de gevolgen van deze uitstraling richting het personeel?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over politie beantwoorden?
Informatie van FIOM over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met informatie van FIOM over abortus onder de titel «Een realistisch beeld van zwangerschap en abortus»?1
Ja, ik ben bekend met deze informatie. Ook heeft Fiom het Ministerie van VWS hierover geïnformeerd, zowel voor de start van het project als tijdens het project.
Is de totstandkoming van deze informatiepagina gefinancierd met subsidie van uw ministerie?
Ja, vanuit de instellingssubsidie aan Fiom en de instellingssubsidie aan het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA).
Wat vindt u van het gebruik van de foto’s met petrischalen? Erkent u dat deze foto’s geen realistisch, maar eerder een misleidend beeld geven van wat een abortus is, aangezien alleen het lege vruchtzakje te zien is en niet het embryo omdat deze met het bloed van het zwangerschapsweefsel afgespoeld is?
De foto’s op de website van Fiom laten zien wat je met het blote oog ziet na een instrumentele abortus. Op de foto’s is het vruchtzakje te zien waarin het embryo zich bevindt. Het embryo is met het blote oog niet zichtbaar. Dat komt omdat het embryo te klein is en omdat het weefsel niet meer volledig intact is na de behandeling. Het bloed is van het weefsel afgespoeld, maar verder zijn er geen aanpassingen gedaan en is niets verwijderd. Fiom en het NGvA bekijken of dit verder kan worden verduidelijkt in de begeleidende tekst op de website.
Ik wil graag benadrukken dat elke vorm van visualisatie bepaalde aspecten selecteert en andere aspecten weglaat. De petrischaalfoto's tonen wat zichtbaar is met het blote oog nadat bloed is weggespoeld. Een echo of een digitale afbeelding wordt bewerkt, uitvergroot en ingekleurd. Omliggend weefsel wordt vaak weggelaten om het embryo extra goed in beeld te brengen. Bij visualisatie van zwangerschap of abortus is een bepaalde mate van selectiviteit dus onvermijdelijk. Daarom is het belangrijk dat duidelijk wordt gemaakt wat er te zien is en hoe de afbeeldingen zijn verkregen en bewerkt. Fiom legt dit bij de foto’s uit. Ik vind dus niet dat Fiom hier misleidende informatie geeft.
Bent u het ermee eens dat het kwestieus is om te pretenderen eerlijke en betrouwbare informatie te willen verschaffen over abortus, maar tegelijkertijd foto’s te presenteren waarop het embryo (waar het bij een abortus nu eenmaal om te doen is) verwijderd is?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de volgende Q&A van FIOM naar aanleiding van deze foto’s:«Waarom zien de foto's op deze pagina er zo anders uit dan het beeld op een echo? Deze foto's laten zien wat je met het blote oog ziet na een instrumentele abortus. Ons doel is om een realistisch beeld te geven van hoe het weefsel er bij een jonge zwangerschap uitziet. Dit is kleiner en anders dan op echobeelden, omdat je bij een echo vaak een uitvergroting ziet. En omdat je op een echo transparante structuren van een embryo kunt zien die je met het blote oog niet ziet. (...)»? Bent u het ermee eens dat het uitvergroten van de werkelijkheid door middel van een echo niks afdoet aan diezelfde werkelijkheid en eerder een méér dan een minder realistisch beeld van de werkelijkheid geeft?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 en 4 worden bij elke vorm van visualisatie bepaalde aspecten geselecteerd en andere aspecten weggelaten. Dit maakt een echo niet méér of minder realistisch dan petrischaalfoto's, maar wel anders. Beide visualisaties kunnen een realistisch beeld bieden van de werkelijkheid.
Vindt u het passend bij eerlijke en betrouwbare informatievoorziening dat FIOM geen beelden laat zien van een abortus ná negen weken, terwijl ongeveer een kwart van de abortussen na deze termijn plaatsvindt?
