Het bericht 'Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen – Zwolle ongeldig' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen-Zwolle ongeldig»?1
Hoeveel asielzoekers zijn in 2025 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle? Hoe verhoudt dit zich tot 2024?
Hoeveel asielzoekers zijn er tot dusver in 2026 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle?
Hoeveel asielzoekers die in 2026 zijn beboet hebben zichzelf geïdentificeerd met een pas van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Hoe verklaart u dat de COA-pas sinds begin 2026 niet meer gebruikt kan worden om zwartrijdende asielzoekers te identificeren, terwijl dit voor 2026 wel kon?
Wat is uw reactie op de constatering van de woordvoerder van Arriva in het artikel, die stelt dat deze beslissing het werken bijna onmogelijk maakt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zwartrijdende asielzoekers door deze beslissing worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel met een rechtsgeldig vervoersbewijs gebruik maakt van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om er alsnog voor te zorgen dat alle boetes die zijn uitgedeeld aan zwartrijdende asielzoekers worden betaald?
Welk gevolg heeft het ongeldig verklaren van boetes van zwartrijdende asielzoekers op de mogelijkheid om een reisverbod op te leggen?
Hoe verhoudt het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren zich tot de voorgenomen maatregel uit het Coalitieakkoord om zwartrijdende asielzoekers sneller en vaker een reisverbod op te leggen?
Hoe verklaart u dat negen op de tien boetes voor zwartrijdende asielzoekers niet worden betaald?
Welke maatregelen neemt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om boetes voor zwartrijdende asielzoekers, die ook weigeren hun uitstel van betaling niet te betalen, alsnog te innen?
Deelt u de mening dat het feit dat deze boetes kennelijk nauwelijks betaald worden niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel netjes eventuele boetes betaalt voor het niet hebben van een geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat boetes van zwartrijdende asielzoekers alsnog betaald worden? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om leefgeld van asielzoekers in te houden, de mogelijkheid om de asielzoeker in zijn bewegingsvrijheid te beperken, de mogelijkheid om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen?
Bent u van plan om aan zwartrijdende asielzoekers die weigeren boetes te betalen naast bovenstaande maatregelen ook een taakstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Klopt de suggestie uit het artikel dat zwartrijdende asielzoekers niet kunnen worden gedwongen om hun boetes te betalen omdat het COA de post van asielzoekers niet mag openen?
Indien het antwoord op vraag 16 positief luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de post van zwartrijdende asielzoekers alsnog door het COA mag worden geopend?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het rapport van de Algemene Rekenkamer over de screening van asielzoekers |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Algemene Rekenkamer waaruit blijkt dat de screening op terrorisme pas na gemiddeld twee jaar plaatsvindt in plaats van binnen de norm van 14 dagen?1
Ja ik ben bekend met dit rapport.
De screening die de Rekenkamer heeft onderzocht betreft onderdeel van het onderzoek dat de IND in het asielproces uitvoert. Hierbij wordt gekeken naar uitingen op social media, wat in samenhang met andere gegevens, relevante informatie kan opleveren. Hierbij is er specifiek aandacht voor signalen die kunnen wijzen op fraude/misbruik, mensenhandel/-smokkel, gevaar openbare orde, internationale misdrijven of een gevaar voor de nationale veiligheid. Het waarborgen van de nationale veiligheid binnen de asielprocedure vereist echter doorlopende inspanning. De sociale media screening is één van meerdere momenten waarop signalen gedurende de procedure kunnen worden opgevangen.
Vanaf het moment dat de procedure start zijn er meerdere momenten waarop signalen kunnen worden onderkend, gewogen en gedeeld door de IND, het COA en de DTenV met de politie en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bij de voorregistratie bij aanmelding door de IND, bij raadpleging van (inter)nationale politie/justitiële databases, tijdens overige contacten met de vreemdeling, met name gehoren, maar ook tijdens het verblijf bij COA of contacten met DTenV. Daarnaast zijn ook de opsporings- en inlichtingendiensten alert.
Bij de vormgeving van de screening door de IND in 2016 was de insteek om te gaan screenen binnen een streeftermijn van 14 dagen na het aanmeldgehoor, dat plaats vindt nadat een vreemdeling het Identificatie- en Registratieproces heeft doorlopen. De screening vindt nu veelal plaats voorafgaand aan het asielgehoor waardoor deze oorspronkelijke streeftermijn niet gehaald wordt. Voordeel hiervan is dat de informatie die uit deze social media screening komt, actueler is en daardoor beter bij het nader gehoor betrokken kan worden.
De screening van nareizigers (die dan nog in het buitenland verblijven) vindt plaats nadat beoordeeld is dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning, maar voorafgaand aan het besluit van de IND.
Klopt het dat u niet weet hoeveel asielzoekers er op dit moment in Nederland aanwezig zonder dat zij (volledig) gescreend zijn op terrorisme, radicalisering of andere veiligheidsrisico’s? Hoe is het mogelijk dat u dit niet weet?
Dat klopt niet, de IND heeft zicht op de voorraad nog te screenen personen en stuurt hierop.
Erkent u dat het jarenlang laten rondlopen van asielzoekers in Nederland zonder screening een levensgevaarlijk en onacceptabel risico vormt voor de nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Nationale veiligheid in de asielprocedure is geen momentopname, maar vraagt continue alertheid van de hele keten. Zoals bij het antwoord op vraag 1 uiteengezet, is deze social media screening niet het enige moment waarop signalen kunnen worden onderkend.
Ik herken daarom niet het beeld dat asielzoekers jarenlang ongecontroleerd in Nederland verblijven. De Rekenkamer constateert dat het systeem goed is ingericht, maar dat de uitvoering sneller moet. Dat onderschrijf ik. De IND is al gestart met een traject om de screening te versterken.
Hoeveel terrorismegerelateerde signalen of hits zijn er de afgelopen jaren alsnog naar boven gekomen bij verlate screenings? Hoeveel daarvan betroffen personen die al langere tijd in Nederland verbleven?
Vanwege het belang van de nationale veiligheid doet de IND geen mededelingen over de precieze herkomst, aantallen, inhoud en opvolging van signalen die mogelijk duiden op een gevaar voor de nationale veiligheid. Dit geldt ook voor verlate screenings. Waar signalen ontstaan, wordt uiteraard adequaat gehandeld binnen de daarvoor geldende kaders.
Waarom heeft u de Tweede Kamer niet eerder geïnformeerd over het feit dat de screening niet op orde is?
Uw Kamer is in 20232 en 20243 geïnformeerd over evaluaties en verbetermaatregelen rondom het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Daarbij is ook aangegeven dat voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening ketenbreed noodzakelijk blijft.
De Rekenkamer doet nu aanvullende constateringen over de tijdigheid van een specifieke screening. De Rekenkamer constateert dat het systeem goed is ingericht, maar dat de uitvoering sneller moet. Dat onderschrijf ik.
Gaat u er per direct voor zorgen dat alle asielzoekers die nu in Nederland aanwezig volledig gescreend worden en bent u bereid om onmiddellijk een asielstop af te kondigen zolang de veiligheid van de Nederlandse bevolking niet gewaarborgd kan worden? Zo nee, waarom kiest u er bewust voor om de veiligheid van Nederlanders op het spel te zetten?
Vanaf de inwerkingtreding van het EU Asiel- en Migratiepact op 12 juni aanstaande is de inzet van de IND prioritair gericht op het bijhouden van de nieuwe instroom asielaanvragen en een snelle screening van deze instroom na het proces Ontvangst en Voorbereiden Asielaanvraag (OVA), waarin de asielzoeker geïdentificeerd en geregistreerd wordt. Tevens zal er ook inzet blijven op de screening van oudere zaken, waarbij de screening in ieder geval voorafgaand aan het gehoor plaatsvindt. Er zal tijdelijk extra capaciteit ingezet worden voor het uitvoeren van de screening.
Ook zijn naar aanleiding van de eerdere bevindingen reeds maatregelen genomen, zoals uitbreiding van openbronnenonderzoek en aanpassing van screeningsinstructies. Daarnaast heeft de IND een leerlijn screening ontwikkeld en geïmplementeerd.
Het kabinet is niet bereid om een asielstop af te kondigen. Nederland is gebonden aan Europese en internationale rechtskaders, waaronder het VN Vluchtelingenverdrag en EU-wetgeving, die het recht op het indienen en behandelen van een asielverzoek waarborgen. Een generieke asielstop is juridisch niet houdbaar en disproportioneel. De focus ligt op het verder versterken van screening en informatie-uitwisseling, het eerder positioneren van de screening in de procedure (in lijn met het EU Asiel- en Migratiepact) en het borgen van ketenbrede alertheid, zodat de veiligheid in Nederland wordt beschermd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat JBZ-Raad d.d. 27 mei aanstaande?
Gegeven de beperkte tijdspanne is dat niet gelukt.
Bent u bekend met het feit dat debatcentrum Pakhuis de Zwijger heeft besloten de eminente migratiedeskundige Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn, niet deel te laten nemen aan een debat op 1 juni dit jaar, nadat hij hier eerder wel voor was uitgenodigd?1
Ja.
Pakhuis de Zwijger motiveerde de intrekking van de uitnodiging aan Koopmans met «persoonlijke uitingen op sociale media» van Koopmans, die niet zouden passen bij de «eigen waarden en omgangsvormen» Wat vindt u van deze motivatie?
Voor instellingen die rijkssubsidie ontvangen geldt dat zij artistiek en inhoudelijk autonoom zijn. Dit is een belangrijk uitgangspunt in een democratische rechtsstaat. Wel geldt in algemene zin dat van instellingen met een publieke debat- of dialoogfunctie mag worden verwacht dat zij een podium geven aan verschillende stemmen en opvattingen in het debat. Het is echter niet aan het kabinet om programmering inhoudelijk te beoordelen of te sturen op specifieke politieke of ideologische vertegenwoordiging.
