Het bericht 'Recordaantal grote storingen op het spoor, ProRail waarschuwt voor jarenlange hinder' |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Recordaantal grote storingen op het spoor, ProRail waarschuwt voor jarenlange hinder»1 , dat mede gebaseerd lijkt op de halfjaarlijkse rapportage2 en het persbericht van ProRail3 ?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de CEO van ProRail dat de sector werkt met een «verouderde manier van werken»? Welke concrete onderdelen van deze werkwijze zijn volgens u het meest dringend aan vernieuwing toe om verstoringen structureel terug te dringen?
De CEO van ProRail heeft met de uitspraken over een «verouderde manier van werken» gewezen op de, volgens hem, beperkingen van het huidige PGO-contractmodel en de beperkte flexibiliteit die dit biedt voor modern, preventief onderhoud. ProRail meent binnen deze langlopende contracten niet eenvoudig te kunnen bijsturen wanneer nieuwe inzichten of omstandigheden dat vragen. Nieuwe inzichten of omstandigheden kunnen daardoor pas later worden toegepast dan voor het spoor optimaal is.
ProRail geeft aan dat de belangrijkste onderdelen die aan vernieuwing toe zijn, de contractvormen voor klein onderhoud, de verdere digitalisering van onderhoud, de aanpak van monteursschaarste en een betere planning en uitvoering betreffen. Vanwege de beperkte flexibiliteit van de contractvorm ontwikkelt ProRail nieuwe, flexibelere contracten voor kleinschalig onderhoud.
In hoeverre kan sneller worden opgeschaald in oplossingen? Welke mogelijkheden ziet u daarnaast om de ICT-architectuur van het spoorsysteem eerder toekomstbestendiger te maken?
ProRail geeft aan veel meerwaarde te zien in verdere digitalisering van het spoorsysteem. Daarbij is het wel zo dat ICT-storingen een rol spelen in het aantal impactvolle verstoringen, maar het aantal ICT-storingen al een aantal jaren afneemt (50 in 2023, 25 in 2024 en 11 in de eerste helft van 2025). De daling komt door verbeteringen in ICT-infrastructuur, de softwaresystemen en de bijbehorende procedures en werkwijzen. ProRail geeft aan te werken aan verdere modernisering van de ICT-architectuur om het systeem robuuster en toekomstbestendiger te maken.
Voordat we over specifieke oplossingen praten in het kader van de stijging van impactvolle verstoringen, worden de uitkomsten van de analyse van ProRail afgewacht, die voor het einde van dit jaar met IenW wordt gedeeld. Dit onderwerp wordt meegenomen in de gesprekken over de analyse en mogelijke maatregelen.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat het aantal impactvolle verstoringen boven de bodemwaarde van 520 blijft en naar verwachting pas in 2027 weer onder deze waarde komt? In hoeverre worden extra maatregelen genomen om dit eerder dan 2027 te verbeteren?
Het is onwenselijk dat het aantal impactvolle verstoringen boven de bodemwaarde uitkomt. De recente stijging is dan ook een punt van zorg. IenW blijft inzetten op het borgen van de basisconditie van de infrastructuur en het verminderen van risico’s in de spooromgeving.
Daarnaast wordt samen met ProRail gekeken welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de stijging te keren. Het is te vroeg om vooruit te lopen op concrete maatregelen omdat ProRail de nadere analyse van de onderliggende oorzaken nog afrondt. ProRail zal deze analyse voor het einde van het jaar met IenW delen. Daarna wordt besproken welke stappen nodig zijn om zo snel mogelijk verbetering te bereiken.
Welke mogelijkheden ziet u tot modernisering zodat uitloop van werkzaamheden, en de daaruit voortvloeiende verstoringen, structureel wordt verminderd?
Het is te vroeg om vooruit te lopen op concrete maatregelen omdat ProRail de nadere analyse van de onderliggende oorzaken nog afrondt. Wel geeft ProRail aan dat op basis van de eerste inzichten uitloop van werkzaamheden niet de belangrijkste oorzaak lijkt van de recente stijging van verstoringen, maar reizigers hiervan wel veel hinder ervaren. Nadat de analyse van ProRail met het ministerie gedeeld is, zal dit onderwerp betrokken worden in de gesprekken over mogelijke maatregelen.
Bent u bereid te verkennen in hoeverre prestatiegericht werken binnen ProRail en bij derden, binnen de bestaande kaders, kan bijdragen aan meer flexibiliteit in de uitvoering? Zo nee, waarom niet?
ProRail geeft aan dat de huidige langlopende prestatiecontracten in de praktijk onvoldoende flexibiliteit bieden om snel extra werk uit te voeren wanneer zich nieuwe urgente risico’s voordoen, zoals verzakkingen. Vanwege de beperkte flexibiliteit van de contractvorm ontwikkelt ProRail nieuwe, flexibelere contracten voor kleinschalig onderhoud. Dat ProRail aan een nieuwe onderhoudsstrategie met meer regie en aanpassingsruimte werkt, is mijns inziens een prima ontwikkeling.
Welke mogelijkheden ziet u om op drukbelaste corridors met prioriteit én versneld moderniseringsmaatregelen te treffen om de impact van verstoringen op deze trajecten te beperken?
Vooruitlopen op maatregelen of specifieke prioritaire corridors is op dit moment niet wenselijk, omdat de analyse van de onderliggende oorzaken van de impactvolle storingen nog loopt. Ik verwacht van ProRail dat zij hierbij voorstellen doet voor maatregelen om het aantal verstoringen te beperken. De uitkomsten van de analyse van ProRail en voorgestelde maatregelen om de verstoringen te beperken worden voor het einde van dit jaar met IenW gedeeld, daarna zullen deze besproken worden.
Hoe wordt het tijdpad vormgegeven voor het toekomstbestendig maken van het spoornet, en wanneer zijn de eerste zichtbare verbeteringen te verwachten? In hoeverre acht u versnelling van dit tijdpad haalbaar?
De vraag of en welke aanvullende maatregelen eventueel nodig zijn voor toekomstbestendigheid hangt samen met de nadere analyse van ProRail naar de recente toename in verstoringen. Ik verwacht van ProRail dat zij daarbij ook inzicht kan geven worden in het tijdpad en de momenten waarop zichtbare verbeteringen te verwachten zijn.
Welke verbeteringsmogelijkheden ziet u in de samenwerking tussen ProRail, vervoerders en aannemers, onder meer door toepassing van integrale planningsmethoden of gezamenlijke risicoanalyses?
Het plannen en uitvoeren van werkzaamheden is primair de verantwoordelijkheid van ProRail, in nauw overleg met vervoerders en aannemers. Integrale planning en gezamenlijke risicoanalyses worden daarbij al toegepast. Of verbeteringen in dit proces bijdragen aan het verlagen van verstoringen is nog onduidelijk. De analyse van ProRail naar de oorzaken van het stijgende aantal impactvolle verstoringen en welke verbeteringen kunnen bijdragen aan het verlagen van de verstoringen wordt afgewacht.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om meer flexibiliteit te creëren binnen bijvoorbeeld de Aanbestedingswet, zoals de CEO van ProRail aangaf, of binnen de aanbestedingspraktijk, voor omstandigheden die tijdens de uitvoering ontstaan of worden ontdekt, zoals bij de spoorverzakking in Zeeland en elders? En bent u bereid dit ook in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid te bezien? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de rol van het Ministerie van Justitie en Veiligheid: de aanbestedingsregels worden in belangrijke mate op Europees niveau bepaald. De Europese Commissie heeft het afgelopen jaar een consultatietraject gedaan naar de Europese aanbestedingsregels. Hierbij zijn de zaken waar ProRail tegenaan loopt ingebracht. Nu is het aan de Europese Commissie om met eventuele aanpassingsvoorstellen te komen. Na het voorstel van de Europese Commissie zal het voorstel door de Raad worden behandeld.
Welke aanvullende stappen zijn mogelijk om de instroom van technisch en ICT-gekwalificeerd personeel te vergroten, onder meer via samenwerking met mbo- en hbo-opleidingen, versnelde bijscholingstrajecten of interne opleidingsprogramma’s bij ProRail?
ProRail werkt beperkt met mbo- en hbo-opleidingen om de instroom van technisch -gekwalificeerd personeel te vergroten. Tot nu toe wordt dit primair gezien als taak van de aannemers
De NPO en Hamas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Na het BBC-schandaal: waarom ook onderzoek naar NOS noodzakelijk is»1 en «Anti-Israël indoctrinatie van scholieren is wel degelijk zaak van de Minister»2 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van 2 oktober 2025 over SchoolTV?3
Ja.
Welke lessen trekt de NOS uit zorgen die leven over de rol van de BBC bij de berichtgeving over Gaza? In hoeverre ziet de NOS ten dienste van de kwaliteitsverbetering aanleiding om een onderzoek uit te voeren over de eigen berichtgeving?
Onafhankelijke en betrouwbare journalistiek is een groot goed. Journalistiek draagt bij aan een goed functionerende democratie. Bij deze belangrijke rol hoort ook transparantie. Dit doet de NOS door openbaar verantwoording af te leggen over hun journalistieke berichtgeving, onder andere op basis van reacties die zij ontvangen van het publiek.4 Specifiek over de oorlog in Gaza geeft de NOS ook blijk van de gevoeligheid en risico’s rondom de betrouwbaarheid van bronnengebruik bij berichtgeving daarover. De NOS legt openbaar verantwoording af over de wijze waarop ze de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van hun berichtgeving borgen. Dit doen zij onder andere door artikelen en onderzoeken te publiceren over de eigen berichtgeving over de oorlog Gaza.5 Ook de Ombudsman publieke omroep heeft een belangrijke functie in de zelfregulering van de journalistiek bij de publieke omroep en heeft eerder inzicht geboden in het journalistiek handelen in deze thematiek.6
Als stelselverantwoordelijke sta ik voor een breed en pluriform medialandschap. Van journalistieke organisaties in dit landschap verwacht ik dat zij hun journalistieke keuzes verantwoorden en daarbij hun berichtgeving kritisch beoordelen en factchecken. Als er twijfels leven rondom de objectiviteit van berichtgeving is het aan journalistieke organisaties dit gegeven af te wegen en hier iets in hun journalistieke verantwoording mee te doen. Het is niet aan mij als Minister om nader in te gaan op de wijze waarop zij hun journalistieke verantwoording verder vormgeven.
Hoeveel specifieke berichten, reportages en andere producties heeft de NOS in de afgelopen twee jaar gewijd aan de structuur en werkwijze van de terreurorganisatie Hamas? Hoe is de betrouwbaarheid van lokale verslaggevers door de NOS getoetst en welke standaarden zijn gehanteerd voor het gebruik van informatie die afkomstig is van Hamas?
Het kabinet gaat niet over de inhoudelijke invulling van de programmering van de NOS. Ik beschik derhalve niet over aantallen producties over een bepaald thema.
De NOS reflecteert op de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen uit Gaza. Ook de Ombudsman speelt hierbij een rol zoals blijkt uit de beantwoording op vraag 2. Dit systeem van zelfregulering moet de kwaliteit van de berichtgeving van de NOS waarborgen. De NOS is onafhankelijk in zijn werkzaamheden. Het kabinet gaat niet over de journalistieke werkwijze die de NOS in specifieke casussen hanteert. Wel ben ik voornemens het systeem van zelfregulering van de journalistiek binnen de publieke omroep te versterken. De plannen hiervoor zijn afgelopen voorjaar met de Kamer gedeeld en de uitwerking neem ik mee in de hervorming van de landelijke publieke omroep.7
Vindt u dat Hamas een politieke groepering is die ook mensen heeft die vechten of onderschrijft u het breed erkende uitgangspunt dat Hamas een terroristische organisatie is?
De EU en Nederland beschouwen Hamas als een terroristische organisatie, die in 2003 op de EU-terrorismelijst werd geplaatst. Nederland speelt in Europees verband een voortrekkersrol op het sanctioneren van Hamas, in lijn met motie Ceder c.s.,8 en heeft recent samen met gelijkgezinde partners voorstellen gedaan voor het sanctioneren van de politieke top van Hamas.
Welke ruimte heeft de landelijke publieke omroep volgens u om binnen de vereiste kwalitatief hoogwaardige nieuwsvoorziening een eigen duiding te geven van organisaties die internationaal breed als terroristisch worden aangemerkt? In hoeverre bestaan voor zulke keuzes standaarden binnen de publieke omroep?
De landelijke publieke omroep voert zijn werkzaamheden onafhankelijk uit en heeft daarbij redactionele vrijheid, die onder andere in de Mediawet is vastgelegd. Dat is een fundamenteel rechtsstatelijk uitgangspunt dat we met elkaar moeten beschermen. Het is niet aan de overheid of politiek om zich te mengen in journalistieke inhoud.
Persvrijheid is een groot goed. Dat wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich niet zouden hoeven verantwoorden over hun keuzes (zie daarover ook mijn antwoord op vraag9. Bij onvrede over de duiding gegeven aan specifieke berichtgeving kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Waarom vindt u het behoren tot de taak van de NPO om lesmateriaal te ontwikkelen voor scholen? Hoe beoordeelt u het feit dat het materiaal dat de NPO met belastinggeld produceert een verstoring vormt van de markt van leermiddelen, waarmee de NPO ook inhoudelijk meer sturend kan zijn in de beeldvorming dan andere ontwikkelaars?
Conform artikel 2.1 van de Mediawet 2008, is Educatie één van de onderdelen uit de publieke mediaopdracht. Dit wordt onder andere gedaan via het aanbodkanaal Schooltv. Opgenomen in de beschrijving van dit kanaal is het aanbieden van samenhangend educatief media-aanbod waar ook scholen gebruik van kunnen maken. De keuze voor daadwerkelijk gebruik van bepaalde leermiddelen is altijd aan de school zelf. Die vrijheid is opgenomen in artikel 23 van de Grondwet.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De lancering van de Discriminatietoets door de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme |
|
Don Ceder (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lancering van de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening en bent u het met de Staatscommissie eens dat de Discriminatietoets «een concreet instrument» is waarmee overheidsorganisaties structureel discriminatierisico’s kunnen signaleren en aanpakken?
Ja.
Welke rol ziet u voor de Rijksoverheid (ministeries, uitvoeringsorganisaties) in het gebruik van deze toets? Op welke wijze wordt het gebruik van de toets gestimuleerd?
Ik pak de regie op het vervolgtraject van de discriminatietoets. Dit mede naar aanleiding van de motie van het lid van Nispen c.s.1 die het kabinet verzoekt om ervoor te zorgen dat publieke dienstverleners de discriminatietoets publieke dienstverlening zullen gebruiken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij de centrale regie te geven.
Mijn streven is begin 2026 met een kabinetsreactie op de discriminatietoets te komen en daarin zal ik toelichten op welke wijze ik het gebruik van de toets wil stimuleren. Ik kan daar nu nog niet nader op in gaan, omdat de gesprekken hierover nog lopen. We werken daarbij aan twee stappen: (1) de inbedding van de discriminatietoets in bestaande structuren zoals aanbevolen door de staatscommissie en (2) procesbegeleiding van organisaties.
Hoe ondersteunt de Rijksoverheid het gebruik van de Discriminatietoets? Stelt het ministerie middelen beschikbaar om publieke organisaties te ondersteunen bij het toepassen van deze toets?
Voor de komende jaren zijn er middelen gereserveerd om organisaties te ondersteunen bij het toepassen van de discriminatietoets. Het gaat om 500.000 in 2026, om 1,1 miljoen in 2027, 2028 en 2029 en in 2030 nog 500.000. De opbouw van deze reeks is vanuit de gedachte dat 2026 een aanloopjaar is, dan 3 volle jaren en daarna afbouw. In de kabinetsreactie zal ik hier nader op in gaan.
Bent u voornemens om de Discriminatietoets (op termijn) wettelijk te verankeren, zodat gebruik niet vrijblijvend blijft? Zo nee, waarom niet?
Ik heb nu geen voornemen om de discriminatietoets wettelijk te verankeren. De toets is er net en ik vind het belangrijk om eerst ervaring op te doen met het instrument. Ook de staatscommissie geeft als belangrijke randvoorwaarde draagvlak voor het doorlopen van de discriminatietoets binnen de organisatie. Door organisaties te enthousiasmeren in plaats van te verplichten, wil ik voorkomen dat het een afvinklijstje wordt in plaats van kritisch en effectief zelfonderzoek naar risico’s op discriminatie in processen en werkpraktijken.
Mogelijk kan de discriminatietoets op termijn in samenhang worden bezien met de eveneens door de staatscommissie geadviseerde gelijkheidsplicht publieke sector, maar dit vergt nader onderzoek.
Hoe gaat het ministerie monitoren of de Discriminatietoets daadwerkelijk leidt tot minder discriminatie in de praktijk?
Het is bijzonder ingewikkeld om te monitoren of er daadwerkelijk minder discriminatie is en of er in dat geval een causaal verband bestaat tussen een afname van discriminatie en de discriminatietoets. Bij de gesprekken over de implementatie van de discriminatietoets is het wel onderwerp van gesprek hoe er lessen getrokken kunnen worden uit de toepassing en de resultaten van de discriminatietoets. In de kabinetsreactie op de discriminatietoets zal ik hier nader op in gaan.
Wordt de motie van het lid Ceder c.s. uitgevoerd op zodanige wijze dat inmiddels in alle uitvoeringstoetsen het risico op discriminatie beoordeeld wordt? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn zal dit naar verwachting wel ingebed zijn in de standaard onderdelen van een uitvoeringstoets?1
Het programma Werk aan Uitvoering werkt op dit moment aan een handreiking met uniforme punten voor uitvoeringstoetsen en daarbij zullen zij ook kijken hoe de verschillende wensen daarin opgenomen kunnen worden. De (lessen uit de) discriminatietoets horen daar ook bij. De eerste versie van deze handreiking wordt in het voorjaar van 2026 opgeleverd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de Eerste Kamer hier onlangs per brief over geïnformeerd.3 Met de Kamerbrief van Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er invulling gegeven aan de motie van het lid Ceder c.s.
Op welke wijze wordt de motie van de leden Ceder en Azarkan uitgevoerd die verzocht om in het Integraal Afwegingskader een discriminatietoets op te nemen? Is een dergelijke discriminatietoets inmiddels standaard opgenomen in het Integraal Afwegingskader? Zo nee, op welke termijn wordt dit geïmplementeerd?2
De discriminatietoets is steviger verankerd in de herziene Handreiking constitutionele toetsing die binnenkort ook aan de beide Kamers zal worden toegezonden. Net als de vorige editie is de Handreiking opgenomen in het Beleidskompas, de opvolger van het Integraal Afwegingskader, waardoor zij een vast onderdeel vormt van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Met een verscherpte aandacht voor de discriminatietoets wordt beoogd discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen. Op deze manier wordt er invulling gegeven aan deze motie van de leden Ceder en Azarkan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden ruim voor de behandeling van de begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?
Ja.
De walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de walvisjacht van Fuglafjørður, zoals gedocumenteerd door Sea Shepherd, waarbij 285 grienden van 300–400 dieren werden gedood, wat leidt tot een totaal van 992 gedode walvisachtigen op de Faeröer-eilanden in 2025?1 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Ik betreur de jacht die in september heeft plaatsgevonden ten zeerste en ben van mening dat deze jaarlijkse jacht niet acceptabel is.
Kunt u bevestigen dat walvis- en dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas (ASCOBANS), waarin de Faeröer eilanden geen partij zijn, maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Het ASCOBANS beschermings- en beheerplan dat als annex is toegevoegd aan de tekst van de Overeenkomst zegt: «de Partijen zullen streven naar het instellen van (a) het verbod onder nationale wetgeving om het opzettelijk nemen en doden van kleine walvisachtigen waar dit niet al in werking is, en (b) de verplichting tot directe vrijlating van elk dier dat levend en in goede gezondheid gevangen is. Maatregelen om deze regels te handhaven zullen op nationaal niveau worden uitgewerkt.»
De Faeröer-eilanden zijn Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. Lidstaten hebben een eigen verantwoordelijkheid om bij traditionele evenementen op een juiste wijze om te gaan met dieren. Als autonoom onderdeel van het Koninkrijk Denemarken zijn de Faeröer-eilanden zelf verantwoordelijk voor het beheer van hun natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de jacht op walvisachtigen.