Fiom heeft de vrijheid om dergelijke afwegingen en keuzes te maken. Fiom legt op de website uit dat is gekozen om de zwangerschap tot 9 weken te laten zien omdat ongeveer 80% van de zwangerschapsafbrekingen plaatsvindt in deze periode. Aanvullend heeft het NGvA laten weten dat dit vooralsnog de enige beschikbare betrouwbare foto’s zijn. Ik begrijp dus waarom deze keuze is gemaakt. Het kan zijn dat de informatievoorziening op de website van Fiom, met behulp van het NGvA, in de toekomst verder aangevuld. Fiom en het NGvA bekijken ook of de begeleidende teksten verder kunnen worden verduidelijkt.
Bent u ermee bekend dat de foto’s met de petrischalen afkomstig zijn van het My Abortion Network (MYA Network), een activistische pro-abortus organisatie uit de Verenigde Staten die abortus «medisch en cultureel» zegt te willen normaliseren? Vindt u het gebruik van (buitenlands) materiaal van dergelijke, niet-neutrale lobbyorganisatie passend bij eerlijke en betrouwbare informatieverstrekking? Gebruikt FIOM vaker materiaal van dergelijke Amerikaanse, activistische lobby-organisaties?2
Ja, ik ben bekend met de bron van de afbeeldingen. Bij de ontwikkeling van de webpagina van Fiom zijn meerdere abortusartsen betrokken. Zij hebben bevestigd dat deze foto’s waarheidsgetrouw zijn. Ik heb bij het NGvA navraag gedaan over deze afbeeldingen en hierop heeft het NGvA bevestigd dat de foto’s de werkelijkheid goed reflecteren. Daarmee vind ik het gebruik van deze afbeeldingen passend bij eerlijke en betrouwbare informatieverstrekking.
Fiom heeft niet eerder gebruik gemaakt van het materiaal van de genoemde organisatie.
Wat vindt u ervan dat FIOM op de vraag «Kan de vrucht pijn voelen bij een abortus?» het volgende antwoord geeft:«In het eerste trimester voelt de vrucht geen pijn. Vanaf het tweede trimester kan de vrucht bewegen en reageren op dingen die in de buik gebeuren. Sommige mensen zullen dit pijn noemen, maar het is niet hetzelfde als wat volwassenen voelen. Het brein en het zenuwstelsel van de vrucht zijn nog niet genoeg ontwikkeld om pijn te hebben zoals wij dat ervaren. Tussen 12 en 20 weken zwangerschap begint de ontwikkeling van het systeem dat met pijn te maken heeft. Als de foetus al iets ervaart, weet het niet waar het vandaan komt, heeft het daar geen emotionele reactie op en vergeet het die prikkel direct weer.»?
Het is aan zorgprofessionals, zoals abortusartsen, om de wetenschappelijke inzichten over de mogelijkheid van foetale pijn bij abortus te interpreteren en om pijnbestrijdingsbeleid vorm te geven. De samenvatting van de wetenschappelijke literatuur op de website van Fiom is dan ook tot stand gekomen in nauwe samenwerking met abortusartsen.
Het vraagstuk van foetale pijnbeleving is wetenschappelijk complex, zo blijkt ook uit de artikelen waaraan Fiom refereert. Pijn is subjectief en emotioneel en daarmee ingewikkelder dan alleen een (zichtbare) fysieke reactie op een prikkel. We weten niet goed hoe pijngeleiding leidt tot een bewuste gewaarwording van pijn, ook niet bij pasgeborenen of volwassenen. Het is dus niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart.
Uit de studies waarnaar Fiom verwijst blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de foetus in het eerste trimester pijn kan voelen, omdat de benodigde zenuwverbindingen nog niet ontwikkeld zijn. Deze verbindingen worden pas functioneel na 24 weken. De studie uit 2020 concludeert dat er voor 24 weken weliswaar zenuwverbindingen zijn, maar dat deze dan nog niet volledig zijn ontwikkeld. De onderzoekers schrijven dat het niet volledig is uitgesloten dat een foetus vóór 24 weken een vorm van pijnbeleving kan hebben, maar dat dit anders is dan wat volwassenen als pijn ervaren. Als de foetus al iets ervaart, weet het niet waar het vandaan komt, heeft het daar geen emotionele reactie op en vergeet het die prikkel direct weer.