Hoe een instelling invulling geeft aan de programmering en hoe dit wordt georganiseerd is ter beoordeling van de instelling. De uiteindelijke afweging blijft altijd aan de instelling zelf. De Raad voor Cultuur bevordert het gesprek in de culturele sector over invulling van de maatschappelijke doelstellingen. Een belangrijke aanjager hiervan is het advies «Maken (z)onder druk» dat de Raad voor Cultuur begin dit jaar heeft uitgebracht. In dit advies wordt ingegaan op in welke mate de artistieke vrijheid in Nederland onder druk staat, wat daar mogelijke oorzaken van zijn en welke handelingsperspectieven er zijn voor overheid, het culturele veld en het onderwijs om die vrijheid te beschermen.
Pakhuis de Zwijger ontvangt een subsidie in de context van de Regeling vierjarige instellingssubsidie 2025–2028 van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het is aan het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie om de toegevoegde waarde van de activiteiten en de programmering van een aanvragende instelling onder deze regeling inhoudelijk te beoordelen. Indien het gaat om BIS- aanvragen: bij de beantwoording van BIS- aanvragen heeft de Raad voor Cultuur, zoals in al zijn advisering, rekening gehouden met de in «Advies aanvraag- en beoordelingsproces BIS 2025–2028» genoemde doelstellingen.
Pakhuis de Zwijger trad in 2023 na een juridische strijd toe tot de Culturele Basisinfrastructuur (BIS), waarna het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie Pakhuis de Zwijger in juli 2024 voor de periode 2025–2028 in het kader van de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» een zogenoemde categorie 1 subsidie toekende van 2,2 miljoen euro. Is uw ministerie betrokken geweest bij deze toekenning en zo, ja hoe?2
OCW is niet betrokken geweest bij het toekennen van de subsidie via de «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie» door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds maakt eigen afwegingen op grond van de in vraag 3 genoemde «Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie». De regeling beschrijft ook het selectieproces. Zie hiervoor de eindnoot (a).3
Pakhuis de Zwijger heeft ook aanvragen voor subsidie gedaan bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) en Europese subsidiegelden. Is u bekend of deze aanvragen zijn gehonoreerd en zo ja, om welke bedragen het gaat en wat het totale aandeel is van subsidie in de financieringsmix van Pakhuis de Zwijger?
Verschillende aanvragen zijn gehonoreerd. Voor 2026 zijn de structurele subsidies voor Pakhuis de Zwijger:
De totale begroting van Pakhuis de Zwijger in 2026 bedraagt € 5.760.500. Het percentage subsidie is 19.1%.
Incidentele eenmalige subsidie die ontvangen is in 2026:
€ 35.000 voor 2026 (deel uitmakend van een projectsubsidie voor 2025–2026).
Tevens is Pakhuis de Zwijger de penvoerder van een tweejarige projectsubsidie van de gemeente Amsterdam. Dit gaat om € 250.000 ten bate van de «Alliantie Samen tegen Racisme» die wordt uitgevoerd met een grote groep samenwerkingspartners. Deze subsidie is voor het project, niet voor Pakhuis de Zwijger.
Deelt u de opvatting dat Pakhuis de Zwijger als debatcentrum natuurlijk vrijheid van vereniging geniet en vrij is sprekers uit te nodigen volgens eigen criteria, maar dat het tegelijk door de ruimhartige rijkssubsidie en de status van nationaal debatpodium gehouden is aan een maatschappelijke opdracht om een debat een echt debat te laten zijn door ook ruimte te geven aan standpunten waar de organisatie het niet mee eens is, omdat anders het risico dreigt dat Pakhuis de Zwijger een echokamer wordt die alleen nog de eigen opvattingen van de leiding van de instelling bevestigt?
Zie het antwoord op vraag 2
Hoe beoordeelt u de behandeling van Ruud Koopmans door Pakhuis de Zwijger in het licht van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2023 dat «pluriformiteit» noemt als een van de vier doelstellingen waaraan cultuurbeleid in het kader van de BIS moet bijdragen («cultuur geldt als vrijhaven en plek voor debat binnen de maatschappij»)?3
Zie het antwoord op vraag 2
Bent u het eens met de stelling dat het cancelen van Ruud Koopmans niet past bij de inclusiviteit die Pakhuis de Zwijger zelf zegt na te streven zoals blijkt uit de eigen website – «wij willen mensen samenbrengen en zoeken naar de gemeenschappelijke delers, daarbij zijn we niet bang om ongemakkelijke gesprekken aan te gaan» – en uit de aanvraag van Pakhuis de Zwijger voor de Regeling Vierjarige instellingssubsidie creatieve industrie die benadrukt dat het debatcentrum in de periode 2025–2028 de focus wil leggen op «het vormgeven van een toekomst waarin iedereen zich thuis kan voelen?»4
Zie het antwoord op vraag 2
De rol van de Adviesraad Migratie bij de cancelling van hoogleraar Ruud Koopmans. |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Subsidiehuis Pakhuis de Zwijger cancelt migratiekritische hoogleraar Ruud Koopmans»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat dit debat wordt georganiseerd in samenwerking met de Adviesraad Migratie, een officieel adviesorgaan van uw ministerie?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gerenommeerde hoogleraar wordt gecanceld door een gesubsidieerde organisatie dat samenwerkt met de Adviesraad Migratie?
Net als de Adviesraad Migratie sta ik voor een open en veelzijdig migratiedebat waarin uiteenlopende perspectieven naast elkaar kunnen bestaan. De in het bericht genoemde bijeenkomst werd georganiseerd naar aanleiding van de publicatie van een essaybundel met vergezichten op asiel, waarin de Adviesraad Migratie verschillende stemmen en denkrichtingen samenbrengt, ook de meer kritische stemmen in het asieldebat.
De Adviesraad Migratie heeft aangegeven Ruud Koopmans zelf te hebben voorgesteld als mogelijke spreker voor deze bijeenkomst. De beslissing om de uitnodiging in te trekken is door Pakhuis de Zwijger genomen, op basis van hun eigen afwegingen en gedragscode. Inmiddels heeft de Adviesraad Migratie laten weten dat ze de samenwerking met Pakhuis de Zwijger voor deze bijeenkomst stop hebben gezet en een nieuwe locatie hebben gevonden, De Nieuwe Liefde in Amsterdam. Deze beslissing is genomen om de vertegenwoordiging van verschillende perspectieven te waarborgen. De heer Koopmans is door de Adviesraad uitgenodigd en heeft deelgenomen aan de bijeenkomst op 1 juni jl.
Hoe beoordeelt u het dat de Adviesraad Migratie samenwerkt met een links bolwerk die kritische, wetenschappelijke stemmen over migratie censureert? Is dit volgens u nog wel een onafhankelijke en evenwichtige adviesraad?
De Adviesraad Migratie is een onafhankelijk adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, ingesteld bij de Vreemdelingenwet 2000. Het is passend bij de onafhankelijke rol van de Adviesraad dat de raad zelf bepaalt met wie hij samenwerkt.
De raad bestaat uit tien leden, die op voordracht van de ministerraad op persoonlijke titel bij koninklijk besluit worden benoemd. Uit de Kaderwet bestaat de verplichting om leden te benoemen op grond van de benodigde deskundigheid voor het beleidsterrein waarvoor het college is ingesteld. Bij de selectie en benoeming van de raadsleden is er oog voor de waarborging van onafhankelijkheid en diversiteit in de samenstelling van de raad.
Erkent u dat dit incident een schoolvoorbeeld is van de linkse cancelcultuur in Nederland, waarbij kritiek op het falende asiel- en migratiebeleid systematisch de kop wordt ingedrukt?
Zoals eerder aangegeven onder vraag 3 sta ik, net als de Adviesraad Migratie, voor een open en veelzijdig debat over migratie.
Hoe denkt u als Minister van Asiel en Migratie dat een open en eerlijk debat over asielmigratie nog mogelijk is, wanneer zelfs een hoogleraar als Ruud Koopmans wordt gecanceld door een gesubsidieerd links centrum dat samenwerkt met uw eigen Adviesraad Migratie?
Ik verwijs u naar vraag 3 voor meer informatie over de besluitvorming rondom de uitnodiging.
Bent u bereid de Adviesraad Migratie per direct ter verantwoording te roepen voor deze laffe cancelactie en te eisen dat zij de annulering onmiddellijk intrekt? En bent u tevens bereid de Adviesraad Migratie op te heffen als zij weigert dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een annulering door de Adviesraad Migratie. Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 3.
De spreidingswet |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, een gemeente door u daadwerkelijk gedwongen (door middel van een aanwijzingsbesluit en dus tegen de zin van de gemeente in) asielzoekers op te vangen? Welke gemeenten betrof dit en om hoeveel asielzoekers ging het?
Volgens de Spreidingswet hebben alle Nederlandse gemeenten een wettelijke taak om asielopvangplekken mogelijk te maken. Het toezicht op deze taak is belegd bij de Minister van Asiel en Migratie. Op 9 april hebben alle gemeenten in dat kader een toezichtbrief ontvangen, waarin wordt aangegeven of zij voldoen of nog niet voldoen, en dus naar de volgende trede gaan. Gemeenten die niet voldeden, ontvingen een informatieverzoek. Daarnaast heeft het ministerie informatie opgevraagd bij het COA.
Op 26 mei heeft het ministerie alle 209 gemeenten die op basis van de beschikbare informatie niet voldoen aan hun wettelijke taak een uitnodiging gestuurd voor een ambtelijk gesprek. Tijdens een ambtelijk gesprek wordt de gemeente gevraagd toe te lichten wat de huidige realisatie in hun gemeente is en op welke termijn zij verwacht alsnog te voldoen. Inmiddels hebben de eerste gesprekken plaatsgevonden. Indien nodig gaan deze gemeenten door naar trede 3, waarbij zij worden uitgenodigd voor een bestuurlijk gesprek. Daarmee komt een gemeente onder actief toezicht te staan.
Momenteel bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De inzet is om er altijd samen met gemeenten uit te komen.
