De interpretatie van de Europese jurisprudentie inzake het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de juridische analyses waarin aangegeven wordt dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste waarschijnlijk niet automatisch voortvloeit uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)?1, 2
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Ik wil benadrukken dat het gaat om een juridisch-wetenschappelijke discussie van verschillende auteurs. Ik volg deze discussie met interesse. Daarom heb ik een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ingediend. Tegelijkertijd zijn de uitspraken van de Afdeling uiteraard leidend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. Hieronder ga ik specifieker in op de standpunten die worden genoemd.
Deelt u de analyse van de auteurs dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS)-arrest weliswaar duidelijk maakte dat bij vergunningverlening geen beroep kan worden gedaan op de positieve effecten van (bestaande) instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen, maar dat daaruit niet is af te leiden dat hetzelfde geldt voor een maatregel die het bevoegd gezag uitdrukkelijk beoogt in te zetten als mitigerende maatregel en niet als instandhoudings- of passende maatregel?
Zoals hiervoor aangegeven, volg ik deze lijn met interesse en zie ik aanknopingspunten in deze analyse. Een vergelijkbaar standpunt is naar voren gebracht namens de Staatssecretaris als bevoegd gezag in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling.
Deelt u de analyse van de auteurs dat noch in arresten van het HvJ-EU noch in richtsnoeren van de Europese Commissie wordt aangegeven dat een mitigerende maatregel slechts kan worden ingezet ten behoeve van een plan of project in een passende beoordeling als die naar zijn aard niet ook nodig is als een instandhoudings- of passende maatregel?
Ik ben van mening dat mitigerende maatregelen die niet al door de beheerder van het betrokken Natura 2000-gebied, de provincie of het Rijk, zijn aangewezen als instandhoudings- of passende maatregel naar hun aard niet als zodanig zijn aan te merken. Dat standpunt is naar voren gebracht in de hoger beroepsprocedures, bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse van de auteurs dat een strikte interpretatie van het additionaliteitsvereiste voorbij gaat aan het feit dat via het nemen van passende maatregelen op grond van artikel zes, tweede lid, van de Habitatrichtlijn alsnog kan worden ingegrepen in bestaande, vergunde situaties mocht dat nodig zijn om verslechtering te voorkomen?
Ik zie aanknopingspunten in deze analyse. Dat doet niet af aan het feit dat ik me, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, houd aan de geldende jurisprudentie.
Deelt u de mening van de auteurs dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste op gespannen voet staat met het «nuttig effect» van het Unierecht, omdat het ervoor zorgt dat op dit moment ook vergunningen die uiteindelijk juist zorgen voor uitstootreductie nauwelijks meer kunnen worden afgegeven?
Die mening kan ik op zichzelf volgen. Ik krijg signalen dat op dit moment vergunningen die zorgen voor emissiereductie beperkt worden afgegeven naar aanleiding van de recente jurisprudentie. Ook een aangescherpt additionaliteitsvereiste zou wat mij betreft niet tot gevolg moeten hebben dat verduurzaming onmogelijk wordt. Ik wacht de jurisprudentie op dit punt af.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de inzet van de gehele referentiesituatie van een bestaande activiteit bij de additionaliteitstoets dat dit niet in alle gevallen maatregelen betreffen die naar hun aard kunnen worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel?
Die analyse kan ik volgen. In de procedures aangehaald in het antwoord op vraag 2 wordt namens de Staatssecretaris naar voren gebracht dat projecten die grote sociaaleconomische belangen dienen niet zouden moeten worden ingetrokken als passende maatregel. Een intrekking zou immers niet in overeenstemming zijn met de vereisten uit artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn. Daaruit volgt dat instandhoudings- en passende maatregelen in overeenstemming moeten zijn met sociaaleconomische vereisten en lokale en regionale bijzonderheden.
Op welke wijze zou ten aanzien van de genoemde referentiesituatie van bestaande activiteiten kunnen worden voorkomen dat deze onnodig ingezet worden bij de additionaliteitstoets?
Uit de recente jurisprudentie van de Afdeling wordt duidelijk dat op het moment dat aantoonbaar voldoende andere passende maatregelen worden genomen die leiden tot een voor de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, het niet langer nodig zal zijn om de referentiesituatie van bestaande activiteiten te beëindigen om te voldoen aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, om verslechtering van de kwaliteit van habitat te voorkomen. In die situatie zal in z’n algemeenheid kunnen worden aangetoond dat mitigerende maatregelen aanvullend zijn op hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitsvereiste). Dit vereist wel dat op gebiedsniveau op dit punt een analyse is gemaakt en een plan of programma kan worden overgelegd waaruit blijkt welke maatregelen wanneer worden genomen en wanneer daarvan welke effecten kunnen worden verwacht, en dat aannemelijk kan worden gemaakt dat daarmee verslechtering in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen en perspectief blijft bestaan op de realisatie van eventuele verbeter- of uitbreidingsdoelstellingen. Met het startpakket en vervolgpakket heeft het kabinet onder de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel een aanpak neergezet om de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te gaan maken. Daarbij zijn middelen vrijgemaakt voor de landbouwsector (doelsturing, extensivering, beëindiging, mest), die deels al in uitvoering zijn of gaan. En daarnaast voor een gebiedsgerichte aanpak en voor gericht natuurherstel. Het vervolgpakket zet in aanvulling daarop in op verdere emissiereductie en natuurherstel, in combinatie met een verbeterde borging van de aanpak.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de stellingname van de Raad van State dat de omvang van de in te zetten referentiesituatie geen rol mag spelen bij de toets aan het additionaliteitsvereiste en dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen het al dan niet sprake zijn van significante gevolgen bij mogelijke passende maatregelen ten aanzien van bestaande activiteiten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van de auteurs dat de jurisprudentie bij plannen ruimte laat voor toepassing van intern salderen zonder additionaliteitstoets als maatregelen met positieve gevolgen, zoals het niet langer bemesten van agrarische gronden in verband met woningbouw, onlosmakelijk onderdeel van het plan zijn?
Die analyse kan ik volgen. Ik verwacht dat de Afdeling binnen afzienbare tijd een richtinggevende uitspraak zal doen over intern salderen bij plannen in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aan die lijn hebben overheden zich vervolgens te houden. Ik wacht de verdere jurisprudentie op dit punt af.
Welke mogelijkheden ziet u voor adequate toepassing van het additionaliteitsvereiste binnen de kaders van de bestaande jurisprudentie, zodanig dat plannen en projecten niet onnodig belemmerd worden?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid advies te vragen aan de Raad van State en/of de Europese Commissie over de reikwijdte van het additionaliteitsvereiste?
Zoals eerder gezegd heeft de Staatssecretaris een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling ingediend. Ik ben daarnaast bereid om de Afdeling in voorkomende passende zaken het voorstel te doen om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie om te toetsen of de huidige jurisprudentie in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof is de hoogste instantie die beslist over de uitleg van het Europees recht (de Habitatrichtlijn). De Afdeling beslist zelf of daartoe wordt overgegaan en welke vragen er vervolgens aan het Hof worden gesteld.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Ja.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar ontbossingsrisico?
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen van dit rapport?
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen, waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies. Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s te vermijden toereikend?
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen, waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden, risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken, zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s, waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao? Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds, dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds te versterken.
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in het nationale klimaat- en natuurbeleid?
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam consumptiegedrag te bevorderen?
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Bruijn , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Landbouwgif in populaire snoepgroenten voor jonge kinderen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending gezien van KASSA over pesticiden in populaire snoepgroenten voor jonge kinderen?1
Ja, deze uitzending heb ik gezien.
Deelt u de bezorgdheid van toxicoloog Scheepers van de Radboud Universiteit over de door Pesticide Action Network Netherlands (PAN-NL) gevonden hormoonverstorende en voor de voorplanting giftige pesticiden in deze producten?
Voor elke combinatie van een product en actieve stof (werkzame bestanddeel van een gewasbeschermingsmiddel), zoals in het rapport van PAN-NL wordt aangegeven, geldt een Maximaal Residu Limiet (MRL). De MRL is de maximale wettelijke hoeveelheid van een actieve stof die in of op levensmiddelen voor mag komen. De residuen die door PAN-NL gevonden zijn, voldoen allen aan deze MRL.
Kunt u bevestigen dat jonge kinderen extra gevoelig zijn voor blootstelling aan gif, omdat hun lichaam (met name hersenen, hormoonstelsel, immuunsysteem en voortplantingsorganen) nog in volle ontwikkeling zijn? Zo nee, op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan?
Kinderen zijn inderdaad extra gevoelig voor de blootstelling aan stoffen zoals gewasbeschermingsmiddelen. Hier wordt rekening mee gehouden in de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en de vaststelling van de MRLs. Voordat een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt op een gewas, wordt onderzocht of de te verwachten residuen van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel een gevaar voor de volksgezondheid vormen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met gevoeligheid van baby's en jonge kinderen en hun hogere blootstelling. Gewasbeschermingsmiddelen worden alleen toegelaten als de risicoschatting aangeeft dat bij de maximum te verwachten residuen per gewas de acceptabele dagelijkse inname (ADI) en de acute referentie dosis (ARfD), niet worden overschreden voor respectievelijk chronische blootstelling en acute blootstelling.
Klopt het dat op basis van twee adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding nog steeds twijfel bestaat over de adequaatheid van de bestaande waarden voor de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van landbouwgiffen en residuen, met het oog op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters, zoals in de richtlijn 2006/125/EG is vermeld?
Dit klopt niet. De twee adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding stammen uit 1997 en 1998. In de tussentijd is het toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op meerdere punten aangescherpt. Op verzoek van de Europese Commissie heeft de European Food Safety Authority (EFSA) in 2018 de geschiktheid van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) voor gewasbeschermingsmiddelen voor baby's ouder dan 4 maanden en jonge kinderen beoordeeld. EFSA concludeerde dat de huidige aanpak voor het vaststellen van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) geschikt is voor baby's en jonge kinderen.2
Klopt het dat voor een potje voeding voor een peuter van drie jaar een pesticidenorm is gesteld van maximaal 0,01 milligram per kilogram op basis van deze zorgen over pesticiden?
Richtlijn 2006/125/EG van 5 december 2006 schrijft inderdaad voor dat bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding geen residuen van afzonderlijke bestrijdingsmiddelen mogen bevatten met niveaus die hoger liggen dan 0,01 mg/kg.
Klopt het dat op verse snoepgroente, veel gegeten in die leeftijd, tot wel soms 10 milligram per kilogram of meer residu (MRL) van bepaalde pesticiden mag zitten, dus 1000 keer zoveel?
De MRL verschilt per product en per actieve stof. Zowel snoepgroenten als de gewone groenten moeten voldoen aan de betreffende MRL. Veel MRL’s voor tomaten, komkommers, paprika’s en wortelen zijn 0,01 mg/kg. Er zijn echter ook veel MRL’s hoger dan 0,01 mg/kg en dat kan ook 10 mg/kg zijn, bijvoorbeeld tomaten.
Kunt u bevestigen dat het schadelijk effect van een residu op een verse snoeptomaat hetzelfde is als dezelfde hoeveelheid residu op een tomaat in een potje peutervoeding? Zo nee, waarom niet en op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan op?
Ja, dat klopt. Het hangt van de mate van blootstelling aan een schadelijke stof af of er schadelijke effecten optreden. Het maakt niet uit via welke voedingsmiddelen deze blootstelling plaatsvindt.
Bent u bereid wetgeving hierop aan te passen zodat voor specifieke producten die gericht zijn op kinderen altijd deze veilige «babynorm» geldt? Zo nee, waarom niet en op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan op?
Uit de overwegingen van Richtlijn 2006/125/EG blijkt dat destijds een zeer lage (0,01 mg/kg) gemeenschappelijke grenswaarde voor alle bestrijdingsmiddelen in of op levensmiddelen voor bijzondere voedingsdoeleinden, bestemd voor zuigelingen en peuters, is vastgesteld in afwachting van een wetenschappelijke studie over en beoordeling van de specifieke relevante stoffen. Dit werd passend gevonden, omdat op basis van de in vraag 4 aangehaalde adviezen van het Wetenschappelijk Comité twijfel bestond over de adequaatheid van de ADI van bestrijdingsmiddelen en residuen van bestrijdingsmiddelen, met het oog op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is in de tussentijd van de publicatie van de adviezen en nu het toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op meerdere punten aangescherpt. Volgens EFSA is de huidige aanpak voor het vaststellen van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) geschikt voor baby's en jonge kinderen. Hierdoor is het niet nodig de huidige wetgeving aan te passen.
Indien u hier niet toe bereid bent, bent u dan bereid met supermarkten afspraken te maken zodat zij voor deze producten deze veilige norm hanteren bij hun inkoopbeleid? Zo nee, waarom niet?
Producten die in de supermarkt verkocht worden moeten voldoen aan de wettelijk vastgestelde MRLs volgens Verordening (EG) 396/2005. Bij het vaststellen van de MRLs wordt ook rekening gehouden met zwangeren, baby's en jonge kinderen en er worden ruime veiligheidsmarges toegepast. Het is daarom niet nodig om afspraken te maken over bovenwettelijke eisen.
Bent u bereid jonge ouders en zwangere vrouwen te adviseren zoveel mogelijk gebruik te maken van onbespoten of biologische producten? Zo nee, waarom niet en waarom laat u ouders en kinderen bewust extra risico lopen met hun gezondheid?
Nee, ik ben niet bereid dat te adviseren. De huidige manier waarop het Voedingscentrum communiceert over babyvoeding en bestrijdingsmiddelen is voldoende.3 Consumptie van groenten met residugehaltes onder de MRL is ook veilig voor zwangeren, baby’s en jonge kinderen. Verder is het belangrijk om goed te variëren. Hiermee wordt de kans verkleind dat je te veel schadelijke stoffen binnenkrijgt en krijg je daarmee verschillende voedingsstoffen, zoals vitamines en mineralen binnen.
Klopt het dat de Europese Commissie (EC), het Europees parlement en de lidstaten al in 2009 overeenkwamen dat er een uitfasering moest komen op hormoonverstorende pesticiden, behoudens enkele uitzonderingen, gezien hun mogelijke langdurige en onherstelbare schadelijke effecten, zelfs bij een lage blootstelling?
In 2009 is in Verordening (EG) 1107/2009, voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, opgenomen dat actieve stoffen met hormoonontregelende eigenschappen niet worden goedgekeurd, tenzij het gebruik ervan alleen leidt tot verwaarloosbare blootstelling of als er sprake is van een niet op een andere wijze te bestrijden fytosanitair gevaar. In 2018 zijn de wetenschappelijke criteria voor het identificeren van dergelijke stoffen in de Verordening opgenomen.
Kunt u aangeven voor hoeveel van de als hormoonverstorend geclassificeerde pesticiden de toelating sindsdien is ingetrokken en hoeveel nog steeds een toelating hebben in Nederland?
Tot op heden4 is van tien actieve stoffen de goedkeuring niet verleend of niet verlengd vanwege hormoonontregelende eigenschappen. De toelatingen van middelen op basis van deze stoffen zijn inmiddels ingetrokken. Voor de tien middelen op basis van de actieve stof flufenacet geldt nog een respijtperiode tot eind volgend jaar.
Er zijn vooralsnog geen actieve stoffen met hormoonontregelende eigenschappen goedgekeurd onder de twee in het vorige antwoord genoemde derogaties.
Vier stoffen zijn door EFSA aangemerkt als stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, maar bevinden zich nog in de Europese besluitvormingsfase. Het betreft 30 middelen. De Europese Commissie is aan zet om een voorstel te doen over het (al dan niet) intrekken van de goedkeuring. Wanneer dit gebeurt trekt het Ctgb vervolgens de toelating van de betreffende middelen in.
