Het rapport Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van het referentiegebied Rottum – Tussenrapportage 18 jaar na sluiting (situatie tot en met 2023)»?1
Ja.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op soortenrijkdom, dichtheid, diversiteit of gelijkmatigheid van de bodemdiergemeenschap?
Ik deel de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op de genoemde natuurwaarden. Ik betreur dat het lang heeft geduurd om te beseffen dat de oorspronkelijke opzet van het onderzoek niet voldoende resultaat kan opleveren. Daarom laat ik een evaluatie uitvoeren. Ik zal dat betrekken bij de opzet van de monitoring voor de opgaven die voortvloeien uit Natuurherstelverordening.
Het lijkt erop dat de opzet van het onderzoek deels de oorzaak is dat er tot op heden geen significante verschillen in natuurontwikkeling worden gevonden. Afgelopen jaar is een eerste stap in het verbeteren van de onderzoeksopzet gezet door wijzingen aan te brengen in de bemonsteringmethoden met behoud van de bestaande monitoringreeksen. Hierdoor wordt naar verwachting naast een betere vergelijking tussen de geulen binnen het onderzoeksgebied ook een betere vergelijking mogelijk met de natuurlijke ontwikkeling in de westelijke Waddenzee.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat de natuurlijke variatie binnen geulen veel groter is dan de verschillen tussen geulen onderling en dat verschillen tussen geulen waarschijnlijk beter worden verklaard door abiotische factoren, zoals waterdiepte, bodemtype en afstand tot het zeegat, dan door de gebiedssluiting?
Op basis van de opzet van het onderzoek kan deze conclusie getrokken worden.
Deelt u de conclusie dat dit onderzoek erop wijst dat het effect van garnalenvisserij op de bodemdiergemeenschap zeer beperkt moet zijn, aangezien zelfs na 18 jaar sluiting geen significante verschillen zijn gevonden tussen open en gesloten gebieden?
Er kunnen vanuit dit onderzoek geen conclusies worden getrokken over het effect van de garnalenvisserij. Dit was niet het doel van het onderzoek en de proefopzet is voor de beantwoording van die vraag ook niet geschikt. Bovendien is het gesloten gebied bij Rottum niet representatief voor de hele Waddenzee.
Het rapport vermeldt dat met de huidige meetopzet alleen grote verschillen (een factor 2) statistisch aantoonbaar zijn en dat het aantonen van kleinere verschillen een onrealistisch groot aantal monsters vereist. Acht u de huidige monitoringsopzet nog geschikt voor beleidsdoeleinden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de monitoringsstrategie te herzien, conform de aanbevelingen in het rapport?
Op basis van de aanbevelingen van het rapport is de monitoringsstrategie in 2025 aangepast.
Kunt u aangeven hoe de resultaten uit het Nederlandse referentiegebied zich verhouden tot die uit referentiegebieden in Duitsland en Denemarken? Zijn daar wél ecologische effecten vastgesteld na langdurige sluiting en zo ja, hoe verklaart u deze verschillen?
Er is Duits-Deens onderzoek gepubliceerd (CRANIMPACT) waar men de effecten van uitsluiting garnalenvisserij heeft onderzocht in 5 referentiegebieden die sinds 1977 zijn gesloten. Hier werden significante verschillen gevonden als gevolg van visserijintensiteit en slibgehalte. Kleine bodemdieren namen toe en grotere predatoren namen juist af. De verschillen worden zichtbaar vanaf een visserijdruk van 1.5x per jaar. Soortelijke conclusies werden ook gevonden in een wetenschappelijk artikel «The relative effects of bottom trawling, organic enrichment, and natural environmental factors on coastal seabed communities» van december 2024.
De verschillen met het Nederlandse onderzoek kunnen verklaard worden doordat het doel en de proefopzet in het Nederlandse referentiegebied niet geschikt zijn om het effect van garnalenvisserij te onderzoeken. Om effecten van garnalenvisserij beter inzichtelijk te kunnen maken zijn meer representatieve referentiegebieden van voldoende omvang en met langdurige sluiting voor bodemberoerende visserij nodig.
Bent u bekend met de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat met deze methodiek de kwaliteit van bodemhabitats (H1110A) in de Waddenzee wordt beoordeeld aan de hand van theoretisch bepaalde referentiewaarden?
Ja, deze werkwijze is uitvoerig beschreven in rapport «Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000», (Escaravage et al., 2024) Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000 – Wageningen University & Research.
Bent u bekend met het feit dat hierbij wordt uitgegaan van maximumdichtheden die in sommige gevallen zijn verdubbeld of verhoogd met de standaarddeviatie?
Zie antwoord vraag 9.
Leidt deze werkwijze er volgens u niet toe dat automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is?
Deze werkwijze leidt er naar verwachting niet toe dat er automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is.
Waarom wordt deze methode toegepast terwijl de BISI-score die hoort bij een goede staat van instandhouding nog niet is vastgesteld?
Nederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) om elke 6 jaar te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding van habitattypen. Een habitattype is een bepaald type ecosysteem op het land of in het water met kenmerkende eigenschappen. De landelijke staat van instandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis van 4 parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief typische soorten, toekomstperspectief). Voor het bepalen van de parameter structuur en functie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik gemaakt van de BISI, zoals beschreven in het eerder genoemde rapport van Wijnhoven (2025). Er is een maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISI een score kan worden gegenereerd voor structuur en functie van mariene habitattypen (Escaravage et al., 2024)2. Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3 andere hierboven genoemde parameters de landelijke staat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is daarin dus niet doorslaggevend maar slechts één van de gebruikte parameters. Over de meest recente beoordeling heb ik u recentelijk over geïnformeerd3.
Waarom is voor de Waddenzee gekozen voor een theoretische referentie, terwijl in de Waddenzee een referentiegebied is ingesteld waaruit feitelijke referentiewaarden kunnen worden afgeleid?
Het ingestelde referentiegebied is niet representatief voor de variatie aan omstandigheden die voorkomen in de Waddenzee.
Bent u bereid om de BISI-score voor het referentiegebied vast te laten stellen en deze te vergelijken met de score voor habitat H1110A in de doeluitwerking Waddenzee?
Nee, het referentiegebied in de Waddenzee is hiervoor niet representatief. Het onderzoek in het referentiegebied is enkel opgezet om de ongestoorde ontwikkeling van de natuur in de Waddenzee te kunnen volgen. Daarnaast is het gebied en het aantal monsternames te klein voor een betrouwbare BISI-score. Daarom zie ik geen aanleiding om de BISI-score vast te laten stellen voor het referentiegebied.
Is het, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, ook uw verwachting dat de BISI-scores binnen en buiten het referentiegebied vrijwel identiek zullen zijn?
De verwachting is dat er op basis van de BISI-scores berekend met de gegevens die zijn verzameld met de huidige onderzoeksopzet nauwelijks verschillen te vinden zijn tussen het gesloten gebied en omliggende gebieden. Daarom wordt de onderzoeksopzet verbeterd.
Betekent dit dat de staat van instandhouding van habitat H1110A binnen het referentiegebied eveneens als slecht wordt beoordeeld en zo ja, hoe verklaart u dat?
De staat van instandhouding wordt alleen op landelijk niveau beoordeeld, niet voor afzonderlijke gebieden.
Bent u, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, bereid de BISI-methodiek nader tegen het licht te houden en deze voorlopig niet langer te gebruiken als onderbouwing voor gebiedssluitingen?
Nee. De BISI-methodiek is, in combinatie met het gebruik van andere parameters, zeer nuttig gebleken om de kwaliteitsontwikkeling van de natuur te volgen, of maatregelen effectief zijn en om habitats en/of gebieden te vergelijken. De BISI-methodiek is daarbij wel afhankelijk van de kwaliteit van de gegevens die in de berekening worden gebruikt. Gebiedssluiting wordt nooit alleen op basis van de kwaliteitstoestand (die onder andere kan worden bepaald met een indicator zoals de BISI) ingesteld. Er worden nog vele andere aspecten meegewogen, zoals relevante wetenschappelijke informatie, de sociaaleconomische impact en de handhaafbaarheid van de beoogde beheermaatregel.
De compensatieregeling vuurwerkbranche |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «compensatieregeling» voor ondernemers uit de vuurwerkbranche die gedwongen moeten stoppen in verband met het verbod op consumentenvuurwerk?
Ja. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het afgelopen jaar gewerkt aan een nadeelcompensatieregeling voor ondernemers uit de vuurwerkbranche. De uitgangspuntenbrief is 8 mei 2026 naar uw Kamer gestuurd. Van dwang om het gehele bedrijf te stoppen is geen sprake.
Hoe verhoudt het ontbreken van een goede compensatie zich tot uw eerdere publieke uitspraken waarin u stelde te «streven naar een nette en eerlijke compensatie»?
De afgelopen maand zijn de laatste gesprekken zowel interdepartementaal als met de vuurwerkbranche gevoerd en inmiddels zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling bekend. In de Kamerbrief van 8 mei 2026 kunt u deze uitgangspunten vinden. Komende maand worden de uitgangspunten nader uitgewerkt in een beleidsregel nadeelcompensatie voor de detailhandelaren en een convenant voor de importeurs. Met deze uitgangspunten is er invulling gegeven aan de voorwaarde om te komen tot een nette en eerlijke nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkondernemers. Voor detailhandelaren, die veelal vuurwerk verkopen als nevenactiviteit, gaat het om een forfaitaire regeling. Voor vuurwerkimporteurs wordt er een convenant opgesteld.
Hoe beoordeelt u het risico dat honderden ondernemers failliet dreigen te gaan, omdat zij worden geconfronteerd met het verbod, maar noch kunnen overstappen op andere bedrijfsmodellen, noch hun investeringen kunnen terugverdienen?
Een meerderheid van zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de Wet veilige jaarwisseling duidelijk uitgesproken dat er een landelijk vuurwerkverbod moet komen en bij voorkeur zo snel mogelijk. Bij de afweging van een landelijk verbod zijn de gevolgen daarvan voor vuurvuurwerkondernemers door beide Kamers onderkend en meegewogen. Dat heeft geleid tot het aan de inwerkingtreding verbinden van de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling. Het Ministerie van IenW geeft uitvoering aan deze voorwaarde. In de Kamerbrief van 8 mei 2026 is de uitwerking van deze voorwaarde opgenomen.
Wordt de schade voor vuurwerkondernemers die hebben geïnvesteerd in inpandige bunkers, externe opslaglocaties en zware veiligheidsvoorzieningen, gecompenseerd, aangezien deze investeringen door het verbod waardeloos worden? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de nadeelcompensatie wordt gebaseerd op winstderving en een vergoeding voor andere schade dan winstderving die rechtstreeks voortvloeit uit het vuurwerkverbod (onder andere ontslag- en/of transitiekosten voor afvloeiing van personeel voor zover deze een rechtstreeks causaal verband hebben met het landelijk vuurwerkverbod). Eventuele waardedaling van onroerende goederen als gevolg van het vuurwerkverbod valt volgens deze benadering onder het normaal ondernemersrisico. Daarbij speelt mee dat in veel gevallen de gedane investeringen na de vuurwerkramp in Enschede (13 mei 2000) reeds zijn terugverdiend.
Hoe wordt in de compensatieregeling omgegaan met ondernemers die nog voor meerdere jaren vastzitten aan langdurige huurcontracten, terwijl zij geen inkomsten meer kunnen genereren uit de verkoop van vuurwerk?
Alleen detailhandelaren die langdurige huurovereenkomsten hebben gesloten die zij niet zonder vergoeding binnen afzienbare tijd kunnen opzeggen en evenmin kunnen gebruiken voor de rest van hun bedrijfsactiviteiten, lijden mogelijk deze schade. Het gaat dan vermoedelijk alleen om (een deel van) de detailhandelaren die uitsluitend vuurwerk verkopen en naar verwachting ook een hogere nadeelcompensatie voor de winstderving ontvangen. Naast een vergoeding voor winstderving, wordt in algemene zin voorzien in een forfaitaire vergoeding van 15% en een vast bedrag van € 3.500 voor diverse schadeposten, waar deze post ook onder valt.
Bent u bereid om in de compensatieregeling een aparte component op te nemen voor transitievergoedingen die moeten worden betaald aan personeel dat vanwege het verbod moet worden ontslagen?
Voor detailhandelaren wordt naast een vergoeding voor winstderving, in algemene zin voorzien in een forfaitaire vergoeding van 15% en een vast bedrag van € 3.500 voor diverse schadeposten, waar deze post ook onder valt.
Voor de importeurs wordt hierin tegemoetgekomen voor zover deze kosten een rechtstreeks causaal verband hebben met het landelijk vuurwerkverbod.
Bent u van mening dat het eerlijk is om het verdienmodel van ondernemers af te nemen en om hen vervolgens te compenseren met slechts een percentage van de jaaromzet?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is door de Eerste en Tweede Kamer de voorwaarde verbonden dat er een compensatieregeling ligt. De juridische grondslag van de compensatie aan vuurwerkondernemers is gevonden in het nadeelcompensatierecht, dat is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico. Binnen deze kaders wordt de nadeelcompensatieregeling uitgewerkt. Hierbij is maximaal gezocht naar een nette en eerlijke regeling zonder daarbij de grens van staatssteun te overschrijden. In de Kamerbrief van 8 mei 2026 is dit nader toegelicht.
Deelt u de mening dat wetgeving die ondernemers dwingt hun (kern)activiteit te beëindigen zonder adequate compensatie, op gespannen voet staat met de rechtsstaat, het eigendomsrecht en de beginselen van behoorlijk bestuur?
Ja. Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is door de Eerste en Tweede Kamer de voorwaarde verbonden dat er een compensatieregeling ligt. Ons inziens wordt met de aan uw Kamer toegestuurde uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling een adequate nadeelcompensatie geboden.1
Bent u bekend met het amendement van het lid Michon-Derkzen (Kamerstuk 35 386, nr. 16) dat voorschrijft dat het ontwerp-koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de wet via een zware voorhangprocedure aan de Staten-Generaal moet worden voorgelegd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat het amendement duidelijk stelt dat voor inwerkingtreding van de wet een «eerlijke en nette compensatieregeling» moet zijn vastgesteld in afstemming met de vuurwerkbranche? Zo ja, kunt u toelichten welke criteria u hanteert om te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan?
Naar het oordeel van het kabinet wordt aan de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling voldaan op het moment dat het kabinet de uitgangspunten van een nadeelcompensatieregeling aan beide Kamers stuurt, inclusief dekking op de begroting van het Ministerie van IenW. Hiervoor is allereerst samen met de brancheverenigingen van de importeurs (BPN) en de detailhandelaren (VuurwerkCheck, SVNC en INretail) gewerkt aan het in kaart brengen van alle kostenposten die het gevolg zijn van het landelijk vuurwerkverbod. Hiervoor is, conform de aangenomen motie Van der Plas2, een onafhankelijk expert gevraagd. Deze heeft alle informatie, aangeleverd door de importeurs en detailhandelaren, geanalyseerd en aan de hand daarvan een conceptrapport opgesteld de financiële gevolgen van het vuurwerkverbod. Dit conceptrapport is aan alle partijen voor reactie voorgelegd, waarna het rapport (hierna: deskundigenrapport) is vastgesteld.3 Met bovenstaande aanpak is invulling gegeven aan de motie van de leden Eerdmans en Van der Plas.4 Vervolgens is, met inachtneming van de juridische kaders van het nadeelcompensatierecht, bepaald welke kostenposten voor nadeelcompensatie in aanmerking komen. Dit is besproken met de vuurwerkbranche. Binnen deze kaders heb ik gezocht naar een nette en eerlijke nadeelcompensatieregeling. Een te hoge compensatie zou kunnen leiden tot terugvordering vanwege het verstrekken van ongeoorloofde staatssteun.
Het is aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan die met het amendement Michon-Derkzen5 aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling worden gesteld.
Erkent u dat het ontbreken van een volledige compensatieregeling betekent dat de wet, conform de voorwaarden van het amendement, niet in werking kan treden? Zo nee, waarom niet?
Zoals al bij vraag 10 is weergegeven is het aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan die met het amendement Michon-Derkzen6 aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling worden gesteld.
Wanneer kunnen de Kamer en de branche een volledig uitgewerkte compensatieregeling verwachten die voldoet aan de voorwaarden van het amendement, inclusief een sluitende financiële dekking?
De Kamerbrief met de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbedrijven is op 8 mei 2026 naar beide Kamers gezonden.7 Met de vertegenwoordigers van de branchevereniging van de importeurs is afgesproken dat op basis van de uitgangspunten het convenant op korte termijn wordt voorbereid. Zodra het convenant is afgerond wordt dit, naar verwachting medio juni 2026, naar beide Kamers toegestuurd.
De uitgangspunten voor de detailhandelaren worden nader uitgewerkt in een beleidsregel met een rekenformule om de hoogte van de nadeelcompensatie per ondernemer te kunnen bepalen. Met de detailhandel is afgesproken dat een concept van de beleidsregel zal worden voorgelegd aan de brancheverenigingen. Wanneer de beleidsregel is vastgesteld, naar verwachting in juni, zal ik deze ook aan u toesturen.
Kunt u uiterlijk op 1 februari 2026 bevestigen dat er voldoende budget beschikbaar is voor de compensatieregeling? Zo nee, bent u dan bereid tot uitstel van de invoering van de wet, totdat er voldaan is aan een eerlijke en nette compensatieregeling?
Om uitvoering te geven aan het breed aangenomen amendement en de nadrukkelijke wens daarin om de dekking te vinden binnen de IenW-begroting, wordt de dekking voor een belangrijk deel gevonden binnen het Mobiliteitsfonds (MF) en een beperkt deel uit resterende middelen van de Aanvullende Post van Klimaatakkoord Rutte III. Deze resterende middelen zijn overgeboekt bij Voorjaarsnota 2026 naar de begroting van IenW. Specifiek zal de dekking nu binnen het Mobiliteitsfonds worden ingeboekt bij de KCI strategie van ProRail: Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten (KCI). Er zal nog een brede afweging binnen het MF plaatsvinden zoals gemeld in de brief van 16 maart jl. over prioritering fondsen.
Onderzoek naar nieuwe behandeloptie voor long-COVID |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met een recente studie waarin een nieuwe behandelstrategie voor long-COVID is onderzocht en waarin aanzienlijke verbeteringen bij deelnemers werden gerapporteerd?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u deze studie? En hoe beoordeelt u de veelbelovende resultaten die de studie laat zien?
Het is niet aan mij om (resultaten van) studies inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Deelt u de opvatting dat long-COVID een groot maatschappelijk en economisch probleem is, onder meer door arbeidsverzuim, uitval en stijgende zorgkosten, en dat elk onderzoek naar mogelijke behandelopties daarom maatschappelijk relevant is?
Onderzoek naar behandeling van post-covid vind ik relevant. Er is nog veel onbekend over de aandoening. Langzaam leren we meer, bijvoorbeeld over het voorkomen van PEM (post-exertionele malaise) en POTS (posturaal orthostatisch tachycardie syndroom).
Ik vind het belangrijk dat patiënten met post-covid en andere PAIS (post-acuut infectieus syndroom) erkend en herkend worden in de zorg en in het welzijnsdomein. Voldoende kennis opdoen en delen is daarvoor van belang. Wat betreft post-covid financieren we daarom vanuit het Ministerie van VWS via ZonMw biomedisch en klinisch onderzoek naar post-covid en subsidiëren we de kennisinfrastructuur rondom onderzoek en zorg (Post-Covid Netwerk Nederland). Verder subsidiëren we nazorgorganisatie stichting C-support en ondersteunen we expertisecentra voor post-covid. Langdurige financiering is aan het nieuwe Kabinet.
Hoe beoordeelt u, in het licht van de maatschappelijke relevantie en de betrokkenheid van academische centra als Amsterdam UMC, het feit dat deze studie grotendeels met eigen middelen van een zelfstandige kliniek is uitgevoerd, zonder publieke of externe steun?
Ik waardeer het zeer dat onderzoekers zich inzetten voor het ontwikkelen en onderzoeken van nieuwe therapieën voor post-covid. Ik heb daarom ook budget beschikbaar gesteld voor een subsidieprogramma via ZonMw en deze onderzoekers daar eerder ook op gewezen.
Hoe beoordeelt u het feit dat zorgverzekeraars tot op heden geen gehoor geven aan verzoeken tot vergoeding van deze behandeling, ondanks de positieve signalen uit het onderzoek?
Ik heb begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.2 Het gaat hier om een niet-geregistreerd middel, namelijk een apotheekbereiding. Het is daarom aan de zorgverzekeraars om een vergoedingsaanvraag te beoordelen. Zij beoordelen dan gezamenlijk of sprake is van zogenoemde rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie is een behandeling met een geneesmiddel in een voor de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid en effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld en die ook het meest economisch is voor de zorgverzekering. Dit is een voorwaarde om in het basispakket opgenomen te kunnen worden.
Deelt u de mening dat onderzoek met een grotere patiëntengroep wenselijk is? En zo ja, kunt u toezeggen om onderzoeksfinanciering beschikbaar te stellen voor vervolgonderzoek naar deze en andere kansrijke behandelstrategieën voor long-COVID?
Ik kan geen uitspraak doen over de benodigde data, dat is aan de partijen die daarover gaan.
Bent u bereid een tijdelijke voorziening te treffen waarmee long-COVID-patiënten met een dringende hulpvraag toegang krijgen tot deze nieuwe behandelstrategie?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik de wens om zo snel mogelijk toegang te krijgen goed.
