Het bericht ‘PostNL kijkt terug op zorgvuldige bezorging verkiezingspost door 22.000 medewerkers’ |
|
André Flach (SGP) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL kijkt terug op zorgvuldige bezorging verkiezingspost door 22.000 medewerkers»?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeverre de positieve conclusie van PostNL ook geldt ten aanzien van het bezorgen van verkiezingspost uit het buitenland?
Op dit moment zie ik geen aanleiding te veronderstellen dat het proces van kiezen vanuit het buitenland niet goed zou zijn verlopen. Bij de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing zal dit proces van stemmen uit het buitenland worden meegenomen. Dat geldt indien opportuun ook voor de geschetste casuïstiek.
Hoeveel verkiezingspost uit het buitenland is door PostNL niet tijdig bezorgd? Wat zijn de redenen daarvoor?
Bij de Tweede Kamerverkiezing 2025 zijn er vanuit het buitenland 86.894 stemmen uitgebracht, die tijdig zijn gearriveerd bij het nationaal briefstembureau. Daarnaast zijn er 2.298 stemmen na de deadline binnengekomen. 2.192 van deze te laat gearriveerde stemmen werden via de reguliere post ontvangen. Het is niet bekend wat de redenen hiervan zijn.
Klopt het dat bij een aantal van de voorgedrukte oranje enveloppen sprake zou zijn van een fout in het adres? Zo ja, hoe is met deze post omgegaan en wat is gedaan om deze alsnog tijdig te bezorgen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat PostNL in reactie op klachten aangegeven heeft dat tracering van post slechts tot de grens mogelijk zou zijn en dat niet kan worden vastgesteld of de brieven zijn bezorgd? Hoe is dit verweer te verenigen met de constatering van een buitenlandse kiezer op basis van track and trace dat de post van betrokkene reeds op 10 oktober jl. in Rotterdam was bezorgd? Hoe komt het dat zulke post blijkens een mededeling van PostNL niet alsnog tijdig is bezorgd in de ruime periode totaan de verkiezingsdatum?
Voorafgaand aan een verkiezing worden kiesgerechtigden in het buitenland door de rijksoverheid en de gemeente Den Haag geïnformeerd over de geldende procedure voor stemmen vanuit het buitenland. Ook worden deze kiezers geïnformeerd over het moment waarop hun briefstem door het briefstembureau van de gemeente Den Haag moet zijn ontvangen. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezing was dit op 29 oktober (de dag van de stemming) om 15 uur. Briefstemmen die later zijn ontvangen door het briefstembureau worden ter zijde gelegd en niet meegeteld.
Om de kans zo klein mogelijk te maken dat een briefstem te laat binnenkomt bij het briefstembureau worden kiesgerechtigden voorafgaand aan een verkiezing geadviseerd welke maatregelen zij kunnen nemen om dit risico zo klein mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is dat de kiesgerechtigden erop worden gewezen dat de postbezorging gemiddeld tussen de 5 en 15 dagen duurt, afhankelijk van het land van waaruit de briefstem is verstuurd. Ten aanzien van de track & trace-informatie wordt vermeld dat deze niet verder dan de landsgrens gaat.
Wat wordt gedaan met verkiezingspost die niet tijdig is bezorgd en hoe worden de belangen van betrokkenen hierbij maximaal beschermd?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid over het bovenstaande in gesprek te gaan met PostNL en te bezien op welke wijze problemen in de toekomst kunnen worden voorkomen?
In de reguliere gesprekken van mijn ministerie met PostNL over verkiezingspost zal ook aandacht zijn voor de bezorging van briefstemmen uit het buitenland. In overleg wordt bezien of er mogelijkheden zijn om dit proces verder te versterken.
Een op te richten Europese “intelligence unit” |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU to set up new intelligence unit under Ursula von der Leyen»?1
Ja.
Bent u betrokken bij de plannen om een nieuwe «intelligence unit» op te zetten? Zo ja, wat is uw betrokkenheid of de betrokkenheid van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Is het plan voor de nieuwe intelligence unit gedeeld met de lidstaten van de Europese Unie? Zo ja, wat was de inhoud van de informatie over dat plan? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze moet de nieuwe unit gegevens van de AIVD of MIVD gaan verzamelen en gebruiken?
Past het gebruik van die gegevens binnen de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van deze Nederlandse diensten, inclusief het toezicht daarop? Zo ja, welke juridische grondslag betreft dat? Zo nee, waarom niet?
Gaat Nederland medewerkers van de AIVD of MIVD bij de nieuwe unit detacheren? Zo ja, hoeveel medewerkers betreft dat naar verwachting? Wat is de juridische status waaronder die medewerkers bij de unit gaan werken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het al dan niet beschikbaar stellen van informatie die door de nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt vergaard aan die lidstaten zelf overgelaten moet blijven worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tijdig op de hoogte brengen en blijven houden over de voortgang van de plannen over de nieuw op te richten intelligence unit?
Ja, indien er een voorstel van de Europese Commissie gepubliceerd wordt, zal ik uw Kamer zoals gebruikelijk hierover informeren middels een kabinetsreactie.
De toegankelijkheid van stembureaus |
|
Glimina Chakor (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Geen toegang voor gehandicapten? Een stembureau onwaardig»?1
Ja.
Klopt het dat een ouder of begeleider niet mee het stemhokje in mag om ondersteuning te leveren bij mensen met een (verstandelijke) beperking of mensen die niet (voldoende) kunnen lezen of schrijven?
De Kieswet bepaalt dat alleen mensen met een fysieke beperking hulp in het stemhokje mogen ontvangen. Dit betekent dus dat mensen met een andere beperking en mensen die niet (voldoende) kunnen lezen of schrijven geen recht hebben op assistentie bij het stemmen. Op 21 november 2025 is een wetsvoorstel aan uw Kamer gestuurd dat hulp in het stemhokje mogelijk moet maken voor iedereen die aangeeft deze hulp nodig te hebben.2
Herkent u dit spanningsveld tussen het kiesrecht van mensen met een beperking of mensen die laaggeletterd zijn en het stemgeheim en het tegengaan van stembeïnvloeding? Welke mogelijkheden ziet u voor ondersteuning bij het stemmen van mensen met een (verstandelijke) beperking of laaggeletterdheid?
Alle kiesgerechtigden moeten hun stem kunnen uitbrengen. Sommige mensen hebben hier hulp bij nodig. Bijvoorbeeld omdat zij een verstandelijke beperking hebben, niet goed kunnen lezen of schrijven of omdat zij dementie hebben. Op dit moment kunnen mensen zonder een fysieke beperking hulp buiten het stemhokje krijgen. Het stemmen zelf moeten zij vervolgens zelfstandig doen. Het wetsvoorstel Bijstand in het stemhokje regelt dat iedereen die dat wenst hulp bij het stemmen kan krijgen door een daartoe getraind stembureaulid. Aangezien stembureauleden neutraal zijn en geen persoonlijke relatie met de kiezer hebben, zal er weinig risico op beïnvloeding van de kiezer zijn. Ik zie dit als een mogelijkheid die recht doet aan de wens voor ondersteuning in het stemhokje, maar ook de inbreuk op het stemgeheim en de stemvrijheid zo beperkt mogelijk houdt.
Hoe rijmt u het huidige gebrek aan ondersteuning voor mensen met een beperking, in het bijzonder mensen met een verstandelijke beperking, met het VN-verdrag inzake gelijke rechten van mensen met een handicap? Bent u het ermee eens dat het voor de uitvoering van dit verdrag essentieel is dat mensen met een beperking hun kiesrecht, zowel actief als passief, kunnen uitoefenen?
In het VN-verdrag handicap is het recht op actief en passief kiesrecht voor mensen met een beperking neergelegd. Op grond van artikel 29 van het VN-Verdrag handicap hebben personen met een handicap het recht om op hun verzoek ondersteuning te ontvangen door een persoon naar keuze bij het uitbrengen van hun stem. Nederland heeft dit verdrag geratificeerd en neemt maatregelen om het verdrag te implementeren.
Bij artikel 29 van het verdrag heeft Nederland een interpretatieve verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt in dat Nederland het woord «ondersteuning» zo interpreteert dat mensen met een fysieke beperking in het stemhokje én buiten het stemhokje ondersteuning mogen krijgen door een persoon naar keuze bij het uitbrengen van hun stem en dat alle andere mensen met een beperking alleen buiten het stemhokje ondersteuning bij het stemmen mogen ontvangen. Het wetsvoorstel bijstand in het stemhokje zorgt ervoor dat straks alle kiezers hulp in het stemhokje kunnen ontvangen en draagt eraan bij dat mensen met een beperking beter in staat zijn om hun actief kiesrecht te kunnen uitoefenen.
Hoeveel stembureaus waren er bij de afgelopen verkiezingen volledig toegankelijk voor mensen met een beperking?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aantal stemlokalen dat bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezing in 2025 volledig toegankelijk was voor mensen met een fysieke beperking. De afgelopen jaren heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met steekproeven de toegankelijkheid van stemlokalen laten onderzoeken. Bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 voldeed 32% van de stemlokalen aan alle toegankelijkheidscriteria. De rest van de stemlokalen voldeden toen niet aan alle toegankelijkheidscriteria.3
Als onderdeel van de uitbreiding van zijn taken, wordt het onderzoek naar de toegankelijkheid van stemlokalen voortaan in opdracht van de Kiesraad uitgevoerd. Dit zal hij voor het eerst doen bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026.
Hoeveel stembureaus beschikken over hulpmiddelen zoals een stemmal?
Uit data van Open State Foundation (OSF) blijkt dat bij de vervroegde Tweede Kamer verkiezing op 29 oktober 2025 de volgende hulpmiddelen beschikbaar waren. In 307 stembureaus (in 86 gemeenten) was er een kandidatenlijst in braille. In 2550 stembureaus (in 126 gemeenten) was er een kandidatenlijst met grote letters. In 61 stembureaus (in 21 gemeenten) waren er geleidelijnen binnen of buiten het stembureau. In 3686 stembureaus (in 110 gemeenten) kon men met behulp van een tolk Nederlandse Gebarentaal (op afstand) stemmen. In 10 stembureaus (in 9 gemeenten) was er een stembureau met een gebarentalig stembureaulid. In 146 stembureaus (in 131 gemeenten) kon met een stemmal gestemd worden.4 Overigens zijn de werkelijke aantallen waarschijnlijk hoger, omdat niet alle gemeenten informatie over de toegankelijkheid van hun stemlokalen hebben aangeleverd.
Op welke wijze wordt gecommuniceerd naar mensen welke stembureaus toegankelijk zijn?
Kiesgerechtigden kunnen op de website waarismijnstemlokaal.nl zien welke toegankelijkheidsvoorzieningen er in stemlokalen beschikbaar zijn. Verder informeren gemeenten kiesgerechtigden via hun websites over de toegankelijkheid van stemlocaties. Ook verspreiden zij vóór de verkiezingen hier informatie over. Bijvoorbeeld door informatie over de toegankelijkheid van stemlokalen mee te sturen als zij de stempas opsturen of door hier in verkiezingskranten die huis aan huis worden verspreid aandacht aan te besteden. Verder verstrekken sommige belangenorganisaties informatie over waar men terecht kan voor bepaalde voorzieningen en hulpmiddelen. De Oogvereniging vermeldt op haar website bijvoorbeeld in welke gemeenten met een stemmal gestemd kan worden.
Welke ondersteuningsmogelijkheden zijn er voor mensen die niet zelfstandig een potlood kunnen vasthouden? Zijn deze mogelijkheden beschikbaar bij elk stembureau? Zo nee, waarom niet?
Mensen die vanwege een fysieke beperking niet zelfstandig een potlood kunnen vasthouden hebben recht op hulp in het stemhokje. Degene die hen helpt, dit kan een stembureaulid zijn maar bijvoorbeeld ook een familielid, kan dan namens de kiezer op de gewenste kandidaat stemmen. Hulp in het stemhokje voor mensen met een fysieke beperking is in elk stembureau mogelijk. Er zijn ook mensen die wel een potlood kunnen vasthouden, maar desondanks niet in staat zijn om bij de gewenste kandidaat een rondje rood in te kleuren. Bijvoorbeeld omdat zij Parkinson hebben of spastisch zijn. De stemmal kan voor hen een uitkomst bieden.
Klopt het dat hulphonden mee mogen in het stembureau? Op welke wijze worden alle voorzitters van stembureaus hiervan op de hoogte gebracht?
Het klopt dat hulphonden mee mogen in het stembureau.
De Kiesraad is voornemens om in de e-learning voor stembureauleden en in de stembureauinstructie voor de dag van de stemming aandacht te besteden aan de regels voor hulphonden in stemlokalen. Op deze wijze worden alle voorzitters van stembureaus geïnformeerd dat het is toegestaan om hulphonden in stembureaus mee te nemen.
Bent u het ermee eens dat het van groot belang is dat voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2026 stembureaus in Nederland volledig toegankelijk zijn voor mensen met een beperking en er voldoende ondersteuning mogelijk is voor mensen met een (verstandelijke) beperking of laaggeletterdheid? Zo ja, welke concrete stappen gaat u ondernemen om erop toe te zien dat dit ook zo zal zijn?
Een toegankelijk verkiezingsproces betekent dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn om zelfstandig een stem te kunnen uitbrengen. Het toegankelijk maken van stemlokalen is één van de onderdelen om eraan bij te dragen dat mensen zo zelfstandig mogelijk hun stem kunnen uitbrengen.
De Kieswet bepaalt dat burgemeester en wethouders ervoor zorgdragen dat alle in de gemeente aangewezen stemlokalen zodanig zijn gelegen en zo zijn ingericht en uitgerust dat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen (artikel J 4, tweede lid). Als stemlokalen niet toegankelijk zijn (te maken), moet het College van B&W dit aan de gemeenteraad melden.
Het volledig toegankelijk maken van alle stemlokalen blijkt in de praktijk moeilijk. Landelijk kan er gestemd worden bij ongeveer 9000 stemlocaties. Als uitsluitend locaties als stemlokaal zouden mogen worden gebruikt die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er minder stemlokalen zouden zijn en de gemiddelde reisafstand naar de stemlokalen groter wordt. Gemeenten moeten daarom vaak een afweging maken tussen de toegankelijkheid van een gebouw en de bereikbaarheid van stemlokalen voor de kiezers.
Openbare gebouwen die als stemlokaal worden gebruikt zijn niet altijd toegankelijk (te maken). Bijvoorbeeld als de deuren te smal zijn voor iemand in een rolstoel. Of als er geen ruimte is om een (tijdelijke) helling aan te leggen bij een steile trap. Het komt ook voor dat het stemlokaal zelf wel toegankelijk is, maar de omgeving niet. Bijvoorbeeld doordat het stemlokaal op een heuvel ligt waardoor er sprake is van een te steile helling bij de ingang. Of doordat de route naar de entree van het stemlokaal te smal is. Dergelijke stemlokalen worden als niet toegankelijk aangemerkt. Om te zorgen voor voldoende stemlokalen worden vaak gebouwen als stemlokaal gebruikt die geen eigendom zijn van de gemeente. Ook deze gebouwen zijn niet altijd toegankelijk (te maken).
In het Actieplan toegankelijk stemmen zijn acties opgenomen die ertoe moeten leiden dat meer stemlokalen toegankelijk worden voor mensen met een fysieke beperking. Richting de gemeenteraadsverkiezingen in 2026 worden de volgende acties opgepakt:
Daarnaast wordt voorzien in een aantal onderzoeken om de bestaande toegankelijkheidscriteria en ondersteuning aan gemeenten te verbeteren. Dit moet eraan bijgedragen dat gemeenten en stembureauleden nog beter in staat worden gesteld om stemlokalen toegankelijk te maken voor mensen met een fysieke beperking. Acties voor de langere termijn zijn:
Kunt u aangeven wat er de afgelopen jaren concreet gebeurd is met eerdere adviezen en aanbevelingen ten aanzien van het verbeteren van de toegankelijkheid van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking?