Kunt u aangeven wat de meest voorkomende redenen zijn dat bepaalde als hormoonverstorend geclassificeerde stoffen nog steeds een toelating hebben?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u deze redenen afwegen tegen de risico’s voor de gezondheid voor onder andere jonge kinderen en daarbij aangeven of u het terecht vindt dat deze stoffen nog steeds zijn toegelaten?
Zoals in het antwoord op vraag 12 aangegeven zijn er vier stoffen door EFSA aangemerkt als stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, maar bevinden zich nog in de Europese besluitvormingsfase. De Europese Commissie is aan zet om een voorstel te doen over het al dan niet intrekken van de goedkeuring.
Wat vindt u ervan dat er meerdere pesticiden met PFAS in snoepgroenten voor kinderen zijn gevonden?2 3
Er zijn twee PFAS-pesticiden gevonden, pyridalyl op snoeppaprika en fludioxonil op snackkomkommer. Voor zowel de snoeppaprika als de snackkomkommer geldt dat deze stoffen onder de MRL zijn aangetroffen. Bij het bepalen van de MRL wordt rekening gehouden met zwangeren, baby’s en jonge kinderen en is daarom ook voldoende beschermend voor hen.
Kunt u bevestigen dat kinderen een lager lichaamsgewicht hebben, waardoor ze sneller te veel PFAS binnenkrijgen en dit ertoe kan leiden dat het immuunsysteem minder goed werkt?
Kinderen hebben inderdaad gemiddeld een lager lichaamsgewicht dan volwassenen. Bij de risicobeoordeling en de afleiding van MRLs wordt hiermee rekening gehouden. Het systeem is erop gericht om te zorgen dat kinderen en volwassenen geen schadelijke effecten ondervinden van de residuen die zij via de voeding binnenkrijgen.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de gezondheid van kinderen in gevaar wordt gebracht doordat ze groenten eten die zijn bespoten met pesticiden met PFAS? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard vind ik het onwenselijk wanneer de gezondheid van kinderen in gevaar wordt gebracht. Of dat nu door voeding is of door iets anders. Echter zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt bij de risicobeoordeling en de afleiding van MRL rekening gehouden met het lagere lichaamsgewicht van kinderen.
Bent u ermee bekend dat Denemarken onlangs heeft besloten om de toelating van 23 landbouwgiffen in te trekken omdat ze PFAS bevatten?4
Ik ben ermee bekend dat Denemarken de betreffende toelatingen heeft ingetrokken op basis van nieuwe informatie over de vorming van het afbraakproduct trifluorazijnzuur en het risico op vervuiling van het grondwater door deze stof.
Is er verschil in de feitelijke situatie tussen Nederland en Denemarken waarom in Denemarken een verbod op pesticiden met PFAS wel als wenselijk en haalbaar is beoordeeld door de regering en in Nederland (vooralsnog) niet?
Denemarken heeft de Europese Commissie en alle lidstaten geïnformeerd over het besluit om de toelating van deze middelen in te trekken. Er kunnen verschillen zijn tussen de lidstaten in onder andere de agronomische situatie, nationale toetsingskaders en toegelaten middelen. Op basis van de informatie van Denemarken zal elke lidstaat daarom afzonderlijk bepalen wat het Deense onderzoek waarop het besluit is gebaseerd, betekent voor de nationale situatie. In Nederland bestudeert het Ctgb het Deense onderzoek om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie. Het is vervolgens aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, te bepalen of er aanleiding is om de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen.
Bent u bereid om alsnog op zeer korte termijn het besluit van Denemarken te volgen en de toelating van pesticiden met PFAS zo snel mogelijk in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het Ctgb bestudeert het Deense onderzoek momenteel zorgvuldig en dat kost tijd. Vanwege de hoeveelheid werk en complexiteit van het dossier kan het Ctgb nog niet aangeven wanneer dit is afgerond. Zodra er een besluit is genomen door het Ctgb zal ik uw Kamer hierover informeren.
Wat vindt u ervan dat op de Nederlandse snoeppaprika’s van Lidl een verdacht reprotoxische pesticide werd gevonden (spirotetramat) die in Nederland verboden is in de paprikateelt? Hoe verklaart u dit?
Wanneer een stof in de EU verwijderd wordt van de lijst van goedgekeurde stoffen geldt vaak nog een opbruiktermijn van middelen op basis van deze stof. Dat was ook van toepassing voor Spirotetramat, waarvan opbruiktermijnen liepen tot 30-10-2025. Echter was er in Nederland geen toelating (en dus geen opbruiktermijn) voor de teelt van paprika en zouden er dus geen residuen van Spirotetramat te verwachten zijn in paprika’s uit Nederland. In Nederlandse supermarkten worden ook paprika’s uit andere landen verkocht, in dit geval ging het om Portugal. In andere Europese lidstaten gold een opgebruik termijn voor middelen op basis van Spirotetramat, wat de meest voor de hand liggende verklaring is voor het terugvinden van deze stof op de snoeppaprika.
Hoeveel van de duizenden inspecties pesticiden die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) jaarlijks doet, zijn de afgelopen vijf jaren gedaan bij snoepgroenten, welke stoffen zijn gevonden en hoeveel keer werd de «babynorm» van 0,01 milligram per kilogram overschreden, graag per jaar uitgesplitst?5
De NVWA maakt geen onderscheid tussen maatvoeringen (eg: mini, snack, midi, etc). Er kan dus geen exact antwoord op deze vraag gegeven worden. Zowel mini als grote komkommers worden aan dezelfde MRL getoetst. De aanduiding van het product wordt geregistreerd, maar bijvoeglijke naamwoorden als snoep, smaakvolle, gigantische worden niet geregistreerd als deze geen onderdeel van de aanduiding zijn. Onderstaand overzicht moet dus wel met de nodige terughoudendheid worden gezien. Met betrekking tot onderstaand overzicht is één keer een overschrijding van de MRL aangetroffen. Het ging hier om Carbendazim op komkommers, bemonsterd in 2021, met als land van oorsprong Turkije. Het betreffende levensmiddelenbedrijf heeft hiervoor een schriftelijke waarschuwing gekregen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Helaas is het niet gelukt deze vragen in de gestelde termijn te beantwoorden. Eerder is hierover een uitstelbrief gestuurd.
5
cyprodinil, fludioxonil, cypermethrin, boscalid, fenhexamid, propamocarb, pyraclostrobin, tebuconazool, abamectine, indoxacarb, spiromesifen
10
6
flubendiamide, spinosad, cyprodinil, fludioxonil, carbendazim, chloorantraniliprole, dimethomorf, flonicamid (som), metalaxyl, propamocarb, spinetoram, thiamethoxam, triflumizool, fluopyram, flutriafol, spiromesifen, sulfoxaflor
13
5
cyprodinil, fluopyram, chloorantraniliprole, pyrimethanil, fludioxonil, spiromesifen, trifloxystrobin, acetamiprid, boscalid, pyraclostrobin
8
3
cyprodinil, chloorantraniliprole, flubendiamide, flupyradifurone, spiromesifen, fluopyram, pyrethrinen, thiabendazool, trifloxystrobin
8
6
cyazofamid, flonicamid (som), fludioxonil, propamocarb, pyridalyl, thiabendazool, cyflumetofen, azoxystrobin, cyhalothrin-lambda, difenoconazool, acetamiprid, boscalid, cymoxanil, pyraclostrobin, spirotetramat (som), tebuconazool
12
Toegepaste criteria: zoektermen: snoep snack mini kinder in producten: «komkommers», «paprika», «cherrytomaten», «tomaten», «kerstomaten», «niet-scherpsmakende pepers/paprika’s», «jonge worteltjes»
De recente update van Aerius |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe waardeert u de analyse dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bij de recente update van Aerius niet de door de Kamer gevraagde correctie voor depositieonderzoek in duingebied, in lijn met de motie Flach (Kamerstuk 35 334, nr. 373), heeft toegepast?1
Vooropgesteld is het de taak van het RIVM om, als onafhankelijk wetenschappelijk instituut, te bepalen op welke manier de monitoring van de totale stikstofdepositie het beste kan worden uitgevoerd. Het RIVM werkt samen met andere kennisinstituten aan de continue doorontwikkeling van de meet- en rekenmethodiek, bijvoorbeeld via het Nationaal Kennisprogramma Stikstof. Als Minister vertrouw ik op de keuzes die vanuit de wetenschap gemaakt worden.
De kennisnotitie die het RIVM heeft gepubliceerd over dit onderwerp2, geeft een heldere uiteenzetting van de verschillende type metingen en de verschillende mogelijke toepassingen van die metingen. Hieruit komt duidelijk naar voren dat de metingen in Solleveld uit 2014 niet geschikt zijn om de landelijke berekeningen van de stikstofdepositie te kalibreren.
Deelt u de analyse dat het depositieonderzoek in Solleveld serieuze aanwijzingen geeft voor forse overschatting van de berekende droge depositie via de DEPAC-module?2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 zijn de metingen in het Solleveld uit 2014 niet geschikt om de landelijke berekeningen van de stikstofdepositie te kalibreren.
Wel geven die metingen uit 2014 aanleiding voor nader onderzoek. Hiervoor is recent een nieuwe meetcampagne gestart met gerichtere metingen. De metingen lopen tot ten minste eind 2026. Nieuwe inzichten uit die metingen zullen bij voldoende en consistente wetenschappelijke onderbouwing door het RIVM worden gebruikt om het model aan te passen.
Is de veronderstelling juist dat de berekening van de depositie in duingebieden is gebaseerd op depositiemetingen bij Engels raaigras, een veel dichtere vegetatie dan de schrale vegetatie in duingebieden, en dat hierdoor de depositie in duingebieden wordt overschat?
Bovenal wil ik nogmaals benadrukken dat het niet zeker is dat de stikstofdepositie in de duingebieden wordt overschat. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 1.
Om inhoudelijk antwoord te geven op de vraag, is het van belang om onderscheid te blijven maken tussen de verschillende functies van metingen in het model.
In het model is een deel van de theoretische beschrijvingen van droge depositie gebaseerd op metingen boven Engels raaigras. Dit gaat echter om onderdelen in het depositieproces die niet afhankelijk zijn van vegetatietype. De veronderstelde conclusie kan daarom niet worden getrokken op basis van die metingen.
In de berekening van de depositie wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen enkele algemene categorieën voor landgebruik. Voor de duinen wordt als vegetatietype inderdaad de categorie «gras» gehanteerd (andere categorieën zijn bijvoorbeeld «bos» en «water»). In het aanvullende onderzoek in Solleveld wordt onderzocht in hoeverre de huidige in het model toegepaste vegetatiekenmerken voor de duinen passend zijn. Ook hier zullen de resultaten van het onderzoek bij voldoende en consistente wetenschappelijke onderbouwing door het RIVM worden gebruikt om het model aan te passen.
Kunt u een inschatting geven van de gevolgen voor de berekende lokale ammoniakconcentratie als de berekende droge depositie met tenminste een factor twee zou worden verlaagd?
Het RIVM heeft in het «Eindrapport Ammoniak van Zee» een paragraaf (paragraaf 4.4.3) gewijd aan het effect van een lagere depositie op de berekende lokale ammoniakconcentraties.4 Hierin is te vinden dat het halveren van de depositiesnelheid leidt tot een ca. 15–20% hogere concentratie.
Er is op dit moment echter geen inhoudelijke (wetenschappelijke) onderbouwing om de depositiesnelheid te halveren.
Is de veronderstelling juist dat berekende deposities in kustgebieden relatief dicht bij de kritische depositiewaarden uitkomen en eventuele overschatting van deze deposities derhalve bepalend kan zijn voor het al dan niet overschrijden van deze kritische depositiewaarden?
Het klopt dat de totale stikstofdepositie in het kustgebied over het algemeen lager is dan in de rest van het land. In combinatie met de specifieke kritische depositiewaarde van duinhabitats, is de verwachting dat in 2030 al ruim 80% van het stikstofgevoelige areaal in de duingebieden onder de kritische depositiewaarde komt.5
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat initiatiefnemers van onder meer woningbouwprojecten in west-Nederland afgerekend worden op berekende overschrijding van kritische depositiewaarden, terwijl zeer waarschijnlijk sprake is van overschatting van deze depositie en in veel minder gevallen sprake is van overschrijding van deze kritische depositiewaarden?
Ook hierbij geldt dat het niet zeker is dat de stikstofdepositie in de duingebieden wordt overschat.
Een overschrijding van de KDW hoeft overigens ook niet bepalend te zijn voor het al dan niet verlenen van een natuurvergunning. Voor de beoordeling van projecten die mogelijk een effect kunnen hebben, moet nader worden beoordeeld of het project een significant negatief effect kan hebben op de natuur. Indien uit een ecologische beoordeling blijkt dat de betreffende natuur in een goede staat van instandhouding is en de eventuele toename van stikstofdepositie niet tot een negatief effect kan leiden, kan een vergunning verleend worden.
Gaat u ervoor zorgen dat de DEPAC-module in het OPS-model zo snel mogelijk wordt aangepast naar aanleiding van het onderzoek in Solleveld? Wanneer kunnen deze aanpassingen worden doorgevoerd?3
Zoals ook al aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het aan het RIVM om te bepalen op welke manier de monitoring van de totale stikstofdepositie het beste kan worden uitgevoerd. Het RIVM werkt met andere kennisinstituten in het Nationaal Kennisprogramma Stikstof aan onderzoek om onder andere de DEPAC-module te verbeteren. Daarvoor doen de onderzoekers metingen in Solleveld, zoals eerder genoemd, maar ook op andere locaties zoals bij Speuld en bij Loobos. Het model wordt aangepast wanneer er voldoende en consistent wetenschappelijk bewijs beschikbaar is. Daarbij weegt het RIVM wetenschappelijke inzichten van andere kennisinstituten mee.
Bent u bereid te bezien hoe op korte termijn een vorm van correctie kan plaatsvinden voor zeer waarschijnlijke overschatting van de stikstofdepositie in duingebieden in het geval dat genoemde bijstelling van de DEPAC-module niet op korte termijn kan plaatsvinden?
Zie de antwoorden op vraag 1 en 7.
Het artikel 'Sleutelrol voor Nederland in Europese lobby voor versoepeling regels gentech-voedsel' |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sleutelrol voor Nederland in Europese lobby voor versoepeling regels gentech-voedsel» van Argos en de bijbehorende documentaire «Stille strijd om ons zaad»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Hertzberger c.s. (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 81), waarin de regering wordt verzocht zich in te zetten voor een interpretatie van de nieuwe genomische technieken (NGT)-verordening die voorkomt dat er patenten kunnen worden verleend op zowel conventioneel als genetisch geïntroduceerde eigenschappen?
Ja, ik ben bekend met deze aangenomen motie. De Minister van EZ heeft deze motie overeenkomstig de toezegging2 uitgevoerd en heeft u geïnformeerd over zijn inzet op deze motie3.
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven actieve Nederlandse lobby voor versoepeling van NGT-regels, inclusief het weglaten van risicobeoordeling en etikettering bij NGT-gewassen, in het licht van deze en andere aangenomen moties die juist pleiten voor strikte kaders en bescherming van publieke belangen?
Het Ministerie van LVVN heeft voorafgaand aan de publicatie van het artikel en de uitzending van Argos van 7 september 2025 antwoord gegeven op de door Argos gestelde vragen. Argos heeft de antwoorden op die vragen niet inhoudelijk in het artikel verwerkt of deze behandeld in de uitzending. De antwoorden zijn bij het artikel als een weerwoord van het Ministerie van LVVN opgenomen. In die antwoorden licht ik toe dat de beleidsinzet in Brussel door mijn ambtenaren plaatsvindt conform het BNC-fiche en aangenomen moties over het NGT-voorstel.
