Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen» van 11 november 2025, waarin de gemeente Moerdijk haar standpunt toelicht over de uitbreiding van het haven- en industrieterrein in het kader van de nationale Powerport-opgave?
Ja.
Kunt u aangeven op welke feitelijke grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
In het traject Powerport regio Moerdijk verkent het kabinet samen met de decentrale overheden, waaronder gemeente Moerdijk, de mogelijkheden voor ontwikkeling van dit gebied. Het is niet aan het kabinet om namens de gemeente te spreken, maar het kabinet begrijpt dat de gemeente een voorkeur heeft uitgesproken voor de oostelijke ontwikkelrichting voor het gebied, omdat zij menen dat ze hiermee op lange termijn de balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling het beste kunnen zekerstellen. Het kabinet heeft op 1 december 2025 aangegeven nog geen voorkeursrichting te kunnen uitspreken op basis van de bij het kabinet aanwezige uitkomsten van onderzoeken en het participatietraject. Het kabinet heeft dit toegelicht in een Kamerbrief d.d. 2 december 20251.
Kunt u aangeven op welke juridische grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Op dit moment is er geen juridische grondslag voor een definitief besluit. Het betreft een bestuurlijke voorkeursrichting vanuit de gemeente.
Wat is het vastgestelde of vooraf bepaalde besluitvormingsproces?
Het besluitvormingsproces voor de ontwikkeling van Powerport Moerdijk staat nog niet vast. Op een volgend bestuurlijk overleg stellen het kabinet, provincie Noord-Brabant en de gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg en waterschap Brabantse Delta vast wat de te doorlopen juridische procedure is.
Is er aan alle 1.100 inwoners gevraagd of zij weg willen? Zo ja, is er gevraagd onder welke voorwaarden? Zo nee, gaat u dat wel doen?
In aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, zijn er vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn inwoners geïnformeerd over Powerport regio Moerdijk en beide zoekrichtingen. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Er is gesproken met inwoners welke gevolgen de twee zoekrichtingen hebben voor hen en wat er voor hen geregeld moet worden mocht één van de zoekrichtingen daadwerkelijk worden gekozen. De gesprekken hebben plaatsgevonden met inwoners en ondernemers in beide zoekrichtingen: Zevenbergschen Hoek (24 september 2025), het buitengebied (25 september 2025), Moerdijk (1 oktober 2025), Zevenbergen (2 oktober 2025) en Klundert (6 oktober 2025). Voor deze brede bijeenkomsten zijn alle inwoners uitgenodigd. De uitkomst van de participatie is te lezen op de website van de gemeente2. De inhoud is geverifieerd met verschillende vertegenwoordigingen van inwoners, voordat deze is meegenomen als input voor het besluit van 1 december 2025.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Hoe realistisch acht u het zelf dat dit plan binnen 10 jaar doorgaat gezien de onrust en juridische strijd die dit zal veroorzaken?
Het kabinet acht het realistisch dat ruimtelijke ontwikkelingen zullen plaatsvinden. De eerste energieprojecten vragen nu al of op korte termijn om een keuze om start van de bouw rond 2030 mogelijk te maken. Deze zijn nodig voor de nationale en regionale energievoorziening en de verduurzaming van bestaande industrie.
Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan een groeiende economie, is naar verwachting meer ruimte voor bedrijvigheid en energie noodzakelijk. Daarbij zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden over functies die zullen verdwijnen om plaats te maken. Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen plaats moeten vinden, zal een zorgvuldige planologische procedure doorlopen worden waarbij belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan.
Erkent u dat dit besluit diep ingrijpt in de levens van de circa 1.100 inwoners van het dorp Moerdijk, die nu in onzekerheid verkeren over hun woningen, hun gemeenschap en zelfs over het voortbestaan van het lokale kerkhof?
Een eventueel besluit tot opheffing, zoals verwoord in het collegebesluit van de gemeente Moerdijk richting de gemeenteraad en daarmee de inzet van de gemeente Moerdijk richting het Bestuurlijk Overleg van 1 december jl., is een ingrijpende keuze met veel impact voor de lokale gemeenschap. De zorgen en emoties in het gebied zijn invoelbaar en het kabinet heeft begrip voor de inwoners, ondernemers en agrariërs die al lange tijd in onzekerheid leven.
Welke alternatieve plannen anders dan Moerdijk opheffen zijn verkend? Worden deze alternatieven nog opnieuw beoordeeld vóór het definitieve besluit op 1 december?
Zie antwoord op vraag 2, er is nog geen definitief besluit genomen. In een eerdere fase van de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk zijn diverse technische verkenningen uitgevoerd waarbij onder meer is gekeken naar de exacte omvang van de benodigde extra ruimte en vooral ook waarom die per se in de Powerport Regio Moerdijk gevonden moet worden, waarom het niet elders in Nederland kan en wat er gebeurt als we geen extra ruimte bieden. Hierbij zijn verschillende alternatieven voor de uitbreiding van Powerport Moerdijk verkend. Hieruit zijn de varianten oost en zuidoost overgebleven als realistische uitbreidingsrichtingen.
Hoe beoordeelt u het voornemen om Moerdijk op te heffen, mede in het licht van de grondwettelijke taak van de overheid om de leefbaarheid en het welzijn van haar inwoners te waarborgen?
Op het bestuurlijk overleg van 1 december is geen keuze gemaakt voor een ontwikkelrichting, dat is aan een nieuw kabinet. Het kabinet heeft respect voor het collegebesluit van de gemeente Moerdijk om hun voorkeur uit te spreken. Zij staan als lokale overheid het dichtste bij hun inwoners en achten dit de beste keuze voor hun gemeenschap. De gemeente heeft dit besluit niet lichtzinnig genomen. Zij stellen dat de oostelijke richting alleen kan onder zwaarwegende voorwaarden, zoals het in stand houden al dan niet verbeteren van de leefbaarheid in de gemeente Moerdijk, evenals een goede compensatie voor bewoners en ondernemers in en rondom het dorp Moerdijk.
Zijn er landelijke criteria of indicatoren om te beoordelen of de opheffing van een bestaand dorp, zoals Moerdijk, proportioneel, noodzakelijk en subsidiair is in de context van de energietransitie?
Er zijn geen landelijke criteria. Indien het kabinet en de regio gezamenlijk besluiten om een voorkeursrichting te kiezen dan is dat op basis van een integrale afweging van alle belangen en opgaven, waar ook de belangen van ondernemers, inwoners en agrariërs in het gebied meewegen.
Zijn de plannen voor Moerdijk nog steeds actueel gezien de ontwikkelingen rondom stagnerende projecten aangaande windturbines op zee en een dalend vestigingsklimaat waar de Botlek last van heeft?
Ja, de plannen voor windturbines, energie-infrastructuur en verduurzaming van de industrie zijn actueel. Er zijn meerdere energieprojecten in procedure / in onderzoek waarvan de bouw rond 2030 begint. Daarbij is Moerdijk een van de locaties die in beeld is voor aanlandingen voor windparken op zee. Ook verduurzaming en uitbreiding van industriële bedrijvigheid is actueel. Op 20 juni 2025 is een Kamerbrief3 verstuurd waarin staat aangegeven dat er richting 2050 meer ruimte nodig is voor de economie, de verduurzaming en het circulair maken van de industrie. Parallel wordt gewerkt aan het verbeteren van het vestigingsklimaat. Daar spelen verschillende factoren een rol in, voldoende fysieke- en milieuruimte voor de industrie is daar één van.
Is er al bekend welke agrariërs te maken zullen krijgen met kabeltracés?
Dit verschilt per locatie, niet alle kabel- en hoogspanningstracés liggen al vast. De tracés voor de Delta Rhine Corridor en de 380kV hoogspanningsverbinding Zuid-West Oost liggen al vast. Deze zijn te vinden op de respectievelijke projectwebsites4, 5. Tracés voor andere projecten worden de komende jaren vastgesteld.
Hoe is het draagvlak onder agrariërs voor kabeltracés?
Kabeltracés worden gezien als noodzakelijk voor de energievoorziening van Nederland. Tijdens het participatieproces hebben agrariërs gevraagd om in de aanlegfase zo veel mogelijk rekening te houden met hun belangen en bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk te bundelen en zorgvuldig afgewogen trajectkeuzes. Bij de aanlegfase wordt daarom getracht zo min mogelijk verstoring van de bedrijfsvoering van agrariërs te veroorzaken.
Zijn er Rijksmonumenten in Moerdijk aanwezig? Zo ja, wat betekent dit op den duur als het dorp afgebroken moet worden?
Het dorp Moerdijk heeft 1 inschrijving in het Rijksmonumentenregister: de Nederlands hervormde kerk uit 1815. Hierover zullen afspraken gemaakt worden in de uitwerking van het nog te nemen besluit over de voorkeursrichting.
Welke impact heeft dit besluit op de grondkwaliteit en de grondwaarde?
Het nemen van een besluit voor de voorkeursrichting heeft geen invloed op de grondkwaliteit. Voor de grondwaarde in Moerdijk heeft een dergelijk besluit wel gevolgen. Op dit moment is een garantieregeling van kracht voor woningeigenaren in Moerdijk om de waarde van de woningen te behouden. Voor de situatie na het vaststellen van een voorkeursrichting zullen regelingen uitgewerkt worden voor grondeigenaren. De uiteindelijke ontwikkeling kan wel impact hebben op de grondkwaliteit. Hier moet op een later moment onderzoek voor plaatsvinden.
Is er een risicoanalyse beschikbaar over de negatieve effecten (psychosociaal, sociaal-economisch, infrastructuur) voor bewoners? Zo ja, kan deze openbaar worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Deze is nog niet beschikbaar en wordt in 2026 verwacht.
Welke impact heeft dit besluit op lokale ondernemers en hoe worden zij gecompenseerd?
De impact op alle betrokkenen in het gebied is groot, zo ook voor de ondernemers. In hoeverre dit ook financiële consequenties heeft voor ondernemers is per ondernemer verschillend. Uitgangspunt voor het kabinet is dat ook ondernemers compensatie dienen te krijgen voor de geleden schade. Hierover lopen gesprekken tussen betrokken overheden als onderdeel van de besluitvorming over de uitbreidingsrichting.
Hoe wordt de emotionele en sociale impact van dit besluit meegewogen, met name voor ouderen, gezinnen en nabestaanden die geconfronteerd worden met vragen over het behoud of verplaatsing van graven op het kerkhof?
In 2026 zal een analyse gestart worden naar de emotionele en sociale impact van de keuze voor een van de ontwikkelrichtingen. De uitkomst van deze analyse vormt één van de bouwstenen voor de nog op te stellen transitiestrategie.
Welke maatregelen neemt het Rijk om te voorkomen dat woningwaarden kelderen in gemeente Moerdijk als gevolg van de onzekerheid over de toekomst?
Het kabinet ziet in dat woningwaarden, voornamelijk in het dorp Moerdijk, beïnvloed worden door de ontwikkelingen binnen de Powerport regio Moerdijk en de besluitvorming van 1 december 2025. Om woningeigenaren de kans te bieden om te vertrekken als zij dit willen, kunnen zij gebruik maken van de Moerdijkregeling6. Dit is een garantieregeling waarbij huiseigenaren de garantie krijgen dat hun woning aan de gemeente verkocht kan worden voor 100% (voorheen 95%) van de getaxeerde en geïndexeerde waarde. De indexatie is gebaseerd op de gemiddelde waardeontwikkeling van vergelijkbare woningtypen in de provincie Noord-Brabant.
Welke rol ziet u voor uzelf als Minister van Volkshuisvesting in het bieden van perspectief aan bewoners van het dorp Moerdijk, gelet op het feit dat 1.100 inwoners op straat dreigen komen te staan?
Het kabinet stelt allereerst dat niemand uit het dorp Moerdijk zomaar op straat komt te staan. Nederland heeft een groot tekort aan woningen. Tot 2040 moeten in de provincie Noord-Brabant ongeveer 100.000 woningen gebouwd worden. In het geval het besluit in juni wordt genomen om ongeveer 500 woningen in Moerdijk te slopen, dan lijkt dat daarmee strijdig. Echter voor de bouw van deze nieuwe woningen en bedrijven hebben we energie nodig en hiervoor moet het energienet uitgebreid worden. Daarnaast is er meer ruimte nodig voor nieuwe bedrijven, de verduurzaming en het circulair maken van de industrie, ook in de Powerport regio Moerdijk. Dat hiervoor mogelijk 1.100 inwoners moeten wijken, maakt dat we deze stap niet lichtzinnig zullen zetten. Een principebesluit over de voorkeursrichting die zal leiden tot opheffen van het dorp Moerdijk zal hand in hand moeten gaan met afspraken over herhuisvesting en compensatieregelingen.
Hoe draagt het verdwijnen van het dorp Moerdijk en de mogelijke verdringing van agrarische bedrijven bij aan het versterken van de brede welvaart, zoals beoogd in de Nota Ruimte bij de uitbreiding van de Powerport-regio Moerdijk?
De uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk heeft negatieve effecten op de omgeving, ongeacht de uitbreidingsrichting. De uitbreiding van het haven- en industriecluster in oostelijke richting heeft grote gevolgen voor de leefbaarheid van het dorp Moerdijk en agrarische bedrijven. Uit het participatietraject en technische analyse blijkt echter dat het alternatief van uitbreiding in zuidoostelijke richting leidt tot verdringing van meer agrarische bedrijven én aantasting van de leefbaarheid van meerdere omliggende dorpskernen met meer inwoners. Het dorp Moerdijk raakt dan ingeklemd door de ontwikkelingen vanuit industrie en energie, waardoor overlast toeneemt en een leefbaar perspectief onzeker is. Daarbij blijft de kans bestaan dat de discussie over de houdbaarheid van het dorp op een later moment opnieuw terugkomt. Om de impact van de uitbreiding te ondervangen en de leefbaarheid in deze regio te versterken hebben het kabinet en de regio op 1 december afgesproken om een pakket van randvoorwaarden op te stellen, gegeven de forse impact van de besluitvorming op bewoners (kopers en huurders), ondernemers en de structurele (sociale) leefbaarheid en brede welvaart in de omgeving. Dit wordt onderdeel van het besluit over de voorkeur van de ontwikkelrichting, waarvan het voornemen is dit in juni 2026 te doen, en de vaststelling van het nog op te stellen gebiedsplan.
Hoe krijgen bewoners en agrariërs daadwerkelijk invloed op het proces waarin de clusterspecifieke consequenties en de vertaling van de gekozen richting worden vormgegeven, en hoe wordt hun inbreng daarbij gewogen ten opzichte van de economische belangen van het havenbedrijf en de industrie?
Bewoners en agrariërs zijn de afgelopen maanden betrokken bij het participatietraject. De uitkomsten van dit traject worden meegenomen in de huidige en toekomstige besluitvorming. Voor verdere uitwerking word ook een participatiestrategie opgesteld.
Kunt u aangeven of en hoe het kabinet bereid is om op voorstel van de gemeente Moerdijk en haar bewoners gezamenlijk tot een alternatief plan te komen waarbij behoud van de kern mogelijk is?
Het college van de gemeente Moerdijk heeft zelf de stap naar voren gezet door haar voorkeur uit te spreken voor uitbreiding oostwaarts. De gemeenteraad heeft hiermee ingestemd met 19 stemmen voor en 3 stemmen tegen. De gemeente heeft aangegeven dat de uitkomsten van het participatietraject en de technische analyses duidelijk zijn en wil vooral duidelijkheid geven aan haar inwoners en ondernemers over de voorwaarden van het te nemen principebesluit.
Hoe verhoudt het besluit tot opheffing van Moerdijk zich tot het bestaansrecht van basisschool IBS De Klaverhoek en bent u zich ervan bewust dat hierdoor klassen abrupt uiteengerukt dreigen te worden?1, 2
Het kabinet is zich bewust van het risico van het «leeglopen» van de basisschool wanneer gezinnen vetrekken. Op dit moment is hiervan nog geen sprake. Indien besloten wordt tot oostwaartse uitbreiding en overgegaan wordt tot het opkopen van vrijkomende woningen kan dit wel aan de orde zijn. In de nog op te stellen transitiestrategie zal hier aandacht aan besteed worden.
Hoe wordt geborgd dat inwoners van Moerdijk, waaronder ouderen en kwetsbaren, toegang blijven houden tot zorg in de buurt als het dorp wordt opgeheven en zij noodgedwongen moeten verhuizen?
Op dit moment is nog geen sprake van teruglopende voorzieningen. Indien besloten wordt tot oostwaartse uitbreiding en overgegaan wordt tot het opkomen van vrijkomende woningen kan dit wel aan de orde zijn. In de nog op te stellen transitiestrategie zal hier aandacht aan besteed worden.