Het is belangrijk te benoemen dat, mocht sprake zijn van foetale pijn, deze tijdens een abortus door de pijnbestrijding aan de vrouw wordt bestreden. Hierop ga ik nader in bij het antwoord op vraag 11.
Bent u bekend met het onderliggende wetenschappelijke onderzoek uit 2020 waar FIOM naar verwijst, waarin letterlijk wordt gesteld:«Here, more recent evidence calling into question the necessity of the cortex for pain and demonstrating functional thalamic connectivity into the subplate is used to argue that the neuroscience cannot definitively rule out fetal pain before 24 weeks. We consider the possibility that the mere experience of pain, without the capacity for self reflection, is morally significant. We believe that fetal pain does not have to be equivalent to a mature adult human experience to matter morally, and so fetal pain might be considered as part of a humane approach to abortion.»En: «It can be argued that such a pain lacks moral relevance, but we view that position with some suspicion. We may doubt whether the fetus (or an animal) ever feels anything akin to pain, but acting as if we have certainty flirts with a moral recklessness that we are motivated to avoid.»? Vindt u dat FIOM een eerlijke en betrouwbare weergave geeft van deze inzichten uit dit wetenschappelijke artikel?3
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het morele betekenis heeft dat een ongeboren kind vanaf twaalf weken pijn kan ervaren? Hoe zou zich dat volgens u moeten vertalen in wetgeving en beleid?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 heb uitgelegd, is het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex en is niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart. Het is aan zorgprofessionals, zoals abortusartsen, om de wetenschappelijke inzichten over de mogelijkheid van foetale pijn bij abortus te interpreteren en om pijnbestrijdingsbeleid vorm te geven. Hier komt geen wetgeving aan te pas.
De genoemde wetenschappelijke literatuur en mijn navraag bij het NGvA geven bovendien geen aanleiding om te denken dat de mogelijkheid van foetale pijn zich moet vertalen in wetgeving. Bij de totstandkoming van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) zijn de beschermwaardigheid van het ongeboren leven en de keuzevrijheid van de vrouw zorgvuldig tegen elkaar afgewogen om tot een goede balans te komen. Het juridisch kader is nog steeds zorgvuldig, zo blijkt ook uit de laatste evaluatie van de Wafz.
Als volgens dit onderzoek niet uitgesloten kan worden dat een ongeboren kind voor 24 weken pijn ervaart, waarom wordt er in Nederland geen gebruik gemaakt van pijnbestrijding bij het uitvoeren van een (late) abortus?
Het is aan de beroepsgroep van abortusartsen om het beleid voor pijnbestrijding vorm te geven. Richtlijnen worden door het NGvA periodiek naar de laatste stand van de wetenschap herzien. Abortuszorg vindt altijd plaats volgens deze richtlijnen en is zorgvuldig en van hoge kwaliteit.
Bij abortusbehandelingen wordt altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding. Deze pijnbestrijding voor de vrouw bereikt ook de placenta en het embryo of de foetus. Mocht sprake zijn van foetale pijn, dan wordt deze tijdens een abortus door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.
Het bericht 'Ambulance met spoed steeds langer onderweg: 'In ons dorp bijna nooit op tijd'' |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ambulance met spoed steeds langer onderweg: «In ons dorp bijna nooit op tijd»»?1
Ja.
In hoeverre vindt u het zorgelijk en problematisch dat er grote verschillen tussen aanrijtijden van ambulances bestaan tussen verschillende veiligheidsregio’s, provincies, steden, dorpen en kernen?