Kunt u toelichten hoe uw ministerie en andere betrokken ministeries de uitvoering van deze Kameruitspraken hebben gewaarborgd in de Nederlandse inzet binnen de besloten triloog op 14 oktober 2025? Kunt u daarbij specifiek aangeven welke inzet is gepleegd om patenteerbaarheid van NGT-eigenschappen te voorkomen?
Het Nederlandse kabinet is niet direct betrokken bij de trilogen voor het NGT-voorstel. Deze worden gevoerd door het voorzitterschap van de Raad, op dit moment Denemarken. Wel zorgt het voorzitterschap voor terugkoppeling van de uitkomsten van de trilogen naar de Raad met alle lidstaten. Het kabinet heeft zich voorafgaand aan het bereiken van het Raadsakkoord ingezet conform het antwoord op de motie om in het NGT-voorstel een oplossing te bereiken dat octrooirechten geen blokkade zijn voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars en transparantie voor veredelaars te bieden in het octrooilandschap binnen de veredeling.
Hoe verhoudt het resultaat zich tot het Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid (ENVI)-compromis van het Europees Parlement, dat octrooien op NGT-planten en -producten uitsluit? Steunt Nederland dit standpunt nog steeds actief in de onderhandelingen?
Het onderwerp octrooien is alleen nog verkennend besproken in de trilogen. Er zijn nog geen nieuwe voorstellen gedaan om een compromis te sluiten.
Is het waar dat zorgen van kleinere veredelaars en maatschappelijke organisaties structureel minder prioriteit kregen in de Nederlandse onderhandelingsinzet, zoals wordt gesuggereerd in het artikel? Zo nee, kunt u dat onderbouwen met concrete voorbeelden van hoe deze belangen zijn meegenomen?
Het vorige kabinet heeft een brede consultatie van stakeholders uitgevoerd over dit onderwerp en heeft een belangenafweging gemaakt in het BNC-fiche4. Hierin beschrijft het kabinet dat met het NGT-voorstel wordt beoogd om NGTs juist toegankelijk te maken voor alle veredelaars. Daarnaast respecteert het kabinet de wens van de biologische sector om vrij te blijven van NGT-planten. Ook is de inzet van het kabinet, mede door inbreng van maatschappelijke organisaties zoals de Natuur & Milieufederatie Noord-Holland en IUCN-NL, dat voor NGT-planten waarvan het niet waarschijnlijk is dat deze met conventionele veredeling tot stand kunnen komen (NGT-categorie 2 planten), een proportionele risicobeoordeling uitgevoerd moet worden.
Erkent u dat een toename van patenten op NGT-gewassen het risico met zich meebrengt van belemmering van veredelingsvrijheid, juridisering van de sector en machtsconcentratie bij enkele grote zadenbedrijven, zoals in het artikel wordt beschreven? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om een octrooi aan te vragen op een NGT-gewas of plantenras. Wel is het mogelijk om een octrooi aan te vragen op een technisch proces om een planteneigenschap in te brengen. Sinds 2017 geldt dat octrooien die worden aangevraagd voor eigenschappen die met behulp van genetische technieken worden geïntroduceerd, uitsluitend bescherming bieden voor eigenschappen die met behulp van die genetische technieken worden geïntroduceerd en niet voor dezelfde eigenschap die via traditionele veredeling tot stand is gekomen. Ik erken dat er zorgen leven over een mogelijke toename van octrooien en de gevolgen daarvan voor veredelingsvrijheid en concurrentie, en ik kijk ook kritisch naar het gebruik van octrooirecht in de plantenveredeling. Echter gaat het op dit moment om veronderstellingen en zijn duidelijke gevolgen van octrooien in de plantenveredeling niet aangetoond. Ik wacht de in 2026 geplande publicatie van de studie van de Europese Commissie over intellectueel eigendom in de plantenveredeling af. Deze studie zal een basis vormen voor het verdere gesprek over dit onderwerp.
Gezien de grote meerderheden die moties zoals de motie-Hertzberger c.s. hebben gekregen houdt u er rekening mee dat de Kamer u mogelijk per motie zal verzoeken om tegen een resultaat te stemmen waarin de oproepen tot heldere etikettering, voor keuzevrijheid en tegen octrooien van eigenschappen niet voldoende zijn gewaarborgd? Kunt u toezeggen gehoor te geven aan een dergelijk verzoek?
Ik zie het Raadsakkoord als een mooi compromis waarin heldere etikettering, keuzevrijheid en octrooien in de plantenveredeling op een proportionele manier worden gewaarborgd. Uiteraard zal ik eventuele nieuwe wensen van de Kamer zorgvuldig wegen, rekening houdend met de proportionaliteit en (juridische) uitvoerbaarheid van een dergelijke motie en in het licht van internationale verplichtingen van Nederland.
Kunt u toezeggen de Kamer tijdig te informeren over aankomende stemmingen zodat er voldoende gelegenheid is om uw inzet in Europa in lijn te brengen met de wens van een democratische meerderheid?
Ik informeer uw Kamer altijd over stemmingen in de Landbouw- en Visserij Raad middels de geannoteerde agenda, dit zal ik blijven doen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voordat er nieuwe overleggen plaatsvinden?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Echter loopt het Europese proces altijd door, ik kan daarom niet garanderen dat er geen overleggen plaatsvinden in een bepaalde periode. In deze periode is het onderwerp Nieuwe Genomische Technieken niet besproken in de Landbouw- en Visserij Raad.
Schiphol |
|
Ines Kostić (PvdD), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Schiphol momenteel bouwt aan de A-pier en andere grootschalige werkzaamheden?
Klopt het dat hier een Natura 2000-vergunning voor nodig is, maar dat deze ontbreekt?
Voor de werkzaamheden aan de A-pier is een vergunning nodig. Schiphol heeft alle bouwwerkzaamheden die onlosmakelijk verbonden zijn aan het project Luchthaven Schiphol aangevraagd. Deze werkzaamheden zijn ook vergund met de afgegeven natuurvergunning van 26 september 2023. Deze natuurvergunning is echter op 4 juni 2025 door de rechtbank Den Haag vernietigd omdat voor de mitigerende maatregelen niet werd voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
Wie is verantwoordelijk voor het aanvragen, vergunnen en handhaven van Natura 2000-vergunningen voor deze projecten?
Als een Natura 2000-vergunning nodig is, dan is de initiatiefnemer voor de desbetreffende activiteit, in dit geval de Royal Schiphol Group, verantwoordelijk voor het aanvragen daarvan. Ik ben bevoegd om te beslissen op een dergelijke aanvraag (artikel 4.12 lid 2, onder a en sub 5 Omgevingsbesluit). Ik ben ook het bevoegde gezag voor het handhaven van een dergelijke vergunning(plicht).
Hoe verhoudt het beleid rond het afgeven, weigeren en handhaven van Natura 2000-vergunningen zich tot de rechterlijke uitspraken over het salderen van stikstofemissies?
Het beleid rond het afgeven, weigeren en handhaven van Natura-2000 vergunningen wordt mede gevormd door rechterlijke uitspraken daarover. Met name de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn richtinggevend. Die rechterlijke uitspraken gaan ook over het salderen van stikstofemissies.
Kan Schiphol doorgaan met de bouwwerkzaamheden als er geen geldige natuurvergunning is?
Bij het ontbreken van een rechtsgeldige natuurvergunning, is er sprake van een overtreding. Er geldt in dat geval een beginselplicht tot handhaving. Van handhaving kan ik alleen afzien indien handhaving onevenredig zou zijn bij een afweging tussen het natuurbelang versus het brede maatschappelijke en economische belang dat de luchthaven dient en het belang bij de desbetreffende werkzaamheden. Schiphol is een luchthaven van (inter)nationale betekenis. Daar staat tegenover dat Nederlandse Natura 2000-gebieden kampen met overbelasting door stikstofdepositie. Die twee belangen moeten tegen elkaar worden afgewogen.
Bent u voornemens om in te grijpen en de werkzaamheden stil te leggen, als blijkt dat niet is voldaan aan alle vereisten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Inmiddels is op 15 oktober jl. een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot de werkzaamheden aan de A-pier. Daarop zal ik een besluit moeten nemen. In dat kader zal ik de eerdergenoemde belangenafweging maken. Op die besluitvorming kan ik bij de beantwoording van deze Kamervragen niet vooruitlopen.
Hoe verhoudt de capaciteitsuitbreiding van Schiphol op de grond zich tot de beperkingen van het aantal vluchten? Wordt dit betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor bouwwerkzaamheden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zijn de werkzaamheden aan de A-pier vergunningplichtig. Een vergunning wordt alleen verleend als de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving).
Of de (bouw)werkzaamheden al dan niet leiden tot een capaciteitsuitbreiding is geen toetsingskader voor het al dan niet kunnen verlenen van de vergunning, tenzij die capaciteitsuitbreiding ook zou leiden tot een wijziging van het project en tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebied.
Het voorgaande laat onverlet dat Schiphol zich dient te houden aan het aantal toegestane vliegtuigbewegingen zoals vastgelegd in het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol.
Is de totale directe en indirecte stikstofemissie van alle activiteiten op Schiphol relevant voor Natura 2000-vergunningen of worden projecten apart en los van de gehele operatie beoordeeld?
In beginsel maken alle (bouw)werkzaamheden onlosmakelijk onderdeel uit van het project exploitatie van de luchthaven dat passend moet worden beoordeeld.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heeft Schiphol alle bouwwerkzaamheden die onlosmakelijk verbonden zijn aan het project Luchthaven Schiphol ook aangevraagd en zijn deze werkzaamheden ook vergund. Zoals gezegd, deze natuurvergunning is echter op 4 juni 2025 door de rechtbank Den Haag vernietigd, omdat voor de mitigerende maatregelen niet werd voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen en het Deense verbod daarop |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Deense onderzoek waaruit blijkt dat de PFAS-verbinding TFA (trifluorazijnzuur) makkelijk uitspoelt naar het milieu en daarmee drinkwaterbronnen bedreigt? Hoe kijkt u naar die conclusies?1
Denemarken heeft de Europese Commissie en alle lidstaten geïnformeerd over het besluit om de toelating van deze middelen in te trekken. Het Ctgb bestudeert het onderzoek waarop dit besluit is gebaseerd om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie. Het is vervolgens aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, te bepalen of er aanleiding is om de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen.
Hoe kijkt u naar het besluit dat door Denemarken is genomen om 23 bestrijdingsmiddelen, die het schadelijke afbraakproduct TFA vormen, per direct te verbieden vanwege de risico’s voor het grondwater en de drinkwatervoorziening?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe lang duurt het voordat het College voor de toelating van gewasbeschermingingsmiddelen en biociden (Ctgb) het genoemde onderzoek en het daaropvolgende besluit in Denemarken heeft bestudeerd, zoals toegezegd tijdens het tweeminutendebat Gewasbeschermingsmiddelen op 3 september jongstleden?
Het Ctgb bestudeert het Deense onderzoek momenteel zorgvuldig en dat kost tijd. Vanwege de hoeveelheid werk en complexiteit van het dossier kan het Ctgb nog niet aangeven wanneer dit is afgerond. Zodra er een besluit is genomen door het Ctgb zal ik uw Kamer hierover informeren.
Wanneer gaat u de Kamer verder informeren over de analyse van het Ctgb en het mogelijke besluit dat daaruit volgt?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom zijn al deze middelen in Nederland nog steeds toegestaan terwijl het Ctgb al eerder om een snelle Europese herbeoordeling vroeg?
Het Ctgb heeft aangedrongen op een snelle Europese herbeoordeling van de betreffende werkzame stoffen omdat nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar is over het afbraakproduct TFA. Deze nieuwe informatie zorgt voor een strengere norm voor TFA bij de beoordeling van risico’s voor het grondwater. Om vervolgens te bepalen of nog aan deze norm voldaan wordt is aanvullende informatie nodig of werkzame stoffen inderdaad TFA produceren en hoeveel TFA dan wordt gevormd en uitspoelt naar het grondwater. Deze informatie wordt gegenereerd in de Europese stofbeoordeling.
Het Deense onderzoek levert voor 6 stoffen aanvullende informatie op over de vorming van TFA. Het Ctgb bestudeert deze informatie om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie en de in Nederland toegelaten middelen. Voor overige stoffen die mogelijk TFA produceren moet de benodigde informatie over TFA nog worden gegenereerd door middel van onderzoek. Een brede Europese aanpak op stofniveau heeft de voorkeur boven een nationale aanpak op middelniveau, omdat alle werkzame stoffen die mogelijk TFA produceren hiermee zo snel mogelijk met Europees geharmoniseerde methodes kunnen worden beoordeeld. De Europese Commissie is van mening dat de beoordeling van het afbraakproduct TFA in de lopende herbeoordelingen moet worden geadresseerd en maant lidstaten die een stof beoordelen die mogelijk TFA produceert tot een snelle afronding van de (her)beoordeling
Waarom wordt het middel «Luna Sensation» van Bayer, dat fluopyram bevat, wel verboden wegens risico’s voor boeren, bijen en vogels, maar mogen negen andere fluopyram-houdende middelen nog steeds worden toegepast?
Het middel Luna Sensation bevat twee werkzame stoffen: fluopyram en trifloxystrobin. De aanleiding van de herbeoordeling van het middel Luna Sensation was de herbeoordeling van de stof trifloxystrobin. De werkzame stof fluopyram wordt momenteel Europees herbeoordeeld. Wanneer deze herbeoordeling is afgerond, start het Ctgb met de herbeoordeling van toegelaten middelen op basis van fluopyram.
Dringt u er bij het Ctgb op aan dat de herbeoordelingen van deze negen middelen op zeer korte termijn worden uitgevoerd, zodat deze schadelijke stoffen niet langer in het milieu terechtkomen? Zo nee, waarom niet?
Zodra de Europese herbeoordeling van fluopyram is afgerond zal het Ctgb, conform toelatingsprocedure, starten met de herbeoordeling van de betreffende middelen. De werkzame stof fluopyram is daarnaast één van de stoffen uit het Deense onderzoek over TFA. Op dit moment bestudeert het Ctgb wat deze informatie betekent voor de Nederlandse situatie. Ik heb hierbij vertrouwen in de deskundigheid van het Ctgb als Nederlandse toelatingsautoriteit.
Waarom mogen bestaande voorraden van «Luna Sensation» nog worden opgebruikt tot juli 2026 terwijl dit besluit is genomen vanwege de risico’s voor mens en natuur? Deelt u de opvatting dat het gebruik ervan dan per direct moet worden gestopt?
Het Ctgb stelt de aflever- en opgebruiktermijnen van gewasbeschermingsmiddelen vast conform het besluit beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen2. Deze termijnen geven de sector de mogelijkheid om naar alternatieven te zoeken en eventuele voorraden kunnen worden afgeleverd en opgemaakt. De duur van de respijttermijn is afhankelijk van de ernst van de risico’s, omvang van de voorraad, het gebruiksseizoen en de mate waarin de keten is verrast en de mogelijkheden om de gevolgen van de intrekking op te vangen. De wettelijke vastgestelde maximum duur van respijttermijnen is 6 maanden voor afleveren en 12 maanden daarbovenop voor opgebruik (totaal maximaal 18 maanden). Het Ctgb heeft voor Luna Sensation beperkt respijt gegeven van in totaal 12 maanden (aflever- en opgebruiktermijn beide 6 maanden).
Heeft u gesprekken met de drinkwaterbedrijven en milieuorganisaties die al veel langer waarschuwen voor de milieu en gezondheidsrisico’s van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen?
Ja, ik heb gesprekken gevoerd met de vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) over PFAS-houdende gewasbeschermingsmiddelen.
