Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden, middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt, maar wel dat alle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Ja.
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Netbeheerders hebben data over, en inzicht in, het energiegebruik van hun klanten, waaronder (individuele) datacentra. Overheden werken daarom veel samen met netbeheerders om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken. Deze gegevens kunnen niet openbaar worden gemaakt, omdat deze worden gezien als bedrijfsgevoelige gegevens en alleen ten behoeve van toezicht en handhaving voor de energiebesparingsplicht worden verstrekt aan de toezichthouders.
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
De ontwikkeling van datacentra is een langjarig proces en wordt momenteel ingeperkt door netcongestie, stikstofproblematiek en scherper vestigingsbeleid vanuit overheden. Daardoor is er in de huidige situatie weinig ruimte voor substantiële uitbreiding. Recent aangekondigde projecten zijn veelal jaren geleden in gang gezet. Ook sluit dit beeld niet goed aan bij de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik van de datacentra in de afgelopen jaren (zie ook de cijfers van het CBS5). Datacentra geven daarnaast aan dat een dergelijke prognose van de groei van het elektriciteitsverbruik niet realistisch is en niet aansluit bij de ontwikkeling uit de praktijk.
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Het kabinet erkent de zorgen rondom netcongestie en datacentra. Deze zorgen nemen wij serieus. Tegelijkertijd vormen datacentra de ruggengraat van onze digitale infrastructuur en faciliteren zij essentiële diensten waar Nederlandse huishoudens dagelijks van profiteren. Denk aan online bankieren, digitale zorg, thuiswerken en onderwijs op afstand. Om de beschikbaarheid van een onderscheidende digitale infrastructuur te borgen, is een zorgvuldige bestuurlijke afweging nodig. Daarvoor moet, samen met betrokkenen en gekoppeld aan lopende beleidsvorming op economisch, ruimtelijk, en duurzaamheidsvlak, en met oog voor de maatschappelijke meerwaarde, bezien worden wat nodig en mogelijk is en welke voorwaarden daarvoor gelden.
Toegang tot transportcapaciteit van elektriciteit wordt non-discriminatoir uitgegeven. Er wordt daarbij dus niet gekeken naar wat er met de uitgegeven transportcapaciteit voor elektriciteit gedaan wordt. Netcongestie vormt echter een grote uitdaging. Op veel plekken in Nederland is geen ruimte meer voor nieuwe aanvragen van grootverbruikers van elektriciteit, zoals datacentra. Deze komen dan ook op de wachtrij. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft met het prioriteringskader op basis van criteria sectoren aangewezen die maatschappelijk van groot belang zijn, zoals scholen of ziekenhuizen. Grootverbruikers uit deze sectoren krijgen voorrang op de wachtrij bij het verkrijgen van transportcapaciteit wanneer deze beschikbaar is. Datacentra zijn niet opgenomen in dit kader en krijgen dan ook geen voorrang.
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
De digitale infrastructuur, die bestaat onder andere uit telecombedrijven, internetknooppunten, datacentra en cloudaanbieders, levert een substantiële directe én indirecte bijdrage aan de Nederlandse economie6. Het is onlosmakelijk verbonden met ons dagelijks leven, denk aan video vergaderen, online bankieren en mobiel betalen, onze overheidszaken regelen en met veel gemak onze inkopen doen. In het onderwijs en de zorg is digitalisering niet meer weg te denken. Bedrijven kunnen opbloeien dankzij die hoogwaardige digitale infrastructuur. De meerwaarde van datacentra is dat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van de digitale infrastructuur, die een randvoorwaarde is voor toekomstige groei. In de veranderende mondiale context wordt het steeds belangrijker dat Nederland en de EU geopolitiek gezien op eigen benen kunnen staan. Het belang van (open strategische) autonomie neemt steeds verder toe.
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Het kabinet is van mening dat een technologie en het gebruik van technologie, zoals AI, een middel is of kan zijn in het bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Daarbij zal technologie en het gebruik hiervan zelf doelen, waarden en machtsverhoudingen vormen en doen verschuiven, waardoor middel en doel onvermijdelijk in elkaar ingrijpen. Voor AI is dit niet anders.
Veel AI-oplossingen, die ook relevant kunnen zijn voor productiviteit en maatschappelijk uitdagingen, worden door bedrijven ontwikkeld en aangeboden. Dit is van belang voor het verdienvermogen als onderdeel van het industriebeleid en de uitwerking van de Nationale Technologiestrategie. De implementatie van de Europese AI-verordening draagt er onder meer aan bij dat AI-oplossingen door bedrijven op een verantwoorde manier worden ontwikkeld en toegepast.
Om innovaties te versnellen en kennis publiek-privaat te ontwikkelen en toe te passen zet de overheid specifieke instrumenten in. Een voorbeeld is het AiNed programma van het Nationaal Groeifonds met een groot aantal labomgevingen voor de ontwikkeling van innovatieve AI-toepassingen. Een ander voorbeeld is de realisatie van een AI-fabriek in Groningen. Deze initiatieven moeten maatschappelijke en economische kansen van AI verzilveren, en de publieke belangen bij AI borgen.
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Er wordt momenteel op verschillende plekken data verzameld over AI, het gebruik ervan en de impact op de arbeidsmarkt. De AI monitor van het CBS ontwikkelt statistieken over bedrijven die AI produceren, bedrijven die AI gebruiken, AI-opleidingen inclusief de overgang naar de arbeidsmarkt, en de vraag naar arbeidskrachten met AI-vaardigheden7. In de arbeidsmarktenquêtes van TNO8 worden ook enkele vragen over inzet van AI op werk toegevoegd. Dialogic publiceert daarnaast in opdracht van EZK een overzicht van kengetallen over de onderwijs- en arbeidsmarktstromen van AI en data science. Verder zijn binnen de Nederlandse Skills Survey vragen gesteld over het gebruik van AI op het werk, en de digitale vaardigheden van werkenden. Tot slot zijn er internationale organisaties, zoals de OECD, die onder andere onderzoek hebben gedaan naar de «blootstelling» van bepaalde beroepen aan AI9.
AI kan grote gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt, maar deze gevolgen zijn op dit moment lastig te voorspellen. Om potentiële negatieve gevolgen voor de arbeidsmarkt te kunnen mitigeren, is het in de eerste plaats belangrijk mensen te ondersteunen om mee te kunnen in veranderingen van hun werk als gevolg van AI. Werkgevers hebben hierin een wettelijke én initiërende verantwoordelijkheid. Werkgevers, brancheorganisaties en sociale partners zetten al stevig in op leven lang ontwikkelen. Het kabinet heeft oog voor deze veranderingen. De snelle veranderingen van de economie en arbeidsmarkt (o.a. door AI) maakt dat de onzekerheid over werk en inkomen voor mensen toeneemt, terwijl werkgevers ook te maken hebben met grote personeelstekorten en zien dat cruciale vacatures open blijven staan. Talent komt te vaak niet op juiste plek terecht waar het meeste waarde toevoegt.
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is daarbij een prioriteit van het kabinet met een ambitieuze opdracht waaraan € 100 mln. aan structurele middelen is gekoppeld vanaf 2028. Het kabinet hecht belang aan LLO om het hoofd te kunnen bieden aan grote economische en maatschappelijke opgaven. Het huidige LLO-beleid van SZW, OCW en EZK is samengevat in de recente Kamerbrief Voortgang Leven Lang Ontwikkelen.10
Het artikel 'Van ‘arrogant takkewijf’ tot ‘val dood’: Delta-schandaal veel groter, provider start meldpunt' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over agressieve en mogelijk misleidende verkoopmethoden door medewerkers van DELTA Fiber, waaronder intimidatie, bedreigingen en het onder valse voorwendselen afsluiten van abonnementen?1
Ja.
Deelt u de kwalificatie dat hier sprake lijkt van structurele problematiek in plaats van op zichzelf staande incidenten?
Toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) en de Consumentenbond krijgen al jaren veel klachten over colportage.2 Deze klachten zien onder meer op de verkoop van contracten voor energie, loterijen, internet, televisie en telefonie. Deze klachtenstroom is serieus en aanhoudend. Zo krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop, bijvoorbeeld over agressieve bejegening of het negeren van een geen-colportage-sticker. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
Welke specifieke normen gelden voor colportage en huis-aan-huisverkoop in de telecomsector (waaronder omgang met nee/nee- en geen-colportage-stickers)? Worden deze normen naar uw oordeel effectief gecontroleerd en gehandhaafd? Zo nee, welke middelen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) nodig om dit wel effectief te doen?
De consument heeft bij colportage onder meer recht op een bedenktijd van veertien dagen en de verkoper is verplicht om de consument hierover duidelijk te informeren voor het sluiten van de overeenkomst.3 Doet de verkoper dit niet, dan wordt de bedenktijd verlengd met maximaal twaalf maanden. Daarnaast kan de consument een overeenkomst vernietigen die onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een verkoper zich agressief opstelt jegens de consument, onwaarheden vertelt bedoeld om de consument te overtuigen of een geen-colportage-sticker negeert. Deze regels gelden (met uitzondering van de in de wet voorziene uitzonderingen) voor alle sectoren die colportage gebruiken. Er gelden geen specifieke wettelijke colportageregels voor de telecomsector.
Dit wettelijk kader wordt aangevuld met zelfregulering, in de vorm van de Code Fieldmarketing die onder de vlag van de Reclame Code Commissie is opgesteld. De sector heeft hierin afgesproken dat consumenten die geen prijs stellen op colportage dit kunnen aangeven via een sticker aan de deur. Verkopers moeten dergelijke stickers en andere ondubbelzinnige mededelingen respecteren. Wanneer deze code wordt overtreden of wanneer een consument een andere klacht heeft over colportage kan hij of zij dit melden bij de ACM. De ACM kan dan handhavend optreden.
Wat vindt u ervan dat juist ouderen en andere kwetsbare groepen doelwit lijken te zijn van deze verkooppraktijken? Welke aanvullende beschermingsmaatregelen acht u hier passend?
Het is inherent aan de verkoopmethode colportage dat consumenten een bepaalde mate van druk voelen om een besluit te nemen over een overeenkomst terwijl de verkoper aan de deur of op straat staat. Met name kwetsbare consumenten, zoals ouderen of consumenten die moeite hebben met «nee» zeggen, lopen het risico een overeenkomst te ondertekenen, waarvan zij de gevolgen niet volledig kunnen overzien.
In april 2024 heeft mijn voorganger een voorstel voor een afkoelperiode aangekondigd.4 Consumenten krijgen daarmee drie werkdagen de tijd om rustig een besluit te nemen of zij een overeenkomst willen aangaan waarover zij buiten de verkoopruimte zijn aangesproken. De verkoper mag de consument tijdens de afkoelperiode niet benaderen. De afkoelperiode legt de regie voor het aangaan van de overeenkomst bij de consument, stelt hem in de gelegenheid om de informatie die hij heeft ontvangen in alle rust te lezen en te begrijpen (zonder druk van de meekijkende verkoper) en de informatie eventueel ook te vergelijken met andere aanbiedingen. Dit wetsvoorstel is in de tweede helft van 2025 in internetconsultatie geweest. De reacties uit deze consultatie worden momenteel verwerkt.
In aanvulling daarop ga ik, conform de motie van het lid Van Lanschot (CDA)5, in kaart brengen welke opties er zijn, landelijk en lokaal, om ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel mogelijk te beperken, waarbij ruimte blijft voor goede doelen en kleinschalige initiatieven.
Een verbod op colportage is Europeesrechtelijk op dit moment niet mogelijk. Ik zet mij er daarom in Brussel voor in dat lidstaten de mogelijkheid krijgen om colportage sectoraal of geheel te verbieden.
Hoe beoordeelt u de meldingen over ongevraagde graaf- en installatiewerkzaamheden in tuinen en woningen, met schade en kosten voor bewoners tot gevolg? Vindt u dat telecombedrijven voldoende zorgvuldig omgaan met toestemming en herstel?
Ik ga ervan uit dat bij deze vraag gedoeld wordt op graaf- en installatiewerkzaamheden in de eigen tuin en woning van bewoners. Om dergelijke werkzaamheden uit te voeren is het nodig dat de bewoner aangesloten wil worden en hiervoor toestemming geeft. Ik vind het belangrijk dat telecompartijen zorgvuldig omgaan met aanleg in eigen tuinen en woningen van bewoners en wijs daarbij op hun verplichting voor toestemming en herstel. In het geval van klachten over ongevraagde werkzaamheden kunnen bewoners zich melden bij de ACM, die bij veel klachten over een specifieke partij, die partij daarop kan aanspreken. Navraag bij de ACM leert dat de ACM in beperkte mate meldingen ontvangt over ongevraagde werkzaamheden, maar dat personen mogelijk ook niet altijd melding doen.
Wat betreft eventuele schade als gevolg van werkzaamheden, is het aan de telecompartijen om deze te herstellen dan wel te vergoeden. Telecompartijen geven aan dat dit doorgaans ter plaatse direct in overleg met de bewoner wordt opgelost. Bij dergelijke schade die niet (volledig) wordt vergoed of hersteld, kunnen bewoners zich wenden tot de civiele rechter.
Wat is uw reactie op signalen dat monteurs contante betalingen zonder factuur vragen («zwart geld»), onder het mom van aanvullende werkzaamheden?
Het is niet toegestaan om zwart te werken of mensen onder druk te zetten om contant geld af te staan. Het is ook niet toegestaan om kosten in rekening te brengen voor werkzaamheden, die feitelijk niet (of niet controleerbaar) hebben plaatsgevonden en waartoe bewoners geen opdracht of toestemming hebben gegeven.
Acht u de door Delta geopende meldpuntregeling een toereikende reactie? Hoe wordt voorkomen dat klachten blijven liggen of intern worden weggeboekt zonder daadwerkelijke oplossing?
Ik ga ervan uit dat Delta naar aanleiding van de berichtgeving passende en effectieve maatregelen neemt om klachten van consumenten te registreren en op te lossen. Daarnaast heeft de ACM naar aanleiding van de berichtgeving contact opgenomen met Delta om de klachten te bespreken en naar oplossingen te kijken. Dit beschouw ik als een stok achter de deur.
Bent u bereid om een verdiepend onderzoek te doen naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt, inclusief de rol van ingehuurde verkooporganisaties en onderaannemers?
Het is aan de ACM als onafhankelijke toezichthouder om te bepalen of en wanneer een onderzoek naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt wordt uitgevoerd.
Overweegt u aanscherping van regelgeving, bijvoorbeeld een verbod of zwaardere beperking op huis-aan-huisverkoop in telecom, verplichte cooling off (herroepingsrecht) bevestigingen via onafhankelijke kanalen, zwaardere boetes bij misleiding van kwetsbare consumenten, een verplicht klachtenregister dat openbaar wordt gemaakt, etc.?
Ja. Zie verder de beantwoording van vraag 4.
Wat is bekend over deur-aan-deurverkoop in andere sectoren zoals energie, mobiele telefonie en internetdiensten?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
In welke mate wordt deze deur-aan-deurverkoop in deze sectoren gecontroleerd en gehandhaafd, en door welke toezichthouders?
De ACM is als onafhankelijk markttoezichthouder verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de regels voor deur-aan-deurverkoop. De ACM kan niet alle zaken oppakken en bepaalt zelf haar prioriteiten.6 De ACM heeft in de afgelopen jaren herhaaldelijk in het openbaar opgetreden tegen handelaren die gebruikmaken van colportage en zich niet aan de regels houden.7
Hoe beoordelen consumenten deze verkooppraktijken, bijvoorbeeld wat betreft transparantie, ervaren druk aan de deur en het risico op misleiding?
Uit onderzoek in 2022 van de ACM blijkt dat een aanzienlijk deel van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, dit contact als negatief heeft ervaren (45%).8 Slechts een klein deel van de ondervraagden gaf aan een (zeer) positieve ervaring met colportage gehad te hebben (9%). Van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, gaf meer dan 90% aan dat zij dit heeft ervaren als onprettig, onbetrouwbaar of niet nuttig.
Een onderzoek van de Consumentenbond in 2025 onder 7500 panelleden bevestigt het negatieve beeld van consumenten rondom verkoop aan de deur.9 Hieruit blijkt dat 92% van de panelleden zich stoort aan de verkoop van producten en diensten aan de deur. Vooral omdat ze er niet om gevraagd hebben, verkopers erg opdringerig kunnen zijn en vaak op een ongelukkig moment aanbellen. Daarnaast blijkt dat 63% van de panelleden met een bel-niet-aan-sticker alsnog verkopers aan de deur hebben gehad.
Ziet u in de gesignaleerde agressieve verkooppraktijken een verband met sterke commerciële prikkels zoals concurrentie op groei, marktaandeel en winst? Zo ja, welke voorstellen heeft u om deze prikkels weg te nemen?
Ik herken de sterke commerciële prikkels in de markt voor het aanleggen van glasvezel. Deze prikkels zorgen op zichzelf voor een snelle aanleg van een landelijk dekkend glasvezelnetwerk met een hoge technische capaciteit. Vanwege de hoge kosten voor het aanleggen van het netwerk, is het voor marktpartijen aantrekkelijk om zo snel mogelijk een groot netwerk aan te leggen met zo veel mogelijk aansluitingen per wijk (een hoge bezettingsgraad). Commerciële prikkels mogen echter nooit leiden tot agressieve handelspraktijken. In de beantwoording van vraag 4 geef ik aan welke stappen ik neem om dergelijke verkooppraktijken tegen te gaan.
Acht u deze dynamiek van commerciële prikkels problematisch voor diensten die feitelijk essentieel zijn voor burgers?
Zie antwoord vraag 13.
In hoeverre acht u het wenselijk om, ter voorkoming van dit soort praktijken en ter verhoging van efficiëntie, deze voorzieningen meer publiek of collectief te organiseren?
Ik acht het onnodig en onwenselijk om het aanleggen van het glasvezelnetwerk meer publiek of collectief te organiseren. Nederland heeft gekozen voor de aanleg van een glasvezelnetwerk door marktpartijen, met strenge eisen van de ACM over onder andere het openstellen van het netwerk. Op dit moment zijn er bijna 9 miljoen glasvezelaansluitingen in Nederland en de ACM verwacht een volledige dekking in 2030. Ik voorzie een sterke vertraging van het proces en hoge uitvoeringskosten als zou worden overgestapt op een model waarbij de uitrol meer publiek of collectief zou worden georganiseerd.
Bent u bereid scenario’s en beleidsopties voor zulke vormen van publieke of collectieve organisatie te laten uitwerken en naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 15.
Het artikel Bonje tussen nieuwe en oude eigenaar ggz-organisatie Inter-Psy: ‘We zitten in een vechtscheiding’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de escalerende ruzie tussen de huidige en voormalige eigenaar van Inter-Psy, inclusief de dreigende rechtszaken en de faillissementsaanvraag?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een grote ggz-instelling, die grotendeels met publieke middelen wordt gefinancierd, zo kwetsbaar blijkt te zijn voor zakelijke conflicten tussen aandeelhouders en vastgoedpartijen?
Er is mij onvoldoende bekend over de zakelijke conflicten die spelen in deze specifieke situatie om hierover te oordelen.
Meer algemeen is het zo dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen (financiële) bedrijfsvoering. Op basis van huidige wet- en regelgeving en de Governancecode Zorg worden randvoorwaarden en eisen gesteld aan de bedrijfsvoering en het bestuur van zorginstellingen. En in toekomstige wet- en regelgeving, het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), worden deze randvoorwaarden en eisen verder aangescherpt. Op basis van signalen en meldingen kunnen toezichthouders nader onderzoek doen en waar nodig maatregelen opleggen. Deze voorwaarden zijn erop gericht te zorgen dat de maatschappelijke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en jeugdhulp voorop blijven staan.
Maar dit voorkomt niet dat partijen bijvoorbeeld contractueel afspraken kunnen maken op onderdelen die niet wettelijk zijn vastgelegd of zaken juist onvoldoende juridisch vastleggen, waarover zakelijke conflicten kunnen ontstaan.
Deelt u de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren direct risico’s kunnen opleveren voor de continuïteit van zorg, wachttijden en de positie van cliënten en medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen zijn nu concreet aanwezig?
Ja, ik deel de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren onwenselijk kunnen zijn. En dat dit risico’s kan opleveren voor de continuïteit en kwaliteit van zorg en dat dit niet bevorderlijk is voor de werkomstandigheden van medewerkers.
