Het bericht 'Klimaatminister voorspelt dat haar eigen beleid niet voldoende is' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister ) (BBB) |
|
![]() |
Deelt u de mening die is geformuleerd in de volgende uitspraak dat «je geen helderziende hoeft te zijn» om in te zien dat het regeerprogramma ontoereikend is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?1
In hoeverre met het huidige, voorgenomen en geagendeerde beleid de klimaatdoelen voor 2030 gehaald worden, zal moeten blijken uit de Klimaat- en Energieverkenning van 2024 die op 24 oktober aanstaande gepubliceerd wordt.
Hoe schat u de klimaateffecten in van de huidige beleidsinzet op landbouw, bijvoorbeeld door het schrappen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied, de herintroductie van rode diesel en het schrappen van het «Plan van aanpak mestmarkt», met daarin de graslandnorm (Kamerstuk 2024D22332)?
Uit de KEV 2024 van PBL zal blijken welk klimaat-relevante landbouwbeleid van het Hoofdlijnenakkoord is meegenomen in de ramingen. Deze ramingen bevatten ook de klimaateffecten van eerder vastgesteld, voorgenomen en geagendeerd landbouwbeleid. De klimaateffecten van specifieke maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord zijn daarom lastig vast te stellen. Het Klimaatplan 2025–2035
zal de contouren van nieuw beleid bevatten, dit kan vervolgens ook worden
meegenomen in de ramingen van PBL.
Kunt u een inschatting geven van de extra uitstoot van de landbouwsector als gevolg van de introductie van rode diesel? Hoeveel voertuigen maken hier gebruik van?
Rode diesel is diesel die onder een lager accijnstarief valt. Het herinvoeren van rode diesel heeft dus een effect op de prijs, niet per definitie op de hoeveelheid diesel die gebruikt wordt door landbouwvoertuigen en/of de CO2-uitstoot. Het kabinet werkt momenteel deze maatregel om de brandstofkosten voor de landbouwsector te verlagen verder uit. Onderdeel van deze uitwerking zal ook een impactanalyse zijn waarin onder andere wordt gekeken naar het aantal landbouwvoertuigen, het brandstofverbruik en of er effecten zijn op de CO2-uitstoot.
Vindt en verwacht u dat aanvullend beleid nodig is binnen de landbouwsector en in het landgebruik om de klimaatdoelen voor 2030 te halen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u dan? Zo nee, waarom niet?
De opgave voor de landbouw en het landgebruik om de klimaatdoelen voor 2030 te realiseren is fors. Bij de Voorjaarsbesluitvorming zal op basis van de KEV 2024 hierover verder besloten worden.
Onderschrijft u de aanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de «Keuzewijzer Klimaat» 3 dat aanvullend beleid nodig is en dat zo snel mogelijk moet worden begonnen met de voorbereiding daarvan?2
Ik heb kennis genomen van de aanbevelingen van het PBL en de Keuzewijzer Klimaat. Bij de Voorjaarsbesluitvorming zal op basis van de KEV 2024 hierover verder besloten worden.
Hoe vaak hebt u persoonlijk contact met de Minister van Klimaat en Groene Groei over de klimaatdoelen en het klimaatbeleid sinds de publicatie van het hoofdlijnenakkoord?
Sinds de publicatie van het hoofdlijnenakkoord heb ik meermaals contact gehad met de Minister van Klimaat en Groene Groei.
Zo ja, welk aanvullend beleid heeft u voor ogen? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom dat niet het geval is?
Zie antwoord op vraag 4.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Voedselzekerheid, Visserij en Natuur (de week van 15 oktober 2024)?
Helaas is dat niet gelukt.
Enkele gedane uitspraken en de ministeriële verantwoordelijkheid |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() |
Wat bedoelde u met de uitspraak «Het COA was op de hoogte, heeft hier maandenlang de tijd voor gehad» in reactie op de extra plaatsing van één à twee asielzoekers per opvanglocatie?1
Het COA streeft in zijn algemeenheid naar een bezettingsgraad van 91% voor opvanglocaties om redenen van leefbaarheid en beheersbaarheid. Om te voorkomen dat asielzoekers buiten moeten slapen zet het COA de afgelopen periode iedere opvanglocatie maximaal in, met het resultaat dat het landelijke bezettingspercentage tussen de 99% en 100% ligt. Mijn inzet was om alles op alles te zetten om aan de bestuurlijke afspraken met Ter Apel te voldoen en het aantal asielzoekers daar onder de 2.000 te krijgen. Derhalve is vanuit het ministerie het COA dringend verzocht, in een ultieme poging te voldoen aan de bestuurlijke afspraken, één á twee asielzoekers extra per opvanglocatie door te plaatsen.
Hoe is deze uitspraak te rijmen met de verantwoordelijkheid van de Minister voor de Zelfstandige Bestuursorganen die onder haar ministerie vallen, in dit geval het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Zie antwoord vraag 1.
Wat bedoelde u met de uitspraak in het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid van 12 september 2024 dat het COA slechts opdrachtnemer is en het logisch is dat zij haar opdrachtnemer aanspreekt als zij de opdracht onjuist uitvoeren? Bent u van mening dat het COA publiekelijk aanspreken de gewenste gang van zaken is, gelet op uw ministeriële verantwoordelijkheid?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u in algemene zin dat u hoort te staan voor die organisaties en medewerkers van die organisaties die onder haar verantwoordelijkheid vallen? Waarom (niet)?
Ja
Kunt u toelichten hoe u deze uitspraken ziet in het licht van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de «notitie ministeriële verantwoordelijkheid bij zelfstandige bestuursorganen» (Kamerstuk 35 387, nr. 2), waarin onder andere staat dat de Minister verantwoordelijk is voor de uitvoerbaarheid van het beleid van zelfstandig bestuursorganen (zbo's)?
Het is mijn verantwoordelijkheid als Minister om uw Kamer transparant te informeren naar aanleiding van vragen die de Kamer heeft. In dat kader heb ik deze uitleg gegeven. Of de betrokken uitvoeringsorganisatie een ZBO is, is voor de transparantie die ik betracht niet relevant.
Deelt u de mening dat het prima is ambtenaren en zbo’s achter de schermen aan te spreken op de uitvoering, maar dat niemand in Nederland baat heeft bij het publiekelijk onder de bus gooien van hardwerkende uitvoerders? Hoe kijkt u in dat licht naar uw uitspraak tijdens het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van 12 september 2024 dat «je zou denken dat je interne documenten ook intern houdt, maar de brief die ik heb gestuurd, lag diezelfde avond bij De Telegraaf.»?
Ik deel uw mening dat niemand in Nederland er bij gebaat is dat hardwerkende uitvoerders als zondebok gebruikt worden. Dat staat los van het feit dat interne documenten ook intern dienen te blijven.
Bent u bereid dit soort uitspraken voortaan voor zich te houden?
Ik vind het van belang uw Kamer mee te blijven nemen in mijn afwegingen zoals ik hierboven ook uiteen heb gezet.
Het proefballonnetje van de minister |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() ![]() |
Klopt het dat in het Hoofdlijnenakkoord alleen staat dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt aangepast, zonder precieze bepaling van de nieuwe tijdsduur?
Ja.
Klopt het dat in het Regeerprogramma alleen staat dat de tijdsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt aangepast, zonder precieze bepaling van de nieuwe tijdsduur?
Ja.
Klopt het dat er na publicatie van het Regeerprogramma nog een formeel besluit moest vallen over de precieze bepaling van de nieuwe tijdsduur van de aangepaste verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd? Zo nee, wanneer is dat besluit genomen?
Ja.
Heeft het kabinet besloten om de duur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van vijf naar twee jaar te verkorten? Zo nee, waarom heeft u dit proefballonnetje dan al in de media losgelaten?
Als gezegd moet dat besluit nog worden genomen. Op vragen over wat ik meeneem van mijn bezoek aan Denemarken heb ik – desgevraagd – aangegeven dat dat ook de verkorting van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel is. Ik heb, ook weer desgevraagd, aangegeven dat ik op grond van de kennis die ik heb opgedaan bij mijn bezoek aan Denemarken zou willen inzetten op een duur van twee jaren voor vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus. Denemarken hanteert een streng asielbeleid en verstrekt kortdurende vergunningen.
Ik werk aan een breed pakket aan maatregelen om de asielinstroom te beperken en structureel tot de categorie lidstaten met de strengste toelatingsregels van Europa te behoren. De maatregel om de duur van de vergunning in te korten is daar onderdeel van en zal dus ook verder uitgewerkt worden, waarbij ook andere opties voor de geldigheidsduur in beeld worden gebracht.
Heeft u uw uitspraak gedaan namens het gehele kabinet, zoals de eenheid van kabinetsbeleid bepaalt?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u heel precies toelichten waarom u niet kiest voor een verkorting van de verblijfsduur naar één, tweeënhalf, drie of vier jaar, terwijl elk van deze opties ook past in de afspraken van het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en vóór vrijdag 27 september 2024, 17.00 uur beantwoorden?
Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord. Enkel waar dat de beantwoording ten goede kwam, heb ik vragen samengenomen.
Het bericht ‘Minister Faber schittert door afwezigheid in eigen ‘asielcrisis’: ‘Ik ken geen burgemeester die door haar gebeld is’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() |
Hoeveel burgemeesters heeft u sinds uw aantreden persoonlijk gebeld om te vragen opvangplekken voor asielzoekers te realiseren?1
Nederland kan de grote instroom van asielzoekers niet aan. Beslissingen over asielaanvragen duren lang en de asielopvang zit vol. Daarnaast kunnen mensen die recht hebben op bescherming en een status hebben, niet uit de opvang vertrekken. Zo houden statushouders op dit moment circa 25% van alle asielopvangplekken bezet. Voor deze doelgroep zet het kabinet onder meer in op onzelfstandige huisvesting, bijvoorbeeld in doorstroomlocaties, om de asielopvang te ontlasten.
Het kabinet zet tevens in op structurele maatregelen om beleid en wetgeving aan te passen, en te komen tot het strengste toelatingsregime voor asiel en het omvangrijkste pakket voor grip op migratie ooit.
Extra capaciteit en extra uitstroom is nodig om iedereen een bed te kunnen blijven bieden en een grotere doorstroom vanuit Ter Apel op gang te krijgen. Het COA is, het eerste aanspreekpunt in gesprekken met gemeenten voor het creëren van meer opvangplekken. Daarbij ondersteunt mijn departement waar nodig. Zelf spreek ik op donderdag 26 september aanstaande tijdens de Landelijke Regietafel met vertegenwoordigers van onder meer de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Commissarissen van de Koning, het Interprovinciaal Overleg en het Veiligheidsberaad over onder meer de opvangsituatie. Op 30 september doe ik dat met de Commissarissen van de Koning vanuit hun rol als rijksorgaan. Indien noodzakelijk, neem ik ook zelf contact op met de betreffende gemeente.
Kunt u deze vraag beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat vreemdelingen- en asielbeleid (CD 12/9)?
Ja.
Het schrappen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Ilana Rooderkerk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Barry Madlener (minister ) (PVV), Sophie Hermans (minister ) (VVD), Femke Wiersma (minister ) (BBB) |
|
![]() |
Is het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) nog kabinetsbeleid?
Als kabinet slaan we een andere koers in en stoppen met het NPLG, zoals dat als ontwerp nog door het vorige demissionaire kabinet was vastgesteld. Wel worden de internationale doelen door het kabinet onderschreven, waarbij we nog steeds voor het behalen van deze doelen staan. We zien het belang van een robuuste natuur, gezond en voldoende water en het reduceren van broeikasgassen en anticiperen op verdere klimaatverandering. Ook zullen samenhangende generieke en gebiedsgerichte maatregelen noodzakelijk blijven om aan internationale afspraken te kunnen voldoen. Ik kies daarbij voor een aanpak waarbinnen er een grotere rol is voor de innovatiekracht van boeren. De middelen voor agrarisch natuurbeheer en innovatie spelen een belangrijke rol bij het gebiedsspecifieke en uitvoeringsgerichte beleid dat dit kabinet gaat ontwikkelen. Eind van dit jaar zal ik aan de Kamer de contouren van een nieuw programma kenbaar maken.
Staat u nog altijd achter de opvatting dat «Toekomstbestendige verduurzaming vergt een integrale benadering zodat meerdere opgaven (zoals klimaat, natuur, stikstof en waterkwaliteit) in samenhang worden aangepakt»? (Kamerstuk 32 813, nr. 1307)? Zo ja, kunt u toelichten waarom het NPLG dan wordt geschrapt?
Ik ben er voorstander van dat opgaven waar mogelijk in samenhang worden opgepakt. Het NPLG is daar echter geen randvoorwaarde voor. Ook op een andere manier kan nog steeds in samenhang worden gewerkt aan het oplossen van de uitdagingen in en de doorontwikkeling van het landelijk gebied.
Ik kijk daarvoor naar het zo effectief mogelijk inzetten van verschillende middelen. Anders dan met een Transitiefonds komt het kabinet met een nieuwe koers die integraal aan de doelen werkt, bijvoorbeeld via innovatie, doelsturing op bedrijfsniveau en agrarisch natuurbeheer.
Wat zijn de kwantitatieve effecten van het schrappen van het NPLG op het halen van de klimaatdoelen?
Begin dit jaar concludeerde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de ex ante analyse Nationaal Programma Landelijk Gebied dat met de uitwerking van de Provinciale plannen landelijk gebied (PPLG’s) zoals die erop 1 juli 2023 lagen, goede stappen zijn gezet om bij te dragen aan het halen van de NPLG-doelen, maar dat het volledig doelbereik van de natuur, water en klimaatdoelen binnen grofweg een decennium niet plausibel is. De PPLG’s waren voornamelijk op hoofdlijnen geformuleerd en er moest nog veel worden uitgewerkt. Hierdoor is het kwantificeren van de effecten van het schrappen van het NPLG op het behalen van de doelen voor klimaat, natuurherstel en -uitbreiding en de KRW lastig.
Ik heb toegezegd om eind dit jaar de contouren van een nieuwe aanpak naar de Kamer te sturen.
In algemene zin geldt dat de voortgang van klimaatbeleid in de verschillende sectoren wordt gemonitord via de Klimaat- en Energieverkenning van het PBL. Deze verschijnt eind oktober en zal zicht geven op de voortgang van de sectoren landbouw en landgebruik. De tussenevaluatie KRW die in december gereedkomt, zal meer inzicht geven in waar we in 2027 uitkomen en welk handelingsperspectief er is om tot doelbereik te komen.
Wat zijn de kwantitatieve effecten van het schrappen van het NPLG op het halen van de doelen voor natuurherstel en -uitbreiding?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn de kwantitatieve effecten van het schrappen van het NPLG op het halen van de doelen uit de Kaderrichtlijn Water?
Zie antwoord vraag 3.
Zet het kabinet, in plaats van het NPLG, in op een alternatieve, vergelijkbare integrale benadering voor het realiseren van de doelen in de landbouwsector op het gebied van klimaat, natuur, stikstof en waterkwaliteit?
Ik werk op dit moment aan een nieuwe aanpak. Uiterlijk eind dit jaar worden de contouren van deze aanpak naar de Kamer verzonden. Het blijft belangrijk om de doelen in het landelijk gebied in samenhang te bezien. Bij de ontwikkeling van de nieuwe aanpak houd ik hier aandacht voor.
Verandert er iets in de te halen doelen in de tijdspanne waarin deze worden gerealiseerd?
De (inter)nationale doelen voor het herstellen van de natuur, het verbeteren van de biodiversiteit, het verbeteren van de waterkwaliteit en beschikbaarheid, en het mitigeren van broeikasgassen en anticiperen op verdere klimaatverandering staan. Dat geldt ook voor de termijnen die ons daarvoor zijn aangereikt. Ik voer daarbij, conform het regeerprogramma, wel een check uit op nationale koppen.
