De oproep van de Kinderombudsman inzake kinderarmoede |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep van de Kinderombudsman, waarin wordt gepleit voor een integrale aanpak van kinderarmoede in Nederland?1
Ja.
Deelt u de analyse dat gezinnen structureel ondersteund moeten worden, niet alleen financieel maar ook via onderwijs, zorg en psychosociale begeleiding? Zo ja, welke concrete maatregelen (wetgevende voorstellen, beleid, begrotingsmiddelen) neemt u om deze structurele ondersteuning te bieden?
Ja, het kabinet deelt deze analyse. Gezinnen in een kwetsbare positie met een laag inkomen hebben vaak te maken met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Ze hebben dan ook tijdige hulp en ondersteuning nodig vanuit meerdere aandachtsgebieden. Het is belangrijk dat deze hulp elkaar versterkt en niet tegenwerkt en zo vroeg mogelijk wordt ingezet om ontstaan of verdere escalatie van problematiek zoveel mogelijk te voorkomen. SZW, OCW, VWS, J&V en BZK zijn dan ook, samen met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere stakeholders, aan de slag gegaan met een overheidsbrede integrale aanpak rond gezinnen in een kwetsbare positie. Vanuit een gedeelde visie op een gewenste preventieve en integrale ondersteuning aan deze gezinnen gaan we op een lerende wijze de komende jaren aan de slag gaan met het concreet en integraal aanpakken van knelpunten die het uitvoering geven aan deze visie belemmeren.
Is het kabinet bereid landelijke richtlijnen of standaarden voor gemeenten vast te stellen, zodat kinderen in elke gemeente gelijke kansen krijgen, en welke middelen (financieel en personeel) worden hiervoor beschikbaar gesteld?
Zoals in het Nationaal Programma Armoede en Schulden2 (NPAS) aangegeven werkt SZW met VNG en Divosa aan het verbeteren en vereenvoudigen van het (gemeentelijk) armoedebeleid. Dit gebeurt langs drie lijnen:
Over de uitkomsten van deze trajecten zullen met de VNG en Divosa afspraken worden gemaakt, en mogelijk een modelbeleidskader worden opgesteld, met als doel om het gemeentelijk armoedebeleid eerlijker, eenvoudiger, effectiever en integraler te maken. Een onderdeel hiervan is ook het gemeentelijk kinderarmoedebeleid. Over de voortgang wordt uw Kamer geïnformeerd in de eerste voortgangsrapportage van het NPAS begin 2026.
Hoe wordt daarbij rekening gehouden met de specifieke situatie in kwetsbare wijken, en welke ondersteuning ontvangen gemeenten om dit beleid lokaal te kunnen uitvoeren?
De genoemde verkenningen zijn nu nog gaande. Over de voortgang wordt uw Kamer geïnformeerd in de eerste voortgangsrapportage van het NPAS begin 2026. Ook wordt binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid gewerkt aan het verbeteren van de specifieke situatie van 20 kwetsbare gebieden. 6 Ministeries werken daar samen met de gemeenten, bewoners en lokale partners. Inzichten uit die wijken worden ook gedeeld met andere kwetsbare wijken. Ook binnen de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie wordt er middels een lerende aanpak in een aantal wijken gewerkt.
Op welke wijze worden kinderen zelf betrokken bij beleidsvorming, bijvoorbeeld via kinderraden of andere structurele participatievormen, en is het kabinet bereid dit ook financieel te faciliteren?
Kinderen en jongeren zijn in de onderzoeksfase van de overheidsbrede integrale aanpak rond gezinnen in een kwetsbare positie bevraagd over hun ervaringen, wensen en meningen. Dit heeft waardevolle inzichten opgeleverd. Ook in de volgende fasen zullen zij hun stem kunnen laten horen. En zullen we de inzichten die we hierin opdoen nadrukkelijk onderdeel laten zijn van de aanpak.
Hoe wordt in beleid en uitvoering rekening gehouden met de overlap tussen armoede en schuldenproblematiek, en welke preventieve en curatieve maatregelen worden hierbij ingezet?
Recent onderzoek van CBS laat zien dat 31% (163.000) van de mensen in armoede in 2023 te maken had met geregistreerde problematische schulden. In het beleid hebben we hier oog voor. Het kabinet is zich ervan bewust dat problematiek op verschillende leefdomeinen vaak samenvalt. Dit is dan ook het vertrekpunt van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie.
In het algemeen duurt het vaak meerdere jaren voordat mensen met geldzorgen hulp zoeken en vinden. Dat komt bijvoorbeeld door schaamte, niet goed weten waar hulp te vinden, complexiteit van inkomensondersteunende regelingen en wantrouwen naar de overheid. Hoe langer mensen wachten met geldzorgen aanpakken, hoe groter de kans dat geldzorgen leiden tot armoede en problematische schulden. Daarom heeft het nationaal programma specifieke aandacht voor de preventie van armoede en schulden. Concrete maatregelen die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld:
Zijn er plannen om de vroege signalering van schuldenproblematiek bij gezinnen met kinderen verder op te schalen (bijvoorbeeld via scholen, maatschappelijke dienstverlening en wijkteams)?
Voor het zo vroeg mogelijk bereiken van mensen met geldzorgen en beginnende schulden wordt ingezet op het versterken van vindplaatsen, plekken waar mensen van nature al komen. Dit gebeurt door vrijwilligers en professionals te trainen in het signaleren, bespreekbaar maken en doorverwijzen van mensen met geldzorgen en/of (beginnende) schulden en een netwerk rondom hen te verstevigen zodat zij weten waarnaar door te verwijzen. Dit gebeurt bij huisartsen, geboortezorgprofessionals, sleutelfiguren in de wijk, en jongerenwerkers. Binnen het onderwijs is een belangrijke signalerende en ondersteunende rol weggelegd voor de brugfunctionaris. Hier heeft het kabinet structureel geld voor vrijgemaakt.
Daarnaast wordt er middels de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie gewerkt aan een preventieve en integrale ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare positie.
Hoe monitort het kabinet het effect van armoedebeleid op de mentale gezondheid, toekomstverwachting en welzijn van kinderen, en kan het kabinet toezeggen deze gegevens structureel en openbaar beschikbaar te maken, bijvoorbeeld via een jaarlijkse nationale «armoedemonitor kind & gezin»?
Het kabinet vindt het van belang om zicht te hebben op de effecten van het armoedebeleid, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin. Causaliteit kan echter moeilijk vastgesteld worden in het sociaal domein. Om toch zicht te houden op de voortgang van het armoedebeleid stellen we één keer per jaar een monitor op die de belangrijkste cijfers toont met betrekking tot de armoede- en schuldenproblematiek. Deze wordt samen met de voortgangsrapportage van het NPAS begin 2026 naar uw Kamer gestuurd.
De integrale aanpak voor gezinnen in een kwetsbare positie zal eveneens worden gemonitord. Zodra dit in een verder stadium is wordt u hierover geïnformeerd.
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om te voorkomen dat een nieuwe generatie kinderen opgroeit in armoede?
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit is een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet. Gelukkig is de financiële armoede onder gezinnen, en ook de kinderarmoede, in de laatste vijf jaar meer dan gehalveerd. Door onder meer een hogere kinderbijslag, meer kindgebonden budget, een hogere huurtoeslag en goedkopere kinderopvang. Het CPB verwacht dat de daling komend jaar doorzet door het kabinetsbeleid.
Maar het gaat niet alleen maar om weinig geld. Deze kinderen hebben vaak een achterstand op vele domeinen. Denk aan onderwijs, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Gezinnen hebben dan ook tijdige hulp en ondersteuning nodig vanuit meerdere aandachtsgebieden. Dit aanpakken is een taak van het hele kabinet. Verschillende ministeries werken dan ook nauw samen met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere partijen aan een overheidsbrede aanpak rond gezinnen in een kwetsbare positie.
Daarnaast blijft het kabinet inzetten op de participatie van kinderen en het versterken van kansengelijkheid, door middel van geld aan gemeenten en verschillende landelijke armoedefondsen en maatschappelijke organisaties en scholen. Zo kunnen de kinderen uit gezinnen in de meest kwetsbare positie meedoen op school, deelnemen aan sport en cultuur, bredere levenservaringen en kennis opdoen en voldoende en gezond eten. Tot slot blijft het kabinet zich inspannen om (meer) werken meer te laten lonen zodat ouders een betere financiële positie krijgen.
De uitvoering van de CBb-uitspraak inzake de HRN-concessie |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat reizigers er belang bij hebben dat zij hun treinreis net zo gemakkelijk via een platform naar keuze kunnen boeken – bijvoorbeeld een app waarin trein, bus, fiets en deelauto gecombineerd worden (Mobility as a Service, MaaS) – als rechtstreeks bij NS? Hoe wordt dat belang nu geborgd in de concessie?1
Ja, die opvatting deel ik. In het beleidsvoornemen tot gunning concessie voor het hoofdrailnet 20252 is dit toegelicht onder beleidsdoel «Deur-Tot-Deur Reis»: faciliteren dat reizigers zo optimaal en drempelloos mogelijk gebruik kunnen maken van de verschillende modaliteiten. Daarbij wordt zowel het belang van innovatie en samenwerking in de sector benoemd, als Mobility as a Service (MaaS). De Concessieverlener wil met het mogelijk maken van de verkoop en betaling van treinreizen via derden, een bijdrage leveren aan het optimaliseren van een zo drempelloos mogelijke deur-tot-deurreis voor de reiziger, de ontwikkeling van duurzame mobiliteit en het verhogen van de bezetting in het OV. Dit was geborgd in artikel 44 van de Hoofdrailnet-concessie 2025–2033 (hierna: HRN-concessie). Inmiddels is het artikel 44 van de HRN-concessie in lijn gebracht met de tussenuitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) d.d. 30 juni 2025, waardoor deze waarborgen nog sterker en nadrukkelijk in de concessie zijn opgenomen. Deze concessiewijziging is met de Kamer gedeeld op 10 oktober jl.3
Hoe zorgt u ervoor dat reizigers de zekerheid hebben dat zij via verschillende kanalen toegang krijgen tot dezelfde reisproducten, tegen dezelfde voorwaarden en tarieven, zodat er sprake is van keuzevrijheid en gelijke behandeling?
In artikel 44 van de gewijzigde concessie is opgenomen dat de voorwaarden waartegen NS treinreizen voor wederverkoop ter beschikking stelt aan MaaS-dienstverleners (hierna: referentieaanbod) transparant, non-discriminatoir en concurrerend is. Deze voorwaarden zijn ook nader gespecificeerd en zorgen er feitelijk voor dat de MaaS-dienstverleners een «korting» krijgen op het retail aanbod van NS. Door het hanteren van deze voorwaarden en daarop toe te zien, wordt een gelijk speelveld tussen NS en MaaS-dienstverleners geborgd.
Door het referentieaanbod kunnen de MaaS-dienstverleners met de verkregen korting hun eigen proposities voor reizigers samenstellen. Daarnaast kunnen zij reizigers bijzondere reisproducten en aanvullende faciliteiten van NS aanbieden. Een voorbeeld van een bijzonder reisproduct is de dagkaart 4 t/m 11 jaar. Een voorbeeld van een aanvullende faciliteit is de OV-fiets en het corrigeren van een bepaald aantal vergeten check-outs.
Hoe beoordeelt u, na de uitspraak van 30 juni jl. van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om in de HRN-concessie een gelijk speelveld voor MaaS-aanbieders te borgen en gezien uw brief aan de Kamer hierover op 29 augustus jl.,2 of de door u voorgestelde conceptwijziging van de HRN-concessie voldoende recht doet aan de uitspraak, en hoe wordt dat getoetst?
Het Ministerie van IenW heeft de tussenuitspraak van het CBb van 30 juni jl. ontvangen en naar aanleiding van een zorgvuldige analyse de concessie gewijzigd. De reeds in werking getreden en gepubliceerde concessiewijziging van de HRN-concessie herstelt de door het CBb geconstateerde gebreken. Zo wordt nu in de concessie expliciet gemaakt dat het referentieaanbod van NS transparant, non-discriminatoir en concurrerend is waardoor een gelijk speelveld wordt geborgd. Hoewel deze vereisten al besloten lagen in de MaaS-waardige bestekseisen waar de HRN-concessie naar verwijst, zijn deze vereisten nu ook expliciet opgenomen in de tekst van de HRN-concessie. Ook zijn de formules opgenomen die bepalen hoe de concessieverlener het referentieaanbod beoordeelt. Ten slotte wordt met het nieuwe artikel 44a voorkomen dat toekomstige wijzigingen in de MaaS-waardige bestekseisen automatisch (negatieve) gevolgen kunnen hebben voor MaaS-dienstverleners. De aanpassingen zijn getoetst door externe en onafhankelijke (economisch) deskundigen. Onlangs is het CBb geïnformeerd dat met de gewijzigde concessie aan de tussenuitspraak is tegemoetgekomen. Het CBb zal aan de hand daarvan beslissen over de voortgang van de procedure.
Welke stappen worden gezet om zeker te stellen dat de op 29 augustus jl. gepubliceerde concessiewijziging volledig in lijn is met de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 juni jl.?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 opgenomen, zijn de aanpassingen getoetst door externe en onafhankelijke (economisch) deskundigen. Onlangs is het CBb geïnformeerd dat met de gewijzigde concessie aan de tussenuitspraak is tegemoetgekomen. Het CBb zal aan de hand daarvan beslissen over de voortgang van de procedure.
Welke onafhankelijke partij, bijvoorbeeld de Autoriteit Consument en Markt (ACM), krijgt een formele rol bij het beoordelen van de aangepaste concessietekst en het referentieaanbod van NS? En als dit niet het geval is, acht u het wenselijk dat uw ministerie – als zowel concessieverlener als aandeelhouder van NS – deze toetsing zelf uitvoert?
De gewijzigde concessietekst is getoetst door externe en onafhankelijke (economisch) deskundigen. Onafhankelijke toetsing van het referentieaanbod wordt in de concessiewijziging geborgd door de te doorlopen stappen uitvoerig te beschrijven (zie onderdeel A, artikel 44 van de gewijzigde concessie) en door de uiteindelijke toetsing bij (een) onafhankelijke derde(n) te beleggen. Daarnaast gelden de reguliere bezwaar- en beroepsprocedures. De eerste toetsing (over het referentieaanbod voor 2026) is reeds aanbesteed.
Tot slot merk ik op dat niet het Ministerie van IenW, maar het Ministerie van Financiën aandeelhouder is van NS.
Op welke wijze zijn consumentenorganisaties en andere marktpartijen, naast NS zelf, betrokken geweest bij de totstandkoming van de conceptconcessie? Zijn alle partijen gelijk behandeld in dit proces?
Het Ministerie van IenW heeft volgens het voorgestelde tijd- en stappenschema van de Verendigde Innovatieve Mobiliteitsdienstverleners (VIM) gewerkt. Ten behoeve van het opstellen van de gewijzigde concessietekst is hulp ingeschakeld van externe en onafhankelijke (economisch) deskundigen. Daarbij heeft het Ministerie van IenW ook kennisgenomen van het voorstel van VIM (d.d. 21 juli 2025 en herzien op d.d. 4 augustus 2025). De wijziging is met NS in haar hoedanigheid als concessiehouder afgestemd en vervolgens ter consultatie voorgelegd aan het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (hierna: Locov). Ook zijn de MaaS-dienstverleners waarmee NS een contract heeft, gevraagd hun zienswijzen in te dienen.
Op 15 september 2025 hebben het Locov, VIM, ChipBizz en Student Mobility aan de Concessieverlener hun zienswijzen kenbaar gemaakt. In de paragraaf Consultatie van het wijzigingsbesluit gaat de Concessieverlener op hoofdlijnen in op de inbreng en is aangegeven wat is overgenomen.5 Alle geconsulteerde partijen zijn in dit proces gelijk behandeld.
Kunt u bevestigen dat commerciële diensten van NS, zoals de NS-Businesscard, de NS-app en NS Flex, de afgelopen vijf jaar niet direct of indirect zijn bekostigd met middelen uit het openbaar dienstencontract?
De PSO-verordening6 schrijft voor dat vervoerders met een concessie een gescheiden boekhouding voeren. Dit betekent dat opbrengsten uit de concessieactiviteiten (activiteiten van algemeen economisch belang) niet mogen worden vermengd met opbrengsten uit andere bedrijfsactiviteiten (commerciële activiteiten die NS uit eigen beweging uitvoert). Kruissubsidiëring vanuit de HRN-concessie naar andere activiteiten is niet toegestaan. Op 13 februari 2025 heeft de Kamer een brief ontvangen die hier nader op ingaat.7
Vloeien de genoemde commerciële diensten van NS voort uit verplichtingen in de HRN-concessie, of voert NS deze geheel op commerciële basis uit? En hoe wordt daarbij geborgd dat geen concessiemiddelen worden ingezet voor commerciële activiteiten?
Zoals tevens in het antwoord bij vraag 7 aangegeven, hanteert NS een gescheiden boekhouding ten aanzien van activiteiten in het kader van de concessieactiviteiten en andere bedrijfsactiviteiten. De kernvraag is of een geldstroom betrekking heeft op activiteiten die onder de HRN-concessie vallen of niet. NS heeft de ruimte om binnen de grenzen van de HRN-concessie een aantrekkelijk portfolio aan proposities te hanteren die aansluit bij de behoeften en wensen van reizigers (zie artikel 30, tweede lid, van de HRN-concessie). De NS-Business Card en het NS Flex-abonnement zijn proposities die NS in het kader van haar concessieactiviteiten mag aanbieden. Deze producten zijn er op gericht om (meer) reizigers aan te trekken. De kosten voor het in stand houden van de NS-app zijn grotendeels terug te voeren op de concessie, omdat de NS-app uitvoering geeft aan concessieverplichtingen op bijvoorbeeld het gebied van reisinformatie en druktesturing.
In aanvulling daarop, het Ministerie van IenW stuurt op de prestaties van NS als concessiehouder. De NS gaat zelf over de operationele inrichting en legt daarover verantwoording af aan de aandeelhouder.
Klopt het dat NS geen gescheiden administratie hanteert voor haar publieke HRN-diensten en commerciële activiteiten, zoals de NS-app, de NS-Business Card en NS Flex? Hoe wordt in dat geval gecontroleerd dat er geen publieke middelen uit het dienstencontract worden aangewend voor commerciële diensten?
Zoals ook in het antwoord op de vragen 7 en 8 aangegeven, hanteert NS een gescheiden administratie tussen activiteiten in het kader van de HRN-concessie en overige bedrijfsactiviteiten. De kernvraag is of een geldstroom betrekking heeft op activiteiten die onder de HRN-concessie vallen of niet. De NS-Business Card en het NS Flex-abonnement zijn proposities die NS in het kader van haar concessieactiviteiten mag aanbieden. Deze producten zijn er op gericht om (meer) reizigers aan te trekken. De kosten voor het in stand houden van de NS-app zijn grotendeels terug te voeren op de concessie, omdat de NS-app uitvoering geeft aan concessieverplichtingen op bijvoorbeeld het gebied van reisinformatie en druktesturing.
Bent u bekend met de adviezen van consumentenorganisaties, verenigd in het Locov, waarin is aanbevolen om NS-reisproducten – zoals abonnementen en jongerentickets – op gelijke voorwaarden beschikbaar te stellen aan MaaS-aanbieders, vergelijkbaar met praktijken elders in Europa? En kunt u het meest recente Locov-advies uit 2025 met de Kamer delen?
Het Locov adviseert om alle abonnementen en daaraan verplichte kilometers beschikbaar te maken, onder de voorwaarde van gebruik van dezelfde naamgeving en dezelfde productprijs (het zogeheten agentuur model). De concessieverlenende partijen waaronder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hebben in 2024 gezamenlijk de MaaS-waardige bestekseisen versie 4.18 vastgesteld waarin gekozen is voor het resell model. De bestekseisen hebben tot doel te zorgen voor MaaS-waardige concessies waarin kortweg een aantal zaken zijn geborgd. Zo kunnen reizigers vervoerbewijzen voor (multimodale reizen inclusief) het ov aanschaffen via MaaS-dienstverleners. Daarnaast zijn de verkoopvoorwaarden die concessiehouders in dit verband aan MaaS-dienstverleners stellen (1) transparant, (2) non-discriminerend en (3) concurrerend. Door het hanteren van het resellmodel kunnen derden (in tegenstelling tot bij het agentuurmodel) innovatieve proposities vormgeven. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar de toelichting op de MaaS-waardige bestekseisen versie 4.1.9
Het meest recente Locov advies ziet toe op de voorgestelde concessiewijziging artikel 44 van de Concessie. Deze zal volgens de hiervoor gebruikelijke procedure openbaar worden gemaakt via de website van het Locov.10
Hoe wordt gegarandeerd dat reizigers die via een MaaS-platform boeken dezelfde toegang hebben tot kortingsproducten van NS (bijvoorbeeld voor jongeren of ouderen) als reizigers die rechtstreeks bij NS boeken, zodat er geen sprake is van ongelijke behandeling?
Met keuze voor het resellmodel kunnen MaaS-dienstverleners eigen proposities met kortingen voor reizigers ontwikkelen. Het staat MaaS-dienstverleners vrij om voor vergelijkbare reizigers dezelfde kortingsproducten te ontwikkelen en in MaaS-platformen aan te bieden. Ook kunnen MaaS-dienstverleners reizigers bijzondere reisproducten zoals de dagkaart 4 t/m 11 jaar aanbieden en kunnen reizigers gebruik maken van aanvullende faciliteiten zoals de OV-fiets en het corrigeren van een bepaald aantal vergeten check-outs.
Het besluit van het CBR om de theorie-examens in Maastricht per juli 2025 te verplaatsen naar Roermond |
|
Marieke Wijen-Nas (BBB) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de theorie-examens in Maastricht per juli 2025 te verplaatsen naar Roermond?1
Ja. Het CBR heeft aangegeven dat de oorspronkelijke planning juli 2025 was. De actuele planning is dat op 17 november 2025 de eerste theorie-examens in Roermond worden afgenomen, in de periode daarna sluit de locatie Maastricht.
Hoe rijmt u de claim van het CBR dat de verhuizing van de theorie-examens van Maastricht naar Roermond de dienstverlening zou verbeteren, met de feitelijke toename van reistijd, kosten en de verminderde bereikbaarheid per openbaar vervoer voor inwoners van Maastricht en omliggende gemeenten?