De toezichthouders Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houden toezicht op respectievelijk de continuïteit en de kwaliteit van zorg. Zodra er signalen zijn dat de continuïteit of de kwaliteit in het geding dreigt te komen, hebben toezichthouders de mogelijkheid om een onderzoek te starten en indien nodig maatregelen op te leggen.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bevestigen of er signalen zijn over continuïteitsrisico’s bij Inter-Psy? Welke acties zijn of worden genomen?
De NZa houdt toezicht op continuïteit van zorg in relatie tot de zorgplicht. De NZa heeft aangegeven bekend te zijn met deze aanbieder, maar kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. In het algemeen kan ik verwijzen naar de early-warning-systeem-afspraken die er liggen tussen de NZa en zorgverzekeraars2.
Klopt het dat Inter-Psy recent een kapitaalinjectie van € 1,5 miljoen nodig had om salarissen en lopende verplichtingen te kunnen voldoen? Wat zegt dit volgens u over de financiële gezondheid en bedrijfsvoering?
Er is mij onvoldoende bekend, anders dan de berichtgeving waar u naar verwijst, over deze specifieke casus en een eventuele kapitaalinjectie. Het is primair aan de instelling om zorg te dragen voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende liquiditeit om aan lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Dat een organisatie tijdelijk externe financiering nodig heeft, kan verschillende oorzaken hebben, zoals investeringen of veranderingen in contractering. Het is niet aan mij als bewindspersoon om een oordeel te geven over de financiële gezondheid en de bedrijfsvoering van Inter-psy.
Hoe verklaart u dat een instelling die volgens het jaarverslag 2024 winstgevend was, binnen enkele maanden afhankelijk lijkt van noodkapitaal? Ziet u hier aanwijzingen voor mismanagement of risicovolle financieringsconstructies?
Het is niet ongebruikelijk dat een instelling die over een boekjaar winstgevend is, op enig moment te maken krijgt met liquiditeitsdruk. Jaarverslagen geven een beeld op hoofdlijnen over een afgesloten periode, terwijl de liquiditeitspositie sterk kan worden beïnvloed door actuele omstandigheden, zoals vertraagde betalingen, stijgende kosten of incidentele uitgaven. Zoals ook hierboven al benoemd, is het niet aan een bewindspersoon om te concluderen dat sprake is van mismanagement of risicovolle financieringsconstructies. Het is in ons zorgstelsel de NZa die toezicht houdt op een professionele en transparante bedrijfsvoering bij zorgaanbieders. De NZa kan geen uitspraken doen over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. De zorgverzekeraar en interne toezichthouder spelen hierin ook een belangrijke rol.
Wat is uw oordeel over constructies waarbij zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen, en vervolgens als verhuurder hoge of strategisch bepalende huren vragen aan de zorginstelling die met publiek geld wordt bekostigd? Acht u dit moreel en maatschappelijk verantwoord?
Ik heb geen bezwaren tegen het feit dat zorgondernemers vastgoed in een aparte BV onderbrengen. Ik vind het daarentegen wel onwenselijk als deze constructie wordt misbruikt voor persoonlijk gewin. Om dergelijk misbruik tegen te gaan wordt in de Wibz een norm voor van betekenis zijnde transacties geïntroduceerd. Een vastgoedtransactie, zoals verkoop of verhuur, valt onder deze norm. De norm zegt dat deze transacties alleen plaats mogen vinden tegen marktconform tarief als er sprake is van verbonden partijen (bijvoorbeeld als de bestuurder van de zorg BV dezelfde bestuurder is als van de vastgoed BV). Met deze norm wordt zelfverrijking met vastgoedtransacties verboden. Met de voorgestelde norm kan de NZa dergelijke meldingen over dergelijke transacties nader onderzoeken en waar nodig handhaven door een aanwijzing te geven of een boete op te leggen. Zoals aangekondigd in een brief van 11 december 2025 aan de Tweede Kamer3 ga ik onderzoeken of verdere aanscherping van het kader voor normale marktvoorwaarden zowel wenselijk als mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dergelijke vastgoed-constructies in de zorg leiden tot onredelijke financiële druk en continuïteitsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Deze analyse deel ik niet. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties en het huidige stelsel van marktwerking leidt bovendien tot concurrentieprikkels die kunnen leiden tot verbetering van kwaliteit. Winstgevendheid van een zorgaanbieder (anders dan winstuitkering) is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Dat betekent niet dat financieel gewin de boventoon mag voeren, zoals dat wel het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Herkent u het signaal dat winst- en bezoldigingsbeperkingen in de zorg via vastgoedconstructies worden omzeild? Welke maatregelen overweegt u om dit te voorkomen, bijvoorbeeld door integrale toetsing van totale opbrengsten richting zorgondernemers?
De NZa en IGJ hebben in een gezamenlijke signalering «Versterk de integriteit en professionaliteit van de bedrijfsvoering in de zorgsector»4 gewezen op meldingen en signalen die zij ontvangen over het oneigenlijk besteden van zorggeld en twijfelachtige financiële of organisatorische constructies. Daarbij wijzen zij onder andere op normen zoals vastgelegd in de Governancecode Zorg ten aanzien van belangenverstrengeling en integere bedrijfsvoering, maar ook het door bestuurlijke en/of financiële constructies omzeilen van wettelijke bepalingen waardoor zorggelden oneigenlijk worden besteed. Deze signalering is aanleiding geweest om in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) de verplichting op te nemen dat aanbieders bij van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen normale marktvoorwaarden moeten hanteren. Deze norm is ook toegelicht in de beantwoording van vraag 7.
Hoe beoordeelt u het risico dat een verhuurder, die tevens (minderheids)aandeelhouder is, via huurconflicten druk kan uitoefenen op de bedrijfsvoering van een zorginstelling?
Het is onwenselijk als vanwege een huurconflict druk wordt uitgeoefend op de bedrijfsvoering van een zorginstelling. Als daarbij sprake is van niet-integer handelen verwacht ik, naast optreden van de interne toezichthouder, dat het wetsvoorstel Wibz de NZa mogelijkheden geeft om in een dergelijk geval nader onderzoek te doen en waar nodig maatregelen op te leggen.
Wat betekent een faillissementsaanvraag door een (voormalig) eigenaar/verhuurder voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen? Is de huidige wet- en regelgeving voldoende om te voorkomen dat patiënten de rekening betalen?
Het zal per situatie verschillen wat een faillissementsaanvraag betekent voor cliënten, medewerkers en lopende behandelingen. In de zorg geldt dat continuïteit van zorg voor patiënten en cliënten moet worden geborgd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in eerste instantie bij zorgverzekeraars middels de zorgplicht. De NZa houdt vervolgens toezicht op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
De huidige wet- en regelgeving, waaronder Zvw en Wlz, en het toezichtkader van de IGJ en de NZa, is erop gericht om de continuïteit en toegankelijkheid van zorg zoveel mogelijk te waarborgen. Tegelijkertijd kan niet in alle gevallen worden uitgesloten dat cliënten hinder ondervinden van financiële of organisatorische problemen bij een zorgaanbieder. Om ongecontroleerde faillissementen van instellingen, waar patiënten en cliënten de dupe van kunnen worden, te voorkomen heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sinds enige jaren het zogenoemde continuïteitsbeleid. Dit beleid beschrijft hoe om te gaan met instellingen in financiële problemen. Het is erop gericht continuïteit van zorg te borgen, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als de continuïteit van de instelling. Ook is het gericht op het voorkomen van ongecontroleerde faillissementen.
De kern is dat zorgaanbieders verplicht zijn om continuïteitsproblemen te melden bij zorginkopende partijen (zoals zorgkantoren en zorgverzekeraars). Zorgkantoren en zorgverzekeraars zijn weer verplicht dit te melden bij de NZa. Dit heet het early-warning-systeem (EWS). Bij problemen in instellingen zijn de zorginkopende partijen op grond van hun zorgplicht verplicht de continuïteit van zorg te borgen en de NZa ziet hierop toe. Pas in het uiterste geval wanneer betrokken partijen er zelf niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. De inzet van VWS geldt als laatste redmiddel5.
De IGJ verwacht van zorgaanbieders dat zij voorbereid zijn op een scenario waarin discontinuïteit van de zorgverlening aan patiënten, cliënten of bewoners dreigt te ontstaan. Bijvoorbeeld als gevolg van een mogelijk faillissement of voorgenomen besluit om te stoppen met het aanbieden van bepaalde vormen van zorg. Wanneer er daadwerkelijk discontinuïteit van zorg lijkt te ontstaan, moeten de activiteiten van alle betrokkenen gericht zijn op een warme overdracht van de zorgverlening. In de leidraad continuïteit van zorg en jeugdhulp6 legt de IGJ uit wat zij concreet verwacht van zorgaanbieders waarbij bijvoorbeeld vanwege faillissement risico’s voor de continuïteit van zorg aan patiënten en cliënten ontstaan.
Hiernaast is in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders een maatregel opgenomen waarbij een zorgaanbieder geen onverantwoorde risico’s mag nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Dit ook om te voorkomen dat deze onverantwoorde risico’s moeten worden terugverdiend waarbij het risico ontstaat dat de kwaliteit of continuïteit van zorg in het geding komt.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en IGJ hebben om in te grijpen wanneer zakelijke conflicten de zorgcontinuïteit bedreigen? Zijn deze instrumenten in dit dossier benut?
Hier verwijs ik naar de early-warning-systeem-afspraken en bevoegdheden van de IGJ, zoals omschreven in mijn antwoord op vraag 11. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht via de as van de zorgverzekeraar.
Acht u de productiviteitsdruk (zes van de acht uur cliëntencontact) medisch verantwoord, gelet op de noodzaak van voorbereiding, overleg en dossiervoering? Ziet u risico’s voor kwaliteit en werkdruk?
De beoordeling of zorg medisch verantwoord is, ligt primair bij de professionele beroepsgroepen en bij de individuele zorgverlener. Wat kwalitatieve zorg is, is vastgelegd in wet- en regelgeving en uitgewerkt in professionele standaarden, richtlijnen en zorgstandaarden. In het huidige zorgstelsel is de zorgaanbieder verantwoordelijkheid om kwalitatieve goede zorg te leveren en het is aan de zorgverzekeraar om voldoende zorg in te kopen tegen een tarief waardoor een aanbieder zorg kan aanbieden die voldoet aan de kwaliteitsstandaarden. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg.
Wat is uw oordeel over het gegeven dat diverse leidinggevenden en behandelaars zijn vertrokken na de overname?
Bij een overname is het niet ongebruikelijke dat er personeelswisselingen plaatsvinden. Wanneer leidinggevenden en behandelaren een zorginstelling verlaten, is het belangrijk dat de zorgcontinuïteit en de kennisoverdracht goed worden gewaarborgd. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder dat zij de maatregelen nemen die daarvoor nodig zijn. Verder is er een rol weggelegd voor de NZa en IGJ om toezicht te houden op, respectievelijk, de continuïteit en kwaliteit van zorg.
Hoe waarborgt u dat bij overnames van zorginstellingen niet primair financiële motieven, maar publieke waarden (kwaliteit, continuïteit, bereikbaarheid) centraal staan?
De zorgspecifieke fusietoets van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toetst fusies en overnames, met als doel om de publieke waarden te waarborgen. De NZa moet een concentratie of fusie eerst goedkeuren alvorens deze bij de Autoriteit, Consument en Markt (ACM) wordt getoetst. De ACM toetst overnames en fusies wanneer deze boven een bepaalde omzetdrempel vallen en kijkt daarbij onder andere of een organisatie niet te groot wordt. Met de aangekondigde aanscherpingen van de zorgspecifieke fusietoets krijgt de NZa ook de bevoegdheid om een concentratie tegen te houden als er risico’s zijn op een onrechtmatige bedrijfsvoering bij een of meer van de betrokken zorgaanbieders. Ook kan de NZa concentraties tegenhouden wanneer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) risico’s ziet voor de kwaliteit van zorg. Hiernaast heeft de intern toezichthouder ook een belangrijke rol bij het waarborgen van de kwaliteit, continuïteit en bereikbaarheid bij fusies en overnames.
Welke lessen trekt u breder voor het zorgstelsel uit dit conflict? Ziet u aanleiding voor aanscherping van toezicht, wetgeving of voorwaarden rond private investeerders in de ggz?
Zonder op dit specifieke geval in te gaan, kan ik stellen dat financieel gewin nooit de boventoon mag voeren in de zorg. Zeker wanneer daarbij geen oog is voor het belang van patiënt en voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. In de Wibz zit een voorwaarde waardoor er geen onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen mogen worden genomen. Dit moet voorkomen dat private investeerders of andersoortige investeerders de continuïteit van de zorgaanbieder in het geding brengen. Hiernaast wordt met de herbezinning op de Wibz ook gekeken naar aanscherpingen die zien op (private) investeerders met niet zuivere intenties. Een andere belangrijke rol is weggelegd voor de NZa, zij houden toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders. Zij heeft op dit moment al de mogelijkheid om bij signalen een onderzoek in te stellen. Op basis van de uitkomst van dit onderzoek kan de NZa eventueel maatregelen opleggen.
Ziet u het conflict rond Inter-Psy als een incident, of als symptoom van een structureel probleem waarin marktprikkels en aandeelhoudersbelangen botsen met het publieke belang in de zorg? Kunt u dat onderbouwen?
In de brief van 14 maart 20257 heeft mijn ambtsvoorganger uitgebreid stilgestaan bij de marktwerking in de zorg en de uitdagingen die het huidige stelsel met zich meebrengt. In deze brief wordt uitvoerig toegelicht dat marktprikkels in het zorgstelsel historisch gezien een rol hebben gespeeld bij het bevorderen van efficiëntie en keuzevrijheid, maar dat tegelijkertijd duidelijk is geworden dat ongebreidelde marktwerking niet altijd vanzelf leidt tot betere toegankelijkheid, samenwerking of continuïteit van zorg. Destijds werd gesignaleerd dat er op onderdelen aanpassingen nodig zijn om de publieke doelstellingen van kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit beter te borgen, zoals regels rond winstuitkeringen, het voorkomen van evident onwenselijke fusies en een meer gelijkgerichte inkoop in cruciale sectoren van de zorg8. Dat gezegd hebbende, kan ik niet ingaan in op individuele casussen.
Deelt u de analyse dat het huidige stelsel zorginstellingen stimuleert om te denken in termen van groei, rendement en vastgoedposities, in plaats van stabiliteit, nabijheid en kwaliteit van zorg? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat private investeerders, vaak georganiseerd in complexe holdings, strategische zeggenschap hebben over essentiële ggz-voorzieningen? Welke risico’s ziet u voor democratische controle en publieke verantwoording?
Ik vind het van groot belang dat bestuurders van zorginstellingen de kwaliteit en continuïteit van zorg voorop zetten, onafhankelijk van het type investeerder. Met het wetsvoorstel Wibz stel ik maatregelen aan het uitkeren van winst. Zo mag winst alleen worden uitgekeerd als de NZa geen maatregel heeft opgelegd vanwege tariefdelicten of overtreden van transparantiebepalingen.
Dit om de kwaliteit en continuïteit van zorg te beschermen en te voorkomen dat strategische keuzes of persoonlijk financieel gewin de overhand krijgen. Hiernaast ben ik met de aanscherping van de Wibz aan het kijken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn om het gedrag van investeerders die financieel gewin voorop stellen te mitigeren.
Bent u bereid om de Kamer een integrale analyse te sturen van de effecten van private investeringen, vastgoedconstructies en overnames op continuïteit, werkdruk, wachttijden en kwaliteit in de ggz – inclusief beleidsopties voor structurele hervorming?
Uit het rapport van EY uit 2024 worden geen verschillen in kwaliteit gevonden tussen PE-gefinancierde ggz instellingen, en niet-PE-gefinancierde instellingen9. Onderzoek van SiRM en Finance Ideas10 geeft aan dat private investeringen leiden tot nieuwe toetreders en innovatie en investeringen, wat erg belangrijk is in tijde van schaarste. Echter benoemt dit onderzoek ook risico’s verbonden aan private investeringen, zoals een focus op financiële resultaten en ongewenste risicoselectie. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een soortgelijke integrale analyse uit te voeren. Met de herbezinning van de Wibz wordt onder andere gekeken naar aanscherpingen om eventuele negatieve effecten van private investeringen verder tegen te gaan.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
De uitvoering van de motie Dijk c.s. over één periodieke tandartscontrole per jaar vanuit het basispakket vergoeden |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lager inkomen of opleiding? Grotere kans op kiespijn en kunstgebit»?1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monitort de mondgezondheid in Nederland en ziet dat de meeste Nederlanders (73% in 2023) hun mondgezondheid als goed ervaren, maar er zijn verschillen tussen sociaaleconomische groepen, waarbij lagere groepen het minder goed ervaren.2 De (financiële) toegankelijkheid van de mondzorg en het belang van preventieve mondzorg, zoals twee keer per dag poetsen met fluor, verdienen daarom aandacht.
Hoe kijkt u naar het feit dat één op de vijf mensen met een laag inkomen de tandarts mijdt vanwege de kosten?
We zien helaas dat circa 640.000 Nederlanders om financiële redenen niet regelmatig naar de tandarts gaan. Dit is natuurlijk onwenselijk, omdat dit kan leiden tot mondziekten en grotere problemen met de gezondheid. Ik merk op dat de financiële redenen vaak samengaan met andere redenen om de mondzorg te mijden (en dat het vaak begint met goede preventieve mondzorg). Het is daarom belangrijk dat een volgend kabinet de problematiek integraal bekijkt, waaronder de financiële toegankelijkheid van de mondzorg, en daarin keuzes maakt.
Deelt u de mening dat het een bizarre situatie is dat mondzorg nog steeds wordt behandeld als een luxeproduct, door het niet uit de basisverzekering te financieren, terwijl het enorm belangrijk is voor de mondgezondheid, de bredere gezondheid, de arbeidsparticipatie en het welzijn van mensen?
Ik deel noch de mening dat mondzorg «een luxeproduct» is, noch dat de mondzorg zo behandeld wordt. Ik ben wel van mening dat we moeten voorkomen dat we grote kostbare en minder gerichte maatregelen, zoals pakketmaatregelen, om de problemen bij een relatief kleine groep op te lossen. De gehele mondzorg in het basispakket heeft gevolgen voor de betaalbaarheid van de zorg en de zorgpremie, terwijl het gewenste effect «minder ongewenste zorgmijding», maar beperkt wordt behaald. Ik heb uw Kamer daarom op 10 december een brief gestuurd met daarin mogelijke gerichtere maatregelen3 ter overweging aan het volgende kabinet.
Zo ja, bent u bereid om mondzorg voortaan uit de basisverzekering te vergoeden? Zo nee, waarom hecht u zo weinig belang aan het belang van goede mondzorg voor iedereen?
Ik begrijp de vraag vanuit uw Kamer om meer mondzorg vanuit het basispakket te vergoeden. Ook ik hecht er veel waarde aan dat mensen in Nederland een goede mondgezondheid hebben. Het uitbreiden van het pakket met meer mondzorg is echter, zoals ik hierboven heb genoemd, een grote maatregel. Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) is daarom gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak op mondzorg. Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de fases en de tijdlijnen van dit adviestraject.4 , 5
Daarnaast heb ik, mede gezien de roep om de aanspraak op mondzorg uit te breiden, aan het Zorginstituut gevraagd om versneld te toetsen of mondzorg voor volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteria van de Zvw, een zogenaamde principiële toets. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van dd. 10 december 2025. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat op preventie gerichte mondzorg in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. De op behandeling gerichte mondzorg voldoet in principe wel aan het ingangscriterium van de Zvw. Dit betekent niet dat het Zorginstituut nu al adviseert om op behandeling gerichte mondzorg in het pakket op te nemen. Om te bepalen welke mondzorg eventueel passend is voor het pakket weegt het Zorginstituut namelijk naast de wettelijke criteria ook de maatschappelijke pakketcriteria mee. Bovendien is besluitvorming over het uitbreiden van het pakket aan een volgend kabinet.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van met een zeer brede meerderheid aangenomen motie Dijk c.s., die de regering verzocht «om één periodieke controle per jaar vanuit het basispakket te vergoeden, en de kosten te dekken door actieve fraudebestrijding in de zorg en door zo spoedig mogelijk nieuwe medisch specialisten alleen nog in loondienst te nemen»?2
Ik heb in mijn brief van dd. 10 december 2025 toegelicht hoe ik de motie Dijk c.s. heb afgedaan. De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen.7Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben.8
Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Waarom schreef u in antwoord op feitelijke vragen over deze motie dat het «aan het nieuwe kabinet [is] om te bezien of opname in het basispakket wenselijk is en hoe deze extra uitgaven financieel gedekt worden»?3 Waarom voert u dit besluit van een ruime Kamermeerderheid niet gewoon uit, aangezien deze motie heel duidelijk was over de opdracht en de financiële dekking daarvan?
