De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Offlimits verricht zeer waardevol werk waaraan een sterke maatschappelijke behoefte is. Offlimits opereert in een speelveld waarin meerdere partijen deels vergelijkbare rollen vervullen. Zo onderzoekt de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) in hoeverre materiaal dat zij zelf vinden of bij hen gemeld wordt beoordeeld kan worden als terroristisch of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten dienen na een dergelijke classificatie dat materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Ook Offlimits helpt in het offline halen van beeldmateriaal van seksueel misbruik van minderjarigen of andere illegale content door meldingen daarvan ten doen aan platforms, mede geholpen door de status van Offlimits als trusted flagger. Met name voor deze functie van Offlimits is qua snelheid en schaalbaarheid momenteel geen goed alternatief beschikbaar. Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN), het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG) en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Net als bij Offlimits kan bij het CSG en Slachtofferhulp Nederland (online) hulp en advies worden ingewonnen over ervaringen met online seksueel geweld. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken CSG, SHN en Offlimits gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door.
De ATKM, het CSG, Offlimits, en SHN worden (mede) door mijn ministerie gefinancierd.
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
In het rapport «Regeren is vooruitzien» benoemt Offlimits dat zij een sterke toename in het aantal te verwerken URL’s ziet: in 2023 zijn 535.802 URL's verwerkt, in 2024 603.062 en in 2025 927.581.
Het aantal meldingen dat het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) heeft ontvangen is in 2024 gestegen naar 70.000. Het aantal meldingen dat TBKK in 2025 ontving is ten opzichte van 2024 enigszins gedaald naar 58.216 meldingen. De fluctuatie in het aantal meldingen die TBKK ontvangt kent verschillende oorzaken.
De meldingen die TBKK ontvangt betreffen platformmeldingen die via de Cybertipline van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) bij TBKK binnenkomen. Wijzigingen in wet- en regelgeving voor communicatie- en techplatforms in de Verenigde Staten hebben een groot effect op het aantal meldingen dat NCMEC ontvangt. Zo is in 2024 de meldingsplicht voor een aantal feiten aangescherpt, wat een sterke stijging van het aantal meldingen heeft veroorzaakt. Daarnaast wordt het aantal meldingen dat de politie ontvangt niet uitsluitend beïnvloed door wijzigingen in het juridische kader, maar ook in sterke mate door de keuzes die aanbieders van communicatiediensten maken ten aanzien van hun werkwijze en technische inrichting. Zo kunnen wijzigingen in de toepassing van end-to-end encryptie of in de wijze waarop platforms detectie uitvoeren een aanzienlijke invloed hebben op het aantal meldingen dat de politie ontvangt.
Bovendien neemt het aantal misbruikbeelden dat online wordt verspreid in het algemeen sterk toe, mede als gevolg van het grenzeloze karakter van het internet. Door technologische ontwikkelingen zijn daarnaast nieuwe vormen van online seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag ontstaan. Denk hierbij aan beeldmateriaal dat is gegenereerd met AI, zoals nudify-technologie en grooming van grote aantallen slachtoffers.
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
De snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal vind ik zeer zorgelijk. Daarom vind ik het terecht dat het zonder toestemming maken, bezitten en openbaar maken van AI-gegenereerde seksuele deepfakes in Nederland strafbaar is.2 Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van kinderen, dan is het kinderpornografie.3 Dus, het is strafbaar om zowel van volwassenen (zonder toestemming) als kinderen AI-gegenereerde naaktbeelden te maken. Ook in de Europese Unie AI-verordening is een verbod opgenomen op het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.4 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de AI-verordening. Dit is een bestuursrechtelijk verbod. Daarnaast blijf ik partijen zoals Offlimits subsidiëren, om de waardevolle bijdrage die zij aan een veilig internet leveren te ondersteunen.
Zoals ik u heb toegezegd tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart 2026 en in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven van 16 maart 2026 zal ik u in september van dit jaar een brief doen toekomen waarin de aanpak van seksuele deepfakes in meer detail wordt beschreven.
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Ik ben, voor zover publicaties daarover inzicht geven, bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal. Ik deel de zorg van het Fonds Slachtofferhulp dat AI-deepfakes deze omvang sneller dan ooit kunnen doen groeien.
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Het klopt dat mijn ministerie de subsidie aan Offlimits vermindert. Het door het kabinet-Schoof ingestelde, en door het huidige kabinet gehandhaafde besluit om te bezuinigen op de uitgaven van de Rijksoverheid raakt ook de subsidies die mijn ministerie verstrekt. De subsidie aan Offlimits is hier één van. Deze bezuiniging op subsidies geldt in principe voor alle organisaties die subsidie van mijn ministerie ontvangen, ongeacht de doelen van deze organisaties, en de aard en omvang van de problematiek die zij trachten tegen te gaan. De subsidie aan Offlimits vanuit mijn ministerie wordt oplopend5 tussen 2025 en 2029, waarna structureel, met 24% verminderd als gevolg van de taakstelling die het kabinet-Schoof heeft ingesteld. Dat komt neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000.
Tegelijkertijd heb ik deze bezuiniging voor Offlimits in 2025 en 2026 reeds volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Daarnaast wordt samen met Offlimits bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan, waaronder door een externe audit te laten uitvoeren.
Ik heb geen gedetailleerd inzicht in de aard en omvang van de subsidie vanuit de Europese Unie aan Offlimits. Ik beperk me derhalve tot het antwoorden op de vraag over de subsidie die vanuit mijn ministerie wordt verstrekt.
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Het project «harmful but lawful» content loopt tot 31 december 2026. Hiervoor is een incidentele subsidie van € 500.000 euro toegekend aan Offlimits door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het project «harmful but lawful» zal naar verwachting op verzoek van Offlimits (budgetneutraal) worden verlengd tot april 2027. Na afloop daarvan wordt het project geëvalueerd. Een opvolgende subsidietoekenning is op dit moment niet aan de orde, omdat het project nog loopt en nog niet geëvalueerd is. Het staat Offlimits vrij in 2027 na afloop van het project een nieuw subsidieverzoek in te dienen. Beoordeling daarvan verloopt via reguliere procedures waarbij ook wordt gekeken naar concrete activiteiten, resultaten en de verhouding tot bestaande initiatieven en andere aanvragen voor financiering.
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
De hoeveelheid meldingen en hulpvragen aan Offlimits groeit al enige jaren. Ik verwacht dat die groei doorzet. De voorgenomen bezuiniging op de subsidie aan Offlimits staat op gespannen voet met de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen aan Offlimits. Mede daarom heb ik in 2025 en 2026 de voorgenomen bezuiniging gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Zoals in antwoord op vraag 6 beschreven, komt de subsidietaakstelling neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000. De analyse dat deze bezuiniging consequenties heeft voor de capaciteit van Offlimits om de gestelde doelstellingen te realiseren, deel ik. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan. Daarbij kan onder meer ook aandacht worden gegeven aan de bedrijfsvoering. Ik merk hierbij op dat vanwege uitbreiding van het takenpakket van Offlimits de begroting zeer sterk is gegroeid.6 Dat heeft onmiskenbaar gevolgen voor de organisatie. Ik heb daarom afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. Daarbij kunnen ook leerpunten voor de bedrijfsvoering naar voren komen.
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Offlimits vervult een belangrijke functie binnen het «ecosysteem» van organisaties die seksueel kindermisbruik bestrijden. Door de laagdrempelige meldvoorziening en hulpaanbod kunnen slachtoffers snel geholpen worden en wordt verdere escalatie en ernstiger problematiek voorkomen. De gedachte hier achter is dat voor slachtoffers verdere ontwrichting voorkomen kan worden, waarmee potentiële (financiële) lasten elders in de keten of maatschappij kunnen worden beperkt. De mogelijke effecten van het wegvallen van deze functie zijn moeilijk te kwantificeren.
Ik verwacht dat indien de voorliggende bezuinigingen inderdaad leiden tot het afschalen van de capaciteit van Offlimits, dit om bovenstaande reden zal doorwerken in de werkzaamheden en/of resultaten van de genoemde organisaties. De precieze effecten zullen verschillen per organisatie. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Er zijn structurele middelen beschikbaar op de begroting van mijn ministerie voor de financiering van Offlimits. Deze structurele middelen zijn echter aan een taakstelling onderworpen. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Ik heb afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. De audit wordt uitgevoerd door een externe partij. Deze audit is naar verwachting niet voor de begrotingsbehandeling gereed.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Piloot Pascal heeft baan gevonden, maar mag door extreme vertraging vliegbrevetten niet vliegen: «Kosten van mijn opleiding exorbitant hoog geweest»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de ILT-Luchtvaartautoriteit kampt met ernstige achterstanden bij de afgifte van vliegbrevetten, bevoegdverklaringen en andere luchtvaartdocumenten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Ja, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is bekend met achterstanden bij de afgifte van vliegbrevetten en daaraan gerelateerde vergunningen door de ILT-Luchtvaartautoriteit sinds het najaar van 2025.
Hoe groot zijn de huidige achterstanden bij de ILT-Luchtvaartautoriteit? Kunt u deze uitsplitsen naar eerste brevetaanvragen, bijschrijvingen (ratings), verlengingen, medische certificaten en overige luchtvaartdocumenten? Wat zijn daarbij de gemiddelde en maximale doorlooptijden per categorie?
Er staan momenteel (situatie 10 augustus 2026) 768 pilotenbrevetten (Flight Crew Licences (verder: «FCL»)) aanvragen open, waarvan 308 buiten de wettelijke termijn van 8 weken vallen. Daarvan zijn 115 eerste brevetaanvragen, 136 wijzigingen en 57 in categorie «overig». Bij 151 aanvragen ligt er een actie bij de aanvrager (betalen, aanvullen, indienen zienswijze, of reactie van een andere autoriteit). De gemiddelde doorlooptijden per categorie zit niet in de automatische data-analyse. Er zijn geen achterstanden bij de aanvragen van medische certificaten.
Het doel is om de doorlooptijden van de pilotenbrevetten uiterlijk aan het einde van deze zomer weer binnen de wettelijke termijn te brengen. Daarbij blijven kwaliteit en luchtvaartveiligheid onverminderd leidend. Aanvragers die begin juli 2026 zijn geïnformeerd over een langere beslistermijn, kunnen een beslissing op hun aanvraag (zie ook vraag 4) naar verwachting aanzienlijk eerder ontvangen. Hierover hebben de aanvragers op 22 juli jl. een nadere toelichting ontvangen.
Klopt het dat aanvragers in individuele gevallen is meegedeeld dat aanvragen pas uiterlijk op of rond 1 maart 2027 worden afgehandeld? Zo ja, hoe vaak is dit voorgekomen en hoe verhoudt zich dit tot de wettelijke beslistermijnen uit de Algemene wet bestuursrecht?
Ja, dat klopt. Er zijn in totaal 499 verdaagbrieven2 verzonden aan FCL-aanvragers, waarin vanwege de op dat moment verwachte doorlooptijden een uiterste beslisdatum is opgenomen die in sommige gevallen doorloopt tot maart 2027.
De ILT-Luchtvaartautoriteit heeft inmiddels maatregelen genomen om de doorlooptijden zo snel mogelijk terug te brengen naar de wettelijke beslistermijn van acht weken. Deze maatregelen zien zowel op nieuwe als bestaande aanvragen. Hierdoor is de verwachting dat aanvragers die een verdaagbrief hebben ontvangen met een beslistermijn tot december 2026 of later, hun brevet eerder zullen ontvangen dan de in de brief genoemde uiterste datum. Een exacte afhandelingsdatum kan op dit moment niet worden gegeven.
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan binnen een redelijke termijn op een aanvraag te beslissen. Als er geen sprake is van een wettelijk vastgelegde termijn dan is de redelijke termijn 8 weken. Als het niet lukt om binnen deze termijn te beslissen, kan binnen de beslistermijn verlengd worden.
De brieven zijn verstuurd naar aanvragers waarvan de aanvraag nog binnen de beslistermijn zat, maar ook naar aanvragers waarvan de beslistermijn al verlopen was.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de ontstane achterstanden? Kunt u aangeven in welke mate deze worden veroorzaakt door personele capaciteit, ICT-systemen, organisatorische veranderingen of andere factoren?
De werkzaamheden rond het certificeren van piloten (FCL), medewerkers luchtruimbeheer (ATCO, FISO en ASO) en onderhoudstechnici (AML) in Nederland zijn per 1 juni 2025 overgegaan van Kiwa Register (Kiwa) naar de ILT-Luchtvaartautoriteit. Sinds 10 juni 2025 behandelt de ILT-Luchtvaartautoriteit de nieuwe aanvragen.
In eerste instantie is er bij de overgang van de werkzaamheden een achterstand meegekomen. Die is in de loop van 2025 weggewerkt. Later zijn de doorlooptijden van de aanvragen toch weer opgelopen. De oorzaak zit in een combinatie van factoren als capaciteit (niet alle Kiwa-medewerkers zijn meegekomen, uitval en vertrek van medewerkers), afspraken over inzet van medewerkers en de tijd die het kost om nieuw personeel in te werken, bekend te maken met de (complexe) procedures en de ICT-systemen. Ook de taakstelling is een factor van belang.
Daarnaast ontvangt de ILT-Luchtvaartautoriteit op dit moment een groot aantal (complexe) aanvragen.
