Herinnert u het antwoord over het onderzoek naar het handelen van professor Maat, namelijk dat de politie geen bezwaren ziet tegen openbaarmaking van grote delen van het onderzoek?1
Ja.
Herinnert u het verzoek bij de regeling van werkzaamheden om het verslag van het gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen u en professor Maat, de ondertekende getuigenverklaringen, het feitenonderzoek, het feitenrelaas en de brief van de korpschef van de nationale politie over dit onderzoek te ontvangen?
Ja.
Herinnert u zich dat vervolgens alle zwarte inktpatronen op uw ministerie nodig waren om het WOB-verzoek over documenten uit deze zaak volledig zwart te maken, voordat u het openbaar maakte?
De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kent uitzonderings- en beperkingsgronden (artikelen 10 en 11 van de Wob). Indien die gronden van toepassing zijn, kan de desbetreffende informatie worden zwartgelakt.
Herinnert u zich dat u daarna naar al die zwartgemaakte stukken verwees met alle stukken over professor Maat in het WOB-verzoek als zou dat een antwoord zijn op de precieze informatievraag van de Kamer?2
In mijn brief van 21 september jongstleden (kenmerk 2015Z14677) heb ik reeds aangegeven dat de politie de informatie uit het onderzoek niet zonder meer openbaar zou maken. Gespreksverslagen, opvattingen en persoonlijke gegevens kunnen niet openbaar gemaakt worden door de politie. Dat resulteerde in zwartgelakte teksten in de documenten die u ontving. Om nader op de informatievraag van uw Kamer in te gaan liggen per 2 december 2015 de betreffende stukken van het feitenonderzoek van de politie ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Hoe beoordeelt u het feit dat u een verzoek tot openheid beantwoordde met driehonderd nagenoeg volledig zwartgemaakte pagina's, zoals visueel overzichtelijk gemaakt door Leids Universitair Weekblad Mare?3
Zie antwoord op vragen 3 en 4.
Is het u opgevallen dat u het verslag van het gesprek met professor Maat niet naar de Kamer gestuurd heeft? Bent u bereid daarvan alsnog een samenvatting te maken en aan de Kamer te doen toekomen?
Op 23 september jongstleden hebben professor Maat en ik elkaar persoonlijk gesproken. Er is geen verslag opgesteld van het gesprek. Prof. Maat en ik vinden dat de inhoud van het gesprek vertrouwelijk is en ook zo moet blijven.
Heeft u professor Maat gevraagd of laten vragen hoe hij aankijkt tegen openbaarmaking van stukken? Kunt u zijn antwoord aan de Kamer doen toekomen?
Nee. Het feit dat betrokkenen bij bepaalde informatie al dan niet geen bezwaar hebben tegen openbaarmaking, staat er niet aan in de weg dat het bestuursorgaan altijd nog zelf een afweging maakt over de openbaarmaking van de desbetreffende informatie (vergelijk. ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1315, AB2011/148 m.nt.E.J. Daalder).
Is het u opgevallen dat u de getuigenverklaringen 100% zwart gemaakt heeft, terwijl getuigenverklaringen 100% feitelijk dienen te zijn? Bent u bereid de getuigenverklaringen aan de Kamer te doen toekomen?
De getuigenverklaringen bevatten vaak onderdelen die de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) raken. Bovendien zijn ook persoonlijke beleidsopvattingen opgenomen. De getuigenverklaringen worden niet openbaar gemaakt vanwege bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke beleidsopvattingen.
Om nader op de informatievraag van uw Kamer in te gaan liggen per 2 december 2015 de betreffende stukken van het feitenonderzoek van de politie ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Klopt het dat in een strafrechtelijk onderzoek en ongeveer elk andere officieel onderzoek getuigenverklaringen in principe openbaar zijn?
Nee, de eventuele openbaarheid van de getuigenverklaring kan afhangen van de stand van zaken in een procedure waarin de verklaring is afgelegd en van de inhoud van de verklaring.
Overigens is in casu geen sprake van een strafrechtelijk onderzoek en is derhalve de vraag hieromtrent niet relevant.
Heeft u voor deze vorm van onderzoek gekozen omdat u dan een poging kon doen onwelgevallige getuigenverklaringen geheim te houden? Zo nee, kunt u ze dan gewoon openbaar maken?
Nee. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Hoe kan de politie in een rapport van relaas nu beweren dat de bevingen in zijn geheel worden weggelakt, omdat zij bepaalde personen zouden bevoordelen of omdat het persoonlijke beleidsopvattingen zouden betreffen?
Er zijn in de Wet openbaarheid van bestuur verschillende uitzonderingsgronden van toepassing op de desbetreffende informatie. Zie hiertoe ook de toelichting die is gegeven bij het Wob-verzoek (https://www.politie.nl/binaries/content/assets/politie/wob/00-korpsstaf/inzake-presentaties-mh17–2015/20151012-inleiding-politie-nl.doc). De betrokken verzoekers kunnen indien gewenst bezwaar maken tegen het Wob-besluit.
Om nader op de informatievraag van uw Kamer in te gaan liggen per 2 december 2015 de betreffende stukken van het feitenonderzoek van de politie ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Gebeurt het vaker dat de politie bevindingen van een onderzoek niet openbaar maakt omdat zij bepaalde personen zouden bevoordelen of omdat het persoonlijke beleidsopvattingen betreft? Zo ja, wanneer gebeurt dat dan en hoe verhoudt zich dat dan tot de onafhankelijke onderzoeksfunctie van de politie?
De intentie van de politie is om zo veel als mogelijk openbaar te maken.
Om nader op de informatievraag van uw Kamer in te gaan liggen per 2 december 2015 de betreffende stukken van het feitenonderzoek van de politie ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Is het u opgevallen dat de politie in het relaas naar aanleiding van het feitenonderzoek, de onderdelen «Beeldvorming», «oordeelsvorming» en «aanbevelingen» in zijn geheel en voor 100% zwart gemaakt heeft?
Er zijn in de Wet openbaarheid van bestuur verschillende uitzonderingsgronden van toepassing op de desbetreffende informatie. Zie hiertoe ook de toelichting die is gegeven bij het Wob-verzoek (https://www.politie.nl/binaries/content/assets/politie/wob/00-korpsstaf/inzake-presentaties-mh17–2015/20151012-inleiding-politie-nl.doc).
Dient een relaas een objectieve beschrijving van de beeldvorming te bevatten en als zodanig gewoon openbaar te zijn?
Het relaas is een samenvatting van de feiten die zijn weergegeven in de afgelegde verklaringen door getuigen. Dit is openbaar gemaakt.
Dient een oordeel in een officieel rapport openbaar te zijn of is een oordeel in een officieel rapport zo subjectief dat het onder andere vanwege de persoonlijke beleidsopvattingen zwart gemaakt wordt?
In dit geval betroffen de kopjes beeldvorming, oordeelsvorming en aanbevelingen persoonlijke beleidsopvattingen die deel uitmaken van een interne memo (zie ook artikel 11, eerste lid, van de Wob).
Bevat het oordeel van de politie over professor Maat persoonlijke beleidsopvattingen? Zo ja, is het dan wel bruikbaar? Zo nee, waarom is dat dan een reden voor niet openbaarmaking?
Het rapport bevat geen oordeel over professor Maat. Het bevat getuigenverklaringen en overhandigde bescheiden.
Zijn de aanbevelingen uit dit rapport niet gewoon beleidsvoornemens die zelfs onder de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) echt gewoon openbaar gemaakt moeten worden?
Het rapport bevat geen beleidsvoornemens. Zie verder de beantwoording van vraag 15.
Kunt u precies aangeven op basis van welke informatie u aan de Kamer geschreven heeft dat de politie geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking van grote delen van het onderzoek?
De intentie van de politie en mijzelf is altijd geweest om zo veel mogelijk openbaar te maken.
Kunt u aangeven of, wanneer en om welke reden de politie van mening veranderd is over de openbaarmaking? Hoe is u dat meegedeeld?
De intentie van de politie en mijzelf is altijd geweest om zo veel mogelijk openbaar te maken. De geconstateerde feiten zijn daarom ook samengevat en als bijlage bij beantwoording van Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 3015) aan uw Kamer overhandigd.
Openbaarmaking van ondersteunende getuigenverklaring is vanuit de inhoud nooit bezwarend geweest, maar zetten bij nader inzien de verklarings- en meldingsbereidheid van medewerkers voor toekomstige interne onderzoeken op het spel. Bovendien bevatten getuigenverklaringen onderdelen die de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) raken en zijn er beleidsopvattingen opgenomen. Gespreksverslagen, opvattingen en persoonlijke gegevens kunnen daarom niet zonder meer openbaar gemaakt worden door de politie. Om die reden zijn de getuigenverklaringen en daarmee dus een groot deel van de documenten, bij nader inzien geheel zwart gemaakt.
Om nader op de informatievraag van uw Kamer in te gaan liggen de betreffende stukken van het feitenonderzoek van de politie ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Heeft u de politie op enige wijze direct of indirect laten weten of merken dat u liever geen openbaarmaking van delen van het onderzoek wenst? Zo ja, hoe en wanneer?
Nee. Ik hecht, voor zover mogelijk, aan openbaarmaking van het onderzoek.
Kunt u een voorbeeld geven van enig ander WOB-verzoek waar ongeveer 90% van de tekst en bijna 100% van de relevante tekst zwart gemaakt is?
Ja. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kent uitzonderings- en beperkingsgronden (artikelen 10 en 11 van de Wob). Indien die gronden van toepassing zijn, kan openbaarmaking van de desbetreffende informatie worden geweigerd. Dit zou in voorkomend geval ook 90% of meer van de tekst kunnen zijn.
Kunt u de tekst van artikel 68 van de Grondwet geven, die over de informatieplicht jegens de Kamer gaat?
Artikel 68 van de Grondwet: De ministers en de staatssecretarissen geven de Kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.
Wat is de enige uitzonderingsgrond waaronder u informatie niet aan de Kamer hoeft te verschaffen?
Het belang van de staat is de uitzonderingsgrond.
Is het in het belang van de staat om 90% van de stukken in dit dossier niet aan de Kamer te verschaffen? Zo ja, kunt het belang van de staat (niet zijnde het belang van de regering of het belang van een Minister die graag wat wil verbergen) in deze zaak duidelijk maken?
Nee, dit is niet in het belang van de staat en daarom liggen per 2 december 2015 de betreffende stukken van het feitenonderzoek van de politie ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.4
Kent u de brief van de regering over de relatie tussen de Wet openbaarheid van bestuur en artikel 68 van de Grondwet4 en onderschrijft de regering de inhoud van die brief? Deelt u de mening dat de informatieplicht aan het parlement krachtens de Grondwet ten minste even ver reikt en soms verder dan de verplichting informatie te verstrekken op grond van de WOB?5
Bent u bereid de gevraagde stukken, namelijk een verslag van het gesprek tussen professor Maat en u, de ondertekende getuigenverklaringen, het feitenonderzoek, het feitenrelaas en de brief van korpschef Bouman aan de Kamer te sturen en alleen die stukken die het belang van de staat schaden zwart te maken?
Van het gesprek tussen prof. Maat en mij is geen verslag gemaakt. De andere documenten worden ter vertrouwelijke inzage gelegd bij de griffie van uw Kamer volgens de daarvoor gangbare procedure.
Hoe beoordeelt u het feit dat het nu al bijna een half jaar, meerdere Kamerbrieven, vier series Kamervragen en een vraag bij de regeling van werkzaamheden kost om u te houden aan uw oorspronkelijke toezeggingen bij het MH17 debat van 17 april 2015, namelijk gewone openheid van zaken te bieden, zoals in een democratie normaal is?
Mijn intentie is steeds geweest om de Kamer gedetailleerd te informeren over dit onderwerp. De geconstateerde feiten zijn eerder samengevat en als bijlage bij beantwoording van Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 3015) aan uw Kamer overhandigd. Dit betrof de politieke openbaarheid, die voortkomt uit de inlichtingenplicht van de regering aan de Kamer zoals deze is vormgegeven in artikel 68 van de Grondwet. Buiten het geval dat de bewindspersoon de informatie vertrouwelijk met het parlement deelt, wordt deze informatie daarmee ook voor een ieder openbaar. Een andere vorm van openbaarheid betreft de openbaarheid op grond van de Wob. De Wob kent uitzonderings- en beperkingsgronden (artikelen 10 en 11 van de Wob) op basis waarvan openbaarmaking van informatie kan worden geweigerd. Er zijn immers soms belangen die zich tegen openbaarmaking van overheidsinformatie verzetten, zoals bijvoorbeeld de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van informatie onder de Wob, in alle gevallen openbaarmaking aan een ieder betreft. Omdat in de onderliggende stukken informatie is opgenomen die valt onder de strekking van de uitzonderings- en beperkingsgronden uit de Wob, is besloten deze informatie niet openbaar te maken onder de Wob. Om de belangen die zich tegen openbaarmaking (aan een ieder) van de desbetreffende informatie recht te doen en toch gevolg te kunnen geven aan de informatievraag van uw Kamer, liggen de betreffende stukken ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Bent u bereid dit keer een zodanig antwoord te formuleren dat vervolgvragen niet nodig zijn?
Ja, ik ben bereid om uw vragen te beantwoorden op een wijze dat vervolgvragen niet nodig zijn, waarbij ik opmerk dat uw Kamer zelf bepaalt in hoeverre zij vervolgvragen noodzakelijk acht. Om zo compleet mogelijk tegemoet te komen aan uw informatiebehoefte liggen de desbetreffende stukken ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer.
Heeft professor Maar recht op het bezit een kopie van het feitenonderzoek en het feitenrelaas, die immers gaan over het beëindigen van de werkrelatie met hem in het MH17 onderzoek? Zo nee, kunt u dan aangeven op basis van welke rechtsprincipes hij geen recht heeft op een afschrift van een onderzoek dat over hem gaat en voor hem ook grote gevolgen had?
Prof. Maat heeft het dossier inmiddels ingezien.
Herinnert u zich dat u professor Maat geen geheimhouding zou opleggen?
Ja. Prof. Maat is geen geheimhouding opgelegd.
Wilt u deze vragen een voor een en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
De afstemming van de beantwoording vergde meer tijd dan drie weken.
De kabinetsbrief over de Turkijedeal |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Norbert Klein (Klein), Linda Voortman (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wordt er een volgorde afgesproken van uitvoering van de verschillende elementen van het akkoord?1
Het EU-Turkije actieplan dat door de Europese Commissie aan de Europese Raad van 15 oktober jl. werd gepresenteerd, bevat geen specifieke volgorde van uitvoering van de verschillende elementen van het akkoord. Hetzelfde geldt voor de «Roadmap towards a visa-free regime with Turkey», waarop een belangrijk deel van de maatregelen in het actieplan is gebaseerd. Turkije zal wel aan alle strikte voorwaarden van de «Roadmap» moeten voldoen voordat visumvrijheid voor Turkse burgers kan worden ingevoerd.
Worden er voorwaarden gesteld aan de uitvoering van bepaalde elementen van het akkoord, bijvoorbeeld aan de uitkering van de financiële bijdrage van de EU aan vluchtelingenopvang?
Zal de genoemde extra bijdrage aan de opvang van vluchtelingen in Turkije vanuit de EU geheel ten laste komen van de EU-begroting of gefinancierd worden vanuit individuele lidstaten?
Waarom is nog geen hoogte vastgesteld voor deze bijdrage?
Als het om bijdragen gaat van individuele lidstaten, hoe gaat de Europese Commissie bewerkstelligen dat deze bijdragen aan het extra geld voor Turkije daadwerkelijk worden betaald?
Als het om bijdragen gaat van individuele lidstaten, welk bedrag heeft Nederland toegezegd en wanneer wordt dit overgemaakt?
Welke afspraken worden er met Turkije gemaakt over het besteden van het toegezegde geld?
Wordt dit budget toegevoegd aan de bestaande Turkse budgetten voor vluchtelingenopvang, of komt het in de plaats daarvan?
Welke afspraken zijn met Turkije gemaakt over de verantwoording van de bestedingen?
Gaat de in de brief genoemde extra bijdrage aan de opvang in Turkije ten laste van de bijdrage aan opvang in andere landen in de regio?
Zijn er met Turkije prestatieafspraken gemaakt over de toegang van vluchtelingen tot onderwijs, gezondheidszorg en de arbeidsmarkt en in algemene zin de kwaliteit van opvang? Zo nee, hoe wordt de voortgang hierop dan gewaarborgd en gecontroleerd?
Volgens het actieplan zoals gepresenteerd aan de ER van 15 oktober jl. heeft Turkije de intentie om beleid, wetgeving en programma’s aan te nemen en te implementeren om Syrische vluchtelingen toegang te geven tot onderwijs, gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Het concept-actieplan noemt geen verdere details. Turkije en de Commissie zullen de samenwerking de komende periode verder uitwerken. De implementatie van het actieplan zal gezamenlijk worden aangestuurd en overzien door de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger en de Turkse regering in de op te richten EU-Turkije high level werkgroep inzake migratie.
Welke gegevens zal Frontex precies met Turkije gaan wisselen in het kader van de grensbewaking?
Op basis van de bestaande samenwerkingsovereenkomst met Turkije werkt Frontex sinds enige tijd samen met dit land op het gebied van grensbewaking. Hieronder valt ook informatie-uitwisseling ten behoeve van risicoanalyse, bijvoorbeeld op het gebied van illegale grensoverschrijdingen, routes en grensweigeringen. Momenteel wordt bezien hoe deze informatie-uitwisseling met Turkije kan worden versterkt. Conform de Frontex-verordening vindt er geen uitwisseling van persoonsgegevens plaats.