In bovengenoemde brief aan uw Kamer heb ik toegelicht waarom ik de motie heb afgedaan. Ik zal dat normaals kort toelichten: De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen. Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben. Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Herinnert u zich de uitspraak van Minister-President Schoof tijdens de algemene beschouwingen «U heeft gelijk: die motie is aangenomen en heeft daarmee ook een duidelijk signaal afgegeven. We zullen de motie ter hand nemen – dat is logisch – en het op zo’n manier aanpakken dat het volgende kabinet alle bouwstenen heeft om hiermee verder te gaan. Op die manier hoop ik iets van beweging te krijgen.»? Is het kabinet inmiddels wel bereid om te erkennen dat de Kamer niet demissionair is en aangenomen moties niet kunnen worden overlaten aan het volgende kabinet?
Ja, dat herinner ik mij. Ik heb dan ook, zoals de Minister-President aangaf, de motie serieus in overweging genomen. Het was om bovengenoemde redenen niet haalbaar om de motie uit te voeren. Dit neemt niet weg dat ik het signaal dat er mensen zijn die om financiële redenen de tandarts mijden serieus neem. Ik zet mij nog steeds in om voor deze groep mensen tot een oplossing te komen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één en voor de begrotingsbehandeling VWS te beantwoorden?
Ja.
Het bericht '56 procent van Nederlanders draait verwarming niet open vanwege te hoge energiekosten: ’Kiezen tussen warm blijven of eten op tafel' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Telegraaf dat steeds meer Nederlanders besluiten de verwarming dicht te draaien vanwege te hoge energiekosten?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van de Telegraaf.
Kunt u kenbaar maken of deze cijfers in overeenstemming zijn met de gegevens van het ministerie? Zo ja, kunt u deze inzichtelijk maken en specificeren per gezinssituatie en onderverdelen in kinderen, volwassenen en senioren?
Voor cijfermatige inzichten in de ontwikkeling van energiearmoede maakt het kabinet gebruik van de jaarlijkse rapportages van CBS en TNO over dit onderwerp. Binnen deze rapportages is ook aandacht voor de onderconsumptie van energie, wat door TNO omschreven wordt als «verborgen energiearmoede». Het gaat hierbij om huishoudens met een laag inkomen en een woning van lage energetische kwaliteit die minder energie verbruiken dan verwacht.
De cijfers uit het artikel zijn niet in overeenstemming met de door TNO gepubliceerde inzichten. Het rapport waar de Telegraaf zich op baseert is tot stand gekomen op basis van een enquête. De resultaten uit deze enquête geven een belangrijk signaal af over de mate waarin huishoudens zich zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening. Het kabinet houdt voor wetenschappelijke inzichten en het observeren van trends vast aan de data die TNO hierover publiceert.
In de meest recente rapportage wordt ingeschat dat het aantal huishoudens dat kampt met verborgen energiearmoede in 2024 ongeveer 119.000 bedraagt, ongeveer 1.4% van alle huishoudens.2 Dit aantal fluctueert de afgelopen jaren tussen de 1% en 1,5% van alle huishoudens in Nederland. TNO heeft in haar rapportage geen nadere uitsplitsing gemaakt van deze groep, een verdeling naar gezinssituatie is hiermee niet voorhanden.
Hoe verklaart u deze trend van verhoogde energiearmoede en een van de hoogste gasprijzen van Europa? Waarom is het als kabinet niet gelukt deze trend te keren?
Volgens de voorlopige inschatting in de Monitor Energiearmoede van TNO en CBS leven in 2024 510.000 huishoudens in energiearmoede. Dit is bijna 180.000 huishoudens meer dan in 2023. Het rapport vindt de verklaring hiervoor in het energieprijsniveau en het aflopen van de financiële steunmaatregelen die waren ingesteld ten tijde van de energiecrisis, meer specifiek de energietoeslag en het prijsplafond.
Daarnaast geeft het onderzoek aan dat het aantal energiearme huishoudens lager ligt dan in 2019, voor de energiecrisis. Dit komt onder andere door de getroffen verduurzamingsmaatregelen, gedragsverandering van consumenten en een stijging van het besteedbaar inkomen. Het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en een laag inkomen daalt door verduurzaming van woningen.
De inkoopprijs van gas op de groothandelsmarkt (TTF) is over het afgelopen jaar bezien gedaald en gestabiliseerd. De gasprijs lag in december 2025 op het laagste niveau sinds 2 jaar tijd, met 26,55 EUR/MWH. De month-aheadprijs ligt op dit moment van schrijven op 36,88 EUR/MWH, en de day-aheadprijs van elektriciteit is gemiddeld 17% lager ten opzichte van vorig jaar.2 Deze lagere prijzen vormen de basis van de prijzen voor consumenten in nieuwe contracten. De ACM rapporteert dat ten opzichte van de piek in februari de tarieven nu 14% lager liggen voor langlopende vaste contracten, 8% lager voor één jaarcontracten en 7% lager voor variabele contracten. De gemiddelde consument betaalt bij een nieuw contract 130 euro minder per jaar.3
Klopt het dat het kabinet zich nog steeds heeft gecommitteerd aan het niet laten toenemen van armoede en het tegengaan van de langetermijngevolgen van armoede?
Zoals in het Regeerprogramma aangegeven streeft het kabinet er naar om de (kinder-) armoedecijfers niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024. Hoe het kabinet dit aanpakt is uitgewerkt in het Nationaal Programma Armoede en Schulden. Ik verwacht u dit kwartaal de eerste voortgangsrapportage te kunnen sturen.
Hoe verantwoordt u dan de oplopende energiearmoede en het feit dat nu één op de twaalf kinderen opgroeit in energiearmoede?2
Het kabinet vindt het belangrijk om huishoudens in energiearmoede te helpen met het betalen van de energierekening en om in te zetten op maatregelen die structureel de energierekening verlagen.
De toename van het aantal huishoudens in energiearmoede tussen 2023 en 2024 is, zoals aangegeven bij vraag 2, voornamelijk het gevolg van het weggevallen van de steunmaatregelen. Deze maatregelen waren in de crisissituatie nodig om huishoudens te beschermen tegen sterk gestegen prijzen. Tegelijkertijd waren het prijsplafond en de energietoeslag relatief ongericht. Inmiddels zijn de energieprijzen gestabiliseerd en ervaart een meerderheid van de consumenten de energierekening als betaalbaar5.
Tegelijkertijd weten we dat er nog steeds een groep kwetsbare huishoudens moeite heeft met het betalen van de energierekening. Om die reden heeft het kabinet afgelopen drie jaar ook een subsidie verstrekt aan de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Het effect van deze financiële tegemoetkoming is overigens niet meegenomen in de genoemde monitor. Daarnaast komen de effecten van diverse verduurzamingsmaatregelen die na 2023 zijn genomen en die ook van belang zijn voor huishoudens met (risico op) energiearmoede, zoals de inzet van SPUK Aanpak Energiearmoede, het verder uitfaseren van EFG-huurwoningen, niet in de voorlopige inschatting voor 2024 tot uiting.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld middels de prestatieafspraken met corporaties om woningen met slechte energielabels uit te faseren. Voor alle verhuurders gaat normering op dit punt gelden vanaf 2029. Ook heeft het kabinet recent de bevindingen van TNO in het kader van de motie Postma naar de Kamer gestuurd.6 Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede.
Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan en onmiddellijke verlichting voor gezinnen te bieden, nu het publieke energiefonds nog een jaar op zich laat wachten?
Het kabinet werkt op diverse manieren aan het betaalbaar houden van de energiekosten voor gezinnen met weinig geld. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Ministerie van KGG (stelselverantwoordelijkheid energiesysteem), het Ministerie van VRO (energetische kwaliteit van woningen) en het Ministerie van SZW (armoedebestrijding).
Via een Decentrale Uitkering (DU) heeft het kabinet in 2025 € 10 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. In 2026 komt hier nog eens € 20 miljoen bij. De financiële dekking voor deze impuls komt van de SZW-begroting (€ 10 miljoen) en het amendement Grinwis (€ 20 miljoen). De middelen worden via een Decentrale Uitkering verstrekt aan gemeenten en zijn daarmee breed inzetbaar. Deze middelen vormen geen vervanging van het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat directe inkomenssteun verleende aan inwoners. Gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de bestaande dienstverlening binnen de lokale aanpak van energiearmoede te versterken. Binnen die aanpak zijn er verschillende manieren waarop de middelen kunnen worden benut. Ik ben met de VNG tot deze brede formulering gekomen, omdat huishoudens in energiearmoede zowel mogelijk financiële problematiek als bij het verduurzamen van het huis hulp kunnen gebruiken. Daarbij weten gemeenten vaak het beste hoe ze hun inwoners verder kunnen helpen.
Daarnaast heb ik in de Kamerbrief van 7 november geschetst welke inspanningen ik heb gepleegd om te bezien of er opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie kon komen deze winter en waarom dit niet mogelijk is.
Met de impuls van € 30 miljoen voor de lokale energiearmoedeaanpak en het benutten van de data van 151.000 huishoudens van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie kunnen gemeenten aanvullende en gerichtere hulp aanbieden.
Deelt u de mening van de Stichting Consumer Justice (CJF) dat de grote energieleveranciers misbruik maken van de prijswijzigingsclausules en daarmee het consumentenrecht en mededingingsrecht hebben overtreden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
De zaak waarover Stichting Consumer Justice spreekt, wordt momenteel in cassatie behandeld voor een individuele klant. Daarnaast is Stichting Consumer Justice een procedure gestart voor een massaclaim voor klanten die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt. Het proces wordt door het Kabinet met aandacht gevolgd, maar het kabinet laat zich niet inhoudelijk uit over een zaak die zich nu nog onder de rechter bevindt. Er moeten diverse stappen doorlopen worden voordat duidelijk is wat de uitkomst zal zijn en of en zo ja voor welke groep consumenten deze uitspraak gevolgen kan hebben.
Bent u bereid een einde te maken aan telefonische werving, zoals de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Er komen helaas veel gegronde klachten binnen van consumenten over telefonische werving. Dit probleem blijft niet onopgemerkt, want er wordt op allerlei manieren gewerkt aan maatregelen om klachten ten aanzien van telefonische werving aan te pakken vanuit zowel het Ministerie van Economische zaken als het gaat om consumentenbeleid in den brede -als het Ministerie van Klimaat en Groene Groei indien het specifiek de energiesector betreft. Een totaalverbod op telefonische werving is momenteel niet mogelijk, gezien de Europese kaders die daarvoor gelden. Wel wordt telemarketing op grond van de klantrelatie in 2026 verboden. Op dit moment mogen consumenten alleen worden gebeld als zij de beller daarvoor toestemming hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest). Consumenten mogen straks alleen worden gebeld als zij de beller daar vooraf expliciet toestemming voor hebben gegeven.
Daarnaast zit in de nieuwe Energiewet, die op 1 januari 2026 van kracht is geworden, een nieuwe grondslag die ruimte beidt aan de ACM om de vergunning van een energieleverancier in te trekken die zich meermaals schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding bij telefonische verkoop. Ook als namens een vergunning houdende energieleverancier geworven wordt, kan deze nieuwe stevige bepaling ingezet worden door de ACM.
Bent u bekend met het concept van de prijzenwaakhond in Zwitserland? Kunnen we soortgelijke bevoegdheden geven aan de ACM zodat zij de prijzen kunnen reguleren, controleren en, indien nodig, blokkeren? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren? Zo nee, waarom niet?
In Zwitserland is de energiemarkt anders ingericht dan in Nederland, want de energiemarkt is daar niet volledig geliberaliseerd. Ook gelden de Europese kaders ten aanzien van de inrichting van de gas- en elektriciteitsmarkt niet in Zwitserland. De ACM kan geen prijzen reguleren of blokkeren, dat gaat in tegen de Europese regels over vrije prijsvorming. Wel mag de ACM prijzen controleren. Het is in beginsel aan energieleveranciers zelf om hun prijzen te bepalen en aan consumenten om een afweging te maken tussen de producten en prijzen van verschillende aanbieders. Een vergunning houdende energieleverancier moet energie leveren tegen transparante en redelijke prijzen. Een prijs is niet redelijk als deze onevenredig hoog is gezien de kosten van de leverancier of niet concurrerend is. De ACM houdt hierop toezicht en kan een bestuurlijke boete opleggen indien hieraan niet voldaan wordt.
Zou het volgens u helpen om de energie betaalbaar te maken door deze publiek te organiseren en zeggenschap te geven aan bijvoorbeeld omwoners zoals we steeds meer zien gebeuren door het land heen? Zo ja, hoe bent u van plan dit nationaal te stimuleren? Zo nee, waarom niet?3
Het publiek organiseren an sich helpt niet om energie betaalbaarder te maken, mede omdat een gevarieerd aanbod en concurrentie tussen energieleveranciers op de energiemarkt financieel voordeliger zijn voor de consument. Als omwonenden een energieproductiefaciliteit in eigendom hebben, vaak via een lokale energiecoöperatie, kan dit bijdragen aan de betaalbaarheid van energie als de coöperatief opgewekte energie tegen kostprijs aan de omgeving wordt geleverd.
Energiecoöperaties zijn echter ook kwetsbaar vanwege een beperkt portfolio waardoor risico’s onvoldoende gespreid kunnen worden.8 In de Kamerbrief over energiegemeenschappen van 29 september jl. is toegelicht hoe het kabinet de ontwikkeling van lokale energie-initiatieven stimuleert.9
Een belangrijke voorwaarde voor, en aandachtspunt bij, een goed werkende concurrerende energiemarkt is en blijft transparantie ten aanzien van prijzen en contractvoorwaarden. Dit is een consumentenrecht en wordt in de nieuwe Energiewet op verschillende punten aangescherpt. Zo hebben consumenten recht op een kosteloos en onafhankelijk vergelijkingsinstrument waarin energiecontracten vergeleken kunnen worden. Ook is verankerd dat een energieleverancier zijn prijzen en voorwaarden presenteert op een dusdanige wijze dat eindafnemers in staat zijn prijzen en voorwaarden van verschillende energieleveranciers te vergelijken. Voor lokaal opgewekte energie wordt gewerkt aan een transparante prijsvorming via een kostprijs-plus model dat voor alle energiegemeenschappen gelijk is. Zo zijn energiegemeenschappen een nieuw – niet commerciële speler op de energiemarkt en een alternatieve keuze voor consumenten om in hun energie te voorzien.
Erkent u dat het idee van de SP dat het reguleren van de prijzen van basisproducten, zoals energie en boodschappen, ervoor zorgt dat de (energie)armoede afneemt en gezinnen meer ruimte over houden in hun portemonnee? Zo ja, bent u bereid om deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Aan het reguleren van de prijzen kleven in de praktijk flinke nadelen aan. De Minister van Economische Zaken is dieper op prijsregulering ingegaan in de Kabinetsreactie op Initiatiefnota «Minder inflatie, meer bestaanszekerheid» van NSC en PVV. Maximumprijzen kunnen leiden tot schaarste en verminderde toegankelijkheid van producten en diensten. Daardoor kunnen goedbedoelde maatregelen verkeerd uitpakken, en zijn consumenten uiteindelijk slechter af. Het kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat energieleveranciers geen nieuwe energiecontracten meer willen afsluiten, of dat bepaalde boodschappen niet meer beschikbaar zijn. Prijsregulering kan worden gebruikt in markten waarin een structureel marktfalen leidt tot gebrekkige concurrentie en verslechterde consumentenbescherming. In Nederland beoordeelt de ACM of er sprake is van misbruik van marktmacht en of er gebrekkige concurrentie is. Zo heeft de ACM in september aangekondigd onderzoek te doen naar prijzen van boodschappen en mogelijke marktproblemen die leiden tot hogere prijzen. De ACM maakt als onafhankelijke toezichthouder op basis van deskundigheid zelf een beslissing over het opstarten van een onderzoek.
De voortgangsrapportage Hertsteloperatie Toeslagen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom acht u het disproportioneel om gegevensdeling tussen UHT en DUO wettelijk mogelijk te maken teneinde inzicht te krijgen in welke jongeren een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, terwijl dezelfde informatie wel noodzakelijk is om de omvang en aard van het probleem in kaart te brengen?1
Gegevensdeling tussen UHT en DUO zou uitsluitend inzicht geven in de hoogte en de aantallen studieleningen van getroffen jongeren, niet over of die leningen het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Een dergelijke gegevensdeling zal dus niet de omvang en aard van het mogelijke probleem in kaart brengen. Het zal alleen een onvolledig beeld geven, op basis waarvan geen onderbouwd beleid te ontwikkelen is.
De Tweede Kamer heeft meermaals aangegeven geen voorstander te zijn van een generieke regeling voor het kwijtschelden van studieleningen. Ook de Raad van State heeft gewezen op de risico’s van meer generieke regelingen2 en ook de commissie Van Dam waarschuwt dat een algemene regeling op dit gebied niet wenselijk is3. Het kabinet kan zich geheel in die conclusies vinden. Nu er geen generieke kwijtscheldingsregeling zal komen, is het disproportioneel om de gevraagde gegevens te verzamelen en te verwerken. Een wetswijziging realiseren om een dergelijke gegevensdeling alsnog mogelijk te maken is om die reden dan ook onwenselijk aangezien dit een onnodige inbreuk op de privacy van de betrokken jongeren zal betekenen.
Dit neemt niet weg dat het kabinet het leed erkent dat kinderen en jongeren hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire. Ook zij zijn getroffen.
Daarom is er samen met hen in 2022 de kindregeling ontwikkeld en wettelijk vastgelegd. De kindregeling is bedoeld als steun in de rug, als onverplichte betaling, om hen tegemoet te komen. De groep kinderen die geraakt is door de toeslagenaffaire is namelijk zeer divers, in leeftijd en in behoeften.
Daarom bestaat de ondersteuning aan getroffen kinderen uit een breed aanbod:
Op deze manier draagt het kabinet bij aan een hoopvolle toekomst voor jongeren.
Ik zie en erken ook de signalen van openstaande studieleningen van getroffen jongeren die zij als gevolg van de toeslagenaffaire zijn aangegaan. Dat is één situatie, er zijn ook veel andere manieren waarop het gezin overeind is gebleven tijdens de problemen met de kinderopvangtoeslag. Daarom gaat financiële compensatie en aanvullende schadevergoeding in de hersteloperatie naar de erkend gedupeerde ouder en diens gezin; de ouders weten als geen ander hoe zij het hoofd boven water hebben gehouden en wie daarbij hebben geholpen. Na de beoordeling door UHT en na het eventueel doorlopen van een aanvullende schaderoute5 krijgen ouders hun financiële schade gecompenseerd. Zij kunnen dit geld inzetten om de mensen terug te betalen die hen ten tijde van de toeslagenaffaire financieel hebben bijgestaan, bijvoorbeeld hun kinderen.
Mocht de studielening toch tot problemen leiden voor jongeren, dan kunnen zij terecht bij DUO. DUO kent verschillende mogelijkheden waar jongeren in veel gevallen een beroep op kunnen doen als zij problemen ervaren bij het terugbetalen van de lening, of tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. Onder meer om de hiervoor genoemde redenen ga ik geen regeling treffen voor studieleningen. Dat heeft ook de Kamer meermaals bevestigd.
Kunt u volledig uiteenzetten welke juridische obstakels bestaan voor gegevensdeling tussen UHT en DUO, en waarom deze niet kunnen worden weggenomen met een zorgvuldig vormgegeven wettelijke grondslag die privacy waarborgt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke alternatieven heeft u onderzocht om toch inzicht te krijgen in de omvang van studieschulden van jongeren die geraakt zijn door de toeslagenaffaire, zonder dat daarvoor directe gegevensuitwisseling nodig is?