Tegelijkertijd hecht ik er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding altijd, en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Wilt u toezeggen de Kamer te informeren over de bereidheid tot financiering en de beleidsmatige inbedding van eventuele vervolgstudies?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangeven is een besluit over langdurige financiering aan het nieuwe Kabinet. Daarnaast wil ik de uitkomsten van lopende onderzoekstrajecten afwachten, voordat ik u kan informeren over eventuele vervolgstudies. Uiteraard ben ik bereid uw Kamer over deze uitkomsten informeren.
Het bericht ‘Vuurwerkshows in gevaar na afsteekverbod: 'Dit gaat niet lukken'' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkshows in gevaar na afsteekverbod: «Dit gaat niet lukken?»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat er in Nederland slechts twee opleidingen bestaan voor het vak van pyrotechnicus en dat de instroom van nieuwe leerlingen achterblijft, terwijl de vraag naar shows stijgt in verband met het afsteekverbod?
Voor de professionele vuurwerkshows is het goed dat er degelijke opleidingen bestaan die het vak aan gegadigden overbrengen; het is aan de sector zelf om te reageren op een toegenomen vraag in de markt naar professionele vuurwerkshows, mocht hier een stijging in zijn.
In het kader van de Wet veilige jaarwisseling wordt de mogelijkheid uitgewerkt voor georganiseerde groepen burgers om zich voor een ontheffing tot de gemeente te wenden. Met een ontheffing moet het voor verenigingen en stichtingen mogelijk zijn om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier F2-vuurwerk af te steken. Ik hecht er aan om te benadrukken dat het niet nodig zal zijn om voor een dergelijke ontheffing een opleiding tot pyrotechnicus te volgen. Dat staat dus los van de professionele vuurwerkshows.
Hoe ziet u de groei van de branche voor u, gezien het feit dat zelfs bij voldoende aanbod van opleidingen het probleem blijft bestaan dat certificaten alleen geldig zijn wanneer afstekers voldoende shows (2) per jaar uitvoeren, vergunningprocedures (>200 kg) bovendien 14 weken duren en vergunningen soms niet worden verleend?
Het is aan de markt om wel of niet in te springen in het gat dat mogelijk ontstaat naar aanleiding van een eventuele groeiende vraag naar professionele vuurwerkshows.
Het vergunningstelsel voor professionele shows is ingevoerd om de veiligheid van de ontstekers en omstanders te waarborgen doordat de vergunninghouders voldoende kennis en ervaring hebben.
Bent u eventueel bereid om de vergunningsprocedures te verkorten of te versoepelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier bent u bereid dit te doen?
Om aangewezen te kunnen worden als persoon met gespecialiseerde kennis die professioneel vuurwerk tot ontbranding mag brengen, is het nodig om in het bezit te zijn van een toepassingsvergunning. Deze vergunning wordt door de Inspectie Leefomgeving en Transport verstrekt. De ILT heeft de tijd nodig om zo’n aanvraag goed te beoordelen. Hetzelfde geldt voor een aanvraag om een ontbrandingstoestemming bij de provincie, die vereist is voor vuurwerkevenementen waarbij meer dan 20 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of 200 kg consumentenvuurwerk tot ontbranding wordt gebracht. Gelet op het waarborgen van de veiligheid bij vuurwerkevenementen, is zorgvuldigheid van belang. De procedure is daarop ingericht.
Deelt u de zorg dat het tekort aan gekwalificeerd personeel gaat leiden tot het niet kunnen organiseren van vuurwerkshows, waardoor burgers in gemeenten met een afsteekverbod alsnog zonder vuurwerkfestiviteiten komen te zitten?
Nogmaals wil ik benadrukken dat in het kader van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffingsmogelijkheid wordt uitgewerkt waarmee verenigingen en stichtingen tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier F2-vuurwerk mogen afsteken. Dat staat los van professionele vuurwerkshows.
Bent u van mening dat centrale vuurwerkshows een realistisch, haalbaar en schaalbaar alternatief vormen voor consumentenvuurwerk in alle Nederlandse gemeenten, inclusief kleinere dorpen en kernen waar nauwelijks lokale capaciteit of budget is?
Daar waar gemeenten ervoor kiezen om professionele vuurwerkshows te organiseren, is het een mooi en haalbaar alternatief. Verenigingen of stichtingen kunnen na inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling daarnaast een ontheffing aanvragen voor het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling. Dit staat los van professionele vuurwerkshows.
Bent u bereid de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling uit te stellen, totdat er voldoende gecertificeerde pyrotechnici beschikbaar zijn om in alle gemeenten minimaal een vuurwerkshow te garanderen?
Nee, in de Wet veilige jaarwisseling wordt niet gesproken over professionele vuurwerkshows, maar over een ontheffing voor georganiseerde groepen burgers juist zonder specialistische kennis.
Kunt u toelichten wat precies bedoeld wordt met «gespecialiseerde kennis» in het gewijzigd amendement van de leden Bikker en Stoffer (Kamerstuk 35 386, nr. 13), waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om buurtverenigingen een ontheffing te verlenen aan personen met gespecialiseerde kennis?
In het Vuurwerkbesluit2 zijn personen met gespecialiseerde kennis aangewezen. Alleen personen met gespecialiseerde kennis mogen onder voorwaarden beschikken over professioneel vuurwerk. Het gaat dan onder andere om houders van een toepassingsvergunning. Houders van een toepassingsvergunning mogen professioneel vuurwerk ook tot ontbranding brengen wanneer ze daarvoor een ontbrandingstoestemming hebben van de provincie. Om in aanmerking te komen voor zo’n toepassingsvergunning moet je onder andere beschikken over een certificaat vuurwerkdeskundige en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze professionals hebben een opleiding gevolgd aan een door Kiwa erkend examenbureau.
In de Wet veilige jaarwisseling is geregeld dat door de burgemeester een ontheffing kan worden verleend voor het afsteken van aangewezen consumentenvuurwerk aan personen zonder gespecialiseerde kennis. Momenteel wordt gewerkt aan het Besluit veilige jaarwisseling om deze ontheffingsmogelijkheid nader uit te werken. Daarin wordt ook aandacht besteed aan de voorwaarden waaronder de ontheffing kan worden uitgegeven.
Klopt het dat het begrip «gespecialiseerde kennis» in de praktijk neerkomt op vergelijkbare deskundigheid en certificering als bij professionele pyrotechnici? Zo nee, waar wijkt dit precies van af?
Nee, dit is niet juist. Voor het aanvragen van een ontheffing is beoogd dat het niet nodig is om als persoon met gespecialiseerde kennis te zijn aangewezen. Dit is wel nodig voor het professioneel tot ontbranding brengen van vuurwerk tijdens vuurwerkshows. In het Besluit veilige jaarwisseling wordt nader uitgewerkt waaraan een ontheffing aanvrager moet voldoen.
Hoe realistisch acht u het dat burgers die actief zijn binnen lokale verenigingen bereid en in staat zullen zijn om de vereiste «gespecialiseerde kennis» via een (formele) opleiding te verkrijgen?
Een formele opleiding die een professionele afsteker moet afronden, is in het kader van de ontheffing niet nodig. De Wet veilige jaarwisseling gaat immers juist over georganiseerde groepen burgers zonder specialistische kennis.
Kunt u gedetailleerd aangeven welke eisen gelden voor het opslaan van vuurwerk door verenigingen, inclusief eisen voor bunkers, ruimten, certificering en veiligheidsnormen?
Dit wordt op dit moment nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Hoe beoordeelt u het verbod voor verenigingen om vuurwerk tot ontbranding te brengen anders dan met een aansteeklont, terwijl er eenvoudige elektronische ontstekers beschikbaar zijn die geen bewerking van het vuurwerk vereisen, en hoe weegt u hierbij de veiligheid van de ontbranders tegenover de huidige beperkingen?
Om gebruik te maken van elektronische ontstekers, hebben personen met gespecialiseerde kennis een opleiding gevolgd waarin het gebruik ervan onderdeel is geweest. Het gebruik van een elektronische ontsteker kan namelijk risico’s met zich meebrengen, en professionals weten hoe ze moeten handelen op het moment dat het mis gaat. Daarom is het nu niet toegestaan voor particulier gebruik.
Kunt u bovendien aangeven welke vereisten gelden voor het afsteken van vuurwerk door verenigingen, waaronder deskundigheid, veiligheidsafstanden, toezicht en verzekeringsplichten?
Dit wordt nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Kunt u toelichten waarom in de AMvB gekozen is voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister voor aanvragers van een ontheffing, in verband met de laagdrempeligheid die beloofd was voor burgerinitiatieven om vuurwerk af te steken?
Dit wordt nader toegelicht in het Besluit veilige jaarwisseling, dat naar verwachting begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure aan beide Kamers zal worden aangeboden.
Kunt u bij al die voorwaarden aangeven of u dit realistisch acht voor lokale buurverenigingen?
Bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid in het kader van de Wet veilige jaarwisseling zijn breed gesprekken gevoerd met alle betrokken partijen. Bij deze uitwerking zijn diverse belangen meegenomen zoals de veiligheid voor afstekers en omstanders en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Op dit moment worden de reacties die zijn binnengekomen op de internetconsultatie en de toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid verwerkt. Naar verwachting zal het Besluit veilige jaarwisseling begin 2026 in het kader van de voorhangprocedure worden aangeboden aan beide Kamers.
Vindt u dat de eerder gedane belofte van politieke partijen dat burgers via buurtverenigingen of centrale shows toch van vuurwerk kunnen genieten, daadwerkelijk kan worden waargemaakt, gezien de huidige praktijk en beperkingen?
Met de mogelijkheid om via een ontheffing aangewezen F2-vuurwerk door verenigingen of stichtingen af te kunnen steken en de eerdere genoemde centrale vuurwerkshows, zijn er voor burgers mogelijkheden om van vuurwerk te kunnen genieten.
Hoe voorkomt u dat het verkrijgen van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke voorkeuren van burgemeesters?
De ontheffingsbevoegdheid is bij amendement van Bikker c.s. (Kamerstuk 35 386, 17) opgenomen in de Wet veilige jaarwisseling en neergelegd bij de burgemeester. Op grond van de Wet veilige jaarwisseling kan de burgemeester een of meer ontheffingen verlenen, maar hoeft dat niet te doen. Hij kan daartoe zelf beleid opstellen en keuzes maken op basis van wat passend is bij de lokale omstandigheden.
Er wordt bij de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling bezien of het wenselijk is om in het kader hiervan een handreiking voor burgemeesters op te stellen.
Hoe voorkomt u willekeur bij gemeenten voor het toekennen van een vuurwerkshow of een vuurwerkevenement via een lokale buurtvereniging?
Bij besluiten zijn bestuursorganen, onder wie burgemeesters, gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarin een verbod op willekeur besloten ligt.
Bent u bereid een landelijke richtlijn of handreiking voor gemeenten op te stellen om zo rechtsongelijkheid te voorkomen?
Bij de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling zal waar nodig gewerkt worden aan handreikingen. Verschil in beleid tussen gemeenten is op zichzelf geen rechtsongelijkheid. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden gemeenten verschillende afwegingen kunnen maken.
Als buurtverenigingen al een vergunning krijgen van hun gemeente, waar moeten zij dan het consumentenvuurwerk kopen als deze niet meer in Nederland mag worden verkocht?
Consumentenvuurwerk zal na inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten nog mogen worden verkocht aan houders van een ontheffing.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de start van het kerstreces? (19 december 2025)
Het is helaas niet gelukt om de beantwoording voor 19 december 2025 te sturen.
Het verdwijnen van programma’s bij de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en de aangekondigde bezuinigingen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verdwijnen van verschillende programma’s bij de NPO naar aanleiding van de aangekondigde bezuinigingen in 2027?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze bezuinigingen gepresenteerd worden als een directe bedreiging van de publieke taak terwijl de NPO een jaarbudget heeft van ongeveer één miljard euro?
De bezuiniging op de rijksmediabijdrage van de landelijke publieke omroep bedraagt € 156,7 miljoen per 2027. Het kabinet is van mening dat de publieke mediaopdracht van de landelijke publieke omroep met de resterende middelen ook kan worden uitgevoerd. Het is echter onvermijdelijk dat bij een besparing van die omvang ook op het programmabudget moet worden gekort en dat dit daarmee impact heeft op de uitvoering van de publieke taakopdracht.
Klopt het dat commerciële omroepen als RTL en Talpa het moeten doen met een hogere werkdruk, kleinere teams en nog geen vijfde van het publieke budget, terwijl ze qua output vergelijkbaar zijn met de publieke omroep?
Ik beschik niet over de benodigde cijfers en informatie bij de genoemde onderwerpen om een vergelijking tussen de landelijke publieke omroepen en de commerciële omroepen te maken. Vergelijkingen tussen de publieke en commerciële omroepen moeten daarnaast ook rekening houden met de verschillende positie die zij innemen in het Nederlandse medialandschap door de wettelijk vastgelegde publieke mediaopdracht van de landelijke publieke omroep.
Hoe kijkt u naar het feit dat de NPO bij bezuinigingen direct snijdt in programma’s in plaats van te kijken naar efficiëntieverbeteringen zoals bij commerciële partijen?
Het is aan de NPO en de omroepen om binnen de huidige wettelijke kaders de bezuinigingen op de rijksmediabijdrage op te vangen. De NPO en de omroepen nemen hiervoor verschillende maatregelen. Die maatregelen hebben betrekking op meerdere terreinen waaronder ook besparingen op organisatiekosten en op kosten voor distributie. Bij de NPO-organisatie zelf leidt dit tot een afname van circa 80 arbeidsplaatsen. Het organisatiebudget van de omroepen wordt verlaagd, met 10% voor de taakomroepen en met 16% voor de omroepverenigingen.
Het is bij een bezuiniging van deze omvang onvermijdelijk dat ook op het programmabudget moet worden gekort, waarbij de opbrengst niet enkel kan worden gevonden in efficiëntieverbeteringen.
Hoe beoordeelt u de zaken die worden betaald met publiek geld binnen de NPO, zoals een dure studio in Amsterdam, reizen naar tv-beurzen, luxe kantoorruimtes en meerdere managementlagen? En kan u aangeven hoeveel miljoen er binnen de NPO wordt uitgegeven aan managementlagen?
Het is aan de NPO en de omroepen om met de beschikbare middelen binnen de kaders van de Mediawet en andere relevante wet- en regelgeving de publieke mediaopdracht uit te voeren. De accountant en het Commissariaat voor de Media zien hierop toe. De NPO en de omroepen leggen hierover publiek verantwoording af in hun jaarverantwoording en volgen daarbij de richtlijnen uit de Regeling financiële verantwoording landelijke publieke omroepen. Kosten worden daarin verantwoord naar kostensoort zoals personeelskosten of huisvesting. Aanvullend worden programmakosten bij omroepen nog onderscheiden naar genres en kosten bij de NPO naar activiteiten zoals de kosten voor aankoop van rechten of distributie. In de jaarverantwoording wordt conform de Wet Normering Topinkomens (WNT) ook gerapporteerd over de hoogte van de bezoldiging van de topfunctionarissen in bestuur en toezicht.
Zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4 wordt in het kader van de bezuinigingen ook bezuinigd op organisatiekosten.
Kan u, ook in het kader van de herinrichting, uitzoeken of de NPO snijdt in hun managementlagen (en zo nee, waarom dit niet gebeurt), en waarom dan wel gekozen wordt om te snijden in programma’s met journalistieke meerwaarde zoals Kassa?
Zoals gezegd wordt bij de invulling van de bezuiniging vanaf 2027 ook bespaard op het budget voor de organisatiekosten van de NPO en de omroepen. Het verminderen van het aantal bestuurders is een van de doelen van de hervorming zoals aangekondigd door dit kabinet.1 Mocht de aangekondigde hervorming tijdig doorgang vinden, kan deze vermindering ingaan vanaf 2029. Bij welke inrichting van het bestel dan ook geldt dat bij een besparing van deze omvang het onvermijdelijk is dat ook op het programmabudget moet worden gekort.
Kan u reflecteren op een schijnbare cultuur binnen de NPO waarbij volgens mediakenners sprake is van een «verwend rijkeluiskind-mentaliteit» en waarbij bezuinigingen vooral worden gepresenteerd als een ramp, terwijl het in verhouding tot het totaal aantal werknemers om een beperkte ingreep gaat?
Het gaat om een bezuiniging van € 156,7 miljoen op de rijksmediabijdrage. Zoals gezegd is het bij een besparing van die omvang onvermijdelijk dat naast een besparing op organisatiekosten ook op het programmabudget moet worden gekort. Het kabinet is van mening dat de publieke mediaopdracht ook met de resterende middelen kan worden uitgevoerd. Het staat iedereen vrij daar anders over te denken, ook de medewerkers en bestuurders bij de landelijke publieke omroep. Ik ga ervan uit dat zij zich hoe dan ook blijven inzetten voor de uitvoering van de publieke taak.
Hoe verhoudt deze houding zich tot de publieke taak en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de NPO?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de NPO over het feit dat ze het schrappen van journalistieke en maatschappelijk relevante programma’s prioriteren boven het schrappen van interne luxe, managementlagen en dure faciliteiten?
De invulling van de bezuinigingen is aan de NPO en de omroepen. Ik spreek de NPO regelmatig over de voortgang van de uitvoering van de besparingsmaatregelen.
Kan u toezeggen deze vragen voor het wetgevingsoverleg Media van 8 december te beantwoorden?
De vragen zijn voor het verplaatste wetgevingsoverleg Media van 26 januari beantwoord.
Het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat heeft aangegeven geen compenserende maatregelen te willen treffen voor de Nederlandse varkenssector, welke getroffen is door antidumpingsheffingen, ingesteld door China?
Ja. Tijdens het debat heeft het kabinet aangegeven dat het de instelling van antidumping heffingen tegen de Europese en dus ook Nederlandse varkenssector door China betreurt. Het kabinet is zich ervan bewust dat deze heffingen de sector zwaar treffen, en zet zich er daarom samen met de Europese Commissie voor in om de situatie te verbeteren. Dit laat onverlet dat het kabinet niet overgaat tot compenserende maatregelen voor deze of andere sectoren die te maken krijgen met antidumping of antisubsidie heffingen.
Herinnert u zich dat u daarbij heeft gesteld dat compenserende maatregelen «in andere sectoren ook niet worden toegepast»?
Ja.
Kunt u voor deze bewering een volledige en concrete lijst verstrekken van sectoren waarop u doelde? Per sector: welke antidumpingheffing, welk percentage per lidstaat, welke schade, en welk besluit om geen compensatie te verstrekken was daarbij aan de orde?
De Europese Commissie publiceert jaarlijks een volledige overzicht van alle antidumpingheffingen, antisubsidieheffingen en vrijwaringsmaatregelen die tegen de Europese Unie en haar lidstaten zijn genomen.1 Eind 2024 waren er 167 dergelijke maatregelen in werking, waarvan er ongeveer één-derde direct op Nederlandse exporten van toepassing waren. Het betreft exporten uit de agrofood sector, de staalindustrie, de textielindustrie en de chemische industrie. Voor geen van de bovengenoemde maatregelen gericht op exporten uit de Europese Unie is door de Europese Commissie of door de Nederlandse overheid een compensatie verstrekt.
In hoeveel van deze door u genoemde sectoren bij vraag 3 gold, net zoals in de varkenssector, dat de betrokken bedrijven geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen, maar desalniettemin substantiële economische schade ondervonden?
Het kabinet speculeert niet over de motivatie van derde landen voor heffingen of maatregelen op producten vanuit de Europese Unie. Noch doet het kabinet uitspraken over de verantwoordelijkheid van bedrijven voor buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen die hen zijn opgelegd.
Wel toetst de Europese Commissie of de (voorlopige) tarieven, en daaraan voorafgaande onderzoek, conform zijn aan WTO-regels. Wanneer de Commissie acht dat WTO-regels niet gevolgd worden, kan de Commissie namens de EU een zaak starten bij de WTO, naast het uitoefenen van druk in de bilaterale contacten met het derde land. Middels het WTO proces kan definitief worden vastgesteld of een buitenlands heffing al dan niet gerechtvaardigd is en op de juiste wijze is opgelegd. Nederland kan aanvullend hierop in de eigen bilaterale relatie met het betreffende land de inspanningen van de Europese Commissie ondersteunen, zoals het ook doet in deze casus.
Erkent u dat in gevallen waarin Europese bedrijven schuldeloos door externe handelsmaatregelen worden geraakt, welke per bedrijf en/of lidstaat verschillen, het uitblijven van compensatie het level playing field binnen de interne markt kan verstoren?
Het is gebruikelijk dat bij het instellen van antidumping- of antisubsidieheffingen tarieven van verschillende hoogte worden ingesteld, variërend van bedrijf tot bedrijf. De grondslag hiervoor zijn de resultaten van een uitgevoerd antisubsidie- of antidumpingonderzoek. Hieruit kan naar voren komen dat er verschillen zijn tussen het (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel dat verschillende bedrijven hebben ontvangen. De heffingen hebben tot doel dit (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel van de betreffende bedrijven als gevolg van dumping of overheidssubsidies zo accuraat mogelijk te compenseren.