Deelt u de opvatting dat er voldoende wetenschappelijk onderzoek is over de risico’s van PFAS om PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen van de markt te halen? Zo ja, per wanneer kan de Kamer een verbod verwachten? Zo nee, kunt u dat onderbouwen?
Ik heb vertrouwen in het toelatingssysteem waarbij alle toegelaten middelen zijn beoordeeld op de risico’s voor mens, dier en milieu. Hierbij zijn de stoffen Europees beoordeeld aan de hand van Europees geharmoniseerde beoordelingskaders en worden middelen nationaal toegelaten waarbij gekeken wordt naar de specifieke toepassing en naar de nationale omstandigheden. Een middel mag pas op de markt komen als wetenschappelijk is aangetoond dat dit veilig kan worden toegepast. Op het moment dat nieuwe relevante wetenschappelijk informatie beschikbaar komt over een stof zal worden bekeken of een eerdere beoordeling van een stof of middel moet worden herzien.
Naar aanleiding van het genoemde onderzoek van Denemarken is nieuwe informatie beschikbaar gekomen over de afbraak van zes werkzame stoffen tot TFA en de uitspoeling hiervan naar grondwater. Het Ctgb bestudeert momenteel het onderzoek waarop het besluit is gebaseerd om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie en of er aanleiding is om de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw te beoordelen. Het is aan het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, eventueel vervolgstappen te bepalen.
Het bericht dat gemeenten een landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen willen |
|
Laura Bromet (GL), Geert Gabriëls (GL), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten willen landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat gemeenten zich geen raad weten met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de lelieteelt, omdat landelijk beleid ontbreekt? Hoe lang ontvangt u deze signalen al? Kunt u hier een reflectie op geven?
Sommige gemeenten vinden dit inderdaad een ingewikkeld vraagstuk. Tegelijkertijd is er wel degelijk een kader, op landelijk en op lokaal niveau. Hieronder ga ik in op de belangrijkste elementen hiervan.
Ten algemene is het landelijke gewasbeschermingsbeleid gericht op het terugdringen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en het bevorderen van het gebruik van biologische en laag-risicomiddelen. Hier zet ik samen met betrokken partijen op in via onder meer het uitvoeren van de acties van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
In de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb,) en ook daaraan voorafgaand de goedkeuringsprocedure van specifieke stoffen door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), worden de risico’s voor gebruikers, werkers, omwonenden en passanten beoordeeld en wordt in het bijzonder rekening gehouden met risico’s voor kwetsbare doelgroepen zoals kinderen. EFSA maakt gebruik van het beoordelingsmodel OPEX om rekening te houden met langdurige blootstelling van omwonenden. OPEX is volgens het RIVM een robuust model dat blootstelling niet onderschat2. In lijn met het voorzorgsbeginsel wordt het toelatingskader (Europees en nationaal) doorlopend aangescherpt aan de hand van nieuwe wetenschappelijke inzichten (Kamerstuk 27 858, nr. 676). Nederlandse instituten spelen hierbij een actieve rol. Het Rijk laat intussen aanvullend meerjarig onderzoek doen door een consortium onder leiding van het RIVM, naar mogelijke risico’s voor omwonenden en agrariërs (het OBO-2 onderzoek; Kamerstuk 27 858, nr. 644) en naar de mogelijke relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de ziekte van Parkinson (het SPARK-onderzoek).
Gemeentes hebben, om de gezondheid van bewoners, natuur en waterkwaliteit lokaal te beschermen, ook verschillende bevoegdheden, zoals op basis van de Omgevingswet, via het Omgevingsplan of via maatwerkvoorschriften. Daarnaast kan de gemeente in situaties waar zij eigenaar is van de grond, eisen stellen aan het gebruik bij verpachting of verkoop van de grond. Er zijn diverse externe juridische handreikingen gepubliceerd (door bijvoorbeeld LTO en Arcadis) waaruit volgt dat gemeenten mogelijkheden hebben om lokaal te reguleren.
Voor een nieuwe woonbestemming kan uit de huidige jurisprudentie een spuitvrije zone van 50 meter worden afgeleid. Het Rijk heeft opdracht gegeven tot een verkenning naar een rekenmethode om de breedte van spuitzones tussen een agrarische en een woonbestemming te onderbouwen. Dit zou gemeentes op de langere termijn onderbouwde handvatten moeten bieden om daarin een lokale afweging te maken.
Bent u op de hoogte dat het gebrek aan daadkracht leidt tot zowel verontruste inwoners als onzekerheid bij boeren? Kunt u ook hier een reflectie op geven?
Zoals hierboven aangegeven lopen verschillende trajecten. Deze zijn ingezet mede op basis van signalen van gemeenten.
Wat gaat u doen qua aanpak lelieteelt en bestrijdingsmiddelen om deze ontstane situatie, welke leidt tot polarisatie, in vele gemeenten te verbeteren?
Ik ben in de antwoorden op vragen 2 en 3 ingegaan op verschillende acties die ik onderneem, al dan niet in samenwerking met de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Verder steun ik nadrukkelijk de inzet van de sector om chemisch middelengebruik in de lelieteelt fors terug te dringen. Zo hebben de KAVB (bollensector) en Royal Anthos (bollenhandel) besloten dat de lelieteelt in 2030 50% minder gewasbeschermingsmiddelen zou moeten gebruiken en «hoog-impact gewasbeschermingsmiddelen» uit zou moeten faseren, en hebben daartoe de regie gepakt. Onderzoeksprojecten, zoals het recent afgesloten programma Duurzame Bollenteelt Drenthe3, zouden daarvoor handvatten moeten bieden.
Deelt u de mening van de burgemeester van Westerveld dat de huidige aanpak leidt tot toegenomen spanning in plaats van het dalen van spanning? Kunt u dit nader toelichten?
Ik ben het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk complex is, en onderschrijf het belang van onderling vertrouwen en open communicatie tussen agrariërs en omwonenden. Daartoe ben en blijf ik ook in gesprek met gemeenten en belangengroepen.
Bent u het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk een complex samenspel van regelgeving, jurisprudentie, technische innovaties en uiteenlopende verwachtingen is? Deelt u de mening dat daarbij dit vraagstuk gemeente-overstijgend landelijke helderheid en beleid vraagt?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom bent u nog steeds niet bereid om te werken met een wettelijke spuitvrije zone bij lelieteelt?
Zoals eerder gemeld kunnen gemeentes nu reeds spuitvrije zones instellen. Ik denk dat dit ook het beste op lokaal niveau met maatwerk kan worden besloten, aangezien de situatie in de praktijk heel verschillend kan zijn. Dat past ook bij de onderlinge verdeling van bevoegdheden. Daarbij draagt het Rijk via het voornoemde onderzoek bij aan handvatten hiervoor.
Waarom verwerkt u de herhaalde uitspraken van de Raad van State in het afgelope decennium, dat een spuitvrije zone van 50 meter bij woningbouw bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet onredelijk is, niet in landelijke wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen met de dringende oproep van gemeenten om met landelijke wet- en regelgeving te komen? Op welke termijn kunnen deze gemeenten duidelijke regelgeving van u verwachten?
Zoals in het antwoord op vraag 2 beschreven is er al een uitgebreid juridisch kader, dat mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen op lokaal niveau. Ik vind het van belang dat gemeenten hier op lokaal niveau een afweging in kunnen blijven maken.
Deelt u de mening dat sierteelt niet onder het beleid van voedselzekerheid valt? Zo nee, waarom niet?
Sierteelt valt inderdaad niet onder het beleid van voedselzekerheid. Desalniettemin is sierteelt vaak onderdeel van een gewasrotatieschema en is op de bewuste locatie in de overige jaren dan wel sprake van activiteiten i.v.m. voedselproductie.
Wat gaat u verbeteren aan de kabinetsaanpak «gezondheid in alle beleidsterreinen»? Gaat u daarin ook ambities beschrijven om inwoners en boeren beter te beschermen tegen de schadelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen?
Dit kabinet werkt aan een verdere versterking van de aanpak Gezondheid in alle beleidsterreinen (GIAB), zodat gezondheid structureel en vroegtijdig wordt meegewogen bij beleid op andere domeinen, zoals landbouw, industrie en ruimtelijke ordening. Binnen deze aanpak wordt gewerkt aan het beter benutten van gezondheidskundig advies bij besluitvorming, onder meer via de GGD’en en het RIVM. Verder wordt kennis en monitoring ingezet, onder meer via het lopende RIVM-onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO-2) en het <I>SPARK</I>-onderzoek naar de ontwikkeling van teststrategieën voor neurotoxische en neurodegeneratieve effecten van bestrijdingsmiddelen. Daarmee wordt de bescherming van inwoners en boeren tegen mogelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen versterkt.
De waardering van onderzaai als rustgewas |
|
Eline Vedder (CDA) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt gesteld dat een combinatie van een vroege teelt met een vanggewas dat uiterlijk 1 september is ingezaaid, in aanmerking kan komen als rustgewas, en dat dit ruimte lijkt te bieden voor onderzaai van een vanggewas?
Op de website van de RVO wordt uitgelegd hoe een combinatie van een korte/vroege teelt gevolgd door een vroeg ingezaaid vanggewas als rustgewas kan voldoen. Er wordt daarbij ook aangegeven dat het vanggewas na de oogst van de hoofdteelt wordt ingezaaid. Ik ben het daarom niet eens dat deze rustgewasbeschrijving ruimte biedt voor het onderzaaien van een vanggewas.
Deelt u de mening dat onderzaai van een vanggewas in mais, mits uitgevoerd conform de genoemde voorwaarden (tijdige zaai vóór 1 september en oogst hoofdgewas vóór 1 september), een evenwaardige, zo niet betere bijdrage levert aan het beperken van nitraatuitspoeling en aan bodemkwaliteit dan nazaai?
Ja, een geslaagde onderzaai van een vanggewas in combinatie met een uitspoelingsgevoelige teelt als maïs kan zeer effectief zijn in het voorkomen van nitraatuitspoeling in het najaar. Daarom is bij de verplichting tot het inzaaien van een vanggewas na maïs op uiterlijk 1 oktober zowel onderzaai als nazaai toegestaan.
Waarom wordt onderzaai van vanggewassen wel positief gewaardeerd binnen het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) als eco-activiteit vanwege de positieve effecten op bodem en milieu, maar tegelijkertijd uitgesloten als rustgewas binnen de mestwetgeving en bouwplanverplichting?
Het tijdig inzaaien van een vanggewas heeft een ander doel dan het roteren met rustgewassen. Waar een vanggewas voornamelijk in de winter het perceel bedekt en in die periode overgebleven stikstof opneemt en vasthoudt voor het volgende gewas, wordt met het telen van een rustgewas een teeltjaar van intensieve teelten onderbroken en gewerkt aan het verbeteren van de bodemkwaliteit op de lange termijn. Hierdoor wordt de bodem minder gevoelig voor uitspoeling. Daarnaast zijn rustgewassen niet-uitspoelingsgevoelige gewassen.
De eco-activiteit «onderzaai vanggewas» richt zich op de ontwikkeling van het vanggewas. Zowel voor de eco-activiteit «rustgewassen» als de verplichte rotatie met rustgewassen voor het mestbeleid geldt dat het onderzaaien van een vanggewas bij de teelt van maïs niet als rustgewas wordt gezien.
Kunt u bevestigen dat het huidige beleid ertoe leidt dat boeren in bepaalde gevallen een goed ontwikkelde onderzaai moeten vernietigen om daarna alsnog een vanggewas na te zaaien, puur om te voldoen aan de wettelijke definitie van een rustgewas? Zo ja, acht u dit wenselijk?
Nee, dit is geen gevolg van het huidige beleid, maar een keuze van de landbouwer. Er is een ruime keuze in rustgewassen om te voldoen aan de verplichte rotatie met rustgewassen. De combinatie van een vroege teelt gevolgd door een vroeg ingezaaid onbemest vanggewas is daar één van.
Deelt u de mening dat het vernietigen van een bestaande onderzaai, om daarna opnieuw in te zaaien, indruist tegen het streven naar minder grondbewerking, betere bodemkwaliteit en minder nitraatuitspoeling?
Het klopt dat het beter is om een jaar een andere teelt dan maïs telen, bijvoorbeeld gras. Met het onderzaaien van een vanggewas voldoet de landbouwer aan de verplichting tot het inzaaien van een vanggewas op uiterlijk 1 oktober. Naast het vroegtijdig inzaaien van een vanggewas is het roteren met een rustgewas nodig voor verbetering van de bodem- en waterkwaliteit.
Kunt u toelichten waarom in de huidige interpretatie van de regelgeving de volgorde van zaaien (ná oogst) blijkbaar belangrijker wordt geacht dan het doel en het effect (bodembedekking, nitraatbinding en bodemkwaliteit) van het vanggewas?
De combinatie van korte (groente) teelten c.q. vroeg geoogste gewassen gevolgd door een vroeg ingezaaid onbemest vanggewas (inzaai in juli-augustus) is destijds door de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) aangewezen als niet-uitspoelingsgevoelige teelt en is daarom aangewezen als rustgewas. Het gaat daarbij om teelten uit de vollegrondsector, zoals wortelen en sla waarbij vaak meerdere oogsten per jaar kunnen plaatsvinden. Maïs met onderzaai is door de CDM niet als niet-uitspoelingsgevoelige teelt aangewezen, en wordt daarom niet toegestaan als rustgewas.
Bent u bereid om, in het kader van de aangekondigde actualisatie van de lijst rustgewassen in het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, specifiek de combinatieteelt van onderzaai in mais te laten beoordelen door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet, inclusief verschillende oogstscenario’s (voor 1 september, voor 1 oktober en na 15 oktober)?
Voor het opstellen van de geactualiseerde rustgewaslijst krijgt de sector de mogelijkheid om alle gewassen, of in dit geval een combinatie van gewassen, aan te bieden voor beoordeling door de CDM. Zoals aangekondigd in het concept 8e actieprogramma, ben ik voornemens de CDM advies te vragen over een afweegkader voor het vaststellen van rustgewassen. Op basis van dat afweegkader kan vervolgens worden beargumenteerd waarom een gewas wel of niet als rustgewas kan worden ingezet.
Kunt u tevens toezeggen dat de criteria voor rustgewassen in de toekomst meer zullen aansluiten bij het beoogde milieudoel (minder uitspoeling, betere bodem) in plaats van bij een starre technische interpretatie van zaai- en oogstdatum?
Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, ben ik van plan de CDM advies te vragen over een afweegkader voor het vaststellen van rustgewassen. Aan de hand van dit afweegkader is het voornemen de lijst met rustgewassen te herzien. Met deze systematiek wordt geborgd dat met de invulling van de lijst met rustgewassen het beoogde milieudoel van de gewasrotatie, het verbeteren van bodem- en waterkwaliteit, wordt nagestreefd.
Welke mogelijkheden ziet u om voor het jaar 2026 en daarna, beleidsmatig meer samenhang te brengen tussen de GLB-waardering van onderzaai als eco-activiteit en de erkenning van onderzaai binnen de mestwetgeving als rustgewas?
Het betreft hier twee verschillende maatregelen, het vroegtijdig inzaaien van een vanggewas en de rotatie met rustgewassen. Uitvoering van beide maatregelen is nodig voor het behalen van de waterkwaliteitsdoelen. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, met ingang van het teeltjaar 2026, de wet- en regelgeving aan te passen, zodat niet langer alleen de zaaidatum ná de oogst doorslaggevend is, maar dat ook een combinatie van een vroege teelt met tijdige onderzaai vóór 1 september erkend kan worden als rustgewas?