Aan het CBS is gevraagd om te kijken naar mogelijkheden om de impact van de toeslagenaffaire op levens van getroffen gezinnen te onderzoeken. Het CBS heeft op 17 oktober jl. de Haalbaarheidsstudie Kinderen beëindigd, omdat een goede voor- en nameting niet te maken is, waardoor de kwaliteit van de onderzoeksresultaten niet voldoende is gewaarborgd. Het wel uitvoeren van dit onderzoek brengt te veel uitvoeringstechnische risico’s met zich mee om door het CBS uitgevoerd te worden. Ik volg daarin het advies van het CBS.
Hierbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken dat er geen generieke regeling komt voor studieleningen van getroffen kinderen, om de redenen die ik hierboven heb toegelicht. Het nogmaals en verder verkennen van andere methoden acht ik dan ook niet opportuun. Het palet aan mogelijkheden in het kader van de kindregeling, zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 en 2, bieden samen met de bestaande voorzieningen bij DUO een breed aanbod dat past bij de diversiteit in problematiek van de kinderen van gedupeerde ouders, inclusief indirecte compensatie via de schadeherstelroute van de ouder. Ik vind het belangrijk om mijn energie te richten op het verbeteren en verspreiden van dat aanbod, en om geen valse verwachtingen te wekken bij jongeren op gebied van aanvullende regelingen die het kabinet niet zal introduceren.
Kunt u uitleggen waarom het oordeel van het CBS dat een dergelijk onderzoek «vooralsnog niet uitvoerbaar» is, betekent dat het überhaupt niet kan worden uitgevoerd, in plaats van dat wordt onderzocht onder welke voorwaarden het wél uitvoerbaar kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt uw standpunt zich tot de aanbevelingen van diverse belangenorganisaties (Het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen (OJPT), Ombudsman Rotterdam-Rijnmond (ORR) en de Rijnmondse Alliantie) en gedupeerden zelf, die juist pleiten voor inzichtelijkheid en transparantie in de omvang van jongerenproblematiek binnen de toeslagenaffaire?
Ik ben mij zeer bewust van de verhalen van getroffen jongeren en de impact die die de toeslagenaffaire ook op hun levens heeft gehad, onder andere op basis van de verhalen van de jongeren die ik persoonlijk spreek. Elk verhaal is anders. Ik vind het daarom belangrijk dat getroffen jongeren niet door hun schulden in de problemen komen. Daarom ben en blijf ik in gesprek met deze jongeren, waaronder met het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen, en met onder andere de (kinder)ombudsman Rotterdam-Rijnmond om de hulp die we hebben te blijven verbeteren.
Hoe waarborgt u dat jongeren die wél een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire volledig worden geholpen als er geen systematisch inzicht bestaat in welke jongeren dit betreft?
Het is belangrijk dat alle jongeren, en dus ook jongeren die een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, de juiste hulp krijgen bij hun studielening als zij problemen hebben met deze lening, bijvoorbeeld als zij moeite hebben met terugbetalen of als zij tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. In veel gevallen kunnen zij in die situaties een beroep doen op de mogelijkheden die DUO biedt. In de kamerbrief van juni 20246 en in de beantwoording van de schriftelijke vragen in maart 20257 is aan uw Kamer uitgebreid uiteengezet wat deze mogelijkheden zijn, waaronder ook indirecte vergoeding via een schadeherstelroute van de ouder. Het is belangrijk dat jongeren weten wat de mogelijkheden bij DUO zijn. Daarom is er in de afgelopen periode extra aandacht besteed aan het verbeteren van informatievoorziening hierover, o.a. op de website kindregelingvoorjou.nl.
Bent u bereid om samen met DUO, UHT, het CBS en privacyexperts te verkennen welke (geanonimiseerde of statistische) methoden wél mogelijk zijn om de gevraagde informatie te verzamelen, en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat zonder inzicht in aantallen, gemiddelde hoogte en totale studieschuld, het onmogelijk is voor de Kamer om weloverwogen beleid te maken of te beoordelen of bestaande compensatie voldoende is?
Ik ben het met u eens dat kinderen van gedupeerde ouders geraakt zijn door de toeslagenaffaire. Met de kindregeling erkent het kabinet dit leed en ondersteun ik hen richting de toekomst. Ik blijf me voor deze kinderen en jongeren inzetten.
Ik vind het daarbij belangrijk om helder te zijn in wat wel en niet mogelijk is en om geen valse verwachtingen te wekken. De kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders is ingevoerd met brede steun in uw Kamer, met het besef dat deze niet was en is bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren. Schade wordt vergoed aan de gedupeerde ouder en diens gezin, bijvoorbeeld voor gemist inkomen. Het kabinet heeft er samen met uw Kamer voor gekozen om kinderen en jongeren een steun in de rug te bieden: een (onverplichte) tegemoetkoming, richting de toekomst. We zetten daarbij in op ondersteuning op verschillende leefgebieden, passend bij de diversiteit aan problematiek en behoeften. Een aparte regeling past hier niet bij en is ook meermaals door uw Kamer verworpen. Ik wil daarom duidelijk zijn en mijn inzet richten op het verschil maken voor kinderen en jongeren, door in te zetten op verbetering en verspreiding van het brede pakket dat wij juist voor hen te bieden hebben.
Waarom acht u het acceptabel dat er anno 2025 nog steeds geen volledig beeld bestaat van de financiële schade die jongeren persoonlijk hebben geleden door de toeslagenaffaire, inclusief studieschulden?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Consortium wil wettelijke bezorgtaak van PostNL overnemen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van het FD dat verschillende partijen de wettelijke bezorgtaak van PostNL willen overnemen?1
Ik waardeer het initiatief van deze postvervoerders, Business Post en Spotta, (hierna «het beoogde consortium»), maar de komende periode staat in het teken van het politieke debat en keuzes over ingrijpende wijzigingen in de voorwaarden van de Universele Postdienst (UPD) en in de Postwet 2009.2 Daarmee verhoudt het zich niet goed om nu besluiten te nemen die de bestaande marktordening fundamenteel zouden veranderen. Een selectieprocedure en intrekking van de UPD-aanwijzing kunnen pas worden overwogen zodra de Kamer zich heeft uitgesproken over de voorgestelde maatregelen en keuzes heeft gemaakt over de toekomstige inrichting van de postmarkt. Pas dan kan worden beoordeeld hoe dit verzoek zich tot die keuzes verhoudt.
Ten overvloede merk ik op dat het beoogde consortium op korte termijn nog niet in staat is om landelijk alle onder de UPD gedefinieerde diensten te leveren. Zo dekt het beoogde consortium momenteel niet alle huishoudens en is er vooralsnog geen definitieve partner voor de pakketbezorging van de UPD. Het beoogde consortium suggereert dat het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD ook een mogelijke vorm van marktordening is maar beleidsmatig vind ik dat onwenselijk. Ik streef naar een systeem met eenvoud en efficiëntie in uitvoering en handhaving. Dat pleit ervoor om de UPD-dienstverlening bij één partij te beleggen. Dit schept tevens duidelijkheid over wie verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het naleven van de wettelijke verplichtingen, zoals bezorgnormen, landelijke dekking en tariefregulering.
Wel zie ik kansen voor verbetering van de huidige samenwerking tussen regionale vervoerders en de huidige UPD-verlener binnen de bestaande kaders, bijvoorbeeld in de vorm van onderaanneming. Dit vergt geen aanpassing van wet- en regelgeving en kunnen deze partijen nu al onderling oppakken.
Kunt u een tijdslijn geven van de gesprekken met PostNL over de bezorgplicht en wanneer Spotta en BusinessPost contact met het ministerie hebben gezocht?
Op 23 september jl. heeft een gesprek plaatsgevonden met Business Post en het ministerie, waarin Business Post heeft aangegeven in een consortium samen met Spotta de UPD te willen uitvoeren. Tijdens dit gesprek heeft Business Post namens het beoogde consortium een verzoek ingediend om de aanwijzing van PostNL in te trekken en een selectieprocedure te starten, waarin het beoogde consortium kan meedingen.
Op 2 oktober jl. heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen PostNL en het ministerie, waarin de ontvangst van haar verzoek tot intrekking van de UPD is bevestigd.
Op 1 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en PostNL over haar verzoek en het verzoek van het beoogde consortium.
Op 9 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en beoogde consortium over hun verzoek.
Op 19 december jl. heb ik de verzoeken van PostNL en het beoogde consortium afgewezen. Het bezwaar van PostNL tegen de afwijzing van haar subsidieverzoek, het verzoek van PostNL om de UPD-aanwijzing in te trekken en het verzoek van het beoogde consortium om een nieuwe selectieprocedure te starten worden daarmee niet gehonoreerd.
Welke risico’s ziet u voor de continuïteit van de postbezorging wanneer de Universele Postdienst (UPD) wordt opgeknipt in meerdere uitvoerders? Kunt u dit per risico – logistiek, kwaliteitscontrole, arbeidsmarkt, aansprakelijkheid – uiteenzetten?
De beantwoording van vraag 3 en 4 zijn samengenomen.
Zijn er juridische of logistieke belemmeringen voor meerdere partijen om gezamenlijk de UPD uit te voeren, bijvoorbeeld rond aansprakelijkheid, foutafhandeling, uniforme tarieven en landelijke dekking?
Ondanks de gevoerde gesprekken ben ik niet overtuigd van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de door het beoogde consortium gepresenteerde alternatieve postvisie.3 Het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD acht ik beleidsmatig onwenselijk. Een dergelijke inrichting leidt waarschijnlijk tot hogere maatschappelijke kosten, een zwaardere belasting voor toezichthouders en overheid en grotere complexiteit in borging van tarieven, kwaliteit en landelijke dekking. In een krimpende markt acht ik het bovendien niet haalbaar om meerdere (regionaal of landelijk) dekkende postnetwerken in stand te houden. Eén landelijk dekkend netwerk bevordert efficiëntie, continuïteit en betaalbaarheid, zoals ook blijkt uit ACM-onderzoek4 en mijn bredere beleidsvisie5 waarin post-, pakket- en andere bezorgnetwerken beter op elkaar aansluiten.
Wanneer meerdere partijen gezamenlijk in het beoogde consortium verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de UPD, ontstaan daarnaast onduidelijkheden rond aansprakelijkheid, kwaliteitsborging, klachtenafhandeling en logistieke afstemming. Onduidelijkheden hierover bemoeilijken effectief toezicht en kunnen ten koste gaan van consumenten, die gebaat zijn bij één duidelijk aanspreekpunt. De voorgestelde «neutrale regierol» roept vragen op over verdeling van verantwoordelijkheden. Ook zijn de effecten op de arbeidsmarkt onzeker: regionale aanbestedingen kunnen leiden tot verschuivingen in volumes en werkgelegenheid, met mogelijk gedwongen ontslagen, terwijl tegelijkertijd extra coördinatiecapaciteit nodig kan zijn. Deze onzekerheden onderstrepen de risico’s van een dergelijke marktinrichting.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat, mochten deze gesprekken toch plaatsvinden, de werknemerspositie van zowel de huidige postbodes als de nieuwe werknemers hetzelfde blijven en waar mogelijk versterkt? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige postbodes hun baan behouden ongeacht welk effect dit heeft voor PostNL?
Ik zet mij in voor realistische kaders voor de UPD, die uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare capaciteit van de markt. Daarmee wil ik bijdragen aan het zoveel mogelijk duurzaam behouden van werkgelegenheid in de sector, met oog voor de realiteit van een krimpende postmarkt. De maatregelen die ik in het Postbesluit6 heb voorgesteld, en die momenteel ter voorhang aan uw Kamer zijn aangeboden, vormen daarbij een belangrijke stap.
Daarnaast dienen werkgevers zich daarbij te houden aan alle relevante wet- en regelgeving, waaronder bepalingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Vakbonden en werkgevers kunnen onderling afspraken maken over arbeidsvoorwaarden. De naleving van deze regels wordt bewaakt door de toezichthoudende instanties. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de arbeidswetten door werkgevers.
Hoe verantwoordt u concurrentie rondom de UPD als dat een belangrijk onderdeel is van de taken van het Rijk? Bent u bereid de concurrentie tegen te gaan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het wenselijk dat op bepaalde delen van de postmarkt ruimte blijft voor concurrentie. Concurrentie kan bijdragen aan het borgen van publieke belangen door innovatie te stimuleren en marktpartijen te prikkelen om diensten betaalbaar en van hoge kwaliteit te leveren die aansluiten bij de behoeften van gebruikers. Ik zie er daarbij op toe dat de UPD toegankelijk blijft en voldoet aan de vastgestelde kwaliteitsnormen. Wanneer concurrentie risico’s oplevert voor het borgen van publieke belangen die samenhangen met de UPD, kan de overheid waar nodig ingrijpen via wet- en regelgeving.
Daarnaast verandert de postmarkt snel: het aantal brieven en kaarten neemt af, terwijl de kosten voor postbezorging stijgen. Dit maakt het steeds moeilijker om een haalbaar businessmodel te behouden. Een tweede landelijke postnetwerk is in een krimpende markt niet haalbaar, zo constateert ook de ACM in haar onderzoek.7 Ik streef daarom naar een transitie van een traditionele postmarkt naar een brede bezorgmarkt, waarin post via verschillende netwerken (zoals pakket- en foldernetwerken) kunnen worden bezorgd. Dit stimuleert concurrentie en innovatie, en maakt het mogelijk om efficiënter te werken in een krimpende markt en post toegankelijk te houden voor de gebruiker.
Hoe beschermt u de arbeidsvoorwaarden van werknemers in een markt die alleen maar verder concurreert? Bent u bereid hier stappen in te ondernemen als blijkt dat werknemers de dupe zijn van de concurrentiestrijd?
Er bestaan in Nederland verschillende waarborgen om werknemers te beschermen, ook in markten waar concurrentie een rol speelt. Werkgevers dienen te voldoen aan de geldende arbeidswetgeving, waaronder regels over loon, arbeidstijden, arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling. Daarnaast worden cao-afspraken tussen sociale partners breed toegepast in de sector. Zoals ook op vraag 5 is geantwoord, zien sociale partners toe op de naleving van cao’s en de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door de werkgevers.
Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met betere arbeidsvoorwaarden, met name als postbedrijven concurreren met andere sectoren om arbeidskrachten die passen bij het profiel van de postbezorger. Als er binnen dit segment van de arbeidsmarkt ook sprake is van krapte, heeft deze groep de mogelijkheid om elders beter betaalde of aantrekkelijkere banen te vinden, wat bedrijven in de postsector prikkelt om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren om personeel aan te trekken en te behouden.
Het ontwikkelen van verdere aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt acht ik niet noodzakelijk en bovendien onwenselijk. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Verdere sectorspecifieke regelgeving specifiek voor werknemers in de postmarkt is niet nodig ten opzichte van de reeds bestaande generieke bescherming. Die biedt een solide basis voor alle werknemers, ongeacht de sector waarin zij werkzaam zijn.
Deelt u de analyse dat de voortdurende problemen met PostNL – zoals verlieslatende uitvoering, druk op arbeidsvoorwaarden, teruglopende kwaliteit en het herhaaldelijk vragen om staatsteun – laten zien dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt mislukt is? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Nederland behoort al jaren tot de best presterende landen in de ranglijsten van de Wereldpostunie (Universal Postal Union) en wordt internationaal gezien als een voorbeeld van hoogwaardige en toegankelijke postdienstverlening tegen relatief lage kosten. Deze resultaten wijzen er niet op dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt is mislukt.
Dat neemt niet weg dat de markt substantieel veranderd is door de voortdurende en forse daling van het postvolume. Dit legt druk op de uitvoering van de UPD, de kostendekkendheid en de bedrijfsmodellen van marktpartijen, waaronder PostNL. Deze uitdagingen zijn echter primair het gevolg van structurele marktontwikkelingen, en niet van het principe van liberalisering zelf.
Het blijft daarom van belang dat het wettelijke kader tijdig wordt aangepast aan deze veranderende omstandigheden. Met de beoogde maatregelen die ik met de wijziging van het Postbesluit 2009 en de voorliggende wijziging van de Postwet 2009 voorstel, werk ik aan een toekomstbestendig stelsel dat ruimte biedt voor een duurzame uitvoering van de postdienstverlening.
Bent u het ermee eens dat essentiële en publieke diensten, zoals de postbezorging, geborgd moeten worden door te functioneren zonder winstoogmerk en concurrentie in plaats van afhankelijk te zijn van commerciële belangen die primair gericht zijn op winst in een krimpende markt?
Ik ben het ermee eens dat de postdienstverlening in Nederland moet worden geborgd. Dat gebeurt echter niet door de dienstverlening zonder winstoogmerk te organiseren, maar door duidelijke wet- en regelgeving en toezicht. Hierdoor blijven toegankelijkheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid gewaarborgd, ook in een krimpende markt.
Daarnaast heeft liberalisering van de postmarkt ook belangrijke voordelen opgeleverd. Concurrentie stimuleert efficiëntie, innovatie binnen de sector. Marktpartijen worden geprikkeld om hun dienstverlening te verbeteren, processen te optimaliseren en in te spelen op veranderende behoeften van consumenten en bedrijven. Dit heeft in het verleden geleid tot lagere kosten, snellere bezorging en een breder aanbod van post- en pakkettenservices. Een volledig publieke uitvoering zonder ruimte voor marktwerking zou het risico met zich meebrengen dat innovatie afneemt en de sector minder flexibel kan inspelen op technologische en economische ontwikkelingen. Door publieke belangen wettelijk te verankeren en marktwerking binnen duidelijke kaders toe te staan, ontstaat een evenwicht tussen maatschappelijke waarborgen en economische dynamiek. Op die manier blijft de postvoorziening toekomstbestendig, ook in een snel veranderende communicatiemarkt.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de UPD zou functioneren in publieke handen of als een niet-commerciële organisatievorm, bijvoorbeeld een publiek bedrijf, zodat continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden voorop staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, een andere vorm van marktordening is op dit moment niet aan de orde. Het publieke belang dat raakt aan post als communicatiemiddel neemt richting de toekomst af, aangezien steeds minder mensen hiervan gebruikmaken en communicatie in toenemende mate digitaal plaatsvindt. In een krimpende markt met een kleiner wordende relevantie voor het publiek belang is een dergelijke ingrijpende stelselwijziging niet passend.
De borging van de belangen rond de UPD, zoals continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden zijn bovendien al verankerd via het bestaande wettelijke kader en het toezicht daarop. Binnen dit stelsel kunnen eventuele knelpunten effectief worden aangepakt zonder dat een niet-commerciële of volledig publieke organisatievorm noodzakelijk is.
Deelt u de mening dat binnen scherpe marktomstandigheden, zoals op de postmarkt, concurrentie lage prijzen tot gevolg heeft die zullen worden ingelost op arbeid, zoals bijvoorbeeld CNV aangaf bij de intrede van Spotta op de postmarkt?2 Zo ja, wat gaat u hier tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet de conclusie dat concurrentie per definitie leidt tot lagere arbeidsvoorwaarden. Concurrentie kan weliswaar druk zetten op kosten, maar in Nederland bestaan er meerdere robuuste borgingsmechanismes die werknemers beschermen, ook in markten met scherpe concurrentie. Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Werkgevers moeten zich altijd houden aan de arbeidswetgeving en ook cao-afspraken tussen sociale partners zijn breed van toepassing. Hierop houden verschillende organisaties toezicht: de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door werkgevers, de sociale partners op cao-naleving.
Het is daarom niet noodzakelijk noch wenselijk om aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt in te voeren ter bescherming van de arbeidsvoorwaarden. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Daarnaast bieden bestaande horizontale regels en het bijbehorende toezicht een solide en generiek beschermingskader voor alle werknemers, ongeacht marktomstandigheden of de mate van concurrentie. Indien er desondanks signalen ontstaan dat werknemers daadwerkelijk worden benadeeld, kunnen deze binnen het huidige kader adequaat worden opgepakt, bijvoorbeeld via interventies van sociale partners of door handhavend optreden van toezichthouders.
Erkent u de waarschuwing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Raad voor de Rechtspraak dat de postbezorging miljoenen brieven te laat gaat bezorgen door het opheffen van de Postwet en zelfs in strijd is met Europese eisen en rechtsbescherming?3, 4 Zo ja, volgt u de adviezen van de ACM op? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het niet eens met dit geschetste beeld. De postdienstverlening blijft voor burgers toegankelijk en van voldoende kwaliteit. Tegelijkertijd neem ik de signalen en aanbevelingen van de ACM en de Raad voor de Rechtspraak serieus en onderhoud ik nauw contact om hier opvolging aan te geven. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Postbesluit 2009 ga ik nader in op deze punten, waarbij de standpunten van beide partijen worden meegenomen.