Dit kabinet heeft de ambitie om aan die doelen en termijnen te voldoen. Niet alleen bij het uitwerken van de nieuwe aanpak, maar ook bij het verder ontwikkelen van LVVN-beleid is dit dan ook een van de belangrijke uitgangspunten. Ook vanuit IenW en KGG wordt daar een belangrijke bijdrage aan geleverd. We staan uiteindelijk als één overheid voor het behalen van deze opgave.
Aangezien het resterende budget van het NPLG bestemd is voor onder andere innovatie en mest, deelt u de mening dat normerende en beprijzende maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verschillende wettelijke doelen voor de landbouwsector? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u?
Het kabinet heeft in haar regeerprogramma aangekondigd om in te zetten op haalbare bedrijfsspecifieke normen voor broeikasgassen- en stikstofemissies. Hiermee wordt voor individuele bedrijven duidelijkheid gegeven welke bijdrage er van hen verwacht wordt in het realiseren van de doelen. Een systematiek daarvoor wordt op dit moment nader uitwerkt en de Kamer zal hierover aan het einde van het jaar worden geïnformeerd. Deze inzet past bij de gewenste omslag die dit kabinet wil maken naar een aanpak gebaseerd op doelsturing. Het kabinet heeft een integrale aanpak om te werken aan doelbereik. Naast middelen voor bedrijfsspecifieke emissienormen zijn voor activiteiten die de landbouwer onderneemt op landbouwgrond, bijvoorbeeld ook middelen vanuit het agrarisch natuurbeheer onderdeel van de aanpak.
Hoeveel budget acht u noodzakelijk om de landbouwsector adequaat te laten bijdragen aan het behalen van de wettelijke doelen voor 2030 uit de Klimaatwet? Waar zullen die middelen uit voortkomen?
Conform de Klimaatcyclus wordt het doelbereik van de verschillende sectoren geëvalueerd in de Klimaat- en Energieverkenning. In de voorjaarsbesluitvorming besluit het kabinet, indien bestaande doelen niet gehaald lijken te worden, over alternatief beleid. Welke middelen nodig zijn hangt sterk af van de aard van de maatregelen die getroffen worden. Door beschikbare middelen efficiënt in te zetten, kan een zo groot mogelijke bijdrage geleverd worden aan meerdere doelen. Bij de ontwikkeling van, bijvoorbeeld, doelsturing en inzet van middelen voor agrarisch natuurbeheer en innovatie heb ik hier aandacht voor.
Wat is de uiterlijke datum dat alternatieve maatregelen voor het NPLG gereed moeten zijn om de landbouwsector adequaat te laten bijdragen aan de wettelijke doelen voor 2030 uit de Klimaatwet?
Voor het realiseren van de doelen uit de Klimaatwet is een combinatie aan maatregelen nodig die betrekking hebben op allerlei sectoren, waaronder de landbouwsector. Voor het eind van dit kalenderjaar zal ik de contouren van de nieuwe uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke aanpak met uw Kamer delen. In elk geval ben ik mij bewust van de termijn van 2030 voor de reductie van broeikasgassen.
Verwacht u dat de sector landbouw op tijd kan voldoen aan de inspanningen die nodig zijn om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te halen? Hoeveel budget acht u hiervoor noodzakelijk?
De KRW-doelen bieden een uitdaging voor meerdere sectoren. Met het NPLG werd specifiek voor de landbouwopgave een bijdrage geleverd aan doelbereik conform de verplichtingen die volgen uit de Nitraatrichtlijn, de verordening voor gewasbeschermingsmiddelen en de KRW. Het betreft doelen voor nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, die van invloed zijn op de doelen voor planten, vissen en waterinsecten.
Er was 811 miljoen euro in het Transitiefonds specifiek bedoeld voor grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden ten behoeve van het verbeteren van de waterkwaliteit. Daarnaast was de insteek dat ook andere maatregelen (bijv. gericht op natuur of klimaat) in veel gevallen een bijdrage zouden kunnen leveren aan de KRW. Deze inzet stond naast de maatregelen die reeds zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 2022–2027 voor de agrarische sector en voor andere bronnen. Uit de ex ante analyse Nationaal Programma Landelijk Gebied bleek dat goede stappen zijn gezet om bij te dragen aan het halen van de KRW-doelen, maar dat de effecten voor het doelbereik in 2027 niet overal gerealiseerd zouden worden (op basis van de gebiedsprogramma’s van 1 juli 2023). Ook de RLI gaf in haar rapport van mei 2023 aan dat de normen voor de KRW, ook die voor landbouw, met de toen voorgenomen maatregelen nog niet gehaald zouden worden voor 2027. Met onder meer het mestbeleid en de nieuwe uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke aanpak besteed ik aandacht aan de bijdrage van de landbouw aan het halen van de KRW-doelen. Welk budget hiervoor nodig is hangt sterk af van de maatregelen die onderdeel worden van het beleid dat nu ontwikkeld wordt.
Is de Minister van Klimaat en Groene Groei geconsulteerd over het schrappen van het NPLG? Zo ja, wat is hierbij besproken? Zo nee, waarom niet? Kunt u eventuele memo's of beslisnota's ten aanzien van de genomen besluiten en de overleggen tussen bewindspersonen met de Kamer delen?
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Minister van Klimaat en Groene Groei zijn door mij geconsulteerd over het voornemen te stoppen met de systematiek van het NPLG. Er hebben voorbereidende gesprekken plaatsgevonden en er is een Bewindspersonenoverleg geweest op 23 augustus 2024 tussen de drie opdrachtgevers van het NPLG (MLVVN, MI&W en MVRO), waarbij de MI&W en de MVRO hebben ingestemd met dit voornemen. De Minister van Klimaat en Groene Groei is geen medeopdrachtgever van het NPLG en zodoende niet aanwezig geweest bij een specifiek Bewindspersonenoverleg hierover. Bijgevoegd vindt u de agenda van dit overleg en een informerende nota over de consequenties van het stopzetten van het NPLG. Uiteindelijk is het besluit genomen door het gehele kabinet in de ministerraad als onderdeel van de ontwikkeling van het Regeerprogramma.
Is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat geconsulteerd over het schrappen van het NPLG? Zo ja, wat is hierbij besproken? Zo nee, waarom niet? Kunt u eventuele memo's of beslisnota's ten aanzien van de genomen besluiten en de overleggen tussen bewindspersonen met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een gedetailleerde uiteenzetting geven van het besluitvormingsproces rond het schrappen van het NPLG?
In het Hoofdlijnenakkoord van 16 mei 2024 is besloten dat het Transitiefonds komt te vervallen en zijn reserveringen getroffen voor middelen voor agrarisch natuurbeheer en voor innovatie, opkoopregeling en mest. Daarmee zette het Hoofdlijnenakkoord een andere koers in ten opzichte van het ontwerp-NPLG en het Transitiefonds.
Een logisch gevolg daarvan was wat mij betreft het besluit om te stoppen met het NPLG. Dit heb ik op 18 juli intern aangegeven. Bij het Bewindspersonenoverleg van 23 augustus 2024 heb ik dit voornemen besproken met de medeopdrachtgevers van het NPLG, MVRO en MI&W, waarbij zij hebben ingestemd met dit voornemen. Tijdens dit overleg is ook de nota over de consequenties van het stoppen met de systematiek van het NPLG besproken. Deze nota en de agenda van het Bewindspersonenoverleg zijn bijgevoegd.
Daarnaast vindt u ook de ambtelijke nota met een advies over sturen op ruimte in het landelijk gebied bijgevoegd. Deze nota was onderdeel van het interne adviseringsproces binnen LVVN.
Het besluit om te stoppen met het NPLG en te werken aan een uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke aanpak is opgenomen in het Regeerprogramma. Het concept-Regeerprogramma is behandeld in verschillende onderraden. Met het vaststellen van het Regeerprogramma in de ministerraad van 13 september 2024 is ook het besluit om te stoppen met het NPLG en verder te werken aan een uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke aanpak geformaliseerd.
Op welke moment zijn provincies en waterschappen geïnformeerd over het schrappen van het NPLG en op welk moment en welke wijze zijn zij betrokken bij alternatieve maatregelen voor het NPLG?
Op 19 augustus 2024 heb ik met de medeoverheden een informeel Bestuurlijk Overleg Landelijk Gebied en Stikstof gehad. Tijdens dit overleg heb ik mijn voornemen kenbaar gemaakt om een andere koers in te slaan in het landelijk gebied. Ook in de toekomst wil ik voor de doorontwikkeling van het landelijk gebied graag samen optrekken met medeoverheden.
Het bericht ‘Burgemeesters Apeldoorn en Epe lopen tegen grenzen aan: zelfs criminele Oekraïner eruit zetten mag niet’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Burgemeesters Apeldoorn en Epe lopen tegen grenzen aan: zelfs criminele Oekraïner eruit zetten mag niet»?1
Ja.
Herkent u de signalen van deze burgemeesters dat zij beperkt worden in de aanpak van overlastgevende Oekraïense vluchtelingen? Ontvangt u deze signalen ook uit andere gemeenten?
Ik herken dat een aantal gemeenten kampt met overlast in de gemeentelijke opvang van Oekraïense ontheemden (GOO). Een deel van deze overlastproblematiek lijkt voort te komen uit een onderliggende zorgbehoefte, zoals trauma of verslavingsproblematiek. Voor veel problematiek hebben gemeenten zelf een oplossing, bijvoorbeeld door het bieden van een passend zorgtraject. Voor een aantal gevallen geven gemeenten aan het lastig te vinden om passende maatregelen te treffen.
Deelt u de mening dat de aanpak van structurele overlast belangrijk is voor het behoud van het draagvlak om Oekraïense vluchtelingen op te vangen?
Ja, dit is voor mij een belangrijke reden om gemeenten te ondersteunen in de aanpak van overlast.
Het Rijk heeft gemeenten vorig jaar een handelingsperspectief geboden met diverse instrumenten, waaronder een maatregelenpakket, een voorbeeld huishoudelijk reglement en een handreiking voor het inrichten van regionale time-outlocaties. Ook zijn er bepalingen toegevoegd aan de Regeling opvang ontheemden uit Oekraïne (hierna: RooO) die het mogelijk maken leefgeld in te trekken en een (tijdelijk) sober regime op te leggen na ernstige overtreding van het huishoudelijke reglement of ernstige geweldspleging.
Daarnaast blijkt uit signalen dat een deel van de overlast door ontheemden het gevolg lijkt te zijn van onderliggende psychische klachten. Om psychosociale problemen in een vroeg stadium te herkennen, ontheemden met psychosociale problemen te ondersteunen en hiermee te voorkomen dat deze klachten verergeren, is de inzet van laagdrempelige psychosociale ondersteuning van belang. Gemeenten kunnen dit financieren via de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne (BooO). Verder kunnen gemeenten en zorgverleners terecht bij het Loket Ontheemden Oekraïne Psychosociale Hulpverlening (LOOP). Dit loket is in opdracht van het Rijk ingericht en is het aanspreekpunt voor psychosociale hulpverlening (PSH) aan ontheemden uit Oekraïne. Gemeenten en zorgprofessionals kunnen er terecht met vragen, voor het vinden van het juiste zorgaanbod bij hun vraag.
Klopt het dat het voor gemeenten niet mogelijk is om overlastgevende Oekraïners uit de opvang te verwijderen?
Ontheemden uit Oekraïne zijn, net als asielzoekers, op de vlucht voor geweld in hun land van herkomst. Dat betekent dat, net als bij asielzoekers, bepaalde Europese regels van toepassing zijn. In het arrest Haqbin van 12 november 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat het beperken of intrekken van de opvangvoorzieningen op grond van de Opvangrichtlijn niet zo ver mag gaan dat (overlastgevende) asielzoekers daardoor verstoken blijven van elementaire levensbehoeften zoals huisvesting, voedsel en kleding. Ook niet als dit slechts tijdelijk is. Gelet hierop is het uit juridisch oogpunt niet verdedigbaar om, in weerwil van het Haqbinarrest, bij wijze van sanctie over te gaan tot intrekking van opvang zonder alternatieve opvang te bieden. Wel kan de gemeente een ontheemde overplaatsen binnen de gemeentegrenzen, en overplaatsen naar een andere gemeente wanneer er instemming is van die gemeente en van de ontheemde.
Deelt u de mening dat een «time-outlocatie» waar een overlastgever maximaal twee weken in mag worden geplaatst geen oplossing biedt voor Oekraïners die structureel overlast veroorzaken?
Time-outlocaties zijn bedoeld om ontheemden die overlast hebben veroorzaakt voor een korte periode uit hun normale context te halen, zodat rust en veiligheid op de opvanglocatie terugkeert. Mocht na plaatsing in een time-outlocatie geen gedragsverandering hebben plaatsgevonden dan kan een gemeente verschillende andere maatregelen overwegen om overlast te bestrijden en in de toekomst te voorkomen, zoals het opleggen van een tijdelijk alternatief, soberder opvangregime of het intrekken van leefgeld. Welke maatregelen meest aangewezen zijn, hangt af van de aard van de overlast en zal in de meeste gevallen maatwerk moeten zijn.
Bent u bereid opnieuw te kijken naar de mogelijkheid om ernstig overlastgevende Oekraïners in de handhaving en toezichtlocatie (htl) te plaatsen, zoals reeds in 2023 door burgemeesters is gevraagd? Zo nee, waarom niet?
Inzet van de htl voor ontheemden is niet zonder meer mogelijk of passend. Het is juridisch, uitvoeringstechnisch en bestuurlijk zeer complex om htl-plaatsing van ontheemden te realiseren en zou gepaard gaan met extra uitvoeringslasten voor COA en gemeenten. Lang niet alle overlastgevende ontheemden zouden in de htl kunnen worden geplaatst: voor plaatsing in het regime van de htl gelden strenge juridische criteria en bovendien is slechts een zeer beperkt aantal plekken beschikbaar. Gemeenten zouden een uitgebreid dossier moeten aanleggen. Plaatsing van ontheemden in de htl van het COA is nu juridisch niet mogelijk; het vereist complexe aanpassingen van regelgeving. Een deel van de overlast door ontheemden lijkt voort te komen uit zorgbehoeften waarvoor de htl niet het juiste instrument is.
Op dit moment verken ik in hoeverre gemeenten de nieuwe maatregelen hebben geïmplementeerd en wat de effecten hiervan zijn. Op basis hiervan wordt bekeken welke aanvullende maatregelen eventueel benodigd zijn. Daarbij wordt meegenomen of plaatsing in een regime zoals de htl alsnog mogelijk gemaakt moet worden.
Deelt u de mening dat er nu grote verschillen zijn in hoe gemeenten omgaan met opvang en optreden bij ongewenst gedrag of overlast? En dat het van belang is – voor gemeenten en Oekraïners in de opvang – dat er ook landelijk duidelijkheid komt over rechten, plichten en wat te doen bij ongewenst gedrag?
Gemeenten hebben de wettelijke taak om ontheemden op te vangen. Daarbij hebben zij de ruimte om op basis van maatwerk een passende aanpak in te zetten bij overlast. Wel is het zo dat dit binnen de bepalingen van de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO) en de RooO uitgevoerd dient te worden. In de RooO is vastgelegd op welke wijze gemeenten de opvang van ontheemden dienen uit te voeren. Het Rijk ondersteunt gemeenten zoveel mogelijk bij de opvang van ontheemden.
Heeft u het handelingsperspectief voor omgang met overlastgevende Oekraïners dat is opgesteld naar aanleiding van vragen van D66 in december 2022 met de VNG en andere betrokkenen geëvalueerd?2 Zo ja, welke actie heeft u daarna ondernomen? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen?