Nee, op dit moment wordt maïs met onderzaai niet gezien als rustgewas. Alleen wanneer deze combinatie op basis van het nog op te stellen afweegkader in het kader van het 8e actieprogramma voldoet als rustgewas, zal deze combinatie vanaf 2027, in de volgende rotatie periode, eventueel kunnen worden toegestaan.
De door China opgelegde importheffingen voor varkensvlees |
|
Chris Stoffer (SGP), André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat China forse importheffingen heeft ingevoerd voor Europees varkensvlees, in het bijzonder voor de coöperatie Vion1?
Ja.
Kunt u een inschatting geven van de gevolgen van deze importheffingen voor de Europese en Nederlandse markt, de bedrijven in de keten en de primaire sector, die te maken heeft met opgaven met betrekking tot milieu en dierenwelzijn?
De gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven van de door de Chinese overheid opgelegde voorlopige heffingen zijn op dit moment nog onduidelijk. Deze zijn afhankelijk van meerdere factoren. De voorlopige heffingen variëren voor Nederlandse bedrijven van 20% tot 62,4%. Nederlandse exporterende bedrijven behoren, samen met bedrijven uit Spanje, Denemarken en Frankrijk, tot de voornaamste Europese exporteurs van varkensproducten naar China. Meer dan de helft van de varkensvleesproducten betreft bijproducten: poten, snuiten, oren, staartjes. De afzet op de Chinese markt en die van Hongkong genereert voor bijproducten de hoogste waarde. De totale export naar China van Europese varkensvleesproducten bedroeg in 2024 ca. 2,2 miljard euro, waarvan ca. 374 miljoen euro vanuit Nederland2. Er zijn weinig alternatieve markten waar een vergelijkbare opbrengst kan worden gegenereerd voor bijproducten. De verwachting is dat de door China ingestelde heffingen op termijn kunnen leiden tot een verminderde afzet naar China, met als mogelijk gevolg verlaging van de prijs voor vleesvarkens in Nederland en de EU als geheel. Nederland en de Europese Commissie volgen de ontwikkelingen op de Nederlandse respectievelijk Europese markt nauwgezet.
Hoe waardeert u de Chinese analyse dat sprake zou zijn van dumpingpraktijken, in het licht van het Wereldhandelsorganisatie (WTO)-kader?
De Europese Commissie heeft in een eerste reactie reeds aangegeven dat het Chinese onderzoek naar dumpingpraktijken gebaseerd is op ontoereikend bewijs van dumpingpraktijken. De Europese Commissie analyseert het onderzoek en de voorlopige maatregelen momenteel nader op conformiteit met regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), om op basis daarvan mogelijke vervolgstappen in kaart te brengen.
Bent u voornemens op kortst mogelijke termijn bij de Europese Commissie aan te dringen op het aanvragen van uitstel voor invoering van deze importheffingen?
Sinds de Chinese aankondiging van de voorlopige antidumpingmaatregelen op 5 september jl. staan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in nauw contact met zowel de Europese Commissie en andere betrokken EU lidstaten, als met (vertegenwoordigers van) de Nederlandse varkenssector. De Europese Commissie heeft in reactie op de voorlopige maatregelen schriftelijk commentaar ingediend bij het Chinese Ministerie van Handel, om de bezwaren tegen het onderzoek duidelijk te maken en aan te dringen op het opheffen van de voorlopige maatregelen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft namens de Nederlandse overheid eveneens schriftelijk commentaar ingediend, met dezelfde strekking. De Ministeries van Buitenlandse Zaken en LVVN blijven in nauw contact met de Europese Commissie, en met de Nederlandse varkenssector, om de meest geschikte vervolgstappen te bepalen om de gevolgen voor de Nederlandse varkenssector waar mogelijk te kunnen beperken.
Welke stappen gaat u in Europees verband zetten om ervoor te zorgen dat zo snel mogelijk gereageerd wordt op de Chinese aankondiging en dat de gevolgen voor de Nederlandse varkenssector ingeperkt worden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u, gelet op de urgentie, bereid deze vragen zo snel mogelijk, deze week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het stikstofplan 'Bouwstenendocument emissiereductie landbouw' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het op 10 juli 2025 door LTO, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen en het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) gepresenteerde «Bouwstenendocument emissiereductie landbouw» (het bouwstenendocument)?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in april 2025 het zogenoemde «Startpakket» presenteerde en aankondigde in augustus met een vervolg te komen? Bent u voornemens (delen van) het genoemde bouwstenendocument over te nemen? Zo ja, welke onderdelen, en hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke natuurdoelen (Wet stikstofreductie en natuurverbetering) en rechterlijke uitspraken?2
Het kabinet heeft kennisgenomen van de voorstellen in het bouwstenendocument en is in de verschillende Catshuissessies in gesprek gegaan met de initiatiefnemers. Het bouwstenendocument is net als de andere voorstellen die het kabinet heeft ontvangen benut bij de vervolgstappen die het kabinet op Prinsjesdag heeft gepresenteerd.
Met dit vervolgpakket neemt het kabinet opnieuw aanvullende maatregelen, gericht op emissiereductie en de natuur. Deze maatregelen dragen bij aan natuurherstel en het van het slot halen van Nederland. Parallel werkt het kabinet aan het vervangen van de op de kritische depositiewaarde (KDW) gebaseerde omgevingswaarde uit de Omgevingswet, door een wettelijk verplicht programma met daarin sectorale emissiereductiedoelen.
Erkent u dat het bouwstenendocument expliciet voorstelt om wettelijke emissiedoelen te hanteren in plaats van sturing op depositie en kritische depositiewaarden (KDW’s)? Deelt u de analyse dat het loslaten van KDW-sturing op gespannen voet staat met de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, die lidstaten verplichten tot het beschermen van Natura 2000-gebieden tegen daadwerkelijke overschrijding van ecologisch onderbouwde drempelwaarden? Erkent u dat emissiesturing, zonder expliciete borging van depositiereductie onder de KDW’s, het risico in zich draagt dat het voorzorgsbeginsel uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn wordt geschonden? Zo nee, waarom niet?3
Het bouwstenendocument van IPO, LTO, NAJK, UvW en VNG stelt inderdaad voor om in plaats van sturing op depositie door middel van kritische depositiewaarden (KDW), te sturen op emissiedoelen en deze doelen te verankeren. Met het wetsvoorstel voor het schrappen van de omgevingswaarde voor de KDW wordt aan deze omslag invulling gegeven.
Het loslaten van de KDW-sturing staat niet op gespannen voet met de verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Op grond van die richtlijnen moeten voor de Natura 2000-gebieden instandhoudingsmaatregelen worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken en moeten passende maatregelen worden getroffen om verslechtering te voorkomen (artikelen 6, eerste en tweede lid, en 7 van de Habitatrichtlijn en artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn). De richtlijnen laten het aan de lidstaten om te bepalen op welke manier hieraan uitvoering wordt gegeven. Het kabinet is ervan overtuigd dat een omslag naar emissiesturing betere sturingsmogelijkheden biedt dan depositiesturing. Op bedrijfsniveau is de hoeveelheid stikstofverbindingen die wordt uitgestoten immers beter te bepalen en te sturen dan de hoeveelheid stikstofverbindingen die op een Natura 2000-gebied neerslaat.
Artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, en het daaraan ten grondslag liggende voorzorgsbeginsel, verplichten ertoe om gevolgen van een project in een voortoets te betrekken en als die gevolgen significant zijn, passend te beoordelen. Bij passende beoordelingen ten behoeve van vergunningverlening worden de gevolgen van het project beoordeeld, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van wetenschappelijke inzichten. Het loslaten van de KDW-sturing in de vorm van een omgevingswaarde levert dan ook geen risico op voor schending van de verplichtingen uit de VHR: door middel van emissiesturing kan beter worden gestuurd op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van Natura 2000-gebieden, waarnaast in de vergunningverlening de gevolgen voor de natuur van een individueel project worden getoetst.
Bent u bereid om wettelijk een bindend emissiereductiedoel én een bindend depositiedoel voor 2030 vast te leggen, conform de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de Greenpeace-zaak, die de overheid verplicht uiterlijk in 2030 minimaal 50 procent van de stikstofgevoelige natuur onder de KDW te brengen, met prioriteit voor de meest kwetsbare natuur gezien het feit dat de initiatiefnemers voorstellen om een tussendoel in 2030 te koppelen aan het reductiedoel voor 2035? Zo nee, waarom niet?4
Het kabinet zet in op een omslag van depositie naar emissie. Daarom heeft het kabinet afgelopen zomer een wetsvoorstel in consultatie gebracht waarin de op de kritische depositiewaarde (KDW) gebaseerde omgevingswaarde uit de Omgevingswet gaat en wordt vervangen door een wettelijk verplicht programma met daarin sectorale emissiereductiedoelen over de periode 2019–2035. De rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 22 januari 2025 geen bevel of opdracht gegeven tot het wettelijk vastleggen van een bindend emissiedoel of een bindend depositiedoel (r.o. 5.6). Het kabinet kiest ervoor om in het programma ook concrete streefwaarden op sectorniveau voor 2030 op te nemen.
Erkent u dat dergelijke instrumenten vooraf ondubbelzinnig en wettelijk moeten zijn geborgd om juridisch houdbare natuurdoelen te garanderen gezien het feit dat de initiatiefnemers van het bouwstenendocument voorzien dat, indien in 2030 blijkt dat de uitvoering onvoldoende stikstofreductie oplevert, gebruik kan worden gemaakt van dwingende maatregelen zoals wettelijke herverkaveling, intrekking van vergunningen of korting van dier- of fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Borging van de emissiereductie is van belang voor zowel natuurherstel, als voor vergunningverlening. Ik verwijs u hiervoor ook naar de beantwoording van vraag 4. Om emissiereductie te borgen wordt in het wettelijk programma met sectorale emissiereductiedoelen ook voorzien in bijsturing met maatregelen indien dat nodig blijkt.
Hoe beoordeelt u de verhouding van het bouwstenendocument tot de uitspraken van de Raad van State in het stikstofdossier en tot het advies van de landsadvocaat van 22 april 2025, waarin wordt gesteld dat zonder gebiedsgerichte doorrekening van effecten en aanvullende gebiedsspecifieke bron- en natuur(herstel)maatregelen, inclusief tijdige uitvoering en borging, geen sprake kan zijn van juridisch houdbare vergunningverlening?5, 6
Het kabinet vindt het van belang dat de aanpak voldoende geborgd is en effectief bijdraagt aan emissiereductie en natuurherstel, om op die manier de vergunningverlening weer op gang te helpen. Daarom heeft het kennisconsortium (van PBL, RIVM, Deltares en WUR) in de afgelopen periode, op verzoek van het kabinet, een analyse gemaakt van de verschillende onderdelen van de aanpak. Het kabinet heeft deze analyse betrokken bij de vervolgstappen die worden genomen.
Deelt u de opvatting dat de emissiedoelstellingen in het bouwstenendocument, die zijn gebaseerd op reducties ten opzichte van 2019, in strijd zijn met de rechterlijke uitspraak in de Greenpeace-zaak? Zo nee, waarom niet?
De rechterlijke uitspraak in de Greenpeace-zaak heeft betrekking op het wettelijk stikstofdoel voor 2030, dat ziet op stikstofdepositie. Het kabinet zet echter in op een omslag van depositie naar emissie. Daarom heeft het kabinet in april sectorale reductiedoelen voor 2035 aangekondigd, die gericht zijn op emissiereductie. Dit zijn de emissiedoelstellingen waar in het bouwstenendocument naar verwezen wordt.
De sectorale reductiedoelen zijn niet in strijd met de rechterlijke uitspraak in de Greenpeace-zaak, omdat het kabinet ervoor kiest om de aanpak zodanig in te richten dat een significant deel van de te bereiken emissiereductie al in de eerste vijf jaren, dus tot 2030, wordt gerealiseerd. Aanvullend wordt ook fors ingezet op het in samenhang aanpakken van andere drukfactoren die kunnen bijdragen aan de verslechtering van Natura 2000-gebieden. In lijn met de uitspraak geeft het kabinet in de aanpak prioriteit aan gebieden met de meest urgente opgave.
Erkent u dat het plan expliciet beoogt vergunningruimte te creëren voor nieuwe economische activiteiten, zoals woningbouw, infrastructuur en uitbreiding van landbouw, en dat dit het risico met zich meebrengt dat de gerealiseerde reducties direct weer teniet worden gedaan door nieuwe stikstofuitstoot? Zo ja, hoe voorkomt u dit? Zo nee, waarom niet?
Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, agrarisch ondernemerschap en infrastructuur, kunnen op dit moment moeilijk worden vergund. Het bouwstenenplan voorziet ook in de mogelijkheid om deze maatschappelijk gewenste ontwikkelingen weer mogelijk te maken. Daarbij is een geborgde aanpak essentieel. Vergunningverlening kan alleen plaatsvinden als activiteiten geen significante negatieve effecten hebben op de natuur, bijvoorbeeld omdat de natuur deze activiteiten kan dragen.
Heeft u bij de beoordeling van het bouwstenendocument advies gevraagd aan terreinbeherende organisaties zoals Staatsbosbeheer, die verantwoordelijk zijn voor het beheer van het overgrote deel van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden? Zo ja, wat was hun oordeel? Zo nee, waarom niet?7
Sinds de presentatie van het startpakket in april zijn er verschillende Catshuissessies geweest waarbij het kabinet in gesprek is gegaan met terreinbeherende organisaties en andere maatschappelijke partijen. De input van terreinbeherende organisaties is betrokken bij de vervolgstappen van het kabinet.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
Ja.
De rechterlijke uitspraak dat Nederland burgers onvoldoende beschermt tegen landbouwgif |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het gerechtshof van Den Bosch, waarbij werd bevestigd dat lelieteelt naast woonwijken wegens het vele gebruik van landbouwgif onwenselijk is en dat de wetgever en de toelatingsorganisatie (het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)) steken laten vallen in het beschermen van bewoners tegen landbouwgif?1
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar vervoer en Milieu hebben kennisgenomen van de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 juli jongstleden. Het betrof een hoger beroep in kort geding aangespannen door een lelieteler tegen een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter waarbij de lelieteler een verbod werd opgelegd om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen ten behoeve van de lelieteelt. Het verbod is door het hof nu teruggebracht tot een tijdelijk verbod voor deze ene lelieteler dat ruimte geeft voor onder andere nader onderzoek. De uitspraak is niet onherroepelijk, o.a. een bodemprocedure en cassatie zijn mogelijk.
Wij delen niet uw mening dat de wetgever en het Ctgb «steken hebben laten vallen in het beschermen van bewoners tegen landbouwgif». Zie hiervoor de beantwoording bij vraag 2, 4 en 7.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren (Kamerstuk 27 858, nr. 714) en wetenschappers eerder ook kritiek hebben geuit op het gebrek aan handelen van het kabinet om de gezondheid van burgers te beschermen, maar dat de Minister en de Staatssecretarissen wilden wachten op nog jarenlang onderzoek totdat 100 procent zekerheid was dat bestrijdingsmiddelen inderdaad gevaarlijk waren voor mensen?2, 3, 4
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, welzijn en Sport (VWS) en de Minister van LVVN hebben de vragen van de Partij van de Dieren beantwoord die in het Commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen op 15 mei jongstleden zijn gesteld. In de beantwoording hebben we aangegeven dat er sprake zou moeten zijn van een concreet causaal verband tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het optreden van ziektes. Het kabinet heeft daartoe een meerjarig onderzoeksprogramma gestart (SPARK, Kamerstuk 27 858, nr. 707). In de huidige risicobeoordeling is onder meer uitgangspunt dat een gewasbeschermingsmiddel geen onmiddellijke of uitgestelde schadelijke effecten op de gezondheid van de mens mag hebben.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in het commissiedebat Gewasbeschermingsmiddelen van 15 mei 2025 stelde dat dat geen juiste toepassing was van het voorzorgsbeginsel door het kabinet en dat het kabinet meer verboden en beperkingen moest instellen, eventueel in afwachting van resultaten van verder onderzoek (Kamerstuk 27 858, nr. 714)?