Wanneer derde landen antisubsidie- of antidumpingmaatregelen opleggen aan bedrijven die zijn gevestigd in de Europese Unie kan daarbij dus niet alleen gedifferentieerd worden tussen bedrijven gevestigd in verschillende lidstaten van de Europese Unie maar ook tussen bedrijven gevestigd in dezelfde lidstaat. Omgekeerd legt ook de Europese Unie op bedrijfsniveau gedifferentieerde antidumping en antisubsidie heffingen op aan exporterende bedrijven uit derde landen.
Heffingen van derde landen – al dan niet terecht – kunnen leiden tot minder goede markttoegang voor Europese en Nederlandse exporteurs tot deze derde landen. Daaruit volgt echter niet dat het gelijke speelveld binnen de interne markt wordt verstoord: de werking van de interne markt wordt immers niet aangetast door heffingen van derde landen.
Indien dit niet het geval is, op welke wijze waarborgt de EU volgens u dan wél gelijke concurrentieverhoudingen?
Binnen de Europese Unie geldt in beginsel vrij verkeer van goederen. Daarnaast gelden er gemeenschappelijke regels voor onder andere staatssteun, mededinging en productiestandaarden. Dit geheel van EU wet- en regelgeving waarborgt het gelijke speelveld op de interne markt.
Voor wat betreft handel met derde landen geldt dat de Europese Unie zich actief inzet voor het waarborgen van een gelijk speelveld, onder andere door het aangaan van nieuwe handelsverdragen en door gebruik te maken van het handelsinstrumentarium waaronder het handelsdefensieve instrumentarium. Hieronder vallen bijvoorbeeld vrijwaringsmaatregelen, antisubsidie- en antidumping maatregelen, maar ook nieuwere instrumenten zoals de Verordening Buitenlandse Subsidies en het Internationaal Aanbestedingsinstrument.
Bent u bereid, gelet op de structurele en eenzijdige risico’s voor de Europese varkenssector, uw eerdere positie te heroverwegen en zich in Brussel in te zetten voor tijdelijke compenserende of mitigatiemaatregelen, zolang de Chinese antidumpingsheffingen gelden?
Het kabinet deelt de zorgen over de gevolgen van de voorlopige Chinese antidumping heffingen op de Europese varkenssector, en heeft deze recent nog opgebracht tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 24 november jl. Het kabinet heeft de Commissie tijdens deze Raad opgeroepen al het mogelijke te doen om deze maatregelen in de handelsrelatie met China te adresseren en zal dat blijven doen. Daarnaast heeft de Minister voor LVVN tijdens de Landbouwraad op 17 november jl. benadrukt dat het belangrijk blijft om de markteffecten als gevolg van zowel de voorlopige heffingen op varkensvlees als het onderzoek naar de zuivelsubsidies nauw te blijven monitoren. Nederland zal uiteraard deze zaak zelf ook blijven opbrengen in de relatie met China.
Tegelijk blijft het kabinet bij het standpunt dat compensatie aan betrokken bedrijven niet aan de orde is. Nederland zet zich in voor zo goed mogelijke markttoegang voor Nederlandse exporteurs, maar het is niet aan de overheid om afzetmarkten buiten de Europese Unie te garanderen of te voorzien in compensatie wanneer de toegang tot bestaande afzetmarkten verslechtert.
Indien het antwoord nee is, hoe beoordeelt u dan het risico dat Europese producenten blijvend worden benadeeld door geopolitiek gemotiveerde maatregelen waar zij zelf geen invloed op hebben?
Het kabinet deelt de zorg dat handelsbeleid in toenemende mate wordt ingezet vanuit (geo)politieke overwegingen. De Europese Unie heeft instrumenten om dergelijke zorgen te adresseren, zoals hierboven uiteen gezet. De Europese Unie heeft in de afgelopen jaren het instrumentarium uitgebreid om beter in te kunnen spelen op handelsmaatregelen die genomen worden door derde landen en al dan niet geopolitiek gemotiveerd zijn. Het kabinet zet zich ervoor in dat Europese producenten zo min mogelijk benadeeld worden door geopolitiek ingegeven handelsmaatregelen van andere landen.
Hoe verhoudt bovenstaande antwoord zich tot de kwesties aangaande het concurrentievermogen en verdienvermogen van zowel Nederland en de EU?
Zoals ook in de Beleidsagenda Buitenlandse Handel2 en de kabinetsvisie op EU-concurrentievermogen3 beschreven vormt het versterken van het Europees concurrentievermogen een belangrijk onderdeel van het Europese antwoord op de geopolitieke ontwikkelingen waarbij derde landen handelspolitiek inzetten als politiek drukmiddel.
Is dit in lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rapport Draghi?
Ja.
Kunt u deze vragen individueel en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gelet op het feit dat deze vragen onvoldoende duidelijk werden beantwoord in het commissiedebat?
De vragen zijn individueel en binnen de geldende termijn beantwoord.
Het bericht ‘Duitse politie dumpt tientallen migranten aan de Nederlandse grens |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse politie dumpt tientallen migranten aan de Nederlandse grens»?1
Ja.
Klopt het dat de Duitse politie in de afgelopen maanden meer dan 150 personen zonder geldige papieren aan de Nederlandse kant van de grens heeft achtergelaten, zonder formele overdracht aan de Nederlandse autoriteiten?
De overdracht van geweigerde vreemdelingen door Duitsland (Bundespolizei) aan Nederland (KMar) en door Nederland aan Duitsland verloopt conform bestaande bilaterale afspraken. In de periode van 9 december 2024 tot en met 8 september 2025 zijn in totaal 690 vreemdelingen door Duitsland aan Nederland overgedragen. Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt. De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme» of «koude» overdracht. In beide gevallen is er sprake van een formele overdracht conform de bilaterale afspraken.
Wanneer een vreemdeling wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, dan wordt de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie, door lokale Duitse en Nederlandse grensautoriteiten georganiseerd. Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme overdracht» over te nemen. Bij de keuze of overdrachten gezien of ongezien gebeuren wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. Bij kwetsbare personen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de afspraken tussen Nederland en Duitsland over grenscontroles en overdracht van personen zonder (geldige) papieren?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit niet past binnen een ordentelijke en fatsoenlijke samenwerking tussen EU-lidstaten en Schengenpartners?
Nederland staat structureel in contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles, zowel op politiek als ambtelijk niveau. Dergelijke overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart. Op basis van deze afspraken worden zowel vreemdelingen van Duitsland aan Nederland als van Nederland aan Duitsland overgedragen. Nederland hecht aan een goede samenwerking met EU-lidstaten en Schengenpartners. De bilaterale afspraken met Duitsland en het structurele contact met Duitsland over de binnengrenscontroles dragen hieraan bij.
Daarnaast staan het ministerie en de KMar eveneens in nauw contact met de bestuurders uit de grensregio’s over de binnengrenscontroles. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen. Naar aanleiding van de berichtgeving over de overdrachten van de door Duitsland geweigerde vreemdelingen is er ook hierover contact geweest met de bestuurders uit de grensregio’s. Op basis van daarvan is de werkwijze bij overdrachten, waaronder het faciliteren van de door- of terugreis met Duitsland besproken.
Bent u bereid met uw Duitse ambtgenoot in gesprek te gaan om te voorkomen dat migranten zomaar in Nederland worden gedumpt?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u mogelijkheden om grenscontroles aan te scherpen in de grensgebieden waar de Duitse politie op deze manier te werk gaat?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om, indien Duitsland doorgaat met dit beleid, te bezien of Nederland vergelijkbare maatregelen kan nemen richting Duitsland om een gelijk speelveld te creëren?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'De stille kalifaatlobby in Nederland: alle omstreden organisaties op een rij' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De stille kalifaatlobby in Nederland: alle omstreden organisaties op een rij»?1
Ja.
Bent u bekend met het recente verbod op de islamitische organisatie Muslim Interaktiv in Duitsland wegens anti-democratische activiteiten?
Ja, het is mij bekend dat Duitsland de organisatie Muslim Interaktiv heeft verboden. In algemene zin wordt een besluit over een verbodenverklaring gedaan op basis van nationale wet- en regelgeving. Activiteiten en de vorm van organisaties kunnen immers per land verschillen. In Duitsland beschikt de Minister van Binnenlandse Zaken over de bevoegdheid om organisaties te verbieden. Organisaties kunnen daar worden verboden wanneer het doel of de werkzaamheid in strijd is met het strafrecht, de constitutionele orde, of het idee van begrip tussen volkeren («Gedanken der Völkerverständigung»).2 Een verbod in Duitsland heeft verstrekkende gevolgen. Vanaf het moment van bekendmaking van het besluit worden de activiteiten van de organisatie verboden, kunnen financiële middelen worden bevroren en kunnen goederen in beslag worden genomen. Het voortzetten, ondersteunen of opnieuw oprichten van de verboden organisatie is strafbaar, evenals het gebruik van haar symbolen. Volgens de Minister van Binnenlandse Zaken is de organisatie Muslim Interaktiv verboden, omdat deze organisatie in Duitsland onder meer de principes van de democratische rechtsorde verwerpt en daarmee een anticonstitutioneel standpunt aanhoudt en uitdraagt. Dit blijkt onder andere uit het feit dat Muslim Interaktiv in Duitsland voortdurend en publiekelijk (online) oproept tot de implementatie van haar anticonstitutionele doelen, zo stelt de Duitse Minister. Een voorbeeld hiervan betreft de verschillende oproepen om in Duitsland een Kalifaat te stichten. Het is verder aan de Duitse Minister van Binnenlandse Zaken om op basis van informatie waarover hij beschikt tot een dergelijk besluit te komen.
Hoe beoordeelt u het Duitse besluit om deze organisatie te ontbinden en haar bezitten in beslag te nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het in algemene zin wenselijk om, net als Duitsland, organisaties te verbieden die oproepen tot een kalifaat en westerse waarden verwerpen?
Onze vrijheden en democratische rechtsstaat zijn een kostbaar bezit. Het is van groot belang dat deze zo goed mogelijk worden beschermd. Nederland kent een sterke bescherming van de vrijheid van organisatie en vereniging. Tegelijkertijd zien we dat er organisaties in Nederland zijn die misbruik maken van deze vrijheden, doordat zij banden hebben met terroristische organisaties, extremisme en terrorisme bevorderen en geweld verheerlijken. Hiermee vormen deze organisaties een gevaar voor onze democratische rechtsstaat. Ik hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat te ondermijnen, bijvoorbeeld door het zaaien van haat of aanzetten tot geweld. De regering is er alles aan gelegen om onze democratische rechtstaat te beschermen en wanneer een organisatie een dreiging vormt hier in een zo vroeg mogelijk stadium op te acteren.
Tegen organisaties die strafbare feiten plegen of bevorderen, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Voor een strafrechtelijk onderzoek is een verdenking vereist; er dient een redelijk vermoeden te bestaan dat de organisatie en/of haar leden zich schuldig maken aan een of meerdere strafbare feiten. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of in een concreet geval sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en of strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld. Het kabinet treedt daar niet in.
Op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) kan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) onder meer onderzoek verrichten naar organisaties waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Indien uit het onderzoek van de AIVD feiten en omstandigheden naar voren komen die doen vermoeden dat mogelijk sprake is van een dreiging tegen de nationale veiligheid, kan de AIVD door middel van een ambtsbericht informatie verstrekken aan het Openbaar Ministerie. Specifiek ten aanzien van de organisatie Hizb ut Tahrir heeft de AIVD in het jaarverslag van 2023 aangegeven dat er een geringe dreiging uitging van deze beweging.3 Het kabinet heeft momenteel geen signalen die tot andere conclusies leiden. Alhoewel de beweging een extremistische boodschap propageert, betreft het in Nederland een kleine groep zonder groot bereik. Uiteindelijk is het aan het Openbaar Ministerie om, conform artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW), een verzoek tot verbodenverklaring aan de rechter te doen, wanneer zij dat nodig achten.
Uw Kamer heeft meermaals zorgen geuit over organisaties die een gevaar vormen voor de democratische rechtsstaat en heeft daarover ook enkele moties aangenomen, waaronder de motie Yeşilgöz c.s.,4 de motie D. van Dijk/Eerdmans,5 de motie Van der Plas6 en de motie Stoffer7. In reactie op deze moties en conform het regeerprogramma is een verkenning uitgevoerd naar de wijze waarop andere landen omgaan met organisaties die onder meer banden hebben met terroristische organisaties, extremisme en terrorisme bevorderen en terroristisch geweld verheerlijken. Hierbij is specifiek gekeken naar welke mogelijkheden deze landen hebben om dit soort organisaties te verbieden en wat wij hiervan kunnen leren. Deze resultaten gaven aanleiding tot nader onderzoek. Begin dit jaar informeer ik uw Kamer over dit nadere onderzoek en de vervolgstappen.
De beweging Hizb ut-Tharir streeft naar de heroprichting van een wereldwijd kalifaat en beschouwt democratie als «een menselijk en zondig systeem», acht u deze ideologie verenigbaar met de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, bent u bereid om de mogelijkheden in kaart te brengen om deze organisatie in Nederland te verbieden, zoals in Duitsland?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete maatregelen zijn tot nu toe genomen tegen Hizb ut-Tahrir Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Op basis van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om de rechter te verzoeken rechtspersonen te verbieden als de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde; bent u bereid met het Openbaar Ministerie in gesprek te gaan zodat zij gebruikmaken van deze bevoegdheid?
Conform artikel 2:20 van het BW, beschikt het Openbaar Ministerie over de bevoegdheid om aan de rechter een verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon te doen. Ook informele verenigingen als bedoeld in artikel 2:26 BW kunnen voor een verbod in aanmerking komen. Voor de toepassing van artikel 2:20 BW is vereist dat het een rechtspersoon betreft waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Strijdig met de openbare orde is in ieder geval een doel dat, of werkzaamheid die leidt (of klaarblijkelijk dreigt te leiden) tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Daarnaast kán als strijdig met de openbare orde worden gezien, de aantasting van de menselijke waardigheid, het leiden tot geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Op grond van artikel 10:122 BW kan het Openbaar Ministerie ook een verzoek tot verbodenverklaring indienen van een buitenlandse corporatie, die geen Nederlands rechtspersoon is. Het is aan het Openbaar Ministerie om te toetsen of er voldoende informatie is om een onderbouwd verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon in te dienen bij de rechter. Vervolgens is het aan de rechter om te beoordelen of een rechtspersoon daadwerkelijk verboden wordt. Als Minister van Justitie en Veiligheid treed ik niet in de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie.
Onlangs heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar de effecten van een civiel verbod specifiek ten aanzien van Outlaw Motorcycle Gangs.8 Hierin ben ik ook specifiek ingegaan op de gesprekken die ik heb gevoerd met het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtspraak over het civiel verbod. Zoals in de beantwoording onder vraag 4, 5 en 6 is toegelicht, verricht ik daarnaast nader onderzoek naar hoe andere landen tegen organisaties optreden die een bedreiging vormen voor de democratische rechtsstaat door banden te hebben met terroristische organisaties, door extremisme en terrorisme te bevorderen en door geweld te verheerlijken. Juist bij die organisaties vindt het kabinet het van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium vanuit de rijksoverheid normstellend op te kunnen treden. In bepaalde gevallen kan eerder ingrijpen niet alleen gewenst, maar ook noodzakelijk zijn om onze democratische rechtsstaat adequaat te kunnen beschermen. Begin dit jaar informeer ik uw Kamer over dit nadere onderzoek en de vervolgstappen.
Mocht het Openbaar Ministerie hier niet toe bereid zijn, bent u dan bereid een juridische verkenning te starten waarbij dit in de toekomst toch mogelijk wordt?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u van mening dat Nederland over voldoende juridische instrumenten beschikt om organisaties te verbieden die de grondwettelijke orde ondermijnen, ook als zij geen geweld gebruiken? Zo ja, waarom? Zo nee, wat kan Nederland hieraan aanscherpen?
Zie antwoord vraag 7.
Naast activistische groepen zijn er ook salafistische organisaties met een vergelijkbare ideologische lijn, zoals de As-Soennah-moskee in Den Haag, die jarenlang geleid werd door imam Fawaz Jneid en herhaaldelijk in verband is gebracht met haatprediking en antiwesterse denkbeelden; bent u van mening dat u voldoende juridische instrumenten heeft om dit soort religieuze instellingen onder toezicht te plaatsen, of te sluiten? Zo ja, waarom? Zo nee, wat kan Nederland hieraan aanscherpen?
Dit kabinet staat voor een open en vrije samenleving waarin iedereen in vrijheid met elkaar samenleeft en kan genieten van zijn of haar grondwettelijke vrijheden.
Dit betekent dat er ruimte is voor verschillende opvattingen en religieuze stromingen, ook als ze een orthodox karakter hebben. Echter, religie mag nooit worden gebruikt als vrijbrief om onverdraagzaamheid, haat of zelfs geweld te verspreiden en hiertoe aan te zetten. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen hiertegen op te treden. Hiervoor kent het kabinet verschillende maatregelen.
Het onder toezicht plaatsen of sluiten van een (religieuze) instelling zijn verregaande en ingrijpende maatregelen, die grondrechten inperken. Om hiertoe over te gaan is een wettelijke basis nodig, waarbij ook de proportionaliteit en subsidiariteit worden meegewogen. Met een dergelijk zwaarwegend besluit wordt niet lichtvaardig omgegaan. Voor de wettelijke mogelijkheden en hieraan verbonden eisen, verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 4, 5 en 6. Het sluiten van een religieuze instelling, zoals bijvoorbeeld een moskee of ander gebedshuis, kan het praktische gevolg zijn van het verbieden van een rechtspersoon die zich achter een religieuze instelling bevindt. Een rechtspersoon kan door de rechter worden verboden op grond van artikel 2:20 BW. Er zijn bij het kabinet geen voorbeelden bekend van de inzet van artikel 2:20 BW door het Openbaar Ministerie op dergelijke rechtspersonen.
Het kabinet acht het wenselijk om dit instrumentarium verder aan te vullen. Zo richt het wetsvoorstel transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) zich specifiek op ongewenste financiering door middel van donaties aan maatschappelijke organisaties. Om buitenlandse beïnvloeding door donaties tegen te gaan, krijgen de burgemeester, het Openbaar Ministerie en andere specifiek aangewezen overheidsinstanties de bevoegdheid om bij maatschappelijke organisaties – zoals stichtingen, religieuze instellingen – gericht navraag te kunnen doen naar buitenlandse giften. Als deze substantieel blijken, kan verdere navraag plaatsvinden over de donateur en kan de rechter maatregelen, zoals een stakingsbevel, opleggen. Daarnaast biedt het conceptwetsvoorstel toezicht informeel onderwijs, wanneer deze tot wet wordt verweven, de mogelijkheid om in het geval er binnen een organisatie informeel onderwijs wordt verzorgd en er binnen die setting kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 17 jaar worden aangezet tot haat, discriminatie of geweld, een aanwijzing op te leggen. Dit moet, volgens het conceptwetsvoorstel, wel eerst zijn vastgesteld door de Onderwijsinspectie. Deze bevoegdheid ligt bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de aanwijzing niet of niet volledig wordt opgevolgd kan een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden opgelegd.
De humanitaire situatie van de Druzen in Syrië |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente berichten over grootschalige aanvallen op de Druzenbevolking in de Syrische provincie Suwayda, waarbij volgens meldingen duizenden mensen zijn omgekomen en honderdduizenden ontheemd zijn geraakt?
Ik heb kennisgenomen van berichtgeving over de geweldsescalaties in Suweida in juli en augustus jl. De genoemde gebeurtenissen zijn verontrustend. Het is essentieel dat alle gemeenschappen in Syrië worden beschermd, waaronder ook de Druzen.
Klopt het dat Suwayda al maanden onder volledige belegering staat, waardoor voedsel, water, medische zorg en elektriciteit vrijwel niet meer beschikbaar zijn voor de bevolking?
De situatie in Suweida blijft fragiel en onvoorspelbaar met voortdurende spanningen, waarbij een groot gedeelte van de bevolking afhankelijk is van humanitaire hulp. Er zijn aanhoudend incidenten die bijdragen aan instabiliteit, vooral in de rurale gebieden. Dit zorgt voor beperkingen van de bewegingsvrijheid van burgers en hulpverleners. Desondanks bereikten tussen 20 juli en 10 oktober jl. 46 hulpkonvooien Suweida met levensreddende hulp, zoals voedsel, medische hulpmiddelen en brandstof. Daarnaast spannen hulporganisaties zich in om toegang tot essentiële diensten zoals watervoorzieningen en broodproductie te herstellen. De noden blijven vooralsnog hoog en er is een voortdurende behoefte aan meer humanitaire hulp.
Wat weet u over meldingen dat tijdens deze aanvallen vrouwen en meisjes zijn verkracht, ontvoerd en vermoord, en dat tientallen dorpen doelbewust zijn verwoest?
Het kabinet keurt alle vormen van geweld af. Belangrijk is dat wordt vastgesteld wat er precies is voorgevallen in Suweida en wie verantwoordelijk is geweest voor dit geweld. Er zijn twee commissies ingesteld die de geweldsescalatie in Suweida onderzoeken: een Syrische onderzoekscommissie, onder leiding van de Syrische Minister van Justitie, en een onafhankelijke onderzoekscommissie van de Verenigde Naties die ressorteert onder de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic(CoI). Het kabinet volgt nauwlettend de bevindingen van deze onderzoekscommissies.
