Het Landbouwbesluit |
|
Chris Stoffer (SGP), André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (BBB), Heijnen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Ja, wij onderschrijven het belang van noodzakelijke vruchtwisseling en, zoals in het bericht genoemd, omarmen wij de kringloopgedachte. Gezien het verdere verloop van de vragen willen we hieronder alvast een toelichting geven op de fiscale gevolgen bij vruchtwisseling. We benadrukken graag dat vruchtwisseling zowel voor toepassing van de landbouwvrijstelling als de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) relevant is. Het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten is echter verschillend.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing als de grond ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd in het geval van vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het recent gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Het ter beschikking stellen van grond in het kader van bijvoorbeeld derogatie kwalificeert dus niet voor de landbouwvrijstelling.
Vruchtwisseling heeft een ander effect voor de BOR en DSR ab. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in Titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. Momenteel wordt onderzocht hoe een verruiming van de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer6 en de motie Grinwis c.s.7 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd).
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014 met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit, maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?2
In het verleden heeft de Belastingdienst een werkafspraak gemaakt met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO Nederland). In de bijlage bij de beantwoording van de vragen is een kopie van die werkafspraak uit 2014 opgenomen.9 De afspraken uit deze werkafspraak zijn het vertrekpunt geweest voor de invulling van het onderdeel over vruchtwisseling in het beleidsbesluit. De kern van die werkafspraak is geweest dat gevallen waarbij de grond voor één jaar ter beschikking wordt gesteld of voor één jaar wordt verpacht als vruchtwisseling is aan te merken. Dit wel onder de strikte voorwaarde dat uit de feiten niet blijkt dat de grond om andere redenen dan vruchtwisseling ter beschikking wordt gesteld (zoals dat het geval is bij derogatie). In de werkafspraak is door de Belastingdienst aangegeven dat duidelijk uit de feiten moet blijken dat het perceel in beginsel om het jaar in gebruik moet zijn geweest in het kader van de eigen landbouwonderneming. De invulling die in het recent gepubliceerde beleidsbesluit aan het begrip vruchtwisseling wordt gegeven, is op hoofdlijnen hieraan gelijk. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft verschilt dus niet wezenlijk van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. Zoals hiervoor benoemd, is de werkafspraak met één van de vertegenwoordigers van de agrarische sector afgesloten. Op bepaalde onderdelen bestond verschil van inzicht tussen LTO Nederland en de Belastingdienst. Omdat behoefte bestaat aan duidelijkheid en transparantie over het standpunt van de Belastingdienst over de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling, is dit standpunt opgenomen in deze actualisatie van het beleidsbesluit. Op de website van de Belastingdienst zal een verwijzing worden opgenomen naar de vindplaats van het beleidsbesluit. Een beleidsbesluit heeft een bredere werking dan een werkafspraak. De verschillen tussen de werkafspraak en het beleidsbesluit komen tot uitdrukking in de vormgeving van de voorwaarden in het beleidsbesluit. Een aantal van deze voorwaarden lijkt op het eerste gezicht strikter dan die in de werkafspraak, maar hoeven dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – niet te zijn. Zoals hiervoor aangegeven, is in de werkafspraak opgenomen dat bij een periode van ter beschikking stellen van de grond aangesloten wordt bij een periode van één jaar. In het beleidsbesluit geldt echter als uitgangspunt dat de periode van ter beschikking stellen vanuit het perspectief van de grondeigenaar niet langer mag zijn dan één teeltseizoen (in één jaar kan sprake zijn van meerdere teeltseizoenen). Op dit punt lijkt het beleidsbesluit dus strikter. Vervolgens geldt dit uitgangspunt niet als de teeltduur van het in het kader van vruchtwisseling geteelde gewas bij de gebruiker van de grond langer is dan één jaar (dus soepeler dan de werkafspraak). Daarbij geldt verder nog de uitzondering dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar. Daarmee kan de termijn dus ook langer zijn dan één jaar. Verder wordt, om onduidelijkheid tussen partijen te voorkomen en om de bewijspositie van de agrariërs te verbeteren in het beleidsbesluit tot uitdrukking gebracht dat de onderhandse overeenkomst tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker, die vereist is voor toepassing van de landbouwvrijstelling, schriftelijk moet zijn vastgelegd. De voorwaarden in het beleidsbesluit bieden de inspecteur meer ruimte om met de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke geval rekening te houden. Op die manier wordt naar onze mening meer recht aan de praktijk gedaan dan eerder in de werkafspraak het geval was.
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
Het beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 23 november 201810 en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Beleidsbesluiten worden regelmatig geactualiseerd. Een beleidsbesluit geeft een invulling van de zienswijze die de Staatssecretaris van Financiën heeft als uitvoerder van belastingwetgeving over – in dit geval – landbouwgerelateerde vraagstukken. Meer specifiek is het een leidraad voor de belastinginspecteur hoe om te gaan met de genoemde vraagstukken. Dit beleidsbesluit biedt de praktijk onder andere de gewenste duidelijkheid over de standpunten van de Belastingdienst bij de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling. Bovendien wordt met het beleidsbesluit concrete invulling gegeven aan de eerdere niet-gepubliceerde werkafspraak uit 2014 met LTO Nederland. Het beleidsbesluit geeft belastingplichtigen nog steeds de mogelijkheid om een andersluidend standpunt in te nemen en dat te laten toetsen door de rechter. Binnen de bestaande wet en jurisprudentie geeft dit beleidsbesluit een zo ruim mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling voor toepassing van de landbouwvrijstelling.
Een conceptversie van het beleidsbesluit is in de zomer van 2025 voorgelegd aan de Werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB). Namens de Werkgroep FUB hebben fiscale vertegenwoordigers van de agrarische sector (belastingadviseurs) gereageerd. Het commentaar vanuit de Werkgroep FUB is dat een aantal voorwaarden uit het besluit te beperkend wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dat commentaar is het besluit op een aantal punten aangepast (verduidelijkt en versoepeld). Gelet op de wettekst, jurisprudentie en de doelstelling van de landbouwvrijstelling kon niet aan alle punten tegemoet worden gekomen.
Het beleidsbesluit is in nauw overleg met de inspecteurs tot stand gekomen die in hun dagelijkse praktijk te maken hebben met de landbouwgerelateerde vraagstukken. Het beleidsbesluit blijft binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie. Aan het beleid – dat grotendeels een codificatie is van de bestaande werkafspraak met LTO Nederland – werd voor publicatie van dit beleidsbesluit ook al uitvoering gegeven door de Belastingdienst. Er zijn geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst, omdat het beleidsbesluit binnen de bestaande kaders van wetgeving en jurisprudentie past. Wanneer eventueel sprake is van aanpassing van wetgeving zal in de regel een uitvoeringstoets plaatsvinden.
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier meer inzicht in geven?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten geldt?
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling aan een ander ter beschikking is gesteld, is vereist dat tussen de gebruiker en de terbeschikkingsteller van de grond een onderhandse overeenkomst is gesloten. Daarbij moet ook aan de overige voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn voldaan. Een onderhandse overeenkomst vereenvoudigt de beoordeling voor de betrokken partijen en de inspecteur. In de werkafspraak met LTO Nederland is destijds niets opgenomen over de wijze van vastlegging van de overeenkomst. In het beleidsbesluit is een overgangsbepaling opgenomen voor (vaststellings)overeenkomsten tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker met inachtneming van de werkafspraak. Voor aantoonbare bestaande (vaststellings)overeenkomsten geldt onder meer dat deze ongemoeid blijven als deze beschikken over een einddatum tot en met twee jaar na datum van de publicatie van het beleidsbesluit. Dat kunnen ook mondelinge overeenkomsten zijn. In de praktijk is het complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als geen schriftelijke overeenkomst is opgesteld. Echter, als de aanwezigheid van een mondelinge overeenkomst aannemelijk kan worden gemaakt dan is het overgangsrecht uiteraard ook van toepassing op die mondelinge overeenkomst. De overgangsbepaling zal in de praktijk in alle redelijkheid worden toegepast door de inspecteur.
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling te verliezen?
In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren. Als de terbeschikkingsteller van de grond om hem moverende redenen zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond. Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
In het beleidsbesluit is als toelichting op de voorwaarden opgenomen dat de terbeschikkingsteller de noodzaak van het ter beschikking stellen van de grond of de toepassing van een uitzondering aannemelijk moet maken. In het beleidsbesluit is als voorbeeld genoemd dat dit kan door middel van (vak)studies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming. De manier waarop bewijs kan worden aangeleverd is vormvrij. Een andere manier dan met (vak)studies is ook mogelijk. Gedacht kan worden aan het overleggen van het bouwplan, mits daaruit blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling. De inspecteur neemt alle feiten van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond moet worden?
Het vereiste dat sprake moet zijn van een onderhandse (schriftelijke) overeenkomst heeft een praktische achtergrond. Zoals aangegeven, is het in de praktijk complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als er geen schriftelijke overeenkomst is. Een schriftelijke overeenkomst is voor de inspecteur eenvoudig te toetsen. Het betekent ook dat de belastingplichtige beter kan aantonen dat de grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling. Daarmee heeft de belastingplichtige een sterkere positie om aan zijn bewijslast te voldoen. Daarnaast geeft deze voorwaarde duidelijkheid voor alle partijen. Wij realiseren ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst opstellen. Er gelden, naast schriftelijke vastlegging, geen bijzondere vereisten voor deze overeenkomst. Ter vergelijking: voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling is een onderhandse overeenkomst al voldoende. Bij bedrijfsoverdracht spelen echter de BOR en DSR ab een rol (zie het antwoord op vraag 1). In dat geval zal de overdrager van het landbouwbedrijf moeten voldoen aan de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in het BW om de zogenoemde vastgoedmaatregel achterwege te laten. Achtergrond van die maatregel is dat een dergelijke uitzondering op de zogenoemde vastgoedmaatregel voor de Belastingdienst goed is te toetsen door aan te sluiten bij de bestaande teeltpachtwetgeving.11
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht, omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Zoals aangegeven, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing voor de periode dat de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander zonder noodzaak tot vruchtwisseling. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, wordt beoordeeld vanuit de positie van de eigenaar van de grond. Het beleidsbesluit geeft daarover naar onze mening duidelijkheid binnen de geschetste kaders en is inhoudelijk niet wezenlijk anders dan de uitgangspunten uit de werkafspraak die sinds 2014 door de Belastingdienst worden gehanteerd. Het ligt niet voor de hand om deze uitzondering op de reikwijdte van de landbouwvrijstelling verder uit te breiden voor situaties waarbij de grond ook ter beschikking wordt gesteld maar waarin geen sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de agrariër die de grond bezit.12 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer13 en de motie Grinwis c.s.14 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd). Tot slot hechten we er aan op te merken dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgevingen?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling in overleg met de sector te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 10.
De tijdige aanbieding van het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u bij het plenaire debat over het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij hebt aangeven dat het verbod uiterlijk 15 december 2025 moet worden aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V), om het per 1 januari 2026 in werking te kunnen laten treden?
Ja.
Kunt u uiterlijk maandagavond 15 december 2025 laten weten of u het verbod tijdig hebt aangeboden aan het Ministerie van J&V en daarmee hebt voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum?
Ja. Het verbod is tijdig aangeboden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V). Hiermee is voldaan aan de uiterste aanbiedingsdatum.
Kunt u aangeven of u op koers ligt om het verbod per 1 januari 2026 in werking te laten treden, zoals u hebt toegezegd bij het debat?
Ja. De AMVB is inmiddels gepubliceerd in Staatsblad 2025, 4341.
Het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen over het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat?1
Deze zorgen zijn mij bekend.
Vanaf wanneer kunnen Renure-producten worden toegepast?
In het Nitraatcomité van 19 september jl. is positief geadviseerd over de door de Europese Commissie voorgestelde toelating van Renure-producten als kunstmestvervanger binnen de Europese Unie. Tot en met 8 januari konden de Raad en het Europees parlement nog bezwaar maken. Dit is niet gebeurd, zodat de Europese Commissie het voorstel zal vaststellen. Momenteel wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie. De internetconsultatie over dit voorstel is 8 december gesloten. Ik zal op korte termijn de concept regeling voor Renure ter notificatie aanbieden aan de Europese Commissie. De verwachting is dat de daadwerkelijke implementatie in de nationale regelgeving in het tweede kwartaal van 2026 zal plaatsvinden.