Kunt u een nadere duiding geven van de betekenis van de «nieuwe energie» waarmee de toetredingsonderhandelingen met Turkije wordt hervat? Kunnen er extra hoofdstukken geopend worden? Zijn er specifieke gebieden waarover het gesprek hervat kan worden?
Er wordt al enige tijd op Raadswerkgroepniveau gesproken over het openen van hoofdstuk 17 (economisch en monetair beleid), na de opheffing van de Franse blokkade op dit hoofdstuk. De Commissie is van mening dat de Turkse wet- en regelgeving op dit terrein voldoende op orde is om onderhandelingen over de volledige overname van het EU-acquis te kunnen beginnen. Mochten de gesprekken met Turkije ertoe leiden dat naast hoofdstuk 17 ook andere hoofdstukken worden geopend, dan zet Nederland conform de Kamerbrief uit maart 2014 (Kamerstuk 23 987, nr. 143) in op behandeling van de rechtsstaatshoofdstukken 23 en 24, waarop op dit moment nog een unilaterale blokkade van Cyprus rust. Nederland wacht nadere voorstellen van de Commissie af voor eventuele opening van andere hoofdstukken. Er is daarbij overigens geen sprake van het opheffen van het embargo van de Raad van december 2006 op acht hoofdstukken vanwege het uitblijven van uitvoering door Turkije van het Ankara Protocol.
Op welke manier zal Turkije haar migratierecht specifiek gaan verbeteren, zoals u in uw brief stelt?
In het actieplan zoals gepresenteerd aan de Europese Raad van 15 oktober jl. staat dat Turkije zijn migratierecht zal verbeteren. Zoals in het concept-actieplan genoemd, is Turkije voornemens om zorg te dragen voor internationale bescherming en effectieve implementatie van de vreemdelingenwet, door middel van het aannemen van secundaire wetgeving en het informeren hierover van alle betrokken partijen. In dit kader moet dan worden gedacht aan dezelfde verbeterpunten zoals ook genoemd in de «Roadmap towards a visa-free regime with Turkey». Turkije en de Commissie zullen dit actieplan de komende periode verder uitwerken en dan zal ook duidelijk worden op welke punten Turkije specifiek zijn migratierecht zal verbeteren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de uitkomsten van de Europese top van 15 en 16 oktober jl., over de JBZ-raad op 9 november 2015 en over de inzet voor de migratietop van 11 en 12 november 2015, voorzien op donderdag 5 november? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bezoek van Koning Willem-Alexander aan China |
|
Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Koning een aantal dagen voor de aanvang van het staatsbezoek aan China op vakantie is in het land?1
De Koning heeft tijdens het staatsbezoek in het gesprek met Nederlandse media aangegeven dat hij in de week voorafgaand aan het staatsbezoek met zijn gezin een privébezoek aan China heeft gebracht.
Deelt u de opvatting dat het houden van een privé vakantie in China voorafgaand aan het staatsbezoek niet de boodschap ondersteunt dat Nederland zich zorgen maakt over de mensenrechten in China? Indien neen, waarom niet?
Het kabinet deelt deze opvatting niet. Zoals ook voorafgaand aan het staatsbezoek kenbaar is gemaakt, is vanzelfsprekend tijdens het staatsbezoek aandacht besteed aan de mensenrechtensituatie in China.
Is het u bekend dat Amnesty International een aan de Koning gerichte campagne over de mensenrechten in China is begonnen?2
Ja.
Deelt u het oordeel van Amnesty International dat de onderdrukking van burgerlijke vrijheden de laatste jaren sterker geworden is in China? Indien neen, waarom niet?
Op het gebied van sociaaleconomische rechten heeft China grote vooruitgang geboekt, mede door de economische hervormingen.
Tegelijkertijd heeft Nederland zorgen op het terrein van politieke en burgerlijke rechten die ook aan de Chinese autoriteiten expliciet zijn overgebracht.
Herinnert u zich de toespraak van de Koning op 28 september jl. bij de Algemene Vergadering van de VN waar in hij zei: «Ieder die strijdt voor gerechtigheid, vindt ons Koninkrijk aan zijn zijde.»?
Ja.
Deelt u de opvatting dat, gezien de uitspraken van de Koning bij de AVVN en met name zijn privé vakantie aan het land, het logisch en van grote betekenis is indien de Koning ook persoonlijk tijdens het staatsbezoek uiting geeft aan zorgen over de mensenrechtensituatie in China? Indien ja, gaat u bevorderen dat de Koning dit persoonlijk doet? Indien neen, waarom niet?
De Koning heeft op diverse momenten tijdens het bezoek aandacht besteed aan de mensenrechten in China.
In de tafelrede bij het staatsbanket heeft de Koning zijn waardering uitgesproken voor de constructieve dialoog tussen China en Nederland, ook over onderwerpen waarover China en Nederland soms verschillend denken, zoals de mensenrechten. Het voortzetten van deze dialoog helpt om de banden te versterken.
In zijn toespraak bij zijn bezoek aan het CELAP, het Chinese nationale opleidingsinstituut voor hogere bestuursambtenaren, stond de Koning stil bij bestuurlijke uitdagingen voor China en Nederland. Hij ging daarbij in op drie belangrijke, kenmerkende elementen in de Nederlandse bestuurlijke setting: ruimte voor participatie van burgers, samenhang in de planning en uitvoering van beleid en respect voor de rechtsstaat en integer bestuur. Ook hierbij wees hij op het belang om de constructieve dialoog die NL en China hebben op het terrein van de mensenrechten voort te zetten.
Deelt u de mening dat het incident met het scherm op de Dam tijdens het Chinese staatsbezoek vorig jaar, waar de Chinese president zich letterlijk liet afschermen van demonstranten, de urgentie om de mensenrechtensituatie in China door de Koning te laten opbrengen eens te meer onderstreept? Indien neen, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in China heeft onze blijvende aandacht en het gesprek over mensenrechten maakt deel uit van onze bilaterale relatie. Mensenrechten vormen een prioriteit in het Nederlandse buitenlandbeleid.
Het kabinet levert hierbij een consistente en gezamenlijke inspanning, zo ook bij het staatsbezoek aan China.
De gevolgen van de bezuiniging op Nederlands onderwijs in het buitenland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Nederlands onderwijs in het buitenland: Effecten van het beëindigen van de subsidieverstrekking op de kwaliteit en beschikbaarheid» van het Instituut voor Toegepaste Sociologie (ITS)?1
Ja, ik ben bekend met dit onderzoek.
Wat is uw reactie op de conclusies uit dit onderzoek, onder meer dat de voorgenomen bezuiniging ertoe zal leiden dat Nederlandse scholen in het buitenland massaal zullen gaan sluiten, er een forse leerlingendaling zal plaatsvinden en dat er een grote kans bestaat dat de onderwijskwaliteit eronder zal leiden?
In 2013 heeft het kabinet, in het kader van de taakstelling op OCW, besloten de directe subsidie aan de Nederlandse scholen in het buitenland te beëindigen. Het idee achter dit besluit is niet dat het onderwijs in Nederlandse taal en cultuur voor leerlingen in het buitenland wordt stopgezet, maar dat dit een verantwoordelijkheid is van de ouders en dat zij een groter deel van de bekostiging van dit onderwijs zelf op zich nemen. In het Herfstakkoord is vervolgens incidenteel 10 miljoen gevonden voor directe subsidie aan de scholen. Dit bedrag, uitgekeerd over de periode 2014–2016, heeft scholen de gelegenheid geboden zich voor te bereiden op de verminderde inkomsten na 2016. Met het aflopen van deze subsidie blijft het standpunt van het kabinet ongewijzigd. Het onderwijs in Nederlandse taal en cultuur in het buitenland is de verantwoordelijkheid van de ouders.
Het onderzoek door ITS geeft inzicht in de verwachtingen van scholen hoe zij zullen handelen wanneer de tijdelijke subsidie aan scholen op 1 januari 2017 eindigt. Hoe scholen hiermee omgaan is afhankelijk van de lokale situatie. Zij zullen hierin zelf hun keuzes moeten maken. De scholen kunnen ook in de toekomst voor ondersteuning gebruik maken van de kennis en expertise bij stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk zou zijn wanneer voorgenoemde effecten inderdaad zullen optreden?
De effecten zullen op iedere school anders zijn. Het onderzoek laat zien dat een deel van de scholen daar goed mee om kan gaan. Een ander deel verwacht dat zij mogelijk uiteindelijk zullen sluiten. Dit kan een realiteit zijn als er te weinig ouders zijn die een hoger schoolgeld willen betalen. Waar het de kwaliteit betreft blijf ik mij via de ondersteuning vanuit NOB en het toezicht door de inspectie inzetten om deze effecten te minimaliseren.
Welke acties heeft u de afgelopen twee jaar ondernomen om dergelijke effecten bij het aflopen van de subsidieverstrekking te voorkomen?
De scholen zijn zich bewust van de tijdelijkheid van de subsidie. Zij kunnen zich hier op voorbereiden. Stichting NOB biedt ondersteuning met onder meer advies en bijscholing van leraren. De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van de scholen die bij stichting NOB zijn aangesloten.
Welke stappen gaat u nog nemen om te voorkomen dat deze effecten zullen optreden?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
In hoeverre is het reëel om ouders en bedrijven (nog) meer te laten bijdragen? Heeft u hier onderzoek naar gedaan?
Het is niet onredelijk om ouders te vragen het schoolgeld voor hun rekening te nemen. Het is de beslissing van ouders om naar het buitenland te verhuizen. In deze beslissing zullen zij rekening moeten houden met de kosten van het Nederlands onderwijs voor hun kinderen. Ik heb hier geen onderzoek naar gedaan.
Kunt u deze vragen voor de behandeling van de OCW-begroting beantwoorden?
Ja.
De Nederlander die mogelijk 31 jaar ten onrechte vastzit in de VS |
|
Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Michiel van Nispen (SP), Henk Krol (50PLUS) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over deze zaak?1
Ja. Allereerst wil ik van de gelegenheid gebruikmaken om nogmaals het doel van overbrenging van Nederlandse gedetineerden uit het buitenland toe te lichten, te weten de verdere tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde straf met het oog op het bevorderen van de resocialisatie in de samenleving, waarmee de veroordeelde verbonden is. Om voor overbrenging naar Nederland in aanmerking te komen, gelden – conform het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland (Kamerstukken II 2007/2008, 31 200 VI, nr. 30) – in het bijzonder twee criteria: (1) er dient sprake te zijn van aantoonbare en voldoende binding met Nederland zodat (2) de overbrenging kan bijdragen aan een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde in Nederland. Teneinde aan dit doel te kunnen voldoen, moet, ongeacht de mate van binding met Nederland, worden voldaan aan de voorwaarde dat conform de verdragseis een strafrestant van zes maanden moet resteren dat na overbrenging naar Nederland kan worden geëxecuteerd.3 In de zaak van de heer Singh is hiervan geen sprake vanwege het overschrijden van het toepasselijke Nederlandse strafmaximum van 30 jaar gevangenisstraf. Hierdoor leent deze zaak zich niet voor toepassing van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Vogp) en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots).
Voor de volledigheid merk ik op dat ik de binding van de heer Singh met Nederland als onvoldoende beoordeel. Betrokkene heeft in 1970 Nederland verlaten om zich met zijn gezin in de Verenigde Staten te vestigen en daar een bestaan op te bouwen. De thans aangevoerde mogelijkheid van verblijf bij familie in Nederland weegt niet op tegen een zo langdurige afwezigheid uit Nederland.
Is er bij het vaststellen van de aanwezigheid van een voldoende en aantoonbare binding rekening gehouden met het feit dat de familie van de heer Singh in Nederland woont en hem terug wil, wat ook terugkomt in de Reclasseringsrapportage? Zo ja, waarom was deze overweging niet voldoende om binding vast te stellen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit argument alsnog te laten meewegen?
Zie antwoord vraag 1.
Is bij het maken van de beslissing om niet tot overbrenging naar Nederland over te gaan rekening gehouden met de bereidverklaring van een gemeente om de heer Singh te begeleiden bij zijn terugkeer in de maatschappij? Zo ja, waarom was deze overweging niet voldoende om een verklaring af te geven dat de heer Singh zal worden begeleid bij terugkeer? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit argument alsnog te laten meewegen?
Zoals in het voorgaande antwoord is aangegeven, kan niet worden voldaan aan het doel en de strekking van het Vogp en de Wots, vanwege het ontbreken van een strafrestant en omdat ik de binding van de heer Singh met Nederland als onvoldoende beoordeel. De bereidheidverklaring van een gemeente om de heer Singh bij zijn terugkeer in de Nederlandse samenleving te begeleiden brengt hierin geen wijziging.
Klopt het dat de stichting PrisonLAW in maart 2015 het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft verzocht om bij een eventuele afwijzing van de aanvraag in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) de afwijzing zodanig te formuleren dat indien de heer Singh wordt uitgezet hij zal worden opgenomen door de Nederlandse gemeenschap? Zo ja, waarom is aan deze oproep geen gehoor gegeven gezien de gevolgen voor de vervroegde vrijlating?
Nee, de stichting PrisonLAW heeft mij in maart 2015 geen verzoek gedaan, zoals in de vraagstelling is verwoord. Wel is in deze brief verzocht om, mede op basis van humanitaire overwegingen, medewerking en instemming te verlenen aan overbrenging naar Nederland op grond van de Wots.
Waarom beoordeelt u in dit geval zo strikt de vraag of er voldoende strafrestant over is na overbrenging, terwijl er een aantal voorbeelden zijn van zaken zoals gedetineerde Nederlanders in Thailand en Venezuela waarbij Nederlanders wel overgebracht werden naar Nederland terwijl er feitelijk onvoldoende strafrestant over was? Wat maakte hun situatie anders dan de situatie van de heer Singh? Waarom wordt nu rigide vastgehouden aan de eis van het strafrestant?
Voorbeelden van zaken bijvoorbeeld uit Venezuela, waarin na overbrenging naar Nederland onvoldoende strafrestant resteerde, zijn mede het gevolg van het toen nog geldende beleid dat bij de behandeling van Wots-verzoeken de omzettingsprocedure werd toegepast. In een aantal gevallen leidde dit tot een situatie, waarbij overbrenging plaatsvond zonder strafrestant. Mede tegen deze achtergrond is per 1 januari 2014 besloten tot de beleidswijziging dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging met veel landen, waaronder Venezuela en Panama, wordt toegepast met inachtneming van het verdragsrechtelijke strafrestant van zes maanden (Kamerstukken II 2013/2014, 33 742, nr. 5).
Behoudens bovenstaande is in het verleden in een enkel geval, waaronder een zaak uit Thailand, een Nederlandse gedetineerde uit het buitenland naar Nederland overgebracht, waarbij sprake was van geen of onvoldoende strafrestant. Hierbij is altijd sprake geweest van aantoonbare en voldoende binding met Nederland.
Klopt het dat PrisonLAW heeft voorgesteld dat Nederland de levenslange straf overneemt, zodat de heer Singh een beroep kan doen op gratie en resocialisatie ook kan worden opgestart? Waarom hebt u niets gedaan met dit alternatief?
Ja, dit klopt. Hierbij is echter voorbijgegaan aan het feit dat de heer Singh in de Verenigde Staten niet is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
Waarom geeft u aan dat er geen officieel verzoek van de Amerikaanse autoriteiten is ontvangen met betrekking tot de overbrenging van de heer Singh, terwijl de VS op 3 maart 2015 de aanvraag tot overbrenging hebben verzonden aan de Nederlandse ambassade te Washington? Hoe en binnen welke termijn is er door het Ministerie van Veiligheid en Justitie gereageerd op deze brief van de Amerikaanse autoriteiten?
De heer Singh heeft zich tot de Amerikaanse bevoegde autoriteiten gewend met een verzoek om overbrenging naar Nederland. Hierop heeft de California Board of Parole Hearings mij krachtens artikel 6, derde lid, van het Vogp verzocht om informatie, waaronder de gevolgen van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de heer Singh in Nederland. In reactie hierop heb ik bij brief van 23 juli 2015 uiteengezet, waarom het Vogp naar mijn oordeel geen basis biedt voor overbrenging naar Nederland.
De Amerikaanse autoriteiten hebben nimmer verzocht tot overname van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de heer Singh.
Welke inspanningen heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken geleverd in de zaak van de heer Singh, behalve het recentelijk opstellen van de brief aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie? Deelt u de mening dat inspanningen op zijn plaats zouden zijn vanwege de nadrukkelijke aanwezigheid van humanitaire gronden? Zo nee, waarom niet? Waarom is niet al veel eerder een vertrouwensrapport opgesteld? Had dit niet in ieder geval al in 2005 in de rede gelegen toen de zaak onherroepelijk werd?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft uw Kamer op 18 november 2015 over de consulaire bijstand aan de heer Singh in zijn brief naar aanleiding van het verzoek van het lid Omtzigt gedaan in het ordedebat van 7 oktober 2015 (kenmerk 2015Z18429) als volgt geïnformeerd:
Sinds aanvang van zijn detentie heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de heer Singh de reguliere consulaire bijstand verleend, die onder meer inhield dat de heer Singh met regelmaat bezoek ontving van een consulair medewerker. Daarbij gaf de heer Singh in de regel aan dat hij tevreden was over het optreden van zijn advocaat.