Inzet en verdeling van capaciteit is altijd een aandachtspunt. Er bleek door bovenstaande factoren meer inzet nodig om de achterstanden weg te werken dan de afgelopen tijd beschikbaar was. Daarom is er geprioriteerd om de inzet en verdeling van capaciteit te richten op het wegwerken van de achterstanden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat piloten die hun opleiding succesvol hebben afgerond of een aanvullende bevoegdheid (rating) hebben behaald, uitsluitend door administratieve vertragingen bij de overheid niet aan het werk kunnen of hun werkzaamheden niet mogen uitvoeren? Welke gevolgen heeft dit volgens u voor de arbeidsmarkt, de luchtvaartsector en de concurrentiepositie van Nederland?
Ik deel de mening dat deze situatie zeer onwenselijk is. De achterstanden in de afgifte van brevetten kunnen gevolgen hebben voor de beschikbaarheid en inzetbaarheid van vliegers op de arbeidsmarkt. Vertraging in de afgifte kan ertoe leiden dat vliegers later beschikbaar zijn voor functies waarvoor een geldig brevet vereist is.
Dit kan tijdelijk gevolgen hebben voor de operationele inzetbaarheid van luchtvaartbedrijven en onderstreept het belang van tijdige en voorspelbare afhandeling van brevetaanvragen voor een goed functionerende luchtvaartsector.
Om de gevolgen van de huidige achterstanden zoveel mogelijk te beperken, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de geldigheid van het tijdelijke brevet (temporary permission) tijdelijk verlengd van acht naar zestien weken. Zie daarvoor de afdoening van de bovenstaande motie en het antwoord op vraag 8 en 11.
Klopt het dat de tijdelijke bevoegdheid die na een succesvol praktijkexamen kan worden afgegeven, bedoeld is om de periode tot afgifte van het definitieve brevet of de definitieve bijschrijving door de ILT te overbruggen? Wat is de beoogde maximale overbruggingsperiode van deze regeling?
Ja dat klopt. Met een tijdelijk brevet, een zogenaamde «temporary permission», mag een kandidaat maximaal 8 weken de nieuw behaalde bevoegdheid uitoefenen.
Herkent u het beeld dat de tijdelijke bevoegdheid in een toenemend aantal gevallen verloopt voordat de ILT de aanvraag heeft afgehandeld? Hoe vaak is dit het afgelopen jaar voorgekomen?
Ja dat herken ik. Piloten mogen na de vaardigheidstest (skill test) of bekwaamheidsbeoordeling (assessment of competence) voor uitbreiding van hun vliegbrevet in de meeste gevallen 8 weken de nieuw behaalde bevoegdheid uitoefenen met een «Declaration for temporary permission to act as a pilot with a rating or certificate».3 Dit document wordt afgegeven door de examinator. Binnen deze periode wordt normaliter het nieuwe brevet verstrekt.
Om de gevolgen van de huidige achterstanden zoveel mogelijk te beperken, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de geldigheid van het tijdelijke brevet (temporary permission) tijdelijk verlengd van acht naar zestien weken. Deze maatregel geldt (met terugwerkende kracht) vanaf 23 juli 2026 tot en met 31 december 2026. Met de verlenging kunnen kandidaten gedurende een langere periode gebruikmaken van hun temporary permission in afwachting van de formele afgifte van hun brevet. Deze verlenging geld ook voor aanvragers waarvan het tijdelijke brevet van 8 weken al verlopen was.
Daarnaast heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit een vrijstelling (exemption) verleend aan studentpiloten die momenteel een Airline Transport Pilot (ATP) Integrated Course volgen (zie FCL.720A(b)(2). Onder voorwaarden mogen zij de opleiding voor een type rating multi-pilot aeroplane starten zonder dat zij al beschikken over het brevetdocument.
Aanvragers, instructeurs, examinatoren en sectorpartijen zijn hierover ingelicht.
De ILT-Luchtvaartautoriteit heeft de vrijstellingen (exemptions) ingediend bij EASA en gepubliceerd in de Staatscourant4. De tijdelijke verlenging is verder gepubliceerd op de website van de ILT-Luchtvaartautoriteit.
Klopt het dat hierdoor vliegers in sommige gevallen opnieuw een praktijkexamen moeten afleggen of een nieuwe tijdelijke bevoegdheid moeten aanvragen, uitsluitend doordat de administratieve afhandeling langer duurt dan de geldigheidsduur van de tijdelijke bevoegdheid? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Op 23 juli heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de verlenging van het tijdelijke brevet (temporary permission) in laten gaan. Vanaf dat moment was deze situatie niet meer aan de orde.
Welke extra administratieve lasten en kosten brengt deze situatie volgens u met zich mee voor piloten, vliegscholen, examinatoren en luchtvaartmaatschappijen?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke maatregelen heeft u sinds het ontstaan van de achterstanden genomen om de dienstverlening van de ILT-Luchtvaartautoriteit te verbeteren? Welke resultaten hebben deze maatregelen tot nu toe opgeleverd?
Om de FCL-achterstanden terug te dringen en de dienstverlening te verbeteren, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit verschillende maatregelen genomen. De capaciteit is tijdelijk en structureel uitgebreid door het aantrekken en opleiden van nieuwe medewerkers. Ook worden tijdelijk externe experts ingezet. Daarnaast worden ILT medewerkers flexibel ingezet, worden werkvoorraden actief gemonitord en wordt waar nodig geprioriteerd. Verder is een nieuw softwaresysteem voor o.a. de behandeling van brevetaanvragen (EMPIC) aangekocht, dat in de toekomst naar verwachting een versnelling van het proces tot gevolg zal hebben.
Deze maatregelen zijn gericht op het verkorten van de doorlooptijden en het creëren van een stabieler en voorspelbaarder aanvraagproces, waarbij de kwaliteit van de beoordeling en de luchtvaartveiligheid voorop blijven staan. De ILT-Luchtvaartautoriteit blijft zich inzetten om de achterstanden structureel terug te dringen. Het ministerie heeft er vertrouwen in dat de ingezette verbetermaatregelen de komende periode zullen bijdragen aan verdere verkorting van de doorlooptijden en dat aanvragen weer binnen de wettelijke termijnen kunnen worden afgehandeld.
Zie ook de afdoening van de motie hierboven.
Welke aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om de achterstanden weg te werken en ervoor te zorgen dat de ILT weer binnen de wettelijke beslistermijnen opereert?
Zie antwoord op vraag 11.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, te bezien welke mogelijkheden er zijn om te voorkomen dat volledig gekwalificeerde piloten en vlieginstructeurs onnodig aan de grond blijven staan als uitsluitend de administratieve afhandeling door de ILT nog niet is afgerond? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Om de gevolgen van de huidige achterstanden zoveel mogelijk te beperken, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de geldigheid van de temporary permission tijdelijk verlengd van acht naar zestien weken. Zie ook vraag 8.
Uiteraard is het ministerie bereid om te kijken naar verdere mogelijkheden om de gevolgen van de huidige situatie zoveel mogelijk te beperken. Daarbij geldt dat niet alle oplossingen mogelijk zijn, gelet op de Europese regelgeving en de eisen die worden gesteld aan een veilig en zorgvuldig stelsel van brevetverlening.
Kunt u de Kamer vóór het einde van het zomerreces informeren over de omvang van de achterstanden, de getroffen maatregelen en een planning waaruit blijkt wanneer de ILT weer aan de wettelijke beslistermijnen zal voldoen?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De Kamerbrief ‘Uitkomsten onderzoek bestuurlijk handelen Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO)’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Klopt het dat de Onderwijsinspectie opnieuw wanbeheer heeft geconstateerd bij Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO), het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum?
Ja. De inspectie heeft geconstateerd dat het bevoegd gezag langdurig en in ernstige mate het heeft nagelaten om maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs. De inspectie heeft in 2019 eveneens wanbeheer geconstateerd. De Raad van State heeft in 2022 de uitspraak gedaan dat er in 2019 weliswaar sprake was van onrechtmatige handelingen, maar niet van wanbeheer.
Kunt u aangeven op welke punten dit wanbeheer precies ziet?
Er is sprake van wanbeheer als bedoeld in Artikel 3.38, tweede lid onderdeel b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020). De inspectie constateert dat het bestuur langdurig en in ernstige mate nagelaten heeft om de noodzakelijke maatregelen te treffen die nodig zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs. De geconstateerde tekortkomingen zien op structurele tekortkomingen. Op hoofdlijnen betreft het de bestuurlijke aansturing, kwaliteitszorg, governance en medezeggenschap. In het rapport van de inspectie naar het bestuurlijk handelen van 18 juni 2026 staan de details.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat leerlingen jarenlang onderwijs krijgen dat tekortschiet, terwijl het bevoegd gezag er niet in slaagt de noodzakelijke verbeteringen door te voeren?
Ja. Leerlingen en hun ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de school van hun keuze kwalitatief goed onderwijs biedt. Alle kinderen hebben recht op goed onderwijs.
Kunt u duiden hoe een school waarbij al jarenlang ernstige zorgen bestaan over bestuurs- en onderwijskwaliteit en naleving van wettelijke eisen nog steeds door hetzelfde gezag wordt bestuurd?
De wet biedt de Minister geen eigenstandige bevoegdheid om zelfstandig bestuurders te ontslaan of een nieuw bestuur te benoemen. Het is aan het bevoegd gezag om de samenstelling van het bestuur te wijzigen.
Scholen en besturen moeten de bekostiging aanwenden voor kwalitatief goed onderwijs. De inspectie constateert dat het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum er herhaaldelijk niet in slaagt de onderwijskwaliteit te waarborgen. Dit is zorgelijk voor de leerlingen van de school. Het is van groot belang dat zij op korte termijn goed onderwijs krijgen.
Wanneer sprake is van wanbeheer, beschikt de Minister over verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Op grond van de sectorwetten kan aan een bestuur een aanwijzing worden opgelegd. Dat is een bestuurlijk instrument waarmee besturen gedwongen kunnen worden maatregelen te nemen om het wanbeheer te beëindigen. Deze maatregelen kunnen ook gericht zijn op de samenstelling van het bestuur.
Bent u bereid om zo snel mogelijk gebruik te maken van uw bevoegdheden om in te grijpen bij dit wanbeheer? Zo ja, hoe?
Ik vind het van het grootste belang dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum zo spoedig mogelijk kwalitatief goed onderwijs kunnen volgen. Ik bereid gepaste vervolgstappen voor binnen mijn bevoegdheid. Zodra ik een definitief besluit heb genomen over de vervolgstappen informeer ik uw Kamer.
Welke mogelijkheden bestaan er om het huidige bestuur geheel of gedeeltelijk te vervangen wanneer sprake is van langdurig wanbeheer?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is sluiting van de school mogelijk wanneer de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs onvoldoende gewaarborgd is? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Ja. Op grond van Artikel 2.95 WVO 2020 kan de Minister besluiten een schoolsoort of leerweg op te heffen (bij openbare scholen) of de bekostiging daarvan te beëindigen (bij bijzondere scholen). Dit is een uiterste maatregel, die enkel ingezet kan worden als aan strikte wettelijke voorwaarden wordt voldaan: de inspectie moet een herhaald eindoordeel Zeer zwak hebben vastgesteld, gebaseerd op onvoldoende leerresultaten; de inspectie moet geconstateerd hebben dat het bevoegd gezag niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel onvoldoende verbeteringen heeft doorgevoerd; en het bevoegd gezag moet de mogelijkheid hebben gehad om hierop zijn zienswijze in te dienen. Aan deze wettelijke voorwaarden is in deze casus niet voldaan. Op dit moment zijn de in dit antwoord beschreven mogelijkheden wettelijk niet aan de orde. Ik bereid vervolgstappen voor op basis van het genoemde inspectierapport.
Hoe wordt op dit moment gewaarborgd dat de leerlingen goed onderwijs krijgen en geen verdere leerachterstanden oplopen?
De onderwijskwaliteit en de ontwikkeling van leerlingen zijn en blijven de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school. De inspectie heeft geconcludeerd dat het bestuur nalaat om voldoende zorg te dragen voor verbetering van de onderwijskwaliteit. Op basis van de geconstateerde tekortkomingen zijn herstelopdrachten opgelegd. De inspectie ziet nu toe op de voortgang van deze herstelopdrachten. Ik bereid verdere maatregelen voor om te bewerkstelligen dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum op korte termijn weer onderwijs van goede kwaliteit krijgen.
Welke lessen vallen er volgens u uit deze casus te trekken voor het toezicht op nieuwe scholen en kleine schoolbesturen, in het bijzonder wanneer sprake is van gebrekkig intern toezicht?
De kwaliteit van nieuw opgerichte scholen moet goed gemonitord worden. Dat doet de inspectie: nieuwe scholen krijgen standaard een kwaliteitsonderzoek binnen een jaar na oprichting, en afhankelijk van de opbrengsten daarvan vindt vervolgtoezicht plaats. Op deze manier is ook het Cornelius Haga Lyceum vanaf het begin bij de inspectie in beeld geweest.
Een zorgwekkende situatie zoals die bij SIO is uitzonderlijk. Er zijn veel kleine schoolbesturen waar de bestuurlijke kwaliteit en de onderwijskwaliteit op orde zijn. Het intern toezicht is een belangrijk gremium in de waarborging van onderwijskwaliteit. Wanneer de bestuurlijke kwaliteit wordt onderzocht, is het intern toezicht hier altijd onderdeel van. Deze casus bevestigt het belang hiervan. Dit laat ook het belang zien van toezicht van de inspectie op besturen.
Bent u van mening dat het huidige instrumentarium van de Inspectie voldoende is om in te grijpen bij scholen waar langdurig sprake is van zeer zwak onderwijs of wanbeheer?