Is het mogelijk dat inwoners die willen blijven dat mogen? Onder welke voorwaarden?
Op dit moment is geen sprake van gedwongen vertrek van inwoners. Er is nog geen besluit genomen. Als wel wordt besloten tot opheffing van het dorp Moerdijk, dan kunnen inwoners die willen blijven de komende jaren, waarschijnlijk tot 2035, in het dorp blijven wonen. De eerste werkzaamheden voor energieprojecten vinden plaats rond 2030, de uitbreiding van het haven- en industriecluster begint naar verwachting pas na 2035.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, de vragen zijn een voor een beantwoord.
Het afschaffen van het predicaat cum laude aan de Universiteit Twente |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Twente stopt met «cum laude» om ongelijkheid tussen mannen en vrouwen: «Luie oplossing»», waarin wordt gemeld dat de Universiteit Twente het predicaat cum laude bij promoties afschaft omdat dit volgens de universiteit «systematisch nadelig» zou uitpakken voor vrouwelijke promovendi?1
Ja.
Deelt u de kritiek van diverse academici dat dit besluit een «luie oplossing» vormt die het probleem van subjectieve beoordelingen niet oplost, maar slechts de erkenning van uitzonderlijke kwaliteit afschaft en zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van het promotiereglement van een universiteit. In de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is vastgesteld dat het college voor promoties van een universiteit is bevoegd de graden Doctor of Doctor of Philosophy te verlenen op grond van promotie. In de WHW staat dat het college voor promoties het promotiereglement vaststelt. In het promotiereglement legt elke universiteit vast wat de regels zijn voor de procedure van beoordeling, waaronder de toekenning van cum laude.
Ik vind het zorgelijk dat het beoordelen van proefschriften niet objectiveerbaar lijkt te zijn en dat het differentiëren tussen proefschriften daardoor wordt bemoeilijkt. Ik vind het belangrijk om excellente onderzoeksprestaties te waarderen. Ik ondersteun het daarom van harte dat de Universiteit Twente een andere manier zoekt om bijzondere prestaties in promotietrajecten alsnog te waarderen.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van Renée Römkens die zegt «dat de oplossing vooral in bewustwording zit»?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met de maatregelen die een universiteit neemt om haar promotiereglement te vernieuwen.
Deelt u de mening dat het schrappen van het predicaat cum laude talentvolle promovendi, zowel mannen als vrouwen, benadeelt, terwijl de oorzaak van mogelijke ongelijkheid juist ligt in verbeterbare beoordelingsprocedures en bewustwording binnen commissies?
Ik vind het goed dat al onze talentvolle onderzoekers, ongeacht sekse, gelijke kans maken op waardering. Ik vind ook dat selecteren onderdeel is van de wetenschap en dit betekent dat er onderscheid gemaakt moet kunnen worden tussen onderzoekers.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Universiteit Twente om dit besluit te heroverwegen, en op welke wijze gaat u voorkomen dat andere universiteiten een vergelijkbare, ideologisch gemotiveerde nivellering doorvoeren die academische excellentie en meritocratie ondermijnt?
Nee, de universiteiten stellen zelf hun promotiereglement vast. Ik ga er vanuit dat zij onderling in gesprek zijn over wijzigingen in hun promotietrajecten.
De beoogde AI fabriek in Groningen |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de 200 miljoen euro die de regering voornemens is in de AI (kunstmatige intelligentie)-fabriek te investeren, besteed zal worden?1
Een groot deel van de investering gaat naar de hardware en alle operationele kosten van de AI-geoptimaliseerde supercomputer. In totaal gaat dit om ruim 150 miljoen euro. Het overige deel van de investering, 50 miljoen euro, zal naar het expertisecentrum gaan, die samen met de supercomputer de AI-fabriek zal vormen om geavanceerde AI-modellen te trainen.
Kunt u een toelichting geven over de technische specificaties van de beoogde AI-fabriek in Groningen?
De AI-fabriek bestaat uit een AI-geoptimaliseerde supercomputer waarin grafische processor units (GPU’s) centraal staan. Deze supercomputer wordt speciaal ontworpen voor high-performance AI-training en efficiënte, laag-latente inferentietaken. Dit wordt ondersteund door een veilig, hoogsnelheidsnetwerk en door dataopslagsystemen. Hoe de supercomputer er precies technisch uit zal komen te zien, is nog afhankelijk van de aanbesteding die door de EuroHPC Joint Undertaking (EuroHPC JU) zal worden uitgevoerd in samenwerking met SURF namens het consortium.
Naast de supercomputer bestaat de AI-fabriek uit een expertisecentrum dat erop is gericht om het verantwoord gebruik van de supercomputer zo goed mogelijk te organiseren, ondersteunen en stimuleren, met het leveren van expertise aan (potentiële) gebruikers, en het organiseren van processen voor toegang tot rekenkracht en kennisdeling binnen het brede nationale AI-ecosysteem.
Hoe bent u van plan de High Performing Computing (HPC) (supercomputers) te realiseren die noodzakelijk zijn om geavanceerde AI-modellen te ontwikkelen?
De investering in de AI-fabriek in Groningen zal onderdeel worden van het Europese netwerk van AI-geoptimaliseerde (high performance) supercomputers bestaande uit GPU’s, met bijdragen van EuroHPC. Een dergelijk netwerk van krachtige supercomputers en expertisecentra is nodig voor de ontwikkeling van geavanceerde AI-modellen in Nederland en Europa.
Hoe beziet u de Tsjechische AI-fabriek waar gekozen is voor de installatie van een supercomputer genaamd Karolina, met circa 1.600 centrale verwerkingseenheden (CPU’s) en circa 500 grafische processor units (GPU’s), overwegende dat juist GPU’s voornamelijk gebruikt worden voor het ontwikkelen van geavanceerde AI-modellen? Ziet u deze setup als voorbeeld voor de implementatie van de hardware in Groningen? Zo ja, waarom?
De beoogde supercomputer in Groningen zal net als de Tsjechische AI- supercomputer beschikken over zowel GPU’s als CPU’s. Het precieze aantal is nog afhankelijk van de aanbesteding van de supercomputer, maar in het ontwerp zal de supercomputer in ieder geval over meer GPU’s beschikken dan CPU’s.
Heeft u invloed op de technische uitwerking van AI-fabriek Groningen? Zo nee, wie beslist hierover? Zo ja, aan welke criteria moet de AI-fabriek Groningen voldoen?
De verantwoordelijkheid voor de technische uitwerking van de AI-fabriek Groningen ligt bij het consortium bestaande uit de Stichting Nederlandse AI-fabriek, SURF BV, Stichting AIC4NL, Samenwerking Noord en TNO. Zoals in de beantwoording van vraag 2 benoemd, zal de EuroHPC JU de aanbesteding uitvoeren in afstemming met SURF. SURF heeft veel ervaring met het ontwerpen, inkopen en exploiteren van high performance computers voor onderzoek en innovatie, zoals de nationale supercomputer Snellius. SURF heeft ook veel ervaring met deelname in EuroHPC.
Kunt u aangeven of het klopt dat een gebruiker van de AI-fabriek deel moet zijn van het EU Horizon 2020 programma? Zo ja, kunnen nieuwe bedrijven zich hier nog voor aanmelden en hoe? Zo nee, welke personen en bedrijven kunnen in aanmerking komen voor het gebruik van een EU AI-fabriek?
De Nederlandse AI-fabriek maakt onderdeel uit van het EuroHPC-programma, dat Europese samenwerking op het gebied van supercomputing en AI faciliteert. De financiering en het eigenaarschap zijn verdeeld tussen nationale en Europese bijdragen. Een deel van de AI-fabriek wordt nationaal beheerd. Dit betekent dat het consortium en de nationale en regionale financiers bepalen hoe dit deel van de supercomputer en het bijbehorende expertisecentrum gebruikt wordt. Het andere deel valt onder de EuroHPC Joint Undertaking (JU). Voor dit deel gelden de regels en criteria van EuroHPC. Voor zover bekend is het geen verplichting voor een gebruiker van de AI-fabriek om deelnemer te zijn van het Horizon 2020 programma. Voor het nationale deel kunnen innovatieve mkb-bedrijven, onderzoekers en overheden toegang aanvragen. De toegang verloopt via een call-mechanisme, dat nog moet worden ingericht. Dit mechanisme bepaalt hoe aanvragen worden ingediend, beoordeeld en ondersteund.
Kunt u toelichten waarom de verleende subsidie door zes verschillende ministeries wordt verstrekt?
De AI-fabriek in Groningen richt zich op het ontwikkelen en beschikbaar stellen van hoogwaardige rekenkracht en AI-expertise die relevant is voor meerdere maatschappelijke en economische sectoren. De zes ministeries (en regio Groningen en Noord-Drenthe) die bijdragen aan deze subsidie hebben ieder een specifiek belang bij de toepassingen van AI binnen hun beleidsdomeinen, zoals economie/industrie, defensie/veiligheid, gezondheidszorg, landbouw, publieke diensten en onderzoek en onderwijs. Door gezamenlijk te investeren, kunnen de ministeries de benodigde schaal en impact van de AI-fabriek realiseren, die afzonderlijk door één ministerie niet mogelijk zouden zijn.
Mag de Nederlandse overheid aanspraak maken op het gebruik van de AI-fabriek in Groningen? Zo ja, in welke hoedanigheid?
Ja, de Nederlandse overheid kan gebruik maken van de AI-fabriek in Groningen. Dat kan op verschillende manieren. Via de inhoudelijke calls voor aanvragen voor rekenkracht, door het aanvragen van rekenkracht voor AI-modeltraining en door gebruik te maken van de mogelijkheden van het AI-expertisecentrum.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Palantir |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In uw beantwoording van een eerdere Kamervraag1, schrijft u bij antwoorden 1 en 2 dat organisatieonderdelen die onder uw ministeriële verantwoordelijkheid vallen geen direct gebruik maken of hebben gemaakt van Palantir-software; zijn er echter wellicht wel functionarissen of organisatieonderdelen die onder uw ministeriële verantwoordelijkheid vallen die indirect (bijvoorbeeld via een Palantir-licentie die toebehoort aan een gebruiker die niet onder uw ministeriële verantwoordelijkheid valt) gebruik hebben gemaakt van Palantir-software of informatieproducten uit Palantir? Zo ja, welke organisatieonderdelen, functionarissen (functietitels) en/of informatieproducten betreft dit?
De Wet politiegegevens (Wpg) verplicht functionarissen die binnen het Wpg-domein werkzaam zijn – waaronder de algemene opsporingsambtenaren van de politie, de Koninklijke Marechaussee en de Bijzondere Opsporingsdiensten – om informatie te delen binnen de geldende wettelijke kaders. Algemene opsporingsambtenaren, zoals die van de FIOD, met wie de politie samenwerkt en die gebruikmaken van een door de politie verstrekte werkplek, kunnen toegang krijgen tot Palantir. Dit gebruik valt onder de verantwoordelijkheid van de politie en vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders. Uit de eerdere inventarisatie is geen ander, indirect gebruik van Palantir of van door Palantir gegenereerde informatieproducten gebleken.
Voor een nadere duiding van het gebruik van Palantir bij organisaties buiten het Ministerie van Financiën, waaronder samenwerkingsverbanden die gelieerd zijn aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zoals de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s), het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC) en de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV), verwijs ik naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Van Houwelingen door andere ministeries.
In uw gebundelde antwoord op vragen 3 en 4 uit eerdergenoemde Kamervraag schrijft u «Organisatieonderdelen van het Ministerie van Financiën ontvangen en delen informatie en signalen met ketenpartners binnen de geldende wettelijke kaders, deze levering vindt niet direct in Palantir plaats.»; deelt (een organisatieonderdeel van) uw ministerie wellicht wel indirect data (aangezien aanlevering van data immers in de regel niet direct geschiedt, maar indirect via application programming interfaces (API’s) van onafhankelijke applicaties of aanleveringen via landing zones of buckets) met ketenpartners die gebruik maken van Palantir-software? Zo ja, welke ketenpartners zijn dit en welke data betreft dit?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer uw organisatie gegevens deelt met ketenpartners, ontslaat u dit vervolgens, naar uw oordeel, van de verantwoordelijkheden die de AVG verbindt aan de gegevensverwerking en -deling? Zo ja, waarom?
Nee. Wanneer organisatieonderdelen gegevens delen met ketenpartners, ontslaat dit het betreffende organisatieonderdeel niet van de verantwoordelijkheden die de AVG verbindt aan de verwerking en deling van persoonsgegevens. Deze verantwoordelijkheden kunnen niet enkel door het delen van gegevens worden overgedragen of uitgesloten.
Bij ketensamenwerkingen kan sprake zijn van gedeelde of gezamenlijke verantwoordelijkheid. In dat geval worden de taakverdeling en verantwoordelijkheden vastgelegd in een convenant of–wanneer sprake is van verwerking in opdracht van het organisatieonderdeel–in een verwerkersovereenkomst.
Het bericht dat kraamzorg niet meer overal in Nederland gegarandeerd kan worden |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat kraamzorg niet meer overal in Nederland gegarandeerd kan worden?1
De signalen over toenemende krapte in de kraamzorg zijn mij bekend. Kraamzorg is een essentieel onderdeel van de integrale geboortezorg, die een belangrijke basis legt voor een goede en gezonde start van moeder, kind en gezin. De transitie naar passende kraamzorg is hard nodig, en de sector staat daarbij voor een grote opgave.
Erkent u dat de keuze van de afgelopen regeringen en de zorgverzekeraars om de kraamzorg te verwaarlozen de grondoorzaak is van de klassenverschillen die we nu zien in de kraamzorg? Zo ja, wat gaat u doen om weer te investeren in de kraamzorg en de klassenverschillen te verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Het beeld dat de afgelopen regeringen of zorgverzekeraars bewust hebben gekozen om de kraamzorg te verwaarlozen herken ik niet. De afgelopen jaren is geïnvesteerd in de kraamzorg door subsidie beschikbaar te stellen voor projecten voor het anders inrichten van de kraamzorg. Er is subsidie verleend voor het opstellen van een nieuwe indicatiemethodiek. Een methodiek die nu bekend staat als de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM). Ook is er subsidie verleend voor het onderzoeken van een andere inrichting van de wachtdiensten door middel van partuspoules. Beide projecten krijgen een vervolg in de transformatie. Tegelijkertijd zijn sinds 2024 middelen beschikbaar gesteld voor het ontwikkelen van richtlijnen en protocollen in de kraamzorg via ZonMw. Tot slot hebben zorgverzekeraars sinds 2023 via convenanten landelijk afspraken gemaakt over het beschikbaar stellen van de max max tarieven. Voor de uitbraak van covid-19 hebben verzekeraars al eerder max max tarieven beschikbaar gesteld, in afwachting van de nieuwe tarieven in de kraamzorg per 2021.
Ik herken wel dat de kraamzorg al geruime tijd met structurele uitdagingen te maken heeft. Verschillende factoren hebben geleid tot verschillen in de beschikbaarheid en inzet van kraamzorg. Ook de verschillen die we zien tussen regio’s en groepen gezinnen zijn niet aan één oorzaak toe te schrijven, maar ontstaan door een combinatie van demografische, sociale, financiële en arbeidsmarktfactoren.
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg werken samen met de sector aan de uitvoering van hun gezamenlijke visie en versnellingsagenda kraamzorg2. Deze agenda bevat acties op het gebied van arbeidsmarkt, regionale samenwerking en de doorontwikkeling en implementatie van de KLIM. Met de
KLIM wordt het mogelijk om meer zorg op maat te bieden, aansluitend bij de veranderende behoeftes en (sociale) context van de kraamvrouw. Voor een deel van de agenda zijn transformatiemiddelen beschikbaar gesteld (€ 9,8 miljoen).
In lijn met de motie van Dobbe en Dijk3 verken ik welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van kraamzorg te waarborgen.
Deelt u de analyse dat marktwerking in de kraamzorg aanbieders stimuleert om wijken met een lagere sociaaleconomische status te mijden? Zo ja, bent u bereid om uit te werken hoe de kraamzorg kan worden ingericht zonder marktwerking? Zo nee, waarom niet?
Het is te kort door de bocht om te stellen dat de uitdagingen in de kraamzorg te wijten zijn aan marktwerking. De ontwikkelingen in de kraamzorg kennen meerdere oorzaken. In de zorg is bovendien sprake van gereguleerde marktwerking, waarin zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht hebben die voor alle verzekerden gelijk geldt, ongeacht sociaaleconomische status.