Als publieke dienstverlener wil het CBR zo dichtbij mogelijk bij klanten gehuisvest zijn. Roermond is als standplaats voor theorie-examens gekozen omdat dit een locatie is die centraal in Limburg ligt. Daarnaast heeft het CBR voor de theorie-locatie in Roermond expliciet gekozen voor een locatie dichtbij het treinstation zodat deze gemakkelijk met het openbaar vervoer te bereiken is. Het afgelopen jaar zijn door het CBR gedegen analyses uitgevoerd naar reistijden en reisafstanden. Deze analyses laten zien dat voor het grootste deel de bereikbaarheid van een theoriecentrum voor kandidaten in Limburg beter wordt dan in de huidige situatie. Voor mensen die nu dichtbij het theoriecentrum in Maastricht wonen, zal de reistijd langer worden. Tegelijkertijd zal voor veel kandidaten in Limburg die wat verder van Maastricht wonen de reistijd naar een theoriecentrum van het CBR verbeteren. Het theorie-examencentrum zal voor alle kandidaten in Limburg gemiddeld genomen binnen één uur met het openbaar vervoer te bereiken zijn.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere toezegging dat het kabinet zich inzet voor een betere spreiding van rijksdiensten en rijksbanen, met speciale aandacht voor Limburg, terwijl dit besluit feitelijk leidt tot centralisering en verschraling?
Er is geen sprake van verschraling. De omvang van de dienstverlening voor theorie-examens van het CBR in Limburg blijft gelijk. De dienstverlening wordt zelfs uitgebreid met ruimere openingstijden op de nieuwe locatie in Roermond. Ook de werkgelegenheid blijft gelijk met de huidige situatie. Het is een verplaatsing van dienstverlening binnen de provincie Limburg.
Acht u het wenselijk dat zelfstandige bestuursorganen (zbo's) zoals het CBR besluiten nemen die haaks staan op het kabinetsbeleid rond spreiding en bereikbaarheid? Welke instrumenten heeft u als Minister om te voorkomen dat zbo’s de kabinetsdoelstellingen doorkruisen en bent u bereid deze hier in te zetten?
Zelfstandige bestuursorganen (zbo's) zijn organisaties van de Rijksoverheid die zelfstandig publieke taken uitvoeren, maar niet direct onder een ministerie vallen en daardoor een grotere afstand tot de politieke leiding hebben. Ze zijn bij wet ingesteld of aangewezen en hebben eigen bevoegdheden om te reguleren, controleren, vergunningen te verlenen of adviezen te geven, en staan los van het hiërarchisch gezag van een ministerie. In de Kamerbrief van 8 mei2 is omschreven op welke wijze huisvesting van zbo’s onderdeel kunnen zijn van de aanpak spreiding rijkswerkgelegenheid. Door de grotere afstand van zbo’s tot de politieke leiding is er bij zbo’s met eigen rechtspersoonlijkheid (zoals het CBR) geen mogelijkheid tot directe sturing op huisvesting, daarom vallen zbo’s niet onder de adviesprocedure. De verplaatsing van de CBR examenlocatie van Maastricht naar Roermond valt daarmee niet onder de invloedsfeer van de Minister van BZK. De Minister van IenW kan het onderwerp huisvesting bespreken met de eigen zbo, in dit geval het CBR. De Minister van IenW heeft echter geen verplichtend instrumentarium om het huisvestingsbeleid van het CBR, gelet op het zelfstandige karakter van een zbo, aan te passen.
De dienstverlening van het CBR blijft in Limburg en blijft dus in de regio. Wel verplaatst het theorie-examencentrum naar een meer centrale locatie in de provincie, die tegelijkertijd beter bereikbaar is met het openbaar vervoer. Dit is van belang voor het overgrote deel van de kandidaten die nog geen rijbewijs hebben. De zorgvuldige analyses van het CBR maken dit inzichtelijk.
Vindt u het aanvaardbaar dat inwoners van Zuid-Limburg tot een uur moeten reizen voor een theorie-examen, terwijl dit examen in de meeste andere regio’s wél in de nabijheid van grotere steden beschikbaar blijft?
Ja, dit past binnen de bredere context van het uitgangspunt van een gelijke toegang tot publieke voorzieningen. De meeste kandidaten bezoeken het examencentrum slechts één of twee keer in hun leven om hun theorie-examen te doen.
Met het verplaatsen van het examencentrum van Maastricht naar Roermond verbetert de bereikbaarheid van het CBR in heel Limburg. Sommige kandidaten zullen langer moeten reizen dan nu het geval is, voor anderen zal de reistijd juist afnemen. In veel gevallen neemt de gemiddelde reistijd af, waarbij kandidaten gemiddeld genomen binnen één uur het examencentrum kunnen bereiken met het openbaar vervoer. Het CBR heeft het besluit gebaseerd op zorgvuldige analyses die dit laten zien.
Deelt u de zorg dat juist jongeren en kwetsbare groepen zonder auto in Zuid-Limburg onevenredig hard worden geraakt door dit besluit? Hoe rijmt u dit met het uitgangspunt van gelijke toegang tot publieke voorzieningen?
Het is juist vanuit het uitgangspunt van gelijke toegang tot publieke voorzieningen dat het CBR de huisvestingsstrategie heeft aangepast en de theorie-examencentra loskoppelt van de locaties voor praktijkexamens (meestal aan randen van de stad en dichtbij de snelweg) wat nu het geval is. Door deze te plaatsen in de buurt van een station worden de theorie-examenlocaties van het CBR veel beter bereikbaar met het openbaar vervoer, wat van belang is voor met name jongere kandidaten zonder rijbewijs. Het overgrote deel van de jongeren die een theorie-examen komt doen bij het CBR komt voor een theorie-examen voor de auto. Dit theorie-examen moet met succes zijn afgerond voor men het praktijkexamen auto kan aanvragen. Zij hebben over het algemeen dus nog geen auto.
Hoe verklaart u dat Maastricht, als grootste stad van Zuid-Limburg, met meer dan 120.000 inwoners en uitstekende infrastructuur, géén CBR-examencentrum voor theorie meer heeft, terwijl kleinere steden elders in Nederland deze wel behouden?
Zie ook het antwoord bij vraag 5. Er zijn veel steden (ook groter dan Maastricht) die geen theorie-examencentrum hebben. Optimale bereikbaarheid voor kandidaten in de hele regio is het belangrijkste criterium voor het CBR bij de keuze voor examenlocaties. Daarbij kiest het CBR voor een optimale verdeling en efficiënte spreiding van de examenlocaties over de regio, zodat deze voor alle inwoners, en niet alleen de kandidaten in de grote steden, gemiddeld genomen binnen één uur met het openbaar vervoer te bereiken zijn.
Limburg verloor de afgelopen jaren als enige provincie rijksbanen. Hoe rijmt u dit nieuwe besluit en de mogelijkheid voor een inhaalslag in deze provincie met de uitgangspunten van Elke regio telt!?
De gerapporteerde krimp van de rijkswerkgelegenheid in 2023 in de provincie Limburg lag aan uitzonderlijke eenmalige omstandigheden bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. De rijkswerkgelegenheid in de provincie Limburg groeide in 2024 met 2,6%. De Minister van BZK is met concrete casussen aan de slag om de rijkswerkgelegenheid is Limburg te laten groeien. Onder meer huisvesting voor de Belastingdienst, Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidzorg en Instituut Mijnbouwschade Limburg in Heerlen. Het Ministerie van BZK is tevens in overleg met lokale bestuurders zoals de burgemeesters van Heerlen en Roermond over de kansen voor meer rijkswerkgelegenheid in Limburg. Met de verplaatsing van de theorie-examenlocatie van het CBR van Maastricht naar Roermond verliest de provincie Limburg geen rijkswerkgelegenheid, de locatie blijft immers in Limburg.
Welke betrokkenheid heeft u gehad bij dit besluit van het CBR? Is er vooraf advies gevraagd of overleg geweest over de effecten op spreiding en bereikbaarheid? Zo nee, hoe beoordeelt u het dat een zbo met een publieke taak zulke besluiten zonder politieke verantwoording kan nemen?
De aanpak spreiding rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid is gericht op het beter spreiden van rijkswerkgelegenheid over Nederland. In die aanpak zijn Ministers waarbij nieuwe dienstonderdelen ontstaan, groeien, krimpen en bij grensoverschrijdende verplaatsingen vanaf 100 fte, gehouden advies te vragen over de locatiekeuze aan de Minister van BZK. De verplaatsing van de examenlocatie van het CBR is binnen de provincie Limburg, kent geen groei of krimp en valt zodoende dus buiten de voorwaarden voor advies. Daarnaast is, zoals omschreven in antwoord op vraag 4, het CBR een zbo met eigen bevoegdheden. Het is dus niet aan de Minister van BZK om hierover advies uit te brengen of geconsulteerd te worden. Het CBR is een zbo van het Ministerie van IenW. Het is van belang dat publieke diensten goed bereikbaar zijn, van goede kwaliteit zijn en tegen redelijke kosten worden geleverd. Het CBR heeft het besluit om de dienstverlening voor de theorie-examens te verplaatsen zorgvuldig voorbereid en daar grondige analyses voor gedaan. De dienstverlening blijft op minimaal hetzelfde niveau en de bereikbaarheid verbetert. Het CBR realiseert zich dat een wijziging in de huisvesting voor de inwoners van Limburg impactvol kan zijn. Daarom heeft het CBR een zorgvuldige belangenafweging gemaakt voor alle inwoners in heel Limburg.
Bent u bereid dit besluit te heroverwegen en het CBR te verzoeken minimaal een theorie-examenlocatie in Maastricht te behouden? Zo nee, hoe gaat u anders zorgen dat Limburg niet opnieuw de dupe wordt van Haagse centralisering?
Zoals omschreven in antwoord op vraag 4 en 9 hebben de Ministers van BZK en IenW geen grond om het CBR te verzoeken de verplaatsing te heroverwegen. Het kabinet onderstreept het belang van het toewerken naar een betere spreiding van de rijkswerkgelegenheid over Nederland de komende jaren. Over de acties die de afgelopen periode zijn ingezet om dat te bereiken heb ik uw Kamer geïnformeerd op 19 september jl. Het regiobelang weegt sinds de nieuwe aanpak spreiding rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid zwaarder mee bij besluitvorming omtrent rijkshuisvesting, het is echter niet de enige factor waar rekening mee dient te worden gehouden en beslissingen zullen niet altijd de kant van de regio opvallen. Het is een kabinetsbrede verantwoordelijkheid om de rijkswerkgelegenheid beter over Nederland te spreiden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, zie antwoorden vraag 1 t/m 10.
Kunt u uw antwoorden doen toekomen voorafgaand aan het commissiedebat Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking van 2 oktober 2025?
Ja.
Het bericht op Noordkop247 'Geen demonstratie voor veilige kruising' |
|
Eline Vedder (CDA), Harmen Krul (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Zou u willen reageren op het bericht op Noordkop247 «Geen demonstratie voor veilige kruising» en daarbij in het bijzonder willen ingaan op de zorgen van bewoners over de verkeersveiligheid rond de N9 en de vlotbruggen?1
De zorgen van de bewoners over de verkeersveiligheid rond de N9 en de vlotbruggen zijn bekend. Daarom is besloten om de kruisingen bij de Burgervlotbrug en de Sint Maartensvlotbrug te verbeteren. Zie ook vraag 3.
Hoe beoordeelt u de huidige verkeersveiligheid op de N9, met name bij de kruisingen en de vlotbruggen, en welke risico’s ziet u voor fietsers, voetgangers en omwonenden?
De N9 is een weg met een zeer gevarieerd verkeersbeeld door stedelijke kernen, buitengebied en kleine dorpskernen. Dit leidt tot verschillen in snelheden en plekken waar snel en langzaam verkeer elkaar kruisen. Na een onderzoek heeft Rijkswaterstaat in 2023/2024 met een aantal kleine, gerichte maatregelen de oversteken bij de vlotbruggen aangepakt. Hierdoor is de situatie voor overstekende voetgangers en fietsers verbeterd.
Welke maatregelen zijn sinds de beantwoording van eerdere door de CDA-fractie gestelde schriftelijke vragen genomen om de verkeersveiligheid rond de N9 en de vlotbruggen te verbeteren?2
Het voorgaande kabinet heeft voor ongeveer € 4 miljoen geïnvesteerd in de verkeersveiligheid in Sint Maartensvlotbrug en Burgervlotbrug. In 2023 en 2024 zijn de maatregelen gerealiseerd. In Burgervlotbrug zijn aan zowel de noordzijde als de zuidzijde van de kruising met de N9 nieuwe fiets/bromoversteken gerealiseerd. Hierbij is ook opstelruimte in de middenberm aangebracht en zijn borden en markeringen aangebracht.
Bij Burgervlotbrug is het aanwezige zebrapad op expliciete wens van omwonenden in het nieuwe ontwerp opgenomen om de oversteekbaarheid zo goed als mogelijk te borgen.
In Sint Maartensvlotbrug zijn betere oversteekvoorzieningen aangebracht en zijn borden en markeringen aangebracht. Hiermee sluit de weginrichting aan op de ontsluitingsfunctie van de weg binnen de bebouwde kom en is de oversteekbaarheid ter hoogte van de bruggen voor met name langzaam verkeer (brom/fiets en voetgangers) verbeterd.
Welke structurele oplossingen, zoals vaste oeververbindingen in plaats van vlotbruggen, worden onderzocht en welke tijdlijn hanteert u daarbij?
De vlotbruggen zijn in beheer van de provincie Noord-Holland. Een onderzoek naar de vervanging van de vlotbruggen is de verantwoordelijkheid van de provincie. In 2017 is een vaste oeververbinding door hen onderzocht. Toen bleek dat de kosten van de aanleg van een nieuwe oeververbinding niet proportioneel waren. De provincie Noord-Holland zal het onderzoek uit 2017 naar de nut- en noodzaak van een vaste oeververbinding gaan herijken. In 2027 worden de resultaten van dit onderzoek verwacht, waarna het aan de provincie Noord-Holland is om te besluiten over het vervolg.
Op dit moment worden geen andere concrete maatregelen onderzocht. Vanuit het eerder uitgevoerde onderzoek naar verkeersveiligheid op de N9, N99 en N250 is wel inzicht in mogelijke oplossingsrichtingen. Mede op basis van dit onderzoek heeft Rijkswaterstaat in 2023/2024 binnen het beschikbare budget enkele maatregelen getroffen (zie beantwoording vraag 2 en 3).
In hoeverre is de verwachte toename van verkeer als gevolg van de groei van de marinebasis Den Helder meegenomen in de berekeningen voor de noodzakelijke investeringen in de N9 en de vlotbruggen?
In juni 2025 hebben het Rijk en de regio onder regie van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het «Ruimtelijk Arrangement Noord-Holland» afgesproken gezamenlijk te kijken naar mogelijkheden voor een meer weerbaar en veerkrachtig mobiliteitssysteem. Zowel vanuit een civiele als militaire context ingeval van een eventueel voorval of incident. Het is belangrijk dat het mobiliteitssysteem ook in zulke omstandigheden blijft functioneren voor militaire en civiele doeleinden. Dit onderzoek is inmiddels gestart en wordt naar verwachting in 2026 afgerond.
Behalve dit onderzoek worden op dit moment door het Rijk geen berekeningen gemaakt voor investeringen aan de N9 en de vlotbruggen.
Zou u willen inventariseren of er mogelijkheden bestaan om bij de financiering van structurele verbeteringen aan de N9 ook te kijken naar middelen in het kader van de NAVO-norm voor bestedingen aan Defensie, gelet op het strategisch belang van de weg voor de marinebasis Den Helder?
Tijdens de NAVO Top van 24-25 juni jl. is afgesproken om 1,5% van het BBP aan te wenden voor uitgaven aan de weerbaarheid van de maatschappij, waaronder de bescherming van kritieke infrastructuur, civiele paraatheid en cyberverdediging en het versterken van de defensie-industrie en innovatie. De nationale doorvertaling en financiële implicaties van de nieuwe NATO Defence Investment Pledge worden onderzocht. Hierop kan op dit moment nog niet worden vooruitgelopen.
Kunt u aangeven hoe u hierbij samenwerkt met de provincie Noord-Holland en of u bereid bent Rijkswaterstaat nauw met de provincie te laten optrekken?
Bij de uitvoering van de vorig jaar uitgevoerde maatregelen is nauw opgetrokken met de provincie. Er is continu afstemming op verschillende niveaus tussen het Ministerie, Rijkswaterstaat en de provincie. Zo stemmen Rijkswaterstaat, ProRail en provincie tweemaandelijks grootschalige werkzaamheden en vernieuwingsopgaven af met de gemeenten in de Noordkop. Ook de hinderaanpak komt hier aan de orde.
Ook in het kader van het Ruimtelijk Arrangement Noord-Holland (zie ook de beantwoording van vraag 5) werken Rijk en de provincie Noord-Holland actief samen over hoe de ruimte in de provincie wordt ingericht. Hierover vindt periodiek overleg plaats en de partijen hebben langjarige commitment bij de afspraken en de samenwerking.
Welke belemmeringen bij vergunningverlening, omgevingsfactoren of veiligheid, die volgens de genoemde beantwoording van eerdere vragen een rol spelen, zijn specifiek van toepassing op het traject van de N9 en welke stappen zijn sindsdien gezet om deze belemmeringen weg te nemen?
Er zijn geen specifieke belemmeringen bekend.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitvoering van noodzakelijke verbeteringen te versnellen en welke concrete besluiten zijn daarbij al genomen?
Op dit moment zijn er nog geen concrete verbeteringen gepland.
Hoe voorkomt u dat de N9 wederom te maken krijgt met opeenvolgende afsluitingen en onderhoudswerkzaamheden tegelijk, waardoor files en verkeersinfarcten ontstaan zoals in 2023 werd gesignaleerd?
Hinder treedt soms op bij werkzaamheden. Er is een hinderaanpak vastgesteld die zorgt dat de gevolgen van de werkzaamheden van tevoren goed in beeld zijn. Een kerngroep van infrabeheerders, waaronder Rijkswaterstaat, stemt werkzaamheden over een periode van 1 tot 5 jaar met elkaar af. Dat is ook in 2023 gebeurd. Het beeld dat dit tot verkeersinfarcten zou hebben geleid, wordt niet herkend.
Op welke wijze worden gemeenten, bewoners en belangenorganisaties betrokken bij de besluitvorming over de verbetering van de N9 en de vervanging van de vlotbruggen?
Op dit moment is er geen besluitvorming over de verbetering van de N9 in voorbereiding. Vervanging van de vlotbruggen is een verantwoordelijkheid van de provincie Noord-Holland, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen treft u om in de tussentijd, zolang er nog geen structurele oplossing is, de verkeersveiligheid en doorstroming rond de vlotbruggen te verbeteren?
Zie voor de maatregelen die recentelijk getroffen zijn de beantwoording van vraag 3.
Het artikel 'Wat de wonden vertellen' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wat de wonden vertellen» uit De Volkskrant d.d. 13 september 2025?1
Ja.
Vindt u het onderzoek van De Volkskrant, waaruit blijkt dat de Israëlische krijgsmacht naar alle waarschijnlijkheid gericht op honderden Palestijnse kinderen onder vijftien jaar heeft geschoten en kinderen ernstig heeft verwond door middel van fragmentatiewapens, overtuigend? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie die het onderzoek van de Volkskrant kan verifiëren dan wel ontkennen. Het kabinet hecht er groot belang aan dat straffeloosheid wordt tegengegaan en dat schendingen van het internationaal recht, humanitair oorlogsrecht, worden onderzocht. Daar spant Nederland zich voor in.
Wat vertellen deze schotwonden aan het kabinet over de wijze van oorlogsvoering door de Israëlische krijgsmacht?
Het artikel concludeert dat de schotwonden in kwestie een indicatie zijn van gerichte aanvallen op kinderen. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie die het onderzoek van de Volkskrant kan verifiëren dan wel ontkennen. Volgens het humanitair oorlogsrecht mogen burgers geen doelwit vormen van militaire aanvallen. Indien burgers direct deelnemen aan de vijandelijkheden, verliezen ze voor de duur van deze deelname hun beschermde status. Het kabinet roept de strijdende partijen, waaronder Israël, om zich te allen tijde aan het humanitair oorlogsrecht te houden.
Heeft het kabinet eerder soortgelijke informatie over de wijze van oorlogsvoering door de Israëlische krijgsmacht ontvangen?
Informatie die het kabinet ontvangt over het Israëlische militair optreden in Gaza leidt al geruime tijd tot serieuze vragen. Het kabinet spreekt Israël hierop zowel bilateraal als multilateraal aan.
Heeft u uw Israëlische counterpart aangesproken op de bevindingen van het onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u uw Israëlische counterpart aangesproken op het feit dat Israël sinds maart 2025 meer dan honderd buitenlandse zorgmedewerkers toegang tot Gaza heeft ontzegd zonder opgave van reden?
Nederland heeft Israël veelvuldig opgeroepen en blijft dit doen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren, zowel voor de invoer en distributie van goederen als de in- en uitreis van internationale hulpverleners. Meest recentelijk heb ik dit gedaan in een gesprek met mijn Israëlische ambtgenoot Saar op 24 oktober jl.
Op 9 oktober jl. bereikten Israël en Hamas overeenstemming over de eerste fase van het plan om het conflict in de Gazastrook te beëindigen (zie ook Kamerbrief d.d. 10 oktober jl.). Dit akkoord biedt, na ruim twee jaar van lijden, geweld en verwoesting, het broodnodige perspectief op een duurzaam einde aan de oorlog. Het is van essentieel belang dat de afspraken over deze eerste fase, waaronder die over humanitaire hulp, volledig worden geïmplementeerd en nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de Israëlische autoriteiten zelfs babyvoeding niet tot Gaza toelaten? Heeft u uw Israëlische counterpart daarop aangesproken?
Op Israël rust de plicht om de burgerbevolking in Gaza te voorzien van de noodzakelijke humanitaire hulp of deze hulp te faciliteren. Na het bereiken van het akkoord over de eerste fase van het vredesplan op 9 oktober jl. is de toegang van humanitaire hulp verbeterd. Het kabinet blijft het belang onderstrepen dat Israël zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht naleeft.
Staat het kabinet in contact met hulpverleners die in Gaza dienen of de afgelopen twee jaar in Gaza hebben gediend? Zo nee, bent u bereid om met enkelen van hen in gesprek te gaan?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een goede, voortdurende dialoog met hulporganisaties, en spreekt – zowel in Nederland als in de regio – regelmatig met hulpverleners die in de Gazastrook werken of hebben gewerkt.
Hoeveel Israëlische militairen zijn er in de afgelopen twee jaar veroordeeld voor misdrijven gepleegd tegen Palestijnse burgers?
Volgens cijfers van de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din, die zich baseert op informatie die is aangeleverd door de Israëlische krijgsmacht, zijn vijf Israëlische militairen veroordeeld voor misdrijven gepleegd tegen Palestijnse burgers in Israël en de Palestijnse gebieden. Daarnaast zijn er nog enkele lopende zaken.
Op welke manier spant het kabinet zich in voor het vastleggen van oorlogsmisdrijven in Gaza?