Ik verken op dit moment in hoeverre gemeenten het handelingsperspectief en de nieuwe maatregelen hebben geïmplementeerd en wat hiervan de effecten zijn. Op basis hiervan wordt bekeken welke aanvullende maatregelen eventueel benodigd zijn.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk voor het commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid van 12 september beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Wc-papier komt vaak uit de ‘groene woestijn’ van Brazilië’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille ) (PVV), Femke Wiersma (minister ) (BBB) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat de groene claims van het Braziliaanse papier- en pulpbedrijf «Suzano» onterecht zijn, aangezien de eucalyptusplantages de natuur beschadigen en indirect ontbossing aanjagen, wat wordt beweerd in het onderzoek van «Environmental Paper Network (EPN) International»?1 2
Het kabinet heeft kennisgenomen van het onderzoek van EPN International. Het is bekend dat investeringen in bosbouwbedrijven bepaalde risico’s met zich meebrengen. FMO, die betrokken is bij het Suzano deelproject Cerrado3, heeft aangegeven dat zij de risico’s die in het onderzoek genoemd worden herkent. Conform het beleid van FMO worden dergelijke risico’s voorafgaand aan een investering in kaart gebracht, gemitigeerd, en afgewogen tegen de verwachte impact van de investering. Dat is hier zorgvuldig gedaan met inachtneming van Internationale Standaarden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
FMO heeft het kabinet tevens laten weten dat de groene claims die worden gedaan door Suzano worden bevestigd door certificering van de FSC.4 Het FSC-keurmerk streeft ernaar dat grondstoffen voor hout- en papierproducten worden gewonnen uit verantwoord beheerde bossen. Om FSC-gecertificeerd te worden moet een bedrijf aantonen dat het voldoende mitigerende maatregelen neemt om de negatieve effecten van een plantage op onder andere de biodiversiteit te voorkomen. Het kabinet is zich bewust dat er discussies lopen over FSC, die volgen we als ministerie, maar steunt de inzet van FMO om conform deze certificering te opereren.
FMO opereert op afstand van de Staat, binnen de kaders en randvoorwaarden die de Staat en FMO hebben afgesproken, bijvoorbeeld in de Overeenkomst tussen de Staat en FMO en de criterianota.5 FMO is zelf verantwoordelijk voor haar investeringskeuzes. Potentiële investeringen worden door FMO grondig onderzocht om een goed begrip te hebben van risico’s en kansen. Daarnaast publiceert FMO, afhankelijk van het risicoprofiel van de klant, dertig of zestig dagen voor contracteren of voor de aanvang van een project de voorgenomen investering op haar website en wordt de reactie van partijen hierop meegewogen in de investeringsbeslissing. De projecten en klanten van FMO dienen aan strikte eisen te voldoen.6 Zo legt de criterianota vast dat FMO strenge en internationaal geaccepteerde standaarden, richtlijnen en principes hanteert, zoals de IFC Performance Standards. Als beleidsverantwoordelijk departement ziet het Ministerie van Buitenlandse Zaken erop toe dat FMO zich houdt aan afgesproken kaders en randvoorwaarden.
Kunt u toelichten hoe de lening van 40 miljoen euro aan Suzano, verstrekt door de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO, bijdraagt aan de doelstelling van de FMO om «inclusieve en duurzame welvaart» te bevorderen? Hoe verhoudt dit zich tot de claims van EPN International dat Suzano schade aanbrengt aan de natuur en de inheemse bevolking?3
FMO helpt bedrijven in ontwikkelingslanden om op een transparante, milieuvriendelijke en sociaal verantwoorde manier te werken en te groeien. Op deze manier probeert FMO bij te dragen aan werkgelegenheid en toekomstbestendige economische ontwikkeling in deze landen. Volgens FMO draagt de investering in het Cerrado project van Suzano bij aan deze doelstelling. De vraag naar papier en andere houtproducten neemt wereldwijd sterk toe. Om aan die vraag te kunnen voldoen zijn er meer aangeplante en verantwoord beheerde bossen nodig, zodat er zo min mogelijk natuurlijke bossen worden gekapt. Dit helpt bij het behoud van CO2-opslag en het beschermen van de biodiversiteit in natuurlijke bossen. Daarnaast creëert het project 3000 directe en indirecte banen in een economisch kwetsbare regio van Brazilië.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 moet de mogelijke impact worden afgewogen tegen de risico’s. Daarom wordt er altijd een zorgvuldig en uitgebreid klant- en investeringsonderzoek (due diligence) gedaan bij investeringen van FMO. In het geval van Suzano is dit onderzoek uitgevoerd door de International Finance Corporation (IFC), als leidende investeerder, en door FMO aangevuld met eigen onderzoek. Dit klant- en investeringsonderzoek is gebaseerd op internationale standaarden, zoals de IFC performance standards, en dient negatieve impact op mens en milieu zoveel mogelijk inzichtelijk te maken. Verder heeft het kabinet van FMO vernomen dat er in het onderzoek geconcludeerd is dat er maatschappelijke steun is voor het project op basis van interviews met onder andere de lokale gemeenschap, de unie van boeren en maatschappelijke organisaties.
Als een investering vervolgens verantwoord wordt geacht, zoals hier het geval, maar specifieke risico’s op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen met zich mee brengt, wordt als vast onderdeel van de contractuele afspraken een Milieu- en Sociaal Actieplan opgesteld. Hierin worden de risico’s van het project benoemd en worden afspraken vastgelegd over hoe deze risico’s gemonitord en gemitigeerd dienen te worden. Een voorbeeld is het verbeteren van Suzano’s procedure om land aan te kopen, waarbij beter rekening moet worden gehouden met historische landrechten. Suzano heeft zich tot dusver gehouden aan het Milieu- en Sociaal Actieplan, waarbij ze wordt ondersteund door IFC en andere specialisten
Kunt u toelichten hoe het kan dat de FMO tot radicaal andere conclusies komt dan EPN International op het gebied van mensenrechten, natuur en klimaat in relatie tot de werkzaamheden van Suzano?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 heeft FMO aangegeven dat ze de risico’s die worden benoemd in het rapport van EPN International erkent heeft meegewogen in haar investeringsbeslissing. FMO heeft op basis van het klant- en investeringsonderzoek en de positieve impact van het project de conclusie getrokken dat het Cerrado project bijdraagt aan inclusieve en toekomstbestendige welvaart. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 baseert FMO zich op zorgvuldig en uitgebreid klant- en investeringsonderzoek. Hierin zijn verschillende partijen geconsulteerd en is hun inbreng meegenomen. FMO en IFC delen de zorgen van EPN maar niet de conclusie. Zij zijn ervan overtuigd dat met passende maatregelen, onder meer vastgelegd in het Milieu- en Sociaal Actieplan, deze investering goede resultaten kan boeken voor mens en milieu.
In welke mate zijn de Ministeries van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN, voorheen LVN) en Klimaat en Groene Groei (KGG, voorheen EZK) betrokken bij het opstellen van het duurzaamheidsbeleid van de FMO?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 opereert FMO op afstand van de Staat, maar binnen de kaders en randvoorwaarden die de Staat en FMO hebben afgesproken. Naast het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die een beleidsrol vervult, is ook het Ministerie van Financiën als aandeelhouder actief betrokken bij de kaderstelling en het toezicht hierop.
FMO is verantwoordelijk voor het opstellen van haar eigen beleid en strategie. Als beleidsverantwoordelijk ministerie ziet het Ministerie van Buitenlandse Zaken toe op de maatschappelijke missie van FMO en dat het IMVO- en duurzaamheidsbeleid van FMO vooruitstrevend is en in lijn met de afgesproken kaders en randvoorwaarden. De Staat kan niet zelf het IMVO- en duurzaamheidsbeleid van FMO wijzigen of aanscherpen.
Tegelijkertijd zullen nieuwe ontwikkelingen en inzichten weer aanleiding zijn voor FMO om haar beleid aan te passen, zoals ook gesteld in de laatste FMO-evaluatie en de beleidsreactie hierop. Het ministerie is daarover in doorlopende dialoog met FMO. In deze gesprekken worden ook recente ontwikkelingen en signalen vanuit het maatschappelijk middenveld meegenomen. Het ministerie laat zich indien nodig informeren of bijstaan door relevante experts. Dit kunnen experts zijn binnen of buiten het Ministerie van Buitenlandse Zaken; bijvoorbeeld van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) of Klimaat en Groene Groei (KGG).
Ziet u naar aanleiding van deze berichtgeving noodzaak om het duurzaamheidsbeleid aan te scherpen, gezien het meerderheidsbelang van de staat bij de FMO? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u voorkomen dat de FMO in de toekomst schadelijke investeringen doet in de industriële plantagesector?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is doorlopend in gesprek met FMO over haar IMVO- en duurzaamheidsbeleid. FMO’s investeringen in en beleid ten aanzien van bosbouw zijn onderdeel van deze gesprekken, evenals bijvoorbeeld biodiversiteit en landrechten. Bosbouw is een complex thema waarbij (internationale) regelgeving en markten constant veranderen. Daarom is het van essentieel belang dat, zoals bij deze investering, FMO risico’s goed en tijdig in kaart brengt bij voorgenomen financieringen, mitigerende maatregelen afspreekt, en bestaande risico’s zorgvuldig monitort bij lopende financieringen.
Deelt u de mening dat het een onwenselijke situatie is dat geldstromen niet aan dezelfde transparantie en duurzaamheidseisen worden gehouden in vergelijking met grondstoffen en producten van buiten de Europese Unie (EU), zoals nu het geval is door de Verordening ontbossingsvrije producten ((EU) 2023/1115)?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform de internationale standaarden voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Conform deze internationale standaarden moeten risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden geïdentificeerd en aangepakt.
In het kader van de Verordening ontbossingsvrije producten (EUDR) worden op dit moment geen wettelijke acties genomen om geldstromen aan banden te leggen. De EUDR is in de huidige vorm geen geschikt instrument voor het controleren van financiële stromen omdat deze zich richt op het controleren van toeleveringsketens van fysieke producten. Om geldstromen te controleren zullen naar verwachting andere of aanvullende mechanismen nodig zijn.
De Europese Commissie dient op uiterlijk 30 juni 2025 een effectbeoordeling voor te leggen waarbij onder andere gekeken wordt naar de rol van financiële instellingen bij het voorkomen van geldstromen die direct of indirect aan ontbossing en bosdegradatie bijdragen.8 De Commissie beoordeelt daarbij of het nodig is om financiële instellingen, rekening houdend met relevante bestaande wetgeving, via EU-wetgeving specifieke verplichtingen op te leggen. Op basis van deze effectbeoordeling zal het kabinet opnieuw kijken of deze verordening als instrument geschikt is voor het beperken van financiële stromen die bijdragen aan ontbossing, of dat er aan andere instrumenten moet worden gedacht.
Deelt u de mening van het vorige kabinet dat deze Verordening in de huidige vorm geen passend instrument is voor het controleren van financiële stromen (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023–2024, nr. 713)? Zo ja, wat acht u wel een passend instrument om de financiële sector aan dezelfde eisen te laten voldoen als de vele ondernemers in Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u toezeggen dat Nederland een leidende rol zal innemen in de EU om werk te maken van adequate Europese wetgeving omtrent geldstromen die ontbossing bevorderen?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7 en vraag 8 zal het kabinet op basis van de effectbeoordeling in de context van de EUDR opnieuw kijken naar de wenselijkheid van het beperken van financiële stromen die bijdragen aan ontbossing, en zo ja, op welke wijze dit dient te gebeuren. Het kabinet vindt het belangrijk dat de effectbeoordeling inhoudelijk juist wordt uitgevoerd en zal dit op meerdere niveaus bij de Europese Commissie onder de aandacht brengen.
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor grote chaos door grenscontroles: ellenlange files en klap voor Nederlandse economie»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van onder andere VNO-NCW, Transport en Logistiek Nederland en Evofenedex over de mogelijk desastreuze gevolgen van grenscontroles en grensbewaking op de Nederlandse economie? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft het binnengrenstoezicht dat Nederland vanaf 9 december zal uitvoeren, neemt het kabinet maatregelen om de impact van grenscontroles op de economie en de (grens)regio’s zo veel mogelijk te beperken en is zij scherp op signalen vanuit de praktijk. Zoals aan uw Kamer eerder is meegedeeld, zullen de Nederlandse grenscontroles niet systematisch uitgevoerd worden, maar risico-/informatiegestuurd. Bij de gerichte controles worden geen snelheidsbeperkende maatregelen genomen, tenzij strikt noodzakelijk. Ook is ervoor gekozen om geen doorlaatposten aan te wijzen wat inhoudt dat grensoverschrijdend verkeer gebruik kan blijven maken van alle reguliere wegen van en naar buurlanden. Daarnaast zal de KMar in overleg met de Duitse autoriteiten grenscontroles zoveel mogelijk afstemmen met de grenscontroles die Duitsland uitvoert. Het kabinet verwacht daarom dat er geen significante extra kosten zullen ontstaan vanwege de herinvoering van binnengrenstoezicht.
Wat gaan Nederlanders merken van de grenscontroles, zowel in de praktijk als in de portemonnee? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag specifiek ingaan op de mensen die in de grensregio wonen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze en andere relevante organisaties die het bedrijfsleven vertegenwoordigen te betrekken bij het uitwerken van eventuele planning met betrekking tot verscherping van het grenstoezicht?
Zie antwoord vraag 2.
Welke lessen kunt u trekken uit de impact van Brexit en de bijbehorende grenscontroles op de economie en het bedrijfsleven in het Verenigd Koninkrijk?
De Brexit waarbij het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie is gestapt, is onvergelijkbaar met het tijdelijk instellen van binnengrenscontroles op basis van de Schengengrenscode. In die zin zijn er geen lessen te trekken.
Bent u bereid een impactanalyse te maken voor verschillende scenario’s van het aanscherpen van grenscontroles voor het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse economie? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op de impact op de Nederlandse economie als geheel, personenvervoer en mogelijke toename van files (zowel Nederland in als uit), financieel verlies voor de transportsector en welke sectoren als eerste en welke de zwaarste gevolgen zullen ondervinden?
Ik verwijs u naar het antwoord van vragen 2 t/m 4.
Het bericht “Hoger onderwijs onbereikbaar: Oekraïense studenten struikelen over collegegeld” |
|
Jan Paternotte (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eppo Bruins (minister ) (NSC), Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Hoger onderwijs onbereikbaar: Oekraïense studenten struikelen over collegegeld»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat zowel Oekraïners als de Nederlandse samenleving erbij gebaat zijn als Oekraïense vluchtelingen toegang krijgen tot vervolgonderwijs? Zo nee, waarom niet?
Oekraïense ontheemden hebben toegang tot het hoger onderwijs, maar niet automatisch recht op het wettelijke collegegeld.
Deelt u de opvatting dat Oekraïners in Nederland volgens de Richtlijn Tijdelijke bescherming dezelfde toegang tot het onderwijs en de arbeidsmarkt hebben als andere inwoners van Nederland? En bent u het er dan mee eens dat het vragen van torenhoog collegegeld tot 15.000 euro aan Oekraïense vluchtelingen niet in lijn is met deze richtlijn?
Specifiek voor het hoger onderwijs is er in de richtlijn2 geen bepaling opgenomen. Het wettelijk collegegeld is voorbehouden aan studenten uit de Europese Economische Ruimte (EER) op basis van het vrij verkeer van personen, en wel voor zover het gaat om één bachelor en één masterstudie. Voor studenten van buiten de EER geldt het instellingscollegegeld. Het instellingscollegegeld-tarief wordt bepaald door de instelling. De huidige wet biedt de instellingen de ruimte om het instellingscollegegeld-tarief te verlagen ter hoogte van het wettelijk collegegeld.