De interventiemogelijkheden van de inspectie zijn gericht op herstel van de onderwijskwaliteit. Gezien het zeer kleine aantal scholen of afdelingen in het funderend onderwijs waar sprake is van langdurig zeer zwak onderwijs, is het inspectie-instrumentarium effectief.
Welke gevolgen heeft deze conclusie van de Inspectie voor de aanvragen die zijn gedaan voor het stichten van nieuwe scholen in bijvoorbeeld Almere en Tilburg?
De stichtingsaanvragen die recent zijn gedaan in Almere en Tilburg zijn door de inspectie beoordeeld op kwaliteit van het ingediende plan voor de betreffende scholen. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de bestuursstructuur voldoet aan de wettelijke eisen, met de waarborg van een onafhankelijke rol van intern toezicht.
Tevens is gekeken of bestuurders in de afgelopen vijf jaar een school hebben moeten sluiten vanwege zeer zwakke onderwijskwaliteit. De inspectie gaat bij alle nieuwe scholen in het eerste jaar langs en beoordeelt de scholen en besturen dan op hun functioneren. Dat zal ook in Almere en Tilburg gebeuren.
‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Ja.
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
De verantwoordelijkheid voor de geplande reparatiewerkzaamheden ligt bij de N.V. Westerscheldetunnel, waarvan de provincie Zeeland volledig aandeelhouder is. Deze werkzaamheden zullen grote impact hebben op de bereikbaarheid van de regio, waaronder de bereikbaarheid van diverse voorzieningen zoals regionale zorginstellingen. De provincie Zeeland is zich hier terdege van bewust.
Om de gevolgen van de werkzaamheden voor de bereikbaarheid te beperken, heeft de provincie Zeeland, samen met de gemeenten Borsele en Terneuzen, de Veiligheidsregio Zeeland en de N.V. Westerscheldetunnel, een bereikbaarheidsplan opgesteld. Bij de totstandkoming van dit plan en de te nemen maatregelen voert de provincie Zeeland uitgebreide informatie- en stakeholdersgesprekken met de sector, waaronder ook de zorgsector. Ik heb er vertrouwen in dat de provincie hier samen met de omgeving op een zorgvuldige manier invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Het kabinet hecht groot belang aan de continuïteit en toegankelijkheid van de zorg in Zeeuws-Vlaanderen. Voor situaties waarin rechtmatig overheidshandelen leidt tot nadelige financiële gevolgen, bestaat een wettelijk kader voor nadeelcompensatie. Indien een verzoek wordt ingediend, is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan. Het is echter niet aan het kabinet om te beoordelen of in dit geval sprake is van onevenredige schade. In dit geval ligt die bevoegdheid bij gedeputeerde staten van Zeeland, omdat de gestelde schade voortvloeit uit provinciaal handelen in het kader van het beheer van de Westerscheldetunnel en de daarmee samenhangende bereikbaarheidsmaatregelen.
Bij die beoordeling wordt onder meer gekeken naar de aard en omvang van de schade, het causaal verband met het overheidshandelen, de mogelijkheden om de schade te beperken en de vraag in hoeverre de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke of ondernemersrisico. Provincie Zeeland beschikt hiervoor over een eigen Verordening nadeelcompensatie waarin is uitgewerkt hoe dergelijke verzoeken worden beoordeeld.
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Zoals hiervoor aangegeven ligt de verantwoordelijkheid voor de reparatiewerkzaamheden en het opstellen van het bereikbaarheidsplan bij respectievelijk de N.V. Westerscheldetunnel en de provincie Zeeland. Bij werkzaamheden is, via regioregie, nauwe afstemming tussen verschillende beheerders, om bereikbaarheid en doorstroming zo goed mogelijk te organiseren.
Waar zorginstellingen onevenredig nadelig financieel worden getroffen bestaan er wettelijke kaders voor nadeelcompensatie. Het is aan het verantwoordelijk orgaan, in dit geval de gedeputeerde staten van Zeeland, om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan.
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
Er vindt reeds overleg plaats tussen de provincie Zeeland en Rijkswaterstaat in het kader van de geplande reparatiewerkzaamheden aan de Westerscheldetunnel. Daarbij is Rijkswaterstaat uiteraard bereid om kennis en ervaring te delen. Vanuit het Ministerie van VWS is er contact geweest met ziekenhuis ZorgSaam.
Het bericht: België komt met omstreden tolvignet: vanaf 1 mei 2027 moeten we fors betalen voor matig asfalt |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat België buurlanden laat opdraaien voor het gebruik van hun wegen?
Het voornemen is om een wegenvignet voor alle gewestwegen (autosnelwegen en N-wegen) in België in te voeren voor alle motorvoertuigen met minstens vier wielen en met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3,5 ton. Het wegenvignet zal gelden voor Belgische en buitenlandse automobilisten. Het wegenvignet zal verkrijgbaar zijn als jaarvignet (kosten € 90–125, afhankelijk van de uitstoot van het voertuig) maar ook voor kortere gebruiksperioden (bijvoorbeeld een dagvignet voor € 8,10–€ 11,25 of maandvignet voor 17,10–23,75). Uit de verkoop van het wegenvignet aan buitenlandse automobilisten verwacht Vlaanderen op jaarbasis € 130 miljoen aan extra overheidsinkomsten. Voor Nederlandse automobilisten die gebruik maken van het Belgische wegennet betekent dit een lastenverzwaring die ik betreur en waarover ik mijn zorgen heb gedeeld met de verantwoordelijke bewindspersoon in Vlaanderen.
De autobelastingen zijn in België een gewestelijke bevoegdheid. Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk gewest werken aan de invoering van één gezamenlijk wegenvignet. De Vlaamse regering heeft onlangs een principebesluit genomen over de invoering van het gezamenlijke wegenvignet én een hervorming van de Vlaamse autobelastingen (verkeersbelasting). De plannen voor het wegenvignet dienen in de drie gewestelijke parlementen goedgekeurd te worden. De plannen voor de Vlaamse verkeersbelasting worden alleen in het Vlaamse parlement behandeld. De parlementaire behandeling kan nog wijzigingen meebrengen.
Voor fossiele personenauto’s (uitgezonderd leaseauto’s) koppelt Vlaanderen de invoering van een wegenvignet budgettair gezien aan een hervorming van de jaarlijkse verkeersbelasting. Daarmee wordt beoogd de aanpassingen voor Vlaanderen (wegenvignet en verkeersbelastingen) in 2027 globaal budgetneutraal in te voeren. Voor individuele automobilisten kan dit in de praktijk wisselend uitpakken. Afhankelijk van het type auto kan het totale bedrag dat een Vlaamse autobezitter in de nieuwe situatie kwijt is (verkeersbelasting en wegenvignet) ongeveer gelijk zijn aan, maar ook meer of minder zijn dan in de huidige situatie met uitsluitend verkeersbelasting. Voor Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk gewest is vooralsnog onbekend of wordt voorzien in een soortgelijke aanpassing van de autobelastingen.
Binnen de geldende Europese kaders mag er geen sprake zijn van discriminatie van buitenlandse voertuigen ten opzichte van binnenlandse voertuigen (artikel 7, tweede lid, van Richtlijn 99/62/EG). Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU blijkt dat eigen inwoners niet volledig mogen worden gecompenseerd voor de kosten die zij maken voor het aanschaffen van een wegenvignet. De Europese Commissie zal de voorgenomen invoering van het wegenvignet en de in Vlaanderen voorgenomen hervorming van de verkeersbelasting in samenhang moeten bezien om te beoordelen in hoeverre dit voldoet aan het non-discriminatiebeginsel. Vanuit Nederland zal ik hier ook scherp op toezien en daar waar nodig het gesprek aangaan met België en/of de Europese Commissie.
Beseft u zich dat Nederland dit ook kan doen en u zodoende meer geld kan binnenhalen om de grote tekorten op uw ministerie te verkleinen?
Ook in Nederland worden met tolheffing overheidsinkomsten gegenereerd, waarmee ook van buitenlandse weggebruikers een bijdrage wordt ontvangen. In Nederland betalen Nederlandse en buitenlandse vrachtwagens via de vrachtwagenheffing voor het gebruik van een deel van het wegennet. Ook is er sprake van tijdelijke tolheffing op de A24 (Blankenburgverbinding). Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om in navolging van België ook een vignet voor buitenlandse weggebruikers te introduceren? Zo ja, per wanneer zou dit mogelijk zijn? Zo nee, bent u dan in ieder geval bereid om een kosten-batenanalyse te laten uitvoeren?
Het introduceren van een vignet voor uitsluitend buitenlandse weggebruikers past niet binnen geldende Europese kaders (zie ook het antwoord op vraag 2) en is daarom niet mogelijk. Het Centraal Planbureau heeft in het onderzoek «Keuzes in Kaart 2027–2030» de budgettaire en economische effecten van de invoering van een vignet voor binnen- en buitenlandse personen- en bestelauto’s reeds in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat de invoering van een vignet met een prijs van jaarlijks 100 euro voor alle personenauto’s en bestelauto’s die gebruik maken van het Nederlandse wegennet in 2030 circa € 1,4 miljard aan overheidsinkomsten oplevert. Dit betekent een lastenverzwaring voor gezinnen (€ 800 miljoen), bedrijven (€ 200 miljoen) en het buitenland (€ 400 miljoen)2.
U laat het toch niet gebeuren dat ze ons óók op infrastructuur voorbij gaan streven, net als op het asieldossier waar België al slimmer is dan uw kabinet?
Ik zie dit niet als «voorbijstreven» en zie geen relatie met het door u genoemde asieldossier.
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht: "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen" |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst».
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
Wanneer heeft u kennisgenomen van de in de berichtgeving genoemde feiten en omstandigheden, en bent u hier van geschrokken of was dit verwacht?1
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief2 heeft de CEO van Tata Steel Nederland B.V. (TSN) het kabinet op 2 juli jl. geïnformeerd dat het bedrijf van het OM had vernomen dat vervolging op korte termijn ingesteld zou worden. Eerder dit jaar maakte het OM al bekend onderzoek te doen en hierop heeft het kabinet op 2 april 2026 al een reactie3 gegeven. Van de exacte feiten en omstandigheden heeft ook het kabinet pas kennis kunnen nemen toen het OM daarmee naar buiten kwam.
In hoeverre zijn de in de berichtgeving beschreven feiten betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief4 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraak met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Welke consequenties heeft de vervolging van het Openbaar Ministerie (OM) voor de onderhandelingen en het tijdspad van de maatwerkafspraken? Is in de onderhandelingen rekening gehouden met dit scenario, inclusief mogelijke veroordeling en sancties?
Zie antwoord vraag 2.
Welke financiële risico's loopt de Staat indien tijdens of na het sluiten van maatwerkafspraken blijkt dat Tata Steel strafrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden, bijvoorbeeld doordat de uitvoering van de afspraken vertraging oploopt, niet kan plaatsvinden of significante impact heeft op de financiële gezondheid van het bedrijf?
In september zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak.
In de JLoI staan artikelen over de risicobeheersing voor de staat van de subsidieverlening en deze artikelen geven ruimte tot nadere weging in dit soort omstandigheden ten aanzien van het uitvoeren van de afspraken en de financiële risico’s van de staat. In deze artikelen staat dat voor de risicobeheersing van subsidieverlening gedacht kan worden aan het uitbetalen van de subsidie in tranches gekoppeld aan mijlpalen, een controlesysteem met een effectief sanctiesysteem en terugvorderingsmogelijkheden. Het gaat onder meer om artikel 7 en artikel 11 (lid 5, 7,8, 9 en 12) van de JLoI. De maatwerkafspraak wordt uitgewerkt langs deze lijnen van de JLoI. Voor de volledigheid, de subsidie moet goedgekeurd worden door de Europese Commissie en aan het relevante staatssteunkader voldoen, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 («CEEAG»).
Bevatten de voorgenomen maatwerkafspraken bepalingen die de Staat beschermen tegen financiële schade of terugvordering van publieke middelen indien Tata Steel wordt veroordeeld voor strafbare feiten? Zo nee, wordt hier nu in de onderhandelingen op in gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting dat naleving van wet- en regelgeving een randvoorwaarde moet zijn voor het verstrekken van substantiële publieke steun?
Zoals het kabinet eerder al heeft aangegeven dient het bedrijf compliant te zijn met de bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop bij het bevoegd gezag ligt – in het geval voor wet- en regelgeving op milieugebied de provincie Noord-Holland en de OD –, hecht het kabinet eraan dat er een cultuurverandering binnen TSN wordt doorgevoerd. Om die reden zijn hier afspraken over gemaakt in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Welke gevolgen heeft de strafrechtelijke vervolging van Tata Steel voor het toezicht- en handhavingsbeleid van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied? Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk?
Deelt u de opvatting dat een strafrechtelijke vervolging wegens opzettelijke milieuvervuiling aanleiding moet zijn om kritisch te bezien of de huidige vergunningen, vergunningvoorschriften en handhavingsinstrumenten toereikend zijn? Zo ja, welke stappen worden gezet?
Bent u bereid te onderzoeken of de strafrechtelijke vervolging aanleiding geeft om aanvullende emissiebeperkende maatregelen of aangescherpte vergunningvoorschriften op te leggen aan Tata Steel?
Hoe wordt geborgd dat de gezondheid van omwonenden gedurende de periode van de strafrechtelijke procedure niet verder onder druk komt te staan? Welke extra maatregelen zijn de komende periode mogelijk?