Er bestaan inderdaad verschillen tussen regio’s als het gaat om de responstijden van ambulances. In landelijke gebieden is er minder speling met het aantal ambulances. Toch is het in het licht van schaarste aan personeel niet realistisch om een overcapaciteit van ambulances na te streven die weinig ritten krijgen en bemand moeten worden met gespecialiseerde verpleegkundigen die we op andere plekken hard nodig hebben, zoals op de spoedeisende hulp of de intensive care.
In de Regeling ambulancezorgvoorzieningen is opgenomen dat de Regionale Ambulancevoorziening (RAV) ervoor dient te zorgen dat de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de veiligheidsregio minstens 97% van de bevolking binnen 12 minuten aanrijtijd2 kan worden bereikt door een ambulance. In de regelgeving is dus geborgd dat de spreiding van de standplaatsen op orde moet zijn. Desondanks is er een verschil in het aantal ambulances dat beschikbaar is in drukbevolkte, dan wel in dunbevolkte gebieden.
De meldkamers ambulancezorg zorgen dag en nacht voor de spreiding en beschikbaarheid van ambulances in alle regio’s van Nederland. Wanneer in een dunbevolkt landelijk gebied een ambulance bezig is met een inzet, wordt een andere ambulance in dat gebied strategisch gepositioneerd. Slimme en specifieke software helpt bij het maken van een zo goed mogelijke keuze hierin, door zoveel mogelijk factoren mee te wegen. Denk aan historische data van ambulanceritten, verkeersomstandigheden, de positie-informatie van overige ambulances, enzovoort.
Vindt u dat er maatregelen genomen moeten worden nu blijkt dat in slechts 60 gemeenten de aanrijtijden van ambulances binnen de norm vallen? Zo ja, bent u bereid om met de veiligheidsregio’s in gesprek te gaan over de grote verschillen in aanrijtijden en de toenemende overschrijdingen van de aanrijdnormen?
De streefnorm3 geldt op het niveau van de veiligheidsregio. Dit is ook het niveau waarop het RIVM jaarlijks het aantal benodigde ambulances berekent. Dat neemt niet weg dat ook op het niveau van de veiligheidsregio de responstijden vaak langer zijn dan de streefnorm. De 15-minutennorm is echter niet medisch onderbouwd en geldt voor allerlei gradaties van spoed. De ambulancesector werkt daarom sinds oktober vorig jaar met een vernieuwde urgentie-indeling met daarin een categorie voor de groots mogelijke spoed: de A0-urgentie. Welke spoedsituatie wel en niet in deze categorie valt, is wel medisch onderbouwd. De ambulance rukt in deze situaties uit met de hoogst mogelijke spoed vanaf de post. Wanneer er andere ambulances dichterbij zijn, worden zij van hun rit afgehaald en direct naar deze noodsituatie geleid. Oók ambulances van buur-regio’s. Ambulancezorg Nederland geeft op basis van tussentijdse bevindingen aan dat wanneer elke minuut telt, de ambulance ook echt sneller ter plaatse is. De definitieve evaluatie van de nieuwe werkwijze verschijnt in juli. Daarna zal ik bepalen of we ook in de wet- en regelgeving aanpassingen doen aan de normen die nu gelden. Ik zal uw Kamer daar uiteraard over op de hoogte houden.
Welke concrete acties gaat u, de veiligheidsregio en/of de ambulancedienst nemen om de aanrijtijden te verbeteren?
In mijn vorige antwoord ging ik al in op de vernieuwde urgentie-indeling van de ambulancesector. Daarmee verwacht ik dat de ambulance sneller ter plaatse is in situaties waarin elke minuut telt.
