Het bericht "Concerns ontwijken Afrikaanse fiscus' |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Concerns ontwijken Afrikaanse fiscus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat landen die ontwikkelingshulp krijgen van Nederland ter stimulering van de economie, tegelijkertijd belastingopbrengsten over winsten gerealiseerd in deze landen zien wegvloeien naar Nederland?
Nederland heeft een aantrekkelijk (fiscaal) vestigingsklimaat voor internationaal opererende bedrijven met reële aanwezigheid in Nederland («rokende schoorstenen»). Heel belangrijk voor internationaal zakendoen is dat dubbele belastingheffing wordt voorkomen en bronheffingen worden gereduceerd. Belangrijke pijlers zijn: deelnemingsvrijstelling, het uitgebreide verdragennetwerk, de afwezigheid van bronheffing op uitgaande rente- en royaltystromen.5 Verder biedt de Nederlandse belastingdienst een grote mate van zekerheid over de toepassing van fiscale regels. Deze regels kunnen ertoe leiden dat ook bedrijven met een relatief beperkte aanwezigheid in Nederland van het aantrekkelijke vestigingsklimaat gebruik maken.
De belastingheffing van multinationals kan door de internationale vervlechting niet slechts nationaal worden beoordeeld. Voor multinationals bestaat het Nederlandse fiscale stelsel niet als een geïsoleerd fenomeen, maar is het een onderdeel van een internationaal netwerk van landen, jurisdicties en verdragen. Het heeft daarom niet zoveel zin om de problematiek waar ontwikkelingslanden zich voor gesteld zien alleen vanuit Nederland te bezien. Belastingplanning is mogelijk doordat verschillende fiscale systemen niet op elkaar aansluiten. Voor ontwikkelingslanden geldt in het bijzonder nog dat deze vaak speciale faciliteiten (belastingvrijstellingen) aanbieden waardoor de belastinggrondslag wordt uitgehold. Eenzijdig door Nederland te nemen maatregelen om belastingvlucht uit ontwikkelingslanden te beperken, zullen dus geen of slechts een beperkt effect hebben en zijn bovendien schadelijk voor onze reële economie. Het bijvoorbeeld introduceren van een Nederlandse bronheffing op royalty’s is daarom ongewenst en onevenwichtig. In het in de Volkskrant beschreven geval heeft Ghana ervoor gekozen om in het verdrag met Nederland te opteren voor een bronheffing van 8% op uitgaande royaltybetalingen aan Nederland.
Dat belastingplichtigen profiteren van verschillen tussen belastingstelsels is van alle tijden en daar hebben alle landen mee te maken. Het is van belang dat landen zich daar zelf tegen kunnen wapenen. Dat geldt voor een ontwikkeld land zoals Nederland, maar ook voor ontwikkelingslanden.
Het kabinet neemt de problematiek van belastingontduiking en -ontwijking zeer serieus. Dit geldt op nationaal niveau, zie bijvoorbeeld de door dit kabinet ondernomen activiteiten tegen zwartspaarders, maar ook op internationaal niveau. Nederland heeft in het kader van de in april 2009 gehouden G20 top in Londen ondernomen initiatieven voor internationale afspraken tegen belastingontduiking en -ontwijking van harte ondersteund en bilateraal meerdere belastingverdragen met diverse landen over onder meer informatie-uitwisseling afgesloten. Bij de laatste top in Korea hebben de G20-landen een oproep gedaan om ontwikkelingslanden bij het voeren van belastingpolitiek en het opbouwen van capaciteit te steunen. Het is voor het kabinet vanzelfsprekend dat ontwikkelingslanden bij deze ontwikkelingen worden betrokken en daarbij worden ondersteund. Hernieuwde aandacht voor verbeterde belastingheffing vormt een van de kernonderdelen van de modernisering van het ontwikkelingsbeleid. Om aan deze agenda inhoud te geven hebben de toenmalige minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de toenmalige staatssecretaris van Financiën in 2009 een intentieverklaring ondertekend waarin is vastgelegd dat gezamenlijk wordt gewerkt aan een actieve Nederlandse aanpak van deze problematiek.
Het gaat om maatwerk gericht op de behoeften van elk afzonderlijk land. Een dergelijke aanpak vereist maatregelen op verschillende terreinen.
Allereerst zal de capaciteit van overheden in ontwikkelingslanden op het gebied van belastingheffing en belastingbeleid moeten worden versterkt. Dit wordt in internationaal verband georganiseerd (OESO, IMF, Wereldbank en VN). Nederland speelt daarbij een vooraanstaande rol. De internationale en Nederlandse inzet richt zich op het versterken van de positie van ontwikkelingslanden zodat zij zelf een evenwichtige afweging kunnen maken hoe zij hun fiscale stelsel willen inrichten en dat ze goed geëquipeerde mensen hebben om de wetgeving te kunnen uitvoeren.
Er lopen meerdere initiatieven binnen de OESO die zich richten op verbetering van transparantie in financiële stromen en uitwisseling van informatie tussen landen, ter voorkoming van onder andere belastingontduiking en -ontwijking, die specifiek gericht zijn op ontwikkelingslanden. Zo is onlangs deelname aan het Global Forum on Tax Transparancy and Exchange of Information opengesteld voor ontwikkelingslanden en wordt gewerkt aan multilaterale mechanismen voor alle landen, inclusief ontwikkelingslanden, op het gebied van uitwisseling van informatie. Door middel van het Global Relations programma van de OESO worden trainingen gegeven aan ontwikkelingslanden, o.a. op het gebied van uitwisseling van informatie en verrekenprijzenmethodieken. Mede op Nederlands initiatief is in de OESO besloten tot een gezamenlijke aanpak door het Ontwikkelingscomité, het Comité voor Fiscale Zaken en het Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes. Een daarvoor in mei 2010 in het leven geroepen OECD Informal Taskforce on Tax and Development, met daarin overheden uit OESO- en ontwikkelingslanden, non-gouvernementele organisaties, internationale instellingen en internationaal bedrijfsleven zal begin 2011 met een breed programma van start gaan. De Taskforce, onder co-voorzitterschap van Nederland en het African Tax Administration Forum,zal werken aan concrete en voor ontwikkelingslanden bruikbare voorstellen op het gebied van uitwisseling van informatie, transfer pricing, country by country reportingen capaciteitsversterking. De G20 heeft recent aan de Taskforce verzocht om samen met de VN, het IMF en de Wereldbank daarover in 2011 te rapporteren.
Ten slotte zullen multinationale ondernemingen zelf moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
In de motie Vendrik6 is gevraagd om het Nederlandse fiscale stelsel voor multinationale bedrijven door te lichten op het punt van belastingontduiking en -ontwijking ten koste van ontwikkelingslanden.
Uit het voorgaande volgt dat het doorlichten van het Nederlandse fiscale stelsel alleen weinig oplevert. Belastingontwijking of -ontduiking is bij uitstek een internationaal fenomeen en staat daarom hoog op de agenda van de OESO. Uiteindelijk kunnen belastingontduiking en -ontwijking in ontwikkelingslanden alleen effectief worden tegengegaan door versterking van belastingstelsels in de betrokken landen zelf, aangevuld met sluitende internationale afspraken over informatie-uitwisseling, fraudebestrijding en het tegengaan van belastingparadijzen.
Deelt u de mening dat ontwikkelingslanden de dupe zijn van het Nederlandse belastingstelsel? Bent u het eens met de in dit artikel aangehaalde stelling «Veruit de grootste bijdrage die ondernemingen kunnen leveren aan ontwikkeling van landen is door doodgewoon hun werk te doen: leveranciers betalen, lonen betalen, belastingen betalen»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bedrijven zoveel mogelijk de winstbelasting zouden moeten betalen in het land waar de winst eigenlijk gemaakt wordt?
Bedrijven dienen zich aan de wetten te houden. In de wetgeving komt tot uiting hoe landen de winsten willen belasten. De nationale parlementen kunnen de wetgeving tot op grote hoogte zelf inrichten (zij zullen daarbij rekening houden met de behoeften van het land), zolang zij zich houden aan de internationale spelregels. In de Europese context valt te denken aan het EU verdrag, de regels inzake verboden staatsteun en de gedragscode tegen schadelijke belastingconcurrentie. Ook de OESO heeft richtlijnen op het gebied van schadelijke belastingconcurrentie7.
Bent u bereid de mogelijkheid te onderzoeken om de belastingmogelijkheden ten aanzien van royalty’s te veranderen zodat (ontwikkelings-)landen niet meer de dupe zijn van dit Nederlandse systeem?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u dit verband aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Vendrik2 van ruim een jaar geleden die ook verzoekt om een doorlichting van het Nederlands fiscaal stelsel met het oog op dit soort ontwijking?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de bevindingen van professor Geert Michielse die stelt dat het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting van multinationals rond de 5% is?1 Zo nee, bent u dan bereid om te onderzoeken wat de effectieve belastingdruk van multinationals in Nederland is?
Nee. Voor wat betreft de belastingdruk van multinationals in Nederland geldt dat de Nederlandse belastingregels geen onderscheid maken tussen grote en kleine bedrijven. Over de verdeling van de vennootschapsbelasting is mijn ambtsvoorganger in een brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 oktober 2009 (DB/2009/624M) uitvoerig ingegaan.
Kunt u aangeven hoeveel belasting er in Nederland in totaal wordt betaald over winsten uit aan Nederlandse vennootschappen betaalde royalty’s? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dat verhoudt tot de totale omzet van statutair in Nederland gevestigde vennootschappen?
Nee, dat is niet mogelijk. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft innovatie al jaren hoog in het vaandel staan. Enkele concrete voorbeelden zijn onderzoek op het gebied van voeding, medicijnen, biotechnologie, technische toepassingen en het ontwikkelen van een merk(naam). Naast het zelf ontwikkelen van intellectueel eigendom door in Nederland gevestigde bedrijven, wordt door in Nederland gevestigde ondernemingen ook intellectueel eigendom gekocht. De kosten welke verband houden met het zelf ontwikkelen van intellectueel eigendom en de aankoop van intellectueel eigendom verminderen over het algemeen het fiscale resultaat. Een complicerende factor hierbij is dat de huidige kosten voor een aanzienlijk deel zien op huidige ontwikkelingen van toekomstig te exploiteren intellectueel eigendom. Waarbij ook niet vooraf bekend is of en in hoeverre de ontwikkeling succesvol zal zijn. De opbrengst van het intellectuele eigendom bestaat niet alleen uit ontvangen royalty’s van zowel derde partijen als groepsvennootschappen, maar ook uit eigen opbrengsten door middel van verkoop van producten en/of diensten door de Nederlandse eigenaar van het intellectueel eigendom (bespaarde royalty).