De wettelijke normen en het VTH-stelsel blijven van kracht. En de OD NZKG blijft scherp toezicht houden op het bedrijf in de breedte van de activiteiten.
Bent u van oordeel dat de strafrechtelijke vervolging aanleiding geeft om de uitvoering van de aanbevelingen van de Expertgroep Gezondheid IJmond te versnellen en versterken, in het bijzonder ten aanzien van continue emissiemonitoring, transparantie van meetgegevens en gezondheidsbescherming? Zo nee, waarom niet?
Ook zonder strafrechtelijke vervolging wil het kabinet, binnen de beschikbare tijd en middelen, de adviezen van de Expertgroep zo goed mogelijk verwerken in de maatwerkafspraak. Dit is ook in lijn met de motie-Thijssen5. Het kabinet zal na de zomer nader ingaan op het meest recente advies van de Expertgroep.
Welke gevolgen heeft de strafrechtelijke vervolging voor het vertrouwen dat de overheid kan stellen in de naleving van vergunningvoorschriften door Tata Steelm, en hoe wordt hieraan gewerkt?
Toezicht op en handhaving van de naleving van vergunningsvoorschriften is aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Zoals aangegeven zal het kabinet in september ingaan op de mogelijke implicaties van de strafrechtelijke vervolging voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Kunt u reflecteren op het effect van deze ontwikkelingen op het vertrouwen van burgers in de overheid en de maatwerkafspraken?
Het kabinet begrijpt de zorgen die bij burgers kunnen leven over deze strafrechtelijke vervolging, mede in de context van het traject om tot een maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven komt het kabinet snel met een brief en tot die tijd zet het kabinet geen onomkeerbare stappen.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de gevolgen van deze berichtgeving voor het verdere onderhandelingsproces? Wacht u de uitkomsten van het onderzoek van het OM af voor de maatwerkafspraken worden ondertekend?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief6 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Het bericht OM vervolgt Tata Steel strafrechtelijk voor opzettelijk vervuilen |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Was u voorafgaand aan de publicatie van het bericht «OM vervolgt Tata Steel strafrechtelijk voor opzettelijk vervuilen» op de hoogte van het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om Tata Steel strafrechtelijk te vervolgen voor het opzettelijk uitstoten van stoffen die gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid?1 Zo ja, sinds wanneer, en heeft Tata Steel Nederland u hierover geïnformeerd, vergelijkbaar met de wijze waarop het bedrijf u informeerde over het CCI-onderzoek in India, zoals beschreven in uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 6?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief2 heeft de CEO van Tata Steel Nederland (TSN)3 het kabinet op 2 juli 2026 geïnformeerd dat het bedrijf van het OM had vernomen dat vervolging op korte termijn ingesteld zou worden. Van de exacte feiten en omstandigheden heeft ook het kabinet pas kennis kunnen nemen toen het OM daarmee naar buiten kwam.
Deze situatie is anders dan de situatie rond het CCI-onderzoek naar mogelijke illegale prijsafspraken in India. Het kabinet heeft op 2 februari 2026 schriftelijk aangegeven dat TSN het Ministerie van EZK feitelijk heeft geïnformeerd inzake het CCI-onderzoek in India, na publicatie van het artikel, en dat TSN de verdere ontwikkelingen afwacht. In het CCI-onderzoek is TSN echter (vooralsnog) geen partij.
Wat is uw reactie op de constatering van het OM dat Tata Steel de fabrieken slecht onderhoudt, soms zonder de juiste vergunning werkt en incidenten onder de pet houdt? Verandert dit uw eerdere oordeel, zoals verwoord in uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 9, dat het niet aan het kabinet is om een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van Tata Steel als partner?
Wat betreft het CCI-onderzoek geldt dat het onderzoek nog niet afgerond is, er op dit moment is geen aanwijzing is voor mogelijke betrokkenheid van TSN en dat de Indiase autoriteiten (nog) geen strafrechtelijke procedure gestart zijn. Over het CCI-onderzoek blijft het oordeel van het kabinet dus ongewijzigd.
Wat betreft het bericht van het OM geldt dat het OM, op basis van eigen onderzoek, nu tot strafrechtelijke vervolging van TSN overgaat. Voor de inhoud van de verdenkingen verwijst het kabinet naar het bericht van het OM. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli 2026 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Zijn er voor het besluit van het OM al eerder signalen ontvangen bij ministeries waaruit een vermoeden bleek dat Tata opzettelijk stoffen in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater heeft gebracht of laten brengen met een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen?
De aangifte van omwonenden (in 2021) is in 2022 aanleiding geweest voor de ILT-IOD4 (onder leiding van het Functioneel Parket van het OM) om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Verder is het kabinet zich bewust5 van diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Dit valt onder het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). Zoals het kabinet eerder al heeft aangegeven dient het bedrijf compliant te zijn met de bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop bij het bevoegd gezag ligt – in het geval voor wet- en regelgeving op milieugebied de provincie Noord-Holland en de OD –, hecht het kabinet eraan dat er in ieder geval een cultuurverandering binnen TSN wordt doorgevoerd. Om die reden zijn hier afspraken over gemaakt in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Is dit besluit van het OM reden voor het kabinet om meetgegevens inzake Tata Steel toegankelijk te maken voor onafhankelijke analyses waar dat nog niet gebeurt om zo het vertrouwen in de gegevens en conclusies te versterken?
De strafrechtelijke vervolging staat los van de bestuursrechtelijke verplichting voor het bedrijf om rapportages met meetgegevens in te dienen bij het bevoegd gezag. Deze rapportages moeten onder andere aan nationale normen (NEN) voldoen. Vervolgens is het aan het bevoegd gezag, in dit geval OD NZKG gemandateerd door de provincie Noord-Holland, om deze rapportages te beoordelen. Er is daarmee sprake van een onafhankelijke analyse.
In hoeverre is deze strafrechtelijke vervolging voor u aanleiding om de onderhandelingen over de definitieve maatwerkafspraak, die volgens planning uiterlijk eind september 2026 moeten zijn afgerond, op te schorten totdat er meer duidelijkheid is over de uitkomst van de strafzaak?
Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli 2026 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Bent u van mening dat er maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden als er zulke zware beschuldigingen na meerjarig onderzoek door het OM boven Tata Steel hangen? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat een strafrechtelijke vervolging wegens opzettelijke vervuiling een zwaardere aanwijzing is voor structureel niet-naleven van wet- en regelgeving dan de bestuursrechtelijke boetes die Tata Steel dit jaar al kreeg opgelegd, waarbij voor één kooksfabriek de maximale dwangsom van ruim 17 miljoen euro al is bereikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gaat het kabinet niet inhoudelijk in op het besluit van het OM6 om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Hoe het kabinet aankijkt tegen de handhavingszaken is recent met de Kamer gedeeld7.
Welke consequenties heeft deze strafzaak, en de inhoud daarvan, voor de beoordeling of Tata Steel Nederland in aanmerking komt voor circa 2 miljard euro aan overheidssteun, gelet op de eis die u noemde in uw antwoord van 26 maart 2026 op vraag 6, dat er voldoende waarborgen moeten zijn dat subsidie daadwerkelijk bijdraagt aan het behalen van de gezondheids- en klimaatdoelen?
Ongeacht het besluit van het OM geldt dat er geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan de Europese regelgeving voldoen. Een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 («CEEAG»).
Over de verdere voorwaarden waaronder eventueel subsidie gegeven zal worden, wordt nog gesproken met het bedrijf. De waarborgen voor het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak en de consequenties bij het niet behalen van deze doelen, worden de komende tijd verder uitgewerkt in de (juridische documentatie bij de) maatwerkafspraak.
Kunt u garanderen dat er geen maatwerkafspraak met Tata Steel wordt afgesloten voordat er een vonnis is? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 5 en 6.
Kunt u garanderen dat er geen maatwerkafspraak met Tata Steel wordt gemaakt indien de (voormalige) bestuurders van Tata Steel ook in persoon zullen worden gedagvaard door het OM?
Het OM onderzoekt of mensen met een leidinggevende rol mogelijk persoonlijk strafbaar zijn. Dat onderzoek is nog niet afgerond en het kabinet vindt het niet passend om hierop vooruit te lopen.
Bent u, gezien deze ontwikkeling van vervolging van Tata Steel door het OM, alsnog bereid de Joint Letter of Intent (JLoI) op te schorten of te heroverwegen, in aanvulling op uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 10, waarin u aangaf op dat moment geen aanleiding te zien de JLoI te beëindigen?
Zie het antwoord op vragen 5 en 6.
Bent u bekend met het feit dat het OM tevens onderzoekt of leidinggevenden van Tata Steel persoonlijk vervolgd zullen worden? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren zodra hier meer duidelijkheid over is? Welke betekenis heeft een eventuele persoonlijke vervolging van leidinggevenden volgens u voor de bestuurlijke relatie en de lopende onderhandelingen met het bedrijf?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving van het OM. Het is aan het OM om hierover een vervolgingsbeslissing te nemen en hierover te communiceren. Wij zullen de Kamer informeren over relevante ontwikkelingen. Op een eventuele persoonlijke vervolging kan het kabinet niet vooruitlopen. Het OM heeft het onderzoek nog niet afgerond.
Waarom schrijft u in de brief van 8 juli 2026 dat het kabinet na het publiek bekend worden van het dagvaarden van Tata Steel door het OM «geen onomkeerbare stappen zal zetten in het maatwerktraject», terwijl u op basis van de intentieovereenkomst van september 2025 met Tata Steel zich nu ook direct had kunnen terugtrekken bij een strafrechtelijk onderzoek «dat ernstige zorgen doet ontstaan bij de Staat over het aangaan van de maatwerkafspraak»?
De Kamer wordt, zoals aangegeven in de brief van 8 juli, in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak.
Wat is de stand van zaken in de onderhandelingen tussen de overheid en Tata Steel met betrekking tot het eerder sluiten van kooksfabriek 1 en 2?
De OD NZKG bereidt als handhavingsmaatregel de intrekking van de vergunningen voor, naar aanleiding van structurele overschrijdingen van de milieunormen. De stand van zaken8 is dat op dit moment wordt onderzocht of het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 implicaties voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, en zo ja welke.
Wat is uw visie op het sluiten van kooksfabrieken 1 en 2 om gezondheidsredenen, en stuurt u aan op sluiting van beide kooksfabrieken in 2027?
Zoals ook aangegeven in het plenaire debat over Tata Steel op 7 april 2026 ziet het kabinet het als een positieve ontwikkeling dat het bedrijf zelf de noodzaak ziet van vervroegde sluiting van beide kooksgasfabrieken (ten opzichte van eerdere plannen). Dat zou de gezondheidswinst voor omwonenden op de kortere termijn vergroten. De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure:
De provincie Noord-Holland heeft recent een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces9. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre dit impact heeft op de beoogde maatwerkafspraak. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Bent u van oordeel dat er geen definitieve en onvoorwaardelijke maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden zolang de Milieueffectrapportage (MER) en de Gezondheidseffectrapportage (GER) niet beschikbaar zijn?
Met betrekking tot de relatie tussen het MER en de maatwerkafspraak is in antwoord op eerdere vragen10 al aangegeven dat het MER wordt opgesteld ten behoeve van vergunningaanvragen, niet ten behoeve van de maatwerkafspraak. Uiteraard kunnen projecten alleen met een vergunning worden gerealiseerd en moeten projecten gerealiseerd worden als onderdeel van de subsidiebeschikking. Bij de vormgeving van de maatwerkafspraken wordt geborgd dat de afspraken voldoende milieumaatregelen bevatten die ook daadwerkelijk leiden tot positieve gezondheidseffecten. In de beoogde maatwerkafspraak zal dit nader worden uitgewerkt, in lijn met de motie-Kostić c.s.11.
In de JLoI zijn een reductie van schadelijke stoffen en aanvullende milieumaatregelen opgenomen. Dat deze maatregelen de gezondheidsrisico's voor omwonenden terugdringen, is dankzij alle eerder verrichte verzoeken evident en hoeft op zichzelf niet nader onderbouwd te worden met een GER. De voorzitter van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft in een gesprek met de Kamer op 19 maart jl. ook aangegeven dat nu afspraken maken over emissiereducties urgenter is dan een voltooide GER. Dat laat onverlet dat de GER een instrument is dat van waarde kan zijn om (nader) inzicht te krijgen in gezondheidseffecten. De suggestie van de Expertgroep om de GER als structureel sturingsinstrument te gebruiken, neemt het kabinet zoals gemeld12 in de voortgangsbrief van 2 april jl. mee bij de uitwerking van de beoogde maatwerkafspraak.
Bent u bereid om, in afwachting van de resultaten van de GER, tenminste aanvullende afspraken op te nemen in de maatwerkafspraken om te zorgen dat gezondheidswinst daadwerkelijk geborgd wordt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zoals bekend erg belangrijk dat gezondheid een prominente plek in de maatwerkafspraak krijgt. Er wordt gewerkt aan een concrete uitwerking hiervan.
Neemt u het advies van de Expertgroep inzake betere monitoring van de gezondheidseffecten en een betere koppeling daarvan aan de GER over in de maatwerkafspraken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal na de zomer nader ingaan op het meest recente advies van de Expertgroep.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn van drie weken beantwoorden?
‘Team Diverse Instroom en selectiebeleid bij de politie’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beleidsdocumenten van het programma «Politie voor Iedereen» waarin staat: «Wij vergroten de culturele diversiteit bij de instroom van nieuwe collega’s. En groeien wij uiteindelijk toe naar een gerichte wervings- en selectieaanpak gebaseerd op competenties in plaats van persoonskenmerken»?