Deelt u de analyse dat ook de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft?
De analyse dat de omschakeling naar Renure in bedrijfsprocessen tijd nodig heeft deel ik. De in het antwoord op vraag 2 genoemde regeling voor Renure is in internetconsultatie geweest, waarmee de producenten kennis hebben kunnen nemen van de voorgenomen plannen en hiermee de eerste voorbereidingen kunnen gaan treffen.
Deelt u de analyse dat het niet verlengen van de pilot mineralenconcentraat, terwijl er nog geen Renure-producten kunnen worden toegepast, risico’s met zich meebrengt voor onder meer de bedrijfsprocessen van betrokken bedrijven?
Deze analyse deel ik. Om geen gat te laten vallen in de productie tussen het einde van de pilot en de daadwerkelijke toelating van Renure en de continuïteit binnen de keten te waarborgen heb ik voorzien in een overgangssituatie. Op 19 december jl. heb ik uw kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 636).
Bent u bereid de pilot mineralenconcentraat te verlengen tot Renure in de praktijk toepasbaar is?
Ja, zoals ik in mijn brief van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 636) heb aangegeven heb ik voorzien in een overgangssituatie tussen de pilot mineralenconcentraat en de inwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in 2025 deelnamen aan de pilot. Hetzelfde geldt voor de pilot Kunstmestvrije Achterhoek uit het 7e actieprogramma.
Deze overgangssituatie geldt vanaf het einde van de bezwaarperiode van de Raad en het Europees parlement (8 januari) tot 6 weken na inwerkingtreding van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment dat de producent is geregistreerd of gecertificeerd. Daarbij gelden de voorwaarden en voorschriften van de eerdere pilots, de voorwaarden uit de aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie van de beoogde Renure-implementatieregeling.
Dit betekent dat al voor inwerkingtreding van de Renure-regeling mineralenconcentraat in lijn met het voorstel voor Renure, tot maximaal 80 kilogram stikstof per hectare mag worden gebruikt bovenop de norm voor stikstof uit dierlijke mest. Het mineralenconcentraat dat voor inwerkingtreding van de Renure-regeling wordt gebruikt telt daarbij mee voor de 80 kilogram Renure die per kalenderjaar en per hectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest mag worden gebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan de Europese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) in werking is getreden. De producenten van mineralenconcentraat blijven tijdens de overgangsperiode mestcode 120 gebruiken voor het melden van het transport in rVDM.
De voornoemde deelnemers aan de pilots zijn nader geïnformeerd over de exacte voorwaarden.
De vogelgriep |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel van 26 november 2025, waarin wordt beschreven dat er in Europa nog nooit eerder zoveel wilde vogels besmet waren met vogelgriep?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoeveel pluimvee Nederland heeft en wat de precieze pluimveedichtheid is? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dit verhoudt tot andere landen met een grote pluimveesector, zowel binnen als buiten Europa?
Er zijn in Nederland 2.154 locaties geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met een actief Uniek Bedrijfsnummer (UBN) voor gevogelte. In totaal staan daar 82.432.396 dieren geregistreerd (peildatum 1 november 2025). Bij deze cijfers zijn zowel commerciële als niet-commerciële houders inbegrepen. Bij deze cijfers is het goed om te realiseren dat een actief UBN niet automatisch betekent dat er ook daadwerkelijk dieren worden gehouden. Een UBN kan om meerdere redenen langere tijd leeg staan.
In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland een relatief hoge pluimveedichtheid.
Acht u het verantwoord dat pluimvee in hoge dichtheden wordt gehouden, wetende dat dit het risico vergroot op het ontstaan en de verspreiding van hoog-pathogene vogelgriepvirussen?
Uit onderzoek blijkt dat in gebieden met een hoge bedrijfsdichtheid een verhoogd risico is op tussenbedrijfstransmissie. Het vorige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep het streven opgenomen naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden te verkennen. Ik laat momenteel een impactanalyse uitvoeren naar deze structuurmaatregelen. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) onderzoeken de economische impact op de pluimveesector. Andere experts, onder leiding van het RIVM, samen met Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), zullen vervolgens een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid. Ik heb de totale impactanalyse nodig om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. Daarbij is het uitgangspunt dat maatregelen geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Ik verwacht dat de impactanalyse in het eerste kwartaal van 2026 gereed is.
Wat zijn de concrete vervolgstappen die u overweegt te nemen gezien deze risicovolle situatie? Is het inkrimpen van de pluimveesector een maatregel die u overweegt te treffen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Worden er met andere landen gesprekken gevoerd over het wereldwijd inkrimpen van de pluimveesector?
Landen bepalen zelf hun landbouwbeleid. Er zijn internationale organisaties die zich met diergezondheid, voedselzekerheid, en One Health bezighouden. Zo is er bijvoorbeeld de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) die werkt aan het verbeteren van de gezondheid en het welzijn van dieren wereldwijd. WOAH, en daarmee alle aangesloten landen, streeft naar internationale solidariteit bij de beheersing van diergezondheidsrisico's, en werkt grensoverschrijdend aan het bevorderen van een «One Health»-aanpak. De Food and Agriculture Organisation (FAO) heeft als doel voedselzekerheid voor iedereen te bereiken en ervoor te zorgen dat mensen toegang hebben tot voldoende hoogwaardig voedsel. Bij FAO en WOAH wordt dus gestreefd naar een duurzame veehouderij, maar landen zijn vrij daar zelf hun eigen beleid in te maken.
Deelt u de mening dat het bevorderlijk is om het aantal pluimveebedrijven in waterrijke gebieden sterk te verminderen, gezien het feit dat veel pluimveebedrijven in waterrijke gebieden staan, waar veel watervogels leven die het hoog-pathogene virus meedragen?
Uit onderzoek blijkt dat in waterrijke gebieden een verhoogd risico is op insleep van vogelgriep op commerciële pluimveebedrijven vanuit besmette wilde vogels. Overigens doen de huidige uitbraken zich in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd. In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het vorige kabinet in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep een streven naar een verbod op nieuwvestiging en een verkenning naar een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in zowel waterrijke gebieden als pluimveedichte gebieden heeft opgenomen. In het antwoord op vraag 3 heb ik geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Gezien het feit dat in voorgaande jaren grote populaties wilde vogels gedecimeerd zijn door hoog-pathogene vogelgriepvarianten en virusexperts aangeven dat het subtype dat nu in allerlei varianten rondwaart niet meer uit te roeien is bij wilde vogels, hoe wilt u voorkomen dat er nieuwe subtypen in de pluimveehouderij ontstaan waarbij dit eveneens gebeurt?
De afgelopen jaren is het virus van eigenschappen veranderd. Waren het eerst vooral laagpathogene varianten die voorkwamen in de wilde vogels, nu zien we ook de hoogpathogene variant. Opmerkelijk genoeg zijn veel wilde vogels die nu besmet zijn, niet ziek geworden van deze variant. Het virus gedraagt zich dus erg onvoorspelbaar. Dit soort virussen muteert snel, maar het onderliggend mechanisme is niet bekend. Pluimveehouders en houders van andere vogelsoorten zetten zich in om hun dieren te vrijwaren van infectie. Helaas vinden er desondanks uitbraken plaats, niet alleen in Nederland maar ook in heel veel andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Polen, Spanje en België, en veel landen in Azië. In Nederland, en in andere EU-lidstaten worden besmette locaties zo snel mogelijk geruimd. Op die manier wordt voorkomen dat pluimvee op andere locaties worden besmet. Daarmee wordt ook de kans op mutaties verkleind. Nieuwe mutaties kunnen echter overal ontstaan, niet alleen in Nederland.
Acht u de eerder aangekondigde maatregelen (Kamerstuk 28 807, nr. 310 en Kamerstuk 28 807, nr. 311) nog steeds voldoende, gezien de recente ontwikkelingen?
Naar aanleiding van de uitbrakenreeks in de periode 2021–2023 heeft het vorige kabinet het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgesteld met een pakket maatregelen ter preventie van vogelgriepbesmettingen, ten behoeve van de volks- en diergezondheid. Een groot deel van deze maatregelen is uitgevoerd, maar een aantal maatregelen bijvoorbeeld op het gebied van vaccinatie van pluimvee en de structuurmaatregelen kennen een langere doorlooptijd.
Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. Dit jaar is helaas een sterke toename in het aantal uitbraken te zien, waaronder een groot aantal besmettingen bij wilde vogels. Ook in andere landen in Europa is er een sterke toename te zien. Het virus wordt ook verspreid tussen wilde vogels en dat maakt het handelingsperspectief bij die besmettingen beperkt. Bij uitbraken op pluimveelocaties is vrijwel nooit bekend hoe het virus in de stal is binnengekomen. We weten wel dat bioveiligheidsmaatregelen, zoals hygiënemaatregelen, goede afdichting van stallen en beheersing van knaagdieren, de kans op het binnenkrijgen van virus verkleint. Ik roep pluimveehouders opnieuw op om de bioveiligheidsmaatregelen zo goed mogelijk na te leven. Dit is de belangrijkste maatregel die houders kunnen nemen om de kans op een uitbraak te verkleinen. Ik blijf werken aan de uitwerking van de maatregelen uit het intensiveringsplan en blijf de situatie nauwgezet monitoren. Helaas zie ik geen aanvullende maatregelen bovenop de daarin genoemde acties op het gebied van humane gezondheid, wilde dieren en gehouden dieren.
Erkent u dat veel vogelpopulaties in een slechte staat van instandhouding zijn, ook vogelsoorten die gevoelig zijn voor vogelgriep? Deelt u de mening dat, boven op de huidige inspanningen, extra inspanningen nodig zijn om de effecten van de vogelgriep op deze soorten op te vangen? Bent u van plan om deze kwetsbare vogelpopulaties verdere bescherming te bieden? Zo ja, hoe?
Mijn voorganger heeft in 2023 door Sovon onderzoek laten uitvoeren naar de impact van vogelgriepuitbraken op populaties van wilde vogels, en welke mogelijkheden er zijn om deze uitbraken te voorkomen, of zo snel mogelijk te beheersen. Dit onderzoek is met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 36 200-XIV, nr. 120). Het onderzoeksrapport geeft een beeld van wat er bekend is over de impact van HPAI op populaties van wilde vogels in Nederland. Ook geeft het specifiek zicht op voor welke soorten er aanwijzingen zijn van verhoogde sterfte door vogelgriep, en welke vogelsoorten eigenschappen hebben die de soort kwetsbaar maken voor vogelgriep. In aanvulling op dit rapport is in 2024 een vervolgrapport opgesteld dat een nadere duiding geeft door te analyseren welke gevolgen een eventueel optredende vogelgriepsterfte kan hebben voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten2.
In lijn met de aanbevelingen uit de rapporten heeft mijn voorganger ingezet op het centreren van meldingen van dode vogels via een landelijke «vogelgriep app», en is er een leidraad opgesteld voor het opruimen van dode vogels (Kamerstuk 28 807, nr. 279). Een andere aanbeveling gaat in op het creëren van robuuste natuurgebieden, waarbij gedacht kan worden aan het creëren van rustgebieden, om de verspreiding van het virus te beperken. Deze en andere aanbevelingen zijn gedeeld met experts, terreinbeherende organisaties, faunabeheereenheden en provincies en meegenomen in de ontwikkeling van de aanpak van vogelgriep. De ontwikkeling van vogelgriep in wilde vogels wordt nauw gemonitord en zodra de situatie om aanvullende inzet vraagt zal ik in afstemming met betrokken organisaties nagaan hoe ik of de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) daaraan kan bijdragen. Het streven naar robuuste natuurgebieden maakt nadrukkelijk onderdeel deel uit van het beleid van de Staatssecretaris van LVVN.
Gezien het feit dat u in uw Kamerbrief van 1 december 2025 (Kamerstuk 28 807, nr. 311) spreekt over een verhoging van het risiconiveau voor mensen die voor hun werk met besmette dieren in aanraking komen, welke maatregelen, behalve monitoring, bent u bereid te nemen om dit risiconiveau niet verder te verhogen?