In 1998 ontstond bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken de mogelijkheid tot het inroepen van een vertrouwensadvocaat in buitenlandse strafzaken. Ten tijde van het inroepen van een beroepsinstantie in de zaak van de heer Singh heeft het ministerie in 1999 volgens de destijds vigerende doelstellingen een advocaat opdracht gegeven tot het uitbrengen van een advies. De vertrouwensadvocaat bracht medio 2000 een kort advies uit. Dit advies richtte zich vooral op de mogelijkheden en kansen van eventuele vervolgstappen in de zaak van de heer Singh en in mindere mate op eventuele onvolkomenheden in de gevolgde rechtsgang. In 2003 werd het vonnis in hoger beroep bevestigd.
Op verzoek van de heer Singh zelf heeft PrisonLAW zich vanaf 2012 in de zaak verdiept, waarbij het ministerie PrisonLAW onder meer heeft gefaciliteerd in het leggen van contacten in de VS en verkrijgen van toegang tot de gevangenis. In 2013 en 2014 heeft PrisonLAW uitvoerig schriftelijk over de zaak gerapporteerd. PrisonLAW heeft zich vervolgens in samenwerking met de lokale advocaten van de heer Singh ingezet voor de Wots-procedure en de Amerikaanse «parole»-procedure voor voorwaardelijke vrijlating op medische gronden.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft dit jaar het «parole» verzoek voor voorwaardelijke vrijlating op medische gronden schriftelijk bij de Amerikaanse autoriteiten ondersteund. Het ministerie is voornemens een gratieverzoek van de heer Singh, zodra dit verzoek voorligt, op humanitaire gronden bij de Amerikaanse autoriteiten eveneens te ondersteunen. Beslissing op beide verzoeken ligt uiteraard bij de Amerikaanse autoriteiten.
Daarbij wil ik opmerken dat de consulaire bijstand die het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt, volgt uit het feit dat de heer Singh beschikt over de Nederlandse nationaliteit. Anders dan bij de toepassing van de Wots, speelt binding met Nederland hierbij geen rol. Dit maakt dat het traject van het Ministerie van Buitenlandse Zaken tot een andere uitkomst kan leiden dan de uitkomst binnen de mogelijkheden die het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft op basis van het Vogp en de Wots.
Waarom stelt u zich op het standpunt dat de WOTS niets te maken heeft met de vervroegde vrijlating, terwijl een woordvoerder van de Amerikaanse hoorcommissie duidelijk heeft aangegeven dat vervroegde vrijlating alleen wordt toegekend als Nederland aangeeft de resocialisatie over te nemen en de heer Singh op te nemen in Nederland?
Het Vogp voorziet uitsluitend in de overname van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en niet in de overname van toezicht op de naleving van justitiële voorwaarden, die aan een vervroegde dan wel voorwaardelijke invrijheidstelling zijn gesteld. Hiervoor bestaat een ander verdrag, te weten het Europees Verdrag inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden van 1964. Dit verdrag geldt echter niet tussen Nederland en de Verenigde Staten. Een bedoelde uitspraak van een woordvoerder van de Amerikaanse hoorcommissie is derhalve niet relevant voor het geldende juridische kader.
Wat zijn de redenen dat u als Minister van Veiligheid en Justitie geen gebruik maakt van uw beoordelingsvrijheid? Hoe heeft de belangenafweging ertoe kunnen leiden dat u uiteindelijk in het nadeel van de heer Singh hebt beslist?
Zoals reeds is aangegeven in het antwoord op vraag 7, heb ik geen formeel verzoek van de Amerikaanse autoriteiten ontvangen tot overname van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de heer Singh. Nochtans zou in deze casus de Wots niet kunnen worden toegepast, omdat het vonnis van de heer Singh niet in Nederland kan worden tenuitvoergelegd, vanwege het ontbreken van een strafrestant. Tevens is het resocialisatiebelang niet met een overbrenging naar Nederland gediend, omdat ik de binding van de heer Singh met Nederland als onvoldoende beoordeel. De argumenten die zijn aangevoerd met het verzoek deze te laten meewegen in mijn beoordeling, brengen hierin geen wijziging.
Ook de humanitaire overwegingen die in deze casus worden aangedragen, rechtvaardigen de toepassing van het Wots-beleid niet. Want, hoewel het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland, dat de instemming van uw Kamer heeft gekregen, enige ruimte biedt voor humanitaire overwegingen, ontbreekt deze ruimte – conform ditzelfde beleidskader – als geen sprake is van binding met Nederland. De aangewezen mogelijkheden voor Nederland liggen in deze gevallen veeleer op het terrein van de consulaire bijstand (zie het antwoord op vraag 8).
Bovengenoemde toelichting leidt ertoe dat in de casus van de heer Singh de Wots niet het aangewezen instrument is om in aanmerking te komen voor overbrenging naar Nederland.
Op welke manier heeft u in de zaak Singh maatwerk toegepast, aangezien de afwijzing alleen gebaseerd is op wettelijke gronden? Kunt u alsnog motiveren waarom niet van de vijfjarentermijn kon worden afgeweken en waarom de medische en lange detentieduur van de heer Singh van onvoldoende belang werd geacht om tot een andere beslissing te komen?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is uw reactie op de door u ontvangen brief van de heer Singh zelf, waarin hij verzoekt om heroverweging van uw beslissing?
Mijn reactie aan de heer Singh heeft dezelfde strekking als de beantwoording van deze vragen.
De inzet van Nederland tijdens de United Nations General Assembly Special Session (UNGASS) on the World Drug Problem die in 2016 zal plaatsvinden. |
|
Michiel Servaes (PvdA), Marith Volp (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Zijn er sinds de bekendmaking van de inzet van Nederland ten behoeve van UNGASS door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport nog wijzigingen in deze inzet aangebracht? Zo ja, welke?1
Nee, er zijn geen wijzigingen in de inzet aangebracht. De Nederlandse inzet voor UNGASS is gebruikt bij de totstandkoming van de EU-positie.
Deelt u de mening dat de inzet van Nederland nu nog weinig ambitieus is? Hoe ziet u de Nederlandse rol op het gebied van de regulering / legalisering van wietteelt? Bent u van mening dat Nederland de voortrekkersrol die het jarenlang op dit dossier heeft gehad, niet zou moeten kwijtraken? Zo ja, hoe komt dit terug in uw inzet? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet is gericht op de versterking van de volksgezondheidsbenadering binnen het drugsbeleid, bestaande uit preventie, voorkoming van incidenten, vroegsignalering, behandeling en op harm reduction. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor mensenrechten, de verbetering van de wereldwijde toegang tot onder de drugsverdragen gecontroleerde medicijnen, en op het focussen van justitie-inzet op de georganiseerde drugsmisdaad in plaats van de gebruiker. Dit zijn belangrijke ambities.
Regulering/legalisering van de hennepteelt is geen kabinetsbeleid en het ligt daarom niet voor de hand bij de UNGASS een door de vragenstellers beoogde voortrekkersrol op dit vlak te vervullen. Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft zich bij meerdere gelegenheden achter het huidige beleid geschaard. Wij blijven inzetten op een geïntegreerde aanpak van de georganiseerde hennepcriminaliteit.
Welke landen hebben wereldwijd hun drugsbeleid aangepast sinds de vorige UNGASS-bijeenkomst? Welke lessen zijn hier voor Nederland uit te leren? Welke perspectieven biedt dit voor het naar eigen inzicht opvatten van de internationale verdragen?
Er is geen eenduidig beeld te schetsen van trends sinds de vorige UNGASS. In een aantal landen is het volksgezondheidsperspectief versterkt of is om andere redenen het beleid versoepeld. In andere landen treedt juist een verharding op van de aanpak van drugs. Als het gaat om Nederland en de overige EU-landen geldt dat drugsbeleid voortdurend wordt geëvalueerd. De lessen die hier (gezamenlijk) uit worden getrokken worden ingezet om het beleid verder vorm te geven. Deze «evidence-based» manier van werken vormt een belangrijk deel van de Nederlandse en EU-inzet voor UNGASS. De VN-Drugsverdragen worden door sommige landen strikter uitgelegd dan Nederland doet, en door andere landen juist ruimer. De International Narcotics Control Board (INCB) is het onafhankelijke orgaan dat toeziet op de implementatie en derhalve op de uitleg van deze verdragen en dat daar jaarlijks over rapporteert. De INCB deinst er daarbij niet voor terug landen te kritiseren en beschikt over enkele sanctiemogelijkheden.
Met welke verschillende maatschappelijke organisaties is gesproken om de input van Nederland ten behoeve van UNGASS te bepalen? Hoe is de voorbereiding getroffen? Wie gaat naar de voorbereiding namens het kabinet? Wie zal de UNGASS-sessie namens het kabinet bijwonen?
Het betrekken van maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van UNGASS is een belangrijk uitgangspunt voor zowel Nederland als de gehele EU. Diverse internationale organisaties zoals de Global Commission on Drug Policy, WOLA, en the Open Society Institute stellen zich actief op, leveren input en participeren in de voorbereidende bijeenkomsten bij de VN in Wenen. Met tal van organisaties, zoals TNI, de Regenboog groep, TRIMBOS, AFEW (Aids Foundation East West) en Mainline, heeft Nederland op voortdurende basis contact en worden informerende bijeenkomsten georganiseerd. Naar verwachting zal in ieder geval de Staatssecretaris van VWS de UNGASS namens Nederland bijwonen als verantwoordelijk bewindspersoon van het kabinet voor het dossier drugs.
Bent u van mening dat, om tegemoet te komen aan de vraag van 59 burgemeesters die het manifest «Joint Regulation» hebben ondertekend, Nederland zich internationaal zou moeten inzetten gereguleerde wietteelt mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u dit doen?
Het kabinet beschouwt het lokaal bestuur als een zeer belangrijke partner in de gezamenlijke aanpak van (drugs)criminaliteit en overlast. Over het softdrugsbeleid en de veranderingen daarin, die onder het vorige kabinet zijn ingezet, onderhoudt de Minister van Veiligheid en Justitie contact met betrokken burgemeesters.
Zoals reeds vaker vastgesteld, onder meer in antwoorden op Kamervragen van het lid Berndsen-Jansen (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 1060, beantwoord op 16 januari 2015), verschilt het kabinet met enkele burgemeesters van mening over wat de meest effectieve en daarmee gewenste aanpak van aan hennepteelt gerelateerde criminaliteit en overlast kan en moet zijn. Het antwoord op de problematiek moet volgens het kabinet niet gevonden worden in regulering van de teelt, maar in een krachtige en gezamenlijke aanpak van criminaliteit en overlast.
Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft zich achter dit kabinetsbeleid geschaard en zich al vaker uitgesproken tegen het experimenteren door gemeenten met gereguleerde teelt, zoals dit in het manifest Joint Regulation wordt voorgesteld. Ik verwijs in dit verband naar de aangenomen motie Oskam (Kamerstuk 29 911, nr. 104). Zoals in antwoord op vraag 2 al is aangegeven is er geen aanleiding in internationaal verband een ander beleid voor te staan.
Bent u bereid om tijdens de UNGASS te pleiten voor een pragmatische aanpak waarbij realistische resultaten worden behaald, zoals een lagere druggerelateerde criminaliteit, regulering van de kwaliteit en de verspreiding van cannabis, lagere maatschappelijke kosten en een betere gezondheid voor cannabisgebruikers?
Een realistische aanpak van het wereldwijde drugsprobleem vanuit het volksgezondheidperspectief is een belangrijk speerpunt voor zowel Nederland als de EU. Nederland voert al sinds de jaren ’70 een pragmatisch drugsbeleid waar de bescherming van de volksgezondheid centraal staat. Een belangrijk element daarvan is de voortdurende evaluatie en wetenschappelijke onderbouwing van ons beleid. Ook de landen binnen de Europese Unie bepleitten een «evidence-based» aanpak. Daarmee is een realistische aanpak van het wereldwijde drugsprobleem vanuit het volksgezondheidperspectief een belangrijk speerpunt voor zowel Nederland als de EU. UNGASS biedt de kans om met landen in gesprek te gaan over een drugsbeleid dat de maatschappelijke en volksgezondheidsschade van drugs zoveel mogelijk terugdringt.
Deelt u de mening dat tijdens de UNGASS breed naar de gevolgen van het wereldwijde drugsbeleid gekeken moet worden, en van de gelegenheid gebruik gemaakt moet worden om niet alleen de gevolgen op het gebied van volksgezondheid en criminaliteit aan te kaarten, maar ook de mensenrechten onder de aandacht te brengen?
Ja.
Hoe wilt u uw rol als EU-voorzitter gebruiken om de Nederlandse inbreng tijdens UNGASS kracht bij te zetten?
Voor wat betreft de Nederlandse rol als EU-voorzitter in algemene zin verwijs ik u naar Kamerbrief van 28 januari 2015.2 Voor wat betreft UNGASS specifiek geldt dat de Nederlandse inzet grotendeels is overgenomen in de EU-inzet. Op basis van deze EU-inzet is Nederland, in samenwerking met andere EU-lidstaten, de Europese Commissie en in het bijzonder het Luxemburgse voorzitterschap, reeds bezig met actieve outreach richting andere landen en maatschappelijke organisaties met het oog op het verwerven van medestand voor een zo goed mogelijk UNGASS-uitkomstdocument.
In hoeveel landen binnen de Verenigde Naties is de doodstraf toegestaan voor drugsdelicten? Hoeveel Nederlanders wachten dit moment op de voltrekking van dit vonnis en wat zijn uw mogelijkheden om in deze zaken te bemiddelen?
Voor zover bekend hebben 33 landen of territoria wetten die de doodstraf bij bepaalde drugsmisdrijven voorschrijven.
Op het moment van schrijven zijn wereldwijd drie Nederlanders veroordeeld tot de doodstraf vanwege een drugsdelict. Voor alle drie gedetineerden geldt dat zij nog niet al hun juridische mogelijkheden hebben uitgeput.
In zaken waar de doodstraf aan de orde is zet de Nederlandse overheid zich met juridische bijstand en diplomatieke interventies in om veroordeling tot en voltrekking van een doodvonnis te voorkomen. Nederlandse gedetineerden in het buitenland kunnen bij een (dreigende) doodstraf een beroep op de Nederlandse overheid doen voor rechtsbijstand. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal in zulke gevallen bekijken of betrokkene in aanmerking komt voor financiering van (extra) rechtsbijstand door de Nederlandse overheid. Besluitvorming vindt plaats op basis van de omstandigheden (waaronder financiële draagkracht van betrokkene en terbeschikkingstelling van rechtsbijstand door de lokale autoriteiten) en onder voorwaarden.3 In alle gevallen wordt rekening gehouden met het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen dat inmenging in de lokale rechtsgang niet toestaat.
Kunt u zich vinden in de visie dat Nederland zich, in zijn rol als voorzitter van de Europese Unie, tijdens de UNGASS hard moet maken voor het wereldwijd afschaffen van de doodstraf voor drugsdelicten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u dit doen?
Ja. Het is staande praktijk dat de EU zich in elk relevant multilateraal forum hard maakt voor het afschaffen van de doodstraf. Dit zal ook binnen UNGASS-kader worden genoemd in toespraken en worden gebruikt in de onderhandelingen voor het uitkomstdocument.
Het bericht dat Saudi-Arabië LHBT-rechten wilt schrappen uit de VN-doelstellingen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht: «Saoedi-Arabië wil holebirechten schrappen uit VN-doelstellingen»?1
De duurzame-ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, SDG’s) zijn het resultaat van onderhandelingen tussen lidstaten. De doelen zijn bij consensus aangenomen. Nederland is tevreden over de verankering van mensenrechten in het algemeen, en het non-discriminatiebeginsel in het bijzonder, in de SDG’s. Dit is een belangrijke verbetering ten opzichte van de Millenniumdoelen (MDG’s).
Daarbij is het goed te benadrukken dat er nooit sprake is geweest van expliciete opname van gelijke rechten voor LHBT’s in de SDG’s. Ze maakten geen deel uit van eerdere voorstellen, noch van het definitieve SDG-uitkomstendocument dat tijdens de SDG-top in New York van 25 -27 september jl. door alle VN-lidstaten aangenomen is. Het alsnog schrappen van deze rechten uit de SDG’s, zoals het geciteerde bericht in De Morgen lijkt te suggereren, is dan ook niet aan de orde.
Het algemene non-discriminatieprincipe dat in de doelen is vastgelegd geldt voor iedereen, ongeacht seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Dat betekent dan ook dat gelijke rechten voor LHBT’s wel degelijk onderdeel uitmaken van de post-2015-agenda. In het SDG-uitkomstendocument zijn tevens diverse verwijzingen naar kwetsbare groepen opgenomen. Het principe «Leave No One Behind» is stevig verankerd in de SDG’s. Ook dit principe geldt voor iedereen, dus ook voor LHBT’s.