Wat een belangrijke slag is in de algehele verbetering van responstijden, is het voorkomen dat de ambulance onnodig bezet (en daarmee niet beschikbaar) is. Daarom hecht ik veel waarde aan zorgcoördinatie4 als middel om de acute zorg toegankelijk te houden. Bij zorgcoördinatie zijn – naast de regionale ambulancevoorzieningen – de huisartsenspoedposten, eerstelijnsverblijf coördinatiepunten, aanbieders van acute wijkverpleging en aanbieders van ggz-zorg betrokken. Hierdoor kunnen triagisten op de meldkamers die werken met zorgcoördinatie, gebruikmaken van een breder palet aan in te zetten zorgvormen in combinatie met inzicht in actueel beschikbare capaciteit bij de verschillende partners in de acute zorgketen. Op die manier wordt gekeken waar een patiënt het beste terecht kan met zijn niet-levensbedreigende maar wel acute zorgvraag. Daarmee wordt de patiënt naar de juiste zorgverlener geleid, wordt de beschikbare capaciteit in de gehele acute zorgketen beter benut, verminderen we piekdrukte op één plek die doorwerkt naar andere plekken en sectoren, en kan de ambulance worden ingezet voor de spoedeisende zorg waarvoor de ambulancezorg is bedoeld.
Vindt u dat gemeenten zelf moeten kunnen beoordelen in hoeverre de vernieuwde urgentie-indeling, die invloed heeft op aanrijtijden, tot tevredenheid stemt in plaats van een regionale norm? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de wens om uit oogpunt van transparantie jaarlijks op gemeente(kern)niveau te rapporteren over de responstijden, zodat de gemeenten meer inzicht krijgen. Daarom heb ik Ambulancezorg Nederland formeel verzocht om vanaf 2026 (dat wil zeggen rapportagejaar 2025) jaarlijks transparantie te verschaffen over de responstijden van de ambulance op gemeenteniveau en waar mogelijk op gemeentekernniveau. Ik benadruk daarbij wel dat ik het belangrijk vind om de prestaties van de RAV’s te (blijven) beoordelen op het niveau van de veiligheidsregio.
Kunt u het aantal ambulanceposten, waarvandaan ambulances kunnen aanrijden, voor de afgelopen 10 jaar inzichtelijk maken? Hoe beoordeelt u de ontwikkeling van het aantal ambulanceposten in relatie tot de toenemende normoverschrijding van de aanrijtijden van ambulances?
Het aantal 24/7-uurs ambulancestandplaatsen wordt jaarlijks gerapporteerd in de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Deze zijn vanaf 2017 bekend:
Ambulancestandplaatsen
219
213
224
225
228
225
226
221
= Aantal standplaatsen ambulancezorg met 24/7-uurs paraatheid
Het aantal (statische) ambulanceposten is niet als enige relevant voor de tijdigheid van ambulances. Ambulances zijn constant onderweg en keren niet steeds terug naar hun standplaats voordat zij opnieuw ingezet worden. Het komt in de praktijk regelmatig voor dat een rijdende ambulance, die bijvoorbeeld net een inzet heeft gehad, alweer wordt opgeroepen voor een volgende inzet. Ook kan een ambulance ten behoeve van de regionale dekking in een bepaald gebied gepositioneerd worden, maar niet per se bij een standplaats. De meldkamer ambulancezorg ziet precies waar de ambulances rijden of staan en maakt op basis daarvan een keuze op basis van beschikbaarheid en urgentie welke ambulance het beste kan worden ingezet. Zo kan een ambulance toevallig net dichtbij in de buurt zijn, waardoor die ambulance er sneller is dan wanneer een ambulance vanaf de standplaats zou vertrekken. Als alle ambulances binnen een regio bezet zijn, worden beschikbare ambulances uit buur-regio’s zodanig gepositioneerd, dat de bereikbaarheid weer zo optimaal mogelijk is. Dit proces vindt dag en nacht plaats.
Bent u bereid gemeenten (half)jaarlijks te informeren over de prestatiecijfers van aanrijdtijden per kern?