Een eventuele aanpassing in de bekostiging, en de rijksbijdrage per student, betreft een beleidswijziging met vergaande gevolgen voor de financiering van het stelsel, de onderwijscapaciteit en vereist bovendien een wetswijziging. Daarnaast is het niet uitlegbaar om vergelijkbare groepen verschillend te behandelen. Zoals mijn ambtsvoorganger ook aangaf3 raakt dit andere beleidsterreinen waaronder asiel en migratie. Financiering van deze groepen studenten, i.e. ontheemden, asielzoekers, vraagt om een eenduidig (migratie-, asiel)beleid.
Bent u bereid met universiteiten en hogescholen te spreken over de toegankelijkheid tot hun onderwijs voor Oekraïense ontheemden en afspraken te maken over het eerlijker maken van de toegankelijkheid voor Oekraïners?
Het kabinet spreekt regelmatig met de universiteiten en hogescholen over de Oekraïense ontheemden. Om informatie en ervaringen uit te wisselen organiseert het kabinet binnenkort een gesprek tussen de koepelorganisaties in het hoger onderwijs, UNL en VH, en een delegatie van Oekraïense ontheemden en de Oekraïense ambassade.
Het kabinet waardeert het besluit van de hogescholen en universiteiten om de hoogte van het wettelijke collegegeld te hanteren voor de volledige looptijd van de studie van Oekraïense ontheemden die in collegejaar 2022–2023 zijn begonnen. Daarbij is het kabinet zich bewust dat de bevoegdheid tot het vaststellen van het instellingscollegegeld-tarief aan de hogescholen en universiteiten is en zij daarin een eigenstandige afweging hebben te maken. Tegelijkertijd roept het kabinet de universiteiten en hogescholen op om ook het instellingscollegegeld-tarief te verlagen voor andere Oekraïense ontheemden.
Bent u bereid ook ten aanzien van studiefinanciering de positie van Oekraïners gelijk te stellen aan die van studenten uit de 30 landen in de Europese Economische Ruimte? Zo nee, waarom niet?
Doordat Oekraïne geen onderdeel is van de EER, komen Oekraïners niet in aanmerking voor studiefinanciering op grond van het vrij verkeer van werknemers. Oekraïense ontheemden ontvangen leefgeld voor eten, kleding en andere persoonlijke uitgaven. Uitgaven die ten dele overeenkomen met de uitgaven waarvoor studenten studiefinanciering ontvangen. Daarnaast kunnen Oekraïense studenten aankloppen bij de Stichting voor Vluchteling-Studenten (UAF), die de studenten, waar mogelijk, (financieel) kan ondersteunen.
Een eventuele wijziging van dit beleid raakt ook andere beleidsterreinen waaronder asiel en migratie en sociale zekerheid. Ondersteuning van deze groepen studenten, i.e. ontheemden, asielzoekers, vraagt om een eenduidig (migratie-, asiel)beleid.
Verschillende nieuwsberichten met betrekking tot Europese grensbewaking |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Poolse grenswachten mogen schieten op immigranten die illegaal de grens met Belarus oversteken»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het met D66 eens dat schieten op irreguliere migranten inhumaan is? Hoe beoordeelt u de legitimiteit van de de bufferzone aan de Poolse grens waar het niet langer verboden is om te schieten op irreguliere migranten? Hoe verhoudt dit zich tot het recht op bescherming dat volgt uit het Vluchtelingenverdrag en tot de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
EU-lidstaten dienen bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het gebied van het beheer van de buitengrenzen te allen tijde te handelen binnen de kaders van het internationaal en Europees recht, in het bijzonder de waarborging van het recht op leven en het beginsel van non-refoulement. Lidstaten zijn zelf primair verantwoordelijk voor het beheer van en het toezicht op hun deel van de buitengrens. Voor lidstaten met een (lange) EU-buitengrens is dit niet altijd eenvoudig. Polen wordt aan haar 400 kilometer lange EU-buitengrens geconfronteerd met door Belarus en Rusland georkestreerde reisbewegingen van migranten naar de Unie om zo de EU onder druk te zetten. Hoewel het kabinet begrip heeft voor de complexe situatie waar Polen zich in bevindt, blijft het van belang dat landen zich houden aan internationaalrechtelijke normen op het gebied van grensbeheer, asiel en opvang. Polen en Belarus zijn beide partij bij het Vluchtelingenverdrag en dienen hun verplichtingen met betrekking tot het recht op asiel na te komen en het non-refoulement-beginsel te eerbiedigen. De Poolse wetgever heeft bovendien het gebruik van vuurwapens alleen toegestaan in situaties die onmiddellijk actie vereisen. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of in een concrete situatie aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Hoe beoordeelt u de legitimiteit van het weigeren van de toegang van journalisten tot de bufferzone aan de Poolse grens in relatie tot artikel 10 van het EVRM?
Artikel 10 EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder het recht om informatie en denkbeelden over zaken van openbaar belang te ontvangen of te verstrekken. De vrije pers speelt een fundamentele rol in het waarborgen van dit recht en journalisten genieten daarom bijzondere bescherming onder artikel 10 EVRM. Zonder die bescherming zou het voor de pers onmogelijk zijn om zijn rol als «public watchdog» te kunnen vervullen. Het doen van journalistiek onderzoek en de toegang van journalisten tot bepaalde plaatsen, waar noodzakelijk voor dat onderzoek, valt dan ook binnen de bescherming van Artikel 10 EVRM. Het EHRM heeft benadrukt dat de «watchdog» functie van de pers van bijzonder belang is waar de staat optreedt om de openbare orde te handhaven en wanneer hij optreedt jegens kwetsbare groepen. In dergelijke situaties vormt de aanwezigheid van de pers een garantie dat de staat op zijn optreden kan worden aangesproken.
Het recht op vrije meningsuiting, waaronder de bescherming van de rechten van de pers, is echter niet absoluut. Het kan volgens artikel 10, tweede lid EVRM worden beperkt, voor zover de beperkingen bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn, in het belang van o.a. de nationale veiligheid, territoriale integriteit en de openbare veiligheid. De noodzakelijkheid van een beperking moet blijken uit het bestaan van een dringende sociale behoefte en de proportionaliteit van de maatregel. Wanneer de persvrijheid in het geding is, hebben de nationale autoriteiten een beperkte beoordelingsruimte om te toetsen of een dringende sociale behoefte bestaat, die de beperking rechtvaardigt. De beoordeling of het weigeren van de toegang van journalisten tot de bufferzone aan de Pools-Belarussische grens noodzakelijk is in een democratische samenleving met het oog op één van de in artikel 10, tweede lid van het EVRM genoemde legitieme doelen, is in eerste instantie aan de Poolse autoriteiten, de Poolse rechter en in laatste instantie aan het EHRM.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Griekse kustwacht gooide migranten geboeid in zee»?2
Ja, hiervan heb ik kennisgenomen.
B Bent u het ermee eens dat migranten geboeid in zee gooien onverdedigbaar is en niet past binnen het internationale en Europese recht?
Daar ben ik het mee eens.
Hoe reageert u op deze beschuldigingen tegen de Griekse kustwacht? Welke actie gaat u ondernemen om te zorgen dat deze beschuldigingen worden onderzocht, in lijn met de onlangs aangenomen motie Ceder (kamerstuk 21 501-20, nr. 2104)?
Zoals reeds in het antwoord op vraag twee aangegeven, staat het voor het kabinet buiten kijf dat bij het beheer van de gemeenschappelijke EU-buitengrenzen internationaal en Europees recht gerespecteerd dienen te worden, in het bijzonder de waarborging van het recht op leven en het beginsel van non-refoulement. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook begrip voor de moeilijke situatie waarin enkele lidstaten zich bevinden.
Het kabinet acht het van belang dat beschuldigingen over misstanden door onafhankelijke autoriteiten worden onderzocht. Over de beschuldigingen aan het adres van de Griekse kustwacht heeft de Griekse Minister van Maritieme zaken aangegeven dat de beschuldigingen worden onderzocht door de Nationale Transparantie Autoriteit. Het kabinet wacht de uitkomsten van dit onderzoek af. De Griekse regering heeft in een reactie op de beschuldigingen ook te kennen gegeven deze ongefundeerd te vinden.
Het kabinet vraagt in lijn met de motie Ceder regelmatig aandacht voor zorgen omtrent pushbacks, zowel bilateraal, als bij de Europese Commissie. De Commissie ziet, als hoedster van de Verdragen, toe op de naleving van Europees recht door de lidstaten, en brengt de specifieke berichten omtrent vermeende pushbacks ook regelmatig op bij de Griekse autoriteiten. Verder wordt verwezen naar de Kamerbrief Verslag Europese Raad van 27 en 28 juni 2024 ten aanzien van de uitvoering van de motie Ceder.3
Het bericht “Bollenteelt levert mooie plaatjes op, maar overheid komt met verbod: ‘Risico voor drinkwater’” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister ) (BBB) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de wens van de Provincie Gelderland om niet- biologische bollenteelt nabij waterwingebieden te verbieden?1
Ja.
Zijn er meer provincies, gemeenten of waterschappen die deze wens hebben? Bent u bereid het gesprek aan te gaan met regionale en lokale overheden om dit in kaart te brengen, indien u daar niet van op de hoogte bent?
De provincies zijn het bevoegde gezag voor de bescherming van grondwater en ik vind het belangrijk dat bevoegdheden worden gerespecteerd.
Ik ben niet op de hoogte van het feit of meer provincies de wens hebben om de bollenteelt met uitzondering van de biologische bollenteelt te verbieden. Ik zal het onderwerp in een bestuurlijk overleg ter sprake brengen.
Welke mogelijke barrières zijn er voor het instellen van zo’n verbod?
Provincies hebben vergaande bevoegdheden om grondwater te beschermen. Dit is vastgelegd in de Omgevingswet. Waar nodig werken Rijk, andere overheden en (sector)organisaties samen om de kwaliteit van grondwater te behouden en te beschermen. Beperkende maatregelen dienen uiteraard wel altijd goed en objectief onderbouwd te zijn.
Er loopt een onderzoek naar een mogelijk verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden naar aanleiding van een motie van het lid Tjeerd de Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 587). Uw Kamer is door mijn ambtsvoorganger geïnformeerd over het eerste deel van het onderzoek (een quickscan) en het starten van het tweede deel (Kamerstuk 27 858, nr. 653).
Welke mogelijkheden hebt u om medeoverheden te ondersteunen bij het instellen van beperkingen op activiteiten in waterwingebieden/grondwaterbeschermingsgebieden (GWB) die de kwaliteit van het grondwater aantasten, zoals de niet-biologische bollenteelt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een indicatie geven van de kosten van waterzuivering door de jaren heen in de afgelopen twintig jaar en kunt u daarbij aangeven waardoor deze toename in kosten volgens waterzuiveringsbedrijven zoal te wijten is?
Gedurende de afgelopen 20 jaar hebben de drinkwaterbedrijven, waterschappen, lozers van industrieel afvalwater en industriële drinkwaterontrekkers onder andere te maken gehad met een toename in benodigde capaciteit voor waterzuivering, een grote digitaliseringsslag, innovaties van zuiveringstechnieken en aangescherpte zuiveringseisen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt in het kader van de Bestuursovereenkomst Water om het waterbeheer doelmatiger te maken.
De rapportage «Monitor Lastenontwikkeling en Doelmatigheidswinst Bestuursakkoord Water over de periode 2010–2019» biedt inzicht in het totaal aan kosten voor waterbeheer vanuit de publieke partijen voor onder andere waterzuivering2. Deze kosten zijn echter niet opgesplitst op zodanig detailniveau dat het voor specifieke bronnen bekend is welke kosten gemaakt zijn voor zuivering. Er komen immers veel verschillende ongewenste stoffen voor in het watersysteem, die op een eigen wijze uit het water moeten worden gezuiverd.
Hoe groot is het aandeel «andere teelten» in GWB-gebieden in Gelderland waarbij dezelfde bestrijdingsmiddelen worden gebruikt als bij bollenteelt?
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer geïnformeerd over de uitkomst van het rapport «Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden. Quickscan» van WUR. Dit rapport bevat informatie over het landgebruik in alle grondwaterbeschermingsgebieden in Nederland en is niet uitgesplitst per provincie (Kamerstuk 27 858, nr. 653 en blg-1142431).
Het areaal landbouwkundig gebruik in deze gebieden betreft 33.693 ha (dit is ongeveer 35% van het totale areaal) onderverdeeld in:
Er zijn in de teelt van bloembol- en bloemknolgewassen verschillende gewasbeschermingsmiddelen toegelaten. Deze middelen kunnen volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift vaak in meerdere gewassen worden gebruikt, waarbij de dosering en de frequentie kan verschillen per gewas.
Wat is het risico van het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen in GWB- en waterwingebieden? Welke kosten brengt het zuiveren van deze middelen met zich mee, mede in verhouding tot chemische middelen?
In de biologische landbouw mogen alleen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, die op de SKAL-inputlijst staan én een toelating hebben van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Ctgb). Dit betreft veelal middelen met een werkzame stof (chemisch of biologisch) van natuurlijke herkomst (bijvoorbeeld mineralen, micro-organismen, plantextracten). Deze middelen mogen overigens ook gebruikt worden in de gangbare landbouw, mits deze zijn toegelaten door het Ctgb.
Voor de drinkwaterbereiding is de primaire vraag of de werkzame stof en de metabolieten die in de bodem gevormd worden uit deze stof afbreken gedurende de bodempassage of het zuiveringsproces. Op het moment dat een stof niet (voldoende) afbreekt en door het drinkwaterbedrijf verwijderd moet worden, is het voor de benodigde zuiveringsinspanning niet relevant of het gewasbeschermingsmiddelen zijn die in de biologische landbouw of in de gangbare landbouw gebruikt worden. Het is voor de inspanningen en de kosten die nodig zijn om zo’n stof en/of de metabolieten te verwijderen niet relevant wat de bron van een stof is.
Daar waar het gewasbeschermingsmiddelen betreft met een werkzame stof van alleen biologische en niet-chemische herkomst (zoals micro-organismen) is het onwaarschijnlijk dat die micro-organismen het diepe grondwater bereiken (10 tot 30 meter diep). Eventuele aanwezige micro-organismen worden met standaard filters (UV filters/koolstoffilters) inactief gemaakt en/of verwijderd.
Het Ctgb neemt de afbreekbaarheid of persistentie van werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en hun metabolieten mee in de beoordeling van de blootstelling naar bodem en grondwater. Als deze beoordeling leidt tot onaanvaardbare effecten op mens, dier en milieu, dan wordt een (toepassing van een) middel niet toegelaten.
Wat is de stand van zaken omtrent het harmoniseren van de doelen in de Kaderrichtlijn Water met het toelatingsbeleid van het «College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden» (Ctgb)?
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer recent geïnformeerd over de uitkomst van de analyse die is uitgevoerd naar de mogelijkheden hoe de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in overeenstemming kan worden gebracht met de normen van de KRW (Kamerstuk 27 858, nr. 671). Hoe ik de analyse verder wil gebruiken, zal ik uw Kamer in dit najaar laten weten.
Welke stappen zijn er door het Ctgb tot op heden gezet om hun toelatingsbeleid aan te scherpen, in navolging van het arrest van het Europese Hof van Justitie?2
Het Ctgb heeft recent een bericht op zijn website gezet, dat het zijn werkwijze op onderdelen aanpast naar aanleiding van de twee uitspraken van het Europese Hof van Justitie op 25 april jl.4 Deze nieuwe werkwijze richt zich op het gebruik van recente nieuwe betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis is ontwikkeld over hormoonontregeling bij de mens en van nieuwe richtsnoeren en methodieken zodra deze worden gepubliceerd door EFSA of een vergelijkbare instantie, ook als ze nog niet definitief zijn vastgesteld en de bijbehorende data beschikbaar zijn.