Bent u bereid Saoedi-Arabië in VN-verband of bilateraal verband aan te spreken over de opmerkingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van de opvatting dat de VN-doelstellingen in twijfel mogen worden getrokken omdat ze in strijd zijn met de islamitische wet? Deelt u de mening van Saudi-Arabië?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is als deze rechten verdwijnen uit de doelstellingen van de VN? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat Saudi-Arabië zijn voornemen doorzet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid erop aan te dringen dat LHBT-rechten alsnog in de nieuwe Duurzame Ontwikkelingsdoelen worden opgenomen? Indien dit niet mogelijk is, hoe gaat u er dan voor zorgen dat de LHBT-rechten worden gewaarborgd in de VN-lidstaten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat Saudi-Arabië voorzitter is van een belangrijk forum van de Mensenrechtenraad en tegelijkertijd mensenrechten niet erkent? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in Genève van Saoedi-Arabië, Faisal Trad, is door zijn regionale groep, de Aziatische groep, aangewezen als lid van de zogeheten Consultative Group. De regionale groepen stellen zelf iemand uit hun midden aan in deze commissie. Deze persoon functioneert vervolgens op persoonlijke titel. De leden van de Consultative Group kiezen zelf hun voorzitter.
Denkt u dat het forum met «onafhankelijke experts» evenwichtig en effectief mensenrechten kan bevorderen, als het land van de voorzitter pleit voor het schrappen van belangrijke mensenrechten uit de VN-doelstellingen?
De adviezen van de Consultative Group komen tot stand op basis van strikte voorschriften en zijn openbaar. De voordrachten worden gedragen door de gehele commissie. Deze vallen niet onder de eigen bevoegdheid van de voorzitter. Naast de Permanent Vertegenwoordiger uit Saoedi-Arabië komen de leden uit Algerije, Chili, Griekenland en Letland.
Klopt het dat Saudi-Arabië, als lid van de Organisatie van de Islamitische Samenwerking (OIS), de Caïro-verklaring heeft erkend? Zo ja, wat is de verhouding tussen de Caïro-verklaring en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)? Hoe is het Nederlandse mensenrechtenbeleid gericht op bevordering van mensenrechten in lidstaten van de OIS?
Ja. De Caïro-verklaring inzake mensenrechten binnen de islam is een verklaring van de lidstaten van de Organisatie van de Islamitische Samenwerking (OIS) over mensenrechten vanuit islamitisch perspectief. De islamitische wetgeving (sharia) vormt het fundament voor deze verklaring. De Caïro-verklaring zelf geeft aan complementair te zijn aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), en deze niet te vervangen. Echter, op cruciale punten is de Caïro-verklaring strijdig met de UVRM. Het mag geen twijfel lijden dat de UVRM, die als basis heeft gediend voor een groot aantal mensenrechtenverdragen, leidend is als belangrijkste internationale standaard op het gebied van mensenrechten. Nederland zal derhalve de normen die in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn vastgelegd blijven uitdragen, ook in de lidstaten van de OIS. Ten aanzien van de specifieke Nederlandse mensenrechteninzet in de lidstaten van de OIS verwijs ik u graag naar de Mensenrechtenrapportage die jaarlijks met Uw Kamer gedeeld wordt.
Het bericht dat Saudi-Arabië een 21-jarige activist gaat onthoofden en kruisigen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Saudi Arabia preparing to behead and crucify 21-year-old Shia activist»?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja.
Het kabinet zet zich al jarenlang in voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en is zeer geschokt over de berichtgeving over een dergelijk vonnis. Bovendien is het opleggen van de doodstraf aan iemand die ten tijde van het vermeende misdrijf minderjarig was een schending van het VN-Kinderrechtenverdrag waar ook Saudi-Arabië partij bij is.
Heeft de Nederlandse ambassade of de EU-delegatie het proces tegen Ali Mohammed al Nimr gemonitord en rechtszaken bijgewoond? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade heeft de ontwikkelingen in de zaak gevolgd maar de rechtszaak niet bijgewoond. De internationale gemeenschap was niet tijdig op de hoogte was van de rechtszaak.
Bent u bereid om een demarche uit te voeren om uw bezwaren over dit vonnis aan de Saudische ambassadeur over te brengen?
Nederland heeft zich met andere (EU-)partners beraad over deze straf en over de meest effectieve inzet door de internationale gemeenschap. Vanuit die zienswijze zullen de EU en lidstaten in hun contacten met de Saoedische autoriteiten hun zorgen omtrent deze zaak opbrengen.
Bent u bereid in EU-verband erop aan te dringen bij de Saudische autoriteiten om Ali Mohammed al Nimr vrij te laten? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is u bekend over de redenen voor de veroordeling van Ali Mohammed al Nimr? Is het waar dat hij is veroordeeld voor daden die hij heeft gepleegd toen hij minderjarig was?
Ali Mohammed al-Nimr werd ter dood veroordeeld voor 14 aanklachten die hij gepleegd zou hebben toen hij 17 jaar was. Sommige aanklachten kunnen resulteren in de toepassing van de bestraffing voor het oorlog voeren tegen God en/of het verspreiden van corruptie op aarde. Dit soort misdrijven worden binnen de wetgeving van Saoedi-Arabië gekwalificeerd als het zwaarste soort. De rechter heeft nog niet besloten hoe de straf ten uitvoer wordt gebracht.
Bent u op de hoogte van de benoeming van een Saudische diplomaat tot voorzitter van een belangrijk forum in de VN Mensenrechtenraad? Zo ja, op welke manier heeft Nederland tijdens de VN Mensenrechtenraad zich uitgesproken voor of tegen de benoeming van de Saoedische diplomaat?
Ja.
De Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in Genève van Saoedi-Arabië, Faisal Trad, is door zijn regionale groep, de Aziatische groep, aangewezen als lid van de zogeheten Consultative Group. De regionale groepen stellen zelf iemand uit hun midden aan in deze commissie. Deze persoon functioneert vervolgens op persoonlijke titel. De adviezen van de Consultative Group komen tot stand op basis van strikte voorschriften en zijn openbaar. Nederland heeft geen betrokkenheid gehad bij de benoeming van de Saoedische ambassadeur tot voorzitter van de zogeheten Consultative Group.
De in Suriname vermiste helikopter met een Nederlander aan boord |
|
Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
In het Algemeen overleg over Suriname van 9 september jl. meldde u dat Suriname het Nederlandse aanbod tot hulp bij het zoeken naar een in Suriname vermiste helikopter met een Nederlander aan boord «in beraad had» wat is thans de stand van zaken?
Zoals gebruikelijk bij vergelijkbare vermissingszaken, biedt Nederland aan de lokale autoriteiten in het land waar de vermissing plaatsvindt, assistentie aan. Op 26 mei 2015 – drie dagen na de vermissing van de helikopter – heeft de Nederlandse ambassade te Paramaribo assistentie in de vorm van expertise op het gebied van search and rescue aangeboden aan de Surinaamse autoriteiten. Op 9 juni 2015 heeft Suriname van het aanbod gebruik gemaakt. Specialisten van het Ministerie van Defensie, waaronder spoorzoekers en beeldanalisten, hebben informatie geanalyseerd die vanuit Suriname was toegestuurd en advies uitgebracht aan de desbetreffende Surinaamse autoriteiten.
Welk aanbod heeft Nederland precies aan Suriname gedaan om te helpen bij het zoeken naar de betreffende helikopter en de bemanning?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Nederlandse overheid om apparatuur is gevraagd waarmee door bladerdek kan worden gekeken, maar dat Nederland niet over die apparatuur beschikt?
Ja. Suriname heeft op 5 augustus 2015 een aanvullend hulpverzoek ingediend waarin werd gevraagd om inzet van een «Foliage Penetrating Search Radar». Binnen Defensie is dergelijke apparatuur niet beschikbaar. Er is daarna gezocht naar alternatieven, maar zonder resultaat. Nederland heeft moeten constateren dat niet aan het verzoek kon worden voldaan. Dit is op 4 september 2015 aan de Surinaamse autoriteiten meegedeeld.
Is overwogen om bedoelde apparatuur van derden te huren om zodoende effectief te kunnen zoeken naar de vermiste helikopter en personen die aan boord waren? Indien neen, waarom niet?
Het is, net zoals bij alle consulaire gevallen, aan het land waar de vermissing plaatsvindt om in contact te treden met derde partijen.
Bent u bereid de beschikbaarheid en effectiviteit van bedoelde apparatuur te onderzoeken en te overwegen deze in te zetten bij de zoekactie naar de vermiste helikopter en personen die aan boord waren? Indien neen, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, is uit onderzoek inmiddels gebleken dat Nederland niet over dergelijke apparatuur of alternatieven daarvoor beschikt. Indien Suriname met een ander verzoek om hulp, inzet materieel of advies komt, zal Nederland onderzoeken of hieraan kan worden voldaan.
Ongewenste beïnvloeding van de stemming voor de Nederlandse mensenrechtenprijs ‘De Tulp’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Rechts Israël saboteert De Tulp»?1
Zie antwoord op vraag 6.
Klopt het dat de stemming voor De Tulp beïnvloed is door de rechts-nationalistische organisatie «My Israel»?
«My Israel» heeft een oproep gedaan niet op de organisatie «B’Tselem» te stemmen. Van de 70.853 stemmen die op de top-3 kandidaten zijn uitgebracht, kwamen er ongeveer 50.000 uit Israël. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat de oproep van «My Israel» invloed heeft gehad op de stemming.
Klopt het dat deze organisatie het stemadvies heeft gegeven niet op de organisatie B’tselem, die mensenrechtenschendingen tegen Palestijnen in bezet gebied rapporteert, te stemmen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe groot de invloed is geweest van de rechts-nationalistische organisatie «My Israel» op de uiteindelijke uitslag van de stemming voor «De Tulp»?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt «My Israel» in enige vorm of via enige wijze door de Israëlische overheid gefinancierd?
«My Israel« is een netwerk van pro-Israëlische activisten op internet. Het is onduidelijk of en op welke wijze «My Israel« financiering ontvangt. Er kan derhalve niet worden vastgesteld of er een financiële relatie bestaat tussen «My Israel» en de Israëlische overheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze ongewenste beïnvloeding? Bent u van mening dat deze beïnvloeding van belang is voor de geldigheid van de stemming? Bent u voornemens stappen en/of acties te ondernemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht vreedzaam debat en discussie over de kandidaten op zich positief. Uiteindelijk kan openlijk debat over mensenrechtenonderwerpen bijdragen aan zichtbaarheid voor mensenrechtenverdedigers (individuen en organisaties) en verbetering van de mensenrechtensituatie. Het kabinet betreurt evenwel dat door de proteststemmen de positieve steun voor kandidaten onderbelicht kan zijn gebleven.
Het kabinet is zich er van bewust dat bij een internetstemming dergelijke initiatieven mogelijk zijn. Tegelijkertijd is de publiekskeuze maar één onderdeel van een uitgebreid selectieproces, zoals uitgelegd op www.humanrightstulip.nl. Overigens zijn voor de publieksstemming waarborgen ingebouwd om frauduleuze stemmen te voorkomen. Zo wordt maximaal één stem per e-mailadres meegeteld en worden stemmen vanuit automatisch gegenereerde e-mailadressen niet meegeteld.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor 10 december 2015, de internationale dag van de mensenrechten, waarop de winnaar van «De Tulp» bekend wordt gemaakt?
Ja.
Dublin-overdrachten naar Hongarije |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de misstanden in Hongarije ten aanzien van de opvang zoals ook was te zien in de uitzending van Nieuwsuur van vrijdag 11 september jl.? Wat is daarop uw reactie?
Ja. Voor mijn reactie verwijs ik u naar mijn antwoorden van heden op de vragen van de leden Voortman (Groenlinks), Kuiken en Maij (PvdA).
Klopt het dat Nederland nog altijd mensen middels de Dublin-verordening terugstuurt naar Hongarije? Zo ja hoeveel mensen betreft het op de korte termijn?
Ja, Nederland past de Dublin-verordening toe ten opzichte van Hongarije. Van 1 januari 2015 t/m 19 augustus heeft de IND 230 claims gelegd op Hongarije. In deze periode heeft Hongarije 160 claims van Nederland geaccordeerd, waarvan een aantal al in 2014 ingediend waren. Circa 30 zaken zitten in de caseload van DT&V.
Hoeveel mensen zijn er recentelijk, in de afgelopen drie maanden, teruggestuurd naar Hongarije?
In de periode 15 juni t/m 15 september 2015 is 1 persoon teruggekeerd naar Hongarije op basis van een Dublin-claim. Oorzaak is het gehele proces dat moet worden doorlopen van afhandeling van een claim tot en met het daadwerkelijk realiseren van het vertrek.
Wat gaat u, zelfstandig en in EU-verband, doen teneinde helderheid te krijgen over de situatie in Hongarije?
Zoals geantwoord op de vragen van de leden Voortman, Kuiken en Maij ligt het primair bij de Europese Commissie om te beoordelen of het optreden van de regering van Hongarije in lijn is met de EU-verdragen en wetgeving. Hiernaast volgt Nederland de ontwikkelingen, onder andere via rapportages van de Nederlandse ambassade in Boedapest.
Bent u bereid uitzettingen naar Hongarije op te schorten totdat er helderheid is over deze situatie? Zo nee, bent u dan in ieder geval bereid de uitzettingen naar Hongarije van minderjarige asielzoekers op te schorten?
Zoals geantwoord op de vragen van de leden Voortman, Kuiken en Maij houd ik vast aan het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten opzichte van Hongarije en zie ik onvoldoende aanleiding om Dublinoverdrachten op te schorten. De vraag naar de juridische toelaatbaarheid van een overdracht naar Hongarije, ligt nu ook voor bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Overigens worden alleenstaande minderjarige asielzoekers in het algemeen niet overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de overdracht juist in hun belang zou zijn.
Welke consequenties worden door het kabinet verbonden aan mogelijke schendingen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens door Hongarije waar het teruggestuurde asielzoekers betreft?
In het kader van de Dublinverordening is belangrijk dat met de overdracht het EVRM en het EU-Handvest niet worden geschonden. Naar mijn mening, blijkt uit de beschikbare informatie niet dat met een overdracht naar Hongarije deze verdragen zouden worden geschonden. Zoals ook aangegeven ligt deze vraag nu ter beoordeling voor bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoe verhoudt de Nederlandse positie om Dublin-overdrachten naar Hongarije uit te blijven voeren zich, tot het Duitse en Oostenrijkse besluit om deze op te schorten?
Het is niet juist dat vanuit Oostenrijk en Duitsland geen Dublin-overdrachten (meer) zouden plaatsvinden naar Hongarije.
Bent u op de hoogte van het voornemen van Hongarije om asielzoekers terug te sturen naar Servië, een land buiten de EU? Wat is daarop uw reactie?
Ja. De EU-procedurerichtlijn biedt daartoe ook de ruimte, en biedt tegelijk de asielzoeker wel de mogelijkheid om aan te tonen dat in zijn individuele geval hij niet in Servië om bescherming kon vragen.
De detentie van een Nederlands staatsburger in het buitenland |
|
Magda Berndsen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ombudsman laatste hoop gevangene VS»?1
Ja.
Kunt u nader toelichten waarom u het verzoek van de Nederlander, de heer Singh, om overgeplaatst te worden naar Nederland, niet inwilligt en waarop die afwijzing precies is gebaseerd?
Het doel van overbrenging van Nederlandse gedetineerden uit het buitenland is het bevorderen van de resocialisatie in de samenleving, waarmee zij verbonden zijn. Om voor overbrenging naar Nederland in aanmerking te komen, gelden – conform het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland (Kamerstukken II 2007/2008, 31 200 VI, nr. 30) – in het bijzonder twee criteria: (1) er dient sprake te zijn van aantoonbare en voldoende binding met Nederland zodat (2) de overbrenging kan bijdragen aan een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde in Nederland. Om invulling te kunnen geven aan het resocialisatietraject vanuit een Nederlandse detentie, is na overbrenging naar Nederland een strafrestant van minimaal vier maanden nodig.
In deze casus wordt aan beide criteria niet voldaan. Individuele omstandigheden kunnen ertoe leiden dat in een uitzonderlijk geval wordt afgeweken van het staande beleid. In deze casus zie ik hiertoe geen aanleiding.
Klopt het dat er niet is ingegaan op het aanbod van de Consul Generaal van San Francisco om een onafhankelijk rapport over de medische toestand van de heer Singh op te stellen? Zo ja, wat is de reden daarvan?
De door het Consulaat-Generaal te San Francisco geopperde mogelijkheid heeft naar mijn mening geen toegevoegde waarde, omdat de informatie waarover ik reeds beschik, mij voldoende inzicht in de situatie van de heer Singh biedt om op grond hiervan mijn standpunt in deze casus te vormen.
Bent u ervan op de hoogte dat Reclassering Nederland een plan heeft opgesteld met de toezegging tot vrijwillige resocialisatie van de heer Singh? Zo ja, kunt u toelichten waarom u hier niet op heeft gereageerd? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid dit plan alsnog te bekijken en de Kamer te informeren of overplaatsing aan de orde is?
De rapportage die ik van Reclassering Nederland heb ontvangen, behelst geen resocialisatieplan voor de heer Singh. Nochtans had dit niet geleid tot een ander standpunt is deze casus, aangezien er geen invulling kan worden gegeven aan het resocialisatietraject binnen een strafrechtelijk kader, vanwege het ontbreken van een strafrestant na overbrenging naar Nederland.
Klopt het dat u WOTS-verzoeken weigert met als reden dat Nederlandse gedetineerden in het buitenland onvoldoende binding met Nederland zouden hebben? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd?2
Ja, conform het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland geldt binding met Nederland als voorwaarde voor overbrenging naar Nederland. Re-integratie in de Nederlandse samenleving is immers zinloos als er geen wezenlijke relatie is met Nederland. Concrete aantallen hiervan zijn niet te achterhalen, omdat dit niet op een dusdanige wijze wordt geregistreerd.