In navolging van de motie van het lid Rikkers-Oosterkamp c.s.5 ben ik hierover in gesprek gegaan met Ambulancezorg Nederland. Ik heb Ambulancezorg Nederland formeel verzocht om deze transparantie vanaf 2026 (dat wil zeggen rapportagejaar 2025) namens de RAV’s te verschaffen. Deze publicatie zal openbaar zijn. In sommige gevallen zal dit niet op gemeentekern(dorps)niveau maar op gemeenteniveau worden aangeleverd, wanneer de data door te kleine aantallen herleidbaar is naar individuen.
Bent u, mede naar aanleiding van de WOO-procedure van RTL, nu wel voornemens de aanrijtijden en het aantal spoedritten per gemeente en kern actief openbaar te maken?
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u voor 2024 het percentage van het aantal ambulanceritten dat de norm van 15 minuten heeft overschreden inzichtelijk maken?
De cijfers over 2024 zijn nog niet bekend. Het sectorkompas ambulancezorg wordt jaarlijks gepubliceerd in juli.
Het bericht ‘Onlogische, lange en onnodige ritten: misbruik taxivervoer asielzoekers blootgelegd’ |
|
Diederik Boomsma (CDA), Queeny Rajkowski (VVD), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onlogische, lange en onnodige ritten: misbruik taxivervoer asielzoekers blootgelegd»?1
Ja.
Wanneer werd hierover een Woo-verzoek ingediend, en klopt het dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers op verzoek van GZA weigerde om die stukken openbaar te maken? Op welke wettelijke grondslag werd openbaarmaking aanvankelijk afgewezen?
Het Woo-verzoek naar medisch taxivervoer is op 30 april 2024 bij het COA ingediend. Onderdeel van de Woo-procedure is dat derden, die bij een document dat voor openbaarmaking in aanmerking komt betrokken zijn, om een zienswijze wordt verzocht. Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) is om deze reden ook om een zienswijze verzocht. Het COA heeft het betreffende document geweigerd op de grond dat het concurrentie- en bedrijfsgevoelige informatie bevat die vertrouwelijk aan het COA ter beschikking zijn gesteld. Openbaarmaking hiervan kan schadelijk zijn voor de opdrachtnemer van het COA. Kennis hiervan bij andere partijen kan ertoe leiden dat zij daarmee hun voordeel zullen doen. Daarnaast ging het om een casus waarbij met openbaarmaking vertrouwelijke en mogelijk tot een persoon herleidbare (medische en persoonlijke) informatie openbaar wordt.
Hoeveel kosten heeft het COA in 2023 en in 2024 gemaakt aan taxiritten voor asielzoekers met een medische indicatie (graag uitsplitsen per jaar)?
In 2023 heeft de GZA voor zittend ziekenvervoer 72.527 ritten (dit is inclusief de retour ritten van de zorginstelling naar het azc) geboekt voor de bewoners met een medische indicatie. De totale kosten hiervan bedroegen € 4.710.433. In 2024 heeft de GZA voor zittend ziekenvervoer 72.257 ritten geboekt, de totale kosten hiervan bedroegen € 4.941.716. Voor schadejaar 2024 betreft dit een voorlopig resultaat, nog niet alle kosten zijn namelijk gedeclareerd.
Voor de volledigheid dient hierbij wel vermeld dat een deel van het jaarlijkse aantal taxiritten dat vanuit het COA wordt geboekt ook ingezet wordt voor zorgvervoer, zie hiervoor verder het antwoord op vraag 7.
Klopt het dat in 2023 11.000 asielzoekers een taxi-indicatie kregen? Zo nee, hoeveel wel?
Uit de meest recente informatie blijkt dat in 2023 in totaal 12.700 asielzoekers de indicatie voor zittend ziekenvervoer kregen van GZA.
Hoeveel asielzoekers vielen in 2023 onder de verantwoordelijkheid van het COA en welk percentage hiervan heeft een taxi-indicatie gekregen?