Kunt u ingaan op de stelling in het artikel dat er jaarlijks 8000 miljard euro door Nederland spoelt via brievenbusmaatschappijen die hier vooral om fiscale redenen zitten? Klopt deze schatting volgens u? Kunt u ook in gaan op de schatting dat dit de Belastingdienst jaarlijks zo’n 2 miljard euro oplevert? Zou dit eventueel ook verder onderzocht kunnen worden?
Uit gegevens van DNB over 2008 kan worden vastgesteld dat de bruto gesommeerde geldstroom via zogenaamde bijzondere financiële instellingen 12 300 miljard euro bedroeg. Bijzondere financiële instellingen zijn entiteiten die in Nederland zijn opgericht door buitenlandse multinationale concerns als doorvoerkanaal van financiële stromen tussen buitenlandse concernmaatschappijen.
Voor wat betreft de rol van Nederland als financieel knooppunt verwijs ik naar de beantwoording op de vragen 2, 3, 5 en 6. Deze rol levert Nederland werkgelegenheid op en levert de schatkist geld op. De toegevoegde economische waarde is naar schatting € 1,5 miljard per jaar. Ongeveer € 1 miljard in de vorm van belastingen en € 0,5 miljard in de vorm van vergoedingen voor financiële professionals. 8
Vindt u het wenselijk dat het Nederlandse belastingstelsel door buitenlandse multinationals wordt gebruikt om via brievenbusfirma’s winsten door te sluizen?
Zie antwoord op vragen 2 en 3.
De gang van zaken bij bezwaar tegen indicatie door het Centrum Indicatiezorgstelling Zorg (CIZ) |
|
Linda Voortman (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column «Een aanbod dat ik niet kan weigeren»?1
Ja, ik heb de column gelezen.
Wat is uw reactie op de casus die in deze column naar voren komt?
Uit informatie van het CIZ is mij gebleken dat het CIZ in deze casus bij de heroverweging in bezwaar tot de conclusie is gekomen dat cliënt voor een lagere indicatie in aanmerking komt dan de indicatie waartegen het bezwaar is gericht. Een bezwaarde mag echter nooit in een nadeliger positie terecht komen door het indienen van bezwaar. Dat is in deze casus ook erkend en gezegd tegen de cliënt. Vervolgens is niet conform de werkinstructies van het CIZ gehandeld. Tegelijkertijd werd immers door de medewerker van het CIZ aangegeven dat de cliënt het bezwaar kan intrekken. Cliënt heeft dat als sturend en bedreigend ervaren en dat vinden ik en het CIZ ongewenst. Cliënt heeft over deze gang van zaken terecht bij het CIZ geklaagd. In reactie daarop is de afhandeling van het bezwaar overgenomen door een andere medewerker van het CIZ en heeft het CIZ excuses aangeboden voor deze gang van zaken. Het CIZ zal deze ervaring ook betrekken bij de (intercollegiale) toetsing van medewerkers met het oog op het trekken van lering daaruit.
Hoe vaak is een dergelijke casus reeds aan het College voor zorgverzekeringen voorgelegd? Wat heeft het College voor zorgverzekeringen in deze casussen besloten?
Op grond van artikel 58 van de AWBZ dienen alle bezwaarzaken waarvan het CIZ het voornemen heeft die ongegrond te verklaren, ter advisering te worden voorgelegd aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ). Dat geldt ook voor deze casus, waarover het CVZ overigens nog geen advies heeft uitgebracht. Omdat de in deze casus gevolgde werkwijze niet volgens de standaardwerkwijze van het CIZ is, liggen er geen vergelijkbare cases voor advies voor bij het CVZ.
Is het gebruikelijk dat over de herindicatie naar aanleiding van een bezwaar contact wordt opgenomen met de aanvrager?
Cliënten die in bezwaar zijn gegaan tegen een indicatiebesluit worden in het kader van de afhandeling van het bezwaar in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Dat schrijft de Algemene wet bestuursrecht voor. Het komt daarnaast vaker voor dat er contact wordt opgenomen met de cliënt, bijvoorbeeld omtrent onduidelijkheden in het bezwaar of ontbrekende gegevens, met het oog op een zorgvuldige beslissing op bezwaar.
Deelt u de mening dat deze situatie de schijn wekt dat gedreigd wordt met een lagere indicatie om te voorkomen dat het bezwaar wordt doorgezet? Zo nee, vindt u dit een normale gang van zaken? Zo ja, welke stappen bent u bereid te ondernemen om te voorkomen dat deze schijn alsnog ontstaat?
Voor een reactie op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een bezwaar tegen een indicatie, gesteld door het CIZ, nooit mag leiden tot een lagere indicatie dan waartegen bezwaar is gemaakt?
Ja, zie tevens ook mijn antwoord op vraag 2.
Steun aan buitenlandse organisaties |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de onderzoeksresultaten van NGO-Monitor betreffende de steun van Interkerkelijke Coördinatie Commissie Ontwikkelingssamenwerking (ICCO) aan Electronic Intifada en het corresponderende artikel «Dutch will look into NGO funding of anti-Semitic website»?1
Ja.
Zijn de berichten, zoals verschenen in het bovengenoemde artikel, dat u persoonlijk deze kwestie gaat onderzoeken waar? Zo ja, wanneer kan de Kamer een reactie van u verwachten? Bent u bereid ook andere organisaties die Nederlandse subsidie ontvangen in uw onderzoek te betrekken?
Ik heb naar aanleiding van deze berichten onderzoek verricht. Gebleken is dat ICCO van 2006–2009 Electronic Intifada heeft ondersteund met Euro 150 000, afkomstig uit Medefinancieringsstelsel (MFS)-middelen. In 2010 heeft ICCO Euro 50 000 aan eigen fondsen ingezet. Hierover is een gesprek met ICCO gevoerd op 13 januari 2011. Tevens is gekeken of een en ander zich ook voordoet bij activiteiten van andere gesubsidieerde NGO’s die zich (mede) op Israël en/of de Palestijnse Gebieden richten. Hiervoor zijn geen aanwijzingen gevonden.
Deelt u de mening dat een uitlating zoals van Electronic Intifada, welke gesteund wordt door ICCO, die onder andere oproept tot een boycot van Israëlische producten en Israël met Nazi-Duitsland vergelijkt fundamenteel onverenigbaar is met het Nederlands buitenlands beleid?
Sinds mijn aantreden heb ik namens de regering gepleit voor intensievere betrekkingen met Israël. Daarmee verdraagt zich niet dat indirect gesubsidieerd met Nederlands geld wordt opgeroepen tot een boycot van Israël. Ik heb er dan ook bij ICCO op aangedrongen de ondersteuning van organisaties die zich daarmee actief bezighouden te herzien. Doorgaan met activiteiten die strijdig zijn met de regeringsopvattingen, kan gevolgen hebben voor het subsidiebeleid. Uiteraard zijn uitspraken – indien gedaan – waarin Israël wordt vergeleken met Nazi-Duitsland onacceptabel en fundamenteel onverenigbaar met het Nederlandse beleid.
Bent u bereid om van organisaties die subsidie ontvangen, in dit geval ICCO, als voorwaarde te stellen dat zij geen organisaties of initiatieven steunen welke fundamenteel onverenigbaar zijn met het Nederlands buitenlands beleid, hetzij uit eigen middelen hetzij uit subsidiegelden?
Ik heb tegenover ICCO de boodschap uitgedragen dat dit bij toekomstige subsidieverlening het geval zal zijn. Deze boodschap zal ik ook uitdragen richting andere MFS-organisaties. In de subsidiebeschikkingen van het ministerie staat een bepaling die betrekking heeft op de verenigbaarheid met het buitenlands beleid. Indien blijkt dat een subsidieontvanger activiteiten in strijd met het Nederlandse buitenlandse beleid ontplooit, kan in overleg worden getreden. Werpt dat overleg geen vrucht af, dan kunnen aan de subsidieontvanger aanwijzingen worden gegeven die ertoe strekken om deze strijdigheid op te heffen. Als de subsidieontvanger geen gehoor geeft aan dergelijke aanwijzingen bestaat de mogelijkheid dat de subsidie wordt verlaagd.
Dit laat onverlet de betekenis die NGO’s hebben voor het Nederlandse OS-beleid zoals ook aangegeven in de basisbrief OS van november vorig jaar.
Geweldsincidenten in Eindhoven |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Geweld door wietcriminaliteit» en «Eindhoven is nog steeds onveilig»?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de Eindhovense burgemeester over deze verontrustende toename van het geweld? Zo ja, wat gaat uw bijdrage zijn aan het beëindigen hiervan? Zo nee, waarom niet?
Die zorgen deel ik. Om die reden heb ik direct actie ondernomen. Op donderdagavond 2 december jl. heb ik met onder meer de (loco-) burgemeesters van de gemeenten Breda, Helmond, Eindhoven, ’s Hertogenbosch en Tilburg een Taskforce ingesteld. Daaraan nemen ook de politie (nationale recherche en regionale korpsen), het openbaar ministerie, de Koninklijke Marechaussee en de Belastingdienst deel.
Ik verwijs verder naar mijn brief van 3 december 2010 aan uw Kamer.
In hoeverre is er sprake van een wietoorlog binnen de onderwereld? Is dit alleen een probleem in Eindhoven of krijgt u signalen uit andere steden? Zo ja, welke signalen zijn dat en hoe gaat u dit bestrijden?
Georganiseerde criminaliteit, waaronder hennepteelt en daarmee verbonden activiteiten, komen niet alleen in Brabant, maar op tal van plaatsen in het land voor. De aanpak van georganiseerde criminaliteit is een topprioriteit van dit kabinet. Zoals ik heb aangegeven tijdens de begrotingsbehandeling op 24 en 25 november jl. is het mijn doelstelling om het aantal aangepakte criminele organisaties te verdubbelen. De bestrijding van de georganiseerde hennepteelt maakt daarvan onderdeel uit, niet alleen in Brabant maar overal waar deze zich voordoet.