De duiding van het risico voor mensen die vanwege hun werkzaamheden in contact komen met besmette vogels is door de experts verhoogd van laag-gemiddeld naar gemiddeld. Deze multidisciplinaire expertgroep komt minstens twee keer per jaar samen om het risico van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te beoordelen. Zij geven als verklaring voor deze verhoging van het risico dat door het hoge aantal besmettingen bij wilde vogels en bij pluimveehouderijen, de kans op blootstelling voor mensen die voor hun werk met (mogelijk) besmette dieren in aanraking komen nu hoger is dan eerder. Medewerkers die betrokken zijn bij de ruimingen krijgen een opleiding, goede instructies, persoonlijke beschermingsmiddelen en zijn gevaccineerd tegen de humane griepvariant. Bovendien is er tamiflu beschikbaar dat door de arbodienst wordt verzorgd. Hiermee wordt de kans op een humane besmetting verkleind.
Pluimveehouders kennen de risico’s ook, ze weten dat hun pluimvee besmet kan raken met vogelgriepvirus. Omdat ze een verdenking snel melden is in het algemeen het aantal besmette vogels nog klein, wat het risico laag houdt. De belangrijkste maatregel om humane infecties te voorkomen is het zo snel mogelijk elimineren van een besmettingshaard, vooral besmette pluimveebedrijven. Dat doet de NVWA uiterst snel en efficiënt, mede door het snelle melden door de pluimveehouder. Door bioveiligheidsmaatregelen strikt na te leven kan de kans op meer besmettingen van pluimvee worden verkleind.
Andere professionals zoals jagers en terreinbeheerders zijn geïnformeerd over de risico’s van vooral subklinisch besmette vogels. Ook zij kunnen met persoonlijke beschermingsmiddelen de kans dat ze besmet raken verkleinen. Voor zover bekend zijn er geen medewerkers, jagers of andere professionals besmet geraakt door hun werkzaamheden of activiteiten.
Daarnaast worden mensen die in nauw contact komen met vogels geadviseerd (jagers, medewerkers van de dierenambulance of anderen die dode wilde vogels ruimen) of verplicht (ruimingsploegen, specialistenteams) persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te gebruiken.
De verwachting van deskundigen is dat de prevalentie in wilde vogels de komende tijd afneemt, wat verder bijdraagt aan de vermindering van het risico’s voor mensen. Dit zijn de maatregelen die ik neem, en kan nemen om het risico voor professionals niet verder te laten oplopen.
Ziet u in dat overdraagbaarheid naar de mens een potentieel nieuwe pandemie kan betekenen? In hoeverre heeft u maatregelen voorbereid om dit te voorkomen?
Virussen worden soms van dier op mens overgedragen. Als zo’n virus muteert, overdraagbaar wordt van mens op mens en mensen hebben geen weerstand tegen zo’n nieuwe variant dan kan dit, net zoals bij SARS-CoV-2, een pandemie veroorzaken. Dit zou volgens de experts ook bij vogelgriep kunnen gebeuren. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29 658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries daarnaast nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Het intrekken van een wetenschappelijk stuk na mogelijke betaling door glyfosaatproducent |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel van 3 december 2025, waarin wordt beschreven dat een invloedrijk wetenschappelijk artikel over het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat na 25 jaar is ingetrokken?1
Ja
Kunt u uiteenzetten welke grondslag dit wetenschappelijk artikel heeft of heeft gehad in het beleid dat Nederland, en breder gezien, Europa voert bij het gebruik van glyfosaat?
Het artikel van Williams en anderen2 is een zogenoemd review-artikel waarin gegevens uit meerdere individuele wetenschappelijke studies worden samengevat en geanalyseerd. Bij de beoordeling van een werkzame stof (of gewasbeschermingsmiddel) worden alleen originele studierapporten gebruikt en geen review-studies. De conclusies uit dit review-artikel zijn geen onderdeel van de risicobeoordeling van glyfosaat3 en zijn niet meegenomen in de Europese besluitvorming bij de hernieuwde goedkeuring van de stof in 2023. Het intrekken van dit review-artikel heeft dan ook geen gevolgen voor de goedkeuring van de stof glyfosaat of toelating van middelen op basis van deze werkzame stof.
Bent u verder bekend met wetenschappelijke studies over pesticiden, glyfosaat in het bijzonder, waarbij aanleiding bestaat om te twijfelen aan de legitimiteit van het onderzoek, wat de invloed was van dergelijke onderzoeken was en hoe zowel positieve als negatieve uitkomsten van deze onderzoeken gewogen en getoetst worden aan bronnen en belangen?
Nee, ik ben verder niet op hoogte van dergelijke onderzoeken.
In hoeverre acht u deze berichtgeving, over rectificatie van wetenschappelijke onderzoeken en mogelijke inmenging van de fabrikant om gevaren en risico’s van het bestrijdingsmiddel te bagatelliseren, als een belangrijk moment voor herziening van onze omgangsnormen met betrekking tot glyfosaat, variërend van bijvoorbeeld toelatingsprocedures tot aan subsidies?
Ik vind het belangrijk dat besluitvorming over werkzame stoffen wordt gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke wetenschappelijke informatie. Het intrekken van het review-artikel geeft geen aanleiding om te twijfelen aan eerdere besluitvorming over glyfosaat.
Welke waarborgen bestaan er momenteel om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren uit de certificering en besluitvorming en daaropvolgende onderzoeken te herzien als deze op dergelijke onderzoeken zijn gebaseerd?
Er zijn verschillende waarborgen binnen het proces van de stofbeoordeling ingebouwd om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren. Allereerst baseren de toelatingsautoriteiten zich in eerste instantie op onderzoek dat is uitgevoerd volgens Good Laboratory Practice (GLP)4. Dit is een systeem om de kwaliteit van de experimenten in laboratoria te waarborgen waar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op houdt. De rapporteur lidstaat (RMS) beoordeelt alle studies, inclusief studies uit de wetenschappelijke literatuur, en kijkt hierbij op een gestructureerde wijze naar de betrouwbaarheid, bijvoorbeeld met behulp van de Klimisch criteria5, en de relevantie van de studies. De betrouwbaarheid en relevantie bepalen samen de aanvaardbaarheid van de studie. Alle relevante, betrouwbare wetenschappelijke technische kennis wordt tegen elkaar afgewogen om tot een eindconclusie te komen. Hierbij wegen relevante en betrouwbare studies zwaarder dan minder betrouwbare/relevante studies. Niet-acceptabele studies worden niet meegenomen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voert samen met alle andere lidstaten een collegiale toetsing (peer review) uit op het beoordelingsrapport van de RMS. Ook vindt er een openbare consultatie plaats. Bovendien moeten aanvragers sinds 2019 op basis van de Algemene Levensmiddelenverordening de autoriteiten al vooraf informeren dat een nieuwe studie begint en moeten ze het melden als de studie is afgerond. Dit om te voorkomen dat bedrijven onderzoeksresultaten achterhouden.
In hoeverre bent u bereid om het Europees vastgestelde toetsingskader ter discussie te stellen nu de legitimiteit van invloedrijke wetenschappelijke onderbouwingen die mogelijk ten grondslag liggen aan onze opvattingen over glyfosaat in twijfel wordt getrokken of zelfs wordt gerectificeerd?
Het intrekken van het betreffende review-artikel heeft geen invloed op de uitkomst van de risicobeoordeling van glyfosaat en deze hoeft daarom niet nationaal of Europees bediscussieerd te worden.
In aanvulling daarop, bent u bereid om bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan te dringen op herziening van het toetsingskader voor het gebruik van glyfosaat, wellicht in afwachting van herziening van het Europese toetsingskader?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat Montsano geen gesprekspartner moet zijn van Nederland of via andere manieren de mogelijkheid moet hebben om de sterke lobby voor de gifindustrie voort te zetten? Ziet u dus de wenselijkheid van een lobbyverbod voor de gifindustrie in?
Besluitvorming over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dient altijd gebaseerd te zijn op onafhankelijke wetenschappelijke beoordelingen. Ik vind het daarom van grote waarde dat het Ctgb, als onafhankelijke toelatingsautoriteit, deze beoordelingen uitvoert zonder inmenging van derden, zoals fabrikanten of politiek. Het Ctgb wijst iedere vorm van ongeoorloofde beïnvloeding van de wetenschappelijke oordeelsvorming categorisch af. Waar het gaat om mijn eigen beleidsvorming praat ik met telers, NGO’s, belangenbehartigers, andere overheden en ook fabrikanten om een goed beeld te hebben van de wensen en ontwikkelingen binnen de samenleving en eventuele gevolgen van (toekomstig) beleid. Ik hecht waarde aan deze dialoog met alle onderdelen van de samenleving.
Is er naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op de Wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een onderzoek ingesteld naar de reikwijdte van de verplichtstelling van alternatieven voor glyfosaat?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het betreffende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en de verdere stappen op dit onderwerp.
Hoe gaat u waarborgen dat dit onderzoek onafhankelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd, waarbij scherp wordt gelet op mogelijke belangenverstrenging of illegitimiteit van aangehaalde onderzoeken, helemaal gelet op recente berichtgevingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de effecten van glyfosaat onafhankelijk worden onderzocht en de basis vormen voor het toetsingskader voor de verplichtstelling van alternatieven?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze en eerdere negatieve berichtgeving over de schadelijke effecten van glyfosaat concrete vervolgstappen te geven aan het aanpassen van het glyfosaatbeleid in Nederland?
Glyfosaat is in 2023 opnieuw Europees goedgekeurd op basis van een zeer omvattend wetenschappelijk dossier met meer dan 2400 studies. De onafhankelijke wetenschappelijke adviezen van de hiervoor aangewezen instituten concluderen dat glyfosaat veilig kan worden toegepast. Op basis van deze conclusies zijn momenteel geen aanvullende maatregelen nodig.
Bent u bereid om, indien onderzoeken deze uitkomst aanbevelen, de verplichting tot het gebruik van alternatieven aan te scherpen en voor eenieder te codificeren in de Wijzigingen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden?
Uw Kamer wordt separaat schriftelijk geïnformeerd over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op de beoogde wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en over de verdere stappen op dit onderwerp.
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Het artikel 'Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?»?1
Ja.
In het artikel wordt gesproken over een vaccin tegen het vogelgriepvirus voor kippen dat door de European Medicines Agency (EMA) is goedgekeurd, is dit goedgekeurde vaccin wellicht een «mRNA-vaccin»?
Het in het artikel genoemde vaccin is geen mRNA-vaccin, maar een vectorvaccin, INNOVAX-ND-AI, van MSD Animal Health. Dat is een vaccin dat na een beoordeling door het Europees Medicijnagentschap (EMA), door de Europese Commissie is toegelaten in de Europese Unie, voor gebruik bij kippen. Dit vaccin is door het EMA beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Betreft dat misschien dit door de EMA goedgekeurde (mRNA-)vaccin, gezien het feit dat er wordt gesproken over één pluimveehouderij in Nederland die zijn kippen heeft gevaccineerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waar worden de eieren van deze pluimveehouderij in Nederland verkocht? Kan de Nederlandse consument op de verpakking zien dat de kippen die deze eieren hebben gelegd met dit (mRNA-)vaccin zijn gevaccineerd? Zo nee, waarom wordt dit voor de Nederlandse consument (bewust?) verborgen gehouden?
De eieren worden sinds eind juli 2025 via de bestaande afzetkanalen op de markt gebracht. Er is geen noodzaak om te melden in welke winkels de producten liggen, aangezien de eieren van gevaccineerde hennen veilig zijn.
Vindt u het belangrijk dat consumenten goed kunnen worden geïnformeerd over het voedsel dat ze eten?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat, zeker als consumenten daar prijs op stellen, pluimveehouders, te allen tijde, vrij zijn om aan te geven, op hun pak eieren, of de eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo nee, waarom niet? Waarom mogen consumenten niet weten of eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de volgende zin in het genoemde artikel: «Je wit niet, zegt hij, dat in andere landen eieren op de markt worden gebracht van kippen die «ongevaccineerd» zijn, als een soort keurmerk.?»; waarom zou men dat niet willen? Wat is erop tegen om consumenten, die dat graag willen weten, in staat te stellen te achterhalen of de eieren op hun bord wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Hoe gaat u deze consumenten beschermen en garanderen dat Nederlandse pluimveehouders, die dat willen, op hun doosje eieren wel degelijk kunnen (blijven) aangeven dat de eieren afkomstig zijn van (on)gevaccineerde kippen?