Het aantal unieke asielzoekers en vergunninghouders onder de verantwoordelijkheid van het COA bedroeg in 2023 94.419 personen. Er waren in 2023 12.700 asielzoekers en vergunninghouders die de medische indicatie voor zittend ziekenvervoer hebben ontvangen. Dit is ca. 13%. Een indicatie is tijdelijk en afhankelijk van de duur behandeling/medische noodzaak.
Met welke medische indicaties kan een asielzoeker een taxi-indicatie krijgen?
De lijst met de indicaties voor zittend ziekenvervoer is onderdeel van de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA), de volledige lijst is hier te vinden. Een aantal elementen dat op deze lijst staat is bijvoorbeeld:
Op welke manier controleert het COA dat een taxirit daadwerkelijk wordt ingezet voor een medische afspraak?
Het uitgangspunt bij alle ritten zittend ziekenvoer is een medische indicatie. Bij het boeken van een taxirit naar een zorginstelling controleert de Praktijklijn van GZA altijd op de aanwezigheid van een geldige medische indicatie. In sommige gevallen, zoals op de centrale ontvangstlocaties en de Handhavings en Toezichtlocatie (HTL) waar geen medische indicatie vereist is boekt het COA (in plaats van GZA) een taxi voor een asielzoeker die niet zelfstandig kan reizen voor vervoer naar een zorginstelling. De bewoners van de col hebben geen financiële verstrekkingen en alleen recht op medisch noodzakelijke zorg, op basis van oordeel van een arts. Wanneer zij naar het ziekenhuis moeten dan wordt daarom het zittend ziekenvervoer (met een taxi) ingezet. Bewoners van de htl krijgen standaard een zorgtaxi toegewezen als ze naar een zorgverlener buiten de locatie moeten.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer er slechts beperkte mogelijkheden zijn voor gebruik van het openbaar vervoer, boekt het COA een taxi voor een asielzoeker voor vervoer naar een zorginstelling. Dit is naar inzicht van de locatie zelf op grond van bijvoorbeeld de fysieke gesteldheid van de bewoner. Wel dient de asielzoeker dan informatie over de medische afspraak te overhandigen aan het COA.
Klopt het dat er niet standaard wordt gecontroleerd of asielzoekers met een taxi-indicatie daadwerkelijk een medische afspraak hebben? Zo ja, waarom vindt er geen check plaats?
Bij het boeken van een medische afspraak door de Praktijklijn GZA waarbij een taxi wordt verzocht, controleert de GZA of sprake is van een medische indicatie. Indien de Praktijklijn GZA zelf geen afspraak boekt omdat het om een vervolgafspraak gaat (bijvoorbeeld in het ziekenhuis), dan kan de Praktijklijn GZA op dit moment alleen de aanwezigheid van een geldige indicatie checken. Het COA en GZA doen momenteel onderzoek of en zo ja welke aanvullende controlemogelijkheden binnen de geldende wettelijke kaders gerealiseerd zouden kunnen worden. Op basis van de signalen is er door het COA opdracht gegeven om vervolgonderzoek te doen naar mogelijke onregelmatigheden.
Hoeveel vermoedens van fraude met taxiritten door asielzoekers met een taxi-indicatie heeft het COA in 2023 en in 2024 onderzocht?
Bij vermoeden van fraude wordt dit onderzocht. GZA heeft naar aanleiding van signalen van fraude met de zorgtaxi’s een onderzoek laten doen. Voor de accountants van GZA en COA is dit onderzoek echter nog niet voldoende. Zij hebben aangegeven in onzekerheid te zijn of er sprake is van onregelmatigheden en dus is er aanleiding voor een vervolgonderzoek dat de komende tijd wordt uitgevoerd. Er is door het COA dus opdracht gegeven om vervolgonderzoek te doen hiernaar.
Klopt het dat er regelmatig sprake is van «spookritten»: ritten die zijn aangevraagd door taxichauffeurs die zich voordoen als asielzoeker? Zo ja, hoe vaak kwam dit in 2023 en 2024 voor en welk bedrag is hiermee gemoeid?