Specifiek voor de Brabantse situatie is een Taskforce ingesteld die ervoor zal zorgen dat de bestuurlijke en justitiële aanpak van de georganiseerde misdaad aldaar per direct wordt geïntensiveerd (zie ook het antwoord op vraag 2). Alleen door een gecombineerde inzet van bestuurlijke, strafrechtelijke en fiscale instrumenten kan de georganiseerde misdaad de voet worden dwarsgezet.
Tevens zullen de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) bijdragen aan de bestrijding van georganiseerde misdaad. Zie daarover ook mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat, naast wetgeving, de aanpak van drugsgerelateerde criminaliteit in Nederland vooral een kwestie van handhaving en opsporing is? Zo ja, hoe gaat u dit doen en is daar een uitbreiding van capaciteit boven de bestaande politiesterkte voor nodig? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat handhaving en opsporing een belangrijk deel uitmaken van de aanpak van drugsgerelateerde criminaliteit. Een effectieve bestrijding van georganiseerde misdaad vraagt echter om een geïntegreerde aanpak op lokaal en (boven)regionaal niveau, waarbij opsporing en vervolging aansluiten op preventieve en bestuurlijke handhavende maatregelen. Om deze geïntegreerde aanpak te ondersteunen zijn de RIEC’s actief. Deze RIEC’s hebben als doel informatie van de verschillende partijen regionaal te bundelen en te analyseren, waardoor een zo goed mogelijk beeld ontstaat van criminele organisaties en criminele activiteiten in de gehele regio. De overheidspartijen gaan zich nu beter organiseren om adequaat te kunnen handelen. We doen wat nodig is.
Wat is uw mening over het gestelde dat vanwege de door deze zaak gevergde recherchecapaciteit, in Eindhoven andere zaken moeten blijven liggen?
Het maken van keuzes en het stellen van prioriteiten is onvermijdelijk. We doen wat nodig is. In het kader van de Taskforce zullen de drie regiokorpsen in Brabant als één team gaan werken en zal de Nationale Recherche ondersteuning leveren.
In hoeverre is criminaliteit in het algemeen en geweldscriminaliteit in het bijzonder een structureel probleem in Eindhoven en omgeving in die zin dat daar criminaliteit per hoofd van de bevolking vaker voorkomt dan bij vergelijkbare gemeenten elders in het land?
De Brabantse gemeenten scoren al jaren hoog op de gemeentelijke veiligheidsindex. Uit onderzoek2 blijkt dat dit direct én indirect samenhangt met de verwevenheid tussen (een deel van de) «reguliere zichtbare probleemgroepen» (jeugdgroepen, straatdealers, veelplegers e.d.) en minder zichtbare criminele samenwerkingsverbanden (georganiseerde criminaliteit).
Uit het voornoemde onderzoek blijkt dat voor de Brabantse situatie ondermeer geldt:
In het onderzoek wordt een aantal aanbevelingen gedaan te weten: komen tot een betere informatiepositie, meer bovenregionale politiële én bestuurlijke samenwerking en een verdere uitbouw van het bestuurlijk veiligheidsbeleid. Deze aanbevelingen worden door de Taskforce opgepakt en uitgewerkt. Ik verwijs daarvoor naar mijn brief van 3 december 2010 aan uw Kamer.
Hoeveel politiecapaciteit krijgt Eindhoven en omgeving extra op basis van het nieuwe budgetverdeelsysteem? Op welke termijn wordt deze extra capaciteit gerealiseerd?
De invoering van het herijkte budgetverdeelsysteem zal onderdeel uitmaken van het bestuursakkoord met de korpsbeheerders waaraan nu wordt gewerkt. Ik kan nog niets zeggen over de exacte omvang van het budget vanaf 2012 en de gevolgen voor de verdeling daarvan over de politieregio’s.
Deelt u de mening van de Eindhovense burgemeester dat meer controle op de aanvoer van drugs naar de coffeeshops tenminste een deel van de problematiek oplost? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening niet. Het drugsgerelateerde geweld benadrukt de noodzaak tot een intensivering van de bestuurlijke en justitiële aanpak van de georganiseerde misdaad in Brabant. Het gaat dan om het bestrijden van hennepteelt over de gehele keten. Daar past een gecontroleerde aanvoer en het toestaan van het kweken van wiet door coffeeshops niet bij. De kracht zit in een geïntegreerde aanpak, zoals de Taskforce dan ook beoogt.
Deelt u de mening van de Eindhovense burgemeester dat het toestaan dat coffeeshops zelf, via een systeem van een besloten club, voor hun klantenwiet kunnen gaan telen, zal bijdragen aan het terugbrengen van de drugsgerelateerde geweldscriminaliteit? Zo ja, hoe gaat u dit systeem faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre hebben versnippering van taken, verschil van visie, te veel gepraat over te veel schijven gezorgd voor een gebrek aan slagkracht en hebben het opdrogen van rijksgeld en de gemeentelijke bezuinigingen bijgedragen aan de huidige situatie in Eindhoven?
De Eindhovense situatie heeft geleid tot een onderzoek onder de vier grootste Brabantse gemeenten naar de achtergronden van de hoge scores op de gemeentelijke veiligheidsindex. De aanbevelingen uit dit onderzoek (zie vraag 6), en de concretisering daarvan, zijn al in de zomer opgepakt door een samenwerkingsverband van de gemeenten Breda, Tilburg, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Eindhoven, de zogenoemde «B5».
De actualiteit heeft inmiddels genoodzaakt tot het versneld aanpakken van de problematiek waarbij de overheid nu als één front maximaal inzet op de bestuurlijke en justitiële aanpak. Door de instelling van de Taskforce ga ik, samen met de burgemeesters, ervoor zorgen dat per direct maximaal gebruik wordt gemaakt van alle bestuurlijke, fiscale en justitiële instrumenten in de gehele regio.
Uitspraken van de Keniaanse premier Raila Odinga |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Keniase premier: alle homo’s arresteren»?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel in de Telegraaf en van soortgelijke artikelen in andere media. Echter, volgens premier Odinga is hij verkeerd uitgelegd. Op 29 november 2010 heeft hij tijdens een redevoering, waarbij vrijwel het voltallige kabinet en vertegenwoordigers van de Keniaanse en internationale pers aanwezig waren, het geschetste beeld recht gezet. Odinga legde uit dat hij niet tot arrestatie heeft opgeroepen en dat homo’s in Kenia rechten hebben. De redevoering is live op de Keniaanse televisie uitgezonden.
Deelt u de mening dat deze uitspraken zorgwekkend zijn, en zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze uitspraken bij de regering van Kenia kenbaar te maken?
Ik ben van mening dat de Keniaanse regering het in de media geschetste beeld al overtuigend heeft rechtgezet en zie geen reden voor bilaterale stappen of een veroordeling van de uitspraken van premier Odinga in EU-verband.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om er bij de Keniaanse regering op aan te dringen deze uitspraken terug te nemen en de veiligheid van homoseksuele Kenianen te waarborgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich binnen de EU sterk te maken voor een gezamenlijke veroordeling van deze uitspraken van de premier van Kenia?
Zie antwoord vraag 2.
Maatregelen met betrekking tot tophypotheken |
|
Jolande Sap (GL), Bruno Braakhuis (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «AFM boos over aanpak hypotheek»?1
Ja.
Is het waar dat u tot uw afweging bent gekomen om de banken tot 1 februari 2011 te geven om te komen met zelfregulering mede op aandrang van het (voormalige) Ministerie van Economische Zaken?
Ik heb de aanscherping voor het toetskader rondom hypothecaire kredietverlening inmiddels uitgewerkt in een concept Algemene Maatregel van Bestuur. Ik heb dit besluit, met memorie van toelichting, na akkoord daarop van de ministerraad voor advies naar de Raad van State gestuurd. Het staat de NVB desalniettemin vrij om aan te geven op welke wijze de NVB invulling aan een nieuwe gedragscode zou geven, rekening houdend met een aantal door mij gegeven randvoorwaarden.
Ik heb de NVB gevraagd mij uiterlijk op 1 februari een aangepaste en met achterban afgestemde gedragscode te overhandigen. Ik kan vervolgens afwegen of het voorstel van de NVB hetzelfde niveau van consumentenbescherming garandeert als de voorgestelde regelgeving. Aan de hand daarvan kan ik overwegen om alsnog ruimte te laten voor zelfregulering van de sector, met daarop toezicht van de Autoriteit Financiële Markten. Ik zal de Tweede Kamer betrekken in deze overweging.
Zo ja, is de Autoriteit Financiële Markten (AFM) ook betrokken bij dit besluit?
De Autoriteit Financiële Markten is op de hoogte van de stand van zaken op dit terrein.
Vanwaar verwacht u dat de banken nu wel met zelfregulering komen terwijl de AFM in april 2010 deze nieuwe normen al bekend maakte?2 Is dit uitstel inderdaad verleend na overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken? Hebben zij concrete toezeggingen gedaan over wijzigingen in de gedragscode?
De Nederlandse Vereniging van banken heeft een position paper gepubliceerd waarin ze aangeven bereid te zijn hun gedragscode aan te passen. Mocht blijken dat er op 1 februari 2011 een gedragscode is opgesteld die voldoet aan de randvoorwaarden zoals door mij geschetst, dan zal ik op dat moment afwegen of voorkoming van overkreditering goed geborgd kan worden met zelfregulering
Verwacht u dat de gedragscode deze keer wel voldoende zou worden nageleefd? Ook daar deze voorheen vaak is overtreden en de AFM recent nog enkele boetes heeft opgelegd?
De algmene maatregel van bestuur die nu bij de Raad van State ligt beperkt de mogelijkheid om meer te lenen dan de «loan-to-income» norm (leencapaciteit van een consument voor een hypothecair krediet bepaald in relatie tot zijn inkomen), door vastomschreven, limitatieve uitzonderingsmogelijkheden (de zogenaamde explains) te hanteren. Ik heb dat ook expliciet aan de NVB gemeld als één van de randvoorwaarden waaraan de GHF zal moeten voldoen wil invulling van de zelfregulering via de GHF een kans van slagen hebben.
Kunt u aangeven wat uw brief van 29 november 2010 betekent voor het oorspronkelijke voornemen van de AFM om de hypotheek per begin 2011 te maximeren op 112% van de aankoopwaarde van het huis?