Ziet het Ctgb, op basis van het arrest in vraag 9, reden om hun advies over gebruiksvoorschriften en milieubescherming in relatie tot GWB-gebieden aan te passen?
Vooralsnog leidt de aangepaste werkwijze niet tot een wijziging van de werkwijze die het Ctgb op dit moment hanteert voor grondwaterbeschermingsgebieden.
De huidige werkwijze staat in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en leidt tot het hanteren van een strengere norm in grondwaterbeschermingsgebieden voor het aspect uitspoeling naar het grondwater dan in andere gebieden in Nederland.
Opvang en werk voor asielzoekers en statushouders die nog in een AZC verblijven |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Karien van Gennip (CDA), Eric van der Burg (VVD) |
|
![]() |
Bent u zich bewust van het feit dat het voor veel werkgevers nog steeds lastig is om asielzoekers en statushouders die nog in de asielopvang zitten aan te nemen? Kunt u reflecteren op de meest in het oog springende redenen hiervoor?
In het rapport van Regioplan1 is uitgewerkt welke belemmeringen er zijn voor asielzoekers bij het toetreden tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Hieruit zijn ook belemmeringen voor werkgevers naar voren gekomen, zoals het aanvragen van de tewerkstellingsvergunning en onbekendheid met de mogelijkheid en de regels omtrent het in dienst nemen van asielzoekers. Uit dit rapport blijkt ook dat de verschillende belemmeringen met elkaar verweven zijn en elkaar versterken. Het is hierdoor lastig aan te geven wat de meest in het oog springende reden is.
Eén van de belemmeringen die uit dit rapport naar voren is gekomen is de 24-weken-eis. Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de 24-weken-eis van eind vorig jaar2 past het UWV niet langer de 24-weken-eis toe bij aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van asielzoekers. Sinds 2023 en met name sinds deze uitspraak is er sprake van een sterke toename van het aantal tewerkstellingsvergunningen dat door UWV wordt afgegeven aan werkgevers die asielzoekers in dienst nemen. In dit jaar zijn, voor deze groep, tot en met eind september al ongeveer 5.560 tewerkstellingsvergunningen afgegeven. Dit is een sterke toename ten opzichte van de periode voorafgaand aan de uitspraak van de Raad van State. Zo werden er in 2021 en 2022 ca. 600 tewerkstellingsvergunningen per jaar afgegeven voor asielzoekers. In 2023 betroffen dit iets meer dan 2000 tewerkstellingsvergunningen. De toename van het aantal verleende tewerkstellingsvergunningen komt waarschijnlijk niet alleen door het vervallen van de 24-weken-eis, maar ook doordat er sindsdien meer aandacht is geweest voor de mogelijkheid voor asielzoekers om te werken en voor werkgevers om asielzoekers in dienst te nemen.
Statushouders hebben reeds vrije toegang tot de arbeidsmarkt. Toch komen er signalen uit de praktijk dat werkgevers ook belemmeringen ervaren bij het aannemen van statushouders die nog in de opvang verblijven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:
Bent u bereid om, met het oog op participatie en spoedige integratie van nieuwkomers in Nederland, zo veel mogelijk barrières weg te nemen om mensen die daar recht op hebben zo snel mogelijk te laten werken?
Om de barrières voor participatie en integratie van nieuwkomers weg te nemen zet het Kabinet zich in voor zowel de doelgroep asielzoekers als statushouders. Voor wat betreft asielzoekers is op 14 juli 2023 de kabinetsreactie3 op het rapport van Regioplan over de belemmeringen die zij ervaren bij toetreding tot de arbeidsmarkt aan uw Kamer gestuurd. In deze brief is per belemmering uitgewerkt welke stappen worden genomen om de belemmering weg te nemen of te beperken.
Hoewel het goed nieuws is dat sinds de uitspraak over de 24-weken-eis meer werkgevers een tewerkstellingsvergunning aanvragen en er dus meer asielzoekers aan het werk zijn, blijft het Kabinet zich inzetten om ook andere belemmeringen weg te nemen. Dit doet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (MSZW) onder andere door – samen met UWV – informatievoorziening voor werkgevers te verbeteren. Ook heeft de voorganger van MSZW UWV verzocht om complete tewerkstellingsvergunningaanvragen voor asielzoekers met voorrang te behandelen en binnen een streeftermijn van twee weken op de aanvragen te beslissen, in plaats van de reguliere termijn van vijf weken. UWV voert momenteel hiervoor een verkenning uit.
In de Uitvoeringsbrief Inburgering4 is de verkenning naar een ondersteuningsstructuur voor asielzoekers bij de toeleiding tot de arbeidsmarkt opgenomen. De verkenning is uitgevoerd in samenwerking met COA, UWV, VNG en andere relevante partners zoals werkgeversorganisaties AWVN en VNO-NCW en uitzendkoepels NBBU en ABU. De uitkomst van deze eerste verkenning is dat het wenselijk is om aan te sluiten bij de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur, waarbij gemeenten en/of het UWV een wettelijke taak krijgen voor de arbeidstoeleiding van deze groep werkzoekenden. De verkenning behoeft nog verdere inhoudelijke uitwerking. Op korte termijn zetten genoemde uitvoeringspartners COA en UWV en de werkgeversorganisaties en intermediairs zich in om binnen de huidige financiële en juridische kaders lokaal pilots en initiatieven voor asielzoekers die aan de slag willen vorm te geven en uit te breiden.
Met het plan van aanpak «statushouders aan het werk» onderneemt het kabinet samen met de taskforce VIA activiteiten om de kansen op betaald werk voor statushouders te verbeteren. Er wordt onder andere ingezet op vroege participatie vanuit AZC’s, het versterken van de regionale samenwerking via gemeenten & arbeidsmarktregio’s en het ondersteunen van werkgevers. Zo vervullen de Regionale verbinders bijvoorbeeld een spilfunctie tussen werkgevers en gemeenten bij het opzetten en uitbreiden van trajecten voor statushouders met en zonder inburgeringsplicht en delen zij goede voorbeelden in de regio en met andere arbeidsmarktregio’s. Daarnaast wordt op 2 september 2024 het eerste tijdvak opengesteld van de subsidieregeling voor werkgevers. Deze subsidieregeling biedt werkgevers een financiële tegemoetkoming voor de extra begeleiding van statushouders op de werkvloer, gericht op het verkleinen van de taal- en cultuurverschillen. Daarnaast vervullen de regionale verbinders een spilfunctie tussen werkgevers en gemeenten bij het opzetten en uitbreiden van trajecten voor statushouders met en zonder inburgeringsplicht en delen zij goede voorbeelden in de regio en met andere arbeidsmarktregio’s. Op 25 maart is de voortgangsbrief over het «plan van aanpak «statushouders aan het werk»»5 naar uw Kamer gestuurd.
Kunt u zich voorstellen dat werkgevers aarzelen om mensen die nog in een azc wonen aan te nemen, omdat mensen soms halsoverkop naar een andere locatie worden verplaatst, zonder hun werk op een fatsoenlijke manier af te kunnen ronden?
De Minister van Asiel en Migratie begrijpt dat de (vele) verhuizingen van bewoners uitdagingen met zich mee kunnen brengen. Sommige verhuizingen zijn echter onvermijdelijk (zie een nadere toelichting hierop in het antwoord op vraag 4). Tegelijkertijd wordt een bewoner altijd vooraf geïnformeerd over een aanstaande verhuizing. In de praktijk is er dus enige tijd tussen voorgenomen en daadwerkelijke verhuizing. De bewoner dient in dat geval zelf, liefst zo snel mogelijk, zijn of haar werkgever over de aanstaande verhuizing te informeren.
Bent u bereid te zoeken naar manieren om mensen die werken (asielzoekers of statushouders in de opvang) zo min mogelijk te verplaatsen tussen opvangvoorzieningen in verschillende gemeenten, zodat zij hun werk en de bijbehorende voordelen met betrekking tot integratie en het leren van de taal zo veel mogelijk kunnen behouden? Wat is hiervoor nodig?
In de huidige inrichting van de asielopvang volgt de asielzoeker het asielproces en verhuist daardoor een aantal keer. Doordat er een tekort is aan duurzame asielopvang en noodopvanglocaties vaak van korte duur zijn, zien we veel verhuisbewegingen. Deze verhuisbewegingen hebben grote impact op asielzoekers, omdat hierdoor bijvoorbeeld kinderen van school moeten wisselen en volwassenen een baan moeten stopzetten.
Veelvuldige verhuisbewegingen hebben dus een negatieve impact op vroege integratie en participatie. Met de herijking van de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen wordt de opvangmodaliteit losgekoppeld van de asielprocedure. Op deze manier kan het aantal verhuisbewegingen worden beperkt.
Daarnaast is voor het verminderen van verhuisbewegingen in de huidige praktijk van wezenlijk belang dat er voldoende stabiele en duurzame opvangvoorzieningen zijn. Dit vraagt ook dat gemeenten geen doelgroep beperkingen invoeren, wat op dit moment veelal voorkomt als het gaat om noodopvanglocaties en tijdelijke gemeentelijke opvang. Tegelijkertijd is het van belang om grip op migratie te krijgen en de instroom te beperken. Zo kunnen beschikbare opvanglocaties zo efficiënt mogelijk gebruikt worden en de verhuisbewegingen tot een minimum beperkt worden.
Bent u bereid om, daar waar dat echt niet mogelijk is, te werken met een overgangsperiode van minimaal twee weken, zodat werkgevers niet worden geconfronteerd met medewerkers die ineens moeten stoppen met werken?
Zoals toegelicht door de Minister van Asiel en Migratie in vraag 3, wordt een bewoner vooraf geïnformeerd over een aanstaande verhuizing. In de praktijk is er dus enige tijd tussen voorgenomen en daadwerkelijke verhuizing. De bewoner dient zelf zijn of haar werkgever hierover te informeren. Het is niet wenselijk om een overgangsperiode van minimaal twee weken in te voeren, omdat een bed dan mogelijk te lang moet worden gereserveerd. Op het moment zijn beschikbare bedden schaars en is het hierdoor de bedoeling dat de doorstroom naar een andere locatie geen vertraging oploopt zodat de beschikbare bedden maximaal benut kunnen worden.
Bent u bereid om het op alle COA-locaties eenvoudiger te maken voor werkende asielzoekers om telefonisch te voldoen aan de meldplicht, in plaats van fysiek, zodat zij niet midden op een werkdag terug moeten naar het azc?
Er zijn verschillende processen die in spraakgebruik worden samengevoegd onder «meldplicht». Voor asielzoekers betreft dit enerzijds de inhuisregistratie (om te beoordelen of de geboden verstrekkingen nog rechtmatig zijn) en anderzijds de meldplicht (in het kader van toezicht op de asielprocedure). Deze worden gelijktijdig door COA uitgevoerd als «gecombineerde meldplicht». Telefonisch melden is nu toegestaan voor enkele groepen, waaronder vergunninghouders die gebruikmaken van de logeerregeling. Andere bewoners zijn verplicht zich fysiek te melden in het kader van toezicht op de asielprocedure.
Daarbij is niet voorgeschreven op welke dag of tijdstip het moet plaatsvinden. Een locatie is daar in principe vrij in. Waar de (krappe) personele bezetting en bedrijfsvoering op locatie dat toelaten, wil COA zo veel mogelijk rekening houden met bewoners die werken, bijvoorbeeld door hen te laten melden buiten hun werkuren. Het toezicht op de asielprocedure blijft daarbij leidend.
Wat is de huidige doorlooptijd voor het aanvragen van een tewerkstellingsvergunning? Wat wordt er gedaan om deze tijd te verkorten en zo werkgevers zo kort mogelijk te laten wachten?
De wettelijke beslistermijn voor UWV om een beslissing te nemen op tewerkstellingsvergunningaanvragen bedraagt vijf weken. Voor werkgevers die asielzoekers in dienst nemen vormt – zo blijkt ook uit het rapport van Regioplan – de beslistermijn een belemmering. Daarom is door mijn voorganger aan UWV verzocht om tewerkstellingsvergunningaanvragen voor asielzoekers met voorrang te behandelen en binnen een streeftermijn van twee weken op de aanvragen te beslissen, in plaats van de reguliere termijn van vijf weken.
In de periode van april tot en met augustus dit jaar liep de behandeling van de aanvragen van tewerkstellingsvergunningen voor asielzoekers (ook voor andere groepen) echter vertraging op. De oorzaak was de samenloop van een grote toename van het aantal aanvragen en de implementatie van een nieuw verwerkingssysteem bij UWV. Werkgevers moesten daardoor rekening houden met vier extra weken verwerkingstijd.
Dit betekende dat de behandeling van de tewerkstellingsvergunningaanvraag tot negen weken kon duren voordat werkgevers een beslissing op hun tewerkstellingsvergunningaanvraag ontvingen. Om de achterstanden in te lopen heeft UWV diverse maatregelen genomen, zoals het opschalen van personeel, het herijken van werkafspraken (met externe partijen) over bestaande werkprocessen en het herstellen van problemen in het verwerkingssysteem. Door deze extra maatregelen zijn de achterstanden op aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor asielzoekers sinds medio augustus goeddeels ingelopen. Voor overige TWV-aanvragen geldt nog wel een langere behandeltermijn. Werkgevers die door de langere verwerkingstijd van de tewerkstellingsvergunningaanvraag in de knel kwamen of nu nog komen, kunnen telefonisch contact opnemen met UWV. Er is een team met consulenten beschikbaar dat in geval van spoed kan helpen.
Voor werkgevers die asielzoekers in dienst nemen vormt – zo blijkt ook uit het rapport van Regioplan – de beslistermijn een belemmering. Het versneld afhandelen van complete tewerkstellingsvergunningaanvragen voor asielzoekers heeft bij UWV daarom prioriteit. UWV voert momenteel naar aanleiding van het verzoek hiertoe vanuit SZW een verkenning uit of en op welke termijn zij deze aanvragen binnen een streeftermijn van twee weken zouden kunnen behandelen in plaats van de wettelijke beslistermijn van vijf weken.
Klopt het dat het soms lastig is voor mensen een (nieuwe) tewerkstellingsvergunning aan te vragen doordat de aanvraag van een nieuw vreemdelingendocument (W-document) daarbij in de weg zit? Bent u bereid alles in het werk te stellen om deze aanvragen beter op elkaar te laten aansluiten?
Het W-document is het Vreemdelingen Identiteitsbewijs. Op een Vreemdelingen Identiteitsbewijsstaat staat de nationaliteit en identiteit van de persoon. Ook laat het document zien of iemand rechtmatig in Nederland is. Een asielzoeker mag werken als diegene rechtmatig in Nederland verblijft en de werkgever een tewerkstellingsvergunning voor hem heeft verkregen. Daarom is de tewerkstellingsvergunning gekoppeld aan de duur van het W-document. Dit is ook opgenomen in de Kamerbrief6 van 29 november 2023 over de uitspraak van de Raad van State over de 24-weken-eis. Hoewel eerder een tewerkstellingsvergunning voor maximaal 24 weken in een periode van 52 weken kon worden afgegeven, is het sinds de uitspraak van de Raad van State mogelijk om voor een langere periode de tewerkstellingsvergunning af te geven.