Onderschrijft u de negatieve ketteneffecten die het opheffen van de UPD zullen hebben op de betrouwbaarheid van de postbezorging? Zo ja, hoe vangt u deze op? Zo nee, waarom niet?
De effecten die het lid van Dijk omschrijft kan ik niet goed plaatsen. Ook is het opheffen van de UPD momenteel niet aan de orde.
Het bericht dat 1 op de 6 Nederlanders stressvol werk heeft, vooral in de zorg en het onderwijs |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat 1 op de 6 Nederlanders stressvol werk heeft, vooral in de zorg en het onderwijs?1
Ik vind het zorgelijk dat 1 op de 6 Nederlanders aangeeft een stressvolle baan te hebben. In Nederland moet iedereen gezond en veilig kunnen werken. Daar hoort bij dat werk niet structureel te veel stress mag opleveren. Ik vind het daarom belangrijk dat ongezonde werkdruk wordt teruggedrongen.
De ervaren werkdruk en werkstress verschillen sterk per individu en context. De aard van het werken in de zorg en het onderwijs brengt met zich mee dat het werk stressvol kan zijn. Belangrijk is dat er ook energiebronnen zijn waar medewerkers energie uit halen. Ondanks de ervaren werkdruk is 87% van de medewerkers in zorg en welzijn van mening inhoudelijk leuk werk te hebben en 85% geeft aan het werk als zinvol te ervaren2. Ook in het onderwijs zien we dat ondanks de ervaren werkdruk maar liefst 95% van de leraren met plezier op school werkt3. Werkdruk en werkplezier moeten dus met elkaar in balans zijn, ongeacht de sector waar een werknemer zich in bevindt. Als de werkdruk te hoog wordt is het belangrijk om ook in te zetten op de energiebronnen zodat deze in balans blijven.
Wat is uw verklaring voor het feit dat de beroepen waarbij werknemers veel stress ervaren met name in de publieke sector te vinden zijn? Deelt u de analyse dat dit te maken heeft met de onderwaardering van de publieke sector door de kabinetten van de afgelopen decennia? Zo ja, wat gaat u doen om deze onderwaardering te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek door TNO en CBS blijkt dat vooral een combinatie van hoge kwantitatieve taakeisen en lage autonomie bepalend is voor het stressvolle karakter van werk. Met autonomie wordt bedoeld het zelf kunnen bepalen hoe, waar en wanneer het werk wordt uitgevoerd. In sectoren als het onderwijs en de zorg is er ten opzichte van andere sectoren naar zijn aard vaker sprake van lage autonomie. Onder andere omdat er vaak in vaste roosters gewerkt wordt waar beperkte inspraak op mogelijk is en de werkzaamheden moeten worden verricht op de zorg- of onderwijslocatie. Bij een deel van de zorgactiviteiten is verder sprake van (door de beroepsgroep of organisatie) vastgestelde protocollen of richtlijnen. Dit maakt dat functies in sectoren als het onderwijs en de zorg vaker hoog zullen scoren op stressvol werk dan in andere sectoren. Ik deel de analyse dan ook niet dat dit te maken heeft met eventuele onderwaardering van de publieke sector.
Deelt u de zorg dat de personeelstekorten in deze cruciale sectoren groter dreigen te worden als gevolg van de stress die werknemers ervaren? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Werkdruk en stress zijn factoren die bij kunnen dragen aan verzuim en verloop. Uit het Uitstroomonderzoek van Regioplus4 volgt echter dat dit niet de meest genoemde redenen van verloop in de sector zorg en welzijn zijn. Hoewel 40% van de medewerkers in zorg en welzijn de werkdruk in het algemeen als te hoog ervaart, lijkt dit percentage de afgelopen jaren eerder iets af te nemen dan toe te nemen. Ook in het funderend onderwijs is onderzoek gedaan naar werkdruk. Op hoofdlijnen toont dit een positief beeld: Nederlandse leraren en schoolleiders zijn overwegend positief over hun beroep, werkomgeving en salaris. Maar liefst 95% van de leraren geeft aan met plezier in het onderwijs te werken. Werktevredenheid is en blijft de belangrijkste reden voor leraren om in het onderwijs te blijven5. Daarom overwegen in vergelijking met andere landen relatief weinig Nederlandse leraren om het onderwijs te verlaten.
Niettemin delen de Minister van VWS en de Staatssecretaris van OCW uw zorgen over de werkdruk in respectievelijk de zorg en het onderwijs. Daarom ondersteunt de Minister van VWS werkgevers bij hun beleid om medewerkers in zorg en welzijn gezond aan het werk te houden. Dit doet hij door ondersteuning van het «Preventieplan arbeidsmarkt zorg en welzijn». Dit is een initiatief van partijen uit de sector zelf om verzuim en ongewenst verloop terug te dringen. Het preventieplan biedt een handelingsperspectief voor de sector en individuele zorg- en welzijnsinstellingen om dit structureel aan te pakken. Belangrijke aspecten zijn goed leiderschap op alle niveaus in de organisatie en het betrekken van de medewerkers bij besluiten. Daarnaast heeft het aanpakken van het personeelstekort in de zorg grote prioriteit voor de Minister van VWS. Met afspraken in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord en Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg wordt stevig ingezet op vermindering van de zorgvraag. Met beleid rondom het terugdringen van de administratietijd en de inzet van technologie wordt de vraag naar arbeid beïnvloed en met het vergroten van vakmanschap en werkplezier wordt ingezet op behoud. Daarnaast zet het AZWA een beweging in van zorg naar gezondheid door te investeren in het sociaal domein. Dat alles zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk.
Om de werkdruk in het onderwijs te verlagen investeert OCW sinds 2019 in het primair onderwijs (po) en sinds 2022 in het voortgezet onderwijs (vo) in werkdrukverlichting. Zoals in de ontwerpbegroting 2026 vermeld gaat het voor het po in 2026 € 545 miljoen en voor het vo in 2026 om € 354 miljoen. In het po gaan schoolteams jaarlijks met elkaar in gesprek over de besteding van de middelen om de werkdruk te verlagen. In het vo wordt € 150 miljoen ook zo besteed. De resterende € 150 miljoen wordt besteed aan een individueel component waarbij de werknemer zelf maatregelen uit mag kiezen. De daadwerkelijke werkdrukvermindering vindt op scholen plaats, in gesprekken met het personeel en door afspraken tussen werkgever en werknemer. Bij een effectieve werkdrukaanpak heeft iedereen een rol: ministerie, inspectie, besturen, scholen en schoolleiders.
Wat gaat u doen om de werkstress voor de beroepen waarbij deze het hoogst is af te laten nemen?
Werkgevers zijn verplicht hun werknemers te beschermen tegen werkstress. Daartoe moet de werkgever in de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) arbeidsrisico’s, waaronder werkdruk, in kaart brengen en daarvoor passende maatregelen treffen.
Met mijn beleid ondersteun ik werkgevers en werknemers bij het aanpakken van ongezonde werkstress. Dit doe ik door het bieden van praktische hulpmiddelen aan werknemers én door werkgevers te ondersteunen bij het nemen van preventieve maatregelen, zoals door een aanpak van werkstress en burn-outklachten in het mkb. In de voortgangsbrief over de Brede Maatschappelijke Samenwerking van 24 april 2025 licht ik mijn inzet uitgebreid toe.6
Het is aan werkgevers om te zorgen voor een gezond en veilig werkklimaat met zo min mogelijk werkstress. De Minister van VWS ondersteunt werkgevers in zorg en welzijn onder andere met het «Preventieplan arbeidsmarkt zorg en welzijn». De Staatssecretaris van OCW doet dit door middel van de werkdrukmiddelen voor het onderwijs. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1 en 3.
Vindt u het ook opvallend dat de werknemers die de meeste stress ervaren niet degenen met de hoogste inkomens zijn, maar juist vaak degenen met een lager of middeninkomen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Op mijn verzoek heeft TNO een verdiepende analyse7 gemaakt om te kijken of er een verband is tussen stressvol werk en het inkomen van werknemers.
Hieruit is op te maken dat het aandeel werknemers met stressvol werk hoger is in de laag- en middeninkomensgroep dan de hoge inkomensgroep. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 aangeef, komt dit door andere factoren in het werk zoals lage autonomie. Uit deze analyse blijkt ook dat het aandeel werknemers met stressvol werk in de zorg evenredig is verdeeld over de inkomensgroepen. In het onderwijs hebben werknemers met een relatief lager inkomen, zoals onderwijsondersteunend personeel, ten opzichte van het midden- en hoge inkomen, zoals het onderwijzend personeel, minder werkstress.
Het is aan werkgevers om hun werknemers te beschermen tegen ongezonde werkstress en om maatregelen te nemen.
Bent u het ermee eens dat deze werknemers naast minder stress ook een betere beloning voor hun zware werk verdienen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten?
Arbeidsvoorwaarden, waaronder beloningen, ziet het kabinet primair als een zaak van werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers. Het Ministerie van OCW en het Ministerie van VWS zijn geen werkgever voor respectievelijk onderwijs en zorg en welzijn en daarom geen partij aan de cao-tafel. Zij mogen zich er op grond van internationale verdragen ook niet mee bemoeien. Wel stellen de Ministers van VWS en OCW jaarlijks de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova) beschikbaar om concurrerende loongroei mogelijk te maken. Daarnaast is er sinds 2021 stapsgewijs structureel € 919 miljoen vrijgemaakt voor het verbeteren van de salarissen in het primair onderwijs. Op deze manier is de vergoeding van onderwijspersoneel in het primair onderwijs in lijn gebracht met die van het voortgezet onderwijs.
Verder bepaalt het kabinet een ondergrens aan beloningen in de vorm van het wettelijk minimumloon. Dit minimumloon is in 2023 en 2024 verhoogd en stijgt via indexatie mee met de ontwikkeling van cao-lonen.
Belangenverstrengeling door enkele wetenschappers |
|
Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Judith Tielen (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wetenschappers met belangen beïnvloeden obesitasdebat met «zeer overdreven» cijfers»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving naar aanleiding van het onderzoek van Zembla. Het is nooit goed als (de schijn van) belangenverstrengeling wetenschappelijke stellingname verdacht maakt. Ter nuancering zou ik wel willen meegeven dat publiek-private samenwerking tussen de academie en farmaceutische industrie belangrijk is. Zo kunnen zij ieder vanuit hun eigen expertise en ervaring bijdragen aan geneesmiddelenontwikkeling. Het is vooral belangrijk dat er openheid is. Als onderzoekers transparant zijn over hun belangen, kan daarmee rekening worden gehouden. In dit geval heeft het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), waar de wetenschappers aan verbonden zijn, aangegeven dat de onderzoekers zich niet aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) hebben gehouden en dat de nevenbetrekkingen en mogelijke belangenverstrengeling vermeld hadden moeten worden bij ondertekening van het manifest.
Wat betreft de maatschappelijke kosten die worden genoemd, wijs ik graag op de beantwoording van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer die naar aanleiding van publicatie van het genoemde onderzoek zijn gesteld in 2023.2 Hoewel we inmiddels verder in de tijd zijn, is de reflectie in deze beantwoording op het onderzoek ongewijzigd:
Deelt u de mening dat het onwenselijk is indien wetenschappers een rol spelen in het maatschappelijke en politieke debat, maar tegelijkertijd ook betaald worden door commerciële bedrijven die baat hebben bij een bepaalde uitkomst van dat debat?
De wetenschap is een sector die niet geïsoleerd werkt. Zij staat in verbinding met de samenleving, werkt daarmee samen en wordt daar ook door gefinancierd. Het is voor de innovatiekracht van ons land daarom van meerwaarde dat wetenschap en bedrijfsleven in nauwe verbinding staat met elkaar. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen op die manier sneller worden vertaald naar praktijkoplossingen. Transparantie is hierbij wel essentieel. Zo mag de financieringsbron van een leerstoel of onderzoek geen invloed hebben op de integriteit van wetenschappelijk onderzoek. Het is daarbij belangrijk dat de NGWI door wetenschappers en instellingen wordt gevolgd en dat er bij deelname aan het publieke debat open en eerlijk wordt gecommuniceerd over de rol waarin die deelname plaatsvindt en mogelijke belangenconflicten. Voor financiële relaties in de zorg is er het Transparantieregister Zorg, waarin zorgprofessionals (niet zijnde gezondheidseconomen) en zorgorganisaties, waaronder patiëntenorganisaties, hun relaties met bedrijven kunnen aangeven.
Is dit met meer medicijnen of hulpmiddelen gebeurd? Hoe houdt u hier zicht en controle op?
De meeste wetenschappelijke tijdschriften vragen om vermelding van nevenfuncties en belangen van de auteurs van hun artikelen. In Nederland hebben de wetenschappelijke instellingen ook gedragscodes waarin staat dat eventuele (tegenstrijdige) belangen vermeld dienen te worden. Zoals reeds genoemd is publiek-private samenwerking tussen academische onderzoekers en de farmaceutische industrie wenselijk en dit gebeurt dan ook regelmatig. Ik heb geen exacte cijfers over hoe vaak dit voorkomt, of hoe vaak nevenfuncties of belangen niet vermeld worden.
Maakt u zich zorgen over de beïnvloeding van commerciële belangen van bedrijven op politieke besluitvorming?
Het is altijd goed om hier alert op te blijven. Vanuit het Ministerie van VWS is er regelmatig contact met commerciële partijen en, waar dat passend is en kan bijdragen aan beleidsdoelstellingen, wordt ook met hen samengewerkt. Uiteraard blijven ambtenaren in deze contacten bewust van de belangen die spelen en staat bij het maken van afspraken het publieke belang voorop. Er zijn grote verschillen tussen industrieën en bedrijven en er is daarom niet één manier om hiermee om te gaan. Zo zijn de belangen van de tabaksindustrie fundamenteel onverenigbaar met ons volksgezondheidsbeleid. Op grond van het WHO-verdrag FCTC hebben we geen contact met (belangenbehartigers voor) de tabaksindustrie. Bij de farmaceutische industrie ligt dit genuanceerder. Ten eerste vanwege het grote maatschappelijke belang van geneesmiddelen en het beleid zich dus ook richt op de stimulering en facilitering van geneesmiddelenontwikkeling en -productie. Maar ook hier is terughoudendheid de norm, en moet contact het publieke belang dienen. Bovendien is het belangrijk om algemeen beleid te scheiden van individuele casuïstiek, zoals onderhandelingen over de prijs van een geneesmiddel of artikel 3, lid 2 verzoeken binnen de Wet geneesmiddelenprijzen.
Het uitgangspunt voor beleidsvraagstukken is mede daarom dat contact hierover via de brancheverenigingen loopt en niet met individuele bedrijven. Al kunnen er uitzonderingen zijn.
Welke waarborgen zijn er momenteel om dit soort belangenverstrengeling te voorkomen? In hoeverre zijn deze voldoende?
Het kabinet hecht groot belang aan de transparantie van belangenvertegenwoordiging. Zo regelt de gedragscode integriteit bewindspersonen dat een bewindspersoon in het contact met derden transparantie en gelijke toegang nastreeft. Verder zijn de openbare agenda’s bedoeld om inzichtelijk te maken wie contact hebben met bewindspersonen en waarover zij spreken. Naast het voornoemde Transparantieregister Zorg, waarmee de financiële belangen van zorgverleners- en instellingen inzichtelijk worden gemaakt voor de samenleving, zijn dit waarborgen die erop gericht zijn om verschillende belangen die het besluitvormingsproces trachten te beïnvloeden inzichtelijk te maken. In een recente Kamerbrief heeft het kabinet uw Kamer laten weten welke maatregelen getroffen worden om transparantie van besluitvorming verder te bevorderen.3
Welke consequenties volgen er indien een wetenschapper diens nevenfuncties niet vermeld en daarmee economische belangen boven publieke belangen zet? In hoeverre zijn deze voldoende?
Om de wetenschappelijke integriteit zo goed mogelijk te waarborgen, zijn er verschillende regelingen. Voor alle universiteiten geldt de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten. Op basis van de regeling moeten hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en moeten zij betaalde nevenfuncties waarbij mogelijk sprake is van belangenverstrengeling melden bij hun universiteit. Daarnaast geldt zoals gezegd de NGWI voor wetenschappers en hun werkgevers. Als één van de normen voor wetenschappers is daarin opgenomen: «Wees open en volledig over de rol van externe belanghebbenden, opdrachtgevers, financiers, mogelijke belangenconflicten en relevante nevenwerkzaamheden.»
Bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, is het aan de instellingen (werkgever) om de wetenschapper (werknemer) hierop aan te spreken. De NGWI biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er maatregelen genomen worden. Een voorbeeld hiervan is een correctie op een publicatie. Ik vind deze regelingen voldoende.
In hoeverre is op het Ministerie van VWS en door het Zorginstituut het manifest waarbij deze belangenverstrengeling plaatsvond meegewogen bij het besluit om afslankmedicatie wel of niet te vergoeden?
Bij de beoordeling van geneesmiddelen kijkt het Zorginstituut niet alleen naar effectiviteit, maar ook de noodzakelijkheid, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteit wordt ook, waar relevant en wetenschappelijk onderbouwd, gekeken naar maatschappelijke kosten en baten, zoals arbeidsproductiviteit, van de aandoening en het geneesmiddel. Het manifest geldt niet als wetenschappelijke onderbouwing en wordt niet meegenomen in de beoordeling.
Het Zorginstituut heeft in juli 2024, voordat dit manifest is gepubliceerd, geadviseerd om het geneesmiddel Wegovy voor de indicatie obesitas niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering. Het Zorginstituut kondigde op 6 november jl. aan dat zij een getrapte aanpak gaat hanteren bij de beoordeling van de nieuwe obesitasmiddelen. Bij de herbeoordeling van Wegovy en de nieuwe beoordeling van Mounjaro, twee geneesmiddelen voor de indicatie obesitas, wordt voorlopig alleen gekeken naar de effectiviteit en gezondheidswinst voor twee verschillende patiëntengroepen. Dit zijn mensen met een BMI vanaf 30 met ziektes die daarmee samenhangen, en mensen met ernstige of zeer ernstige obesitas met een BMI vanaf 35. De gekozen aanpak heeft de brede steun van zorgprofessionals, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars.
Deelt u de mening dat een nationaal geneesmiddelenfonds een begin zou kunnen zijn om dit soort commerciële belangen in de zorg voor mensen te voorkomen?
Ik zie een nationaal geneesmiddelenfonds niet als een oplossing om mogelijke belangenverstrengeling te voorkomen. Ik wil hier ook nogmaals benadrukken dat ik publiek-private samenwerking tussen de academie en de farmaceutische industrie belangrijk vind. Eerder dit jaar4 heb ik een schets voor een nationaal fonds voor geneesmiddelenontwikkeling met uw Kamer gedeeld. Daarbij heb ik aangegeven dat ik het onwenselijk vind om als overheid wetenschappers in dienst te nemen die zelf geneesmiddelen ontwikkelen. In plaats daarvan beschrijft de schets een samenhangend stelsel voor financiering met onderzoekssubsidies per fase van geneesmiddelenontwikkeling. In het algemeen kunnen we niet zonder de expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere fase van ontwikkeling, grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren van toegang en beschikbaarheid buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars meestal niet haalbaar om dit zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle betrokken partijen hun expertise kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële partijen. Bij trajecten waar individuen of organisaties een belang hebben is belangenverstrengeling altijd een risico. Dit valt niet te voorkomen. Dit geldt ook voor academici of publieke onderzoeks- en ontwikkeltrajecten. Om dit te ondervangen moet je dit onderkennen en door gedragscodes, wederzijdse transparantie en afspraken ondervangen.
Kunt u een nadere toelichting geven op uw besluit om niet door te gaan met de afschaffing, als uw streven is om grip op migratie te krijgen?
De bescherming van de arbeidsmigrant staat voorop.
Zoals aangegeven in mijn brief van 30 oktober jl. heeft het loslaten van de mogelijkheid om in te houden op het minimumloon voor huisvesting op dit moment meer nadelige dan positieve gevolgen voor de arbeidsmigrant.