Als het voorstel van de NVB voldoet aan de randvoorwaarden zoals in de brief aan de NVB geschetst, zal worden afgewogen of het tegengaan van overkreditering goed geborgd kan worden met zelfregulering. Zoals aangegeven, zal ik de Tweede Kamer hierbij betrekken. Gelijktijdig zet ik het AmvB traject onverminderd door. Nog steeds is het de bedoeling om de nieuwe regelgeving in het eerste halfjaar van 2011 in werking te laten treden.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de voorzitter van de AFM, de heer Hoogervorst «nu gaat het weer maanden duren voordat er een regeling komt» en «het is nu al twee jaar mopperen over een eenvoudige zaak»?
In april 2009 heeft de AFM (Hoogervorst) aangegeven dat er aanscherping moest komen van regels rondom hypothecaire kredietverstrekking, In april 2010 publiceerde de AFM een feedbackstatement over een toetskader rondom hypothecaire kredietverlening na een consultatieronde. Vervolgens heeft Financiën een Algemene maatregel van bestuur voorbereid, waarbij het feedbackstatement als uitgangspunt heeft gediend. De Amvb is naar de Raad van State gestuurd voor advies met als doel om het proces niet verder te vertragen.
Begrijpt u de uitspraak van de heer Hoogervorst dat Nederlandse politici zich nog steeds gevoelig tonen voor de bankenlobby?
Het is van belang dat er een goede inhoudelijke aanscherping van de normen komt, dat is in het belang van de consument. Het middel staat daarbij niet voorop, maar wel het doel namelijk bescherming tegen overkreditering van de consument en het tegengaan van de uit overkreditering voorvloeiende macro prudentiële risico’s.
Een medisch letselschadefonds |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de TV-uitzending over de moeizame weg naar genoegdoening voor de slachtoffers van medisch handelen?1
In deze uitzending komt naar voren dat een veelvoorkomende klacht is dat de procedure rondom de afhandeling van de medische schade vaak onnodig lang duurt en een onbevredigend resultaat heeft. Dit betreur ik.
Vindt u dat, wanneer er sprake is van medische letselschade, de slachtoffers thans voldoende mogelijkheden hebben om hun recht te halen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de positie van het slachtoffer van medische letselschade kan worden verbeterd. Dit doe ik met het wetsvoorstel Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) dat op 7 juni 2010 naar uw kamer is gezonden. In de Wcz doe ik o.a. voorstellen ter verbetering van het klachtrecht, hetgeen de positie van de slachtoffers van medische letselschade ten goede komt. Om te beginnen wordt in de Wcz een harde termijn gesteld aan een zorgvuldige klachtafhandeling door de zorgaanbieder. De zorgaanbieder dient binnen een periode van zes weken (te verlengen met een periode van vier weken) het slachtoffer te voorzien van een inhoudelijke, schriftelijke reactie op de klacht. Wordt een klacht binnen deze termijn niet of niet naar tevredenheid afgehandeld dan staat de weg open naar een onafhankelijke geschilleninstantie (de Wcz verplicht de zorgaanbieder zich aan te sluiten bij een onafhankelijke geschilleninstantie) die een bindende uitspraak kan doen. De geschilleninstantie kan een schadevergoeding toekennen van (op termijn) € 25 000,00. Om iemand met een klacht (bijv. het slachtoffer in het geval van medische letselschade) zo goed als mogelijk te begeleiden en te adviseren schrijft de Wcz een voor de cliënt kostenloze klachtenfunctionaris of vertrouwenspersoon voor. Het is op grond van de Wcz de plicht van de zorgaanbieder om zorg te dragen voor deze klachtenfunctionaris, dan wel vertrouwenspersoon.
Daarnaast staat het het slachtoffer eveneens te allen tijde vrij een procedure voor de burgerlijke rechter te starten. Met betrekking tot deze procedure hebben het Kabinet en veldpartijen onlangs stappen ter verbetering gezet. Ik verwijs hiervoor naar de brief van 3 juni 2010 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK2009–2010, 31 765 nr. 20). Samengevat gaat het hierbij om de volgende maatregelen:
Al het voorgaande leidt ertoe dat slachtoffers van medische letselschade meer en betere mogelijkheden hebben om hun recht te halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de mensen die schade oplopen ten gevolge van medisch handelen hiervoor een financiële tegemoetkoming ontvangen? Om hoeveel mensen gaat het jaarlijks in absolute zin? Wat vindt u van dit percentage?
Deze informatie heb ik niet volledig tot mijn beschikking. De schadeverzekeraars Centramed en MediRisk hebben mij hun gegevens hierover verstrekt. Het overgrote deel van de Nederlandse ziekenhuizen is bij één van deze twee verzekeraars aangesloten. Een beperkt aantal ziekenhuizen is in het buitenland verzekerd. Op basis van de informatie die door Centramed en MediRisk is verstrekt, kan worden aangenomen dat in ons land ca. 2000 tot 2 200 patiënten jaarlijks aanspraak maken op schadevergoeding door het indienen van een claim na een behandeling in een zorginstelling (met name ziekenhuizen). In deze cijfers is niet verdisconteerd dat zorginstellingen bepaalde zaken zelfstandig of via de geschillencommissie in Den Haag afhandelen. MediRisk geeft daarbij aan dat op basis van de gegevens over de afgelopen jaren kan worden vastgesteld dat bij 38% van de bij MediRisk aangemelde claims de patiënt een vergoeding ontvangt voor de geleden schade. Centramed geeft aan dat bij 42% van de zaken die zijn afgewikkeld tussen 2006 en nu, een betaling aan de patiënt heeft plaatsgevonden.
Wat is het gemiddelde bedrag dat slachtoffers van medische letselschade krijgen uitgekeerd?
Op grond van gegevens van MediRisk over de afgelopen jaren blijkt dat gemiddeld een bedrag van € 19 197 aan schadevergoeding aan de patiënt is uitgekeerd. In dit bedrag zijn de kosten inbegrepen van buitengerechtelijke bijstand van een door de patiënt ingeschakelde belangenbehartiger. Bij Centramed bedraagt het gemiddelde bedrag dat is uitgekeerd voor de zaken die in de periode 2006 tot en met 2010 zijn afgewikkeld € 14 793 per patiënt.
Hoe lang duurt gemiddeld de rechtsgang voordat tot uitkering van de verzekeraar wordt overgegaan?
De afhandelingsduur van een letselschadeclaim is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Slechts een deel van de letselschadezaken wordt via de rechter beslist; het merendeel van de zaken wordt in onderling overleg, al dan niet langs de weg van de geschillencommissie, afgehandeld. Zaken die bij de rechter komen, zijn vooral zaken die in het buitengerechtelijke traject zijn vastgelopen.
Gerechtelijke procedures konden afgelopen jaren afhankelijk van de inhoud van de zaak en van de houding van procespartijen soms lang duren. De Rechtspraak richt zich de laatste jaren met succes op een effectievere inzet van de comparitiezitting, waarbij partijen zo snel mogelijk alle relevante bewijsstukken en informatie overleggen, zodat via eindvonnis of schikking letselschadeprocedures sneller afgehandeld kunnen worden. De in het antwoord op vraag 2 genoemde deelgeschilprocedure draagt hieraan bij doordat partijen niet de volledige zaak voor de rechter hoeven te brengen, maar slechts het deel van het geschil waar men het onderling niet over eens kan worden.
Cijfers over de duur van de rechtsgang zijn niet voorhanden. Wel zijn er cijfers over de behandelduur van claims. Centramed geeft aan dat van de claims die in 2006 zijn ingediend nog 20% openstaat, uit 2007 nog 31%, 2008 nog 45%, uit 2009 nog 71% en uit 2010 nog 92%. MediRisk geeft aan dat claims in 22% van de gevallen binnen 1 jaar worden afgewikkeld; 43% wordt afgewikkeld tussen 1 en 2 jaar; 13% tussen 2 en 3 jaren, terwijl 22% een afwikkelingsduur kent van langer dan 3 jaren. Slechts een deel van deze openstaande zaken bevindt zich dus onder de rechter.
Welke termijn bij dergelijke procedures vindt u aanvaardbaar?
Ik heb geen oordeel over een te hanteren termijn. De duur van letselschadezaken hangt samen met de inhoud van de zaak en de houding van de procespartijen. Wel ben ik van mening dat de betrokken partijen zich moeten inspannen om de termijn zo kort als mogelijk te laten zijn.
Wat is uw oordeel over het gegeven dat slachtoffers van medische letselschade vanwege de hoge kosten van rechtsbijstand afzien van het halen van hun recht?
Als dit zo is dan betreur ik dat. Juist om te voorkomen dat slachtoffers van medische letselschade vanwege de hoge kosten afzien van rechtsbijstand is er ook voor wat betreft medische missers aangesloten bij het regime van de Wet op de rechtsbijstand. Heeft het slachtoffer ingevolge deze wet recht op rechtsbijstand dan betaalt hij een eigen bijdrage naar rato van zijn inkomen. Het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand ontstaat als het verzamelinkomen minder is dan € 24 400,00 (voor alleenstaanden) en € 34 400,00 (voor niet alleenstaanden). Bij een lager inkomen is de eigen bijdrage lager. De eigen bijdrage bedraagt tenminste € 100,00 en ten hoogste € 750,00. Naast de mogelijkheden die de Wet op de rechtsbijstand biedt tot het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand kunnen personen die op grond van deze wet in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand, ook aanspraak maken op een subsidie ten behoeve van medisch haalbaarheidsonderzoek en een renteloze lening van maximaal € 3 000,00 voor het verkrijgen van een deskundigenbericht. De brief die de Minister van Justitie op 29 september 2010 (TK2010–2011, 31 116 nr. J) aan de voorzitter van de Eerste Kamer heeft gezonden gaat hier nader op in.
Wat zijn de recente ervaringen in de Scandinavische landen, als Zweden en Denemarken, met het no-fault systeem?
Ik beschik niet over recente gegevens over de werking van het no-fault systeem zoals dat in de Scandinavische landen wordt gehanteerd.
Bent u bereid een onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een medisch letselschadefonds of instantie in Nederland op te richten op basis van het no-fault systeem, waarbij de ernst maar niet de verwijtbaarheid van medische letselschade doorslaggevend is om tot financiële vergoeding over te gaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik wil niet tornen aan het Nederlandse aansprakelijkheidssysteem, dat is geënt op schuld en verwijtbaarheid. Dit houdt in dat men, om tot aansprakelijkheid te kunnen besluiten en schadevergoeding te kunnen eisen, moet aantonen dat een instelling of een hulpverlener zich zodanig onjuist heeft gedragen dat daardoor voor de patiënt schade is ontstaan. De initiatieven die ik heb benoemd in mijn antwoord op vraag 2 en vraag 5 dragen bij aan een snellere en toch zorgvuldige afhandeling van schadeclaims. Ik zie geen aanleiding om op dit gebied nieuwe initiatieven te starten.