Consumenten eten al decennia eieren en vlees van gevaccineerde kippen. Kippen worden tegen veel ziekten gevaccineerd, ook met vergelijkbare vaccins. Voorbeelden van ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn infectieuze bronchitis, infectieuze bursitis, infectieuze larynhgotracheitis, Newcastle disease, Salmonella Enteritidis en coccidiose. Dit gebeurt met vaccins die op de markt zijn toegelaten na een beoordeling op werkzaamheid en veiligheid voor mens, dier en omgeving. De eieren en het vlees van gevaccineerde kippen zijn veilig voor humane consumptie. Op verpakkingen van eieren en vlees staat niet welke vaccins zijn toegediend. Dit geldt ook in het geval van de eieren en het vlees van de kippen uit de pilot. Ik wil u er ook op wijzen dat het Voedingscentrum Nederland informatie geeft over voedsel afkomstig van gevaccineerde dieren2.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Pieter Grinwis (CU), Joost Eerdmans (JA21), Sandra Beckerman (SP), Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u tegen de wens van de Kamer in gaat door niet het verbod op de toegezegde datum naar de Kamer te sturen?1
Begin dit jaar is het ontwerpbesluit voor een verbod op het gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij ter notificatie aan de Europese Commissie voorgelegd. Gedurende de stand-still van 3 maanden heb ik geen opmerkingen van de Europese Commissie ontvangen, daarmee is de standstill-periode geëindigd.
Ik heb daarna advies bij de Afdeling advisering van Raad van State aangevraagd. De streefdatum van inwerkingtreding op 1 juli 2025 is helaas niet gehaald, omdat ik nog het advies van de Afdeling advisering van Raad van State afwachtte. Op 28 juli 205 is het advies van de Afdeling advisering openbaar gemaakt2.
Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Raad van State heb ik vervolgens nog wijzigingen verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting. Dit proces heeft enige tijd in beslag genomen.
Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad voor akkoord worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Kunt u toelichten waarom er nog steeds geen wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, ondanks de lang verstreken termijn van 1 juli 2025?
Er is geen wetsvoorstel dat naar de Kamer zal worden verstuurd. Het verbod wordt door middel van een algemene maatregel van bestuur vormgegeven. Het ontwerp van die AMvB is in het kader van de voorhang aan de Kamers voorgelegd. Voor de stappen die daarna hebben plaatsgevonden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Zijn er op dit moment juridische bezwaren of beperkingen, bijvoorbeeld door de Europese Commissie of andere instanties die de publicatie vertragen? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier het verbod technisch of financieel niet uitvoerbaar is, gezien er verder geen reden is om de wens van de Kamer niet te honoreren?
Er zijn op dit moment geen juridische bezwaren of beperkingen die in de weg staan aan de bekendmaking van het verbod.
Kunt u de Kamer volledig informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verbod?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Welke rol zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben bij toezicht op de naleving van het verbod zodra het van kracht is?
De NVWA is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving in de eerste plaats bij de bedrijven zelf. Voor het welzijn van de dieren is het cruciaal dat medewerkers die met dieren omgaan goed opgeleid zijn en zich bewust zijn van hoe menselijk handelen het dierenwelzijn kan beïnvloeden. Ik verwacht van de sectorpartijen dat zij in deze voorwaarden voorzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overtredingen effectief kunnen worden bestraft en dat herhaling wordt voorkomen?
Omdat overtredingen op dit verbod fysiek en op heterdaad vastgesteld moeten worden, heeft de NVWA in haar handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets aangegeven dat dit verbod slechts beperkt handhaafbaar is. Daarbij komt dat bij het laden en lossen van dieren bij nationale transporten (waar deze wetswijziging betrekking op heeft), geen toezichthouder van de NVWA aanwezig is, omdat bedrijven niet verplicht zijn deze transporten aan de NVWA te melden. De NVWA heeft daardoor geen zicht op wanneer deze transporten plaatsvinden.
Welke alternatieven voor het gebruik voor stroomstoten, zoals diervriendelijke methoden, ondersteunt uw ministerie en hoe stimuleert u de sector om die alternatieven te implementeren?
Alternatieven voor het voortdrijven van dieren zijn onder meer opdrijframmelaars, drijfschotten, plastic zakken, vlaggen en stokken met plastic linten. Onderzoek van de Amerikaanse professor Temple Grandin heeft aangetoond dat ongewenst stilvallen van dieren zoveel mogelijk kan worden voorkomen, door logische looplijnen en het creëren van een rustige omgeving tijdens het laden. Dit omvat bijvoorbeeld ook het vermijden van afleidingen zoals reflecties, en het voorkomen van geluidsoverlast. Deze hulpmiddelen worden in de praktijk al gebruikt, naast het gangbare elektrische veedrijfmiddel en zijn binnen de sector reeds bekend.
Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met transporteurs, veehouders en andere betrokkenen over de overgang naar alternatieven vóór de inwerkingtreding van het verbod?
Sinds 2021 hebben gesprekken met de sector plaatsgevonden over alternatieven voor het elektrisch veedrijfmiddel. Deze gesprekken hebben niet kunnen voorkomen dat nieuwe incidenten met onjuist gebruik van de elektrische veedrijfmiddel geconstateerd werden, die ook het nieuws haalden. Om die reden heeft mijn voorganger het verbod aangekondigd3. De totstandkoming van dit verbod, en het feit dat hieraan gewerkt werd, is al geruime tijd bekend binnen de sector en dit is ook meermaals in gesprekken met de sector langsgekomen. Van de sector verwacht ik dat zij zich actief zullen blijft inzetten om het gebruik van de eerder beschreven alternatieven te stimuleren.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken het wetsvoorstel naar de Kamer sturen voor behandeling?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken deze vragen beantwoorden?
Ja.
De interpretatie van de Europese jurisprudentie inzake het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de juridische analyses waarin aangegeven wordt dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste waarschijnlijk niet automatisch voortvloeit uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)?1, 2
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Ik wil benadrukken dat het gaat om een juridisch-wetenschappelijke discussie van verschillende auteurs. Ik volg deze discussie met interesse. Daarom heb ik een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ingediend. Tegelijkertijd zijn de uitspraken van de Afdeling uiteraard leidend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. Hieronder ga ik specifieker in op de standpunten die worden genoemd.
Deelt u de analyse van de auteurs dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS)-arrest weliswaar duidelijk maakte dat bij vergunningverlening geen beroep kan worden gedaan op de positieve effecten van (bestaande) instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen, maar dat daaruit niet is af te leiden dat hetzelfde geldt voor een maatregel die het bevoegd gezag uitdrukkelijk beoogt in te zetten als mitigerende maatregel en niet als instandhoudings- of passende maatregel?
Zoals hiervoor aangegeven, volg ik deze lijn met interesse en zie ik aanknopingspunten in deze analyse. Een vergelijkbaar standpunt is naar voren gebracht namens de Staatssecretaris als bevoegd gezag in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling.
Deelt u de analyse van de auteurs dat noch in arresten van het HvJ-EU noch in richtsnoeren van de Europese Commissie wordt aangegeven dat een mitigerende maatregel slechts kan worden ingezet ten behoeve van een plan of project in een passende beoordeling als die naar zijn aard niet ook nodig is als een instandhoudings- of passende maatregel?
Ik ben van mening dat mitigerende maatregelen die niet al door de beheerder van het betrokken Natura 2000-gebied, de provincie of het Rijk, zijn aangewezen als instandhoudings- of passende maatregel naar hun aard niet als zodanig zijn aan te merken. Dat standpunt is naar voren gebracht in de hoger beroepsprocedures, bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse van de auteurs dat een strikte interpretatie van het additionaliteitsvereiste voorbij gaat aan het feit dat via het nemen van passende maatregelen op grond van artikel zes, tweede lid, van de Habitatrichtlijn alsnog kan worden ingegrepen in bestaande, vergunde situaties mocht dat nodig zijn om verslechtering te voorkomen?
Ik zie aanknopingspunten in deze analyse. Dat doet niet af aan het feit dat ik me, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, houd aan de geldende jurisprudentie.
Deelt u de mening van de auteurs dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste op gespannen voet staat met het «nuttig effect» van het Unierecht, omdat het ervoor zorgt dat op dit moment ook vergunningen die uiteindelijk juist zorgen voor uitstootreductie nauwelijks meer kunnen worden afgegeven?
Die mening kan ik op zichzelf volgen. Ik krijg signalen dat op dit moment vergunningen die zorgen voor emissiereductie beperkt worden afgegeven naar aanleiding van de recente jurisprudentie. Ook een aangescherpt additionaliteitsvereiste zou wat mij betreft niet tot gevolg moeten hebben dat verduurzaming onmogelijk wordt. Ik wacht de jurisprudentie op dit punt af.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de inzet van de gehele referentiesituatie van een bestaande activiteit bij de additionaliteitstoets dat dit niet in alle gevallen maatregelen betreffen die naar hun aard kunnen worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel?
Die analyse kan ik volgen. In de procedures aangehaald in het antwoord op vraag 2 wordt namens de Staatssecretaris naar voren gebracht dat projecten die grote sociaaleconomische belangen dienen niet zouden moeten worden ingetrokken als passende maatregel. Een intrekking zou immers niet in overeenstemming zijn met de vereisten uit artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn. Daaruit volgt dat instandhoudings- en passende maatregelen in overeenstemming moeten zijn met sociaaleconomische vereisten en lokale en regionale bijzonderheden.
Op welke wijze zou ten aanzien van de genoemde referentiesituatie van bestaande activiteiten kunnen worden voorkomen dat deze onnodig ingezet worden bij de additionaliteitstoets?
Uit de recente jurisprudentie van de Afdeling wordt duidelijk dat op het moment dat aantoonbaar voldoende andere passende maatregelen worden genomen die leiden tot een voor de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, het niet langer nodig zal zijn om de referentiesituatie van bestaande activiteiten te beëindigen om te voldoen aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, om verslechtering van de kwaliteit van habitat te voorkomen. In die situatie zal in z’n algemeenheid kunnen worden aangetoond dat mitigerende maatregelen aanvullend zijn op hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitsvereiste). Dit vereist wel dat op gebiedsniveau op dit punt een analyse is gemaakt en een plan of programma kan worden overgelegd waaruit blijkt welke maatregelen wanneer worden genomen en wanneer daarvan welke effecten kunnen worden verwacht, en dat aannemelijk kan worden gemaakt dat daarmee verslechtering in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen en perspectief blijft bestaan op de realisatie van eventuele verbeter- of uitbreidingsdoelstellingen. Met het startpakket en vervolgpakket heeft het kabinet onder de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel een aanpak neergezet om de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te gaan maken. Daarbij zijn middelen vrijgemaakt voor de landbouwsector (doelsturing, extensivering, beëindiging, mest), die deels al in uitvoering zijn of gaan. En daarnaast voor een gebiedsgerichte aanpak en voor gericht natuurherstel. Het vervolgpakket zet in aanvulling daarop in op verdere emissiereductie en natuurherstel, in combinatie met een verbeterde borging van de aanpak.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de stellingname van de Raad van State dat de omvang van de in te zetten referentiesituatie geen rol mag spelen bij de toets aan het additionaliteitsvereiste en dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen het al dan niet sprake zijn van significante gevolgen bij mogelijke passende maatregelen ten aanzien van bestaande activiteiten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van de auteurs dat de jurisprudentie bij plannen ruimte laat voor toepassing van intern salderen zonder additionaliteitstoets als maatregelen met positieve gevolgen, zoals het niet langer bemesten van agrarische gronden in verband met woningbouw, onlosmakelijk onderdeel van het plan zijn?
Die analyse kan ik volgen. Ik verwacht dat de Afdeling binnen afzienbare tijd een richtinggevende uitspraak zal doen over intern salderen bij plannen in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aan die lijn hebben overheden zich vervolgens te houden. Ik wacht de verdere jurisprudentie op dit punt af.
Welke mogelijkheden ziet u voor adequate toepassing van het additionaliteitsvereiste binnen de kaders van de bestaande jurisprudentie, zodanig dat plannen en projecten niet onnodig belemmerd worden?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid advies te vragen aan de Raad van State en/of de Europese Commissie over de reikwijdte van het additionaliteitsvereiste?