In plaats van energie te stoppen in een nieuw stelsel voor de kraamzorg, ben ik ervan overtuigd dat veldpartijen zelf binnen het huidige stelsel verantwoordelijkheid willen en kunnen nemen voor de uitdagingen in de kraamzorg. Dat gebeurt ook. In 2023 hebben zij met elkaar geconstateerd dat de toegankelijkheid van de kraamzorg te ver onder druk kwam te staan en dat de destijds geboden tarieven niet meer passend waren om de toegankelijkheid en continuïteit te borgen. Daartoe hebben zij gezamenlijk een convenant opgesteld om toekomstbestendige kraamzorg te borgen.
Ik vind dat een goed voorbeeld van de verantwoordelijkheid die veldpartijen in ons stelsel kunnen en moeten nemen om de toegankelijkheid van de zorg te borgen. Aan de hand van een gezamenlijke visie en versnellingsagenda blijven zij hieraan werken. Ik verwacht dat partijen deze inspanningen, gelet op de recente signalen, voortvarend voortzetten.
Hoeveel mensen maken nu geen gebruik van kraamzorg vanwege de eigen bijdrage?
Er zijn geen gegevens beschikbaar die specifiek inzicht bieden in hoeveel gezinnen vanwege de eigen bijdrage geen gebruik maken van kraamzorg. De Monitor Kansrijke Start 20244 laat zien dat in 2022 2,5% van de gezinnen geen kraamzorg heeft ontvangen. Dit percentage ligt hoger bij gezinnen in een meervoudig kwetsbare situatie (5,4%), gezinnen met een laag inkomen (5,2%) en moeders die een basisonderwijs of een vmbo-opleiding hebben afgerond.
Uit eerder onderzoek blijkt dat financiële overwegingen hierbij een rol spelen, maar niet de enige factor zijn. Onvoldoende toegespitste informatie over kraamzorg kan van invloed zijn, vooral voor doelgroepen in kwetsbare omstandigheden5. Daarnaast zijn ook de personele tekorten in de kraamzorg, onbekendheid met het zorgsysteem en/of culturele overtuigingen mogelijk een factor. Het RIVM voert verdiepend onderzoek uit naar kenmerken van gezinnen die wel en geen kraamzorg ontvangen. De resultaten van dit onderzoek verwacht ik begin 2026.
Tot slot wil ik benadrukken dat gezinnen waarbij het niet lukt om kraamzorg te krijgen en dit wél willen, zich kunnen melden bij de zorgbemiddeling van hun zorgverzekeraar. Verzekeraars hebben aangegeven dat zij tot op heden vrijwel iedereen, na zorgbemiddeling, van kraamzorg hebben kunnen voorzien.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Stoffer/Dijk over scenario’s en (financiële) effecten in kaart brengen voor het afschaffen van de eigen bijdragen voor kraamzorg en poliklinische bevalling?2
In het kader van de uitvoering van deze motie ben ik bezig de effecten van het afschaffen van de eigen bijdragen voor kraamzorg en poliklinische bevalling in kaart te brengen. Uw Kamer wordt vóór de behandeling van de VWS-begroting hierover geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat er dringend stappen moeten worden gezet om de klassenverschillen in de kraamzorg aan te pakken? Zo ja, wat gaat u hiervoor doen?
Ik vind het essentieel dat iedereen gelijke toegang heeft tot passende zorg, ongeacht inkomen, opleiding of postcode. ZN en Bo Geboortezorg werken samen met de sector aan de uitvoering van de gezamenlijke visie en versnellingsagenda kraamzorg7. Recent zijn € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar gesteld. De middelen zullen door de sector ingezet worden voor de verdere uitvoering van onderdelen van de versnellingsagenda, waaronder passende kraamzorg, digitale zorg en regionale samenwerking. In lijn met de motie van Dobbe en Dijk verken ik welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van kraamzorg te waarborgen.
Wat is uw reactie op het feit dat er in de stad Utrecht nu een extra groot probleem is, doordat er twee zorgaanbieders zijn overgenomen door private equity? Bent nog steeds van mening dat dit soort parasieten enige toegevoegde waarde hebben voor de zorg, of bent u inmiddels wel bereid om private equity in de zorg te verbieden?
De signalen van terugtrekkende kraamzorgaanbieders in de stad Utrecht zijn mij bekend. Bo Geboortezorg heeft aangegeven dat de grootste oorzaak hiervoor ligt in het behoud van personeel en de continuïteit van organisatie en bedrijfsvoering. Het is mij echter niet bekend of het terugtrekken uit dergelijke wijken vaker gebeurt bij zorgaanbieders met betrokkenheid van private equity of vergelijkbare investeerders.
Uit onderzoek van EY uit 2024 naar private equity in de zorg blijkt niet dat er aantoonbare verschillen zijn in de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg door aanbieders met en zonder private equity betrokkenheid.8 Tegelijkertijd zie ik de risico’s van te risicovolle (private equity) investeringen, waarbij financiële belangen de overhand krijgen boven het verlenen van goede zorg. Ik wil deze risico’s zo veel mogelijk inperken. Dat doe ik bijvoorbeeld via het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), waarbij er onder andere voorwaarden gesteld worden aan winstuitkering. En met het wetsvoorstel aanscherping zorg specifieke fusietoets, waarbij fusies en overnames door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op meer inhoudelijke gronden getoetst kunnen worden. Ik verwacht dat wetsvoorstel in het tweede kwartaal van 2026 aan uw Kamer te sturen.
ZN heeft daarnaast aan de Landelijke Tafel Integrale Geboortezorg (LTIG) gevraagd om meer inzicht in regionale samenwerkingen, zodat ze passende verantwoordelijkheden kunnen opnemen in de contractering van Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV) vanaf 2027. Ook zijn verzekeraars op dit moment met aanbieders in gesprek om passende afspraken te maken, zodat in alle wijken voldoende zorg ingekocht kan worden.
Verder werkt de gemeente Utrecht aan een arbeidsmarktagenda, waarbij er gekeken wordt naar hoe de personeelskrapte op middellang termijn verzacht kan worden met behoud van kwaliteit van zorg. Deze arbeidsmarktagenda wordt opgesteld vanuit diverse kraamzorgorganisaties, de preferente zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) en de gemeente Utrecht. Hierbij worden er ook intensiever gesprekken gevoerd met de kraamzorgorganisaties die eerder (grotendeels) uit de stad getrokken zijn.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie Dijk/Dobbe3, die verzocht om «maatregelen te treffen om de kraamzorg in Nederland te behouden, en hiervoor voor het debat over de VWS-begroting voorstellen naar de Kamer te sturen en daarbij in ieder geval zorg te dragen voor toereikende tarieven voor de kraamzorg»?
Momenteel werk ik, in lijn met bovengenoemde motie, aan het in kaart brengen van maatregelen die nodig zijn om de toegankelijkheid en continuïteit van kraamzorg te waarborgen. Inmiddels heb ik diverse gesprekken gevoerd en bijeenkomsten bijgewoond, waaronder een meedenksessie met
kraamverzorgenden en een bijeenkomst op uitnodiging van de gemeente Utrecht om de situatie in de stad Utrecht te bespreken. Zoals toegezegd informeer ik de Kamer hierover voor de behandeling VWS-begroting.
Bent u het ermee eens dat de crisis in de kraamzorg alleen kan worden opgelost door zorgaanbieders dekkende tarieven te bieden, kraamverzorgenden een beter salaris en een fatsoenlijke wachtdienstvergoeding te geven?
Er spelen verschillende factoren als het gaat om de financiële randvoorwaarden in de kraamzorg. Daarbij vind ik het van belang dat deze goed zijn, zodat zorgaanbieders hun werk kunnen doen en kraamverzorgenden kunnen rekenen op passende arbeidsvoorwaarden. Goede financiële voorwaarden alleen zijn echter niet voldoende om de huidige knelpunten het hoofd te bieden. Uit onderzoek van RegioPlus komt naar voren dat de aantrekkelijkheid van werken in de zorg niet enkel afhankelijk is van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken.
Door de vergrijzing en personeelstekorten is de uitstroom in de kraamzorg groter dan de instroom en is de werk-privébalans door zorgverdeling en een toename in het aantal zzp’ers, verder onder druk komen te staan. Dit laat zien dat de oorzaak én oplossing niet (enkel) financieel is.
Voor wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa draagt zorg voor kostendekkende max tarieven middels regulier kostprijsonderzoek. Het Ministerie van VWS stelt ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, zodat vervolgens werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen worden afgesloten. Dit geldt ook voor de kraamzorg, hier komen bijvoorbeeld ook de afspraken over de wachtdienstvergoeding terug.
In de versnellingsagenda van Bo Geboortezorg en ZN zijn meerdere onderdelen opgenomen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, zoals het toewerken naar passende kraamzorg met daarbij behorende passende bekostiging, het werken op rooster, de werk-privé balans en de inrichting van de partusassistentie met wachtdiensten. Ook de instroom van personeel en de balans tussen zzp'ers en kraamverzorgenden in loondienst krijgt aandacht. Ik ben ervan overtuigd dat juist deze brede benadering, de sector in staat stelt te komen tot de benodigde transitie en daarmee een toekomstbestendige en passende kraamzorg.
Het illegale gokplatform Polymarket en de normalisatie van gokken op politiek |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bekende Nederlandse ondernemer in een podcast openlijk vertelde 8.000 euro te hebben gewonnen door te gokken op de Tweede Kamerverkiezingen via het Amerikaanse platform Polymarket?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat een ondernemer en opiniemaker publiekelijk reclameachtige aandacht genereert voor een illegaal gokplatform? Acht u dit wenselijk in het licht van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die publieke figuren dragen?
De Ksa heeft kenbaar gemaakt dat zij van mening is dat Polymarket illegaal kansspelen aanbiedt. Het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning is niet alleen onwenselijk, dit is ook verboden. Het bevorderen van kansspelen die zonder vergunning worden georganiseerd, is eveneens verboden. Onder het bevorderen van kansspelen wordt in ieder geval wervings- en reclamediensten ten behoeve van (illegale) kansspelen verstaan.2 Werving voor een verboden product is in navolging daarvan eveneens niet toegestaan en is des te zorgelijker wanneer dit wordt gedaan door mensen die bekend zijn onder een breed publiek. Dergelijke uitlatingen en in het bijzonder het wekken van de indruk dat het om een financieel product zou gaan, kunnen daarnaast bijdragen aan de normalisatie en miskenning van het feit dat het om gokken gaat. Daarom zijn ook voor vergunde kansspelaanbieders reeds strenge reclameregels van kracht, waaronder het verbod op de inzet van rolmodellen bij reclame voor risicovolle kansspelen.
Deelt u de mening dat dit soort uitlatingen kunnen bijdragen aan de normalisatie van online gokken en daarmee ook het risico op gokverslaving vergroot, zeker onder jongeren en jongvolwassenen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat Polymarket zonder vergunning actief is in Nederland en dat de Kansspelautoriteit (Ksa) het bedrijf als illegaal kansspelbedrijf beschouwt? Zo ja, welke stappen onderneemt de Ksa op dit moment tegen Polymarket?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) om te beoordelen of er sprake is van illegale kansspelen. Zoals genoemd in het antwoord op vragen 2 en 3 is de Ksa van mening dat op deze website sprake is van de mogelijkheid tot gokken. De Ksa beraadt zich op vervolgstappen. Over al dan niet lopende onderzoeken doet de Ksa als onafhankelijke toezichthouder geen uitspraken.
Wordt hierbij ook onderzocht of het platform zich actief richt op Nederlandse gebruikers, onder meer via influencers en Nederlandse content?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom bestaat er in Nederland geen zwarte lijst waarop illegale gokbedrijven openbaar worden vermeld zoals in België bestaat en waar Polymarket op is geplaatst?
De Ksa publiceert geen zwarte lijst met illegale gokbedrijven. Ten eerste omdat hiermee het risico kan ontstaan dat mensen onnodig worden geattendeerd op deze sites. Ten tweede zou een dergelijke lijst, gezien de snelle omloop van illegaal aanbod, continue aangepast moeten worden. De Ksa heeft op haar website en op haar informatieplatform «OpenOverGokken» een overzicht geplaatst van vergunde kansspelaanbieders, genaamd de Kansspelwijzer. Daarnaast publiceert zij informatie over opgelegde sancties aan illegale aanbieders.
In het licht van bovenstaande overweeg ik niet om een zwarte lijst in te voeren in Nederland, maar werk ik juist aan maatregelen om illegaal aanbod beter tegen te gaan, zoals het op zwart kunnen zetten of blokkeren van illegale websites. In de brief van 14 februari jl. is nader uiteengezet om welke maatregelen het gaat.3
Overweegt u zo’n lijst alsnog in te voeren, bijvoorbeeld naar Belgisch model, zodat consumenten beter kunnen worden gewaarschuwd?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat (online) gokken op politiek in Nederland verboden is, ook voor vergunninghoudende aanbieders? Zo ja, welke sancties kunnen worden opgelegd aan bedrijven die dit verbod overtreden? Wordt er onderzocht hoeveel Nederlanders via buitenlandse platforms hebben gegokt op de Nederlandse verkiezingen?
Het klopt dat gokken op politiek in Nederland verboden is. In Nederland zijn weddenschappen bij vergunde kansspelaanbieders toegestaan op sportwedstrijden en elementen van sporten die niet gemakkelijk gemanipuleerd of voorspeld kunnen worden. Indien bedrijven zich hier niet aan houden, treedt de Ksa op. Zij heeft een breed handhavingsinstrumentarium dat varieert van normoverdragende gesprekken tot het opleggen van boetes. De Ksa kan niet zien hoeveel Nederlanders via buitenlandse platforms hebben gegokt op de Nederlandse verkiezingen.
Hoe groot acht u het risico dat cryptogeld en buitenlandse platforms worden gebruikt om de Wet kansspelen op afstand te omzeilen?
De laatste monitoringsrapportage van de Ksa laat zien dat op dit moment ongeveer de helft van het geld wordt ingezet bij illegaal aanbod. Dit kan ook met cryptovaluta zijn.4
Wordt hier structureel op gehandhaafd, bijvoorbeeld in samenwerking met De Nederlandsche Bank of de Financial Intelligence Unit (FIU)?
Ik werk momenteel aan uitbreiding van de instrumenten van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken, zoals geschetst in de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 februari jl.5 Daarbij kijk ik ook naar mogelijkheden om effectiever derde partijen, zoals internetserviceproviders, betaaldienstverleners of mediapartijen aan te kunnen spreken op het aanbieden van hun diensten aan illegale aanbieders.
Aangezien het realiseren van nieuwe wet- en regelgeving tijd kost, en omdat bestrijding van illegaliteit urgent is, heeft de Ksa het initiatief genomen in een Alliantie te kijken wat binnen de huidige wet- en regelgeving aanvullend mogelijk is. Dit heb ik eerder geschetst in de beantwoording van Kamervragen over illegale gokaanbieders die zich richten op jongeren.6
Deelt u de zorgen dat de huidige toezichtcapaciteit van de Ksa onvoldoende is om effectief op te treden tegen buitenlandse gokplatforms die zich richten op Nederlandse spelers?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 werk ik aan uitbreiding van de instrumenten van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken. In de afgelopen jaren heeft de Ksa haar capaciteit stevig uitgebreid, met name op het gebied van toezicht en handhaving. Conform de toezichtagenda 2025 zet de Ksa met prioriteit in op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden. Ook verboden reclame, onder meer door affiliates of influencers, krijgt het komende jaar extra aandacht.7
Kunt u toelichten of er sinds de legalisering van online kansspelen extra middelen of bevoegdheden aan de Ksa zijn toegekend om dit type internationale handhaving te versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, heeft de Ksa de afgelopen jaren haar capaciteit voor toezicht en handhaving stevig uitgebreid. In de brief van 14 februari jl. is daarnaast toegelicht dat de aanpak van illegaal aanbod en deelname daaraan een van de speerpunten is van de nieuwe visie op het kansspelbeleid. Daarom wordt geïntensiveerd door middel van het versterken van het handhavingsinstrumentarium. De Ksa werkt daarnaast samen met haar internationale counterparts om illegaliteit samen terug te dringen. De Ksa neemt deel aan diverse samenwerkingsverbanden, Europees en wereldwijd, waarbij samen wordt opgetrokken richting derde partijen en informatie wordt gedeeld.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met aanbieders van podcasts en mediaplatforms over hun verantwoordelijkheid om geen ruimte te geven aan promotie of verheerlijking van illegaal online gokken?
Het is aan de Ksa als onafhankelijke toezichthouder om aanbieders van podcasts of mediaplatforms erop aan te spreken wanneer via hun platforms wordt geworven voor illegaal aanbod van kansspelen. De Ksa heeft contact gehad met verschillende personen die publiekelijk Polymarket hebben gepromoot rondom de Nederlandse verkiezingen en ze hierop aangesproken. Met deze personen is gesproken over de kwalijkheid daarvan en ze hebben toegezegd zich in de toekomst van dergelijke activiteiten te onthouden.