De bescherming van persoonsgegevens van Europese consumenten in de Verenigde Staten |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het «Safe-Harbor»-keurmerk voor Amerikaanse bedrijven van cruciaal belang om de privacy van Europese consumenten te beschermen, omdat alleen gecertificeerde Amerikaanse bedrijven privégegevens van Europese consumenten mogen verwerken en het keurmerk belangrijke principes bevat voor de verwerking van persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
De doorgifte van persoonsgegevens uit de Europese Unie naar de Verenigde Staten en de daaropvolgende verdere verwerking van die gegevens met toepassing van de beschikking van de Europese Commissie van 26 juli 2000 (PbEG L 215), de zogenaamde «Safe Harbor»-beschikking, is inderdaad van groot belang voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens afkomstig uit de Europese Unie. Het is overigens niet zo dat alleen met toepassing van de «Safe Harbor»-beschikking doorgegeven persoonsgegevens Amerikaanse bedrijven rechtvaardigt die gegevens te verwerken. Daarvoor bestaan verschillende aanvullende grondslagen.
Wat is uw reactie op het artikel waaruit blijkt dat door Amerikaanse bedrijven al jarenlang grootschalige fraude wordt gepleegd met het «Safe-Harbor»-keurmerk?1
Het artikel in Webwereld.nl is gebaseerd op de weergave door derden van mondelinge uitlatingen van een vertegenwoordiger van een Australisch onderzoeksbureau. Het betreffende bureau, Galexia, heeft, naar het beweert op de eigen website, onderzoek gedaan naar de werking van het «Safe Harbor»-keurmerk, maar het rapport over dat onderzoek tot dusverre niet willen publiceren, of willen toezenden aan belanghebbenden. Onder deze omstandigheden onthoud ik mij van een oordeel over de beweringen in het artikel in Webwereld.nl die betrekking hebben op het desbetreffende rapport.
Hoe beoordeelt u de controle op de regels rondom «Safe-Harbor»? Is het waar dat het Amerikaanse ministerie van Handel geen enkel onderzoek doet naar privacybeleid noch enige controle uitoefent, en dat de bedrijven zichzelf certificeren en controleren?
De essentie van het «Safe Harbor»-systeem is dat bedrijven op basis van volstrekte vrijwilligheid verklaren zich te zullen houden aan de «Safe Harbor»- beginselen en de antwoorden die zijn gegeven op de Frequently Asked Questions (FAQ), zoals geformuleerd in de beschikking van de Commissie, genoemd in antwoord 1. In FAQ nr. 7 is het systeem van controle en toezicht op de verklaringen van de desbetreffende bedrijven opgenomen. Zakelijk weergegeven kunnen bedrijven de naleving van de regels verzekeren via een zelfevaluatie, of via een externe audit, die beide wel aan bepaalde eisen moeten voldoen. Bij niet-naleving van deze regels, bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden bij de Federal Trade Commission (FTC) een klacht in te dienen, om te bezien of de mededingings- en consumentenbeschermingswetgeving – waar gegevensbescherming een onderdeel van is – wordt nageleefd. De FTC kan een verbod opleggen tot het uitoefenen van praktijken in strijd met de «Safe Harbor»-beginselen, of zonodig de federale rechter inschakelen. Strafrechtelijke actie is ook mogelijk, zeker bij het afleggen van valse verklaringen. De taak van het Department of Commerce (DoC) is slechts beperkt tot het bijhouden van een openbaar bestand van bedrijven die onder de «Safe Harbor»-beginselen zijn gecertificeerd. Permanente niet-naleving van de regels kan leiden tot verwijdering van die lijst, maar er is niet voorzien in een actieve rol van het DoC bij de handhaving van die lijst. Dat vereist gerichte actie van, hetzij de FTC, hetzij belanghebbenden.
Bij dit systeem moet worden bedacht dat het Amerikaanse gegevensbeschermingsrecht voor de private sector sterk afwijkt van het Europese systeem. Er bestaat geen algemene wetgeving voor gegevensbescherming in de particuliere sector, en evenmin een algemeen bevoegde toezichthouder. De handhaving berust, in overeenstemming met de principes van het Amerikaans privaatrecht, op eigen initiatief van belanghebbenden.
Is het waar dat honderden Amerikaanse bedrijven ten onrechte claimen gecertificeerd te zijn en zich niet houden aan deze principes van bescherming van persoonsgegevens? Is het waar dat veel bedrijven die wel gecertificeerd zijn helemaal niet duidelijk maken hoe zij de principes handhaven en de gevoelige data van Europeanen beschermen?
Het College bescherming persoonsgegevens heeft mij bericht dat in het verleden in eerdere rapporten over het functioneren van het «Safe Harbor»-systeem die zijn uitgebracht aan de Europese Commissie kritisch is geoordeeld over de beperkte mogelijkheden van het DoC voor toezicht op de naleving en handhaving van de lijst met aanmeldingen. Tot welke misstanden dit aanleiding gaf, en in welke mate zich die hebben voorgedaan, is mij niet bekend.
Maakt u zich zorgen over de bescherming van persoonsgegevens van Europeanen in de Verenigde Staten? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat deze persoonsgegevens veel beter dan nu het geval is beschermd gaan worden?
De omstandigheid dat in de Verenigde Staten een ander gegevensbeschermingsrecht bestaat dan in de Europese Unie geeft mij op zichzelf genomen geen reden tot zorg over het niveau van de bescherming van persoonsgegevens afkomstig uit de Europese Unie in de Verenigde Staten. De handhaving van de «Safe Harbor»-beschikking is echter een zaak die uitsluitend op Europees niveau door de Commissie kan worden aangepakt. Het ligt dan ook op de weg van de Commissie om het niveau van uitvoering en handhaving van de door haar vastgestelde beschikking in de Verenigde Staten met de Amerikaanse autoriteiten op te nemen. Verder is, voor zover mij bekend, de «Safe Harbor»-beschikking nog niet geëvalueerd. Krachtens artikel 4 van de beschikking heeft de Commissie een verplichting daartoe. Ik ben bereid de Commissie daar op gepaste wijze over te benaderen.
Bent u van mening dat het hard nodig is dat er zo snel mogelijk een algemeen bindend verdrag wordt gesloten met de Verenigde Staten over de bescherming van persoonsgegevens, dat niet alleen ziet op justitiële gegevens maar op alle gegevens? Zo ja, hoe gaat u dit bevorderen? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen gaat u dan nemen om er voor te zorgen dat persoonsgegevens van Europese burgers in de Verenigde Staten beter beschermd worden?
De grote verschillen tussen het Amerikaans en Europees gegevensbeschermingsrecht voor de private sector zouden het opstellen van een verdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten over gegevensbescherming tot een gecompliceerde en langdurige opgave maken. De vraag is dan ook of de Verenigde Staten en de Europese Unie daartoe bereid zullen zijn. Er zijn echter, juist in Europees verband, alternatieven beschikbaar. Naast een meer gerichte aandacht voor de werking van de «Safe Harbor»-beschikking in de praktijk, zijn er mogelijkheden om via door de Europese Commissie vastgestelde standaardcontracten persoonsgegevens rechtmatig aan ontvangers in de Verenigde Staten door te geven. Het lijkt zeker mogelijk om bij de komende herziening van de EU-privacyrichtlijn meer instrumenten te ontwikkelen die een verantwoorde gegevensoverdracht naar de Verenigde Staten mogelijk maken.
De erkenning van freelancers door het vervangingsfonds |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat freelancers niet worden erkend door het Vervangingsfonds?
Voor onderwijsondersteunend personeel en management geldt dat ten laste van het Vervangingsfonds, naast kosten van personeel met een tijdelijke aanstelling of benoeming, ook kosten van uitzendarbeid, payrolling en freelancers (zzp-ers) kunnen worden gebracht. Voor leerkrachten geldt echter dat het Vervangingsfonds niet voorziet in bekostigde vervanging door middel van het inhuren van freelancers.
Kunt u aangeven om hoeveel freelancers het gaat?
Ik heb daarover geen gegevens beschikbaar.
Bent u zich ervan bewust dat hierdoor freelancers alleen via uitzendbureaus het onderwijs in kunnen en dat dit een ontmoedigende werking kan hebben op freelancers om in het onderwijs actief te worden of blijven?
Op zich kan een werkgever altijd freelancers voor de vervanging van leerkrachten inschakelen. Wel is het zo dat, als hij dat doet, de kosten van vervanging niet bij het Vervangingsfonds kunnen worden gedeclareerd. Niet alle vormen van afwezigheid komen overigens voor vervanging ten laste van Vervangingsfonds in aanmerking. Een voorbeeld daarvan is ouderschapsverlof. De keuze van een werkgever om in die gevallen een freelancer in te schakelen, wordt door het Vervangingsfonds dus niet beperkt. Omdat de kosten van ziektevervanging wel bij het Vervangingsfonds kunnen worden gedeclareerd, geldt de beperking om een freelancer op ziektevervanging van een leerkracht in te zetten wel. Er is natuurlijk altijd de mogelijkheid een dienstverband aan te gaan of via een uitzendbureau te werken. Hierdoor wordt door het Vervangingsfonds bekostigde vervanging mogelijk.
Deelt u de mening dat de inzet van freelancers belangrijk kan zijn bij het vervangen van docenten in vaste dienst, bijvoorbeeld bij ziekte of verlof?
Voor zover er behoefte is aan een extra aanbod van vervangers, bij voorbeeld bij een tekort aan vervangers, kan de freelancer een rol spelen. Ik heb van het Vervangingsfonds geen signalen ontvangen dat er op ruime schaal behoefte aan freelancers bestaat.
Kunt u aangeven welke stappen u gaat ondernemen om ervoor te zorgen dat freelancers erkend worden door het Vervangingsfonds?
De verantwoordelijkheid voor het beheer en de reglementering van de vervangingsuitgaven ligt in handen van het bestuur van het Vervangingsfonds, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Ten aanzien van de vraag of de kosten van vervanging door freelancers ten laste van dat fonds kunnen worden gebracht heeft het bestuur mij laten weten dat allereerst de positie van freelancers (zzp-ers) ordentelijk in de CAO geregeld dient te zijn, zoals dat ook is gedaan voor uitzendkrachten, alvorens die vraag kan worden beantwoord. Ik heb uw vragen en zorgen overgebracht aan het bestuur van het Vervangingsfonds.