Op 6 mei 2025 hebben het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken het Actieplan toegankelijk stemmen gepresenteerd.5 Het plan loopt van 2025 tot en met 2029 en is in nauwe samenspraak met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen opgesteld. In het plan zijn acties opgenomen om voor mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden de toegankelijkheid van verkiezingen te vergroten. Deze acties richten zich op toegankelijke informatie over verkiezingen, toegankelijke stemlokalen, toegankelijk stemmen en toegankelijke informatie en bijeenkomsten van politieke partijen. Belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen worden betrokken bij het uitvoeren van deze acties. Eerdere adviezen en aanbevelingen over het verbeteren van de toegankelijkheid van het verkiezingsproces voor mensen met een beperking zijn in het Actieplan verwerkt.
Tweetalig bestuur in Fryslân |
|
Rosanne Hertzberger (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander van Waveren (NSC) |
|
Moes , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Tweetalig bestuur in Fryslân» van het Wetenschappelijk Bureau Nieuw Sociaal Contract?1 Deelt u de analyse uit dit rapport dat het huidige wettelijke kader voor Friese taalrechten in de bestuurlijke praktijk van provincie en gemeenten onvoldoende wordt uitgevoerd?
In de aanbevelingen benadrukt het rapport dat er behoefte is aan structurele monitoring en rapportage van het gebruik van het Fries door provincie en gemeenten; kunt u uiteenzetten hoe u toezicht houdt op naleving van de Wet gebruik Friese taal door gemeenten en provincie? Overweegt u een structurele monitor of periodieke voortgangsrapportage?
Hoe beoordeelt u de constatering dat het Fries in overheidscommunicatie een recht van de burger is in plaats van een plicht van de overheid? Bent u bereid te onderzoeken hoe de Wet gebruik Friese taal kan worden versterkt zodat actieve toepassing door de overheid als uitgangspunt geldt, zodat de term «recht van de burger» kan worden vervangen door «verplichting van de overheidsorganisatie»?
Het rapport geeft op pagina 10 aan: «Elke gemeente bepaalt zelf in hoeverre het Fries wordt ingezet in de dienstverlening, de communicatie en de digitale omgeving». Herkent u dat deze verschillen bestaan en tot onduidelijkheid kunnen leiden? Bent u bereid om met de Friese gemeenten en de provincie te onderzoeken hoe een gedeeld basisniveau bereikt kan worden voor de inzet van de Friese taal?
Welke maatregelen acht u passend om een uniforme uitvoering van de wet binnen Fryslân te garanderen? Is de regering bereid te verkennen of een wettelijke verplichting tot tweetalig aanbieden van kern-overheidsdiensten in Fryslân wenselijk en uitvoerbaar is? Zo ja, welke stappen ziet u? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat digitale overheidsdiensten het risico vergroten dat minderheden taaltechnologisch worden vergeten? Bent u bereid om in rijksbrede ICT-standaarden expliciet op te nemen dat systemen in Fryslân tweetalig moeten functioneren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten hoe u waarborgt dat AI-systemen die binnen de overheid worden gebruikt ook low-resource talen zoals het Fries kunnen en moeten ondersteunen?
Is er een tijdpad om digitale formulieren, bestuurlijke publicaties, raadsinformatiesystemen en burgerportalen volledig tweetalig beschikbaar te maken? Zo nee, wanneer komt dat tijdpad?
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna: FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt, de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot 1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv geen afstel van belastingheffing.
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke verzoek?
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek naar de vuurwerkramp?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden, bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders, waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen, gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit individuele geval.
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024 drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid en werknemer?
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt. Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals deze?
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen. Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast buiten bestaande standaardregelingen?
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance. Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing persoonlijk als onbillijk ervaart.
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid, billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een andere toepassing van de fiscale regelgeving.
Het bericht dat als je bij de geheime dienst solliciteert, Google dat als eerste weet |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Rijkaart , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van Follow the Money waarin onderbouwd wordt dat sollicitatiegegevens van kandidaten voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) via werkenvoornederland.nl automatisch terechtkomen bij Amerikaanse techbedrijven zoals Google, Amazon en Cloudflare?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerder gestelde schriftelijke vragen over dit onderwerp, waarin juist beweerd werd dat er geen gegevens van sollicitanten bij de AIVD en MIVD gedeeld worden met Google?2
De beantwoording van de eerder gestelde Kamervragen over dit onderwerp is mij bekend.
Hoe verklaart u het verschil tussen die eerdere antwoorden en de uitkomsten van het onderzoek van Follow the Money? Deelt u de mening dat dit verschil niet afgedaan kan worden met verwijzen naar «definitiekwesties» over wanneer iemand wel of niet een sollicitant is? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat eerdere beantwoording niet toereikend is. Ik zal hier proberen om eventuele onduidelijkheden weg te nemen. In de beantwoording van de Kamervragen in februari 2025 is verschil gemaakt tussen een sollicitant en een geïnteresseerde bezoeker van werkenvoornederland.nl. Op het moment dat een geïnteresseerde de website werkenvoornederland.nl bezoekt, gebruikt BZK/Organisatie & Personeel Rijk (O&P Rijk) inderdaad Google Analytics. Overigens wordt er momenteel gewerkt aan de uitfasering van Google Analytics plaats en de overstap naar een Europees alternatief, en gebruiken we Google Analytics niet meer voor de vacaturepagina’s van de AIVD en MIVD op werkenvoornederland.nl.
Zodra een geïnteresseerde bezoeker een motivatie en persoonlijke gegevens achter laat om te solliciteren, gebeurt dit in een aparte omgeving. In deze aparte omgeving wordt Google Analytics niet gebruikt. De persoonlijke gegevens van een sollicitant komen dan ook niet bij Google Analytics terecht. Hetzelfde geldt voor het selectieproces, dat offline plaatsvindt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat sollicitanten worden gewaarschuwd om «geen informatie over hun sollicitatie te delen», terwijl de overheid zelf informatie over de interesse in een sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (onbedoeld) deelt met buitenlandse partijen? Zo nee, waarom niet?
Het actief delen van een (lopende) sollicitatie bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in je eigen omgeving en het vermelden daarvan op sociale media brengt bepaalde risico's met zich mee. Afgezien van zeer beperkte data van geïnteresseerde bezoekers (zie beantwoording vragen 5 en 7) worden er geen persoonlijke gegevens van sollicitanten gedeeld. De kans dat digitaal gedrag op een website als werkenvoornederland.nl tot dezelfde risico's leidt is daarom kleiner.
Deelt u de zorg van experts dat dit gegevenslek de veiligheid van sollicitanten én daarmee de nationale veiligheid in gevaar kan brengen, met name wanneer deze data via Amerikaanse wetgeving opgevraagd kan worden door Amerikaanse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om zorgvuldig met dergelijke data om te gaan. Het verwerken van gegevens door Google ten behoeve van het gebruik van de analyse functionaliteit van Google Analytics is tot een minimum beperkt. De data die verwerkt worden door middel van Google Analytics, worden conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden verwerkt. Indien het noodzakelijk is persoonsgegevens te verwerken, worden deze door Google geaggregeerd, voordat deze onmiddellijk volgens de gestelde voorwaarden verwijderd worden. Er is geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek.
Op welke wijze worden gegevens van sollicitanten momenteel verwerkt bij sollicitaties voor de AIVD en MIVD? Kunt u toelichten welke gegevens worden gedeeld, met welke (buitenlandse) partijen en op basis van welke verwerkersovereenkomsten?
Iemand kan solliciteren door een online formulier in te vullen. Deze informatie wordt gebundeld door een Nederlands bedrijf, waarna de AIVD en de MIVD de informatie in hun eigen systemen zetten. De informatie wordt kort hierna verwijderd uit het oorspronkelijke systeem. De diensten doen geen uitspraken over de wijze van verwerking van de gegevens van sollicitanten op de eigen beveiligde systemen.
Klopt het dat bij het klikken op de knop «solliciteren» op werkenvoornederland.nl gegevens van de sollicitant, zoals IP-adres, browsergegevens en klikgedrag, automatisch worden doorgestuurd naar techbedrijven? Zo ja, hoe rijmt u dit met het beveiligingsniveau dat bij sollicitaties voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vereist is?
O&P-Rijk maakt voor werkenvoornederland.nl gebruik van GA4 dienstverlening van Google. Het IP-adres, de browsergegevens en het klikgedrag van een geïnteresseerde bezoeker wordt verwerkt door Google, conform de Google Analytics 4 (GA4) voorwaarden. Zoals bij vraag 5 aangegeven, betekent dit dat het verwerken van gegevens door Google tot een minimum beperkt is. De diensten maken door middel van publicatie van vacatures op werkenvoornederland.nl gebruik van het platform van BZK/O&P Rijk.
Deze website valt onder het beleid van BZK en er wordt doorlopend gekeken naar – waar nodig – verbeteringen in de processen en informatiebeveiliging.
In hoeverre is de privacy- en cybersecurityrisicoanalyse van de site werkenvoornederland.nl toegespitst op functies bij de AIVD en MIVD? Zijn hier aanvullende maatregelen genomen? Zo nee, waarom niet?
De privacy- en cybersecurityanalyses van de website werkenvoornederland.nl zijn niet toegespitst op de vacatures van de AIVD en de MIVD. BZK/O&P Rijk levert met deze website een generieke dienstverlening en volgt hier het beleid rondom websites bij BZK, het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en de verplichte richtlijnen websites en andere online middelen van het Forum Standaardisatie.
Het solliciteren op functies bij de AIVD en de MIVD gebeurt in een aparte omgeving, wat een aanvullende (beveiligings)maatregel is.
Waarom is er niet gekozen voor een beveiligd, intern sollicitatieportaal voor functies bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, los van het generieke Rijksportaal?
Onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn continu op zoek naar experts en professionals. Een toegankelijk en makkelijk vindbaar portaal, zoals via werkenvoornederland.nl, is noodzakelijk om de juiste doelgroepen te bereiken. Dit is tevens onderdeel van de rijksbrede afspraak dat vacatures altijd worden gepubliceerd op werkenvoornederland.nl. Deze website is als het ware een etalage voor vacatures, waaronder voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wanneer iemand solliciteert, worden gegevens verwerkt in een apart sollicitatieportaal. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om het sollicitatieproces voor functies bij de AIVD en MIVD onmiddellijk te herzien, zodat gegevens niet (meer) toegankelijk zijn voor partijen buiten de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht veel waarde aan de veiligheid van geïnteresseerden die overwegen te solliciteren bij de diensten en personen die daadwerkelijk solliciteren. Vooralsnog is er geen aanleiding om het sollicitatieproces onmiddellijk te herzien. Er wordt voortdurend bekeken hoe de processen en informatiebeveiliging verbeterd kunnen worden.
Is het wat u betreft denkbaar dat Google weet wie er de afgelopen veertien jaar bij de diensten hebben gesolliciteerd? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom dat volgens u niet denkbaar zou zijn?
Die kans is klein, omdat wat via Google Analytics (zowel in het verleden via Universal Analytics als nu via GA4) werd gemeten, zich beperkt tot geaggregeerde webstatistieken van bezoekers van werkenvoornederland.nl. Het gebruik van gegevens is tot een minimum beperkt en wordt door Google enkel in geaggregeerde vorm verwerkt.
Wat betekent dit voor reeds lopende sollicitatieprocedures? Worden sollicitanten achteraf geïnformeerd dat hun gegevens mogelijk bij derden terecht zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 3 en 6 aangegeven, gebeurt solliciteren in een aparte omgeving. Google heeft geen zicht op deze fase van het sollicitatieproces en daarmee is de impact op lopende sollicitatieprocedures minimaal.
Hoe staat het inmiddels met het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) naar het gebruik van Google Analytics 4 en het mogelijke verbod op het gebruik hiervan?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is in 2022 een onderzoek gestart naar het gebruik van Google Analytics versie 3 (Universal Analytics). Hierover heeft de AP geen besluit gepubliceerd, omdat dit heeft geresulteerd in een berisping voor de partij die Google Analytics in gebruik had genomen. Berispingen worden, conform het openbaarmakingsbeleid van de AP, niet openbaar gemaakt. In het onderzoek ging het om doorgifte van persoonsgegevens naar de VS, wat in strijd kan zijn met de AVG. Nu geldt echter een adequaatheidsbesluit voor de VS (Data Privacy Framework). Hierdoor voldoet doorgifte naar de VS, voor zover er is voldaan aan het DPF, ook aan de eisen van de AVG die gelden voor doorgifte. Het onderzoek naar Google Analytics versie 3 is daarmee ook niet één op één door te trekken naar het gebruik van Google Analytics op dit moment.
Een totaalverbod op Google Analytics opgelegd door de AP ligt nu niet voor de hand. Het is niet aan de AP een oordeel te vellen over de diensten die door Google geleverd worden, aangezien het Europese hoofdkantoor van Google in Ierland is gevestigd. Ook vanuit cookiewetgeving (artikel 11.7a Telecommunicatiewet) is dit niet aan de AP, omdat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) de bevoegde toezichthouder is. De AP heeft in overleg met de ACM aan de Minister van Economische Zaken voorgesteld om dit toezicht bij de AP te beleggen. In het kader van toezicht op cookies en online tracking is de AP wel aan het onderzoeken in hoeverre zij wat kan zeggen over welke cookies wel en niet onder de uitzondering van de cookiebepaling kunnen vallen. Wanneer zij daar uitsluitsel over kan geven, ligt onder andere aan het verschuiven van de bevoegdheid op de cookiebepaling.
Hoe oordeelt u over de conclusie van de geraadpleegde experts in het artikel van Follow The Money, dat het gebruik van Google Analytics op werkenvoornederland.nl sowieso niet conform de AVG is, omdat er sprake kan zijn van het verzamelen van identificeerbare persoonsgegevens, maar hier geen toestemming voor gevraagd wordt?
Er worden enkel analytische cookies en geen tracking cookies geplaatst. Dit is, conform regelgeving, opgenomen in het cookie-statement van werkenvoornederland.nl (Cookies - Werken voor Nederland).
Welke maatregelen gaat u nemen om dit lek zo spoedig mogelijk te voorkomen en het vertrouwen in de veiligheid van werken bij de overheid te herstellen?
Zoals ook bij vraag 5 aangegeven, is er geen indicatie dat er sprake is of was van een gegevenslek. Voor de vacaturepagina's van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die gelezen worden door geïnteresseerden is het gebruik van Google Analytics, inmiddels uitgezet na een nieuwe afweging in het kader van dienstverlening.
Het gebruik en de bescherming van Nedersaksisch en Limburgs als streektalen |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ilse Saris (CDA), Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Friese taal wordt beter doorgegeven dan het Nedersaksisch», over het promotieonderzoek van Raoul Buurke naar het gebruik en het behoud van deze beide streektalen in de afgelopen decennia?1
Ja. Ik heb kennisgenomen van het bericht over het onderzoek van dr. Buurke.
In hoeverre worden de verschillen in de mate waarin het Fries en Nedersaksisch als streektaal worden gebruikt, vermengd met Nederlands en doorgegeven aan jongeren naar uw mening veroorzaakt door de hardnekkige weigering van de regering om het Nedersaksisch (evenals het Limburgs) te erkennen onder deel III van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, dat door Nederland in 1996 is geratificeerd?