De Faeröer-eilanden liggen weliswaar buiten het ASCOBANS gebied, het betreft echter wel dezelfde populaties als uit het ASCOBANS-gebied. Daarom zijn er, op verzoek van de ASCOBANS Adviescommissie, waar Nederland vicevoorzitter van is, meerdere brieven gestuurd aan de Faeröerse overheid om met de oproep om te stoppen met deze jacht. In reactie op de meest recente brief van 16 november 2023, stuurde de Faeröerse overheid 26 augustus 2024 een brief met een informatief memo waarin zij aangeven dat de jacht op grienden en witflankdolfijnen onderhevig is aan een wetenschappelijke beoordeling over de toestand van de populaties en dat quota worden bepaald aan de hand van die beoordelingen. Deze beoordelingen worden uitgevoerd en periodiek herzien in het kader van de Noordoost-Atlantische Zeezoogdieren Commissie (NAMMCO). In 2025 zou een nieuwe beoordeling worden gedaan, die tellingen uit 2015 en 2024 meeneemt. Dit proces wordt nauwkeurig gevolgd door zowel de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) als ASCOBANS.
Bent u bereid Denemarken er op aan te spreken dat deze jachten strijdig zijn met internationale afspraken over de bescherming van walvisachtigen, en te verzoeken dat Denemarken maatregelen neemt om een einde te maken aan de Grindadráp? Zo nee, waarom niet?
In 2021 heeft de Nederlandse ambassadeur in Denemarken hier meerdere gesprekken over gevoerd met de Faeröerse vertegenwoordigers. Tijdens deze gesprekken is de boodschap overgebracht dat Nederland deze jacht niet acceptabel vindt. Als reactie hierop is door de Faeröerse vertegenwoordigers duidelijk gemaakt dat zij zich zeer bewust zijn van de internationale kritiek, maar hebben zij ook aangegeven dat zij handelen binnen de kaders van internationale afspraken en dat de meerderheid van de Faeröerse bevolking op dit moment geen voorstander is van een verbod. Dit zou op termijn kunnen veranderen, omdat de jongere generatie minder waarde hecht aan de traditionele jacht. Nederland zal waar opportuun blijven pleiten voor een totaalverbod op de jacht.
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnen- en walvisslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 ook aangegeven, zijn de Faeröer-eilanden Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. De Faeröer eilanden vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Nederland heeft in 2021 wel, samen met een aantal andere lidstaten en de Europese Commissie, het initiatief genomen om vanuit de Europese Raadswerkgroep voor de walvisjacht een statement te sturen naar de Faeröerse overheid. Dit statement was een reactie op de uitzonderlijk grote slachting van witflankdolfijnen in september 2021. In navolging hierop is dit statement aan alle IWC Verdragspartijen gestuurd en op de IWC website gepubliceerd2. Dit statement veroordeelt de jacht, roept op om deze te stoppen en vraagt om een grondig onderzoek naar deze casus en vraagt daarbij ook om een bredere evaluatie van alle jacht op walvisachtigen. In reactie op onder andere dit statement, heeft de wetenschappelijke commissie van de IWC hun aanbeveling herhaald dat er geen levende vangsten of oogst van kleine walvisachtigen mogen worden goedgekeurd totdat een volledige beoordeling van de status van de soort is gemaakt. Ook sprak de wetenschappelijk commissie van de IWC haar zorg uit over de hoge aantallen gedode witflankdolfijnen. Juist voor deze soort werken de IWC en ASCOBANS samen om de bedreigingen voor de populatie beter in beeld te brengen.
Hoe ziet u de rol van Nederland in het internationaal bevorderen van de bescherming van walvisachtigen, bijvoorbeeld via de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) en binnen de Verenigde Naties, in het licht van deze recente gebeurtenissen?
Zie ook mijn antwoord op vragen 2 en 4. Nederland is actief lid binnen de International Whaling Commission (IWC) en de Overeenkomst ter bescherming van kleine walvisachtigen in de Noordzee, Oostzee en Noordoost-Atlantische Oceaan (ASCOBANS). Nederland is groot voorstander van de bescherming van alle walvisachtigen en zal zich daar voor blijven inzetten.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het volgende overleg met Denemarken en/of binnen de EU over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal dit punt blijven agenderen in de bilaterale gesprekken met Faeröerse overheid en in internationale fora. Aangezien dit in lijn zal zijn met voorgenoemde standpunten, zie ik geen noodzaak om de Kamer nogmaals te informeren.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk optreden tegen de walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden, bijvoorbeeld door de kwestie te agenderen bij de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft mijn voorganger dit actief bepleit in de Raadswerkgroep voor de walvisjacht. Dit zal ik blijven doen in die Raadswerkgroep, die daar het meest geëigende forum voor is.
De uitvoering van motie Ceder 19637, nr. 3488 |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie Ceder (Kamerstuk 19 637, nr. 3488) die een verkenning verzoekt van een aanpassing van het Vreemdelingenbesluit zodat een ambtshalve toets op artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij minderjarigen verplicht wordt en daarin de belangen van het kind waaronder geworteldheid in de Nederlandse samenleving expliciet worden gewogen; tevens een verkenning verzoekt hoe een uitwerking van deze ambtshalve toetsing in de vreemdelingencirculaire en de werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet worden uitgewerkt, waarin wordt uitgewerkt wat artikel 8 EVRM voor minderjarige kinderen betekent op een wijze dat een aanzuigende werking voorkomen wordt, en een juridische uitwerking vraagt van een wijze waarop het perspectief van een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving ook een overweging van toekenning kan zijn?
Op welke manier voert u deze motie uit? Welke stappen gaat u zetten om deze verkenningen te realiseren? Worden gemeenten, onderwijs- en werkgeversorganisaties hierbij betrokken? Op welke termijn kan de Kamer over uw bevindingen worden geïnformeerd?
Erkent u dat er ongedocumenteerde kinderen met en zonder asielverleden zijn die Nederlands spreken, goed opgeleid zijn en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven? Klopt het dat dit momenteel nog geen zwaarwegend belang wordt toegekend? Klopt het tevens dat een potentieel positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving nog niet wordt meegewogen?
Erkent u dat het veel minder moeite en inspanning van toekomstige werkgevers en de samenleving vraagt als deze kinderen in Nederland uiteindelijk gaan werken dan als er migranten met een werkvisum tijdelijk de Nederlandse arbeidsmarkt op komen, zonder verplichtingen tot integratie en participatie?
Wat vindt u in het licht van toenemende arbeidstekorten in cruciale sectoren ervan dat er ongedocumenteerde jongeren/jong-volwassenen niet eenvoudig een verblijfsvergunning kunnen krijgen terwijl zij klaar staan om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving?
Op welke manier wordt de toets aan het belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures momenteel vormgegeven? Wat vindt ervan om deze toets verplicht te maken, bijvoorbeeld voor alle minderjarigen en/of als er een bepaald substantieel deel van het leven in Nederland is doorgebracht?
Neemt u in de verzochte verdere uitwerking mee welke rechten een kind heeft op basis van artikel 8 EVRM, waarbij de individuele belangen van het kind worden betrokken en aan welke inkadering denkt u?
Kunt u bevestigen dat er nu geen expertise bij de IND aanwezig is om de toets aan het belang van het kind uit te voeren? Krijgen vreemdelingen op die manier voldoende rechtsbescherming? Zijn er plannen om expertise aan de IND toe te voegen?
Het bericht 'Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uit huis geplaatste kinderen uit Noord-Nederland jarenlang ernstig mishandeld»?1
Ja
Kunt u aangeven waar in de keten toezicht heeft gefaald en waarom dit niet eerder is gesignaleerd? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment doen de inspecties onderzoek naar de geleverde kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp aan de kinderen die verbleven in dit gezinshuis in Noord-Nederland. Zij zullen daarbij kijken naar de rol van de betrokken partijen, zoals de rol van de gecertificeerde instelling (GI) en de gezinshuisouders. Ook wordt gekeken welke eventuele signalen of meldingen er bekend waren, zowel bij de inspecties als bij andere organisaties, en op welke manier de betrokkenen hiermee zijn omgegaan. We vinden het van belang om de uitkomsten van dit onderzoek af te wachten en niet op voorhand conclusies te trekken.
Klopt het dat er al eerder twijfels bestonden over de pedagogische vaardigheden en geschiktheid van de betrokken gezinshuisouders? Zo ja, waarom is er niet onmiddellijk ingegrepen?
Het klopt dat er in het verleden zorgen waren over de opvoedvaardigheden en de verzorging door de betrokken gezinshuisouders. De betrokken GI geeft aan dat er geen eerdere signalen waren van mishandeling. Naar aanleiding van de zorgen is destijds actie ondernomen door de GI en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder van het gezinshuis is destijds een traject gestart om de vaardigheden van de gezinshuisouder te verbeteren. Dit traject is succesvol afgerond. Hierna zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst. De vraag óf er signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, is onderdeel van het genoemde onderzoek van de inspecties.
Erkent u dat organisaties zoals de William Schrikker Stichting herhaaldelijk betrokken zijn bij ernstige incidenten, zoals het Vlaardingse meisje? Zo ja, waarom is er ondanks eerdere misstanden geen verscherpt toezicht of sanctiebeleid door het ministerie ingesteld en bent u daartoe alsnog bereid?
Het klopt dat de William Schrikker Schichting (WSS) betrokken was bij zowel de zaak van het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen en ook bij deze gebeurtenis van het gezinshuis in Noord-Nederland. De WSS begeleidt meer dan een kwart van alle kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel in Nederland.
Het instellen van verscherpt toezicht of andere maatregelen is niet aan ministeries, maar aan de inspecties. De inspecties hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen vanaf januari 2025 intensief toezicht uitgevoerd bij de William Schrikker Stichting. De inspecties hebben in hun rapport over de WSS2 geconcludeerd dat er weliswaar sprake is van tekortkomingen, maar dat de oorzaken hiervan vooral buiten de invloedsfeer van de WSS liggen. De inspecties concludeerden vertrouwen te hebben in de verbeterkracht van de WSS daar waar verbetermogelijkheden binnen de eigen invloedsfeer liggen. Het instellen van verscherpt toezicht was daarom niet passend volgens de inspecties. In juni hebben zij de WSS laten weten over te stappen naar regulier toezicht.
Bent u tevens bereid, indien nodig door middel van een wetswijziging, ervoor te zorgen dat betrokken begeleiders, bestuurders en toezichthouders die hebben nagelaten deze kinderen te beschermen, ontslagen en strafrechtelijk vervolgd worden? Zo nee, waarom niet?
Nee ik ben daar niet toe bereid. Ontslag en/of strafrechtelijke vervolging is niet aan mij en de huidige wetgeving biedt hiervoor al voldoende mogelijkheden:
Waar het gaat om ontslag hebben de organisaties zelf een zelfstandige bevoegdheid. Ook kan er in het kader van tuchtrecht een klacht worden ingediend over het handelen van een geregistreerde professional. Dit zou kunnen leiden tot een schorsing/doorhaling van de beroepsregistratie, waardoor de betrokken professional geen taken in de jeugdzorg meer mag uitvoeren waar beroepsregistratie voor is vereist. Ook kunnen de inspecties, indien zij dit nodig achten op basis van hun onderzoek, een (tucht)klacht indienen of aangifte doen. Het nemen van individuele beslissingen omtrent strafvervolging is aan het Openbaar Ministerie.
Indien de organisatie een Raad van Toezicht heeft ingesteld3, dan is het aan hen om een beslissing te nemen over ontslag van bestuurders. Verder kan een belanghebbende of het openbaar ministerie de rechtbank verzoeken een bestuurder, dan wel (een lid van) de Raad van Toezicht te ontslaan wegens (voor zover hier relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen (artikel 2:298 BW).
Gaat u op korte termijn dwingende maatregelen nemen – inclusief verplicht extern toezicht, sluiting bij signalen en zware sancties bij falen – om herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, is het aan de inspecties om te bepalen of en zo ja, welke vervolgacties of maatregelen passend zijn. We kunnen in de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen op het oordeel van de inspecties. Wij zullen uw Kamer over de uitkomsten van het onderzoek informeren.
De Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving waaruit blijkt dat Nederland in de rapportage over internationale klimaatfinanciering projecten meerekent die niet primair gericht zijn op klimaatmitigatie of -adaptatie, zoals programma’s op het gebied van gezondheid, cultuur of voedselzekerheid?1
Ja.
Kunt u toelichten welke criteria het kabinet hanteert bij het bepalen of een project of programma meetelt als klimaatfinanciering, en hoe wordt vastgesteld welk deel van een projectbudget wordt toegerekend aan klimaatdoelen?
De klimaatrelevantie van internationale projecten wordt op drie manieren bepaald:
Erkent u dat het toerekenen van delen van bredere ontwikkelingsprojecten aan klimaatfinanciering het risico met zich meebrengt dat de werkelijke omvang van de Nederlandse bijdrage aan klimaatmaatregelen in kwetsbare landen wordt overschat?
Nederland zet zich er voor in een realistische inschatting te maken van klimaatrelevantie van bredere ontwikkelingsprojecten. De Rio-marker systematiek is een internationaal erkende en op dit moment de meest efficiënte methode om deze inschatting te maken. Het kabinet erkent dat het meten van klimaatfinanciering op basis van de Rio-markers op activiteitniveau soms kan leiden tot een wat hogere of lagere schatting van de gerealiseerde klimaatimpact. De gedachte is dat de over- en onderschatting binnen het gehele portfolio elkaar in balans houden en de markers zo op portfolioniveau de best mogelijke weergave geven van de klimaatrelevantie.
Hoeveel publieke middelen heeft Nederland in het meest recente verslagjaar aangemerkt als internationale klimaatfinanciering, uitgesplitst naar mitigatie, adaptatie en gemengde projecten?
Van de publieke klimaatfinanciering in 2024 kwam EUR 659 miljoen (62%) ten goede aan klimaatadaptatie en EUR 352 miljoen (33%) ten goede aan klimaatmitigatie. Van EUR 59 miljoen (5%) is niet gespecificeerd of dit ten goede kwam aan mitigatie of adaptatie (cross-cutting).3
In hoeverre bestaan de Nederlandse bijdragen aan klimaatfinanciering uit schenkingen (giften) dan wel uit leningen of andere financiële instrumenten die moeten worden terugbetaald?
De Nederlandse publieke klimaatfinanciering bestaat bijna volledig uit schenkingen (giften). Een deel van de bijdragen aan de multilaterale ontwikkelingsbanken of bijvoorbeeld de staatsfondsen bij de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO heeft de vorm van een kapitaalaanvulling of een revolverende schenking.
Bij de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering is sprake van meer diversiteit in de financieringsvorm. Van de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering in 2024 (exclusief de financiering vanuit de multilaterale ontwikkelingsbanken) betreft 40% een lening, 25% een garantie, 17% een schenking en 18% is een restcategorie. De gedetailleerde uitsplitsing kunt u vinden op pagina 61 van de Nederlandse private mobilisatie rapportage in 2024.4
Hoe verklaart het kabinet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering aan armere landen, terwijl juist de rijkste landen hiervoor verantwoordelijk zijn?2
Het klopt niet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering. Binnen de EU is Nederland, na Duitsland, Frankrijk en Spanje, in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering.6 Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.7
Welke stappen onderneemt Nederland om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering daadwerkelijk ten goede komt aan de landen en gemeenschappen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering?
Nederland zet zich actief in om de kwetsbaarheid van landen en gemeenschappen voor de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. In 2024 kwam dan ook 62% van de publieke Nederlandse klimaatfinanciering ten goede aan adaptatie. Naar verwachting zal zowel het aandeel als het bedrag voor klimaatadaptatie binnen de Nederlandse publieke klimaatfinanciering verder groeien door groeiende klimaatrelevantie van de inzet op vooral water en voedselzekerheid. Nederland sluit hiermee goed aan op de uitkomst van de 30e Conferentie van Partijen (COP30) bij het Klimaatverdrag, in Belém, Brazilië, waarin wordt opgeroepen tot versterkte inzet op adaptatiefinanciering. Dit past ook bij de bredere aanmoediging van deze COP om gezamenlijk toe te werken naar een verdriedubbeling van de totale financiering voor adaptatie in 2035 binnen de kaders van het afgesproken klimaatfinancieringsdoel.
Uit een onderzoek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) in de deelstudie «Financiële toezeggingen in transitie» (Nederlandse klimaatfinanciering voor ontwikkeling 2016–2019, Kamerstuk 32 813, nr. 811) blijkt dat 60% van de publieke klimaatfinanciering ten goede komt aan lage inkomenslanden en, met een gedeeltelijke overlap, 25% aan fragiele landen. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat deze percentages sindsdien sterk zijn gewijzigd.
In hoeverre is de door Nederland gerapporteerde klimaatfinanciering additioneel ten opzichte van de reguliere middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en hoe wordt deze additionaliteit gecontroleerd en verantwoord?
De discussie over de betekenis van nieuw en additioneel heeft nooit geleid tot een internationaal geaccepteerde definitie. Ontwikkeling die geen rekening houdt met het klimaat is geen bestendige ontwikkeling; en zonder klimaatbeleid wordt ontwikkeling tenietgedaan. De rapportage van de Nederlandse klimaatfinanciering is transparant en volgt zoveel mogelijk de internationaal (in OESO-verband) afgesproken methodes. Doordat de Nederlandse publieke klimaatfinanciering bijna volledig uit giften bestaat en zich voor een groot deel op adaptatie richt, wordt deze over het algemeen positief beoordeeld. De review van het eerste Biennial Transparency Report (BTR) van Nederland onder het Akkoord van Parijs is tijdens COP30 in Bélem succesvol afgesloten. De transparantie van de rapportage laat de ruimte aan ontvangende landen om de Nederlandse bijdrage kritisch te beoordelen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig publieke klimaatfinanciering bijdraagt aan ontwikkelingslanden, gemeten naar nationale welvaart en historische uitstoot?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, is deze constatering onjuist. In vergelijking met andere Europese landen levert Nederland relatief veel publieke klimaatfinanciering.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van alle door Nederland als klimaatfinanciering opgevoerde projecten over de afgelopen drie jaar, inclusief de onderliggende motivering voor hun klimaatdoelstelling en de gehanteerde verdeelsleutel per project?
Ik verwijs u graag naar het online klimaatdashboard.8 Deze openbare database geeft inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering en alle onderliggende programma’s in 2024 en de voorgaande jaren (vanaf 2020). Daarbij is zichtbaar gemaakt welke klimaatrelevantie is meegegeven aan de programma’s (inclusief verdeling adaptatie en mitigatie) en kan worden doorgeklikt naar onderliggende documentatie, zoals de beoordeling die aan de goedkeuring van de activiteit ten grondslag heeft gelegen.
Het bericht 'Coöperatie Laatste Wil komt met nieuwe levenseindemethode' |
|
Harmen Krul (CDA), Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Coöperatie Laatste Wil komt met nieuwe levenseindemethode»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Wat is uw reactie op het feit dat Coöperatie Laatste Wil (CLW) weer met een nieuwe methode voor zelfdoding komt?
Het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan, onder meer via de media, vind ik onwenselijk. Verder vind ik het zorgelijk dat Coöperatie Laatste Wil (hierna: CLW) de grenzen van de wet blijft opzoeken en op deze manier mensen in een kwetsbare positie in gevaar brengt. Waar het gaat om hulp bij zelfdoding of euthanasie kent Nederland een wettelijk kader waarmee uitsluitend artsen bevoegd zijn om dit, met inachtneming van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, uit te voeren. Verder is de inzet van het kabinet juist om het aantal suïcides terug te dringen, onder andere door de toegang tot dodelijke middelen te beperken, het taboe op het gesprek over zelfdoding te doorbreken en mensen met suïcidaliteit laagdrempelig te ondersteunen via de hulplijn van Stichting 113 Zelfmoordpreventie.
Deelt u de grote zorg van deze leden wat dit bericht kan veroorzaken bij mensen in kwetsbare omstandigheden?
Ja, ik deel deze zorg. Voorkomen moet worden dat mensen – al dan niet in een kwetsbare positie – een laagdrempelig aanbod krijgen om over te gaan tot zelfdoding. Daarom wordt in het kader van suïcidepreventie blijvend ingezet op het beperken dan wel opwerpen van belemmeringen van toegang tot dodelijke middelen. Op die manier wordt gewerkt aan een effectieve manier om impulsieve, eenzame en radeloze zelfdodingen te voorkomen.
Hoe rijmt u de ruimte die CLW krijgt om nieuwe zelfdodingsmethodes te verspreiden met uw inzet om het aantal suïcides omlaag te brengen?