Een W-document is 18 maanden geldig en een verlengingsaanvraag moet minimaal 6 tot 8 weken vóór het verlopen van het W-document door de asielzoeker bij de IND worden ingediend. Het is de verantwoordelijkheid van de asielzoeker om de verlengingsaanvraag tijdig in te dienen. Als de verlengingsaanvraag op tijd wordt ingediend kan de asielzoeker aansluitend op het verlopen van het W-document een nieuw W-document verkrijgen. Indien de asielzoeker al werkt en het W-document binnenkort verloopt wordt hij/zij geadviseerd om drie maanden voor het verlopen van het W-document de verlengingsaanvraag bij IND in te dienen, zodat na het verstrekken van het W-document ook de tewerkstellingsvergunningaanvraag tijdig door de werkgever kan worden ingediend. Als voornoemd proces wordt gevolgd en de IND en UWV tijdig beslissen hoeft de asielzoeker niet te stoppen met werken, aangezien het nieuwe W-document en de tewerkstellingsvergunning in dat geval eerder of aansluitend aan de vervaldatum van de eerder afgegeven documenten ingaan. Binnen het huidige proces kunnen de vergunningen direct op elkaar aansluiten, waardoor het niet nodig is om dit aan te passen.
Heeft u zicht op hoe gemeenten omgaan met nieuw gekoppelde statushouders die reeds werken? Kent u de signalen van gemeenten die statushouders soms aanmoedigen hun werk op te geven (waardoor ze in de bijstand komen), of die geen mogelijkheden bieden taalonderwijs (als onderdeel van de inburgering) in de avond te volgen, zodat het gecombineerd kan worden met werk? Kunt u gemeenten aanmoedigen om werkbehoud te stimuleren?
Het inburgeringsstelsel, waar de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor is, moet bijdragen aan het maatschappelijke doel van inburgering: snel en volwaardig meedoen in de samenleving, het liefst via betaald werk.
Met de inzet van duale trajecten beoogt het stelsel om het leren van de taal direct te combineren met participeren; om zo duurzame participatie mogelijk te maken. Maatwerk en dualiteit zijn daarom twee belangrijke pijlers van de Wi2021. Na rondvraag bij de partners van het inburgeringsstelsel komt naar voren dat zij zich niet herkennen in de signalen dat gemeenten statushouders soms aanmoedigen hun werk op te geven. Op 24 juni 2024 is uw Kamer bij de Uitvoeringsbrief Inburgering7 het rapport van het kwalitatieve onderzoek over de gemeentelijke uitvoering van de eerste fase van de Wi20218 aangeboden. Dit onderzoek is uitgevoerd door RadarAdvies en omvat een casestudie van acht gemeenten. In dit rapport komt naar voren dat deze gemeenten soms moeite hebben met het bieden van maatwerk aan werkende inburgeraars. Hiervoor is flexibiliteit in het onderwijs nodig, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om inburgeringslessen in de avond te volgen, maar dit is soms lastig te realiseren omdat er niet altijd voldoende volume is om een groep te vullen of door het tekort aan Nt2-docenten. Desondanks komt in alle onderzochte gemeenten naar voren dat zij het zeer belangrijk vinden om maatwerk te bieden en dualiteit te stimuleren.
Welke andere barrières, zoals geschetst in het onderzoek van Regioplan, bent u bereid de komende tijd aan te pakken om mensen snel aan de slag te laten gaan?1
Zie de beantwoording bij vraag 2.
De aangenomen Europese Natuurherstelwet. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Christianne van der Wal (VVD) |
|
![]() |
Deelt u de mening dat de Natuurherstelwet (Natuurherstelverordening COM/2022/304) een belangrijke stap is richting een gezondere en sterkere Nederlandse en Europese natuur?
De Natuurherstelverordening (NHV) kan op termijn bijdragen aan een gezondere en sterkere Nederlandse en Europese natuur. Ik wil daarvoor goed kijken naar de huidige situatie van de Nederlandse natuur. Die is bepalend om de impact van de NHV te inventariseren. Uit het Impact Assessment1 van de NHV blijkt dat er – ook zonder NHV – sprake is van een forse natuurherstelopgave op grond van de huidige staat van de Nederlandse natuur en opgaven uit bestaande Europese natuurregelgeving. De NHV maakt duidelijk in welk tempo de maatregelen genomen moeten worden om de Nederlandse natuur in gezonde staat te krijgen.
Kunt u verklaren waarom er bij sommige partijen het beeld is ontstaan dat de Natuurherstelwet voedselproductie in gevaar zou brengen terwijl belanghebbende Europese bedrijven, die afhankelijk zijn van natuurlijke bronnen en voedselproductie (zoals Nestlé, Danone, IKEA en Unilever), juist pleitte voor de Natuurherstelwet?1
Ik begrijp de zorgen uit sommige sectoren, maar wil benadrukken dat het lidstaten vrij staat om zelf te bepalen hoe zij de doelen willen bereiken. Momenteel ben ik de beleidsopgave voor het uitvoeren van de NHV verder aan het uitwerken. Ik informeer de Kamer later over mijn plannen en de verwachte gevolgen hiervan voor Nederland.
Als kabinet gaan we aan de slag met de implementatie van de NHV met oog voor zowel de Nederlandse natuur als voor alle sectoren die daar afhankelijk van zijn, zoals de landbouwsector. Dit kabinet is voornemens dat te doen zonder nationale koppen op de verordening, zoals ook benoemd in de motie-Van Campen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1657). Zoals opgemerkt in het Impact Assessment van Berenschot valt voedselzekerheid onder de baten van de NHV. Een gezonde en robuuste natuur zorgt er immers voor dat ook op de lange termijn een sterke landbouwsector mogelijk is.
Onderschrijft u de bevindingen in de impact assessment van Arcadis en Berenschot, in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)), dat een zorgvuldige uitvoering van de Natuurherstelwet juist een positief effect heeft op de voedselzekerheid?2
Ik onderschrijf het belang van een gezonde en robuuste natuur voor voedselzekerheid. De uiteindelijke impact van de NHV hangt af van zowel de ecologische situatie in Nederland, als diverse nog te maken keuzes voor wat betreft de uitvoering.
Onderschrijft u de bevindingen van Arcadis en Berenschot dat de uitvoering van de Natuurherstelwet in Nederland een mogelijk positief effect heeft op de ruimte voor vergunningverlening, bijvoorbeeld voor boeren en de woningbouw?3
Vergunningverlening is op dit moment zeer beperkt mogelijk, omdat de stikstofdepositie voor veel stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te hoog is. Afhankelijk van de uitvoering heeft de NHV meer directe of indirecte consequenties voor nieuwe en bestaande activiteiten. De staat van de natuur is bepalend om de impact van de inspanningen die volgen uit de NHV in zijn totaliteit goed te kunnen inventariseren. Naast de informatie die we nu al hebben over de staat van de natuur, zoals de natuurdoelanalyses voor de Natura 2000-gebieden, zullen er nog aanvullende inspanningen nodig zijn om tot een complete nulmeting te komen wat betreft de staat van de natuur.
Hoe kijkt u naar het schrappen van de gebiedsplannen in het Hoofdlijnenakkoord, in relatie tot de impact assessment dat aangaf dat de gebiedsplannen, door de vele overlap, bijdragen aan een gedegen uitvoering van de Natuurherstelwet?4
Momenteel is het kabinet het Hoofdlijnenakkoord verder aan het uitwerken tot een regeerprogramma. Ik informeer de Kamer later over mijn plannen.
Wat zijn de gevolgen van het schrappen van het Transitiefonds voor de uitvoering van de Natuurherstelwet en de ondersteuning die het boeren en provincies had kunnen geven?
Momenteel is het kabinet het Hoofdlijnenakkoord verder aan het uitwerken tot een regeerprogramma. Ik informeer de Kamer later over mijn plannen.
Zal het gebrek aan gereserveerde middelen voor het landelijk gebied zorgen dat er meer van boeren en provincies wordt gevraagd? Zo ja, hoe zal u hen daarin ondersteunen?
Momenteel is het kabinet het Hoofdlijnenakkoord verder aan het uitwerken tot een regeerprogramma. Ik informeer de Kamer later over mijn plannen.
In hoeverre zullen de inspanningen voor de Natuurherstelwet bijdragen aan de aanvullende inspanningen die volgens u nodig zijn om de natuur te beschermen tegen stikstofoverbelasting?5
De opgave met betrekking tot stikstof overlapt op vlakken met de beleidsopgave van de NHV. Op het gebied van natuurherstel heeft het kabinet aangegeven breder naar de staat van natuur te willen kijken dan alleen vanuit de blik van stikstof. Ook de NHV kijkt breder naar de staat van de natuur. De overlap tussen deze inspanningen wordt nog nader bestudeerd en ik kom hier later op terug.
Bent u van plan nieuwe gebiedsprocessen op te zetten om te komen tot natuurherstel of gaat u bouwen op het fundament dat tot nu toe gelegd is in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG)?
Momenteel is het kabinet het Hoofdlijnenakkoord verder aan het uitwerken tot een regeerprogramma. Ik informeer de Kamer later over mijn plannen.
Kunt u een tijdlijn schetsen met de stappen die u gaat zetten tot en met de presentatie van het Nationale Herstelplan, met daarin de momenten dat de Kamer wordt geïnformeerd?
Op 29 juli 2024 is de NHV verschenen in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dat betekent dat de verordening 20 dagen daarna in werking treedt, op 18 augustus 2024. Europese lidstaten moeten binnen twee jaar na inwerkingtreding van de NHV, voor 1 september 2026, een concept nationaal Natuurherstelplan indienen bij de Europese Commissie met concrete maatregelen voor de periode tot 2030 en met een doorkijk naar 2050. Nu de NHV onverwachts is aangenomen, gaat het kabinet starten met het uitwerken van dit plan, gezamenlijk met betrokken overheidsorganisaties. Ik zal de Kamer goed informeren over dit proces.
Het bericht ‘IND hield lage cijfers over ‘nareis op nareis’ vlak na val kabinet achter’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «IND hield lage cijfers over «nareis op nareis» vlak na val kabinet achter»?1
Ja.
Wilt u voorafgaand aan het debat over dit bericht een compleet feitenrelaas met de Kamer delen met daarin: Alle communicatie op alle ambtelijke en bestuurlijke organisatieniveaus binnen en tussen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers(COA) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V) over «nareis op nareis». En alle interne documenten en memo’s op alle ambtelijke en bestuurlijke organisatieniveaus van de IND, het COA en het Ministerie van J&V over «nareis op nareis»?
Voor het antwoord op vraag 2 verwijs ik u graag naar de meegestuurde processchets van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de IND. Het gedane verzoek naar documenten is omvangrijk en niet in tijd afgebakend. Het is niet gelukt om daar in te voorzien. Wel lopen er verschillende Woo-verzoeken die ook op dit onderwerp zien. We zullen uw Kamer informeren over de uitkomsten daarvan. Overigens zijn er al gaandeweg stukken openbaar gemaakt op 10 juli 2023 na de val van het Kabinet en de naar aanleiding van het eerdere informatieverzoek van het lid Veldkamp.2
Kunt u met zekerheid uitsluiten dat de politieke en ambtelijke top van uw ministerie via enige weg schriftelijk of mondeling zijn geïnformeerd over de «nareis op nareis» cijfers?
Met zekerheid zaken uitsluiten is per definitie onmogelijk. Op basis van de in de processchets weergeven informatie komen wij tot de conclusie dat dat niet het geval is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 17 juni 2024 beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt, wel sturen wij u de beantwoording voor het debat van aanstaande donderdag 20 juni.
De behandeling van asielverzoeken van Palestijnse asielzoekers |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat er sinds de vernietiging van het besluitmoratorium door de Raad van State op 24 april jl. nog niet is gestart met de behandeling van asielverzoeken van Palestijnse asielzoekers?
Het klopt dat in zijn algemeenheid nog niet is gestart met de behandeling van asielaanvragen van Palestijnse asielzoekers. Conform mijn brief van 19 december 2023,1 kan het echter mogelijk zijn dat er is beslist in individuele zaken waarin de uiterste beslistermijn van 21 maanden is verstreken of in zaken van (staatloze) UNRWA-Palestijnen waarin, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium, al een nader gehoor was afgenomen en die op grond van artikel 1D positief beslist konden worden.
Bent u het ermee eens dat een uitspraak van de Raad van State onverkort moet worden uitgevoerd en dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst dus per 24 april jl. had moeten starten met de inhoudelijke beoordeling van deze asielverzoeken?
Ik ben het er mee eens dat een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zo spoedig en correct mogelijk moet worden uitgevoerd. Het is echter niet ongebruikelijk dat er enige tijd wordt genomen om een uitspraak te bestuderen en op een juiste wijze ten uitvoer te leggen. Zo ook in dit geval. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 27 mei 20242 was daarbij in dit concrete geval vereist dat actuele informatie werd verzameld over de veiligheidssituatie in de Palestijnse gebieden, waarna daarop beleidsvorming diende plaats te vinden inzake het landenbeleid voor de Palestijnse Gebieden.
Herinnert u zich uw brief van 13 juli 2023 waarin u schrijft dat wordt aangenomen dat United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) «in veel gevallen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden» in Gaza en daarom wordt «aangenomen dat UNRWA in algemene zin niet in staat kan worden geacht de levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht»?1
Ja.
Bent u bekend met de bepaling in het VN-Vluchtelingenverdrag dat Palestijnen recht hebben op internationale bescherming indien UNRWA die bescherming niet kan bieden?
Ja.
Deelt u de opvatting dat gezien de huidige humanitaire situatie in Gaza en de beperkte mogelijkheden voor UNRWA om bescherming te bieden, er geen enkele Palestijn teruggestuurd zou worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom kiest u er dan voor om het in behandeling nemen van verzoeken opnieuw te vertragen?
In mijn brief van 26 juni 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid inzake de Palestijnse Gebieden. Hierin heb ik aangegeven het voor Gaza inderdaad niet aannemelijk kan worden geacht dat UNRWA in staat is om de levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht in Gaza. Dit heeft tot gevolg voor «UNRWA-Palestijnen» uit Gaza dat de uitsluitingsgrond artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen, en dat de vluchtelingenstatus moet worden toegekend. Daarnaast heb ik aangenomen dat er in heel Gaza sprake is van een 15c-situatie in de hoogste gradatie, te weten de meest uitzonderlijke situatie. Voor alle niet-UNRWA-Palestijnen afkomstig uit Gaza betekent dit dat zij dus reeds vanwege de generieke veiligheidssituatie te vrezen hebben voor ernstige schade als gevolg van het willekeurige geweld wat daar plaatsvindt.
Waarom bent u bij voorbaat van plan het vertrekmoratorium ook te beëindigen? Denkt u dat Palestijnen, ongeacht reden voor afwijzing, onder artikel 3 van het EVRM teruggestuurd kunnen worden? Zo nee, wat zou het gevolg van dit besluit dan zijn?
Een besluit- en vertrekmoratorium kan worden afgekondigd in gevallen waarin er een plotse wijziging plaatsvindt van de situatie in een bepaald land van herkomst. Het biedt de tijd en ruimte om informatie te verzamelen over een fluïde situatie en om aan de hand daarvan zorgvuldig landenbeleid te formuleren.
Door het aanwenden van een besluitmoratorium wordt de beslistermijn van asielzoekers die afkomstig zijn uit het betreffende land verlengd. Het instellen van een vertrekmoratorium heeft tot gevolg dat uitgeprocedeerde asielzoekers uit dat land die geen nieuwe asielaanvraag indienen niet meer vertrekplichtig zijn en opnieuw recht krijgen op voorzieningen zolang het vertrekmoratorium voortduurt. Ingevolge de Vreemdelingenwet kan een vertrekmoratorium niet langer duren dan een jaar.