De verschillen in gebruik tussen het Fries en het Nedersaksisch zijn niet uitsluitend het gevolg van de erkenning onder het Europees Handvest. Demografische en sociale factoren, zoals het aantal sprekers, de mate van verstedelijking, het gebruik in gezinnen en de aanwezigheid in onderwijs en media, spelen hierbij eveneens een belangrijke rol. De verschillen in vitaliteit tussen beide talen kunnen dus niet enkel worden toegeschreven aan het ontbreken van een erkenning onder deel III. Bovendien brengt erkenning onder deel III juridisch bindende verplichtingen met zich mee, die een zorgvuldige afweging vereisen. Daarnaast biedt erkenning onder deel II voldoende ruimte om het Nedersaksisch en het Limburgs te beschermen, aangezien dit deel ook verplichtingen bevat om het gebruik van deze talen te beschermen en bevorderen.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om het Nedersaksisch en Limburgs als streektalen te behouden, als onderdeel van de identiteit en het culturele erfgoed, en dat dit belang een erkenning van het Nedersaksisch en Limburgs onder deel III van het Handvest rechtvaardigt?
Het behoud van het Nedersaksisch en het Limburgs is belangrijk voor de regionale identiteit en het cultureel erfgoed. Dit uitgangspunt ligt ook aan de basis van de bestaande erkenning onder deel II van het Handvest en de convenanten. Of uitbreiding naar deel III passend is, vraagt een nadere analyse van uitvoerbaarheid en middelen en gaat in samenspraak met de betrokken regionale overheden.
Kunt u concreet toelichten hoe de huidige erkenning van beide streektalen onder deel II concreet uitwerking heeft gekregen in «beleid, wetgeving en praktijk ten aanzien van regionale talen», waartoe het Handvest de regering verplicht? Deelt u onze mening dat de inzet van het Rijk in de afgelopen decennia ontoereikend is geweest om de achteruitgang in het gebruik van streektalen te stoppen?
De erkenning onder deel II is concreet uitgewerkt via convenanten met de betrokken provincies en gemeenten. Daarmee is invulling gegeven aan de verplichtingen inzake samenwerking, beleid en kennisbevordering. Tegelijk is erkend dat het gebruik van streektalen onder druk staat zoals het onderzoek van Buurke aangeeft. Dit vraagt om blijvende inzet vanuit het Rijk en regionale overheden.
Kunt u toelichten wat de regering concreet heeft gedaan om de streektalen te behouden sinds het afsluiten van de convenanten met de verantwoordelijke provincies Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Friesland en de gemeenten Oost- en West-Stellingwerf (in 2018) en Limburg (in 2019)? Welke concrete initiatieven heeft de regering genomen om het gebruik van streektalen in diverse domeinen (zoals regionaal en lokaal bestuur, cultuur, media, onderwijs en kennis) te stimuleren? Welke belemmeringen zijn weggenomen?
Sinds het sluiten van de convenanten met de betrokken provincies en gemeenten in 2018 (voor het Nedersaksisch) en 2019 (voor het Limburgs) heeft de regering ingezet op versterking van samenwerking en kennisuitwisseling tussen Rijk en regio. Dit gebeurt onder meer via projecten op het gebied van onderwijs, cultuur, media en taalbevordering. Zo heeft het Rijk eind 2023 € 75.000 ter beschikking gesteld aan het provinciefonds, bestemd voor ’t Hoes veur ’t Limburgs. Daarnaast heeft het Rijk € 75.000 aan de gemeente Weststellingwerf verstrekt voor de bevordering en bescherming van het Nedersaksisch ten behoeve van alle partners in het convenant Nedersaksisch.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties organiseert daarnaast periodiek een Erkende Talen Symposium gericht op het delen van kennis, het bevorderen van samenwerking en het vergroten van bewustwording over de positie van regionale talen. Tevens onderhoudt het ministerie structureel ambtelijk contact met vertegenwoordigers van de betrokken provincies en gemeenten, om uitvoering van de convenanten te volgen en te ondersteunen. Tegelijkertijd blijft structurele borging in beleid, financiering en onderwijs een gezamenlijke uitdaging. Het behoud en de versterking van de streektalen vragen blijvende inzet van zowel het Rijk als de decentrale overheden.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat het Rijk provincies en gemeenten te hulp schiet bij hun inspanningen om het Nedersaksisch en Limburgs te behouden en dat het erkennen van de streektalen onder deel III helpt om de inzet van het Rijk te concretiseren?
Het Rijk acht samenwerking met provincies en gemeenten essentieel, aangezien de verantwoordelijkheid voor taalbeleid bij meerdere bestuurslagen ligt. Het is wenselijk dat het Rijk deze overheden ondersteunt bij hun inspanningen om het Nedersaksisch en Limburgs te behouden. Erkenning onder deel II en het convenant bieden ook voldoende ruimte om de talen te beschermen en te versterken, doordat dit deel al voorziet in verplichtingen tot bescherming. De effectiviteit hangt vooral af van de gezamenlijke inzet en samenwerking tussen Rijk, provincies en taalorganisaties.
Bent u ervan op de hoogte dat het Nedersaksisch in de meeste Noord-Duitse deelstaten, waaronder Nedersaksen, erkend is onder deel III van het Handvest? Bent u bereid zich te verdiepen in de praktijk bij onze Duitse buren en te bezien wat we van hen kunnen leren?
Ik ben hiervan niet op de hoogte. Desalniettemin sta ik open om die situatie verder te bestuderen en te bezien welke elementen passend zouden kunnen zijn voor de Nederlandse context, rekening houdend met ons bestuurlijke stelsel.
Wat is uw reactie op het concrete voorstel dat is uitgewerkt door het wetenschappelijk bureau van NSC voor erkenning van het Nedersaksisch en Limburgs onder deel III, dat is gebaseerd op de praktijk in Nedersaksen? Kunt u aangeven welke onderdelen van dit voorstel u niet uitvoerbaar of haalbaar acht en waarom niet?2
Ik heb het voorstel van NSC niet officieel ontvangen. Toch onderschrijf ik nogmaals het belang van het behoud en de versterking van regionale talen. Op het moment evalueren de convenantpartners het convenant Nedersaksisch. Het voorstel van NSC kan daarbij worden meegenomen, in overleg met de betrokken provincies en taalorganisaties. De evaluatie zal waardevolle inzichten bieden om te bepalen hoe de samenwerking tussen Rijk en regio verder kan worden versterkt en welke maatregelen het meest effectief bijdragen aan het behoud van de taal.
Het bericht dat 4 op de 10 mensen met een lichamelijke beperking toegankelijkheidsproblemen ervaart wanneer ze gaan stemmen |
|
Sarah Dobbe , Michiel van Nispen (SP) |
|
Rijkaart , Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van de Zonnebloem waaruit blijkt dat vier op de tien mensen met een lichamelijke beperking toegankelijkheidsproblemen ervaren wanneer ze gaan stemmen?1
Voor meer dan 2 miljoen Nederlanders is zelfstandig stemmen bij een verkiezing niet vanzelfsprekend. Mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden zijn minder positief over hun ervaring met verkiezingen dan mensen zonder een beperking of mensen die over meer basisvaardigheden beschikken. Het gaat bijvoorbeeld om iemand die in een rolstoel zit, blind is of moeite heeft met lezen.
Het is belangrijk dat iedereen zo zelfstandig mogelijk zijn stem kan uitbrengen. Daar moeten we mensen in ondersteunen. Daarom is op 6 mei 2025 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Kiesraad, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het Actieplan toegankelijk stemmen gepresenteerd (hierna: Actieplan).2 Dit Actieplan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen.
Het doel van dit Actieplan is dat mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden in Nederland zo zelfstandig mogelijk moeten kunnen stemmen. De toegankelijkheid van stemlokalen voor mensen met een fysieke beperking is een belangrijk onderwerp uit het Actieplan.
Het is vervelend om te horen dat er ondanks de maatregelen die getroffen worden om stemlokalen toegankelijk te maken voor alle kiezers, nog een aanzienlijke groep is die toegankelijkheidsproblemen ervaart bij het stemmen.
Deelt u de mening dat mensen met een beperking zelfstandig moeten kunnen stemmen en dat daarvoor minimaal nodig is dat stemlokalen toegankelijk zijn?
Een toegankelijk verkiezingsproces betekent dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn om zelfstandig een stem te kunnen uitbrengen. Het toegankelijk maken van stemlokalen is één van de onderdelen om eraan bij te dragen dat mensen zo zelfstandig mogelijk hun stem kunnen uitbrengen.
De Kieswet bepaalt dat burgemeester en wethouders ervoor zorgdragen dat alle in de gemeente aangewezen stemlokalen zodanig zijn gelegen en zo zijn ingericht en uitgerust dat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen (artikel J 4, tweede lid). Het volledig toegankelijk maken van alle stemlokalen blijkt in de praktijk moeilijk. Landelijk kan er gestemd worden bij ongeveer 9.000 stemlocaties. Als uitsluitend locaties als stemlokaal zouden mogen worden gebruikt die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er minder stemlokalen zouden zijn en de gemiddelde reisafstand naar de stemlokalen groter wordt. Gemeenten moeten daarom vaak een afweging maken tussen de toegankelijkheid van een gebouw en de bereikbaarheid van stemlokalen voor de kiezers.
Openbare gebouwen die als stemlokaal worden gebruikt zijn niet altijd toegankelijk (te maken). Bijvoorbeeld als de deuren te smal zijn voor iemand in een rolstoel. Of als er geen ruimte is om een (tijdelijke) helling aan te leggen bij een steile trap. Het komt ook voor dat het stemlokaal zelf wel toegankelijk is, maar de omgeving niet. Bijvoorbeeld doordat het stemlokaal op een heuvel ligt waardoor er sprake is van een te steile helling bij de ingang. Of doordat de route naar de entree van het stemlokaal te smal is. Dergelijke stemlokalen worden als niet toegankelijk aangemerkt. Om te zorgen voor voldoende stemlokalen worden vaak gebouwen als stemlokaal gebruikt die geen eigendom zijn van de gemeente. Ook deze gebouwen zijn niet altijd toegankelijk (te maken).
Als het voor één of meerdere locaties niet lukt om deze (volledig) toegankelijk te maken, moet het college van B&W de gemeenteraad informeren (Artikel J 4, derde lid, van de Kieswet) over de stemlokalen die niet voldoen aan de toegankelijkheidscriteria en daarbij toelichten waarom deze stemlokalen daar niet aan voldoen.
Hoe worden stemlokalen getoetst op toegankelijkheidscriteria?
De afgelopen jaren heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met steekproeven de toegankelijkheid van stemlokalen laten onderzoeken. Bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 voldeed 68% van de stemlokalen die door gemeenten als toegankelijk werden aangemerkt niet aan alle toegankelijkheidscriteria.3
Als onderdeel van de uitbreiding van zijn taken, wordt het onderzoek naar de toegankelijkheid van stemlokalen voortaan in opdracht van de Kiesraad uitgevoerd. Dit zal hij voor het eerst doen bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026.
Hoe houdt u als Minister zicht op de toegankelijkheid van stemlokalen?
Iedere verkiezing wordt na afloop geëvalueerd. Daarin wordt ook de toegankelijkheid van de verkiezing en dus de stemlokalen meegenomen. Belangenorganisaties worden bij de evaluatie betrokken. Het evaluatieadvies van de Kiesraad en de rapportages van belangenorganisatie Ieder(in), dat het meldpunt Onbeperkt Stemmen beheert, maken onderdeel uit van de evaluaties van verkiezingen.
Hoeveel stemlokalen voldoen niet aan de toegankelijkheidscriteria zoals die worden weergegeven op de website van de Zonnebloem?
Uit de steekproef bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 bleek dat 68% van de stemlokalen die door gemeenten als toegankelijk werden aangemerkt niet aan alle toegankelijkheidscriteria voldeden.4 Dit betekent niet dat deze stemlokalen in het geheel niet toegankelijk waren. Het kon ook gaan om maar één criterium waar niet aan kon worden voldaan. Dit is het continue dilemma waar gemeenten tegen aanlopen: als alleen stemlokalen gebruikt worden die volledig toegankelijk zijn, betekent dat dat er veel minder stemlokalen in gebruik zouden kunnen zijn.
Wat zijn de mogelijkheden om nog voor de aanstaande verkiezingen de toegankelijkheid van stemlokalen te verbeteren?
De tijd tussen de vervroegde Tweede Kamerverkiezing op 29 oktober 2025 en de lancering van het Actieplan Toegankelijk Stemmen was kort. Voor deze verkiezing is gekeken naar welke maatregelen binnen deze korte termijn al uitgevoerd konden worden. Andere maatregelen uit het Actieplan worden ook opgepakt, maar zullen op de langere termijn pas effect gaan hebben. Hieronder ziet u een overzicht van de maatregelen uit het Actieplan op het onderwerp toegankelijke stemlokalen die voor de vervroegde Tweede Kamerverkiezing zijn opgepakt:
Welke lange termijn maatregelen gaat u nemen voor de verkiezingen die daarna gaan volgen?
Met het oog op de verkiezingen ná de Tweede Kamerverkiezing wordt er een aantal onderzoeken voorzien om de bestaande criteria en de ondersteuning aan gemeenten te verbeteren. Daarmee wordt er op de langere termijn aan bijgedragen dat gemeenten en stembureauleden nog beter in staat worden gesteld om stemlokalen toegankelijk te maken voor mensen met een fysieke beperking.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden, gezien de termijn tot de aankomende verkiezingen?
Ja.
Bonaire en klimaatmaatregelen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rijkaart , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het krantenartikel over de situatie op Bonaire met betrekking tot de gevolgen van de klimaatcrisis?1
Ja.
Wat is de laatste stand van zaken wat betreft de maatschappelijke en ecologische impact van de klimaatcrisis op Bonaire?
De effecten van klimaatverandering in Caribisch Nederland worden doorlopend onderzocht en gemonitord. Dit gebeurt ook voor Bonaire. Naast de KNMI’23 Klimaatscenario’s, waar een hoofdstuk is opgenomen voor Caribisch Nederland, brengt het KNMI jaarlijks «De Staat van ons Klimaat» uit waarin aandacht wordt besteed aan het klimaat in Caribisch Nederland. In de laatste versie hiervan uit januari 20252 wordt aandacht besteed aan de bovengemiddelde warme temperaturen en het orkaanseizoen van 2024. Ook is in 2025 de «Staat van de Natuur Caribisch Nederland» uitgekomen. De Kamer is hier recent over geïnformeerd.3 Daarin wordt klimaatverandering – naast «loslopend vee» en «invasieve soorten» – geïdentificeerd als de belangrijkste bedreiging die brede gevolgen heeft voor de natuur van Caribisch Nederland, op zowel korte als midden-lange termijn.
Welke maatregelen zijn tot nu toe door u genomen om Bonaire te beschermen tegen overstromingen, extreme hitte, schade aan koraalriffen en andere klimaatgerelateerde risico’s?
Vanuit de Rijksoverheid wordt ondersteuning geboden aan Bonaire in de vorm van rijksbeleid, ondersteuning van beleid, onderzoek en subsidies voor infrastructurele en ecologische projecten. Een voorbeeld van rijksbeleid waar ruim aandacht wordt gegeven aan klimaatadaptatie is het Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland (ROCN) dat in 2024 is vastgesteld.4 Daarnaast heeft de Rijksoverheid in het kader van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) klimaatadaptatieprojecten gefinancierd. Voorbeelden hiervan zijn onder andere het mangroveherstel, dammenherstel, en het ontwerpen van een afvalwatervisie. Een volledig overzicht van alle projecten van het NMBP is met de evaluatie van het NMBP aan de Kamer gestuurd.5 Andere voorbeelden zijn de financiering van de Klimaateffectenatlas BES die in opdracht van de Rijksoverheid wordt opgesteld en geactualiseerd om de bevolking van Bonaire te informeren over klimaatrisico’s.