Het COA heeft voor de taxiritten van bewoners een vaste contractpartner. Deze contractpartner is na zorgvuldige Europese aanbesteding tot stand is gekomen. Voor het zittend ziekenvervoer heeft het COA een contract met de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA), onderdeel van Arts en Zorg, en ook deze partij is geselecteerd na zorgvuldige Europese aanbesteding. De GZA heeft een contract gesloten met een zorgverzekeraar die op haar beurt weer contacten heeft gesloten met een tweetal taxibedrijven. Arts en Zorg controleert de medische uitgaven, inclusief taxiritten, vergelijkbaar met de zorgverzekeringswet, op formele aspecten en materiele aspecten op basis van een risicoanalyse aan de hand van een jaarlijks vastgesteld controleplan. Het COA stelt jaarlijks een controleprotocol vast, op basis waarvan de onafhankelijke accountant van Arts en Zorg de zorgkosten van asielzoekers controleert. De accountant van Arts en Zorg wordt jaarlijks gereviewd door de onafhankelijke accountant van het COA. De uitkomst van de review kan voor het COA aanleiding zijn om het controleprotocol aan te scherpen.
Voor het COA geldt, dat het daadwerkelijk boeken van een taxi veelal lokaal plaatsvindt. Gecontracteerde vervoerders hebben een verplichting naar het COA om te melden wanneer sprake is van een vermoeden dat taxichauffeurs niet bonafide zijn. Zij hebben inzicht in de ritten van de chauffeurs en geven ook annuleringen en no shows door aan het COA. Aangezien er vooralsnog geen indicaties zijn van grootschalige fraude met spookritten, ligt het voor het COA niet direct voor de hand om een controlesysteem hierop in te richten. Wel monitort het COA de signalen en zal hiernaar handelen wanneer daar reden toe is. Verder is er wel opdracht gegeven tot vervolgonderzoek naar eventuele onregelmatigheden ten aanzien van de taxiritten.
De GZA boekt als gesteld uitsluitend de taxi’s voor zittend ziekenvervoer. Of hiervoor aanvullende controlemaatregelen nodig zijn, zal moeten blijken uit het vervolgonderzoek dat zoals aangegeven bij de beantwoording op vraag 9 de komende tijd plaats zal vinden.
Controleert het COA of taxichauffeurs bonafide zijn? Zo ja, hoe vindt deze controle plaats? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit te regelen?
Zie antwoord vraag 10.
Hoeveel vermoedens van spookritten heeft het COA in 2023 en 2024 onderzocht?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft het boeken van spookritten door taxichauffeurs bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke consequenties?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe vaak heeft het COA in 2023 en in 2024 aangifte gedaan tegen taxichauffeurs voor het aanvragen van spookritten?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat een taxi-indicatie alleen bedoeld is voor asielzoekers die vanwege medische redenen onder geen enkele andere voorwaarde gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden genomen zodat er beter gecontroleerd wordt op de taxi-indicatie?
Het uitgangspunt bij alle ritten zittend ziekenvoer is een medische indicatie die wordt verstrekt door het GZA. Voor overige taxiritten was tot nu toe het uitgangspunt dat hier terughoudend mee wordt omgegaan. Bewoners konden om diverse redenen gebruik maken van regulier taxivervoer, bijvoorbeeld bij afspraken inzake de asielprocedure of vervoer naar een zorgverlener zonder medische indicatie.
Ik ga snoeien in de reguliere taxiritten. Daarom start het COA per 1 juni met de standaard dat bij ritten om niet medische redenen uitsluitend gereisd kan worden met het openbaar vervoer, tenzij het onmogelijk is om door middel van openbaar vervoer op de gewenste tijd op de betreffende plaats te verschijnen. De uitzondering geldt alleen voor ritten naar de IND. Taxivervoer kan ook noodzakelijk zijn in het kader van terugkeer en vertrek en in acute spoedsituaties. Ik merk hierbij nadrukkelijk op dat deze ritten afzonderlijk worden gewogen.