Welke gemeenten hebben zelf, uit eigen beweging, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, deels of geheel voldaan aan het verdeelbesluit dat voor de desbetreffende gemeente is vastgesteld?
Op dit moment voldoen 119 gemeenten aan de opgave uit het verdeelbesluit. Ik ga niet in op de individuele casuïstiek van gemeenten.
Kan de Tweede Kamer een lijst krijgen met de aantallen asielzoekers die gemeenten vrijwillig hebben opgevangen, als gevolg van verdeelbesluiten, of gedwongen na een aanwijzingsbesluit, besluiten die dus zijn genomen op basis van en sinds de inwerkingtreding de spreidingswet?
Zoals toegelicht onder vraag 1, bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap van het interbestuurlijk toezicht, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De meeste asielopvangplekken die tot nu toe zijn gerealiseerd, zijn door gemeenten zelf aangeboden. In de provincies die geen sluitende provinciale opgave hebben aangeleverd in de provinciale verslagen eind 2024, is in de verdeelbesluiten de restopgave verdeeld over de gemeenten die geen of onvoldoende plekken hebben aangeleverd. Ik verwijs u hierbij naar de verdeelbesluiten van 20 december 2024.
Bent u bekend met het bericht «Van vrouwenmars tot kindermars: wat de asielprotesten zeggen over de normalisering van extreemrechts»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat rechts-extremistische groepen bewust maatschappelijke onrust proberen aan te wakkeren rondom asielopvang om hun extreemrechtse ideologie breder te verspreiden?
Ja, die zorgen deel ik. De AIVD en NCTV constateren dat rechts-extremisten de afgelopen jaren vaker toegang krijgen tot en zich consequent mengen in verschillende maatschappelijke debatten. Verschillende rechts-extremisten en organisaties in Nederland zijn doelbewust bezig met het gangbaarder maken van het rechts-extremistische narratief in Nederland. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling. Façadepolitiek is hier onderdeel van. Hierbij gebruiken zij een verhulde vorm van hun denkbeelden, die op het eerste gezicht acceptabel zijn voor een grotere groep. Dit doen zij bewust; hiermee bereiken zij potentieel meer mensen, zoals bezorgde burgers. Dit doen zij onder andere door het beïnvloeden van het online debat en propaganda in de publieke ruimte, aansluiten bij en kapen van demonstraties, het zoeken naar internationale samenwerking en toenadering tot uiterst rechts.
Welke signalen zijn bij u bekend over de betrokkenheid van extreemrechtse groeperingen bij lokale protesten tegen asielzoekerscentra?
Klopt het beeld dat sprake is van rondreizende rechts-extremisten die asieldemonstraties laten escaleren, vernielingen plegen en politieagenten belagen?
Kunt u inzichtelijk maken welke verschillende rechts-extremistische groepen aanwezig zijn bij dit soort protesten?
Is bekend of er afstemming tussen de verschillende rechts-extremistische groepen plaatsvindt, of dat zij geïsoleerd van elkaar handelen?
Zijn de individuele leden van deze groepen in beeld, en is daarbij een overlap te zien van lidmaatschap van meerdere rechts-extremistische groepen?
In hoeverre worden leden van deze groepen die zich misdragen tijdens demonstraties opgespoord en veroordeeld? Is de pakkans hierbij hoog genoeg volgens u?
De opsporingsinstanties spannen zich ten volste in voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten gepleegd tijdens de rellen bij de asielzoekerscentra. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 20 mei jl. aangegeven dat in 2026 meer dan vijftig aanhoudingen zijn verricht naar aanleiding van rellen bij asielzoekerscentra en dat de verwachting is dat er meer aanhoudingen zullen volgen. Ik meen dan ook dat de pakkans hoog genoeg is.
Op welke manier kunnen rechts-extremistische leden van groepen die eerder zijn veroordeeld voor (het aanzetten tot) geweld, vernielingen en agressie bij protesten geweerd worden van toekomstige georganiseerde acties waarbij ordeverstoring en geweld de bovenhand voeren, en vreedzaam demonstreren ver te zoeken is?
Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden of te beëindigen. Dat kan alleen als dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer, of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Waar noodzakelijk en proportioneel kan opgetreden worden tegen strafbare feiten die tijdens een demonstratie plaatsvinden. Een demonstratie komt bovendien alleen bescherming van art. 9 Gw en art. 11 EVRM toe, wanneer deze vreedzaam is.2 Demonstranten die geweld gebruiken, komen geen bescherming van het demonstratierecht toe.
Het is gebruikelijk dat de politie informatie (vanuit verschillende bronnen, binnen de huidige wettelijke kaders) verstrekt in de driehoek t.a.v. het aantal te verwachten deelnemers en of er bijzonderheden zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Dat is cruciaal in de duiding en om een inschatting te kunnen maken van de impact en mogelijke risico’s in het kader van de openbare orde en om vervolgens de juiste (veiligheid)maatregelen te kunnen treffen.
Op het moment dat er signalen zijn van extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, OM en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen te herkennen, bijvoorbeeld door de training rechts-extremisme te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering of hulp en advies in te winnen van het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Welke preventieve maatregelen kunnen extra worden genomen te voorkomen dat dergelijke rondtrekkende rechts-extremistische groepen de lokale demonstraties gijzelen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke rol spelen online platforms en Telegramgroepen volgens u bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten?
Het is lastig inzichtelijk te maken hoe groot de rol is van online platformen bij de mobilisatie en radicalisering rondom anti-asielprotesten. In algemene zin hebben ernstige verstoringen van de openbare orde steeds vaker hun wortels in het online domein of worden ze van daaruit aangejaagd of versterkt. In het online domein is dan ook veel informatie te vinden over ernstige verstoringen die essentieel is voor de politie en de burgemeester om hun taak ter handhaving van de openbare orde naar behoren te kunnen uitoefenen. Daarom werk ik aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie voor het voorkomen en/of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, online gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Hiervoor ligt het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde voor advies bij de Raad van State. Het wetsvoorstel gaat over het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het advies van de Raad van State is ook relevant voor dit binnenkort op te starten wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten chatgroepen te kijken. Het streven is om het wetsvoorstel over de besloten groepen in de tweede helft van 2026 in consultatie te brengen. Dit is mede afhankelijk van het advies dat ik ontvang van de Raad van State op het wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde.
Bent u bereid te onderzoeken of sprake is van landelijke coördinatie tussen extreemrechtse actiegroepen die actief zijn bij lokale asielprotesten?
De politie doet op dit moment onder het gezag van het OM onderzoek naar mogelijk strafbare handelingen tijdens de asielprotesten.
In algemene zin geldt dat de AIVD, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, onderzoek kan doen naar personen dan wel organisaties waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
In hoeverre kunnen uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed onder de huidige wetgeving strafbaar zijn, ook wanneer deze verhuld plaatsvinden?
Het Wetboek van Strafrecht kent verschillende strafbaarstellingen waarmee in het openbaar gedane uitingen (waaronder ook het tonen van bepaalde afbeeldingen of symbolen) strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, zoals opruiing, groepsbelediging en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld. Het is echter afhankelijk van de precieze omstandigheden van het concrete geval of een bepaalde uiting strafbaar is. Daarbij speelt onder meer de context waarin de betreffende uiting is gedaan, de kennelijke bedoeling van de uiting, de doelgroep waarop de uiting was gericht, de plaats of gelegenheid waar de uiting wordt gedaan en de associatie die een bepaalde uiting kan oproepen, een rol. Daarbij kan ook in ogenschouw worden genomen of de openbare uiting op een verhullende manier is gedaan.
Het bovenstaande geldt ook voor uitingen die bijdragen aan het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of in een concreet geval strafrechtelijke vervolging moeten worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter.
Welke maatregelen worden genomen om burgemeesters en lokale driehoeken beter te kunnen ondersteunen bij demonstraties waarbij signalen bestaan van radicalisering, geweld en intimidatie?
Het aanpakken van radicalisering richting extremisme of terrorisme begint bij het herkennen van zorgelijke signalen. Om dit te kunnen signaleren, is het belangrijk dat lokale partners beschikken over de juiste kennis en vaardigheden, en een goed netwerk. Gemeenten, politie en andere professionals spelen hierin een cruciale rol. Gemeenten worden hierin ondersteund door middel van de Versterkingsgelden die het Rijk jaarlijks aan hen beschikbaar stelt. Met deze gelden worden onder andere lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme en het herkennen van signalen te vergroten. Lokale partners worden bovendien actief meegenomen in de ontwikkelingen in de dreiging, zoals die beschreven staan in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daarnaast biedt de NCTV mogelijkheden aan om kennis te delen over fenomenen van radicalisering. De NCTV heeft een team met lokaal adviseurs die hierin kunnen faciliteren.
In samenwerking met het Rijk zet de VNG ondersteuningsteams op die gemeenten ondersteunen in een aantal aspecten rondom het openen van asielzoekerscentra. Denk hierbij aan communicatie, participatie, openbare orde en veiligheid en bestuurlijke advisering. Dit kan gemeenten ondersteunen in de omgang met onder meer demonstraties.
In het geval van (verwachte) risicovolle demonstraties, kan de politie een binnen de voor hun geldende wettelijke kaders analyse uitvoeren. Dergelijke analyses worden gedeeld in de lokale driehoek ter voorbereiding op de demonstraties. Verder blijft het handelingsperspectief beperkt tot wat tijdens een demonstratie gebeurt of is gebeurd. Graag verwijs ik u ook naar het antwoord op vragen 9 en 10.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de NCTV dat het niet expliciet benoemen van rechts-extremistische motieven kan bijdragen aan verdere normalisering van extremistisch gedachtegoed?
Het kabinet neemt die waarschuwing ter harte en zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen alle dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. In het coalitieakkoord wordt dan ook expliciet stilgestaan bij de dreiging van rechts-extremisme en de normalisering hiervan.
Hoe wordt voorkomen dat inwoners met oprechte zorgen over het plaatsen van asielzoekers worden meegezogen in rechts-extremistische of antidemocratische bewegingen?