Het kabinet blijft onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides, onder meer via de landelijke agenda suïcidepreventie. Ook faciliteert de overheid de hulplijn van Stichting 113 Zelfmoordpreventie waar mensen met suïcidale gedachten gratis, anoniem en 24 uur per dag in gesprek kunnen. Suïcidale gedachten zijn namelijk vaak heel lang wél omkeerbaar. Dan kan laagdrempelige hulp het verschil maken.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, vind ik het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes onwenselijk. Suïcidepreventie is een maatschappelijk vraagstuk en daar hoort het veilig praten over zelfdoding in nieuwsberichten en andere (informatieve) media-uitingen ook bij. Mede dankzij de inzet van Stichting 113 Zelfmoordpreventie is er binnen redacties steeds meer aandacht voor de wijze waarop over suïcides wordt bericht.
Wat vindt u ervan dat CLW keer op keer nieuwe methodes aankondigt bij haar leden en op die manier verwachtingen wekt, terwijl de praktische en juridische mogelijkheden nog in het geheel niet zijn doordacht?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 2 vind ik het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan, onder meer via de media, onwenselijk. Ik vind het zorgelijk dat CLW met haar activiteiten de grenzen van de wet blijft opzoeken en op deze manier mensen in een kwetsbare positie in gevaar brengt. Daarnaast kan CLW inderdaad mogelijk verkeerde verwachtingen wekken over de strafbaarheid van het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan. Het is namelijk niet aan CLW, maar aan het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of bepaalde handelingen wel of niet strafbaar zijn en of iemand daarvoor vervolgd kan worden.
Welk instrumentarium heeft u om mensen in kwetsbare omstandigheden hiertegen te beschermen en acht u dat afdoende? Kunt u dit toelichten?
Op grond van artikel 294 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is het strafbaar om opzettelijk een ander tot zelfdoding aan te zetten respectievelijk om opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam te zijn of hem daartoe de middelen te verschaffen, als de zelfdoding daarop volgt.
Daarnaast blijft het kabinet onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides door het onderwerp te agenderen en bespreekbaar te maken en door het financieren van de vierde landelijke agenda suïcidepreventie. Daarnaast biedt de Wet integrale suïcidepreventie, die op 1 januari 2026 in werking treedt, ondersteuning aan partijen om een samenhangende aanpak rondom suïcidepreventie op te stellen. Deze wet geeft de overheid ook de opdracht om de al bestaande hulplijn zelfmoordpreventie te blijven faciliteren. Hier kunnen mensen met suïcidale gedachten daarover gratis, anoniem en 24 uur per dag in gesprek.
Het wettelijk instrumentarium in combinatie met het suïcidepreventiebeleid van het kabinet is onder meer bedoeld om mensen in een kwetsbare positie te beschermen en is mijns inziens voldoende.
Heeft u contact met experts en 113 over de gevolgen van deze acties en kunt u de bevindingen delen?
Ja, ik heb contact met experts van 113 Zelfmoordpreventie over de gevolgen van de acties van CLW. 113 Zelfmoordpreventie deelt mijn zorgen hierover. De experts geven aan dat het belangrijk is om het maatschappelijke gesprek te voeren over het levenseinde, en de manier waarop mensen daarin zelf de regie kunnen behouden. Daarbij is ook de manier waarop een dergelijk gesprek wordt gevoerd van belang. Het benoemen van zelfdodingsmethodes is volgens de experts geen veilige manier. Sterker nog, onderzoek laat zien dat berichtgeving over zelfdodingsmethodes de drempel tot zelfdoding kan verlagen voor mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden, bijvoorbeeld omdat ze psychische klachten of schulden hebben.2, 3, 4
Op welke manier gaat u kwetsbare mensen beschermen die een zelfdodingswens hebben en bij CLW aankloppen?
Ik heb geen zicht op mensen in een kwetsbare positie die een zelfdodingswens hebben en daarmee bij CLW aankloppen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 blijft het kabinet onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides. Onderdeel van dit beleid is het beperken van de toegang tot dodelijke middelen, om ook op die manier mensen in een kwetsbare positie te beschermen.
Kunt u beoordelen of de nieuwe methode en de manier waarop CLW die wil verspreiden toegestaan zijn volgens het strafrecht? Indien het niet of mogelijk niet is toegestaan, wat gaat u dan doen?
Op grond van artikel 294 lid 2 Sr is het strafbaar om een ander bij zelfdoding behulpzaam te zijn of die ander daartoe middelen te verstrekken. Volgens de Hoge Raad is daarbij relevant of iemand met zijn handelen het voor een ander «mogelijk of gemakkelijk» heeft gemaakt zichzelf te doden. Op grond van de bestaande jurisprudentie is in ieder geval duidelijk dat als de zelfdoding slaagt, het verstrekken van het gebruikte zelfdodingsmiddel valt onder de strafbaarstelling van dit artikel. Ook is duidelijk dat het in georganiseerd verband behulpzaam zijn bij zelfdoding of het verstrekken van een zelfdodingsmiddel kan leiden tot een veroordeling wegens artikel 140 Sr (deelname aan een criminele organisatie), ook als de zelfdoding nog niet heeft plaatsgevonden. Het OM heeft de Minister van Justitie en Veiligheid laten weten dat het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of hetgeen CLW van plan is te doen (onder begeleiding vervaardigen van een zelfdodingsmiddel) valt onder een van de genoemde strafbaarstellingen. Het is aan het OM om te beoordelen of iemand wordt aangemerkt als verdachte van hulp bij zelfdoding en uiteindelijk aan de rechter om de strafbaarheid te bepalen.
Welke strafrechtelijke onderzoeken lopen er momenteel gerelateerd aan CLW?
In zijn algemeenheid geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid kan bevestigen noch ontkennen of tegen bepaalde natuurlijke of rechtspersonen strafrechtelijke onderzoeken lopen, nu daardoor de mogelijkheid bestaat dat daardoor een lopend, maar nog niet door het OM naar buiten gebracht onderzoek zou kunnen worden geschaad. Om deze reden kan niet worden gezegd of er strafrechtelijke onderzoeken lopen gerelateerd aan CLW. Wel kan worden vastgesteld dat er momenteel geen onderzoeken lopen waarover het OM zelf naar buiten is getreden.
Wanneer is wat u betreft de maat vol met de proefballonnen die CLW oplaat en onderneemt u stappen om CLW op basis van het Burgerlijk Wetboek artikel 2:20 te verbieden?
Op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan het OM de rechtbank verzoeken een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden te verklaren en te ontbinden. Van strijd met de openbare orde is sprake als het doel of de werkzaamheid leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Gelet op de grondwettelijk verankerde vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering, past het OM wel terughoudendheid bij het doen van een dergelijk verzoek. Het OM heeft de Minister van Justitie en Veiligheid laten weten op te zullen treden als blijkt dat de strafrechtelijke grenzen worden overschreden of wanneer het vermoeden ontstaat dat CLW werkzaamheden uitvoert die in strijd zijn met de openbare orde.
In de procedure op grond van art. 2:20 BW heeft de Minister van Justitie en Veiligheid geen formele bevoegdheid. Het is dus ook niet aan hem om de door u gevraagde stappen te zetten. Wel is de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van art. 127 Wet op de rechterlijke organisatie bevoegd het OM daartoe een bijzondere aanwijzing te geven. De Minister van Justitie en Veiligheid ziet geen aanleiding om in dit geval van deze bijzondere aanwijzingsbevoegdheid gebruik te maken.5
Het krantenartikel 'Inspectie is helemaal klaar met bedrijven: statiegeld op flesjes moet fors omhoog, anders megaboete' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het statiegeld op plastic flessen en blikjes wil verhogen naar 30 cent omdat de inzameling volgens de inspectie «slecht» verloopt? Zo ja, erkent u dat zo’n forse stijging opnieuw rechtstreeks wordt neergelegd bij consumenten die nu al kampen met hoge boodschappenprijzen?1
Ik ben bekend met het bericht en het met u eens dat een verhoging van het statiegeld nu onwenselijk is, omdat dan de verantwoordelijkheid bij de consument wordt gelegd terwijl het systeem niet optimaal werkt. In Nederland is het verpakkend bedrijfsleven, vertegenwoordigd door de producentenorganisatie Verpact, wettelijk verantwoordelijk voor het inrichten, bekostigen en functioneren van het statiegeldsysteem. Verpact heeft de verplichting om 90% van alle plastic flessen en blikjes in te zamelen. Omdat ze dat percentage nog steeds niet haalt, heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) Verpact al verschillende Lasten Onder Dwangsom (LOD’s) opgelegd, zoals zij vanuit haar bevoegdheid kan doen om partijen te bewegen de wet na te leven.
Op 3 september 2025 heeft de ILT Verpact gelast de consument een extra financiële stimulans te geven om meer statiegeldverpakkingen in te leveren. Een mogelijke manier waarop Verpact dat kan doen is het verhogen van het statiegeldbedrag. Over die last heb ik 3 september 2025 de Kamer geïnformeerd2. In die brief heb ik aangegeven dat ik van Verpact verwacht dat zij met een totaalpakket van oplossingen komen voor de tekortkomingen bij de uitvoering van het statiegeldsysteem, zoals te weinig (werkende) innameautomaten, te lange rijen en zwerfafval door opengebroken prullenbakken. Destijds heb ik bij Verpact aangegeven dat ik verwacht dat zij eerst deze tekortkomingen structureel verbeteren en dat positieve financiële prikkels mijn voorkeur hebben.
Op mijn verzoek is Verpact op 27 november 2025 met een pakket aan maatregelen gekomen: hun Totaalaanpak Statiegeld. Zo komen er duizenden extra plekken waar mensen flesjes en blikjes kunnen inleveren, extra geld om opengebroken vuilnisbakken tegen te gaan, snellere reparatie van kapotte innameautomaten en positieve beloningsacties om goed inlevergedrag te belonen. Hierover heb ik de Kamer diezelfde dag nog geïnformeerd3, waarbij ik heb aangegeven vertrouwen te hebben in deze aanpak. In de totaalaanpak staat geen plan om het statiegeldbedrag te verhogen, maar in plaats daarvan wordt ingezet op beloningsacties als financiële stimulans. Ik ben blij dat Verpact inzet op het belonen van goed inlevergedrag en dat de producentenorganisatie met dit alternatief uitvoering kan geven aan de last van 3 september 2025. Verpact heeft daarvoor een aangepaste last van de ILT ontvangen.
Hoe beoordeelt u het dat de ILT het bedrijfsleven openlijk beschuldigt van «calculerend» en «opportunistisch» gedrag? Acht u dit passend voor een toezichthouder?
De ILT past bij de handhaving van wet- en regelgeving op haar werkterrein de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) toe.4 Dat is de standaard werkwijze van de ILT. De begrippen «calculerend» en «opportunistisch» komen uit deze LHSO.
Klopt het dat technische problemen met statiegeldautomaten (zoals het massaal weigeren van kleine blikjes) een belangrijk deel van de tegenvallende inzameling veroorzaken? Zo ja, waarom wordt dan niet dáár eerst ingegrepen in plaats van de rekening bij burgers te leggen?
Zoals eerder vermeld, deel ik de mening dat het statiegeldsysteem zoals dit nu functioneert nog tekortschiet op een aantal punten. Daar heb ik Verpact dan ook op aangesproken, want het functioneren van het statiegeldsysteem is in eerste instantie de wettelijke verantwoordelijkheid van het verpakkend bedrijfsleven. Verpact heeft in 2023 op aanwijzing van de ILT een analyse uitgevoerd naar de oorzaken voor het niet-behalen van de inzamelnorm voor flessen. Daaruit blijkt dat er geen eenduidige oorzaak is aan te wijzen. Meerdere maatregelen zijn nodig om uiteindelijk de inzamelnorm te halen.
Het innemen van beschadigde statiegeldverpakkingen is eveneens een maatregel die bijdraagt aan het beter functioneren van het statiegeldsysteem. Daarom heb ik Verpact ook verzocht te kijken wat op dit vlak mogelijk is. In de totaalaanpak staat ook dat Verpact op 80% van innameautomaten versoepelde eisen gaat toepassen om meer beschadigde statiegeldverpakkingen in te nemen. Dit zou leiden tot 0,5% tot 0,7% extra ingezamelde statiegeldverpakkingen per jaar. Hierbij geeft Verpact aan dat de barcode van een statiegeldverpakking nog steeds wel goed leesbaar moet zijn en flessen en blikjes niet geplet ingeleverd kunnen worden.
Klopt het dat de ILT een dwangsom tot 20 miljoen euro wil opleggen aan producenten en supermarkten? Hoe verhoudt dit zich tot het tegelijkertijd pleiten voor een verdubbeling van de uitgaven voor consumenten?
De ILT heeft Verpact gelast om de consument een extra financiële stimulans te geven om meer statiegeldflessen in te leveren. Verpact kan op verschillende manieren aan de last voldoen. Zoals in de Totaalaanpak van Verpact staat, is de producentenorganisatie nu van plan dit via consumentenacties te doen en niet door verhoging van het statiegeldbedrag. Positieve financiële prikkels moedig ik aan. Verpact moet alleen een dwangsom betalen van 1,5 miljoen euro met een maximum van 21 miljoen euro als zij niet of niet op tijd op een juiste wijze uitvoering geeft aan de last.
Waarom kiest u steeds voor meer drang, dwang en kostenverhoging, terwijl alternatieven als betere gemeentelijke afvalaanpak, handhaving op zwerfafval en technische verbetering van de automaten nauwelijks worden benut?
Ik herken mij niet in het in de vraag geschetste beeld. Zoals hierboven aangegeven vind ik juist dat het consumenten makkelijker gemaakt moet worden om hun statiegeldverpakkingen in te leveren en geef ik de voorkeur aan positieve financiële prikkels die goed inlevergedrag belonen.
Het is in eerste instantie aan het verpakkend bedrijfsleven om eventuele technische verbeteringen door te voeren, omdat zij wettelijk verantwoordelijk zijn voor het functioneren van het statiegeldsysteem. Verpact is ook verantwoordelijk voor wat zij doet om aan de last te voldoen. Verpact gaat nu aan de slag met de gepresenteerde Totaalaanpak, die tot technische verbeteringen leidt en door beloningsacties voor de consument voorziet in een invulling van de meest recente last van september 2025.
In de totaalaanpak staat ook wat Verpact doet om te zorgen dat meer plastic flessen en blikjes worden ingeleverd in plaats van dat zij in het zwerfafval of openbare prullenbakken belanden. Daarbij geeft Verpact ook aan dit in goed overleg te doen met gemeenten.
Bent u bereid te garanderen dat het statiegeld niet wordt verhoogd zolang de overheid zelf de basis van het systeem van automaten tot controle nog niet op orde heeft? Zo nee, waarom wordt dan opnieuw de consument hiermee belast?
Wettelijk gezien kan het bedrijfsleven het statiegeldbedrag verhogen als zij dit nodig achten voor het behalen van de inzamelnorm. Die mogelijkheid biedt de regelgeving, maar ik heb richting Verpact benadrukt dit nu niet passend te vinden en geen voorstander te zijn van het verhogen van het statiegeldbedrag nu het statiegeldsysteem nog niet optimaal functioneert, maar juist voorstander te zijn van een positieve financiële prikkel. In de Totaalaanpak statiegeld geeft Verpact aan de consumenten te willen belonen voor hun goede inlevergedrag en kiest zij niet voor het verhogen van het statiegeldbedrag. Ik ben blij dat Verpact voor dit alternatief kiest.
De uitvoering van het aangenomen amendement over het afbouwen van belastinggeld voor apenproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat op 28 oktober 2025 de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap door de Eerste Kamer is aangenomen, waarmee het amendement van de Partij voor de Dieren, PVV, JA21, GL-PvdA, SP, Volt en DENK over het afbouwen van subsidies voor apenproeven definitief van kracht is geworden?1
Ja.
Herinnert u zich dat u bij het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven van 2 oktober 2025 heeft toegezegd dat u het amendement «onverkort» zult uitvoeren, wat betekent dat de subsidie van € 12,5 miljoen per jaar stapsgewijs wordt geoormerkt zodat deze niet langer kan worden ingezet voor (het in stand houden van) apenproeven en in plaats daarvan zal worden gebruikt voor de financiering van proefdiervrije methoden, waarmee vorm wordt gegeven aan een snelle afbouw van het aantal apenproeven conform de wens van de Kamer?
Ik heb toegezegd dat ik het amendement onverkort zal uitvoeren.
Herinnert u zich dat u in hetzelfde debat aangaf nog geen brief naar het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) te kunnen sturen over het stapsgewijs beëindigen van de subsidie voor apenproeven, omdat de Eerste Kamer eerst nog met het voorstel moest instemmen – hetgeen nu gebeurd is?
Ja.
Heeft u het BPRC inmiddels geïnformeerd dat de subsidie voor (het in stand houden van) apenproeven in vijf jaar tijd wordt afgebouwd naar nul, en dat deze middelen voortaan moeten worden besteed aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven? Zo ja, kunt u de betreffende brief of brieven naar de Tweede Kamer sturen? Zo nee, wanneer gaat u dit wél doen conform de wens van de Kamer (en waar de commissie in het genoemde debat ook op aandrong)?
Ja, zie bijgaand de brief die hierover aan BPRC is verzonden.
Heeft sinds het aannemen van het amendement door de Tweede Kamer andere communicatie plaatsgevonden tussen het Ministerie van OCW en/of VWS en het BPRC over het amendement en de toekomst van het centrum? Zo ja, kunt u deze communicatie naar de Tweede Kamer sturen, uiteraard met bescherming van persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Tussen 3 juli 2025, het moment dat het amendement door de Tweede Kamer is aangenomen, en 20 november, het moment dat deze schriftelijke vragen zijn ingediend, heeft er vanzelfsprekend communicatie plaatsgevonden tussen het Ministerie van OCW en/of VWS en het BPRC over het amendement en de toekomst van het BPRC. De uitvoering van de toelichting van het amendement heeft verstrekkende gevolgen voor het BPRC, zoals ik ook in verschillende brieven richting de beide Kamers heb aangegeven.2 Ook de Minister van VWS heeft uw Kamer een brief gestuurd over de gevolgen van amendement.3 Het behoort wat mij betreft bij mijn taak en verantwoordelijkheid als subsidieverstrekker om goed contact te hebben met het BPRC over deze gevolgen. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Kunt u bevestigen dat het BPRC, conform het aangenomen amendement, dit jaar minimaal € 2,5 miljoen van de subsidie moet besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven, en volgend jaar minimaal € 4,5 miljoen? Hoe wordt hier uitvoering aan gegeven en hoe wordt er toezicht gehouden dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
De toelichting van het amendement vraagt om in 2025 € 2,5 miljoen te oormerken voor alternatieven voor proefdieronderzoek, in 2026 € 4,5 miljoen, in 2027 € 6,5 miljoen, in 2028 € 8,6 miljoen, in 2029 € 10,5 miljoen en in 2030 € 12,5 miljoen.
De verplichting om een oplopend deel van de subsidie te besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven is een nieuw oormerk in de subsidie aan het BPRC. Het oormerk uit het amendement leidt er immers toe dat BRPC een deel van de subsidie niet meer mag besteden aan de activiteiten die al voor een lange periode de kern zijn van de activiteiten van het BPRC, namelijk onderzoek met dierproeven. Dit betekent dat voor de invoering van deze oormerking (conform artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht) een redelijke termijn in acht moet worden genomen. Met inachtneming van die redelijke termijn is 2027 het vroegst mogelijke moment waarop de oormerking kan ingaan. In de brief die ik heb gestuurd aan het BPRC, informeer ik hen over het besluit om de subsidie te oormerken vanaf het jaar 2027. Deze brief is het startpunt voor de wettelijk verplichte aankondigingstermijn. Als gevolg van deze brief kan het BPRC zich voorbereiden op het oormerk, en daarnaast is de brief het moment waarop het BPRC in bezwaar zou kunnen gaan tegen dit besluit. Na afloop van de wettelijk verplichte aankondigingstermijn kan het oormerk vervolgens vorm krijgen in de beschikking voor het jaar 2027, die eind 2026 wordt verzonden.
Het Ministerie van OCW heeft een lopende afspraak met het BPRC om, in reactie op de motie Teunissen c.s.,4 in 2025 minimaal 17% van de subsidie te besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden.5 Dit betekent dat het BPRC in 2025 minimaal € 2,2 miljoen aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden zal uitgeven. Ik zal in overleg treden met het BPRC over welk percentage van de exploitatiesubsidie zij in 2026 kunnen besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en of zij hierin ambitieus kunnen zijn. Zij dienen hierbij uiteraard wel rekening te houden met reeds gemaakte langlopende afspraken over het onderzoek met niet-humane primaten.