Is het kabinetsbeleid dat een Nederlands burger die meer dan vijf jaar uit Nederland weg is geen aanspraak kan maken op de WOTS? Zo ja, waar is deze termijn van vijf jaar precies op gebaseerd en waar staat deze termijn precies in de WOTS vermeld?
Er bestaat geen wettelijke grondslag met betrekking tot een termijn om de mate van binding met Nederland aan te tonen. Conform het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland wordt bij het bepalen of er sprake is van binding onder meer gekeken naar waar betrokkene feitelijk woonachtig is (inschrijving in de Basisregistratie Personen) en hoe lang, waar hij werkt, waar het gezin verblijft dan wel de familie en zo meer. Een Nederlandse veroordeelde die niet in Nederland woont en van wie onvoldoende gebleken is dat Nederland het land is waar hij na afloop van zijn detentie weer de draad zal oppakken, komt niet in aanmerking voor overbrenging. Daarvan is sprake in het geval betrokkene zijn banden met Nederland heeft verbroken door zijn hoofdverblijf naar een land buiten Nederland te verplaatsen en geen sociale banden met Nederland meer heeft. In een dergelijk geval is het resocialisatiebelang immers niet met een overbrenging gediend. De zogenoemde vijfjarenregel dient hierbij ter indicatie en is zeker niet allesbepalend.
Is er een wettelijke grondslag met betrekking tot de bindingstermijn voor WOTS-onderzoeken? Zo ja, welke grondslag is dat?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt precies de medische situatie van een gedetineerde meegewogen in beslissing om een Nederlandse gedetineerde over te plaatsen naar Nederland? Wat heeft daarbij prioriteit, de bindingstermijn en het strafrestant of de medische situatie van de gedetineerde? Kunt u deze prioritering toelichten?
Om voor overbrenging naar Nederland in aanmerking te komen, gelden – zoals reeds aangeven in het antwoord op vraag 2 – in het bijzonder twee criteria: (1) er dient sprake te zijn van aantoonbare en voldoende binding met Nederland zodat (2) de overbrenging kan bijdragen aan een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde in Nederland. Als er geen wezenlijke relatie is met Nederland, is re-integratie in de Nederlandse samenleving immers zinloos. Beide criteria zijn -onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Individuele omstandigheden, zoals een dermate ernstige medische situatie, zouden ertoe kunnen leiden dat in een uitzonderlijk geval wordt afgeweken van het staande beleid. De medische situatie van een gedetineerde in het buitenland is derhalve ondergeschikt aan het doel van resocialisatie.
Vindt u het wenselijk dat voor Nederlanders die meer dan vijf jaar buiten Nederland verblijven, een tweederangs burgerschap ontstaat doordat terugkeer naar Nederland onder de WOTS door u wordt uitgesloten? Indien dat niet uw bedoeling is, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nederlanders die daartoe een expliciet verzoek bij u indienen, zoals de heer Singh, wel onder voorwaarden kunnen terugkeren naar Nederland voor resocialisatie?
Zie antwoord vraag 6.
De Europese migratieproblematiek |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Linda Voortman (GL), Joël Voordewind (CU), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bij welke EU-lidstaten is de grens van opvang en asielverlening al overschreden?1
In de brief wordt gesproken van de grenzen van het stelsel. Dat is niet gelijk te stellen met de grenzen die op dit terrein voor elk land zouden gelden en betreft evenmin een louter cijfermatige grens. De vaak vreselijke beelden en berichten die in de afgelopen maanden in de media te zien waren, waaronder mensensmokkel, verstikking en verdrinking van migranten, zijn naar het oordeel van het kabinet een duidelijk teken dat het huidige stelsel zijn grenzen bereikt.
Kunt u aangeven waar die grens ligt en in hoeverre een EU-lidstaat zelf invloed heeft op deze grens?
Zie antwoord vraag 1.
Is de genoemde 110 miljoen euro bijdrage aan opvang in de regio extra geld of komt dit uit het bestaande noodhulpfonds?
Het Kabinet heeft 110 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor opvang in de Syrië regio. Dit wordt gedekt door het naar voren halen van middelen uit het ODA-budget die «vrij» besteedbaar zijn als gevolg van de groei van het BNP in toekomstige jaren.
Welke belangrijke transitlanden heeft u op het oog die opvang moeten bieden aan veilig en adequaat toegeruste gastgemeenschappen van een meer structurele aard?
In de komende weken vindt in EU-kader nader overleg plaats over de kabinetsplannen voor de korte en middellange termijn. Zodra in Europees verband de ideeën concreter vorm krijgen, kunnen we de plannen verder uitwerken samen met relevante opvanglanden, zoals de buurlanden van Syrië.
Zijn deze genoemde belangrijke transitlanden al benaderd of zij openstaan voor een dergelijke rol, zo ja, wat was de reactie? Zo nee, gaat dit nog wel gebeuren voordat Nederland dit standpunt in de Europese Raad uit gaat dragen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaan deze adequaat toegeruste gastgemeenschappen gerealiseerd en gefinancierd worden?
Een uitzichtloos verblijf in opvangkampen en geïmproviseerde verblijven moet worden vervangen door opvang in belangrijke transitlanden in veilig en adequaat toegeruste gastgemeenschappen van semipermanente aard. Er wordt al veel gedaan op dit terrein, zowel door landen van opvang zelf als door de hulporganisaties. Er is echter een groot tekort aan geld. Slechts 38% van het budget dat de VN nodig heeft voor het verlenen van humanitaire hulp in Syrië en de omringende landen is daadwerkelijk beschikbaar gesteld. Vluchtelingen ondervinden hiervan direct de consequenties: het Wereldvoedselprogramma heeft vanwege de financiële tekorten bijvoorbeeld flink moeten snijden in de voedseltoelagen voor vluchtelingen.
Het is van groot belang dat dit financiële gat zo spoedig mogelijk wordt gedicht om de vluchtelingen een veilig en humaan bestaan te bieden. Daarnaast zijn er investeringen nodig in infrastructuur en publieke voorzieningen om ook op de middellange termijn perspectief te kunnen bieden aan vluchtelingen en gastgemeenschappen. Volgens cijfers van UNICEF gaan 700.000 Syrische kinderen in Jordanië, Libanon en Turkije op dit moment niet naar school, vooral vanwege het overbelaste schoolsysteem. Momenteel wordt gekeken naar mogelijkheden om Libanon en Jordanië, landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen, toegang te geven tot concessionele leningen van o.a. Wereldbank, IMF en EBRD, mogelijk aangevuld met directe financiële steun. Daarnaast zal voldoende expertise beschikbaar gesteld moeten worden voor het aanpakken van problemen met publieke voorzieningen en door te investeren in scholing en werkgelegenheid. In dit kader financiert Nederland reeds programma’s in Libanon en Jordanië voor onderwijs, drinkwater en afvalverwerking voor vluchtelingen én de lokale bevolking. Nederland zet tevens in op innovatie van humanitaire hulp (zoals overschakelen naar cash hulp) om daarmee de kwaliteit en beschikbaarheid van deze hulp te vergroten.
Uiteindelijk zal de financiering van adequate, semipermanente opvang uit verschillende bronnen moeten komen. Dat zal een combinatie zijn van eigen middelen van opvanglanden, bijdragen van de EU en internationale organisaties als de Wereldbank en bijdragen van donoren zoals Nederland. Bezien zal moeten worden in hoeverre geld binnen de EU-begroting kan worden gevonden middels herprioritering. Zoals gesteld in de brief2 van 8 september jl. zal het kabinet aanvullende voorstellen uitwerken en hiervoor de komende periode structureel extra middelen voor reserveren.
Zoals uiteengezet in de kabinetsbrief van 8 september zijn de drijfveren voor veilige derde landen om vluchtelingen op te nemen de hulp en economische investeringen in die derde landen (die ook de lokale bevolking ten goede komen) gepaard met solide hervestiging, wat tevens een mate van burden-sharing met deze derde landen vormt.
Hoeveel besparingen verwacht u wanneer minder migranten doorreizen en asiel aanvragen in de EU?
Dit is in deze fase niet te kwantificeren.
Hoe werkt het zogenaamde overdrukventiel van hervestiging van vluchtelingen naar Europa op de regionale veilige opvang? Kunt u dit cijfermatig toelichten?
De EU moet op grotere schaal hervestigen dan de thans voorgenomen aantallen. Let wel, deze maatregel staat niet op zich. Door de kwaliteit van opvang in de regio te verbeteren en vluchtelingen ter plaatse betere perspectieven te geven, zullen minder mensen doorreizen en asiel aanvragen in de EU. Bovendien kunnen asielzoekers die afkomstig zijn uit regio’s waar veilige opvang beschikbaar is, na een snelle afwijzing teruggestuurd worden naar de eigen regio wanneer ze toch naar Europa komen. De noodzaak om asielzoekers binnen de EU te herverdelen op grond van herplaatsing zal daardoor afnemen. Dat betekent dat hervestiging de voornaamste mogelijkheid zou zijn om opvang en bescherming in de EU te genieten. Dat moet dan ook om een solide hervestigingsprogramma gaan. Hoeveel precies, zal onderwerp van bespreking binnen de EU en met opvanglanden moeten zijn. Dit komt ook uit de Voorzitterschapsconclusies van de JBZ-Raad van 14 september jl. naar voren.
Kan er uit uw brief worden opgemaakt dat er geen vluchtelingen naar Europa meer mogen komen tenzij dit zogenaamde overdrukventiel gebruikt wordt?
Nee, zoals in de brief staat aangegeven worden aanvragen van vluchtelingen uit delen van de wereld waar geen veilige opvang beschikbaar is in Europa inhoudelijk in behandeling genomen.
Kunt u juridisch onderbouwen waarom dit geen schending van het VN Vluchtelingenverdrag zal zijn?
Het VN vluchtelingenverdrag, en het daarin vastgelegde verbod op non-refoulement, sluit niet uit dat personen worden gestuurd naar een veilig gebied buiten Europa. Zoals gesteld in de kamerbrief van 8 september jl., zullen alleen personen worden teruggestuurd als zij uit delen van de wereld komen waar veilige opvang en adequate procedures beschikbaar zijn. Dit is ook opgenomen in paragraaf 15 van de conclusies van het Voorzitterschap n.a.v. de JBZ-Raad van 14 september jl. Ook de Procedurerichtlijn van de EU, die vanzelfsprekend voldoet aan de vereisten van het Vluchtelingenverdrag, voorziet erin dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als er een veilig derde land is. Vereisten daarbij zijn onder andere dat overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag het beginsel van non-refoulement in dat land gerespecteerd wordt, en de mogelijkheid bestaat om bescherming te ontvangen.
Welke mate van burden sharing is nodig teneinde draagvlak te creëren en de regio te ontlasten?
Zie antwoord vraag 6.
Wat acht u een realistisch vastgesteld quotum voor dit jaar voor de gehele EU?
Voor 2015 en 2016 heeft de Europese Commissie gepleit voor een te hervestigen aantal van 20.000 in het kader van een EU hervestigingsprogramma. De lidstaten gezamenlijk hebben zich hieraan gecommitteerd in Raadsconclusies.
Hoe bent u gekomen tot dit vastgestelde quotum? Kunt u inzicht bieden in het vaststellingsproces hiervan?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe verwacht u dat de UNHCR voordrachten gaat formuleren en op welke criteria zal dat moeten gebeuren?
Met de UNHCR zal moeten worden bezien of en in hoeverre de huidige werkwijze aanpassing behoeft. Gelet op de schaalvergroting zou UNHCR intensiever ondersteund kunnen worden in dit proces door middel van het ontwikkelen van een «hotspot» aanpak. Het is niet bij voorbaat evident dat de criteria die de UNHCR nu hanteert aanpassing behoeven. Wel is het mogelijk dat in aanvulling daarop EU-lidstaten voorkeursprofielen opstellen.
In hoeverre is het niet inhoudelijk in behandeling nemen van een asielverzoek en het terugsturen van een asielzoeker in overeenstemming met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Mits er geen sprake is van (indirect-) refoulement past dit voorstel binnen de kaders van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, staat Artikel 3 EVRM in de weg aan het terugsturen van een asielzoeker wanneer er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat er een reëel risico is dat de betreffende persoon zal worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Dit verbod bestaat onafhankelijk van de vraag of een eventueel asielverzoek inhoudelijk in behandeling is genomen.
Wat zijn de drijfveren van de veilige derdelanden om bescherming te bieden aan asielzoekers wier verzoek de EU niet inhoudelijk in behandeling wil nemen?
Zie antwoord vraag 6.
In welke delen van de wereld is geen veilige opvang beschikbaar?
Daar is in deze fase niet definitief op vooruit te lopen en dit zal in tijd ook kunnen verschillen. Landen die nu op onderdelen nog niet kwalificeren als veilig land, zouden met aanvullende investeringen en daartoe strekkende afspraken alsnog kunnen kwalificeren.
Moet er om vast te stellen waar een asielzoeker vandaan komt en wat zijn of haar asielgrond is niet eerst ook opvang geboden worden en capaciteit aanwezig zijn om dit vast te stellen? Hoe verhoudt zich dat tot de door uw verwachte besparingen die optreden wanneer minder migranten doorreizen en asiel aanvragen in de EU?
Ja, er zal in die situatie opvang worden geboden. Echter dit zal van korte duur zijn, omdat het gaat om een (niet-) ontvankelijkheidsbeoordeling die snel kan plaatsvinden. Wanneer asielzoekers weten dat zij na een snelle procedure worden teruggebracht naar de regio waar zij vandaan zijn gekomen, zal dit naar verwachting bovendien een sterk drukkend effect op de instroom hebben.
Wanneer verwacht u het beschreven essentiële eindpunt van de EU bereikt te hebben?
Het kabinet heeft in de brief van 8 september een einddoel geformuleerd om een koerswijziging in het Europese beleid tot stand te brengen. De steun voor de Nederlandse ideeën bij de JBZ-Raad van 14 september vormt een belangrijk eerste resultaat. Het is nu zaak hier in Europees en internationaal verband actief verder vorm aan te geven. Uiteraard is de volledige uitvoering hiervan niet alleen afhankelijk van de besluitvorming binnen de EU, maar ook van de overeenstemming met de betreffende derde landen. Daarom heeft het kabinet ook een visie neergelegd voor de tussenliggende fase.
Hoeveel EU-lidstaten moeten zich committeren aan dit einddoel voordat de tussenfase ingezet kan worden?
Brede overeenstemming is nodig over de elementen investeringen ten behoeve van goede opvang in de regio, solide hervestiging en een snelle afwijzing in de EU op veilige derde landen gronden gevolgd door terugkeer naar de regio om zo het cynische business-model van de mensensmokkelaars te ontmantelen en de instroom te verminderen. Met de bespreking van de tussenfase zoals omschreven in de brief van 8 september jl. kan wat Nederland betreft meteen een start worden gemaakt in verband met de thans voorliggende Commissievoorstellen.
Wanneer acht u een EU-idstaat voldoende gecommitteerd?
Zie antwoord vraag 20.
Aan welke componenten uit deze voorstellen moet tenminste voldaan worden voordat de tussenfase ingezet kan worden?
Zie antwoord vraag 20.
Welke termijn verbindt u aan deze tussenfase?
Zie antwoord vraag 20.
Welke concrete voorwaarden zijn er aan verbonden voordat de voorgestelde 7214 vluchtelingen kunnen worden opgenomen?
Naast de eerder genoemde voorwaarden van goede registratie en afname van vingerafdrukken bij binnenkomst als onderdeel van effectieve hotspots, zal Nederland verlangen dat iedere lidstaat zijn aandeel neemt. Bovendien is EU commitment aan het einddoel, zoals beschreven in de brief aan uw Kamer over de Europese asielproblematiek d.d. 8 september jl., een voorwaarde voor een succesvolle tussenfase. Het is namelijk door brede overeenstemming te bereiken over een dergelijk eindperspectief dat het nemen van tussentijdse stappen effectief kan zijn. Genoemd einddoel is opgenomen in de conclusies van het Voorzitterschap n.a.v. de JBZ Raad van 14 september jl. Over dit aspect bleek in de Raad consensus te bestaan.
Op welke termijn bent u van plan de Europese buitengrenzen te sluiten voor asielaanvragen van buiten Europa gedurende deze fase?
De Europese Unie staat onder een groeiende immigratiedruk waarvan de verwachting is dat deze op korte termijn niet zal afnemen. Het is noodzakelijk om de duurzaamheid van het bieden van internationale bescherming te borgen door middel van het vinden van gezamenlijke, deels nieuwe oplossingen. Zoals gesteld in de kamerbrief van 8 september jl., dienen derde landen te worden ondersteund om het perspectief in de regio van eerste opvang te vergroten, teneinde het model van risicovolle doorreis te doorbreken. Wanneer semipermanente opvang in de regio beschikbaar is, kunnen asielaanvragen van mensen die toch via andere wegen de EU bereiken, niet-ontvankelijk worden verklaard op veilige derde landen gronden en worden teruggebracht naar deze landen. Asielaanvragen van mensen die niet naar een veilig derde land kunnen worden teruggebracht, worden inhoudelijk behandeld in de EU. Van het sluiten van Europese buitengrenzen voor asielaanvragen is geen sprake. Voor het beter beheersbaar maken van de migratiestromen blijft effectieve grensbewaking uiteraard wel van groot belang, zoals ook opgenomen in paragraaf 2 van de conclusies van het Voorzitterschap n.a.v. de JBZ-Raad van 14 september jl.