Kunt u toezeggen de Kamer op korte termijn te informeren over de voortgang van het onderzoek van de Kansspelautoriteit naar Polymarket, inclusief de vervolgstappen en/of sancties?
Over al dan niet lopende onderzoeken van de Ksa kan ik geen uitspraken doen. Wanneer de Ksa sanctiebesluiten neemt die openbaar kunnen worden gemaakt, dan publiceert de Ksa deze op haar website.
Het bericht dat een eruchte moordmakelaar betrapt in cel met telefoon: ’Jomairo D. regelde extreem gewelddadige delicten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beruchte moordmakelaar betrapt in cel met telefoon: «Jomairo D. regelde extreem gewelddadige delicten»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een beruchte moordmakelaar vanuit de penitentiaire inrichting (PI) Zaanstad hoogstwaarschijnlijk met een telefoon opdrachten tot gewelddadige delicten kon geven?
Het is onacceptabel wanneer een gedetineerde met binnengesmokkelde telefoons criminele activiteiten voortzet. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich hier dan ook hard voor in om dit te voorkomen met nieuwe technieken en verschillende vormen van controles. Ik kan echter niet ingaan op de situatie rondom individuele gedetineerden.
Hoe kan het dat op een crimineel van dit kaliber niet in de Afdeling Intensief Toezicht of de Extra Beveiligde Inrichting is geplaatst?
Zoals aangegeven ga ik niet in op situaties van individuele gedetineerden. Wel kan ik in algemene zin een toelichting geven op het plaatsingsproces. Bij de eerste plaatsing wordt door DJI conform de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog) een risicoprofiel vastgesteld op basis van concrete en actuele informatie waarbij er naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. DJI bepaalt vervolgens op grond van de Rspog welke inrichting en regime het meest veilig en passend is. Voor plaatsing op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) of de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) geldt dat elk jaar opnieuw wordt getoetst of de gedetineerde nog steeds voldoet aan de plaatsingscriteria zoals omschreven in de Rspog. Bij deze beoordeling wordt onder meer gekeken naar actuele informatie van politie, OM en van de Penitentiaire Inrichting (PI).
Wat is volgens u de oorzaak dat al jaren een grote hoeveelheid contrabande de PI Zaanstad binnen blijft komen?
Het Justitieel Complex Zaanstad (JCZ) is een zeer grote inrichting en biedt plaats aan circa 900 justitiabelen. Dat neemt niet weg dat ook ik zorgen heb over de hoeveelheid gevonden contrabande. Daarom werkt DJI hard om contrabande te voorkomen, dat geldt ook voor het JCZ. Ik hecht eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terecht zijn gekomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij de fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit of bij de controles van de post.
Middels een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
De hierboven genoemde controles vormen een belangrijk onderdeel van het bestrijden van contrabande. Hierbij geldt dat als bij een eerdere inzet telefoons zijn aangetroffen, dit reden kan zijn om nogmaals te controleren, wat vervolgens weer nieuwe contrabande op kan leveren. Op deze wijze wordt, conform de motie van het lid Ellian, verscherpte controles uitgeoefend.2
Ik vind het van groot belang dat inrichtingen controles uitoefenen en blijf hier dan ook op inzetten middels bovenstaande werkwijze.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat telefoons en andere informatiedragers niet meer de PI Zaanstad binnengebracht worden?
Het weren van contrabande is blijvend onder de aandacht en in ontwikkeling. Er wordt dan ook vanuit de in het regeerprogramma toegekende middelen flink geïnvesteerd in technieken om contrabande tegen te gaan.
Naast de in antwoord 4 genoemde controles, wordt ingezet op het treffen van technische maatregelen bij het tegengaan van contrabande.
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik niet alle maatregelen omschrijven, anders worden criminelen onnodig wijzer en verliezen maatregelen hun effectiviteit. Enkele maatregelen, zoals ook eerder gedeeld met uw Kamer, die ik kan noemen zijn
overgooidetectie, GSM-detectie en de inzet van bodyscanners3. Verder wordt gewerkt aan verscherpte toegangscontroles en zoekacties, detecteren van drones/ telefoons en de jamming van telefoons.
Bent u bereid om de PI Zaanstad onder extra toezicht te stellen, waarbij intensieve onaangekondigde controles worden uitgevoerd onder exclusief toezicht van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid? Zo ja of nee, waarom?
Conform de eerdere motie van het Kamerlid Ellian4 worden er verscherpte controles uitgeoefend door de inzet van risico en informatie gestuurde inzet van controles. De gelaagde werkwijze, zoals in antwoord drie is omschreven, waarbij er meerdere keren op onvoorspelbare wijze wordt gecontroleerd draagt bij aan snelle interventies en concrete vondsten. Dit levert het meeste resultaat op. Ik zal uw Kamer, conform aangenomen motie van Kamerlid Ellian5, in september 2026 informeren over de inzet van de verscherpte controles.
Waarom vinden er zelden vervolgingen plaats op basis van informatie die op telefoons staat die gevonden worden in een PI?
Ik deel de zorgen over voortgezet crimineel handelen in detentie. Ik ga echter niet over de beslissing om over te gaan tot opsporing en vervolging. Dit is aan het Openbaar Ministerie. Wel kan ik aangeven dat de samenwerking tussen het OM, politie en DJI met de komst van Detentie Intelligence Unit (DIU) is versterkt. In de DIU werken zij samen aan analyses en aan het opmaken van informatieproducten over gedetineerden. Deze informatieproducten kunnen vervolgens worden gebruikt bij plaatsingsbeslissingen en het treffen van gepaste maatregelen in de verschillende fasen van detentie, maar eveneens om strafbare feiten, ook in de buitenwereld, op te sporen. Het delen van intelligence levert een belangrijke bijdrage aan de kennispositie van DJI, politie en het OM over (hoog)risicogedetineerden om daarmee maximaal in te kunnen zetten op het aanpakken van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie.
Bent u bereid om bij het Openbaar Ministerie erop aan te dringen dat criminele opdrachten vanuit de gevangenis onacceptabel zijn en dat, ondanks dat een gedetineerde al een hoge straf heeft gehad, maximaal ingezet moet worden op opsporing en vervolging van alle personen die betrokken zijn bij criminele opdrachten vanuit de gevangenis? Zo ja of nee, waarom?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk eind november 2025 beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Ik ben bekend met de beschrijving hierover in het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Het is aan de rechter om te beoordelen of er bij de handelwijze van incassobedrijven zoals Alektum sprake is van misbruik van procesrecht. Dit zal per individueel geval door de rechter moeten worden beoordeeld.
Hieronder benoem ik een aantal verschillende (wettelijke) waarborgen in het rechtssysteem die ervoor zorgen dat het incasseren van private vorderingen goed verloopt en er geen misbruik wordt gemaakt van het procesrecht. Deze waarborgen zien zowel op de buitengerechtelijke incassofase als op de gerechtelijke fase.
In het algemeen geldt dat een schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar dienen te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat geldt evenzeer voor incassodienstverleners.
Per 1 april 2024 geldt de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Deze stelt eisen aan incassodienstverleners, onder meer voor de communicatie met schuldenaren, de informatie die aan hen moet worden verstrekt, de administratie van dossiers en de deskundigheid van personeel. De Wki is van toepassing op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die worden verricht bij in Nederland woonachtige natuurlijke personen voor een derde of na overdracht van een vordering. Dit betekent dat wanneer een partij voor of als rechtsopvolger van de (oorspronkelijke) schuldeiser een vordering buitengerechtelijk probeert te incasseren bij een natuurlijk persoon, deze werkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki vallen.2 Onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wordt onder andere verstaan het bellen en/of schriftelijk aanmanen van de schuldenaar, ongeacht of hiervoor bij de schuldenaar kosten in rekening worden gebracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt toezicht op naleving van de eisen die de Wki aan deze ondernemingen stelt.
Als een vordering niet buitengerechtelijk wordt voldaan, kan de schuldeiser een gerechtelijke procedure starten. Het uitgangspunt is dat eenieder in beginsel toegang heeft tot de rechter, zolang diegene voldoende belang bij een rechtsvordering heeft.3 Het burgerlijk procesrecht bevat meerdere wettelijke waarborgen die moeten voorkomen dat partijen procederen zonder deugdelijke onderbouwing of wanneer zij daar, gelet op de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, in redelijkheid geen belang bij hebben («geen belang, geen actie»). Van misbruik van procesbevoegdheid is niet snel sprake. Het enkele feit dat een vordering weinig kans maakt, levert geen misbruik van procesrecht op. De rechter kan besluiten om een vordering af te wijzen indien wordt geconstateerd dat er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht.4 Hiervan kan sprake zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden en hij in redelijkheid niet tot het instellen van de rechtsvordering had kunnen komen.5 De rechter past dit principe terughoudend toe, gelet op het belang van de toegang tot de rechter.
Daarnaast kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Hierbij wordt een schuldenaar zonder voorafgaande mogelijkheid tot een buitengerechtelijke oplossing gedagvaard. Indien daarvan sprake is, kan dit aanleiding zijn voor een afwijkende proceskostenveroordeling, omdat van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij geen onnodige kosten veroorzaakt.
De rechter kan voorts een hardheidsclausule toepassen bijvoorbeeld wanneer enkel wordt geprocedeerd om een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een overeengekomen betalingsregeling niet zou worden nagekomen, of wanneer – zoals hiervoor toegelicht – sprake is van rauwelijks dagvaarden.6
Daar komt bij dat rechters in zaken ter bescherming van consumenten ambtshalve toetsen of personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (handelaren) hebben voldaan aan de dwingendrechtelijke verplichtingen van het consumentenrecht. Dit omvat onder meer de toetsing van algemene voorwaarden (oneerlijke bedingen) en de naleving van wettelijke informatieplichten, zoals onder andere de correcte toepassing van de wettelijke incassokosten en de onderbouwing van de gevorderde kosten. Indien deze verplichtingen niet zijn nageleefd, kan de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Schulden mogen geen verdienmodel zijn. Alle stappen binnen de keten zijn opzichzelfstaand gerechtvaardigd, maar kunnen als
optelsom soms tot excessen leiden. In de Kamerbrief Aanpak Civiele invordering Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798. zijn maatregelen aangekondigd, waaronder het collectief afbetalingsplan, de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders en de herziening van de financierings- en tariefstructuur van gerechtsdeurwaarders. Deze maatregelen zijn erop gericht om de kostenoploop voor de schuldenaar te beperken en onwenselijke verdienprikkels in het invorderingsproces tegen te gaan. In lijn met de toezegging aan uw Kamer is recent de wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) door het WODC gestart.7 De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van de maatregelen.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 29 maart 20248 uiteen is gezet, is de verkoop en overdracht van vorderingen een gebruikelijke handeling in het handelsverkeer die bijdraagt aan solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen. In die brief is uiteengezet dat de verkoop van vorderingen een breed palet aan varianten omvat en ook veel positieve effecten heeft. Daarbij komt dat de oploop van kosten in het traject van invordering geen verband houdt met de verkoop van de vorderingen, maar met de inning van een vordering. Verdere kostenoploop door invorderingsmaatregelen die niet meer bijdraagt aan het komen tot betaling van de hoofdsom kan leiden tot een ongewenst verdienmodel.9 De maatregelen zijn er dan ook op gericht deze kostenoploop aan te pakken.
Tevens verzocht de motie Ceder c.s. om concrete maatregelen uit te werken waarmee de te vorderen rente bij schulden jegens consumenten wordt gemaximeerd. Dit onderwerp is ook aan de orde gekomen tijdens het Commissiedebat armoede- en schuldenbeleid op 22 mei 2025.10 De voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft aan de Kamer toegezegd om te identificeren of er situaties zijn waarin sprake is van disproportionele renteoploop die in het individuele geval door het wettelijk kader onvoldoende geadresseerd kan worden. Hierbij is specifiek het veld (evenals uw Kamer) uitgenodigd om casuïstiek aan te reiken. Tot dusver zijn er nog geen concrete casussen gemeld.
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Ik ben bekend met het feit dat Klarna verschillende sets algemene voorwaarden hanteert voor de uiteenlopende betaalmethoden die zij aanbiedt.12 Een van die betaalmethoden betreft Buy Now Pay Later (hierna: BNPL). Hierbij gaat Klarna als BNPL-aanbieder een kredietovereenkomst aan met de consument én neemt daarbij de vordering over uit de consumentenovereenkomst (een koopovereenkomst of overeenkomst tot het verrichten van diensten) van de handelaar (derde partij) waarmee de consument de consumentenovereenkomst is aangegaan.13
Doordat sprake is van overdracht van een vordering vallen eventuele door Klarna verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voortvloeien uit BNPL-overeenkomsten onder de reikwijdte van de Wki en rust op Klarna in beginsel een registratieplicht. Klarna staat op het moment dat deze vragen worden beantwoord niet in het register van incassodienstverlening.14 Ik hecht eraan te benadrukken dat het oordeel of het bedrijf voldoet aan de verplichtingen die de Wki stelt bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid ligt en niet bij mij.
De toezichthouder kan op grond van artikel 3 Wki (de registratieplicht) handhavend optreden. Verder is de registratieplicht strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten.
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, ik ben bekend met het versturen van dergelijke betalingsherinneringen en aanmaningen. In de door vier BNPL-aanbieders opgestelde Gedragscode BNPL is onder meer afgesproken dat consumenten kosteloos minimaal één betalingsherinnering ontvangen. Zoals in antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, vallen het opnemen van contact en het sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen voor een derde of na overdracht van een vordering onder de Wki.15
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Ja, de Wki heeft betrekking op de uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden met betrekking tot voldoening door in Nederland woonachtige natuurlijke personen (zie vraag 6). De enige structurele uitzondering betreft publiekrechtelijke incassanten zoals het CJIB en de zogenoemde zelfincassanten. Dit zijn de primaire schuldeisers die de eigen vorderingen zelf innen in plaats van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden uitbesteden aan een geregistreerde incassodienstverlener. Dat wil zeggen dat op deze partijen geen registratieplicht rust. Deze schuldeisers dienen zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Nee, dat klopt niet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is niet in gesprek met Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Dat acht ik ook niet wenselijk. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb benadrukt, is dit ook niet aan mij. Wel heeft mijn ministerie een toelichting gegeven aan onder andere Klarna over de civielrechtelijke gevolgen en wat in de memorie van toelichting bij de Wki is opgenomen over de definitie van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, ongeacht of voor deze werkzaamheden kosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar. Dit nadat in een regulier overleg met de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) was aangegeven dat schuldeisers een belangrijke rol hebben in het naleven van de wet door enkel incassowerkzaamheden te laten verrichten door geregistreerde partijen. Ook omdat hier vanaf 1 oktober 2026 civielrechtelijke gevolgen aan verbonden zijn die ook impact hebben op de schuldeisers zelf.
Omdat het gesprek een toelichtend karakter had en niet zag op een beoordeling van de werkwijze van Klarna, is ervoor gekozen de Inspectie niet bij het gesprek te betrekken.
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 9 en 10 heb ik geen overleg gehad met Klarna over haar naleving van de Wki.
Op grond van artikel 4 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), is het verboden voor incassodienstverleners zonder geldige registratie buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten of aan te bieden. Dit wordt eveneens benadrukt in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In dit kader wil ik toevoegen dat het van groot belang is dat ook BNPL- partijen (waaronder Klarna) zich alsnog inschrijven als zij hun incassowerkzaamheden in de toekomst willen continueren.
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Ja, het overtreden van de registratieplicht is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten.17 Het Openbaar Ministerie (hierna OM) is bevoegd hiertegen op te treden. Iedereen die een vermoeden heeft van het niet naleven door een incassobedrijf van de registratieplicht in de zin van de Wki kan daarvan aangifte doen bij de politie.
De Inspectie JenV ziet erop toe dat de incassosector de registratieplicht naleeft en heeft eveneens een meldpunt Wki, zodat burgers met individuele problemen met een incassodienstverlener hiervan melding kunnen maken.18
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
De Inspectie JenV beschikt over verschillende handhavingsinstrumenten, waaronder de last onder dwangsom, bestuurlijke boete en doorhaling en/of schorsing van een registratie. Naast dit formele handhavingsinstrumentarium beschikt de Inspectie JenV ook over informele instrumenten zoals het voeren van een normoverdragend gesprek met een onderneming en het uitdelen van waarschuwingen. In het geval het geboden is om strafrechtelijk op te treden, is het OM aan zet.
De Inspectie heeft in 2025 tot op heden vijftien keer geïntervenieerd naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. In elf gevallen betrof het de inzet van een informeel handhavingsinstrument (waarschuwingsbrief en/of normoverdragend gesprek) en in vier gevallen de inzet van een formeel handhavingsinstrument (last onder dwangsom of bestuurlijke boete).