In de Kamerbrief «Kabinetsreactie op sommatiebrief van Greenpeace en zeven inwoners Bonaire» is een overzicht gegeven van al het onderzoek dat in opdracht van de Rijksoverheid in het kader van klimaat(adaptatie)beleid voor Bonaire (en breder voor Caribisch Nederland) is uitgevoerd.6 In 2024 zijn ook risicoprofielen door overstromingen opgesteld aan de hand van de KNMI’23 klimaatscenario's.7
Bent u bereid concrete extra maatregelen te nemen om Bonaire beter te beschermen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De Klimaattafel Bonaire, die door de Ministeries van BZK, KGG en IenW wordt ondersteund, schrijft op dit moment aan een klimaatplan. In dit klimaatplan wordt in beeld gebracht welke aanvullende maatregelen nodig zijn op Bonaire om weerbaarder te worden tegen de gevolgen van klimaatverandering. De klimaattafel verwacht in het eerste kwartaal 2026 het klimaatplan op te leveren. Daarnaast wordt de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) momenteel herijkt, deze zal ook een hoofdstuk bevatten over Caribisch Nederland.
Kunt u aangeven of en wanneer overleg is gevoerd met het bestuur van Bonaire en relevante maatschappelijke organisaties over klimaatbescherming?
De hierboven genoemde onderzoeken – zoals de KNMI’23 scenario’s en de risicoprofielen voor overstromingen – zijn toegelicht en besproken met het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) en maatschappelijke organisaties op Bonaire. Verder is klimaatbescherming en de stand van zaken van de Klimaattafel Bonaire één van de terugkerende gespreksonderwerpen in de reguliere gesprekken met gedeputeerden en maatschappelijke organisaties. Deze gesprekken vinden elk kwartaal plaats, de laatste was in oktober.
Op welke wijze worden inwoners van Bonaire door u geïnformeerd over en betrokken bij de aanpak van de klimaatcrisis op Bonaire?
Alle plannen en programma’s voor Caribisch Nederland zoals het ROCN en het NMBP doorlopen een participatieproces en worden publiekelijk geconsulteerd op de eilanden. Ook de Klimaattafel Bonaire heeft de afgelopen maanden brede consultatierondes gehouden, zowel met lokale organisaties als inwoners. Daarnaast ondersteunt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zowel de Klimaateffectatlas BES8 als het Kennisportaal Klimaatadaptatie (Cariben).9 Deze webpagina’s zijn voor iedereen toegankelijk en laten zowel de gevolgen van klimaatverandering zien, als welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u het eens met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat Nederland een wettelijke zorgplicht heeft Bonaire te beschermen tegen de klimaatcrisis en dat nalaten van actie kan leiden tot schending van grond- en mensenrechten?
Ja, in de Klimaseniorinnen-uitspraak van 9 april 2024 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bevestigd dat het recht op eerbiediging van privé, gezins- en familieleven van artikel 8 EVRM het recht van personen omvat op effectieve bescherming door de overheid tegen de ernstige negatieve gevolgen van klimaatverandering voor hun leven, gezondheid, welzijn, en levenskwaliteit. En dat elke staat een verantwoordelijkheid heeft om klimaatverandering tegen te gaan.10 Het Hof benadrukt dat naast mitigatiemaatregelen ook adaptatiemaatregelen moeten worden genomen en dat procedurele waarborgen van belang zijn, zoals het openbaar maken van informatie en toegang tot de rechter. Het niet nakomen van deze verplichtingen kan leiden tot een schending van artikel 8 EVRM.
Hoe waarborgt u dat het nationale klimaatbeleid integraal rekening houdt met de dringende klimaatuitdagingen in de Caribische delen van het Koninkrijk?
Zie de antwoorden op de vragen 4, 9 en 11.
Hoe waarborgt u dat Caribische gemeenten volwaardig worden betrokken in Europese en mondiale klimaatstrategieën?
Voor zowel klimaatadaptatiebeleid als klimaatmitigatiebeleid acht het kabinet het van belang om Caribisch Nederland volwaardig te betrekken in Europese en mondiale klimaatstrategieën.
Door het kabinet wordt actief ingezet op Europese en mondiale samenwerking en kennisuitwisseling. Op het gebied van klimaatmitigatie wordt dit gedaan door o.a. het organiseren van de CCEC (Caribbean Climate and Energy Conference) en wordt elk jaar gewerkt aan een gezamenlijke inzet voor de COP om zo de belangen van het Caribische deel van het Koninkrijk te behartigen. Op het gebied van klimaatadaptatie wordt dit gedaan via het International Panel for Deltas and Coastal areas (IPDC). Via het IPDC worden alle zes de eilanden van het Koninkrijk ondersteund bij het ontwikkelen van eigen klimaatadaptatieplannen. Tevens wordt via het IPDC onderlinge kennisuitwisseling gestimuleerd.
Daarnaast heeft de Staat per 18 april 2023 de heer Edison Rijna (voormalig gezaghebber van Bonaire) benoemd tot speciaal gezant voor Caribisch Nederland voor EU-fondsen, fondsen van de Verenigde Naties (VN) en economische betrekkingen met Latijns-Amerika. De speciaal gezant zet zich in voor betere toegang tot fondsen van de EU en VN voor de BES-eilanden. Op het gebied van klimaatmitigatie zijn -mede door de inzet van de speciaal gezant – de BES-eilanden onlangs toegelaten tot het «30 for 2030» project van de EU. De eilanden kunnen hierdoor rekenen op intensieve ondersteuning vanuit de EU om hun ambitie te realiseren uiterlijk in 2030 de energievoorziening volledig te hebben verduurzaamd. Dit komt boven op de nationale inspanning van het kabinet op het gebied van de energietransitie voor Caribisch Nederland. In 2022 is € 33,6 miljoen beschikbaar gesteld voor een versnelde overstap op duurzame elektriciteit op de BES-eilanden.
Op het gebied van klimaatadaptatie hebben de BES-eilanden (en tevens Aruba, Curaçao en Sint Maarten) toegang tot specifiek voor hen geoormerkte fondsen, via het Europese LGO-besluit (Landen en Gebieden Overzee). Dit besluit biedt alle Caribische delen van het Koninkrijk de mogelijkheid om onder meer in te zetten op biodiversiteit, water en waterbeheer.
Kunt u antwoord geven op de vraag die in het artikel wordt gesteld door Angelo Vrolijk, te weten «(w)aarom moeten op Bonaire ziekenhuizen en scholen overstromen als er weer een grote storm is geweest, maar is dat in Europees Nederland onacceptabel?»
Meerdere rapporten laten zien dat ook Caribisch Nederland niet ontkomt aan de gevolgen van klimaatverandering. Net als in Europees Nederland – waar overstromingen en wateroverlast als gevolg van extreme neerslag steeds vaker voorkomen – kunnen we deze niet allemaal voorkomen. We kunnen ons wel beter voorbereiden. Dat voorbereiden doen we onder meer door het concreet maken van de risico’s van klimaatverandering, nu en in de toekomst, en het identificeren van maatregelen om deze te beheersen. Dat is voor alle Nederlandse gemeenten van belang.
Hierbij wordt het Openbaar Lichaam op verschillende wijzen door de Rijksoverheid ondersteund. Dit jaar nog zal op de Klimaateffectatlas BES een kaartlaag verschijnen die de gevolgen van een extreme regenbui op Bonaire goed inzichtelijk maakt. Ook worden verschillende maatregelen voor regenwaterbeheer, zoals het aanpakken van achterstallig onderhoud bij dammen en rooien, ondersteund via het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland. De Rijksoverheid ondersteunt ook de Klimaattafel Bonaire, waar toegewerkt wordt naar een klimaatplan met nadruk op aanpassen aan klimaatverandering. Verder worden via de Nationale Adaptatiesstrategie (NAS), die in 2026 uitkomt, stappen bepaald voor zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland om beter voorbereid te zijn op dit soort extreme situaties.
Daarnaast wordt gewezen op de antwoorden op eerdere vragen hierover naar aanleiding van de hevige regenval en overstromingen op Bonaire in 2022.11
Bent u het ermee eens dat Nederland ook zelf aan klimaatdoelen moet voldoen om de uitstoot voldoende terug te dringen en op die manier ook moet bijdragen aan het verminderen van klimaatrisico’s voor Bonaire? Zo ja, op welke manier?
Het kabinet erkent dat klimaatverandering overal ter wereld negatieve gevolgen heeft voor mens en natuur; ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk en in Europees Nederland. Daarom zet Nederland zich, in lijn met de Overeenkomst van Parijs, in voor de beperking van de mondiale temperatuurstijging tot ruim beneden de 2 ⁰C en zo mogelijk 1,5 ⁰C. Dat gebeurt op allerlei manieren, zowel op nationaal, Europees als internationaal niveau. Het gaat onder meer om maatregelen die zijn en worden genomen met het oog op de doelen uit de Nederlandse Klimaatwet, maatregelen in het kader van de EU Green Deal en het Fit-for-55-pakket, de financiering van emissiereductieprojecten buiten de Europese Unie en de bijdrage van Nederland aan kennisontwikkeling en technologieoverdracht. Ook zet Nederland zich in bij internationale onderhandelingen over toekomstige emissiereductiedoelstellingen.
Bent u het eens met de stelling dat zelfs beperkte CO2-reducties essentieel zijn voor het beschermen van kwetsbare gebieden zoals Bonaire tegen de ernstige gevolgen van de klimaatcrisis?
Zoals in het antwoord op vraag 11 beschreven, zet het kabinet zich in voor de beperking van de mondiale temperatuurstijging. Klimaatverandering is een mondiaal probleem dat om gezamenlijke inspanning vraagt op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Elke reductie van broeikasgassen, hoe beperkt ook, draagt bij aan het beperken van klimaatverandering. Alleen door gezamenlijke mondiale emissiereductie kunnen de risico's voor kwetsbare gebieden worden beperkt. Het is ook om die reden dat Nederland zich blijft inzetten voor de beperking van de mondiale temperatuurstijging tot ruim beneden de 2 ⁰C en zo mogelijk 1,5 ⁰C.
Hoe rechtvaardigt u het feit dat Nederland met fossiele subsidies grote vervuilers hand boven het hoofd houdt terwijl de kwetsbare bevolking van Bonaire nu al lijdt onder de gevolgen van gebrekkig klimaatbeleid?
Het kabinet voert klimaatbeleid gericht op de Europese en nationale klimaatdoelen, zodat Nederland zijn bijdrage levert aan het realiseren van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. Dit beleid is gericht op een effectieve, efficiënte en rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal Nederland en Europa. In deze transitie zal, mede als gevolg van dit beleid, het gebruik van fossiele energiedragers verminderen. Tegen deze achtergrond kan een vorm van staatssteun aan het gebruik van fossiele energiedragers – binnen de toegestane Europese kaders – echter (tijdelijk) nodig zijn om bijvoorbeeld energiearmoede, leveringszekerheid of verplaatsing van bedrijven en CO2-uitstoot (weglek) naar het buitenland te voorkomen.
Zijn er plannen om het klimaatbeleid specifiek te richten op het verminderen van sociale ongelijkheid in de effecten van de klimaatcrisis, bijvoorbeeld voor kwetsbare groepen op Bonaire?
Het kabinet vindt het belangrijk om bij het maken van klimaatbeleid oog te houden op wat de impact is voor kwetsbare groepen. Zo ook op Bonaire. Hier wordt nadrukkelijk aandacht aan besteed in het proces van de klimaattafel Bonaire en in de NAS. Om deze reden wordt voor de NAS ook een Sociale Impact Analyse (SIA) opgesteld. Daarnaast doet het Ministerie van OCW nu onderzoek dat inzicht geeft in de gebieden met hoge risico’s en de minder toekomstbestendige woningen in Europees Nederland en op Bonaire. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar inkomen, gender, leeftijd, migratieachtergrond en het soort woning. Tevens worden mogelijke interventies onderzocht om verdere ongelijkheid in deze gebieden te voorkomen en waar mogelijk juist te verminderen. Daarnaast heeft de Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid (WRR) onlangs een rapport uitgebracht over de sociale dimensie van klimaatadaptatie.12 Voor Caribisch Nederland zal in 2026 ook een soortgelijke publicatie verschijnen.
Wilt u toezeggen het klimaatbeleid in Caribisch Nederland hetzelfde gewicht te geven als in Europees Nederland, en met een daadkrachtig actieprogramma voor Bonaire te komen?
Het kabinet werkt – net als in Europees Nederland – aan klimaatbeleid voor Caribisch Nederland. Op het gebied van klimaatmitigatie werkt het kabinet aan de versnelde overstap op duurzame elektriciteit op de BES-eilanden, waarvoor in 2022 € 33,6 miljoen beschikbaar is gesteld.13 De aanpak van klimaatadaptatiebeleid – en voor Caribisch Nederland in het algemeen – is volop in ontwikkeling. Zo zal de Kamer binnenkort worden geïnformeerd over de tweede fase van het NMBP en is op 7 november jl. een kabinetsreactie naar de Kamer verstuurd over het advies omtrent de staat van het fysiek domein in Caribisch Nederland van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) en Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB).14 Verder wordt er ook gewerkt aan de herijking van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar ook aandacht is voor Caribisch Nederland. Al deze initiatieven dragen bij aan daadkrachtig klimaatbeleid voor Caribisch Nederland en daarmee dus ook voor Bonaire.
Het bericht ‘Nieuwe socialemediaregels uitdaging voor partijen in campagnetijd’ |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe socialemediaregels uitdaging voor partijen in campagnetijd»?1
Ja.
Wanneer verwacht u dat de nationale uitvoeringswet van de Europese Transparantieverordening in werking kan treden?
Ik verwacht de uitvoeringswet voor het einde van dit jaar bij uw Kamer in te dienen voor behandeling. Op 26 september jl. heb ik uw Kamer bij brief geïnformeerd over de uitvoering van de Europese verordening over transparantie en gerichte politieke reclame (hierna: de verordening).2 De verordening is vanaf 10 oktober 2025 rechtstreeks van toepassing in de EU-lidstaten. Het kabinet werkt sinds 2024 aan een uitvoeringswet, waarin het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat), de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) en de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) worden belast met de uitvoering van de taken uit de verordening. De uitvoeringswet is in het voorjaar voor een uitvoeringstoets gedeeld met de betrokken instanties. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is op 8 september jl. uitgebracht. Momenteel werk ik aan het nader rapport, waarna het wetsvoorstel bij uw Kamer wordt ingediend. Uw Kamer gaat vervolgens over de snelheid waarmee deze wordt behandeld.
Vooruitlopend op de uitvoeringswet heb ik samen met het Commissariaat, de AP en de ACM gewerkt aan een aanwijzingsbesluit. Dit besluit is ook op 26 september jl. aan uw Kamer gestuurd.3 Daarin wordt het Commissariaat aangewezen als bevoegde autoriteit en krijgen de andere betrokken instanties enkele noodzakelijke taken toebedeeld. Zo wordt duidelijk welke instanties de verordening in Nederland gaan uitvoeren. Hierdoor kan het Commissariaat vooruitlopend op de inwerkingtreding van de uitvoeringswet al werken aan normuitleg, uitvoeringsbeleid en voorlichting geven aan marktpartijen die politieke reclame aanbieden en uitgeven. In het aanwijzingsbesluit worden de toezichts- en sanctietaken die volgen uit de verordening nog niet belegd bij de betrokken instanties. Ik acht hiertoe een formele wet noodzakelijk, omdat in de verordening zelf niet is opgenomen welke organisaties in Nederland belast worden met het toezicht op de naleving van de verschillende onderdelen van de verordening. Uitzondering hierop is de AP, die in de verordening rechtstreeks wordt belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 18 en 19 en hiertoe ook sanctietaken krijgt. Zodra de uitvoeringswet in werking is getreden, zullen de handhavende bevoegdheden voor de overige onderdelen ook zijn belegd.