Het kabinet heeft daarom besloten dat werkgevers vooralsnog maximaal 25% van het Wettelijk minimumloon in rekening mogen blijven brengen voor huisvestingskosten. De geplande start van de afbouw van deze regeling gaat daarom per 1 januari 2026 niet door.
Mijn voorganger schreef reeds dat het niet gemakkelijk is om een eenduidig oordeel te geven over de werking van de inhoudingsmogelijkheid ten aanzien van huisvesting.1 Aan de inhoudingsregeling voor huisvesting zitten verschillende kanten, zoals een eerdere verkenning laat zien.2 Enerzijds draagt de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting eraan bij dat werkgevers huisvesting regelen voor werknemers, met name arbeidsmigranten. Gelet op de huidige situatie op de woningmarkt zijn arbeidsmigranten nu voor hun huisvesting vaak afhankelijk van hun werkgever, helemaal als zij nieuw zijn in Nederland. De inhoudingsregeling faciliteert dat werkgevers huisvesting regelen. Dit gebeurt op een transparante wijze (zichtbaar op het loonstrookje), voor een gemaximeerd deel van het Wml (25%) en alleen voor gecertificeerde huisvesting of huisvesting door een woningcorporatie. De inhoudingsmogelijkheid maakt het voor werkgevers en werknemers makkelijker om de huurbetaling vooraf te regelen en beperkt incassorisico’s voor de aanbieders van huisvesting. In die zin kan de inhoudingsmogelijkheid zowel de arbeidsmigrant, als de aanbieder van huisvesting ontzorgen. De Arbeidsinspectie controleert op de voorwaarden van de inhoudingsregeling op het minimumloon. Anderzijds toont de verkenning ook aan dat er werkgevers zijn die de regeling misbruiken. De regeling vergroot de afhankelijkheid voor arbeidsmigranten van werkgevers en kan bijdragen aan een onwenselijk verdienmodel. Alles overwegende, is het oordeel dat het afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid op dit moment meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. Tegelijkertijd geldt dat misstanden nooit volledig zijn uit te sluiten. Het blijft belangrijk om beleid te maken dat rekening houdt met de kwetsbare positie van veel arbeidsmigranten.
Daarom zet het kabinet zich in om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren door uitvoering te geven aan verschillende aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (hierna: Aanjaagteam), ook op het terrein van huisvesting. Die maatregelen gaan ervoor zorgen dat op termijn afschaffing van de inhoudingsregeling minder nadelen krijgt en de weging anders uit kan pakken.
Hierin is van belang dat sinds 1 januari 2024 een landelijk netwerk van informatiepunten wordt gerealiseerd, de Work in NL-informatiepunten, waarbij ook meer specialistische hulp en juridische begeleiding vanuit het Juridisch Loket beschikbaar is.3
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werkt daarnaast aan een wetsvoorstel dat moet zorgen voor een in de praktijk werkbare en verbeterde huurbescherming voor zowel arbeidsmigranten als verhuurders. De Kamer is daar recent over geïnformeerd4, de verwachting is dat er in 2026 een wetvoorstel voor consultatie wordt voorgelegd. Het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting van de Minister van VRO zal daarnaast door middel van een verplicht volkshuisvestingsprogramma voor Rijk, provincies en gemeenten moeten leiden tot meer huisvesting voor doelgroepen waaronder arbeidsmigranten. Dit wetsvoorstel ligt in bij de Raad van State voor advisering. Daarnaast heeft de Eerste Kamer op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen. Daarmee pakken we malafide uitleners aan waardoor ook de positie van kwetsbare arbeidskrachten zoals arbeidsmigranten verbetert.
Op basis van welke adviezen bent u gekomen tot uw afweging?
De basis voor deze afweging is de uitgevoerde ambtelijke verkenning naar de inhoudingsmogelijkheid. Mijn voorganger heeft die verkenning op 6 februari 2025 met uw Kamer gedeeld.5 In deze verkenning zijn de voor- en nadelen van de inhoudingsmogelijkheid op een rij gezet. Er is destijds gesproken met de Arbeidsinspectie, vakbonden FNV, CNV en VCP, werkgeversorganisaties VNO-NCW/MKB-NL, AWVN, LTO, ABU en NBBU, werkgevers in de uitzend-, land- en tuinbouwsector.
Kunt u aangeven waarom u afwijkt van het advies van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Arbeidsmigratie?
Het Aanjaagteam heeft geen aanbeveling opgenomen die specifiek adviseert om de inhoudingsregeling voor huisvesting af te schaffen. Het Aanjaagteam heeft in haar advies als doel gesteld om de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van de werkgever te verminderen en hun positie te verbeteren. Ten aanzien van huisvesting beval het Aanjaagteam aan om de huurbescherming voor arbeidsmigranten te verhogen en het arbeids- en huurcontract te ontkoppelen op papier en in de praktijk.6 Dat is gebeurd via de per 1 juli 2023 in werking getreden Wet Goed Verhuurderschap. Die wet verplicht verhuurders om, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, de huurovereenkomst afzonderlijk van de arbeidsovereenkomst vast te leggen. Het doel van het scheiden van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsmigrant voor zijn huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Het kan dan nog steeds zijn dat dezelfde partij deze contracten aanbiedt, maar de scheiding zorgt ervoor dat als het arbeidscontract wordt beëindigd de huisvesting niet ook per definitie direct beëindigd wordt, omdat er een apart huurcontract is. Daarnaast werkt de Minister van VRO, zoals eerder aangegeven, aan een wetsvoorstel dat de huurbescherming en huurprijsbescherming voor arbeidsmigranten moet borgen.
Vooruitlopend op wetgeving worden er tussen sociale partners afspraken gemaakt over huisvesting van arbeidsmigranten. Zo is in de uitzend-cao geregeld dat een werknemer na het aflopen van de uitzendovereenkomst nog vier weken kan verblijven in de gehuurde huisvesting, tegen dezelfde huurprijs.
Daarnaast heeft het Aanjaagteam aanbevolen de zelfredzaamheid van arbeidsmigranten te vergroten.7 Daarom werken we aan de verbetering van de informatie, hulp en dienstverlening aan arbeidsmigranten door middel van de eerder genoemde Work in NL-informatiepunten.
Bent u er zich van bewust dat de koppeling een verdienmodel is voor de uitzendsector, ook vanwege het fiscale voordeel dat ontstaat bij aftrek van de huur van het brutoloon?
Een van die nadelen die uit de verkenning naar voren komt is dat de regeling gebruikt kan worden als verdienmodel. Zo zien we dat werkgevers die ter kwade trouw zijn de regeling misbruiken om meer kosten dan gerechtvaardigd op basis van de geboden kwaliteit te verhalen op hun werknemers. Om die nadelen tegen te gaan moeten we doorgaan met het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam, zeker op het terrein van huisvesting.
Bent u er zich van bewust dat de Nederlandse Arbeidsinspectie al meerdere malen expliciet heeft gewaarschuwd dat het totaalpakket van loon/huisvesting als «verdienmodel en pressiemiddel» wordt gebruikt en gepaard gaat met misstanden waarbij er een wanverhouding bestaat tussen de ingehouden huur en de kwaliteit van de huisvesting?
De Arbeidsinspectie maakt, zoals ook aangegeven in de verkenning, vanuit haar positie een andere weging. In het antwoord op vraag 1 heb ik de weging van het kabinet uiteengezet.
Heeft u uw voorgenomen besluit voorgelegd aan de SER? Zo ja, welk antwoord heeft u gehad? Zo nee, waarom heeft u uw voorgenomen besluit niet voorgelegd?
Het besluit is kenbaar gemaakt aan sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Gelet op de betrokkenheid van sociale partners bij de verkenning die is uitgevoerd en de daarin opgenomen standpunten van sociale partners, is er niet opnieuw geconsulteerd.
Heeft u uw voorgenomen besluit voorgelegd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie? Zo ja, welk antwoord heeft u gehad? Zo nee, waarom heeft u uw voorgenomen besluit niet voorgelegd?
Ja, de Arbeidsinspectie heeft in het besluitvormingsproces bevestigd dat haar advies zoals verwoord in eerdere beslisnota’s (zie antwoord op vraag 5) ongewijzigd is.
Met welke organisaties heeft u gesproken in aanloop naar uw besluitvorming?
Het besluit is kenbaar gemaakt aan de sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Omdat de standpunten van sociale partners zijn opgenomen in de verkenning die is uitgevoerd en daarna nogmaals kenbaar zijn gemaakt via de internetconsultatie van de algemene maatregel van bestuur heeft plaatsgevonden, heb ik geen nadere gesprekken gevoerd om te komen tot mijn besluit.
Welke adviezen hebben deze organisaties u gegeven?
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de organisaties middels de verkenning8 naar de inhoudingsregeling en de internetconsultatie9 van de algemene maatregel van bestuur.
Hoe heeft u deze adviezen gewogen?
Het oordeel is dat het afschaffen op dit moment meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. Gelet op de huidige situatie op de woningmarkt zijn arbeidsmigranten nu voor hun huisvesting vaak afhankelijk van hun werkgever, helemaal als zij nieuw zijn in Nederland. De inhoudingsregeling faciliteert dat werkgevers huisvesting regelen. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren door uitvoering te geven aan verschillende maatregelen van het Aanjaagteam, ook op het terrein van huisvesting. Die maatregelen gaan ervoor zorgen dat op termijn afschaffing van de inhoudingsregeling minder nadelen krijgt en de weging anders uit kan pakken.
Kunt u aangeven hoe uw besluit zich verhoudt tot de Wet goed verhuurderschap, artikel 3, lid a?
Vermoedelijk wordt hier gedoeld op artikel 2, lid 3 onderdeel a van de Wet Goed Verhuurderschap. Dit artikel ziet op het afzonderlijk vastleggen van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Per 1 juli 2023 is de Wet Goed Verhuurderschap inwerking getreden. Die wet verplicht verhuurders om, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, de huurovereenkomst afzonderlijk van de arbeidsovereenkomst vast te leggen. Het doel van het scheiden van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsmigrant inzake zijn huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Het kan dan nog steeds zijn dat dezelfde partij deze contracten aanbiedt, maar de scheiding zorgt ervoor als het arbeidscontract wordt beëindigd de huisvesting niet ook per definitie direct beëindigd wordt, omdat er een apart huurcontract is. Dat draagt bij aan een sterkere positie van de arbeidsmigrant.
Deze wetgeving is een goede stap in het minder afhankelijk maken van arbeidsmigranten ten opzichte van werkgevers. Het op termijn afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid zou een volgende stap kunnen zijn. In de conclusie op de eerder genoemde verkenning werd geconstateerd dat er eerst nog meer stappen op het terrein van huisvesting nodig zijn, alvorens het verantwoord is om de inhoudingsregeling voor huisvesting af te schaffen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Vacatures voor renovatie Binnenhof duiden op schijnzelfstandigheid' |
|
Bart van Kent (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten van de Aannemersfederatie, FNV & CNV dat er sprake is van schijnzelfstandigheid bij de renovatie van het Binnenhof?1
Deze berichten zijn ons bekend, maar het Rijksvastgoedbedrijf herkent zich niet in de berichtgeving. Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten geborgd. Dat betekent overigens niet dat er geen ruimte is voor zelfstandigen binnen de Rijksoverheid. Daar waar het mogelijk is om voor eigen rekening en risico te werken, en waar geen sprake is van gezag, kunnen zelfstandigen worden ingezet.
Bij het Rijksvastgoedbedrijf, noch bij de voor het Binnenhof door het Rijksvastgoedbedrijf gecontracteerde aannemers, zijn meldingen ontvangen van de bonden. Daarnaast hechten het Rijksvastgoedbedrijf en de aannemers eraan dat de vakbonden wanneer de wens daartoe bestaat, een bezoek kunnen brengen aan de bouwplaats. Er is geen verzoek ontvangen van FNV en CNV om een bezoek te brengen aan de bouwplaats. Op de bouwplaats van het Binnenhof gelden veiligheidsmaatregelen, waardoor deze niet vrij toegankelijk is. Dit geldt voor meer bouwplaatsen in Nederland. Vanwege de veiligheidsbeperkingen is het maken van een afspraak voorafgaand aan het verkrijgen van toegang tot de bouwplaats noodzakelijk. Van een van de aannemers hebben wij vernomen dat op 27 oktober jl. contact is opgenomen. Dit heeft nog niet geleid tot een afspraak om de bouwplaats te bezoeken.
In algemene zin is het kabinet van mening dat de Rijksoverheid zelf het goede voorbeeld moet geven bij de uitvoering van beleid en zich aan geldende wet- en regelgeving moet houden. In dat kader wordt het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen binnen het Rijk zo snel mogelijk naar nul afgebouwd, voor 1 januari 2026. Hiervoor is eerder ook een circulaire ontwikkeld, waarmee ieder departement is opgeroepen om in hun inhuurbestand bij te houden wat de ondernemingsvorm van een inhuurkracht is. Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid wordt u op korte termijn geïnformeerd door de Minister van BZK.
Hoe is het mogelijk dat schijnzelfstandigheid zich voordoet op een bouwplaats van het Rijksvastgoedbedrijf terwijl het Rijk tegelijkertijd zich inzet om schijnzelfstandigheid te beperken?
Zie het antwoord op vraag 1. Bij het Rijksvastgoedbedrijf zijn geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend. Van de gecontracteerde aannemers wordt ook verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Bij een overtreding zullen passende maatregelen worden genomen door het Rijksvastgoedbedrijf.
Kunt u inzage geven in hoe de aanbesteding is verlopen met de verschillende bedrijven waarbij mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid?
Over de renovatie van het Binnenhof wordt uw Kamer geïnformeerd met halfjaarlijkse voortgangsrapportages. In deze rapportages wordt ook ingegaan op de contractering. In de Kamerbrief van 23 november 2016 (Kamerstuk 34 293, nr. 31) is toegelicht dat het project renovatie Binnenhof geheim is verklaard in de zin van de Aanbestedingswet 2012. Dit mede gebaseerd op het advies van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het geheim verklaren heeft als doel om informatie bij een zo klein mogelijke groep van marktpartijen te houden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat werkzaamheden voor de renovatie door het Rijksvastgoedbedrijf aan een of meer partijen worden opgedragen zonder dat een aanbestedingsprocedure wordt gevolgd.
Bij hoeveel werknemers is er sprake van schijnzelfstandigheid op het Binnenhof, mocht u geen concrete getallen hebben, dan graag een schatting?
Er zijn bij het Rijksvastgoedbedrijf geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend.
Hoelang is er al sprake van schijnzelfstandigheid? Is dit al vanaf het begin van de renovatie in 2021 of is dit op een later moment pas geïnitieerd?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen gaat u nemen om de schijnzelfstandigheid op het Binnenhof tegen te gaan zoals is afgesproken binnen de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)? Hoe gaat specifiek de handhaving worden verbeterd?
Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten van het Rijksvastgoedbedrijf geborgd middels een aantal uniforme bepalingen. Gedurende de uitvoering wordt door het Rijksvastgoedbedrijf risicogestuurd getoetst op de werkwijze en het naleven van de processen door de opdrachtnemer. Daarnaast is dit onderwerp van gesprek in de voortgangsoverleggen van het Rijksvastgoedbedrijf met de opdrachtnemer en wordt de opdrachtnemer – indien noodzakelijk – gewezen op het strikt naleven van de wettelijke en contractuele bepalingen. Bij een overtreding zullen passende maatregelen worden genomen door het Rijksvastgoedbedrijf.
In het kader van de verbetering van de handhaving is op 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen opgeheven. Dit betekent dat de Belastingdienst weer volledig kan handhaven en weer met terugwerkende kracht naheffingen loonheffingen kan opleggen tot 1 januari 2025. Met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belastingdienst – met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen naheffingen kan opleggen als sprake is van kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd. Zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van 24 juni 2022 inzake de Kabinetsreactie rapporten ARK en ADR en daaropvolgende voortgangsbrieven werken met en als zelfstandige(n) is enkel het verbeteren van de handhaving echter niet de oplossing van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving, een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te zetten.
Daarnaast heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd dat de afgesproken verbetering op de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt voortgezet en de zachte landing niet wordt verlengd2.
Bent u bekend met het signaal van zowel werkgevers- als werknemersorganisaties dat intermediairs op grote schaal schijnzelfstandigen bemiddelen in de bouw ondanks de aangekondigde en lopende wetgeving? Zo ja, wat gaat u hier op korte termijn aan doen? Zo nee, bent u bereid tot een rondetafelgesprek met deze organisaties?
Het kabinet voert regelmatig gesprekken met werkgevers-, werknemers en zelfstandigenorganisaties over de aanpak van schijnzelfstandigheid in den brede, maar ook als het gaat om specifieke sectoren zoals de bouw. Het doel hiervan is om tijdig signalen op te halen en met elkaar te delen. Tevens zijn er in aanloop naar de opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 – maar ook in het afgelopen jaar – veel gesprekken gevoerd met brancheorganisaties om meer duidelijkheid te geven over het aangaan van de juiste arbeidsrelatie, en te werken conform wet- en regelgeving. Dat geldt ook voor de bouwsector. Deze gesprekken blijven wij waar nodig ook de komende periode voeren, ook als het gaat om de bouw.
Bent u zich bewust van waar soortgelijke situaties zich nog meer afspelen waar het Rijk onderdeel van uitmaakt? Zo ja, welke plekken zijn dat? Zo nee, bent u van plan hier onderzoek naar te doen?
In algemene zin wordt er door het kabinet naar gestreefd het aantal schijnzelfstandigen binnen het Rijk zo snel mogelijk af te bouwen. Dat wil helaas (nog) niet zeggen dat er op dit moment helemaal geen sprake meer is van situaties waarbij mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarom zijn acties er op gericht het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen zo snel mogelijk naar nul af te bouwen, voor 1 januari 2026.
Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid wordt u, conform de motie Boon, op korte termijn geïnformeerd door de Minister van BZK.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de werknemers waarover het gaat zo snel mogelijk een vast contract krijgen aangeboden?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zijn er geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend bij het Rijksvastgoedbedrijf. In het algemeen benadruk ik dat de renovatie van het Binnenhof een grote en complexe bouwopgave is. Hiervoor is een grote noodzaak om (specialistisch) personeel te werven en te behouden. Via aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden wordt juist ingezet op de werving van personeel.
Is hier mogelijk sprake van een fiscaal delict doordat er sprake is van een belastingschuld van de werkgever? Zo ja, is de FIOD hiervan op de hoogte en wordt er een onderzoek gestart? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst kan deze vraag op grond van zijn geheimhoudingsplicht niet beantwoorden. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat ook bij handhaving op het gebied van arbeidsrelaties het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD 2023) gevolgd wordt. Het Protocol beschrijft hoe de Belastingdienst de aanmeldingen van delicten die voor mogelijke strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen, selecteert op het terrein van belastingen, douane en toeslagen. Als er sprake is van een fiscaal nadeel van meer dan € 100.000 en een vermoeden van opzet, wordt de zaak aangemeld.
Hoe verantwoordt u dat er bij aanbestedingen geen eisen worden gesteld ten aanzien van onderaannemers, zodat preventief al gehandhaafd kan worden op schijnzelfstandigheid?
Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten geborgd.
De Arbeidsinspectie geeft aan dat de kans op een ongeval hoger is voor werknemers in de flexibele schil, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt beperkt? Hoe wordt daarbij ook de toezicht verbeterd zodat ook de kleinere ongevallen, waar geen medische hulp bij nodig is, inzichtelijk worden gemaakt?2
Structureel werk zou moeten worden uitgevoerd op basis van een vast contract of een tijdelijk contract met uitzicht op vast. De realiteit is helaas dat veel structureel werk ook nog steeds wordt uitgevoerd door mensen in de flexibele schil. De werkgever hoort er primair voor te zorgen dat iedere werkende het werk gezond en veilig moet kunnen uitvoeren. Dat betekent op de werkvloer voor de werkgever mogelijk extra aandacht voor ervaring, opleiding, competenties, werkinstructies en toezicht om aan de zorgplicht te voldoen. Mede vanuit de Arbovisie 2040 wordt ingezet op nog meer bewustwording en kennis hierover richting werkgevers.
Indien er sprake is van een ernstig arbeidsongeval, is de werkgever verplicht dit te melden aan de Arbeidsinspectie. Naast deze gemelde arbeidsongevallen, dient de werkgever ook op basis van artikel 9 lid 2 van de Arbowet een lijst bij te houden van arbeidsongevallen die hebben geleid tot verzuim van meer dan drie werkdagen. Bij dit soort arbeidsongevallen hoeft geen medische hulp nodig te zijn geweest. De werkgever dient de aard en datum te registreren en de gegevens toegankelijk te maken voor deskundigen als arbodeskundigen en arbodiensten.