Nederland heeft altijd duidelijk uitgesproken dat de strijdende partijen zich aan humanitair oorlogsrecht moeten houden. Het kabinet veroordeelt alle schendingen van het internationaal recht, ongeacht wie de schending begaat. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen. Daar draagt het kabinet ook aan bij, bijvoorbeeld via bijdragen aan het Kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (OHCHR) en het Internationaal Strafhof.
Vallen de misdrijven beschreven in het onderzoek van De Volkskrant onder de Wet Internationale Misdrijven? Zo ja, is berechting van Israëlische militairen die in Nederland verblijven op basis van de in het onderzoek beschreven misdrijven tegen Palestijnse burgers, mogelijk?
Oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie zijn strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven. Hierbij geldt dat Nederland rechtsmacht heeft over internationale misdrijven indien de verdachte een Nederlander is, het slachtoffer een Nederlander is of de verdachte zich op Nederland grondgebied bevindt. Of een strafrechtelijk onderzoek kan worden ingesteld, hangt onder meer af van de vraag of er voldoende bewijs voorhanden is voor individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid. De opsporing en vervolging van deze internationale misdrijven is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie.
Bent u, bij uitblijven van vervolging in Israël, bereid om in lijn met het complementariteitsbeginsel in het Statuut van Rome ook te pleiten en steun te bieden voor de berechting van Israëlische militairen bij het Internationaal Strafhof?
Er loopt reeds een actief onderzoek bij het Internationaal Strafhof (ISH) naar de situatie in de Palestijnse Gebieden, waaronder Gaza, en het is aan het Parket van de Aanklager van het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de organen van het ISH en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Parket van de Aanklager.
Bent u bereid om een aantal ernstig gewonde kinderen die in de regio geen hoog-specialistische zorg kunnen krijgen, in Nederlandse ziekenhuizen te laten behandelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op 2 oktober jl. besloot het kabinet om enkele kinderen uit Gaza, die acuut complexe hoog-specialistische zorg nodig hebben en waarvoor nu in de regio geen onmiddellijke hulp beschikbaar is, in Nederland te laten behandelen.2
Bent u bereid om u in te zetten voor de medische evacuatie van Mira, het 4-jarige meisje uit het artikel uit De Volkskrant?
Momenteel staan er 15.600 patiënten op de wachtlijst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor medische evacuatie uit Gaza, onder wie 3.800 kinderen. Om te bepalen welke kinderen voor evacuatie naar Nederland in aanmerking komen, baseert Nederland zich op de triage van artsen in Gaza, die via het Palestijnse Ministerie van Volksgezondheid patiëntenlijsten op basis van medische urgentie met de WHO delen. De WHO coördineert vervolgens het proces van medische evacuaties. Om dit selectieproces via de WHO zo zuiver mogelijk te laten verlopen, volgt het kabinet deze lijn. Het is daarom niet mogelijk een voorkeursbehandeling te geven aan individuele gevallen.
Bent u bereid deze vragen alle afzonderlijk te beantwoorden?
Er is getracht deze vragen zo veel mogelijk separaat te beantwoorden.
De brandbrief van burgemeesters inzake de wolf |
|
André Flach (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brandbrief van Gelderse gemeenten over de toenemende aanwezigheid van wolven en de gevolgen hiervan voor mens en dier (Kamerstuk 2025D40213) (Kamerstuk 2025D40232)?
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Een flink aantal burgemeesters die te maken hebben met wolven in hun gemeente wil kunnen handelen als de veiligheid van mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en, als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden.
Herkent u de grote zorgen van deze burgervaders?
Zie antwoord vraag 1.
Wat betekent de constatering dat een aantal individuele wolven in toenemende mate hun natuurlijke schuwheid verliest en zich steeds vaker in de nabijheid van mensen en bebouwing begeeft, waarbij sprake is van een groeiend aantal incidenten, voor uw beleid?
Het verliezen van schuwheid zoals door u gesignaleerd zal naar mijn verwachting leiden tot meer probleemwolven. Ik maak mij zorgen over het toenemend aantal incidenten met wolven. In een klein en dichtbevolkt land als Nederland is maar beperkt ruimte voor wolven. Juist daarom is goed beleid essentieel. We moeten er alles aan doen om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. En als ze zich toch voordoen, wil ik dat we snel en daadkrachtig kunnen optreden. Daarom werk ik aan nationale regelgeving waar ook lokale bestuurders, zoals burgemeesters, goed mee uit de voeten kunnen.
Ik wil dat er betere mogelijkheden komen om in te grijpen bij incidenten met wolven. In de Landelijke Aanpak Wolven (LAW, Kamerstuk 33 576, nr. 405) heb ik verschillende stappen opgenomen om dit te realiseren, zoals het in regelgeving vastleggen van een definitie van «probleemwolf» en «probleemsituatie». Die definities gaan burgemeesters en provincies helpen om sneller op te kunnen treden in geval van een probleemwolf of een probleemsituatie met een wolf. Deze wetgeving wordt op dit moment behandeld door uw Kamer en de Eerste Kamer.
Bent u van mening dat de juridische ruimte om wolven te verjagen en aversief te conditioneren, gegeven de verlaagde beschermingsstatus van de wolf, voldoende wordt benut?
De verlaging van de beschermingsstatus van de wolf van «strikt beschermd» naar «beschermd» geeft lidstaten de mogelijkheid om aanvullende maatregelen te nemen. In Nederland is dit aangegrepen om de nationale regelgeving aan te passen. De bijbehorende AMvB wordt momenteel behandeld door uw Kamer en door de Eerste Kamer. De brandbrief van de Gelderse gemeenten toont aan dat het van groot belang is dit juridisch kader zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.
Op welke wijze worden situaties van contact tussen wolven en mensen geregistreerd?
Ik zou graag één centrale plek zien waar ook incidenten tussen wolven en honden worden geregistreerd. Daarom ben ik in gesprek met de provincies om te kijken hoe we dit kunnen verbeteren, mogelijk in het kader van het Landelijk Informatiepunt Wolven.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat incidenten met honden ook als zodanig worden geregistreerd?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt ervoor gezorgd dat onder meer gemeenten een beroep kunnen doen op een deskundigencrisisteam voor advies bij acute situaties?
Ik realiseer me dat de bevoegdheden van burgemeesters in de praktijk niet altijd voldoende mogelijkheden bieden om onmiddellijk op te treden bij acute incidenten met wolven. Als onderdeel van de LAW kijk ik daarom of vanuit het belang van openbare veiligheid een optimalisatie van het bestaand handelingsperspectief kan worden gecreëerd bij het optreden tegen probleemwolven.
Deelt u de analyse van de burgemeesters dat zij vrij weinig kunnen met de noodbevoegdheden vanuit de Gemeentewet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voornemens in overleg met burgemeesters ervoor te zorgen dat zij een ruimer handelingskader krijgen om in te (laten) grijpen bij onveilige situaties?
In de overleggen tussen de betrokken ministeries en met Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters over mogelijk aanvullende noodbevoegdheden is naar voren gekomen dat de bevoegdheden van gedeputeerde staten en burgemeesters in beginsel volstaan en dat een uitbreiding van burgemeestersbevoegdheden in gevallen die niet meer acuut zijn, de wettelijke verantwoordelijkheden van gedeputeerde staten zouden doorkruisen. Daarbij was in de Tweede Kamer in maart 2025 geen draagvlak voor een onderzoek naar aanpassing van de Politiewet of de Gemeentewet.1
Dit laat onverlet dat dit onderwerp de aandacht heeft. Zo ben ik op 8 oktober jl. op bezoek geweest bij de Gelderse burgemeesters die de brandbrief hebben opgesteld. Hier heb ik hen gesproken over de lokale impact van de aanwezigheid van wolven en de zorgen omtrent de openbare veiligheid in hun gemeenten. Mocht in de toekomst blijken dat de lopende aanpassingen van de nationale regelgeving, het bestaande handelingsperspectief, de verbeterde registratie van incidenten en de verbeterde informatievoorziening alsnog onvoldoende zijn, dan ga ik graag met de Eerste en Tweede Kamer in gesprek om te zoeken naar alternatieve mogelijkheden voor burgemeesters. Waar aan de orde zal ik daarbij ook andere bewindspersonen betrekken.
Maken provincies in uw ogen voldoende gebruik van de ruimte die zij nu hebben om op grond van de verlaagde beschermingsstatus van de wolf beheermaatregelen te nemen om onveilige situaties te voorkomen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, wordt de nationale regelgeving aangepast om provincies meer ruimte te geven om op te treden tegen probleemwolven. De bijbehorende AMvB wordt momenteel behandeld door uw Kamer en door de Eerste Kamer. De brandbrief van de Gelderse gemeenten toont aan dat het van groot belang is dit juridisch kader zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.
Bent u bereid te kijken naar verdere aanscherping van het aan de Kamer voorgelegde Ontwerpbesluit met betrekking tot het beheer van de wolf (Kamerstuk 33 118, nr. 295)?
Over mijn aanpassingen van het ontwerpbesluit in reactie op het advies van de Raad van State heb ik uw Kamer op 10 oktober jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 118, nr. 306).
Gaat u zorgen voor het aanwijzen van gebieden in Nederland die, gelet op het ecosysteem, de wildstand en de nabijheid van mensen en vee, niet geschikt zijn voor duurzame vestiging van een wolf of wolvenroedel, zodat in deze gebieden vroegtijdig kan worden ingegrepen?
Het is nog niet duidelijk welke rol populatieontwikkelingen van wolven in Nederland en onze buurlanden kan spelen bij adequater ingrijpen bij incidenten. Ook is de staat van instandhouding van wolven in Nederland nog niet bekend. Recent onderzoek van Wageningen University & Research (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heeft aangetoond dat Nederland alleen een bijdrage kan leveren aan een duurzame wolvenpopulatie in Europees verband binnen de Centraal-Europese wolvenpopulatie. Om duidelijk beleid te kunnen maken voor onveilige situaties met wolven laat ik aanvullend onderzoek uitvoeren, waarbij wordt getoetst aan de haalbaarheid voor de specifieke Nederlandse situatie. Nederland is namelijk een van de meest dichtstbevolkte landen in de wereld. De natuur in Nederland ligt bovendien ook nog eens vaak ingeklemd tussen dorpen, steden en agrarische bedrijven. Ik maak mij ernstige zorgen over de toegenomen aanwezigheid van wolven in Nederland.
De veiligheid en het welzijn van mensen en dieren, staan wat mij betreft altijd voorop. Om onveilige situaties te voorkomen werk ik ook aan stevige nationale maatregelen, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de populatieontwikkeling van de wolf, gelet op de groei van het aantal roedels in de afgelopen jaren, zowel in Nederland als bij de Centraal Europese wolvenpopulatie als geheel, voldoende ruimte biedt om eerder in te grijpen om onveilige situaties te voorkomen, ook al ligt de populatie nog niet op het niveau dat mogelijk nodig zou zijn voor een gunstige staat van instandhouding?1
Zie antwoord vraag 12.
Wordt in het aanvullende onderzoek naar de Nederlandse bijdrage aan een gunstige staat van instandhouding van de wolf (Kamerstuk 33 576, nr. 466) ook gekeken naar de habitatgeschiktheid in andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie aanwezig is en de reële Nederlandse bijdrage vanuit het perspectief van habitatgeschiktheid?
Ik laat een aanvullend onderzoek uitvoeren door een internationale deskundige onderzoekspartij. Ik wil dat dit onderzoek zich opnieuw richt op de staat van instandhouding van wolven in Nederland en ook een eigen analyse uitvoert van de habitatgeschiktheid voor wolven in Nederland. Ik heb de betrokken onderzoekspartij gevraagd om in dit nieuwe onderzoek de specifieke situatie voor Nederland als klein en dichtbevolkt land te betrekken en dus juist ook andere relevante perspectieven zoals socio-economische overwegingen en fysieke veiligheid hier expliciet in mee te nemen.
Is in andere Europese landen al vastgesteld wat de gunstige populatieomvang zou moeten zijn?
Lidstaten rapporteren elke zes jaar de gegevens over soorten uit de Habitatrichtlijn aan de Europese Commissie (EC). Hierbij wordt ook over de wolven gerapporteerd en daarbij wordt door sommige lidstaten een Favourable reference population (FRP) genoemd. De meeste recente rapportagegegevens uit 2019 zijn te vinden op de website van de EC.3 De gegevens van de rapportage van 2025 zijn nog niet openbaar gemaakt.
Deelt u de mening dat voor een gunstige staat van instandhouding van de Centraal Europese wolvenpopulatie een relatief grotere bijdrage mag worden verwacht van meer dunbevolkte landen en een relatief kleinere bijdrage van meer dichtbevolkte landen?
Ja. Nederland kan niet zelfstandig komen tot het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van wolven. Nederland kan alleen een bijdrage leveren aan een duurzame wolvenpopulatie binnen de Centraal-Europese wolvenpopulatie.
Nederland dient net als de andere landen waarmee wij de Centraal-Europese wolvenpopulatie delen, naar redelijkheid bij te dragen aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding.
Nederland zet zich daarom in om samen te werken met de buurlanden toe te werken naar een gunstige Staat van Instandhouding van de Centraal-Europese wolvenpopulatie, waarbij de betrokken landen hierbij naar redelijkheid bijdragen.
De bijdragen die van landen mag worden verwacht is daarbij vooral afhankelijk van het potentieel geschikte habitat voor wolven. Ik ben daarbij van mening dat dichtbevolkte gebieden minder geschikt habitat bevatten in vergelijking tot dunner bevolkte gebieden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met Duitsland en andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie gevestigd is over de ontwikkeling van deze populatie en het beheer ervan?
Recent hebben op verschillende niveaus gesprekken plaatsgevonden met verschillende buurlanden, waarbij het wolvendossier onderdeel was van het gesprek. Dit is onderdeel van een doorlopend proces van samenwerking, afstemming en ervaringen delen met de buurlanden.
Het bericht ‘Van Gogh Museum dreigt deuren te sluiten, ruziet met staat over geld voor onderhoud’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de mogelijke sluiting van het Van Gogh Museum?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid gevraagd is om de subsidie aan het Van Gogh Museum met € 2,5 miljoen per jaar te verhogen om voldoende financiering te bieden voor een noodzakelijke renovatie en wat is uw argumentatie om deze financiering niet te verstrekken?
Het klopt dat het Van Gogh Museum heeft gevraagd om een verhoging van de subsidie. Ik ben van mening dat de huidige subsidie voldoende is om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Het Van Gogh Museum zal ook zelf moeten bijdragen aan de uitvoering van haar eigen renovatieplan, in het bijzonder als het gaat om werkzaamheden die verdergaan dan noodzakelijk onderhoud. Uit onderzoek van de deskundige die mijn voorganger heeft ingeschakeld maak ik op dat het noodzakelijke onderhoud kan worden bekostigd uit de huisvestingssubsidie.
Daarnaast is in de plannen van het Van Gogh Museum voorzien in een pakket aan verduurzamingsmaatregelen. Mijn deskundige heeft de kosten daarvoor geraamd op een bedrag van € 56 miljoen, op een totaal van € 104 miljoen aan investeringen. Mijn deskundige heeft het Van Gogh Museum geadviseerd om alternatieve, minder kostbare verduurzamingsmaatregelen te onderzoeken. Het is vanzelfsprekend ook mogelijk om de verduurzamingsambities bij te stellen. Die afweging is aan het museum zelf. Het staat het museum vrij om zichzelf hogere ambities te stellen, als het museum daar voldoende financiële ruimte voor heeft. Het museum kan bijvoorbeeld haar eigen vermogen (eind 2024 meer dan € 50 miljoen) aanwenden, of tegen gunstige voorwaarden lenen bij de schatkist of het Nationaal Restauratiefonds.
Klopt het dat het Van Gogh Museum jaarlijks ruim € 6 miljoen uit het eigen vermogen reserveert voor de renovatie en het opvangen van gederfde inkomsten, en hoe weegt u deze inzet van eigen middelen mee in uw beoordeling van de hoogte van de subsidie?
In de openbare jaarrekening van het museum over het jaar 2024 is inderdaad te lezen dat het museum jaarlijks ruim € 6 miljoen uit het eigen vermogen reserveert voor de renovatie en het opvangen van gederfde inkomsten.
Ik ben van mening dat de huidige subsidie voldoende is om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat het Van Gogh Museum volgens eigen onderzoek én een onafhankelijke visitatiecommissie te maken heeft met verouderde klimaatsystemen, lekkende daken, falende liften en installaties die het einde van hun levensduur hebben bereikt?
Ik verwijs naar de recente Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger met visitatierapporten die op 5 juni jongstleden met uw Kamer is gedeeld (2025D26334). De visitaties van de Rijksmusea – en de rapporten hierover – beogen een integrale evaluatie te zijn van de wijze waarop de Rijksmusea hun taken en maatschappelijke doelen opvatten en realiseren. De visitatiecommissie heeft geen bouwkundig onderzoek uitgevoerd en heeft ook geen rol bij het vaststellen van de huisvestingssubsidie.
Het Van Gogh Museum heeft het Ministerie van OCW laten weten dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Ik ben van mening dat de verleende huisvestingssubsidie voldoende is voor noodzakelijk onderhoud. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Wat is de uitkomst van het «uitgebreid onderzoek door deskundigen» dat in opdracht van uw ministerie is uitgevoerd naar de technische staat en veiligheid van het gebouw, inclusief risico’s voor bezoekers, personeel en de collectie, wanneer er geen ingrijpende renovatie plaatsvindt?
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van mijn ministerie, tijdens de bezwaarprocedure die door het Van Gogh Museum is gestart. Het onderzoek heeft gekeken naar reeds eerder uitgevoerde (meet)rapporten, het Masterplan van het Van Gogh Museum en naar de toerekening van de kosten uit het Masterplan. Uit het onderzoek leid ik af dat de jaarlijkse subsidie voldoende is voor noodzakelijk onderhoud. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u het zowel het rapport van de visitatiecommissie als het rapport als gevolg van uitgebreid onderzoek door deskundigen met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het visitatierapport van het Van Gogh Museum is reeds aan uw Kamer gezonden op 5 juni 2025 (2025D26334).
Ik zou graag het rapport van mijn deskundige met uw Kamer delen. Het Van Gogh Museum heeft mij echter verzocht om informatie te redigeren met het oog op vertrouwelijkheidsbezwaren. Ik heb het museum om verduidelijking gevraagd en wacht daar nog op. Na afronding zullen we het rapport zo spoedig mogelijk aan uw Kamer doen toekomen.
Hoe reflecteert u op de overeenkomst van 1962 tussen de Nederlandse staat en de Stichting Vincent van Gogh waarin is vastgelegd dat de staat een blijvende huisvesting voor de verzamelingen inricht en zorg voor de collectie te dragen «als ware die eigen goed»?
De Nederlandse staat is van mening dat aan de afspraken uit de overeenkomst in 1962 wordt voldaan.
Deelt u de opvatting van het museum dat deze overeenkomst ook een plicht inhoudt om het museumgebouw zo te onderhouden dat het duurzaam en veilig open kan blijven voor toekomstige generaties? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het museum dat de Nederlandse staat met de huidige financiering en onderhoudsaanpak in strijd handelt met deze overeenkomst?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Op welke termijn verwacht u een definitief besluit te nemen over de financiering en renovatie en hoe voorkomt u tot die tijd dat het museum genoodzaakt is (gedeeltelijk) te sluiten?
Het Van Gogh Museum heeft beroep aangetekend bij de rechter. De zittingsdatum is nu gepland op 19 februari 2026. Een hoger beroep is mogelijk na uitspraak van de rechter. Dit betekent dat het nog tot in 2027 kan duren voordat definitief uitsluitsel komt over de hoogte van de subsidie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het verkiezingsreces beantwoorden?
Nee, ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 2 oktober 2025.2
Het voornemen om ‘antifa’ als terroristische organisatie aan te merken. |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in de Volkskrant van 19 september jl. waarin diverse deskundigen, waaronder prof. Edwin Bakker en prof. Beatrice de Graaf, stevige kritiek uiten op de aangenomen motie om «antifa» als terroristische organisatie aan te merken?1
Ja hier heb ik kennis van genomen.
Kunt u bevestigen dat in Nederland het aanwijzen van organisaties als terroristisch uitsluitend gebeurt op basis van internationale sanctielijsten van de Europese Unie en de Verenigde Naties, of op basis van een rechterlijke uitspraak of een rapport van de veiligheidsdiensten?
Onze vrijheden en democratische rechtsstaat zijn een kostbaar bezit. Het is van groot belang dat deze zo goed mogelijk worden beschermd. Nederland kent dan ook een sterke bescherming van de vrijheid van organisatie en vereniging. Tegelijkertijd zien we dat er organisaties in Nederland zijn die misbruik maken van deze vrijheden, bijvoorbeeld doordat zij terroristische activiteiten ondersteunen. Het kabinet is er alles aan gelegen om tegen dergelijke organisaties op te treden.
De beoordeling of er sprake is van een terroristische organisatie is in een strafzaak voorbehouden aan de rechter. Het moet gaan om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon, waarbij het oogmerk van dat samenwerkingsverband is gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Wetboek van Strafrecht (Sr) en die zijn begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk. Dit wordt op basis van feiten en omstandigheden door de rechter beoordeeld.
Daarnaast kan de Minister van Buitenlandse Zaken bij voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, deze personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Voldoende aanwijzingen zijn onder meer:
De instelling van een onderzoek of vervolging door een bevoegde instantie wegens een terroristische activiteit of poging daartoe, of de deelname aan- of het vergemakkelijken van een dergelijke activiteit, met name door financiering;
Een veroordeling door de rechter voor voorgenoemde feiten;
Een ambtsbericht van de AIVD dat geloofwaardige indicaties bevat van betrokkenheid van een persoon of organisatie bij een terroristische activiteit of poging daartoe.
Het plaatsen van personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme is een vergaande en ingrijpende maatregel die een zorgvuldig proces vereist. Alleen wanneer wordt voldaan aan de juridische vereisten voor een dergelijke plaatsing, zal een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst.
Op internationaal niveau kunnen de Verenigde Naties en de Europese Unie sancties opleggen aan personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden. Het EU-terrorisme sanctieregime (GS9312) is ter implementatie van VN Veiligheidsraad Resolutie 1373 (2001).