Inmiddels is voldoende duidelijk geworden wat de actuele situatie is in de Palestijnse Gebieden en dit heeft ertoe geleid dat er ook landenbeleid is opgesteld. Er is dus voldoende informatie om handen om zorgvuldig te kunnen beslissen in zaken van Palestijnse asielzoekers die een asielaanvraag hebben ingediend. De vrees voor een schending van artikel 3 EVRM zal in al deze zaken individueel beoordeeld worden. Er zal vanzelfsprekend geen negatief besluit genomen worden indien wordt geconstateerd dat er sprake is van een risico op een dergelijke schending in een individueel geval. Gelet op het niet tegenwerpen van artikel 1D aan vreemdelingen die onder de reikwijdte van deze bepaling vallen en de algehele 15c-situatie in Gaza is het overigens niet erg waarschijnlijk dat er afwijzingen zullen zijn voor Palestijnen die uit Gaza komen. Voor zover een aanvraag wordt afgewezen wegens de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag of omdat de betrokken asielzoeker een (bijzonder) ernstig misdrijf heeft begaan, zal veelal geen terugkeerbesluit kunnen worden genomen.
Kunt u deze vragen één voor één en zo spoedig mogelijk – maar in ieder geval voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van 26 juni 2024 – beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Van der Burg: 1500 asielplekken minder sinds hoofdlijnenakkoord' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het bericht dat de aankondiging dat de nieuwe coalitie de spreidingswet in wil trekken nu al leidt tot 1500 minder asielplekken?1
De aankondiging leidde tot verschillende signalen. Enerzijds constateert het COA dat eerdere toezeggingen voor het realiseren van opvang worden ingetrokken en/of bevroren. Anderzijds tonen veel gemeenten zich bereid bestaande opvanglocaties langer open te houden of te kijken naar alternatieven. Over de bestaande opgave voer ik o.a. doorlopend gesprekken met de commissarissen van de Koning.
Hoeveel asielplekken verwacht u de komende tijd nog te verliezen als gevolg van deze aankondiging?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1 evenals de recente brief die ik hierover gestuurd heb (Kamerstuk: 19 637, nr. 3257).
Welke argumenten geven gemeenten wanneer zij ervoor kiezen om nu toch geen asielzoekers op te vangen of toegezegde plekken te schrappen?
Het beperkt aantal gemeenten waarvoor terughoudendheid geldt, benoemt bijvoorbeeld afnemend draagvlak alsook de onzekerheid met betrekking tot financiën als argument.
Waren er gemeenten met wie afspraken gemaakt zijn over de specifieke uitkering voor extra plekken in de toekomst, dat de nieuwe coalitie heeft geschrapt? Wat kan deze gemeenten nu alsnog over de streep doen trekken?
Op dit moment is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen van kracht. Gemeenten kunnen derhalve bij het aanbieden van opvang in aanmerking komen voor een specifieke bonus-uitkering.
In hoeveel gemeenten was de Spreidingswet het afgelopen jaar een argument in de bereidheid om plekken te creëren?
Exacte gegevens hieromtrent zijn niet bekend.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de migratiechaos niet nóg groter wordt en er de komende maanden genoeg opvangplekken voor asielzoekers zijn?
Voor de acute vraag blijf ik de reeds ingezette lijnen hanteren om tijdelijke opvangcapaciteit te realiseren. Hierover heb ik u onder meer in mijn brief van 14 juni jl. (Kamerstuk: 19 637, nr. 3257) over geïnformeerd. Zo wordt ingezet op het op korte termijn realiseren van een aantal kansrijke locaties. Deze locaties dienen uiterlijk 31 augustus a.s. operationeel te zijn. Deze inzet betreft een samenwerking tussen het Rijk, de Commissarissen van de Koning, de colleges van burgemeester & wethouders en het COA. Indien het een locatie op Rijksgrond betreft, wordt ook het betreffende departement dan wel dienst betrokken.
Welke mogelijkheden heeft u nu nog voor het creëren van extra plekken nu blijkt dat de nieuwe coalitie de spreidingswet in wil trekken?
Zie antwoord op vraag 6.
Wat betekent dit voor Ter Apel, waar nog altijd te veel asielzoekers worden opgevangen? Heeft u nog mogelijkheden u aan uw belofte aan Ter Apel te houden om onder de 2000 asielzoekers te blijven?
De situatie in Ter Apel blijft helaas onverminderd kritiek. Op 14 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inspanningen die vele partijen leveren om de acute opvangsituatie het hoofd te bieden.
Kunt u garanderen dat er deze zomer geen asielzoekers noodgedwongen buiten moeten slapen?
Nee, dat kan ik helaas niet. Onze inzet is er op gericht alles in het werk te stellen om dit te voorkomen.
Het bericht dat in Nederland tussen 2013-2022 de oppervlakte van natuur- en bosgebieden met bijna 2,5 procent is afgenomen. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
![]() |
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de natuur tussen 2013–2022 is afgenomen met 15.800 hectare, ondanks te doelstelling om tussen 2011–2027 80.000 hectare natuur te realiseren in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)?1
Het CBS heeft geconstateerd dat er problemen zijn ontstaan bij de gegevens die gebruikt zijn voor dit nieuwsbericht. Daarvoor heeft het CBS inmiddels onderstaande toelichting gepubliceerd:
Het is dus niet mogelijk om conclusies te ontlenen aan het bericht. Zodra het CBS een consistente tijdsreeks heeft geformuleerd, zal ik uw Kamer hierover informeren. Het CBS verwacht deze gegevens aan het einde van het jaar of uiterlijk begin 2025 op orde te hebben. Het CBS laat overigens weten dat de impact van de onvolkomenheden zeer beperkt zal zijn. In afwachting van de gecorrigeerde gegevens is het goed om te benadrukken dat de natuur- en bosgebieden in de CBS- publicatie zijn bepaald aan de hand van een bredere definitie van natuur dan het NNN. De oppervlakte natuur in het NNN nam, blijkens de negende Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 362), in de periode 2011–2022 juist toe met 48.511 ha.
In deze periode heeft wel een afname van het bosgebied plaatsgevonden3. Deze afname is ten dele het gevolg van omvorming van bossen naar andere typen natuur voor het realiseren van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen (inmiddels is de afspraak dat deze kap met terugwerkende kracht tot 2017 wordt gecompenseerd). Er is ook bos verdwenen door kap van tijdelijke bossen die in de jaren tachtig en negentig op landbouwgrond zijn aangelegd ten behoeve van de houtproductie. In de negende Voortgangsrapportage Natuur is gerapporteerd over de aanleg van nieuw bos in 2021 en 2022. Hieruit blijkt dat 823 hectare is aangelegd. De uitvoering zal dus wel versneld moeten worden om de beleidsdoelen uit de Bossenstrategie te behalen om 37.400 hectare aan nieuw bos te realiseren.
Valt de afname van natuur- en bosgebied op percelen binnen het NNN?
Dat ligt niet in de rede. Daar waar omvorming van bos naar een ander natuurtype heeft plaatsgevonden, is het effect op de oppervlakte natuur- en bosgebied per saldo nul.
Kunt u toelichten welke delen natuur verloren zijn gegaan, wat de bestemming van die grond is geworden en waarom het omgevormd is?
Deze vraag is pas te beantwoorden als de onvolkomenheden in de dataset zijn hersteld. Het CBS verwacht deze gegevens aan het einde van het jaar of uiterlijk begin 2025 op orde te hebben.
Deelt u de mening dat het oppervlakte natuur- en bosgebied juist met een versneld tempo zou moeten toenemen?
Ja. De te nemen maatregelen in het kader van onder andere het Natuurpact, het Programma Natuur en Bossenstrategie hebben ook een toename van omvang en kwaliteit van het areaal natuur en bos tot doel. Onlangs heb ik uw Kamer geïnformeerd over de tweede fase van het Programma Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 375), waarin maatregelen ten behoeve van natuurherstel, inclusief areaalgroei, kunnen worden gefinancierd. Ook de provinciale maatregelenpakketten ter versterking van het landelijk gebied, waarover ik uw Kamer op 7 juni 2024 heb geïnformeerd, bevatten diverse maatregelen voor versterking en uitbreiding van het natuur-en bosareaal (Kamerstuk 34 682, nr. 192). Verder is areaaluitbreiding ook benodigd voor het behalen van de wettelijke doelen voor klimaatmitigatie, zoals onderbouwd in de Klimaat- en Energieverkenning 2023 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).4
Deze opgave beperkt zich overigens niet tot de natuur binnen het NNN. Ook buiten het NNN is groei van het natuurareaal, waar mogelijk gecombineerd met andere functies, van belang. Ook hier bevinden zich bossen, landschapselementen en andere natuurtypen die een essentiële bijdrage leveren aan de instandhoudings- en klimaatdoelen, en een belangrijke recreatieve en landschapshistorische functie hebben.
Welke gevolgen heeft de afname van deze natuur voor andere doelen en ambities op het gebeid van biodiversiteit en een gezonde leefomgeving?
Afname van natuur- en bosgebied heeft een negatieve invloed op biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Uit onder meer de Natuurverkenning 2050 van het PBL5 en een quick scan van WUR en SOVON Vogelonderzoek6 blijkt dat groei van het natuurareaal nodig is om toe te kunnen werken naar een gunstige staat van instandhouding van onze natuur.
Deelt u de mening dat het zeer kwalijk is dat wij, als Rijk en provincies, ons niet aan de afspraken in het Natuurpact houden?2
Ik blijf er bij de provincies op aandringen dat de overeengekomen afspraken worden gerealiseerd. De provincies hebben mij laten weten alles op alles te zetten om dat ook voor elkaar te krijgen.
Uit bijlage 1 van de negende Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 362) blijkt dat de provincies van de opgave van 80.000 ha nieuwe natuur naar verwachting op 6.888 ha na het afgesproken eindjaar 2027 zullen realiseren.
Welke resultaten heeft de Taskforce Versnelling NNN geboekt sinds de laatste update in 2022?3
De provincies nemen het advies van de Taskforce mee in de realisatie van hun eigen deel van het NNN. In de tiende Voortgangsrapportage Natuur zullen Rijk en provincies verslag doen van de voortgang in de realisatie van de opgave van 80.000 ha nieuwe natuur. Deze Voortgangsrapportage over het jaar 2023 wordt verwacht in november 2024.
Wat gaat u doen om te zorgen dat we de Europees afgesproken doelstelling van 30 procent beschermd landoppervlak in 2030 gaan halen?
Deze ambitie, opgenomen in de EU-Biodiversiteitstrategie, geldt EU-breed en niet per lidstaat. Voor natuur op land (inclusief binnenwater) komt Nederland, na realisatie van het staande beleid, zoals de realisatie van het NNN, uit op ongeveer 27%. Door onder meer uitvoering van de landelijke Bossenstrategie en het Programma Natuur zou dit percentage verder kunnen stijgen.
Hoe verhoudt de afname van de natuur zich tot het Nationaal Programma Landelijk Gebied?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 4, bevatten de provinciale maatregelenpakketten ter versterking van het landelijk gebied, waarover ik uw Kamer op 7 juni 2024 heb geïnformeerd, diverse maatregelen voor versterking en uitbreiding van het natuur-en bosareaal (Kamerstuk 34 682, nr. 192).
Betekent dit dat het Rijk zich extra zal gaan inspannen voor de creatie van nieuwe natuur met goede natuurkwaliteit?
Het Rijk zal zich inspannen om de realisatie van de gestelde natuurdoelen in onder andere het Natuurpact, Programma Natuur en de Bossenstrategie te bevorderen.
Wat is de relatie tussen de dalende insectpopulaties, het massaal verdwijnen van bloeiende planten en de afname van het Nederlandse natuurareaal?4
Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2. Het is niet mogelijk deze conclusie te verbinden aan het CBS-bericht.
De in het NOS-bericht aangehaalde studie laat zien dat het verdwijnen van bestuivers een van de drukfactoren op bloeiende planten is. Ook verdroging en stikstofdepositie worden als drukfactor geïdentificeerd op bloeiende planten.
Door uitvoering van de genoemde maatregelen ter versterking van het landelijk gebied wordt de natuur in natuurgebieden en specifiek de daarvoor benodigde milieucondities verbeterd. Dit kan een positief effect hebben op de aanwezigheid van bloeiende planten in natuurgebieden. Door actief te werken aan de realisatie van Basiskwaliteit Natuur worden omgevingscondities buiten VHR- en NNN-gebieden verbeterd. Dit zal ook een positief effect hebben op de natuurkwaliteit binnen het natuurareaal.
Hoe belangrijk is sterke en verbonden natuur voor bestuiving van onze landbouwgewassen en in welke mate staat dit onder druk?
De productie van onder meer bonen, verschillende soorten groente en fruit is afhankelijk van bestuiving. Aanwezigheid van geschikt (voortplantings)habitat op korte afstand van deze gewassen is hierbij van belang. Ik erken het belang van een sterke en verbonden natuur voor bestuiving van landbouwgewassen. Een sterk en verbonden natuur die voldoet aan wat minimaal nodig is, gedefinieerd binnen de realisatie van Basiskwaliteit Natuur, is ook van belang voor natuurlijke plaagdierbestrijding en het bieden van andere ecosysteemdiensten.
Door onder meer het realiseren van de 10% groenblauwe dooradering, het bereiken van Basiskwaliteit Natuur en het faciliteren van het ANLb- en SNL-subsidies ondersteun ik het creëren en verbeteren van het leefgebied van bestuivers in het landelijk gebied en een sterke en verbonden natuur.
Grondgebonden boeren in het licht van de afbouw van de derogatie |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Klopt het dat grondgebondenheid tot op heden afhankelijk was van de hoeveelheid fosfaat die een boer uitreed, waarbij er geen fosfaatoverschot mocht optreden?
Klopt het dat grondgebonden boeren nu rond de twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare hanteren op basis van die fosfaatnorm?
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over wat grondgebonden is?
Deelt u de mening dat grondgebonden betekent dat een melkveehouder het aantal dieren houdt dat aansluit op de mestplaatsingsruimte van het land dat diegene bezit? Zo nee, wat is uw definitie van grondgebondenheid?
Deelt u de mening dat er een duidelijke en eenduidige definitie zou moeten zijn van grondgebondenheid waarbij stikstof en fosfaat op elkaar afgestemd zijn?
Kunt u toelichten hoe een graslandnorm van 0.35, wat ongeveer 2.8 GVE per hectare is, zich verhoudt tot grondgebondenheid met de nieuwe stikstof-mestplaatsingsnorm van 170 kilogram stikstof per hectare per jaar?
De graslandnorm heeft, zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 1 t/m 5, niet tot doel dat alle mestproductie in stikstof en fosfaat geplaatst kan worden binnen de mestplaatsingsruimte voor stikstof en fosfaat van het bedrijf.
Bij een graslandnorm van 0.35 GVE per hectare zullen bedrijven die op die norm zitten, en geen bouwland ter beschikking hebben waar zij nog mest op kunnen afzetten, een deel van de mest op eigen grond kunnen plaatsen, maar niet alle mest. Afhankelijk van de mestproductie en de mestplaatsingsruimte zal meer of minder mest buiten het bedrijf verantwoord moeten worden afgezet.
De stikstofgebruiksnorm van 170kg stikstof per hectare uit dierlijke mest is geen nieuwe norm, maar een bestaande norm die sinds jaar en dag in de Nitraatrichtlijn staat. Nederland heeft sinds 2005 een derogatie onder bepaalde voorwaarden gehad op deze norm. Met de huidige derogatiebeschikking (2022–2025) wordt de derogatie afgebouwd. Door de afbouw van de derogatie zal minder stikstof uit dierlijke mest geplaatst kunnen worden op het eigen bedrijf, te weten maximaal 170 kg per hectare per jaar. Dat betekent dat deze stikstof in de dierlijke mest die mogelijk niet meer op eigen grond kan worden geplaatst verantwoord afgevoerd zal moeten worden van het bedrijf, of mogelijk in de nabije toekomst verwerkt kan worden tot Renure-meststoffen waaraan – bovenop de 170 kg per hectare per jaar uit dierlijke mest – ruimte geboden wordt voor maximaal 100 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar, indien aan de daarvoor dan geldende voorwaarden wordt voldaan.