Zoals eerder gezegd heeft de Staatssecretaris een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling ingediend. Ik ben daarnaast bereid om de Afdeling in voorkomende passende zaken het voorstel te doen om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie om te toetsen of de huidige jurisprudentie in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof is de hoogste instantie die beslist over de uitleg van het Europees recht (de Habitatrichtlijn). De Afdeling beslist zelf of daartoe wordt overgegaan en welke vragen er vervolgens aan het Hof worden gesteld.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Ja.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar ontbossingsrisico?
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen van dit rapport?
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen, waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies. Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s te vermijden toereikend?
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen, waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden, risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken, zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s, waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao? Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds, dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds te versterken.
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in het nationale klimaat- en natuurbeleid?
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam consumptiegedrag te bevorderen?
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Bruijn , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Landbouwgif in populaire snoepgroenten voor jonge kinderen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending gezien van KASSA over pesticiden in populaire snoepgroenten voor jonge kinderen?1
Ja, deze uitzending heb ik gezien.
Deelt u de bezorgdheid van toxicoloog Scheepers van de Radboud Universiteit over de door Pesticide Action Network Netherlands (PAN-NL) gevonden hormoonverstorende en voor de voorplanting giftige pesticiden in deze producten?
Voor elke combinatie van een product en actieve stof (werkzame bestanddeel van een gewasbeschermingsmiddel), zoals in het rapport van PAN-NL wordt aangegeven, geldt een Maximaal Residu Limiet (MRL). De MRL is de maximale wettelijke hoeveelheid van een actieve stof die in of op levensmiddelen voor mag komen. De residuen die door PAN-NL gevonden zijn, voldoen allen aan deze MRL.
Kunt u bevestigen dat jonge kinderen extra gevoelig zijn voor blootstelling aan gif, omdat hun lichaam (met name hersenen, hormoonstelsel, immuunsysteem en voortplantingsorganen) nog in volle ontwikkeling zijn? Zo nee, op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan?
Kinderen zijn inderdaad extra gevoelig voor de blootstelling aan stoffen zoals gewasbeschermingsmiddelen. Hier wordt rekening mee gehouden in de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en de vaststelling van de MRLs. Voordat een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt op een gewas, wordt onderzocht of de te verwachten residuen van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel een gevaar voor de volksgezondheid vormen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met gevoeligheid van baby's en jonge kinderen en hun hogere blootstelling. Gewasbeschermingsmiddelen worden alleen toegelaten als de risicoschatting aangeeft dat bij de maximum te verwachten residuen per gewas de acceptabele dagelijkse inname (ADI) en de acute referentie dosis (ARfD), niet worden overschreden voor respectievelijk chronische blootstelling en acute blootstelling.
Klopt het dat op basis van twee adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding nog steeds twijfel bestaat over de adequaatheid van de bestaande waarden voor de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van landbouwgiffen en residuen, met het oog op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters, zoals in de richtlijn 2006/125/EG is vermeld?
Dit klopt niet. De twee adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding stammen uit 1997 en 1998. In de tussentijd is het toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op meerdere punten aangescherpt. Op verzoek van de Europese Commissie heeft de European Food Safety Authority (EFSA) in 2018 de geschiktheid van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) voor gewasbeschermingsmiddelen voor baby's ouder dan 4 maanden en jonge kinderen beoordeeld. EFSA concludeerde dat de huidige aanpak voor het vaststellen van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) geschikt is voor baby's en jonge kinderen.2
Klopt het dat voor een potje voeding voor een peuter van drie jaar een pesticidenorm is gesteld van maximaal 0,01 milligram per kilogram op basis van deze zorgen over pesticiden?
Richtlijn 2006/125/EG van 5 december 2006 schrijft inderdaad voor dat bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding geen residuen van afzonderlijke bestrijdingsmiddelen mogen bevatten met niveaus die hoger liggen dan 0,01 mg/kg.
Klopt het dat op verse snoepgroente, veel gegeten in die leeftijd, tot wel soms 10 milligram per kilogram of meer residu (MRL) van bepaalde pesticiden mag zitten, dus 1000 keer zoveel?
De MRL verschilt per product en per actieve stof. Zowel snoepgroenten als de gewone groenten moeten voldoen aan de betreffende MRL. Veel MRL’s voor tomaten, komkommers, paprika’s en wortelen zijn 0,01 mg/kg. Er zijn echter ook veel MRL’s hoger dan 0,01 mg/kg en dat kan ook 10 mg/kg zijn, bijvoorbeeld tomaten.
Kunt u bevestigen dat het schadelijk effect van een residu op een verse snoeptomaat hetzelfde is als dezelfde hoeveelheid residu op een tomaat in een potje peutervoeding? Zo nee, waarom niet en op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan op?
Ja, dat klopt. Het hangt van de mate van blootstelling aan een schadelijke stof af of er schadelijke effecten optreden. Het maakt niet uit via welke voedingsmiddelen deze blootstelling plaatsvindt.
Bent u bereid wetgeving hierop aan te passen zodat voor specifieke producten die gericht zijn op kinderen altijd deze veilige «babynorm» geldt? Zo nee, waarom niet en op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan op?
Uit de overwegingen van Richtlijn 2006/125/EG blijkt dat destijds een zeer lage (0,01 mg/kg) gemeenschappelijke grenswaarde voor alle bestrijdingsmiddelen in of op levensmiddelen voor bijzondere voedingsdoeleinden, bestemd voor zuigelingen en peuters, is vastgesteld in afwachting van een wetenschappelijke studie over en beoordeling van de specifieke relevante stoffen. Dit werd passend gevonden, omdat op basis van de in vraag 4 aangehaalde adviezen van het Wetenschappelijk Comité twijfel bestond over de adequaatheid van de ADI van bestrijdingsmiddelen en residuen van bestrijdingsmiddelen, met het oog op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is in de tussentijd van de publicatie van de adviezen en nu het toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op meerdere punten aangescherpt. Volgens EFSA is de huidige aanpak voor het vaststellen van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) geschikt voor baby's en jonge kinderen. Hierdoor is het niet nodig de huidige wetgeving aan te passen.
Indien u hier niet toe bereid bent, bent u dan bereid met supermarkten afspraken te maken zodat zij voor deze producten deze veilige norm hanteren bij hun inkoopbeleid? Zo nee, waarom niet?
Producten die in de supermarkt verkocht worden moeten voldoen aan de wettelijk vastgestelde MRLs volgens Verordening (EG) 396/2005. Bij het vaststellen van de MRLs wordt ook rekening gehouden met zwangeren, baby's en jonge kinderen en er worden ruime veiligheidsmarges toegepast. Het is daarom niet nodig om afspraken te maken over bovenwettelijke eisen.
Bent u bereid jonge ouders en zwangere vrouwen te adviseren zoveel mogelijk gebruik te maken van onbespoten of biologische producten? Zo nee, waarom niet en waarom laat u ouders en kinderen bewust extra risico lopen met hun gezondheid?
Nee, ik ben niet bereid dat te adviseren. De huidige manier waarop het Voedingscentrum communiceert over babyvoeding en bestrijdingsmiddelen is voldoende.3 Consumptie van groenten met residugehaltes onder de MRL is ook veilig voor zwangeren, baby’s en jonge kinderen. Verder is het belangrijk om goed te variëren. Hiermee wordt de kans verkleind dat je te veel schadelijke stoffen binnenkrijgt en krijg je daarmee verschillende voedingsstoffen, zoals vitamines en mineralen binnen.
Klopt het dat de Europese Commissie (EC), het Europees parlement en de lidstaten al in 2009 overeenkwamen dat er een uitfasering moest komen op hormoonverstorende pesticiden, behoudens enkele uitzonderingen, gezien hun mogelijke langdurige en onherstelbare schadelijke effecten, zelfs bij een lage blootstelling?
In 2009 is in Verordening (EG) 1107/2009, voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, opgenomen dat actieve stoffen met hormoonontregelende eigenschappen niet worden goedgekeurd, tenzij het gebruik ervan alleen leidt tot verwaarloosbare blootstelling of als er sprake is van een niet op een andere wijze te bestrijden fytosanitair gevaar. In 2018 zijn de wetenschappelijke criteria voor het identificeren van dergelijke stoffen in de Verordening opgenomen.
Kunt u aangeven voor hoeveel van de als hormoonverstorend geclassificeerde pesticiden de toelating sindsdien is ingetrokken en hoeveel nog steeds een toelating hebben in Nederland?
Tot op heden4 is van tien actieve stoffen de goedkeuring niet verleend of niet verlengd vanwege hormoonontregelende eigenschappen. De toelatingen van middelen op basis van deze stoffen zijn inmiddels ingetrokken. Voor de tien middelen op basis van de actieve stof flufenacet geldt nog een respijtperiode tot eind volgend jaar.
Er zijn vooralsnog geen actieve stoffen met hormoonontregelende eigenschappen goedgekeurd onder de twee in het vorige antwoord genoemde derogaties.
Vier stoffen zijn door EFSA aangemerkt als stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, maar bevinden zich nog in de Europese besluitvormingsfase. Het betreft 30 middelen. De Europese Commissie is aan zet om een voorstel te doen over het (al dan niet) intrekken van de goedkeuring. Wanneer dit gebeurt trekt het Ctgb vervolgens de toelating van de betreffende middelen in.
Kunt u aangeven wat de meest voorkomende redenen zijn dat bepaalde als hormoonverstorend geclassificeerde stoffen nog steeds een toelating hebben?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u deze redenen afwegen tegen de risico’s voor de gezondheid voor onder andere jonge kinderen en daarbij aangeven of u het terecht vindt dat deze stoffen nog steeds zijn toegelaten?
Zoals in het antwoord op vraag 12 aangegeven zijn er vier stoffen door EFSA aangemerkt als stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, maar bevinden zich nog in de Europese besluitvormingsfase. De Europese Commissie is aan zet om een voorstel te doen over het al dan niet intrekken van de goedkeuring.
Wat vindt u ervan dat er meerdere pesticiden met PFAS in snoepgroenten voor kinderen zijn gevonden?2 3
Er zijn twee PFAS-pesticiden gevonden, pyridalyl op snoeppaprika en fludioxonil op snackkomkommer. Voor zowel de snoeppaprika als de snackkomkommer geldt dat deze stoffen onder de MRL zijn aangetroffen. Bij het bepalen van de MRL wordt rekening gehouden met zwangeren, baby’s en jonge kinderen en is daarom ook voldoende beschermend voor hen.
Kunt u bevestigen dat kinderen een lager lichaamsgewicht hebben, waardoor ze sneller te veel PFAS binnenkrijgen en dit ertoe kan leiden dat het immuunsysteem minder goed werkt?
Kinderen hebben inderdaad gemiddeld een lager lichaamsgewicht dan volwassenen. Bij de risicobeoordeling en de afleiding van MRLs wordt hiermee rekening gehouden. Het systeem is erop gericht om te zorgen dat kinderen en volwassenen geen schadelijke effecten ondervinden van de residuen die zij via de voeding binnenkrijgen.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de gezondheid van kinderen in gevaar wordt gebracht doordat ze groenten eten die zijn bespoten met pesticiden met PFAS? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard vind ik het onwenselijk wanneer de gezondheid van kinderen in gevaar wordt gebracht. Of dat nu door voeding is of door iets anders. Echter zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt bij de risicobeoordeling en de afleiding van MRL rekening gehouden met het lagere lichaamsgewicht van kinderen.
Bent u ermee bekend dat Denemarken onlangs heeft besloten om de toelating van 23 landbouwgiffen in te trekken omdat ze PFAS bevatten?4
Ik ben ermee bekend dat Denemarken de betreffende toelatingen heeft ingetrokken op basis van nieuwe informatie over de vorming van het afbraakproduct trifluorazijnzuur en het risico op vervuiling van het grondwater door deze stof.
Is er verschil in de feitelijke situatie tussen Nederland en Denemarken waarom in Denemarken een verbod op pesticiden met PFAS wel als wenselijk en haalbaar is beoordeeld door de regering en in Nederland (vooralsnog) niet?
Denemarken heeft de Europese Commissie en alle lidstaten geïnformeerd over het besluit om de toelating van deze middelen in te trekken. Er kunnen verschillen zijn tussen de lidstaten in onder andere de agronomische situatie, nationale toetsingskaders en toegelaten middelen. Op basis van de informatie van Denemarken zal elke lidstaat daarom afzonderlijk bepalen wat het Deense onderzoek waarop het besluit is gebaseerd, betekent voor de nationale situatie. In Nederland bestudeert het Ctgb het Deense onderzoek om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie. Het is vervolgens aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, te bepalen of er aanleiding is om de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen.