Hoe ziet een geschikte Europese verdeelsleutel eruit? Wanneer wordt er voldoende rekening gehouden met de absorptiecapaciteit van een land?
In de verdeelsleutel die onderdeel uitmaakte van het eerdere, reeds aangenomen, Commissievoorstel werd relatief weinig rekening gehouden met de reeds gepleegde asielinspanningen van de lidstaten. Ik zou graag zien dat dat een belangrijkere plek in de verdeelsleutel krijgt. Tegelijk is duidelijk dat er geen wetenschappelijk optimum is bij het opstellen van een verdeelsleutel. Veel zal uiteindelijk aankomen op een redelijk debat met ruimte voor alle belangen en argumenten.
Waarom wordt er in deze voorgestelde tussenfase nog gebruik gemaakt van de bestaande Dublin-verordening, al dan niet met uitzonderingen?
In die tussenfase is de Dublin-verordening eerder belangrijker dan minder belangrijk. Als asielzoekers billijk over de EU worden verdeeld dan is de Dublin-verordening de manier om die verdeling te handhaven. Wel zal een aanpassing van de Dublin-verordening nodig zijn om die verdeling in de verordening in te brengen.
Kunt u onderbouwen waarom herplaatsing de voedingsbodem weg zou nemen voor mensensmokkel binnen de EU?
Mensensmokkel binnen de EU vindt nu plaats omdat migranten zich bewegen naar het EU-land van de eigen voorkeur. Met herplaatsing krijgt de asielzoeker een verantwoordelijke lidstaat toegewezen, onafhankelijk van het land van aanmelding. De asielzoeker kan zo niet meer het eigen voorkeursland bepalen en het illegaal doorreizen heeft dan ook geen doel meer. In het Raadsbesluit tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië, Griekenland en Hongarije, stelt de Europese Commissie een aantal specifieke waarborgen en verplichtingen voor om secundaire migratiestromen na herplaatsing te beperken.
Is niet de verwachting dat juist mensensmokkelaars in de hand worden gespeeld als statushouders binnen de EU niet meer legaal mogen reizen?
Statushouders mogen momenteel reizen binnen de EU en dat verandert met deze aanpak niet. Voor smokkel van statushouders is dus geen enkele aanleiding. Statushouders mogen zich overigens momenteel niet vrijelijk vestigen in andere Lidstaten en dat blijft ook het geval.
Kunt u de contouren aangeven wat u binnen de grenzen van het redelijke en het haalbare acht teneinde rekening te houden met de persoonlijke voorkeuren van een persoon?
Het huidige uitgewerkte voorstel voor herplaatsing van 40.000 asielzoekers uit Italië en Griekenland biedt hiervoor reeds de nodige aanknopingspunten. Mogelijk dat dit nog nadere uitwerking in EU-verband zal krijgen. Een uitgangspunt dat in elk geval voorop moet staan is de eenheid van het gezin. Een voorkeur omdat een gezinslid al in een bepaalde lidstaat verblijft, zal dan ook als regel gehonoreerd moeten worden. Ook aspecten als arbeidsmarktperspectief voor een specifiek beroep en/of taalgebied zouden een rol moeten kunnen spelen, maar niet per se als hard criterium. Deze aspecten zouden bijvoorbeeld als leidend kunnen gelden voor zover de te verdelen aantallen daardoor niet in het gedrang komen. De uitvoerbaarheid van het stelsel zal hierbij een essentiële rol spelen.
Als het voornaamste obstakel voor terugkeer het gebrek aan medewerking van bepaalde derdelanden is, waarom wordt er dan wel uitgegaan van bereidheid van derdelanden om vluchtelingen op te nemen in plaats van de EU?
De meeste derde landen werken in voldoende mate mee aan terugkeer. De inzet van het kabinet is om in EU-verband een versterkte samenwerking op migratieterrein te realiseren met belangrijke landen buiten de EU. EU-ondersteuning van deze landen bij de aanpak van de uitdagingen op migratieterrein dient gepaard te gaan met goede samenwerking op terreinen als terugkeer en de aanpak van mensensmokkel en -handel. Voor de uitwerking van de kabinetsvoorstellen voor opvang in de regio denkt het kabinet in eerste instantie aan landen waarmee al een goede samenwerking op migratieterrein bestaat. Hulp en economische investeringen in deze landen (die ook de lokale bevolking ten goede komen) in combinatie met solide hervestiging zullen eveneens de samenwerking op terugkeer stimuleren.
Bent u bereid deze vragen voor woensdagavond 9 september 18.00 uur te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk was beantwoord.
Het bericht over uitzetting van twee kinderen |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsbericht op de website van EénVandaag: «Glaucio (13) en Marcia (18) worden uitgezet»?1
Ja.
Wat is de reden dat u dit gezin heeft vastgezet in de gesloten gezinsvoorziening in Zeist, gelet op het feit dat het gezin zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken en sinds enkele weken reeds verbleef in een gezinslocatie waar hun vrijheid al werd beperkt?
Zoals bekend, is het gezin in vrijheid gesteld. Voor het overige ga ik niet in op (de afwegingen in) individuele zaken.
Bent u bereid om het gezin in vrijheid te stellen omdat niet is voldaan aan het ultimum-remediumbeginsel (artikel 37 VN-Kinderrechtenverdrag) en er alternatieven voor de inbewaringstelling voor handen zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen) van 5 december 2014 over een gezin in een vergelijkbare zaak?2
Ik ben bekend met deze uitspraak.
Klopt het dat gezinnen in gevolge deze uitspraak de hoger beroepsprocedure in Nederland mogen afwachten? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. In algemene zin geldt dat als een door de vreemdeling ingesteld beroep gegrond wordt verklaard de Staat daartegen in hoger beroep kan gaan. De uitkomst daarvan mag in dat geval in beginsel in Nederland worden afgewacht. Dat geldt echter niet wanneer het door de vreemdeling ingestelde beroep niet gegrond is verklaard en de vreemdeling tegen die uitspraak in hoger beroep gaat.
Bent u bereid om ook Márcia en Gláucio hun hogerberoepsprocedure af te laten wachten in Nederland, mede gelet op het feit dat zij een zeer vergelijkbare procedure voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven in hoeveel kinderpardonprocedures er een beroep is gedaan op het tienjarenbeleid voor gezinsleden van 1F-ers? Klopt het dat het slechts om 2 of 3 gezinnen gaat?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom het 10-jarenbeleid voor gezinsleden van 1F-ers niet op het Kinderpardon van toepassing is? Klopt het dat dit nergens expliciet kenbaar is gemaakt?
De regeling langdurig verblijvende kinderen (RLVK) is een begunstigende regeling. Het belang van het kind wordt hierin afgewogen tegen andere maatschappelijke belangen, waaronder het belang van bescherming van de openbare orde. In het Regeerakkoord is in dit kader expliciet verwezen naar 1F’ers en hun gezinsleden: «Geen vergunning op grond van deze regeling wordt verleend aan een vreemdeling die een zwaar delict heeft begaan
of aan wie is tegengeworpen dat hij oorlogsmisdaden heeft begaan en evenmin aan zijn gezinsleden.» Dit is leidend geweest bij de nadere uitwerking van de RLVK.
Overigens is ten aanzien van bijna alle voorwaarden en contra-indicaties van de regeling als uitgangspunt genomen dat deze doorwerken op het hele gezin. Daarmee neemt de regeling de eenheid van het gezin als uitgangspunt.
In de paragraaf in de Vreemdelingencirculaire over de RLVK staat expliciet vermeld dat voor het tegenwerpen van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen verjaringstermijn geldt. Daarnaast is uitdrukkelijk vermeld dat de genoemde verjaringstermijn van vijf, respectievelijk tien jaar niet van toepassing is indien er sprake is van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Daarmee is helder dat het tienjaren beleid niet van toepassing is, zoals de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) bevestigt in de uitspraak van 17 februari 2015.
Bent u er mee bekend dat het verstrekken van een vergunning aan Márcia, Gláucio en hun moeder, niet betekent dat u hiermee tevens verblijfsrecht aan vader hoeft te verlenen?3
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de familie van Márcia en Gláucio al bijna vijftien jaar in Nederland woont en gedurende die periode altijd in beeld van de Nederlandse autoriteiten is geweest? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat de familie lange tijd niet door Nederland is uitgezet en dat dit nu in het zicht van een uitspraak in hun kinderpardonprocedure alsnog met veel haast dreigt te gebeuren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt deze uitzetting zich tot de in de Jeunesse-zaak geformuleerde criteria dat altijd moet worden beoordeeld of een uitzetting uitvoerbaar, haalbaar en proportioneel is gelet op de belangen van de betrokken kinderen?4
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat tot uitzetting van het betrokken gezin wordt overgegaan (naar verwachting op 4 september a.s.)? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het farmaceutische bedrijf Mylan dat zich in Nederland heeft gevestigd en mogelijk doodstraf-medicatie levert aan Amerikaanse gevangenissen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over het Nederlandse farmaceutische bedrijf Mylan waarin u aangaf dat het kabinet kan bevestigen noch ontkennen dat Mylan het spierverslappende middel rocuroniumbromide levert aan Amerikaanse gevangenissen ter uitvoering van de doodstraf?1
Ja.
Heeft u inmiddels nader onderzoek gedaan of door het Nederlandse bedrijf inderdaad geen executiemiddelen zijn dan wel worden geleverd aan Amerikaanse gevangenissen, ook niet via het productieland India?
Sinds de beantwoording van de in vraag 1 genoemde Kamervragen heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken over deze kwestie verschillende malen contact gehad zowel met Mylan zelf, als met belegger APG, mensenrechten-ngo Reprieve, en de Nederlandse advocaat Stapert. Ook de ambassade in Washington, D.C. heeft bij lokale contacten navraag gedaan.
Bent u ervan op de hoogte dat de Amerikaanse staat Virginia op zeer korte termijn een aantal executies wil uitvoeren middels de dodelijke injectie bestaande uit drie verschillende drugs waaronder het spierverslappende middel rocuroniumbromide?
Ja, mij is bekend dat op 1 oktober een executie is gepland in Virginia. Ook is bekend dat rocuroniumbromide één van de drie middelen is die bij executies in Virginia in het verleden is toegediend. Of rocuroniumbromide ook voor de aanstaande executie zal worden ingezet, is mij niet bekend.
Nu vrijwel alle andere farmaceutische bedrijven maatregelen hebben genomen die verkoop en doorverkoop van medicatie aan Amerikaanse gevangenissen voorkomen, welke garantie kan Mylan geven dat het middel rocuroniumbromide niet rechtstreeks dan wel via India of groothandelaren is doorverkocht aan Amerikaanse gevangenissen ter uitvoering van de doodstraf?
Op 18 augustus jl. vond op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een gesprek plaats met een delegatie van Mylan. In het gesprek heeft Mylan aangegeven die garantie niet te kunnen geven.
Wat was de uitkomst van het door u aangekondigde gesprek met Mylan over het beleid en de intenties van het bedrijf?
In het gesprek dat op 18 augustus jl. op het Ministerie van Buitenlandse Zaken plaats vond met een delegatie van Mylan, is van de zijde van het ministerie het volgende naar voren gebracht:
Tijdens het gesprek liet Mylan weten niet van plan te zijn contractuele afspraken te maken met distributeurs om te voorkomen dat het middel in kwestie voor dodelijke injecties wordt gebruikt. Het bedrijf voerde hiervoor aan dat gevangenisziekenhuizen het middel wel moeten kunnen gebruiken voor legitieme doeleinden (anesthesie), en dat contractuele afspraken nooit kunnen garanderen dat producten voor oneigenlijke doelen worden ingezet.
Mylan gaf verder aan niet op de hoogte te zijn van de aankoop van Mylanproducten door het Virginia Department of Corrections (VDOC). Kort na het gesprek heeft het bedrijf contact gezocht met het VDOC om zich ervan te vergewissen dat de rocuroniumbromide van Mylan niet zou worden gebruikt voor het uitvoeren van de doodstraf. Op 28 augustus bracht Mylan een persverklaring uit over de kwestie, waarin de brief aan het VDOC wordt genoemd.2 Een reactie op de brief is nog niet bekend.
Het kabinet verwacht dat Mylan aanvullende, proactieve stappen neemt om zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen, en dat het hierover in gesprek blijft met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook het ministerie zet zich in om deze situatie in de toekomst te voorkomen. Omdat het handelsbeleid een EU-bevoegdheid betreft, geeft het kabinet hiertoe de voorkeur aan regelgeving op EU-niveau. Zoals eerder gemeld wordt EU-verordening 1236/20053 momenteel herzien. Nederland zet zich ervoor in ook «tussenhandeldiensten» onder de verordening te laten vallen, en rocuroniumbromide toe te voegen aan de lijst van vergunningplichtige stoffen. Dat houdt in dat ook de handel van Mylan in rocuroniumbromide van India naar de VS onder de EU-exportcontrole zou gaan vallen, vanwege de tussenhandeldiensten die plaatsvinden in het hoofdkantoor van Mylan N.V. in Nederland.
Advocaat Stapert heeft tegen Mylan een melding ingediend bij het Nationaal Contactpunt (NCP) OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. Het NCP heeft inmiddels aangegeven de zaak in behandeling te nemen.4 Dat wil zeggen dat het NCP gaat bemiddelen tussen Mylan en Stapert. Mogelijk leidt deze bemiddeling tot een oplossing. Het NCP zal in elk geval met aanbevelingen komen.
Is Mylan bereid om als Nederlands bedrijf zelf expliciete maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat medicijnen die door het bedrijf worden gemaakt, niet kunnen worden gekocht door of doorverkocht aan Amerikaanse gevangenissen voor dodelijke injecties?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat Nederlandse farmaceutische bedrijven alles in het werk moeten stellen om zelfs het risico van gebruik van medicatie voor uitvoering van de doodstraf te voorkomen?
Ja.
Bent u van mening dat Mylan bindende afspraken dient te hebben met distributeurs in lijn met industriestandaarden om te voorkomen dat medicijnen gebruikt kunnen worden bij executies? Bent u bereid met spoed wetgeving te introduceren om Mylan te dwingen zich te conformeren aan de wereldwijde standaarden van de farmaceutische industrie en om Mylan te dwingen het maximaal haalbare te doen om te voorkomen dat door Mylan geproduceerde medicijnen worden gebruikt in executies?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre vindt u in dit geval de «amorele werkwijze» van de Belastingdienst, waarbij de Belastingdienst bij de vestiging van buitenlandse ondernemingen geen waardeoordeel geeft over de oorsprong van de inkomsten en ook geen contact opneemt met het Ministerie van Buitenlandse zaken dan wel van Veiligheid en Justitie, nog houdbaar indien een bedrijf activiteiten heeft die haaks staan op Nederlands beleid en een principieel Kabinetsstandpunt en Nederlandse pensioenfondsen die beleggen in het bedrijf, in ernstige verlegenheid brengen?
Hoewel Mylan in Nederland is geregistreerd als naamloze vennootschap, verwacht het bedrijf na een transitiefase uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtig te zijn.5 De Belastingdienst heeft overigens geen zeggenschap over de registratie van bedrijven in Nederland. Het Handelsregister wordt beheerd door de Kamer van Koophandel, maar deze heeft geen wettelijke titel om de registratie van Mylan te weigeren. Daarvan is pas sprake als de activiteitenomschrijving van de onderneming het begaan van één of meer misdrijven inhoudt.
Het onderzoek dat gedaan is naar de gang van zaken rond de presentatie van een professor m.b.t. de ramp met de MH17 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het politieonderzoek, waarop de brief van 10 juni van de korpschef van de nationale politie, de heer Bouman gebaseerd is, openbaar maken en aan de Kamer doen toekomen?
Mede naar aanleiding van uw vragen en vier verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), die inmiddels zijn ontvangen, heeft de politie de mogelijke openbaarmaking van het onderzoek bezien. De politie ziet geen bezwaren tegen openbaarmaking van grote delen van het onderzoek. Enkele onderdelen kunnen niet openbaar worden gemaakt in verband met de bescherming van persoonsgegevens van personen die bij het onderzoek zijn betrokken. Verder zullen foto’s uit het onderzoek niet openbaar worden gemaakt onder andere ter voorkoming van de onevenredige benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken personen, zoals nabestaanden. Momenteel beziet de politie de stukken op deze onderdelen. Zodra dit is afgerond, deel ik met u het geanonimiseerde feitenonderzoek.
Indien dit onderzoek – dat geen strafrechtelijk onderzoek is en ook nooit zo bedoeld is – niet openbaar wordt, kunt u dan aangeven waarom het in het belang van de staat zou zijn ingevolge artikel 68 van de Grondwet, om het niet openbaar te maken?
Zie antwoord vraag 1.
In welke andere staten, behalve Noord Korea, is het gebruikelijk onderzoek naar iemand te doen voor iets dat een relatie heeft met het werk, en de persoon in kwestie te weigeren inzage te geven in het rapport? Wilt u professor Maat onmiddellijk inzage geven in het rapport en hem daarbij geen geheimhouding opleggen?
Het feitenonderzoek is uitgevoerd door de politie. De politie zal professor Maat inzage verstrekken in het feitenonderzoek en hem daarbij geen geheimhouding opleggen. Bij de verstrekking van het feitenonderzoek aan professor Maat kan overigens geen inzage in die gegevens worden geboden die betrekking hebben op persoonsgegevens van andere betrokkenen in het onderzoek, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 en 2. Op 4 september jongstleden heeft ook een gesprek plaatsgevonden tussen de politiechef van de Landelijke Eenheid en de heer Maat over het feitenonderzoek.