In de brief van 19 november 2024 (Kamerstuk 27 858, nr. 676) van de Minister van LVVN is ingegaan op de wijze waarop het voorzorgsbeginsel wordt toegepast bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Een mogelijke verdenking van een gevaar voor gezondheid van mens en milieu, bijvoorbeeld vanwege een stofeigenschap, hoeft niet te betekenen dat er daadwerkelijk ook een schadelijk effect optreedt bij gebruik volgens de wettelijke gebruiksvoorschriften. De blootstelling is daarbij van belang om het risico op een schadelijk effect te beoordelen. In het toelatingsbeleid van gewasbeschermingsmiddelen wordt enerzijds rekening gehouden met realistische gebruiksomstandigheden en anderzijds wordt daarbij rekening gehouden met maximale blootstelling (worst case scenario’s) en worden veiligheidsfactoren toegepast.
Wat is uw reactie op de kritiek van de rechter op de regering over het feit dat Nederland het voorzorgsbeginsel niet goed toepast en de Europese richtlijn omtrent duurzaam gebruik van pesticiden niet goed heeft ingevoerd en daarmee kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen onvoldoende beschermt?
Ten aanzien van het voorzorgsbeginsel past Nederland dit beginsel toe zoals is vastgelegd in Europese regelgeving inzake de toelating van gewasbeschermingsmiddelen (zie Kamerbrief 27 858, nr. 676). Daarnaast speelt Nederland een continue actieve rol om het toelatingskader, waar nodig en mogelijk, te verbeteren. Dat is ook onderdeel van het in het antwoord op vraag 2 genoemde meerjarige onderzoek. Van belang bij de toepassing is de mate waarin er wetenschappelijke zekerheid moet zijn (causaal verband) dat een mogelijk risico ook daadwerkelijk optreedt. De risico’s voor de goedkeuring van een werkzame stof en de toelating van een gewasbeschermingsmiddel zijn immers vooraf al zorgvuldig onderzocht met de kennis die voorhanden was. En als na goedkeuring of toelating is gebleken dat nieuwe wetenschappelijke kennis aantoont dat niet meer aan de vereisten van het toelatingskader wordt voldaan (zoals geen schadelijke effecten voor de mens), kan de Europese Commissie, respectievelijk de nationale toelatingsautoriteit ingrijpen in de goedkeuring en toelating.
Ten aanzien van de implementatie van Richtlijn 2009/129/EG verwijst het hof enkel naar de implementatie van artikel 12 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op maatregelen in gebieden waar kwetsbare groepen regelmatig gebruik van maken. In de goedkeuringsprocedure van werkzame stoffen op EU niveau en bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt in de risicobeoordeling al extra aandacht gegeven aan kwetsbare groepen. Dat is in beide procedures ook een vereiste van de gewasbeschermingsmiddelenverordening (Verordening (EG) 1107/2009 artikel 4, lid 2, aanhef en onder a). Dat betekent dat met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de wettelijke gebruiksvoorschriften geen schadelijke effecten mogen optreden, ook niet bij kwetsbare groepen. Aanvullend daarop bevat de richtlijn duurzaam gebruik pesticiden (Richtlijn 2009/128/EG) voorschriften voor lidstaten om mogelijke risico’s en effecten van het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen nog verder terug te dringen. Daarbij hebben lidstaten ruimte in de mate waarin ze invulling geven aan deze voorschriften, afhankelijk van de specifieke situaties in de lidstaat. Artikel 12, aanhef, en onderdeel a, van die Richtlijn, schrijft voor dat de lidstaten ervoor zorgdragen dat het gebruik van pesticiden wordt geminimaliseerd of verboden in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, zoals parken, openbare tuinen, sport- en recreatieterreinen, schoolterreinen en speelplaatsen, en gebieden in de nabijheid van zorginstellingen.
Nederland heeft het aangehaalde artikel 12, onderdeel a, onder meer geïmplementeerd met een verbod op professioneel gebruik buiten de landbouw, oftewel een verbod op gebruik in bijvoorbeeld woonwijken, (recreatie- en sport)parken, speelplaatsen en andere groenvoorzieningen. Het artikel ziet op maatregelen die in de desbetreffende openbare gebieden moeten worden getroffen en bevat geen concrete verplichting voor de lidstaten om daarnaast ook alle gebruik in de directe omgeving van de betrokken gebieden te verbieden.
Er is ook zorg voor de gezondheid van omwonenden. Lokale overheden hebben bijvoorbeeld de mogelijkheid om op basis van de omgevingswet nadere maatregelen te nemen. Zoals uw Kamer is gemeld wordt door het Rijk onderzoek in gang gezet om een rekenmethode te ontwikkelen voor onderbouwing van de breedte van spuitzonering (Handelingen 20242025–2008). Ook wordt gewerkt aan een informatiepunt voor omwonenden, in lijn met de toezegging aan uw Kamer (TZ202412–010).
Hoe gaat u deze fout precies op korte termijn corrigeren?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 4, past Nederland het voorzorgsbeginsel toe volgens Europese regelgeving en heeft het Richtlijn 2009/128/EG op het door het hof genoemde onderdeel adequaat geïmplementeerd.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren en wetenschappers eerder ook kritiek hebben geuit (Kamerstuk 2025D28474) (Kamerstuk 2024D43678) op de werkwijze van het Ctgb, waarbij onvoldoende werd getoetst op de gevaren voor de gezondheid van burgers, maar de Minister altijd bleef herhalen dat ze blijft volgen wat het Ctgb zegt?
Eerder geuite opmerkingen zijn bekend. Het Ctgb volgt het strenge Europese toetsingskader voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en is binnen de EU één van de meest gerenommeerde toelatingsautoriteiten en draagt actief bij aan de verdere ontwikkeling van het toetsingskader. Er wordt dezerzijds veel waarde gehecht aan en vertrouwen op de onafhankelijke besluiten en wetenschappelijke adviezen van het Ctgb.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de rechter over het gebrekkige handelen van het Ctgb, waaronder het niet toetsen op risico’s op ziektes als Parkinson en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en het niet vragen om een risicobeoordeling bij wetenschappelijke deskundigen?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 is er geen sprake van gebrekkig handelen van het Ctgb. De rechter spreekt uit dat er omissies zijn omdat geen onderzoek is verricht naar risico’s op neurodegeneratieve ziektes die op latere leeftijd optreden, zoals de ziekte van Parkinson en naar risico’s op ontwikkelingsstoornissen voor jonge en ongeboren kinderen. De rechter geeft ook aan dat het toelatingssysteem voor gewasbeschermingsmiddelen een verfijnd systeem is dat met waarborgen is omgeven.
In dit systeem wordt getoetst of de blootstelling onder de Europees geharmoniseerde veilige gezondheidskundige grenswaarden blijft. Alleen dan kan een gewasbeschermingsmiddel worden toegelaten. Dit systeem bevat veiligheidsmarges en houdt rekening met intrinsieke onzekerheden zowel bij het inschatten van de blootstelling als de afleiding van de grenswaarden. Bij de inschatting van de blootstelling wordt uitgegaan van de maximale blootstelling (worst case scenario’s). De grenswaarden zijn gebaseerd op een grote hoeveelheid informatie over het meest kritische gezondheidseffect en de meest gevoelige onderzoeksgroep uit een dataset. Daarbij kijkt men naar onder andere giftigheid, kankerverwekkendheid, neurotoxiciteit, effecten op de reproductie en ontwikkeling gedurende alle levensstadia van geboorte tot latere leeftijd. In alle gevallen wordt een veiligheidsfactor 100 toegepast ter compensatie van verschillen tussen (proef)dier en mens en tussen mensen onderling. Zo worden ook de meest kwetsbare mensen beschermd met deze grenswaarden. Wanneer de wetenschappelijke informatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld bij onzekerheid over een bepaald effect gezien in een studie, wordt nog een extra veiligheidsfactor gehanteerd om te zorgen dat de grenswaarden voldoende beschermend zijn.
Nieuwe wetenschappelijk inzichten kunnen leiden tot verbetering en aanpassing van het bestaande toelatingskader. En daar spelen Nederlandse wetenschappelijke instituten zoals RIVM, WUR en andere universiteiten en ook het Ctgb een actieve rol. Dit gebeurt onder meer met het in het antwoord op vraag 2 genoemde meerjarige onderzoeksprogramma en het zogeheten SPARK onderzoek waarbinnen een teststrategie wordt ontwikkeld om de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson te onderzoeken. Met verbeterde beoordelingsmethodes op bijvoorbeeld deze neurodegeneratieve effecten kan vollediger of zogezegd specifiek op deze effecten worden beoordeeld. Dat geeft extra zekerheden. Het is belangrijk dat daar aan gewerkt wordt en daarin neemt NL al initiatief binnen de EU.
Welke snelle stappen gaat u ondernemen om deze fout te corrigeren?
Het systeem is gebaseerd op continue aanpassing van het toelatingskader op basis van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Indien voortschrijdend inzicht wordt uitgelegd als een fout werkt dat averechts op initiatieven om tot nieuwe wetenschappelijke inzichten te komen en die vervolgens toe te passen of te vertalen naar regelgeving.
Wat gaat u precies op welke termijn doen naar aanleiding van de uitspraak van de rechter?
De uitspraak van het hof betrof een civiele zaak tussen een lelieteler en een groep omwonenden. Het is aan de betrokken partijen om daar gevolg aan te geven of in beroep te gaan (cassatie of bodemprocedure).
In voorgaande antwoorden is uiteengezet wat er gedaan wordt om het toelatingssysteem verder te verbeteren en mens, dier en milieu te beschermen. Het kabinet gaat verder op deze ingeslagen weg.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat kinderen en andere mensen op korte termijn alsnog voldoende worden beschermd tegen landbouwgif en andere bestrijdingsmiddelen en biociden?
Via het huidige Europese toetsingskader en aanvullende nationale voorschriften, zoals verbod op professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, om risico’s en effecten nog verder te minimaliseren wordt invulling gegeven aan het beginsel mens, dier en milieu te beschermen.
Gaat u in ieder geval met uw collega’s een landelijk verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen nabij woonwijken instellen, zoals omwonenden dat willen? Zo nee, waarom speelt u bewust met mensenlevens?
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 9 gaat het kabinet verder op de weg van continue verbetering van het toelatingskader. Daarnaast wordt ingezet op maatregelen om de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen, bij voorkeur laagrisicomiddelen te gebruiken en emissies naar het milieu terug te dringen (zie Kamerstuk 27 858, nr. 706 inzake het Jaarplan 2025 van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030).
Verder is een verkennend onderzoek uitgezet bij RIVM en WUR om te komen tot een objectieve onderbouwing van spuitzonering in de nabijheid van bebouwing en natuurgebieden.
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 3 wordt, als na toelating is gebleken dat nieuwe wetenschappelijke kennis aantoont dat niet meer aan de vereisten van het toelatingskader uit artikel 29 Verordening 1107/2009 wordt voldaan (zoals geen schadelijke effecten voor de mens), ingegrepen in de toelating.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden vlak na het zomerreces 2025 weer naar de Kamer wordt gestuurd, waarbij recht wordt gedaan aan de genoemde uitspraak van de rechter en de roep vanuit de wetenschap en burgers om mensen en dieren beter te beschermen tegen bestrijdingsmiddelen en biociden, gezien het feit dat deze wet met een amendement succesvol is gewijzigd door de Partij voor de Dieren (Kamerstuk 35 756, nr. 8, waardoor deze wet een flinke reductie had van het gebruik van schadelijke gif in de landbouw en erbuiten en zo de gezondheid van mensen echt beschermt, maar werd ingetrokken door het huidige kabinet? Zo ja, wat komt er dan in die wet te staan en welke middelen (binnen en buiten de landbouw) worden verder verboden of aan banden gelegd en op welke termijn? Zo nee, waarom speelt u bewust met mensenlevens?
Het geamendeerde wetsvoorstel over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw is op 20 december 2024 ingetrokken, onder aankondiging dat het oorspronkelijke wetsvoorstel, zonder de amendementen, opnieuw zal worden ingediend (Kamerbrief van 24 april 2025, Kamerstuk 35 756, nr. 28).
Het oorspronkelijke wetsvoorstel is ruim vierenhalf jaar geleden ingediend.
Zoals in de aangehaalde brief aangegeven, zijn de doelstellingen van het oorspronkelijke wetsvoorstel het uitgangspunt. De demissionaire status van het kabinet vraagt op dit moment echter terughoudendheid met wetsvoorstellen. Daarnaast moet de noodzaak van indiening van het oorspronkelijke wetsvoorstel bezien worden in het licht van de jurisprudentie die zich na de indiening van dat voorstel ontwikkeld heeft. De Kamer wordt daarover op een later moment geïnformeerd.
Wat zijn de gevolgen van deze uitspraak met betrekking tot de andere teelten waarvoor veel gif wordt gebruikt (zoals tulpen en pootaardappelen)? Op welk wetenschappelijk en juridisch advies baseert u uw antwoord en kunt u dit advies of deze adviezen meesturen)?
De uitspraak van het hof, betreffende een hoger beroep in vervolg op een uitspraak in kort geding van de Rechtbank Limburg, ging over een specifieke situatie, over specifieke door de teler te gebruiken middelen met bepaalde werkzame stoffen en voorzag in een tijdelijk verbod. Dit hof baseerde zich daarbij op de door de partijen aangedragen informatie en gaf met de tijdelijkheid van het verbod ruimte voor o.a. een bodemprocedure en aanvullend onderzoek. Daarnaast staat voor partijen nog de mogelijkheid van cassatieberoep open. De uitspraak heeft gelet op dit alles geen directe werking voor de lelieteelt in zijn algemeenheid, noch voor andere teelten. Overigens heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een soortgelijke procedure (hoger beroep na civielrechtelijk kort geding) in 20235 geoordeeld dat de lelieteelt in die zaak kon worden gecontinueerd, met vier specifieke door de lelieteler in die zaak benodigde middelen. In geschillen tussen civiele partijen houdt de civiele rechter rekening met de specifieke omstandigheden die aan de orde zijn.
Erkent u dat de kans groot is dat als de overheid niet snel in actie komt tegen landbouwgif, er meer mensen na deze uitspraak terecht naar de rechter zullen stappen om hun gezondheid en die van hun kinderen te beschermen?
In Nederland hebben civiele partijen altijd het recht om een casus voor te leggen aan een rechter. Om in te grijpen op een toelating is een wetenschappelijke onderbouwing noodzakelijk, dat is en blijft de leidraad voor het kabinet.
Deelt u de mening, van ons en omwonenden, dat het de taak van de overheid is om snel alsnog duidelijkheid en goede bescherming van gezondheid van mensen en dieren te regelen, zodat burgers niet worden gedwongen om agrariërs voor de rechter te slepen en om te voorkomen dat spanningen tussen burgers en agrariërs op het platteland verder oplopen? Zo nee, waarom niet?
Voor de overheid is een rol weggelegd om wetenschappelijke onderbouwde duidelijkheid te geven en daarmee de gezondheid van mens, dier en milieu te beschermen. Vertrouwen op de adviezen en besluiten van onafhankelijke wetenschappelijke instituten, die daarvoor in het leven zijn geroepen, is daarbij essentieel.