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat deze aanvallen niet willekeurig zijn, maar onderdeel van een systematische campagne van etnische zuivering gericht tegen religieuze minderheden, waaronder de Druzen en christenen van Suwayda?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van het internationaal humanitair recht en de Conventies van Genève?
Alle partijen bij een gewapend conflict zijn gebonden aan het humanitair oorlogsrecht. Dit betekent onder meer dat de strijdende partijen onderscheid moeten maken tussen burgers en strijders, en tussen militaire doelen en burgerobjecten. Alleen strijders en militaire doelen mogen worden aangevallen.
Het rechtstreeks en doelbewust aanvallen van burgers is in strijd met het humanitair oorlogsrecht. Daarnaast moeten humanitaire hulpverleners ook gerespecteerd en beschermd worden. Signalen van mogelijke aanvallen op burgers zijn zeer ernstig. Zoals eerder beantwoord in vraag 3 en 4 doen verschillende commissies momenteel onderzoek naar de situatie.
Bent u bereid binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Suwayda, en de verantwoordelijken daarvoor ter verantwoording te brengen?
De Commission of Inquiry(CoI) heeft op 15 juli jl. bevestigd de gebeurtenissen in Suweida te onderzoeken. Het onderzoek is gaande en het rapport moet nog worden gepubliceerd. In dat licht verwelkomt het kabinet ook de samenwerking van Syrische overgangsautoriteiten met de CoI met betrekking tot de gewelddadigheden in Suweida. Nederland blijft zowel in multilateraal verband als in contacten met de Syrische overgangsautoriteiten het belang van dit onafhankelijke onderzoek benadrukken.
Ook de door Syrië opgerichte nationale commissie heeft aangegeven een onderzoek naar de gewelddadigheden in te stellen. Deze commissie werd op 31 juli ingesteld door de Syrische Minister van Justitie met een mandaat van drie maanden, bestaande uit zeven leden, waaronder rechters, advocaten en een militair. Tot op heden heeft de commissie nog geen conclusies bekendgemaakt, en het is nog onbekend of deze commissie haar bevindingen publiekelijk zal delen. Nederland blijft aandringen op het belang van openbaarmaking van de uitkomsten van dit onderzoek.
Ziet u mogelijkheden om, eventueel via internationale partners of hulporganisaties, bij te dragen aan de totstandkoming van een humanitaire corridor voor de levering van voedsel, medische hulp en brandstof aan de belegerde bevolking?
De Nederlandse inzet is gericht op het faciliteren van onbelemmerde en veilige toegang tot humanitaire hulp in heel Syrië. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met onze humanitaire partners, waaronder VN-organisaties, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Ondanks de aanhoudende spanningen en onveiligheid kunnen hulpkonvooien Suweida bereiken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of Nederland bereid is zich in te zetten voor hulp aan ontheemde Druzen en christenen, bijvoorbeeld door steun aan onderwijsprogramma’s of noodhulp via VN-organisaties en ngo’s?
Nederland blijft zich inzetten voor humanitaire hulp aan alle kwetsbare bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder ontheemde Druzen en christenen. Sinds het uitbreken van het conflict in 2011 levert Nederland zowel diplomatieke als financiële steun aan humanitaire partners zoals de Verenigde Naties, de Internationale Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Deze bijdragen zijn bewust flexibel, zodat hulporganisaties snel kunnen inspelen op acute noden, zoals recent in de provincie Suweida.
Humanitaire hulp wordt daarbij altijd verleend op basis van behoefte, zonder onderscheid naar etnische of religieuze achtergrond. Op dit moment richt Nederland zich primair op humanitaire hulp.
Bent u bereid de Kamer actief op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in Suwayda en van eventuele diplomatieke of humanitaire stappen die Nederland onderneemt?
Ja. De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp bezocht recentelijk Syrië en heeft daar het belang onderstreept van onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen in Suweida. In gesprekken met humanitaire organisaties werd bevestigd dat de toegang tot Suweida nog steeds ernstig beperkt is, wat de hulpverlening belemmert. Nederland blijft daarom, zowel bilateraal als in multilateraal verband, aandringen op ongehinderde humanitaire toegang, bescherming van alle bevolkingsgroepen en gerechtigheid voor begane misdaden.
Optredens van de haatprediker Bob Vylan in Nederland |
|
Cor Pierik (BBB), Marieke Wijen-Nas (BBB), Mariska Rikkers (BBB), Henk Vermeer (BBB), Agnes Joseph (BBB), Caroline van der Plas (BBB), Martin Oostenbrink (BBB), Claudia van Zanten (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van De Telegraaf waarin wordt beschreven dat de artiest Bob Vylan tijdens een uitverkocht concert in Paradiso de moord op Charlie Kirk heeft verheerlijkt en heeft opgeroepen tot geweld tegen zionisten, het Israelisch Defensieleger (IDF) en personen met een ander gedachtengoed, waarbij hij expliciet uitsprak: «Ga ze vinden op straat»?
Ja, we zijn bekend met het artikel.
Kunt u een feitelijke omschrijving geven van wat «zionisten» zijn?
Er is geen standaard overheidsdefinitie van zionisme en dus ook niet van zionisten. Het woord verwijst naar een hele diverse groep van mensen met een streven, ideologie of beweging die door henzelf maar ook door anderen op hele verschillende manier wordt geladen variërend van scheld- tot geuzennaam. De grootst gemene deler van de verschillende definities en appreciaties van zionisme is het streven naar of behoud van de Joodse staat.
Deelt u de opvatting dat deze oproepen kwalificeren als opruiing en haatzaaien in de zin van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te onderzoeken wat er precies is gezegd. Het politieonderzoek hiernaar loopt nog. De aangiften worden momenteel behandeld door de politie en het Openbaar Ministerie, en het Openbaar Ministerie zal beoordelen of de uitspraken strafbaar zijn en, zo ja, op welke strafgrond. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover te beslissen.
Kunt u aangeven onder welk artikel van het Wetboek van Strafrecht de uitspraken van Bobby Vylan strafbaar zijn en wat de maximum straf daarvoor is?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de strafbaarheid van specifieke uitingen, noch op welk artikel dit zou kunnen en wat dan de maximale straf zou zijn.
Hoe beoordeelt u de vergelijking met eerdere oproepen van Amsterdamse taxichauffeurs tot een «Jodenjacht» op 8 november 2024, die breed veroordeeld werden als antisemitisch en gevaarlijk?
Ik kan deze uitspraken niet vergelijken. De feiten en omstandigheden/context waarbinnen de uitspraken zijn gedaan verschillen. Daarnaast is het niet aan mij om te oordelen over individuele zaken.
Vindt u het aanvaardbaar dat een artiest die openlijk geweld verheerlijkt en aanzet tot haat en straatterreur een podium krijgt in Nederland?
In zijn algemeenheid sluit ik mij aan bij eerdere uitspraken van de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema dat artistieke vrijheid nooit kan betekenen dat er wordt opgeroepen tot bedreiging, haat of geweld. Of sprake was van strafbare feiten is aan het OM en uiteindelijk de rechter, ik wacht de uitkomsten van het onderzoek af.
Bent u bereid om geen nieuwe optredens van Bob Vylan in Nederland meer toe te staan en desnoods gebruik te maken van uw bevoegdheid om deze persoon de toegang tot Nederland te ontzeggen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar de antwoorden van 4 september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) aan de Ministers van Asiel en Migratie en de toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid over het toen nog aanstaande optreden van het punkduo Bob Vylan in Amsterdam en Tilburg. Op individuele zaken kan de Minister van Asiel en Migratie niet ingaan.
In algemene zin kan ik zeggen dat voor het weren van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, bijvoorbeeld vanwege het uitdragen van extremisme, de vreemdeling op grond van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland (en het Schengengebied) geweigerd kan worden door de Minister van Asiel en Migratie. Dit is mogelijk middels onder andere een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III). Om over te kunnen gaan tot een dergelijke maatregel, dient de IND over informatie te beschikken die hier voldoende grondslag voor kan bieden. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van duidingen van de NCTV, ambtsberichten van de AIVD en/of informatie uit de lokale driehoek. Eventuele rechterlijke uitspraken worden vanzelfsprekend betrokken bij besluitvorming, binnen het geldende wettelijke kader. Op individuele casuïstiek kan de Minister van Asiel en Migratie niet ingaan.
Hoe kijkt u in dit licht aan tegen het feit dat Paradiso zich in eerdere verklaringen zelfs positief heeft uitgelaten over de bijdrage van deze artiest aan het publieke debat, terwijl er feitelijk sprake is van het verspreiden van haat en oproepen tot geweld?
Ik ga niet in op individuele zaken.
Deelt u de mening dat het verheerlijken van geweld tegen Joden, Israëliërs of zionisten op gespannen voet staat met het kabinetsbeleid om antisemitisme krachtig te bestrijden? Welke concrete stappen gaat u zetten om dit soort optredens te voorkomen?
Het verheerlijken van geweld tegen groepen staat op gespannen voet met het kabinetsbeleid. Dat geldt ook voor antisemitisme. De afweging voor het laten plaatsvinden van een evenement ligt bij de organisatie van het evenement en de burgemeester. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur).
Hoe beoordeelt u de rol van gemeenten zoals Amsterdam, Nijmegen en Tilburg, die dergelijke optredens mogelijk maken? Bent u bereid in overleg te treden met burgemeesters om optreden tegen deze vorm van haatprediking hoog op de agenda te zetten?
Ik verwijs u naar de eerder genoemde antwoorden van 4 september jl. op vragen van het lid Vondeling (PVV) waarin staat dat het lokaal bestuur verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare orde en daarin een eigen afweging maakt. Het vooraf verbieden van een optreden is alleen mogelijk als er aantoonbare sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en, gelet op de ernst van de (te vrezen) wanordelijkheden, in redelijkheid gemeend kan worden dat de situatie met feitelijke (bijvoorbeeld de inzet van politie) of juridische minder verstrekkende middelen niet meer beheerst kan worden. De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken (vanwege het verbod op censuur). Wel kan de inhoud van uitingen het startpunt zijn van een keten van aanleidingen die leidt tot ingrijpen zoals het verbieden van een optreden. Daarbij heeft de burgemeester dan niet de uitlatingen zelf in gedachten, maar de objectiveerbare vrees voor wanordelijkheden waar die toe kunnen leiden.
Bent u bereid in kaart te brengen welke andere artiesten of sprekers in de nabije toekomst in Nederland staan geprogrammeerd die bekendstaan om vergelijkbare haatdragende of antisemitische uitingen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u een inschatting geven van wat zo’n oproep tot geweld tegen Joden, Israëliërs en – wat Vylan zionisten – noemt, betekent voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap?
Ik ga niet in op individuele zaken. In het algemeen onderken ik dat haatzaaiende uitingen tegen bepaalde groepen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid en uitsluiting. Dat is verwerpelijk.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gezien het feit dat Bob Vylan komende week opnieuw in Nederland optreedt?
Er staan inmiddels geen nieuwe optredens meer gepland.
Vignetplicht en inning parkeerboetes buitenlanders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Foort van Oosten (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek dat vorig jaar bijna 7.700 van de 24.500 naheffingsaanslagen (circa één op de drie) in Den Haag onbetaald bleven, doordat de gemeente geen kentekengegevens van buitenlandse bestuurders had?1 Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit specifieke onderzoek is mij niet bekend. Handhaving op dit gebied is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Zij zijn hier eerder ook op in gegaan via de beantwoording van schriftelijke vragen van het raadslid De Mos (bijlage 1). Verder zie ik vergelijkbare handhavingsvraagstukken bij de zero-emissiezones, waarop ik bij vraag 9 verder inga.
Wat is uw inschatting van de invloed van deze situatie en van de extra parkeerdruk van buitenlandse kentekens op de leefbaarheid in Den Haag?
De lokale situatie in Den Haag met betrekking tot parkeerdruk en de invloed op de leefbaarheid kan het beste lokaal worden beoordeeld. In de beantwoording van raadsvragen van raadslid De Mos (bijlage 1) gaat de gemeente Den Haag hierop in.
Aangezien de gemeente Den Haag alleen naheffingen automatisch kan verzenden aan Duitsland en België – voor andere landen ontbreken dergelijke afspraken – waardoor inning vrijwel onmogelijk is; bent u bereid te onderzoeken hoe Nederland deze bilaterale constructies kan uitbreiden naar meer landen?
Op dit moment is er geen voornemen om dit te onderzoeken.
Ziet u mogelijkheden om de oplossing van de lokale partij Hart voor Den Haag, de grootste partij van de stad, die pleit voor invoering van een vignetplicht voor buitenlandse kentekens in gebieden met structurele parkeerdruk, via een wijziging van de Parkeerverordening of Gemeentewet te faciliteren? En zou u dit ook mogelijk kunnen/willen maken voor andere gemeenten?
Er zijn momenteel vanuit gemeenten bij mij geen dergelijke verzoeken bekend. Ook geeft het College van de gemeente Den Haag aan geen dergelijk verzoek voornemens te zijn (bijlage1). Ik ben ook niet bevoegd om een parkeerverordening van een gemeente te wijzigen.
Is het volgens u juridisch mogelijk om een gemeentelijke vignetregeling voor buitenlandse voertuigen in te voeren, gezien de Europese regels over vrij verkeer en gelijke behandeling?
Momenteel zijn er geen concrete verzoeken over een vignetplicht van een of meerdere gemeenten bij mij bekend. Als er een concreet en breed gedragen voorstel zou zijn vanuit de gemeenten, dan kan het kabinet bezien of deze vraag nader onderzocht moet worden.
Zijn er vanuit gemeenten verzoeken binnengekomen om een vignetregeling in te voeren voor buitenlandse voertuigen als toegangsregeling tot parkeren? Zo ja, welke gemeenten hebben dat verzocht, wat is de juridische status hiervan en welke stappen zijn gezet?
Dergelijke verzoeken zijn mij niet bekend.
Welke aanvullende maatregelen kunnen lokaal worden ingezet ter vermindering van onbetaalde parkeerboetes, zoals preventieve kentekenregistratie, scanauto’s, of intensievere samenwerking met buitenlandse autoriteiten?
De handhaving is aan gemeenten, zij weten zelf wat lokaal de beste mix aan maatregelen is. De gemeente Den Haag geeft in deze casus bijvoorbeeld aan meer te informeren op locaties met veel buitenlandse kentekens, ook in meerdere talen (bijlage 1).
Ziet u mogelijkheden om gemeenten zoals Den Haag, maar ook andere gemeenten, financieel of juridisch te ondersteunen bij de aanpak van de parkeerdruk door buitenlandse voertuigen die hun boetes niet betalen?
Zoals eerder aangegeven zijn er op dit moment geen verzoeken vanuit de gemeenten bij mij bekend. Daarom is er ook geen financiële of juridische ondersteuning voorzien.
Bent u ermee bekend dat voertuigen met buitenlandse, vaak witte kentekens niet of nauwelijks worden geregistreerd in de zero-emissiezones, waardoor zij boetes ontlopen?
Ja, daar ben ik mee bekend. Op 29 april 2025 heeft mijn ambtsvoorganger de Kamer geïnformeerd over de handhaving van buitenlandse kentekens2. Voor de inhoudelijke overweging verwijs ik graag naar deze Kamerbrief. Verder zijn over dit onderwerp op 21 mei 2025 naar aanleiding van Kamervragen vanuit lid Heutink ook antwoorden met de Tweede Kamer gedeeld3.
Het klopt dat op dit moment alleen Nederlandse kentekens automatisch worden gecontroleerd. Het streven is dat dit voor Belgische kentekens op korte termijn ook mogelijk zal zijn. Ook ben ik in gesprek met Duitsland en Polen. Kentekens uit deze drie landen zijn namelijk het meest voorkomend in de ZE-zones.
Dat wil niet zeggen dat buitenlandse kentekens niet beboet zouden worden. Buitenlandse kentekens worden namelijk beboet via staandehoudingen wanneer zij de regels van de zero-emissiezones overtreden. Gemeenten hebben aangegeven dat zij hier actief op handhaven door middel van gerichte acties met Buitengewoon Opsporingsambtenaren (BOA’s).
Deelt u de mening dat dit leidt tot rechtsongelijkheid, aangezien Nederlandse ondernemers en inwoners wél stevig worden aangepakt?
De verkeersregels in steden gelden voor alle voertuigen en bestuurders. Hierbij is dus geen sprake van rechtsongelijkheid. De techniek achter de handhaving kan verschillen, van camera’s tot de inzet van BOA’s. Gemeenten gaan over de handhaving en werken met risicoprofielen om inzet zo goed effectief mogelijk te organiseren.
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat ook voertuigen met buitenlandse kentekens op gelijke wijze gecontroleerd en beboet worden?
Zoals aangegeven heb ik over de parkeerboetes geen verdere signalen ontvangen. Ten aanzien van de ZE-zones zijn deze signalen al langer bekend. Daar zet ik mij in om afspraken op Europees niveau te maken. Tot die tijd werken we aan bilaterale afspraken met afzonderlijke landen, zodat gegevensuitwisseling toch mogelijk wordt. Met België verwachten we op termijn tot een overeenkomst te komen, waardoor automatisch kan worden gehandhaafd op Belgische kentekens via de ANPR-camera’s.
Het bericht dat een oud-AIVD’er waarschuwt dat brandstichtingen door dierenextremisten “weer terug dreigen te komen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in De Telegraaf van 7 juli 2025, waarin wordt bericht over de bezetting van drie slachthuizen in Apeldoorn door naar verluidt circa veertig radicale dierenactivisten van de groep 269 Libération Animale, en waarin een voormalig medewerker van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt dat brandstichtingen door dierenextremisten «weer terug dreigen te komen»?1
Ja.
Klopt het dat het hierbij ging om een internationale actie, gecoördineerd door extremisten uit onder meer Frankrijk, Duitsland en Nederland? Hoeveel extremisten namen deel aan de acties? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht? En hoeveel van de aangehouden extremisten waren buitenlands staatsburger?
Op maandag 7 juli 2025 zijn er 42 actievoerders aangehouden binnen de gemeente Apeldoorn. Alle aangehouden personen hebben een buitenlandse geboorteplaats. Op een flyer van de actiegroep stonden te blokkeren bedrijven genoemd in Frankrijk en Nederland. Het onderzoek van de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (OM) naar de bezettingen in Apeldoorn is nog in volle gang.
Sinds wanneer is de Nationaal Coördinator Terorrismebestrijding en Veiligheid (NCTV)/AIVD op de hoogte van deze groep en hun activiteiten in Nederland en daarbuiten? Is hierover contact geweest met buitenlandse veiligheidsdiensten?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) doet geen onderzoek naar groepen of personen, ook niet uit het buitenland, maar duidt wel voortdurend fenomenen en ontwikkelingen die zich daarin voordoen. De NCTV kan derhalve geen inschatting maken van de dreiging die mogelijk uitgaat van specifieke groeperingen of personen, over samenwerkingen tussen groeperingen. De AIVD kan, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2017, geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken of informatieposities van de dienst.
Beide organisaties rapporteren periodiek over de terroristische en (gewelddadige) extremistische dreiging voor Nederland. De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadige extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur. Uit het laatste Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland d.d. 17 juni 2025 volgt dat er geen aantoonbare geweldsdreiging van de Nederlandse dierenrechtenbeweging uitgaat. De AIVD heeft op basis van de Wiv 2017 als taak onderzoek te doen naar organisaties en personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. De AIVD kan via het jaarverslag rapporteren over de dreigingen voor de nationale veiligheid die zich in het afgelopen jaar hebben voorgedaan. Daarin is deze groep de afgelopen jaren niet genoemd.
De laatste jaren is het beeld dat gewelddadige acties van dierenrechtenextremisten, zoals brandstichting, vrijwel niet voorkwamen. De incidenten van dit jaar zijn nog in onderzoek bij politie en OM en zijn mogelijk uitzonderingen op dit beeld. Mogelijk wijzen de recente incidenten op een opleving van extremisme uit die hoek. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom dit fenomeen nauwlettend. Dit betekent onder meer dat er met interesse wordt gekeken naar de uitkomsten van de lopende strafrechtelijke onderzoeken naar bijvoorbeeld de toedracht van de brand bij Plukon.
Ten aanzien van de bredere links-extremistische beweging beschrijft de AIVD in het jaarverslag van 2024 dat er bij de links-extremistische beweging als geheel, waar ook dierenrechtenextremisten onder vallen, geen grotere bereidheid is waargenomen om geweld te gebruiken. Wel zijn enkele acties over diverse onderwerpen harder geworden, er was daarbij sprake van vernielingen, intimidatie en doxing – het delen van iemands persoonsgegevens om hem of haar te intimideren. Ook stelt de AIVD dat het grootste deel van de linkse actie-scene zich nog altijd op activistische wijze blijft uiten, met soms kleinschalige, soms zeer zichtbare acties rond klimaat, vluchtelingen, woningnood en rechts-extremisme.
Hoe beoordeelt u de toegenomen samenwerking van radicaal dierenextremisme over de landsgrenzen heen? Acht u het risico reëel dat buitenlandse groeperingen in Nederland aanslagen of andere gewelddadige acties plegen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een overzicht geven van de dreigingsinschatting van de NCTV/AIVD met betrekking tot deze groep en verwante groeperingen in de afgelopen vijf jaar? Is deze dreiging in de loop der tijd toegenomen?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de groep 269 Libération Animale momenteel actief gemonitord door de NCTV, AIVD of andere opsporings- of inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de uitspraak van voormalig AIVD'er Hanselman dat de kans op brandstichtingen door dierenextremisten «reëel» is en dat «we dit weer vaker gaan zien»? Wat is uw eigen inschatting?