Hoe zal er gecontroleerd worden of sociale mediaplatforms, zoals X, voldoen aan de Europese regels omtrent politieke advertenties?
Het toezicht op in hoeverre een platform zich aan de in de verordening gestelde regels voor politieke reclame houdt, ligt in beginsel bij de toezichthouder van het land waar het platform zijn Europese hoofdkantoor heeft. Aangezien veel grote socialemediaplatformen, zoals X, hun hoofdkantoor in Ierland hebben, ligt toezicht en handhaving bij de Ierse toezichthouders. Als daar aanleiding toe is, zullen de Nederlandse toezichthouders de Ierse collega's op de hoogte stellen van signalen of klachten.
Aangezien de Europese Transparantieverordening politieke advertenties beperkt maar niet volledig verbiedt, hoe wordt in deze verordening omgegaan met situaties waarin sociale mediaplatforms bepaalde politieke partijen wel toestaan om te adverteren, terwijl andere partijen worden geweigerd?
Het zou onwenselijk zijn als zich de situatie voordoet dat socialemediaplatformen bepaalde politieke partijen wel toestaan om te adverteren, terwijl andere partijen worden geweigerd. Dat deze situatie zich gaat voordoen, is in dit stadium echter geen gegeven. Wanneer platformen bepaalde politieke partijen of andere adverteerders ongelijk zouden behandelen, dan is het, gezien de vestiging van de meeste platformen in Ierland, aan de Ierse toezichthouder of de Europese Commissie om te beoordelen of hier sprake is van een overtreding van Europese regelgeving en om in dat geval op gepaste wijze te handhaven.
Acht u het wenselijk om additionele maatregelen te nemen om ongelijke behandeling tussen politieke partijen door sociale mediaplatforms te voorkomen?
Deze regelgeving is voor alle lidstaten en ketenpartners in de EU nieuw. De precieze toepassing van de verordening moet gaandeweg vorm krijgen in de praktijk. Door de uitwisseling van informatie en vragen wordt de uitvoering van de verordening verder verduidelijkt en beter uitvoerbaar. Zo gaat in de komende periode blijken wat er mogelijk is binnen de huidige wet- en regelgeving. Na de door de Europese Commissie geplande evaluatie van de verordening kan bezien worden of additionele maatregelen wenselijk zijn.4
In hoeverre vallen berichten van influencers die gesponsord zijn door politiek partijen onder dezelfde transparantieverplichtingen en beperkingen als reguliere online politieke advertenties?
Influencers die boodschappen overbrengen waarvoor door een politieke partij een betaling in geld of natura wordt verricht, vallen onder de werkingssfeer van de verordening. Zij zijn dan zogeheten «uitgevers van politieke reclame» die de verplichtingen moeten nakomen die op hen van toepassing zijn. In de door de Europese Commissie vastgestelde richtsnoeren bij de verordening wordt dit helder weergegeven.5 Dit betekent dat influencers bij de plaatsing van zulke content de politieke reclame als zodanig moeten labelen en een transparantieverklaring beschikbaar moeten stellen.
Hoe zal gecontroleerd worden of deze influencerberichten zich aan de regelgeving houden?
Het is per 10 oktober 2025 mogelijk om bij het Commissariaat voor de Media een melding te doen over mogelijke overtreding van de verordening. Voor het gevolg geven aan handhavende bevoegdheden is de uitvoeringswet echter vereist. Wanneer deze in werking is getreden, kan het Commissariaat, bij het houden van risicogestuurd toezicht, bepaalde influencers nauwlettender volgen en, indien nodig, gepaste maatregelen treffen. Tot die tijd zal het Commissariaat inzetten op preventieve maatregelen zoals voorlichting, bewustmaking en normuitleg.
Welke sancties acht u passend tegen platformen die de Transparantieverordening overtreden?
Het is van belang dat sancties voldoende afschrikwekkend zijn, maar ook rekening houden met aspecten als ernst, impact en recidive. De verordening biedt daarvoor ruime mogelijkheden.6 Het is echter aan de toezichthouders om te bepalen wat gepaste sancties zijn bij overtredingen van de verordening. Bij overtredingen door de grote platformen zullen dit veelal de Ierse toezichthouders zijn.
Acht u het wenselijk om additionele regelgeving in te stellen om niet alleen sociale mediaplatformen maar ook politieke partijen te kunnen sanctioneren als ze zich niet houden aan de regels in de transparantieverordening?
Zie het antwoord op vraag 5.
De randweg Abdissenbosch |
|
Marieke Wijen-Nas (BBB) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de randweg Abdissenbosch al jarenlang op zich laat wachten, terwijl de verkeersdruk en leefbaarheidsproblemen in de dorpskern aanhouden?1
Ja, ik ben bekend met de plannen voor een randweg rondom Abdissenbosch.
Wat is de huidige stand van zaken van het project «Randweg Abdissenbosch» en de verbindingsweg naar de Duitse B221n?
Provinciale en gemeentelijke wegen vallen onder verantwoordelijkheid van de provincies.2 De verantwoordelijkheid voor de randweg Abdissenbosch valt daarmee onder de provincie Limburg. Het bevoegd gezag van de Rijksoverheid over wegen is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), wiens gezag met name toeziet op de Rijkswegen. Als Minister van BZK ben ik daarom niet in de positie om inhoudelijk in te gaan op het project «Randweg Abdissenbosch» ofwel de stand van zaken van het project. Ik verwijs u hiervoor graag door naar de provincie Limburg. Daar waar ik wel de mogelijkheid zie om antwoord te geven op de gestelde vragen, doe ik dit in afstemming met mijn collega van IenW.
Klopt het dat door de aanleg van de randweg de woonwijken veiliger en leefbaarder kunnen worden gemaakt, met meer ruimte voor langzaam verkeer zoals fietsers en voetgangers?
Dit oordeel is aan de lokale overheden.
Kunt u bevestigen dat de aanleg van een randweg ook bijdraagt aan de economische vitaliteit en bereikbaarheid van de regio Parkstad en daarmee een belangrijke impuls kan geven aan een gebied dat al langere tijd met achterstanden kampt?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de analyse dat het uitblijven van deze randweg de achterstandspositie van deze regio verder vergroot?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw analyse waarom de start van de aanleg van de randweg in Nederland niet van gang komt, terwijl Duitsland al in de startblokken staat om met de aanleg van haar deel van het traject te beginnen?
Zoals beantwoord in vraag 2 ligt de verantwoordelijkheid voor aanleg van de randweg bij de medeoverheden, in dit geval de provincie Limburg.
In hoeverre is de vertraging in Nederland van invloed op de Duitse plannen en welke gevolgen heeft dit voor de grensoverschrijdende samenwerking in de Euregio Maas-Rijn?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de vertraging komt doordat Nederlandse milieuregelgeving strenger is dan in Duitsland?
Daar is niet één algemeen antwoord op te geven, omdat onduidelijk is welke Nederlandse milieuregelgeving hier bedoeld wordt. Milieuregelgeving kan bijvoorbeeld om ruimtelijke ordeningsregels gaan of om geluidseisen, luchtkwaliteit of veiligheidscontouren.
Als hier de natuurregelgeving voor stikstof wordt bedoeld, dan is de regelgeving voor toestemmingverlening aan projecten met mogelijk negatieve effecten op natuurgebieden in Nederland inderdaad strenger dan in Duitsland en Vlaanderen.
Alleen feitelijk bezien dienen alle EU-lidstaten aan dezelfde Habitatrichtlijn te voldoen, dus vanuit dat abstractieniveau is er geen ongelijkheid. Overigens zijn de situaties tussen landen niet één op één vergelijkbaar, maar hangt dit van veel factoren af, bijvoorbeeld de manier van aanwijzen van gebieden, de kwaliteit van de natuur en hoe beheerd wordt.
Deelt u de zorgen dat de huidige milieuregelgeving onevenredig hard uitpakt voor (grens)regio’s, omdat noodzakelijke infrastructuurprojecten hierdoor moeilijker of later van de grond komen?
Heel Nederland ondervindt momenteel hinder van de stikstofproblematiek. In dit specifieke geval ligt er ook een bredere heroverweging van de provincie Limburg aan de vertraging aan ten grondslag.
Dat dit voor grensregio’s onevenredig hard uitpakt is niet zonder meer te zeggen. Ook in de rest van Nederland zien we problemen met de uitvoering van projecten vanwege stikstof, daarin is Limburg geen uitzondering.
Wat vindt u ervan dat Nederland bij de aanleg van deze randweg achterblijft, terwijl Duitsland wél doorpakt en middelen beschikbaar stelt, waardoor de regio kansen dreigt mis te lopen?2
Het betreft hier een provinciale bevoegdheid. Het is daarmee niet aan mij om de beslissingen van medeoverheden op het gebied van lokale infrastructuur te beoordelen.
Wat gaat u doen zodat deze randweg sneller kan worden gerealiseerd, de leefbaarheid wordt verbeterd én een grensoverschrijdend project met Duitsland niet spaak loopt?
De verantwoordelijkheid voor aanleg van de randweg ligt bij de medeoverheden, in dit geval de Provincie Limburg. Ik zie daarom op dit moment geen directe rol weggelegd voor mij als Minister van BZK in de versnelling van dit grensoverstijgende project.
Onveilige plekken voor vrouwen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer en het Algemeen Dagblad waaruit blijkt dat meldingen en aangiftes van vrouwen over onveilige plekken vaak zonder opvolging blijven?1
Ja.
Wat is uw verklaring voor het feit dat slechts een minderheid van de meldingen en aangiftes leidt tot actie door politie of gemeente?
Het is van groot belang dat meldingen en aangiftes bij de politie of gemeenten over onveilige situaties of plekken adequate opvolging krijgen. Afhankelijk van de aard van de onveiligheid kunnen mensen zich melden bij de gemeente, als het gaat om de inrichting van openbare plekken, of de politie, als het gaat om veiligheidsincidenten. Zowel gemeenten als politie nemen dit uiterst serieus. Ik herken me dan ook niet in het beeld dat gemeenten en politie weinig opvolging geven aan meldingen of aangiften. Alle meldingen en aangiften worden bewaard en waar mogelijk zal er een terugkoppeling worden gegeven. Er zijn echter verschillende verklaringen waarom niet alle meldingen en aangiftes leiden tot directe actie.
Verschillende (grote) gemeenten geven prioriteit aan de veiligheid in de openbare ruimte. Meldingen die bij de gemeente worden gedaan over een onveilige inrichting van de openbare ruimte leiden niet altijd automatisch tot aanpassing van de openbare ruimte. Per situatie beziet de gemeente welke maatregelen passend en haalbaar zijn. Hoewel niet iedere melding direct leidt tot aanpassingen, tellen alle meldingen mee en worden er soms naar verloop van tijd, als er meer meldingen binnenkomen, alsnog maatregelen genomen. Helaas wordt de veiligheid(sbeleving) niet altijd op iedere plek significant beter door maatregelen in de omgeving of door meer (sociaal) toezicht. Daarnaast is het niet altijd mogelijk om contact te zoeken met de melder of naderhand een terugkoppeling te geven, bijvoorbeeld als een melding weinig informatie bevat en/of anoniem is.
Als vrouwen, of wie dan ook, een veiligheidsincident bij de politie melden en er sprake is van een strafbaar feit dan kan hiervan altijd aangifte worden gedaan. De keuze is aan het slachtoffer. Voor het starten van een opsporingsonderzoek door de politie is het van belang dat hiervoor voldoende aanknopingspunten zijn. Bovendien speelt bij de opvolging van een aangifte ook een rol dat opsporingscapaciteit beperkt is, wat het noodzakelijk maakt om keuzes te maken in welke onderzoeken door de politie worden opgepakt. Deze keuze wordt onderbouwd gemaakt door de officier van justitie, als bevoegd gezag over de opsporing.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat meldingen en aangiftes van vrouwen structureel serieuzer en sneller worden opgepakt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, nemen gemeenten en de politie meldingen over de onveiligheid van vrouwen, of wie dan ook, uiterst serieus. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) brengt samen met enkele gemeenten in kaart wat eventuele knelpunten zijn die gemeenten ervaren bij de aanpak van dit thema. Daarbij onderzoeken zij ook hoe de VNG gemeenten het beste kan ondersteunen bij het verbeteren van signalering, opvolging en samenwerking met politie en ketenpartners. Het signaal dat meldingen van vrouwen niet altijd adequaat worden opgevolgd, wordt nadrukkelijk meegenomen mee in deze inventarisatie.
Als het gaat om meldingen van seksuele misdrijven is door de politie de afgelopen jaren flink ingezet op het verbeteren van de manier waarop zij omgaat met slachtoffers. De politie is daardoor steeds meer en beter in staat om te kijken naar de behoefte van een slachtoffer. Die behoefte ligt niet altijd in het strafrecht, maar kan ook liggen in een vorm van hulpverlening of bijvoorbeeld herstel. Door nauwe samenwerking met ketenpartners is de politie beter in staat sneller een passende interventie in te schakelen, die beter aan de behoefte van een slachtoffer voldoet; ook als strafrecht geen optie blijkt te zijn. Als er aangifte wordt gedaan van een seksueel misdrijf zullen de politie en het Openbaar Ministerie (OM) deze aangifte samen beoordelen aan de hand van een sturingsmodel, waarbij op basis van vaststaande criteria zaken geprioriteerd worden. Verder wordt er door de organisaties in de strafrechtketen gewerkt aan het verkorten van de doorlooptijden in zedenzaken. Voor de politie geldt dat de doorlooptijd van aangifte bij de politie tot inzending van het strafdossier bij het OM in 2024 gelijk is gebleven, terwijl de instroom van zedenzaken in dat jaar met 8% is toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Over de doorlooptijden in de strafrechtketen wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsbrief over de strafrechtketen en de bijbehorende factsheet.2
Tot slot wordt er momenteel gewerkt aan de implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn (EU) 2024/1385). Hiermee wordt het mogelijk dat vrouwen (ook) laagdrempelig online een aangifte kunnen doen van (huiselijk) geweld en hier geen fysieke afspraak voor hoeft te worden gemaakt. De wetgeving hierover wordt op 1 juli 2027 van kracht. Ik verwijs u graag ook naar het antwoord op vraag 8.
Hoe komt het dat vrouwen bij de gemeente nog minder vaak een terugkoppeling ontvangen dan bij de politie?
Zoals hierboven beschreven, zal de VNG dit onderzoeken, waarbij ook in kaart wordt gebracht hoe gemeenten hierin ondersteund kunnen worden. Iedere gemeente heeft haar eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de inrichting van de openbare ruimte en het veilig maken en houden hiervan. Het is essentieel dat alle gemeenten zich inzetten voor een serieuze behandeling van meldingen over onveilige openbare ruimte en passende maatregelen nemen binnen deze verantwoordelijkheden.
Bent u bereid samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten na te gaan hoe door alle gemeenten dit verbeterd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben de VNG erkentelijk dat zij bereid is een rol te spelen in de aanpak hiervan. We zullen samen optrekken om, waar nodig, de opvolging van meldingen te verbeteren.
Deelt u de mening dat het argument dat maatregelen om plekken veiliger te maken «te duur» zijn, niet opweegt tegen het feit dat vrouwen zich onveilig voelen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is onwenselijk dat financiële overwegingen zwaarder wegen dan de noodzaak om vrouwen zich veilig te laten voelen en zijn in publieke ruimtes. Door op een goede manier te investeren in de publieke ruimte kan dit ook kosten op de lange termijn voorkomen. Ook de concept-nota Ruimte van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening benoemt dat de publieke ruimte sociaal veilig en toegankelijk dient te zijn, juist ook voor kwetsbare groepen.