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
De Inspectie JenV heeft bij het ministerie kenbaar gemaakt dat zij voor een effectieve uitvoering van haar toezichtstaak aanvullende instrumenten en capaciteit wenselijk acht. In 2026 heb ik, net als vorig jaar, met het oog op een effectieve uitvoering extra middelen beschikbaar gesteld voor de Inspectie JenV ter ondersteuning van haar toezichttaak, waaronder voor uitbreiding van capaciteit en het Meldpunt Wki van de Inspectie JenV.
Ook herkent de Inspectie JenV dat de reikwijdte van de Wki in de praktijk tot vragen en knelpunten leidt. In dat kader wil ik benoemen dat de Invoeringstoets Wki waarin de knelpunten uit de uitvoeringspraktijk zijn geïnventariseerd nagenoeg af is en dat ik momenteel werk aan de kabinetsreactie daarop. De reikwijdte van de wet vormt een expliciet onderdeel van deze toets. Ik verwacht de resultaten dit voorjaar aan uw Kamer te sturen. Ik wil hier nog niet op vooruitlopen. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wetgeving voldoende instrumentarium biedt om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zal de opgedane ervaring in de praktijk met het toezicht de komende periode moeten uitwijzen of deze instrumenten in de uitvoering toereikend zijn.
Op basis van deze bevindingen kan bij de evaluatie van de wet worden beoordeeld of aanvullende regelgeving en toezicht noodzakelijk is. Bovendien treedt het laatste onderdeel van de wet – de civielrechtelijke gevolgen – pas op 1 oktober 2026 in werking.
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Zie antwoord vraag 14.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Bruijn , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De veiligheidsrisico’s van windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) ooit onderzoek gedaan naar brand- en veiligheidsrisico’s van windturbines op land?
Windturbines kunnen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid worden onderzocht als zij daartoe beslissen vanuit hun bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar veiligheidsrisico’s van windturbines op land. Wel is het onderwerp windturbines eenmaal genoemd in een kwartaalrapportage, maar hier was geen sprake van significante veiligheidsrisico’s1.
Zo ja, kan dat onderzoek met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, wilt u de OVV verzoeken dit alsnog te doen?
Nee, een dergelijk verzoek gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. De Onderzoeksraad beslist als zelfstandig bestuursorgaan zelf welke voorvallen en onderwerpen worden onderzocht, en richt zich vooral op situaties waarin burgers voor hun veiligheid afhankelijk zijn van partijen als de overheid, bedrijven of instellingen.
Hoe wordt geborgd dat windturbines van 130 meter en hoger voldoen aan eisen voor externe veiligheid, blusbaarheid en rampenbestrijding?
Deze borging vindt plaats door middel van regelgeving. Voor een of twee windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en afstandsnormen (Bkl). Voor projecten met drie of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet (Bal).
De gebruiksregels in het Bal stellen dat jaarlijks een inspectie dient plaats te vinden vanwege externe veiligheid (artikel 4.428 Bal), sprake is van een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal), en een veilig ontwerp (artikel 4.430 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Daarnaast stelt het Bkl dat bij de inpassing van windturbines in ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met windturbines als «risicobron», bijvoorbeeld op basis van de verplicht berekende risicocontour.
De provincie of gemeente (en in uitzonderlijke gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan de borging en naleving van de eisen. Bovendien kunnen zij de veiligheidsregio altijd vragen om advies. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid heeft een kennisbundel opgesteld voor de vraag welke regels er van toepassing zijn2.
Is er voldoende bluscapaciteit beschikbaar om branden op grote hoogte te bestrijden?
In het algemeen geldt dat branden op grote hoogte moeilijk te bestrijden zijn. In hoogbouw (woningen en bedrijven) worden er daarom extra brandpreventieve eisen gesteld om bewoners te beschermen en de brandweer voldoende in staat te stellen een veilige inzet te doen. Voor windturbines gelden deze eisen niet.
Specifiek voor windturbines geldt dat eerst zal worden geprobeerd de windturbine uit te laten zetten door de beheerder van de windturbine. Het bestrijden van de brand op hoogte is vanwege de slechte toegankelijkheid en besloten ruimte vanwege de veiligheid van het personeel niet mogelijk. De standaardprocedure van de brandweerinzet is daarom dat deze gericht is op het veiligstellen van de omgeving.
Worden omwonenden voldoende geïnformeerd over risico’s en noodprocedures bij brand of technisch falen?
Informeren is aan de initiatiefnemer en vergunningverlenende partij. Tijdens een incident vindt communicatie, ook met omwoners, plaats vanuit de betrokken veiligheidsregio met mogelijk handelingsperspectieven als dat van toepassing is.
Hoe beoordeelt u het incident bij Nieuwleusen, waar brokstukken en gesmolten kunststof neerkwamen op landbouwgrond?
De brand in de windturbine is een vervelende gebeurtenis, zeker ook voor omwonenden. Het is waardevol als er lessen geleerd kunnen worden van dit voorval, bijvoorbeeld om te gebruiken als casuïstiek bij de rekenmethodiek voor externe veiligheidsafstanden van windturbines.
Hoe zijn de opruiming, schadevergoeding en milieuschade bij dergelijke incidenten geregeld?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het beperken van milieuschade en deze na afloop van een incident te herstellen. Omgevingsdiensten houden toezicht hierop vanuit bestuursrechtelijk perspectief. De exploitant kan zich voor de schade verzekeren. Grondeigenaren die schade ondervinden kunnen ook civielrechtelijk stappen ondernemen richting de exploitant.
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger, inclusief blusbaarheid en impact op de leefomgeving?
De huidige wet- en regelgeving voor het plaatsen van windturbines is uitvoerig, ondervangt de impact op de leefomgeving en bestrijdbaarheid en is gebaseerd op de laatste actuele inzichten rondom veiligheidsaspecten van windturbines3. Op dit moment zie ik daarom geen aanleiding een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger.
De voorgenomen wijziging van het Besluit Aanwijzing hoofdspoorwegen met het oog op het slopen van de spoorbrug over de Maas in Maastricht |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inbrengen in de internetconsultatie van het Besluit Aanwijzing hoofdspoorwegen aangaande de spoorlijn Maastricht – Lanaken?1
Herkent u het beeld dat de reacties van zowel Nederlandse als Belgische zijde van de grens negatief zijn? Zo ja, hoe neemt u deze inbreng mee in de verdere besluitvorming?
Hoe verhoudt uw voorgenomen besluit zich tot de aangenomen motie Van Dijk/Dassen d.d. 22 september 2025 (Kamerstuk 36 563-10)? Deelt u dat uw voornemen en de dientengevolge sloop van de brug niet past binnen het verzoek van de motie om samen met uw collega’s uit België en Duitsland kansrijke verbindingen te inventariseren en vervolgstappen te zetten tot reactivatie?
Is er sinds het besluit om niet door te gaan met het project tram Maastricht – Hasselt door u in samenwerking met de Belgische/Vlaamse overheden onderzoek gedaan naar een alternatief? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u daarbij ook de mogelijkheden van de spoorbrug onderzocht? Kunt u aangeven aan welk alternatief u werkt, welk budget u hiervoor heeft en wat de planning is voor realisatie?
Klopt het dat er sinds het stranden van het Spartacusplan geen gezamenlijk overleg is geweest tussen Nederland, het Federale Ministerie van Mobiliteit, de provincies Limburg, de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken en de gemeenten Maastricht en Hasselt over een integrale regionale mobiliteitsvisie voor de corridor Hasselt – Maastricht inclusief de toekomstige rol van het openbaar vervoer?
Bent u bereid een hernieuwd overleg te starten met alle betrokken overheden in Nederland en België om te komen tot een gezamenlijk gedragen visie op de ontwikkeling van een toekomstbestendige hoogwaardige OV-verbinding tussen Hasselt en Maastricht welke ook bijdraagt aan een verbeterde verbinding tussen Antwerpen en Maastricht en tussen Hasselt en Aachen conform de motie Van Dijk/Dassen?
Deelt u de mening dat de spoorbrug in de verbinding Maastricht – Lanaken in de toekomst mogelijk noodzakelijk kan zijn voor de weerbaarheidsopgave op het Nederlandse en Belgische spoor gezien de beperkte redundantie in de bestaande west-oostverbindingen?2
Kunt u bevestigen dat circa 15 jaar geleden 33 miljoen euro is besteed aan renovatie van deze spoorbrug?
Kunt u verantwoorden waarom u daarbovenop nu circa 10 miljoen euro, die bestemd was voor een verbeterde OV-verbinding tussen Maastricht en Hasselt, wilt inzetten voor de sloop van deze brug?
Waarom behoudt u het genoemde budget van 10 miljoen euro niet voor het verbeteren van de OV-verbinding tussen Maastricht en Hasselt?
Heeft u of de provincie Limburg een marktconsultatie gedaan onder vervoerders om te zien of er interesse is om te rijden met treinen tussen Hasselt, Lanaken en Maastricht bijvoorbeeld als onderdeel van de nieuwe OV-concessie voor Nederlands Limburg vanaf 2031? Zo nee, waar baseert u de conclusie op dat er geen interesse is in spoorvervoer via deze verbinding? Bent u bereid alsnog een marktconsultatie te doen?
Klopt het dat er geen overleg is geweest tussen uw ministerie en de consumentenorganisaties in het Locov over de sloop van de spoorbrug terwijl het Locov een wettelijke adviesorgaan is voor reizigersrelevante spoorse zaken? Klopt het dat het Locov ook niet proactief is geïnformeerd over de door u genomen besluiten over de spoorbrug in het BO-MIRT? Hoe heeft u het reizigersbelang in uw besluitvorming geborgd?
Deelt u de mening dat behoud van de brug onderdeel kan zijn van de oplossing om alsnog te komen tot een snelle OV-verbinding tussen beide steden?
Kunt u bevestigen dat technisch gezien een reistijd van circa 25 minuten tussen Hasselt en Maastricht haalbaar is als de spoorlijn gereactiveerd zou worden terwijl de reistijd per bus of trambus circa 70 minuten zal zijn?
Bent u bereid ter uitvoering van voornoemde motie en in het licht van het initiatief van Rover en Trein Tram Bus en gezien het mogelijke belang voor de weerbaarheid van ons land uw voorgenomen besluit ten aanzien van het verwijderen van de spoorverbinding Maastricht – Lanaken uit de hoofdspoorweginfrastructuur in te trekken? Zo nee, wilt u deze vragen dan beantwoorden voor het CD Spoor d.d. donderdag 18 december 2025 en uw definitieve besluit niet nemen voordat de Kamer deze heeft kunnen bespreken?
Een op te richten Europese “intelligence unit” |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU to set up new intelligence unit under Ursula von der Leyen»?1
Ja.
Bent u betrokken bij de plannen om een nieuwe «intelligence unit» op te zetten? Zo ja, wat is uw betrokkenheid of de betrokkenheid van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Is het plan voor de nieuwe intelligence unit gedeeld met de lidstaten van de Europese Unie? Zo ja, wat was de inhoud van de informatie over dat plan? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze moet de nieuwe unit gegevens van de AIVD of MIVD gaan verzamelen en gebruiken?
Past het gebruik van die gegevens binnen de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van deze Nederlandse diensten, inclusief het toezicht daarop? Zo ja, welke juridische grondslag betreft dat? Zo nee, waarom niet?
Gaat Nederland medewerkers van de AIVD of MIVD bij de nieuwe unit detacheren? Zo ja, hoeveel medewerkers betreft dat naar verwachting? Wat is de juridische status waaronder die medewerkers bij de unit gaan werken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het al dan niet beschikbaar stellen van informatie die door de nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt vergaard aan die lidstaten zelf overgelaten moet blijven worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tijdig op de hoogte brengen en blijven houden over de voortgang van de plannen over de nieuw op te richten intelligence unit?
Ja, indien er een voorstel van de Europese Commissie gepubliceerd wordt, zal ik uw Kamer zoals gebruikelijk hierover informeren middels een kabinetsreactie.
De kleinste gasvoorraad in jaren |
|
André Flach (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Nederland nu de kleinste gasvoorraad heeft in jaren, dat de Europese vuldoelstelling voor 1 november 2025 net niet is gehaald en dat ook de nationale vuldoelstelling van 80% nog niet is gehaald1?
Ja.
Hoe waardeert u deze vulgraad?
In de brief van 13 november jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de actuele vulgraden en duiding daarvan.2 In deze brief is toegelicht dat de aanvoer van gas naar Europa en Nederland stabiel is en de prijzen op de groothandelsmarkt al langere tijd relatief laag en stabiel zijn. Op peildatum 1 november waren de gasopslagen voor een groot deel gevuld, maar lag de vulgraad net onder de EU-vulverplichting voor Nederland en het nationale vuldoel. Deze ontwikkeling was niet alleen zichtbaar in Nederland, maar ook in andere Europese lidstaten. Daarbij geldt dat het beeld ten aanzien van de gasopslagen in Nederland positiever is dan in sommige andere Europese landen, omdat in Nederland naar verhouding een groter deel van het jaarlijks verbruik is opgeslagen. Op basis van de huidige inzichten zijn er op dit moment geen zorgen ten aanzien van de leveringszekerheid. Uiteraard houdt het kabinet de situatie nauwlettend in de gaten.
Kunt u schetsen welke risico’s Nederland loopt bij een verstoring van de gaslevering of een koude winter?
In de brief van 13 november jl. is het kabinet nader ingegaan op de mogelijke gevolgen voor de leveringszekerheid. Het kabinet heeft toegelicht, op basis van analyse van Gasunie Transport Services (GTS), dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt om op een koude dag te voldoen aan de piekvraag. Er is ook genoeg volume om de winter door te komen. Alleen in een extreem koude winter zou er een beperkt tekort kunnen ontstaan. Indien een dergelijke extreme situatie zich zou voordoen, ziet het kabinet voldoende manieren om dit in de praktijk op te vangen, waaronder inzet van gas uit de gascavernes en extra import van LNG naar Noord-West Europa. In de analyse van GTS is niet alleen rekening gehouden met temperatuur, maar ook met beperkte uitval van toevoer (ongeacht de oorzaak daarvan) en van de capaciteit van de grootste gasinfrastructuur.3
Wat is uw inzet om ongewenste prijspieken en verstoringen van de gasmarkt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken?
Het kabinet houdt de goede werking van de gasmarkt en prijzen op de groothandelsmarkt nauwlettend in de gaten. De afgelopen weken zijn de prijzen gedaald. Prijzen op de groothandelsmarkt liggen op dit moment (peildatum 5 december) tussen de 27 en 28 euro per MWh, het laagste niveau sinds ruim een jaar. In algemene zin zien we dat in de voorbije maanden de prijzen op de groothandelsmarkt en consumentenmarkt vrij stabiel zijn geweest.
Prijzen komen tot stand door vraag en aanbod. Fluctuerende prijzen zijn een teken van een goed functionerende markt en zorgen dat vraag en aanbod in balans blijven. Zo kan een prijsstijging op de Nederlandse gashandelsplaats TTF (in vergelijking met buurlanden) ervoor zorgen dat het minder aantrekkelijk wordt om gas uit Nederland te exporteren waardoor de export (en dus vraag) daalt, waardoor de situatie zich kan stabiliseren en prijzen weer kunnen dalen. Het kabinet kan prijspieken, hoewel ongewenst, niet voorkomen. Uiteraard blijft het kabinet wel de betaalbaarheid in de gaten houden.
Het structureel verminderen van de afhankelijkheid van gas door verduurzaming (elektrificatie en isolatie) vormt de beste waarborg tegen toekomstige prijsstijgingen op de gasmarkt. Daarnaast is er voor consumenten ruim keuze in vaste contracten. Op dit moment heeft de meerderheid van de Nederlandse huishoudens zich voor een langere periode verzekerd tegen prijsschommelingen door het afsluiten van een vast contract van 1 jaar of langer.
Moorden op en ontvoeringen van leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk in de Ethiopische regio Arsi |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van aanvallen gericht tegen leden van de Ethiopisch Orthodoxe Kerk, waar in de Addis Standard melding van wordt gemaakt?1
Ja.
Welke informatie heeft u over de moorden die in oktober in Arsi gepleegd zijn?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft bevestigt de vermoedelijk religieuze dimensie van deze aanvallen. Naast religie spelen echter mogelijk ook andere dimensies een rol, waaronder etniciteit, historische binnenlandse spanningen tussen bevolkingsgroepen en een actueel conflict tussen de federale overheid en lokale en regionale milities en rebellengroepen. De aanslagen zijn niet opgeëist en het is vooralsnog niet mogelijk gebleken te achterhalen wie de daders waren en wat hun motief was.