Personen, groepen en entiteiten kunnen worden toegevoegd aan de sanctielijst behorend bij het EU-terrorisme sanctieregime (GS931) als hiervoor sprake is van een grondslag in een nationale beslissing van een bevoegde instantie van een lidstaat van de EU. Die nationale beslissing moet betrekking hebben op de inleiding van een onderzoek of een vervolging wegens een terroristische daad, poging tot het plegen van een dergelijke daad, of de deelname aan of het vergemakkelijken van een dergelijke daad, op grond van bewijzen of serieuze en geloofwaardige aanwijzingen, dan wel om een veroordeling wegens dergelijke feiten. Indien sprake is van een dergelijke nationale beslissing, kan de Raad van de EU besluiten de persoon, groep of entiteit op de sanctielijst van GS931 te plaatsen. Voordat de Raad tot een plaatsing overgaat, moet het verifiëren of de nationale beslissing aan een aantal voorwaarden voldoet. De door de bevoegde instantie vastgestelde feiten dienen overeen te komen met terroristische handelingen zoals gedefinieerd in GS931 en de plaatsing van een persoon, groep of entiteit gebaseerd op de sanctielijst dient gebaseerd te zijn op recente feiten. Een bevoegde instantie kan in principe instanties van derde staten omvatten. Daarbij geldt de aanvullende voorwaarde dat de nationale beslissing genomen dient te zijn met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming. Plaatsing van een persoon, groep of entiteit op de sanctielijst van het EU-terrorisme sanctieregime geschiedt op basis van eenparigheid van stemmen («unanimiteit») in de Raad.
Plaatsing op de nationale en/of EU-sanctielijst terrorisme heeft tot gevolg dat de tegoeden en economische middelen van de betreffende persoon, groep of entiteit worden bevroren en dat er een verbod is op de beschikbaarstelling van tegoeden en economische middelen aan deze persoon, groep of entiteit. Plaatsing van een persoon, groep of entiteit op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, BW en artikel 10:122 BW indien het een buitenlandse corporatie betreft).
Deelt u de analyse dat een motie die oproept om «antifa» als terroristische organisatie te bestempelen, voorbijgaat aan dit rechtsstatelijk kader en daarmee verwachtingen wekt die juridisch niet uitvoerbaar zijn?
Nederland heeft door de jaren heen (inter)nationaal en lokaal een robuust netwerk van samenwerkende professionals met expertise en wettelijke bevoegdheden opgebouwd om aanslagen te voorkomen en extremisme en terrorisme tegen te gaan. Dit is verankerd in de Nationale Contraterrorisme strategie 2022–2026.3 Gelet op de grote impact van terrorisme en extremisme op de gehele samenleving, kent het beleid verschillende verregaande en ingrijpende maatregelen. Voor al deze maatregelen geldt dat de voorwaarden om een dergelijke maatregel op te kunnen leggen wettelijk zijn vastgelegd. Een besluit moet altijd gedegen (juridisch) worden onderbouwd op basis van feiten, waarbij ook de proportionaliteit en subsidiariteit wordt meegewogen. Vervolgens kunnen deze besluiten getoetst worden door de rechter.
Het plaatsen van personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme of EU of VN sanctielijst terrorisme is één van de vergaande en ingrijpende maatregelen. Per persoon, groep of organisatie wordt nauwgezet gekeken naar de omstandigheden en aanwijzingen. Daarbij is en blijft maatwerk geboden. Een dergelijk besluit kan enkel worden genomen als aan de wettelijke vereisten voor plaatsing is voldaan, zie ook de beantwoording van vraag 2.
Gelet op bovenstaande is de motie door de Minister-President ontraden. Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over het stemgedrag van Kamerleden. Het is aan het kabinet om een appreciatie te geven op moties en bij een aangenomen motie – binnen de wettelijke kaders – zorgvuldig te kijken naar de mogelijkheden om de motie uit te voeren. Dat is ook het geval bij onderhavige motie, waarbij het kabinet nauwgezet kijkt naar de omstandigheden en aanwijzingen en deze toetst aan de – hierboven toegelichte – wettelijke eisen. Over de uitkomsten hiervan zal ik uw Kamer voor het kerstreces per brief informeren.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de rechtsstaat wanneer Kamermeerderheden oproepen tot maatregelen die haaks staan op vijftig jaar antiterrorismebeleid, zoals door prof. De Graaf benoemd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat politieke druk of morele paniek aanleiding kan geven tot het nemen van stappen die het fundament van de Nederlandse rechtsstaat ondermijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u in dit licht de proportionaliteit en doelmatigheid van het in de motie gevraagde beleid?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het risico reëel dat het labelen van een brede, losse beweging als «terroristisch» juist kan leiden tot verdere radicalisering, doordat gematigde stemmen buitenspel worden gezet en extremere individuen meer ruimte krijgen, zoals prof. Bakker waarschuwt?
In onze democratische rechtsstaat is de vrijheid van meningsuiting een groot goed. In een gezonde democratie moet het debat stevig gevoerd kunnen worden op de inhoud, waarbij juist ook ruimte is voor van de meerderheid afwijkende, tegendraadse of minder alledaagse standpunten of ideeën. Opvattingen mogen schuren of zelfs choqueren. Daarentegen zijn er wel grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, namelijk daar waar de wet wordt overtreden.
Wanneer sprake is van extremisme en terrorisme zal het kabinet altijd streng optreden binnen de wettelijke kaders. Als er voldoende feitelijke informatie voorhanden is dat een persoon of organisatie zich bezighoudt met terroristische activiteiten en bijvoorbeeld op de nationale sanctielijst terrorisme zou moeten worden geplaatst, zal het kabinet daar dan ook toe overgaan. Aangezien het een ingrijpende en verregaande maatregel betreft, blijft maatwerk geboden en worden alle omstandigheden meegewogen. Met een dergelijk zwaarwegend besluit gaat het kabinet niet lichtvaardig om.
Het is niet aan mij om de ontwikkelingen in de Verenigde Staten te duiden.
Kunt u reflecteren op de vergelijking die deskundigen trekken met ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar volgens hen de uitholling van de rechtsstaat mede begon met het lichtvaardig bestempelen van tegenstanders als «terroristen»?
Zie antwoord vraag 7.
Acht u het uitvoeren van de aangenomen motie in strijd met de Nederlandse rechtsstaat en met de geldende juridische kaders voor aanwijzing van terroristische organisaties? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan en hoe gaat u met de uitvoering van deze motie om? Zo nee, waarom niet? Welke juridische grondslag ziet u wél voor uitvoering?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet- publiceren van een kritisch onderzoek naar corruptiebestrijding |
|
Michiel van Nispen |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money (FTM) «Ministerie hield kritisch rapport over corruptie onder de pet»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het ministerie de kwaliteit van het rapport «Is de Nederlandse overheid bestand tegen corruptie?' als ondermaats beoordeelde en het daarom niet publiceerde, terwijl meerdere onafhankelijke experts, waaronder tegenlezers zoals de Rijksrecherche, het juist als gedegen bestempelden?
Hoewel het document vanwege de aangebrachte opmaak en titel oogt als een afgerond rapport, is het een interne verslaglegging van gevoerde gesprekken. Als zodanig is het niet gepubliceerd, maar gebruikt als waardevolle input en richting voor de nieuwe anti-corruptieaanpak. Deze aanpak is in juni 2025 via een Kamerbrief met de Tweede Kamer gedeeld en is een prioriteit van dit kabinet.2
Hoe valt het te verklaren dat de methodologie van het rapport nu bekritiseerd wordt, terwijl de directoraat-generaal (DG) Ondermijning zelf om het verkennend onderzoek heeft gevraagd en vóór openbaarmaking (na het Wet open overheid-verzoek van FTM) nooit kritiek op de gehanteerde methodologie heeft geuit richting de auteurs?
Door de opstellers, die destijds werkzaam waren bij DG Ondermijning, zijn ten behoeve van de probleemverkenning gesprekken gevoerd met ongeveer 160 personen, waaronder partnerorganisaties. Ook een verslag van een dergelijke verkenning dient aan bepaalde maatstaven van juistheid en verifieerbaarheid te voldoen.
Gedurende de looptijd van de verkenning hebben de opstellers feedback van collega’s ontvangen op tussenproducten. De feedback, vragen en opmerkingen over onder meer de methodologische tekortkomingen zijn slechts ten dele verwerkt in het eindverslag zoals opgeleverd door de opstellers.
De auteurs zelf noemen het een eindverslag van een verkennend onderzoek, waarom wordt er vanuit het ministerie de suggestie gewekt dat het een wetenschappelijke rapportage zou zijn?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2, betreft dit document geen rapport maar een interne verslaglegging van gevoerde gesprekken.
Het ministerie stelt dat het rapport feitelijke onjuistheden bevatte; kunt u concreet aangeven om welke onjuistheden het gaat? Ook wordt gesteld dat informatie ontbreekt in het rapport; kunt u toelichten welke informatie dit betreft?
De inhoudelijke hoofdlijnen en conclusies zijn gebruikt als waardevolle input voor de recent gepresenteerde aanpak van corruptie, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Een voorbeeld van feitelijke onjuistheden in het document is het niet juist of onvoldoende genuanceerd weergeven van bepaalde bronnen, zoals het verwijzen naar bepaalde conclusies uit bronnen zonder de daarin genoemde nuances te schetsen. Een ander voorbeeld is het opvoeren van juridisch onjuiste stellingen, zoals de stelling dat strafverzwaring niet mogelijk is wanneer een strafbaar corruptiefeit een link heeft met de georganiseerde criminaliteit.
Een voorbeeld van informatie die ontbreekt in het verslag, is belangrijke informatie die door bepaalde gesprekspartners aan de opstellers is verstrekt. Dit betreft bijvoorbeeld de inbreng van gesprekspartners die een andere visie hadden dan de opstellers.
Waarom stelt het ministerie dat in het rapport te veel de mening van de auteurs doorklinkt, terwijl de aanbevelingen en conclusies grotendeels aansluiten bij die van internationale instituties?
De aanbevelingen en conclusies uit dit stuk zijn gebruikt als waardevolle input voor de recent gepresenteerde aanpak van corruptie, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Tegelijkertijd is het zo dat de inbreng van gesprekspartners die een andere visie op bepaalde vraagstukken dan de opstellers hadden, in het verslag ontbreekt. Ook is de verslaglegging op punten suggestief en zijn de gespreksverslagen niet bij alle gesprekspartners gevalideerd. In een aantal passages zijn de opstellers onevenredig kritisch over de samenwerkingspartners, en in een enkele passage is de kritiek te herleiden naar een persoon. Deze uitlatingen zijn niet in alle gevallen voor wederhoor voorgelegd aan de relevante betrokkenen.
Waarom is in het rapport één van slotconclusies «Bestuurlijke verantwoordelijkheid is onvoldoende en leiderschap schiet tekort» bij openbaarmaking weggelakt?
Deze passage is gelakt op grond van artikel 5.1 lid 2 sub i en 5.2 lid 1 van de Woo. Het betreft onder meer uitlatingen in de vorm van een persoonlijke beleidsopvatting. Persoonlijke beleidsopvattingen zijn ambtelijke adviezen, meningen, visies en standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad.
Herkent u zich in het beeld dat de auteur van het rapport schetst, namelijk dat niemand van het DG Ondermijning contact heeft opgenomen met hem, bijvoorbeeld met klachten over de kwaliteit?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Gezien het feit dat in het rapport aandacht wordt besteed aan de Nota Corruptiepreventie uit 2005, welke was gebaseerd op het WODC-onderzoek van Huberts en Nelen uit datzelfde jaar en in die nota talrijke actiepunten zijngeformuleerd over samenwerking tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder meer op het gebied van voorlichting over de aangifteplicht van ambtenaren en de klokkenluidersregeling; wat vindt u van de constatering dat een groot deel van die actiepunten en problemen uit die nota uit 2005 nog steeds actueel en niet opgelost zijn? Wat gaat u daaraan doen?
Sinds de publicatie van de Nota Corruptiepreventie uit 2005 zijn verschillende maatregelen getroffen om het anti-corruptiebeleid, het integriteitsbeleid en de bescherming van klokkenluiders te versterken. Zo bevat de Ambtenarenwet 2017 verschillende integriteitsverplichtingen voor overheidswerkgevers en ambtenaren, en kent de Rijksoverheid één Gedragscode Integriteit Rijk waarmee rijksambtenaren worden geïnformeerd over bestaande meldvoorzieningen. In de nota integriteit openbaar bestuur3 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgebreid stilgestaan bij het integriteitsbeleid voor het openbaar bestuur en de voortgang die op dit terrein is geboekt. Verder is in 2016 de Wet Huis voor klokkenluiders in werking getreden en is het Huis voor klokkenluiders opgericht. Met de wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders naar de Wet bescherming klokkenluiders in 2023 is de rechtsbescherming van (potentiële) melders van vermoedens van misstanden verder versterkt. De constatering dat een groot deel van de actiepunten en problemen uit de nota nog steeds actueel en niet opgelost zijn, herken ik dan ook niet. Dit neemt niets van de urgentie van de problematiek weg. De bestrijding en preventie van corruptie vraagt om constante aandacht en inzet. Het is belangrijk dat medewerkers de integriteitsregels kennen, en weten bij wie zij terecht kunnen bij vragen en/of meldingen. Het kabinet ziet de bestrijding en preventie van corruptie als één van haar speerpunten, zoals opgetekend in de recente anti-corruptieaanpak.
Klopt het dat het Platform Corruptiebestrijding nog steeds bestaat, maar niet gebruikt wordt en dat diverse instanties binnen de overheid niet eens op de hoogte zijn van het bestaan? Hoe kan dit?
Het Platform Corruptiebestrijding is tijdens de coronaperiode geheel stil komen te liggen. Hierna is uit gesprekken met diverse deelnemers gebleken dat er onvoldoende behoefte bestond om het Platform weer te hervatten. In het Platform konden partijen met elkaar ervaringen en best practices uitwisselen. Door de jaren heen zijn hiervoor zowel tussen partijen onderling als met het Ministerie van Justitie en Veiligheid andere (periodieke) overleggen georganiseerd. Zo heeft Justitie en Veiligheid in 2024 op ambtelijk niveau een anti-corruptieoverleg voor meerdere ministeries georganiseerd en zijn er periodieke overleggen met het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche. Daarnaast organiseert Justitie en Veiligheid eens in de twee jaar een Anti-Corruptiecongres voor zowel de publieke als de private sector.
Deelt u de analyse dat de dalende positie van Nederland op de Corruption Perceptions Index, samen met kritiek van organisaties als GRECO en de Open State Foundation, wijst op een groeiend corruptierisico? Bent u bereid om werk te maken van een overheidsbreed anti-corruptiebeleid, bijvoorbeeld via een onafhankelijke anti-corruptieautoriteit?
Het kabinet onderschrijft dat Nederland niet naïef mag zijn in de aanpak van corruptie. De aanpak van corruptie heeft dan ook de volle prioriteit. Dat er in Nederland corruptierisco’s zijn, wordt bevestigd door diverse strafzaken en door rapporten van (internationale) organisaties. De Corruption Perceptions Index van Transparency International meet niet de daadwerkelijke corruptie in een land, maar de perceptie van corruptie. De daling op deze index weerspiegelt dus een dalend vertrouwend van geraadpleegde experts in de politiek en eerlijke besluitvorming in Nederland.
In de met uw Kamer gedeelde overheidsbrede aanpak van corruptie heeft het kabinet deze aanpak langs vier lijnen geïntensiveerd. Zoals in de aanpak vermeld, wordt momenteel de eerste National Risk Assessment Corruptie (NRA) door het WODC uitgevoerd. De NRA zal periodiek inzicht geven in de grootste corruptierisico’s voor Nederland. Dit maakt het mogelijk om risico-gestuurd te werken en het anti-corruptiebeleid telkens op de grootste kwetsbaarheden te richten.
Het kabinet zet in op nauwe samenwerking tussen alle betrokken organisaties. Daarom coördineer ik de uitvoering van de corruptieaanpak samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarnaast komen de relevante organisaties in meerdere gremia samen, zoals het Strategisch Beraad Ondermijning4 en de Ambtelijke Commissie Aanpak Ondermijning.
Bent u bereid het pleidooi van de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie om «handel in invloed» strafbaar te stellen opnieuw te overwegen en dit in wetgeving op te nemen?
In reactie op de Kamervragen van Kamerlid Van Nispen van 4 februari jl. heb ik toegelicht waarom ik geen lacune in de huidige wetgeving zie.5 Ook heb ik hierin aangegeven dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie geen bestuurlijk signaal hebben afgegeven over een strafbaarstelling van ongeoorloofde beïnvloeding (handel in invloed).
Dit neemt niet weg dat de toekomstige richtlijn ter bestrijding van corruptie in de Europese Unie diverse strafbepalingen bevat, waaronder ongeoorloofde beïnvloeding. Het is onwenselijk om vooruitlopend op de uitkomsten van de onderhandelingen over de corruptierichtlijn met nationale wetgevingsinitiatieven te komen, aangezien een nieuwe strafbaarstelling snel achterhaald zou kunnen zijn als in de definitieve richtlijn een afwijkende omschrijving van ongeoorloofde beïnvloeding zou worden opgenomen.
Na afronding van de trilogen met het Europees Parlement en de Europese Commissie zal worden bekeken of ter implementatie van de richtlijn wijzigingen van de nationale strafwetgeving noodzakelijk zijn. Indien dit zo is, zal daartoe een wetsvoorstel in procedure worden gebracht. Het OM kan zich vinden in dit proces.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat studies – met mogelijk relevante conclusies voor de Kamer – in het vervolg openbaar worden gemaakt en niet worden achtergehouden of beïnvloed door politiek-bestuurlijke overwegingen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is uiteengezet, gaat het in dit geval niet om een studie maar om een intern verslag.
In algemene zin geldt dat door bestuursorganen aangevraagde wetenschappelijke studies door de verantwoordelijke onderzoekers worden gepubliceerd. Hierop volgt in beginsel na uiterlijk zes weken een beleidsreactie die aan uw Kamer wordt toegezonden.
Op grond van de Wet open overheid (Woo) moet steeds meer informatie actief openbaar gemaakt worden. In de wet zijn hiervoor 17 informatiecategorieën opgenomen die overheidsorganisaties op termijn verplicht actief openbaar moeten maken, waaronder vastgestelde onderzoeksrapporten.6 Op het moment dat de verplichting tot actieve openbaarmaking voor deze categorie in werking treedt zijn bestuursorganen wettelijk verplicht deze informatie binnen twee weken openbaar te maken, tenzij de uitzonderingsgronden in de Woo daaraan in de weg staan. Wanneer informatie uit een verplichte categorie (bijvoorbeeld een onderzoeksrapport) in zijn geheel niet openbaar gemaakt kan worden, moet het bestuursorgaan hier een mededeling over doen.
De brug bij Urmond |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Geert Gabriëls (GL) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Klopt het dat er geen alternatieve oeververbinding voor fietsers en voetgangers wordt gerealiseerd als de brug bij Urmond voor anderhalf jaar wordt gesloten voor renovatie?
Rijkswaterstaat zal geen alternatieve oeververbinding realiseren tijdens de renovatiewerkzaamheden aan brug Urmond. De renovatie van brug Urmond maakt onderdeel uit van de grote instandhoudingsopgave van Rijkswaterstaat en zorgt ervoor dat de brug na renovatie weer decennia mee kan. Hinder is daarbij helaas niet te voorkomen binnen de technische, financiële, juridische en ruimtelijke randvoorwaarden.
Is onderzocht hoeveel fietsers en voetgangers dagelijks gebruik maken van de brug?
De gemeente Stein heeft, als wegbeheerder, een onderzoeksbureau ingeschakeld om de verkeersintensiteit op en rondom de tijdelijke sluiting van de brug in kaart te brengen. Hierbij wordt ook het gebruik door fietsers en voetgangers betrokken. In het kader van dit onderzoek wordt in werkgroep B, onderdeel van de bredere klankbordgroep, samen met de gemeente, omwonenden en Rijkswaterstaat gewerkt aan het opstellen van passende verkeersmaatregelen.
Welke diensten en voorzieningen in Urmond zijn slechts «aan de andere kant van de brug» beschikbaar, en door de renovatie dus minder goed bereikbaar?
Alle voorzieningen en diensten blijven bereikbaar door via brug Berg naar de andere kant van Urmond te gaan, hetzij met een extra reistijd van circa 6 minuten voor autoverkeer, 10 minuten voor fietsers en 40 minuten voor voetgangers.
Welke andere opties zijn er om ouderen, mensen die minder ver kunnen fietsen en mensen die geen auto hebben tegemoet te komen?
Tijdens de renovatie van brug Urmond past Arriva de dienstregeling aan door een andere route via brug Berg te rijden. De capaciteit van de bussen wordt ook uitgebreid om de omleiding te kunnen faciliteren. Binnen de gemeente Stein rijdt momenteel een wensauto. Samen met de leden van werkgroep B en de gemeente Stein wordt onderzocht of deze dienstverlening kan worden uitgebreid. In werkgroep B worden ook andere maatregelen onderzocht die de meer kwetsbare groepen betrokkenen kunnen faciliteren.
Als een tijdelijke brug geen optie is, waarom dan geen fietspont? Wat zou een tijdelijke pont voor fietsers en voetgangers kosten, als deze bijvoorbeeld 12 uur per dag in bedrijf is?
De mogelijkheden die een oversteek over water kan bieden worden op dit moment nader onderzocht door de klankbordgroep. Daarbij spelen factoren als veiligheid, technische uitvoerbaarheid, kosten en regelgeving een bepalende rol. Mocht daaruit een haalbaar alternatief naar voren komen, dan blijft de vraag in hoeverre dit alternatief daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van de bereikbaarheidsproblemen die worden voorzien tijdens de sluiting van de brug.
Op dit moment zijn de kosten nog niet bekend.
Het bericht dat Oekraïense mannen zelf huisvesting moeten regelen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Keijzer: Oekraïense mannen moeten zelf huisvesting gaan regelen»?1
Ja.
Kunt u aangeven op welke termijn u van plan bent om mannen die werken uit te zonderen van de rechten die ze hebben op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming?
Er is de ruimte om ontheemden die daartoe in staat zijn en bereid zijn, omdat zij bijvoorbeeld een inkomen hebben, zelfstandig een woonplek te laten zoeken. Gebruikmaking van deze ruimte hiervan acht ik wenselijk en ook gerechtvaardigd doordat de opvangcapaciteit voor ontheemden tegen zijn grenzen aanloopt. Er zijn zo goed als geen opvangplekken meer beschikbaar en dit levert schrijnende situaties op voor de meest kwetsbaren onder de doelgroep, zoals gezinnen met kinderen. Daarom moedig ik ontheemden die hiertoe bereid en bij machte zijn zelf een plek te zoeken. Er zijn al ontheemden die dat is gelukt. Zo blijft er ruimte voor hun meer kwetsbare landgenoten in de opvang. Wel blijven ontheemden uit Oekraïne die aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voldoen, recht hebben op bescherming. Dit vloeit voort uit de RTB waaraan Nederland is gebonden en is neergelegd in de Tijdelijke Wet Opvang ontheemden Oekraïne (TWOO). Het is niet mogelijk hierop eigenstandig specifieke doelgroepen uit te zonderen. Daarnaast verken ik met de VNG en andere betrokkenen hoe we redelijk en billijk met de nu ontstane situatie aan krapte om kunnen gaan en kunnen bezien wie op welk bed geplaatst wordt, met inachtneming van het recht op bescherming zoals dit is voorgeschreven in de RTB. Ik verwacht binnenkort meer te kunnen delen.