Kunt u de vragen één voor één, zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn één voor één en zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de minister (van LVVN) ‘haar bevoegdheid misbruikte’ om de publicatie van emissiegegevens te verhinderen. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u juridisch onderbouwen waarom er volgens «uw mening» geen sprake is van onzorgvuldig bestuur of misbruik van uw bevoegdheden, wat betreft het vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens (Kamerstuk 2025D34630)?1
De keuze om de zienswijzeprocedure opnieuw te doorlopen is gebaseerd op de wettelijke plicht tot zorgvuldige voorbereiding van besluiten. Veel agrarische ondernemers wonen en werken op hetzelfde adres. Openbaarmaking van hun werkadres betekent dus dat hun woonadres, waar ze met hun families wonen, ook openbaar gemaakt wordt. Dit heeft grote impact op boeren en hun families.
Nu het gaat om privégegevens van individuele ondernemers ben ik van mening dat alleen publicatie in de Staatscourant niet volstaat. Bij alleen een publicatie in de Staatscourant zullen veel ondernemers niet weten dat het verzoek er ligt, waardoor ze zienswijze- en beroepstermijnen kunnen missen. Door hen persoonlijk te informeren worden zij volwaardig in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen of, als zij dat willen, rechtsmiddelen aan te wenden.
De intrekking van eerdere besluiten op bezwaar vond ik noodzakelijk om te voldoen aan de eisen van behoorlijk bestuur. Het gebruik van deze bevoegdheid is in overeenstemming met het wettelijk kader en is gericht op een zorgvuldige besluitvorming, niet op het vertragen van openbaarmaking. De openbaarmaking wordt dan ook niet geweigerd, maar tijdelijk opgeschort om te waarborgen dat het besluit juridisch houdbaar is en alle betrokkenen de mogelijkheid hebben gekregen hun bedenkingen tegen het voorgenomen besluit kenbaar te maken.
Kunt u toelichten hoe uw intenties, ondanks de door u geachte zuiverheid daarvan, zich verhouden tot de wet?2
Mijn intentie is om zorgvuldig te handelen en ervoor te zorgen dat alle betrokkenen goed worden geïnformeerd en de mogelijkheid krijgen hun zienswijze te geven voordat een besluit wordt genomen. De wet biedt hiervoor ruimte en er is juridisch geen beletsel om de zienswijzeprocedure opnieuw uit te voeren en individuele belanghebbenden rechtstreeks te benaderen. Juist met het oog op de positie van boerengezinnen, die regelmatig te maken hebben met gevoelens van onveiligheid op hun eigen erf, heb ik bewust gekozen voor deze aanpak zodat hun belangen zorgvuldig kunnen worden gewaarborgd.
Bent u het met het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) eens dat «emissiegegevens belangrijk zijn voor de gehele bevolking» en dat «de wet heel duidelijk is over de openbaarheid daarvan»? Zo ja, waarom heeft u er dan voor gekozen deze van de Nederlandse bevolking te onthouden, ondanks andere mogelijke routes?3
Het klopt dat veel van dergelijke gegevens als gevolg van het Verdrag van Aarhus openbaar moeten worden. Echter heeft deze informatie in veel gevallen een directe link met de persoonlijke (adres)gegevens van ondernemers in de agrarische sector en brengt dat een spanningsveld met zich mee. Om zorgvuldig om te gaan met deze informatie dient eerst een uitgebreide zienswijze te worden doorlopen alvorens de informatie openbaar te maken.
Hoe kijkt u naar het advies van het ACOI en de uitspraak van de rechter, dat de impact van schadelijke stoffen groot kan zijn op de leefomgeving van mensen en hun gezondheid, en dat de wet daarom heel duidelijk is over de openbaarheid van emissiegegevens: «die gaat boven alles»?4 5
Ik zie hier een spanningsveld tussen het belang van openbaarheid en het belang van bescherming van het privéleven van agrarische ondernemers en hun gezinnen. Het klopt dat de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat veel van dergelijke gegevens openbaar moeten worden gemaakt. Dat onderstreept voor mij het belang van een zorgvuldige zienswijzeprocedure.
Hoeveel en welke (juridische) experts en betrokkenen heeft u geconsulteerd toen u de inschatting maakte dat een publicatie over de openbaring van gegevens in de Staatscourant «onvoldoende» is, ondanks de duizenden reacties van boerenondernemers op Minister Adema’s besluit?6
Ik heb breed naar alle belangen gekeken en daarna een afweging gemaakt. Betrokken ondernemers dienen wat mij betreft persoonlijk per brief te worden geïnformeerd zodat zij in staat worden gesteld om zelf de afweging te maken om een zienswijze in te dienen en eventueel later op te komen tegen het besluit tot openbaarmaking.
Kunt u toelichten hoe uw inschatting in vraag vijf, zich verhoudt tot de wet?
Ik houd mij uiteraard aan geldende wet- en regelgeving, en hecht tegelijkertijd grote waarde aan de manier waarop we met agrarisch ondernemers omgaan.
Kunt u toelichten hoe u het, volgens u, belangrijke thema van het beschermen van de persoonlijke (adres)gegevens (Kamerstuk 2025D34630) heeft afgewogen tegen de adviezen van het ACOI, adviezen van uw eigen ambtenaren en een uitspraak van de rechtbank Overijssel?7 8
In mijn afweging staat een zorgvuldige omgang met adresgegevens van burgers, in dit geval ondernemers in de agrarische sector, centraal. Daarom vind ik het van belang dat een zorgvuldige zienswijzeprocedure wordt doorlopen, waarbij de ondernemers er persoonlijk op worden gewezen dat er een verzoek ligt om hun gegevens openbaar te maken.
Klopt het dat u zich zorgen maakt over de sociale veiligheid van boeren bij het publiceren van (adres)gegevens van de ondernemers? Zo ja, hoe frequent heeft u contact hierover met de Minister van Jusitie en Veiligheid (J&V)? Welke maatregelen, naast het negeren van de wet, heeft u naar aanleiding van die gesprekken genomen om de veiligheid te verbeteren?
Ik maak mij daar net als uw Kamer inderdaad zorgen over. Al langere tijd is er contact tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op het gebied van dieractivisme. Acties die over en weer worden uitgezet worden onderling afgestemd. Onlangs hebben de sectorpartijen LTO, POV en Vee & Logistiek Nederland de Minister van Justitie en Veiligheid en mij per brief op de hoogte gebracht van de meldingen die zijn binnengekomen bij het Meldpunt Agro-Intimidatie. Dat meldpunt hebben zij begin dit jaar opgezet om boeren, veetransporteurs en veehandelaren een laagdrempelige manier te bieden om melding te maken van hun persoonlijke ervaringen met treiterij, intimidatie en bedreiging. Mede naar aanleiding van die brief heeft er ambtelijk afstemming plaatsgevonden tussen J&V en LVVN op dit gebied. De Minister van J&V heeft in het vragenuur van 2 juli toegezegd in gesprek te willen gaan met de inzenders van de brief. Ook voor dat gesprek zal afstemming met J&V plaatsvinden en neem ik graag deel aan het gesprek tussen J&V en de inzenders van de brief.
Deelt u de mening dat u zich aan de wet kan houden en tegelijkertijd de sociale veiligheid van boeren kan waarborgen? Zo ja, hoe kijkt u naar het advies van het ACOI dat u, in plaats van de wet te negeren, «in overleg zou moeten gaan met alle betrokken partijen en experts over hoe u de emissiegegevens kunt publiceren, en tegelijkertijd kan investeren in (onderzoek naar) de sociale veiligheid van boeren»?9 Zo nee, waarom niet?
Op dit moment verken ik hoe, in lijn met de aangenomen motie10 van uw Kamer, een onderzoek naar sociale veiligheid vorm te geven. Daarbij wil ik breed kijken naar de verschillende aspecten die inhaken op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer om, in overleg met de sector, te bepalen waar verder onderzoek nodig is. Daarnaast zal ik een gesprek organiseren met de agrarische sector en vertegenwoordigers van de journalistiek en wetenschap zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 22 mei (Kamerstukken II 2024/25, 32 802, nr. 127). In zo’n gesprek kan worden onderzocht welke mogelijkheden er zijn om in de toekomst te komen tot een manier van beschikbaar stellen die recht doet aan de verschillende belangen.
Hoe reflecteert u op de berichtgeving dat «u het standpunt deelt dat er geen duidelijke toegevoegde waarde is van het opnieuw informeren van veehouders, als al vaststaat de de gegevens gepubliceerd moeten worden», en «uw handelen daardoor geen rechtens te respecteren doel heeft»?10
Zoals hiervoor aangegeven is de zorgvuldige omgang met gegevens van burgers belangrijk, zeker als dit direct raakt aan de persoonlijke levenssfeer. In dit geval gaat het om woonadressen van boerengezinnen, daar kan niet lichtzinnig mee om worden gesprongen. Daarom wordt een zorgvuldig proces gevolgd, waarbij betrokkenen vooraf geïnformeerd worden en een volwaardige kans hebben om een zienswijze in te dienen.
Vindt u dat een Minister boven de wet staat? Zo nee, kunt u toelichten waarom u ervoor kiest uw intenties en uw politieke, dan wel persoonlijke, overwegingen zwaarder te laten wegen dan de wet, door routinematig, rechtmatige, Wet open overheid (Woo)-verzoeken te blokkeren?11
Ik vind het beschermen van de persoonlijke gegevens van boeren erg belangrijk. Te meer omdat gebleken is dat zij regelmatig last hebben van dreigbrieven, ongewenste bezoeken en vandalisme is er reden om zorgvuldiger om te gaan met gegevens die uit Woo-verzoeken voortkomen. Om die reden vind ik het informeren via alleen de Staatscourant onvoldoende. Woo-verzoeken waar om deze informatie wordt gevraagd worden in behandeling genomen en verwerkt. Onderdeel van dit Woo-proces is de zienswijzeprocedure, waarbij derde-belanghebbenden om hun zienswijze moeten worden gevraagd. Van het blokkeren van Woo-verzoeken is dus geen sprake en ik herken daarom de suggestie van boven de wet staan niet.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken (onnodig) meer druk zet op de rechterlijke macht, die al te maken hebben met een gigantische werklast? Zo nee, kunt u toelichten hoe een hoger beroep de werklast vermindert of gelijk houdt?
In een democratische rechtstaat zijn er waarborgen en procedures die we met elkaar hebben afgesproken. Het aanwenden van rechtsmiddelen is daar onderdeel van. De overheid is terughoudend in het instellen van hoger beroep en gaat alleen daartoe over als er sprake is van een zwaarwegend belang. Het feit dat hier werk uit voorkomt bij de behandeling van het hoger beroep kan niet van doorslaggevend belang zijn. Een zorgvuldige omgang met privégegevens acht ik van groter belang.
Vindt u het van belang dat belastinggeld zorgvuldig en verantwoord wordt uitgegeven? Zo ja, kunt u toelichten hoe het besteden van vijf tot 14 miljoen euro aan het overdoen van een proces waarbij het volgens de rechter »ondenkbaar» is dat het zal leiden tot een andere uitkomst, een zorgvuldige en verantwoorde uitgave is?12
Ik vind dat betrokkenen proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens, en van de periode waarin ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen. Zoals ik ook in mijn brief van 22 mei 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 32 802, nr. 127) heb aangegeven worden betrokkenen bij Woo-verzoeken van een kleinere omvang in de regel actief en persoonlijk geïnformeerd. Ik vind dat betrokkenen niet moeten worden benadeeld door het feit dat zij toevallig onderdeel zijn van een grotere kring van belanghebbenden in plaats van een kleinere kring. Daarom behandel ik deze omvangrijkere verzoeken op eenzelfde manier. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Bent u van mening dat u opkomt voor het algemeen belang, in plaats van het specifieke belang? Zo ja, hoe kan het dat u zich alleen hard maakt voor uw inschatting van welke informatie boeren nodig hebben, in plaats van het recht dat burgers, belangenbehartigers en de journalistiek hebben op informatie om hun overheid te controleren?
De Woo is een belangrijk onderdeel is van onze democratische rechtsstaat en ik hecht veel waarde aan een transparante overheid. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u, alles overwegend, bereid het hoger beroep in te trekken?
Nee.
Kunt u toezeggen onderzoek te doen naar de sociale veiligheid van boeren en daarin te investeren?
In mijn brief aan de Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 32 802, nr. 127) heb ik een reactie gegeven op de aanbevelingen van het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Eén daarvan was om (online) intimidatie, bedreiging en agressie in de landbouwsector te onderzoeken voor een adequate aanpak ervan. Dat onderzoek zou tegelijkertijd tot doel moeten hebben om te kunnen sturen op het voorkomen hiervan, en te investeren in (een gevoel van) sociale veiligheid van deze specifieke sector. Ik heb aangegeven de aanbeveling van het ACOI te onderschrijven. Belangenbehartigers uit de agrarische sector worden uitgenodigd om in gesprek te gaan om te bepalen waar verder onderzoek nodig is.
Kunt u toezeggen deze vragen één voor één, uiterlijk voor het Commissiedebat Stikstof en mestbeleid op 10 september 2025 te beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het bericht “Powerplay bewindspersonen BBB: landbouwpost in Rome blijft voorlopig leeg” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Rummenie , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de benoeming voor de permanente vertegenwoordiger in Rome al sinds december 2024 stilligt?1
Nee. De benoeming voor de Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties-organisaties voor voedsel en landbouw (FAO, WFP en IFAD) in Rome loopt nog op dit moment. De procedure duurt langer dan oorspronkelijk was voorzien omdat de procedure na de eerste selectieronde, waar geen benoeming uit volgde, werd opengesteld voor kandidaten buiten het Rijk. De tweede selectieprocedure loopt nog. Na afronding zal de voordracht van een kandidaat via de ministerraad worden gedaan.
Klopt het dat deze benoeming stilligt omdat de BBB-bewindspersonen al twee kandidaten hebben afgewezen? Zo nee, waar ligt dit dan aan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Hoe vaak komt het voor dat een voordracht van de selectiecommissie voor een functie op dit niveau door de politieke top van een ministerie niet ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de ministerraad? Hoe vaak komt het voor dat dit twee keer achter elkaar gebeurt?
Voorstellen tot dit type benoemingen worden gedaan door de Minister van Buitenlandse Zaken en bekrachtigd door de ministerraad. De besprekingen van de ministerraad en de benoemingen die voorliggen zijn niet openbaar en hetgeen besproken wordt, is vertrouwelijk. Dat geldt ook voor de benoemingen die voorliggen in de ministerraad.
Wat is de motivatie achter het tot tweemaal toe in de wind slaan van het advies van de selectiecommissie?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Na de eerste selectieprocedure is besloten om de vacature ook open te stellen voor kandidaten buiten het Rijk. De tweede selectieprocedure loopt nog.
Klopt het dat de Staatssecretaris van LVVN de voorkeur heeft voor een eigen kandidaat die inmiddels is afgewezen?
Er worden gezien de vertrouwelijkheid van de procedure geen mededelingen gedaan over kandidaten.
Kunt u het rijksbrede benoemingenbeleid voor diplomatieke posities uiteenzetten? Welke rol is hierin weggelegd voor de persoonlijke voorkeur van bewindspersonen?
Voor het benoemingenproces inzake diplomatieke posities (ambassadeurs, consuls-generaal, permanent vertegenwoordigers) is het Ministerie van Buitenlandse Zaken het verantwoordelijke ministerie; het draagt zorg voor de selectie van een kandidaat en voordracht in de (Rijks)ministerraad. Er bestaan ten aanzien van het selectieproces een paar uitzonderingen, zoals de benoeming van de Permanent Vertegenwoordiger in Rome, waarbij het selectieproces door een ander ministerie wordt uitgevoerd; ook daar is het Ministerie van Buitenlandse Zaken evenwel betrokken bij het selectieproces en verloopt de voordracht via de Minister van Buitenlandse Zaken.