De incidenten van dit jaar zijn nog in onderzoek bij politie en OM en zijn mogelijk uitzonderingen op het dreigingsbeeld zoals geschetst bij vragen 3 tot en met 6. Mogelijk wijzen de recente incidenten op een opleving van extremisme uit die hoek. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom dit fenomeen nauwlettend.
Heeft u informatie dat deze groep of aanverwante netwerken betrokken waren bij eerdere strafbare feiten in Nederland, zoals de brandstichting bij Plukon in juni of intimidatie van gedeputeerde Zoet op privéterrein?
Op dit moment doet de politie onder gezag van het OM onderzoek naar deze incidenten. Wij kunnen niet vooruitlopen op de uitkomsten hiervan.
Wordt onderzocht of sprake is van een criminele of terroristische organisatie in de zin van de artikelen 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht? Waarom wel of waarom niet?
Op dit moment is het onderzoek van de politie onder gezag van het OM in volle gang. Of wordt vervolgd en zo ja voor welke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie.
Zijn de aangehouden extremisten in Apeldoorn voorgeleid aan een (hulp)Officier van Justitie? Zijn zij in verzekering gesteld, of zijn zij direct weer vrijgelaten? Voor welke exacte strafbare feiten zijn zij aangehouden, en welke (verdere) vervolging wordt overwogen?
De 42 in Apeldoorn aangehouden personen zijn voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Deze personen zijn niet in verzekering gesteld. Zij zijn aangehouden voor huisvredebreuk (art. 138 Sr) en lokaalvredebreuk (art. 139 Sr). Over verdere vervolging en voor welke feiten kunnen wij in het kader van het lopende onderzoek nog niet vooruitlopen, dit is aan het OM.
Kunt u in overleg treden met het Openbaar Ministerie om ervoor te zorgen dat de aangehouden dierenextremisten daadwerkelijk vervolgd worden?
Het is aan het OM om te bepalen, op basis van een strafrechtelijk onderzoek, of overgegaan wordt op strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan de Minister van Justitie en Veiligheid om daar in te treden.
Deelt u de mening dat de rechterlijke uitspraak in de zaak-Boxtel waarbij werd geoordeeld dat illegale bedrijfsvestiging onder het demonstratierecht kan vallen, zonder het aanpassen van wetgeving, een uitnodiging vormt voor meer, en mogelijk ernstigere, extremistische of terroristische acties tegen bedrijven in de voedselketen?
Laten we vooropstellen dat alle gewelddadige acties tegen bedrijven of (eigendommen van) personen onacceptabel zijn. Ruimte voor kritiek, protest, demonstraties en ander activisme is essentieel in onze democratische rechtsorde. Tegelijkertijd mag deze ruimte nooit een vrijbrief zijn voor het plegen van strafbare feiten.
Er is sprake van een onafhankelijk rechterlijk vonnis; het is niet aan mij als Minister om dat inhoudelijk te becommentariëren.
Het is aan de rechter om te oordelen over de toepassing van de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en/of de vrijheid van betoging (de vrijheid van vereniging en vergadering, artikel 11 EVRM) in een concreet geval. Daarbij beoordeelt de rechter of een bepaalde zaak binnen de reikwijdte van (één van) deze artikelen valt en of het maken van een inmenging op deze rechten door strafrechtelijk optreden gerechtvaardigd is in de omstandigheden van het geval. In een voorkomend geval weegt de rechter het recht op eigendom (artikel 1 Eerste Protocol EVRM) af tegen de vrijheid van meningsuiting en/of de vrijheid van betoging (artikelen 10 resp. 11 EVRM).
Het is aan de rechter om per geval – in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit – te beoordelen of een inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd binnen de context van een demonstratie. Daarbij kijkt de rechter bijvoorbeeld naar het karakter van de demonstratie en de mate van de inbreuk op het eigendomsrecht.
Dat kan betekenen dat de rechter in een concreet geval kan oordelen dat vrijspraak dient te volgen op grond van toetsing aan artikelen 10 en/of 11 EVRM, zoals in het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 december 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:4005, Hoge Raad, 20-003576-19). In dit arrest oordeelde het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat de «wederrechtelijkheid» van het binnendringen niet wettig en overtuigend was bewezen, omdat de desbetreffende demonstratie binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit was gebleven. Er zijn ook voorbeelden waar de rechter heeft geoordeeld dat strafbaar optreden wel verenigbaar was met artikelen 10 en 11 EVRM, zoals het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2022 over lokaalvredebreuk bij de bouwvakbeurs bij de RAI (ook artikel 138 lid 1 Sr)(ECLI:NL:HR:2022:126, Hoge Raad, 20/02710).
Bent u bereid om het actuele inlichtingenbeeld over dierenextremisme te actualiseren, te herijken en (vertrouwelijk) met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3, 4, 5 en 6 rapporteert de NCTV twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en (gewelddadige) extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Op het moment dat er zich ontwikkelingen voordoen waarbij uitingen worden gedaan of acties plaatsvinden vanuit de dierenrechtenbeweging die de lat van extremisme (of zelfs terrorisme) halen, zal de NCTV hierover rapporteren.
Dit geldt ook voor de AIVD. De AIVD kan via het jaarverslag in het openbaar rapporteren over de dreigingen voor de nationale veiligheid van dat jaar. Daarnaast kan ook de AIVD, indien daar aanleiding voor is, partners via de geëigende kanalen informeren.
Bent u bereid om te onderzoeken of bepaalde extremistische dierenrechtenorganisaties, zoals het Animal Liberation Front en 269 Libération Animale, kunnen worden aangemerkt als terroristische of criminele groeperingen?
Als er voldoende aanwijzingen zijn dat personen of organisaties betrokken zijn bij terroristische activiteiten kan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, deze personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Voldoende aanwijzingen zijn onder meer de instelling van een onderzoek of vervolging door een bevoegde instantie wegens een terroristische activiteit, een veroordeling door de rechter of een ambtsbericht van de AIVD dat geloofwaardige indicaties bevat van betrokkenheid van een persoon of organisatie bij een terroristische activiteit of poging daartoe.
Het plaatsen van personen of organisaties op de sanctielijst is een vergaande en ingrijpende maatregel. Per persoon of organisatie wordt nauwgezet gekeken naar de omstandigheden en de aanwijzingen. Daarbij is en blijft maatwerk geboden. Voor zover bekend is iets dergelijks niet voorhanden in relatie tot deze groep en is er dus geen juridische basis om de in de vraag genoemde organisaties op de Nederlandse sanctielijst terrorisme te plaatsen.
Hoe worden bedrijven in de voedselketen waaronder slachterijen, kalverhouders, transporteurs en pluimveebedrijven op dit moment actief en preventief beschermd tegen sabotage, inbraak of brandstichting door dierenextremisten? Is er structurele ondersteuning, of zijn zij hiervoor op zichzelf aangewezen?
Wij begrijpen dat ongewenste activiteiten op het eigen erf of bedrijf grote impact hebben op ondernemers. Het is primair de verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf om hiertegen op te treden bij de ondernemer zelf. Hierbij probeert de overheid waar mogelijk te ondersteunen. Er zijn verschillende maatregelen die ondernemers zelf kunnen treffen. De Platforms Veilig Ondernemen helpen ondernemers in het weerbaar worden tegen criminaliteit, waaronder inbraak en diefstal. Bij concrete signalen van dreigingen worden ondernemers verzocht dit te signaleren bij de politie. Agrariërs kunnen desgewenst ook contact opnemen met de vertrouwenspersonen van de brancheorganisaties LTO-Noord, ZLTO en LTTB.
Bestaan er draaiboeken of scenario’s voor overheidsoptreden bij dit soort gecoördineerde bezettingen of sabotageacties? Worden deze afgestemd met de veiligheidsregio’s, politie en sectorpartijen?
Het lokaal gezag is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde.
Dat betekent dat door de lokale driehoek bestaande uit de burgemeester, de politie en het OM wordt opgetreden waar nodig. Er bestaan standaardprocedures en maatregelen die bij dergelijke acties ingezet kunnen worden. Zo heeft de politie in afstemming met het OM, naar aanleiding van eerdere incidenten in de landbouwsector, een handelingskader opgesteld met (operationele) handvatten dat is bedoeld voor intern gebruik bij de politie.
Bent u bereid om structureel overleg te voeren met belangenorganisaties in de voedselketen, zoals LTO Nederland, COV, Nepluvi en Vee&Logistiek, om veiligheidsmaatregelen te bespreken?
Onlangs hebben de sectorpartijen LTO, POV en Vee & Logistiek Nederland de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid, Natuur per brief op de hoogte gebracht van de meldingen die zijn binnengekomen bij het Meldpunt Agro-Intimidatie. Dat meldpunt heeft LTO begin dit jaar opgezet om boeren, veetransporteurs en veehandelaren een laagdrempelige manier te bieden om melding te maken van hun persoonlijke ervaringen met treiterij, intimidatie en bedreiging. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zullen deze partijen uitnodigen voor een gesprek.
Herkent u de bredere trend dat ideologisch gemotiveerde, ontwrichtende acties tegen de voedselketen vaker voorkomen, waarbij de grens tussen activisme en extremisme vervaagt? Hoe positioneert u dit fenomeen in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland?
Zoals eerder toegelicht in antwoord op vraag 3 tot en met 6, zijn gewelddadige acties uit de hoek van dierenrechtenextremisten de afgelopen jaren zeldzaam. De incidenten van dit jaar zijn nog in onderzoek bij politie en OM en zijn mogelijk uitzonderingen op dit beeld. Mogelijk wijzen de recente incidenten op een opleving van extremisme uit die hoek. De NCTV rapporteert in het DTN over allerlei vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur. De NCTV volgt de ontwikkelingen nauwlettend. Op het moment dat er zich ontwikkelingen voordoen waarbij uitingen worden gedaan of acties plaatsvinden vanuit de dierenrechtenbeweging die de lat van gewelddadig extremisme (of zelfs terrorisme) halen, dan zal de NCTV ook hierover rapporteren.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden, mede gelet op de urgentie van het onderwerp, namelijk de dreiging van meer aanslagen, bezettingen en brandstichtingen, en de eerdere, nog onbeantwoorde Kamervragen die op 19 juni 2025 gesteld zijn?2
In verband met de vereiste afstemming en zorgvuldigheid bij de beantwoording van de vragen, is het helaas niet gelukt om de vragen binnen de reguliere termijn te beantwoorden.
De terroristische brandstichting bij kippenslachterij Plukon en het openlijk dreigen met nieuwe aanslagen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brandstichting bij kippenslachterij Plukon in Blokker, waarbij negen vrachtwagens en een busje in vlammen opgingen, en van het feit dat op het terrein het logo van het Animal Liberation Front (ALF) werd aangetroffen?1
Ja.
Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat een woordvoerder van het Animal Liberation Front tegenover de media openlijk de verantwoordelijkheid lijkt op te eisen en daarbij stelt: «Wij gaan in de toekomst eventueel nog meer van dit soort acties doen»? Wat vindt u van dit openlijke dreigement van nog meer aanslagen, terwijl ze eerder ook al betrokken waren bij brandstichtingen, stalbezettingen, inbraken en vernielingen?
Elke vorm van geweld of eigenrichting is absoluut onacceptabel. Wij hebben kennisgenomen van het incident via de media en de organisatie die in de mediaberichten wordt genoemd. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) doen op dit moment onderzoek naar het incident. Zoals u begrijpt kunnen we niet vooruitlopen op de uitkomsten hiervan.
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van georganiseerd terroristisch geweld tegen bedrijven in de voedselketen, met als doel het afdwingen van politieke of ideologische verandering door angst en ontwrichting te zaaien?
Elke vorm van geweld of eigenrichting is absoluut onacceptabel. Op dit moment loopt het onderzoek van de politie onder gezag van het OM. In het belang hiervan kunnen geen nadere mededelingen worden gedaan.
Wel kan in algemene zin aangegeven worden dat alleen incidenten waarbij sprake is van het (voorbereiden van het) plegen van op mensenlevens gericht geweld of het veroorzaken van maatschappij-ontwrichtende schade, door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) worden geduid als terroristisch.
De NCTV doet zelf geen onderzoek naar groepen of personen, maar duidt wel voortdurend fenomenen en ontwikkelingen die zich daarin voordoen. De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en (gewelddadige) extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur. Uit het laatste Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland d.d. 17 juni 2025 volgt dat er geen aantoonbare geweldsdreiging van de Nederlandse dierenrechtenbeweging uitgaat. De laatste jaren is het beeld dat gewelddadige acties van dierenrechtenextremisten, zoals brandstichting, vrijwel niet voorkwamen. De incidenten van dit jaar zijn nog in onderzoek bij politie en OM en zijn mogelijk uitzonderingen op dit beeld. Mogelijk wijzen de recente incidenten op een opleving van extremisme uit die hoek. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom dit fenomeen nauwlettend. Dit betekent onder meer dat er met interesse wordt gekeken naar de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek naar de toedracht van de brand. Ook zullen wij, zoals toegezegd door de Minister van Justitie en Veiligheid tijdens het mondelinge vragenuur van 1 juli 2025, de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), Vee&Logistiek Nederland en de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV) uitnodigen voor een gesprek over de ontwikkelingen en welke mogelijke acties ondernomen kunnen worden.
Ten aanzien van de bredere links-extremistische beweging beschrijft de AIVD in het jaarverslag van 2024 dat er bij de links-extremistische beweging als geheel, waar ook dierenrechtenextremisten onder vallen, geen grotere bereidheid is waargenomen om geweld te gebruiken. Wel zijn enkele acties over diverse onderwerpen harder geworden, er was daarbij sprake van vernielingen, intimidatie en doxing – het delen van iemands persoonsgegevens om hem of haar te intimideren. Ook de AIVD stelt dat het grootste deel van de linkse actie-scene in zich nog altijd op activistische wijze blijft uiten, met soms kleinschalige, soms zeer zichtbare acties rond klimaat, vluchtelingen, woningnood en rechts-extremisme.
Bent u het eens met de stelling dat dit niets meer met activisme te maken heeft, maar valt onder terrorisme, zoals ook door Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) omschreven: «Het uit ideologische motieven (voorbereiden van het) plegen van op mensenlevens gericht geweld, of het veroorzaken van maatschappij-ontwrichtende schade, met als doel (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen en/of politieke besluitvorming te beïnvloeden»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is het ALF in Nederland nog steeds niet aangewezen als terroristische organisatie, terwijl deze groep in bijvoorbeeld de Verenigde Staten wél op terrorismelijst staat?
De politie doet onder gezag van het OM op dit moment onderzoek naar de toedracht van de brand. We kunnen daar niet op vooruitlopen.
Als er voldoende aanwijzingen zijn dat personen of organisaties betrokken zijn bij terroristische activiteiten kan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, deze personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Voldoende aanwijzingen zijn onder meer de instelling van een onderzoek of vervolging door een bevoegde instantie wegens een terroristische activiteit, een veroordeling door de rechter of een ambtsbericht van de AIVD dat geloofwaardige indicaties bevat van betrokkenheid van een persoon of organisatie bij een terroristische activiteit of poging daartoe.
Het plaatsen van personen of organisaties op de sanctielijst is een vergaande en ingrijpende maatregel. Per persoon of organisatie wordt nauwgezet gekeken naar de omstandigheden en de aanwijzingen. Daarbij is en blijft maatwerk geboden.
De Verenigde Staten hanteert twee terrorismesanctielijsten, zijnde de lijst van Foreign Terrorist Organisations en Specially Designated Global Terrorists. ALF staat niet op deze beide lijsten.
Welke concrete stappen onderneemt u om te voorkomen dat dit soort extremisten opnieuw toeslaan, bij Plukon of bij andere bedrijven in de voedselketen?
Ten eerste willen we benadrukken dat dergelijke gewelddadige acties altijd onacceptabel zijn. Als bepaalde acties of gedragingen van een (rechts-)persoon een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit opleveren, kan het OM besluiten tegen deze (rechts)persoon strafrechtelijke vervolging in te stellen.
Wij begrijpen dat ongewenste activiteiten op het eigen erf of bedrijf grote impact hebben op ondernemers. Tegelijkertijd ligt de eerste verantwoordelijkheid om hiertegen op te treden bij de ondernemer zelf. Waar mogelijk biedt de overheid ondersteuning.
De strafrechtelijke onderzoeken van politie en het OM zullen in die gevallen de toedracht moeten uitwijzen. Als bepaalde acties of gedragingen de lat van extremisme of terrorisme halen, dan kunnen personen ook worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering. De persoonsgerichte aanpak radicalisering betreft maatregelen en/of interventies genomen onder regie van gemeenten die door het bestuur, de strafrechtelijke instanties of door maatschappelijke instellingen kunnen worden getroffen om (verdere) radicalisering tegen te gaan.
Hoeveel brandweermensen zijn op zondag 16 juni 2025 ingezet om deze opzettelijk veroorzaakte brand onder controle te krijgen, en uit hoeveel posten of kazernes zijn zij opgeroepen?
De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord meldt dat er acht blusvoertuigen en een aantal ondersteunende en/of specialistische eenheden zijn ingezet. Het gaat hierbij om ongeveer 80 brandweermensen vanuit ongeveer 10 brandweerkazernes uit Noord-Holland Noord. De Veiligheidsregio laat tevens weten dat de hulpverleners geen risico liepen op instorting van het gebouw, omdat deze niet in brand stond. De rookontwikkeling was niet bijzonder gevaarlijk. Er was kortstondig mogelijk explosiegevaar doordat een bovengrondse zuurstoftank werd aangestraald door de brand. Dit gevaar bleek snel geweken door adequate inzet van de brandweer. Preventief zijn drie woningen kort ontruimd. De risico’s waren niet groter dan bij een «normale» inzet, hoewel risico’s natuurlijk inherent zijn aan dit soort incidenten. De gehoorde ontploffingen kwamen vermoedelijk door knallende autobanden.
Welke risico’s hebben deze hulpverleners gelopen tijdens het bestrijden van deze brand, die terroristen hebben gesticht om de samenleving angst aan te jagen? Is daarbij sprake geweest van instortingsgevaar, gevaarlijke rookontwikkeling of explosiegevaar?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de brand gesticht is vlak bij een zuurstofopslagtank, waardoor een groot gebied ontruimd moest worden en de hulpverleners door deze terroristische actie een nog veel groter risico gelopen hebben dan bij een «normale» inzet?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft deze inzet geleid tot onderbezetting op andere kazernes of uitstel van hulp bij andere noodmeldingen in de regio? Zo ja, bij hoeveel meldingen en wat waren de gevolgen voor andere burgers? Wordt bij een eventuele vervolging van deze terroristen ook rekening gehouden met het risico en het leed dat ze op deze manier in de rest van de samenleving veroorzaken?
De inzet heeft niet geleid tot een beperkingen voor de noodhulpverlening in de omliggende regio. Uiteraard kost de inzet brandweercapaciteit, maar veiligheidsregio Noord-Holland Noord beschikt over een fijnmazig netwerk van brandweerposten. Met dank aan dit netwerk en de grote hoeveelheid brandweervrijwilligers is geen sprake geweest van dekkingsproblematiek.
De politie en het OM doen onderzoek doen naar het incident. In algemeenheid geldt dat alle relevante feiten en omstandigheden een rol kunnen spelen bij de vervolgingsbeslissing van het OM.
Wordt bij een vervolging ook rekening gehouden met het feit dat chauffeurs soms overnachten in hun vrachtauto en dat daarvan ook hier sprake had kunnen zijn?
Zoals we bij de beantwoording onder vraag 10 aangaven kunnen alle relevante feiten en omstandigheden een rol spelen bij de vervolgingsbeslissing van het OM.
Deelt u de zorg dat dit soort terroristische acties niet alleen de voedselketen ontwrichten, maar ook een direct gevaar vormen voor hulpverleners en de veiligheid van alle Nederlanders?
Alle Nederlanders en – in het bijzonder onze hulpverleners – moeten te allen tijde beschermd worden tegen elke vorm van geweld. Zoals reeds aangegeven loopt het onderzoek van politie en OM en kunnen we hier niet op vooruitlopen.
De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord meldt ten aanzien van het gevaar voor de hulpverleners dat de inzet van hulpverleners gepaard kan gaan met risico’s. Het risico is afhankelijk van verschillende factoren. De Veiligheidsregio deelt de zorg dat wanneer bewust een gevaarsetting wordt gecreëerd dit van invloed kan zijn op de veiligheid van hulpverleners en burgers. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord werkt met een uitgebreid vakbekwaamheidsprogramma dat is afgestemd op de actualiteit. Hiermee worden de hulpverleners goed voorbereid op verschillende scenario’s.
Welke strafrechtelijke stappen zijn er inmiddels gezet om de daders op te sporen en te vervolgen? Wordt vervolging overwogen wegens terrorisme, brandstichting met gevaar voor mensenlevens, en/of opruiing?
Zoals reeds aangegeven doen de politie en het OM onderzoek naar het incident. We kunnen niet vooruitlopen op de uitkomsten hiervan.
Zijn er inmiddels ook verdachten in beeld en/of aangehouden? Indien ja: wat is hen ten laste gelegd?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid om de personen en netwerken achter deze dreigingen intensiever te monitoren en vervolgen, ook als zij zich ophouden op social media of in zogenaamde «activistische netwerken»?