Onderschrijft de leiding van het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO) de conclusies van het onderzoek?
Het LTFO valt in de Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO) MH17 onder de verantwoordelijkheid van de Algemeen Commandanten. Op basis van het feitenonderzoek heeft de Algemeen Commandant het feitenrelaas opgesteld. De korpschef heeft vervolgens na interne beraadslagingen en op basis van het eerdergenoemde feitenrelaas vanuit zijn verantwoordelijkheid conclusies getrokken. Die heeft hij aan mij per brief op 10 juni 2015 kenbaar gemaakt (deze brief is al in uw bezit).
Wat waren de conclusies van het politieonderzoek? Kunt u die openbaar maken en wie heeft die conclusies getrokken? Werden die conclusies gedragen door het LTFO? Zo ja, op welke datum?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke datum is het politieonderzoek, waarop de heer Bouman zich baseert in zijn brief op 10 juni, 2015, afgerond en aan hem aangeboden?
De politie heeft mij als volgt geïnformeerd: Het intern feitenonderzoek is afgerond op 4 juni 2015. Op 5 juni 2015 heeft de leiding van het onderzoeksteam het feitenonderzoek overhandigd aan de Algemeen Commandanten SGBO MH17. Op basis van dit onderzoek hebben de Algemeen Commandanten een feitenrelaas opgesteld. Dit relaas heeft de politiechef Landelijke Eenheid op 9 juni 2015 naar de korpsleiding gestuurd. De korpschef heeft mij per brief van 10 juni op de hoogte gesteld van zijn conclusies.
Klopt het dat het politieonderzoek gebaseerd is op getekende verklaringen van mensen die in het kader van dit onderzoek gehoord zijn? Zo ja, wie heeft recht op inzage in de getekende verklaringen?
Het intern feitenonderzoek is opgebouwd uit afzonderlijke rapporten. Een deel van deze rapporten bevat verslagen van gesprekken met getuigen. Deze gespreksverslagen zijn in de vorm van verklaringen in het intern feitenonderzoek opgenomen. Deze verklaringen zijn, als onderdeel van het feitenonderzoek, op 5 juni overhandigd aan de Algemeen Commandanten SGBO MH17. De betrokkenen hebben recht op inzage in hun eigenverklaring en dit bij gelegenheid van de ondertekening gehad. Daarnaast zullen grote delen van het feitenonderzoek (inclusief alle verklaringen) geanonimiseerd openbaar worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 1, 2 en 8.
Kunt u, indien mogelijk met naam en/of functie, aangeven wie er gehoord zijn door de onderzoekers en wanneer? Kunt u per persoon aangeven wanneer ieder haar/zijn verklaring getekend heeft?
Op 4 juni zijn alle verklaringen voorgelegd ter ondertekening aan de personen die in het onderzoek gehoord zijn. Die verklaringen zijn op latere momenten getekend. Onderstaand treft u per gehoorde functionaris gedetailleerde informatie aan:
Hoeveel en welke verklaringen zijn pas getekend (en mogelijk aangevuld en veranderd) nadat de heer Bouman een brief over het rapport geschreven had?
De verklaringen zijn op 4 juni 2015 door de onderzoekers aan de getuigen verstrekt met het verzoek deze te ondertekenen. Alle verklaringen zijn later, na overhandiging van het intern feitenonderzoek aan de Algemeen Commandanten en na het opmaken van het feitenrelaas door de Algemeen Commandanten, door de getuigen ondertekend en voorzien van eventuele opmerkingen en aanvullingen.
De Algemeen Commandanten besloten om, gelet op het belang om op korte termijn helderheid te geven over deze zaak, het feitenrelaas naar de korpsleiding te sturen voordat de verklaringen waren getekend. De opmerkingen en aanvullingen waren echter niet van dusdanige aard dat het feitenrelaas en de conclusies moesten worden herzien.
Is het afleggen van een valse verklaring strafbaar in dit soort onderzoek? Zo ja, op basis van welke wet en welke straf staat daar op?
Het afleggen van een valse verklaring is als zodanig niet strafbaar. Het onder ede opzettelijk onjuist verklaren is wel strafbaar (artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht). In het onderhavige geval betrof het een intern feitenonderzoek waarbij niet onder ede werd verklaard.
Hoeveel mensen hebben hun verklaring getekend nadat de heer Bouman zijn brief geschreven had en hebben nog wijzigingen aangebracht in hun concept-verklaring?
Alle getuigen hebben opmerkingen of aanvullingen gegeven op de gespreksverslagen. Zie ook het antwoord op vraag 8. Hoewel de verklaringen zijn getekend na 10 juni, waren deze opmerkingen of aanmerkingen niet van dusdanige aard dat deze tot een herziening van de conclusies van de korpschef noopten.
Herinnert u zich dat u in het plenaire debat op 23 april aan de Kamer meedeelde dat met externe deskundigen afspraken zijn gemaakt over het delen van informatie met derden, dat toelaatbaar is geacht dat men met vakgenoten vanuit professioneel perspectief informatie mag delen over vakinhoudelijke kwesties, maar dat men zich daarbij onthoudt van zaken die buiten de eigen expertise liggen en dat dit ook ten tijde van het onderzoek naar de ramp met de MH17 stellig is benadrukt?
Ja.
Hoe verhoudt voorgaande bewering zich tot de conclusie uit het politieonderzoek dat er geen afspraken waren?
Zoals ik in het debat van 23 april 2015 aangaf, heeft de politie afspraken gemaakt met externe LTFO-deskundigen. Uit het feitenonderzoek is gebleken dat deze afspraken alleen voor de groep odontologen zijn opgesteld. Wel zijn zowel de interne als externe LTFO-medewerkers mondeling gebrieft over het gebruik van beeldmateriaal, voorafgaand aan de werkzaamheden in Hilversum.
Zoals bleek uit de brief van de korpschef aan mij van 10 juni 2015 ontbreekt het binnen het LTFO aan duidelijke kaders, afspraken en criteria met betrekking tot het geven van lezingen en het vrijgeven en gebruik van (beeld)materiaal afkomstig uit de werkprocessen van het LTFO. Het is in de jarenlange gegroeide werkprocessen en gewoonten van het LTFO gebruikelijk om aan vakgenoten lezingen te geven.
Naar aanleiding van het onderzoek heeft de korpschef opdracht gegeven aan het LTFO om formele afspraken te maken over de samenwerking met derden ten behoeve van het LTFO, het geven van presentaties en het gebruiken van foto’s van rampen en slachtoffers voor vakgenoten met een leerdoel. Voor een ieder moet voortaan volstrekt helder zijn wat wel en niet is toegestaan.
Daarnaast dient een expliciete afweging gemaakt te worden tussen het belang van de slachtoffers en nabestaanden enerzijds en het belang van educatie en doorontwikkeling van deze voor het werk van het LTFO belangrijke vakgebieden anderzijds. Daarbij moet ook de vraag aan de orde zijn in welke gevallen toestemming van de nabestaanden verkregen dient te zijn alvorens bepaald materiaal gebruikt kan worden.
Wie heeft u wanneer meegedeeld dat er afspraken gemaakt zijn met deskundigen en dat die ten tijde van het onderzoek naar de ramp met de MH17 stellig benadrukt zijn?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven welke afspraken ten tijde van het onderzoek naar de ramp met de MH17 stellig zijn benadrukt, wanneer dat gebeurd is en ten overstaan van wie?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u voor elk van de presentaties, die in de brief van de heer Bouman genoemd worden, aangeven, wanneer zij gegeven zijn, wie er in het publiek zat, wie de presentatie gaf (eventueel alleen de functie van de persoon), of er toestemming gevraagd was en verkregen en of er bij afwezigheid van toestemming, ook een sanctie is opgelegd aan de persoon, die de presentatie gaf?
Er zijn diverse presentaties gegeven naar aanleiding van de ramp met vlucht MH17. In de brief van de korpschef worden er zeven genoemd. In het intern feitenonderzoek hebben getuigen in totaal elf presentaties genoemd. Van deze presentaties kan op basis van het intern feitenonderzoek niet in alle gevallen worden vastgesteld wanneer ze zijn gegeven en hoeveel en welke toehoorders bij deze presentaties aanwezig waren.
De heer Maat heeft zes presentaties gegeven over het identificatieproces MH17. Voor deze presentaties heeft de heer Maat geen toestemming gevraagd.
Een vakgenoot (forensisch antropoloog), als forensische expert werkzaam binnen het MH17 onderzoek, heeft met toestemming van het hoofd LTFO begin februari 2015 in een besloten vergadering een presentatie over het identificatieproces gegeven aan ca. 30 leden van de Nederlandse Vereniging van Fysische Antropologie.
Een tandarts, als odontoloog werkzaam binnen het MH17 onderzoek, heeft drie presentaties gegeven over het identificatieproces MH17 aan vakgenoten. Op basis van het intern feitenonderzoek is niet bekend of hier toestemming voor is gevraagd. Het betreft:
In het feitenonderzoek heeft het operationeel hoofd LTFO verklaard dat hij meerdere presentaties over het identificatieproces MH17 heeft gegeven, waarvan hij er twee concreet benoemt:
Zijn er ook andere presentaties gegeven, bijvoorbeeld na de presentatie in Maastricht?
Zie antwoord vraag 16.
Wie heeft de foto’s van de presentatie van professor Maat aan hem gegeven?
De foto’s zijn voor een deel afkomstig van een presentatie van een collega-forensisch expert en voor een ander deel afkomstig van een SD-card die door het LTFO ter beschikking is gesteld aan de heer Maat voor educatieve en identificatie doeleinden.
Dit is niet zorgvuldig uitgevoerd. Dat is de reden dat de politie heeft besloten om formele afspraken te maken over het geven van presentaties en het gebruiken van foto’s van rampen en slachtoffers voor vakgenoten met een leerdoel.
Waren de foto’s, die aan professor Maat ter beschikking gesteld zijn, geanonimiseerd?
De foto’s die aan professor Maat beschikbaar zijn gesteld, waren niet geanonimiseerd. Op de foto’s die hij voor zijn presentatie gebruikte, heeft de heer Maat specifieke onderdelen onzichtbaar gemaakt, zoals de zogenaamde Post Mortem-nummers (PM-nummers). In enkele gevallen was het PM-nummer nog wel leesbaar, maar deze specifieke nummers waren niet herleidbaar tot slachtoffers.
Was identificatie van het enige identificeerbare slachtoffer mogelijk vanwege herkenning of omdat er een nummer staat, dat slechts via een vertrouwelijke en beschermde database gekoppeld kan worden aan de naam van een slachtoffer?
Identificatie was – achteraf en alleen door onderzoekers van het LTFO – mogelijk door vergelijking van de gepresenteerde foto met de originele foto. Deze foto kon gekoppeld worden aan de naam van een slachtoffer via een vertrouwelijke en beschermde database die alleen toegankelijk is voor de onderzoekers van het LTFO.
Hoe verhoudt de disciplinaire actie tegen professor Maat vanwege uitlatingen in een besloten omgeving zich tot de afwezigheid van soortgelijke maatregelen na publieke uitspraken van een voormalig Minister over een mondkapje in een publieke talkshow?
Nadat bekend werd dat professor Maat een presentatie had gegeven die toegankelijk was voor meer mensen dan de beoogde doelgroep, dat hij daarvoor beeldmateriaal van slachtoffers gebruikte en dat hij bovendien zaken heeft besproken die buiten het vakgebied van de forensische antropologie vallen, is de samenwerking met professor Maat in het onderzoek van MH17 door de politie opgeschort.
Na de uitkomsten van het interne onderzoek heeft de korpschef vervolgens bepaald dat de samenwerking met professor Maat in dit identificatieproces werd beëindigd.
Het effect van het handelen van professor Maat, de gevoelens van de nabestaanden en alle media-aandacht, leidde tot deze beëindiging.
Het neemt niet weg dat ik herhaal dat professor Maat een uitstekende staat van dienst heeft op het gebied van forensische antropologie. In de afgelopen vijftien jaar is hij met zijn uitzonderlijke expertise van grote waarde geweest bij complexe identificatieonderzoeken door het LTFO. Op 23 september aanstaande zit ik met de heer Maat om tafel. In voorkomende gevallen bij grootschalige en complexe identificaties wordt niet uitgesloten dat opnieuw een beroep zal worden gedaan op de expertise van professor Maat. Wij hopen dat hij dan bereid is om een bijdrage te leveren. Dit zal ik hem in ons gesprek ook overbrengen.
Kunt u deze vragen een voor een, precies en binnen de reguliere termijn van drie weken beantwoorden?
Nee. Het afstemmingsproces heeft meer tijd gevergd.
Kunt u aangeven waarom Nederland, als huisvester van het Internationaal Strafhof, niet onder de wereldwijde oproep van 16 Ministers van Buitenlandse Zaken staat om het Internationaal Strafhof te versterken?1
Nederland was op de hoogte van het initiatief van Liechtenstein. Nederland hecht als gastland van het Internationaal Strafhof zeer aan steun voor het Strafhof en speelt daarin vaak een leidende rol. Nederland brengt het Strafhof regelmatig op in multilaterale fora en bilaterale gesprekken, faciliteert de jaarlijkse resolutie in de AVVN over het Strafhof, ondersteunt seminars ten behoeve van het versterken van draagvlak voor het Strafhof en universaliteit en steunt diverse NGO’s actief op dit terrein.
Nederland heeft geen monopolie op deze steun en het kabinet is dan ook ingenomen met deze brief. Nederland heeft, met het oog op bestaande beeldvorming in een aantal Afrikaanse landen dat het Strafhof een westers instituut is, aangedrongen op ondertekening door landen vanuit verschillende regio’s alvorens te ondertekenen. Die bredere groep is mede gezien de beperkte tijd tussen het eerste voorstel van Liechtenstein en International Criminal Justice Day niet tot stand gekomen. Van de 16 ondertekenende Ministers zijn 13 afkomstig uit Europa. Desondanks waardeert Nederland dit initiatief zeer en zal ons land zich blijven inzetten voor het Strafhof.
Deelt u de oproep van uw collega Ministers wereldwijd? Zo ja op welke wijze bent u voornemens om die oproep alsnog expliciet en publiekelijk te steunen?
Zie antwoord vraag 1.
De arrestatie van Carvajal en dreigende inval van Venezuela op Aruba |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten «Bijna oorlog met Venezuela» en «De oorlogsschepen rukten al op naar de Arubaanse kust»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichten.
Klopt het dat Minister-President Rutte zich heeft laten ontvallen «We kunnen godverdomme geen crisis in een crisis hebben»? Zo nee, wat waren dan zijn woorden?
De kwestie is intern besproken tussen de direct betrokken leden van het kabinet. Over exacte bewoordingen doet het kabinet geen uitspraken.
Heeft het voorkomen van een diplomatieke crisis tijdens het oplossen van een andere crisis, zoals de uitspraak van de Minister-President aangeeft, voorop gestaan tijdens het afwikkelen van de zaak Carvajal? Stond deze benadering en houding van het zo snel mogelijk wegwerken van deze crisis rondom Carvajal in zulke mate bovenaan prioriteitenlijst dat het recht geobstrueerd mocht worden?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft zich uitsluitend gebaseerd op verplichtingen die voortvloeien uit bepalingen van internationaal recht (het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963). Na juridisch onderzoek is door de Minister van Buitenlandse Zaken de conclusie getrokken dat de heer Carvajal Barrios immuniteit genoot. Op grond van die immuniteit is de heer Carvajal Barrios vrijgelaten door de Arubaanse autoriteiten.
Heeft de Arubaanse kustwacht op 27 juli 2014 wel of geen alarm geslagen over vier Venezolaanse oorlogsschepen die de kust naderden? Indien wel, wat heeft u met deze melding gedaan?
De Kustwacht in het Caribisch Gebied en de Marine houden in het kader van hun taakuitvoering in het Caribisch gebied de scheepsbewegingen rond de eilanden nauwlettend in de gaten. De Kustwacht heeft zondag 27 juli 2014 voor de kust van Aruba en Curaçao, buiten de territoriale wateren, Venezolaanse marineschepen gesignaleerd. De eenheden waren, door Venezolaanse territoriale wateren, in transit van Maracaibo naar hun thuishaven Puerto Cabello. Na onderzoek bleek dit een gangbare route.
Klopt het dat er sprake was van een militaire dreiging vanuit Venezuela, gezien het feit dat er verschillende Venezolaanse marineschepen richting Aruba voeren? Zo ja, kunt u toelichten waarom u een jaar geleden in antwoord op vragen van de leden Sjoerdsma en Hachchi schreef dat er geen militaire bedreigingen zijn geuit?2
Er zijn geen militaire bedreigingen geuit.
Klopt het dat de Venezolaanse marineschepen zich bevonden binnen de territoriale wateren van Aruba? Zo nee, hoe ver bevonden zij zich buiten deze wateren?
De Venezolaanse marineschepen bevonden zich in Venezolaanse territoriale wateren.
Klopt de berichtgeving dat Venezuela heeft gedreigd met «verregaande diplomatieke en economische sancties»? Zo ja, welke sancties precies betroffen dit? Heeft dit dreigement een rol gespeeld in uw besluit om Carvajal weer heel snel vrij te laten?