Kunt u concretiseren welke doelgroep specifiek u van plan bent uit te zonderen en kunt u aangeven hoe hoog het inkomen dan moet zijn?
Ontheemden uit Oekraïne die zichzelf kunnen redden en bereid zijn om zelfstandig een woonplek te regelen, vraag ik met klem dit te doen.
Bent u voornemens om vervolgens vrouwen die werken uit te zonderen van de opvang? Zo nee, waarom niet?
Er zullen ongetwijfeld (ook) Oekraïense vrouwen zijn die zichzelf kunnen redden en bereid zijn om een eigen woonplek te realiseren. Ook aan hen geldt mijn oproep. Door middel van deze oproep torn ik niet aan het recht op opvang, maar beoog ik de meest kwetsbaren onder de doelgroep als eerste te kunnen blijven opvangen.
Klopt het dat u stelt dat de Richtlijn ruimte biedt om mensen terug te sturen naar het land waar ze eerder waren, of om te vragen zelf onderdak te regelen? Zo ja, kunt u artikelen in de Richtlijn aanwijzen die deze ruimte zouden moeten bieden?
In het kader van de laatste verlenging van de tijdelijke bescherming tot en met 4 maart 2027 die onlangs plaatsvond2, met behoud van de op EU niveau afgegeven verklaring over het niet toepassen van artikel 11 van de RTB, is de mogelijkheid opgenomen dat lidstaten geen tijdelijke bescherming hoeven te verlenen aan ontheemden uit Oekraïne die al tijdelijke bescherming hebben in een andere EU-lidstaat (overweging 5 verlengingsbesluit). Ik bekijk momenteel met de IND hoe we hier invulling aan kunnen geven. Dit zou dan in principe per 4 maart 2026 ingaan, omdat deze verlenging dan ingaat. Ik verwacht uw Kamer hierover dit najaar nader te kunnen informeren. Voorgenoemd artikel 11 van de RTB3 stelt dat een persoon met tijdelijke bescherming in een EU-lidstaat, dat land die persoon mag terugsturen als diegene zonder toestemming in een ander EU-land is of daar probeert te komen. Sinds het begin van de grootschalige Russische invasie is er in EU-verband evenwel onvoldoende steun voor toepassing van artikel 11 van de RTB. Daarom is een verklaring4 afgegeven dat artikel 11 van de RTB niet wordt toegepast in solidariteit met lidstaten die door activering onevenredig worden belast.
Er kan aan ontheemden uit Oekraïne die zichzelf kunnen redden, omdat zij bijvoorbeeld een inkomen hebben worden gevraagd om een eigen woonplek te regelen.5 In het langetermijnbeleid dat ik, samen met betrokken departementen, uitwerk, zet ik in op een transitie naar huisvesting. Het doel is normaliseren zodat ontheemden op basis van hun inkomen huur kunnen gaan betalen.
Artikel 13 (1) van de RTB stelt dat de EU-lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen ter beschikking krijgen om huisvesting te vinden. Dat betekent dat aan ontheemden middelen ter beschikking gesteld kunnen worden ten behoeve van huisvesting, of bij vaststelling van voldoende inkomen, dat hen gevraagd wordt zelf in huisvesting te voorzien. Het inregelen en uitvoeren van een dergelijke systematiek hiervoor onder de RTB vergt een aanpassing van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en mogelijk ook de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO). Daarnaast vergt dit substantiële inzet van gemeenten en doen zich complicerende factoren voor, waaronder het gebrek aan een sociaal vangnet, de krapte op de woningmarkt en de sociaaleconomische positie van ontheemden uit Oekraïne die maken dat huren of kopen naar verwachting voor weinig ontheemden in de gemeentelijke opvang is weggelegd.
In hoeverre verwacht u dat dit besluit juridisch standhoudt?
Als ik deze vraag zo moet lezen dat met besluit wordt bedoeld, het vragen aan ontheemden om zelf in een woonplek te voorzien als ze daartoe bij machte zijn, dan is dit juridisch mogelijk. Zoals hierboven benoemd, is het juridisch niet mogelijk specifieke groepen ontheemden uit Oekraïne uit te zonderen van het recht op opvang onder de RTB. Het niet verstrekken van tijdelijke bescherming aan ontheemden die tijdelijke bescherming in een andere lidstaat hebben, wordt als onderdeel van het RTB-verlengingsbesluit onderzocht. Hierbij wordt ook zorgvuldig gekeken naar de juridische basis voor de afwijzing.
Heeft u in kaart hoe groot de groep is die u voornemens bent uit te zonderen van de gemeentelijke opvang?
Nee. In zijn algemeenheid kan ik uw Kamer melden dat begin september 2025 ongeveer 132.000 ontheemden uit Oekraïne zijn ingeschreven in de BRP en er circa 98.000 gemeentelijk opvangplekken zijn gerealiseerd. Ongeveer 95.000 ontheemden vallen in de leeftijdscategorie van 18–65 jaar. Circa 60.000 ontheemden van deze leeftijdscategorie zijn vrouw en circa 35.000 man. Het merendeel van de ontheemden heeft een baan, vaak onder hun eigen niveau en in laagbetaalde sectoren.
Zoals hierboven vermeld, betreft het een oproep om zelf in opvang te voorzien, en is geen sprake van het onthouden van het recht op opvang.
Erkent u dat Oekraïense mannen vaak werken in laagbetaalde, tijdelijke of flexibele banen en dat de kans dat ze zonder goede opvang op straat belanden, slachtoffer worden van arbeidsuitbuiting en malafide huisbazen groter wordt?
In zijn algemeenheid zien we ook dat ontheemden, waaronder de mannen, veelal tijdelijke banen hebben en in sectoren werken waar de salarissen doorgaans niet hoog zijn. Uit onderzoek van het CBS volgt dat op 1 mei 2025 61% van de ontheemden uit Oekraïne tussen de 15- en 65 jaar in loondienst werkte.6 In de leeftijdscategorie 15–25 jaar werkte 52% in loondienst. Onder mannen was het aandeel werkenden 59%. De meeste ontheemden werkten op dat moment als uitzendkracht (36%), oproepkracht (23%), of hadden een ander tijdelijk dienstverband (28%). Uit onderzoek7 blijkt dat veel ontheemden uit Oekraïne financiële zorgen hebben en moeite hebben om rond te komen.
Er is een risico dat zij, wanneer zij geen aanspraak kunnen maken op opvangvoorzieningen, extra kwetsbaar worden voor slechte leef- en werkomstandigheden. Een grotere afhankelijkheid van werkgevers, bijvoorbeeld voor de huisvesting, kan leiden tot misstanden en uitbuiting van ontheemden uit Oekraïne. Deze problematiek is ook zichtbaar onder arbeidsmigranten. Het kabinet heeft daarvoor verschillende maatregelen getroffen.8
Verwacht u dat deze maatregel negatieve effecten zou kunnen hebben op de bereidheid om te werken? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet blijft om belemmeringen om te werken zoveel mogelijk weg te nemen. Werk is voor nieuwkomers in Nederland, waaronder ontheemden uit Oekraïne, onder andere belangrijk voor het meedraaien in de Nederlandse samenleving en draagt daarmee bij aan het versterken van hun (financiële) zelfredzaamheid.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor het commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid van 2 oktober 2025?
Ja.
Het bericht 'Gesol met kinderopvang verdient geen schoonheidsprijs' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen dat de personeelskrapte in de kinderopvangsector en het tekort aan plekken, met een grotere vraag naar «gratis» opvang zullen toenemen?1
Het belangrijkste doel van het nieuwe financieringsstelsel is om ouders meer eenvoud en zekerheid te bieden. Dat wordt onder meer bereikt door een inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. De verwachting is dat de vraag naar kinderopvang hierdoor zal stijgen. Dat kan positief zijn voor de arbeidsparticipatie. Wanneer de groei van het aanbod echter achterblijft bij de toename van de vraag, bijvoorbeeld door personeelskrapte en een tekort aan plekken, levert dit risico’s op voor de toegankelijkheid. Dit risico is een direct gevolg van de fundamentele keuze voor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid in het nieuwe stelsel.
In het verleden heeft de flexibele, ondernemende kinderopvangsector laten zien dat een flinke groei mogelijk is. Tussen 2019 en 2024 is het aantal vergoede uren kinderopvang namelijk toegenomen met 23,6%. Dat is vergelijkbaar met de vraagtoename die het kabinet verwacht van 2024 tot 2031 als gevolg van het nieuwe stelsel.2 Door middel van kwartaalrapportages wordt de ontwikkeling van het aanbod en tarieven gemonitord. Daarnaast voert het kabinet flankerend beleid. In mijn brief van 15 september 20253 geef ik aan welke maatregelen het kabinet neemt om de toegankelijkheid en doelmatigheid te borgen, zodat kinderen een zo goed mogelijke start maken, werken voor ouders meer loont, publieke uitgaven goed worden besteed en kinderopvang toegankelijk blijft.
Zo heeft het kabinet heeft eerder besloten om invoering van het nieuwe stelsel met twee jaar uit te stellen tot 1 januari 2029. Dit geeft de markt twee jaar extra tijd om zich aan te passen aan het nieuwe stelsel en de bijbehorende intensivering. Bovendien geeft dit handelingsperspectief om aanvullende maatregelen te nemen indien informatie uit de kwartaalrapportages daar aanleiding toe geven. Ook heeft het kabinet besloten om in 2026 niet te bezuinigen en de maximumuurprijs wél te indexeren. Daarnaast voert het kabinet arbeidsmarktbeleid om te stimuleren dat er meer personeel in de kinderopvang komt werken. Hiervoor worden samen met de sector doorlopend acties en maatregelen genomen. Dit omvat onder meer subsidies gericht op het aantrekken en behoud van personeel en het stimuleren van meer uren werken. Voorgenoemde brief uit september geeft daarnaast een overzicht van potentiële aanvullende maatregelen om de toegankelijkheid te borgen.
Deelt u de zorg dat dit tot een verdringingsrisico kan leiden voor veel werkende gezinnen, wat de kinderopvang als arbeidsmarktinstrument ondermijnt?
Voor een groot deel van de ouders wordt kinderopvang in het nieuwe stelsel beter betaalbaar. Zij krijgen immers momenteel minder vergoed dan de 96% die straks voor alle inkomens geldt. Dat betekent dat voor de meeste ouders meer werken ook meer gaat lonen. Dat versterkt kinderopvang als arbeidsmarktinstrument. Daar staat tegenover dat wanneer prijzen stijgen door krapte, kinderopvang duurder kan worden voor de groep ouders met lagere inkomens die momenteel al de maximale vergoeding van 96% ontvangen. Dat kan onder andere het risico op verdringing geven. Het kabinet voert flankerend beleid om de risico’s te beheersen. Specifiek gericht op de toegankelijkheid van ouders met lagere inkomens, krijgen gemeenten in het nieuwe stelsel meer mogelijkheden om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden. Dit wordt mogelijk gemaakt door de huidige doelgroepen voor het vergoeden van de ouderbijdrage (artikel 1.13 van de Wet kinderopvang) los te laten in het wetsvoorstel.
Deze aanpassing geeft gemeenten meer ruimte om betaalbare kinderopvang voor meer kwetsbare groepen mogelijk te maken. Hier zijn in de afgelopen voorjaarsbesluitvorming ook extra budgettaire middelen voor gereserveerd.
Ziet u het risico dat met het invoeren van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB)-regime, investeringen, kruissubsidiëring van onrendabele locaties en innovaties in de kinderopvangsector lastiger worden, terwijl we die met een toenemende vraag juist nodig hebben?
In het nieuwe stelsel verhoogt de overheid haar bijdrage aan kinderopvang aanzienlijk, met een structurele intensivering van circa € 3 miljard per jaar. De totale overheidsbijdrage stijgt daarmee naar ongeveer € 9 miljard per jaar, ruim anderhalf keer zoveel als nu. Het kabinet wil deze middelen inzetten voor betaalbare kinderopvang voor werkende ouders. Het invoeren van een DAEB draagt eraan bij dat overheidsmiddelen voor kinderopvang ook daadwerkelijk aan dit doel ten goede komen. Het vergroot de prikkel om opbrengsten te (her)investeren in kwaliteit en aanbod in de sector.
Door de hoge bedragen die aan kinderopvangorganisaties worden uitgekeerd is er in het nieuwe stelsel sprake van staatssteun. Door kinderopvang aan te merken als DAEB, wordt gewaarborgd dat de verleende staatssteun geoorloofd is en daarmee verenigbaar is met de Europese staatssteunregels. Het kabinet heeft met het nieuwe financieringsstelsel als doel om de kinderopvang stabiele, toekomstbestendige financiering te bieden. Het kabinet ziet het als zijn verantwoordelijkheid om een stelselontwerp te maken zonder het risico dat de Europese Commissie of een rechter in de toekomst concludeert dat sprake was van ongeoorloofde staatssteun. Dit zou namelijk enorme negatieve gevolgen hebben voor de kinderopvangsector en ouders. In dat geval moet alle verleende steun teruggevorderd worden bij de kindercentra en gastouderbureaus.
Het DAEB-kader is zo ontworpen dat marktpartijen actief kunnen blijven en ondernemen mogelijk blijft. De sector houdt binnen de DAEB de ruimte om te investeren in capaciteit en kwaliteit van de kinderopvang én kan daar een redelijke winst mee blijven maken. De komende periode wordt de DAEB nader uitgewerkt. Het uitgangspunt in deze uitwerking is dat de gebruikelijke activiteiten en diensten die worden aangeboden in het kader van het verzorgen, opvoeden en de ontwikkeling van kinderen kunnen blijven plaatsvinden. Het kabinet wil de diversiteit die kenmerkend is voor de kinderopvangsector behouden. Daarom wordt de sector actief betrokken bij het invullen van de regels van de DAEB.
Hoe weegt u de zorgen van de sector, niet alleen de commerciële partijen, ten aanzien hiervan?
Ik begrijp dat de DAEB tot onzekerheid leidt, omdat het instrument nieuw in de sector is en nog nader moet worden uitgewerkt. Tegelijkertijd biedt de DAEB juist ook zekerheid aan ondernemers, omdat het risico op toekomstige terugvorderingen op grond van ongeoorloofde staatssteun wordt voorkomen. Daarnaast investeert het kabinet circa € 3 miljard extra in de kinderopvang waarbij het debiteurenrisico voor het grootste deel wordt overgenomen door de overheid. Voor de maatschappij heeft de DAEB als voordeel dat belastinggeld dat bestemd is voor kinderopvang ook aan dat doel wordt besteed en niet wegvloeit als overwinst.
In de sector zijn verschillende geluiden te ontwaren. De geuite zorgen zien enerzijds op beperkingen bij het investeren in kinderopvang en anderzijds tot een stijging van de administratieve lasten. Bij de uitwerking van de DAEB zullen de sector en deskundigen worden betrokken om te borgen dat investeren, innoveren en ondernemen in de kinderopvangsector mogelijk blijft. De Europeesrechtelijke regels omtrent de DAEB bieden hier de ruimte voor. Kosten met betrekking tot investeringen worden gezien als toegestane kosten. De concrete norm voor redelijke winst binnen de toegestane compensatie vanuit de overheid zal nader worden onderzocht en periodiek worden vastgesteld en gecommuniceerd. De DAEB houdt investeren mogelijk en ondernemen in de kinderopvangsector aantrekkelijk.
Het is mijn streven om in de uitwerking de administratieve lasten van de invoering van de DAEB zo laag mogelijk te houden. In dat kader is in het wetsvoorstel financiering kinderopvang onderzocht of de DAEB de-minimisverordening4 kan worden toegepast op de steun die verleend wordt door de overheid. Dat is mogelijk als een onderneming voor het uitvoeren van de DAEB ten hoogste € 750.000 per drie jaar ontvangt. Het voordeel hiervan is dat er in dat geval geen nadere voorschriften over administratie en de maximale compensatie gelden. Gastouders mogen maximaal zes kinderen opvangen, daarom is het voor hen vooraf goed in te schatten of ze onder het de-minimisplafond blijven. Het kabinet heeft geconcludeerd dat de steun die de gastouder ontvangt binnen de DAEB de-minimisverordening valt. In het wetsvoorstel worden gastouders wel belast met het uitvoeren van de dienst kinderopvang, maar voor gastouders gelden de nadere voorschriften over administratie en de maximale compensatie niet.
Waarom heeft u het plan om een DAEB-regime voor de kinderopvangsector in te voeren niet eerder gecommuniceerd?
Aan een grote stelselwijziging als deze zitten veel nader uit te werken vraagstukken vast. Ik heb de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat het thema staatssteun een van die vraagstukken is. Het risico op ongeoorloofde staatssteun wordt genoemd in de voortgangsrapportage over het nieuwe stelsel die op 26 april 20235 aan uw Kamer is verzonden. Ook wordt het risico genoemd in de hoofdlijnenbrief van 11 november 20246. Daarnaast zijn de onderwerpen staatssteun en de DAEB behandeld tijdens de beantwoording van twee sets Kamervragen van het lid Welzijn (NSC) op 17 februari7 en 14 april8 van dit jaar. Ook is staatssteun aan de orde gekomen tijdens de commissiedebatten kinderopvang op 23 januari en 3 juli jongstleden. Vanaf eind 2024 wordt aan dit thema gewerkt op basis van analyses van staatssteunjuristen, gesprekken met de EC en tevens een aantal bijeenkomsten met brancheorganisaties. Het kabinet heeft besloten het risico op ongeoorloofde staatssteun niet te willen lopen en heeft uw Kamer daar op 15 september per brief over geïnformeerd.9
Heeft u de sector voldoende meegenomen in uw plannen, wat niet zo lijkt te zijn gezien de verraste reacties?
Het staatssteunvraagstuk en de DAEB zijn op verschillende momenten besproken met de brancheorganisaties. De gesprekken hierover zijn gestart in het voorjaar van 2025. De verschillende brancheorganisaties hebben op heel verschillende manieren op de brief van 15 september gereageerd. Ik betreur de onrust die in een deel van de sector is ontstaan. De DAEB is nieuw voor de kinderopvang in Nederland en we staan nog aan het begin van de uitwerking. Ik begrijp de onzekerheid en daarmee de onrust in de sector en besef dat een concrete uitwerking noodzakelijk is voor de sector om een compleet beeld te kunnen vormen over het risico op staatssteun, de noodzaak om dit risico te beheersen, en de effecten van de DAEB op administratieve lasten en het ondernemerschap. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer de uitwerking vordert en er meer zicht komt op de effecten, er samen met het overgrote deel van de sector op constructieve wijze kan worden toegewerkt naar de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel in 2029.
Bent u bereid zo snel mogelijk de in uw brief toegezegde impactanalyse uit te laten voeren voor de kabinetsplannen voor gratis kinderopvang inclusief invoeren van een DAEB-regime, zodat de gevolgen voor de kinderopvang en voor werkende ouders uitvoerig worden getoetst, alvorens verdere stappen worden genomen?
Het wetsvoorstel dat in consultatie is gegaan bevat de hoofdlijnen van de DAEB. De concrete uitwerking van de DAEB wordt voor een belangrijk deel vastgelegd in lagere regelgeving. Het kabinet start dit najaar met deze uitwerking.
Onderdeel van de uitwerking is een onafhankelijk onderzoek naar een redelijk rendement voor de sector, waarbij het mogelijk blijft om te investeren en te innoveren. In dit onderzoek zal ook uitvoering worden gegeven aan de toezegging in de brief van 15 september en de verwachte impact op de sector worden geanalyseerd.
Deelt u onze mening dat dit noodzakelijk is voordat we de stelselwijziging doorvoeren, omdat elke keer dat barrières pas later in beeld komen en plannen moeten worden uitgesteld en aangepast, dit de sector in grote onzekerheid brengt, wat investeringen juist niet bevordert?
In juli van dit jaar heb ik samen met de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen een brief over de planning van invoering van het nieuwe stelsel naar uw Kamer gestuurd.10 In deze brief wordt toegelicht dat we ondanks uitstel van de invoeringsdatum van het nieuwe stelsel vasthouden aan het tijdpad van het wetgevingstraject zodat alle betrokkenen voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden op de invoering. De oorspronkelijke planning, die uitging van openstellen voor internetconsulatie einde zomer 2025, wordt zoveel mogelijk aangehouden. Op 17 oktober 2025 is het wetsvoorstel financiering kinderopvang opengesteld voor internetconsulatie. Hiermee wordt gestreefd de sector en alle andere belanghebbenden duidelijkheid te bieden over de inrichting van het nieuwe financieringsstelsel en hen de ruimte te geven om te reageren op het voorstel.
Bent u bereid samen met de sector een realistische vormgeving en tijdspad te onderzoeken, zodat we de sector en ook ouders duidelijkheid en zekerheid kunnen bieden?
Afgelopen voorjaar heeft het kabinet besloten de invoeringsdatum van een nieuw stelsel uit te stellen van 1 januari 2027 naar 1 januari 2029. Een belangrijke reden voor dit besluit was om de sector voldoende tijd te geven zich voor te bereiden op het nieuwe stelsel. Hiermee is er een realistisch tijdpad vastgesteld. Samen met de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen zal ik doorgaan met het uitwerken van het nieuwe stelsel en daarbij nauw optrekken met de kinderopvangsector.
De uitspraak van het Gerechtshof over het overplaatsen van de heer Singh |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het krantenbericht «Familie van Nederlander die al 41 jaar in Amerikaanse cel zit woest op ministerie: «Ze laten hem wegrotten daar»»? Hoe beoordeelt u dit bericht?1
Ja, ik ben hiermee bekend. Ik betreur dat de familie de indruk heeft gekregen dat de Staat de strafoverdracht van de heer Singh zou tegenwerken. Meteen nadat het Hof het arrest heeft gewezen, is met prioriteit gewerkt aan het opstellen van het verzoek tot strafoverdracht. De tekst is, bij hoge uitzondering, voor verzending voorgelegd aan de advocaat van de heer Singh. Het verzoek tot strafoverdracht is uitgestuurd naar de Amerikaanse autoriteiten binnen de door het Gerechtshof gestelde termijn.
Op welke wijze heeft het kabinet uitvoering gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof d.d. 26-08-2025? Is het kabinet van mening dat alle onderdelen van de uitspraak van het Gerechtshof uitgevoerd dienen te worden?