Mensen die op een vreedzame manier samenkomen om hun zorgen te uiten richting de (lokale) overheid hebben het volste recht deel te nemen aan een demonstratie. Ook zijn er informatieavonden waarbij gemeenten, het COA en indien nodig de politie de plannen, veiligheid, leefbaarheid en het verloop van de opvang toelichten. Wanneer oprechte zorgen omslaan in extremistische uitingen, bestaat een breed instrumentarium om extremisme tegen te gaan.
Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Op het moment dat er signalen zijn van rechts-extremistisch gedachtegoed, kan een persoon worden opgenomen in de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Dit is een lokale aanpak waarbij gemeente, politie, Openbaar Ministerie en zorgverleners samenwerken om tot een mix van interventies te komen. Lokale professionals kunnen hulp krijgen om signalen specifiek op het gebied van rechts-extremisme te herkennen door trainingen te volgen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering. Sinds 2023 is er een online Symbolenbank beschikbaar, die professionals kunnen gebruiken om rechts-extremistische en rechts-terroristische verschijningsvormen te herkennen. Deze Symbolenbank is ontwikkeld door de NCTV en de Nationale Politie. Tot slot biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en burgers in de omgang met radicalisering. Ook gemeenten kunnen hier terecht met vragen.
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Opgepakte verdachte steekpartij Winschoten is dief van knuffels voor Jeffrey en Emma»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onacceptabel is dat deze Syriër, na zijn veroordeling voor diefstal op een herdenkingsplek van vermoorde Nederlandse kinderen, nog steeds in Nederland verblijft en opnieuw strafbare feiten pleegt?
Hoewel ik niet op deze individuele casuïstiek kan ingaan, hecht ik eraan te benadrukken dat ik crimineel gedrag veroordeel en dat dit kabinet in de aanpak van overlast en crimineel gedrag van asielzoekers strenger wil optreden bij recidive.
Hoeveel keer moet een Syriër in Nederland een misdrijf plegen voordat u hem het land uit zet? Is er voor u überhaupt nog een grens?
Een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is reden voor de IND om te onderzoeken of naast strafrechtelijke consequenties, ook verblijfsrechtelijke consequenties kunnen worden toegepast. Dat kan ook betekenen dat een afgegeven asielvergunning wordt ingetrokken. Daarbij moet wel worden voldaan aan hoge eisen van Europees Unierecht. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden.
Op 18 december 2024 heeft toenmalig Minister Faber uw Kamer geïnformeerd over aanscherping van het openbare-ordebeleid in asielzaken.2 Die beleidsaanscherping is onverkort van kracht en betekent dat we in asielzaken het maximale doen.
Het is aan de officier van justitie om te bepalen of in individuele gevallen vervolging wordt ingesteld en voor welke afdoening wordt gekozen.
Kunt u aangeven waarom deze en andere criminele Syriërs nog steeds niet zijn uitgezet, ondanks de overduidelijke overlast en criminaliteit die zij veroorzaken? Gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u, gelet op dit soort weerzinwekkende incidenten en de vele andere misdrijven door asielzoekers en statushouders, waarom de opstand onder de Nederlandse bevolking steeds groter wordt? Zo ja, waarom voert u dan nog steeds geen onmiddellijke, volledige asielstop in en waarom zet u niet massaal criminele vreemdelingen uit?
Tegen de achtergrond van de recente asielrellen, herhaal ik op dit punt wat ik ook in het Commissiedebat van 13 mei jl. met uw Kamer heb gewisseld. Onze rechtstaat mag niet worden ondermijnd door intimidatie, bedreiging en geweld. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten. Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Daarbij ben ik bereid om alle juridische ruimte te gebruiken, maar zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Zo geeft dit kabinet nu prioriteit aan het implementeren van het Europese Migratiepact, waarmee meer grip op de Europese instroom wordt verkregen.
Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Om de geïntensiveerde inzet op brede, strategische partnerschappen en de samenwerking met derde landen vorm te geven wordt er in een ambtelijke taskforce internationale migratie samengewerkt met betrokken departementen waaronder Buitenlandse Zaken en uitvoeringsorganisaties.
Ten slotte komt het kabinet met een nieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering en gesprekken met maatschappelijke organisaties.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid op 13 mei aanstaande?
Ik heb ernaar gestreefd uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Bent u bekend met het bericht dat inwoners van Loosdrecht zich door de komst van een asielzoekerscentrum (azc) voor alleenstaande mannelijke asielzoekers diep verdeeld voelen en als racisten worden weggezet?1
Heeft u begrip voor de terechte woede en veiligheidszorgen van inwoners, met name vrouwen en gezinnen, over de komst van 70 alleenstaande mannelijke vreemdelingen op een locatie waar kinderen spelen en langsfietsen? Zo ja, waaruit blijkt dat concreet, of laat u hen totaal aan hun lot over?
Klopt het dat bewoners pas enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd over het azc in het voormalige gemeentehuis, zonder veiligheidsplan en zonder enige inspraak?
Is dit de toekomstige blauwdruk van uw asielbeleid: de zelf veroorzaakte asielcrisis afwentelen op kleine Nederlandse dorpen als Loosdrecht omdat u weigert de instroom te stoppen?
Wat vindt u ervan dat in Loosdrecht op 18 maart 2026 geen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, er dus geen democratisch mandaat ligt en onder leiding van een waarnemend VVD-burgemeester desondanks een azc wordt doorgedrukt tegen de wil van een groot deel van de inwoners?
Bent u bekend met de uitspraken van de waarnemend burgemeester, ter rechtvaardiging van zijn besluit, dat «er een crisis is» en dat «als we niet uitkijken, er weer mensen op het gras in Ter Apel of in sporthallen moeten slapen»?
Vindt u dat de belangen van alleenstaande mannelijke asielzoekers zwaarder wegen dan de veiligheid, rust en leefbaarheid van Nederlandse vrouwen, kinderen en gezinnen in Loosdrecht?
Bent u het eens met de stelling dat hieruit blijkt dat er sprake is van systematische benadeling van Nederlanders en bevoordeling van vreemdelingen?
Heeft u de beelden gezien van het politieoptreden tegen demonstrerende inwoners?
Bent u het eens met de stelling dat optreden tegen gewelddadige demonstranten noodzakelijk is, maar dat bruut politieoptreden tegen vreedzame, onschuldige inwoners met terechte zorgen niet bij onze rechtsstaat past? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u de dubbele maat waarbij honderden klimaatactivisten de A12 mogen blokkeren, door de politie worden begeleid en zonder enige straf wegkomen, terwijl demonstraties van bezorgde burgers in Loosdrecht worden neergeslagen en zij binnen enkele dagen worden veroordeeld?
Bent u bereid de burgemeester tot de orde te roepen wegens het disproportionele politiegeweld, zelf in te grijpen en een streep te zetten door het azc? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, doch ten minste ruim vóór de geplande komst van het azc?
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Ja
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Na gesprekken tussen het COA en de gemeente heeft het COA in april 2026 besloten om de pendelbus langs de lopende afspraken uit de bestuursovereenkomst in te blijven zetten ter bevordering van de bereikbaarheid van de locatie. Alle bewoners van de locatie kunnen hier gebruik van maken en zijn hierover geïnformeerd. Het gebruik van de bus is conform de gemaakte afspraken altijd mogelijk geweest voor de gehele groep bewoners. Onder de gebruikers bevonden zich ook schoolgaande kinderen. Deze doelgroep woont inmiddels niet meer op het asielschip. Het COA houdt centraal geen registratie bij van het aantal bewoners dat gebruik maakt van de pendelbus. Operationeel wordt echter gemonitord en geëvalueerd of de pendelbus aansluit bij een behoefte van de bewoners en of deze nodig is voor de bereikbaarheid van de COA locatie. Hieruit blijkt dat de pendelbus op dit moment nodig is.
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
De inzet van de pendelbus is onderdeel van gemaakte afspraken tussen het COA en de gemeente rondom opvang van bewoners op de boot. Het COA zet publieke middelen zo doelmatig en efficiënt in als mogelijk is. Juist ter bevordering daarvan worden onderliggende financiële afspraken niet geopenbaard. De pendelbus wordt gefinancierd uit het COA-kader voortkomend uit de rijksbegroting.
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Zoals aangegeven is de pendelbus onderdeel van de bestuursovereenkomst met het COA en zijn het COA en de gemeente gekomen tot een passende oplossing. Op operationeel niveau evalueren het COA en de gemeente periodiek of de inzet van de pendelbus in een behoefte voorziet en of deze noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de COA locatie.
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Er bestaat geen expliciete wettelijke norm die de bereikbaarheid van opvanglocaties met ov en/of alternatief vervoer vastlegt. Goede bereikbaarheid is echter wel onderdeel van het COA plan van eisen. In de praktijk wordt dit geborgd via de lokale vergunningverlening en het omgevingsrecht aangevuld met bestuurlijke afspraken tussen gemeente, vervoerder en COA. De kern is dat bewoners en bezoekers de locatie redelijkerwijs moeten kunnen bereiken.
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
Het heeft de voorkeur dat asielopvang voldoende bereikbaar is zonder inzet van een pendelbus. Het is echter van primair belang dat opvang kan worden geboden aan iedereen die daar recht op heeft. De inzet van noodopvang zoals de Galaxy in Amsterdam, in dit geval inclusief afspraken over bereikbaarheid en mobiliteit, is daarom voorlopig noodzakelijk vanwege de grote druk op de asielopvang. Het inzetten van een pendelbus is echter ook bij dit soort noodopvang geen standaardpraktijk. Alleen wanneer de bereikbaarheidssituatie geen andere mogelijkheden biedt wordt deze optie overwogen.
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Ja.
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Het is niet uit te sluiten dat vreemdelingen ook in Nederland hulp krijgen bij het construeren van een asielrelaas op grond van seksuele gerichtheid. Daarbij zijn verschillende varianten denkbaar en deze vorm van fraude is lastig te onderkennen. Op dit moment zijn echter geen concrete signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het opstellen van valse verklaringen of bewijsstukken.