Venezuela heeft geprotesteerd tegen de arrestatie van de heer Carvajal Barrios en heeft aangegeven dat sprake was van inbreuk op internationaal recht. Zoals gesteld in antwoord 3 heeft de regering zich uitsluitend gebaseerd op verplichtingen die voortvloeien uit bepalingen van internationaal recht (het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963). De vrijlating van de heer Carvajal Barrios door de autoriteiten van Aruba is gebaseerd op de conclusie van juridisch onderzoek naar de immuniteit van betrokkene.
Kunt u toelichten waarom er eerst op «hoog ambtelijk niveau» is aangegeven dat Carvajal «geen enkele (diplomatieke) immuniteit» genoot, en later werd besloten dat dit toch het geval was?
Er is één formele conclusie over de immuniteit van de heer Carvajal Barrios getrokken en deze is door de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken officieel gecommuniceerd aan de autoriteiten van Aruba.
Had het feit dat Venezuela de procedure met betrekking tot het verzoek tot aanstelling van Carvajal als consul-generaal incorrect heeft gevolgd, niet moeten leiden tot uitleg dat Carvajal geen diplomatieke immuniteit genoot? Zo nee, is er precedent voor de uitleg dat Carvajal toch diplomatieke immuniteit genoot, ondanks het feit dat hij niet was aangesteld als consul-generaal?
De Venezolaanse regering meende dat de nota waarin de heer Carvajal Barrios werd aangewezen als consul-generaal op Aruba via de juiste weg was ingediend. Ingevolge artikel 13 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963 kan het hoofd van een consulaire post, in afwachting van de verlening van het exequatur, voorlopig tot de uitoefening van zijn werkzaamheden worden toegelaten. In dat geval geniet die persoon de immuniteiten die het verdrag aan consuls-generaal toekent. Zoals gesteld in de beantwoording van Kamervragen van Sjoerdsma en Hachchi (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2686) is de Minister van Buitenlandse Zaken na juridische duiding van de feitelijke situatie tot de conclusie gekomen dat Venezuela er, onder de omstandigheden van dat geval, op mocht vertrouwen dat de heer Carvajal Barrios voorlopig tot de werkzaamheden van consul-generaal was toegelaten. Hij genoot derhalve de immuniteiten die voortvloeien uit de functie van consul-generaal. Het komt zeer regelmatig voor dat een consul-generaal in afwachting van verlening van het exequatur al met zijn werkzaamheden aanvangt, en dat hij dan de immuniteiten geniet die het verdrag aan consuls-generaal toekent.
Kunt u volledig, exact en helder toelichten wat, volgens u, de gang van zaken en de beweegredenen zijn geweest om Carvajal eerst te arresteren, enkele dagen later tot het besluit te komen dat hij toch diplomatieke immuniteit genoot, op basis van welke gronden dit besluit tot stand kwam, en uw besluit om Carvajal weer vrij te laten? Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag of het klopt het dat het besluit vanuit Aruba om de heer Carvajal te arresteren, evenals de verlenging van zijn aanhouding, is afgestemd met de bevoegde instanties in Nederland? Kunt u tevens een tijdlijn schetsen van wanneer u op de hoogte was van de arrestatie van Carvajal, wanneer u besloot dat hij toch diplomatieke immuniteit genoot, en wanneer u vervolgens besloot hem vrij te laten?
De heer Carvajal Barrios is op 23 juli 2014, op basis van een verzoek om voorlopige aanhouding van de Verenigde Staten, aangehouden door de autoriteiten van Aruba. Rechtshandhaving is een autonome bevoegdheid van het land Aruba. Diplomatieke en consulaire relaties, inclusief immuniteit, zijn bevoegdheden van het Koninkrijk. Alleen de Minister van Buitenlandse Zaken is bevoegd daarover een beslissing te nemen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd na aanhouding van de heer Carvajal Barrios op de hoogte gesteld van de situatie. Op basis van juridisch onderzoek heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 27 juli geconcludeerd dat de heer Carvajal Barrios immuniteit genoot op grond van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963. Dit is door de regering aan de Arubaanse autoriteiten gecommuniceerd. Daarnaast is aan Venezuela aangegeven dat de heer Carvajal Barrios persona non grata werd verklaard. Op grond van zijn immuniteit is de heer Carvajal Barrios op 27 juli vrijgelaten door de Arubaanse autoriteiten.
Kunt u volledig, exact en helder toelichten wat er precies is gebeurd met Carvajal, nadat deze werd opgepakt en er een uitleveringsverzoek kwam van de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 10. De regering heeft geen uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten ontvangen.
Is de heer Carvajal nog steeds persona non grata in het Koninkrijk der Nederlanden?
Ja.
Hoe verhoudt de diplomatieke immuniteit van de heer Carvajal zich tot het feit dat hij persona non grata is verklaard voor en door het Koninkrijk der Nederlanden? Op welke rechtsbasis is dit verenigbaar met elkaar?
De heer Carvajal Barrios genoot op grond van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963 de immuniteit van een consul-generaal tot het moment dat hij het grondgebied van het Koninkrijk had verlaten. Op grond van artikel 23 van hetzelfde Verdrag mag het Koninkrijk te allen tijden de zendstaat ervan in kennis stellen dat een consulaire ambtenaar persona non grata is.
Vindt u het slim, verstandig en te rechtvaardigen dat u hebt besloten Carvajal vrij te laten, gezien de diverse beschuldigingen die over hem zijn geuit inzake drugshandel en criminaliteit, én het feit dat de Verenigde Staten om zijn uitlevering verzocht vanwege deze drugshandel?
Het Koninkrijk dient zich aan internationale rechten en verplichtingen te houden, inclusief het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963. Op grond van zijn immuniteit is de heer Carvajal Barrios op 27 juli vrijgelaten door de Arubaanse autoriteiten.
Heeft het vrijlaten van Carvajal enige invloed gehad op de betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten, dan wel Aruba en de Verenigde Staten? Zo ja, welke?
Nee.
Bent u nog steeds van mening dat er geen aanleiding is voor verdere acties om de dreiging uit Venezuela het hoofd te bieden, zoals u vorig jaar antwoordde op eerdere vragen?3
Ja.
In hoeverre wordt de relatie tussen Nederland en Venezuela gedomineerd door handelsbelangen, in het bijzonder de belangen van Shell? Heeft u voldoende oog voor de mensenrechtenschendingen, de corruptie, het oppakken van oppositieleden, het ondermijnen van de democratie door president Maduro, de mensenhandel en de drugssmokkel?
In de bilaterale relatie met Venezuela zijn zowel politieke, mensenrechten- en handelselementen van belang.
Hoe vaak heeft u sinds het voorval met de heer Carvajal gesproken met uw Venezolaanse ambtgenoot, dan wel andere vertegenwoordigers van de Venezolaanse regering? Hoe vaak heeft u daarbij dit voorval ter sprake gebracht en uw ongenoegen geuit over de gang van zaken, en wat was daarop de reactie van Venezuela?
Na het verlaten van Aruba door de heer Carvajal Barrios, beschouwt de regering dit als een bilaterale zaak tussen de Verenigde Staten en Venezuela. Met Venezuela is gesproken over de te volgen procedures rondom aanmelding van consuls-generaal en de bevoegheidsverdeling binnen het Koninkrijk met betrekking tot het diplomatieke verkeer.
Kunt u zo vriendelijk zijn om al deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Ja.
Verschillende reisadviezen door lidstaten van de Europese Unie |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Nepal vind negatief reisadvies nergens voor nodig: «kom alsjeblieft»»?1
Dat is begrijpelijk vanuit het perspectief van de regering van Nepal. Bij het vaststellen van het reisadvies staat voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken de veiligheid van Nederlanders voorop. Buitenlandse Zaken staat daarom in contact met de ambassade in New Delhi en met andere lidstaten van de EU om te bezien of het reisadvies de risico’s voor de veiligheid van de Nederlanders in Nepal op de juiste manier weergeeft. Zodra dat kan, wordt een reisadvies verlicht. Bij het reisadvies Nepal is dat voor het laatst gebeurd op 15 juli 2015.
Op basis van welke argumenten adviseert u reizen naar Nepal af, behalve strikt noodzakelijke reizen?
Tot 15 juli jl. gold voor Nepal de code oranje, door het risico op aardverschuivingen en lawines als gevolg van de recente aardbeving, maar ook door de regentijd die tot september duurt. Mede naar aanleiding van de gedeeltelijke verlichting van het Britse reisadvies voor Nepal heeft Nederland opnieuw gekeken naar de actuele risico’s en is geconcludeerd dat het reisadvies voor het zuiden van Nepal verlicht kan worden. Dat is op 15 juli gebeurd.
Klopt het dat lidstaten van de Europese Unie verschillende reisadviezen geven voor dezelfde landen? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Dat klopt. Consulaire bijstand aan landgenoten in het buitenland is voor alle EU lidstaten een nationale competentie. Lidstaten hebben verschillende consulaire verantwoordelijkheden, wettelijke kaders, gevoeligheden en gebruikte bronnen. Er kunnen ook verschillende risico’s zijn voor burgers uit verschillende EU-landen. Verschillen kunnen samenhangen met de omvang van de gemeenschap van het betreffende EU-land, het profiel van het EU-land in een bepaald land en beschikbare middelen om landgenoten in nood te hulp te schieten. Nederland acht het wenselijk dat reisadviezen in EU verband zoveel mogelijk inhoudelijk worden afgestemd. De veiligheid van Nederlanders staat echter altijd voorop.
Bent u er zich van bewust dat verschillende reisadviezen voor hetzelfde land verwarrend zijn voor reizigers en vakantiegangers, omdat het dan moeilijker is in te schatten wat de werkelijke risico’s zijn?
In de praktijk raadplegen de meeste EU-burgers met name de reisadviezen van hun eigen Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast oriënteert de reiziger zich vaak breed, ook buiten reisadviezen van hun of andere overheden om. Dit kan in bepaalde gevallen tot nadere vragen leiden, bij anderen draagt dit juist bij aan het verkrijgen van het gewenste beeld. In geval van twijfel is het Ministerie van Buitenlandse Zaken altijd bereid Nederlanders een toelichting te geven op het Nederlandse reisadvies.
Kunt u aangeven voor welke landen de lidstaten van de Europese Unie nu verschillende reisadviezen geven?
Het is niet mogelijk voor het ministerie om exact bij te houden bij welke van de ruim 200 landen er sprake is van verschillen tussen het Nederlandse reisadvies en de adviezen van alle 27 EU lidstaten. In grote lijnen komen de adviezen die de lidstaten van de Europese Unie voor verschillende landen geven overeen.
Kunt u toelichten waarom er voor Kroatië een reisadvies wordt gegeven in de categorie geel «let op, veiligheidsrisico’s», in plaats van groen «geen bijzondere veiligheidsrisico’s»?2 Welke lidstaten van de Europese Unie geven een vergelijkbaar advies voor Kroatië?
De reden dat Kroatië op dit moment in de categorie geel valt, heeft te maken met het feit dat er nog veel mijnen liggen, met name in landelijke en bergachtige gebieden. Andere lidstaten van de EU waarschuwen ook voor dit risico. Sommige EU lidstaten verbinden daaraan een met het Nederlandse advies vergelijkbare classificatie aan (bijvoorbeeld Duitsland), andere lidstaten hebben een waarschuwing met een lichtere classificatie (bijvoorbeeld België), terwijl Frankrijk (dat vergelijkbare kleurcodes hanteert als Nederland) een deel van het land de kleurcode groen geeft en de gebieden waarvan bekend is dat er mijnen liggen een gele kleurcode.
Het huidige reisadvies voor Israël is grotendeels categorie geel («let op, veiligheidsrisico’s»), deels oranje («alleen noodzakelijke reizen») en op enkele plekken zelfs in de categorie rood («niet reizen»)3; kunt u toelichten welke lidstaten van de Europese Unie een identiek reisadvies geven? Indien deze reisadviezen niet identiek zijn, kunt u toelichten op basis van welke overwegingen en argumenten er andere reisadviezen worden gegeven?
De reisadviezen van EU-lidstaten voor Israël komen in grote lijnen overeen. De meeste lidstaten adviseren om weg te blijven uit de grensgebieden (oranje of rood) en beschrijven veel van dezelfde risico’s voor de rest van het land (geel). Naast verschillende accenten, bronnen en werkwijzen, zitten de verschillen ook in het gebruik van codes en classificaties.
Deelt u de mening dat één reisadvies per land door de Europese Unie, waaraan alle lidstaten van de Europese Unie zich dienen te houden, effectiever, efficiënter en helderder is? Zo ja, op welke wijze gaat u zich er voor inzetten dat dit er ook werkelijk komt? Zo nee, waarom niet?
Nederland ziet – net als vele andere EU lidstaten – veel voordelen in Europese afstemming over reisadviezen. De afgelopen jaren is herhaaldelijk op Europees niveau gesproken over nauwere samenwerking bij de reisadviezen. Gegeven dat consulaire bijstand een nationale competentie is, bestaat er binnen de EU geen draagvlak voor één Europees reisadvies. Nederland probeert praktische vooruitgang te boeken door zelf de reisadviezen zoveel mogelijk Europees af te stemmen en Europees overleg te zoeken over aanpassingen. Ook zet Nederland zich in voor een intensievere en meer gestructureerde informatieuitwisseling tussen lidstaten over de reisadviezen.
Recente berichten dat Palestijnse landbouwgrond is vernietigd door Israël |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de bericht «Palestinian farmer's land leveled near Bethlehem» en «Israeli forces level Palestinian land near Nablus»?1
Het kabinet betreurt de vernielingen van landbouwgronden op de Westelijke Jordaanoever. De verbetering van de sociaaleconomische leefomstandigheden van de Palestijnse bevolking in area C is een prioriteit van de EU. De EU roept de Israëlische autoriteiten op om uitvaardiging en uitvoering van slooporders te stoppen.
Kunt u de berichtgeving dat het Israëlisch leger landbouwgrond van Palestijnen heeft vernietigd, bevestigen?
Het genoemde gebied bij Bethlehem was inderdaad als landbouwgrond in gebruik op het moment dat het Israëlische leger de gewassen en infrastructuur vernielde. Het gebied bij Khirbet Tana was niet in gebruik op moment dat het Israëlische leger het vernietigde.
Kunt u aangeven wat de totale schade is van de vernielingen?
Het gebied bij Khirbit Tana was geen onderdeel van een Nederlands programma. Het kabinet beschikt niet over gegevens over de schade die daar is aangericht.
Nederland heeft in 2008 en 2010 met het landbouwprogramma «Improving Livelihood in Palestinian Territories» een financiële bijdrage geleverd aan projecten in het gebied tussen Bethlehem en Hebron. Het Israëlische leger heeft daar op vijf verschillende locaties gewassen en infrastructuur vernield. Via dit project is daar destijds ruim EUR 40.000 in de ontwikkeling van landbouwgrond geïnvesteerd. Boeren hebben door de vernielingen schade geleden, zoals verlies aan inkomsten.
Klopt het dat deze landbouwgronden zijn gesubsidieerd door de Nederlandse overheid? Zo ja, hoeveel bedraagt deze subsidie in totaal?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u al actie ondernomen, mede in het licht van de eerdere uitspraak dat «het kabinet van mening is dat alle gevallen van schade aan door de EU en/of Nederland gefinancierde projecten aan de orde moeten worden gesteld bij de Israëlische autoriteiten»?2
De EU dringt bij Israël consequent aan op ontwikkeling van Area C ten behoeve van de Palestijnen en verzet zich tegen de sloop van Palestijnse bezittingen, zoals verwoord in de Raadsconclusies van 20 juli 2015. De Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah heeft bij de Israëlische autoriteiten de onvrede over de vernietiging van projectlocaties van het landbouwprogramma uitgesproken. Als de financiering van projecten is beëindigd, berust de verantwoordelijkheid voor de projecten bij de Palestijnse boeren. Nederland heeft daarmee geen juridische basis om een schadevergoeding te eisen. Er is geen schadevergoeding betaald aan de getroffen boeren.
Nederland vraagt geen vergunningen aan voor projecten in area C. Naar het oordeel van de internationale gemeenschap is het opwaarderen van landbouwgrond niet vergunningplichtig, omdat het van een andere orde is dan de constructie van bijvoorbeeld woningen, scholen of klinieken. In Israëlische optiek hadden de Palestijnse boeren dit stuk grond echter niet verder mogen ontwikkelen zonder vergunningen aan te vragen. Israël beschouwt daarom de sloop als legaal.
Is de schade reeds door Israël vergoed? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is er sprake van een trend, waarbij Israël overgaat tot vernietiging van eigendom van Palestijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Volgens cijfers van OCHA zijn in de periode 1 januari tot 1 juli 2015 286 gebouwen op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem gesloopt. Dat is een daling van 20% in vergelijking met dezelfde periode in 2014. Deze zomer is echter weer sprake van een toename. Uit cijfers van de VN blijkt dat in augustus 142 Palestijnse gebouwen op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem zijn gesloopt. De EU ondersteunt uit humanitaire overwegingen lokale Palestijnse gemeenschappen in Area C. Deze gemeenschappen staan onder grote druk, onder meer door stelselmatige afwijzingen van bouwvergunningen. Als gevolg van het ontbreken van de vergunningen staan de gemeenschappen bloot aan een verhoogd risico op sloop van hun huizen, landbouwgronden en andere basisvoorzieningen. Het kabinet is, evenals de EU en de VN, zeer bezorgd over het hoge aantal gevallen waarin is overgegaan tot sloop van huizen of andere eigendommen van Palestijnen in de Palestijnse Gebieden.