Honderden dode varkens die zijn aangetroffen in Limburg |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «honderden dode varkens aangetroffen op boerderij in Limburg»?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom de naam van de gemeente waar deze zaak speelt niet bekend zou mogen worden?
De naam van de gemeente is in eerste instantie niet bekendgemaakt vanwege de privacybescherming van de betrokkenen. Pas nadat de gemeente Nederweert zelf haar naam in de media noemde, heeft de nVWA besloten om ook de gemeentenaam te noemen.
Is het waar dat op de boerderij in kwestie geen elektriciteit aanwezig was? Kunt u aangeven hoelang deze situatie al duurde en hoe de stallen gekoeld en geventileerd werden tijdens warme perioden?
Tijdens het bezoek van de nVWA op zaterdag 27 november 2010 werd geconstateerd dat er geen elektriciteit aanwezig was in de stal. Momenteel wordt onderzocht hoe lang deze situatie al duurde.
Is het waar dat er kadavers aangetroffen zijn van «enkele jaren oud»? Zo ja, hoe lang hebben de kadavers daar gelegen en waarom is daar niet eerder tegen opgetreden?
De kadavers die op zaterdag 27 november 2010 werden aangetroffen waren naar de inschatting van de dierenarts van de nVWA zo’n twee jaren oud. Nader onderzoek hiernaar is momenteel gaande.
Kunt u aangeven wanneer de betreffende veehouder voor het laatst gecontroleerd is door de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA)? Wat was het resultaat van die controle?
De betreffende veehouder is gecontroleerd in 2002, 2004 en 2007. Er waren toen geen indicaties dat dierenwelzijn een probleem was of zou kunnen worden.
Kunt u aangeven hoe vaak een veehouderij gemiddeld gecontroleerd wordt door de nVWA?
Acht u een dergelijke frequentie toereikend? Kunt u in uw antwoord ingaan op de relatie met de aangetroffen calamiteit?
Hoe lang kan wat u betreft een veehouderij voortgaan met wetsovertreding zoals hier gemeld, alvorens de nVWA op eigen initiatief maatregelen neemt?
Is het voorval voor u reden om de controlefrequentie bij veehouderijen op te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De afsluiting van de Vlaketunnel |
|
Sander de Rouwe (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vraagtekens rond de Vlaketunnel»?1
Ja
Hebben zich in het verleden meer soortgelijke calamiteiten voorgedaan met in Nederland gebouwde tunnels?
Voor zover mij bekend niet.
Kunnen de herstelwerkzaamheden aan de Vlaketunnel uitgevoerd worden zonder schade voor de huizen van omwonenden, als gevolg van bodemdaling door verlaagd waterpeil?
Momenteel vindt onderzoek plaats naar de precieze oorzaak van de calamiteit. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om vast te kunnen stellen of door de herstelwerkzaamheden schade kan ontstaan. Op basis van de resultaten daarvan wordt bepaald op welke manier de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Bij de uitvoering daarvan krijgt het voorkomen van schade aan bebouwing hoge prioriteit.
Kunt u een indicatie geven van het moment waarop de tunnel weer volledig operationeel kan zijn?
Nee, dit hangt af van de resultaten van het onderzoek en de daarop te baseren herstelwerkzaamheden. Zodra deze resultaten bekend zijn kan ik hier meer over melden.
Bent u bereid, vooruitlopend op volledige openstelling, op de kortst mogelijk termijn in de tunnels meer rijstroken open te stellen, ook voordat de oorzaken van de verschuiving definitief duidelijk zijn? Zo nee waarom niet?
RWS hecht aan een zo goed mogelijke doorstroming van het verkeer. Rijstroken kunnen opengesteld worden als de veiligheid van de weggebruikers en van de stabiliteit van de toeritgewaarborgd is. Ook dient rekening gehouden te worden met het feit dat het openstellen van meerdere rijstroken de voortgang van het onderzoek en de herstelwerkzaamheden kan vertragen. Binnen deze randvoorwaarden zullen zoveel mogelijk rijstroken worden opengesteld.
Wilt u bij de beantwoording van voorgaande vraag ook de mogelijkheid van extra monitoring van mogelijk omhoogkomend wegdek ter plaatse meenemen als middel om tijdelijk meer rijstroken open te stellen?
Ik laat dat al monitoren. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u een indicatie geven van de economische schade voor de regio en de overlast voor weggebruikers, nu de Vlaketunnel al sinds 12 november 2010 niet of slecht toegankelijk is?
We doen alle moeite om de overlast te beperken, onder anderen door het aangeven van alternatieve routes. De weggebruikers gebruiken deze ook daadwerkelijk. De overlast blijft mede daardoor nu grotendeels beperkt tot de spitsperioden. De vertraging in de spitsperioden op werkdagen bedraagt gemiddeld circa 15 minuten. Daarbuiten is de vertraging verwaarloosbaar. Een berekening van de maatschappelijke kosten op basis van voertuigverliesuren maal een gemiddelde reistijdwaardering leidt tot een waarde van circa € 0,5 mln per week. Dit is een berekening bij benadering op basis van de gemiddelde vertraging.
Hadden de calamiteiten in de Vlaketunnel voorkomen kunnen worden? Waarom zijn de huidige problemen niet opgemerkt tijdens de werkzaamheden in het kader van het onderhoud dat dit voorjaar heeft plaatsgevonden? Is hier mogelijk sprake van nalatigheid? Welke werkzaamheden zijn er verricht in het kader van het onderhoud dit voorjaar?
In het kader van de onderhoudswerkzaamheden die in het voorjaar van 2010 hebben plaatsgevonden, zijn de technische installaties, verlichting etc. vervangen. Er zijn daarbij geen werkzaamheden verricht aan de constructie van de tunnel. De vermoedelijke oorzaak van het falen van de trekelementen onder de vloer van de toerit is niet via inspectie in het kader van preventief onderhoud te herkennen.
Wat gaat u er aan doen om dergelijke calamiteiten als zich nu hebben voorgedaan in de Vlaketunnel, in de toekomst te voorkomen?
Dat hangt af van de resultaten van het onderzoek naar de oorzaak. Ik kan hier nog niet op vooruit lopen. Als daaruit blijkt dat de problemen zich op meer plaatsen kunnen voordoen, dan zal ik uiteraard preventief ingrijpen.
het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar de rapporten van van den Bergh en de Commissie van Toezicht betreffende Inlichtingen -en Veiligheidsdiensten (CTIVD) |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten dat Britse militairen in Irak gemarteld hebben gedurende hun tijd dat zij onderdeel waren van de bezettingstroepen en dat Nederlandse militairen op dat moment officieel onder Brits commando vielen tijdens hun verblijf in de provincie Al Muthanna?1 Is het waar dat deze martelingen vanuit een basis in Um Qasr werden georganiseerd?2
De genoemde berichten van The Guardianzijn bekend.
Nederlandse militairen zijn verantwoordelijk voor personen die door hen gevangen zijn genomen. Na overdracht gaat deze verantwoordelijkheid over op de ontvangende partij. Wel verplicht het derde Verdrag van Geneve inzake krijgsgevangenen om in geval van notificatie, bijvoorbeeld door het Internationale Comite van het Rode Kruis (ICRC) dat de ontvangende partij zich niet aan de verplichtingen onder het verdrag ten opzichte van krijgsgevangenen houdt, corrigerende maatregelen te nemen of om teruggave van gevangenen te vragen.
Nederland had en heeft geen aanleiding te veronderstellen dat Britse militairen zich schuldig maakten aan marteling van gevangenen die door Nederland aan het Verenigd Koninkrijk zijn overgedragen ten tijde van SFIR. Er zijn op basis van bronnenonderzoek geen aanwijzingen dat de namen die in de artikelen van
Kunt u uitsluiten dat van de in totaal 52 gevangenen die door Nederlandse troepen in het kader van SFIR-operatie in Al Muthanna aan de Britten in Um Qasr zijn overgedragen, mensen door de Britten zodanig zijn behandeld dat van marteling sprake is? Indien nee, wat is er met hen gebeurd?3
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de toezegging dat de minister van Justitie de rapporten van de commissie Van den Berg en de CTIVD onder de aandacht van het Openbaar Ministerie zou brengen om te bezien of de inhoud van deze rapporten aanleiding geeft tot het instellen van een (nader) oriënterend dan wel strafrechtelijk onderzoek?4
Ja.
Wat was het conclusie van het Openbaar Ministerie? Heeft het aanleiding gezien tot een oriënterend dan wel strafrechtelijk onderzoek? Zo ja, wat is de stand van zaken van dat onderzoek? Indien nee, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
In de periode 2009/2010 is door de Koninklijke Marechaussee, onder leiding van het openbaar ministerie te Arnhem, een oriënterend feitenonderzoek ingesteld op basis van de reeds voorhanden en door de onderzoekscommissies beschikbaar gestelde documentatie (in totaal circa 14 000 pagina's).
In het kader daarvan is tevens een groot aantal getuigen (nader) gehoord. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het OM te Arnhem geconcludeerd dat geen sprake is van mogelijke vervolgbare strafbare feiten. Voor nader oriënterend en/of strafrechtelijk onderzoek bestaat, mede ook gezien de diepte en uitgebreidheid van het reeds uitgevoerde feitenonderzoek, geen aanleiding.
De inzet van Nederlandse CDM projecten gebaseerds op HFC en N20 beperkingen |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de voorstellen van Eurocommissaris Connie Hedegaard1 om, in verband met de problemen die geconstateerd zijn bij Clean Development Mechanism (CDM-) projecten gebaseerd op emissiebeperkingen van HFC en N2O, per 2013 de toepassing van deze technieken voor het voldoen van verplichtingen in het kader van het Europese emissiehandelssysteem in Europees verband te verbieden? Heeft u vernomen of de Europese Commissie van mening is dat vrijwel alle projecten die gebaseerd zijn op deze technieken geen netto beperking in uitstoot vertegenwoordigen?
Ja, ik ben op de hoogte van de voorstellen.
Ik heb niet vernomen dat de Europese Commissie van mening zou zijn dat vrijwel alle projecten die gebaseerd zijn op deze technieken geen netto beperking in uitstoot vertegenwoordigen.