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Vooropgesteld: een asielzoeker hoort geen verblijfstitel te verkrijgen door
valse verklaringen af te leggen over de seksuele gerichtheid. Dit is misleiding van de autoriteiten en mag niet worden beloond. Waar mogelijk zal in zulke gevallen de verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken.
De IND registreert momenteel asielmotieven niet op gestructureerde, telbare wijze en daarmee kan niet worden bepaald hoeveel vreemdelingen een vergunning asiel hebben verkregen op basis van de seksuele gerichtheid. De seksuele gerichtheid van vreemdelingen wordt ook niet op gestructureerde wijze in de systemen geregistreerd.
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
De IND is alert op fraude. Daarvoor is een informatieknooppunt2 ingericht waar signalen van buitenaf maar ook door IND medewerkers zelf kunnen worden doorgegeven. Hier worden deze signalen verzameld, geregistreerd en wordt de informatie waar mogelijk verrijkt. Vervolgens wordt beoordeeld of dit aanleiding geeft om verder onderzoek te doen en/of kenbaar binnen de organisatie te delen zodat ook medewerkers hierop kunnen acteren.
De IND houdt niet bij hoe vaak specifiek gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs zijn aangevoerd in aanvragen waarin LHBTIQ+ is aangevoerd als motief. De IND onderkent dat fraudesignalen rond dit motief kunnen binnenkomen en is hier zeer alert op. Indien deze signalen reden genoeg vormen om daarop te handelen, zal de IND dat doen. De mogelijkheden daarvoor zijn het doen van aangifte, het betrekken van de signalen (en dus mogelijk valse of fraudeleuze stukken) bij de beoordeling (afwijzing) van de aanvraag en/of het opnieuw beoordelen van een reeds verleende vergunning.
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Wanneer de IND na inwilliging van de asielaanvraag een fraudesignaal ontvangt zal hier verder onderzoek naar gedaan worden en kan dit leiden tot een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning.
Om tot een intrekking over te kunnen gaan dient de IND aan te tonen dat er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast rust op de IND wat betekent dat de IND zal moeten bewijzen dat er zowel nu als destijds sprake is geweest van een onterecht beroep op asielbescherming. Het toetsingskader ten behoeve van een intrekking is daarmee complex.
Zoals toegelicht in antwoord op vraag 3, wordt de (seksuele) gerichtheid niet gestructureerd geregistreerd.
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Met invoering van het Migratiepact wordt de screening van vreemdelingen die in Ter Apel asiel aanvragen bij de IND ondergebracht. Tijdens de screening wordt ook informatie opgehaald ter voorbereiding van de behandeling van de asielaanvraag. Met deze informatie worden direct alle relevante onderzoeken gestart. Vervolgens vindt zo snel mogelijk het gehoor plaats. Het streven is dat dit binnen twee maanden plaatsvindt. Hierdoor heeft de IND snel alle informatie om de asielaanvraag te beoordelen maar ook om signalen van fraude te herkennen.
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
Zoals reeds aangegeven, is er reeds een systeem ingericht om fraude te signaleren en tijdig op signalen van fraude te acteren. Dit systeem blijft onverminderd van kracht, zowel voor asielzaken (waar het Pact op van toepassing is), als ook reguliere en nareiszaken. Voor nu zie ik geen aanleiding om hierop nog aanvullende maatregelen in kaart te brengen.
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Zie de inhoudelijke beantwoording hieronder.
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
De cijfers die in het artikel worden aangehaald zien op het aantal eerste asielaanvragen en de nationaliteiten van de aanvragers. Deze cijfers worden maandelijks door de IND gepubliceerd in Asylum Trends, te vinden via https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/asieltrends.
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
De samenstelling van de categorie «nationaliteit onbekend» kan niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden.
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Het klopt dat er niet altijd duidelijkheid is over de nationaliteit van de vreemdeling. De beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is onderdeel van de asielprocedure. Dat een vreemdeling geregistreerd staat met onbekende nationaliteit hoeft hier echter niet mee te maken te hebben. Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten of om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld dan wel om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een vreemdeling met onbekende nationaliteit geregistreerd staat, wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. Als de vreemdeling geen bekende nationaliteit heeft, maar er is geen twijfel over de identiteit en herkomst van de vreemdeling, kan de aanvraag getoetst worden aan het land van gebruikelijk verblijf. Het niet kunnen toewijzen van een nationaliteit hoeft dus niet in de weg te staan aan het kunnen beoordelen van de aanvraag.
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Zoals aangegeven in de voorgaande beantwoording lijkt het hier grotendeels te gaan om personen die al een asielstatus hebben in Griekenland. In algemene zin is niet te zeggen door hoeveel landen deze vreemdelingen hebben gereisd alvorens ze een aanvraag indienden in Nederland.
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee, niet zover mij bekend.
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 6 en 9.
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND standaard of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde 1F-gedragingen (ernstige misdrijven). Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Dit kabinet wil meer grip krijgen op migratie. Naast de specifieke inzet beschreven in antwoord 9, geldt dat belangrijke stappen daarin de inwerkingtreding van het Pact en de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel zijn.
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het vaststellen van de leeftijd van asielzoekers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo bepaalt Nederland de leeftijd van asielzoekers» in NRC?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de zogeheten «schouw» waarbij ambtenaren op basis van uiterlijke kenmerken zoals baardgroei, adamsappel en zithouding de leeftijd van asielzoekers trachten vast te stellen, in de praktijk leidt tot tegenstrijdige conclusies over dezelfde persoon?
Met de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact per 12 juni jl. is de rol van DISA m.b.t. de leeftijdsschouw komen te vervallen. Als er vermoedens zijn van evidente meerderjarigheid en de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten kan onderbouwen, houdt de IND thans een leeftijdsinterview. In het rapport van het leeftijdsinterview worden alle observaties over uiterlijke- en lichamelijke kenmerken, gedrag en verklaringen opgenomen. Indien niet kan worden geconcludeerd tot evidente meerderjarigheid dan is de conclusie dat de vreemdeling vooralsnog minderjarig is.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat in het algemeen de leeftijdsschouw, thans leeftijdsinterview geheten, zorgvuldig is en het beleid zoals de Minister dat in paragraaf C1/2.1 van de Vc 2000 en in de Werkinstructie 2025/1 heeft uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is naar het oordeel van de Afdeling in het algemeen een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling.
Hoeveel van de circa vierduizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zich jaarlijks melden, beschikken over geen enkel identiteitsdocument en in hoeveel gevallen wordt de opgegeven leeftijd simpelweg overgenomen zonder enige objectieve verificatie?
De ervaring is dat slechts een minderheid van de asielzoekers identiteitsdocumenten overlegt waarmee hun identiteit kan worden gestaafd. De personalia van de vreemdeling, inclusief de leeftijd, worden thans geregistreerd in Eurodac. Daarmee is bekend welke leeftijd de gestelde alleenstaande minderjarige vreemdeling in de andere lidstaat heeft opgegeven. Wanneer in het Eurodac resultaat geen personalia zijn opgenomen, wordt beoordeeld of onderzoek noodzakelijk is.
Kunt u uiteenzetten waarom het röntgenonderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) – de enige beschikbare methode met enige medisch-wetenschappelijke grondslag – slechts in een fractie van de gevallen wordt ingezet (142 keer in 2023, 157 in 2024, 42 in 2025), terwijl er jaarlijks duizenden ongedocumenteerde asielzoekers binnenkomen die beweren minderjarig te zijn?
Het Europese Unierecht bepaalt dat, voor toepassing van het medisch leeftijdsonderzoek, eerst minder-invasieve methodes moeten worden toegepast.2 Enkel in die gevallen waarbij de twijfel over de leeftijd aanhoudt, kan het medisch leeftijdsonderzoek als sluitstuk worden ingezet. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat het medisch leeftijdsonderzoek belangrijke beperkingen kent. Er bestaat geen sluitende, wetenschappelijke methode om iemands leeftijd te bepalen. Het is met het huidige röntgenonderzoek enkel mogelijk om de beoordeling van de radiologen te vertalen naar een mogelijke leeftijdscategorie en daarmee de vraag te beantwoorden of de vreemdeling mogelijk minderjarig is. De resultaten van het medisch leeftijdsonderzoek zijn in beperkt aantal gevallen effectief, onder meer omdat uit het onderzoek moet volgen dat de gestelde amv ook op het moment van indiening van de asielaanvraag al minimaal 18 jaar oud was.
Deelt u de mening dat het argument van «stralingsbelasting» als reden om röntgenonderzoek te beperken niet in verhouding staat tot de enorme financiële en maatschappelijke consequenties van het ten onrechte toekennen van een minderjarigenstatus, waaronder het recht op gezinshereniging en bescherming tegen uitzetting?
Zie antwoord vraag 4.
Welke consequenties verbindt u aan het feit dat asielzoekers zich in Italië en Griekenland bewust als meerderjarig laten registreren om sneller te kunnen doorreizen naar Noord-Europa, om zich vervolgens in Nederland als minderjarig te presenteren?
Staat een vreemdeling in een andere lidstaat als meerderjarig geregistreerd en is het resultaat van het leeftijdsinterview vooralsnog minderjarig, dan kan dat voor de IND aanleiding zijn om een zogeheten artikel 51 AMbV onderzoek te doen. In dat verband wordt onderzoek gedaan naar in de andere lidstaat overgelegde documenten en de wijze waarop leeftijdsbepaling heeft plaatsgevonden (op basis van verklaringen, of meer onderzoek).
Bent u bereid röntgenonderzoek of een andere objectieve, medische leeftijdsbepaling verplicht te stellen voor iedere asielzoeker die zich zonder identiteitsdocumenten als minderjarige meldt?
Zoals hiervoor toegelicht, is het Unierechtelijke uitgangspunt om bij aanhoudende twijfel over de leeftijd als uiterste maatregel een medisch leeftijdsonderzoek toe te passen.