Bent u bereid om alsnog op zeer korte termijn het besluit van Denemarken te volgen en de toelating van pesticiden met PFAS zo snel mogelijk in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het Ctgb bestudeert het Deense onderzoek momenteel zorgvuldig en dat kost tijd. Vanwege de hoeveelheid werk en complexiteit van het dossier kan het Ctgb nog niet aangeven wanneer dit is afgerond. Zodra er een besluit is genomen door het Ctgb zal ik uw Kamer hierover informeren.
Wat vindt u ervan dat op de Nederlandse snoeppaprika’s van Lidl een verdacht reprotoxische pesticide werd gevonden (spirotetramat) die in Nederland verboden is in de paprikateelt? Hoe verklaart u dit?
Wanneer een stof in de EU verwijderd wordt van de lijst van goedgekeurde stoffen geldt vaak nog een opbruiktermijn van middelen op basis van deze stof. Dat was ook van toepassing voor Spirotetramat, waarvan opbruiktermijnen liepen tot 30-10-2025. Echter was er in Nederland geen toelating (en dus geen opbruiktermijn) voor de teelt van paprika en zouden er dus geen residuen van Spirotetramat te verwachten zijn in paprika’s uit Nederland. In Nederlandse supermarkten worden ook paprika’s uit andere landen verkocht, in dit geval ging het om Portugal. In andere Europese lidstaten gold een opgebruik termijn voor middelen op basis van Spirotetramat, wat de meest voor de hand liggende verklaring is voor het terugvinden van deze stof op de snoeppaprika.
Hoeveel van de duizenden inspecties pesticiden die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) jaarlijks doet, zijn de afgelopen vijf jaren gedaan bij snoepgroenten, welke stoffen zijn gevonden en hoeveel keer werd de «babynorm» van 0,01 milligram per kilogram overschreden, graag per jaar uitgesplitst?5
De NVWA maakt geen onderscheid tussen maatvoeringen (eg: mini, snack, midi, etc). Er kan dus geen exact antwoord op deze vraag gegeven worden. Zowel mini als grote komkommers worden aan dezelfde MRL getoetst. De aanduiding van het product wordt geregistreerd, maar bijvoeglijke naamwoorden als snoep, smaakvolle, gigantische worden niet geregistreerd als deze geen onderdeel van de aanduiding zijn. Onderstaand overzicht moet dus wel met de nodige terughoudendheid worden gezien. Met betrekking tot onderstaand overzicht is één keer een overschrijding van de MRL aangetroffen. Het ging hier om Carbendazim op komkommers, bemonsterd in 2021, met als land van oorsprong Turkije. Het betreffende levensmiddelenbedrijf heeft hiervoor een schriftelijke waarschuwing gekregen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Helaas is het niet gelukt deze vragen in de gestelde termijn te beantwoorden. Eerder is hierover een uitstelbrief gestuurd.
5
cyprodinil, fludioxonil, cypermethrin, boscalid, fenhexamid, propamocarb, pyraclostrobin, tebuconazool, abamectine, indoxacarb, spiromesifen
10
6
flubendiamide, spinosad, cyprodinil, fludioxonil, carbendazim, chloorantraniliprole, dimethomorf, flonicamid (som), metalaxyl, propamocarb, spinetoram, thiamethoxam, triflumizool, fluopyram, flutriafol, spiromesifen, sulfoxaflor
13
5
cyprodinil, fluopyram, chloorantraniliprole, pyrimethanil, fludioxonil, spiromesifen, trifloxystrobin, acetamiprid, boscalid, pyraclostrobin
8
3
cyprodinil, chloorantraniliprole, flubendiamide, flupyradifurone, spiromesifen, fluopyram, pyrethrinen, thiabendazool, trifloxystrobin
8
6
cyazofamid, flonicamid (som), fludioxonil, propamocarb, pyridalyl, thiabendazool, cyflumetofen, azoxystrobin, cyhalothrin-lambda, difenoconazool, acetamiprid, boscalid, cymoxanil, pyraclostrobin, spirotetramat (som), tebuconazool
12
Toegepaste criteria: zoektermen: snoep snack mini kinder in producten: «komkommers», «paprika», «cherrytomaten», «tomaten», «kerstomaten», «niet-scherpsmakende pepers/paprika’s», «jonge worteltjes»
De recente update van Aerius |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe waardeert u de analyse dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bij de recente update van Aerius niet de door de Kamer gevraagde correctie voor depositieonderzoek in duingebied, in lijn met de motie Flach (Kamerstuk 35 334, nr. 373), heeft toegepast?1
Vooropgesteld is het de taak van het RIVM om, als onafhankelijk wetenschappelijk instituut, te bepalen op welke manier de monitoring van de totale stikstofdepositie het beste kan worden uitgevoerd. Het RIVM werkt samen met andere kennisinstituten aan de continue doorontwikkeling van de meet- en rekenmethodiek, bijvoorbeeld via het Nationaal Kennisprogramma Stikstof. Als Minister vertrouw ik op de keuzes die vanuit de wetenschap gemaakt worden.
De kennisnotitie die het RIVM heeft gepubliceerd over dit onderwerp2, geeft een heldere uiteenzetting van de verschillende type metingen en de verschillende mogelijke toepassingen van die metingen. Hieruit komt duidelijk naar voren dat de metingen in Solleveld uit 2014 niet geschikt zijn om de landelijke berekeningen van de stikstofdepositie te kalibreren.
Deelt u de analyse dat het depositieonderzoek in Solleveld serieuze aanwijzingen geeft voor forse overschatting van de berekende droge depositie via de DEPAC-module?2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 zijn de metingen in het Solleveld uit 2014 niet geschikt om de landelijke berekeningen van de stikstofdepositie te kalibreren.
Wel geven die metingen uit 2014 aanleiding voor nader onderzoek. Hiervoor is recent een nieuwe meetcampagne gestart met gerichtere metingen. De metingen lopen tot ten minste eind 2026. Nieuwe inzichten uit die metingen zullen bij voldoende en consistente wetenschappelijke onderbouwing door het RIVM worden gebruikt om het model aan te passen.
Is de veronderstelling juist dat de berekening van de depositie in duingebieden is gebaseerd op depositiemetingen bij Engels raaigras, een veel dichtere vegetatie dan de schrale vegetatie in duingebieden, en dat hierdoor de depositie in duingebieden wordt overschat?
Bovenal wil ik nogmaals benadrukken dat het niet zeker is dat de stikstofdepositie in de duingebieden wordt overschat. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 1.
Om inhoudelijk antwoord te geven op de vraag, is het van belang om onderscheid te blijven maken tussen de verschillende functies van metingen in het model.
In het model is een deel van de theoretische beschrijvingen van droge depositie gebaseerd op metingen boven Engels raaigras. Dit gaat echter om onderdelen in het depositieproces die niet afhankelijk zijn van vegetatietype. De veronderstelde conclusie kan daarom niet worden getrokken op basis van die metingen.
In de berekening van de depositie wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen enkele algemene categorieën voor landgebruik. Voor de duinen wordt als vegetatietype inderdaad de categorie «gras» gehanteerd (andere categorieën zijn bijvoorbeeld «bos» en «water»). In het aanvullende onderzoek in Solleveld wordt onderzocht in hoeverre de huidige in het model toegepaste vegetatiekenmerken voor de duinen passend zijn. Ook hier zullen de resultaten van het onderzoek bij voldoende en consistente wetenschappelijke onderbouwing door het RIVM worden gebruikt om het model aan te passen.
Kunt u een inschatting geven van de gevolgen voor de berekende lokale ammoniakconcentratie als de berekende droge depositie met tenminste een factor twee zou worden verlaagd?
Het RIVM heeft in het «Eindrapport Ammoniak van Zee» een paragraaf (paragraaf 4.4.3) gewijd aan het effect van een lagere depositie op de berekende lokale ammoniakconcentraties.4 Hierin is te vinden dat het halveren van de depositiesnelheid leidt tot een ca. 15–20% hogere concentratie.
Er is op dit moment echter geen inhoudelijke (wetenschappelijke) onderbouwing om de depositiesnelheid te halveren.
Is de veronderstelling juist dat berekende deposities in kustgebieden relatief dicht bij de kritische depositiewaarden uitkomen en eventuele overschatting van deze deposities derhalve bepalend kan zijn voor het al dan niet overschrijden van deze kritische depositiewaarden?
Het klopt dat de totale stikstofdepositie in het kustgebied over het algemeen lager is dan in de rest van het land. In combinatie met de specifieke kritische depositiewaarde van duinhabitats, is de verwachting dat in 2030 al ruim 80% van het stikstofgevoelige areaal in de duingebieden onder de kritische depositiewaarde komt.5
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat initiatiefnemers van onder meer woningbouwprojecten in west-Nederland afgerekend worden op berekende overschrijding van kritische depositiewaarden, terwijl zeer waarschijnlijk sprake is van overschatting van deze depositie en in veel minder gevallen sprake is van overschrijding van deze kritische depositiewaarden?
Ook hierbij geldt dat het niet zeker is dat de stikstofdepositie in de duingebieden wordt overschat.
Een overschrijding van de KDW hoeft overigens ook niet bepalend te zijn voor het al dan niet verlenen van een natuurvergunning. Voor de beoordeling van projecten die mogelijk een effect kunnen hebben, moet nader worden beoordeeld of het project een significant negatief effect kan hebben op de natuur. Indien uit een ecologische beoordeling blijkt dat de betreffende natuur in een goede staat van instandhouding is en de eventuele toename van stikstofdepositie niet tot een negatief effect kan leiden, kan een vergunning verleend worden.
Gaat u ervoor zorgen dat de DEPAC-module in het OPS-model zo snel mogelijk wordt aangepast naar aanleiding van het onderzoek in Solleveld? Wanneer kunnen deze aanpassingen worden doorgevoerd?3
Zoals ook al aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het aan het RIVM om te bepalen op welke manier de monitoring van de totale stikstofdepositie het beste kan worden uitgevoerd. Het RIVM werkt met andere kennisinstituten in het Nationaal Kennisprogramma Stikstof aan onderzoek om onder andere de DEPAC-module te verbeteren. Daarvoor doen de onderzoekers metingen in Solleveld, zoals eerder genoemd, maar ook op andere locaties zoals bij Speuld en bij Loobos. Het model wordt aangepast wanneer er voldoende en consistent wetenschappelijk bewijs beschikbaar is. Daarbij weegt het RIVM wetenschappelijke inzichten van andere kennisinstituten mee.
Bent u bereid te bezien hoe op korte termijn een vorm van correctie kan plaatsvinden voor zeer waarschijnlijke overschatting van de stikstofdepositie in duingebieden in het geval dat genoemde bijstelling van de DEPAC-module niet op korte termijn kan plaatsvinden?
Zie de antwoorden op vraag 1 en 7.
Het artikel 'Sleutelrol voor Nederland in Europese lobby voor versoepeling regels gentech-voedsel' |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sleutelrol voor Nederland in Europese lobby voor versoepeling regels gentech-voedsel» van Argos en de bijbehorende documentaire «Stille strijd om ons zaad»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Hertzberger c.s. (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 81), waarin de regering wordt verzocht zich in te zetten voor een interpretatie van de nieuwe genomische technieken (NGT)-verordening die voorkomt dat er patenten kunnen worden verleend op zowel conventioneel als genetisch geïntroduceerde eigenschappen?
Ja, ik ben bekend met deze aangenomen motie. De Minister van EZ heeft deze motie overeenkomstig de toezegging2 uitgevoerd en heeft u geïnformeerd over zijn inzet op deze motie3.
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven actieve Nederlandse lobby voor versoepeling van NGT-regels, inclusief het weglaten van risicobeoordeling en etikettering bij NGT-gewassen, in het licht van deze en andere aangenomen moties die juist pleiten voor strikte kaders en bescherming van publieke belangen?