Klopt het volgens uw informatie dat er sinds 2021 al 190 orthodoxe gelovigen in dit gebied zijn vermoord?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft, bevestigt dat er in de afgelopen jaren vele orthodox gelovigen slachtoffer zijn geworden van geweld. Over het precieze aantal heeft het kabinet geen informatie.
Bent u bekend met de moordpartij uit augustus 2024, die ook in de Addis Standard wordt genoemd, waarbij onder de doden ook een priester was?
Ja.
Wat is volgens de informatie over de situatie in Ethiopië waarover u beschikt de reden dat specifiek leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk doelwit zijn geworden van geweld in deze regio?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het kabinet erkent daarnaast de religieuze dimensie in het geweld van de recente aanvallen, waarbij leden van de Ethiopisch Orthodoxe kerk slachtoffer waren. Historisch gezien verschillen de slachtoffers van aanvallen per gebied binnen de Oromia regio, en is het motief niet altijd duidelijk. Het kabinet veroordeelt met klem doelbewuste aanvallen op minderheden, waaronder Ethiopisch orthodoxe christenen.
Hoe duidt u de informatie die de aanval uit augustus 2024 aan het Oromo Liberation Army (OLA) toeschrijft?
De informatie die het kabinet tot zijn beschikking heeft over deze aanval is niet eenduidig. In de praktijk is de Oromo Liberation Army (OLA) geen homogene, centraal-gestuurde groepering. OLA opereert gefragmenteerd en vanuit uiteenlopende motieven. In de regio zijn ook andere gewapende groeperingen actief. Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren.
Hoe duidt u de berichtgeving van de Addis Standard waarin het OLA juist de regering ervan beschuldigt verantwoordelijk te zijn voor de moorden die in oktober gepleegd zijn?2 Wie is er volgens de informatie waar u over beschikt verantwoordelijk voor de moorden op de orthodoxe gelovigen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van Dr. Caleb Ta, gepubliceerd op de website Borkena, dat het gaat om doelgerichte, geplande aanvallen en dat lokale autoriteiten deze aanvallen stilzwijgend goedkeuren of zelfs coördineren? Zo nee, waarom niet?3
Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen wie de daders waren. Vrij snel na de aanvallen van eind oktober en begin november werd door diverse nationale actoren in Ethiopië, inclusief door de Ethiopische mensenrechtencommissie en de Ethiopisch Orthodoxe kerk, opgeroepen tot een onafhankelijk en openbaar onderzoek. De Ethiopische regering heeft hierop gereageerd door de Interreligieuze Raad, bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende religieuze denominaties, te verzoeken een onderzoek naar de aanvallen in te stellen.
Bent u bereid de Ethiopische regering ertoe op te roepen orthodoxe gemeenschappen in deze regio te beschermen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Nederland volgt de situatie in Ethiopië nauwlettend. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een vaste prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid, en zorgen over de positie van kwetsbare groepen worden consequent geagendeerd waar dat relevant en nodig is. Zo roept het kabinet in gesprekken met vertegenwoordigers van de overheid de Ethiopische regering consequent op om de eigen burgers beter te beschermen tegen geweld. Ook in EU- en VN-verband roept Nederland op tot bescherming van eigen burgers en met name kwetsbare groepen.
Inflatie |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel op de website van de NOS van 31 oktober jl. «Ook in oktober zakt de inflatie maar niet verder terug»?1
Ja.
Wat is volgens u de oorzaak dat de inflatie relatief hoog blijft?
In november kwam de inflatie (cpi) uit op 2,9% bij de snelle raming van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met name de prijzen van diensten (+4,3%) en voedingsmiddelen, dranken en tabak (+3,1%) droegen deze maand positief bij aan de prijsstijgingen.2
Voor 2025 raamt het Centraal Planbureau (CBP) de inflatie op 3,2%, en voor 2026 verwacht het Planbureau een verdere daling richting de 2,3%.3 Over het gehele jaar 2025 genomen hebben vooral de voedselinflatie, diensteninflatie en huren een opwaarts effect op de inflatie.
Hoe hebben de lonen en de inflatie zich de afgelopen 10 jaar elk jaar ontwikkeld? In de Miljoenennota 2024 schreef het kabinet dat mogelijk in 2025 de lonen de hoge inflatie van de afgelopen jaren zou inhalen; is dat ondertussen gebeurd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Als dat inderdaad ondertussen is gebeurd, betekent dit dat sinds de coronatijd mensen minder te besteden hebben gehad vanwege de hoge inflatie?
Tussen 2015 en oktober 2025 is het prijsniveau met 36,4% gestegen.4 In dezelfde periode zijn de Cao-lonen met 40,3% gestegen. Vanaf 2019 tot oktober 2025 zijn de cao-lonen met 29,9% gestegen.5 In diezelfde periode is het prijsniveau met 28,5% gestegen. De lonen zijn de afgelopen periode dus sneller gestegen dan de inflatie.
Of mensen meer of minder te besteden hebben wordt gemeten door de koopkracht, die naast de loon- en prijsontwikkeling ook rekening houdt met inkomensbeleid vanuit het kabinet. De mediane koopkracht is sinds de corona-periode gestegen, met name door een forse stijging van 2,8% in 2024. Mensen in Nederland hebben dus meer te besteden sinds de coronatijd.
Kan het zijn dat in oktober 2025 de winsten vooral, weer, hebben gezorgd voor hogere prijzen; in 2024 in een ESB-artikel werd geconstateerd dat vooral de winsten en niet de lonen zorgden voor inflatie, en in de Miljoenennota van 2024 constateert het kabinet dat er inderdaad sprake van winstflatie kan zijn?2 Hoe staat het marco-economisch met de verdeling tussen geld voor lonen en mensen en geld voor lonen voor winsten en aandeelhouders? Wat is het verloop van deze verdeling (de arbeidsinkomensquote) over de afgelopen 10 jaar inclusief oktober 2025?
Een uitsplitsing van het CPB in het Centraal Economisch Plan eerder dit jaar laat zien dat vooral het bruto-exploitatiesaldo de inflatie tussen 2021 en 2023 verklaarde. Vanaf 2023 slaat dit beeld om en draagt de loonsom meer bij.7
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat in oktober 2025 de inflatie voornamelijk werd gedreven door hogere winsten. Wel is het duidelijk dat de diensteninflatie dit jaar fors bijdraagt aan de inflatie; deze was 4,5% in oktober. Gegeven het hoge loonaandeel in de dienstensector, lijkt dit het beeld vanuit het CPB te bevestigen dat het juist de lonen zijn, en niet de winsten, die de inflatie stuwen.
Het CBS heeft nog geen cijfers gepubliceerd over de arbeidsinkomensquote (AIQ) in 2025. Het meest recente cijfer gaat over 2024, toen lag de AIQ-marktsector op 69,9 procent.8 De figuur hieronder laat de ontwikkeling zien van de afgelopen tien jaar.
Hoeveel geld zou er beschikbaar komen voor geld voor lonen en mensen als de verdeling tussen geld voor lonen en mensen en geld voor winst en aandeelhouders weer zou zijn zoals voor de coronacrisis? Hoeveel miljarden zouden er in dat geval nog steeds naar winst gaan?
Deze berekening is niet goed te maken. Winsten worden deels opnieuw geïnvesteerd in de economie en dragen daarmee bij aan de economische groei en productiviteitsgroei. Dit wordt vaak gevolgd door meer werkgelegenheid en hogere lonen. Het ingrijpen op de winsten kan leiden tot lagere investeringen en daarmee ook op de lonen. Hierdoor is het niet mogelijk om een accuraat antwoord te geven op deze vraag.
Wat betekent het voor het inkomen van de overheid als er meer van het geld dat verdiend wordt naar lonen gaat en minder naar winsten? Hoeveel belasting ontvangt de overheid gemiddeld voor elke euro die naar lonen gaan? Hoeveel belasting ontvangt de overheid gemiddeld voor elke euro die naar winsten gaat?
Zoals beschreven in antwoord vijf is deze vergelijking niet zomaar te maken. Bij een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op winst moet namelijk rekening worden gehouden met het feit dat dit kan leiden tot lagere investeringen en verplaatsing van bedrijvigheid naar het buitenland. Het effect op de werkgelegenheid, lonen en inkomen voor de overheid is daarmee vooraf niet in te schatten.
Looninkomsten worden progressief belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Daarnaast dragen werkgevers premies af over (een deel van) de loonsom. Winsten van bedrijven worden belast in de vennootschapsbelasting. Afhankelijk van de mate waarin een bedrijf gemaakte winst uitkeert, vindt aanvullend belastingheffing plaats over dit inkomen via de dividendbelasting (of box 2 van de inkomensheffing in het geval van een aanmerkelijk belang). Voor zover een euro extra winst ten koste gaat van een extra euro loon, staan tegenover hogere vpb-inkomsten dus inderdaad lagere belastinginkomsten op arbeid. Het netto effect op de belastinginkomsten is afhankelijk van de marginale belastingdruk van zowel het bedrijf als de werknemer. Deze belastingdruk verschilt sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Een kwantitatieve inschatting op macroniveau van een dergelijke schuif is niet beschikbaar.
Bent u bekend met het interview in de Volkskrant van 4 november 20251 met dr. Rachel Imamkhan over het Nederlandse beleid inzake strafoverdracht?
Ja, het interview is mij bekend.
Bent u bekend met de uitspraak van het gerechtshof Den Haag2 waarin werd geoordeeld dat de detentieomstandigheden van Jaitsen Singh in de Verenigde Staten leiden tot een «humanitair onwenselijke situatie» en de Nederlandse regering een verzoekt tot overplaatsing moet indienen?
Ja, de uitspraak is mij bekend. Het verzoek tot strafoverdracht is reeds ingediend bij de Amerikaanse autoriteiten.
Klopt het dat Nederland pas na maanden en pas op het laatste moment een overbrengingsverzoek heeft ingediend voor de heer Singh, en dat dit verzoek aanvankelijk summier was geformuleerd zodat het risico op afwijzing groot was?
De brief met het verzoek is op 19 september 2025 verstuurd naar de Amerikaanse autoriteiten. Dit was binnen de door het gerechtshof gestelde termijn van vier weken. Bij verzoeken tot strafoverdracht wordt gebruik gemaakt van een standaardbrief. Bij hoge uitzondering en op hun verzoek, is aan de raadslieden van de heer Singh de mogelijkheid geboden om hierop mee te lezen, wat tot wijzigingen in de brief heeft geleid. Dit heeft tot gevolg gehad dat het proces meer tijd in beslag heeft genomen dan wanneer een standaardbrief zou zijn gebruikt.
Kunt u toelichten waarom het ministerie in deze zaak niet proactief heeft gehandeld, ondanks de terminale gezondheidstoestand van betrokkene?
De zaak Singh voldoet niet aan de criteria van het WOTS-beleidskader.3 Daarom oordeelde de regering dat hij niet in aanmerking kwam voor strafoverdracht. Volgens het Hof is de Staat in redelijkheid tot het standpunt gekomen dat hij onvoldoende binding met Nederland heeft, maar zijn er bij de zaak van dhr. Singh uitzonderlijke omstandigheden die toch de inzet van strafoverdracht rechtvaardigen.
De regering wijkt in dit specifieke geval, conform het arrest van het Hof, af van het beleidskader. Ik verwijs u ook graag naar het antwoord op eerder gestelde Kamervragen, waaruit blijkt dat de Staat zich wel degelijk heeft ingespannen om de heer Singh te ondersteunen.4 Op dit moment zet ik ook alle diplomatieke middelen in die het proces van positieve besluitvorming aan de kant van de Verenigde Staten kunnen bespoedigen.
Hoe vaak heeft Nederland sinds 2010 een overbrengingsverzoek afgewezen op basis van het criterium «gebrek aan binding met Nederland»? Kunt u dit uitsplitsen naar jaar en motivering?
Onderstaande cijfers zijn van inkomende verzoeken op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS). Het gaat om afgesloten dossiers waarin in alle gevallen niet aan het bindingsvereiste werd voldaan. Andere criteria van het WOTS-beleidskader kunnen in deze dossiers ook een rol hebben gespeeld.
2016: 3
2017: 4
2018: 5
2019: 6
2020: 4
2021: 9
2022: 7
2023: 14
2024: 7
2025: 135
De cijfers met betrekking tot reden van afwijzing in de jaren 2010–2015 kunnen niet worden gegenereerd, omdat dit niet op deze wijze werd geregistreerd en vanwege een wisseling van het systeem.
Waarom hanteert Nederland eisen die niet voortvloeien uit internationale verdragen, zoals de eis dat een gedetineerde niet langer dan vijf jaar uit Nederland mag zijn vertrokken vóór arrestatie?
Op grond van artikel 2 WOTS dient een verdrag ten grondslag te liggen aan de overbrenging van een gevonniste naar Nederland.6 Uit artikel 10, «general considerations» van het Explanatory Report bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) blijkt dat bij het verdrag aangesloten lidstaten zelf de kaders kunnen invullen met betrekking tot de weigeringsgronden voor een verzoek tot strafoverdracht. In het Nederlands rechtssysteem is dit ingekleurd door middel van het WOTS beleidskader en in jurisprudentie. In het beleidskader is opgenomen dat bij het bepalen of er sprake is van binding, onder meer gekeken wordt naar waar betrokkene feitelijk woonachtig is (inschrijving in de BRP) en hoe lang, waar hij werkt, waar het gezin verblijft dan wel de familie en zo meer.7
Dat een gedetineerde niet langer dan vijf jaar uit Nederland mag zijn vertrokken vóór arrestatie is op zichzelf geen harde voorwaarde. Binding met Nederland is een harde voorwaarde voor overbrenging. Het doel van de overbrenging van gevonniste personen is om de kans op resocialisatie van de veroordeelde te vergroten en het risico van recidive te verkleinen doordat de tenuitvoerlegging van een straf in het land gebeurt waar de veroordeelde onderdaan is en/of woont en geworteld is. Re-integratie in de Nederlandse samenleving is zinloos als er geen wezenlijke relatie is met Nederland. Het Nederlanderschap alleen is daarvoor niet voldoende. Bij het bepalen of er sprake is van binding, wordt onder meer gekeken naar waar en hoe lang betrokkene feitelijk woonachtig was. Wanneer betrokkene zijn banden met Nederland heeft verbroken, bijvoorbeeld door zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen en meer dan vijf jaar buiten Nederland te wonen, en onvoldoende is gebleken dat hij het doel had zijn hoofdverblijf in Nederland later weer op te pakken, komt hij niet in aanmerking voor overbrenging. In een dergelijk geval is het resocialisatiebelang immers niet met een overbrenging gediend.8
Hoe verhoudt deze bindingseis zich tot situaties waarin een veroordeelde na veroordeling wordt uitgezet uit het land van detentie? Is er dan nog sprake van een reële toets op binding?
Voor personen die ongewenst zijn verklaard en na hun invrijheidstelling kunnen worden uitgezet naar Nederland geldt het bindingsvereiste ook. Er bestaat in het kader van de WOTS geen internationale verplichting om veroordeelden waarbij dit aan de orde is, over te nemen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt, en tot de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm?
Uit het beleidskader blijkt dat de WOTS een penitentiair instrument is. Het is dus niet humanitair van aard. Het doel is resocialisatie van de gedetineerde. In de WOTS is vastgelegd dat de overbrenging van een strafvonnis naar Nederland uitsluitend kan plaatsvinden op basis van een verdrag. Dit heeft twee redenen. Ten eerste is Nederland niet bereid strafvonnissen ten uitvoer te leggen die in strijd met fundamentele beginselen van een behoorlijke strafprocedure tot stand zijn gekomen. Een tweede reden voor het eisen van een verdragsbasis is dat een verdrag het juridisch kader biedt voor de staat van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging voor elke overbrenging.9 Op deze wijze wordt gewaarborgd dat zorgvuldig en rechtvaardig wordt omgegaan met de overdracht van een persoon naar een ander land, waarbij de rechten van de betrokkene, zoals recht op een eerlijk proces en bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandeling, worden gewaarborgd.
Een gestelde schending van het verbod op folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zoals neergelegd in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zal primair in het land van veroordeling aan de orde moeten worden gesteld voor zover het ziet op detentie.
Bent u bereid om het beleid inzake strafoverdracht te herzien, zodat humanitaire omstandigheden zoals leeftijd, ziekte, familiebanden en detentieomstandigheden kunnen worden meegewogen en het beleid daarmee in overeenstemming wordt gebracht met internationale verdragen? Zo nee, waarom niet?
De WOTS en de WOTS-verdragen zijn penitentiaire instrumenten. Om die reden ben ik niet bereid om het beleid inzake strafoverdracht te herzien, zodat humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen.