Het Gerechtshof gelast de Staat om binnen vier weken na de datum van het arrest (26 augustus 2025) een verzoek tot strafoverdracht op grond van art. 2 lid 3 van het Verdrag Overbrenging Gevonniste Personen (VOGP) bij de autoriteiten van de Verenigde Staten in te dienen en daarnaast al datgene te doen wat redelijkerwijs nodig is om de feitelijke strafoverdracht van de heer Singh vanuit de Verenigde Staten naar Nederland te bewerkstelligen.2
Het kabinet zal beide onderdelen van de uitspraak uitvoeren. Het verzoek aan de VS om mee te werken aan strafoverdracht is binnen de hiervoor door het Gerechtshof gestelde termijn ingediend bij de Amerikaanse autoriteiten. Ook legt de Nederlandse ambassade in Washington contacten met de autoriteiten aldaar om het verzoek onder de aandacht te brengen.
Op welke wijze heeft het kabinet invulling gegeven aan de motie-Ceder d.d. 24 november 2024 (36 600 VI, nr. 105) voordat het gerechtshof een uitspraak heeft gedaan? Is er voor de uitspraak een verzoek op basis van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) opgestart en op welke wijze is maatwerk binnen de beleidskaders toegepast om de heer Singh zo op korte termijn naar Nederland over te laten brengen?
Voorafgaand aan de uitspraak van het Hof is niet ingezet op strafoverdracht middels de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots), maar is consulaire bijstand verleend en zijn parole-verzoeken van de heer Singh door de toenmalige Minister voor Buitenlandse Zaken en de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming ondersteund, op voorwaarde dat er geen gevaar meer zou zijn voor de samenleving.
De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak van de heer Singh niet aan alle criteria uit het beleidskader van de Wots is voldaan. Er is namelijk onvoldoende sprake van binding met Nederland.3 Strafoverdracht op grond van de Wots werd daarom niet de geëigende weg bevonden. De rechter heeft de beslissing van de Minister in deze zaak in een kort geding en in eerste aanleg in een bodemprocedure in stand gelaten, waarbij is overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid.4 Het Hof onderschrijft dat de Minister in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen dat een dergelijke binding er niet is, maar komt echter tot het oordeel dat de Staat in deze zaak op grond van bijzondere omstandigheden een uitzondering moet maken op zijn beleid (art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Het Hof weegt daarbij de hoge leeftijd en broze gezondheid van de heer Singh mee, alsmede het feit dat hij in de VS verstoken is van familiebezoek en dat er een gerede kans bestaat dat hij in de VS in gevangenschap zal overlijden.
De Staat voert dit arrest, zoals ook aangegeven bij vraag 2, uit.
Klopt het dat een WOTS-verzoek maar één keer per twee jaar ingediend kan worden en het daarom cruciaal is dat deze zo zorgvuldig wordt ingediend?
Er is in de Wots geen wettelijke beperking opgenomen aan hoe vaak iemand een verzoek tot strafoverdracht kenbaar kan maken.
Klopt het dat uw ministerie in een conceptbrief aan de Amerikaanse autoriteiten de suggestie wekt dat de heer Singh in Nederland op vrije voeten zou kunnen komen? Zo ja, waar baseert het kabinet dit op en hoe groot acht het kabinet deze kans?
In een conceptbrief, die gedeeld is met de advocaat van de heer Singh, is niet gesuggereerd dat de heer Singh op vrije voeten zou kunnen komen. Wel is aangegeven dat over de aard en duur van de straf op voorhand niets gezegd kan worden omdat het aan de rechter is om dat te bepalen. Bij het volgen van de omzettingsprocedure, wat bij overdracht vanuit de VS gebruikelijk is vanwege het afwijkende strafklimaat, zal de Nederlandse rechter beslissen over de aard en lengte van de in Nederland uit te zitten straf. Het is onwenselijk en niet mogelijk om daarop vooruit te lopen.
Bent u het ermee eens dat vanwege de gezondheidssituatie en de leeftijd van betrokkene en vanwege de uitspraak deze zaak grote prioriteit verdient? Hoe kan het dan dat de brief nog niet is uitgestuurd?
De brief met het verzoek mee te werken aan strafoverdracht is binnen de door het gerechtshof gestelde termijn verzonden aan de Amerikaanse autoriteiten. Zoals aangegeven, heb ik dit met prioriteit opgepakt.
Kunt u deze spoedvragen binnen drie werkdagen beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat gemeenten een landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen willen |
|
Laura Bromet (GL), Geert Gabriëls (GL), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten willen landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat gemeenten zich geen raad weten met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de lelieteelt, omdat landelijk beleid ontbreekt? Hoe lang ontvangt u deze signalen al? Kunt u hier een reflectie op geven?
Sommige gemeenten vinden dit inderdaad een ingewikkeld vraagstuk. Tegelijkertijd is er wel degelijk een kader, op landelijk en op lokaal niveau. Hieronder ga ik in op de belangrijkste elementen hiervan.
Ten algemene is het landelijke gewasbeschermingsbeleid gericht op het terugdringen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en het bevorderen van het gebruik van biologische en laag-risicomiddelen. Hier zet ik samen met betrokken partijen op in via onder meer het uitvoeren van de acties van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
In de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb,) en ook daaraan voorafgaand de goedkeuringsprocedure van specifieke stoffen door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), worden de risico’s voor gebruikers, werkers, omwonenden en passanten beoordeeld en wordt in het bijzonder rekening gehouden met risico’s voor kwetsbare doelgroepen zoals kinderen. EFSA maakt gebruik van het beoordelingsmodel OPEX om rekening te houden met langdurige blootstelling van omwonenden. OPEX is volgens het RIVM een robuust model dat blootstelling niet onderschat2. In lijn met het voorzorgsbeginsel wordt het toelatingskader (Europees en nationaal) doorlopend aangescherpt aan de hand van nieuwe wetenschappelijke inzichten (Kamerstuk 27 858, nr. 676). Nederlandse instituten spelen hierbij een actieve rol. Het Rijk laat intussen aanvullend meerjarig onderzoek doen door een consortium onder leiding van het RIVM, naar mogelijke risico’s voor omwonenden en agrariërs (het OBO-2 onderzoek; Kamerstuk 27 858, nr. 644) en naar de mogelijke relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de ziekte van Parkinson (het SPARK-onderzoek).
Gemeentes hebben, om de gezondheid van bewoners, natuur en waterkwaliteit lokaal te beschermen, ook verschillende bevoegdheden, zoals op basis van de Omgevingswet, via het Omgevingsplan of via maatwerkvoorschriften. Daarnaast kan de gemeente in situaties waar zij eigenaar is van de grond, eisen stellen aan het gebruik bij verpachting of verkoop van de grond. Er zijn diverse externe juridische handreikingen gepubliceerd (door bijvoorbeeld LTO en Arcadis) waaruit volgt dat gemeenten mogelijkheden hebben om lokaal te reguleren.
Voor een nieuwe woonbestemming kan uit de huidige jurisprudentie een spuitvrije zone van 50 meter worden afgeleid. Het Rijk heeft opdracht gegeven tot een verkenning naar een rekenmethode om de breedte van spuitzones tussen een agrarische en een woonbestemming te onderbouwen. Dit zou gemeentes op de langere termijn onderbouwde handvatten moeten bieden om daarin een lokale afweging te maken.
Bent u op de hoogte dat het gebrek aan daadkracht leidt tot zowel verontruste inwoners als onzekerheid bij boeren? Kunt u ook hier een reflectie op geven?
Zoals hierboven aangegeven lopen verschillende trajecten. Deze zijn ingezet mede op basis van signalen van gemeenten.
Wat gaat u doen qua aanpak lelieteelt en bestrijdingsmiddelen om deze ontstane situatie, welke leidt tot polarisatie, in vele gemeenten te verbeteren?
Ik ben in de antwoorden op vragen 2 en 3 ingegaan op verschillende acties die ik onderneem, al dan niet in samenwerking met de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Verder steun ik nadrukkelijk de inzet van de sector om chemisch middelengebruik in de lelieteelt fors terug te dringen. Zo hebben de KAVB (bollensector) en Royal Anthos (bollenhandel) besloten dat de lelieteelt in 2030 50% minder gewasbeschermingsmiddelen zou moeten gebruiken en «hoog-impact gewasbeschermingsmiddelen» uit zou moeten faseren, en hebben daartoe de regie gepakt. Onderzoeksprojecten, zoals het recent afgesloten programma Duurzame Bollenteelt Drenthe3, zouden daarvoor handvatten moeten bieden.
Deelt u de mening van de burgemeester van Westerveld dat de huidige aanpak leidt tot toegenomen spanning in plaats van het dalen van spanning? Kunt u dit nader toelichten?
Ik ben het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk complex is, en onderschrijf het belang van onderling vertrouwen en open communicatie tussen agrariërs en omwonenden. Daartoe ben en blijf ik ook in gesprek met gemeenten en belangengroepen.
Bent u het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk een complex samenspel van regelgeving, jurisprudentie, technische innovaties en uiteenlopende verwachtingen is? Deelt u de mening dat daarbij dit vraagstuk gemeente-overstijgend landelijke helderheid en beleid vraagt?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom bent u nog steeds niet bereid om te werken met een wettelijke spuitvrije zone bij lelieteelt?
Zoals eerder gemeld kunnen gemeentes nu reeds spuitvrije zones instellen. Ik denk dat dit ook het beste op lokaal niveau met maatwerk kan worden besloten, aangezien de situatie in de praktijk heel verschillend kan zijn. Dat past ook bij de onderlinge verdeling van bevoegdheden. Daarbij draagt het Rijk via het voornoemde onderzoek bij aan handvatten hiervoor.
Waarom verwerkt u de herhaalde uitspraken van de Raad van State in het afgelope decennium, dat een spuitvrije zone van 50 meter bij woningbouw bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet onredelijk is, niet in landelijke wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen met de dringende oproep van gemeenten om met landelijke wet- en regelgeving te komen? Op welke termijn kunnen deze gemeenten duidelijke regelgeving van u verwachten?
Zoals in het antwoord op vraag 2 beschreven is er al een uitgebreid juridisch kader, dat mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen op lokaal niveau. Ik vind het van belang dat gemeenten hier op lokaal niveau een afweging in kunnen blijven maken.
Deelt u de mening dat sierteelt niet onder het beleid van voedselzekerheid valt? Zo nee, waarom niet?
Sierteelt valt inderdaad niet onder het beleid van voedselzekerheid. Desalniettemin is sierteelt vaak onderdeel van een gewasrotatieschema en is op de bewuste locatie in de overige jaren dan wel sprake van activiteiten i.v.m. voedselproductie.
Wat gaat u verbeteren aan de kabinetsaanpak «gezondheid in alle beleidsterreinen»? Gaat u daarin ook ambities beschrijven om inwoners en boeren beter te beschermen tegen de schadelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen?
Dit kabinet werkt aan een verdere versterking van de aanpak Gezondheid in alle beleidsterreinen (GIAB), zodat gezondheid structureel en vroegtijdig wordt meegewogen bij beleid op andere domeinen, zoals landbouw, industrie en ruimtelijke ordening. Binnen deze aanpak wordt gewerkt aan het beter benutten van gezondheidskundig advies bij besluitvorming, onder meer via de GGD’en en het RIVM. Verder wordt kennis en monitoring ingezet, onder meer via het lopende RIVM-onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO-2) en het <I>SPARK</I>-onderzoek naar de ontwikkeling van teststrategieën voor neurotoxische en neurodegeneratieve effecten van bestrijdingsmiddelen. Daarmee wordt de bescherming van inwoners en boeren tegen mogelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen versterkt.
Het VN-rapport dat oproept tot wereldwijde afschaffing van draagmoederschap. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van Reem Alsalemde, de speciale VN-rapporteur op het gebied van vrouwenrechten, waarin zij pleit voor een wereldwijde afschaffing van draagmoederschap?1
Ja.
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat vrouwen wereldwijd ernstige depressieve klachten ervaren ten gevolge van draagmoederschap en allerlei praktijken die daaraan gerelateerd zijn, zoals dwang door familie?
Ja.
Erkent u de zorgwekkende analyse uit het rapport dat draagmoederschap de kans op mensenhandel vergroot, doordat anderen «eigenaar» zijn van de draagmoeder en daarmee bepalen wat er in het hele traject gebeurt?
Draagmoederschapstrajecten kunnen de nodige risico’s met zich mee brengen, waaronder het risico op uitbuiting van de draagmoeder. Daarbij valt te denken aan het geval dat iemand uit winstbejag, bijvoorbeeld iemand die het doel heeft om het kind na de geboorte aan wensouders te verkopen, misbruik maakt van de situatie dat een vrouw in armoede leeft door haar over te halen om tegen betaling draagmoeder te worden. In het rapport van de Commissie Joustra2 en het WODC-onderzoek «Het gedragen kind»3 wordt hier ook op gewezen.
Situaties van uitbuiting van draagmoederschap kunnen nu al onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Het is belangrijk dat draagmoeders in het kader van draagmoederschapstrajecten zelf kunnen blijven beslissen. Ik wijs hiervoor ook op het antwoord bij vraag 5 waarin het belang van het zelfbeschikkingsrecht van de draagmoeder wordt onderstreept.
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat veel draagmoeders wereldwijd te maken hebben met geldzorgen en daarmee financieel gedwongen zijn hun lichaam ter beschikking te stellen aan wensouders, of daartoe gedwongen worden door bijvoorbeeld familieleden?
Deze constatering heb ik gelezen in het VN-rapport. Oneigenlijke financiële prikkels mogen geen drijfveer zijn voor betrokkenen en er mag zeker geen misbruik worden gemaakt van vrouwen in financiële benarde posities. Dit is niet in het belang van de draagmoeder en zeker niet in het belang van het kind.
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat het voorkomt dat draagmoeders door draagmoederbureaus gedwongen worden hun kind te aborteren, als het niet naar wens is van de wensouders? Deelt u het standpunt dat dit verschrikkelijk is en dat hier streng op gehandhaafd dient te worden?
Ik heb deze constatering gelezen in het VN-rapport. Ik deel het standpunt dat het verschrikkelijk is als draagmoeders worden gedwongen een behandeling te ondergaan die erop is gericht de zwangerschap af te breken.
Ik acht het van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, artikel 8 EVRM, alsmede in artikelen 6 en 16 van het VN-Vrouwenverdrag. Bij draagmoederschapstrajecten speelt het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders op meerdere momenten een belangrijke rol.
In Nederland is het afbreken van een zwangerschap zonder toestemming van de vrouw strafbaar op grond van artikel 296 Sr. Als een vrouw zou worden gedwongen tot het ondergaan van een abortus of tot het uitdragen van een zwangerschap kan daarnaast sprake zijn van strafbare dwang (artikel 284 Sr).
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat onder andere in Cambodja draagmoeders worden gedwongen in handboeien hun kind ter wereld te brengen?
Ja.
In hoeveel gevallen is er sprake van dat ook Nederlanders gebruik maken van een draagmoeder waarbij sprake is van dergelijke misstanden? In hoeverre worden de rechten van de buitenlandse draagmoeder en het kind en hun waardigheid hierbij beschermd?
In het eerdergenoemde WODC-rapport uit 2024 is gekeken naar het aantal kinderen dat (in Nederland of in het buitenland voor Nederlandse wensouders) is geboren na draagmoederschap in de periode van 2017 tot en met 2022. Dit heeft geleid tot 165 unieke zaken waarbij in de periode van 2017–2022 een kind is geboren na draagmoederschap. Het ging in 57% van de gevallen om een buitenlands traject (merendeel uit de Verenigde Staten) en in 43% om een binnenlands traject. De onderzoekers beschrijven in het WODC-rapport 2024 dat zij met name integere en verantwoorde trajecten hebben gezien.7
Onderkend wordt dat de risico’s bij draagmoederschap groter kunnen zijn als wensouders kiezen voor een traject in het buitenland. De dilemma’s die zijn verbonden aan draagmoederschap spelen niet alleen in Nederland, maar juist en vooral in internationaal verband. Draagmoederschap komt voor en wensouders blijven ook naar het buitenland gaan voor draagmoederschapstrajecten. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij ook bij een traject in het buitenland zich rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen. Het wetsvoorstel biedt een kader aan de hand waarvan (internationale) draagmoederschapstrajecten door de rechtspraktijk kunnen worden beoordeeld. Een dergelijk kader ontbreekt op dit moment. Daarbij onderkent het kabinet tegelijkertijd dat de invloed van de Nederlandse overheid niet zo ver reikt dat het risico op misstanden in het buitenland volledig kan worden uitgesloten.
In het rapport wordt de aanbeveling gedaan internationale samenwerking te versterken om mensenrechtenschendingen en misbruik, waaronder vrouwen- en kinderhandel, op te sporen, te voorkomen en aan te pakken. Bent u bereid deze aanbeveling op te volgen?
Het kabinet zet zich in op internationale samenwerking om mensenrechtenschendingen en misbruik te bestrijden. De Nederlandse aanpak van mensenhandel wordt versterkt door het verbinden van nationale trends en ontwikkelingen met internationale inzet. Nederland levert een actieve bijdrage aan verschillende internationale gremia waarin nauw samengewerkt wordt met verschillende landen en organisaties. Daarnaast voldoet Nederland ook aan internationale wet- en regelgeving op het gebied van mensenhandel en worden wijzigingen hierin ook doorgevoerd in de nationale wetgeving. Nederland zal zich door middel van internationale samenwerking blijven inzetten om misbruik, waaronder vrouwen- en kinderhandel, op te sporen, te voorkomen en aan te pakken. Voor een uitgebreidere toelichting en voorbeelden van de Nederlandse inzet op internationale samenwerking in de aanpak mensenhandel verwijs ik u naar de voortgangsbrieven8 van het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel.9
Welke andere conclusies trekt u uit de eerdergenoemde feiten? Wat is uw verdere inzet om dergelijke misstanden tegen te gaan?
Het kabinet hecht grote waarde aan de bescherming van de belangen van kinderen, draagmoeders en wensouders. In aanvulling op het antwoord 8 voeg ik daar graag nog het volgende aan toe. De belangen van (toekomstige) kinderen zijn, conform artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), de eerste overweging geweest om te komen tot een juridisch kader voor draagmoederschap. Draagmoederschap komt voor in Nederland, en zal blijven voorkomen. Het ontbreken van een specifiek juridisch kader brengt risico’s met zich mee. Met een wettelijke regeling voor zorgvuldig en transparant draagmoederschap worden de belangen van alle betrokkenen (kind, draagmoeder en wensouders) beter beschermd. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming beoogt wensouders te stimuleren om, als zij kiezen voor draagmoederschap, een zorgvuldig traject te doorlopen en ethisch te handelen in het belang van het (toekomstige) kind en de draagmoeder, ook als het gaat om trajecten in het buitenland. Hiermee wordt getracht het risico op misstanden zoveel mogelijk te beperken.
Deelt u de mening dat dit VN-rapport eens te meer onderstreept dat een verbod op internationaal draagmoederschap nodig is en zo snel als mogelijk zou moeten worden geïmplementeerd?
Nee, die mening deel ik niet. Ik acht een verbod op draagmoederschap niet zinvol. Een dergelijk verbod zal er namelijk niet toe leiden dat draagmoederschap niet meer voorkomt. De praktijk in andere landen bevestigt dat.
Het EHRM heeft zich diverse keren uitgesproken over de juridische positie van kinderen die uit een draagmoeder zijn geboren. Daarbij heeft het geoordeeld dat het in strijd is met het door artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht op eerbiediging van het privéleven van het uit de draagmoeder geboren kind om hem een familierechtelijke betrekking met zijn wensouders te ontzeggen.10 Het EHRM verplicht de aangesloten staten weliswaar niet om in het buitenland ontstaan ouderschap van een uit een draagmoeder geboren kind te erkennen,11 maar een aangesloten staat is wel verplicht om op de een of andere manier, bijvoorbeeld door adoptie, erin te voorzien dat ook in die staat een familierechtelijke betrekking tussen het kind en de wensouder(s) kan ontstaan.12
Daarbij komt dat er landen zijn waarin draagmoederschap nadrukkelijk is toegestaan en is gereguleerd. Wetgeving kan er juist voor zorgen dat draagmoederschapstrajecten met de nodige waarborgen worden omkleed. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming regelt bijvoorbeeld de rechterlijke toets voorafgaand aan de conceptie, de verplichte voorlichting en counseling ook in gevallen van laag technologisch draagmoederschap, en het opnemen van gegevens over de ontstaansgeschiedenis van het kind in een draagmoederschapsregister. In de verplichte voorlichting en counseling zullen de wensouders onder meer worden gewezen op de risico’s van buitenlands draagmoederschap, alsmede van het belang van het voldoen aan de basisvoorwaarden. Informatieverschaffing over hoe trajecten in het buitenland verantwoord kunnen verlopen, draagt bij aan het voorkomen van misstanden.
Het kabinet onderkent daarbij dat niet alle risico’s kunnen worden uitgesloten. Niet met de voorgestelde regeling, niet met een andere regeling, en ook niet met een verbod van draagmoederschap of het in stand laten van de huidige (juridische) situatie. Dat maakt draagmoederschap een ethisch en juridisch gecompliceerd onderwerp, ten aanzien waarvan heldere keuzes van de wetgever nodig zijn. Op 1 oktober jl. is de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming aangeboden aan uw Kamer.13 Het vervolg van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming is aan uw Kamer.
De uitvoering van Project Beethoven. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het Project Beethoven?
Met de Kamerbrief «Update Halfgeleiderbeleid»1 van 1 september jl., het commissiedebat over de Halfgeleiderindustrie van 3 september jl. en het commissiedebat over het Verdienvermogen van Nederland van 25 september jl., heb ik u geïnformeerd over de voortgang van het Project Beethoven. Samen met de overige kabinetsleden bewaak ik nauwgezet de voortgang via het Bestuurlijk Overleg Brainport (BO Brainport). In aanloop naar het BO Brainport van 3 november zullen we de uitvoering verder ter hand nemen. Bij een volgende gelegenheid zal ik u hierover informeren.
Welke maatregelen worden genomen om het capaciteits- en kennisgebrek bij gemeenten in de Brainportregio aan te pakken?1
In regionaal verband werken de 21 gemeenten samen in de Metropoolregio Eindhoven. In het BO-Brainport van 30 juni is gezamenlijk besloten de uitvoeringskracht waar nodig verder te versterken. Hiertoe wordt door Rijk en regio momenteel een voorstel uitgewerkt. De realisatiekracht van de regio, in het bijzonder het capaciteits- en kennisgebrek bij de gemeenten, maakt hier onderdeel van uit.
Op het gebied van woningbouw heeft capaciteit en kennis van gemeenten daarnaast landelijk aandacht via Woontopafspraak 18 «Meedoekracht». IPO, VNG en Rijk zetten samen in op versterking van de uitvoeringskracht bij gemeenten. Ook Provincie Noord-Brabant en Metropoolregio Eindhoven zetten in op kennisdeling en flexibele extra inzet van capaciteit. Rondom de introductie van de subsidieregelingen voor woningbouwversnelling worden gemeenten intensief begeleid bij het wegwijs worden in de nieuwe regelingen door een ondersteuningsteam.