Ja.
Klopt het dat hiermee wordt bedoeld dat gedurende een overgangsperiode culturele achtergrond, migratieachtergrond of etniciteit een expliciete rol speelt of heeft gespeeld bij de instroom van nieuwe medewerkers?
De politie werkt aan een diverse en inclusieve organisatie die herkenbaar is voor alle burgers in onze samenleving. Dit vergroot de legitimiteit en het vertrouwen in de politieorganisatie en draagt tevens bij aan een gelijke behandeling en het inlevingsvermogen van medewerkers in maatschappelijke verschillen. De politie wil dat eenheden en teams herkenbaar zijn voor de omgeving, passend bij de lokale bevolkingssamenstelling en de lokale veiligheidsvraagstukken. Dit betekent dat de organisatie een extra inspanning doet om diverse doelgroepen aan te spreken en voor hen toegankelijk te zijn. Om dit proces te bespoedigen en ook om de opgelopen achterstand van de voorgaande jaren in te halen, is er in 2020 gekozen om in de periode tussen 2020 en 2025 streefcijfers te hanteren voor schaarse doelgroepen. De eenheden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Midden-Nederland hadden zich ten doel gesteld dat de instroom van aspiranten met een migratieachtergrond minimaal 35 procent bedraagt. Voor de overige eenheden lag dit streefpercentage tussen de 15 en 20 procent. Om deze ontwikkeling te kunnen volgen nam de politie tevens deel aan de Barometer Culturele Diversiteit van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Op basis van hun specifieke meetmethode werd de etnisch-culturele samenstelling van het personeelsbestand van de politie gemonitord en gepubliceerd.
Gaandeweg is de werkwijze van werving met behulp van streefcijfers verschoven naar een gerichte selectie- en wervingsaanpak gebaseerd op de gewenste competenties en de individuele kwaliteiten die iemand meebrengt. Ik steun deze ontwikkeling. In beginsel behoort de overheid als ook de politie namelijk te selecteren op objectieve geschiktheid, competenties, integriteit en het vermogen om het politiewerk professioneel uit te voeren. Afkomst, huidskleur of geloof vormen hierbij geen bewijs van geschiktheid en evenmin van ongeschiktheid. Toch kunnen taalvaardigheid, kennis van gemeenschappen en het vermogen om uiteenlopende burgers te begrijpen wel relevante competenties zijn, maar dan moeten deze competenties concreet worden aangetoond en voor de functie van doorslaggevende betekenis zijn. Ik heb uw Kamer regelmatig in diverse kamerbrieven als ook de jaarverantwoording politie geïnformeerd over de werkwijze van de politie en de daarbij geformuleerde doelstellingen.
Kunt u uitsluiten dat sollicitanten bij vacatures binnen de politie vanwege hun ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt een dergelijke werkwijze zich tot Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling, die onderscheid op grond van onder meer ras, afkomst en godsdienst in beginsel verbieden?
De politie werkt aan een diverse en inclusieve organisatie die herkenbaar is voor alle burgers in onze samenleving. Om de culturele diversiteit te bevorderen binnen de politie zijn diverse instroommaatregelen uitgewerkt. Zo zijn er in de arbeidsmarktstrategie van de politie niet alleen maatregelen genoemd om aantrekkelijk te zijn en blijven voor nieuw en zittend personeel, maar zijn er ook maatregelen opgenomen om specifieke (diverse) doelgroepen aan te spreken. Deze werkwijze is informeel getoetst bij het College voor de Rechten van de Mens (CvRM).
Het gaat hierbij onder meer om lokale voorlichting, de aanwezigheid op scholen en in wijken, het inzetten van politiemedewerkers als rolmodel, het toegankelijker en inclusiever formuleren van vacatures, begeleiding bij de oriëntatie op het politiewerk en de training van recruiters en selectiecommissies in een gestructureerde en objectieve beoordeling. Ook is er door de organisatie ingezet op samenwerking met onder meer gemeenten en Regionale Opleidingscentrums (ROC’s). Voor alle kandidaten gelden dezelfde geschiktheidseisen.
Is het juist dat in dezelfde beleidsstukken wordt gestreefd naar een structureel instroompercentage van 35 procent of meer voor cultureel diverse instroom binnen de vier eenheden in de Randstad en dat hiervoor het wervings- en selectieproces wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen zijn of waren onderdeel van deze aangepaste wervings- en selectieprocedure?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol speelt of speelde het Team Diverse Instroom precies binnen deze aangepaste wervings- en selectieprocedure?
Is het Team Diverse Instroom enkel adviserend, of beschikt of beschikte dit team over enige vorm van doorzettingsmacht, beslissingsbevoegdheid, instemmingsrecht of escalatiemogelijkheid richting vacaturehouders, recruiters, selectiecommissies of leidinggevenden?
Op welke momenten in de sollicitatieprocedure is of was het Team Diverse Instroom betrokken bij vacatureteksten, werving, voorselectie, gesprekken, beoordeling, voordracht, aanstelling of evaluatie?
Neemt of nam het Team Diverse Instroom actief deel aan selectiegesprekken, selectiecommissies of besluitvorming over kandidaten, of beperkt de rol zich tot zijdelings advies?
Welke instructies, richtlijnen, handreikingen of werkafspraken hebben recruiters, vacaturehouders en selectiecommissies ontvangen over het meewegen van culturele diversiteit, migratieachtergrond of etniciteit bij selectie?
Klopt het dat in eerdere documenten streefcijfers van 25 procent voor kandidaten met een migratieachtergrond werden gehanteerd voor de politie-instroom? Op welke wijze zijn deze streefcijfers gebruikt tijdens de selectie?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 2, 3 en 5.
Zijn deze streefcijfers ooit vertaald naar concrete targets per eenheid, team, recruiter, vacaturehouder, opleiding, functiecategorie of selectieprocedure?
De eenheden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Midden-Nederland hadden zich in de periode tussen 2020 en 2025 ten doel gesteld dat de instroom van aspiranten met een migratieachtergrond minimaal 35 procent bedraagt. Voor de overige eenheden lag dit streefpercentage tussen de 15 en 20 procent. Deze streefcijfers zijn niet concreet vertaald naar specifieke targets.
Hoeveel fte is of was werkzaam voor het Team Diverse Instroom, uitgesplitst per jaar sinds de oprichting?
De vorm, fte en middelen die worden besteed aan het Team Diverse Instroom verschillen per eenheid en worden niet als zodanig geregistreerd dat dit per jaar uitgesplitst kan worden.
Ter indicatie, er is landelijk ongeveer 17 fte werkzaam voor het Team Diverse Instroom. Dit team ondersteunt bij het werven en selecteren van divers talent en het binden van dit talent aan de politieorganisatie. Hiervoor is door de politieorganisatie budget vrijgemaakt in het kader van Politie voor Iedereen. De wijze van besteding van deze gelden is aan de eenheden zelf. De politie legt verantwoording af over haar gevoerde beleid in het jaarverslag politie.
Wat is of was het jaarlijkse budget van het Team Diverse Instroom, uitgesplitst naar personeelskosten, externe inhuur, campagnes, trainingen, onderzoeken, communicatie en overige kosten?
Zie antwoord vraag 14.
Welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn ingehuurd voor het Team Diverse Instroom of aanverwante programma’s, voor welke bedragen en met welke opdrachten?
Dit wordt niet als zodanig geregistreerd. Door de politieorganisatie is budget vrijgemaakt in het kader van Politie voor Iedereen. De wijze van besteding van deze gelden is aan de eenheden zelf. Voor zover er externe partijen zijn ingezet, betreft dit onder meer de ondersteuning bij arbeidsmarktcommunicatie, trainingen, onderzoek en het bereiken van specifieke doelgroepen. Hiervoor is geen apart budget vrijgemaakt door de politie.
Hoeveel vacatures, functies of opleidingsplaatsen zijn sinds de start van dit beleid ingevuld binnen programma’s gericht op diverse instroom?
Het Team Diverse Instroom richt zich op maatregelen om aantrekkelijk te zijn en blijven voor nieuw en zittend personeel, of maatregelen om specifieke (diverse) doelgroepen aan te spreken. Het team doet geen besluiten over de werving en selectie van individuele kandidaten. Er heeft dus ook geen vacature-invulling plaatsgevonden binnen de genoemde programma’s welke specifiek gericht zijn op diverse instroom.
Over de resultaten van de gehanteerde streefcijfers bij de initiële instroom in de basispolitieopleiding heb ik uw Kamer regelmatig geïnformeerd in de jaarverantwoording politie. Dit betreffen zowel absolute aantallen als een afgeleid percentage, uitgesplitst per eenheid. Voor het overige verwijs ik u naar de arbeidsmarktstrategie van de politie en het antwoord op vraag 6.
Hoeveel kandidaten zijn via het Team Diverse Instroom of daaraan verbonden activiteiten geworven, begeleid, voorgedragen, geselecteerd of aangenomen?
Zie antwoord vraag 17.
Wordt of werd geregistreerd welke sollicitanten een migratieachtergrond, culturele achtergrond of andere diversiteitskenmerken hebben? Zo ja, op welke grondslag, door wie, met welk doel en hoe lang worden deze gegevens bewaard?
Gegevens met betrekking tot de achtergrond van kandidaten worden verkregen via een vrijwillige uitvraag in het sollicitatieformulier naar het geboorteland van de kandidaat zelf en zijn of haar ouders. Naast deze uitvraag wordt in het intakegesprek gevraagd in hoeverre kandidaten kunnen omgaan met mensen met verschillende achtergronden en andere normen en waarden. De gegevens over de achtergrond van de kandidaten worden gebruikt voor statistische doeleinden, namelijk het monitoren van de werving- en selectiemaatregelen en de instroom van aspiranten. Deze monitoring vindt plaats tot het moment van aanstelling als aspirant. Ook wordt de informatie gebruikt voor specifieke interventies, zoals de werving met ambassadeurs in de wijk en interventies gericht op het behoud van kandidaten. De informatie wordt niet als zodanig opgenomen in het personeelsbestand van de politie. Deze werkwijze is informeel getoetst bij het College voor de Rechten van de Mens.
Heeft u of de politie vooraf juridisch laten toetsen of deze vorm van sturing verenigbaar is met het discriminatieverbod? Zo ja, wilt u deze adviezen openbaar maken?
Zie antwoord vraag 19.
Zijn er klachten, bezwaarprocedures, meldingen of interne signalen geweest van sollicitanten of medewerkers die menen dat zij door dit beleid zijn benadeeld? Zo ja, hoeveel en wat is daarmee gedaan?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat er geen officiële klachten of meldingen van deze strekking zijn ontvangen met betrekking tot het diverse instroombeleid van haar organisatie.
Deelt u de opvatting dat de overheid altijd primair op objectieve competenties behoort te selecteren en dat afkomst, etniciteit, ras, huidskleur of geloof geen rol mag spelen bij de uiteindelijke aanstelling?
De overheid als ook de politie behoort primair te selecteren op objectieve geschiktheid, competenties, integriteit en het vermogen om het politiewerk professioneel uit te voeren. Afkomst, huidskleur of geloof vormen geen bewijs van geschiktheid en evenmin van ongeschiktheid. Taalvaardigheid, kennis van gemeenschappen en het vermogen om uiteenlopende burgers te begrijpen kunnen wel relevante competenties zijn, maar dan moeten deze competenties concreet worden aangetoond en voor de functie van doorslaggevende betekenis zijn.
Bent u bereid alle beleidsstukken, instructies, interne werkinstructies, juridische adviezen, evaluaties, budgetoverzichten en rapportages van het Team Diverse Instroom en vergelijkbare programma’s aan de Kamer te sturen?
Het past mij niet om deze (interne) stukken met uw Kamer te delen. Over deze onderwerpen wordt regelmatig verantwoording afgelegd in de Kamerbrieven, de jaarverantwoording politie en in de antwoorden op Kamervragen.
Zijn er momenteel binnen de rijksoverheid, politie of andere uitvoeringsorganisaties vergelijkbare programma’s waarbij actief wordt gestuurd op afkomst, etniciteit, migratieachtergrond of culturele achtergrond van sollicitanten? Zo ja, welke, en kunt u ook daarvan de beleidsstukken, instructies, interne werkinstructies, juridische adviezen, budgetten en evaluaties delen?
Binnen de Rijksoverheid bestaan programma's die zijn gericht op gelijke kansen, inclusieve werving en het bereiken van groepen die in bepaalde functies minder vertegenwoordigd zijn. Net als bij de Rijksoverheid hanteren de uitvoerings- en sui generis organisaties één diversiteitsquotum, zoals wettelijk is vastgelegd voor alle overheidsinstanties, te weten het quotum vanuit de Wet Banenafspraak. Daarnaast sluiten de genoemde organisaties zich aan bij de doelstellingen van de Rijksoverheid, waarover via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk wordt gerapporteerd. Monitoring vindt plaats via de jaarplancyclus.
Het beleid en de ambities op het terrein van diversiteit, inclusiviteit en gelijkwaardigheid van de Rijksoverheid geldt voor alle uitvoerings- en sui generis organisaties. Hiernaast wordt gebruik gemaakt van specifieke instrumenten om het effect van de beleidsmaatregelen in kaart te brengen, zoals een Medewerkers Onderzoek (MO). In deze onderzoeken worden onder meer vragen gesteld met betrekking tot de beleving van inclusie, sociale veiligheid en omgangsvormen.
Bent u bereid dit beleid onmiddellijk op te schorten?