De NCTV heeft geen grondslag om onderzoek te doen naar personen of organisaties, maar duidt fenomenen en ontwikkelingen die zich daarin voordoen. De AIVD heeft op basis van de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) als taak onderzoek te doen naar organisaties en personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. De AIVD doet onderzoek naar verschillende vormen van extremisme, zoals links- en rechts-extremisme. De AIVD kan echter, op basis van de Wiv 2017, geen uitspraken in het openbaar doen op welke wijze onderzoek wordt gedaan.
Of vervolging wordt ingesteld tegen een (rechts-)persoon is aan het OM. Als het OM van oordeel is dat jegens een (rechts-)persoon sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan het vervolging instellen.
Naar aanleiding van eerdere incidenten in de landbouwsector heeft de politie in afstemming met het OM een handelingskader opgesteld met (operationele) handvatten dat is bedoeld voor intern gebruik bij de politie. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat ook oproepen tot dit soort geweld, en het verheerlijken daarvan, strafbaar moeten worden gesteld en stevig vervolgd dienen te worden?
Oproepen tot geweld past op geen enkele wijze in onze democratische rechtsorde. Het oproepen tot geweld kan strafbaar zijn als opruiing. Of er sprake is van een opruiende uiting hangt onder meer af van de context waarin de desbetreffende uiting is gedaan, evenals de kennelijke bedoeling van de uiting, de doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht en de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan. De politie doet onder gezag van het OM op dit moment onderzoek naar het incident. We kunnen daar niet op vooruitlopen. Het is aan het OM om vervolgingsbeslissingen te nemen.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om voedselproducenten, hun medewerkers, hulpverleners en de samenleving beter te beschermen tegen dit soort extremistisch geweld?
We kunnen ons goed voorstellen dat dergelijke acties grote impact kunnen hebben op eenieder die betrokken is. Zeker wanneer deze acties mensen bij de uitvoering van hun werk in gevaar brengen, waaronder voedselproducenten, hun werknemers en hulpverleners, is dit absoluut onaanvaardbaar en mag dit nooit gebeuren. In navolging van eerdere incidenten in de landbouwsector heeft de politie in afstemming met het OM een handelingskader (gemeld via brief aan uw kamer op 20 mei 2019 door mijn voorganger) opgesteld vanwege de impact van acties rondom dierenrechten en dierenwelzijn die mogelijk strafbaar zijn en/of de openbare orde verstoren. Het bevat een handelingskader met (operationele) handvatten en is bedoeld voor intern gebruik bij de politie. In geval van incidenten kan het handelingskader gedeeld worden met de lokale driehoeken. Dit handelingskader is in september 2023 verrijkt met een paragraaf waarin wordt beschreven hoe benadeelden gewezen dienen te worden op de mogelijkheid van het doen van aangifte van huis-, lokaal of erfvredebreuk (artikel 138 Sr). We benadrukken hier dan ook graag nogmaals het belang van aangifte doen in deze situaties.
Het is vervolgens aan het OM om, afhankelijk van de omstandigheden, te bepalen of vervolging aangewezen is en – zo ja – welke feiten ten laste worden gelegd. Verder is het aan de rechter voorbehouden om daar een oordeel over te vellen.
Met de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) en de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) is tevens afgesproken dat de wederzijdse informatie-uitwisseling wordt geïntensiveerd, en was er een vast contactpunt bij de politie aangesteld om de samenwerking en de landbouworganisaties te optimaliseren. Dit contactpunt was in 2019 bij de Landelijk Eenheid, Dienst Landelijke Informatieorganisatie, van de politie ingericht en de contactgegevens destijds zijn doorgestuurd naar de verschillende brancheorganisaties. Echter doordat er sinds de oprichting geen meldingen bekend zijn bij dit contactpunt is besloten dit contactpunt in 2023 weer op te heffen in verband met andere prioritieten van de Dienst Landelijke Informatieorganisatie van de Landelijke Eenheid. In het gesprek waarvoor de sectorpartijen worden uitgenodigd zullen we ook met deze partijen zelf bespreken of er behoefte is aan het opnieuw instellen van zo’n contactpunt en waar dit ingericht zou kunnen worden.
Wat betreft het beschermen van hulpverleners meldt de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord dat hun hulpverleners een uitgebreid vakbekwaamheidsprogramma kennen dat is afgestemd op de actualiteit. Hiermee worden zij goed voorbereid op verschillende scenario’s.
Bent u bereid om, samen met veiligheidsregio’s, gemeenten en sectorpartijen – een risicobeoordeling te maken van potentiële doelwitten in de voedselketen en passende preventieve beveiliging te ondersteunen?
Gezien het feit dat het normbeeld rond de dierenrechtenbeweging al enkele jaren voornamelijk activistisch is (zie het antwoord op vraag 4), is een dergelijke risicobeoordeling op dit moment niet opportuun. De incidenten van dit jaar zijn nog in onderzoek bij politie en OM en zijn mogelijk uitzonderingen op dit beeld. Mogelijk wijzen de recente incidenten op een opleving van extremisme uit die hoek. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom dit fenomeen nauwlettend. Op het moment dat er zich ontwikkelingen voordoen waarbij uitingen worden gedaan of acties plaatsvinden vanuit de dierenrechtenbeweging die de lat van gewelddadig extremisme (of zelfs terrorisme) halen, dan zal de NCTV hierover rapporteren. Daarnaast stellen de veiligheidsregio’s een regionaal risicoprofiel op. Op basis van het regionaal risicoprofiel bereiden de veiligheidsregio’s zich voor op incidenten en crisis.
Los van de toedracht is het begrijpelijk dat dit soort incidenten zorgen opleveren voor de getroffen bedrijven, hun naasten en andere personen die actief zijn in de sector. Onlangs hebben de sectorpartijen LTO, POV en Vee & Logistiek Nederland de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid per brief op de hoogte gebracht van de meldingen die zijn binnengekomen bij het Meldpunt Agro-Intimidatie, dat zij begin dit jaar hebben opgezet om boeren, veetransporteurs en veehandelaren een laagdrempelige manier te bieden om melding te maken van hun persoonlijke ervaringen met treiterij, intimidatie en bedreiging. Ook hebben zij in een vervolgbrief aangegeven graag in gesprek te gaan over de actuele situatie rondom dierenrechtenactivisme- en extremisme. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 zullen we deze organisaties uitnodigen voor een gesprek.
Het onderzoek ‘Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) «Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van recente onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat er geen bewijs is dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij?
Ja.
Bent u tevens bekend met een ouder onderzoek van de WUR «Dosis-responsrelatie tussen garnalenvisserij en de macrobenthische faunagemeenschap in de kustzone en de Waddenzee»?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat dit eerdere onderzoek zwaar heeft meegewogen in het besluit tot vergunningverlening aan Belgische garnalenvissers op grond van de Wet natuurbescherming en dat deze vergunning door de rechtbank is vernietigd, aangezien de rechtbank oordeelde dat onvoldoende is gemotiveerd dat er géén sprake zou zijn van significante negatieve effecten?
Daar ben ik van op de hoogte.
Ook mijn ambtsvoorganger bestreed het oordeel van de rechtbank en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het oordeel van de rechtbank is door de hogere rechter vernietigd. Dat deed zij niet op inhoudelijke gronden, maar vanwege een procedureel aspect. De vernietiging betekent wel dat het eerdere inhoudelijke oordeel van de rechtbank ook is komen te vervallen. Dat betekent dat er geen specifiek rechterlijk oordeel meer is over een mogelijk verband tussen de garnalenvisserij en een verhoogde aanwezigheid van ensisbestanden (die als hypothese overige soorten zouden kunnen verdringen en het bodemprofiel zouden kunnen veranderen).
Erkent u dat deze uitspraak aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor zowel Belgische als Nederlandse garnalenvissers en invloed heeft gehad op lopende Wet natuurbescherming trajecten?
Ik ben me ervan bewust dat de uitspraak veel teweeg heeft gebracht onder vissers en voor gevoelens van onzekerheid heeft gezorgd.
Dat het onderzoek genuanceerd moest worden, is eerder al in de nieuwe Passende Beoordeling die ik aan mijn aanstaande vergunningverlening ten grondslag leg, geconcludeerd. De nuance ligt in de technische onderzoeksopzet. De recente publicatie van Van der Meer et al.is daarmee in lijn en dus volgend op die bevindingen. In die zin heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank waarin de natuurvergunning van de Belgische garnalenvissers werd vernietigd, dus geen inhoudelijke invloed gehad op de lopende Wet natuurbescherming trajecten.
Ik vind betrouwbaarheid vanuit de overheid en toekomstperspectief voor onze vissers van groot belang. Daarom heb ik sinds het verlopen van de natuurvergunningen, onder strenge voorwaarden, de garnalenvisserij gedoogd. Men kon dus wel doorvissen, maar deze uitspraak heeft wel tot onrust en onzekerheid binnen deze sector geleid. Dat betreur ik.
Erkent u dat de conclusies van het nieuwe onderzoek «Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij» de hypothese uit het oudere onderzoek over de dosis-responsrelatie niet ondersteunen?
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van het voorzorgsbeginsel, de juridische houdbaarheid van eerdere visserijbeperkingen als blijkt dat cruciale aannames over negatieve ecologische effecten niet wetenschappelijk onderbouwd zijn?
Bent u bereid om, op basis van dit nieuwe onderzoek, bestaande of voorgenomen maatregelen ten aanzien van de garnalenvisserij te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om Belgische garnalenvissers opnieuw een vergunning te verlenen, nu dit nieuwe onderzoek beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb reeds, met het medio maart van dit jaar laten publiceren van de ontwerpvergunningen voor de Belgische garnalenvissers, aangegeven deze groep van vissers opnieuw een vergunning te willen verlenen.
Wordt dit nieuwe rapport gedeeld met relevante adviesorganen, zoals de Commissie voor de milieueffectrapportage of ecologische adviesgroepen binnen het Natura 2000-beheer?
Ik zal dit nieuwe rapport bij Rijkswaterstaat (als beheerder van diverse mariene Natura 2000-gebieden) onder de aandacht brengen. Waar aan de orde zal ik, voor zover de Commissie voor de milieueffectrapportage nog niet hiermee bekend is, haar hierop in relevante dossiers tevens attenderen.
Het opiniestuk ‘Er is geen verband tussen geitenboerderijen en longontstekingen bij omwonenden’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk van dierenarts Piet Vellema in De Stentor van 7 mei 2025, waarin hij stelt dat er geen consistent en aantoonbaar verband is tussen geitenhouderijen en longontstekingen bij omwonenden?
Ja, ik heb het stuk onder ogen gekregen. Het is mij ook bekend dat het stuk op 9 mei 2025 na een inhoudelijke reactie van het RIVM door de Stentor van de website is verwijderd. Het opiniestuk is nu niet meer in te zien.
Hoe reageert u op de bewering dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport waarheidsvinding frustreren door het niet verstrekken van de in het debat door de BBB gevraagde gegevens?
Ik deel die bewering niet. Tijdens het Commissiedebat Zoönosen en Dierziekten van 6 februari jl. heeft Kamerlid Van der Plas (BBB) het verzoek gedaan om de gegevens van de vragenlijsten van patiënten in de patiëntenstudie die deel uitmaakt van het VGO-III onderzoek te kunnen inzien. Ik heb zo goed mogelijk aan dat verzoek voldaan. Het delen van data van individuele patiënten is echter gebonden aan privacywetgeving en daarom is de database niet zondermeer openbaar gemaakt. De data zijn als vertrouwelijk stuk ter inzage gelegd voor Tweede Kamerleden1, geanonimiseerd en waar nodig beperkt zodat de privacy van de personen gewaarborgd blijft en aan alle wettelijke vereisten daaromtrent wordt voldaan.
Hoe kan het dat in een dergelijk groot onderzoeksgebied slechts 108 patiënten zijn geïdentificeerd die voldeden aan de gestelde criteria? Acht u dit aantal representatief genoeg om daar verstrekkende conclusies aan te verbinden?
De conclusie over verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden van geitenhouderijen is gebaseerd op meerdere, opeenvolgende studies van gegevens uit elektronische patiëntendossiers. De studies bekeken elk gegevens uit 58.000 tot meer dan 100.000 elektronische dossiers per jaar. Bij elke studie werden er door huisartsen duizenden daadwerkelijke longontstekingen vastgesteld. Uit de analyse van de onderzoekers bleek dit ruim voldoende om deze conclusie op te baseren.
Daarnaast is voor het vaststellen van de mogelijke oorzaak van het verhoogde aantal longontstekingen in de nabijheid van geitenhouderijen een gezondheidsstudie opgezet. Dat er maar 108 patiënten met longontsteking mee deden aan deze gezondheidsstudie, is voor de conclusie over het verband tussen wonen in de buurt van een geitenhouderij en het risico op longontstekingen als zodanig niet relevant. Wel wordt in het rapport aangegeven dat het moeilijk te bewijzen is dat de longontstekingen bij mensen rondom geitenhouderijen direct worden veroorzaakt door de bacteriën uit de geitenstallen. Wel zijn de gevonden bacteriën een mogelijke verklaring voor het feit dat de longontstekingen vaker voorkomen.
Zoals in het rapport van het RIVM beschreven staat2, konden er slechts 108 patiënten worden geïncludeerd voor de patiëntenstudie, met name door de COVID-19-pandemie. Patiënten met luchtwegklachten kwamen minder vaak naar de huisarts voor een face-to-face-consult. De coronamaatregelen (afstand, lockdown) speelden hierbij een rol. Daarnaast werd de zorg in de huisartspraktijk in die periode anders georganiseerd. Patiënten gingen minder vaak naar de huisarts vanwege aanwezige teststraten en hoestspreekuren; anderzijds waren huisartsen ook erg druk door de pandemie en hadden zij minder tijd om patiënten te vragen om aan deze studie mee te doen en extra keel- en neusswabs af te nemen.
Kunt u, in aanvulling op de eerdere schriftelijke vragen van deze leden over de onafhankelijkheid van de review op het VGO-III onderzoek (kenmerk 2024Z04493), toezeggen dat niet alleen de afzonderlijke deelrapportages, maar ook het integrale eindrapport door een transparant en onafhankelijk peer review-proces zal worden beoordeeld, aangezien uiteindelijk het rapport als één geheel beleidsmatig wordt gewogen?
Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd om op basis van VGO-III te adviseren over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen. De Gezondheidsraad is een onafhankelijke wetenschappelijke adviesraad met als wettelijke taak regering en parlement te adviseren over de stand van de wetenschap op het gebied van volksgezondheid.
De Gezondheidsraad zal ingaan op de vraag wat er is af te leiden uit de wetenschappelijke literatuur over het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en het risico op longontsteking. De Raad beschouwt hierbij de resultaten van VGO-III en van alle eerder gepubliceerde onderzoeken en zal daarmee ook het integrale eindrapport van VGO-III beoordelen.3
Zoals in de beantwoording van uw eerdere schriftelijke vragen hierover aangegeven, is het VGO-onderzoek overigens al meermaals gereviewed en positief beoordeeld. In 2020 is een intercollegiale review gedaan en daarnaast zijn er al vele artikelen over het VGO-onderzoek in internationale wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd, waarbij steeds onafhankelijke wetenschappers om een beoordeling worden gevraagd. Het VGO-III rapport zal ook nog tot meerdere publicaties leiden, inclusief bijbehorende reviews.4
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het tweeminutendebat Zoönosen en dierziekten?
Nee, dat is helaas niet gelukt. Wel worden de vragen beantwoord voor het volgende commissiedebat Zoönosen en dierziekten.
Bent u ervan op de hoogte dat Nederlandse visserijbedrijven met een buitenlandse vlagregistratie, die wel degelijk in Nederland zijn gevestigd en hier belastingplichtig zijn, momenteel geen toegang hebben tot Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF)-subsidies?
Ja.
Bent u op de hoogte van de situatie waarin vissersvaartuigen, die behoren tot volledig in Nederland gevestigde besloten vennootschappen, geen aanspraak kunnen maken op EMFAF-subsidies noch in Nederland, noch in de Europese Unie (EU)-lidstaat waaronder het vaartuig is geregistreerd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat bedrijven die in Nederland belasting betalen, bijdragen aan werkgelegenheid en geraakt zijn door beperkende maatregelen, worden uitgesloten van verduurzamingsregelingen enkel vanwege de vlagregistratie van hun vaartuigen?
De middelen die beschikbaar worden gesteld in het kader van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) voor onder meer investeringen worden voor 30% betaald met middelen van de Nederlandse Staat en voor 70% vanuit de EU. Voor de besteding van de EMFAF-middelen heeft iedere lidstaat een nationaal programma opgesteld met maatregelen en de bijbehorende doelen. Het Nederlandse EMFAF programma en de voorwaarden voor de specifieke subsidieregelingen zijn afgestemd met de sector. De maatregelen en doelen moeten passen binnen het kader van de Europese EMFAF-verordening.1 Na goedkeuring van de Europese Commissie, is het Nederlandse EMFAF programma op 23 december 2022 met uw Kamer gedeeld (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1502) en is gestart met de uitwerking van subsidieregelingen. De doelgroep van een specifieke subsidieregeling wordt bepaald door het doel daarvan. De keuze is daarbij gemaakt dat de middelen bestemd zijn voor vissersvaartuigen die Nederlands gevlagd zijn en niet voor vaartuigen die deel uitmaken van een buitenlandse vloot. De redenering hierbij is dat vissersvaartuigen met een Nederlandse vlag direct bijdragen aan de Nederlandse economie of andere Nederlandse belangen. Ik zie, net als het lid van der Plas, dat vissers met niet-Nederlands gevlagde vissersvaartuigen ook voor een deel bij dragen aan de Nederlandse economie. Echter, deze vissers hebben bewust gekozen om niet te vallen onder de rechten en plichten die de Nederlandse vlag biedt. Indien de doelgroep voor specifieke subsidieregelingen zou worden uitgebreid naar niet-Nederlands gevlagde vissersvaartuigen, dan rijst de vraag in hoeverre Nederlandse middelen ten goede komen aan de Nederlandse economie of de ondersteuning van de Nederlandse vloot.
Kunt u toelichten waarom Nederland ervoor heeft gekozen om in het kader van de EMFAF-subsidies uitsluitend vaartuigen met een Nederlandse vlagregistratie in aanmerking te laten komen, terwijl het hier gaat om Europese middelen die zijn bedoeld om vissers in de gehele EU te ondersteunen bij verduurzaming?
Het nationaal programma EMFAF met de daarin opgenomen maatregelen is primair bedoeld voor de ondersteuning van de Nederlandse vissersvloot. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Wat is uw oordeel over het feit dat deze bedrijven worden uitgesloten door de vlagstaten wegens hun vestiging in Nederland, terwijl zij tegelijkertijd door Nederland worden uitgesloten vanwege hun vlagregistratie? Deelt u de mening dat deze bedrijven hierdoor tussen wal en schip vallen wat betreft Europese subsidieregelingen?
Lidstaten kunnen zelf binnen de kaders van het EU-recht bepalen hoe zij de beschikbare EMFAF-middelen verdelen. Het is een bedrijfskeuze van deze visserijbedrijven geweest om een vaartuig in het vlootregister van een andere (lid)staat in te schrijven, terwijl ze wel in Nederland gevestigd zijn. Ondanks dat onderhavige ondernemers de Nederlandse nationaliteit hebben, is het vissersvaartuig dat zij bezitten op zichzelf het subject waarvoor subsidie wordt verleend. Aangezien het vaartuig onder een andere vlag vaart dan de Nederlandse, gaat dit dan ook om buitenlandse subjecten, die niet voor subsidie in aanmerking komen. Ik zie, net als het lid Van der Plas, dat de Nederlandse keuzes rond het verdelen van de EMFAF-middelen in combinatie met de keuzes van andere landen kunnen leiden tot bedrijven die tussen wal en schip vallen en daardoor in onzekerheid raken.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om de nationale criteria voor EMFAF-subsidies zodanig aan te passen, dat ook visserijbedrijven met een buitenlandse vlag maar met een Nederlandse BV-structuur en belastingplicht in aanmerking kunnen komen?
Zoals ik ook al in antwoord op vraag 3 heb benoemd, geldt dat de subsidies moeten passen binnen het Nederlandse EMFAF programma en dat dit programma met diens voorwaarden is afgestemd met de sector. Ik zie geen aanleiding om te onderzoeken of het mogelijk is om nationale criteria voor EMFAF-subsidies zodanig aan te passen zodat niet-Nederlands gevlagde vissersvaartuigen in aanmerking komen voor EMFAF-subsidies.
Kunt u bevestigen of de huidige uitsluitingen zijn gebaseerd op bindende EU-richtlijnen of dat lidstaten binnen deze kaders beleidsvrijheid hebben? Bent u dan bereid deze in te zetten ten gunste van deze groep ondernemers, indien er sprake is van beleidsvrijheid?