De Europese Commissie noemt wel enkele andere redenen om emissierechten afkomstig van CDM- en Joint Implementation-projecten (JI projecten) die HCFK-22 of adipinezuur produceren – en daarmee HFK-23 of N2O uitstoten – vanaf 1 januari 2013 niet meer binnen het Europese emissiehandelssysteem (ETS) te accepteren:
Kunt u uiteenzetten of inmiddels bekend is of de inhoudelijke bezwaren die genoemd worden door de Europese Commissie, ook voor door Nederland aangekochte emissierechten gelden wat betreft de periode tot 2013? Zo ja, om welke hoeveelheid (ton CO2 emissie equivalenten) aan emissiebeperkingen gaat het?
Ik vind de door de Commissie genoemde redenen voor uitsluiting van de desbetreffende emissierechten vanaf 1 januari 2013 over het algemeen valide. Ik zie in dit Commissievoorstel geen aanleiding om af te zien van gebruik van reeds door Nederland aangekochte emissierechten voor naleving van het Kyoto-protocol. De Commissie geeft ook duidelijk aan dat de voorgestelde beslissing voor de uitsluiting pas geldt vanaf 1 januari 2013 en alleen betrekking heeft op het ETS.
In het Nederlands aankoopprogramma zit ook een aankoop van HFK-emissiereductie ter grootte van ca 2 Mton CO2-eq die pas in 2013 geleverd wordt en dus niet meer gecrediteerd kan worden voor de Kyoto verplichtingen. Er zijn nog geen afspraken over een vervolg op Kyoto en evenmin is al bekend of en hoeveel kredieten Nederland vanaf 2013 nodig zou hebben. Ik ga er daarom nu van uit dat deze aankopen in 2013 niet te crediteren zijn, maar zal vanzelfsprekend de gevolgen daarvan nauwlettend volgen en bestuderen.
Is er reeds meer informatie bekend over het onderzoek door de CDM Executive board van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) naar dergelijke CDM-projecten gebaseerd op HFC en N20 beperkingen, waarvan uw ambtsvoorganger aangaf2 dat dit begin december voltooid zou zijn?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het eerste deel van deze brief.3
Kunt u uiteenzetten of het onderzoek van de CDM Executive board, dan wel het voorgenomen verbod van de Europese Commissie, voor u aanleiding zijn om de toepassing van een deel van de of alle nu voorziene emissierechten op basis van dergelijke projecten te heroverwegen? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat dit betekent voor de mate waarin Nederland aan haar verplichtingen met betrekking tot emissiebeperkingen kan voldoen tussen nu en 2013?
De CDM Executive Board heeft besloten om de gerealiseerde emissiereducties uit reeds geregistreerde HFK-projecten goed te keuren. De rechten afkomstig van deze projecten voldoen derhalve aan de huidige regels en zullen worden ingezet voor de Kyoto doelstelling. Ook het Commissievoorstel geeft geen aanleiding om af te zien van gebruik van reeds door Nederland aangekochte emissierechten voor naleving van het Kyoto-protocol.
Het laten afmaken van duizenden kuikens |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dienst laat tienduizenden kuikens afmaken»?1
Ja.
Kunt u aangeven of dergelijke maatregelen, waarbij zulke grote aantallen dieren betrokken zijn, vaker voorkomen? Kunt u een overzicht geven van dergelijke massale dodingen in de afgelopen drie jaar?
Een dergelijke maatregel heeft zich in de afgelopen drie jaren niet eerder voorgedaan.
Wat is de norm voor antibioticaresiduen die aanwezig mogen zijn in dieren die voor de slacht worden aangeboden? Wordt elke aangeboden levering gecontroleerd? Zo ja, bent u bereid deze data openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Dieren die voor de slacht worden aangeboden mogen residuen bevatten voor zover deze onder de Maximale Residu Limiet (MRL) liggen. De MRL wordt voor elk toegelaten antibioticum afzonderlijk bepaald. Voor de markttoelating van het antibioticum moet door onderzoek zijn vastgesteld wat de wachttermijn van het betreffende middel is om aan de MRL te voldoen. Indien de geldende wachttermijn na het toedienen van een diergeneesmiddel wordt aangehouden, mag dus worden aangenomen dat de MRL niet wordt overschreden. Bij elke levering controleert het slachthuis voorafgaand aan de slacht of de pluimveehouder de wachttermijn heeft gerespecteerd aan de hand van informatie van de pluimveehouder (Voedsel Keten Informatiesysteem, VKI). De nVWA voert een verificatie uit op de controles van het slachthuis. De nVWA controleert standaard de VKI-formulieren.
De nVWA controleert niet standaard elke levering van dieren op residuen door monstername. In lijn met het risicogericht toezicht van de nVWA vinden de controles deels plaats door steekproeven en deels op basis van risico-inschattingen.
Welk bedrijf bood de slachtkuikens aan en welke slachterij was hierbij betrokken? Deelt u de mening dat «naming and shaming» een prima beleid bij dit soort bedrijven zou zijn en bent u bereid de naam van de bedrijven vrij te geven?
De namen van de betreffende pluimveehouder en slachterij worden niet vrijgegeven.
Welke sanctie kan maximaal worden opgelegd voor een overtreding als deze?
Verordening (EG) nr. 854/2004 schrijft voor dat indien de VKI-voorschriften ten aanzien van het gebruik van diergeneesmiddelen niet zijn nageleefd de dieren ongeschikt voor menselijke consumptie dienen te worden verklaard. Eventueel kan de nVWA nadere controles uitvoeren op het bedrijf van herkomst. Er kan een proces-verbaal worden opgemaakt van de geconstateerde overtreding. De hoogte hiervan wordt bepaald door het Openbaar Ministerie (OM).
Kunt u uitsluiten dat het vlees van deze kuikens alsnog in enig voedselkanaal terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Het materiaal is als categorie-2 materiaal, als bedoeld in de Regeling dierlijke bijproducten 2008, afgevoerd en is derhalve in geen enkel voedselkanaal terechtgekomen, noch voor menselijke consumptie, noch als diervoeder.
Kunt u aangeven of in casu sprake was van een routinecontrole, een verdenking en/of recidive?
Dit was een routinecontrole (steekproef, zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid op korte termijn zodanige maatregelen te treffen dat overschrijding van de antibioticanormen uitgesloten wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Ik bekijk momenteel samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het gehele antibioticabeleid in de dierhouderij in het kader van het tegengaan van antibioticaresistentie bij zowel dieren als mensen. De handhaving van de wettelijke regels vormt daarvan een essentieel onderdeel.
Ik verwijs hiervoor naar de brief die de minister van VWS en ik onlangs op
8 december 2010 naar uw Kamer hebben gezonden (Kamerstuk 29683-65).
Het onderzoek naar robuuste dieren |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Deense research wil genetica voor robuuste kip»?1
Ja.
Kent u het bericht «Snelle groei landbouwhuisdieren ten koste van afweersysteem»?2
Ja. Het bericht «snelle groei landbouwhuisdieren ten koste van afweersysteem» heeft betrekking op een analyse van met name pluimveeliteratuur, op grond waarvan de onderzoekers concluderen dat het mogelijk moet zijn dieren te fokken met een hoge groeisnelheid zonder verlies van immuunfuncties.
Bent u bereid in navolging van de Deense overheid een fokkerijproject te starten of te stimuleren om een grotere mate van weerstand tegen ziektes te bereiken? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo neen, waarom niet?
In de Nota Dierenwelzijn wordt het belang van fokkerij voor dierenwelzijn aangegeven en in de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij is als uitdaging opgenomen dat de houderij en fokkerij meer ondersteuning moet gaan bieden aan de weerstand van landbouwproductiedieren. Deze ontwikkeling kan in mijn ogen worden gerealiseerd zonder extra financiële impuls vanuit de Nederlandse overheid.
Een deel van het Nederlandse fokkerij-onderzoek wordt momenteel gefinancierd uit Europese middelen. Daarnaast levert het ministerie van EL&I een bijdrage in het NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek)-programma Waardering van Dierenwelzijn, waarin robuustheid en adaptatievermogen een belangrijk thema is. Mijn ministerie heeft tevens gedurende meerdere jaren een bijdrage geleverd aan een project gericht op de genetica van robuustheid bij legkippen.
Het fokkerijbedrijfsleven in Nederland is zich ervan bewust dat eenzijdige selectie op groei niet ten goede komt aan de afweer van landbouwhuisdieren. In fokprogramma’s voor commercieel gehouden dieren is het vermogen van dieren om gezond te blijven een belangrijk kenmerk. Tegelijk zie ik in de consumentenmarkt een toenemende vraag naar vlees van traaggroeiende rassen. De pluimveehouders, die momenteel deze kuikens houden, geven aan dat de kuikens weinig tot geen gezondheidsproblemen hebben.
Vanwege het sterk internationale karakter van de pluimveefokkerijsector komen resultaten uit onderzoek breed beschikbaar. De resultaten van het Deense onderzoek zullen naar verwachting dus ook bijdragen aan de weerstand van Nederlands pluimvee.
Bent u bereid daar een zelfde mate van overheidsfinanciering voor beschikbaar te stellen als in Denemarken het geval is? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
'Turkse regering doet een Khadaffi' |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitruil in de maak tussen EU en Turkije»?1
Ja.
Is het waar dat de Turkse regering een voorstel heeft gedaan om vluchtelingen op te vangen in ruil voor een soepelere visumregeling? Zo ja, deelt u de mening dat dit riekt naar chantage? Zo nee, waarom niet?
Er is geen direct verband tussen het Turkse pleidooi voor versoepelde visumverlening en de onderhandelingen over een Terug- en Overnameovereenkomst. Beide kwesties worden bepaald door eigen specifieke technische criteria. Wel is het zo dat soms een politiek verband wordt gelegd tussen beide kwesties, die immers beide raken aan het personenverkeer tussen de EU en derde landen.
Op dit moment zijn Turken visumplichtig. Turkije dringt al enkele jaren aan op een versoepeling van het visumregime van de EU. Nederland meent dat Turkije, net als alle andere landen, pas in aanmerking kan komen voor versoepeling van het visumregime als aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Momenteel is er geen sprake van een voorstel van de Europese Commissie, of van een mandaat van de EU-lidstaten voor het starten van onderhandelingen met Turkije over een visumfacilitatie-overeenkomst. Visumliberalisatie, ofwel totale vrijstelling van de visumplicht, met Turkije is op dit moment geheel niet aan de orde. Overigens zijn Nederlanders ook visumplichtig in Turkije.