De inrichting van de openbare ruimte is de taak van gemeenten. Het is daarmee aan de gemeenten om deze afweging te maken. Ik zet me op verschillende manieren in om kennis hierover te delen en gemeenten te stimuleren actief aan de slag te gaan met de veilige inrichting van de openbare ruimte. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Wat is het tekort nu en het verwachte tekort aan capaciteit bij de politie om meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan wel zedendelicten tijdig en goed te behandelen? Welke acties worden hiertoe genomen?
De teams seksuele misdrijven zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven.3 Op 31 augustus 2025 is de formatie van deze teams 710 fte en de bezetting 664 fte. Daarmee is er sprake van een onderbezetting van 46 fte.
De afgelopen jaren is de formatie van deze teams flink uitgebreid. Hoewel het is gelukt om extra capaciteit voor de teams seksuele misdrijven te werven, zie ik dat het onder andere door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt momenteel een grote uitdaging is om de bezetting op peil te houden. In het halfjaarbericht politie wordt uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd over de capaciteit van de teams seksuele misdrijven en de maatregelen om de werkvoorraden op het terrein van zedenzaken terug te dringen.
Zijn of worden er extra middelen vrij gemaakt om gemeenten te ondersteunen bij de aanpak van onveilige plekken die vrouwen zelf hebben aangegeven? Zo ja hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Er wordt op verschillende manieren ingezet op de aanpak van onveilige plekken. Deze acties worden voortgezet en waar nodig en mogelijk geïntensiveerd.
De inzet voor de aanpak van onveilige plekken gebeurt veelal langs principes van Crime Prevention Through Environmental Design (CPTED, in het Nederlands ook bekend als Veilig Ontwerp en Beheer). CPTED is een vorm van situationele preventie die zich richt op het ontwerpen en beheren van de fysieke omgeving op zo’n manier dat het crimineel gedrag ontmoedigt en veiligheid(sgevoelens) bevordert. Dit wordt bereikt door op de juiste manier gebruik te maken van bijvoorbeeld elementen als verlichting, zichtlijnen, natuurlijke surveillance, toegankelijkheid en eigenaarschap.
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid heeft de Veiligheidseffectrapportage (VER) ontwikkelt. Dit is een procesinstrument voor het toepassen van de CPTED-principes. Daarnaast is het CCV beschikbaar om vanuit hun expertise mee te denken over vraagstukken op dit thema en zijn zij ook beschikbaar om de VER of quickscan, een verkorte versie van de VER, uit te voeren.
Daarnaast biedt de onderzoeksgroep CPTED bij Inholland waardevolle ondersteuning en expertise op dit gebied, gefinancierd door het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij richten zich op het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis op dit gebied. Ze onderzoeken hoe fysieke en sociale omgevingen veiliger, leefbaarder en duurzamer kunnen worden ingericht en passen deze kennis toe in verschillende gemeenten, waaronder NPLV-gebieden, in Nederland. Ook delen zij de kennis breder door het schrijven van artikelen en het organiseren van een inspiratiebijeenkomst. Er wordt momenteel ook, in samenwerking met NPLV, gekeken naar het opzetten van een leerkring over CPTED.
Het «Nieuw handboek Veilig Ontwerp en Beheer» is recentelijk uitgebracht, dat richtlijnen, handvatten en goede praktijkvoorbeelden bevat voor het veilig inrichten en beheren van de openbare ruimte. Het handboek is gericht op gemeenteambtenaren ruimtelijke ordening, stedelijk beheer en openbare orde en veiligheid, maar ook architecten, stedenbouwkundigen, woningcorporaties en studenten en docenten.
Met het programma Veilige Steden (looptijd 2023–2026) ondersteunt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 25 gemeenten met kennis en financiële middelen. Deze gemeenten zetten zich bij uitstek in voor het verbeteren van de veiligheid van de openbare ruimte en bij het uitgaan. Binnen het programma zijn er enkele steden, die daarbij expliciet aandacht hebben voor het ontwerp en de inrichting van de buitenruimte. Dit komt voort uit de bewustwording dat vrouwen andere ervaringen hebben als het gaat om veiligheid. Kennisdeling over onderzoek en projecten over dit thema worden gedeeld via de website van Veilige Steden. De effecten van het programma Veilige Steden worden geëvalueerd, de resultaten zijn in het voorjaar van 2026 beschikbaar.
Ook binnen Regio Deals en via het Volkshuisvestingsfonds is aandacht besteed aan veilige openbare ruimten, waarbij middelen vanuit de Regio Deals of het genoemde fonds zijn ingezet om specifieke gebieden leefbaarder en veiliger te maken.
Ik ben me ervan bewust dat hiermee momenteel niet alle gemeenten worden bereikt. Ik zal samen met de andere betrokken ministeries en met bovengenoemde partners verkennen waar we verdere kennisdeling kunnen bevorderen en bereik en impact kunnen vergroten.
Welke maatregelen acht u passend om onveilige plekken veiliger te maken?
Het is belangrijk om te erkennen dat de passende maatregelen sterk afhankelijk zijn van de specifieke situatie en locatie. Wat werkt in de ene omgeving, kan minder effectief zijn in een andere. Een gedetailleerde analyse van de plaatselijke omstandigheden is essentieel, om daar de inrichting van de openbare ruimte op aan te passen. De gemeente is hier primair verantwoordelijk voor. Er zijn verschillende instrumenten die kunnen helpen met de analyse en de mogelijke maatregelen, zoals het «Nieuw Handboek Veilig Ontwerp en Beheer» en de VER.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten met vrouwen en buurtbewoners betrokken worden bij maatregelen om onveilige plekkenveiliger te maken?
Veel gemeenten betrekken inwoners al actief via bijvoorbeeld buurtschouwen met bewoners en vertegenwoordigers van specifieke doelgroepen, waaronder vrouwen en jongeren. Dergelijke participatieve werkwijzen sluiten aan bij de bredere inzet op Veilige Steden, waarbij gemeenten, politie, maatschappelijke partners en bewoners gezamenlijk werken aan het signaleren en aanpakken van onveilige situaties in de openbare ruimte. Ik zal dit samen met de andere betrokken ministeries en partners blijvend stimuleren.
Bent u bereid jaarlijks te rapporteren over hoe er met deze meldingen wordt omgegaan, hoe daar opvolging aan is gegeven en welke effecten dat op de veiligheidsbeleving van vrouwen heeft?
Ik zal uw Kamer via verschillende wegen op de hoogte houden van de voortgang van de verschillende trajecten. In het halfjaarbericht politie wordt uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd over de capaciteit van de teams seksuele misdrijven en de maatregelen om de werkvoorraden op het terrein van zedenzaken terug te dringen. Over de doorlooptijden in de strafrechtketen wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsbrief over de strafrechtketen.
Ook wordt tweejaarlijks de Veiligheidsmonitor gehouden. De Veiligheidsmonitor is een groot bevolkingsonderzoek naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit. Hierin is ook aandacht voor de veiligheid(sgevoelens) van vrouwen. In maart 2026 komt de nieuwe Veiligheidsmonitor uit, waarna uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Het besluit van het CBR om de theorie-examens in Maastricht per juli 2025 te verplaatsen naar Roermond |
|
Marieke Wijen-Nas (BBB) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de theorie-examens in Maastricht per juli 2025 te verplaatsen naar Roermond?1
Ja. Het CBR heeft aangegeven dat de oorspronkelijke planning juli 2025 was. De actuele planning is dat op 17 november 2025 de eerste theorie-examens in Roermond worden afgenomen, in de periode daarna sluit de locatie Maastricht.
Hoe rijmt u de claim van het CBR dat de verhuizing van de theorie-examens van Maastricht naar Roermond de dienstverlening zou verbeteren, met de feitelijke toename van reistijd, kosten en de verminderde bereikbaarheid per openbaar vervoer voor inwoners van Maastricht en omliggende gemeenten?
Als publieke dienstverlener wil het CBR zo dichtbij mogelijk bij klanten gehuisvest zijn. Roermond is als standplaats voor theorie-examens gekozen omdat dit een locatie is die centraal in Limburg ligt. Daarnaast heeft het CBR voor de theorie-locatie in Roermond expliciet gekozen voor een locatie dichtbij het treinstation zodat deze gemakkelijk met het openbaar vervoer te bereiken is. Het afgelopen jaar zijn door het CBR gedegen analyses uitgevoerd naar reistijden en reisafstanden. Deze analyses laten zien dat voor het grootste deel de bereikbaarheid van een theoriecentrum voor kandidaten in Limburg beter wordt dan in de huidige situatie. Voor mensen die nu dichtbij het theoriecentrum in Maastricht wonen, zal de reistijd langer worden. Tegelijkertijd zal voor veel kandidaten in Limburg die wat verder van Maastricht wonen de reistijd naar een theoriecentrum van het CBR verbeteren. Het theorie-examencentrum zal voor alle kandidaten in Limburg gemiddeld genomen binnen één uur met het openbaar vervoer te bereiken zijn.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere toezegging dat het kabinet zich inzet voor een betere spreiding van rijksdiensten en rijksbanen, met speciale aandacht voor Limburg, terwijl dit besluit feitelijk leidt tot centralisering en verschraling?
Er is geen sprake van verschraling. De omvang van de dienstverlening voor theorie-examens van het CBR in Limburg blijft gelijk. De dienstverlening wordt zelfs uitgebreid met ruimere openingstijden op de nieuwe locatie in Roermond. Ook de werkgelegenheid blijft gelijk met de huidige situatie. Het is een verplaatsing van dienstverlening binnen de provincie Limburg.
Acht u het wenselijk dat zelfstandige bestuursorganen (zbo's) zoals het CBR besluiten nemen die haaks staan op het kabinetsbeleid rond spreiding en bereikbaarheid? Welke instrumenten heeft u als Minister om te voorkomen dat zbo’s de kabinetsdoelstellingen doorkruisen en bent u bereid deze hier in te zetten?
Zelfstandige bestuursorganen (zbo's) zijn organisaties van de Rijksoverheid die zelfstandig publieke taken uitvoeren, maar niet direct onder een ministerie vallen en daardoor een grotere afstand tot de politieke leiding hebben. Ze zijn bij wet ingesteld of aangewezen en hebben eigen bevoegdheden om te reguleren, controleren, vergunningen te verlenen of adviezen te geven, en staan los van het hiërarchisch gezag van een ministerie. In de Kamerbrief van 8 mei2 is omschreven op welke wijze huisvesting van zbo’s onderdeel kunnen zijn van de aanpak spreiding rijkswerkgelegenheid. Door de grotere afstand van zbo’s tot de politieke leiding is er bij zbo’s met eigen rechtspersoonlijkheid (zoals het CBR) geen mogelijkheid tot directe sturing op huisvesting, daarom vallen zbo’s niet onder de adviesprocedure. De verplaatsing van de CBR examenlocatie van Maastricht naar Roermond valt daarmee niet onder de invloedsfeer van de Minister van BZK. De Minister van IenW kan het onderwerp huisvesting bespreken met de eigen zbo, in dit geval het CBR. De Minister van IenW heeft echter geen verplichtend instrumentarium om het huisvestingsbeleid van het CBR, gelet op het zelfstandige karakter van een zbo, aan te passen.
De dienstverlening van het CBR blijft in Limburg en blijft dus in de regio. Wel verplaatst het theorie-examencentrum naar een meer centrale locatie in de provincie, die tegelijkertijd beter bereikbaar is met het openbaar vervoer. Dit is van belang voor het overgrote deel van de kandidaten die nog geen rijbewijs hebben. De zorgvuldige analyses van het CBR maken dit inzichtelijk.
Vindt u het aanvaardbaar dat inwoners van Zuid-Limburg tot een uur moeten reizen voor een theorie-examen, terwijl dit examen in de meeste andere regio’s wél in de nabijheid van grotere steden beschikbaar blijft?
Ja, dit past binnen de bredere context van het uitgangspunt van een gelijke toegang tot publieke voorzieningen. De meeste kandidaten bezoeken het examencentrum slechts één of twee keer in hun leven om hun theorie-examen te doen.
Met het verplaatsen van het examencentrum van Maastricht naar Roermond verbetert de bereikbaarheid van het CBR in heel Limburg. Sommige kandidaten zullen langer moeten reizen dan nu het geval is, voor anderen zal de reistijd juist afnemen. In veel gevallen neemt de gemiddelde reistijd af, waarbij kandidaten gemiddeld genomen binnen één uur het examencentrum kunnen bereiken met het openbaar vervoer. Het CBR heeft het besluit gebaseerd op zorgvuldige analyses die dit laten zien.
Deelt u de zorg dat juist jongeren en kwetsbare groepen zonder auto in Zuid-Limburg onevenredig hard worden geraakt door dit besluit? Hoe rijmt u dit met het uitgangspunt van gelijke toegang tot publieke voorzieningen?
Het is juist vanuit het uitgangspunt van gelijke toegang tot publieke voorzieningen dat het CBR de huisvestingsstrategie heeft aangepast en de theorie-examencentra loskoppelt van de locaties voor praktijkexamens (meestal aan randen van de stad en dichtbij de snelweg) wat nu het geval is. Door deze te plaatsen in de buurt van een station worden de theorie-examenlocaties van het CBR veel beter bereikbaar met het openbaar vervoer, wat van belang is voor met name jongere kandidaten zonder rijbewijs. Het overgrote deel van de jongeren die een theorie-examen komt doen bij het CBR komt voor een theorie-examen voor de auto. Dit theorie-examen moet met succes zijn afgerond voor men het praktijkexamen auto kan aanvragen. Zij hebben over het algemeen dus nog geen auto.
Hoe verklaart u dat Maastricht, als grootste stad van Zuid-Limburg, met meer dan 120.000 inwoners en uitstekende infrastructuur, géén CBR-examencentrum voor theorie meer heeft, terwijl kleinere steden elders in Nederland deze wel behouden?
Zie ook het antwoord bij vraag 5. Er zijn veel steden (ook groter dan Maastricht) die geen theorie-examencentrum hebben. Optimale bereikbaarheid voor kandidaten in de hele regio is het belangrijkste criterium voor het CBR bij de keuze voor examenlocaties. Daarbij kiest het CBR voor een optimale verdeling en efficiënte spreiding van de examenlocaties over de regio, zodat deze voor alle inwoners, en niet alleen de kandidaten in de grote steden, gemiddeld genomen binnen één uur met het openbaar vervoer te bereiken zijn.
Limburg verloor de afgelopen jaren als enige provincie rijksbanen. Hoe rijmt u dit nieuwe besluit en de mogelijkheid voor een inhaalslag in deze provincie met de uitgangspunten van Elke regio telt!?
De gerapporteerde krimp van de rijkswerkgelegenheid in 2023 in de provincie Limburg lag aan uitzonderlijke eenmalige omstandigheden bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. De rijkswerkgelegenheid in de provincie Limburg groeide in 2024 met 2,6%. De Minister van BZK is met concrete casussen aan de slag om de rijkswerkgelegenheid is Limburg te laten groeien. Onder meer huisvesting voor de Belastingdienst, Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidzorg en Instituut Mijnbouwschade Limburg in Heerlen. Het Ministerie van BZK is tevens in overleg met lokale bestuurders zoals de burgemeesters van Heerlen en Roermond over de kansen voor meer rijkswerkgelegenheid in Limburg. Met de verplaatsing van de theorie-examenlocatie van het CBR van Maastricht naar Roermond verliest de provincie Limburg geen rijkswerkgelegenheid, de locatie blijft immers in Limburg.
Welke betrokkenheid heeft u gehad bij dit besluit van het CBR? Is er vooraf advies gevraagd of overleg geweest over de effecten op spreiding en bereikbaarheid? Zo nee, hoe beoordeelt u het dat een zbo met een publieke taak zulke besluiten zonder politieke verantwoording kan nemen?