Ik zie geen aanleiding om het beleid voor bredere werving en gelijke kansen onmiddellijk op te schorten. Een diverse en inclusieve politie vergroot de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de samenleving.
Leerlingenvervoer als randvoorwaarde voor toegang tot onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer niet primair een logistiek vraagstuk is, maar in essentie een randvoorwaarde is voor toegang tot onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de regie over het leerlingenvervoer naar u toe te trekken?
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen, toch naar school kunnen. Iedere gemeente beslist welke leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening en hoe dat kan worden georganiseerd. Dat kan zijn (begeleid) reizen via het openbaar vervoer, per fiets, een voorziening in de kosten die ouders zelf maken of aangepast vervoer. We zijn van mening dat het passend is dat deze beslissingen op lokaal niveau genomen worden. Gemeenten zijn immers vertrouwd met de lokale situatie en hebben al contacten met plaatselijke samenwerkingsverbanden en scholen.
Het Ministerie van OCW ontvangt verschillende signalen over knelpunten in de uitvoering van het leerlingenvervoer – vanuit het werkveld – en heeft daarom regie genomen om, samen met onder andere Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouders en Onderwijs, LBVSO en sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs (GO), tot een werkagenda leerlingenvervoer te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. OCW werkt daarnaast samen met VWS aan het verbeteren van het doelgroepenvervoer, waar leerlingenvervoer onder valt. Zo nam OCW deel aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer en wordt er met VWS en I&W samengewerkt op het gebied van publieke mobiliteit.
Kunt u schetsen wat er de afgelopen jaren is gedaan om de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer aan te pakken? Is het aanpassen van de normbedragen voldoende om de problemen te lijf te gaan, zeker in relatie tot de stijgende kosten voor brandstof?
Op 19 november 2025 is overleg gevoerd met Ouders & Onderwijs, LBVSO, VGN en Sectorraad GO over het leerlingenvervoer. Het doel van dit gesprek was om samen te bezien wat er in het onderwijsdomein gedaan kan worden om de uitvoering van het leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpakken doelgroepenvervoer (onder regie van het Ministerie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W). In de komende maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen. Conform toezegging zal ik de Kamer voor het herfstreces informeren over de voortgang van de werkagenda en de thema’s waar deze zich op richt.1
Is uw verwachting dat bij de start van schooljaar 2026–2027 grote problemen zullen uitblijven? Zo nee, bent u hierover met gemeenten en scholen in gesprek?
Aan het begin van een nieuw schooljaar verandert er vaak veel voor leerlingen, de scholen en de vervoerders. Voor leerlingen en ouders kunnen de school, het vervoer en ook de route nieuw zijn. Ook vervoerders kunnen te maken krijgen met nieuwe contracten en/of nieuwe routes. Dat geeft soms opstartproblemen en dat willen we allemaal zo veel mogelijk voorkomen. Het is aan gemeenten, vervoerders en het onderwijs om daar samen goede afspraken over te maken.
Het Ministerie van OCW heeft korte lijnen met gemeenten – ook via de VNG – en vervoerders. Op dit moment zijn de gesprekken die we met hen voeren voornamelijk in het kader van de werkagenda. Met de werkagenda hopen we samen stappen te zetten in het duurzaam verbeteren van het leerlingenvervoer. Over de concrete invulling van de werkagenda wordt u voor het herfstreces geïnformeerd in de hierboven genoemde Kamerbrief.
Wat is er gedaan met de opmerkingen van uw ambtsvoorganger die in 2022 het «onacceptabel» noemde dat veel gemeenten de reistijd niet bijhouden? Gebeurt dat inmiddels wel? Zo ja, is de reistijd inmiddels gehalveerd zoals uw ambtsvoorganger wilde bewerkstelligen?
Het is zorgelijk dat er momenteel geen goed inzicht is in de staat van het leerlingenvervoer. Daarom willen we met de werkagenda ook de monitoring van het leerlingenvervoer verbeteren. Een van de doelstellingen van de werkagenda leerlingenvervoer is om meer inzicht te krijgen in de gemiddelde reistijd van leerlingen. We bereiken dit onder andere door een inventarisatie van de beschikbare cijfers rondom het leerlingenvervoer. Daarnaast heeft OCW Oberon verzocht om in Q3 2026 bij gemeenten een landelijke monitor leerlingenvervoer uit te vragen – deze meting is in 2022 en 2024 ook uitgevoerd. Uit de monitor van 2024 kwam naar voren dat 49% van de 210 gemeenten weet hoelang leerlingen gemiddeld onderweg zijn. Dit is gemiddeld 50 minuten.2
Klopt het dat voor leerlingenvervoer niet dezelfde regels gelden als voor bijvoorbeeld lijnbussen en taxi’s, waardoor leerlingen die naar school moeten in de file terecht kunnen komen terwijl een taxi wél door kan rijden?
Reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer kunnen door files langer onderweg zijn naar werk, afspraken of dagbesteding. Leerlingen die met het aangepaste vervoer naar school reizen kunnen, net als andere reizigers, ook in deze files terecht komen.
Rijkswaterstaat geeft aan dat zowel taxi’s als vervoerders binnen het doelgroepenvervoer geen aparte wettelijke status voor de te gebruiken plek op de weg en te gebruiken wegdelen hebben. Wel hebben wegbeheerders mogelijkheden om breder gebruik van busbanen en busstroken toe te staan indien zij dat nodig en verantwoord achten in de specifieke situatie ter plekke, zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het technisch en juridisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, waardoor deze wel gebruik mogen maken van een lijnbusbaan, zodat zij zo kort mogelijk in het vervoersmiddel zitten? Zo ja, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan bij de rijksoverheid, provincie of gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is juridisch en technisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, maar het is onwenselijk om een situatie te creëren waarin te veel doelgroepen een voorrangspositie krijgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Wel geeft Rijkswaterstaat aan dat wegbeheerders bepaalde ge- of verbodsborden specifiek wel of niet kunnen laten gelden voor bepaalde soorten weggebruikers (door middel van een onderbord). Ook kunnen wegbeheerders op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ontheffing verlenen aan bepaalde soorten weggebruikers voor bepaalde verkeerstekens en verkeersregels, waaronder die met betrekking tot gebruik van busbanen en busstroken (RVV 1990, artikel 81). Hierdoor kunnen wegbeheerders maatwerk leveren, rekening houdend met de situatie ter plekke. De wegbeheerders kunnen hierbij verschillende belangen afwegen, zoals de verkeersveiligheid en doorstroming van zowel het leerlingenvoer als het overige verkeer.
Wat heeft de campagne «Sleur? Word chauffeur!» destijds opgeleverd? Zijn er momenteel campagnes of acties ingezet om meer chauffeurs te werven voor doelgroepenvervoer?
De campagne «Sleur? Word chauffeur!» is een initiatief dat in september 2022 gestart is door het Sociaal Fonds Mobiliteit. Vanwege het succes van de campagne in het bereiken van potentiële sollicitanten loopt deze nog door tot in ieder geval september 2027, onder de naam: «Stuur met je hart». Vanaf het begin van de campagne tot en met mei 2026 waren er ruim 11.000 contactmomenten.3
Het doel voor afgelopen schooljaar was 3000 sollicitanten. Dit werd ruim behaald. Voor dit nieuwe schooljaar (september 2026-september 2027) is het doel 3300 sollicitanten. Zover bij ons bekend lopen er daarnaast geen andere campagnes om meer chauffeurs te werven.
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Ja.
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Het kabinet is, vanwege de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, en de faciliterende rol die Belarus daarbij speelt, tegen deelname van Russische en Belarusische sporters onder nationale vlag of met nationale symbolen aan internationale sportwedstrijden. Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.1
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Het kabinet deelt de zorgen dat deelname door Russische en Belarusische sporters aan internationale sportwedstrijden zorgt voor een vermindering van de internationale isolatie van Rusland en de solidariteit met Oekraïne kan verzwakken. Tegelijkertijd is het IOC een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet handelt daarom binnen de beschikbare mogelijkheden.
Vorige maand heeft het kabinet op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-Commissaris. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Aanleiding voor de brief was dat meerdere internationale sportfederaties atleten uit Rusland en Belarus weer volledig toelaten tot sportevenementen, dus onder eigen vlag en nationale symbolen. In de brief wordt benadrukt dat Rusland en Belarus internationale sport nog steeds gebruiken voor politieke doeleinden, dat Oekraïense sporters door de oorlog niet onder gelijke omstandigheden kunnen trainen en deelnemen, en dat sport niet los kan worden gezien van politiek wanneer het door Russische en Belarusische regimes wordt ingezet. De brief benadrukt verder dat de Russische agressieoorlog een ernstige schending is van het internationaal recht en van fundamentele waarden van de internationale sport.
De EU-commissaris wordt in de brief verzocht om aanvullende stappen te nemen door EU-financiering en toegang tot EU-platforms op te schorten voor sportorganisaties, zoals het IOC, die niet handelen in lijn met principes als respect voor mensenrechten, de rechtsstaat en vreedzame betrekkingen tussen landen.
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Het kabinet deelt de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie in sportieve en niet-sportieve fora. Het kabinet ziet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Zolang Rusland deze agressieoorlog, mede gefaciliteerd door Belarus, doorzet, zal het kabinet alles binnen de beschikbare mogelijkheden doen om normalisatie van Rusland en Belarus in internationale sportevenementen tegen te gaan.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft het kabinet uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.2 Deze precisering kwam voort uit de recente ontwikkelingen waarin meerdere internationale sportfederaties en sportorganisaties de schorsing opheffen van Rusland en/of Belarus. Door het opheffen van deze schorsing bieden zij atleten en sportteams uit beide landen weer de mogelijkheid volledig – onder eigen vlag en nationale symbolen – deel te nemen aan internationale sportevenementen, ook in Nederland.
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag en nationale symbolen onwenselijk en zal binnen de beschikbare mogelijkheden al het mogelijke doen om deelname te voorkomen; dat geldt voor nationale sporters, landenteams en clubteams uit beide landen.
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit3 van het IOC van 7 juli jl. waardoor zowel individuele atleten als teams uit Rusland weer onder voorwaarden kunnen deelnemen aan de Olympische en Paralympische Spelen. Het IOC maakt op een later tijdstip bekend of dit besluit betekent dat atleten en sportteams uit Rusland onder eigen nationale symbolen – zoals een vlag en volkslied – mogen deelnemen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat er op de Olympische Zomerspelen van 2024 in Parijs en de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan-Cortina al Russische individuele atleten deelnamen, zij het onder strikte voorwaarden. Met dit recente besluit van het IOC lijken de meeste restricties opgeheven. De weg is hiermee vrij voor deelname van (landen)-teams.
Het IOC geeft verder aan dat Rusland pas volledig kan terugkeren wanneer er voldaan wordt aan strikte anti-dopingvoorwaarden, in het bijzonder de voorschriften die zijn vastgelegd in de antidopingregels van het IOC en de internationale sportfederaties (IF's), evenals de door het World Anti-Doping Agency (WADA) vastgestelde richtlijnen.
Daarnaast moeten Russische atleten deel uitmaken van een nationaal antidopingprogramma van de Russische anti-dopingorganisatie RUSADA en het Russisch Olympisch Comité (ROC), waarvan de uitvoering is gedelegeerd aan de International Testing Agency (ITA). Verder moeten atleten die terugkeren naar de internationale sport vooraf meerdere keren zijn getest op basis van een risicoanalyse. De internationale sportfederaties (IF's) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de periode waarbinnen deze controles moeten hebben plaatsgevonden en stellen, in samenwerking met de ITA, een passend testprogramma op, inclusief het vereiste aantal controles en de termijn waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd.
Indien het World Anti-Doping Agency (WADA) voorafgaand aan de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 het functioneren van RUSADA nog steeds als niet-conform de daartoe gestelde regels en richtlijnen beschouwt, zal het IOC de ITA opdragen erop toe te zien dat alle gekwalificeerde Russische atleten onafhankelijk zijn getest volgens dezelfde werkwijze.
Het IOC is een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet heeft geen direct zicht op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden.
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinetsstandpunt, zoals omschreven onder het antwoord op vraag 4, is gedeeld met de Nederlandse sportbonden tijdens een bijeenkomst op 1 juli jl. met bondsdirecteuren. Tijdens deze bijeenkomst is stilgestaan bij wat het kabinetsstandpunt inhoudt enerzijds, en anderzijds hoe nationale sportbonden verplicht zijn om de regels te volgen van internationale sportfederaties, ook als zij Rusland weer volledig toelaten onder eigen nationale symbolen, en wat dit voor hen betekent.
Het kabinet is zich bewust van de praktische implicaties dat het kabinetsstandpunt met zich meebrengt. Immers, wanneer een nationale sportbond een EK of WK wil organiseren in Nederland is het verplicht de regels te volgen van de internationale sportfederatie waar zij aangesloten zijn. Ook als dat betekent dat Russische en/of Belarusische sporters worden toegelaten. Tegelijkertijd staat het nationale sportbonden vrij om hierover in overleg te treden met de betreffende internationale sportfederatie en te zoeken naar een passende oplossing.
Het kabinet erkent dat internationale sportfederaties autonoom zijn in de keuze om Russische en Belarusische sporters uit te nodigen voor internationale sportevenementen, ook voor evenementen in Nederland. Tegelijkertijd vindt het kabinet het onwenselijk dat atleten en sportteams uit deze landen onder eigen vlag en nationale symbolen meedoen aan sportevenementen in Nederland vanwege de voortdurende Russische agressie-oorlog tegen Oekraïne en facilitering door Belarus. Het kabinet doet daarom alles binnen de beschikbare mogelijkheden om deelname te voorkomen en blijft hierover in gesprek met NOC*NSF en de sportbonden.