Wat zijn de belangrijkste voornemens om intergemeentelijke samenwerking aangaande dit project te verbeteren?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen worden genomen om de instroom van internationaal talent in de Brainportregio te waarborgen?
Via het Versterkingsplan Microchip-talent wordt extra talent opgeleid en aangetrokken voor de halfgeleiderindustrie. Het gaat zowel om nationaal als internationaal talent. Op 1 september dit jaar is de gezamenlijke internationale werving van de regio’s gestart, waaronder in Brainport, om bachelor studenten te enthousiasmeren voor een masterstudie en carrière in de halfgeleiderindustrie in Nederland. Ook de hbo’s uit de regio’s zullen een soortgelijk traject starten om internationale studenten te enthousiasmeren om in Nederland te komen studeren. Binnen de wet internationalisering in balans is er ruimte om voor tekortsectoren te werven. Dit biedt ruimte om het talent voor de halfgeleiderindustrie te werven. De regio’s zetten hiernaast ook in op het behoud van internationaal talent voor de halfgeleiderindustrie.
Bent u bereid te onderzoeken of de Beethovengelden kunnen worden toegespitst op de verdere voorbereiding voor een (intercity)station bij Eindhoven Airport?
In het Beethovenconvenant is voor de meest urgente mobiliteitsmaatregelen budget beschikbaar gemaakt. Van een (intercity)station bij Eindhoven Airport was toen geen sprake. Afgesproken is dat de extra investering in infrastructuur (à € 1.058 miljoen) benodigd is voor de Multimodale Knoop, HOV4, Multimodaal mobiliteitspakket en een verkenning naar de A2/N2 inclusief Brainportlijn en Noordwestelijke ontsluiting. Bij het BO MIRT in 2024 is afgesproken welke bijdrage vanuit Rijk en Regio naar deze verschillende projecten gaat. Hiermee is het beschikbare budget verdeeld over de genoemde maatregelen en is er geen budget beschikbaar voor aanvullende maatregelen.
Hoe ziet u de bezuinigingen op infrastructuurprojecten in het licht van Project Beethoven?2
De afgesproken infrastructuurprojecten in Beethoven vinden allemaal doorgang. Zo is voor de in Beethoven afgesproken MIRT-verkenning naar de A2/N2 in mei 2025 de startbeslissing ondertekend. Dit is één van de weinige MIRT-verkenning die in de afgelopen jaren gestart is. In Beethoven zijn ook afspraken gemaakt over de A58 Tilburg – Eindhoven. Op dit moment wordt gewerkt aan de opstartactiviteiten om tot een doorstart te komen in 2027.
Kunt u garanderen dat stikstof- en/of stroomnetproblematiek niet zal leiden tot een uittocht van bedrijven uit de Brainport-regio? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn op dit moment geen directe signalen dat bedrijven uit de Brainportregio vertrekken vanwege stikstof- en/of stroomnetproblematiek. De stikstof- en stroomnetproblematiek heeft zowel op landelijk niveau, als in de samenwerking tussen Rijk en regio in de Brainportregio de volle aandacht van het kabinet.
Wat betreft stikstofproblematiek zet het kabinet zich in via de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel om tot geborgde generieke stikstof reducerende maatregelen te komen. Daarnaast wordt ingezet op een gebiedsgerichte aanpak waarin wordt bekeken wat aanvullend noodzakelijk dan wel mogelijk is aan stikstofreductie. Het gebied van Eindhoven is in de meest recente Kamerbrief Vervolgpakket Nederland van het slot aangemerkt als een van de gebieden waar deze aanpak voor geldt. Dit heeft als doel om de vergunningverlening voor economische activiteiten, voor activiteiten gericht op de verdere ontwikkeling naar een duurzame industrie, en voor mobiliteits- en woningbouwprojecten te vergemakkelijken. De gebiedsgerichte aanpak voeren we interdepartementaal uit met de regionale partners. Op zeer korte termijn vindt er een bestuurlijk overleg stikstof Brainport plaats.
Wat betreft netcongestieproblematiek werken het kabinet en alle betrokken partners keihard aan de aanpak van netcongestie. De Minister van Klimaat en Groene Groei heeft uw Kamer hierover op maandag 6 oktober jl. geïnformeerd4. Voor de aanpak van netcongestie in de Brainportregio zijn in het Beethovenconvenant een aantal afspraken gemaakt. Zo heeft Brainport Development de rol als «gebiedsregisseur» gekregen om samen met het Rijk, de provincie Noord-Brabant, gemeenten, en netbeheerders TenneT en Enexis de meest urgente netcongestie-casussen aan te pakken. Hieronder valt onder andere de boogde uitbreiding van ASML op de Brainport Industries Campus (BIC)5. Daarnaast wordt er gewerkt aan slimme oplossingen om het maximale uit het bestaande elektriciteitsnet te halen. Zo is vorig jaar een regionale energiehub-regisseur gestart die helpt bij het opzetten van energiehubs in de Brainportregio. In aanvulling daarop wordt gewerkt aan de uitbreiding van het elektriciteitsnet in de regio. In december 2024 is de nationale MIEK-status toegekend aan het hoogspanningsproject «Pocket Noordoost-Brabant». Door dit project wordt netcongestie in onder meer de Brainportregio fors verminderd. Onderdeel hiervan is de bouw van een nieuw 380/150 kV-hoogspanningsstation bij Wijchen. De projectprocedure van dit project is op 16 juni 2025 gestart met de publicatie van het Voornemen en Participatieplan. Op dit moment worden de onderzoeken naar mogelijke locaties voor dit hoogspanningsstation opgestart. Tot slot onderzoeken we, samen met de regio en netbeheerders, welke investeringen in energie-infrastructuur nog meer nodig zijn zodat er in de verdere toekomst voldoende energie beschikbaar is voor de groeiambities van de Brainportregio.
Het krantenartikel 'Hoe minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel' |
|
Willem Koops (NSC) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in NRC «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel» van zondag 14 september jl.?1
Ja.
Is het juist dat tot de kerntaken van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid behoren:
Ja. Daarbij wordt opgemerkt dat de rijksbrede verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van wet- en regelgeving thans is belegd bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Klopt het dat bij de totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid2 DWJZ «op geen enkele manier betrokken is geweest»?
In de snelheid van het proces is DWJZ niet betrokken geweest bij het opstellen van de brief van 26 augustus 2022. Daarbij past de kanttekening dat er als gebruikelijk regelmatig contact was over het asiel- en migratiedossier tussen de beleidsmedewerkers van het – toenmalige – directoraat-generaal Migratie (DGM) en de wetgevingsjuristen van DWJZ. Tussen DWJZ en DGM is over verschillende onderwerpen genoemd in deze brief eerder inhoudelijk contact geweest. Van het willens en wetens passeren van DWJZ door de toenmalige bewindspersonen is dan ook geen sprake.
Waarom is DWJZ door notabene haar eigen toenmalige bewindslieden willens en wetens gepasseerd bij de totstandkoming van de brief d.d. 26 augustus 2022, ondanks haar spilpositie binnen de Rijksoverheid waar het gaat om wet- en regelgeving?
Zie antwoord vraag 3.
De toenmalige Minister voor Rechtsbescherming schreef in zijn brief van 16 december 2022 aan de Tweede Kamer: «Al vele jaren is het wetgevingskwaliteitsbeleid erop gericht te verzekeren dat wetgeving rechtmatig, doelmatig en doeltreffend is en dat rechtsbeginselen worden verwerkelijkt. Wetgeving moet beantwoorden aan de vereisten van subsidiariteit en evenredigheid en uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.»3 Hoe verhoudt het passeren van DWJZ zich tot deze uitspraak?
Het wetgevingskwaliteitsbeleid geldt als toetssteen bij de ambtelijke voorbereiding van concrete wetsvoorstellen en algemene maatregelen van bestuur. De verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van JenV voor het wetgevingskwaliteitsbeleid – zoals beschreven in de brief van zijn ambtsvoorganger (de Minister voor Rechtsbescherming) van 16 december 2022 over de Staat van de wetgeving – ziet op de rijksbrede kwaliteit van wetgeving en het wetgevingsproces. Daarvoor ontwikkelen zijn ambtenaren instrumenten zoals het Beleidskompas en de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daarnaast toetsen zij geselecteerde wetten en algemene maatregelen van bestuur voordat deze in de ministerraad worden behandeld. In de brief van 26 augustus 2022 werden beleidsmatige voornemens binnen de bestaande wettelijke kaders en een aankondiging van een wetswijziging besproken. De brief van 26 augustus 2022 is daarmee geen concreet wetsvoorstel dat zich leent voor toetsing aan het wetgevingskwaliteitsbeleid. In deze eerdere fase van het beleid- en wetgevingsproces is er nog geen betrokkenheid van de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het rijksbrede wetgevingskwaliteitsbeleid. Van het «passeren» van de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming is derhalve geen sprake.
De eerder genoemde kwaliteitseisen voor de ontwikkeling en totstandkoming van wetgeving hebben hun invulling en uitwerking gekregen in de «Aanwijzingen voor de regelgeving» en het «Beleidskompas»: de opvolger van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving. Hoe verhoudt het passeren van DWJZ zich tot deze eisen, die strekken tot het borgen van de kwaliteit van wetgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhouden de in de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangekondigde tijdelijke en verdere maatregelen zich tot het wetgevingskwaliteitsbeleid, zoals door de Minister voor Rechtsbescherming beschreven in zijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 december 2022?
Zie antwoord vraag 5.
Was de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming op de hoogte van de wijze van ontwikkeling en totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid?
De brief van 26 augustus 2022 is tot stand gekomen na overleg binnen het kabinet, waarvan de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming ook deel uitmaakte. Zoals uiteengezet in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7, was een advies van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming over wetgevingskwaliteit destijds nog niet aan de orde.
Zo ja, heeft hij hierover geadviseerd aan zijn beide mede-bewindslieden op het ministerie (in het kader van het wetgevingskwaliteitsbeleid) en zo ja, hoe luidde zijn advies? Indien dit advies schriftelijk werd gegeven, bent u dan bereid het aan de Tweede Kamer over te leggen?
Zie antwoord vraag 8.
Indien de Minister voor Rechtsbescherming niet op de hoogte was van de totstandkoming van de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en niet in de gelegenheid is gesteld om te adviseren: waarom is dat niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is precies de rol van de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid geweest bij de ontwikkeling en totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022, gelet op haar politiek-bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van haar departement?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid is steeds nauw betrokken geweest bij het proces dat heeft geleid tot de Kamerbrief.
Is het juist dat medewerkers van de DWJZ de Minister van veiligheid en justitie in een formeel memo op de hoogte hebben gesteld van het feit dat DWJZ «niet betrokken is geweest bij de voorbereiding en vormgeving van deze brief (die van 26 augustus 2022) en niet in de gelegenheid is geweest hierover te adviseren», en dat zij waarschuwden voor de juridische kwetsbaarheid van de daarin voorgestelde maatregelen?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid is door DWJZ in het memo van 8 september 2022 gewezen op de juridische kwetsbaarheden van twee voorgestelde maatregelen in de brief van 26 augustus 2022. De in vraag 12 geciteerde passage was opgenomen in een ambtelijk concept van dit memo. Deze passage werd na ambtelijk overleg binnen DWJZ – verwijzend naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief van 26 augustus 2022 – vervangen door «DWJZ heeft hiervan kennis genomen».
De vraagstelling, meer in het bijzonder het werkwoord kuisen, kan ten onrechte de suggestie wekken dat er sprake zou zijn geweest van een vorm van druk om formuleringen in het genoemde memo aan te passen. Het is echter heel gangbaar dat ambtelijke memo’s naar aanleiding van interne overleggen, of bijvoorbeeld door gewijzigde omstandigheden of voortschrijdend inzicht van de opsteller, worden aangepast.
Kan worden bevestigd dat de interne memo van DWJZ aan de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid later «is gekuist» en zij «een nieuwe schone versie» heeft gekregen? Waarom is de eerdere versie van het interne memo «gekuist»?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in de kantlijn van de gekuiste versie van het interne memo van de DWJZ geschreven: «Ik heb de hele zomer om meekijken door DWJZ gevraagd»? Zo ja, waarom is daarop dan vervolgens door DWJZ niet geacteerd?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid heeft inderdaad deze opmerking in de kantlijn van het memo van 8 september 2022 geplaatst. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 4 is er in de periode die vooraf ging aan het opstellen van de brief van 26 augustus 2022 over verschillende onderwerpen uit deze brief inhoudelijk contact geweest tussen DGM en DWJZ. DWJZ is in de snelheid van het proces echter niet, zoals gebruikelijk, betrokken geweest bij het opstellen van de brief. Vandaar dat DWJZ de Minister in het memo van 8 september 2022 heeft geïnformeerd over de juridische consequenties van deze brief.
Kunnen beide memo’s, zowel de ongekuiste als de latere schone versie, aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
De conceptversie van het desbetreffende memo en de eindversie van het memo zijn reeds openbaar gemaakt met het Woo-besluit van 8 september 2025.4
Waarom heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer niet (schriftelijk of mondeling) op de hoogte gesteld van de «ernstige bezwaren» van DWJZ en van de aanwezigheid van «het stoplichtdocument» tegen de door hem in zijn brief aan de Kamer aangekondigde tijdelijke en verdere maatregelen?
Het zogenaamde «stoplichtdocument» betrof een ambtelijk concept dat in kleuren duiding gaf aan denkbare maatregelen. Het betrof een eerste concept dat kort daarna is omgezet in een document dat niet langer in kleuren duiding gaf. Het onderdeel over de nareismaatregel van dat laatste document is destijds opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.5
De toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft in het verkeer met de Tweede Kamer – onder andere tijdens het debat van 8 september 2022 – aangegeven dat uit ambtelijke adviezen bleek dat er vraagtekens te zetten waren bij de juridische houdbaarheid van de in de brief beschreven tijdelijke nareismaatregel. De juridische kanttekeningen zijn ook opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.6 Ik zie dan ook geen reden om vast te stellen dat de Tweede Kamer destijds niet juist en volledig zou zijn geïnformeerd.
Moet vastgesteld worden dat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarmee de Tweede Kamer niet juist en volledig heeft geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 16.
Zo ja, wat is daarover het oordeel van de regering?
Zie antwoord vraag 16.
Zo nee, dan graag een uitvoerige motiverende toelichting van die ontkenning?
Zie antwoord vraag 16.
Kan worden bevestigd dat voor «een fundamentele heroriëntatie op het hele asielbeleid door de toenmalige Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid KPMG is gevraagd?
De DGM-opdrachtformulering staat in de (geaccordeerde) offerte d.d. 29 november 2022. De volledige offerte kan niet integraal naar de Tweede Kamer worden gestuurd omdat deze bedrijfsgevoelige informatie en persoonsgegevens bevat. Hierna zijn relevante delen opgenomen uit deze offerte, waarbij namen van medewerkers, gehanteerde tarieven en inzetvoorwaarden zijn weggelaten vanwege vertrouwelijkheid:
Zoals uit de opdrachtformulering blijkt zag de inzet van KPMG niet op een fundamentele heroriëntatie van het hele asielbeleid door KPMG, maar op ondersteuning door KPMG van het proces om te komen tot een lijst van maatregelen. De inhoudelijk uitwerking van de maatregelen viel dan ook buiten de scope van die ondersteuning. Die inhoud is binnen het proces dan ook steeds geleverd door het ambtelijk apparaat.
Voor de opdracht was een Meervoudige Onderhandse Procedure vereist. Deze is echter niet gevolgd vanwege zeer grote werkdruk bij DGM waardoor de capaciteit ontbrak om het vereiste aanbestedingsproces tijdig te organiseren.
Waarom is voor het uitvoeren van een dergelijke beleidsopdracht gekozen voor een externe partij, terwijl dat juist bij uitstek behoort tot de corebusiness van het werk van beleidsambtenaren van de Rijksoverheid i.c. het Ministerie van Justitie en Veiligheid?
Zie antwoord vraag 20.
Heeft voor de opdrachtverlening aan KPMG een aanbesteding- en gunningstraject gelopen conform de (EU-)regels en richtlijnen die daarvoor gelden binnen de Rijksoverheid? Zo nee, waarom is dat niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 20.
Wat was de letterlijke opdracht aan KPMG en kan deze opdracht integraal aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 20.
Kunnen zowel de spreadsheet met de longlist «met 164 ideeën» als die met «de 24 meest haalbare plannen op de shortlist» van KPMG aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Aan de beantwoording van deze vragen zijn twee documenten toegevoegd: het gevraagde document van 9 december 2022 en een document van 16 december 2022.7 De versie van 9 december 2022 betreft de 95% versie. De versie van 16 december 2022 is de laatste versie en kan worden gezien als de eindversie. In deze documenten is zowel de korte lijst met uitgewerkte maatregelen opgenomen, alsook de longlist.8
Kan ook het concept-rapport van KPMG, zoals dat op 9 december 2022 aan de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is gestuurd, aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 24.
Heeft de DWJZ over de inventarisatie van KPMG geoordeeld over de juridische haalbaarheid en op basis daarvan de verwachting uitgesproken dat de voorstellen van KPMG «geen stand houden bij de rechter»?
Ik ben niet bekend met een dergelijk advies van DWJZ en kan ze dan ook niet verstrekken aan de Tweede Kamer.
Kan het advies van DWJZ over de inventarisatie en voorstellen c.q. het rapport van KPMG aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 26.
Klopt het dat de door KPMG voorgestelde maatregelen en die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn overgenomen voor de rechters geen standhouden, zoals al door DWJZ was voorspeld? Wat is het oordeel van de regering hierover?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 20 t/m 23 was het niet aan KPMG om inhoudelijk te adviseren over de opgehaalde ideeën en maatregelen. Wel is de door KMPG ondersteunde inventarisatie van KPMG gebruikt ter voorbereiding en als onderdeel van de bewindspersonenoverleggen die destijds plaatsvonden over migratie. Bij brief van 10 juli 20239 heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid onder meer de afschriften verstrekt van stukken die ambtelijk zijn ingebracht ten behoeve van die bewindspersonenoverleggen over migratie. In die ambtelijke stukken zijn de maatregelen opgenomen die aan de orde zijn geweest bij de genoemde besprekingen. Zoals in genoemde brief van 10 juli 2023 is verwoord, was het zo dat «voor alles gold dat er geen overeenstemming was totdat over het geheel overeenstemming zou worden bereikt». Van (een lijst van) maatregelen waarover overeenstemming was, kan dan ook niet worden gesproken.
De inventarisatie van KPMG is door dat kabinet niet (integraal) doorgevoerd. Het tegen elke uitspraak in hoger beroep gaan tegen de negatieve beroepsuitspraken die zien op deze maatregelen is dan ook niet aan de orde geweest. De IND is daarnaast in algemene zin terughoudend als het gaat om instellen van hoger beroep en weegt steeds af of er een zaaksoverstijgend belang is waardoor hoger beroep is aangewezen.
Kan worden bevestigd dat, tegen het advies van DWJZ, door de toenmalige bewindslieden van Justitie en Veiligheid «tegen elke uitspraak in hoger beroep is gegaan»?
Zie antwoord vraag 28.
Kan ook dit advies van DWJZ aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bekend met een dergelijk advies van DWJZ en kan het dan ook niet verstrekken aan de Tweede Kamer.
Wat waren de kosten voor het ministerie die gemoeid waren met het uitvoeren van de opdracht aan KPMG? Worden vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid nog opdrachten verleend aan KPMG, gelet op het niveau van de kwaliteit van de adviezen en voorstellen en de juridische (on)haalbaarheid daarvan? Graag het antwoord motiveren.
Dit betrof een bedrag van € 70.952,90 incl. BTW. Zoals hierboven aangegeven was KPMG enkel verantwoordelijk voor de ondersteuning van het proces om te komen tot een lijst van maatregelen, waarbij de inhoudelijk uitwerking van de maatregelen buiten de reikwijdte van de ondersteuning viel. Ik zie geen reden om KPMG categorisch uit te sluiten van toekomstige opdrachten.
Wilt u deze vragen één op één beantwoorden en binnen de daarvoor gebruikelijke termijn van 3 weken?
Ten behoeve van de leesbaarheid zijn bepaalde antwoorden samengevoegd. De beantwoording is zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer gestuurd.
De gevolgen van de hack bij het OM op de bedrijfsvoering |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er op het Openbaar Ministerie (OM) een nijpend tekort aan werkplekken bestaat doordat er niet thuis kan worden gewerkt, en de mogelijkheden tot thuiswerken nog enkele weken duurt? Kunt u bevestigen dat er sprake is geweest van werken in shifts en daar nog steeds sprake van is?
Sinds 16 oktober is het telewerken weer mogelijk gemaakt voor de meeste medewerkers van het OM en is dit probleem niet meer aan de orde. In de periode daarvoor kon elk OM-onderdeel ervoor kiezen om in shifts te werken.
Erkent u dat, los van de belasting op de werk-privé balans van medewerkers, hierdoor het (herstel)werk van het OM niet of zeer beperkt van de grond komt, waardoor achterstanden in de werkvoorraad verder zullen oplopen? Zo ja, welke maatregelen neemt u hierop?
De offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM heeft geleid tot vertragingen. Het als gevolg hiervan niet thuis kunnen werken heeft hierbij niet geholpen en heeft ongetwijfeld veel impact op de medewerkers gehad. Het OM en partners in en rondom de strafrechtketen werken hard om deze in te (gaan) lopen. Inmiddels werken alle digitale koppelingen weer en zijn de werkprocessen zo goed als hersteld. Mijn departement staat in nauw contact met de strafrechtketenpartners om te ondersteunen waar mogelijk.
Zijn er bij u signalen binnengekomen over de toenemende werkdruk als gevolg van de hack? Zo nee, hoe wordt hier toezicht opgehouden? Zo ja, welke stappen onderneemt u om dit te verbeteren?
De ontstane situatie heeft helaas onvermijdelijk een toenemende werkdruk tot gevolg gehad. Dit betreur ik uiteraard zeer. Binnen het OM is hier veel aandacht voor; bestuurders en leidinggevenden ondersteunen medewerkers hier zo goed mogelijk in.
Bent u het eens dat met oplopende werkdruk en mogelijke uitval het (herstel)werk van het OM nog meer in de knel komt en het mogelijk nog ruim een jaar zal duren voordat het OM weer alle achterstanden heeft weggewerkt?
Zoals hierboven aangegeven, wordt er hard gewerkt aan het inlopen van de achterstanden. Op dit moment kan ik nog geen uitspraken doen over de termijn waarbinnen de achterstanden zijn weggewerkt.
Erkent u dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) en het OM al in 2021 hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van het wisselende financiële beleid en bezuinigingen op de IT en informatievoorziening?1 Maar dat ondanks deze waarschuwingen geen extra financiële middelen voor het OM beschikbaar zijn gesteld? Waarom niet?