De aanpak spreiding rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid is gericht op het beter spreiden van rijkswerkgelegenheid over Nederland. In die aanpak zijn Ministers waarbij nieuwe dienstonderdelen ontstaan, groeien, krimpen en bij grensoverschrijdende verplaatsingen vanaf 100 fte, gehouden advies te vragen over de locatiekeuze aan de Minister van BZK. De verplaatsing van de examenlocatie van het CBR is binnen de provincie Limburg, kent geen groei of krimp en valt zodoende dus buiten de voorwaarden voor advies. Daarnaast is, zoals omschreven in antwoord op vraag 4, het CBR een zbo met eigen bevoegdheden. Het is dus niet aan de Minister van BZK om hierover advies uit te brengen of geconsulteerd te worden. Het CBR is een zbo van het Ministerie van IenW. Het is van belang dat publieke diensten goed bereikbaar zijn, van goede kwaliteit zijn en tegen redelijke kosten worden geleverd. Het CBR heeft het besluit om de dienstverlening voor de theorie-examens te verplaatsen zorgvuldig voorbereid en daar grondige analyses voor gedaan. De dienstverlening blijft op minimaal hetzelfde niveau en de bereikbaarheid verbetert. Het CBR realiseert zich dat een wijziging in de huisvesting voor de inwoners van Limburg impactvol kan zijn. Daarom heeft het CBR een zorgvuldige belangenafweging gemaakt voor alle inwoners in heel Limburg.
Bent u bereid dit besluit te heroverwegen en het CBR te verzoeken minimaal een theorie-examenlocatie in Maastricht te behouden? Zo nee, hoe gaat u anders zorgen dat Limburg niet opnieuw de dupe wordt van Haagse centralisering?
Zoals omschreven in antwoord op vraag 4 en 9 hebben de Ministers van BZK en IenW geen grond om het CBR te verzoeken de verplaatsing te heroverwegen. Het kabinet onderstreept het belang van het toewerken naar een betere spreiding van de rijkswerkgelegenheid over Nederland de komende jaren. Over de acties die de afgelopen periode zijn ingezet om dat te bereiken heb ik uw Kamer geïnformeerd op 19 september jl. Het regiobelang weegt sinds de nieuwe aanpak spreiding rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid zwaarder mee bij besluitvorming omtrent rijkshuisvesting, het is echter niet de enige factor waar rekening mee dient te worden gehouden en beslissingen zullen niet altijd de kant van de regio opvallen. Het is een kabinetsbrede verantwoordelijkheid om de rijkswerkgelegenheid beter over Nederland te spreiden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, zie antwoorden vraag 1 t/m 10.
Kunt u uw antwoorden doen toekomen voorafgaand aan het commissiedebat Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking van 2 oktober 2025?
Ja.
Het negeren van de Grondwet door een kabinetslid |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Rijkaart , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling advisering) over het wetsvoorstel voor het verbod op voorrang statushouders?1
Ja.
Hoe kan het dat de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), ondanks het oordeel van de Afdeling advisering, aangeeft de wet niet te willen wijzigen?2
De Raad van State heeft een adviestaak in wetgevingsprocessen. Uiteraard worden deze adviezen zorgvuldig gewogen. Het is aan de regering om deze gemotiveerd al dan niet geheel of gedeeltelijk over te nemen zoals ten aanzien van verschillende andere wetsvoorstellen ook is gebeurd. Ik verwacht op korte termijn een nader rapport naar de Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op het advies.
Hoe kan het dat de Minister van VRO voor de tweede keer in korte tijd een wet met het zwaarwegende advies om de wet niet in te dienen naar de Tweede Kamer stuurt zonder dat het wetsvoorstel grondig is heroverwogen?
Ik neem aan dat de indieners verwijzen naar het wetsvoorstel huurbevriezing woningcorporaties 2025 en 2026. Het advies van de Raad van State daarop omvatte een dictum d. Ik heb uw Kamer bij brief van 3 juni 2025 geïnformeerd dat dit wetsvoorstel niet wordt ingediend bij de Tweede Kamer, mede op basis van het advies van de Raad van State. Zoals hierboven gesteld, bestudeer ik op dit moment het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel voor het verbod op voorrang statushouders. Ik verwacht op korte termijn een nader rapport naar de Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op het advies.
Vindt u het wenselijk dat een wetsvoorstel waarvan de Afdeling advisering oordeelt dat het niet bij de Kamer zou moeten worden ingediend niet wordt aangepast?
Zoals hierboven gesteld, bestudeer ik op dit moment het advies van de Raad van State. Ik verwacht op korte termijn een nader rapport naar de Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op het advies.
Herinnert u zich de uitspraak tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen waarin u zei dat «de Grondwet [...] buiten kijf staat en dat al die vrijheden die erin staan, absoluut gegarandeerd moeten worden en gegarandeerd worden, ook zoals wij hier in vak K zitten. Wij zijn niet van de kleine steekjes die geleidelijk die Grondwet aantasten.»?3
Ja.
Bent u het eens met het oordeel van de Afdeling advisering dat het wetsvoorstel van de Minister van VRO in strijd is met het door de Grondwet gewaarborgde recht op gelijke behandeling?
Zoals hierboven gesteld, bestudeer ik op dit moment het advies van de Raad van State. Ik verwacht op korte termijn een nader rapport naar de Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op het advies.
Staat het gehele kabinet achter het voornemen van de Minister van VRO om dit wetsvoorstel ongewijzigd bij de Kamer in te dienen ondanks het zware oordeel van de Afdeling advisering en is dit besproken in de ministerraad?
Zoals hierboven gesteld, bestudeer ik op dit moment het advies van de Raad van State. Het concept van het nader rapport moet nog in de ministerraad worden behandeld. Ik verwacht op korte termijn een nader rapport naar de Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op het advies.
Kunt u deze vragen voor 24 september 2025 om 16.00 uur beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het niet- publiceren van een kritisch onderzoek naar corruptiebestrijding |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money (FTM) «Ministerie hield kritisch rapport over corruptie onder de pet»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat het ministerie de kwaliteit van het rapport «Is de Nederlandse overheid bestand tegen corruptie?' als ondermaats beoordeelde en het daarom niet publiceerde, terwijl meerdere onafhankelijke experts, waaronder tegenlezers zoals de Rijksrecherche, het juist als gedegen bestempelden?
Hoewel het document vanwege de aangebrachte opmaak en titel oogt als een afgerond rapport, is het een interne verslaglegging van gevoerde gesprekken. Als zodanig is het niet gepubliceerd, maar gebruikt als waardevolle input en richting voor de nieuwe anti-corruptieaanpak. Deze aanpak is in juni 2025 via een Kamerbrief met de Tweede Kamer gedeeld en is een prioriteit van dit kabinet.2
Hoe valt het te verklaren dat de methodologie van het rapport nu bekritiseerd wordt, terwijl de directoraat-generaal (DG) Ondermijning zelf om het verkennend onderzoek heeft gevraagd en vóór openbaarmaking (na het Wet open overheid-verzoek van FTM) nooit kritiek op de gehanteerde methodologie heeft geuit richting de auteurs?
Door de opstellers, die destijds werkzaam waren bij DG Ondermijning, zijn ten behoeve van de probleemverkenning gesprekken gevoerd met ongeveer 160 personen, waaronder partnerorganisaties. Ook een verslag van een dergelijke verkenning dient aan bepaalde maatstaven van juistheid en verifieerbaarheid te voldoen.
Gedurende de looptijd van de verkenning hebben de opstellers feedback van collega’s ontvangen op tussenproducten. De feedback, vragen en opmerkingen over onder meer de methodologische tekortkomingen zijn slechts ten dele verwerkt in het eindverslag zoals opgeleverd door de opstellers.
De auteurs zelf noemen het een eindverslag van een verkennend onderzoek, waarom wordt er vanuit het ministerie de suggestie gewekt dat het een wetenschappelijke rapportage zou zijn?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2, betreft dit document geen rapport maar een interne verslaglegging van gevoerde gesprekken.
Het ministerie stelt dat het rapport feitelijke onjuistheden bevatte; kunt u concreet aangeven om welke onjuistheden het gaat? Ook wordt gesteld dat informatie ontbreekt in het rapport; kunt u toelichten welke informatie dit betreft?
De inhoudelijke hoofdlijnen en conclusies zijn gebruikt als waardevolle input voor de recent gepresenteerde aanpak van corruptie, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Een voorbeeld van feitelijke onjuistheden in het document is het niet juist of onvoldoende genuanceerd weergeven van bepaalde bronnen, zoals het verwijzen naar bepaalde conclusies uit bronnen zonder de daarin genoemde nuances te schetsen. Een ander voorbeeld is het opvoeren van juridisch onjuiste stellingen, zoals de stelling dat strafverzwaring niet mogelijk is wanneer een strafbaar corruptiefeit een link heeft met de georganiseerde criminaliteit.
Een voorbeeld van informatie die ontbreekt in het verslag, is belangrijke informatie die door bepaalde gesprekspartners aan de opstellers is verstrekt. Dit betreft bijvoorbeeld de inbreng van gesprekspartners die een andere visie hadden dan de opstellers.
Waarom stelt het ministerie dat in het rapport te veel de mening van de auteurs doorklinkt, terwijl de aanbevelingen en conclusies grotendeels aansluiten bij die van internationale instituties?
De aanbevelingen en conclusies uit dit stuk zijn gebruikt als waardevolle input voor de recent gepresenteerde aanpak van corruptie, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Tegelijkertijd is het zo dat de inbreng van gesprekspartners die een andere visie op bepaalde vraagstukken dan de opstellers hadden, in het verslag ontbreekt. Ook is de verslaglegging op punten suggestief en zijn de gespreksverslagen niet bij alle gesprekspartners gevalideerd. In een aantal passages zijn de opstellers onevenredig kritisch over de samenwerkingspartners, en in een enkele passage is de kritiek te herleiden naar een persoon. Deze uitlatingen zijn niet in alle gevallen voor wederhoor voorgelegd aan de relevante betrokkenen.
Waarom is in het rapport één van slotconclusies «Bestuurlijke verantwoordelijkheid is onvoldoende en leiderschap schiet tekort» bij openbaarmaking weggelakt?
Deze passage is gelakt op grond van artikel 5.1 lid 2 sub i en 5.2 lid 1 van de Woo. Het betreft onder meer uitlatingen in de vorm van een persoonlijke beleidsopvatting. Persoonlijke beleidsopvattingen zijn ambtelijke adviezen, meningen, visies en standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad.
Herkent u zich in het beeld dat de auteur van het rapport schetst, namelijk dat niemand van het DG Ondermijning contact heeft opgenomen met hem, bijvoorbeeld met klachten over de kwaliteit?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Gezien het feit dat in het rapport aandacht wordt besteed aan de Nota Corruptiepreventie uit 2005, welke was gebaseerd op het WODC-onderzoek van Huberts en Nelen uit datzelfde jaar en in die nota talrijke actiepunten zijngeformuleerd over samenwerking tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder meer op het gebied van voorlichting over de aangifteplicht van ambtenaren en de klokkenluidersregeling; wat vindt u van de constatering dat een groot deel van die actiepunten en problemen uit die nota uit 2005 nog steeds actueel en niet opgelost zijn? Wat gaat u daaraan doen?
Sinds de publicatie van de Nota Corruptiepreventie uit 2005 zijn verschillende maatregelen getroffen om het anti-corruptiebeleid, het integriteitsbeleid en de bescherming van klokkenluiders te versterken. Zo bevat de Ambtenarenwet 2017 verschillende integriteitsverplichtingen voor overheidswerkgevers en ambtenaren, en kent de Rijksoverheid één Gedragscode Integriteit Rijk waarmee rijksambtenaren worden geïnformeerd over bestaande meldvoorzieningen. In de nota integriteit openbaar bestuur3 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgebreid stilgestaan bij het integriteitsbeleid voor het openbaar bestuur en de voortgang die op dit terrein is geboekt. Verder is in 2016 de Wet Huis voor klokkenluiders in werking getreden en is het Huis voor klokkenluiders opgericht. Met de wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders naar de Wet bescherming klokkenluiders in 2023 is de rechtsbescherming van (potentiële) melders van vermoedens van misstanden verder versterkt. De constatering dat een groot deel van de actiepunten en problemen uit de nota nog steeds actueel en niet opgelost zijn, herken ik dan ook niet. Dit neemt niets van de urgentie van de problematiek weg. De bestrijding en preventie van corruptie vraagt om constante aandacht en inzet. Het is belangrijk dat medewerkers de integriteitsregels kennen, en weten bij wie zij terecht kunnen bij vragen en/of meldingen. Het kabinet ziet de bestrijding en preventie van corruptie als één van haar speerpunten, zoals opgetekend in de recente anti-corruptieaanpak.
Klopt het dat het Platform Corruptiebestrijding nog steeds bestaat, maar niet gebruikt wordt en dat diverse instanties binnen de overheid niet eens op de hoogte zijn van het bestaan? Hoe kan dit?
Het Platform Corruptiebestrijding is tijdens de coronaperiode geheel stil komen te liggen. Hierna is uit gesprekken met diverse deelnemers gebleken dat er onvoldoende behoefte bestond om het Platform weer te hervatten. In het Platform konden partijen met elkaar ervaringen en best practices uitwisselen. Door de jaren heen zijn hiervoor zowel tussen partijen onderling als met het Ministerie van Justitie en Veiligheid andere (periodieke) overleggen georganiseerd. Zo heeft Justitie en Veiligheid in 2024 op ambtelijk niveau een anti-corruptieoverleg voor meerdere ministeries georganiseerd en zijn er periodieke overleggen met het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche. Daarnaast organiseert Justitie en Veiligheid eens in de twee jaar een Anti-Corruptiecongres voor zowel de publieke als de private sector.
Deelt u de analyse dat de dalende positie van Nederland op de Corruption Perceptions Index, samen met kritiek van organisaties als GRECO en de Open State Foundation, wijst op een groeiend corruptierisico? Bent u bereid om werk te maken van een overheidsbreed anti-corruptiebeleid, bijvoorbeeld via een onafhankelijke anti-corruptieautoriteit?
Het kabinet onderschrijft dat Nederland niet naïef mag zijn in de aanpak van corruptie. De aanpak van corruptie heeft dan ook de volle prioriteit. Dat er in Nederland corruptierisco’s zijn, wordt bevestigd door diverse strafzaken en door rapporten van (internationale) organisaties. De Corruption Perceptions Index van Transparency International meet niet de daadwerkelijke corruptie in een land, maar de perceptie van corruptie. De daling op deze index weerspiegelt dus een dalend vertrouwend van geraadpleegde experts in de politiek en eerlijke besluitvorming in Nederland.
In de met uw Kamer gedeelde overheidsbrede aanpak van corruptie heeft het kabinet deze aanpak langs vier lijnen geïntensiveerd. Zoals in de aanpak vermeld, wordt momenteel de eerste National Risk Assessment Corruptie (NRA) door het WODC uitgevoerd. De NRA zal periodiek inzicht geven in de grootste corruptierisico’s voor Nederland. Dit maakt het mogelijk om risico-gestuurd te werken en het anti-corruptiebeleid telkens op de grootste kwetsbaarheden te richten.
Het kabinet zet in op nauwe samenwerking tussen alle betrokken organisaties. Daarom coördineer ik de uitvoering van de corruptieaanpak samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarnaast komen de relevante organisaties in meerdere gremia samen, zoals het Strategisch Beraad Ondermijning4 en de Ambtelijke Commissie Aanpak Ondermijning.
Bent u bereid het pleidooi van de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie om «handel in invloed» strafbaar te stellen opnieuw te overwegen en dit in wetgeving op te nemen?
In reactie op de Kamervragen van Kamerlid Van Nispen van 4 februari jl. heb ik toegelicht waarom ik geen lacune in de huidige wetgeving zie.5 Ook heb ik hierin aangegeven dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie geen bestuurlijk signaal hebben afgegeven over een strafbaarstelling van ongeoorloofde beïnvloeding (handel in invloed).