Deelt u de mening dat een Bouwplaats-ID een goede oplossing is om meer toezicht te krijgen in de werkzaamheden op de bouwplaats, zeker ook preventief met betrekking tot schijnzelfstandigheid. Zo ja, wanneer bent u bereid dit in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op 30 oktober jl. is uw Kamer per brief geïnformeerd dat onvoldoende rechtvaardiging bestaat om ondernemingen en werkenden via een wettelijke verplichting te onderwerpen aan een allesomvattend Bouwplaats-ID systeem. Het belang van eerlijk, gezond en veilig werk op de bouwplaats kan evenwel worden onderschreven. De brief vermeldt mogelijke alternatieven die zonder wettelijke verplichting kunnen worden gerealiseerd.
De berichten ‘Staalslakken op veel meer plekken gevonden: aantal locaties bijna verdubbeld’ en ‘Waar komen verwijderde staalslakken terecht? “Geen zicht op”’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van NU.nl en Investico, die meer dan honderd locaties hebben gevonden waar staalslakken zijn toegepast?1
Het is al langer bekend dat staalslakken op verschillende plekken in Nederland zijn toegepast als secundaire bouwstof. Dat er door recente berichtgeving meer historische locaties in beeld komen, is op zichzelf niet onverwacht. Het bevestigt vooral dat het zicht op bestaande toepassingen beter moet. Dat is precies de reden waarom ik de afgelopen periode een breed pakket aan maatregelen heb ingezet om risico’s te beheersen en meer grip te krijgen op de toepassing van staalslakken.
In het commissiedebat van 30 september jl.2 heb ik toegelicht dat ik mij zorgen maak over de huidige praktijk en dat daarom acht concrete acties zijn gestart waarmee wij stap voor stap een structurele verbetering realiseren:
Het feit dat ergens staalslakken zijn toegepast betekent niet automatisch dat er sprake is van risico’s voor mens of milieu. Dat hangt af van de wijze van toepassing, laagdikte en lokale omstandigheden. Bestaande locaties vallen onder toezicht van het bevoegd gezag, dat kan optreden wanneer wettelijke toepassingseisen of de zorgplicht niet zijn nageleefd.
Met de acties die nu lopen zetten wij nadrukkelijk stappen om het zicht op toepassingen te vergroten, risico’s te beperken en te zorgen voor een robuust en toekomstbestendig kader.
Waren deze locaties al bekend bij uw ministerie? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er is geen meld-, informatie- of registratieplicht voor het toepassen van staalslakken. Er wordt momenteel wel gewerkt aan het invoeren van een meld- en informatieplicht voor het toepassen van staalslakken om het bevoegd gezag beter in staat te stellen om toe te zien op de naleving van de wettelijke toepassingseisen. Naar verwachting treedt deze maatregel in het voorjaar van 2026 in werking. Het verbeteren van het zicht op toepassing van secundaire bouwstoffen is een thema waar in het kader van de herijking van de bodemregelgeving aan wordt gewerkt. Hierover wordt u voor het einde van het jaar geïnformeerd.
Zijn er meer locaties waarvan uw ministerie afweet dat er staalslakken zijn toegepast, die nog niet op de kaart van NU.nl en Investico staan? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen?
Op 11 april 2024 is een overzicht van toepassingen van staalslakken door Rijkswaterstaat met uw Kamer gedeeld3. De vergelijking met het door NU.nl en Investico gepubliceerde overzicht van 115 locaties laat zien dat alle toepassingen uit dit RWS-overzicht daarin zijn opgenomen.
In het kader van de meest recente signaalrapportage van de ILT (Toepassing LD-staalslakken op land te risicovol voor milieu) heeft de ILT 10 locaties onderzocht. Deze is aan uw Kamer aangeboden op 17 april 20254. Acht van deze tien ILT-locaties komen voor in het Investico-overzicht. De locaties Hellevoetsluis en Strobosser Trekfeart die wel door de ILT zijn onderzocht, zijn niet opgenomen in het Investico-overzicht, maar dat lijkt logisch aangezien de slakken verwijderd zijn van deze locaties.
Zoals aangegeven in de signaalrapportage heeft de ILT nog aanvullend onderzoek gedaan naar andere locaties waar LD-staalslakken grootschalig zijn toegepast. Dit rapport bevindt zich in de afrondende fase en zal voor het eind van dit jaar openbaar worden gemaakt. De ILT kan al wel aangeven dat 7 van de onderzochte locaties niet voorkomen op de kaart van Nu.nl en Investico d.d. 8 oktober 2025.
Zijn er sinds de invoering van de vergunningplicht ook staalslakken toegepast? Zo ja, op welke locaties is dit gebeurd, en hoe zijn lokale toezichthouders betrokken?
Tot op heden is geen enkele aanvraag voor een ontheffing van de tijdelijke regeling staalslak ontvangen. Deze regeling is op 23 juli 2025 in werking getreden en bevat een verbod voor toepassingen op land van niet-vormgegeven bouwstoffen met meer dan 20 massaprocent staalslak in laagdikten van meer dan 0,5 meter of op locaties waar direct contact niet is uitgesloten. Daarnaast geldt een vergunningplicht voor overige toepassingen op land van niet- vormgegeven bouwstoffen met meer dan 20 massaprocent staalslak.
Het is mij niet bekend of sinds de invoering van de regeling dergelijke toepassingen hebben plaatsgevonden. Het is aan het bevoegd gezag (gemeenten) om toe te zien op de naleving van het verbod of de vergunningplicht. De regeling voorziet in de mogelijkheid van ontheffing van het verbod of de vergunningplicht. Die ontheffing wordt uitgevoerd door de ILT. Verder zijn er toepassingen die buiten de reikwijdte van de regeling vallen zoals bijvoorbeeld in beton of asfalt. Ik heb geen informatie over dergelijke toepassingen om de in antwoord 2 genoemde redenen.
Bent u bereid een plan van aanpak te maken om zoveel mogelijk locaties te vinden waar staalslakken zijn toegepast, lokale toezichthouders en bestuurders hierover te informeren, en samen met deze partijen en de staalslakleveranciers de staalslakken te verwijderen als er sprake is van milieuvervuiling? Kunt u hierbij ook de toepassingen van hydraulisch menggranulaat meenemen?
Ja. Ik wil met de medeoverheden komen tot een gezamenlijke aanpak voor bestaande toepassingslocaties van staalslakken. Dat doen we via het BO Bodem, waarin het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW) zijn vertegenwoordigd.
De aanpak richt zich op het in beeld brengen van bestaande toepassingen, het beoordelen van risico’s en, waar nodig, het treffen van maatregelen. De inzet is een risicogerichte inventarisatie in lijn met de tijdelijke regeling. Te beginnen met grootschalige toepassingen en situaties waarbij risico’s kunnen ontstaan voor mens en milieu door direct contact.
Hoe reageert u op de uitspraak van Omgevingsdienst NL, die vreest dat afvalverwerkers staalslakken onvoldoende herkennen en het vervolgens behandelen als normaal afval?2
Staalslakken die na een toepassing worden uitgegraven omdat men zich daarvan wil ontdoen, zijn afvalstoffen en vallen daarmee onder de kaders van het afvalstoffenrecht die eisen stellen aan de inzameling, het vervoer en de verwerking. Ze vallen onder sectorplan 29 van Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3) steenachtig materiaal. De minimumstandaard is dan recycling. Afwijken is dan in de basis niet mogelijk, enkel door het volgen van de afwijkingsprocedure. Ook wanneer afvalverwerkers bij steenachtig materiaal niet zeker zijn van de aanwezigheid van staalslakken, zal het kader voor het verwerken hetzelfde zijn. Na adequate verwerking is het mogelijk om de staalslakken weer als bouwstof te gebruiken, bijv. als menggranulaat, mits hier uiteraard wordt voldaan aan de daarvoor gestelde wettelijke eisen die gelden ter bescherming van milieu en gezondheid, in het bijzonder de tijdelijke regeling.
Hoe gaat u voorkomen dat staalslakken worden gemengd met andere afval- en bouwstoffen en daarmee uit het zicht raken?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven zijn staalslakken die na een toepassing worden uitgegraven omdat men zich daarvan wil ontdoen, afvalstoffen en vallen onder de minimumstandaard recycling. Bedrijven moeten steenachtig afval gescheiden houden, tenzij zij een vergunning hebben voor mengen (art. 3.195 en art. 3.196 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het is vervolgens toegestaan om het menggranulaat als bouwstof te gebruiken, mits hiervoor uiteraard de geldende wettelijke kaders worden nageleefd.
Welke regels zijn er voor hergebruik en verwerking van verwijderde staalslakken? Bent u bereid maatregelen te nemen, zodat bedrijven en afvalverwerkers die staalslakken verwijderen lokale toezichthouders actief moeten informeren over het hergebruik en de verwerking van staalslakken?
In de beantwoording van de vragen 6 en 7 geef ik aan welke regels hiervoor gelden. Hieruit volgt dat aanvullende maatregelen niet nodig zijn. Zowel het afvalstoffenrecht (ten aanzien van inzameling, vervoer en verwerking) als de kaders van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit (ten aanzien van het toepassen als bouwstof) bieden toezichthouders en het bevoegd gezag voldoende mogelijkheden voor toezicht en handhaving in de keten. Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven, geldt daarbij dat er momenteel gewerkt wordt aan het invoeren een meld- en informatieplicht voor het toepassen van staalslakken.
Bent u bereid staalslakken aan te merken als afval in plaats van bouwstof?
Dat is niet mogelijk. Een materiaal heeft de afvalstatus wanneer aan de definitie uit de Wet milieubeheer wordt voldaan: afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Het is niet mogelijk om materialen generiek de afvalstatus te geven of juist te zeggen dat bepaalde materialen generiek nooit afval zijn. Naast de definitie van afvalstof, bevat de Wet milieubeheer voorwaarden om te beoordelen of een materiaal een bijproduct of einde-afvalstof is. Voldoet het materiaal aan alle vier de voorwaarden voor bijproduct of einde-afval, dan is het materiaal geen afvalstof. De beoordeling of een materiaal wel of geen afvalstof is, moet per geval plaatsvinden. Dat is omdat alle feiten en omstandigheden (zoals herkomst, verwerking en toepassing) en de intentie van de houder van belang zijn. Het is aan het bedrijf, als houder van het materiaal, om aan te tonen dat geen sprake is van een afvalstof. Omgevingsdiensten en de Inspectie Leefomgeving en Transport kunnen vanuit hun vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken in een specifieke casus tot een eigen oordeel over de afvalstatus komen. Het Rijk is stelselverantwoordelijke en geeft tekst en uitleg, in de vorm van handreikingen, ministeriële regelingen, om bedrijven en bevoegde gezagen te helpen.
Het bericht '2325 schuldeisers, tienduizenden gedupeerden en miljoenen euro’s verdwenen: dit is het verhaal van Groupcard' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van het AD over het eerste verslag van de curator over het faillissement van Groupcard?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht in het AD over het eerste verslag van de curator over het faillissement van Groupcard2. De eerste bevindingen schetsen een zorgwekkend beeld. Uit het verslag komt naar voren dat er aanwijzingen zijn voor ernstige tekortkomingen in het bestuur en de administratie met grote financiële gevolgen voor mensen en organisaties die hierdoor geraakt zijn. Deze ontwikkelingen zijn verontrustend, vooral omdat het geld dat bedoeld was voor de inzet van mantelzorgers en ondersteuning voor mensen met een kleine beurs, mogelijk niet op juiste wijze is gebruikt. Ik begrijp dat dit voor veel mensen en gemeenten een enorme teleurstelling en financiële tegenslag is.
Erkent u, net zoals de curator, dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
De eerste bevindingen van de curator zijn zorgwekkend en onderstrepen de ernst van de situatie, zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 1. Of er daadwerkelijk sprake is van onbehoorlijk bestuur is aan de curator om vast te stellen. De curator doet daar verder onderzoek naar dat nog enige tijd vergt. Hoewel de gebeurtenissen mij raken, is de Rijksoverheid geen schuldeiser en partij in dit faillissement. Het is aan de betrokken partijen, zoals de curator en gemeenten zelf, om te bepalen of er juridische stappen nodig zijn.
Hoe kan dit faillissement voor gemeenten onverwacht zijn gekomen, als blijkt dat Groupcard al jaren haar financiën niet op orde had, geen administratie bijhield, verliezen leed en commerciële afspraken maakten die onrealistisch waren?
Deze situatie toont aan hoe moeilijk het kan zijn om de financiële gezondheid van een bedrijf volledig inzichtelijk te krijgen, vooral als er sprake is van onvolledige of vertraagde administratie en complexe bedrijfsstructuren. Dit benadrukt het belang van transparantie en tijdige signalering van financiële risico's bij bedrijven waarmee gemeenten een contract afsluiten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat in de toekomst, bij verwante bedrijven die gemeenten ondersteunen, deze situatie zich niet opnieuw zal voordoen, nu we weten van de curator dat er hier sprake is van het schuiven van gemeenschapsgeld om gaten te dichten?
Het behoort tot de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van gemeenten om vorm te geven aan het gemeentelijk armoedebeleid. Zij krijgen hiervoor onder andere middelen via het gemeentefonds. Het college legt over de besteding van deze middelen verantwoording af aan de gemeenteraad. De contracten die gemeenten sluiten met externe partijen moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het is aan gemeenten zelf om nadere invulling te geven aan de manier waarop zij deze contracten afsluiten en de nakoming ervan contoleren.
Hoe verantwoordt u dat gemeenten dit soort taken uitbesteden aan commerciële partijen als dit zo grandioos mis kan gaan? Deelt u de mening dat het beter zou zijn om dit publiek te organiseren zodat er, onder andere, beter toezicht op gehouden kan worden? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in antwoorden op Kamervragen van 1 september jl.3 hebben gemeenten de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om hun armoedebeleid in te richten. Gemeenten kunnen daarbij kiezen voor het daarvoor contracteren van externe partijen. Dit kan voordelen hebben, bijvoorbeeld als gemeenten niet over de benodigde expertise of (uitvoerings)capaciteit of ICT-infrastructuur beschikken. Tegelijkertijd brengt dit risico’s met zich mee, zoals deze zaak pijnlijk duidelijk maakt. Of taken beter publiek georganiseerd kunnen worden, is een afweging die gemeenten zelf moeten maken. Het Rijk kan hierin geen voorschriften opleggen. Het is aan gemeenten om te bepalen welke vorm van organisatie het beste past bij hun lokale situatie en verantwoordelijkheden. Wel ben ik, mede op basis van de aanbevelingen van de Commissie Sociaal Minimum, met gemeenten in gesprek hoe we het gemeentelijk armoedebeleid kunnen verbeteren, zoals ik ook heb aangekondigd in het Nationaal Programma Armoede en Schulden dat 6 juni jl. aan uw Kamer is aangeboden.
Hoe zorgt u ervoor dat de gedupeerden en schuldeisers niet met niks achterblijven, nu blijkt dat er geen zicht is op een nieuwe overnamekandidaat?
De situatie voor gedupeerden en schuldeisers is zeer moeilijk, en ik begrijp de zorgen die hierover leven. In een faillissementssituatie zoals deze is het aan de curator om de beschikbare middelen te verdelen volgens de geldende regels. De VNG faciliteert gemeenten door middel van een apart forum waarop gemeenten kennis en expertise kunnen uitwisselen. Ook heeft de VNG een webinar georganiseerd en een aantal bijeenkomsten voor de komende maanden gepland waar gemeenten samen kunnen bespreken welke stappen zij zetten en of zij hierin samen kunnen optrekken. Van de VNG begrijp ik dat gemeenten op dit moment bezig zijn de gevolgen van het faillissement in kaart te brengen en ook om te kijken of en hoe inwoners gecompenseerd kunnen worden.
Zijn er manieren waarop de gedupeerde groepen het geld op deze passen toch kunnen besteden of gecompenseerd kunnen krijgen, nu blijkt dat de schuld in de tientallen miljoenen loopt en er tienduizenden gedupeerden zijn? Zo ja, wilt u uitzoeken hoe deze compensatie toch kan plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
De invulling hiervan valt onder de bevoegdheid van de gemeenten. Om gemeenten ruimte te geven om zelf compensatie aan gedupeerde inwoners te regelen, heb ik het volgende bericht via de VNG en binnen de Belastingdienst gedeeld. Dit bericht zal ook worden verspreid via het Gemeentenieuws.
Door het faillissement van Groupcard hebben inwoners van veel gemeenten hun tegoedpas van dit jaar niet geheel kunnen verzilveren. De tegoedpas is bijvoorbeeld in het kader van gemeentelijk minimabeleid verstrekt. Meerdere gemeenten verkennen de mogelijkheden om het resterende tegoed op de pas alsnog aan de betreffende inwoners te geven, bijvoorbeeld door eenzelfde bedrag over te maken op de bankrekening of via breed geaccepteerde cadeaubonnen.
Een dergelijke uitbetaling van vrij besteedbaar geld past normaliter niet binnen de kaders van gemeentelijk minimabeleid of de bijstand. Aangezien een nieuwe tegoedpas voor de meeste gemeenten niet op korte termijn haalbaar is, biedt het Ministerie van SZW in dit specifieke geval de onderstaande ruimte en adviezen voor een uitbetaling. Het ministerie vertrouwt erop dat gemeenten dit als uiterste mogelijkheid benutten en zich ervoor inspannen dat de uitbetaling volgens de bedoeling van de tegoedpas wordt besteed.
Bovenstaande is niet van toepassing als de inwoner dubbele compensatie krijgt. Gemeenten die uitbetalen wordt daarom geadviseerd om ervoor te zorgen dat de rechten op een tegoed bij een doorstart of op een compensatie door de curator toekomen aan de gemeente.
De Hersteloperatie Kindertoeslagen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024, met nummer ECLI:NL:RBROT:2024:13134, en van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2025, met nummer ECLI:NL:RBMNE:2025:2194?
Ja, ik ben bekend met de genoemde uitspraken.
Een compensatieaanvraag van een door de toeslagenaffaire gedupeerde ouder geldt volgens deze gerechtelijke uitspraken voor alle jaren die de Dienst Toeslagen in haar dossiers heeft staan. Onderschrijft u deze oordelen, is er dus geen hoger beroep tegen deze uitspraken aangetekend en mogen ouders dus vertrouwen op de rechtszekerheid die deze uitspraken bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja waarom wel?
Ik onderschrijf de oordelen dat Dienst Toeslagen voor alle jaren waarvoor de ouder dit wenst, beoordeelt of recht bestaat op een herstelmaatregel. Daarom is geen hoger beroep tegen de uitspraken ingesteld. Ouders mogen er dan ook vanuit gaan dat alle jaren waarover zij een beoordeling wensen betrokken worden bij de beoordeling.
Worden op dit moment nog steeds telefonisch compensatieaanvragen aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de aanmeldtermijn is immers reeds verstreken. Het maakte daarbij overigens niet uit of er een gemachtigde bijstand verleende of niet. Telefonische compensatieaanvragen zijn daarbij destijds opgevolgd met een schriftelijke bevestiging.
Staat u dit ook toe als een gedupeerde een gemachtigde heeft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt een telefonische aanvraag tot compensatie gevolgd door een schriftelijke bevestiging? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De hersteloperatie is opgetuigd om gedupeerde ouders te helpen. De rechterlijke uitspraken laten zien dat de uitvoeringsorganisatie hersteloperatie toeslagen (UHT) problemen als gevolg van een telefonische aanvraag tot compensatie in het nadeel van gedupeerde ouders uitlegt. Zijn u meer situaties bekend waarbij de UHT zo in het nadeel van ouders handelt? Zo ja, welke?
Deze situaties zijn mij niet bekend. Het uitgangspunt is om gedupeerde ouders ruimhartig te compenseren. Dat neemt niet weg dat er fouten gemaakt kunnen worden.