Zoals ik heb toegezegd zal ik in 2026 een brief aan uw Kamer sturen over hoe ik uitvoering zal geven aan het amendement. Hierin zal ik ook ingaan op hoe er toezicht zal worden gehouden op de besteding van het geoormerkte geld binnen de exploitatiesubsidie.
Kunt u de communicatie tussen het Ministerie van OCW en het Ministerie van VWS over het apenproefdiercentrum, vanaf de indiening van het amendement in de Tweede Kamer (18 juni 2025) tot heden, aan de Tweede Kamer toezenden, zodat de Kamer hiervan kennis kan nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik zal uw Kamer schriftelijk informeren over de inhoud van alle communicatie tussen het Ministerie van OCW en VWS. Dat zal dan een samenvatting en tijdlijn betreffen van alles wat er is gecommuniceerd tussen bovengenoemde ministeries.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen de daarvoor gestelde termijn te beantwoorden. Op 15 december 2025 heb ik uw Kamer een uitstelbrief gestuurd.
Kunt u toelichten hoe de aanwijzing van de vier gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede als grootschalige woningbouwlocatie zich verhoudt tot het feit dat zij hierdoor niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn?1
Om de regionale spreiding van rijksinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen te borgen is een scheiding gemaakt tussen woningbouwlocaties in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en woningbouwlocaties daarbuiten (de zgn. «woningbouw op korte termijn», hierna: WoKT). Projecten voor woningbouwlocaties die binnen de nationaal grootschalige woningbouwgebieden vallen konden enkel aanspraak maken op het budget dat voor deze gebieden werd gereserveerd en andersom.
Voor de gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede betekent de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden binnen hun gemeentegrenzen eerder dit jaar, dat zij voor projecten binnen dat geografische gebied geen aanvraag meer konden doen voor een bijdrage uit het WoKT budget, maar wel voor het infrabudget dat was gereserveerd voor nationaal grootschalige woningbouwgebieden én het gebiedsbudget van VRO. Voor projecten buiten deze nationaal grootschalige woningbouwgebieden konden gemeenten nog altijd een WoKT voorstel indienen. Zo ontvangt de gemeente Apeldoorn naast gebiedsbudget ook middelen uit het WoKT budget (ca. € 2,9 miljoen).
Hoe weegt u het feit dat deze vier gemeenten niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn, terwijl er op dit moment ook nog geen perspectief is op financiering vanuit de middelen voor de infrastructurele ontsluiting van de grootschalige woningbouwlocaties, en zij daarmee dus tussen wal en schip vallen?
De volledige € 2,5 miljard die dit kabinet uittrok voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en daarbuiten is verdeeld2. Het beperkte budget heeft geleid tot het kabinetsbesluit om aan de in de ontwerp-Nota Ruimte aangewezen nationaal grootschalige woningbouwgebieden (Alkmaar Kanaalzone, Binnenstad, spoor- en kanaalzone Apeldoorn, Helmond Centrum+ en Spoorzone Hengelo-Enschede (SHE) nu alleen gebiedsbudget (ongeveer € 100 miljoen) toe te kennen. Met dit budget kunnen eerste stappen gezet worden. Dat is niet genoeg voor de totale ontwikkeling van deze gebieden. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien of en hoe de noodzakelijke mobiliteitsmaatregelen alsnog geborgd kunnen worden. We zijn hierover met de betreffende gemeenten in gesprek.
Welke risico’s ziet u voor de voortgang van de woningbouwopgave in deze vier gemeenten, gegeven het ontbreken van financieringsperspectief voor de noodzakelijke ontsluitende infrastructuur?
Met de toekenning van € 100 mln. gebiedsbudget (VRO) aan de nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden in de genoemde vier gemeenten kunnen eerste stappen gezet worden. Samen met het Ministerie van VRO is het Ministerie van IenW de komende periode met de betrokken gemeenten in gesprek om de mogelijkheden en risico’s van deze situatie voor de voortgang van de woningbouwopgave nader in kaart te brengen.
Zou u, samen met deze vier gemeenten en de betrokken provincies, in kaart willen brengen welke ontsluitende infrastructuur benodigd is om de woningbouwopgave te kunnen realiseren, en welke financieringsopgave daarbij hoort?
In aanloop naar de verdeling van de beschikbare middelen hebben ook de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden een propositie voor de ontsluiting van deze gebieden ingediend. Op basis daarvan is het Ministerie van IenW komende periode samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort.
Hoe gaat u deze vier gemeenten en de betrokken provincies betrekken bij de toekomstige besluitvorming over de financiering van de ontsluitende infrastructuur voor grootschalige woningbouwlocaties?
Er kan geen toezegging gedaan worden over de toekomstige besluiten en financiering van de benodigde infrastructuur voor grootschalige woningbouwgebieden, omdat dit aan een nieuw kabinet is. In de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden kunnen op korte termijn veel nieuwe woningen worden gebouwd als wordt geïnvesteerd in de bereikbaarheid van de woningbouwlocaties. De al ingediende proposities kunnen daarvoor als basis dienen.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat deze vier gemeenten daadwerkelijk tussen wal en schip vallen bij de rijksfinanciering van hun woningbouw- en infrastructuuropgave? Zou u de Kamer over deze inspanningen willen informeren?
Zoals aangegeven is het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer in het voorjaar geïnformeerd. Besluitvorming over het toekennen van eventuele nieuwe rijksmiddelen is echter aan een nieuw kabinet.
Hoe beziet u het feit dat er op dit moment een financieringsgat bestaat in de wijze waarop infrastructuur voor woningbouw wordt ondersteund op het moment dat woningbouwlocaties overgaan naar de status van grootschalige woningbouwlocatie? Zou u willen inventariseren welke verbeteringen mogelijk zijn om te voorkomen dat gemeenten hierdoor tussen wal en schip raken?
Het feit dat het financieel tekort op de infrastructuurmaatregelen nu niet wordt gedekt komt niet voort uit de aanwijzing tot nationaal grootschalig woningbouwgebied, maar is een consequentie van het beperkte budget dat dwingt tot de gemaakte kabinetskeuze. Als de woningbouwlocaties in de vier betreffende gemeenten niet tot nationaal grootschalig woningbouwgebied waren aangewezen dan zouden de voorstellen hiervoor binnen de WoKT kaders zijn beoordeeld en geprioriteerd. Tevens kon dan geen aanspraak op het gebiedsbudget worden gemaakt, waaruit nu € 100 miljoen is toebedeeld.
Het artikel 'Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten»?1
Ja
Bent u bekend met de bij deze zaak behorende beschikkingen van de rechtbank Noord Nederland?2, 3
Ja
Hoe kan het volgens u dat kinderen drie jaar lang ernstig fysiek zijn mishandeld, waaronder geslagen, aan de oren getrokken worden en door een hond gebeten worden, terwijl zij in dit gezinshuis geplaatst zijn door de Gecertificeerde Instelling (GI), deze GI de voogdij had en deze als gevolg hiervan ook toezicht diende te houden op het wel en wee en de veiligheid van de kinderen?
GI’s zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en hebben daarmee een belangrijke taak in het bewaken van de veiligheid van kinderen. Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig) passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Hoe deze verantwoordelijkheid in deze specifieke casus is ingevuld, kunnen we op dit moment niet beoordelen. Hiervoor zijn we in afwachting van het onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid en mogelijk met de Inspectie van het Onderwijs, gaat doen naar de feiten en omstandigheden in deze casus.
Bent u bekend met het persbericht van de GI waarin gesteld wordt dat de jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogisch klimaat in het gezinshuis?4
Ja
Wat zegt het u dat ondanks dat jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogische klimaat in het gezinshuis, de kinderen er pas werden weggehaald na een specifieke melding? Hoe reflecteert u in dat licht op het functioneren en de daadkracht van de GI en de interne controlemechanismen, zeker gezien de duur, de herhaling en de ernst van de mishandelingen?
Omdat er volgens de GI sprake was van acute onveiligheid zijn de kinderen onmiddellijk overgeplaatst naar een ander gezinshuis en heeft de GI melding gedaan bij de IGJ. Er waren volgens de GI eerder geen concrete signalen van (fysieke) mishandeling opgevangen, ondanks regelmatige gesprekken met de kinderen door de jeugdbeschermers. De vraag óf er wel signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, wordt onderzocht.
De GI heeft aangegeven dat er eerder wel zorgen waren over de opvoedvaardigheden in het gezinshuis en de verzorging. Hier is destijds actie op ondernomen door de GI. De hoofdaannemer van het gezinshuis heeft daarop een traject gestart gericht op het verbeteren van de (pedagogische) vaardigheden van de gezinshuisouder. Pas nadat dit succesvol was afgerond, zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst.
Erkent u dat drie jaar mishandeling niet past bij het uitgangspunt dat een GI kinderen nauwlettend moet volgen en beschermen? Zo nee, hoe verklaart u dan dat dit toch is gebeurd?
Zoals ook bij vraag 3 is aangegeven, zijn we in afwachting van het onderzoek van de inspecties over de feiten en omstandigheden. Hoewel jeugdbeschermers kinderen regelmatig zien, blijft het herkennen van signalen van mishandeling bijzonder complex. Ieder contactmoment geeft slechts een beperkte inkijk in het dagelijks leven. Hierdoor blijft altijd een risico bestaan dat zorgwekkende situaties niet volledig zichtbaar zijn. Zoals ook bij vraag 5 is aangegeven, onderzoekt de GI óf er eerder wel signalen waren die zij hebben gemist. De GI zal de uitkomsten van dit intern onderzoek ook met de inspecties delen.
Hoe kan het dat nu blijkt dat er kinderen in een gezinshuis al jaren werden behandeld, terwijl de betrokken GI, die ook in de Vlaardingen-zaak betrokken was, heeft verklaard dat alle dossiers waren nagekeken en getoetst?
De GI heeft naar aanleiding van casus Vlaardingen alle dossiers getoetst op risicofactoren. Op basis hiervan is de situatie in dit gezinshuis ook opnieuw multidisciplinair besproken. Daaruit kwam naar voren dat er op dat moment geen signalen van acute onveiligheid waren.
Deelt u de analyse dat er in deze casus zowel sprake is van het verwijtbaar gedrag van de gezinshuisouders, als falen van de GI die signalen had moeten opmerken, controleren en melden?
Op dit moment kunnen we geen conclusies trekken over eventuele verwijtbaarheid of tekortkomingen van betrokken partijen. De inspecties voeren een calamiteitenonderzoek uit om de feiten en omstandigheden vast te stellen en conclusies te trekken over het handelen van de betrokken organisaties.
Hoe is het toezicht op gezinshuizen georganiseerd? Welke formele rechtspositie hebben de gezinshuisouders in het stelsel?
Bij gezinshuizen krijgen kinderen professionele jeugdhulp wanneer zij – om verschillende redenen – (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. De gezinshuisouders bieden 24 uur per dag professionele begeleiding, structuur en zor in een huiselijke setting. De gezinshuiskinderen maken daarbij deel uit van het gezin van de gezinshuisouder(s). De gezinshuisouders zijn hiervoor opgeleid en werken als jeugdhulpverleners.
Gezinshuisouders werken nauw samen met andere professionals zoals jeugdzorgwerkers, voogden van gecertificeerde instellingen en de leerkrachten op de school van de (gezinshuis)kinderen. Meestal zijn er vanuit de betrokken zorgorganisatie ook gedragsdeskundigen betrokken waaraan de gezinshuisouders bijzonderheden over de kinderen kunnen rapporteren en die meedenken over een zorgplan en de inschakeling van jeugdhulp of b.v. traumatherapie kunnen voorstellen.
Gezinshuisouders moeten voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Deze norm stelt dat aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming er zorg voor dragen dat de taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een SKJ-(kwaliteitsregister Jeugd) of BIG- geregistreerde professional. Een SKJ-registratie toont aan dat voldaan wordt aan de eisen van vakbekwaamheid (o.a. relevante HBO-opleiding) en dat gewerkt wordt volgens de professionele standaarden van de beroepsgroep. Belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het SKJ en het register kan maatregelen opleggen en publiceren.
Gezinshuizen zijn aanbieders van jeugdhulp. Daarom vallen zij onder de Jeugdwet en onder het toezicht van de IGJ en IJenV. Ook gemeenten spelen een grote rol onder andere door inkopen van kwalitatief goede jeugdhulp. Zij kopen jeugdhulp in bij gezinshuizen, rechtstreeks of via een organisatie. Gemeenten bepalen vooraf aan welke eisen de jeugdhulp moet voldoen. Zij betalen voor deze jeugdhulp. Gemeenten moeten zich er bij de inkoop en betaling van vergewissen dat de aanbieder passende en kwalitatief goede en veilige hulp biedt.
Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor de IGJ een belangrijke bron van informatie. Iedereen kan een signaal afgeven bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Daarnaast moeten zorg- en jeugdhulpaanbieders, waaronder ook gezinshuizen, bepaalde incidenten (zoals calamiteiten en geweld) verplicht bij de inspecties melden. Signalen en meldingen worden bekeken en beoordeeld. Op basis van deze signalen en meldingen voert de inspectie risicogestuurd toezicht uit.
Zijn bij inspecties, meldpunten of vertrouwenspersonen meer meldingen bekend over structurele onveiligheid, geweld, misstanden of gebrek aan kwaliteit in gezinshuizen? Hoeveel sinds 2020?
De IGJ registreert meldingen die ze ontvangen op naam van de jeugdhulpaanbieder. Meldingen specifiek over het type jeugdhulpaanbieder «gezinshuis» hebben zij niet voorhanden.
In maart 2025 heeft de inspectie een overkoepelend rapport gepubliceerd over het toezicht naar de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp in gezinshuizen5. Hiervoor analyseerde de inspectie handmatig 139 signalen en meldingen over gezinshuizen in 2023 en 2024.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over onderzoeken in hoeverre de bestaande bestuurdersaansprakelijkheid beter onder de aandacht gebracht kan worden bij slachtoffers (Kamerstuk 31 015, nr. 289)?
Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem terecht voor informatie, advies of ondersteuning. Jeugdstem kan advies geven over de mogelijke stappen die gezet kunnen worden, bijvoorbeeld bij het indienen van een klacht. In deze communicatie nemen zij ook de mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid mee. Jeugdstem draagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop te wijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege de complexe juridische aard. Gezien de complexiteit van deze trajecten, zien we op dit moment geen andere realistische mogelijkheid om dit ook nog op andere manieren verder onder de aandacht te brengen van slachtoffers.
Klopt het dat kinderen waarvan het gezag bij ouders is weggenomen, als gevolg van een besluit op basis van artikel 1:266 lid 1 BW, door de uitwerking van de maatregel en de uitvoering door de GI, vaak volledig aan het zicht onttrokken worden van de rechtbank? Klopt het en vindt u het wenselijk dat ouders vrijwel niet worden geïnformeerd of betrokken bij het toezicht op hun kind?
Bij een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling blijft de kinderrechter op vaste momenten betrokken, omdat de maatregel periodiek moet worden verlengd. Bij een voogdijmaatregel is dat inderdaad anders: deze loopt in beginsel door tot de meerderjarigheid van het kind en wordt niet periodiek door de kinderrechter getoetst.
De GI is (wettelijk) verantwoordelijk voor zicht op de veiligheid en ontwikkeling van een minderjarige onder voogdij. Daarnaast hebben ouders, ook na gezagsbeëindiging, op grond van artikel 377c BW recht op informatie over hun kind.
We herkennen dat het ontbreken van onafhankelijk toezicht op het welzijn en de positie van minderjarigen onder voogdij als een tekortkoming. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» de Raad voor de Kinderbescherming belast met een jaarlijkse evaluatie van het welzijn en de veiligheid van deze kinderen. De RvdK spreekt daarbij met de minderjarige, de ouders, de eventuele pleegouders en degene die een vertrouwensband met de minderjarige heeft.
Erkent u dat ouders na een gezagsbeëindiging nauwelijks meer zicht hebben op hun kinderen en dat dit ertoe kan leiden dat zij als enige in staat zijn misstanden te signaleren maar juridisch niet gehoord worden? Hoe beoordeelt u dat in zowel de Vlaardingen-zaak als deze zaak de ouders de enige waren die de misstanden zagen, maar door hun rechtspositie genegeerd werden?
We erkennen dat ouders na een gezagsbeëindiging een beperkte formele positie hebben en dat dit kan betekenen dat zij minder zicht hebben op de dagelijkse situatie van hun kind. Tegelijk blijven ouders ook na gezagsbeëindiging op grond van artikel 377c BW recht houden op informatie over hun kind. In de praktijk wordt echter ervaren dat dit recht niet altijd voldoende invulling krijgt, waardoor ouders zich onvoldoende gehoord kunnen voelen wanneer zij zorgen hebben.
De gebeurtenis in Vlaardingen laat zien dat signalen over mogelijke misstanden altijd serieus moeten worden genomen, ongeacht van wie deze afkomstig zijn. Het is onwenselijk als zorgen van ouders – of van anderen die dicht bij het kind staan – niet worden opgepakt. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» voorzien in onafhankelijk toezicht op kinderen onder voogdij door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit toezicht omvat onder meer een periodiek gesprek met de ouders, zodat hun signalen jaarlijks worden meegenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook na gezagsbeëindiging signalen van ouders kunnen leiden tot onderzoek en eventuele vervolgstappen wanneer daar aanleiding toe is.
Klopt het dat door het inzetten van de gezagsbeëindigende maatregel deze kinderen ook buiten beeld komen van de rechter, waardoor een toetsing of het goed gaat met het kind in de nieuwe setting niet meer plaatsvindt? Vindt u dat wenselijk?
Zie het antwoord op vraag 12.
Wat vindt u van het feit het dat ouders, bij wie problemen zijn met het opvoeden van hun kinderen, het gezag ontnomen kan worden? Wat vindt u van het creëren van een tussenliggende maatregel waarbij de beslissingsbevoegdheid, al dan niet tijdelijk, ontnomen wordt?
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een zeer ingrijpende maatregel. Soms is het helaas noodzakelijk voor de veiligheid en ontwikkeling van een kind. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag gezagsbeëindiging alleen plaatsvinden als duidelijk is dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor het kind.
Om hierbij beter aan te sluiten, wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» het noodzakelijkheidscriterium toegevoegd: gezagsbeëindiging kan alleen als dit écht onvermijdelijk is. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel, via het wettelijk vastleggen van het perspectiefbesluit, een minder vergaande maatregel. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen voor onbepaalde tijd worden voortgezet wanneer dat in het belang van het kind is. Daarmee ontstaat een alternatief voor gezagsbeëindiging, waarbij ouders niet volledig hun beslissingsbevoegdheid verliezen.
Bent u bereid te onderzoeken of de rechtspositie van ouders na gezagsbeëindiging moet worden herzien, zodat hun signalen over mishandeling van hun eigen kinderen in situaties van pleegzorg, gezinshuizen of instellingen niet langer structureel kunnen worden genegeerd, mede gezien het risico dat kinderen van de radar verdwijnen binnen deze vormen van jeugdzorg?
We herkennen de zorg dat signalen over het welzijn van minderjarigen onder voogdij serieus moeten worden genomen. Het ontbreken van onafhankelijk toezicht op deze groep is inderdaad een tekortkoming in de huidige praktijk. Daarom wordt in het wetsvoorstel onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij wettelijk geborgd, zodat problemen in bijvoorbeeld een pleeggezin of gezinshuis niet buiten beeld kunnen blijven en kinderen niet van de radar verdwijnen. Met de ouder(s) wordt door de RvdK – in het kader van de evaluatie – een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de rapporten «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd en «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» van de Inspectie Justitie en Veiligheid?
Ja.
De instandhoudingsopgave |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen die uitgesproken worden in het artikel «Om bruggen en wegen te onderhouden zijn miljarden nodig, maar het budget is platgewalst» en de analyse dat «het risico dat Nederland meer haarscheuren en kuilen zal moeten accepteren, reëel wordt»?1
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen en analyse?
De zorgen worden herkend. De Algemene Rekenkamer concludeerde in mei van dit jaar in haar verantwoordingsonderzoek dat het verschil tussen de budgetbehoefte en begroting voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem over de periode van 2024–2038 is opgelopen tot circa € 34,5 miljard. Het uitgesteld onderhoud neemt verder toe en de conditie van de infraobjecten wordt zichtbaar en meetbaar slechter, zoals ook blijkt uit de Staat van de Infrastructuur. Het aantal storingen, ongeplande werkzaamheden en functie beperkingen loopt verder op.