Dit neemt niet weg dat de toekomstige richtlijn ter bestrijding van corruptie in de Europese Unie diverse strafbepalingen bevat, waaronder ongeoorloofde beïnvloeding. Het is onwenselijk om vooruitlopend op de uitkomsten van de onderhandelingen over de corruptierichtlijn met nationale wetgevingsinitiatieven te komen, aangezien een nieuwe strafbaarstelling snel achterhaald zou kunnen zijn als in de definitieve richtlijn een afwijkende omschrijving van ongeoorloofde beïnvloeding zou worden opgenomen.
Na afronding van de trilogen met het Europees Parlement en de Europese Commissie zal worden bekeken of ter implementatie van de richtlijn wijzigingen van de nationale strafwetgeving noodzakelijk zijn. Indien dit zo is, zal daartoe een wetsvoorstel in procedure worden gebracht. Het OM kan zich vinden in dit proces.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat studies – met mogelijk relevante conclusies voor de Kamer – in het vervolg openbaar worden gemaakt en niet worden achtergehouden of beïnvloed door politiek-bestuurlijke overwegingen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is uiteengezet, gaat het in dit geval niet om een studie maar om een intern verslag.
In algemene zin geldt dat door bestuursorganen aangevraagde wetenschappelijke studies door de verantwoordelijke onderzoekers worden gepubliceerd. Hierop volgt in beginsel na uiterlijk zes weken een beleidsreactie die aan uw Kamer wordt toegezonden.
Op grond van de Wet open overheid (Woo) moet steeds meer informatie actief openbaar gemaakt worden. In de wet zijn hiervoor 17 informatiecategorieën opgenomen die overheidsorganisaties op termijn verplicht actief openbaar moeten maken, waaronder vastgestelde onderzoeksrapporten.6 Op het moment dat de verplichting tot actieve openbaarmaking voor deze categorie in werking treedt zijn bestuursorganen wettelijk verplicht deze informatie binnen twee weken openbaar te maken, tenzij de uitzonderingsgronden in de Woo daaraan in de weg staan. Wanneer informatie uit een verplichte categorie (bijvoorbeeld een onderzoeksrapport) in zijn geheel niet openbaar gemaakt kan worden, moet het bestuursorgaan hier een mededeling over doen.
Intimiderende demonstraties bij abortusklinieken en scholen |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Rijkaart , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Demonstranten Jezus Leeft terug bij Utrechtse abortuskliniek, grote zorgen bij directeur nabijgelegen basisschool»?1
Ja.
Deelt u de mening dat vrouwen vrij en veilig toegang moeten hebben tot abortuszorg, en dat demonstraties die gepaard gaan met intimiderend gedrag dit recht onder druk kunnen zetten?
Ja, ik sta pal voor het recht op veilige en toegankelijke abortuszorg. Demonstraties zijn toegestaan, ook in de nabijheid van abortusklinieken. Intimidatie vind ik onacceptabel. Het in goede banen leiden van demonstraties is een lokale aangelegenheid, de burgemeester heeft daarin een bijzondere verantwoordelijkheid. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om te handhaven. Mij zijn geen signalen bekend van demonstraties waarbij de toegang tot een abortuskliniek beperkt werd.
Hoe beoordeelt u de signalen van basisschooldirecteuren dat leerlingen, ouders en stagiaires in de directe omgeving van een abortuskliniek worden geconfronteerd met intimiderende protesten, die bovendien geen betrekking hebben op de school of de kinderen zelf?
Het is zeer betreurenswaardig dat protesten of demonstraties als intimiderend worden ervaren. En nogmaals: intimidatie keur ik ten zeerste af. Wel merk ik op dat de inhoud van een demonstratie nooit reden mag zijn voor de overheid om beperkingen op te leggen aan demonstranten. Met andere woorden, ook meningsuitingen die choqueren of als storend worden ervaren zijn beschermd onder het demonstratierecht, geregeld in de Wet openbare manifestaties (Wom).
Erkent u de moeilijkheden die gemeenten ondervinden in de afweging om nadere invulling te geven aan de uitoefening van het grondrecht om te demonstreren en het belang van de bescherming van vrouwen die een abortuskliniek bezoeken?
Ja, ik erken dat deze twee belangen – uitoefening van het grondrecht om te demonstreren en het belang van de bescherming van vrouwen en begeleiders die een abortuskliniek bezoeken – met elkaar kunnen schuren. Gemeenten kunnen daardoor in sommige gevallen voor uitdagingen komen te staan. Momenteel is het kabinet in afwachting van een onderzoek naar het demonstratierecht dat via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) is uitgezet. In dat onderzoek wordt onder meer gekeken naar de categorie van demonstraties waarbij (grond)rechten van anderen in het gedrang komen, waarbij ook specifieke aandacht wordt besteed aan demonstraties bij abortusklinieken. Het WODC-onderzoek wordt in november gepubliceerd. Na publicatie van dit onderzoek zal worden bezien of nadere wetgeving wenselijk is.
Bent u bereid om te inventariseren hoe nieuwe nationale wetgeving, binnen de grondwettelijke kaders van het demonstratierecht, gemeenten kunnen helpen in de bescherming van vrouwen die toegang tot abortuszorg zoeken?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het mogelijk om, binnen de kaders van de Grondwet en internationale verdragen die zien op het demonstratierecht, een minimale bufferzone voor demonstraties bij abortusklinieken op te nemen in de wet in formele zin, zoals het geval is in het Verenigd Koninkrijk en Spanje?
Zie antwoord vraag 4.
Zou het de wetgever en gemeenten kunnen helpen om meer empirische data te hebben over de gevolgen van dergelijke demonstraties bij abortusklinieken, te denken aan in hoeverre vrouwen, werknemers en voorbijgangers hinder en last ondervinden van de demonstraties, en bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het Ministerie van VWS spreekt de bestuurders van abortusklinieken regelmatig, en de uitdagingen rond demonstraties in de nabijheid van klinieken komen bij die gesprekken ook aan bod. Ik zie op dit moment niet in hoe het verzamelen van meer empirische data over hinder en last zal helpen bij het in goede banen leiden van demonstraties. Daarbij geldt dat het opleggen van beperkingen aan een demonstratie per geval moet worden beoordeeld (door de burgemeester). Een beeld van hinder en last in algemene zin is daarvoor niet voldoende.
Bent u bereid in overleg te treden met de VNG, burgemeesters en abortusklinieken om te komen tot concrete handvatten voor gemeenten om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
In de afgelopen jaren heeft dergelijk overleg een aantal keer plaatsgevonden. In 2019 heeft de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesprekken gevoerd tussen gemeenten en de abortusklinieken, om kennis uit te wisselen over mogelijkheden, ervaringen en goede voorbeelden bij het faciliteren van demonstraties. In 2021 is een expertmeeting door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) georganiseerd om gemeenten handvatten te bieden. Hierna is een factsheet over dit onderwerp gepubliceerd met adviezen aan gemeenten en burgemeesters.2
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende commissiedebat of schriftelijke overleg over medische ethiek, zodat de Kamer deze beantwoording mee kan nemen in het debat?
Ja.
Het artikel 'De onwaarschijnlijke val van een burgemeester' |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «De onwaarschijnlijke val van een burgemeester»?1
Wij hebben kennisgenomen van het artikel. Het is niet aan ons om een oordeel uit te spreken over deze strafzaak, die nog onder de rechter is.
Klopt het dat burgemeester Schuiling eervol ontslag zou kunnen krijgen mits hij zijn verzet tegen de strafbeschikking zou opzeggen (NRC: «BZK liet net weten dat BM per 1 oktober gaat stoppen en dat hem eervol ontslag wordt verleend wanneer hij zijn verzet intrekt»)?
Nee. De verlening van eervol ontslag wordt door mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet gekoppeld aan ieders fundamentele aanspraak op toegang tot de rechter. Dat dit ook hier niet is gebeurd blijkt uit het feit dat, ondanks dat hij zijn verzet gehandhaafd heeft, alsnog eervol ontslag aan de burgemeester is verleend, mede vanwege zijn jarenlange inzet voor het openbaar bestuur in Nederland.
Hoe rijmt dit zich met de uitspraak van uw voorganger dat zij geen druk zou hebben uitgeoefend op Schuiling om te stoppen? (NRC: «De heer Schuiling heeft er zelf voor gekozen om te stoppen. Ik heb geen druk op hem uitgeoefend»)
Zie beantwoording vraag 1 en 2.
Waarom heeft u besloten dat de burgemeester beter zijn verzet tegen de strafbeschikking kon opgeven?
Dat heb ik, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, niet besloten. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u een uitgebreide reflectie over het verloop van deze gehele zaak met inachtneming van de verschillende verantwoordelijkheden, en beschrijven welke lessen hieruit te trekken zijn zodra de rechtszaak geheel is afgerond?
In algemene zin doen we geen uitspraken over individuele casuïstiek.
Het hoger beroep in de strafzaak loopt nog. Op dit moment zien wij geen aanleiding voor een uitgebreide reflectie.
Het bericht 'Stadsaccountant Den Haag: ‘Wij zijn zo een miljoentje goedkoper dan de Big Four’' |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Gemeente-accountant wil alternatief zijn voor commerciële kantoren»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht «Gemeente-accountant wil alternatief zijn voor commerciële kantoren». In de beantwoording van de overige vragen vindt u mijn reactie.
Deelt u de wenselijkheid van meer accountants in publieke dienst voor dienstverlening aan organisaties in de publieke sector, zoals gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Een aantal gemeenten in Nederland heeft accountants in gemeentelijke dienst. De afweging of het wenselijk is om een accountant in dienst te nemen, dient door decentrale overheden zelf gemaakt te worden. Decentrale overheden bepalen ook zelf, welke werkzaamheden zij door de accountants in eigen dienst willen laten uitvoeren.
Specifiek kan de gemeenteraad op grond van artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet een of meer accountantsorganisaties aanwijzen voor de externe controle van de financiële verantwoording. De accountant controleert de jaarrekening en geeft een oordeel hierover. Dit is een wettelijke controle, zoals bedoeld in de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta)2, met als hoofddoel om de gebruikers van de financiële verantwoording van een gemeente een oordeel te geven over de mate van getrouwheid. Accountantsorganisaties voeren het overgrote deel uit van de jaarrekeningcontroles bij decentrale overheden.
Gemeenten kunnen er op grond van artikel 213 lid 7 van de Gemeentewet ook voor kiezen om de jaarrekeningcontrole, zoals bedoeld in artikel 213 lid 2, uit te laten voeren door accountants in gemeentelijke dienst. Voor de controle van de jaarrekening gelden op basis van artikel 213 lid 8 en 9 eisen, waar de accountant aan moet voldoen. Deze vloeien voort uit de Wta en zien specifiek op eisen voor de jaarrekeningcontrole. Nederland kent op dit moment twee gemeentelijke accountantsdiensten die jaarrekeningcontroles, zoals bedoeld in artikel 213 lid 2, uitvoeren.
De accountant in dienst van een gemeente kan tevens diensten verrichten voor andere decentrale overheden. Ook hiervoor geldt dat de afweging, of het wenselijkheid om diensten van een gemeentelijke accountantsdienst af te nemen, aan decentrale overheden zelf is.
Welke signalen heeft u dat (kleinere) gemeenten het lastig vinden om een commerciële accountant te vinden voor de jaarlijkse controle?
Individuele gemeenten hebben eerder aangegeven dat zij moeite hebben om een accountantsorganisatie te vinden voor de uitvoering van de controle van de jaarrekening. In algemene zin heb ik echter geen aanwijzingen dat er sprake is van een landelijk tekort, of dat gemeenten op korte termijn geen jaarrekeningcontroles kunnen laten uitvoeren.
Wat is uw inschatting van de mogelijke kostenbesparing voor gemeenten als zij gebruik zouden maken van een publieke accountant in plaats van commerciële kantoren? Indien u dit thans niet kunt maken, bent u bereid dit na te (laten) gaan?
Ik kan geen inschatting geven van het verschil in kosten tussen private accountantskantoren en gemeentelijke accountantsdiensten. Naast dat ik het niet mijn rol vindt om hier uitspraken over te doen, is dit marktgevoelige informatie en hangt dit zeer af van de mate waarin de te controleren decentrale overheid haar risico’s beheerst en daarover voldoende en inzichtelijke controle-informatie kan verschaffen aan de externe accountant.
Kunt u in ieder geval inzichtelijk maken hoe de tarieven van de dienstverlening door commerciële kantoren voor gemeenten zich het afgelopen decennium hebben ontwikkeld en hoe de tarieven / kosten van gemeentelijke accountantsdiensten zijn veranderd gedurende de dezelfde periode?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 aangegeven, vind ik het niet mijn rol om hier uitspraken over te doen en is het primair aan decentrale overheden zelf om tot een overeenkomst met accountants te komen.
Welke mogelijkheden ziet u om initiatieven zoals dat van de Gemeentelijke Accountantsdienst (GAD) te ondersteunen?
Als Minister van BZK hecht ik aan een goed functionerend stelsel van controle door accountants. Zoals aangegeven, bieden wet- en regelgeving op dit moment geen belemmering voor de oprichting van gemeentelijke accountantsdiensten en het door hen laten verrichten van een externe jaarrekeningcontrole. Er zijn mij momenteel geen signalen bekend dat decentrale overheden in dit kader behoefte hebben aan aanvullende ondersteuning. Ik blijf hierover met gemeenten en de VNG in gesprek. Indien uit die gesprekken blijkt dat aanvullende ondersteuning nodig is, dan zal ik op dat moment in overleg beoordelen welke maatregelen passend zijn.
Ziet u daarnaast ook een rol voor het Rijk om te voorzien in de functie van een publieke accountant voor gemeenten en andere overheden?
Zoals bij de beantwoording van vraag 6 aangegeven, zijn er op dit moment geen signalen bekend die een aanleiding vormen voor aanvullende maatregelen of ondersteuning. Ik zie nu dus ook geen noodzaak tot het oprichten van een publieke accountant.
De oproep van de vakbonden om de nullijn voor rijksambtenaren te schrappen. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u de brief van de vakbonden gelezen, getiteld «Vakbonden voor rijksambtenaren roepen Minister BZK op tot overleg» van 11 september 2025?1
Ja, aan de oproep van vakbonden om op korte termijn een afspraak te maken is gehoor gegeven.
Deelt u de opvatting dat het opleggen van een nullijn voor ambtenaren de onderhandelingen over een nieuwe cao bij voorbaat ingewikkeld maken? Zo ja, is het dan niet beter om de nullijn te schrappen, zodat de onderhandelingen op een open en reële manier kunnen plaatsvinden?
De huidige CAO Rijk loopt af op 31 december 2025. De onderhandelingen vinden plaats onder een complex gesternte. In het hoofdlijnenakkoord is een nullijn opgenomen. Ik heb er daarnaast kennis van genomen dat zonder de mogelijkheid tot open en reëel overleg, een onderhandeling met de bonden niet mogelijk lijkt.
De werkgever Rijk heeft met de vakbonden afgesproken in november de formele onderhandelingen over een nieuw cao-akkoord te starten. Over de komende onderhandelingen en de inzet van de werkgever Rijk kunnen op dit moment nog geen mededelingen worden gedaan.
Klopt het dat de eerder gemaakte afspraak om de uitvoering beter te belonen via functiewaardering, nog niet is nagekomen? Gaat u daar nog budget voor vrijmaken zoals is afgesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat zowel het bij voorbaat opleggen van een nullijn als het niet nakomen van gemaakte afspraken de cao-onderhandelingen ondermijnen en de relatie met de vakbonden schaden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de vakbonden om de juiste randvoorwaarden te scheppen voor volwaardige cao-onderhandelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen uiterlijk 22 september 2025 beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.