Uit het onderzoek van het WODC waar de vraag naar verwijst, volgt dat de bezuinigingen op het OM in de periode van 2010 tot en met 2019 opliepen tot 88 miljoen euro exclusief het Prognosemodel Justitiële Ketens.2 Tegelijkertijd werd er voor 177 miljoen euro geïntensiveerd om bepaalde doelstellingen – waaronder voor circa 31 miljoen euro een toegenomen inzet op digitalisering «ICT en kwaliteitsverbetering» – te verwezenlijken of om nieuwe taken op te vangen.3
De afgelopen jaren is dus fors geïnvesteerd in de ICT bij het OM. Voorgaande kabinetten hebben hiervoor extra middelen vrijgemaakt. Vanuit de zogenaamde Ondermijningsmiddelen is een incidentele investering gedaan van 172 miljoen euro, verdeeld over de jaren 2022–2027: 37 miljoen in 2022 en 27 miljoen euro in de jaren 2023 t/m 2027. Daarnaast zijn er door het vorige kabinet middelen beschikbaar gesteld ten behoeve van de ICT van 7 miljoen euro in 2024 en 35 miljoen euro structureel vanaf 2025. Indien de afgelopen jaren behoefte bleek aan extra middelen voor ICT heeft het ministerie nog aanvullende middelen verstrekt om tekorten op de ICT op te vangen. Zo heeft het OM in het jaar 2021 nog een bedrag van 10 miljoen euro extra ontvangen voor ICT-werkzaamheden.
Erkent u dat de bezuinigingen op het OM, die sinds 2010 zijn opgelopen tot meer dan 150 miljoen euro, een direct effect hebben gehad op de huidige tekortkomingen in de IT-infrastructuur? Welke stappen onderneemt u om deze tekortkomingen terug te dringen?
Zoals geschetst onder het antwoord op vraag 5 is er de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in de ICT bij het OM. Daarmee zijn belangrijke inhaalslagen gemaakt ten aanzien van achterstallig onderhoud op zowel hardware als software. De opgave voor het OM is echter groot. De huidige ICT-problematiek binnen het OM is het gevolg van een langdurige achterstand in de ontwikkeling en professionalisering van de informatievoorziening. Gezien deze achterstand werkt het OM al enkele jaren aan verbeteringen op het gebied van ICT.4 Dit is een omvangrijk traject, dat nog een aantal jaren tijd en investeringen vergt. Daarnaast heeft het OM ook een grote opgave om de systemen gereed te maken voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Eerder liet ik u reeds weten dat er naar aanleiding van de ICT-inbreuk van het OM een onafhankelijk onderzoek komt, waarin wordt gekeken naar het incident en het versterken van de weerbaarheid van de IT en informatievoorziening van het OM.5
Erkent u dat er op dit moment nog een bezuiniging van 40 miljoen euro ingevuld moet worden door het OM, met als gevolg dat noodzakelijke verbetering van de huidige IT-infrastructuur zal uitblijven en het personeel van het OM dus genoodzaakt is de huidige problemen op te lossen zonder extra financiële ondersteuning? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een aan het OM opgelegde bezuiniging. Het OM heeft wel richting mij het signaal afgeven dat het vanaf 2026 financieel knelpunt voorziet op de ontwikkeling en het beheer van de ICT. Het OM is bezig om nader inzicht in en onderbouwing van dit signaal te verschaffen en te bezien hoe de tekorten binnen het OM zoveel mogelijk kunnen worden teruggebracht om het OM financieel gezond te houden. Op basis van de uitkomst zal ik samen met het OM bekijken hoe deze problematiek kan worden aangepakt.
Kunt u toelichten waarom, gezien de huidige situatie en problematiek in de IT-infrastructuur, niet is besloten de bezuiniging van 40 miljoen euro uit te stellen of te schrappen? Waarom wordt verder bezuinigd op het OM, terwijl de gevolgen van de IT-infrastructuur niet eens kunnen worden overzien?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het OM door de voorliggende bezuinigingen wordt gedwongen om nog meer strafzaken af te doen door middel van een strafbeschikking, wat juist in het voorjaar tot veel kritische geluiden uit de strafrechtketen en de maatschappij heeft geleid?
Nee, de financiële situatie bij het OM is niet van invloed op het minder of meer opleggen van strafbeschikkingen.
De berichten ‘Meer buitenlanders kopen woning in Nederland, verdubbeling in vijf jaar’ en ‘Steeds meer woningen verkocht aan expats, ‘terwijl zoveel Nederlanders juist geen huis kunnen kopen’’ |
|
Merlien Welzijn (NSC), Ilse Saris (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van beide artikelen?1, 2
Ja.
Herkent u de cijfers van makelaarsvereniging NVM die aantonen dat dit jaar twee keer zoveel woningen in Nederland gekocht zijn door expats en buitenlandse studenten in verhouding tot vijf jaar geleden en kunt u uw antwoord onderbouwen?
Uit de registraties van de NVM blijkt dat het aandeel internationals op de koopmarkt in het eerste kwartaal van 2025 is verdubbeld ten opzichte van het eerste kwartaal van 2020 (van 0,8% naar 1,6%).3 Met internationals bedoelt de NVM de groep anderstaligen, waaronder expats, buitenlandse studenten, arbeidsmigranten en andere buitenlanders, zoals ondernemers. Een NVM-makelaar kan bij de registratie van koop of huur kiezen of het gaat om een transactie in de categorie starters, doorstromers of internationals. Makelaars vullen deze meldingen niet altijd in. Deze verdubbeling moet wel bezien worden tegen het licht van het uitbreken van de Coronapandemie in Nederland in het eerste kwartaal van 2020. Het jaar 2020 is geen representatief jaar, omdat aannemelijk is dat er toen vanwege onder andere inreisbeperkingen substantieel minder woningen door internationals zijn gekocht. Wanneer 2019 wordt vergeleken met 2025, blijkt uit de registraties van de NVM dat de stijging van het aandeel internationals ongeveer 60% bedraagt in plaats van 100%.
Herkent u het gemiddelde bedrag van € 591.000 dat door expats betaald wordt voor woningen?
Het bedrag van € 591.000 is een gemiddelde prijs die expats betalen in bepaalde wijken die zijn geselecteerd door de NVM en populair zijn onder internationals. Deze bedragen zijn daarom niet representatief voor het gemiddelde aankoopbedrag dat internationals betalen in heel Nederland.
Bent u het eens dat de vermogende expats die duurdere woningen opkopen de beschikbare woningen als betaalbaarheid van deze woningen steeds onder druk zetten. Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Doorgaans stijgen de prijzen van koopwoningen naarmate meer mensen op zoek zijn naar een koopwoning. De registraties van de NVM laten zien dat gemiddeld 1,6% van de woningen in Nederland door internationals wordt gekocht. Op lokaal niveau kan deze invloed wel groter zijn, omdat internationals zich met name concentreren in bepaalde gemeenten zoals Amstelveen, Veldhoven en Ouder-Amstel.
Onderzoek van onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek (SEO, 2024) laat zien dat landelijk het prijsopdrijvende effect van internationals op de woningmarkt landelijk beperkt is met circa 0,3%. Lokaal kan dit effect echter oplopen. Zo is geschat dat het prijsopdrijvende effect in Amsterdam rond de 5% bedraagt.4 Op lokaal niveau zorgt dit voor toenemende concurrentie op de lokale woningmarkt.
In de Staat van de Volkshuisvesting 2024 is toegelicht dat de krapte op de woningmarkt en hoge prijzen naast demografische ontwikkelingen, met name worden veroorzaakt door huishoudensverdunning en de tegenvallende bouw.
Welke acties gaat u concreet nemen om de Nederlandse woningzoekende niet mis te laten grijpen door over biedingen van expats?
In Nederland staat het eenieder vrij om zijn of haar koopwoning te verkopen aan wie hij of zij wil ongeacht de afkomst van de koper op basis van het recht van gunning. Om Nederlandse woningzoekende te helpen, moeten de tekorten op de woningmarkt aangepakt worden door voldoende nieuwe woningen te bouwen en de bestaande voorraad beter te benutten. Mijn ambitie is om 100.000 woningen per jaar te realiseren, waarvan twee derde betaalbaar.
Overweegt u een registratieplicht voor werkgevers/relocation-bureaus die woningen inkopen of (bulk)huren voor expats, met gemeentelijke instemmingsvoorwaarde bij schaarste?
Gemeenten hebben op basis van de Huisvestingswet 2014 verschillende instrumenten tot hun beschikking om te kunnen sturen op de verdeling van woonruimtevoorraadbeheer in tijden van schaarste. In de lokale huisvestingsverordening kunnen zij regels stellen over de toewijzing van huurwoningen en nieuwbouwkoopwoningen (tot maximaal € 405.000,–), inclusief regels over voorrang en urgentie voor bepaalde woningzoekenden.
Ook kunnen zij een vergunning invoeren om woningen te wijzigen: bijvoorbeeld het onttrekken of samenvoegen van woonruimte, het overgaan tot verhuur per kamer of het splitsen van woonruimte. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik maken van de opkoopbescherming. Hiermee blijven koopwoningen beschikbaar voor mensen die er zelf gaan wonen.
Wat vindt u van het idee om een gemeentelijke instemmingsvoorwaarde te vereisen in geval van schaarste op de woningmarkt?
Gegeven de ruime beschikbaarheid van instrumenten die gemeenten bij schaarste kunnen inzetten om te sturen op de verdeling van woonruimtevoorraadbeheer, ben ik niet voornemens een gemeentelijke instemmingsvoorwaarde te vereisen.
Ziet u ook dat het belastingvoordeel waardoor werkgevers expats vijf jaar lang 30% van hun salaris belastingvrij mogen uitbetalen (vanaf 2027 nog 27%) zorgt voor oneerlijke situaties tussen buitenlandse werknemers en Nederlandse huizenkopers, en kunt u uw antwoord onderbouwen?
SEO heeft in juni 2024 in opdracht van het Ministerie van Financiën de extraterritoriale kostenregeling, de 30%-regeling en de partiële buitenlandse belastingplicht geëvalueerd.4 SEO heeft in dit rapport ook het effect van expats op de woningmarkt in beeld gebracht. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de 30%-regeling op landelijk niveau een zeer bescheiden effect heeft. Maar gezien de concentratie van expats op lokaal niveau wel impact heeft op de woningmarkt. Bijvoorbeeld in Amsterdam loopt de prijsopdrijving op tot 5,5%. Het onderzoek van SEO wijst uit dat een deel hiervan (1,8 procentpunt) komt door de 30%-regeling.
Hoe kijkt u naar de oproep van de Woonbond, Triodos Bank, CNV Jongeren, FNV Young & United en de LSVb om dit belastingvoordeel voor expats te beëindigen?
De expatregeling is van belang voor de Nederlandse economie. Het Nederlandse bedrijfsleven vraagt om continuïteit en stabiliteit rondom de expatregeling. Hierom is er voor het kabinet geen reden om voorstellen voor verdere aanpassingen in de expatregeling te doen. We verwijzen voor een nadere onderbouwing hiervan naar de brief die de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane op 3 oktober aan uw Kamer heeft verzonden.5
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de instroom van kennismigranten (expats) voor bedrijven wordt beperkt tot specialisten met kennis en expertise die in Nederland onvoldoende aanwezig zijn, onder andere om de woningmarkt niet nog verder te verstoren?
Het kabinet heeft in juli 2025 de verkenning aanscherping kennismigrantenregeling naar de Kamer gestuurd.6 Deze verkenning is onderdeel van het kabinetsbeleid om een gerichter en selectiever arbeidsmigratiebeleid te voeren. Het doel van de aanscherping is om kennismigranten toe te laten die daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie.
Kan de Minister «kennismigranten/expats» voortaan gescheiden rapporteren per route (Kennismigrantenregeling, EU-Blauwe Kaart, ICT-richtlijn, start-up/essentieel personeel, oriëntatiejaar, wetenschappelijk personeel), inclusief juridische grondslag, toelatingscriteria en gezinsherenigingsrechten?
Het kabinet rapporteert jaarlijks over deze regelingen in de Staat van Migratie. Daarin worden ook verschillende uitsplitsingen gemaakt, onder andere naar type vergunningen voor kennismigranten. De Staat van Migratie 2025 is in juli jl. aan uw Kamer aangeboden.7 De toelatingscriteria en rechten op gezinshereniging staan per vergunning beschreven op de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.8
Kunt u per tekortsector aangeven hoe u eerst Nederlandse en EU-interne arbeid activeert (LLO, leerwerk, WBSO voor arbeidsbesparing, startbanen toevoegen?, deels arbeidsongeschikten toevoegen?) vóórdat bedrijven naar kennismigratie grijpen?
In de verkenning aanscherping kennismigrantenregeling heeft het kabinet aangegeven waarom het invoeren van een arbeidsmarkttoets bij de kennismigrantenregeling – in tegenstelling tot het reguliere toelatingsbeleid – onwenselijk is en vergaande negatieve gevolgen heeft voor de Nederlandse concurrentiepositie en vestigingsklimaat.
Het duurzaam aan het werk helpen van mensen die langs de kant van de arbeidsmarkt staan, ondersteunt het kabinet op verschillende manieren. Gemeenten en UWV zijn dagelijks bezig met de begeleiding naar werk van mensen met of zonder uitkering. Daarnaast worden er in alle arbeidsmarktregio’s Werkcentra ontwikkeld. In een Werkcentrum kan iedereen – werkzoekenden, werkenden, werkgevers – terecht met vragen over werk en ontwikkeling. Samen met sectoren werkt de Minister van SZW aan sectorale Ontwikkelpaden. In een sectoraal Ontwikkelpad is zichtbaar met welke praktijkgerichte opleidingen mensen kunnen in- en doorstromen in functies in sectoren en kunnen overstappen tussen sectoren. Ontwikkelpaden zijn er voor onder andere de zorg, techniek, kinderopvang, groen en ICT. Ontwikkelpaden zijn een hulpmiddel voor sectoren en werkgevers zelf, en in de dienstverlening van gemeenten, UWV en de Werkcentra. Via de SLIM-scholingssubsidie is tot en met 2027 ruim 73 miljoen euro beschikbaar voor de opleidingskosten van opleidingen uit Ontwikkelpaden binnen maatschappelijk cruciale sectoren. Statushouders kunnen op de functies uit Ontwikkelpaden instromen als startbaan.
Herkent u het beeld dat expats onvoldoende integreren in de samenleving en de Nederlandse taal vaak niet spreken? Zo ja, hoe gaat u dit verbeteren?
Uit onderzoek van Regioplan over de vestigingskeuze van kennismigranten uit 2024 blijkt dat verschillende factoren van belang zijn voor kenniswerkers bij hun keuze om zich in Nederland te vestigen. Volgens het onderzoek is het belangrijk voor kennismigranten dat Engels als voertaal kan worden gebruikt in Nederland. De Nederlandse taal wordt als een drempel ervaren om nauwe sociale banden in Nederland te vormen. Onder kennismigranten is er behoefte is aan structurele ondersteuning bij het leren van de Nederlandse taal en het leven in Nederland.9
Het kabinet vindt het belangrijk dat arbeidsmigranten en kennismigranten die hier langdurig willen blijven de Nederlandse taal leren. Volwaardig meedoen begint immers bij het goed beheersen van de Nederlandse taal. Het kabinet zet dan ook in op breed pakket om Nederlandse taalbeheersing te stimuleren, zoals aangegeven in de brief over sociale inbedding van arbeidsmigranten.10
Waarom wordt er niet veel meer geïnvesteerd in een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) om het grote onbenutte arbeidspotentieel in Nederland beter te begeleiden naar werk in strategische sectoren?
Het kabinet investeert substantieel in het begeleiden van werkzoekenden naar werk. Zowel bij sociale partners als bij gemeenten en UWV (samenwerkend in de arbeidsmarktregio’s) zijn scholingsmiddelen beschikbaar om werkzoekenden aan het werk te helpen in sectoren. Daarbovenop investeert het kabinet sectorspecifiek. Dat doen we via regelingen van vakdepartementen én via de SLIM-scholingssubsidie, waarmee werkgevers subsidie kunnen krijgen voor opleidingen uit sectorale Ontwikkelpaden voor maatschappelijk cruciale sectoren. De SLIM-scholingssubsidie kan zowel voor werkzoekenden als werkenden worden ingezet en de Minister van SZW stimuleert het gebruik hiervan binnen de arbeidsmarktregio’s. Het kabinet vindt het overigens van belang bestaande publieke en private investeringen in leven lang ontwikkelen (LLO) effectiever te benutten. De uitwerking van de benodigde structurele LLO-basisinfrastructuur is een belangrijke opgave voor een nieuw kabinet. Het kabinet stuurt uw Kamer voor het einde van dit jaar een brief over leven lang ontwikkelen, met daarin de stand van zaken, de resultaten tot nu toe, en de stappen die nog worden gezet.
Op welke wijze bent u voornemens via regionale afspraken en gezamenlijke investeringen met onderwijsinstellingen en bedrijven in te zetten op het door laten stromen van technisch talent uit mbo-, hbo- en wo-opleidingen naar strategische sectoren?
Technisch talent uit mbo-hbo en wo-opleidingen vindt goed zijn weg naar de arbeidsmarkt, onder meer vanwege de grote tekorten op die arbeidsmarkt. De werkloosheid is structureel laag. Middels het actieplan groene en digitale banen realiseert het kabinet een verhoogde inzet van technisch talent en behoud van talent. In het actieplan wordt geen onderscheid gemaakt naar subsectoren van meer of minder strategische aard. Binnen het actieplan zijn er diverse trajecten waarbij een regionale aanpak centraal staat. Te denken valt aan het nationaal plan versterking microchiptalent (project Beethoven), Techkwadraat, LLO-katalysator, het RIF, Sterk Techniek-Onderwijs (STO), 30 miljoen voor de tekortsectoren in het hbo, sectorplannen in het wo, opschaling PPS, sectorale ontwikkelpaden en de arbeidsmarktinfrastructuur. Op 1 juli j.l. heeft de Kamer een update over het actieplan ontvangen.11 De inzet binnen het actieplan blijft onverminderd hoog
Kunt u deze vragen voor het verkiezingsreces en één voor één beantwoorden?
Voor de beantwoording van deze Kamervragen houd ik mij aan de wettelijke beantwoordingstermijn van drie weken en ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Het bericht 'Bij drie gevangenbewaarders thuis een explosief geplaatst, één bewaarder afgetuigd met honkbalknuppel: ’Ernstige agressie en geweld’' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bij drie gevangenbewaarders thuis een explosief geplaatst, één bewaarder afgetuigd met honkbalknuppel: «Ernstige agressie en geweld»»?1
Ja.
Bent u het met de CDA-fractie eens dat het onacceptabel en ontoelaatbaar is dat medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in hun privéleven worden geïntimideerd en te maken krijgen met ernstige agressie en geweld, terwijl zij zich juist elke dag inzetten voor onze veiligheid?
Ja, elk geweldsincident tegen een DJI-medewerker is er één te veel. De incidenten in augustus waarbij vier DJI-medewerkers buiten de gevangenismuren geconfronteerd zijn met ernstige agressie en geweld zijn schokkend en volstrekt onacceptabel. Achter ieder incident staat een mens, met familie en een leven buiten het werk.
Heeft u inzicht in de frequentie van de beschreven voorvallen over de lange termijn? Zo niet, kunnen deze verzameld worden?
DJI publiceert maandelijks een voorvallenlijst waarop incidenten, zoals geweld tegen DJI personeel, gemeld worden.2 Het aantal geweldsincidenten tegen personeel buiten de PI is zeer beperkt maar uiteraard heel ingrijpend. Op dit moment is niet vast te stellen dat er sprake is van een toename op de lange termijn.
Is in de geweldscijfers over lange termijn een toename waar te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier krijgen de slachtoffers van de beschreven aanvallen nazorg en ondersteuning?
Er wordt altijd aangifte van geweldsincidenten gedaan bij de politie. Daarnaast zet DJI zich in om de zorg te bieden die de betrokken medewerkers nodig hebben. Er is bij ieder (gewelds)incident directe nazorg voor medewerkers met daarbij aandacht voor herstel en veiligheid. Medewerkers van DJI ontvangen vanuit DJI ondersteuning van het lokale opvang- en nazorgteam en er wordt standaard psychosociale hulp aangeboden voor de medewerker en voor eventuele andere betrokkenen (zoals familieleden en/of huisgenoten). Daarnaast kunnen slachtoffers, en dus ook personeel van DJI, kosteloos gebruik maken van de hulp en ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN). Dat kan op zowel praktisch als emotioneel gebied en tevens kan, in geval van een strafzaak, juridische ondersteuning worden geboden. Indien meer gespecialiseerde hulp nodig is, wordt een slachtoffer doorverwezen door SHN naar gespecialiseerde instanties. Ik heb geen zicht of van bovenstaande mogelijkheden gebruik is of wordt gemaakt.
Heeft u zicht op staat van de begeleiding van slachtoffers en slachtofferhulp bij de werknemers binnen de DJI?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gebeurt er op dit moment om werknemers van de DJI te beschermen tegen aanvallen als deze?
De vier geweldsincidenten tegen personeelsleden uit augustus worden momenteel onderzocht door de politie. Op dit moment is het te vroeg om conclusies te trekken over de aard en aanleiding van deze aanvallen.
DJI neemt, vanuit haar verantwoordelijkheid als werkgever, waar nodig aanvullende maatregelen voor de veiligheid van haar medewerkers. Daarbij werkt DJI samen met de politie om incidenten te voorkomen en biedt, waar nodig, passende beveiliging. Dit heeft met de aanpak van ondermijning meer aandacht gekregen. Daarnaast investeert DJI blijvend in weerbaarheid en veiligheid van hun medewerkers middels trainingen en opleidingen.
Het beveiligingsbeleid voor personeel is binnen DJI belegd bij een eigen landelijke beveiligingscoördinator die 24/7 beschikbaar en bereikbaar is ten behoeve van bevoegd gezag in de fase van preventie, reactie en herstel.
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige werkomgeving waarin medewerkers hun werk met vertrouwen en waardigheid kunnen uitvoeren. Ik houd dit nauwlettend in de gaten, want veiligheid van personeel staat voorop.
Met betrekking tot het terugdringen van intimidatie door explosies kan ik tot slot aangeven dat mijn ministerie het brede Offensief tegen Explosies steunt dat in 2024 van start is gegaan. Het Offensief zet zich landelijk in op (door)ontwikkeling van verschillende (innovatieve) maatregelen en interventies die moeten leiden tot een duurzame afname van het aantal (pogingen tot) persoonsgerichte aanslagen met gebruik van explosieven op woningen, bedrijfspanden en voertuigen.
Beoordeelt u deze inspanningen als voldoende?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke manier bent u van plan om de bescherming van de werknemers van de DJI te verbeteren?
Zie antwoord vraag 7.