Indien het antwoord op vraag zeven ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven hoeveel de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan opvang, voogdij, rechtsbijstand en procedures voor personen die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling hebben aangemeld maar achteraf meerderjarig bleken te zijn?
Het aantal personen dat zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft aangemeld, maar achteraf meerderjarig bleek te zijn, is niet precies uit systemen te herleiden omdat dit op verschillende momenten in het proces kan plaatsvinden. Naar schatting wordt ongeveer vijf procent van de vreemdelingen die een leeftijdsschouw krijgt, meerderjarig verklaard. Naar schatting wordt ongeveer 10 procent van de vreemdelingen die een medisch leeftijdsonderzoek ondergaan, meerderjarig verklaard.
Ten aanzien van het verschil in kosten tussen amv en volwassen asielzoekers, kan ik opmerken dat het niet heel concreet is te berekenen wat de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan personen die zich als amv hebben aangemeld en achteraf meerderjarig bleken te zijn. Dit is namelijk van diverse factoren (omvang van de groep, duur in een amv locatie etc.) afhankelijk en om die reden niet zomaar te bepalen. In zijn algemeenheid kan ik wel aangeven dat er een verschil zit in de kosten voor de opvang van een amv ten opzichte van de opvang van een meerderjarige bij het COA.
In de begroting 2026 is voor het COA rekening gehouden met een gemiddelde kostprijs van € 30.700 voor de opvang van meerderjarige asielzoekers per persoon per jaar, terwijl de gemiddelde kostprijs voor de opvang van een amv € 88.000 per persoon per jaar bedraagt. Het verschil in kosten heeft hoofdzakelijk te maken met de intensiteit van begeleiding. De begrote kosten 2026 voor Nidos ten aanzien van de begeleiding in het kader van de voogdij bedraagt € 10.477 per amv per jaar.
Indien de kosten volgens vraag negen niet worden bijgehouden, bent u bereid dit voortaan te registreren?
Zie antwoord vraag 9.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het huidige systeem van leeftijdsbepaling een perverse prikkel vormt voor asielzoekers om over hun leeftijd te liegen en dat Nederland hierdoor fungeert als trekpleister voor oneigenlijk gebruik van de minderjarigenregeling?
Er is een zorgvuldig proces leeftijdsbepaling ingericht om leeftijdsfraude tegen te gaan. De huidige werkwijze van leeftijdsbeoordeling kent echter beperkingen omdat geen sluitende methode voor leeftijdsbepaling bestaat. We blijven, ook in gesprek met NFI, betrokken op nieuwe wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen in andere lidstaten om de werkwijze waar mogelijk te optimaliseren.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid de gehele systematiek van leeftijdsbepaling fundamenteel te herzien en daarbij het uitgangspunt te hanteren dat wie zijn identiteit en leeftijd niet kan aantonen, als meerderjarige wordt behandeld?
Dit door u voorgestelde uitgangspunt is in strijd met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en met het Unierecht. Daaruit volgt dat de IND in beginsel moet uitgaan van het vermoeden dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarig moet behandelen. Als na onderzoek de conclusie is dat een vreemdeling als meerderjarig moet worden beschouwd, moet de IND motiveren waarom van de meerderjarigheid wordt uitgegaan.
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht 'Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: ‘Lopen blijvende schade op’' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van EenVandaag «Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: «lopen blijvende schade op»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht van EenVandaag.
Bent u het eens met de verpleegkundige en arts dat de schepen geen geschikte plek zijn voor kinderen?
Rotterdam heeft met het COA en het Rijk bestuurlijk afgesproken dat op de MS Silja uitsluitend statushouders worden opgevangen. De plaatsing van bewoners vindt plaats door het COA, die verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding.
Nederland kampt momenteel met een tekort aan (nood)opvangplekken. Tegelijkertijd is er sprake van een toenemende instroom van nareisgezinnen met een verblijfsstatus. Omdat de MS Silja is aangewezen voor statushouders, worden deze gezinnen in combinatie met het landelijke tekort aan opvangplekken veelal op deze locatie geplaatst.
Verblijf in noodopvang, waaronder scheepsaccommodaties, is niet wenselijk, in het bijzonder voor kinderen, en geen structurele oplossing. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er verschillen zijn in de diverse noodopvanglocaties op het gebied van geboden voorzieningen, en niet elke noodopvanglocatie onderdoet voor een reguliere locatie. Zolang er landelijk onvoldoende reguliere opvangplekken beschikbaar zijn, blijft het COA afhankelijk van noodopvang – ook voor kinderen. Ik zet mij, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, onverminderd in voor het realiseren van voldoende duurzame en reguliere opvangplekken, zodat kinderen in de toekomst niet langer in noodvoorzieningen hoeven te worden opgevangen.
Na eerdere signalen is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd op de Silja om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Hoe is het überhaupt mogelijk geweest om kinderen op deze locaties te plaatsen waar zij verblijven in kamers zonder ramen en zij zonder hun ouders slapen? Is dit in het belang van het kind, zoals omschreven in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag?
Door het structurele tekort aan opvangplekken in het hele land is het COA afhankelijk van noodopvanglocaties waar helaas ook kinderen worden opvangen. Op de Silja verblijft de helft van de bewoners in inpandige hutten die geen ramen hebben. Doordat het tweepersoons hutten zijn, kunnen niet alle kinderen bij hun ouders slapen. De ouders slapen wel altijd in de directe nabijheid van hun kinderen.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Het kabinet is gehouden aan internationale verplichtingen, waaronder het VN-Kinderrechtenverdrag. Mochten er signalen binnenkomen dat hier mogelijk niet (volledig) aan wordt voldaan, zal ik dit zeer serieus nemen en zal dit altijd worden onderzocht.
Is het uitlegbaar dat kinderen onnodige mentale problematiek oplopen en zelfs permanente schade kunnen oplopen door langere tijd opgevangen te worden op de boot?
Ik erken dat langdurig verblijf op noodopvanglocaties, zoals de Silja, niet bevorderlijk is voor het psychisch welzijn van kinderen. Het verblijf op dergelijke locaties betreft een tijdelijke noodmaatregel om te voorkomen dat mensen zonder opvang en onderdak komen te zitten. Daarbij is er op dit schip helaas sprake van situaties waarin verblijf langer duurt dan wenselijk is, in verband met de moeizame doorstroom van deze mensen met een verblijfsvergunning naar vervolghuisvesting.
Ik zet mij, in samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de medeoverheden en corporaties, ervoor in dat statushouders zo snel mogelijk kunnen uitstromen naar huisvesting in de gemeente. Voor de uitstroom van statushouders zijn en worden maatregelen genomen, waaronder tijdelijke financiële ondersteuning voor gemeenten bij huisvesting van statushouders. Gemeenten kunnen gebruikmaken van verschillende stimuleringsregelingen van het Rijk die (al dan niet ten dele) zijn gericht op het beter benutten van de huidige woningvoorraad of het toevoegen van nieuwe woningvoorraad om zo huisvesting van statushouders te stimuleren. Daarnaast wordt ingezet op opschaling van verschillende vormen van alternatieve huisvesting zoals flexwoningen en woningdelen, op permanente of tijdelijke locaties. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wil hier voor de zomer afspraken maken met gemeenten en corporaties in een convenant.
Op welke manier werkt u eraan om kinderen zo snel mogelijk van deze boten te halen en in geschiktere locaties op te vangen waar zij de nodige zorg kunnen krijgen?
De situatie in de asielopvang is momenteel zeer gespannen. Er is sprake van een aanzienlijk tekort aan opvangplekken, dat naar verwachting de komende maanden verder zal toenemen. Tegen die achtergrond is het op korte termijn helaas niet mogelijk om plaatsingen van kinderen in noodopvang volledig te beëindigen. Dat blijft echter wel het doel waar naartoe wordt gewerkt.
Het kabinet zet zich, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, in om het aantal duurzame en reguliere opvangplekken uit te breiden. Zodra er binnen de opvangcapaciteit meer ruimte ontstaat en het COA meer flexibiliteit krijgt in het plaatsingsbeleid. Hierbij heeft het beëindigen van de plaatsing van kinderen en andere kwetsbare mensen in noodopvanglocaties hoge prioriteit.
Hoe strookt deze gang van zaken met aangenomen motie Westerveld (Kamerstuk 19 637, nr. 3515)? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 6.
Worden er extra maatregelen getroffen om infectieziekten tegen te gaan op de boot? Is de locatie geschikt voor kwetsbare groepen? Waarom verblijven zij nu wel op deze boot?
Het COA doet het maximale om de hygiëne op het schip zo goed mogelijk te houden, zo wordt het schip elke week helemaal gereinigd. Op het schip is verder een huisartsenpost aanwezig en de Jeugdgezondheidszorg ziet kinderen voor bijvoorbeeld inentingen. Bij constatering van infectieziekten worden maatregelen getroffen al dan niet in samenwerking met de GGD.
Helaas moet het COA binnen de huidige capaciteitsproblematiek soms kwetsbare groepen plaatsen op het schip. Voor een deel van de kwetsbare asielzoekers is opvang op het schip niet geschikt en daarvoor wordt een andere oplossing gevonden.
Waarom worden zwangere vrouwen op deze boten geplaatst tegen medisch advies in?
Ik herken niet dat zwangere vrouwen tegen medisch advies in geplaatst worden op opvanglocaties in de vorm van een boot. Zwangere vrouwen kunnen verblijven op de Silja, behalve als er een waterpokken-uitbraak is. Zij worden getest of ze immuun zijn. Zijn ze niet immuun, dan verhuizen ze naar een andere opvanglocatie.
Hoe kan het dat er na de brandbrief vanuit artsen die werkzaam zijn op het schip geen maatregelen zijn getroffen? Is er iets veranderd nadat zij deze brief schreven?