Nadere analyses zijn eerder uitgevoerd en met de Kamer gedeeld. Het kabinet heeft eind 2024 opdracht gegeven om een langetermijnperspectief en uitvoeringsstrategie voor de bereikbaarheid van veranderend Nederland (woningbouw, economie en mobiliteit) op te stellen. Over de uitkomsten is de Kamer 17 oktober jl. geïnformeerd2. Niet voor niets is daarin aangegeven dat de infrastructuur in Nederland de ruggengraat van onze samenleving vormt én onze delta veilig houdt. Het is ook een harde randvoorwaarde voor woningbouw, onze weerbaarheid en economische ontwikkeling. Zonder infra geen nieuwe woningen, zonder infra geen militaire mobiliteit en zonder infra geen sterke internationale concurrentiepositie en economie.
Ook is de Kamer 17 juni 20243 geïnformeerd dat de instandhoudingsopgave groter is dan het beschikbare budget en wat op dat moment maakbaar werd geacht. Met de maatregelen uit het Meerjarenplan Instandhouding4 dat op 1 juli 2025 is gedeeld met de Kamer, is het productievermogen van Rijkswaterstaat vergroot. Hierdoor kan meer werk worden gerealiseerd dan waarin de huidige budgetten voorzien. In het meerjarenplan is een lijst opgenomen met objecten waarvoor de voorbereiding voor de vernieuwing is gestart, maar waarvoor geen budget beschikbaar is. Voor al deze projecten geldt dat de urgentie in kaart is gebracht en het niet tijdig oppakken gaat leiden tot forse risico’s op de netwerken.
In de Kamerbrief van 8 december 2025 over de Staat van de Infrastructuur 20245 is benadrukt dat het nieuwe kabinet voor een belangrijke keuze staat om de infrastructuur op basis van de huidige eisen operationeel te houden. De beschikbaarheid van voldoende structurele middelen is daarvoor een randvoorwaarde. Zonder deze randvoorwaarde zullen de prestaties van de netwerken naar beneden moeten worden bijgesteld en zijn vergaande keuzes nodig.
Hoe wordt gezorgd voor (duidelijkheid over) meerjarige financiering van de instandhoudingsopgave voorbij de horizon van 2030, waarbij inflatie-gecorrigeerde schommelingen vermeden worden, en voor een programmatische of seriematige aanpak van onderhoud zodat het werkveld meer zekerheid heeft voor het doen van investeringen in productiecapaciteit?
De meerjarige financiering van de instandhoudingsopgave is opgenomen in de instandhoudingsbijlage van het Mobiliteits- en Deltafonds. Voor de gehele fondsperiode tot en met 2039 is, per netwerk, inzichtelijk gemaakt wat de jaarlijks beschikbare budgetten zijn voor Exploitatie & Onderhoud en Vernieuwing. Afhankelijk van de jaarlijkse toekenning van de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) door het Ministerie van Financiën, wordt de begroting gecorrigeerd voor prijsstijgingen.
In het Meerjarenplan Instandhouding6 is de aanpak van Rijkswaterstaat beschreven. Met de portfolioaanpak wordt ingezet op onderhoud en vernieuwing in bundels van meerdere vergelijkbare objecten, zoals bruggen, sluizen of tunnels. Dit bespaart tijd en kosten in de aanbesteding en levert schaalvoordelen op. Het zorgt ook voor een voorspelbare stroom aan opdrachten («dealflow»), waarop de markt zich kan voorbereiden door te investeren in productiecapaciteit. Om de voordelen van de portfolioaanpak ten volle te benutten, is zekerheid nodig over de financiële middelen in de begroting voor de gehele looptijd. In het meerjarenplan is aangegeven dat voor een deel van het werk in voorbereiding, waaronder portfolio’s, geen financiële middelen beschikbaar zijn. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid een voortrollend meerjarenplan instandhouding waarbij niet vijf maar tien jaar vooruitgekeken wordt in overweging te nemen en hier een prijsindexatie aan te koppelen?
Rijkswaterstaat werkt al met een voortrollende programmering waarbij steeds over de lengte van de gehele fondsperiode vooruit wordt gekeken. Dat betekent dat steeds 16 jaar vooruit wordt gekeken, waarvan de eerste 4 jaar maakbaar worden geprogrammeerd en de 4 jaar daarna vooruit worden gepland.
Naast een samenvatting van de programmering kent het meerjarenplan instandhouding nog drie onderdelen, namelijk de sturing op de opgave, managen van productiegroei en de maakbaarheid van de opgave. Deze onderdelen zijn juist gebaat bij stabiliteit en lenen zich niet voor een voortrollende systematiek. Afhankelijk van de jaarlijkse toekenning van de IBOI wordt de begroting gecorrigeerd voor prijsstijgingen.
Wordt gekeken naar mogelijkheden om de investeringsbehoefte voor de instandhoudingsopgave en versterking van de infrastructuur, die sterk toeneemt met de technische levensduur van kunstwerken en andere infrastructuur en de groei van de bevolking, beter te linken aan de begroting?
In de Kamerbrief van 17 juni 20247 is aangegeven dat de instandhoudingsopgave groter is dan het beschikbare budget en wat op dat moment maakbaar werd geacht. De Algemene Rekenkamer heeft het tekort in de periode 2024–2038 becijfert op € 34.5 miljard. Het meerjarenplan instandhouding van 1 juli 20258 zet uiteen hoe Rijkswaterstaat de productie op instandhouding verhoogt naar ruim € 3 miljard per jaar in de periode tot en met 2030 in lijn met het beschikbare budget. Rijkswaterstaat is inmiddels in staat om meer vernieuwingsprojecten te starten dan eerder voorzien en thans budgettair inpasbaar.
Een robuust en duurzaam Nederland vereist dat we blijven investeren in onze infrastructuur. Ook de Raad van State wijst er in dit kader in haar advies bij de Voorjaarsnota 2025 op dat op middellange termijn de overheidsconsumptie en inkomensoverdrachten stijgen, vooral in de zorg- en de sociale zekerheid, terwijl de overheidsinvesteringen (zoals vervoersinfrastructuur) beduidend minder toenemen, ook op langere termijn. Het is aan een nieuw kabinet om te besluiten over toekomstige extra investeringen in de infrastructuur.
Via de reguliere begrotingscyclus wordt uw Kamer, onder meer via de instandhoudingsbijlage, geïnformeerd over de gerealiseerde en beoogde productie en prestaties van de netwerken en de bijbehorende financiering voor de aankomende jaren.
Hoe zorgt u ervoor dat schaarse capaciteit van aannemers en specialisten gericht wordt op projecten die de grootste impact hebben op het netwerk?
RWS werkt op basis van een stabiel meerjarenprogramma waarin projecten worden geprioriteerd. Criteria daarbij zijn beschikbaarheid van budget, beschikbaarheid van capaciteit, zowel bij RWS als de markt, het belang van het object in het netwerk en de technische staat ervan. Ook wordt het werk afgestemd tussen RWS en Prorail en met andere (regionale) partners en uitvoeringsorganisaties om overlast voor de gebruiker te beperken. Door tijdig met marktpartijen te communiceren over het meerjarenprogramma en enkele keren per jaar een actuele inkoopplanning te publiceren, zijn marktpartijen in staat om rekening te houden met het moment waarop projecten op de markt komen en kunnen ze daarop anticiperen.
Hoe wordt bepaald welke kunstwerken het eerst vervangen moeten worden? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met de netwerkimpact bij uitval en storingen, ook voor goederenvervoer?
Bij de prioritering wordt rekening gehouden met de aspecten zoals genoemd in het antwoord op vraag 6. Daarbij geldt dat Vernieuwing en Exploitatie en Onderhoud communicerende vaten zijn. Als vernieuwingsprojecten niet kunnen worden uitgevoerd binnen de randvoorwaarden van budget, capaciteit en hinderplanning wordt er geprioriteerd. Dan worden één of meer vernieuwingsprojecten in het Meerjarenprogramma naar achteren geschoven. De objecten binnen de scope van deze projecten zullen in dat geval langer in stand moeten worden gehouden binnen Exploitatie & Onderhoud. Dit leidt tot hogere kosten en extra capaciteitsinzet voor Exploitatie & Onderhoud. Hierdoor schuift ander werk behorend bij het afgesproken Basiskwaliteitsniveau (BKN) ook naar achteren en loopt het uitgesteld onderhoud op.
Is een lijst met kunstwerken beschikbaar die op korte termijn vervangen moeten worden vanwege de hoge netwerkimpact bij storingen en uitval?
RWS rapporteert jaarlijks in de in de «Staat van de Infrastructuur» over kunstwerken met beperkingen voor gebruikers. Ook wordt inzicht gegeven in de gebieden waar Rijkswaterstaat geplande en/of uitgestelde werkzaamheden verwacht. Deze kaarten zijn momentopnames. Gedurende het jaar kunnen er wijzigingen optreden door herprioritering, vertragingen, inspecties of andere factoren.
Hoe kunt u ervoor zorgen dat het (financieel) aantrekkelijker wordt voor aannemers om te kiezen voor infrastructuurprojecten van Rijkswaterstaat?
Rijkswaterstaat biedt in vergelijking met andere opdrachtgevers en opgaven in beginsel interessante en beeldbepalende infraopdrachten. Het is van belang dat deze projecten onder voldoende aantrekkelijke voorwaarden in de markt worden gezet. Er wordt gewerkt aan meer en betere samenwerking met de markt, innovatieve werkwijzen, passende contractvormen en meer inzicht in de «dealflow». Dat helpt marktpartijen om keuzes te maken, te anticiperen en capaciteit efficiënt in te plannen. Daarbij wordt, om het werk aantrekkelijker te maken, ingezet op vereenvoudiging van administratieve proceseisen, vermindering van de tenderinspanningen en standaardisering. Tot slot is er aandacht voor de contractuele verdeling van de risico’s en de beheersafspraken daarover.
Mobiel bereik in de grensstreek |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD) over het bericht «Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond»?1
Ja.
Acht u het reëel om bij de beoordeling van 112-bereikbaarheid in grensregio’s te blijven uitgaan van alternatieven zoals wifi-bellen, de 112NL-app of vaste lijnen, wanneer uit signalen blijkt dat deze voorzieningen juist in deze gebieden structureel ontbreken?
Bellen via WiFi en de 112NL-app zijn uiteraard geen alternatief als er geen WiFi beschikbaar is of als er geen mobiele netwerkdekking is. Deze opties, en een vaste lijn, zijn met name een mogelijke oplossing als mobiele netwerkdekking in of om het huis tekortschiet, maar er wel verbinding is met een WiFi-netwerk.
Voor andere plekken waar mobiele netwerkdekking lokaal achterblijft zijn alternatieve oplossingen nodig. Het verbeteren van de mobiele netwerkdekking is er daar één van, maar er zijn natuurkundige en technische grenzen aan hetgeen daarmee mogelijk is. Omdat mobiele netwerken nationaal zijn, zijn ter voorkoming van onderlinge verstoringen afspraken gemaakt tussen buurlanden over het maximale zendvermogen op de grens. Om dat in de praktijk na te leven is het onvermijdelijk om kleine concessies te doen op (de kwaliteit van) de netwerkdekking.
De Nederlandse mobiele netwerkaanbieders zijn bovendien niet eigenstandig in staat om de mobiele netwerkdekking in de grensregio’s naar een hoger niveau te brengen. Daarvoor is het namelijk ook noodzakelijk dat de mobiele netwerken in Duitsland en België van voldoende kwaliteit zijn om dekking te bieden aan de Duitse en Belgische kant van de grens.2 Bij onvoldoende dekking van de Nederlandse netwerken wordt ook gebruikgemaakt van aanwezige buitenlandse netwerken door middel van roaming.
Een technologische en marktontwikkeling die op korte termijn potentie toont is die van satellietsystemen die 4G ondersteunen, en in de toekomst waarschijnlijk ook 5G. Satellieten kunnen immers eenvoudig grote geografische gebieden van dekking voorzien. Ook voor deze systemen geldt overigens dat de dekking wordt beïnvloed door zaken als de natuurkundige aard van radiocommunicatie, seizoensinvloeden, boombladeren en bebouwing. Een vrije zichtlijn met een satelliet is belangrijk voor goede dekking.
Steeds meer smartphones die op de markt komen ondersteunen communicatie via deze satellietsystemen. Sommige toestelfabrikanten bieden gebruikers nu al de mogelijkheid om via die satellietsystemen een SOS bericht te versturen naar hulpdiensten. Zo bieden Apple en Google hiervoor ondersteuning op iPhones vanaf versie 14, en Google Pixels 9 en 10-modellen.3 Het is mogelijk dat deze diensten in de toekomst beschikbaar komen in meer goedkopere toestellen. Dit kan op termijn de mobiele bereikbaarheid van 112 in de grensstreken verder verbeteren.
In de tussentijd ben ik uiteraard bereid om in samenwerking met provincies en gemeenten te kijken wat in concrete gevallen de oorzaak van een gebrekkige mobiele netwerkdekking is en of er oplossingen mogelijk zijn. Daarvoor is in het verleden de Handreiking mobiele bereikbaarheid opgesteld die concrete handvatten biedt.4 De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) is beschikbaar om gemeenten te helpen in de toepassing daarvan.
Het is tegelijkertijd onverminderd van belang dat mensen gebrekkige mobiele bereikbaarheid van 112 melden bij het Centraal Informatiepunt 112. Dat stelt de RDI in staat om te onderzoeken wat in concrete gevallen de oorzaak van problemen is. Uit de meldingen die tot nog toe zijn ontvangen blijkt bijvoorbeeld dat de mobiele netwerkdekking niet altijd de oorzaak is. Dankzij meldingen kan worden verzekerd dat de beschikbare tijd en middelen worden gericht op de gevallen waarin de mobiele netwerkdekking van de Nederlandse netwerken de oorzaak is, en er mogelijkheden bestaan om die te verbeteren.
Desondanks zal niet voor alle locaties een oplossing mogelijk zijn door verdere verbetering van de Nederlandse mobiele netwerken. Daarom vind ik de aandacht die u en de media aan dit onderwerp geven, zeer belangrijk. Het is belangrijk dat mensen weten dat de mobiele netwerkdekking niet altijd en overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Zelfs al behoren die netwerken tot de wereldtop en vinden er voortdurend investeringen en innovaties plaats om de mobiele bereikbaarheid in het algemeen en in het verlengde daarvan 112 verder te verbeteren.
Deelt u de zorg dat het aantal meldingen bij het meldpunt mobiele bereikbaarheid geen representatief beeld geeft van de situatie in de grensstreken, onder meer vanwege onbekendheid met het meldpunt en meldmoeheid? Bent u bereid om, mede op basis van signalen van gemeenten, toch te kijken naar aanvullende analyse?
Voor een goed beeld baseer ik mij op verschillende informatiebronnen, waaronder de meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112, de metingen die de RDI verricht om te controleren of de drie mobiele netwerkaanbieders voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en signalen vanuit de samenleving. Het Centraal Informatiepunt 112 biedt de mogelijkheid om meldingen te doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij dergelijke situaties.
Ik erken dat meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112 niet altijd een volledig beeld geven van de situatie op sommige locaties. Bij het Centraal Informatiepunt Mobiele Bereikbaarheid 112 wordt, op basis van de informatie die per melding beschikbaar is, een eerste inschatting gemaakt van de mogelijke oorzaak van de ervaren onbereikbaarheid 112. Daaruit komt het beeld naar voren dat dit verschillende oorzaken kan hebben. Niet in alle gevallen hangt dit samen met de mobiele dekking ter plaatse; ook het gebruikte toestel, de kwaliteit van de spraakverbinding of het verloop van het contact nadat de verbinding tot stand is gekomen kan daarbij een rol spelen.
Om de bekendheid van het informatiepunt te vergroten, is de RDI in 2024 een mediacampagne gestart. Dit heeft geleid tot een toename in de bekendheid van het informatiepunt, maar niet tot een grote toename aan meldingen.
In hoeverre erkent u dat papieren dekkingspercentages – zoals de 98% buitenshuisdekking – onvoldoende inzicht geven in de werkelijke situatie in grensstreken, waar buitenlandse netwerken het Nederlandse signaal verdringen en zendvermogens worden geminimaliseerd?
De 98% buitenshuisdekking is de opgelegde geografische dekkingsverplichting aan de drie mobiele netwerkaanbieders. Het toezicht van de RDI, ook in grensgemeenten, geeft inzicht in de werkelijke situatie op basis van metingen. Hieruit blijken alle drie de mobiele netwerkaanbieders te voldoen aan deze 98% dekkingsverplichting.
De RDI heeft zeer recent metingen uitgevoerd in drie grensgemeenten in de provincies Gelderland en Limburg. Uit deze metingen komt naar voren dat de drie mobiele netwerkaanbieders in deze gemeenten voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en de dekking in grensgemeenten grosso modo niet wezenlijk afwijkt van andere metingen elders in het land. Tegelijkertijd blijkt uit de metingen dat op lokaal niveau wel verschillen bestaan tussen aanbieders als het gaat om netwerkdekking in de grensgemeenten, zoals dat ook in andere gemeenten doorgaans het geval is. Deze verschillen hebben onder andere te maken met de locaties van de antenne-opstelpunten, het aantal antenne-opstelpunten en ook de gebruikte frequentiebanden.
Daarbij is relevant dat dit de individuele gemeten dekking is van iedere aanbieder voor mobiele telefoongesprekken en mobiel internetgebruik van diens abonnees, terwijl bij noodoproepen gebruik gemaakt kan worden van alle beschikbare netwerken. Deze gestapelde dekking geeft voor 112-oproepen een hoger dekkingspercentage dan de individuele netwerken. Ook is het goed om op te merken dat de dekkingsverplichting wordt gemeten met een minimale snelheid van 8 Megabit per seconde. Bij een lagere signaalsterkte is het signaal mogelijk nog steeds voldoende om een telefoongesprek op te zetten.
Desalniettemin kan in grensstreken de bereikbaarheid van 112 lokaal minder goed zijn dan op andere plekken in Nederland, mede gelet op de noodzakelijke afstemming van frequentiegebruik met onze buurlanden. Ik ben mij er ook van bewust dat de metingen van de RDI een momentopname vormen en dat de ervaring van burgers en bedrijven hiervan kan verschillen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat mobiele dekking afhankelijk is van invloeden als het weer en de seizoenen. Maar ook van het gebruikte toestel, de manier waarop mensen een toestel vasthouden, het abonnementstype en het andere (data)verkeer op het netwerk. Ook hoeven de mobiele netwerkaanbieders niet op elke locatie in een gemeente dekking en capaciteit aan te bieden, zolang aan de eis van 98% van het grondgebied wordt voldaan. Daartegenover staat dat, hoewel Natura 2000-gebieden in een gemeente formeel zijn uitgezonderd van de dekkings- en snelheidsverplichting, uit de metingen van de RDI blijkt dat in de praktijk vaak wel mobiele dekking is in deze gebieden. Tot slot merk ik op dat de dekkings- en snelheidsverplichting buitenshuis geldt, terwijl burgers en bedrijven vaak dekking binnenshuis verwachten.
Kunt u toelichten hoe de automatische netwerkkeuze bij 112-oproepen functioneert in praktijk, met name in situaties waarin geen bruikbaar Nederlands netwerk beschikbaar is en het buitenlandse netwerk 112-roaming niet ondersteunt?
Op het moment dat een toestel een 112-oproep start, zal dit via ieder Nederlands mobiele netwerk afgehandeld kunnen worden, afhankelijk van de signaalsterkte. Indien het eigen netwerk onvoldoende signaalsterkte biedt dan zal het toestel zoeken naar andere beschikbare mobiele netwerken. De telefoon zal verbinding maken met een mobiel netwerk dat voldoende signaalsterkte heeft. Dit kan ook een buitenlands mobiel netwerk zijn. Er is daarmee, in tegenstelling tot reguliere oproepen, geen afhankelijkheid van het eigen netwerk en bijbehorende netwerkdekking. Voor zover technisch mogelijk, ondersteunen de buitenlandse netwerken altijd 112-roaming.
In hoeverre acht u het realistisch om gemeenten verantwoordelijk te maken voor verbetermaatregelen in witte gebieden via de Handreiking mobiele bereikbaarheid, als er zonder aanvullende steun vanuit het Rijk geen zicht is op investeringen zoals zendmasten, grensafstemming of alternatieve infrastructuur?