Bent u van mening dat een graslandnorm van 0.35 de mestproductie en mestplaatsing op bedrijfsniveau met elkaar in evenwicht brengt, of meer in evenwicht brengt vergeleken met de huidige situatie?
Een graslandnorm van 0,35 ha grasland/GVE brengt de mestproductie en mestplaatsingsruimte, met name in gebieden met meer intensieve melkveehouders, meer in balans. Intensievere melkveebedrijven met relatief veel koeien ten opzichte van het areaal waarover zij beschikken zullen om aan de norm te kunnen voldoen of bouwland moeten omzetten in grasland of grasland moeten betrekken bij het bedrijf of het aantal dieren moeten verminderen.
Druist mestverwerking, benoemd als steunmaatregel voor grondgebonden melkveehouders in het plan van aanpak, niet in tegen de principes van grondgebondenheid?1
Dat is niet het geval. Als aangegeven in mijn antwoord op vragen 1 t/m 5 wordt met de graslandnorm grondgebondenheid benaderd vanuit verschillende invalshoeken, waarbij een deel van de mest op eigen grond geplaatst kan worden maar niet noodzakelijkerwijs alle mest. Melkveehouders kunnen mest verwerken of laten verwerken en de verwerkte mest op eigen grond toepassen of verantwoord afvoeren naar andere bedrijven. Met de mogelijke extra ruimte voor bepaalde Renure-meststoffen zou het mogelijk worden om meer stikstof uit dierlijke mest toe te passen op het eigen bedrijf en daarmee de kringloop nog beter te sluiten en mestproductie meer in evenwicht te laten zijn met de plaatsingsruimte.
Erkent u dat, ook als de mestmarkt in balans is, huidige grondgebonden boeren in de knel kunnen raken vanwege de verlaagde mestplaatsingsnorm waardoor zij toe zullen moeten naar een lagere GVE, mits ze grondgebonden willen blijven?
Indien een boer door de afbouw van de derogatie niet meer alle mest op het eigen bedrijf kan afzetten, en een boer ervoor kiest om vanuit zijn perspectief op grondgebondenheid alle mest op eigen grond te willen afzetten, kan hij ervoor kiezen om minder dieren te houden of grond aan te kopen. In beide gevallen gaat hij minder koeien per hectare houden.
Verwacht u dat de meerprijs voor grondgebonden melkveehouders, als onderdeel van de steunmaatregelen vanuit de sector, voldoende zal zijn om de gederfde inkomsten te compenseren?
Zoals ik in het plan van aanpak heb aangegeven is het voor een succesvolle aanpak van belang dat ketenpartijen en banken in de aankomende jaren ondersteuning bieden aan die bedrijven die passen bij het toekomstbeeld van een grondgebonden melkveehouderij. Zolang de mestmarkt nog niet in balans is, krijgen ook deze bedrijven in de aankomende jaren te maken met een verhoging van hun kosten. Daarom zijn gesprekken gevoerd met de verwerkende industrie en banken en zijn zij opgeroepen om urgent concrete maatregelen te treffen die de liquiditeitspositie van deze bedrijven in de aankomende jaren versterkt en in te zetten op het halen van meeropbrengsten uit de markt juist voor deze bedrijven (Kamerstuk 28 973, nr. 255 en Kamerstuk 33 037, nr. 542). Op dit moment is mij onvoldoende bekend over mogelijke plannen daartoe van de sector om daar een oordeel over te kunnen geven.
Bent u voornemens om maatregelen te nemen om grondgebonden melkveehouders te ondersteunen de komende periode?
Het kabinet heeft besloten de subsidie behoud graslandareaal te verhogen voor 2024 en 2025 (zie hiervoor de Kamerbrief van 31 mei jl., Kamerstuk 33 037, nr. 542). Met deze regeling en deze verhoging kom ik met het oog op het behoud van het areaal grasland melkveehouders die deelnemen aan de derogatie tegemoet in een deel van de kosten.
Het bericht ''Niet bewust getraineerd'; Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij het opkopen van bedrijven voor stikstofruimte, eerst gekeken moet worden of de aanwezige stikstofruimte nodig is voor het herstellen van kwetsbare natuur?2
Ja, ik was altijd al van mening dat dit moet gebeuren bij extern saldeertransacties waar een overheidspartij bij betrokken is en dat is ook gebeurd. De RvS heeft in haar uitspraak van februari jl. geoordeeld dat bij extern salderen tussen private partijen eveneens getoetst moet worden op additionaliteit. Sindsdien volg ik deze lijn.
Klopt het dat van de negen opgekochte boerenbedrijven alle stikstofruimte naar de vergunning van Schiphol is gegaan en dat hierbij geen rekening is gehouden met kwetsbare natuurgebieden in de buurt van de luchthaven? Zo ja, waarom is deze werkwijze toegepast en bent u zich ervan bewust dat dit tegen de Programma Aanpak Stikstof (PAS-)uitspraak ingaat?
Niet alle aangekochte stikstofruimte is benut voor activiteiten van Schiphol. Er is wel degelijk afgeroomd overeenkomstig het daarover door mijn ambtsvoorganger vastgesteld beleid.3 Dat betekent dat alleen gesaldeerd mag worden met depositie van de vergunde, feitelijke gerealiseerde capaciteit en maximaal 70% van deze depositie benut kan worden voor de luchthaven en minimaal 30% is afgeroomd. Dit gaat niet in tegen de PAS-uitspraak. De PAS-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 mei 2019 maakt duidelijk dat een maatregel die naar z’n aard ook geschikt is om te worden ingezet als instandhoudingsmaatregel om in een Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelen te realiseren in de zin van artikel 6, lid 1, van de Habitatrichtlijn of als passende maatregel om verslechtering in het gebied te voorkomen in de zin van artikel 6, lid 2, Habitatrichtlijn, alleen mag worden ingezet als mitigerende maatregel bij toestemmingverlening voor projecten met mogelijk significante gevolgen in de zin van artikel 6, lid 3, Habitatrichtlijn als dat aanvullend is aan hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitstoets).
Uit de uitspraak Logistiek Park Moerdijk uit 2020 is vervolgens gebleken dat de overheid alleen extern kan salderen na een additionaliteitstoets. Dat was wat mij betreft destijds geen reden om aan te nemen dat extern salderen tussen private partijen ook moest worden getoetst aan additionaliteit. Ik was daarvan overtuigd omdat alleen de overheid maatregelen kan nemen in de zin van artikel 6, lid 1 en 2, Habitatrichtlijn, en niet een willekeurige private partij.
Bent u het ermee eens dat het zeer onwenselijk is om een onhoudbare vergunning te verstrekken om tijd te rekken? Zo ja, waarom is dit dan toch gebeurd?
Ja dat zou inderdaad onwenselijk zijn. Dit is, anders dan u suggereert echter niet het geval geweest.
Bent u het ermee eens dat Schiphol niet anders behandeld dient te worden dan boeren (of andere bedrijven) bij het verkrijgen van een natuurvergunning? Zo ja, waarom is voor Schiphol dan een andere werkwijze toegepast en waarom krijgt dit bedrijf een uitzonderingspositie?
Ik heb bij het verlenen van een natuurvergunning aan de luchthaven Schiphol niet anders gehandeld dan bij het verlenen van andere natuurvergunningen, waar extern salderen tussen private partijen onderdeel uitmaakte van de aanvraag om vergunning.
Kunt u uiteenzetten waarom u denkt dat de vergunning zoals deze is verstrekt wel houdbaar is?
Gelet op de lopende beroepsprocedure kan ik hierover geen inhoudelijke uitspraken doen.
Is het mogelijk nu al de natuurvergunning van Schiphol te herzien en daarmee niet de uitspraak van de rechter af te wachten in de aangespannen procedures? Zo ja, bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk om een aanvullende motivering te leveren in beroep.
De wet voorziet voorts in de mogelijkheid om een herstelbesluit te nemen (op grond van 6:19 Algemene wet bestuursrecht). Het beroep is in dat geval dan ook tegen een dergelijk herstelbesluit gericht. Gelet op de lopende beroepsprocedure kan ik hierover verder geen inhoudelijke uitspraken doen.
Indien deze manier van vergunningen verstrekken wel houdbaar zou zijn, waarom wordt deze dan niet toegepast voor bijvoorbeeld PAS-melders?
Door de recente uitspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat additionaliteit moet worden getoetst bij elke extern saldeertransactie. Dit geldt voor alle initiatiefnemers (zowel overheidspartijen als private partijen) die een overeenkomst ten behoeve van extern salderen sluiten.
De inzet van het Rijk is om via bronmaatregelen van de Structurele Aanpak Stikstof te komen tot legaliseren van PAS-melders. Tot nu toe heeft dit niet voldoende PAS-melders geholpen. Daarom verken ik samen met provincies ook andere mogelijkheden.
In mijn brief van 12 april jl. heb ik aangegeven dat ik vind dat er onvoldoende snelheid is op het legaliseren van PAS-meldingen. Daarom heb ik een verbreding van het programma aangekondigd. De verbrede aanpak moet ertoe leiden dat meer PAS-melders sneller aan een oplossing geholpen kunnen worden. De nieuwe lijnen die ik heb uitgezet en die de komende tijd verder worden uitgewerkt zijn: maatwerk, vrijwillige beëindiging en schadevergoeding. Ik blijf zoeken naar juridisch houdbare alternatieven waarmee meer PAS-melders sneller geholpen kunnen worden.
Kunt u toezeggen dat deze handelwijze niet toegepast zal worden op het verkrijgen van een vergunning voor Rotterdam Airport en Eindhoven Airport?3
Bij het verlenen van nieuwe vergunningen waarbij sprake is van extern salderen toets ik in alle gevallen aan additionaliteit conform de recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
De problemen voor nareizigers bij de IND in Zevenaar |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat nareizigers die zich binnen drie dagen moeten melden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Zevenaar al ruim een jaar te maken hebben met lange wachttijden?
Ja, daar ben ik mee bekend. Gezinsleden moeten zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de IND melden. Deze gezinsleden moeten een afspraak maken bij de IND voor de registratie en de beschikking. De afgelopen periode was er sprake van een achterstand bij de nareisbalies van de IND maar die zijn op het moment van schrijven weggewerkt. Dit betekent dat de beschikking, zoals gewoonlijk, binnen twee weken na aanmelding aan gezinsleden wordt uitgereikt.
Klopt het dat zij daardoor nog niet worden geregistreerd, niet terecht kunnen in COA-opvang en geen burgerservicenummer krijgen waardoor ze ook geen recht hebben op sociale zekerheid?
Nee dat klopt niet. Nareizigers zijn na aankomst in Nederland verzekerd, ook wanneer zij op een afspraak bij de IND wachten. Zij moeten zich hiervoor registreren bij het COA.
Na aankomst in Nederland moet een nareiziger zich registreren bij de aanmeldbalie van de IND in Zevenaar. Indien de referent van de nareiziger beschikt over gepaste huisvesting, kunnen de nareizigers daar verblijven. Het is ook mogelijk dat de referent van de nareiziger nog verblijft in de opvang van het COA in afwachting van huisvesting. De nareiziger wordt dan ook opgevangen door het COA na aankomst in Nederland. Dit volgt uit artikel 3, derde lid, onder r, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (Rva 2005).
Tijdens de afspraak met de IND wordt de beschikking uitgereikt en, indien nodig, biometrie afgenomen. De registratie bij de IND is cruciaal voor de gemeente om de identiteit en rechtmatig verblijf vast te stellen voordat inschrijving in de BRP mogelijk is. Tijdens de registratie bij de IND wordt de nareiziger geïnformeerd over de BRP-inschrijving. Dit stelt de nareiziger in staat om snel toegang te krijgen tot sociale voorzieningen en een goede start te maken in Nederland. De beschikking is randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een Burgerservicenummer en daarmee toegang tot sociale voorzieningen. Als de nareiziger dit nog niet heeft en geregistreerd is bij het COA, krijgt de nareiziger via die weg en met terugwerkende kracht, toegang tot voorzieningen zoals een verzekering.
Herkent u het beeld dat omdat gemeenten ook geen burgerservicenummer kunnen aanmaken voor deze groep voordat zij geregistreerd zijn bij het COA, deze groep geen enkele optie heeft en zo mogelijk op straat staat?
Nee, dat herken ik niet. Een nareiziger die niet kan verblijven bij de referent, omdat er nog geen passende huisvesting is, wordt opgevangen door het COA. Als de reguliere opvanglocaties voor nareizigers in de omgeving van Zevenaar geen plek hebben, bekijkt het COA met de nareiziger welke alternatieve mogelijkheden er zijn. Als voor de nareiziger geen plaats is in de opvang van het COA en ook verblijf bij de referent of andere familie of kennis geen optie is, dan wordt door het Rode Kruis op verzoek van COA een hotelkamer gezocht voor betrokken nareizigers. De dag na de afspraak voor registratie bij de IND heeft de nareiziger een afspraak voor inschrijving in de BRP.
Deelt u de mening dat gemeenten hierin de ruimte moeten krijgen om wel een burgerservicenummer aan te maken om hen in staat te stellen de hulp te bieden die nodig is? Zo nee, waarom niet?
Registratie bij de IND is essentieel om rechtmatig verblijf vast te stellen en reisdocumenten te controleren voor identiteits- en nationaliteitsbepaling. Een inschrijving in de BRP kan pas plaatsvinden nadat het rechtmatig verblijf en de identiteit van de nareiziger zijn vastgesteld. Het is daarom noodzakelijk dat een persoon eerst bij de IND geregistreerd wordt voordat hij of zij in de BRP kan worden ingeschreven. Gemeenten moeten zeker weten dat de persoon die zij inschrijven rechtmatig verblijf heeft en dienen ook te weten wie zij inschrijven.
Waar kunnen nareizigers nu terecht tot het moment dat zij geregistreerd zijn in Zevenaar?
Als het gaat om nareizigers van een referent met geschikte huisvesting, verblijven zij daar tot hun afspraak bij de IND. Als het gaat om nareizigers van een referent die nog verblijft bij het COA óf waarbij de woning van de referent niet geschikt is, zullen zij worden opgevangen door het COA. Er is behoefte aan meer opvangplekken voor deze doelgroep. Het COA is hard bezig om meer opvangplekken voor nareizigers te realiseren.
Als voor de nareiziger geen plaats is in de opvang van het COA en ook verblijf bij de referent of andere familie of kennis geen optie is, dan wordt door het Rode Kruis op verzoek van COA een hotelkamer gezocht voor betrokken nareizigers.
Welke acties onderneemt u momenteel om de druk op de IND in Zevenaar te verminderen? Is het bijvoorbeeld mogelijk om bij de uitwerking van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 333, nr. 70) niet alleen naar Ter Apel, maar ook naar Zevenaar te kijken?
De IND werkt hard aan het verhogen van de capaciteit in Zevenaar. Daarnaast wordt gewerkt aan een efficiënter proces. Zo wordt op dit moment met COA samengewerkt om gezinsleden zonder passende huisvesting groepsgewijs bij de IND langs te laten gaan om hun beschikking op te laten halen. Ook wordt vanaf 10 juni gewerkt met twee afsprakenblokken: één voor nareizigers die in de COA-opvang verblijven en één voor nareizigers die zijn gehuisvest. Hierdoor kan de IND de afspraken efficiënter inplannen.