Ik heb op 25 november 2025 cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van het hof Den Haag in de zaak Singh. Ik acht het van zaaksoverstijgend belang om enkele cassatiegronden voor te leggen aan de Hoge Raad. Ik zal mij, hangende deze cassatieprocedure, onverminderd blijven inzetten voor de naleving van het door het hof uitgesproken gebod.
Ik wil niet vooruitlopen op het arrest van de Hoge Raad. Zodra duidelijk is wat de Hoge Raad heeft geoordeeld, zal ik uw Kamer hierover informeren en de afweging maken of dit aanleiding geeft tot een eventuele aanpassing van het WOTS-beleidskader.
Hoe waarborgt u dat beslissingen over strafoverdracht transparant en toetsbaar zijn, en dat gedetineerden rechtsbescherming genieten bij afwijzing van hun verzoek?
Bij een verzoek tot strafoverdracht vanuit het buitenland, wordt de gedetineerde, dan wel door Nederland, dan wel door het land van veroordeling, op de hoogte gesteld van een eventuele afwijzing. Het verstrekken van inlichtingen is een gedeelde verantwoordelijkheid, zoals opgenomen in artikel 4 VOGP. De autoriteiten in het land van veroordeling ontvangen vanuit Nederland een brief met daarin de redenen voor afwijzing. Het staat de gedetineerde vrij om aanvullende stukken aan te dragen op grond waarvan het standpunt kan worden heroverwogen. De betrokkene kan zich tot de civiele rechter wenden indien hij/zij het niet eens is met de beslissing tot afwijzing.
Gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland vastzitten, krijgen daarnaast consulaire bijstand van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid te bezien of de beoordeling van overbrengingsverzoeken ondergebracht kunnen worden bij een onafhankelijke rechter in plaats van bij de Minister, om politieke beïnvloeding te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid te bezien of beoordeling van overbrengingsverzoeken ondergebracht kunnen worden bij een onafhankelijke rechter. Ik zie geen reden om het huidige proces omtrent de beoordeling van overbrengingsverzoeken aan te passen. De rechten van de betrokkenen worden op een deugdelijke wijze gewaarborgd. Ik verwijs u verder naar het antwoord bij vragen 12 en 13 hieronder.
Erkent u dat er momenteel geen effectieve rechtsbescherming bestaat voor Nederlandse gedetineerden in het buitenland bij de beoordeling van strafoverdrachtsverzoeken?
Dit erken en deel ik niet. Vooropgesteld wordt dat aan de WOTS geen recht op overbrenging kan worden ontleend. De WOTS voorziet niet in een rechtsmiddel voor een gedetineerde tegen een besluit van de Minister om de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis niet over te nemen.
Een dergelijke rechtsgang past niet in het systeem van de wet omdat dat zou veronderstellen dat de gedetineerde een afdwingbaar recht heeft te opteren waar hij een aan hem opgelegde sanctie ten uitvoer gelegd wenst te zien.11 Nederlandse gedetineerden in het buitenland genieten desalniettemin effectieve rechtsbescherming bij de beoordeling van strafoverdrachtsverzoeken. Ten eerste wordt de beoordeling van dergelijke verzoeken geregeld door de WOTS, die waarborgen biedt voor een zorgvuldige procedure. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 10, ontvangen de autoriteiten in het land van veroordeling in voorkomende gevallen een brief met daarin de reden voor afwijzing van het verzoek tot strafoverdracht. Ten tweede heeft Nederland mechanismen om ervoor te zorgen dat de rechten van gedetineerden ook buiten de landsgrenzen gewaarborgd blijven, bijvoorbeeld door de mogelijkheid tot het starten van een kort geding bij de nationale rechter, al dan niet gevolgd door een bodemprocedure, hoger beroep en cassatieberoep.
Ook kan de gedetineerde zich wenden tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in geval van het vermoeden van schending van fundamentele rechten.
Deelt u de bevinding uit het proefschrift van dr. Imamkhan3 dat veroordeelden geen toegang hebben tot een transparante, toetsbare procedure en dat besluiten tot afwijzing niet gemotiveerd hoeven te worden?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid om de voorwaarde uit artikel 2 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) – waarin wordt geëist dat Nederland alleen verdragen sluit met landen waarin voldoende vertrouwen bestaat in het rechtsstelsel – te heroverwegen en op korte termijn een wijziging voor te stellen?
Deze eis volgt niet uit artikel 2 van de WOTS. Dit artikel bepaalt alleen dat tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse rechterlijke beslissingen niet geschiedt anders dan krachtens een verdrag.12
Gelet op het voornoemde houd ik vast aan de voorwaarde uit artikelrtikel2 WOTS en zie ik geen reden om deze te heroverwegen of een wijziging voor te stellen.
Deelt u de opvatting dat deze verdragsvoorwaarde Nederland belemmert in het bieden van humanitaire bescherming aan gedetineerden?
Ik deel deze opvatting niet. Zoals gezegd is de WOTS een penitentiair instrument. Het bieden van humanitaire bescherming is geen doel van de WOTS. Dit laat onverlet dat gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland zitten, altijd bijstand vanuit Buitenlandse Zaken (consulaire bijstand) kunnen krijgen.
De toegankelijkheid van stembureaus |
|
Glimina Chakor (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Geen toegang voor gehandicapten? Een stembureau onwaardig»?1
Ja.
Klopt het dat een ouder of begeleider niet mee het stemhokje in mag om ondersteuning te leveren bij mensen met een (verstandelijke) beperking of mensen die niet (voldoende) kunnen lezen of schrijven?
De Kieswet bepaalt dat alleen mensen met een fysieke beperking hulp in het stemhokje mogen ontvangen. Dit betekent dus dat mensen met een andere beperking en mensen die niet (voldoende) kunnen lezen of schrijven geen recht hebben op assistentie bij het stemmen. Op 21 november 2025 is een wetsvoorstel aan uw Kamer gestuurd dat hulp in het stemhokje mogelijk moet maken voor iedereen die aangeeft deze hulp nodig te hebben.2
Herkent u dit spanningsveld tussen het kiesrecht van mensen met een beperking of mensen die laaggeletterd zijn en het stemgeheim en het tegengaan van stembeïnvloeding? Welke mogelijkheden ziet u voor ondersteuning bij het stemmen van mensen met een (verstandelijke) beperking of laaggeletterdheid?
Alle kiesgerechtigden moeten hun stem kunnen uitbrengen. Sommige mensen hebben hier hulp bij nodig. Bijvoorbeeld omdat zij een verstandelijke beperking hebben, niet goed kunnen lezen of schrijven of omdat zij dementie hebben. Op dit moment kunnen mensen zonder een fysieke beperking hulp buiten het stemhokje krijgen. Het stemmen zelf moeten zij vervolgens zelfstandig doen. Het wetsvoorstel Bijstand in het stemhokje regelt dat iedereen die dat wenst hulp bij het stemmen kan krijgen door een daartoe getraind stembureaulid. Aangezien stembureauleden neutraal zijn en geen persoonlijke relatie met de kiezer hebben, zal er weinig risico op beïnvloeding van de kiezer zijn. Ik zie dit als een mogelijkheid die recht doet aan de wens voor ondersteuning in het stemhokje, maar ook de inbreuk op het stemgeheim en de stemvrijheid zo beperkt mogelijk houdt.
Hoe rijmt u het huidige gebrek aan ondersteuning voor mensen met een beperking, in het bijzonder mensen met een verstandelijke beperking, met het VN-verdrag inzake gelijke rechten van mensen met een handicap? Bent u het ermee eens dat het voor de uitvoering van dit verdrag essentieel is dat mensen met een beperking hun kiesrecht, zowel actief als passief, kunnen uitoefenen?
In het VN-verdrag handicap is het recht op actief en passief kiesrecht voor mensen met een beperking neergelegd. Op grond van artikel 29 van het VN-Verdrag handicap hebben personen met een handicap het recht om op hun verzoek ondersteuning te ontvangen door een persoon naar keuze bij het uitbrengen van hun stem. Nederland heeft dit verdrag geratificeerd en neemt maatregelen om het verdrag te implementeren.
Bij artikel 29 van het verdrag heeft Nederland een interpretatieve verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt in dat Nederland het woord «ondersteuning» zo interpreteert dat mensen met een fysieke beperking in het stemhokje én buiten het stemhokje ondersteuning mogen krijgen door een persoon naar keuze bij het uitbrengen van hun stem en dat alle andere mensen met een beperking alleen buiten het stemhokje ondersteuning bij het stemmen mogen ontvangen. Het wetsvoorstel bijstand in het stemhokje zorgt ervoor dat straks alle kiezers hulp in het stemhokje kunnen ontvangen en draagt eraan bij dat mensen met een beperking beter in staat zijn om hun actief kiesrecht te kunnen uitoefenen.
Hoeveel stembureaus waren er bij de afgelopen verkiezingen volledig toegankelijk voor mensen met een beperking?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aantal stemlokalen dat bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezing in 2025 volledig toegankelijk was voor mensen met een fysieke beperking. De afgelopen jaren heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met steekproeven de toegankelijkheid van stemlokalen laten onderzoeken. Bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 voldeed 32% van de stemlokalen aan alle toegankelijkheidscriteria. De rest van de stemlokalen voldeden toen niet aan alle toegankelijkheidscriteria.3
Als onderdeel van de uitbreiding van zijn taken, wordt het onderzoek naar de toegankelijkheid van stemlokalen voortaan in opdracht van de Kiesraad uitgevoerd. Dit zal hij voor het eerst doen bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026.
Hoeveel stembureaus beschikken over hulpmiddelen zoals een stemmal?
Uit data van Open State Foundation (OSF) blijkt dat bij de vervroegde Tweede Kamer verkiezing op 29 oktober 2025 de volgende hulpmiddelen beschikbaar waren. In 307 stembureaus (in 86 gemeenten) was er een kandidatenlijst in braille. In 2550 stembureaus (in 126 gemeenten) was er een kandidatenlijst met grote letters. In 61 stembureaus (in 21 gemeenten) waren er geleidelijnen binnen of buiten het stembureau. In 3686 stembureaus (in 110 gemeenten) kon men met behulp van een tolk Nederlandse Gebarentaal (op afstand) stemmen. In 10 stembureaus (in 9 gemeenten) was er een stembureau met een gebarentalig stembureaulid. In 146 stembureaus (in 131 gemeenten) kon met een stemmal gestemd worden.4 Overigens zijn de werkelijke aantallen waarschijnlijk hoger, omdat niet alle gemeenten informatie over de toegankelijkheid van hun stemlokalen hebben aangeleverd.
Op welke wijze wordt gecommuniceerd naar mensen welke stembureaus toegankelijk zijn?
Kiesgerechtigden kunnen op de website waarismijnstemlokaal.nl zien welke toegankelijkheidsvoorzieningen er in stemlokalen beschikbaar zijn. Verder informeren gemeenten kiesgerechtigden via hun websites over de toegankelijkheid van stemlocaties. Ook verspreiden zij vóór de verkiezingen hier informatie over. Bijvoorbeeld door informatie over de toegankelijkheid van stemlokalen mee te sturen als zij de stempas opsturen of door hier in verkiezingskranten die huis aan huis worden verspreid aandacht aan te besteden. Verder verstrekken sommige belangenorganisaties informatie over waar men terecht kan voor bepaalde voorzieningen en hulpmiddelen. De Oogvereniging vermeldt op haar website bijvoorbeeld in welke gemeenten met een stemmal gestemd kan worden.
Welke ondersteuningsmogelijkheden zijn er voor mensen die niet zelfstandig een potlood kunnen vasthouden? Zijn deze mogelijkheden beschikbaar bij elk stembureau? Zo nee, waarom niet?
Mensen die vanwege een fysieke beperking niet zelfstandig een potlood kunnen vasthouden hebben recht op hulp in het stemhokje. Degene die hen helpt, dit kan een stembureaulid zijn maar bijvoorbeeld ook een familielid, kan dan namens de kiezer op de gewenste kandidaat stemmen. Hulp in het stemhokje voor mensen met een fysieke beperking is in elk stembureau mogelijk. Er zijn ook mensen die wel een potlood kunnen vasthouden, maar desondanks niet in staat zijn om bij de gewenste kandidaat een rondje rood in te kleuren. Bijvoorbeeld omdat zij Parkinson hebben of spastisch zijn. De stemmal kan voor hen een uitkomst bieden.
Klopt het dat hulphonden mee mogen in het stembureau? Op welke wijze worden alle voorzitters van stembureaus hiervan op de hoogte gebracht?
Het klopt dat hulphonden mee mogen in het stembureau.
De Kiesraad is voornemens om in de e-learning voor stembureauleden en in de stembureauinstructie voor de dag van de stemming aandacht te besteden aan de regels voor hulphonden in stemlokalen. Op deze wijze worden alle voorzitters van stembureaus geïnformeerd dat het is toegestaan om hulphonden in stembureaus mee te nemen.
Bent u het ermee eens dat het van groot belang is dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 stembureaus in Nederland volledig toegankelijk zijn voor mensen met een beperking en er voldoende ondersteuning mogelijk is voor mensen met een (verstandelijke) beperking of laaggeletterdheid? Zo ja, welke concrete stappen gaat u ondernemen om erop toe te zien dat dit ook zo zal zijn?
Een toegankelijk verkiezingsproces betekent dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn om zelfstandig een stem te kunnen uitbrengen. Het toegankelijk maken van stemlokalen is één van de onderdelen om eraan bij te dragen dat mensen zo zelfstandig mogelijk hun stem kunnen uitbrengen.
De Kieswet bepaalt dat burgemeester en wethouders ervoor zorgdragen dat alle in de gemeente aangewezen stemlokalen zodanig zijn gelegen en zo zijn ingericht en uitgerust dat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen (artikel J 4, tweede lid). Als stemlokalen niet toegankelijk zijn (te maken), moet het College van B&W dit aan de gemeenteraad melden.
Het volledig toegankelijk maken van alle stemlokalen blijkt in de praktijk moeilijk. Landelijk kan er gestemd worden bij ongeveer 9000 stemlocaties. Als uitsluitend locaties als stemlokaal zouden mogen worden gebruikt die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er minder stemlokalen zouden zijn en de gemiddelde reisafstand naar de stemlokalen groter wordt. Gemeenten moeten daarom vaak een afweging maken tussen de toegankelijkheid van een gebouw en de bereikbaarheid van stemlokalen voor de kiezers.
Openbare gebouwen die als stemlokaal worden gebruikt zijn niet altijd toegankelijk (te maken). Bijvoorbeeld als de deuren te smal zijn voor iemand in een rolstoel. Of als er geen ruimte is om een (tijdelijke) helling aan te leggen bij een steile trap. Het komt ook voor dat het stemlokaal zelf wel toegankelijk is, maar de omgeving niet. Bijvoorbeeld doordat het stemlokaal op een heuvel ligt waardoor er sprake is van een te steile helling bij de ingang. Of doordat de route naar de entree van het stemlokaal te smal is. Dergelijke stemlokalen worden als niet toegankelijk aangemerkt. Om te zorgen voor voldoende stemlokalen worden vaak gebouwen als stemlokaal gebruikt die geen eigendom zijn van de gemeente. Ook deze gebouwen zijn niet altijd toegankelijk (te maken).
In het Actieplan toegankelijk stemmen zijn acties opgenomen die ertoe moeten leiden dat meer stemlokalen toegankelijk worden voor mensen met een fysieke beperking. Richting de gemeenteraadsverkiezingen in 2026 worden de volgende acties opgepakt:
Daarnaast wordt voorzien in een aantal onderzoeken om de bestaande toegankelijkheidscriteria en ondersteuning aan gemeenten te verbeteren. Dit moet eraan bijgedragen dat gemeenten en stembureauleden nog beter in staat worden gesteld om stemlokalen toegankelijk te maken voor mensen met een fysieke beperking. Acties voor de langere termijn zijn:
Kunt u aangeven wat er de afgelopen jaren concreet gebeurd is met eerdere adviezen en aanbevelingen ten aanzien van het verbeteren van de toegankelijkheid van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking?
Op 6 mei 2025 hebben het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken het Actieplan toegankelijk stemmen gepresenteerd.5 Het plan loopt van 2025 tot en met 2029 en is in nauwe samenspraak met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen opgesteld. In het plan zijn acties opgenomen om voor mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden de toegankelijkheid van verkiezingen te vergroten. Deze acties richten zich op toegankelijke informatie over verkiezingen, toegankelijke stemlokalen, toegankelijk stemmen en toegankelijke informatie en bijeenkomsten van politieke partijen. Belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen worden betrokken bij het uitvoeren van deze acties. Eerdere adviezen en aanbevelingen over het verbeteren van de toegankelijkheid van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking zijn in het Actieplan verwerkt.
Het artikel 'Nederlandse mijnbouwer verzweeg miljardenomzet voor Congolese Staat’ |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse mijnbouwer verzweeg miljardenomzet voor Congolese Staat»?1
Ja.