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag, het volkslied en andere nationale symbolen onwenselijk.
Het kabinet acht het van belang dit standpunt actief uit te dragen en is hier actief over in gesprek met gelijkgezinde Europese landen en heeft dit onderwerp al geagendeerd in passende EU-gremia. Zo heeft het kabinet vorige maand op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-commissaris, zie ook de beantwoording van vraag 3. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Het doel is te komen tot een gezamenlijke Europese lijn ten aanzien van het voorkomen van deelname van Russische en Belarusische atleten aan internationale sportcompetities onder eigen nationale symbolen. Het kabinet zal relevante ontwikkelingen delen met de Kamer middels de geannoteerde agenda en het verslag van Europese bijeenkomsten.
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het artikel van Omrop Fryslân: Honderden meldingen over gezondheidsproblemen bij Friese paarden: «Mensen beseffen niet hoe ernstig het is»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering dat een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard ontbreekt, doordat melding van sterfgevallen bij het Koninklijk Friesch Paarden-Stamboek (KFPS) niet verplicht is?
Ik vind het belangrijk dat gezonde dieren worden gefokt. Hierbij is samenwerking in de keten essentieel en dient elke partij haar verantwoordelijkheid te nemen. Waar de overheid zich inzet voor de borging van de juiste randvoorwaarden voor behoud van dierlijke genetische bronnen, ligt het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging, zoals KFPS.
Het KFPS stelt de foktechnische richtlijnen op voor het Friese paard in een fokprogramma volgens de Fokkerijverordening.2 Hierbij merk ik op dat een meldpunt voor sterfgevallen geen verplichting is uit de Fokkerijverordening.
Het KFPS moet aan de Fokkerijverordening voldoen en geeft daaraan uitvoering in zijn reglementen. Het is aan het stamboek om een fokprogramma op te stellen dat voldoet aan eisen van de Fokkerijverordening. Dit wordt beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Het KFPS biedt momenteel de mogelijkheid aan paardenhouders om te melden als er een probleem met het veulen of paard is. Dit is echter niet verplicht waardoor niet met zekerheid vast te stellen is of het KFPS op de hoogte is van alle afwijkingen binnen de totale populatie. Een volledig beeld van de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen bij het Friese paard kan bovendien niet worden verkregen op basis van meldingen van sterfgevallen alleen, want niet alle erfelijke gezondheidsproblemen zullen leiden tot sterfte.
Het KFPS is in samenwerking met Wageningen University en Research (WUR) bezig met het uitbreiden van een database met DNA-informatie en status van erfelijke gebreken voor het maken van een genetisch management plan. Dit plan heeft als doel selectie van fokdieren ter voorkoming van erfelijke gebreken, nieuwe gebreken voorkomen en tegelijkertijd de genetische diversiteit behouden. Ten slotte constateer ik dat er ook private initiatieven op dit vlak zijn ingericht. Een voorbeeld hiervan is het Meldpunt Gebreken Friese paard.3
Is er op dit moment enige wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokdieren te registreren en te melden bij een toezichthoudende instantie? Zo nee, ziet u aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren, gelet op het belang van diergezondheid en dierenwelzijn?
Er geldt op dit moment geen wettelijke verplichting voor stamboekorganisaties zoals het KFPS om sterfgevallen, doodsoorzaken en erfelijke aandoeningen bij fokprogramma’s te registreren of te melden bij de toezichthouders. De Europese regelgeving schrijft dit ook niet voor. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een dergelijke meldplicht in te voeren. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van rassen en fokpopulaties, door actief gebruik, bij fokkers en sectorvertegenwoordiging zoals KFPS en zie ik verscheidene private initiatieven om de situatie te verbeteren.
In hoeverre vindt er op dit moment toezicht plaats op stamboekorganisaties als het KFPS als het gaat om de gevolgen van fokkerijbeleid voor de gezondheid van het ras? Welke instantie is hiervoor verantwoordelijk?
Het toezicht op stamboekorganisaties is belegd bij RVO. RVO beoordeelt of stamboeken voldoen aan de regels voor de erkenning van stamboekverenigingen, zoals beschreven in artikel 4 van de Fokkerijverordening. Daarnaast beoordeelt RVO een of meer fokprogramma's die door het stamboek zijn ingediend, zoals beschreven in artikel 8 van de Fokkerijverordening. RVO voert de administratieve controles op deze voorschriften uit, RVO kan hiertoe aanvullend een controle ter plaatse uitzetten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In de Fokkerijverordening zijn geen concrete normen vastgesteld welke fokkerij wel en niet is toegestaan. Er staat geen verbod op fokken met dieren met een genetisch defect. De verordening geeft juist aan dat genetische defecten in het fokprogramma worden vermeld in relatie tot het ras en de raszuivere fokdieren en het fokbeleid. Dit met het oog op fok- en selectiedoelen en voorkómen van verlies aan genetische diversiteit. Uitsluiten van fokdieren met een genetisch defect kan ook zorgen voor ongewenst verlies aan genetische diversiteit in de populatie. Met fok- en selectiedoelen moet worden voorkomen dat de populatie genetische diversiteit verliest.
Erkent u het risico dat een gesloten stamboek, waarbij uitsluitend gefokt mag worden met dieren van hetzelfde ras, op termijn kan leiden tot een te smalle genetische basis en een verhoogde kans op erfelijke aandoeningen? Welke rol ziet u hierbij voor uzelf of voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en/of de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Hier is geen eenduidig antwoord op te geven omdat dit afhankelijk is van de grootte van de populatie, met hoeveel dieren hiervan actief wordt gefokt, en het fokbeleid dat wordt toegepast. Denk hierbij aan DNA testen, genomische selectie, dekbeperkingen etc. Veel stamboeken fokken uitsluitend met dieren van hetzelfde ras. Dit hoeft geen problemen met zich mee te brengen, maar dit is uiteraard afhankelijk van het gevoerde fokbeleid, de aandacht daarin voor inteeltbeperking en het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken.
In het algemeen onderstreep ik dat genetische diversiteit essentieel is voor een veerkrachtige en duurzame dierhouderij en voor duurzaam beheer en behoud van dierpopulaties. Nederland is immers gecommitteerd aan mondiale en EU-verplichtingen met betrekking tot behoud en duurzaam gebruik van dierlijke genetische bronnen, in het bijzonder de Convention on Biological Diversity, het FAO-actieplan voor dierlijke genetische bronnen, de Fokkerijverordening en de Diergezondheidswetgeving.4
Daarom is er een complementair systeem voor het behoud van dierlijke genetische bronnen, dat bestaat uit «in situ» en «ex situ» behoud. In situ behoud betreft de instandhouding en het beheer van fokpopulaties, rassen of selectielijnen van landbouwhuisdieren. Nederlandse fokkerijbedrijven en stamboeken zijn wereldwijd leidend en exporteren hoogwaardige genetica. Hier is de verantwoordelijkheid van partijen zoals KFPS leidend. Het ex situ behoud is voor een belangrijk deel belegd bij de nationale genenbankcollectie van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN). Het CGN beheert de nationale ex situ genenbankcollectie voor landbouwhuisdieren.
Voor de rol van RVO en NVWA in het toezicht verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de zorg van de geïnterviewde dierenarts dat het ontbreken van goede, centrale data onderzoekers en fokkers belemmert om patronen in erfelijke aandoeningen te herkennen en daarmee gerichte fokmaatregelen te nemen? Welke mogelijkheden ziet u om deze dataverzameling te verbeteren of te verplichten?
Ik deel de zorg niet aangezien er verscheidene private initiatieven door KFPS zijn en worden ontplooid om de nodige data te verzamelen en gezonde fok te bevorderen. Hieronder licht ik de voornaamste initiatieven op dit vlak toe.
Ik zie dat het KFPS diverse initiatieven heeft ontplooid om beter zicht te krijgen op het voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke raskenmerken binnen het ras en fokkers te ondersteunen bij de keuze van een hengst en een merrie om inteelttoename te voorkomen en de kans op erfelijke aandoeningen terug te brengen.
Het KFPS biedt bij haar aangesloten fokkers de mogelijkheid om inteeltberekeningen/proefparingen te doen voordat tot dekking wordt overgegaan.
Daarnaast loopt bij het KFPS het project Behoud van Friese Paard 2023–2027, waarbij ook een enquête is gehouden. Onderdelen van het project zijn een Genetisch Management Plan Selectie tegen erfelijke gebreken, het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken en het behoud van genetische diversiteit.
Binnen dit project wordt onderzocht hoe de genetische diversiteit binnen het Friese ras is verdeeld. Onderdeel hiervan is dat sinds 2023 bij alle veulens haarmonsters worden afgenomen en het DNA in kaart wordt gebracht met als doel een rasspecifiek referentiegenoom te ontwikkelen en verborgen letale mutaties te detecteren.
Bovenstaande zal leiden tot een genetisch management plan waarvan selectie tegen erfelijke gebreken en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe gebreken het doel is met behoud van genetische diversiteit.
Verder loopt er op dit moment een publiek-private samenwerking waarbij WUR, Koepel Fokkerij, KFPS en het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) betrokken zijn getiteld «Behouden paard». De focus hiervan ligt op het verbreden van toepassing van sleuteltechnologie genomics in het fokprogramma van grote en kleine paarden- en ponystamboeken waaronder het KFPS, ter bevordering van welzijn en gezondheid (onder andere door het voorkomen van inteelt en erfelijke gebreken) bij paardachtigen.
Daarnaast is het relevant om te vermelden dat het KFPS in 2003 is overgegaan tot het instellen van dekbeperkingen en de publicatie van verwantschapspercentages.
Verder heeft het KFPS in 2021 het fokdoel aangepast en expliciet verwoord dat de gezondheid van het Friese Paard voorop staat. Onderdeel hiervan is de ambitie het verder laten dalen van de inteelt coëfficiënt naar maximaal 0,5%, waar de FAO een maximum van 1% adviseert.
Bestaan er voor het Friese paard, net als voor sommige andere paardenrassen of gezelschapsdieren, al verplichte genetische tests voorafgaand aan de goedkeuring van fokhengsten? Zo ja, welke aandoeningen worden hierbij getest en acht u dit pakket toereikend in het licht van de signalen uit dit onderzoek?
Onderdeel van het goedkeuringsproces van dekhengsten bij KFPS is onder meer het verrichten van genetische tests op verscheidene aandoeningen, te weten: dwerggroei, waterhoofd en cornage. Daarnaast is een uitgebreid medisch en verrichtingsonderzoek onderdeel van het keuringsproces van een potentiële dekhengst.5
Ik verwacht dan ook van KFPS dat het op basis van deze processen dekhengsten indien nodig uitsluit voor de fokkerij.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het KFPS over het instellen van een verplicht, centraal en openbaar meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen bij Friese paarden, zoals door zowel de oud-fokker als de dierenarts wordt bepleit?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 2, een meldpunt voor sterfgevallen en erfelijke aandoeningen is op grond van de Fokkerijverordening niet verplicht. In dit kader ben ik ook niet bereid verder te gaan dan wat de Europese regelgeving vereist. Ik ben van mening dat elke partij in de keten haar verantwoordelijkheid dient te nemen om de gezondheid van Friese paarden te waarborgen.
Bent u bereid om, eventueel in samenwerking met de Faculteit Diergeneeskunde of andere onafhankelijke experts, onderzoek te laten doen naar de omvang van erfelijke gezondheidsproblemen binnen het Friese paardenras en de rol die de fokkerijstructuur daarbij speelt?
Aangezien de verantwoordelijkheid van het fokken van gezonde paarden primair bij de fokker belegd is, wil ik u verwijzen naar de initiatieven die het KFPS heeft opgestart (zie mijn antwoord op vraag 6).
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van bovenstaande vragen en eventuele vervolgstappen?
Ik verwijs u naar de beantwoording op deze vragen.
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Ja, wij zijn bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: Prioriteit bij natuurbeheer».
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Staatsbosbeheer (hierna: SBB) is voornemens te stoppen met het huidige concept en de eigen exploitatie van de zeven buitencentra. Het definitieve besluit hierover volgt na advies van de ondernemingsraad van SBB, uiterlijk op 1 oktober 2026. De beoogde sluitingsdatum voor de winkels en exploitatie is vastgesteld op 1 januari 2027. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen zonder meer worden gesloten. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke situatie, lopende contracten en bestaande samenwerkingsafspraken. De toekomstige invulling en het moment waarop de huidige exploitatie eindigt, verschillen daardoor per locatie. Voor de zeven gebouwen geldt daarom geen uniforme fasering. Er is wel sprake van één eerdere fasering: buitencentrum Almeerderhout is vanwege het vertrek van de horeca en teruglopende bezoekersaantallen vroegtijdig gesloten op 26 juli 2026.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (jonge) bezoekers en lokale en regionale economie rond natuurgebieden. Echter, vanwege de structurele en financiële tekorten en noodzaak om prioriteit te geven aan wettelijke kerntaken, wil SBB zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra in zijn huidige vorm beëindigen. Om de educatieve waarde te behouden, blijft SBB publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Wij erkennen de maatschappelijke waarde van natuur, maar wijzen erop dat domein-overschrijdende baten, zoals gezondheid en recreatie, een gedeelde financiële verantwoordelijkheid is met decentrale overheden en private partijen. Vanwege wettelijke prioriteiten van SBB voor natuurbeheer, biodiversiteit en Natura2000, moeten maatschappelijke voorzieningen zoals bezoekerscentra zelfvoorzienend worden of via regionale partners worden gefinancierd.