Zoals ook toegelicht in vraag 2, naar aanleiding van de signalen en zorgen die vorig jaar zijn geuit zijn deze uiterst serieus genomen en er is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Daarnaast is extra aandacht voor de fysieke en mentale gezondheid van bewoners, waaronder kinderen en zwangere vrouwen. Er wordt laagdrempelige toegang tot zorg geboden en waar nodig wordt specialistische zorg ingeschakeld. Signalering van medische en psychosociale problematiek vindt continu plaats en wordt meegenomen in de gezamenlijke overleggen.
Er vindt doorlopend intensief ambtelijk overleg plaats tussen de verschillende samenwerkingspartners. Ook is er frequent overleg op operationeel, tactisch en bestuurlijk niveau. De gemeente is daarnaast structureel aanwezig op de Silja. In deze overleggen worden de leefomstandigheden, zorg, veiligheid en de situatie van kinderen en gezinnen continu gemonitord. Verbeterpunten worden gezamenlijk besproken en waar nodig uitgevoerd.
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als potentiële burgers van ons land allerlei mentale problemen oplopen op deze asielboten?
Langdurig verblijf in noodopvanglocaties, waaronder boten, is onwenselijk en kan negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de ontwikkeling van bewoners.
Het kabinet zet zich daarom in om de opvangomstandigheden te verbeteren, de inzet van noodopvang terug te dringen een het aantal reguliere opvanglocaties te vergroten door inzet van de Spreidingswet. Tegelijkertijd wordt ingezet op toegang tot onderwijs, zorg en passende begeleiding om de nadelige effecten van het verblijf op noodopvanglocaties zoveel mogelijk te beperken.
Drugs in COA-locaties |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over signalen van drugshandel in COA-locaties?1
Ja.
Wat is uw reactie hierop? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de beelden die in de reportage getoond worden met betrekking tot vermeende drugshandel vanuit de COA-locatie in Budel?
Het bezit van illegale drugs en de handel daarin is op COA-locaties verboden. Bewoners worden hierop bij aankomst expliciet gewezen in relatie tot de huisregels. Het COA doet aangifte van strafbare feiten (zoals drugshandel) en/of doet melding bij de politie in situaties waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. In die gevallen worden illegale drugs in beslag genomen. Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Welke (recente) cijfers zijn u bekend over drugshandel, -bezit en -gebruik in COA-locaties?
Wat strafrechtelijke registratie van misdrijven door COA-bewoners betreft; de jaarlijkse Incidentenmonitor van het WODC geeft inzicht in het aantal afgehandelde misdrijven, waaronder drugsmisdrijven, van COA-bewoners.
Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. Drugshandel, -bezit en -gebruik worden weliswaar door COA geregistreerd, maar niet als specifieke categorieën gerubriceerd. Daarom kan geen cijfermatig inzicht van dit type incidenten op COA-locaties worden gegeven.
Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd in COA-locaties?
Op basis van de huisregels zijn COA-medewerkers onder voorwaarden bevoegd om de woonruimte te betreden ter verplichte kamercontroles. Er vinden standaard periodieke kamercontroles plaats op COA-locaties. Dit is tevens een contactmoment met de bewoner en dat draagt bij aan signalering en sociale veiligheid. Daarnaast kan COA extra kamercontroles uitvoeren bij signalen van strafbare feiten, zoals drugsbezit of -handel.
Wat wordt verstaan onder de categorie «door het OM afgehandelde drugsmisdrijven» in het jaarlijkse WODC-onderzoek naar incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties (in 2024 respectievelijk 30 en 15 zaken)?2
Deze categorie betreft een door het Openbaar Ministerie geclassificeerde indeling van delicten. Bij drugsmisdrijven (Opiumwet) gaat het om Harddrugs (art. 2, 10, 10a) en Softdrugs (art. 3, 11, 11a, 11b).
Van hoeveel drugsgerelateerde zaken was vorig jaar in COA-locaties sprake onder andere in de in het onderzoek genoemde categorieën, zoals «incidenten» of «afdoening politie»?
De Incidentenmonitor van het WODC geeft een jaarlijks overzicht van het aantal geregistreerde incidenten per jaar, uitgesplitst naar type incidenten. Die uitsplitsing kan echter niet systematisch worden gespecificeerd naar de categorie illegaal drugsbezit of drugshandel.
Wat is de standaardprocedure wanneer een bewoner van een COA-locatie zich schuldig maakt aan het dealen van drugs?
Bij feitelijke signalen dat een bewoner van een COA-locatie dealt in drugs of illegale drugs bezit, wordt er een melding gemaakt bij de politie. De politie kan dan een strafrechtelijk onderzoek starten.
Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Wat is de standaardprocedure wanneer er sprake is van harddrugsbezit bij een bewoner van een COA-locatie?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u van beide gevallen aangeven hoe vaak hiervan de afgelopen vijf jaar sprake is geweest, in welke COA-locaties en tot welke straffen en sancties dit heeft geleid?
Er is geen volledig overzicht te geven van dit aantal delicten op COA-locaties omdat uit de politieregistraties niet kan worden herleid of het om een COA-locatie en/of een COA-bewoner gaat.
De jaarlijkse Incidentenmonitor van het WODC geeft inzicht in het aantal afgehandelde drugsmisdrijven door het Openbaar Ministerie en de rechter in eerste aanleg.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Asiel en Migratie beantwoorden?
Ik heb ernaar gestreefd de vragen zo spoedig als mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Ja.
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
Een eenduidig antwoord op deze vraag is niet te geven. Er zijn meer vragen over casussen met een vermoeden van een eermotief bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) binnengekomen. Dat kan komen omdat er een daadwerkelijke toename van het aantal zaken is. Dat kan echter ook komen door de gegroeide bekendheid van het LEC EGG binnen de politie-eenheden.
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Dat is niet bekend.
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Dat klopt. De afgelopen 10 jaren zijn mensen met een Syrische achtergrond de grootste groep nieuwkomers in Nederland.
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Het klopt dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven.
Binnen het integratieproces is het belangrijk om aandacht te besteden aan het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Hier is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige. In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en lhbtiq+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken, zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst. In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis te hebben genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te (zullen) handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober 2025 heeft de toenmalige Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk. Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die werken met inburgeraars.
Voor de betekenis hiervan voor het asielproces verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 10.
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Voor zowel het COA als gemeenten staat het beschermen van slachtoffers van eergerelateerd geweld voorop. In het geval van (vermoedens van) eergerelateerd geweld wordt er melding gedaan bij Veilig Thuis. Bij eergerelateerd geweld speelt eermotief in een collectieve context en daarom zijn er speciale interventies van toepassing. Zo is er een specifiek stappenplan van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor vermoedens van eergerelateerd geweld. In het geval van de complexe problematiek van eergerelateerd geweld wordt daarom door het COA en lokale teams de expertise van de politie en het LEC EGG (Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld) ingeschakeld.
Het stoppen van geweld, het inschakelen van hulp en het bieden van veilige opvang staat voor het COA voorop. In acute onveilige situaties handelt het COA direct om het geweld te stoppen en de veiligheid te waarborgen. Het COA doet dit in samenspraak met de politie. Dat kan betekenen dat de dader van (dreiging) van geweld in hechtenis wordt genomen dan wel per direct wordt overgeplaatst naar een andere COA-locatie. In sommige gevallen wordt maatwerk geboden waarbij het slachtoffer wordt overgeplaatst naar een (geheime) opvanglocatie of een beveiligde locatie voor vrouwenopvang in een gemeente. Een plaatsing in de vrouwenopvang gaat in overleg met de politie en Veilig Thuis. Slachtoffers van eergerelateerd geweld worden door het COA aangemoedigd om bij de politie aangifte te doen.
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
De IND is één van de organisaties die kan handelen op signalen van eergerelateerd geweld. De IND handelt op signalen indien mogelijk sprake is van vreemdelingrechtelijke gevolgen. De IND heeft daarvoor het Handhavingsinformatieknooppunt (HIK) ingericht. Bij het HIK worden fraude-en handhavingssignalen over vreemdelingen centraal verzameld, verwerkt en geanalyseerd. Hier kunnen ook signalen van eergerelateerd geweld onder vallen. De signalen kunnen worden ingebracht door klantdirecties van de IND (intern), maar ook door ketenpartners en derden zoals de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), de politie, gemeenten en (anonieme) tipgevers. Een melding kan worden gedaan via de site van de IND (Fraude of misbruik melden | IND). Voor het verwerken, oppakken en afhandelen van de signalen kan worden samengewerkt met andere ketenpartners.
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
De aanpak van eergerelateerd geweld maakt onderdeel uit van de bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het wordt binnen de aanpak beschouwd als een specifieke verschijningsvorm van huiselijk geweld waarbij over het algemeen de reguliere maatregelen worden toegepast en deze maatregelen waar nodig worden aangevuld met specialistische expertise.
Professionals volgen ingeval van vermoedens van eergerelateerd geweld de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze meldcode helpt hen bij het tijdig handelen wanneer er signalen zijn van geweld. Specifiek voor vermoedens van eergerelateerd geweld is een apart stappenplan ontwikkeld.
Daarnaast kunnen professionals voor ondersteuning en advies contact opnemen met het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld. Zij helpen onder andere bij het inschatten van risico’s en dreigingen.
Slachtoffers kunnen verder rekenen op bescherming via door de rechter opgelegde contactverboden, gebiedsverboden en huisverboden. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kunnen slachtoffers de politie inschakelen voor hulp. Verder is voor slachtoffers van eergerelateerd geweld en slachtoffers die (hoog) risico lopen op (dodelijk) eergerelateerd geweld de specialistische opvang beschikbaar. Slachtoffers worden via deze route op een veilige plek opgevangen en ondersteund.
Daarnaast zijn er verschillende maatregelen die potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en lhbtiq+ personen, beogen te beschermen. Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Het Ministerie van VWS zet eveneens in op bewustwording en toeleiding naar hulp binnen gesloten gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen.
Verder wordt binnen de versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid (Kamerstuk II, 2025/2026, 30 420, nr. 437) expliciet aandacht besteed aan het bevorderen van de veiligheid van lhbtiq+ personen in huiselijke kring.