Zoals ik ook al heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag 3 en 6, moeten de subsidies passen binnen het Nederlandse EMFAF programma. In ogenschouw moet verder worden genomen dat veruit de meeste nationale en Europese subsidies vereisten kennen op de subsidieverlening die zien op vangsten, visserijactiviteit in visdagen, etc. De voornoemde gegevens worden geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van vaartuigen die ingeschreven staan in het Nederlandse register voor vissersvaartuigen. Gegevens van buitenlandse vaartuigen die nodig zijn om te kunnen beoordelen of een (eigenaar van een) vaartuig in aanmerking komt voor subsidie, worden niet door de RVO verzameld en zijn dus ook niet direct toegankelijk. Belangrijke gegevens zoals inbreukpunten en visdagen zijn niet of nauwelijks te achterhalen bij andere landen. Hierdoor kan niet worden gecontroleerd of een dergelijk vaartuig in aanmerking komt voor subsidie. Het voorgaande brengt consequenties voor de uitvoering en het risico op hogere administratieve lasten met zich mee.
Hoeveel visserijbedrijven in Nederland verkeren momenteel in de situatie waarbij zij vanwege hun vlagregistratie geen toegang hebben tot EMFAF-subsidies?
Het exacte aantal niet-Nederlands gevlagde vissersvaartuigen van Nederlandse visserijbedrijven is niet bekend. De RVO houdt alleen bij welke vaartuigen in Nederland zijn ingeschreven in het Nederlands register voor vissersvaartuigen. Visserijbedrijven zonder Nederlandse vaartuigen zijn bij de RVO niet in beeld. Evenmin is bekend wat de activiteiten van Nederlandse visserijbedrijven buiten Nederland zijn.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met vertegenwoordigers van deze visserijbedrijven en brancheorganisaties, met als doel gezamenlijk tot een werkbare oplossing te komen?
Zoals eerder aangegeven ben ik reeds bekend met de zorgen die de vissers hebben. Hoewel ik altijd open sta voor gesprek, wil ik de verwachtingen wel temperen. Dit gezien op de hiervoor genoemde argumenten.
Het binnendringen van stallen |
|
Thom van Campen (VVD), Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Aangezien het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de uitspraak van 16 december 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:4005) erop wijst dat «van wederrechtelijk binnendringen als bedoeld in art. 138 Sr volgens de Hoge Raad evenwel geen sprake [is] indien buiten twijfel is gesteld dat «dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd is», waarbij onder andere kan worden gedacht aan het binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit uitoefenen van het demonstratierecht»; hoe interpreteert u dat er volgens de Hoge Raad geen sprake is van «wederrechtelijk» binnendringen in de zin van artikel 138 als «dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd is», onder andere bij het uitoefenen van het demonstratierecht?
Ik heb begrip voor het ongemak dat het vonnis bij sommigen zal opleveren. Tegelijkertijd is er wel sprake van een rechterlijk en onafhankelijk vonnis dat we hebben te respecteren en dat ik als Minister ook niet inhoudelijk zal becommentariëren.
Het begrip «wederrechtelijk binnendringen» in artikel 138 Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) wordt in algemene zin geïnterpreteerd als het zonder recht of toestemming betreden van een besloten ruimte. Een besloten ruimte hoeft hiervoor niet afgesloten te zijn met bijvoorbeeld een slot.
Specifiek gaat het in dit soort situaties over twee grondrechten, het recht op eigendom en het recht om te demonstreren (wat voortkomt uit het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vereniging en vergadering). Het is aan de rechter om per geval – in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit – te beoordelen of een inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd binnen de context van een demonstratie. Daarbij kijkt de rechter bijvoorbeeld naar het karakter van de demonstratie en de mate van de inbreuk op het eigendomsrecht. Dat kan betekenen dat wanneer de rechter in een bepaalde situatie tot het oordeel komt dat een demonstratie binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit valt, er geen sprake is van wederrechtelijk binnendringen in de zin van artikel 138 Sr.
Het kabinet wil in algemene zin een scherper onderscheid te maken tussen ontwrichtende acties en vreedzame demonstraties. Ook bij het illegaal betreden en/of bezetten van stallen kan zo’n onderscheid aan de orde zijn. Het eerder aangekondigde onderzoek dat via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) wordt uitgevoerd verkent de mate waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in de zomer van 2025 verwacht en zullen hier naar verwachting aan bijdragen.
Meent u dat de uitzondering die de Hoge Raad toelaat ook op private verhoudingen mag worden toegepast of enkel tussen overheid en burger?
De afweging tussen grondrechten, zoals het demonstratierecht en het eigendomsrecht, kan zowel in de verhouding tussen overheid en burger als in private verhoudingen aan de orde zijn. Het is aan de rechter om in elk individueel geval te beoordelen hoe deze belangen zich tot elkaar verhouden en of er sprake is van een rechtvaardiging voor het handelen.
Deelt u de analyse dat de rechtbank blijkbaar het demonstratierecht laat prevaleren boven het eigendomsrecht? En zo ja, acht u het aanvaardbaar dat daarmee een demonstratie wordt uitgezonderd van een strafrechtelijke bepaling die bedoeld is gebruikers van onroerend goed te beschermen tegen binnendringers, zolang een rechter bepaalt dat een wederrechtelijke demonstratie gerechtvaardigd is doordat deze «binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit» blijft? Zo nee waarom niet en kunt u dit dan duiden?
Het is niet aan mij om rechterlijke uitspraken te becommentariëren.
In antwoord op eerdere Kamervragen heeft u gesteld dat «de huidige wetgeving voldoende handvatten [biedt] om op te treden bij een illegale stalbezetting,» i.e. vervolging voor huisvredebreuk (artikel 138 Sr) en verboden toegang (artikel 461 Sr), maar klopt het dat u op basis van de voorliggende uitspraak onze conclusie beaamt dat er blijkbaar sprake moet zijn van het bewezen forceren van deuren voordat de rechter uitgaat van braak en daarmee van het wederrechtelijk binnendringen? Zo nee, waarom niet en kunt u dit dan duiden?
Artikel 138 Sr vereist geen fysieke braak voor strafbaarheid. Het kan voldoende zijn als onmiskenbaar was dat de rechthebbende niet wilde dat werd binnengetreden, dan wel als degene die binnen is getreden zich niet verwijdert nadat de rechthebbende dat van hem vordert. Het artikel luidt namelijk:
Zoals in het antwoord op vraag 1 is benoemd, hangt de beoordeling of sprake is van wederrechtelijkheid af van de specifieke feiten en omstandigheden in een individuele zaak en is die beoordeling aan de rechter. Op de vraag of het toevoegen van beveiligingsmaatregelen tot een ander rechterlijk oordeel zal leiden, kan ik niet vooruitlopen. Ook daar waar wél sprake is van braak, zal nog altijd een beoordeling van feiten, omstandigheden én weging van proportionaliteit en subsidiariteit zijn. Zoals het Hof zelf aangeeft: «Indien de varkensstallen zouden zijn betreden middels braak of verbreking, zou dat afbreuk kunnen doen aan de proportionaliteit»
Zo ja, zou dat dus betekenen dat iedereen zijn of haar stal met stevige sloten moet vergrendelen, bij voorkeur inclusief camerabewaking, om te kunnen bewijzen dat er sprake is van braak en om te voorkomen dat activisten ongewenst binnentreden? Vindt u dit proportioneel en zou dit dan ook moeten gelden voor andere mensen en bedrijven in Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de aanscherping van het interne politie «Handelingskader en de tolerantiegrenzen dierenrechtactivisme/-extremisme» naar aanleiding van de motie-Van Campen/Michon-Derkzen (Kamerstuk 28 286, nr. 1312) enig praktisch effect, zolang er geen sprake is van wederrechtelijk binnendringen omdat niet bewezen kan worden dat deuren zijn geforceerd of omdat er geen sloten op de deur zaten en waardoor activisten zich kennelijk succesvol kunnen beroepen op het demonstratierecht?
Het «handelingskader en de tolerantiegrenzen dierenrechtactivisme/-extremisme» biedt richtlijnen voor politieoptreden bij acties die mogelijk strafbaar zijn en/of de openbare orde verstoren. Dit kader blijft effectief, ongeacht de uitkomst van individuele zaken. Zoals in het antwoord op de vragen 4 en 5 al is toegelicht vereist artikel 138 Sr niet dat er sprake is van forcering of braak.
Bij hoeveel ordeverstorende acties waarop geen enkele strafrechtelijke sanctie volgt, bent u bereid uw standpunt te overwegen dat wetswijziging niet noodzakelijk is om het recht op eigendom te eerbiedigen en te voorkomen dat het begrip «wederrechtelijk binnendringen» verder wordt beperkt, aangezien u in de bovengenoemde beantwoording schrijft dat de huidige wetgeving voldoende handvatten heeft om op te treden bij een illegale stalbezetting?
Ik heb er begrip voor dat het voor veehouders heel moeilijk kan zijn om te worden geconfronteerd met actievoerders die zonder toestemming hun stallen betreden.
In het voorliggende geval heeft het Hof een afweging gemaakt waaruit het oordeel is gekomen dat er geen sprake is van wederrechtelijk binnendringen. In een eventueel nieuw geval zal er een nieuwe afweging moeten worden gemaakt. Er is op voorhand niet te zeggen hoe een rechter een individueel geval zal beoordelen.
Het kabinet ziet vaker dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten en wenst daarom een scherper onderscheid te maken tussen ontwrichtende acties en vreedzame demonstraties. Ook bij het illegaal betreden en/of bezetten van stallen kan zo’n onderscheid aan de orde zijn. Het in antwoord 1 vermelde WODC-onderzoek verkent de mate waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in de zomer van 2025 verwacht en zullen hier naar verwachting aan bijdragen. Mocht dit onderzoek aanleiding geven tot aanpassingen in de wet, dan zal ik deze in overweging nemen.
Is de aanname correct dat de wet aangepast dient te worden om vast te leggen dat ook zonder het forceren van deuren sprake kan zijn van braak en daarmee het wederrechtelijk binnendringen van stallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u technisch uitleggen hoe artikel 138 Sr of een ander wetsartikel aangepast zou moeten worden om te bewerkstelligen dat rechters in de toekomst het wederrechtelijk binnendringen van huizen, erven en stallen ook bewezen kunnen verklaren zonder dat er sprake is van braak? Bent u bereid om na te gaan bij het Openbaar Ministerie waarom zij ervoor hebben gekozen om niet in cassatie te gaan tegen deze uitspraak?
Nee, omdat artikel 138 Sr al voorziet in strafbaarstelling van binnendringen zonder braak, acht ik een wetswijziging momenteel niet nodig.
Het is aan het OM om te bepalen wanneer het cassatie instelt. In algemene zin kan ik zeggen dat in cassatie niet alle inhoudelijke aspecten van een zaak worden beoordeeld, maar enkel of de lagere rechter (rechtbank of gerechtshof) het recht juist heeft toegepast.
De door het ministerie van I&W uitgezette enquête over geur van veehouderijen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitgezette enquête over geur van veehouderijen?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom in de enquête eenzijdige en sturende vragen worden gesteld, zoals de vraag: «Heeft de geur van de stallen van veehouderij(en) in uw woonomgeving weleens invloed op uw (sociale) leven? Bijvoorbeeld doordat u minder vaak bezoek wilt ontvangen of dat u minder aan buitenactiviteiten doet, zoals buiten zitten, fietsen, sporten of tuinieren?» Deelt u de mening dat een dergelijke sturende vraag gevolgen kan hebben voor de objectiviteit van dit onderzoek?
Ik begrijp dat het onderwerp geurbeleving uit stallen van veehouderijen gevoelig ligt, zowel bij veehouders, als omwonenden en andere belanghebbenden. De enquête, die is uitgezet bij omwonenden van veehouderijen in zes gemeenten, is onderdeel van een participatietraject. De enquête bevat vragen over geurbeleving. Om dit zo zorgvuldig mogelijk te doen en niet sturend te zijn, heb ik een extern bureau (Antea Group) opdracht gegeven om de enquête op te zetten en uit te voeren. De enquête is zowel naar omwonenden als veehouders in de omgeving gestuurd. Elk antwoord op de vragen wordt gelijk gewogen.
Ter achtergrond: dit traject is aangekondigd aan de Tweede Kamer in de planningsbrief «Traject aanpassing geurregelgeving veehouderijen van november 2024».2 Het is onderdeel van het aangekondigde regelgeving wijzigingstraject rondom geur van stallen van veehouderijen.
Het horen en betrekken van alle belanghebbenden via een participatietraject hoort bij een zorgvuldig beleidsproces. Het uiteindelijke doel is te komen tot een evenwichtige afweging van alle betrokken belangen. Daarvoor is het nodig dat alle belangen worden geïnventariseerd en meegewogen. Naast deze geurbelevingsenquête bij omwonenden zullen er gesprekken plaatsvinden met andere belanghebbenden op dit onderwerp, zoals de veehouderijsectoren, overheden, milieuverenigingen, de GGD en onderzoeksinstituten. In de toelichting bij de enquête wordt aangeven dat er een breder participatietraject zal plaatsvinden waarin alle belangen gehoord zullen worden. Het onderwerp geurbeleving uit stallen leeft erg onder veehouders, omwonenden en andere belanghebbenden. Daarom is het belangrijk om alle perspectieven te horen, waarbij dit onderzoek slechts één onderdeel is bij het in beeld brengen van het bredere onderwerp.
De inzichten uit de enquête zullen samen met alle andere bevindingen uit het participatietraject worden meegenomen zoals gebruikelijk is in een beleidsvormingsproces. Uiteindelijk zullen concrete voorstellen voor aanpassing van regelgeving in consultatie gaan en aan de Kamer worden voorgelegd.
Waarom wordt in zo'n eenzijdige en sturende enquête een financiële beloning in het vooruitzicht gesteld voor deelnemers?
Het is vrij gebruikelijk bij belevingsenquêtes om deelname te bevorderen door het beschikbaar stellen van een mogelijke prijs. Bij deze enquête is ervoor gekozen om VVV-bonnen van 30 euro onder deelnemers te verloten. Dit wordt ingezet om deelname van een grotere en evenwichtigere groep mensen te bevorderen. Burgers met een sterke mening doen immers sneller mee, dan burgers met een minder sterke mening of burgers die weinig stilstaan bij de ontwikkeling rondom de regelgeving. Deze groep kun je motiveren tot deelname met een potentiële prijs. Dit moet bijdragen aan het doel om een genuanceerd en completer beeld te genereren over de geurbeleving van omwonenden.
Deelt u de mening dat een financiële prikkel mensen kan aansporen om negatief te antwoorden?
Een eventuele VVV-bon wordt gegeven na verloting en staat geheel los van de antwoorden. Zoals aangegeven is het verloten van VVV-bonnen vrij gebruikelijk bij belevingsenquêtes en kan het bijdragen aan het doel om een genuanceerd en completer beeld te generen.
Kunt u verklaren hoe de vragen in deze enquête tot stand zijn gekomen en wie gewerkt hebben aan de opzet van het onderzoek en de vragen?
Voor begeleiding van het participatietraject heb ik extern bureau Antea Group ingeschakeld. Dit bureau heeft de vragen en keuzemogelijkheden in samenspraak met het Ministerie van IenW opgesteld. Daarbij zijn de betrokken gemeenten ook in de gelegenheid gesteld om mee te denken.
Kunt u alle correspondentie omtrent de totstandkoming van dit onderzoek en deze vragen openbaar maken?
Het rapport over het eerste deel van het participatieonderzoek naar de geurbeleving van omwonenden wordt door het onderzoeksbureau uiterlijk in het derde kwartaal van 2025 opgeleverd. Daarin zal ook de onderzoeksmethodiek nader verantwoord worden. Ik zal de Tweede Kamer hierover tijdig informeren.
Waar zijn deze folders precies allemaal verspreid en hoeveel folders zijn er verspreid? Kunt u hierbij niet alleen de gemeenten noemen, maar specifiek aangeven in welke gebieden en op hoeveel meter afstand de mensen wonen van een veehouderij?
De flyers zijn verspreid in gebieden van zes gemeenten verspreid over het land. Er zijn in totaal 1828 flyers verstuurd. Hierbij is gekozen voor een aantal gemeenten in concentratiegebieden (Venray, Land van Cuijk, Ede en Tubbergen) en een aantal gemeenten in niet-concentratiegebieden (Molenlanden en Midden-Drenthe). De afstand tussen de woningen en de veehouderijen verschilt. Ook is er in sommige gevallen sprake van de aanwezigheid van meerdere veehouderijen in de omgeving. Om individuele herleidbaarheid te voorkomen, is het niet wenselijk om op detailniveau aan te geven in welke specifieke gebieden binnen de gemeentes de vragenlijst is uitgezet.
Waarom is specifiek voor deze gebieden gekozen?
De gekozen gebieden zijn verspreid over het land zodat burgers in de verschillende gebieden de gelegenheid hebben te participeren en om zo een breed beeld te krijgen van de geurbeleving van omwonenden van veehouderijen. Bij de gebiedsselectie is rekening gehouden met een verdeling tussen gemeenten in en buiten concentratiegebieden en met de aard van de in dat gebied gevestigde veehouderijen.
Zijn er soortgelijke onderzoeken over andere sectoren? Zo ja, welke en kunt u deze folders delen met de Kamer?
Belevingsonderzoeken zijn integraal onderdeel van participatieprocessen die horen bij het beleidsproces. Een van de bekendere en grotere belevingsonderzoeken is de belevingsvlucht Lelystad Airport uit 20183. Er worden niet voor elk belevingsonderzoek folders gemaakt, per beleidsthema wordt gekeken op welke manier de doelgroep het beste te bereiken is.
Indien dit soort onderzoeken (met folderverspreiding, of via internet) ook over andere sectoren zijn gehouden, wat is met de resultaten gedaan en tot welk beleid heeft dit geleid?
Dit soort onderzoeken zijn gebruikelijk bij participatieprocessen in het kader van een zorgvuldige proces bij de totstandkoming van Rijksbeleid en wetgeving. Het verschilt per beleidsonderwerp wat er met de resultaten is gedaan en tot welk beleid dit heeft geleid.
Hoe waarborgt u dat de uitkomsten van deze enquête niet worden gebruikt als een legitimering voor beleid zonder dat er sprake is van een objectieve, wetenschappelijke en evenwichtige analyse van geurbeleving, omdat het onderzoek door deze opzet de objectiviteit en wetenschappelijke betrouwbaarheid mist?
Ik begrijp dat het uitvoeren van een enquête over geurbeleving van omwonenden tot zorgen kan leiden bij de veehouder. In de toelichting van de enquête wordt uitgelegd dat er een breder participatietraject zal plaatsvinden waarin alle belangen zorgvuldig gehoord en meegenomen zullen worden. Het is belangrijk voor een goede beleidsontwikkeling dat duidelijk wordt wat er leeft onder burgers. Participatie is daarom een vast onderdeel van beleidsontwikkeling. Het gaat hier specifiek om een geurbelevingsonderzoek onder omwonenden van veehouderijen dat onderdeel is van een breder participatietraject, waarbij de belangen, ideeën, wensen, behoeften en zorgen van alle betrokken partijen gehoord en betrokken zullen worden. Door alle belanghebbenden actief te betrekken bij de totstandkoming van nieuw beleid wordt informatie verzameld die een evenwichtig beeld van alle belangen geeft voor de uiteindelijke beleids-en besluitvorming. Ook wordt er onderzoek uitgevoerd over de eventuele impact van verschillende beleidsopties, voordat er beleidsconclusies volgen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het Ministerie van I&W belastinggeld inzet voor een enquête waarin burgers financieel worden gestimuleerd om klachten te uiten over een specifieke sector?
Het past bij een goede beleidsvorming om te vragen wat betrokkenen vinden en ervaren. Het verloten van een VVV bon (30 euro) onder de deelnemers aan een enquête is, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, vrij gebruikelijk en is bedoeld om zoveel mogelijk mensen te bewegen aan de enquête deel te nemen.
Hoeveel geld wordt jaarlijks beschikbaar gesteld door uw ministerie en andere ministeries om burgers te betalen om deel te nemen aan onderzoeken?
Dit is niet bekend of te achterhalen want dit wordt niet apart bijgehouden. Het vragen naar wat betrokkenen ergens van vinden maakt deel uit van de reguliere beleidsvoorbereiding.
Deelt u de mening dat de overheid met dit soort onderzoeken boeren in een kwaad daglicht zet en bijdraagt aan een negatief beeld over de sector?
Ik begrijp dat het onderwerp geur van stallen van veehouderijen in de maatschappij leeft, zowel bij veehouders als bij omwonenden en andere belanghebbenden. Als onderdeel van het brede participatieproces zullen alle perspectieven in beeld worden gebracht.
Erkent u dat geurbeleving subjectief is en dat wat de een niet als geurbelasting ervaart, iemand anders wel zo kan ervaren?
Geurbeleving gaat zoals het woord zegt over hoe iemand geur ervaart. Dat is aan de ene kant persoonlijk. Maar aan de andere kant is het ook zo dat – los van hoe iemand zelf geur precies ervaart – bekend is dat hoe hoger de geurbelasting is, hoe hoger de ervaren geurhinder zal zijn.
Deelt u de mening dat de mate van geurbelasting wetenschappelijk onderzocht dient te worden en niet via folders huis-aan-huis?
Dit onderzoek gaat niet over geurbelasting, maar over geurbeleving.
Bent u bereid de enquête per direct op te schorten en opnieuw te laten beoordelen op objectiviteit en effect op de agrarische sector? Zo nee, waarom niet?