Doorlopend ben ik met de mobiele netwerkaanbieders en gemeenten in gesprek over de plaatsing van zendmasten. Het Rijk schept daarbij de landelijke wettelijke kaders en randvoorwaarden en biedt ondersteuning aan gemeenten, onder andere in de vorm van gemeentelijk voorbeeldbeleid voor antenneplaatsing.5 Ook de genoemde Handreiking mobiele bereikbaarheid kan helpen om de netwerkdekking in (grens)gemeenten te verbeteren. In de basis is het aan de mobiele netwerkaanbieders om te bepalen waar zij zendmasten willen plaatsen, afhankelijk van de eigen (radio)planning. Gemeenten kunnen dit faciliteren aangezien zij de bevoegde instantie zijn voor het verlenen van vergunningen voor de plaatsing van zendmasten. Ook kunnen (grens)gemeenten ingaan op de jaarlijkse uitnodiging van Monet (het samenwerkingsverband van de mobiele operators) om te spreken over de voorgenomen plaatsing van nieuwe antenne-installaties in hun gemeente.
Bent u bereid om in gebieden waar mobiele dekking aantoonbaar tekortschiet, zoals in Ven-Zelderheide, nader te verkennen of aanvullende veiligheidsvoorzieningen zoals alarmpalen alsnog een rol kunnen spelen als vangnet in levensbedreigende situaties?
Vooropgesteld, de mobiele dekking en bereikbaarheid van 112 in Nederland zijn, over het algemeen, zeer goed. Dit is ook het geval in Ven-Zelderheide, onderdeel van de gemeente Gennep, blijkt uit de recente metingen van de RDI.6 Ook zijn er al diverse maatregelen getroffen en alternatieve manieren om 112 te kunnen bereiken, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Ik waardeer het zeer dat u meedenkt in mogelijke oplossingen, en hoewel uw suggestie om bijvoorbeeld alarmpalen in te zetten sympathiek is, ben ik niet overtuigd dat de oplossing ligt in dergelijke vaste infrastructuren naast het reguliere (vaste) telefoonnet. Dit laat onverlet dat ik graag in gezamenlijkheid met provincies en gemeenten kijk naar mogelijke oorzaken en oplossingen voor lokaal achterblijvende mobiele netwerkdekking. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Ik moet daarbij nogmaals benadrukken dat volledige mobiele netwerkdekking onmogelijk overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Daarom is op de website van de rijksoverheid een aantal handelingsperspectieven opgenomen.7
Het artikel ‘Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het antwoord op vraag 2).
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden? Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met 2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt. In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen 2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se. Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen, en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw. Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS, CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, 2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur 1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring geweest.
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting, ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers? Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan (zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie het antwoord op vraag 5).
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010? Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere EU-landen?
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie het antwoord op vraag 12).
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in andere EU-landen?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen, waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland, gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen. Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende landen een onvolledig beeld geeft.
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten. Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode 2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing voor het verschil in indexatie in de periode?
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels voor aanvullende pensioenen per land.
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator. Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen (de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
16.138
16.138
24.349
21.162
31.835
20.784
30.211
20.587
24.092
20.185
19.589
19.470
18.100
19.371
22.577
18.885
18.855
17.217
22.436
17.204
17.926
16.456
21.085
16.353
21.766
15.324
12.286
14.558
11.286
13.240
12.484
13.085
6.905
11.688
10.613
11.412
8.930
10.175
8.375
10.142
5.094
9.577
4.958
8.015
7.329
7.779
5.684
7.425
4.940
7.212
5.323
7.145
3.611
6.644
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
Voorlopig
Raming
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële steun zijn daarbij niet aan de orde.
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op vooruit.
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt (aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken, kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte deel gaat compenseren.
Criminele netwerken en arbeidsuitbuiting |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Drie criminele Turkse families heersen over Zaanstad»?1
Ja.
Kent u meer gemeenten waarbij één persoon of een klein aantal personen aan het hoofd staat van criminele piramidestructuren die een wijk in de greep houden? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat dat en kennen die gemeenten ook een interventieteam of een andere vorm van ondersteuning tegen deze vorm van ondermijnende criminaliteit?
Wegens de vertrouwelijkheid van lopende politiezaken kan er niet worden ingegaan op de vraag of er meer gemeenten zijn waar één of een klein aantal personen aan het hoofd staat van criminele piramidestructuren.
Voor gemeenten zijn er diverse mogelijkheden om ondersteuning te krijgen in de aanpak van ondermijnende criminaliteit in wijken. De Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC)2 ondersteunen gemeenten met haar partners in de aanpak van ondermijnende criminaliteit, waaronder het interventieteam van de gemeente Zaanstad. Partners zoals het Openbaar Ministerie (OM), politie en FIOD kunnen informatie met elkaar delen en samen optreden. Deze werkwijze heeft in verschillende gemeenten geleid tot goede resultaten3. Voor gemeenten die kampen met criminele netwerken met familieverbanden is een aantal praktische handvatten beschikbaar. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) heeft een integrale werkwijze ontwikkeld om criminaliteit binnen familienetwerken aan te pakken4. In vijf stappen worden gemeenten meegenomen in de aanpak. Dit start bij het opvangen van signalen tot uiteindelijk goede organisatorische borging van het vraagstuk.
Daarnaast heeft EMMA (Experts in Media en Maatschappij) samen met Politie & Wetenschap en Tilburg University ook het boek «Interveniëren in criminele families» geschreven als handreiking voor gemeenten5. Tot slot is in het programma Preventie met Gezag (PmG), waar ook de gemeente Zaanstad in is opgenomen, aandacht voor de aanpak van criminele families. PmG zet zich in op het voorkomen dat jongeren en gezinnen in kwetsbare posities doorgroeien of afglijden in de criminaliteit. PmG heeft samen met EMMA de leergang criminele familie aanpak georganiseerd, waarin gemeenten onder meer leerden over de implementatie en uitvoering hiervan. Hierin zijn elementen voor een succesvolle aanpak op criminele families uiteengezet zodat gemeenten hier lering uit kunnen halen en is er een relevant netwerk van gemeenten opgebouwd. De geleerde lessen worden ook gedeeld met de rest van Nederland, bijvoorbeeld via de digitale vindplaats.
Ook is er een landelijke fenomeentafel in oprichting, specifiek gericht op kleinere, lokale en sectorale criminele samenwerkingsverbanden die via machtsposities in bepaalde wijken of sectoren grote invloed uitoefenen. Deze tafel wordt gecoördineerd door het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC), in nauwe samenwerking met diverse partners. De fenomeentafel heeft als doel om kennis te bundelen, interventies te ontwikkelen en de weerbaarheid van de samenleving te vergroten. Drie concrete casussen worden daarbij betrokken, te beginnen met de glazenwassersbranche in de gemeente Zaanstad.
Zijn u meer onderzoeken over criminele structuren in gemeenten bekend die vergelijkbaar zijn met het genoemde onderzoek van Bureau Beke met betrekking tot Zaanstad? Zo ja, welke onderzoeken zijn dat?
Ja, binnen PmG hebben meerdere gemeenten Bureau Beke ingezet om criminele netwerken in kaart te brengen. Doel van deze onderzoeken was om inzicht te krijgen in aard en omvang en om passende interventies in te zetten. Er zijn vergelijkbare onderzoeken6 uitgevoerd in de gemeenten Arnhem, Rotterdam en Amsterdam. Een vergelijking tussen gemeenten is niet te maken, vanwege de lokale context. Hierdoor is elke gemeente uniek in haar ondermijnende problematiek, zo ook de gemeente Zaanstad.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden hypotheek- en vastgoedfraude via ogenschijnlijk legale bedrijven kan plaatsvinden? Zo ja, wat is dan de stand van zaken betreffende de uitvoering van de motie van het lid Mutluer betreffende het onderzoeken of het verplicht stellen van een verklaring omtrent het gedrag bij een inschrijving in het Handelsregister effectief kan zijn bij het weren van criminele ondernemers (Kamerstuk 29 911, nr. 458)? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet heeft aandacht voor de bestrijding van hypotheek- en vastgoedfraude. Over de stappen die het kabinet hierin zet, is uw Kamer onder meer geïnformeerd in de Kamerbrief van 2 september jl.7 van de Minister van Financiën (FIN), mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV). In deze brief wordt ingegaan op beleidswensen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) en de politie.
Voor de stand van zaken van de uitvoering van de motie van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) over het verplicht stellen van een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) bij inschrijving in het handelsregister verwijs ik u graag naar de aanstaande halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit van december 2025.
Waarom heeft de uitvoering van de motie Mutluer/Six Dijkstra (Kamerstuk 29 911, nr. 446), die verzoekt te onderzoeken hoe hypotheekverstrekkers inkomensgegevens kunnen opvragen bij de Belastingdienst om fraude tegen te gaan, zo lang stilgelegen en wanneer wordt de Kamer hierover opnieuw en volledig geïnformeerd? Bent u bereid om met hoge prioriteit te zorgen voor afronding van dit onderzoek, inclusief een concreet tijdpad voor implementatie? Zo nee, waarom niet?
De uitvoering van de motie Mutluer (GroenLinks-PvdA)/Six Dijkstra (NSC) heeft niet stilgelegen. Over de inzet op hypotheekfraude is steeds aangegeven dat er vanuit het Financieel Expertise Centrum (FEC) een project is gestart inzake hypotheekfraude. De doelen van het project zijn de aard en omvang van het probleem inzichtelijk maken en mogelijke oplossingen in kaart brengen. De uitkomsten van dit onderzoek worden in maart 2026 verwacht. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden als we deze informatie hebben ontvangen. In de aanstaande halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit wordt en in de reactie van 2 september jl. op de beleidswensenbrief van de NVB, KNB, SFH en politie is ingegaan op de uitvoering van de motie Mutluer (GroenLinks-PvdA))/Six Dijkstra (NSC).
Deelt u de analyse dat een structurele verstrekkingsgrond nodig is voor hypothecaire financiers via aanpassing van artikel 4:3 Besluit Politiegegevens? Bent u bereid te onderzoeken hoe de Belastingdienst structureel relevante opsporingsinformatie kan ontvangen bij fiscale en hypotheekfraude door aanpassing van artikel 4:3 Besluit politiegegevens (Bpg) en artikel 18 Wet politiegegevens (Wpg)? Zo ja, binnen welke termijn?
De Ministeries van JenV en FIN verkennen welke wettelijke mogelijkheden er zijn om de structurele verstrekking van politiegegevens aan hypothecaire financiers en de Belastingdienst mogelijk te maken. Verkend wordt of structurele verstrekking noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. De uitkomsten van dit onderzoek worden in maart 2026 verwacht. Over de uitkomsten van de verkenning wordt de Kamer geïnformeerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie (OM) om te komen tot een programmatische aanpak van hypotheek- en vastgoedfraude in het bijzonder in de kwetsbare wijken die onder Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid vallen zodat de ondermijnende werking beter kan worden bestreden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 is het FEC een project gestart inzake hypotheekfraude. Ook het OM neemt hier aan deel. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden als we deze informatie hebben ontvangen. Als een of meerdere mogelijke oplossingen vanuit het FEC-project het OM raken zal de Minister van JenV daar vanzelfsprekend mee in gesprek treden.
Welke acties zijn na motie Michon c.s. ondernomen om de Kamer van Koophandel meer mogelijkheden te geven om malafide ondernemingen te weren, onder meer door explicitering van weigeringsgronden en ruimere mogelijkheden tot het delen van signalen (Kamerstuk 29 911, nr. 463)? Kunt u daarbij een splitsing maken tussen de inschrijving van BV’s en de inschrijving van de Bulgaren die als zelfstandige ingeschreven worden?
Naar aanleiding van motie Michon (VVD) over de Kamer van Koophandel (KVK) meer mogelijkheden te geven, zijn er diverse gesprekken geweest tussen het Ministerie van JenV en het Ministerie van Economische Zaken (EZ). Gezamenlijk wordt er gekeken naar de verschillende mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KVK te versterken.
Daarnaast zal er vanuit het Ministerie van EZ op korte termijn een voorstel tot wijziging van de Handelsregisterwet in consultatie gaan, waarin onder andere de mogelijkheid voor KVK tot het delen van signalen wordt vastgelegd. Die wijziging harmoniseert ook de wettelijke grondslag voor het registreren en publiceren van verschillende bestaande bestuursverboden. Een bestuursverbod leidt altijd tot weigering van nieuwe inschrijvingen voor de duur van het verbod.
De inschrijving van een Besloten Vennootschap (BV) in het Handelsregister wordt in de regel aangeboden door de notaris die de BV heeft opgericht. Bij een BV heeft de notaris de primaire poortwachtersrol, KVK kan immers niets meer doen aan de oprichting van de BV, die is met het tekenen van de oprichtingsakte een feit. Bij de inschrijving van een eenmanszaak moet de ondernemer, ongeacht de nationaliteit, zelf bij KVK langs voor identificatie en inschrijving. Dit proces is zodanig ingericht dat het risico voor niet vrijwillige inschrijving zoveel mogelijk wordt gereduceerd. Hierop wordt verder ingegaan in het antwoord op vraag 19.
Ziet u aanleiding om een landelijk vergunningenstelsel te creëren voor sectoren die gevoelig zijn voor ondermijning (zoals schoonmaak of glazenwassen), mede gezien het waterbedeffect richting omliggende gemeenten? Zo nee, waarom niet? En wat is daar wel voor nodig?
Het gaat om problematiek die zich vooral lokaal aandient. Hierbij kan het lokaal bestuur het beste inschatten of een vergunningstelsel de juiste barrière is om op te werpen of dat een andere, minder vergaande maatregel kan worden ingesteld. Daarvoor is in 2024 ook de Handreiking kwetsbare branches8 gepubliceerd. Deze handreiking kan als startpunt dienen om te bepalen of sprake is van een kwetsbare branche en welke maatregel het meest passend is. Een vergunningstelsel kan dan een lokale keuze zijn, waarbij het voor een gemeente mogelijk wordt om de vergunningplichtige branche te screenen met een Bibob-toets. Het instellen van een vergunningstelsel is wel onderworpen aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Europese Dienstenrichtlijn. Zo moet een stelsel onder andere evenredig en dus gerechtvaardigd zijn. Gemeenten kunnen bij het instellen van een vergunningstelsel gebruikmaken van de Handreiking APV en Ondermijning9.
Het kabinet ziet daarom op dit moment geen aanleiding om een landelijk vergunningstelsel te introduceren voor de genoemde sectoren. Een vergunningstelsel is een vergaand middel vanwege hoge administratieve lasten, zowel voor de gemeente (in de vorm van capaciteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid) als voor de ondernemers (in de vorm van regeldruk). Dit landelijk organiseren, voor een gehele branche en voor elke gemeente in Nederland, wordt daarom niet als proportioneel geacht.
Kunt u aangeven in hoeverre (een deel van) deze bedrijven al onder de nieuwe Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) vallen en daarmee toelatingsplichtig zijn?
Iedere werkgever die arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een ander om onder diens toezicht en leiding arbeid te gaan verrichten, valt onder de reikwijdte van de Wtta. Wanneer de toelatingsplicht inwerking treedt, moet de uitlener beschikken over een (voorlopige) toelating of ontheffing. De toelating of (voorlopige) ontheffing vraagt de uitlener aan bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU).
De NAU gaat de aanvraag voor (voorlopige) toelating of ontheffing beoordelen. De NAU verstrekt alleen toelating als de uitlener voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen en behouden van een toelating, zoals de naleving van het normenkader, een verklaring omtrent gedrag en een waarborgsom. In het normenkader staan regels over bijvoorbeeld de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De NAU kan een toelating schorsen en intrekken als een uitlener zich niet houdt aan het normenkader. Ook kan de NAU naar aanleiding van een Bibob-onderzoek een aanvraag voor toelating preventief afwijzen in het geval aanwijzingen zijn dat de toelating zal worden misbruikt voor criminele doeleinden.
Het hangt van de feiten en omstandigheden af of de genoemde ondernemingen onder de reikwijdte van de Wtta vallen. De Wtta treedt in werking per 1 januari 2027. De Arbeidsinspectie gaat toezicht houden op de toelatingsplicht vanaf 1 januari 2028. Bij een vermoeden van een schijnconstructie onderzoekt de Arbeidsinspectie of sprake is van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
Bent u het ermee eens dat de omschreven afhankelijkheid van de in het artikel genoemde arbeidsmigranten laat zien hoe belangrijk het scheiden van werk en wonen is?
Het is belangrijk om de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van de werkgever te verminderen en hun positie te verbeteren. Daarom werkt het kabinet aan uiteenlopende maatregelen. De Wet goed verhuurderschap verplicht sinds 1 juli 2023 dat de arbeids- en huurovereenkomst van elkaar gescheiden moeten zijn.
Soms verliezen arbeidsmigranten bij het einde van de arbeidsovereenkomst echter ook direct hun huisvesting omdat zij een contract «naar aard van korte duur» hebben voor de huisvesting. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werkt aan een wetsvoorstel dat het gebruik van dergelijke contracten zal tegengaan en de huurbescherming voor arbeidsmigranten zal verbeteren. Uw Kamer is hier onlangs over geïnformeerd.10 Hierdoor hebben arbeidsmigranten meer zekerheid en duidelijkheid over hoe lang zij in de woning kunnen verblijven. Daarom draagt dit bij aan verkleinen van de afhankelijkheidsrelatie. Het streven is het wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie te brengen.
Verder moet op basis van de Wet Versterking regie op de volkshuisvesting door middel van een verplicht volkshuisvestingsprogramma meer huisvesting voor arbeidsmigranten tot stand komen. De novelle bij dit wetsvoorstel ligt nu bij de Raad van State.
Ook is het belangrijk dat arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en voor hun rechten op kunnen komen. Daarom worden er via het project Work in NL in het hele land fysieke en mobiele informatiepunten geopend waar arbeidsmigranten in hun eigen taal worden geïnformeerd en geholpen. Ook wordt de samenwerking met Bulgarije voor informatievoorziening en hulp in het herkomstland momenteel verder ontwikkeld. Onder andere in samenwerking met het EURES-netwerk.
Kunt u aangeven hoe omvangrijk de arbeidsuitbuiting is en wat er voor de mensen die het betreft gedaan wordt ten aanzien van bescherming en juridische ondersteuning?
Arbeidsuitbuiting is een strafbaar feit en dient hard te worden aangepakt. Het is een vorm van mensenhandel en strafbaar volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Signalen van arbeidsuitbuiting worden altijd serieus genomen en hier wordt actie op ondernomen. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft mij laten weten dat er geen concrete informatie kan worden gegeven over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken. Gedurende een strafproces worden potentiële slachtoffers van arbeidsuitbuiting beschermd en krijgen zij passende hulp en ondersteuning.
Gezien de ernst van de problematiek werkt de gemeente Zaanstad samen met de politie en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie verwijzen werknemers in voorkomende gevallen door voor juridische ondersteuning en/of noodopvang.
Daarnaast heeft de gemeente een informatiepunt in het leven geroepen waar arbeidsmigranten in de eigen taal te woord worden gestaan bij vragen over het wonen en werken in Nederland. Bij signalen van arbeidsuitbuiting worden personen doorverwezen naar de juiste instanties, zoals de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie en het Juridisch Loket.11 Wanneer inwoners op straat worden gezet door de huisvester, kan de gemeente, op het moment dat daar ook kinderen bij betrokken zijn, zorgen voor tijdelijke opvang in bijvoorbeeld een hotel. De gemeente werkt nog aan een plan om tijdelijke opvang mogelijk te maken op een nader te bepalen, daartoe in te richten locatie.
Er wordt dus laagdrempelig informatie en hulp geboden, maar vanwege de angst die benadeelden hebben en het taboe dat in de gemeenschap heerst om hierover te praten, wordt hier (nog) niet op grote schaal gebruik van gemaakt.
Kunt u aangeven bij welke opdrachtgevers de mensen te werk gesteld werden en ziet u mogelijkheden om met werkgeversorganisaties het gesprek aan te gaan om scherper te controleren op hun keten van uitbesteding en aanbesteding en uitzendwerk?
Arbeidsmigranten worden in de gemeente Zaanstad onder meer tewerkgesteld bij glazenwassersbedrijven. Uit een technische verkenning van mijn ministerie naar een sectoraal uitzendverbod en een verplicht percentage indiensttreding blijkt dat de vlees-, schoonmaak-, transport- en teeltsector een hoog risico hebben op het overtreden van arbeidswetten.12 Glazenwassersbedrijven behoren tot de schoonmaakbranche.
In opvolging van de verkenning ben ik onder andere met de schoonmaaksector in gesprek over plannen om werkenden (via een uitzendconstructie) in de sector een beter bestaan te geven en overtredingen van arbeidswetten aan te pakken. Want uit de verkenning blijkt dat een hoger percentage uitzendkrachten binnen een sector de kans vergroot op het overtreden van arbeidswetten. Werkgevers kunnen dit percentage verminderen door werknemers met structureel werk direct in dienst te nemen. Voordat bedrijven überhaupt met een uitzendbureau in zee gaan, zou men vooraf de checklist van stichting FairWork13 kunnen gebruiken om beter in te schatten of men met een fatsoenlijk uitzendbureau te maken heeft.