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
We ervaren wat ongemak dat met de sluiting van alle bezoekerscentra de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en -voorlichting kan verdwijnen voor een breed publiek. Maar aangezien de gratis toegankelijkheid van natuurgebieden behouden blijft en natuureducatie via digitale middelen en samenwerkingen wordt voortgezet door SBB, zijn wij niet van mening dat de maatschappelijke waarde van natuurgebieden wordt ondermijnd door dit voorgenomen besluit van SBB. Daarnaast gaat het om zeven locaties, terwijl SBB op vele andere plekken zonder bezoekerscentrum de maatschappelijke waarde op dit moment ook al in stand houdt. Per locatie onderzoekt SBB in overleg met betrokken partners en de omgeving welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Het stopzetten in 2014 van de structurele bijdrage vanuit het Rijk voor het in stand houden van de bezoekerscentra van SBB was het gevolg van het Natuurpact uit 2013, waarmee het Rijk het natuurbeleid en de bijbehorende budgetten decentraliseerde naar de provincies. Door deze stelselherziening en gelijktijdige Rijksbezuinigingen werd de Rijksbijdrage voor SBB beperkt tot zijn wettelijke kerntaak van natuurbeheer. Recreatieve en educatieve publieksvoorzieningen, zoals de bezoekerscentra, moesten vanaf dat moment een regionale verantwoordelijkheid worden of commercieel zelfvoorzienend worden geëxploiteerd via winkels, horeca en lokale partners.
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Omdat de budgetten uit de LVVN-begroting en het Programma Natuur wettelijk geoormerkt zijn voor natuurherstel en -beheer en niet voor publieksvoorzieningen, zijn wij niet bereid de Rijksbijdrage aan SBB op te hogen voor de buitencentra van SBB. Onze focus ligt in plaats daarvan op het ondersteunen van SBB bij de overdracht van de locaties aan lokale overheden en marktpartijen, aangezien de verantwoordelijkheid voor natuurrecreatie en -educatie sinds 2014 bestuurlijk bij de provincies ligt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Ja, wij zijn hiertoe bereid en zullen de Tweede Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomst van de ondernemingsraadprocedure en het definitieve besluit van SBB. Wij zullen hierbij een (beleidsmatige) appreciatie geven, maar benadrukken dat SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze informatievoorziening zal plaatsvinden ruim vóór de geplande sluitingsdatum van 1 januari 2027, zodat de Kamer de mogelijkheid behoudt om tijdig te debatteren voordat er onomkeerbare stappen worden gezet.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Ja, wij delen de opvatting dat direct contact met de natuur essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak. De toegankelijkheid van natuurgebieden is voor het Kabinet van groot belang en we zullen daarom de factor «publieksbereik» breed betrekken bij de evaluatie van Natura2000-doelen conform coalitieakkoord. Wij benadrukken echter dat het verdwijnen van fysieke bezoekerscentra het draagvlak niet hoeft te ondermijnen, omdat SBB burgers blijft bereiken via digitale platforms, scholen en gebiedsinformatie en dit draagvlak creëert in veel andere gebieden zonder bezoekerscentrum. De expliciete opname van dit punt in de evaluatie zal dan ook niet leiden tot herfinanciering door het Rijk, aangezien de exploitatie van de gebouwen een regionale of commerciële verantwoordelijkheid blijft.
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
Het financiële verschil tussen reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden (de zoneringsaanpak) en publieksvoorlichting en natuureducatie (o.a. via de bezoekerscentra) vloeit voort uit een strikt wettelijk onderscheid, waarbij de grote budgetten juridisch geoormerkt zijn voor dwingende Europese verplichtingen rond stikstofreductie en natuurherstel om economische blokkades te voorkomen. Het Rijk houdt vast aan het standpunt dat de exploitatie van bezoekerscentra sinds de decentralisatie van 2014 een provinciale en commerciële verantwoordelijkheid is, die niet gefinancierd kan worden uit budgetten voor natuurherstel en natuurbeheer. Wij zijn daarom van mening dat zoneringsmiddelen niet kunnen worden ingezet voor publieksfuncties zoals bezoekerscentra.
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht dat gokbedrijven Meta voor de rechter slepen vanwege advertenties voor illegale goksites |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Gokbedrijven slepen Meta voor rechter vanwege advertenties illegale goksites»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse consumenten via socialemediaplatforms nog steeds worden geconfronteerd met advertenties voor illegale onlinegoksites, ondanks bestaande wet- en regelgeving en het toezicht van de Kansspelautoriteit?
Ik vind het zorgelijk dat Nederlanders advertenties van illegale online gokaanbieders te zien krijgen. Het is verboden om reclame voor niet vergunde kansspelaanbieders te maken. Illegale aanbieders houden zich niet aan de regels voor reclame voor online kansspelen en zij richten zich juist ook op kwetsbare groepen. Dit is in het bijzonder verontrustend omdat bij illegaal gokken geen sprake is van bescherming, bewustwording en doorgeleiding naar hulp en zorg. Gokschade bij illegaal aanbod is naar verwachting groter dan bij legaal aanbod.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Straatman van 28 januari 2026, ontvangt de Kansspelautoriteit (Ksa) voortdurend meldingen over illegale reclames op socialemediaplatforms en spoort zij ook zelf illegale reclames op.2 Bij geconstateerde overtredingen meldt de Ksa dit bij de betreffende socialemediabedrijven. Zo heeft de Ksa in april van dit jaar ruim 4.600 illegale advertenties gemeld bij Meta en gaven zij recentelijk aan in mei ruim 26.000 meldingen te hebben gedaan.3 Het grote aantal en de korte omlooptijd van deze advertenties leiden ertoe dat een aanpak die voornamelijk berust op het achteraf melden en verwijderen van afzonderlijke advertenties onvoldoende schaalbaar en bestendig is. Dit benadrukt de noodzaak om niet alleen de advertenties, maar ook de achterliggende aanbieders en de infrastructuur die zij gebruiken aan te pakken. Ik verwijs u in dit kader ook naar de voortgangsrapportage van de Kansspelautoriteit over de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, die als bijlage bij mijn brief van 12 juni 2026 aan uw Kamer is aangeboden.4 Daarin wordt de voortgang beschreven op de onderdelen marketing, betalingsverkeer, internet en spelaanbieders.
Hoe verhoudt het bestaan van grootschalige advertenties voor illegale goksites zich tot de effectiviteit van het verbod op ongerichte reclame en de mate waarin consumenten – waaronder jongvolwassenen – worden geconfronteerd met gokreclame?
Het bestaan van illegale gokreclame doet niet af aan het effect van het verbod op ongerichte reclame voor vergunde aanbieders van online kansspelen. Zoals eerder vermeld in mijn brief van 12 juni, is het effect van het verbod op ongerichte reclame (Besluit orka) dat ongerichte reclame voor online gokken is verdwenen van televisie, radio en uit het straatbeeld. Ook het aantal reclames op internet is sterk gedaald.5 Desondanks zien nog steeds veel mensen, waaronder jongvolwassenen, reclame voor online gokken, ook als zij hier niet naar op zoek zijn. Uit de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand uit 2024 blijkt dat de huidige wettelijke beperkingen onvoldoende zijn om bestaande spelers, met name jongvolwassenen en andere kwetsbare spelers, tegen de aanzuigende werking van kansspelreclame te beschermen.6 Daarom kies ik ervoor om reclame voor online kansspelen te verbieden. Dit is in lijn met het coalitieakkoord en de door uw Kamer aangenomen motie van Van Nispen c.s.7
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige handhavingsinstrumenten van de Kansspelautoriteit toereikend zijn om advertenties voor illegale onlinekansspelen effectief te bestrijden op grote onlineplatforms en wat ervoor nodig is om dit te verbeteren?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven, treedt de Ksa actief op tegen illegale advertenties voor onlinekansspelen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de huidige aanpak niet voldoende is om het illegale aanbod effectief terug te dringen. Om deze aanpak verder te versterken werk ik, zoals aangekondigd in mijn brief van 12 juni 2026, in afstemming met de Ksa aan aanvullende instrumenten en de verbetering van bestaande instrumenten om illegale aanbieders effectiever aan te pakken. Daarbij heb ik expliciet aandacht voor het verstoren van de infrastructuur die deze aanbieders gebruiken. Het is van belang om optimaal gebruik te maken van de bestaande instrumenten en dit in samenwerking te doen met partijen die hierin kunnen helpen. Zo is het nu al verboden voor derden zoals online platforms illegaal aanbod te bevorderen. De Ksa treedt hiertegen op.
Kunt u schetsen welk beeld er bestaat van de omvang en ontwikkeling van de illegale onlinegokmarkt in Nederland en welke implicaties dit heeft voor de effectiviteit van het huidige en voorgenomen reclamebeleid?
De omvang en ontwikkeling van de illegale online kansspelmarkt en illegale reclame zijn niet exact vast te stellen. De Monitoringsrapportage online kansspelen voorjaar 2026 van de Ksa laat zien dat de kanalisatie in termen van spelers nog steeds hoog is. Naar schatting speelt ongeveer 91% van de Nederlandse spelers alleen bij vergunde aanbieders. Wanneer wordt gekeken naar het geld dat spelers verliezen, ligt de kanalisatie echter aanzienlijk lager, op ongeveer 53%.8 Dit wijst erop dat een relatief kleine groep veel geld vergokt op illegale goksites.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen van het lid Straatman, is de inzet van de Ksa niet gericht op het uitputtend monitoren van het bereik en de verspreiding van illegale reclame.9 In algemene zin kan gesteld worden dat een zorgvuldig gereguleerd vergund aanbod hand in hand moet gaan met een effectieve aanpak van het illegale aanbod en deelname daaraan. Beide vragen blijvend veel aandacht. Voor de maatregelen die de Ksa en ik op dat gebied nemen, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2 en 4.
In uw voortgangsbrief kansspelen met contouren voor maatregelen van 12 juni 20262 geeft u aan voornemens te zijn om reclame voor vergunde onlinekansspelaanbieders (vrijwel) volledig te verbieden. Hoe wordt bij de verdere uitwerking van dit beleid voorkomen dat hierdoor de positie van illegale goksites versterkt?
Met een verbod op reclame voor vergunde online gokaanbieders is naar verwachting niet alle reclame voor online gokken verdwenen. Het is tot nu toe slechts beperkt mogelijk om reclames van illegale goksites tegen te gaan en er moet rekening mee gehouden worden dat dit ook met een versterkt wettelijk instrumentarium beperkt effectief blijft.
Bij de uitwerking van het reclameverbod houd ik daarom rekening met de vindbaarheid van het vergunde aanbod. In mijn brief van 12 juni 2026 heb ik aangegeven zeer beperkte en strikt begrensde uitzonderingen op het reclameverbod te onderzoeken. Hiermee wil ik voorkomen dat mensen die al actief op zoek zijn naar online kansspelen bij illegale aanbieders terechtkomen. Op basis van de huidige inzichten denk ik daarbij aan informatie op de eigen website van een vergunde aanbieder en reclame bij resultaten van expliciete zoekopdrachten naar online goksites. De precieze uitwerking van het verbod en de uitzonderingen daarop wordt nader onderzocht in het Beleidskompas. Zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 2, is mijn inzet in aanvulling hierop gericht op het tegengaan van illegaal aanbod en de deelname daaraan.
Bent u bereid om bij de uitwerking van het voorgenomen reclameverbod ruimte te laten voor reclame door vergunde aanbieders wanneer zij aantoonbaar kunnen waarborgen dat zij controle hebben over de inhoud, de doelgroep en het bereik van hun boodschap, juist om te voorkomen dat consumenten die interesse hebben in onlinekansspelen, vooral terechtkomen bij illegale aanbieders?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en vraag 6, zien mensen nog steeds veel reclame voor online gokken, ook mensen die hier niet naar op zoek zijn. In lijn met het coalitieakkoord wil ik reclame voor online gokken daarom verbieden. Daarbij blijft het van belang dat spelers die willen deelnemen aan online kansspelen hun weg vinden naar het vergunde aanbod.
Bent u bereid voorafgaand aan definitieve besluitvorming een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van een vrijwel volledig reclameverbod voor de bescherming van spelers, de omvang van de illegale markt en de blootstelling aan illegale gokreclame en de uitkomsten daarvan met de Kamer te delen?
Nee, ik zie op dit moment geen aanleiding om een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren. Er is al onderzoek gedaan naar de effecten van kansspelreclame en de werking van het huidige stelsel.11 12 Deze informatie wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het reclameverbod. Zoals ik in mijn brief van 12 juni heb aangegeven, werk ik het reclameverbod nader uit aan de hand van het Beleidskompas. Daarbij worden onder meer de verwachte effecten op de bescherming tegen gokschade, kansspelgerelateerde criminaliteit en (deelname aan) illegale kansspelen betrokken. Bij de verdere uitwerking maak ik gebruik van beschikbare onderzoeken, de monitoringsrapportages van de Ksa en de kennis en expertise van betrokken partijen. Daarnaast zal de voorgenomen wet- en regelgeving de gebruikelijke uitvoeringstoetsen en consultatieprocedures doorlopen. Ook in dat kader worden de uitvoerbaarheid en de mogelijke gevolgen van de maatregelen beoordeeld en kunnen betrokken partijen daarop reageren.