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Ja.
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
De IND beoordeelt bij iedere openstaande aanvraag om een verblijfsvergunning of er sprake is van openbare orde aspecten. Eergerelateerd geweld kan hier als strafbaar feit vanzelfsprekend onder vallen en wordt dan betrokken bij de beoordeling. Hoe zwaar een veroordeling weegt en of hij ernstig genoeg is om een verblijfsvergunning af te wijzen of in te trekken, is afhankelijk van onder meer het concrete misdrijf en de opgelegde straf. Beide blijken uit het vonnis van de strafrechter.
Welke toets de IND hanteert bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde is afhankelijk van het soort vergunning waarvoor de aanvraag loopt en de grond voor vergunningverlening. Ook worden openbare orde aspecten betrokken bij de beoordeling of vergunninghouders van een vergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd nog recht hebben op het behoud van deze vergunning.
Voor reguliere aanvragen geldt dat sprake moet zijn van een veroordeling en een opgelegde straf wegens een misdrijf. Zolang de vreemdeling nog geen rechtmatig verblijf heeft, en er nog geen sprake is van een intrekking of verlenging, kan een enkele veroordeling in principe voldoende zijn om de aanvraag af te wijzen. De IND moet echter wel beoordelen of een afwijzing evenredig is, gelet op de individuele situatie. Afhankelijk van het verblijfsdoel kan ook het Unierechtelijke openbare orde criterium van toepassing zijn. Dit houdt in dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen. Dit criterium is vooral van toepassing op aanvragen waarin aan het Europees recht wordt getoetst.
In het geval van een intrekking van de verblijfsvergunning regulier of de afwijzing van een aanvraag voor een verlenging van een verblijfsvergunning regulier, of de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vanwege een gevaar voor de openbare orde moet er, naast de hiervoor genoemde voorwaarden, worden voldaan aan de zogenoemde glijdende schaal: een tabel waarin de opgelegde straf wordt afgezet tegen de duur van het rechtmatige verblijf in Nederland. Hoe langer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, hoe hoger de opgelegde straf moet zijn voordat de vreemdeling in aanmerking komt voor intrekking van het verblijfsrecht. Voor het weigeren van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet er bovendien sprake zijn van een strafbedreiging van 3 jaar of meer gevangenisstraf.
Voor een asielvergunning gelden de volgende kaders. Als een vreemdeling is aangemerkt als verdragsvluchteling (de «a-status»), kan de vergunning worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een «bijzonder ernstig misdrijf». Daarnaast moet er sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap. Als de vreemdeling geen verdragsvluchteling is, maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (de «b-status») moet er sprake zijn dat de vreemdeling voor zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, van een veroordeling voor een «ernstig misdrijf» na zijn aankomst in Nederland of dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Het laatste geval wordt beoordeeld aan de hand van het eerdergenoemde Unierechtelijke openbare ordecriterium.
Het is van belang hierbij op te merken dat een enkele verdenking in de meeste gevallen dus niet voldoende is om een vergunning te weigeren of in te trekken.
Ook als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een asielvergunning, kan openbare orde worden tegengeworpen. Dit kan ertoe leiden dat er ook een zwaar inreisverbod op grond van de openbare ordeaspecten wordt opgelegd.
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Dat is niet bekend. In de IND-systemen wordt niet op grond van een misdrijf geregistreerd of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of geweigerd, maar slechts of sprake is van een gevaar voor de openbare orde.
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 10 heb toegelicht, kan eergerelateerd geweld leiden tot een afwijzing van de aanvraag of intrekking van de vergunning (zowel voor reguliere zaken als voor asiel- en nareiszaken). Alle individuele omstandigheden van het geval worden betrokken bij deze beoordeling.
Daarnaast wil ik verwijzen naar de brief over aanscherping van de zogenoemde glijdende schaal die de Minister van Asiel en Migratie op 9 juni 2026 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Ja, eerwraak is onacceptabel. Het is een misdrijf dat binnen ons Wetboek van Strafrecht strafbaar wordt gesteld als (poging tot) moord of doodslag.
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt eerwraak binnen ons Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd als moord of doodslag. Beide vallen onder de zwaarste categorie geweldsdelicten en hebben altijd prioriteit bij de politie. Bij het vervolgen van moord- of doodslagzaken wordt niet apart geregistreerd op eerwraak. Of een eermotief een rol heeft gespeeld bij de gepleegde moord of doodslag blijkt veelal uit de feiten en omstandigheden van de zaak, voor zover de strafrechter deze context tot uitdrukking brengt in het vonnis dan wel arrest.
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Eerwraak is een ernstig misdrijf en als het mogelijk is, zal de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Daarbij is het kabinet gehouden aan geldende wet- en regelgeving. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke gerechtelijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Alleen de dader kan het land worden uitgezet; wanneer gezinsleden geen strafbaar feit hebben gepleegd, is er geen reden om hen uit te zetten.
Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen (asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije) moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Ja. Het kabinet onderkent dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader.
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
De politie registreert zaken waarbij mogelijk sprake is geweest van eerwraak niet aan de hand van de gevraagde gegevens.
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
De context van eergerelateerd geweld is complex. Verschillende thema’s zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie zijn relevant binnen de aanpak. Het uitlichten van slechts één van die thema’s, zoals religie, doet geen recht aan een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld en kan bovendien stigmatiserend werken.1
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven onderkent het kabinet dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Ja.
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Het totaal aantal Syrische asielzoekers per 1 april is 17.310.
Het totaal aantal Syrische statushouders per 1 april is 76.200.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Het gaat om 70.840 personen, per 1 april 2026.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Dit betreft 5.360 personen per 1 april 20262.
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Een asielaanvraag wordt op basis van de individuele merites van de zaak beoordeeld. In het geval van Syrië wordt daarbij gebruik gemaakt van het landgebonden asielbeleid. Landgebonden asielbeleid komt zorgvuldig tot stand op basis van actuele, feitelijke informatie over een land van herkomst. Op 22 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over enkele wijzigingen in het landenbeleid Syrië. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie van artikel 15c aangewezen. Voor druzen heb ik een risicoprofiel aangewezen, naast de al aangewezen risicoprofielen voor LHBTIQ+ en alawieten. Het algemene uitgangspunt dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief, is komen te vervallen.
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Ook in bovengenoemde brief van 22 april jl. en bijbehorende nota ga ik daarop in. Daar verwijs ik dan ook naar.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de vanaf 12 juni in werking tredende Kwalificatieverordening en jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds werden ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren op de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw worden bezien of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Reeds direct na de val van het Assad-regime meldden zich Syriërs bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor ondersteuning bij terugkeer naar Syrië. De DTenV heeft deze ondersteuning ook direct geboden. In de eerste maanden ging het daarbij met name om het organiseren van de daadwerkelijke terugkeer door het boeken en financieren van vliegtickets en ondersteuning bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht van vorig jaar konden Syriërs ook weer gebruik maken van de reguliere herintegratieondersteuning. Sinds de val van Assad zijn inmiddels meer dan 1400 personen3 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Onder de personen die vrijwillig zijn teruggekeerd zitten zowel personen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun asielaanvraag, personen zonder verblijfsrecht en personen in bezit van een vergunning voor (on)bepaalde tijd. Gedwongen terugkeer heeft nog niet plaatsgevonden. Wel blijven we in gesprek met de Syrische autoriteiten over het mogelijk maken van terugkeer, zowel gedwongen als vrijwillig. Nederland heeft hier in Damascus reeds op politiek en hoogambtelijk niveau gesprekken over gevoerd met de Syrische autoriteiten. Daarnaast draagt Nederland bij aan het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden en de veiligheidssituatie in Syrië zodat Syriërs die terugkeren ook duurzaam kunnen re-integreren.
Tijdens het IMRF heeft Nederland samen met Syrië een bijeenkomst georganiseerd over de vraag hoe terugkeer de wederopbouw kan ondersteunen en hoe reconstructie-inspanningen op hun beurt duurzame terugkeer mogelijk maken. De komende tijd zal de dialoog met Syrië worden voortgezet om samen tot concrete mogelijkheden voor samenwerking te komen.
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief d.d. 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid Syrië. In deze brief heb ik u laten weten dat het de inzet van het Kabinet is om tot herbeoordelen over te gaan zodra dat kan maar dat dit op dit moment nog niet aan de orde is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht opnieuw onderzoek te verrichten naar de situatie in Syrië en daarover eind dit jaar een nieuw ambtsbericht te publiceren. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien of de situatie in Syrië dermate is ontwikkeld dat er tot herbeoordelen overgegaan kan worden.
Nederland onderschrijft het door Duitsland benoemde belang van terugkeer van Syriërs. Daarbij ziet Nederland dat het investeren in wederopbouw een positieve bijdrage kan leveren aan (vrijwillige) terugkeer. Verder onderkent Nederland, net als Duitsland, dat de terugkeer van Syriërs een gunstige invloed kan hebben op het realiseren van wederopbouw. Het kabinet zet daarom in op het vrijwillig laten terugkeren van grote aantallen Syriërs, zoals ook nader toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl4.
Overlastgevend gedrag van asielzoekers is per definitie onaanvaardbaar. Daarom geven we in algemene zin ook prioriteit aan overlastgevers in het terugkeerproces. Nederland zet in dat verband ook in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10, zet het kabinet in op het laten vertrekken van zoveel mogelijk Syriërs. Het hanteert daarbij geen streefgetallen of -percentages.
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 7 en 8 zijn er reeds mogelijkheden voor ondersteuning bij vrijwillige terugkeer naar Syrië. Deze ondersteuning staat ook open voor personen met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Samen met Buitenlandse Zaken, andere EU-lidstaten en internationale organisaties wordt gekeken hoe Syrië verder kan worden ondersteund bij de wederopbouw. Daarin zal ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het bedrijfsleven in Nederland en de EU worden meegenomen alsmede de inzet van de Syrische diaspora.
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.