Zie het antwoord op vraag 10 hoe we vanaf 1 januari 2027 een gelijk speelveld voor uitleners waarborgen en de positie van kwetsbare arbeidskrachten verbeteren door de invoering van het toelatingsstelsel voor de uitleenmarkt via de Wtta.
Ten slotte houdt de Nederlandse Arbeidsinspectie op de website resultaten.nlarbeidsinspectie.nl een overzicht bij van bedrijven die sinds 1 januari 2016 zijn geïnspecteerd op de wetgeving: Wet minimumloon en vakantiebijslag, Wet arbeid vreemdelingen en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Deze gegevens zijn openbaar. Iedereen kan hier bedrijven in opzoeken of zien of er een overtreding van deze arbeidswetten zijn vastgesteld.
Bent u bereid om nader in kaart te brengen hoe de ronseling van mensen uit Bulgarije en andere landen in de regio verloopt en hoe voorkomen kan worden dat mensen op deze manier naar Nederland gehaald worden?
Ja, aan mensen in herkomstlanden kan voor vertrek informatie en hulp geboden worden. Hiervoor is het belangrijk om in kaart te brengen hoe de werving van arbeidsmigranten verloopt. In het kader van het project Work in NL werk ik samen met EURES aan betere informatievoorziening in thuislanden. Om de mensen te bereiken wordt gebruik gemaakt van het Europese EURES-netwerk en belangrijke partijen in herkomstlanden, zoals vakbonden, werkgeversorganisaties en ngo’s. Samen met de European Labour Authority (ELA) worden er in het voorjaar informatiesessies georganiseerd in Bulgarije, gericht op de Roma community. Daarnaast kunnen arbeidsmigranten in Bulgarije terecht op de website workinnl.nl (beschikbaar in onder meer het Bulgaars), met informatie over het wonen en werken in Nederland. Bovendien onderzoekt Clingendael in opdracht van de Ministeries van SZW en Asiel en Migratie (AenM) effectieve vormen van informatievoorziening aan arbeidsmigranten over het informeren van zowel rechten als verplichtingen. Het onderzoek wordt begin 2026 opgeleverd.
Ik blijf het gesprek voeren met andere lidstaten om eerlijke arbeidsmigratie te bevorderen en misstanden met arbeidsmigranten tegen te gaan. Dit mede naar aanleiding de motie14 hierover van de leden Ceder (ChristenUnie) en Van Kent (SP). Begin 2026 zal ik uw Kamer hier per brief verder over informeren.
Kunt u aangeven of ook de Belastingdienst betrokken is voor de handhaving op schijnzelfstandigheid?
In zijn algemeenheid kan aangegeven worden dat de Belastingdienst handhaaft op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. Of de Belastingdienst bij deze specifieke gevallen betrokken is, kan op grond van de geheimhoudingsplicht niet worden beantwoord.
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen de beschreven gedwongen zelfstandigheid van deze migranten? Bent u het eens dat deze migranten niet echte «ondernemers» zijn?
Het kabinet bestrijdt gedwongen schijnzelfstandigheid op verschillende manieren, onder andere door middel van wetgeving die de positie van kwetsbare werkenden versterkt en informatievoorziening (aan arbeidsmigranten).
Daarnaast verwacht het kabinet dat het bredere beleid gericht op het tegengaan van schijnzelfstandigheid kan bijdragen aan het terugdringen van dit soort constructies. Tegelijkertijd is het van belang te onderkennen dat het op voorhand moeilijk is vast te stellen dat sprake is van gedwongen (schijn)zelfstandigheid, zeker als dat gebeurt in een criminele context.
Het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) dat op dit moment bij uw Kamer ligt, introduceert een rechtsvermoeden van werknemerschap als onder een bepaald uurtarief wordt gewerkt.15 Hiermee wordt de rechtspositie van kwetsbare werkenden versterkt en kunnen zij (ook achteraf) alsnog een arbeidsovereenkomst en bijbehorende rechten vorderen.
Het kabinet zet ook breed in op het versterken van de laagdrempelige informatievoorziening, hulp en toegang tot het recht voor kwetsbare werknemers. Via Work in NL- informatiepunten kunnen arbeidsmigranten op een laagdrempelige manier informatie en hulp krijgen bij vragen over het wonen en werken in Nederland. Deze informatiepunten vormen samen met andere partijen, zoals stichting FairWork, stichting Barka en het Juridisch Loket, een breder netwerk van hulp en ondersteuning. Doordat in dit netwerk zowel publieke als private partijen actief zijn, kan hulp en ondersteuning worden geboden die past bij de wensen en de mate waarin iemand extra hulp nodig heeft. Het Juridisch Loket biedt eerstelijns rechtshulp aan mensen met een laag inkomen. Daarnaast geeft het Juridisch Loket in heel Nederland kwetsbare arbeidsmigranten juridisch advies in hun eigen taal, zoals Pools, Roemeens, en Bulgaars.
Verder is een 3-jarig experiment met een eenvoudigere, snellere en laagdrempeligere rechtsprocedure bij de kantonrechter gestart, de regelrechter.16 De deelnemende rechtbanken zijn Den Haag, Overijssel, Rotterdam en Zeeland-West-Brabant. Dit zijn rechtbanken in regio’s waar relatief veel arbeidsmigranten wonen of werken. Deze rechtbanken hebben eerder ervaring en kennis opgedaan met laagdrempeligere procedures. Bij de vorderingen op grond van een arbeidsovereenkomst is de experimentele procedure vooral gericht op de kwetsbare positie van werknemers, zoals arbeidsmigranten en flexwerkers. Rechtzoekenden die de Nederlandse taal niet machtig zijn, kunnen via de rechtbanken kosteloos een tolk inschakelen om hen bij te staan tijdens de mondelinge behandeling. Uw Kamer is op 23 oktober 2023, 18 juni 2024 en 14 november 2024 geïnformeerd over bovenstaande aanpak.17
Ook vindt het kabinet het van belang dat uitvoerings-, opsporings- en handhavingsinstanties met elkaar samenwerken en signalen uitwisselen. Dat geldt ook voor het tegengaan van schijnzelfstandigheid (bij kwetsbare werkenden).
In het antwoord op vraag 19 wordt ingegaan op de rol van de Kamer van Koophandel bij de inschrijving in het Handelsregister van mogelijk gedwongen zelfstandigen.
Als iemand gedwongen wordt zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel en te werken als schijnzelfstandige, dan ben ik het met u eens dat diegene geen echte ondernemer is.
Is er op dit moment nog steeds sprake van illegale overbewoning met veel te hoge huren van het vastgoed van deze families?
De gemeente Zaanstad heeft aangegeven dat een groot gedeelte van het vastgoed nog steeds in handen is van de betreffende vastgoedbedrijven uit het artikel. Vanuit de gemeente is ook waargenomen dat de huren te hoog zijn en er sprake is van illegale verhuur. De gemeente heeft in bepaalde gebieden de mogelijkheid voor kamerverhuur ingeperkt, waarin voorwaarden staan, zoals het aantal personen en aan wie verhuurd mag worden.
De gemeente Zaanstad treft helaas nog regelmatig woningen aan waar het maximum aantal personen wordt overschreden en woningen waar illegaal kamers worden verhuurd en komt hierdoor schrijnende woonomstandigheden tegen, waarbij overwegend (Oost-Europese) arbeidsmigranten slachtoffer van zijn18. Om deze situatie te veranderen is vasthoudendheid en een lange adem nodig. De integrale aanpak die Zaanstad samen met de partners uitvoert – mede gefinancierd door het Rijk – is opgericht om het verdienmodel van criminele netwerken aan te pakken. Het omvat de aanpak tegen vastgoedfraude en het doorbreken van het brede verdienmodel en het tegen gaan van misstanden in de glazenwassersbranche.
Bent u bereid te onderzoeken welke handvatten gemeentes vanuit het Rijk kunnen krijgen om makkelijker te kunnen controleren en handhaven op overbewoning?
Gemeenten hebben handvatten om te controleren en handhaven op overbewoning. Dit is geregeld in de Omgevingswet. Gemeenten moeten dit wel lokaal toepassen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het stellen van regels over overbewoning een lokale aangelegenheid geworden. De regels over overbewoning van woonruimte zijn via de zogenaamde bruidsschat opgenomen in de omgevingsplannen van gemeenten, wat gemeenten ruimte geeft om ze nader aan te passen aan de lokale omstandigheden. Wanneer gemeenten regels hebben gesteld over overbewoning in het omgevingsplan, kunnen en moeten zij hierop handhaven.
Er bestaan verschillende initiatieven om gemeenten hierbij te ondersteunen. Een handvat dat ondersteunt bij deze handhaving is de Landelijke aanpak adreskwaliteit (LAA). De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ondersteunt gemeenten met de Landelijke aanpak adreskwaliteit om de kwaliteit van adresgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) te verhogen en te waarborgen. Ook worden sinds eind 2022 bij de inschrijving van niet-ingezetenen (waaronder arbeidsmigranten) tijdelijke verblijfsadressen en contactgegevens in de BRP geregistreerd. Gemeenten kunnen deze informatie gebruiken om beter zicht te krijgen op verblijf in de gemeente en gericht adresonderzoek te doen.
Daarnaast kunnen gemeenten ondersteuning krijgen bij het verbeteren van de positie van arbeidsmigranten door het VNG Ondersteuningsprogramma Arbeidsmigranten.
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat het instrumentarium om te kunnen handhaven op overbewoning onvoldoende toereikend is. Indien het kabinet signalen krijgt dat gemeenten het instrumentarium op dit moment niet goed kunnen toepassen, ben ik bereid om met de VNG in gesprek te gaan om te bezien wat gemeenten hiervoor aanvullend nodig zouden hebben.
Bent u bereid drempels op te werpen voor ondernemerschap, zoals inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) of een ondernemersdiploma, om deze gedwongen zelfstandigheid tegen te gaan waardoor de arbeidsmigranten geen werknemersrechten hebben?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 bestrijdt het kabinet gedwongen schijnzelfstandigheid op verschillende manieren. Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat startende ondernemers onnodige drempels ervaren. Sinds de afschaffing van het middenstandsdiploma in 2000 en de Vestigingswet in 2006 is het uitgangspunt dat het starten van een onderneming laagdrempelig moet blijven. Het opnieuw invoeren van formele toegangsvereisten, zoals een ondernemersdiploma of aanvullende inschrijvingsvereisten in de BRP, past niet binnen dit uitgangspunt en zou leiden tot extra regeldruk, die het kabinet juist wil verminderen.
Wel vindt het kabinet het essentieel dat ondernemers goed voorbereid aan de slag gaan en zich bewust zijn van de verantwoordelijkheden die bij ondernemerschap horen – waaronder het risico om zelf of door opdrachtgevers in een situatie van schijnzelfstandigheid terecht te komen. Ook de KVK speelt hierbij een rol. Bij de inschrijving in het Handelsregister ziet KVK toe op de vervulling van de voorwaarden die daarvoor gelden, daarbij wordt ook specifiek gelet op inschrijvingen van buitenlandse werkenden die zich niet alleen, zelfstandig melden voor inschrijving. Daarnaast biedt de KVK brede ondersteuning via voorlichting, advies en informatie over onder meer belastingen, wet- en regelgeving, financiering en het starten van een bedrijf. Dit gebeurt zowel digitaal als op fysieke locaties, waarbij het voorkomen van schijnzelfstandigheid nadrukkelijk onderdeel is van de voorlichting.
Ten slotte is het goed om te benoemen dat het niet mogelijk is om personen die zich als niet-ingezetene inschrijven in de Basisregistratie Personen als zzp’er in de KVK te weigeren. Dit is niet verenigbaar met het vrij verkeer van vestiging. Ook niet-ingezetenen – denk bijvoorbeeld aan een persoon die net over de grens woont – hebben het recht om zich te vestigen als zzp’er in Nederland. Als tijdens de inschrijving blijkt dat er mogelijke risico’s zijn op uitbuiting, mensenhandel of mensensmokkel, wordt dit als een risico-signaal doorgegeven aan de Nederlandse Arbeidsinspectie, zoals bepaald in de Handelsregisterwet en beschreven in de memorie van toelichting bij de wijziging van die wet per 1 januari 2020. Voorts is de KVK bezig met het versterken van haar poortwachtersrol, waarbij wordt onderzocht hoe het Handelsregister kan bijdragen aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid en arbeidsuitbuiting.
Bent u bereid te verkennen welke aanvullende bestuurlijke waarborgen nodig zijn om ondermijning van lokale democratie tegen te gaan?
Voor een goed functionerende lokale democratie en een veilige (lokale) samenleving is het essentieel dat lokale volksvertegenwoordigers zonder oneigenlijke druk en/of (pogingen tot) ondermijning hun functie kunnen uitoefenen. Vanwege signalen over kwetsbaarheid van lokale volksvertegenwoordigers voor ondermijnende activiteiten heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in 2024 dan ook onderzoek laten doen naar die kwetsbaarheid en de relatie tussen (georganiseerde) criminaliteit en decentrale volksvertegenwoordigers. Daaruit kwamen geen concrete aanwijzingen voor grote risico’s en dreigingen op dit punt, maar bleek wel dat het ambt van decentrale volksvertegenwoordiger kwetsbaarheden kent. Doordat decentrale volksvertegenwoordigers middenin de samenleving staan, kunnen criminelen of mensen uit hun eigen kring met een bepaald belang misbruik proberen te maken van hun positie.
Het tegengaan van oneigenlijke druk op decentrale volksvertegenwoordigers en ondermijnende activiteiten heeft dan ook de blijvende aandacht van het kabinet. Langs een aantal lijnen wordt hierop ingezet, waarbij in acht wordt genomen dat decentrale volksvertegenwoordigers een eigen mandaat hebben gekregen van de kiezer en hun functie derhalve onafhankelijk uitoefenen. In de eerste plaats is van belang dat politieke partijen bij de werving van kandidaat-volksvertegenwoordigers screenen op mogelijke risico’s en kwetsbaarheden voor integriteitsschendingen en ondermijning. Het Ministerie van BZK heeft hierover regelmatig contact met de bestuurdersverenigingen van de politieke partijen. Zo verdient het bijvoorbeeld aanbeveling dat partijen kandidaten om een VOG vragen en daarnaast vragen stellen over mogelijke risicofactoren. In het Handboek integriteit voor politieke ambtsdragers van decentrale overheden worden hiervoor instrumenten aangereikt, zoals vragenlijsten en «red flags» voor ondermijning. Daarbij stimuleert het kabinet ook dat aandacht wordt besteed aan bewustwording bij decentrale volksvertegenwoordigers over het risico van ondermijning, bijvoorbeeld door hierover informatie op te nemen in inwerkprogramma’s voor nieuwe volksvertegenwoordigers.
Tot slot heeft het Ministerie van JenV in samenwerking met enkele organisaties, waaronder gemeenten, en met de Minister van BZK een handreiking uitgebracht voor de functie van adviseur-Veilig Publieke Dienstverlening. In deze handreiking worden verschillende manieren benoemd waarop decentrale overheden een dergelijke functionaris kunnen inzetten. Eén van de rollen van een dergelijke functionaris kan zijn om aandacht te hebben voor de veiligheidsrisico’s bij de aanpak van ondermijning, de bewustwording van ondermijnende invloeden te vergroten en ervoor te zorgen dat hier preventieve maatregelen op worden genomen.
Het artikel 'Recordaantal grote storingen op het spoor, ProRail waarschuwt voor jarenlange hinder' |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waaruit blijkt dat er inmiddels 520 grote storingen op het spoor zijn geweest, voor het eerst meer dan toegestaan, als gevolg van knelpunten in het spooronderhoud, waaronder achterstallig onderhoud en ICT-problemen?1
Ja.
Kunt u aangeven welke factoren volgens u het meest bijdragen aan deze significante toename van storingen?
De stijging heeft geen losstaande oorzaak, maar komt voort uit een samenspel van factoren. In 2025 ontstaan storingen voornamelijk door technische oorzaken (wissels, treindetectie, spoorligging en energievoorziening, 44%) en door derden (personen, verkeer en dieren op het spoor, 42%). Procesoorzaken (uitloop en storingen na werkzaamheden, 10%) en weersomstandigheden (storm, blikseminslag, gladde sporen en hitte/vorst, 4%) spelen een kleinere rol.
Uit de eerste inzichten van ProRail lijkt het dat vooral een toename in het aantal technische storingen zorgt voor de stijging. Hierbij wordt bijvoorbeeld de hogere aanrijtijd van monteurs genoemd. Verder wacht ik de lopende analyse van ProRail af, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen en welke maatregelen kunnen bijdragen aan het verminderen van het aantal verstoringen.
Welke concrete maatregelen heeft u, sinds het zichtbaar worden van deze trend in 2022, genomen om de betrouwbaarheid van de spoorinfrastructuur te verbeteren?
Sinds 2022 zijn diverse maatregelen genomen om de betrouwbaarheid te verbeteren. Zo hebben NS en ProRail via het programma onder de concessie Betrouwbaar Beter gewerkt aan het structureel verbeteren van de prestaties2. IenW heeft met het Basiskwaliteitsniveau spoor structureel voorzien in voldoende financiële middelen om de instandhouding van de infrastructuur te borgen. Ook werkt ProRail via het programma suïcidepreventie aan het verminderen van risico’s in de spooromgeving. Daarnaast is een deel van de boete die IenW heeft opgelegd voor de prestaties op de HSL-Zuid in 2023 ingezet voor het plaatsen van slimme camera’s op een aantal locaties langs het spoor ten behoeve van suïcidepreventie.3
In hoeverre belemmeren aanbestedingsregels ProRail om extra werk uit te voeren bij nieuwe urgente risico’s, zoals verzakkingen? Zijn de huidige wettelijke kaders volgens u voldoende om snel noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren of is extra flexibiliteit volgens u nodig?
Aanbestedingsregels worden in belangrijke mate op Europees niveau bepaald. De Europese Commissie heeft het afgelopen jaar een consultatietraject gedaan naar de Europese aanbestedingsregels. Hierbij zijn de zaken ingebracht waar ProRail tegenaan loopt. Nu is het aan de Europese Commissie om met eventuele aanpassingsvoorstellen te komen. Na het voorstel van de Europese Commissie zal het voorstel door de Raad worden behandeld.
ProRail geeft aan dat de huidige, langlopende prestatiecontracten in de praktijk onvoldoende flexibiliteit bieden om snel extra werk uit te voeren wanneer zich nieuwe urgente risico’s voordoen, zoals verzakkingen. Vanwege de beperkte flexibiliteit van de contractvorm ontwikkelt ProRail nieuwe, flexibelere contracten voor kleinschalig onderhoud. Dat ProRail een nieuwe onderhoudsstrategie met meer regie en aanpassingsruimte ontwikkelt, is in de ogen van het Ministerie van IenW een goede ontwikkeling.
Herkent u het beeld dat een aanzienlijk deel van de storingen voortkomt uit technische gebreken aan bijvoorbeeld bovenleiding, wissels, seinen en andere assets? Kunt u aangeven in welke mate onderhoudsachterstanden een rol spelen bij het veroorzaken van storingen?
Ja, ProRail geeft aan dat een aanzienlijk deel van de impactvolle storingen voortkomt uit technische oorzaken, ongeveer 44%. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om defecten aan wissels, treindetectie en het seinsysteem, verslechterde spoorligging en problemen in de energievoorziening, waaronder de bovenleiding. Deze technische systemen laten de laatste jaren een toenemend aantal storingen zien, zoals ook uit de Staat van de Infrastructuur4 blijkt.
Wat betreft specifieke oorzaken dient de lopende analyse van ProRail af te worden gewacht, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen. Nadat de analyse van ProRail met het ministerie gedeeld is, zal dit onderwerp betrokken worden in de gesprekken over mogelijke maatregelen.
Herkent u het beeld dat een aanzienlijk deel van de storingen voortkomt uit ICT-problemen? Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om te voorkomen dat problemen gerelateerd aan achterstallig onderhoud van ICT tot onnodige hinder leiden?
Ik herken dit beeld niet. ICT-storingen spelen een rol, maar het aantal ICT-storingen neemt al een aantal jaren af (50 in 2023, 25 in 2024 en 11 in de eerste helft van 2025). De daling komt door verbeteringen in ICT-infrastructuur, de softwaresystemen en de bijbehorende procedures en werkwijzen. Daarbij wacht ik de definitieve analyse van ProRail af, op basis waarvan gesprekken gevoerd worden over mogelijke maatregelen.