Het Ministerie van LVVN heeft voorafgaand aan de publicatie van het artikel en de uitzending van Argos van 7 september 2025 antwoord gegeven op de door Argos gestelde vragen. Argos heeft de antwoorden op die vragen niet inhoudelijk in het artikel verwerkt of deze behandeld in de uitzending. De antwoorden zijn bij het artikel als een weerwoord van het Ministerie van LVVN opgenomen. In die antwoorden licht ik toe dat de beleidsinzet in Brussel door mijn ambtenaren plaatsvindt conform het BNC-fiche en aangenomen moties over het NGT-voorstel.
Kunt u toelichten hoe uw ministerie en andere betrokken ministeries de uitvoering van deze Kameruitspraken hebben gewaarborgd in de Nederlandse inzet binnen de besloten triloog op 14 oktober 2025? Kunt u daarbij specifiek aangeven welke inzet is gepleegd om patenteerbaarheid van NGT-eigenschappen te voorkomen?
Het Nederlandse kabinet is niet direct betrokken bij de trilogen voor het NGT-voorstel. Deze worden gevoerd door het voorzitterschap van de Raad, op dit moment Denemarken. Wel zorgt het voorzitterschap voor terugkoppeling van de uitkomsten van de trilogen naar de Raad met alle lidstaten. Het kabinet heeft zich voorafgaand aan het bereiken van het Raadsakkoord ingezet conform het antwoord op de motie om in het NGT-voorstel een oplossing te bereiken dat octrooirechten geen blokkade zijn voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars en transparantie voor veredelaars te bieden in het octrooilandschap binnen de veredeling.
Hoe verhoudt het resultaat zich tot het Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid (ENVI)-compromis van het Europees Parlement, dat octrooien op NGT-planten en -producten uitsluit? Steunt Nederland dit standpunt nog steeds actief in de onderhandelingen?
Het onderwerp octrooien is alleen nog verkennend besproken in de trilogen. Er zijn nog geen nieuwe voorstellen gedaan om een compromis te sluiten.
Is het waar dat zorgen van kleinere veredelaars en maatschappelijke organisaties structureel minder prioriteit kregen in de Nederlandse onderhandelingsinzet, zoals wordt gesuggereerd in het artikel? Zo nee, kunt u dat onderbouwen met concrete voorbeelden van hoe deze belangen zijn meegenomen?
Het vorige kabinet heeft een brede consultatie van stakeholders uitgevoerd over dit onderwerp en heeft een belangenafweging gemaakt in het BNC-fiche4. Hierin beschrijft het kabinet dat met het NGT-voorstel wordt beoogd om NGTs juist toegankelijk te maken voor alle veredelaars. Daarnaast respecteert het kabinet de wens van de biologische sector om vrij te blijven van NGT-planten. Ook is de inzet van het kabinet, mede door inbreng van maatschappelijke organisaties zoals de Natuur & Milieufederatie Noord-Holland en IUCN-NL, dat voor NGT-planten waarvan het niet waarschijnlijk is dat deze met conventionele veredeling tot stand kunnen komen (NGT-categorie 2 planten), een proportionele risicobeoordeling uitgevoerd moet worden.
Erkent u dat een toename van patenten op NGT-gewassen het risico met zich meebrengt van belemmering van veredelingsvrijheid, juridisering van de sector en machtsconcentratie bij enkele grote zadenbedrijven, zoals in het artikel wordt beschreven? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om een octrooi aan te vragen op een NGT-gewas of plantenras. Wel is het mogelijk om een octrooi aan te vragen op een technisch proces om een planteneigenschap in te brengen. Sinds 2017 geldt dat octrooien die worden aangevraagd voor eigenschappen die met behulp van genetische technieken worden geïntroduceerd, uitsluitend bescherming bieden voor eigenschappen die met behulp van die genetische technieken worden geïntroduceerd en niet voor dezelfde eigenschap die via traditionele veredeling tot stand is gekomen. Ik erken dat er zorgen leven over een mogelijke toename van octrooien en de gevolgen daarvan voor veredelingsvrijheid en concurrentie, en ik kijk ook kritisch naar het gebruik van octrooirecht in de plantenveredeling. Echter gaat het op dit moment om veronderstellingen en zijn duidelijke gevolgen van octrooien in de plantenveredeling niet aangetoond. Ik wacht de in 2026 geplande publicatie van de studie van de Europese Commissie over intellectueel eigendom in de plantenveredeling af. Deze studie zal een basis vormen voor het verdere gesprek over dit onderwerp.
Gezien de grote meerderheden die moties zoals de motie-Hertzberger c.s. hebben gekregen houdt u er rekening mee dat de Kamer u mogelijk per motie zal verzoeken om tegen een resultaat te stemmen waarin de oproepen tot heldere etikettering, voor keuzevrijheid en tegen octrooien van eigenschappen niet voldoende zijn gewaarborgd? Kunt u toezeggen gehoor te geven aan een dergelijk verzoek?
Ik zie het Raadsakkoord als een mooi compromis waarin heldere etikettering, keuzevrijheid en octrooien in de plantenveredeling op een proportionele manier worden gewaarborgd. Uiteraard zal ik eventuele nieuwe wensen van de Kamer zorgvuldig wegen, rekening houdend met de proportionaliteit en (juridische) uitvoerbaarheid van een dergelijke motie en in het licht van internationale verplichtingen van Nederland.
Kunt u toezeggen de Kamer tijdig te informeren over aankomende stemmingen zodat er voldoende gelegenheid is om uw inzet in Europa in lijn te brengen met de wens van een democratische meerderheid?
Ik informeer uw Kamer altijd over stemmingen in de Landbouw- en Visserij Raad middels de geannoteerde agenda, dit zal ik blijven doen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voordat er nieuwe overleggen plaatsvinden?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Echter loopt het Europese proces altijd door, ik kan daarom niet garanderen dat er geen overleggen plaatsvinden in een bepaalde periode. In deze periode is het onderwerp Nieuwe Genomische Technieken niet besproken in de Landbouw- en Visserij Raad.
Schiphol |
|
Ines Kostić (PvdD), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Schiphol momenteel bouwt aan de A-pier en andere grootschalige werkzaamheden?
Klopt het dat hier een Natura 2000-vergunning voor nodig is, maar dat deze ontbreekt?
Voor de werkzaamheden aan de A-pier is een vergunning nodig. Schiphol heeft alle bouwwerkzaamheden die onlosmakelijk verbonden zijn aan het project Luchthaven Schiphol aangevraagd. Deze werkzaamheden zijn ook vergund met de afgegeven natuurvergunning van 26 september 2023. Deze natuurvergunning is echter op 4 juni 2025 door de rechtbank Den Haag vernietigd omdat voor de mitigerende maatregelen niet werd voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
Wie is verantwoordelijk voor het aanvragen, vergunnen en handhaven van Natura 2000-vergunningen voor deze projecten?
Als een Natura 2000-vergunning nodig is, dan is de initiatiefnemer voor de desbetreffende activiteit, in dit geval de Royal Schiphol Group, verantwoordelijk voor het aanvragen daarvan. Ik ben bevoegd om te beslissen op een dergelijke aanvraag (artikel 4.12 lid 2, onder a en sub 5 Omgevingsbesluit). Ik ben ook het bevoegde gezag voor het handhaven van een dergelijke vergunning(plicht).
Hoe verhoudt het beleid rond het afgeven, weigeren en handhaven van Natura 2000-vergunningen zich tot de rechterlijke uitspraken over het salderen van stikstofemissies?
Het beleid rond het afgeven, weigeren en handhaven van Natura-2000 vergunningen wordt mede gevormd door rechterlijke uitspraken daarover. Met name de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn richtinggevend. Die rechterlijke uitspraken gaan ook over het salderen van stikstofemissies.
Kan Schiphol doorgaan met de bouwwerkzaamheden als er geen geldige natuurvergunning is?
Bij het ontbreken van een rechtsgeldige natuurvergunning, is er sprake van een overtreding. Er geldt in dat geval een beginselplicht tot handhaving. Van handhaving kan ik alleen afzien indien handhaving onevenredig zou zijn bij een afweging tussen het natuurbelang versus het brede maatschappelijke en economische belang dat de luchthaven dient en het belang bij de desbetreffende werkzaamheden. Schiphol is een luchthaven van (inter)nationale betekenis. Daar staat tegenover dat Nederlandse Natura 2000-gebieden kampen met overbelasting door stikstofdepositie. Die twee belangen moeten tegen elkaar worden afgewogen.
Bent u voornemens om in te grijpen en de werkzaamheden stil te leggen, als blijkt dat niet is voldaan aan alle vereisten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Inmiddels is op 15 oktober jl. een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot de werkzaamheden aan de A-pier. Daarop zal ik een besluit moeten nemen. In dat kader zal ik de eerdergenoemde belangenafweging maken. Op die besluitvorming kan ik bij de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen.
Hoe verhoudt de capaciteitsuitbreiding van Schiphol op de grond zich tot de beperkingen van het aantal vluchten? Wordt dit betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor bouwwerkzaamheden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zijn de werkzaamheden aan de A-pier vergunningplichtig. Een vergunning wordt alleen verleend als de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Of de (bouw)werkzaamheden al dan niet leiden tot een capaciteitsuitbreiding is geen toetsingskader voor het al dan niet kunnen verlenen van de vergunning, tenzij die capaciteitsuitbreiding ook zou leiden tot een wijziging van het project en tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebied.
Het voorgaande laat onverlet dat Schiphol zich dient te houden aan het aantal toegestane vliegtuigbewegingen zoals vastgelegd in het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol.
Is de totale directe en indirecte stikstofemissie van alle activiteiten op Schiphol relevant voor Natura 2000-vergunningen of worden projecten apart en los van de gehele operatie beoordeeld?
In beginsel maken alle (bouw)werkzaamheden onlosmakelijk onderdeel uit van het project exploitatie van de luchthaven dat passend moet worden beoordeeld.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heeft Schiphol alle bouwwerkzaamheden die onlosmakelijk verbonden zijn aan het project Luchthaven Schiphol ook aangevraagd en zijn deze werkzaamheden ook vergund. Zoals gezegd, deze natuurvergunning is echter op 4 juni 2025 door de rechtbank Den Haag vernietigd, omdat voor de mitigerende maatregelen niet werd voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen en het Deense verbod daarop |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Deense onderzoek waaruit blijkt dat de PFAS-verbinding TFA (trifluorazijnzuur) makkelijk uitspoelt naar het milieu en daarmee drinkwaterbronnen bedreigt? Hoe kijkt u naar die conclusies?1
Denemarken heeft de Europese Commissie en alle lidstaten geïnformeerd over het besluit om de toelating van deze middelen in te trekken. Het Ctgb bestudeert het onderzoek waarop dit besluit is gebaseerd om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie. Het is vervolgens aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, te bepalen of er aanleiding is om de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen.
Hoe kijkt u naar het besluit dat door Denemarken is genomen om 23 bestrijdingsmiddelen, die het schadelijke afbraakproduct TFA vormen, per direct te verbieden vanwege de risico’s voor het grondwater en de drinkwatervoorziening?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe lang duurt het voordat het College voor de toelating van gewasbeschermingingsmiddelen en biociden (Ctgb) het genoemde onderzoek en het daaropvolgende besluit in Denemarken heeft bestudeerd, zoals toegezegd tijdens het tweeminutendebat Gewasbeschermingsmiddelen op 3 september jongstleden?
Het Ctgb bestudeert het Deense onderzoek momenteel zorgvuldig en dat kost tijd. Vanwege de hoeveelheid werk en complexiteit van het dossier kan het Ctgb nog niet aangeven wanneer dit is afgerond. Zodra er een besluit is genomen door het Ctgb zal ik uw Kamer hierover informeren.
Wanneer gaat u de Kamer verder informeren over de analyse van het Ctgb en het mogelijke besluit dat daaruit volgt?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom zijn al deze middelen in Nederland nog steeds toegestaan terwijl het Ctgb al eerder om een snelle Europese herbeoordeling vroeg?
Het Ctgb heeft aangedrongen op een snelle Europese herbeoordeling van de betreffende werkzame stoffen omdat nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar is over het afbraakproduct TFA. Deze nieuwe informatie zorgt voor een strengere norm voor TFA bij de beoordeling van risico’s voor het grondwater. Om vervolgens te bepalen of nog aan deze norm voldaan wordt is aanvullende informatie nodig of werkzame stoffen inderdaad TFA produceren en hoeveel TFA dan wordt gevormd en uitspoelt naar het grondwater. Deze informatie wordt gegenereerd in de Europese stofbeoordeling.