De enquête is zoals aangegeven in de antwoorden op bovenstaande vragen onderdeel van het reguliere participatietraject dat hoort bij een zorgvuldige beleidsvoorbereiding. Ik zal de enquête daarom niet opschorten. Het is begrijpelijk dat het uitvoeren van een enquête over geurbeleving van omwonenden tot zorgen kan leiden bij veehouders. Ik wil benadrukken dat in de toelichting van de enquête wordt uitgelegd dat er een breder participatietraject zal plaatsvinden waarin alle belangen en zorgen zorgvuldig worden gehoord en meegenomen. Het participatietraject dient ervoor te zorgen dat iedereen zich gehoord en begrepen voelt. Het is van belang om een goede balans vinden tussen de verschillende belangen bij de uiteindelijke beleidsvorming. Dit onderzoek draagt daar deels aan bij. Zodra de onderzoeksresultaten beschikbaar zijn worden deze kritisch bekeken en wordt er gekeken hoe deze in een vervolg worden meegenomen.
De onafhankelijkheid en transparantie van de review op het VGO-III-onderzoek |
|
Caroline van der Plas (BBB), Cor Pierik (BBB) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het opiniestuk «Onafhankelijk VGO-review blijkt vriendendienst», gepubliceerd in Food+Agri Business en wat is uw reactie op de zorgen die hierin worden geuit over de onafhankelijkheid en transparantie van de review op het VGO-III-onderzoek?
Ja.
Deelt u de mening dat een wetenschappelijk geaccepteerde peer review noodzakelijk is om de validiteit van het VGO-III-onderzoek te beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Ten algemene geldt dat een wetenschappelijke peer review bijdraagt om de validiteit van wetenschappelijk onderzoek te beoordelen.
Het VGO-III onderzoek bestaat uit een serie deelrapporten en een integraal eindrapport. Naast deze rapporten zijn er 33 internationale wetenschappelijke publicaties verschenen over of gerelateerd aan VGO-I, VGO-II en VGO-III. Deze staan allemaal gepubliceerd op de website van het RIVM.1 Daarnaast zijn de onderzoekers bezig met het schrijven van internationale wetenschappelijke publicaties over de eindresultaten van VGO-III. In totaal worden er 7 à 8 publicaties voorzien. Elke publicatie in een internationaal wetenschappelijk tijdschrift gaat gepaard met een onafhankelijke peer review. De VGO-(deel)onderzoeken zijn derhalve meermaals peer reviewed en positief beoordeeld.
Daarnaast heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd om een review uit te voeren. Ook deze uitkomsten waren positief.
Zoals in de Kamerbrief bij het eindrapport VGO-III is aangegeven, is de Gezondheidsraad gevraagd om een nadere duiding te geven van de bewijslast met betrekking tot gezondheidseffecten voor omwonenden van geitenhouderijen, waaronder de VGO-III onderzoeksresultaten, in het licht van de huidige stand van de wetenschap (Kamerstuk 28 973 nr. 259). De Gezondheidsraad zal daarbij het VGO-rapport in een bredere wetenschappelijke context plaatsen. Dit advies wordt in november 2025 verwacht.
Kunt u toelichten hoe is gewaarborgd dat de review op het VGO-III-onderzoek onafhankelijk en transparant is uitgevoerd?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 zijn er peer reviews uitgevoerd op VGO-publicaties in wetenschappelijke tijdschriften, conform de richtlijnen en standaarden van de betreffende tijdschriften.
Daarnaast heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, maar heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. In januari 2025 zijn de externe reviews vrijgegeven aan de ministeries en deze zullen binnenkort ook gepubliceerd worden in het kader van een Woo-verzoek.
Klopt het dat voor de bestaande peer reviews van het VGO-III-onderzoek niet is voldaan aan geldende wetenschappelijke standaarden, zoals in het artikel wordt aangegeven? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
De peer reviews die zijn uitgevoerd ten behoeve van wetenschappelijke publicaties over of gerelateerd aan VGO-I, VGO-II en VGO-III, zijn uitgevoerd conform de standaarden en richtlijnen van de betreffende tijdschriften. Er is geen reden om aan te nemen dat daarbij niet is voldaan aan geldende wetenschappelijke standaarden.
Daarnaast is in 2020 een review uitgevoerd door twee onafhankelijke wetenschappers. De VGO-stuurgroep heeft beide reviewers een verzoek gestuurd met een vijftal specifieke vragen. Drie van deze vragen kwamen voort uit een eerder gevoerde wetenschappelijke discussie binnen het VGO-consortium, waarbij bleek dat er bij één van de leden van het consortium twijfels bestonden over de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken. Over deze wetenschappelijke discussie is uw Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 28 973, nr. 237). Beide reviewers kregen alle verschenen rapporten en verschenen peer reviewed wetenschappelijke publicaties en hebben binnen drie weken hun bevindingen aan de stuurgroep gestuurd. Een dergelijke externe review op initiatief van een onderzoeksgroep kan verschillende vormen hebben, daar zijn geen standaarden voor; het is aanvullend op bovengenoemde peer reviews die worden gedaan ten behoeve van publicatie in wetenschappelijke tijdschriften.
Bent u bereid een nieuwe, onafhankelijke, wetenschappelijk verantwoorde, internationale peer review van het VGO-III-onderzoek te laten uitvoeren door erkende wetenschappers van wie de naam bekend gemaakt mag worden? Zo nee, waarom niet?
De Gezondheidsraad is gevraagd om de resultaten van het VGO-III onderzoek nader te duiden. Dit advies wordt in november 2025 verwacht. De Gezondheidsraad zal onder meer ingaan op wat er nu wel en niet is vast te stellen op basis van de wetenschappelijke literatuur over het verband tussen de nabijheid van geitenhouderijen en het risico op longontsteking.
Zoals in het antwoord op vraag 2 en vraag 3 is vermeld, zijn er al diverse internationale peer reviews uitgevoerd op de (deel)onderzoeken van het VGO-onderzoeksprogramma die zijn gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Deze peer reviews zijn uitgevoerd conform de richtlijnen en standaarden behorend bij de betreffende tijdschriften. Daarnaast is er begin 2020 een review uitgevoerd door twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie, die overwegend positief zijn.
Ook worden er nog 7 à 8 wetenschappelijke publicaties voorzien over VGO-III. Deze wetenschappelijke publicaties zullen gepaard gaan met onafhankelijke, wetenschappelijke, internationale peer reviews. Als opdrachtgevers zien wij geen aanleiding om daarnaast nog een nieuwe onafhankelijke review uit te laten voeren.
Bent u bereid deze peer review (zoals bedoeld in vraag 5), evenals de volledige opdrachtomschrijving en communicatie met de reviewers, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zien wij als opdrachtgevers voor het VGO-III onderzoek geen aanleiding om een onafhankelijke review uit te laten voeren.
Hoe wordt (het gebrek aan) de validiteit van het VGO-III-onderzoek momenteel meegewogen in het beleid rondom veehouderij en volksgezondheid?
Zoals in de Kamerbrief bij het eindrapport VGO-III is aangegeven, is de Gezondheidsraad gevraagd om een nadere duiding te geven van de huidige stand van de wetenschap met betrekking tot gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen (Kamerstuk 28 973 nr. 259). De Gezondheidsraad is inmiddels begonnen met het in kaart brengen van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Daarin wordt ook VGO-III betrokken. Een deel van het advies gaat om de vraag wat er nu wel en niet is vast te stellen op basis van de wetenschappelijke literatuur over het verband tussen de nabijheid van geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Commissies worden zorgvuldig samengesteld met wetenschappelijke experts uit verschillende disciplines. Zodra de commissie is geïnstalleerd wordt de samenstelling van de commissie gepubliceerd op de website van de Gezondheidsraad.2
Wordt er bij beleidsbeslissingen rekening gehouden met de bestaande kritiek op de methodologie en de reviewprocedure van VGO-III? Zo ja, op welke wijze?
Voor zover ons bekend is, is er geen sprake van breed gedragen wetenschappelijke kritiek op de methodologie en reviewprocedure van VGO-III.
De ministeries van VWS en LVVN zijn in 2019 op de hoogte gebracht van een wetenschappelijke discussie binnen het VGO-consortium. Eén organisatie binnen het consortium, waar de auteur van het opiniestuk waar in deze Kamervragen aan wordt gerefereerd destijds werkzaam was, had kritiek op en vragen over de gehanteerde onderzoeksmethoden en -technieken en de interpretatie van de resultaten. Er is begin 2020 een wetenschappelijke discussie gevoerd tussen deze organisatie en de stuurgroep VGO-III. De ministeries zijn na afloop geïnformeerd over de uitkomsten van deze discussie. De stuurgroep heeft vervolgens op eigen initiatief een onafhankelijke review laten uitvoeren.
De toenmalige bewindspersonen hebben als opdrachtgevers destijds besloten om de publicatie van het deelrapport «Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht» (Kamerstuk 28 973, nr. 237) aan te houden tot na de afronding van de wetenschappelijke discussie. Hiertoe werd besloten omdat de wetenschappelijke discussie mogelijk tot aanpassingen aan het rapport zou leiden. Uiteindelijk bleek de discussie daar geen aanleiding toe te geven.
Ten algemene geldt dat het kabinet zich bewust is van het maatschappelijk belang en de ernst van het VGO-III onderzoek. Het is begrijpelijk dat zowel omwonenden als geitenhouders behoefte hebben aan duidelijkheid. Het is daarom van belang dat de vervolgstappen zorgvuldig worden gezet. Op basis van de resultaten van het VGO-III onderzoek en het advies van de Gezondheidsraad gaat het kabinet zich beraden op verdere stappen, in nauwe samenwerking met relevante betrokken partijen.
Kunt u deze vragen voor het Tweeminutendebat Zoönosen en dierziekten(CD6/2), dat in week 13 verwacht wordt, beantwoorden?
Ja.
Inmiddels wordt dit Tweeminutendebat verwacht in week 17.
Abortus vanwege geslacht |
|
Harmen Krul (CDA), Mirjam Bikker (CU), Caroline van der Plas (BBB), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verloskundigen zien abortus om geslacht van het kind na pretecho»?1
Ja.
Deelt u de mening dat abortus vanwege prenatale geslachtsselectie op niet-medische gronden discriminatoir en onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben me ervan bewust dat dit item vragen oproept. Vrouwen besluiten echter niet lichtvaardig over het afbreken van een zwangerschap. Wat we zien in de praktijk is een zorgvuldige afweging van vrouwen, in overleg met hun arts, om te besluiten wat voor hen het beste is.
De makers van de podcast De Koningswens (EO/NPO Radio 1) stellen dat vijftien van de door hen ondervraagde verloskundigen wel eens hebben meegemaakt dat geslacht een rol speelt bij de keuze voor abortus. Ik heb hierop navraag gedaan bij de beroepsgroepen van verloskundigen (KNOV), echoscopisten (BEN) en abortusartsen (NGvA). De KNOV laat weten dat geslachtsbepaling geen medisch verloskundige zorg is. De wijze waarop geslachtsbepalingen plaatsvinden (buiten de reguliere verloskundige zorg dus) verschilt sterk per aanbieder, net als de vroegste termijn van zwangerschap waarop deze echo’s worden uitgevoerd. De KNOV heeft inderdaad geluiden uit het veld opgevangen dat geslachtsteleurstelling een factor kan zijn bij de keuze voor abortus. BEN wijst er voorts op dat de in de EO podcast gehoorde verloskundigen niet kunnen weten of de vrouw die vanwege geslachtsteleurstelling een voornemen tot abortus uitspreekt, daadwerkelijk besluit om haar zwangerschap af te breken, en ook niet of geslachtsteleurstelling de enige of doorslaggevende reden daarvoor was.
Het NGvA erkent dat abortus na geslachtsteleurstelling sporadisch voorkomt, maar benadrukt dat zelfs in die gevallen bijna altijd sprake is van meerdere motieven die bijdragen aan de keuze voor abortus. Soms komen die motieven pas aan de oppervlakte in het open en vertrouwelijke gesprek tussen de arts met de vrouw.
Dit beeld wordt bevestigd in recent wetenschappelijk onderzoek.2 Vaak hangen meerdere motieven onderling met elkaar samen en kan er niet één enkele doorslaggevende reden worden aangewezen voor de keuze voor abortus. Er kan mede daarom niet in algemene zin gesteld worden dat in dergelijke situaties sprake is van discriminatie. De keuze voor abortus enkel vanwege de voorkeur voor een geslacht zou betreurenswaardig zijn.
Deelt u de mening dat het vreemd is als geslachtskeuze om niet medische redenen in het geval van handelingen met geslachtscellen of embryo’s verboden is (artikel 26 Embryowet), maar dat geslachtskeuze wel mogelijk is via abortus? Zo nee, waarom niet?
Op basis van artikel 26, eerste lid Embryowet is het verboden om, op grond van niet-medische redenen, handelingen te verrichten met geslachtscellen of embryo’s met het oogmerk het geslacht van een toekomstig kind te kunnen kiezen. Het gaat dan bijvoorbeeld om geslachtskeuze door middel van spermascheiding of embryoselectie, voorafgaand aan een IVF behandeling. De situatie bij IVF-PGT (een IVF behandeling gecombineerd met een genetische test) waarbij wordt overgegaan tot embryoselectie, is echter onvergelijkbaar met die van abortus. Omdat embryoselectie enkel toegestaan wordt om specifieke medische redenen, kan geslachtskeuze op andere dan de genoemde medische gronden juridisch en praktisch goed worden voorkomen en gehandhaafd.
Abortus valt onder een ander wettelijk kader, namelijk de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). Daar waar bij handelingen met meerdere embryo’s sprake kan zijn van het kiezen van een geslacht, is daar bij abortus strikt genomen geen sprake van. De zwangerschap is immers al tot stand gekomen waardoor er niet meer «geselecteerd» wordt. Het is aan de vrouw zelf, in overleg met haar arts, om een besluit te nemen over het al dan niet uitdragen van de zwangerschap. Zoals ook in het antwoord op vraag 2 werd benoemd, is er geen doorslaggevend bewijs dat geslachtsteleurstelling de enige, doorslaggevende factor is bij het besluit om een zwangerschap af te breken. Speculeren over maatregelen op basis van anekdotisch bewijs vind ik onwenselijk.
Gelden wat u betreft de achterliggende redenen voor het verbod op geslachtskeuze in de Embryowet (bij geslachtskeuze worden kinderen gereduceerd tot louter voorwerp van de wensen en verlangens van hun ouders, en de voortplanting krijgt daardoor een instrumenteel karakter) ook voor geslachtskeuze via abortus? Zo nee, waarom niet?
De Embryowet staat handelingen met geslachtscellen of embryo’s met het oogmerk het geslacht van een toekomstig kind te kunnen kiezen alleen toe als daarmee het risico op een ernstige geslachtsgebonden erfelijke aandoening bij het kind te voorkomen is, of als daarmee het risico op een ernstige erfelijke aandoening met een ongelijke geslachtsincidentie bij het kind verkleind kan worden. In andere gevallen is geslachtsselectie onder de Embryowet niet toegestaan omdat kinderen dan gereduceerd zouden worden tot «louter voorwerp van de wensen en verlangens van hun ouders». De voortplanting zou daardoor een instrumenteel karakter krijgen. Dit argument is wat mij betreft nog steeds valide.
Ik ben me ervan bewust dat het item over abortus na geslachtsteleurstelling tot vragen leidt. Nederland heeft een zorgvuldige abortuspraktijk waarbij vrouwen na zorgvuldige afweging en overleg met een arts besluiten wat het beste voor hen is. Het is goed om te beseffen dat controleren of een abortus plaatsvindt vanwege geslachtsteleurstelling zeer complex en welhaast onuitvoerbaar is.
Bent u bereid om, naar aanleiding van dit onderzoek onder verloskundigen, verdiepend onderzoek te doen hoe vaak abortus vanwege geslachtsselectie voorkomt in Nederland?
Uit eerder genoemd wetenschappelijk onderzoek weten we dat er vrijwel nooit één reden is om een zwangerschap af te breken. Meerdere motieven hangen onderling met elkaar samen en zijn niet tot één enkele doorslaggevende reden te herleiden. Dergelijk onderzoek is naar mijn mening niet zinvol. Daarbij acht ik onderzoek naar de redenen voor abortus op basis van een verplichte registratie van redenen als onwenselijk. Het is namelijk enerzijds lastig om zicht te krijgen op de frequentie van abortus na geslachtsteleurstelling, omdat vrouwen in een dergelijk onderzoek waarschijnlijk andere redenen zullen opgeven voor de zwangerschapsafbreking. Om die reden zou dat onderzoek geen betrouwbare resultaten opleveren. Ook vind ik een registratie van redenen onwenselijk omdat het vrouwen het gevoel kan geven zich te moeten verantwoorden voor hun keuze.
Bent u bereid te onderzoeken langs welke weg de regelgeving ten aanzien van zogenaamde «pretecho’s» in lijn kunnen worden gebracht met het verbod bij de 13-wekenecho en NIPT, waarvoor geldt dat verloskundigen en echoscopisten niet aan de ouders mogen laten weten wat het geslacht van het kind is?
De 13-wekenecho, de 20-wekenecho en de niet-invasieve prenatale test (NIPT) zijn screenings die van overheidswege worden aangeboden. Het is dan ook mogelijk om – gepaard aan de bekostiging van deze verrichtingen via een subsidie – voorwaarden te stellen aan de uitvoering hiervan, zoals het omschrijven en beperken van de bevindingen die mogen worden teruggekoppeld aan de zwangere. Daarnaast geldt dat bij de 13-wekenecho, de 20-wekenecho en de NIPT wordt gescreend op ernstige en vaak onbehandelbare aandoeningen. Om deze reden valt het aanbod onder de vergunningplicht van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO). De Regionale Centra voor Prenatale Screening hebben een vergunning op grond van de WBO voor het aanbieden van deze verrichtingen, waartoe ze zorgverleners contracteren onder vooraf vastgestelde voorwaarden. De Regionale Centra voor Prenatale Screening en de zorgverleners die de verrichting uitvoeren zijn daarbij gehouden aan de kaders die het RIVM vaststelt. Het RIVM heeft namelijk de wettelijke taak tot landelijke aansturing en begeleiding van de prenatale screening op grond van de Wet op het RIVM en het Besluit RIVM. Bij de 13-wekenecho en de NIPT vindt geen geslachtsbepaling plaats.
Voor de echo’s op eigen verzoek (waaronder echo’s waarbij het geslacht wordt onthuld) geldt dat deze niet van overheidswege worden aangeboden of bekostigd, noch dat het aanbod onder de regie van het RIVM valt. Het betreft een vrije markt. Aangezien er niet wordt gescreend op ernstige en onbehandelbare aandoeningen valt een echo op eigen verzoek evenmin onder de (vergunningplicht van de) Wet op het bevolkingsonderzoek. In de praktijk worden geslachtsbepalingsecho’s vanaf 15 weken zwangerschap aangeboden, maar er zijn ook echocentra die dit al voor die zwangerschapstermijn aanbieden. De betrouwbaarheid daarvan wordt door de beroepsvereniging van echoscopisten (BEN) betwist omdat de mannelijke of vrouwelijke genitalia niet daadwerkelijk worden gevisualiseerd. Voor geslachtsbepalingsecho’s zijn geen kwaliteitsrichtlijnen. Het verrichten van dit type echo’s is ook geen voorbehouden handeling als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorgEr is geen opleiding voor vereist. Het ontbreekt mij dan ook aan mogelijkheden om via wet- en regelgeving invloed uit te oefenen op de wijze waarop echo’s op eigen verzoek worden uitgevoerd.
Hoe verhoudt de in het onderzoek genoemde praktijk zich tot de inzet van Nederland in het buitenland om abortus vanwege geslacht tegen te gaan?
Nederland financiert organisaties die zich inzetten op een breed pakket van diensten rondom seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Dit gebeurt volgens de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie en altijd binnen de nationale kaders en wetgeving van de landen waarin we werken. Hiermee dragen we ook bij aan het tegengaan van abortus vanwege een voorkeur voor een bepaald geslacht. Het gaat hierbij meestal om son-preference: de voorkeur voor zonen.3 De context van dit fenomeen kan sterk per land verschillen, maar de Verenigde Naties (VN) benadrukt dat genderongelijkheid de belangrijkste oorzaak is. Beleid, politiek commitment en wetgeving die de positie van vrouwen versterkt, kan de oorzaken tegengaan. Volgens verschillende VN-organisaties is het beperken van toegang tot veilige abortus vanwege het risico op abortus op basis van een geslachtsvoorkeur, niet de manier om dit te voorkomen. De oorzaken en maatschappelijke factoren die in andere landen tot son-preference kunnen leiden zijn gelukkig niet of nauwelijks aanwezig in de Nederlandse context.4 Zo is er in Nederland geen sprake van een grote genderongelijkheid in vergelijking met sommige andere landen. Dat maakt dat abortus na geslachtsteleurstelling in Nederland van een andere aard zou zijn vergeleken met andere landen.
Kunt u aangeven hoe het internationaalrechtelijk kader zich verhoudt tot abortus vanwege geslachtsselectie?
Het internationaal recht kent geen bepalingen waarin het recht op abortus is vastgelegd. Wel is het onder bepaalde voorwaarden verboden om een vrouw toegang tot abortus te ontzeggen. Het internationaal recht, in het bijzonder het VN-Vrouwenrechtenverdrag (CEDAW), bevat onder meer het recht op gezondheid en keuzevrijheid van vrouwen. Er bestaat geen expliciete referentie aan abortus na geslachtsteleurstelling. Wel heeft de WHO richtlijnen opgesteld waar een veilige abortus aan moet voldoen, met onder meer zorgvuldigheidseisen voor artsen.