Is er een strafrechtelijk onderzoek gaande naar de Nederlandse vennootschappen van ERG wegens mogelijke omkoping of overtreding van sanctiewetgeving? Zo ja, door wie, wanneer en om welke redenen is een dergelijk onderzoek gestart? Wat is de status van dit onderzoek op dit moment? Zo nee, overweegt u dergelijk onderzoek na het lezen van de feiten die in het bovengenoemde artikel worden gepresenteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen of de inhoud van eventuele strafrechtelijke onderzoeken. Signalen van mogelijke overtreding van de (sanctie) wetgeving worden altijd serieus genomen. Het is aan het Openbaar Ministerie om een beslissing te nemen over het eventueel starten van een strafrechtelijk onderzoek en of op basis daarvan over wordt gegaan tot vervolging. Daar gaat het kabinet niet over.
Heeft er, gezien er mogelijk sprake is van omkoping door ERG via Nederland, terwijl de Kazachstaanse staat eigenaar is van het bedrijf, overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse overheid en die van Kazachstan over deze kwestie? Zo ja, door wie en wanneer? Wat is de uitkomst van dit gesprek geweest? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt regelmatig met het internationale bedrijfsleven, zowel in Nederland als middels het postennetwerk. Ook met de Kazachse autoriteiten en het bedrijfsleven wordt gesproken. Op de precieze inhoud van de gesprekken kan het kabinet niet ingaan.
Zijn Nederlandse toezichthouders betrokken bij het monitoren van internationale transacties via Nederlandse entiteiten met risico op corruptie of mensenrechtenschendingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke toezichthouders? En welke rol spelen die Nederlandse toezichthouders bij het monitoren van internationale transacties via Nederlandse entiteiten met risico op corruptie of sanctieschending?
Financiële instellingen en andere bij wet geïdentificeerde partijen dienen zich te houden aan regelgeving op het gebied van sancties en witwassen, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Dat betekent dat ze hun bedrijfsvoering zo in moeten richten dat ze in staat zijn om witwassen te voorkomen en sancties na te leven. De Wwft-toezichthouders, waaronder de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) houden hier toezicht op.
Financiële instellingen moeten ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) melden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een bank vermoedt dat er bij een betaling sprake is van corruptie. De FIU-NL analyseert de transacties en verklaart deze zo nodig verdacht zodat deze beschikbaar worden voor de opsporing. Op basis van deze verdachte transacties kan er eventueel strafrechtelijk worden gehandhaafd.
De Wwft-toezichthouders monitoren geen individuele transacties. Ze houden alleen toezicht of de financiële instellingen in staan zijn om verplichtingen om te melden goed na te leven.
Bent u van mening dat FIOD en OM over voldoende capaciteit en expertise beschikken om grensoverschrijdende corruptie- en sanctiezaken effectief aan te pakken? Zo niet, wat ontbreekt er?
De effectieve aanpak van grensoverschrijdende corruptie- en sanctiezaken is breder dan strafrechtelijke handhaving achteraf. Het is altijd beter strafbare feiten te voorkomen. In dit kader werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld aan een update van de brochure «Eerlijk Zaken Doen zonder Corruptie» met aanvullende handreiking. Daarnaast draagt het steunpunt voor maatschappelijk verantwoord ondernemen middels voorlichting bij aan het vergroten van bewustwording rondom buitenlandse omkoping binnen de private sector en via diverse voorlichtingsactiviteiten, waaronder via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland(RvO), aan het voorkomen van overtreding van de sanctiewet.
Strafrechtelijke handhaving is het ultimum remedium. Het is zeker van belang dat die ook goed is toegerust. Zo is specifiek ten behoeve van de aanpak van corruptie in de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de periode 2025–2029 structureel vier miljoen euro per jaar gereserveerd om de opsporingsdiensten (FIOD en de Rijksrecherche), het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te versterken. Deze gelden worden ingezet voor de verhoging van de capaciteit, vergroting van expertise en de aanschaf van onderzoeksmiddelen. Uw Kamer is hierover reeds geïnformeerd in het kader van de intensivering van de aanpak van corruptie.2
Aanvullend hierop heeft het kabinet in het kader van de Voorjaarsnota structureel 36,5 miljoen euro vrijgemaakt voor de instandhouding en verdere versterking van de sanctienaleving in Nederland.3 Zowel de FIOD als het OM ontvangen hieruit aanvullend budget om hun capaciteit voor de aanpak van sanctieovertreding uit te breiden. Beide organisaties besteden doorlopend aandacht aan het verwerven en op peil houden van de benodigde expertise.
Werkt Nederland op dit moment al samen met landen als Congo om meer transparantie in de mijnbouwsector te bereiken, bijvoorbeeld via openbaarmaking van contracten of audits? Zo ja, hoe ziet die samenwerking er dan uit? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de Democratische Republiek Congo (DRC) zijn beiden lid van het multi-stakeholder Extractives Industries Transparency Initiative (EITI). Dit initiatief beoogt de transparantie over financiële stromen tussen overheden en de extractieve sector te vergroten via implementatie van de EITI-standaard. Een van de voorschriften van de standaard is dat landen contracten met bedrijven uit de extractieve sector openbaar maken. Als lid van EITI implementeert de DRC deze standaard via een nationale multi-stakeholdergroep. Nederland is naast implementerend lid ook donor van EITI.
Bent u van mening dat bestaande internationale of bilaterale regelgeving ruimte biedt om bedrijven te sanctioneren die betrokken zijn bij corruptie in derde landen? Zo ja, welke regelgeving doelt u dan op en hoe wordt die op dit moment door de Nederlandse overheid geïmplementeerd?
De Europese Unie beschikt niet over een horizontaal sanctiekader dat ziet op betrokkenheid bij corruptie in derde landen. Wel zijn er in enkele geografische landenregimes die specifiek zien op de situatie in een derde land bepalingen opgenomen die grond bieden voor sancties naar aanleiding van corruptie door individuen en entiteiten. Het sanctiekader voor de DRC voorziet hier enkel in wanneer dit ziet op het ondersteunen van ondermijning en destabilisatie door de illegale extractie of handel in natuurlijke hulpbronnen, goud en wilde dieren.
Daarnaast is omkoping door Nederlandse bedrijven strafbaar, ook als de omkoping in het buitenland plaatsvindt. Zie tevens het antwoord op vraag 8.
Bent u van mening dat de huidige nationale en EU-regels, zoals de EU Anti-Corruption Directive, toereikend zijn? Zo nee, welke hiaten bestaan er in de beschikbare regelgeving die misbruik mogelijk maken? Bent u van mening dat die hiaten aandacht behoeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke initiatieven ontplooit Nederland daarin?
Op dit moment heb ik geen indicatie dat de regelgeving zoals die nu is en die nog wordt gemaakt, zoals de EU anti-corruptierichtlijn, niet afdoende zijn. Corruptie stopt inderdaad niet bij de landsgrenzen en heeft vaak een internationaal karakter. Het kabinet erkent dit en neemt dit expliciet mee bij de intensivering van de aanpak van corruptie.4 Hierbij staat voorop dat Nederlandse bedrijven die zich schuldig maken aan omkoping voor de Nederlandse wet strafbaar zijn, ook als de omkoping in het buitenland plaatsvindt.
Omdat bij buitenlandse omkoping altijd ook ten minste één ander land betrokken is, is internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van dit delict cruciaal. Ook is het van belang dat landen dezelfde anti-corruptiestandaarden hanteren, zodat corruptie niet verplaatst naar de plaats met de laagste standaarden. Via de Europese Anti-corruptierichtlijn, die nu in onderhandeling is, worden onder andere strafbaarstellingen en verjaringstermijnen onder de lidstaten van de EU geharmoniseerd en samenwerking gestimuleerd.
Ook buiten de EU werkt Nederland aan de versterking van de internationale aanpak van corruptie. Nederland speelt een actieve rol in de anti-omkopingswerkgroep van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Implementation Review Group van het VN Verdrag tegen Corruptie, de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) van de Raad van Europa, en de anti-corruptie werkgroep van de G20. Binnen deze gremia worden gemeenschappelijke standaarden in de vorm van anti-corruptieverdragen en best practices geformuleerd.
Deelt u de analyse dat Nederlandse bedrijven actief betrokken zijn bij de mijnbouw in risicogebieden, zoals DR Congo? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan u dan inzicht geven in het aantal Nederlandse bedrijven actief in de mijnbouw in risicogebieden, de omvang van hun investeringen en de bijbehorende risico’s?
De Rijksoverheid heeft geen overzicht van de gevraagde informatie. Sinds 2021 gelden verplichtingen voor bedrijven in Nederland die onder de Europese conflictmineralenverordening vallen. Deze voorziet in wettelijke gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen voor Europese importeurs die boven een bepaalde drempelwaarden tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) importeren. Deze Verordening ziet toe op de controle op handel in 3TG met als doel om bij te dragen aan het tegengaan van de financiering van gewapende groepen en mensenrechtenschendingen. Hoewel de Verordening niet landen-specifiek is bestaat er onder de Verordening wel een lijst van conflict- en hoog risicogebieden, opgesteld door onafhankelijke externe experts (CAHRA-gebieden: Conflict Affected and High-Risk Areas). In de meest recent gepubliceerde rapportage van de inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over het toezicht op de conflictmineralenverordening5 staat vermeld dat er in 2023 in Nederland geen enkele import direct afkomstig was uit een conflict- of hoog risicogebied.
Nationale toepassing staatssteunregels bij scale-ups (OIM problematiek) |
|
Vincent Verouden (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Regeldrukreductie in perspectief: wat is nou echt belangrijk?»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de mening dat de toekenning van subsidies aan jonge bedrijven (bv. innovatie- en projectsteun aan scale-ups) vaak aanloopt tegen een specifiek «Nederlands» probleem bij de toepassing van EU-staatssteunregels, in die zin dat de Nederlandse regelgeving en toepassingspraktijk er andere, meer stringente, maatstaven op na lijkt te houden bij de beoordeling of een bedrijf al dan niet in financiële moeilijkheden verkeert («OIM problematiek»), waardoor veel van deze bedrijven (naar schatting wel 25%) steun mislopen?
Ik zie dat jonge (innovatieve) bedrijven aanlopen tegen de definitie van «onderneming in moeilijkheden» (OIM), zoals opgenomen in de Europese staatsteunkaders. Dit is een probleem en aanpassing van de EU-staatssteunregels acht ik zeer noodzakelijk. Aanpassing van de Nederlandse regels biedt helaas geen oplossing.
Dat komt omdat bij het toekennen van staatssteun elke lidstaat zich namelijk moet houden aan de Europese regels en de uitleg daarvan door Europese en nationale rechters. De Nederlandse regelgeving en praktijk hanteert geen strengere of afwijkende maatstaven.
Om te bepalen of een onderneming een OIM is, wordt gekeken naar de verhouding tussen het geplaatste aandelenkapitaal en het eigen vermogen van een onderneming. Het begrip «eigen vermogen» moet volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de gehele EU op autonome en uniforme wijze worden uitgelegd.2 Totdat de definitie op Europees niveau is aangepast, dient NL zich te houden aan deze uitspraak van het CBb. Werken met een ruimere interpretatie biedt dus geen oplossing voor ondernemers. Dit kan zelfs tot gevolg hebben dat de subsidie – met rente – moet worden teruggevorderd omdat de subsidie dan kwalificeert als onrechtmatige staatssteun.
Mijn voorgangers en ik dringen dan ook al geruime tijd bij de Europese Commissie (EC) aan op verandering van deze definitie – en met mij verschillende andere lidstaten. Mede door onze inzet is het probleem erkend door de EC en opgenomen in de recent gepubliceerde start- en scale-up strategie van de EC. De aankondiging van de EC om de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun, met daarin de OIM-definitie, eind 2026 te herzien is ook unaniem verwelkomd door de lidstaten. Hetzelfde geldt voor de aankondigde herziening van de Algemene groepsvrijstellingsverordening waarin deze definitie ook is opgenomen.
Acht u het gewenst dat Nederland er andere, meer stringente, maatstaven op na lijkt te houden bij de beoordeling of een bedrijf al dan niet in financiële moeilijkheden verkeert?
Ik acht het niet wenselijk om meer stringente maatstaven te hanteren bij de beoordeling of een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. De huidige definitie van OIM sluit juist bepaalde jonge (innovatieve) bedrijven uit van toegang tot het verkrijgen van steun. De huidige Europese definitie is dus te ruim. Nederland wil een aanpassing van deze definitie zodat deze innovatieve ondernemingen steun kunnen ontvangen. Het is uiteraard niet wenselijk om strengere maatstaven in Nederland te hanteren dan in andere EU lidstaten. Ik vind het wel belangrijk om te handelen in overeenstemming met de Europese staatssteunregels. De aanpassing van deze definitie is daarom nodig op Europees niveau, ook gelet op de uitspraak van het CBb. Mij is geen informatie bekend waaruit blijkt dat Nederland op dit moment een meer stringente maatstaf hanteert dan andere lidstaten. Dit komt ook niet terug uit contact met andere lidstaten.
Bent u bereid om op korte termijn – en vooruitlopend op de huidige consultatieronde op Europees niveau – alvast de nationale obstakels uit de weg te ruimen die de toekenning van projectsubsidies aan jonge bedrijven (bv. innovatiesteun aan scale-ups) verhinderen?
Ik kijk al enige tijd naar wat, binnen de geldende juridische kaders, mogelijk is om de problematiek rondom de definitie «OIM» zo veel mogelijk te verminderen.
Ondernemingen kunnen ter ondersteuning in gesprek gaan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wanneer zij de uitvoerder is van de betreffende subsidieregeling. Samen kunnen zij de benodigde acties uitzoeken voor het oplossen van de juridische OIM-kwalificatie. Zo wordt er, bij de indiening van een subsidieaanvraag waaruit blijkt dat een bedrijf als OIM kwalificeert, proactief met bedrijven gekeken of de balanspositie voorafgaand aan de subsidieverlening verbeterd kan worden. Dit heeft meerdere malen een positief effect gehad.
Deelt u de mening dat een nieuwe beleidsinstructie (bv. in de vorm van een spoed-AMvB) over het kwalificeren van achtergestelde leningen als eigen vermogen hiertoe een nuttige of zelfs noodzakelijke stap zou zijn?
Nee, in de hierboven genoemde uitspraak van het CBb komt naar voren dat leningen zoals in die zaak aan de orde, niet vallen onder de Europese definitie van «eigen vermogen». De uitspraak draait om achtergestelde aandeelhoudersleningen binnen de groep van ondernemingen. Een nieuwe beleidsinstructie, of AMvB, biedt geen oplossing omdat deze ook in lijn moet zijn met het Europees recht, en dus rekening moet houden met de uitspraak van het CBb.
Deelt u de mening dat scale-ups wel vaker te maken hebben met een boekhoudkundig negatief vermogen (bijv. als gevolg van de gekozen ontwikkelingsstrategie met hoge initiële investeringskosten), maar dat zij bij opeenvolgende financieringsrondes toch nieuw kapitaal weten op te halen omwille van de al bij al gunstige groeivooruitzichten?
Ik deel deze mening. Dit is ook één van de argumenten die ik enige tijd geleden met de EC heb gedeeld om hen ervan te overtuigen over te gaan tot herziening van de definitie.
In welke mate zouden EU staatssteunregels meer rekening moeten houden met dit inzicht en bijvoorbeeld een scale-up als «niet in moeilijkheden» moeten beschouwen indien het bedrijf in kwestie er blijk van geeft dat het parallel aan het ontvangen van de subsidiemaatregel ook in significante mate nieuw privékapitaal weet op te halen?
De OIM-definitie uit de Europese staatssteunregels moet in grote mate rekening houden met deze inzichten. Deze maken ook deel uit van de input die ik heb gegeven op de recente consultatie van de EC over de OIM-definitie. In de consultatie pleit ik voor het aanpassen van de definitie aan de hand van de volgende drie voorstellen:
Wilt u de Kamer per ommegaande informeren over wat de inbreng van uw ministerie zal zijn bij de huidige consultatieronde op het niveau van de EU-staatssteunregels?
Ja, op 14 november heb ik de Nederlandse reactie op de OIM-consultatie naar de EC gestuurd. Deze reactie stuur ik ook als bijlage bij deze beantwoording mee. Hiermee geef ik tegelijkertijd uitvoering aan de motie-Thijssen over het aanpassen van de definitie «onderneming in moeilijkheden»3. Eerder dit jaar heb ik informatie met u gedeeld over mijn inzet voor dit onderwerp in de eerste en derde EU-kwartaalrapportage van 20254.
Kunt u elk van deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Nee, helaas is het niet gelukt deze antwoorden binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?