Vindt u de beide bij de rechtbanken gevoerde procedures passen in de uitgangspunten terughoudendheid, zorgvuldigheid en de-escalatie, die bij een procederende overheid horen (zie de brief van de Staatssecretaris van Rechtsbescherming van 4 juli 2025, nr. 64 2040)? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De wens om niet tegenover ouders te staan vormt een centraal uitgangspunt voor de hele hersteloperatie. Dit is ook met uw Kamer gedeeld in de Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen periode jan-apr 20231. Dienst Toeslagen heeft mede hierom ervoor gekozen om geen hoger beroep in te stellen in de twee genoemde rechtszaken, hetgeen past in de genoemde uitgangspunten van terughoudendheid, zorgvuldigheid en dejuridisering. Op die manier wordt gemonitord dat een ouder alleen met hoger beroep wordt geconfronteerd als het gaat om zwaarwegende principiële punten.
Om te voorkomen dat erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire onnodige gerechtelijke procedures moeten doorlopen blijf ik in contact met ouders en gemachtigden en blijf ik vol inzetten op responsieve afhandeling van eventuele bezwaren of beroepen. Monitoring van de (hoger) beroepszaken is hier onderdeel van.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire onnodige gerechtelijke procedures moeten doorlopen, die kunnen leiden tot hernieuwd slachtofferschap? Bent u het ermee eens dat dit een uiterste prioriteit moet zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen met de uitspraken van vergelijkbare gevallen uit het verleden waarin gedupeerden geen bezwaar of beroep hebben ingediend?
Dienst Toeslagen treed in overleg met de ouder om duidelijk te krijgen op welke toeslagjaren de aanvraag ziet. Er bestaat in Nederland een laagdrempelige rechtsbeschermingspraktijk. Specifiek voor de hersteloperatie met gesubsidieerde rechtsbijstand. Indien een belanghebbende niet in bezwaar, beroep en hoger beroep gaat mag in beginsel op instemming met het voorliggende besluit worden vertrouwd.
Het feit dat de vergoeding van vervoerskosten voor een deel van de mensen met een beperking is verlaagd |
|
Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Heijnen , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de onderhands meegestuurde brief, waaruit blijkt dat de desbetreffende persoon er dit jaar fors op achteruit gaat als gevolg van de aanpassing van de aftrekpost voor medische vervoerskosten?1
Wij hebben kennisgenomen van de zorgen die de schrijver van de meegestuurde brief uit en begrijpen dat de aanpassing van de regeling voor sommige mensen ingrijpend kan zijn. De wijziging van de regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten ten aanzien van vervoerskosten, is bedoeld om de regeling te vereenvoudigen, beter uitvoerbaar te maken en aan te sluiten bij de gebruikelijke normbedragen voor reiskostenvergoedingen.
Met ingang van 2025 wordt in de regeling onderscheid gemaakt tussen zogenoemde «zorgkilometers» en «leefkilometers». Zorgkilometers zien op het vervoer voor het verkrijgen van genees -en heelkundige hulp (medische behandeling) of voor het verkrijgen van (farmaceutische) hulpmiddelen. Leefkilometers zien op het extra vervoer dat nodig is voor mensen die door ziekte of invaliditeit, al dan niet met hulpmiddelen, niet meer dan 100 meter zelfstandig kunnen lopen. De bedragen die sinds 2025 voor zorgkilometers en leefkilometers voor aftrek in aanmerking komen vervangen de vroegere berekening op basis van werkelijke kosten, die in de praktijk complex en foutgevoelig bleek te zijn.
Het forfaitaire bedrag van € 0,23 per kilometer is vastgesteld om aan te sluiten bij de gebruikelijke normbedragen voor reiskostenvergoedingen en om de regeling te vereenvoudigen. Dit bedrag past bij de variabele kosten (in enge zin) van autogebruik van een middenklasser en vormt daarmee een gemiddelde benadering. Daarbij is onderkend dat dit bedrag niet in alle individuele situaties volledig kostendekkend zal zijn, maar het forfaitaire karakter zorgt voor eenvoud en duidelijkheid voor mensen en in de uitvoering. Hiermee vervalt de noodzaak voor belastingplichtigen om hun werkelijke vervoerskosten afzonderlijk te berekenen en te onderbouwen. Deze berekening was niet voor elke belastingplichtige even gemakkelijk te maken en leidde vaak tot discussies. Met deze vereenvoudiging wordt beoogd dat de regeling beter uitvoerbaar, doelmatiger en minder foutgevoelig wordt voor zowel burgers als de Belastingdienst.
We realiseren ons dat de vereenvoudiging in individuele gevallen kan leiden tot een lagere aftrek dan voorheen. De regeling is toegankelijker gemaakt voor burgers die de werkelijke kosten per kilometer lastig konden bepalen en bereikt daarmee meer mensen die dat nodig hebben. Naast de aftrek van € 0,23 per kilometer blijven de werkelijk gemaakte parkeer-, tol- en veergelden aftrekbaar, zoals tijdens de wetsbehandeling vorig jaar bij nota van wijziging is verduidelijkt.
In hoeverre is er bij het aanpassen van deze regeling rekening gehouden met het feit dat een deel van de mensen die hier gebruik van maken er hierdoor fors op achteruit zou gaan?
Bij de voorbereiding van de aanpassing is nadrukkelijk gekeken naar de gevolgen voor verschillende groepen belastingplichtigen. In de evaluatie van de regeling «aftrek specifieke zorgkosten» uit 2022 door Dialogic is geconcludeerd dat de toenmalige systematiek met werkelijke kostenberekening, naast complex en foutgevoelig leidt tot onduidelijkheid en een enorme administratieve last voor zowel burgers als de Belastingdienst.
De voorgestelde aanpassingen van de aftrek van vervoerskosten beogen de regeling te vereenvoudigen. Daarbij is onderkend dat sommige mensen minder aftrek zullen ontvangen. Door de vereenvoudiging zullen naar verwachting meer mensen de regeling benutten en neemt het niet-gebruik af. Er is € 1 miljoen euro extra structureel beschikbaar gemaakt. Dit laat zien dat de verwachting is dat de regeling als geheel juist meer gebruikt zou worden.
Deze aanpassing past binnen de eerder aan de Kamer toegezegde vereenvoudiging van de regeling voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de evaluatie.2 Daarbij zijn de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht.
Deelt u de mening dat mensen met een beperking toegang moeten hebben tot goed en betaalbaar medisch vervoer?
Ja. Mensen met een beperking moeten kunnen rekenen op goed en betaalbaar vervoer naar medische zorg. De fiscale aftrek is een van de instrumenten die daaraan kan bijdragen, maar niet de enige. Indien gebruik wordt gemaakt van ander vervoer dan een auto (niet zijnde een taxi) blijven de werkelijke vervoerskosten aftrekbaar. Onderkend is dat dit niet voor iedereen een optie zal zijn. In dat verband wordt gewezen op andere (vergoedings)mogelijkheden zoals via de Zorgverzekeringswet (Zvw-vervoer)en de Wmo, of via aanvullende regelingen van gemeenten of zorgverzekeraars. Met de vereenvoudiging van de fiscale regeling wordt beoogd dat deze beter aansluit bij het bestaande stelsel van voorzieningen en voor meer mensen begrijpelijk en toepasbaar is.
Voor mensen met relatief hoge vervoerskosten die mogelijk nadeel ondervinden van de forfaitaire regeling, kunnen deze bestaande voorzieningen een aanvullende tegemoetkoming bieden. Deze regelingen zijn niet nieuw, maar bestonden al voorafgaand aan de aanpassing van de fiscale aftrek.
Hoe verhoudt deze aanpassing zich tot het «standstill»-principe uit het VN-Verdrag Handicap, dat stelt dat de positie van mensen met een beperking niet mag verslechteren?
Het kabinet acht de aanpassing in overeenstemming met het VN-verdrag Handicap. Het zogeheten «standstill» principe verplicht staten om geen maatregelen te nemen die leiden tot een verslechtering van de positie van mensen met een beperking.
De wijziging van de regeling beoogt geen verslechtering, maar een vereenvoudiging en verduidelijking van de fiscale ondersteuning. Daarbij is het vaste bedrag voor de zogenoemde leefkilometers verhoogd naar € 925, en is aanvullend € 1 miljoen structureel beschikbaar gesteld. Hierdoor verwacht het kabinet dat de regeling als geheel beter toegankelijk wordt en de doelgroep er per saldo op vooruitgaat. De overige vervoersvoorzieningen via de Zvw en de Wmo blijven ongewijzigd beschikbaar, waardoor het recht op toegankelijk en betaalbaar vervoer behouden blijft.
Zoals ook in de kabinetsreactie op de evaluatie van de regeling is aangegeven, wordt de werking van de aftrek specifieke zorgkosten onderdeel van structurele monitoring en evaluatie. Daarnaast zal bij de herziening van de onbelaste reiskostenvergoeding in 20283 specifiek aandacht worden besteed aan de hoogte van de kilometervergoeding en de vaste bedragen in de fiscale vervoersregeling, waaronder deze aftrekpost.
Bent u bereid om stappen te zetten, waardoor deze achteruitgang voor mensen met een beperking hersteld wordt? Zo ja, wat gaat u hiervoor doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat het UMCG voorlopig operaties voor aangeboren hartafwijkingen schrapt |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voorlopig operaties voor aangeboren hartafwijkingen schrapt?1
Dit bericht heeft zonder twijfel veel impact voor patiënten en hun naasten. Om in het belang van de patiënten tijdelijk de geplande operaties bij het UMCG te stoppen, vind ik een verstandig besluit. Tegelijkertijd ben ik bezorgd omdat het aangeeft hoe kwetsbaar deze vorm van zorg in Nederland georganiseerd is. Ik heb begin oktober alle umc’s uitgenodigd voor een gesprek over de voortgang van de bestuurlijke afspraken waar zij mij afgelopen zomer over hebben geïnformeerd. Ik vind het belangrijk dat deze afspraken op korte termijn ook vertaald worden in tastbare en concrete resultaten, zodat patiënten en hun naasten kunnen blijven rekenen op kwalitatief goede zorg en verdere verbetering van de kwaliteit. Na dit gesprek zal ik ook uw Kamer daarover informeren.
Wat is er precies aan de hand bij het UMCG? Wat wordt er bedoeld wanneer er wordt verwezen naar zorgen over «sociale veiligheid en kwaliteit van zorg en wetenschap»?2 Zijn dit zorgen die al langer spelen of zijn deze pas recent bekend geworden?
Het UMCG heeft op basis van zorgen over de sociale veiligheid en over de kwaliteit van zorg en integriteit van wetenschappelijk onderzoek binnen het centrum voor aangeboren hartafwijkingen, het besluit moeten nemen om geplande operaties voor patiënten met een aangeboren hartafwijking tijdelijk te staken en een onderzoek te laten uitvoeren. Het UMCG heeft de IGJ hierover geïnformeerd. Deze zorgen zijn recent expliciet gemaakt en vormen de directe aanleiding voor dit nader onderzoek. Het is niet de IGJ maar het UMCG zelf dat het besluit heeft genomen. Het is aan het UMCG om meer te delen over de inhoud van de zorgen, zodra het onderzoek hierna is afgerond.
Hoe komt het dat deze situatie is ontstaan?
In algemene zin gelden al langer zorgen over de organisatie van zorg voor aangeboren hartafwijkingen, deze zorgen hebben ook geleid tot de eerdere concentratiebesluiten. In juni vorig jaar hebben de umc’s besloten intensiever te gaan samenwerken om de kwaliteit van deze zorg te kunnen waarborgen. Het is betreurenswaardig dat ook deze voorgenomen intensieve samenwerking niet heeft kunnen voorkomen dat het UMCG nu heeft moeten besluiten tijdelijk de operaties te staken.
Volgens de toelichting van het UMCG is het besluit genomen naar aanleiding van geuite zorgen binnen de afdeling en de wens om hoogcomplexe zorg uitsluitend onder optimale randvoorwaarden te leveren. Vanuit dat oogpunt kiest het UMCG voor tijdelijk stoppen, het doen van onderzoek en maatwerkoplossingen per patiënt.
In hoeverre is er ruimte bij de andere UMC’s om de geschrapte operaties alsnog op tijd te laten plaatsvinden?
Het UMCG verwijst patiënten met een geplande ingreep de komende maanden naar de centra in Utrecht, Leiden, Amsterdam en Rotterdam. Het UMCG stemt met de centra af hoe de capaciteit wordt ingezet, waarbij rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van de patiënten. Dit is maatwerk. De IGJ heeft aangegeven dat in de vier centra de basis voor goede zorg aanwezig is, maar dat samenwerking en personele borging blijvend aandacht vragen.
Wat wordt er gedaan om de betreffende patiënten te garanderen dat de zorg die zij nodig hebben kunnen blijven ontvangen?
Alle patiënten op de wachtlijst zijn door het UMCG persoonlijk benaderd over hun vervolgtraject en – waar van toepassing – over plaatsing in een ander centrum. Poliklinische zorg, niet-chirurgische behandelingen (zoals katheterisaties) en acute zorg blijven in Groningen beschikbaar. Voor vragen zijn telefonische aanspreekpunten ingericht. Daarbij wordt per patiënt maatwerk geleverd en worden ook de voorkeuren van patiënten en ouders meegewogen.
Is er ook gekeken naar mogelijkheden om de operaties in Groningen doorgang te laten vinden, door meer samen te werken met operatieteams uit de andere UMC’s? Zo nee, waarom niet?
Het UMCG heeft mij laten weten ervoor gekozen te hebben de geplande operaties tijdelijk te staken en patiënten – in overleg en per persoon – in voorkomende gevallen te verplaatsen naar andere centra. Gezien de aard van de gesignaleerde zorgen kiest het UMCG eerst voor herstel van de randvoorwaarden via onderzoek en organisatorische maatregelen, in plaats van directe voortzetting van operaties met inzet van externe teams. Er is landelijk ook onvoldoende capaciteit om deze optie uit te voeren, zo geeft het UMCG aan. Binnen het Netwerk Aangeboren Hartafwijkingen en met het Erasmus MC wordt nauw samengewerkt en afgestemd over deze situatie.
De stand van zaken van de uitvoering van de SP motie om te stoppen met de commerciële noodopvang |
|
Michiel van Nispen (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Dijk (Kamerstuk 19 637, nr. 3424) die verzoekt om nog voor eind 2025 te stoppen met de commerciële noodopvang?
Ja.
Herinnert u zich de al eerder aangenomen motie van het lid Dijk (Kamerstuk 36 410, nr. 107) die verzoekt om de verdienmodellen van de commerciële noodopvang te stoppen?
Ja.
Kunt u aangeven welke stappen ondertussen zijn gezet om de afhankelijkheid van de commerciële noodopvang te verminderen?
Hoe ver is deze commerciële noodopvang afgebouwd? Kun u een tussenstand geven? Zo nee, waarom niet?
Gaat het dit kabinet lukken deze naar nul af te bouwen voor het einde van het jaar? Zo ja, wat is de planning en voortgang? Zo nee, waarom niet?
Hoe is deze de afgelopen maanden afgebouwd? Kun u hier een overzicht en voortgang per maand van geven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven met hoeveel commerciële partijen nog zaken wordt gedaan en hoeveel partijen dit begin dit jaar nog was?
Het onderscheid dat in de vraag wordt gesteld is op basis van de COA-gegevens moeilijk te maken. Het COA maakt in principe onderscheid tussen drie soorten opvangvormen. Dit betreft reguliere opvang, noodopvang en duurzame- of tijdelijke gemeentelijke opvang.
Reguliere opvang heeft een langere looptijd en voldoet altijd aan het programma van eisen voor reguliere opvang van het COA. Voor noodopvang geldt een apart programma van eisen en is het voorzieningenniveau doorgaans lager. Tijdelijke en Duurzame Gemeentelijke opvang wordt geëxploiteerd door gemeenten, onder eindverantwoordelijkheid van het COA. Alle deze opvangvormen komen voor in eigendom van het COA of een gemeente, maar ook via een huurconstructie met een commerciële partij. Daarnaast heeft het COA veel contracten met commerciële partijen voor bijvoorbeeld beveiliging, bouwwerkzaamheden et cetera.
Hoewel het moeilijk vast te stellen is met hoeveel commerciële partijen zaken wordt gedaan kan wel een opgave worden gedaan van het aantal plekken in hotels en op opvangboten die in gebruik zijn. Op 1 januari 2025 waren er ruim 19.000 opvangplekken in gebruik in hotels en op boten. De afgelopen periode is de bezetting harder gegroeid dan het aantal reguliere opvangplekken, met name door een groeiend aantal statushouders in de asielopvang.). Per 1 november 2025 zijn er 21.000 plekken beschikbaar in hotels en op boten. Zoals bij de vorige vraag vermeld stijgt het aantal reguliere opvangplekken gestaag van 40.000 plekken momenteel naar 51.000 op 1 januari 2027. In de loop van volgend jaar is het derhalve de verwachting dat het aandeel noodopvang in hotels en op boten zal dalen.
Het kabinet werkt verder aan maatregelen om de instroom te verminderen en de uitstroom vanuit het COA te bevorderen. Belangrijke onderdelen hiervan zijn de wetsvoorstellen omtrent de invoering van het tweestatusstelsel en de asielnoodmaatregelenwet. Verder wordt de uitstroom van statushouders bevordert door de bekostigingsregeling voor de doorstroomlocatie en de regeling stimulering uitstroom vergunninghouders (HAR+). Met deze maatregelen beoogt het kabinet het aantal asielzoekers en statushouders, en daarmee noodzakelijke noodopvangplekken, te laten dalen.
Kunt u aangeven hoeveel plekken begin dit jaar beschikbaar werden gesteld door commerciële partijen en hoeveel dit nu is?
Zie antwoord vraag 7.
Wat kostte de commerciële noodopvang in 2024? Hoe hoog zijn de kosten tot nu toe in het jaar 2025?
In 2024 is er in totaal € 2.375 miljoen uitgegeven aan kosten nood- en crisisnoodopvang opvang. De kosten voor 2025 kunnen bij de jaarrekening worden vastgesteld.
Verwacht u dat de kosten zullen dalen dit jaar? Zo ja, op basis waarvan zijn deze verwachtingen? Zo nee, wat doet u eraan om deze daling van kosten voor commerciële noodopvang alsnog voor elkaar te krijgen?
Het is de verwachting dat de kosten voor noodopvang dit jaar niet zullen dalen. Dit kan verklaard worden door de looptijd van de ontwikkeling van reguliere opvanglocaties en de licht stijgende bezetting bij het COA. Tegelijkertijd sluiten er veel opvanglocaties als gevolg van aflopende kortdurende overeenkomsten. Deze worden vaak vervangen met opnieuw noodopvang of kortdurende locaties. Ik zet er volop op in om de noodopvang zo snel mogelijk af te bouwen.
Heeft het verminderen van de afhankelijkheid van de commerciële noodopvang prioriteit voor u?
Zie antwoord vraag 10.
Is het kabinet van mening dat het zeer onwenselijk is dat er veel geld wordt verdiend aan noodopvang door commerciële partijen terwijl de samenleving hier de rekening voor betaalt?
Ja. Om deze reden probeer ik de kosten voor de asielopvang te reduceren door 1) in te zetten op het omzetten van noodopvang naar reguliere opvanglocaties en 2) maatregelen te nemen om de instroom te beperken en de doorstroom van statushouders uit de COA opvang te bevorderen.
Welke stappen worden er de komende tijd gezet om de invloed van de commerciële noodopvang te beperken?
Zie antwoord vraag 12.
Het opstappen van de staatssecretaris van Financiën (Herstel en Toeslagen) |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Welke boodschap heeft u aan toeslagenouders en -kinderen die nu wederom in verdere onzekerheid worden gestort doordat er weer een verantwoordelijk bewindspersoon opstapt?
Wat betekent dit voor het oplossen van het toeslagenschandaal en de problemen van ouders en kinderen? Kunt u garanderen dat deze oplossingen geen verdere vertraging oplopen door de politieke chaos die dit kabinet heeft veroorzaakt?
Wat gaat uw kabinet doen om te voorkomen dat het wantrouwen richting de overheid en uw kabinet nog verder zal toenemen onder deze ouders en kinderen door het opstappen van de Staatssecretaris?
Wanneer komt er weer een Staatssecretaris op deze post?
Kunt u voor alle verschillende routes voor mensen voor het oplossen van het toeslagenschandaal gespecificeerd uiteenzetten hoe de planning loopt? Is er vertraging?
Loopt de uitvoering zoals gepland? Verwacht u vertraging door het opstappen van de NSC-bewindslieden en het inwerken van een nieuwe bewindspersoon?