Hoe beoordeelt u het tekort aan elektromonteurs dat projecten vertraagt, en welke stappen zet u om dit op te vangen terwijl een pensioengolf nadert?
Het tekort aan technische vakmensen, waaronder elektromonteurs, is een breed maatschappelijk probleem dat ook de spoorsector raakt. Het tekort aan technische vakmensen zorgt voor langere aanrijtijden bij het oplossen van verstoringen in algemene zin. ProRail werkt nu gericht samen met aannemers en onderwijsinstellingen aan opleidingstrajecten, zij-instroom en behoud van personeel. Dit onderwerp wordt meegenomen in het bredere gesprek met ProRail over de analyse van de toename in storingen.
Wat is volgens u de rol van spoorlopers in het veroorzaken van storingen? Welke mogelijkheden ziet u vanuit het Rijk om dit te verminderen?
Een aanzienlijk deel van de impactvolle verstoringen wordt veroorzaakt door derden (42%). Binnen deze categorie spelen spoorlopers een grote rol, bijna 59% van de derdenstoringen betreft (bijna-)aanrijdingen met personen.
ProRail neemt hiervoor al omvangrijke en effectieve maatregelen, zoals fysieke afscherming van risicolocaties, uitbreiding van cameratoezicht en de inzet van slimme camera’s die risicovol gedrag automatisch signaleren. Zo is, zoals bij vraag 2 toegelicht, een deel van de boete die IenW heeft opgelegd voor de prestaties op de HSL in 2023 ingezet voor het plaatsen van slimme camera’s op een aantal locaties langs het spoor ten behoeve van suïcidepreventie.
Daarnaast werkt ProRail intensief samen met 113 Zelfmoordpreventie, gemeenten, politie en GGZ-instellingen om personen tijdig te bereiken en passende hulp te bieden. Eind 2025 start ProRail met maatregelen op nieuwe risicolocaties, waarmee wordt voortgebouwd op het suïcidepreventieprogramma dat sinds 2010 loopt.
Verder wordt de lopende analyse van ProRail afgewacht, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen. ProRail zal deze analyse voor het einde van het jaar delen. Daarna wordt besproken welke stappen nodig zijn om zo snel mogelijk verbetering te bereiken.
Is de huidige inzet van het departement Infrastructuur en Waterstaat volgens u voldoende om de complexe huidige problemen die op het spoor spelen te tackelen?
De prestaties op het spoor laten een gemengd beeld zien. De afgelopen jaren is, mede dankzij het gezamenlijke programma Betrouwbaar Beter, de punctualiteit op het hoofdrailnet juist aantoonbaar verbeterd. In 2025 zien we dat treinen veelal op tijd rijden en dat de zitplaatskans boven de streefwaarden ligt.
Tegelijkertijd is de recente stijging van het aantal impactvolle storingen een punt van zorg. IenW verwacht daarom van ProRail dat zij blijft inzetten op het borgen van de basisconditie van de infrastructuur en op het verminderen van risico’s in de spooromgeving.
De lopende analyse van ProRail wordt afgewacht, zodat helder wordt welke factoren de grootste rol spelen in de toename van het aantal impactvolle verstoringen. Op basis van de analyse beoordeelt IenW samen met ProRail welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de stijging in storingen te keren.
Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij, samen met ProRail, in overleg treedt met als doel afspraken te maken om het aantal grote storingen binnen twee jaar terug te brengen tot een acceptabel niveau?
Ja. Ik ben en blijf samen met ProRail in overleg om te komen tot afspraken gericht op het terugdringen van het aantal grote storingen.
De voortgangsrapportage Hertsteloperatie Toeslagen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom acht u het disproportioneel om gegevensdeling tussen UHT en DUO wettelijk mogelijk te maken teneinde inzicht te krijgen in welke jongeren een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, terwijl dezelfde informatie wel noodzakelijk is om de omvang en aard van het probleem in kaart te brengen?1
Gegevensdeling tussen UHT en DUO zou uitsluitend inzicht geven in de hoogte en de aantallen studieleningen van getroffen jongeren, niet over of die leningen het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Een dergelijke gegevensdeling zal dus niet de omvang en aard van het mogelijke probleem in kaart brengen. Het zal alleen een onvolledig beeld geven, op basis waarvan geen onderbouwd beleid te ontwikkelen is.
De Tweede Kamer heeft meermaals aangegeven geen voorstander te zijn van een generieke regeling voor het kwijtschelden van studieleningen. Ook de Raad van State heeft gewezen op de risico’s van meer generieke regelingen2 en ook de commissie Van Dam waarschuwt dat een algemene regeling op dit gebied niet wenselijk is3. Het kabinet kan zich geheel in die conclusies vinden. Nu er geen generieke kwijtscheldingsregeling zal komen, is het disproportioneel om de gevraagde gegevens te verzamelen en te verwerken. Een wetswijziging realiseren om een dergelijke gegevensdeling alsnog mogelijk te maken is om die reden dan ook onwenselijk aangezien dit een onnodige inbreuk op de privacy van de betrokken jongeren zal betekenen.
Dit neemt niet weg dat het kabinet het leed erkent dat kinderen en jongeren hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire. Ook zij zijn getroffen.
Daarom is er samen met hen in 2022 de kindregeling ontwikkeld en wettelijk vastgelegd. De kindregeling is bedoeld als steun in de rug, als onverplichte betaling, om hen tegemoet te komen. De groep kinderen die geraakt is door de toeslagenaffaire is namelijk zeer divers, in leeftijd en in behoeften.
Daarom bestaat de ondersteuning aan getroffen kinderen uit een breed aanbod:
Op deze manier draagt het kabinet bij aan een hoopvolle toekomst voor jongeren.
Ik zie en erken ook de signalen van openstaande studieleningen van getroffen jongeren die zij als gevolg van de toeslagenaffaire zijn aangegaan. Dat is één situatie, er zijn ook veel andere manieren waarop het gezin overeind is gebleven tijdens de problemen met de kinderopvangtoeslag. Daarom gaat financiële compensatie en aanvullende schadevergoeding in de hersteloperatie naar de erkend gedupeerde ouder en diens gezin; de ouders weten als geen ander hoe zij het hoofd boven water hebben gehouden en wie daarbij hebben geholpen. Na de beoordeling door UHT en na het eventueel doorlopen van een aanvullende schaderoute5 krijgen ouders hun financiële schade gecompenseerd. Zij kunnen dit geld inzetten om de mensen terug te betalen die hen ten tijde van de toeslagenaffaire financieel hebben bijgestaan, bijvoorbeeld hun kinderen.
Mocht de studielening toch tot problemen leiden voor jongeren, dan kunnen zij terecht bij DUO. DUO kent verschillende mogelijkheden waar jongeren in veel gevallen een beroep op kunnen doen als zij problemen ervaren bij het terugbetalen van de lening, of tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. Onder meer om de hiervoor genoemde redenen ga ik geen regeling treffen voor studieleningen. Dat heeft ook de Kamer meermaals bevestigd.
Kunt u volledig uiteenzetten welke juridische obstakels bestaan voor gegevensdeling tussen UHT en DUO, en waarom deze niet kunnen worden weggenomen met een zorgvuldig vormgegeven wettelijke grondslag die privacy waarborgt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke alternatieven heeft u onderzocht om toch inzicht te krijgen in de omvang van studieschulden van jongeren die geraakt zijn door de toeslagenaffaire, zonder dat daarvoor directe gegevensuitwisseling nodig is?
Aan het CBS is gevraagd om te kijken naar mogelijkheden om de impact van de toeslagenaffaire op levens van getroffen gezinnen te onderzoeken. Het CBS heeft op 17 oktober jl. de Haalbaarheidsstudie Kinderen beëindigd, omdat een goede voor- en nameting niet te maken is, waardoor de kwaliteit van de onderzoeksresultaten niet voldoende is gewaarborgd. Het wel uitvoeren van dit onderzoek brengt te veel uitvoeringstechnische risico’s met zich mee om door het CBS uitgevoerd te worden. Ik volg daarin het advies van het CBS.
Hierbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken dat er geen generieke regeling komt voor studieleningen van getroffen kinderen, om de redenen die ik hierboven heb toegelicht. Het nogmaals en verder verkennen van andere methoden acht ik dan ook niet opportuun. Het palet aan mogelijkheden in het kader van de kindregeling, zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 en 2, bieden samen met de bestaande voorzieningen bij DUO een breed aanbod dat past bij de diversiteit in problematiek van de kinderen van gedupeerde ouders, inclusief indirecte compensatie via de schadeherstelroute van de ouder. Ik vind het belangrijk om mijn energie te richten op het verbeteren en verspreiden van dat aanbod, en om geen valse verwachtingen te wekken bij jongeren op gebied van aanvullende regelingen die het kabinet niet zal introduceren.
Kunt u uitleggen waarom het oordeel van het CBS dat een dergelijk onderzoek «vooralsnog niet uitvoerbaar» is, betekent dat het überhaupt niet kan worden uitgevoerd, in plaats van dat wordt onderzocht onder welke voorwaarden het wél uitvoerbaar kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt uw standpunt zich tot de aanbevelingen van diverse belangenorganisaties (Het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen (OJPT), Ombudsman Rotterdam-Rijnmond (ORR) en de Rijnmondse Alliantie) en gedupeerden zelf, die juist pleiten voor inzichtelijkheid en transparantie in de omvang van jongerenproblematiek binnen de toeslagenaffaire?
Ik ben mij zeer bewust van de verhalen van getroffen jongeren en de impact die die de toeslagenaffaire ook op hun levens heeft gehad, onder andere op basis van de verhalen van de jongeren die ik persoonlijk spreek. Elk verhaal is anders. Ik vind het daarom belangrijk dat getroffen jongeren niet door hun schulden in de problemen komen. Daarom ben en blijf ik in gesprek met deze jongeren, waaronder met het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen, en met onder andere de (kinder)ombudsman Rotterdam-Rijnmond om de hulp die we hebben te blijven verbeteren.
Hoe waarborgt u dat jongeren die wél een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire volledig worden geholpen als er geen systematisch inzicht bestaat in welke jongeren dit betreft?
Het is belangrijk dat alle jongeren, en dus ook jongeren die een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, de juiste hulp krijgen bij hun studielening als zij problemen hebben met deze lening, bijvoorbeeld als zij moeite hebben met terugbetalen of als zij tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. In veel gevallen kunnen zij in die situaties een beroep doen op de mogelijkheden die DUO biedt. In de kamerbrief van juni 20246 en in de beantwoording van de schriftelijke vragen in maart 20257 is aan uw Kamer uitgebreid uiteengezet wat deze mogelijkheden zijn, waaronder ook indirecte vergoeding via een schadeherstelroute van de ouder. Het is belangrijk dat jongeren weten wat de mogelijkheden bij DUO zijn. Daarom is er in de afgelopen periode extra aandacht besteed aan het verbeteren van informatievoorziening hierover, o.a. op de website kindregelingvoorjou.nl.
Bent u bereid om samen met DUO, UHT, het CBS en privacyexperts te verkennen welke (geanonimiseerde of statistische) methoden wél mogelijk zijn om de gevraagde informatie te verzamelen, en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat zonder inzicht in aantallen, gemiddelde hoogte en totale studieschuld, het onmogelijk is voor de Kamer om weloverwogen beleid te maken of te beoordelen of bestaande compensatie voldoende is?
Ik ben het met u eens dat kinderen van gedupeerde ouders geraakt zijn door de toeslagenaffaire. Met de kindregeling erkent het kabinet dit leed en ondersteun ik hen richting de toekomst. Ik blijf me voor deze kinderen en jongeren inzetten.
Ik vind het daarbij belangrijk om helder te zijn in wat wel en niet mogelijk is en om geen valse verwachtingen te wekken. De kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders is ingevoerd met brede steun in uw Kamer, met het besef dat deze niet was en is bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren. Schade wordt vergoed aan de gedupeerde ouder en diens gezin, bijvoorbeeld voor gemist inkomen. Het kabinet heeft er samen met uw Kamer voor gekozen om kinderen en jongeren een steun in de rug te bieden: een (onverplichte) tegemoetkoming, richting de toekomst. We zetten daarbij in op ondersteuning op verschillende leefgebieden, passend bij de diversiteit aan problematiek en behoeften. Een aparte regeling past hier niet bij en is ook meermaals door uw Kamer verworpen. Ik wil daarom duidelijk zijn en mijn inzet richten op het verschil maken voor kinderen en jongeren, door in te zetten op verbetering en verspreiding van het brede pakket dat wij juist voor hen te bieden hebben.
Waarom acht u het acceptabel dat er anno 2025 nog steeds geen volledig beeld bestaat van de financiële schade die jongeren persoonlijk hebben geleden door de toeslagenaffaire, inclusief studieschulden?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnensite: ‘Vermoedelijk topje van de ijsberg’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49sterfgevallen door illegale medicijnensite: «Vermoedelijk topje van de ijsberg»»?1
Daar zijn wij bekend mee.
Heeft u in beeld hoeveel vermoedelijke sterfgevallen inmiddels in verband kunnen worden gebracht met de middelen die via Funcaps werden verstrekt?
Op een pro-forma zitting d.d. 17 november 2025 met betrekking tot de strafzaak tegen Funcaps heeft het Openbaar Ministerie (OM) aangegeven dat 35 sterfgevallen in correlatie staan tot Funcaps. Die correlatie kan zijn: overledene is mogelijk als gevolg van gebruik van Funcaps middelen om het leven gekomen, dan wel zijn bij de overledene middelen in de woning gevonden. In de strafzaak wordt nu onderzoek gedaan naar het verband tussen de sterfgevallen en Funcaps.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat zoveel mensen al slachtoffer zijn geworden van dit middel, en dat dit misschien zelfs een topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Wij vinden het belangrijk om duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is. Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Is de website waarop deze middelen verstrekt zijn, nog steeds offline of zijn er equivalenten in beeld?
De website is offline gehaald door de service provider op aangeven van de Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA-IOD). Andere vergelijkbare websites zijn naar aanleiding van de publiciteit offline gegaan of hebben hun aanbod aangepast. Websites kunnen overal ter wereld worden gehost. Dit betekent dat er niet altijd mogelijkheden zijn om websites uit de lucht te halen. Ondanks de handhaving, blijft het illegale aanbod groot. Het offline halen van websites is een kat-en-muisspel.
Vallen de designerdrugs van Funcaps onder de nieuwe categorie van designerdrugs die sinds 1 juli 2025 verboden zijn?
Een deel van de middelen zijn naar het oordeel van het Openbaar Ministerie voor het leven en gezondheid gevaarlijk zoals bedoeld in artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Een deel van de middelen zijn volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geneesmiddelen, die alleen met een vergunning mogen worden verkocht. Een deel van de middelen is aan te merken als stof vallend onder een van de stofgroepen die sinds 1 juli 2025 onder de Opiumwet verboden zijn.
Het lijkt erop dat websites van bedrijven als Funcaps hebben geprobeerd de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengt. Daarom zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daarover zo snel als mogelijk informeren.
Zijn er op dit moment nog leemtes in de Opiumwet waardoor soortgelijke designerdrugs niet officieel verboden zijn? Zo ja, wat is ervoor nodig om deze grensgevallen wel onder het verbod uit de Opiumwet te laten vallen?
Door de introductie van lijst IA bij de Opiumwet zijn er nu drie groepen designerdrugs verboden. Op dit moment wordt gewerkt aan regelgeving om een vierde stofgroep, de nitazenen, toe te voegen aan lijst IA. Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Deze stoffen vormen niet allemaal eenzelfde bedreiging voor de volksgezondheid.
De effecten van de NPS-wet, lijst IA, worden gemonitord en geëvalueerd. Op basis van deze dataverzameling en de ontwikkeling in het aanbod van designerbenzodiazepinen en de effecten op de gezondheid wordt de wenselijkheid van een verbod op deze groep middelen binnen de Opiumwet bepaald.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Funcaps dagelijks de Staatscourant in de gaten houden om op de hoogte te blijven van eventuele nieuwe verboden van designerdrugs?
Wanneer het geval is dat de insteek van deze bedrijven is om de wetgeving te ontduiken, mag duidelijk zijn dat dit zeer onwenselijk is.
Hoe vaak worden pakketten onderschept met designerdrugs of grondstoffen en welke maatregelen zijn mogelijk om deze aanpak structureel te verbeteren?
Sinds 1 juli 2025 is de nieuwe wetgeving aangaande specifieke groepen designerdrugs in werking. Er zijn op dit moment nog geen cijfers bekend over onderscheppingen van designerdrugs en/of grondstoffen sinds 1 juli 2025.
In het kader van de invoeringstoets van de onderhavige wetgeving, woeden in de loop van 2026 de eerste cijfers van na de wetswijziging van 1 juli 2025 bekend. Deze cijfers worden gebruikt voor de evaluatie van de wetgeving, die na 3 jaar moet zijn afgerond, en geven een eerste indicatie van de effectiviteit van de recente wetswijziging en of er eventueel nadere maatregelen nodig zijn om de problematiek aan te pakken.
Verder worden grondstoffen zelden via pakketten per post verstuurd en daarmee dus ook zelden onderschept. De stroom grondstoffen, ook wel precursoren, loopt normaliter via andere logistieke wegen, zoals via de havens of het spoor.
Welke preventieve maatregelen kunt u nemen om tevoorkomen dat soortgelijke illegale webshops in de toekomst opnieuw ontstaan, met name bij handel in designerdrugs?
Wij kunnen niet voorkomen dat webshops worden gemaakt of opgezet. Er kan pas gehandhaafd worden als daadwerkelijk sprake is van online illegale inhoud of illegale activiteit.
Indien geen gehoor wordt gegeven aan verzoeken tot verwijdering van online illegale content2 kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris, die enkel wordt afgegeven ingeval van verdenking van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, een platform bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is voor de beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten (artikel 125p Sv).
De digitaledienstenverordening (DSA) is sinds 2024 in werking en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe.
Welke opsporingstechnieken zijn op dit moment inzetbaar om online handel in designerdrugs te detecteren?
Er zijn diverse opsporingsmogelijkheden om illegale online handel te detecteren. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien er gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
In hoeverre worden hostingbedrijven aangesproken wanneer ze webshops faciliteren die designerdrugs aanbieden?
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze kennis hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de NVWA en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. Zowel de IGJ als de NVWA-IOD maken regelmatig gebruik van deze mogelijkheid, wat leidt tot het offline halen van websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hoe kan misleidende marketing rondom designerdrugs, die specifiek gericht is op jongeren, tegen worden gehouden en hoe wordt voorkomen dat minderjarigen gemakkelijk via internet toegang hebben tot designerdrugs?
Online platformen hebben onder de DSA de verplichting om de privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen (artikel 28). Zij zijn echter niet verplicht om te beoordelen of de afnemer van hun dienst minderjarig is. Online platformen kunnen wel houders van websites die frequent illegale inhoud plaatsen schorsen.
Het is in algemene zin niet mogelijk om de toegang van jongeren of minderjarigen tot het internet te beperken, ook niet als het gaat om ongewenste websites. Het is vooral van belang dat deze groep wordt voorgelicht over de risico’s. Ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen. Momenteel worden deze richtlijnen verder geconcretiseerd, zodat ouders en opvoeders de adviezen kunnen toepassen in hun dagelijks leven. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van OCW momenteel aan de verankering van digitale geletterdheid in het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs: zo worden leerlingen gestimuleerd om online de kansen en risico’s te herkennen en zo weloverwogen keuzes te maken. Het Trimbos-instituut biedt voorlichting over de risico’s van drugs gericht op de doelgroep, bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voorgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Daarnaast is afgelopen zomer een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social mediacampagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren.
De handel in middelen die vallen onder de Opiumwet is strafbaar. Daarnaast is het op grond van artikel 3b van de Opiumwet ook verboden om de verkoop van middelen door openbaarmaking te bevorderen. Indien aangetoond kan worden dat sociale media of andere partijen medeplichtig zijn aan deze handel kan daartegen worden opgetreden. Voor strafrechtelijke vervolging moet er echter wel opzet van de sociale media of verkopende websites bij de handel of openbaarmaking aangetoond kunnen worden. Hierbij is het dus van belang om te kijken om wat voor stoffen deze misleidende marketing draait om tot het antwoord te komen hoe daarmee om te gaan.
Op welke manier werkt Nederland samen met buurlanden om labs en sites die designerdrugs aanbieden en produceren, op te sporen en op te rollen?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het sinds 1 juli 2025. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.