Het Deense onderzoek levert voor 6 stoffen aanvullende informatie op over de vorming van TFA. Het Ctgb bestudeert deze informatie om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie en de in Nederland toegelaten middelen. Voor overige stoffen die mogelijk TFA produceren moet de benodigde informatie over TFA nog worden gegenereerd door middel van onderzoek. Een brede Europese aanpak op stofniveau heeft de voorkeur boven een nationale aanpak op middelniveau, omdat alle werkzame stoffen die mogelijk TFA produceren hiermee zo snel mogelijk met Europees geharmoniseerde methodes kunnen worden beoordeeld. De Europese Commissie is van mening dat de beoordeling van het afbraakproduct TFA in de lopende herbeoordelingen moet worden geadresseerd en maant lidstaten die een stof beoordelen die mogelijk TFA produceert tot een snelle afronding van de (her)beoordeling
Waarom wordt het middel «Luna Sensation» van Bayer, dat fluopyram bevat, wel verboden wegens risico’s voor boeren, bijen en vogels, maar mogen negen andere fluopyram-houdende middelen nog steeds worden toegepast?
Het middel Luna Sensation bevat twee werkzame stoffen: fluopyram en trifloxystrobin. De aanleiding van de herbeoordeling van het middel Luna Sensation was de herbeoordeling van de stof trifloxystrobin. De werkzame stof fluopyram wordt momenteel Europees herbeoordeeld. Wanneer deze herbeoordeling is afgerond, start het Ctgb met de herbeoordeling van toegelaten middelen op basis van fluopyram.
Dringt u er bij het Ctgb op aan dat de herbeoordelingen van deze negen middelen op zeer korte termijn worden uitgevoerd, zodat deze schadelijke stoffen niet langer in het milieu terechtkomen? Zo nee, waarom niet?
Zodra de Europese herbeoordeling van fluopyram is afgerond zal het Ctgb, conform toelatingsprocedure, starten met de herbeoordeling van de betreffende middelen. De werkzame stof fluopyram is daarnaast één van de stoffen uit het Deense onderzoek over TFA. Op dit moment bestudeert het Ctgb wat deze informatie betekent voor de Nederlandse situatie. Ik heb hierbij vertrouwen in de deskundigheid van het Ctgb als Nederlandse toelatingsautoriteit.
Waarom mogen bestaande voorraden van «Luna Sensation» nog worden opgebruikt tot juli 2026 terwijl dit besluit is genomen vanwege de risico’s voor mens en natuur? Deelt u de opvatting dat het gebruik ervan dan per direct moet worden gestopt?
Het Ctgb stelt de aflever- en opgebruiktermijnen van gewasbeschermingsmiddelen vast conform het besluit beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen2. Deze termijnen geven de sector de mogelijkheid om naar alternatieven te zoeken en eventuele voorraden kunnen worden afgeleverd en opgemaakt. De duur van de respijttermijn is afhankelijk van de ernst van de risico’s, omvang van de voorraad, het gebruiksseizoen en de mate waarin de keten is verrast en de mogelijkheden om de gevolgen van de intrekking op te vangen. De wettelijke vastgestelde maximum duur van respijttermijnen is 6 maanden voor afleveren en 12 maanden daarbovenop voor opgebruik (totaal maximaal 18 maanden). Het Ctgb heeft voor Luna Sensation beperkt respijt gegeven van in totaal 12 maanden (aflever- en opgebruiktermijn beide 6 maanden).
Heeft u gesprekken met de drinkwaterbedrijven en milieuorganisaties die al veel langer waarschuwen voor de milieu en gezondheidsrisico’s van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen?
Ja, ik heb gesprekken gevoerd met de vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) over PFAS-houdende gewasbeschermingsmiddelen.
Deelt u de opvatting dat er voldoende wetenschappelijk onderzoek is over de risico’s van PFAS om PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen van de markt te halen? Zo ja, per wanneer kan de Kamer een verbod verwachten? Zo nee, kunt u dat onderbouwen?
Ik heb vertrouwen in het toelatingssysteem waarbij alle toegelaten middelen zijn beoordeeld op de risico’s voor mens, dier en milieu. Hierbij zijn de stoffen Europees beoordeeld aan de hand van Europees geharmoniseerde beoordelingskaders en worden middelen nationaal toegelaten waarbij gekeken wordt naar de specifieke toepassing en naar de nationale omstandigheden. Een middel mag pas op de markt komen als wetenschappelijk is aangetoond dat dit veilig kan worden toegepast. Op het moment dat nieuwe relevante wetenschappelijk informatie beschikbaar komt over een stof zal worden bekeken of een eerdere beoordeling van een stof of middel moet worden herzien.
Naar aanleiding van het genoemde onderzoek van Denemarken is nieuwe informatie beschikbaar gekomen over de afbraak van zes werkzame stoffen tot TFA en de uitspoeling hiervan naar grondwater. Het Ctgb bestudeert momenteel het onderzoek waarop het besluit is gebaseerd om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie en of er aanleiding is om de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen. Het is aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, eventueel vervolgstappen te bepalen.
Het bericht dat gemeenten een landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen willen |
|
Laura Bromet (GL), Geert Gabriëls (GL), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten willen landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat gemeenten zich geen raad weten met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de lelieteelt, omdat landelijk beleid ontbreekt? Hoe lang ontvangt u deze signalen al? Kunt u hier een reflectie op geven?
Sommige gemeenten vinden dit inderdaad een ingewikkeld vraagstuk. Tegelijkertijd is er wel degelijk een kader, op landelijk en op lokaal niveau. Hieronder ga ik in op de belangrijkste elementen hiervan.
Ten algemene is het landelijke gewasbeschermingsbeleid gericht op het terugdringen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en het bevorderen van het gebruik van biologische en laag-risicomiddelen. Hier zet ik samen met betrokken partijen op in via onder meer het uitvoeren van de acties van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
In de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb,) en ook daaraan voorafgaand de goedkeuringsprocedure van specifieke stoffen door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), worden de risico’s voor gebruikers, werkers, omwonenden en passanten beoordeeld en wordt in het bijzonder rekening gehouden met risico’s voor kwetsbare doelgroepen zoals kinderen. EFSA maakt gebruik van het beoordelingsmodel OPEX om rekening te houden met langdurige blootstelling van omwonenden. OPEX is volgens het RIVM een robuust model dat blootstelling niet onderschat2. In lijn met het voorzorgsbeginsel wordt het toelatingskader (Europees en nationaal) doorlopend aangescherpt aan de hand van nieuwe wetenschappelijke inzichten (Kamerstuk 27 858, nr. 676). Nederlandse instituten spelen hierbij een actieve rol. Het Rijk laat intussen aanvullend meerjarig onderzoek doen door een consortium onder leiding van het RIVM, naar mogelijke risico’s voor omwonenden en agrariërs (het OBO-2 onderzoek; Kamerstuk 27 858, nr. 644) en naar de mogelijke relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de ziekte van Parkinson (het SPARK-onderzoek).
Gemeentes hebben, om de gezondheid van bewoners, natuur en waterkwaliteit lokaal te beschermen, ook verschillende bevoegdheden, zoals op basis van de Omgevingswet, via het Omgevingsplan of via maatwerkvoorschriften. Daarnaast kan de gemeente in situaties waar zij eigenaar is van de grond, eisen stellen aan het gebruik bij verpachting of verkoop van de grond. Er zijn diverse externe juridische handreikingen gepubliceerd (door bijvoorbeeld LTO en Arcadis) waaruit volgt dat gemeenten mogelijkheden hebben om lokaal te reguleren.
Voor een nieuwe woonbestemming kan uit de huidige jurisprudentie een spuitvrije zone van 50 meter worden afgeleid. Het Rijk heeft opdracht gegeven tot een verkenning naar een rekenmethode om de breedte van spuitzones tussen een agrarische en een woonbestemming te onderbouwen. Dit zou gemeentes op de langere termijn onderbouwde handvatten moeten bieden om daarin een lokale afweging te maken.
Bent u op de hoogte dat het gebrek aan daadkracht leidt tot zowel verontruste inwoners als onzekerheid bij boeren? Kunt u ook hier een reflectie op geven?
Zoals hierboven aangegeven lopen verschillende trajecten. Deze zijn ingezet mede op basis van signalen van gemeenten.
Wat gaat u doen qua aanpak lelieteelt en bestrijdingsmiddelen om deze ontstane situatie, welke leidt tot polarisatie, in vele gemeenten te verbeteren?
Ik ben in de antwoorden op vragen 2 en 3 ingegaan op verschillende acties die ik onderneem, al dan niet in samenwerking met de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Verder steun ik nadrukkelijk de inzet van de sector om chemisch middelengebruik in de lelieteelt fors terug te dringen. Zo hebben de KAVB (bollensector) en Royal Anthos (bollenhandel) besloten dat de lelieteelt in 2030 50% minder gewasbeschermingsmiddelen zou moeten gebruiken en «hoog-impact gewasbeschermingsmiddelen» uit zou moeten faseren, en hebben daartoe de regie gepakt. Onderzoeksprojecten, zoals het recent afgesloten programma Duurzame Bollenteelt Drenthe3, zouden daarvoor handvatten moeten bieden.
Deelt u de mening van de burgemeester van Westerveld dat de huidige aanpak leidt tot toegenomen spanning in plaats van het dalen van spanning? Kunt u dit nader toelichten?
Ik ben het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk complex is, en onderschrijf het belang van onderling vertrouwen en open communicatie tussen agrariërs en omwonenden. Daartoe ben en blijf ik ook in gesprek met gemeenten en belangengroepen.
Bent u het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk een complex samenspel van regelgeving, jurisprudentie, technische innovaties en uiteenlopende verwachtingen is? Deelt u de mening dat daarbij dit vraagstuk gemeente-overstijgend landelijke helderheid en beleid vraagt?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom bent u nog steeds niet bereid om te werken met een wettelijke spuitvrije zone bij lelieteelt?
Zoals eerder gemeld kunnen gemeentes nu reeds spuitvrije zones instellen. Ik denk dat dit ook het beste op lokaal niveau met maatwerk kan worden besloten, aangezien de situatie in de praktijk heel verschillend kan zijn. Dat past ook bij de onderlinge verdeling van bevoegdheden. Daarbij draagt het Rijk via het voornoemde onderzoek bij aan handvatten hiervoor.
Waarom verwerkt u de herhaalde uitspraken van de Raad van State in het afgelope decennium, dat een spuitvrije zone van 50 meter bij woningbouw bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet onredelijk is, niet in landelijke wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen met de dringende oproep van gemeenten om met landelijke wet- en regelgeving te komen? Op welke termijn kunnen deze gemeenten duidelijke regelgeving van u verwachten?
Zoals in het antwoord op vraag 2 beschreven is er al een uitgebreid juridisch kader, dat mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen op lokaal niveau. Ik vind het van belang dat gemeenten hier op lokaal niveau een afweging in kunnen blijven maken.
Deelt u de mening dat sierteelt niet onder het beleid van voedselzekerheid valt? Zo nee, waarom niet?
Sierteelt valt inderdaad niet onder het beleid van voedselzekerheid. Desalniettemin is sierteelt vaak onderdeel van een gewasrotatieschema en is op de bewuste locatie in de overige jaren dan wel sprake van activiteiten i.v.m. voedselproductie.
Wat gaat u verbeteren aan de kabinetsaanpak «gezondheid in alle beleidsterreinen»? Gaat u daarin ook ambities beschrijven om inwoners en boeren beter te beschermen tegen de schadelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen?
Dit kabinet werkt aan een verdere versterking van de aanpak Gezondheid in alle beleidsterreinen (GIAB), zodat gezondheid structureel en vroegtijdig wordt meegewogen bij beleid op andere domeinen, zoals landbouw, industrie en ruimtelijke ordening. Binnen deze aanpak wordt gewerkt aan het beter benutten van gezondheidskundig advies bij besluitvorming, onder meer via de GGD’en en het RIVM. Verder wordt kennis en monitoring ingezet, onder meer via het lopende RIVM-onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO-2) en het <I>SPARK</I>-onderzoek naar de ontwikkeling van teststrategieën voor neurotoxische en neurodegeneratieve effecten van bestrijdingsmiddelen. Daarmee wordt de bescherming van inwoners en boeren tegen mogelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen versterkt.