Het selectieproces voor alle diplomatieke topfuncties is gericht op het kiezen van de meest geschikte kandidaat. Daarbij wordt in ieder geval in aanmerking genomen: de voor die functie belangrijke competenties, relevante (buitenland)ervaring, beleidsinhoudelijke en managementervaring en integriteit.
Het selectieproces wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de desbetrefende bewindspersoon. De benoeming gebeurt door de ministerraad, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Is er contact geweest tussen de Staatssecretaris van LVVN en de Minister-President en/of de Minister van Buitenlandse Zaken over de benoeming? Zo ja, wat was de aard van dit contact?
Het is in algemene zin niet ongebruikelijk dat er contact is tussen bewindspersonen over internationale benoemingen, omdat sommige functionarissen voor meerdere departementen werken. Dat geldt ook voor een functie als de Permanent Vertegenwoordiger in Rome.
Klopt het dat verschillende benoemingen voor commissies bij VN-organisaties op het gebied van landbouw «op persoonlijke titel» plaatsvinden en dat dit dus betekent dat Nederland niet meedingt naar vertegenwoordiging in deze commissies zolang er geen permanente vertegenwoordiger benoemd is?
Voor verschillende commissies bij de FAO, WFP en IFAD vinden benoemingen plaats op «persoonlijke titel». In de praktijk betekent dit dat Nederland een kandidaat moet voordragen door een CV en naam in te dienen. Zonder zo’n voordracht kan Nederland niet meedingen naar een zetel in deze commissies. Zoals gebruikelijk in het diplomatieke verkeer is, in afwezigheid van de geaccrediteerde Permanent Vertegenwoordiger, de plaatsvervanger aangemeld als tijdelijk vervanger.
Welke benoemingen voor commissies bij VN-organisaties zijn er sinds december 2024 voorbijgekomen, waarop Nederland geen kans maakt door het ontbreken van een permanent vertegenwoordiger?
Sinds dit voorjaar zijn er vacatures geweest voor het lidmaatschap en voorzitterschap van de zogenoemde Programme Committee, Finance Committee en Committee on Constitutional and Legal Mattersvan de FAO. Hier zijn inmiddels de benoemingen bekend. Bij IFAD en WFP zijn er geen mogelijke benoemingen geweest.
Welke benoemingen in commissies komen er tot aan december 2025 nog voorbij en missen we als Nederland dus mogelijk ook?
De commissies worden eens per twee jaar ingevuld tijdens de FAO Conferentie en zetels zullen in 2027 weer vacant komen. De laatste FAO Conferentie vond eind juni/begin juli jl. in Rome plaats.
Op welke andere vlakken is Nederland op dit moment minder effectief omdat we deze belangrijke post niet hebben ingevuld? Kunt u hierop een concreet antwoord geven gerelateerd aan de verschillende aspecten van het takenpakket van de permanent vertegenwoordiger?
Zoals gemeld in antwoord 8 is, in afwezigheid van de geaccrediteerde permanent vertegenwoordiger, de plaatsvervanger aangemeld als tijdelijk vervanger. Het voor langere periode afwezig zijn van een geaccrediteerde Permanent Vertegenwoordiger zou kunnen betekenen op termijn verminderde zichtbaarheid, effectiviteit en daarmee invloed van Nederland bij de VN-organisaties in Rome.
Deelt u de mening dat het absurd is dat Nederland een belangrijke post als deze niet binnen een normale termijn ingevuld krijgt?
Zie ook antwoord op vraag 1. De procedure wordt zorgvuldig uitgevoerd omdat het om een belangrijke internationale functie gaat voor Nederland. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Bent u bereid bovenstaande vragen individueel en uiterlijk op 25 augustus 2025 te beantwoorden?
De vragen zijn individueel beantwoord maar het is helaas niet gelukt dit voor 25 augustus te doen.
Het instellen van een verbod op verre diertransporten tijdens de zomermaanden, net zoals Vlaanderen heeft gedaan |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat Vlaanderen in juli en augustus geen dieren meer transporteert naar landen buiten de Europese Unie (EU) vanwege het risico op hittestress dankzij een besluit van Vlaams Minister van Dierenwelzijn?1
Ja.
Bent u het eens met de uitspraak van Minister Weyts dat het onze «verdomde plicht is om vermijdbaar dierenleed ook echt te vermijden»? Zo nee, waarom niet?
Ik vind zeker dat we goed voor onze dieren moeten zorgen.
Gaat u dat Vlaamse voorbeeld volgen en deze zomer stoppen met verre diertransporten?
Nederland heeft sinds 31 december 2023 alle bilaterale bindende afspraken omtrent de export van herkauwers en varkens beëindigd. Sinds die tijd worden er bijna geen herkauwers of varkens naar landen buiten Europa getransporteerd, hoewel dit wel mogelijk is via verzoekscertificering. Daarnaast hebben we in Nederland al langere tijd de afspraak om geen slachtdieren naar landen buiten Europa te exporteren. De sector houdt zich goed aan deze afspraak.
Ook houdt de NVWA toezicht op lange transporten. Daarbij wordt gehoor gegeven aan de oproep van de Europese Commissie van 15 juli 2019 om diertransporten langer dan 8 uur niet toe te staan wanneer het onderweg 30 graden of warmer is.
Daartoe wordt middels de planning voorafgaande aan het transport gecontroleerd of het onderweg niet warmer wordt dan 30 graden Celsius. Is dit wel het geval dan moet het transport ofwel anders gepland worden ofwel wordt het transport niet gecertificeerd waardoor het niet kan vertrekken. Tevens wordt aan de hand van temperatuur- en GPS data – conform de Europese Transportverordening 1/2005 – retrospectief gecontroleerd op de temperatuur in het vervoersmiddel tijdens het transport. De norm is hiervoor maximaal 30 graden, met een marge van 5 graden, waardoor er effectief gehandhaafd wordt door de NVWA vanaf 35 graden in het vervoersmiddel.
Zo nee, waarom wilt u nog steeds dieren op dagenlang transport laten zetten naar landen als Turkije en Libië, terwijl het onderweg in de zomer vaak en lang extreem (boven de 30 graden celcius) heet is?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 wordt niet toegestaan dat dieren vervoerd worden naar of door plekken waar het warmer is dan 30 graden Celsius. Ondanks dat we in Nederland geen algeheel verbod hebben voor transport naar landen buiten Europa in de zomermaanden, heeft de vastgelegde werkwijze van de NVWA en het beëindigen van de bindende bilaterale afspraken wel dezelfde praktische uitwerking.
Heeft u gezien dat de Kamer u op 19 juni 2025 (al ruim twee weken geleden) heeft verzocht om de nieuwe beleidsregel voor een maximumtemperatuur van 30 graden voor álle diertransporten niet nog meer te vertragen, maar direct in te voeren (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1716)?
Ja.
Heeft u dat inmiddels gedaan? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u deze herhaaldelijke wens van de Kamer wél uitvoeren?
Voor de beleidsregel 30 graden geldt dat ik eerder de Kamer heb geïnformeerd dat ik aan de slag ga met het zoveel mogelijk wegnemen van de zorgen van ondernemers vanwege de te verwachten impact van het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport met mogelijke negatieve neveneffecten voor het dierenwelzijn. Hiertoe heb ik de NVWA en sector gevraagd om gezamenlijk de mogelijkheden en belemmeringen voor ’s nachts slachten te verkennen. Deze verkenning, waaronder een pilot voor ’s nachts slachten op roodvleesslachthuizen, loopt op dit moment. Deze verkenning wil ik afronden. Daarnaast heeft de Europese Commissie mij gevraagd de maximumtemperatuur voor diertransport niet te verlagen zolang de onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening nog lopen. Verder heeft uw Kamer dit onderwerp controversieel verklaard (2025D28826).
Erkent u dat u, zolang u deze beleidsregel niet invoert én geen zomerverbod op verre diertransporten instelt, dieren willens en wetens blootstelt aan ernstig lijden door (hitte)stress, met als gevolg versnelde ademhaling, hoge hartslag, benauwdheid en zelfs sterfte?
Voor wat betreft de verre diertransporten verwijs ik naar mijn antwoorden op vraag 3 en 4. Verder hebben we in Nederland het Nationaal Plan voor Veetransport bij Extreme Temperaturen, waarin afspraken en sectorprotocollen zijn vastgelegd. Hiermee werken zowel sector als NVWA aan de bescherming van dieren tijdens transport op warme dagen.
Ook kan de NVWA handhaven als dieren onvoldoende worden beschermd tegen hitte tijdens transport.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
Het wetsvoorstel van het lid Ouwehand |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het wetsvoorstel van het lid Ouwehand (PvdD) tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten (Kamerstuk 36 769), dat reeds is genotificeerd bij de Europese Commissie (EC) (2025/0319/NL)?
Ja.
Klopt het dat er geen meerderheid in de Kamer is geweest die zich vóór dit voorstel heeft uitgesproken?
Zoals u weet, is dit een initiatiefvoorstel vanuit uw Kamer. Het proces van behandeling daarvan is uiteraard ook aan uw Kamer.
Kunt u bevestigen dat een notificatie bij de EC geen politieke steun vanuit het kabinet impliceert en dat uw ministerie op dit moment niet achter dit voorstel staat?
Ja. Het gaat hier immers om een initiatiefwetsvoorstel. Eerst later in het proces zal de regering haar oordeel over het wetsvoorstel bepalen. Notificatie bij de Europese Commissie is een procedurele verplichting onder de Richtlijn (EU) 2015/1535.1 Die richtlijn schrijft voor dat lidstaten ontwerpen van technische voorschriften notificeren bij de Europese Commissie. Aangezien Nederland als lidstaat van de EU wordt vertegenwoordigd door de regering, kan de notificatie alleen door haar worden gedaan en dus niet door een Kamerlid of het parlement. Hetzelfde geldt overigens voor de in kennisstelling van de Europese Commissie van het initiatiefwetsvoorstel ter uitvoering van artikel 26, derde lid, van verordening 1099/2009.2 Die bepaling verplicht lidstaten daartoe als zij voornemens zijn maatregelen te nemen die strekken tot een uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden met betrekking tot de in de verordening voorgeschreven bedwelmingsmethoden. Deze procedurele handelingen impliceren in dit geval dus in geen enkel opzicht politieke steun of inhoudelijke betrokkenheid van het kabinet.
Heeft uw ministerie inspanningen verricht ten aanzien van de notificering? Zo ja, kunt u aangeven welke inspanningen u heeft verricht?
Ja, het doorgeleiden van het initiatiefwetsvoorstel naar de Europese Commissie via de gebruikelijke procedure. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat de Europese Verordening ((EG) 1099/2009) inzake de bescherming van dieren bij het doden ruimte laat voor religieuze slacht zonder voorafgaande bedwelming, mits dit onder strikte voorwaarden in slachthuizen plaatsvindt?
Ja. Artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1099/2009 stelt als uitgangspunt dat dieren alleen mogen worden gedood na een bedwelming. Echter, lid 4 van hetzelfde artikel bevat een uitzondering voor rituele slacht:
«De lidstaten kunnen afwijken van het bepaalde in lid 1 ten aanzien van dieren die worden geslacht in het kader van religieuze riten, mits de slacht plaatsvindt in een slachthuis.»
Erkent u dat het voorstel verder gaat dan de Europese minimumnormen en daarmee een nationale kop op Europees beleid vormt?
Het initiatiefwetsvoorstel bevat bepalingen die verder reiken dan de Europese minimumnormen. Niet voor niets is de Europese Commissie ter uitvoering van artikel 26, derde lid, van verordening 2009/1099 via de regering in kennis gesteld van het initiatiefwetsvoorstel (zie het antwoord op vraag 3).
In het algemeen geldt dat als Nederland verdergaande regelgeving toepast bij de uitvoering van Europese regelgeving dan strikt noodzakelijk is op basis van die Europese regelgeving, dat een «nationale kop» kan worden genoemd.
Kunt u toelichten hoe dit voorstel zich verhoudt tot de herhaaldelijk uitgesproken wens van zowel de Kamer als het kabinet om te streven naar een gelijk Europees speelveld en het voorkomen van nationale koppen op EU-wetgeving?
Het streven naar een gelijk Europees speelveld en het voorkomen van nationale koppen is een algemeen kabinetsuitgangspunt. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 zal het kabinet later in het proces haar oordeel over dit wetsvoorstel bepalen.
Deelt u de opvatting dat dit wetsvoorstel ingrijpt in de godsdienstvrijheid van moslims en joden in Nederland, en daarmee raakt aan de kern van artikel 6 van onze Grondwet?
De beoordeling of een wetsvoorstel in overeenstemming is met grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst (artikel 6 Grondwet), is nu onderdeel van de advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State en straks aan het parlement. In dit stadium is een inhoudelijk oordeel over het initiatiefwetsvoorstel van het kabinet niet aan de orde. Dat zal pas gebeuren bij de parlementaire behandeling.
Het overleg met maatschappelijke partijen in het kader van stikstof |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Hoe is het overleg met maatschappelijke partijen in het kader van stikstof deze week verlopen?
Op donderdag 3 juli 2025 was er een Catshuissessie van de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (hierna: MCEN) met maatschappelijke partijen om de stand van zaken en inhoudelijke onderwerpen in het kader van de stikstofproblematiek met elkaar te bespreken. Aan het begin van het overleg bleek dat er verschillende verwachtingen waren over aard en precieze inhoud van het gesprek. Een aantal maatschappelijke partijen gaf daarop aan dat het op dat moment niet opportuun was om het overleg te voeren. Daarom bleef het overleg deze keer beknopt en is besloten om op een later moment in de zomer verder te praten.
Heeft bij dit overleg een maatregelenpakket op tafel gelegen? Zo ja, uit welke maatregelen bestaat dit pakket?
Neen, er heeft geen maatregelenpakket voorgelegen. Wel hebben de organisaties diverse documenten en verwijzingen (ambtelijk) ontvangen over de aanpak van de MCEN, in het bijzonder ook de stukken die de Kamer zijn toegegaan het informatieverzoek van het lid Baudet (FvD), 14 mei 2025 en de voorbereidingen op de uitvraag aan kennisinstellingen ter ondersteuning van de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
Deelt u de mening dat het voor een geloofwaardig stikstofpakket voor Prinsjesdag, en voor een gedegen controle van dit pakket door de Kamer, van belang is dat verscheidene maatregelopties zijn doorgerekend?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de maatregelen op de groslijst van de ministeriële commissie economie en natuurherstel (MCE&N) doorgerekend? Zo ja, kan deze doorrekening / kunnen deze doorrekeningen per ommegaande met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van adequaat onderbouwen en zorgvuldigheid van d aanpak gericht op emissiereductie en natuurherstel. Daarom is ter de voorbereiding van de besluitvorming ook een consortium van vier kennisinstellingen betrokken, te weten het PBL, RIVM, Deltares en WUR. Zij maken een analyse van de mogelijke maatregelen die zijn aangedragen in het kader van de MCEN en geven overwegingen mee voor nadere beleidsontwikkeling. De inzichten die hieruit voortkomen worden betrokken bij de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
Welke zwaarwegende belangen verzetten zich daartegen als de groslijst is doorgerekend maar deze doorrekening niet met de Kamer kan worden gedeeld?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 4 is een consortium van vier kennisinstellingen, te weten het PBL, RIVM, Deltares en WUR, betrokken. Dit ten behoeve van de ondersteuning van de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk 4 juli 2025 beantwoorden?
Zoals gebruikelijk worden de onderliggende documenten van externe partijen die relevante analyses, feiten, risico's en toelichtingen bevatten na besluitvorming in het kabinet gedeeld met Uw Kamer en openbaar gemaakt. Dit zal gebeuren na afronding van de verdere aanpak die is toegezegd in het debat van 22 mei jl.