De EU en Nederland hebben veel belang bij goed functionerende Terug- en Overnameovereenkomsten met de buurlanden, ook met Turkije. Met een dergelijke Overeenkomst zouden illegale migranten die via Turkije de EU zijn binnengekomen, gemakkelijker kunnen worden teruggestuurd.
De EU onderhandelt met Turkije sinds 2005 over een Terug- en Overnameovereenkomst. Deze onderhandelingen kregen een nieuwe impuls in 2009. In de voortgangsrapportage Turkije (welke uw Kamer op 9 november is toegezonden) schrijft de Europese Commissie dat deze onderhandelingen voortgang boeken.
Deelt u de mening dat de Turkse regering de vluchtelingen misbruikt door ze onder erbarmelijke omstandigheden op te vangen in ruil voor een soepelere visumregeling, zodat Turken gemakkelijker de Europese Unie kunnen binnenkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat dit voorstel geen werkelijkheid wordt?
Zie antwoord vraag 2.
De financiering van de Lokale Omroep |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw eerste reactie op het rapport «visitatierapport en toekomstvisie Sector Onder De Radar» inzake de lokale omroep in Nederland?1
Ik heb kennisgenomen van het rapport van adviesbureau Van de Bunt, dat in opdracht van OLON geschreven is. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het gehele mediabestel, heb ik financieel bijgedragen aan dit rapport. Het is goed dat deze evaluatie is uitgevoerd. De gemeenten en de VNG treffen in dit rapport voldoende handreikingen aan om hun beleid te evalueren en eventueel aan te scherpen.
Hoe gaat u om met het feit dat 42% van de gemeenten niet voldoet aan het uitkeren van het basisbedrag voor de lokale omroep? Bent u bereid deze gemeenten hierop aan te spreken en het maximaal een jaar te geven dit te corrigeren?
Met ingang van 1 januari 2010 is in de Mediawet opgenomen dat wanneer de gemeenteraad positief adviseert over de representativiteit van het PBO (Programma Beleidsbepalend orgaan), dat die gemeente dan ook de verantwoordelijkheid heeft die lokale publieke omroep te financieren. Er geldt echter geen wettelijke minimum voor financiering door gemeenten. Wel is destijds bij het wetsvoorstel een bedrag van € 1,30 per woonruimte als indicatie gegeven.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende wetgevingsoverleg Media op 13 december a.s?
Bij deze.
Hebt u kennisgenomen van het feit dat kunsthandelaren voornemens zijn om de kunst vanaf 1 januari 2011 via onder andere Groot Brittannië te importeren?1
Ja.
Wat is uw reactie op de stelling dat kunsthandelaren in reactie op de aangekondigde BTW-verhoging nu overwegen om import van grote kunstwerken (bijvoorbeeld kunst van buiten de Europese Unie) nu onder meer via het Verenigd Koninkrijk te laten verlopen, waar een lager BTW-tarief hoeft te worden betaald? Is deze route legaal?
De reguliere invoer van goederen via een ander EU-land is geheel legaal. Dit geldt voor kunstvoorwerpen evenzeer als voor ieder ander goed. Daarbij zullen die goederen via de daarvoor geldende regelingen vanuit dat land naar Nederland moeten worden overgebracht. Uiteraard dient het hierbij te gaan om reële transacties, met andere woorden om normale handelstransacties. Indien in het toezicht door de Belastingdienst blijkt dat sprake is van schijnconstructies met het doel te voorkomen dat btw wordt geheven over de invoer die feitelijk in Nederland plaatsvindt, zullen deze constructies worden aangepakt.
Is bij de geschatte opbrengst van de btw-verhoging op kunst rekening gehouden met mogelijk ontwijkgedrag?
Bij het berekenen van de opbrengst van de btw-verhoging op kunst is geen rekening gehouden met mogelijk ontwijkgedrag.
Wat is de geschatte inkomstenderving wanneer kunsthandelaren niet langer via Nederland kunst importeren?
Wat zou de schatkist binnenkrijgen bij een import van een kunststuk van 1 miljoen euro onder het bestaande belastingregime? Wat zou de schatkist volgens uw berekeningen binnenkrijgen als de hogere BTW van toepassing wordt? En wat zou de schatkist krijgen wanneer hetzelfde kunstwerk ingekocht zou worden via bijvoorbeeld een Brits postadres, waar dus een veel lager (5%) BTW tarief wordt gehanteerd?
Klopt het beeld dat met name kleine handelaren die niet de middelen hebben om gebruik te maken van een buitenlands postadres hierdoor in financiële problemen komen?
Welke problemen voorziet u voor de internationale concurrentiepositie in zijn algemeenheid wat betreft de kunsthandelsector in Nederland?
Kunt u aangeven hoe groot de verschillen zijn tussen het toekomstige Nederlandse regime en de regimes in het buitenland? Kunt u een overzicht geven van de BTW-tarieven op kunst- en verzamelobjecten in Europa? Is er in de analye van de regering sprake van een werkbaar level playing field? Zoja, op welke onderzoeken is dit gebaseerd?
Restricties bij export naar Iran |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «UK to restrict exports to Iran»?1
Ja.
Exporteren Nederlandse bedrijven ook zogenaamde «dual-use» goederen die volgens de sancties van de Europese Unie mogelijk ook voor het Iraanse nucleaire programma kunnen worden gebruikt? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van deze goederen?
Dual-use goederen zijn goederen die vanwege hun aard zowel een civiele als een militaire toepassing kunnen krijgen. Om te voorkomen dat deze goederen worden gebruikt voor de ontwikkeling en productie van massavernietigingswapens of overbrengingsmiddelen, gelden strenge regels voor de uitvoer en doorvoer ervan. Deze regels zijn gebaseerd op de Europese dual-use verordening (Verordening (EU) nr. 428/2009).
Vanwege het omstreden nucleaire programma van Iran, de voortdurende weigering gehoor te geven aan de eisen van de VN-Veiligheidsraad en gebrekkige samenwerking met het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA), heeft de EU sinds 2007 steeds strengere sancties ingesteld tegen Iran. Op 27 oktober jl. zijn de meest recente sanctiemaatregelen in werking getreden (Verordening (EU) nr. 961/2010 van 25 oktober 2010).
Deze sancties bevatten onder andere vergaande beperkingen voor de uitvoer van dual-use goederen naar Iran. Het is verboden goederen uit te voeren die gebruikt kunnen worden voor de ontwikkeling van kernwapens, en overbrengingsmiddelen daarvoor (bijvoorbeeld raketten of onbemande vliegtuigen). Dat verbod geldt ook voor goederen die gebruikt kunnen worden voor de ontwikkeling van chemische of biologische wapens of voor conventioneel militaire toepassingen. Voor sommige van deze goederen is een ontheffing van het uitvoerverbod mogelijk, mits voldoende vaststaat dat de goederen uitsluitend voor civiele doeleinden zullen worden gebruikt.
Bij de laatste Iran-verordening (nr. 961/2010) is tevens een lijst met aanvullende goederen en technologieën vastgesteld die niet voorkomen op de goederenlijst van de dual-use verordening van de Europese Unie (nr. 428/2009). Voor deze goederen is op basis van de Iran-verordening nu ook een vergunning nodig.
Zoals in Europees verband overeengekomen, pas ik bij vergunningaanvragen voor uitvoer naar Iran het principe van «presumption of denial» toe. Dat wil zeggen dat ik een vergunningaanvraag voor uitvoer naar Iran afwijs indien de geringste twijfel bestaat over de verklaring dat de uit te voeren goederen een civiele toepassing zullen krijgen.
Tegelijkertijd blijft de regering streven naar een Europees «level playing field», ook voor Nederlandse bedrijven en ondernemers.
Ik heb een overzicht bijgevoegd van vergunningen voor de uitvoer naar Iran die ik of mijn ambtsvoorgangers aan Nederlandse bedrijven hebben verstrekt van het moment dat de sancties in 2007 van kracht werden tot eind 2010.2
Bent u bereid in navolging van uw Britse collega de toestemming voor de export van dergelijke «dual-use» goederen naar Iran per direct in te trekken, indien er sprake is van dergelijke export vanuit Nederland? Zo nee, waarom niet?
Met zijn exportcontrolebeleid ten aanzien van Iran behoort Nederland tot de strengsten van Europa en de regering zal hier, gezien de huidige situatie in Iran, niet van afwijken. Niettemin is de regering van mening dat dual-use goederen die aantoonbaar een civiele (o.a. humanitaire) toepassing zullen hebben, naar Iran geëxporteerd moeten kunnen blijven worden.
De barrières in regelgeving voor stichting Solink |
|
Renske Leijten (SP), Elbert Dijkgraaf (SGP), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met stichting SOlink, die twee maatschappelijke problemen (eenzaamheid onder ouderen en een gebrek aan huisvesting voor studenten) op wil lossen door rustige, kamerzoekende studenten onder te brengen bij een alleenstaande of eenzame oudere, waarbij de student de verplichting op zich neemt om een zekere mate van saamhorigheid te betrachten en gezamenlijke activiteiten te verrichten? Deelt u de mening dat dit maatschappelijke initiatief alle steun moet krijgen om uit te kunnen groeien tot een succes?
Ik ben op de hoogte van het bestaan van de Stichting SOlink. Sinds 2009 bestaan er contacten tussen medewerkers van mijn departement en vertegenwoordigers van deze Stichting.
Graag wil ik voorop stellen dat ik het initiatief van de Stichting SOlink van harte ondersteun, omdat het samenwonen van alleenstaande ouderen met studenten een uitkomst kan zijn voor het tekort aan geschikte studentenhuisvesting en het tevens het sociaal isolement van sommige alleenstaande ouderen kan voorkomen.
Het mooie is dat dit initiatief binnen de wettelijk kaders van de AOW kan worden verwezenlijkt. Voorwaarde hiervoor is wel dat de alleenstaande oudere en de student zowel ten aanzien van hun huisvesting als ten aanzien van hun onderlinge zorg hun relatie op een zakelijke wijze hebben vormgegeven. Er zijn dus geen barrières in de regelgeving die de werkzaamheden van de Stichting SOlink zouden belemmeren.
De Stichting SOlink heeft contact opgenomen met mijn medewerkers om te bezien welke mogelijkheden er bestaan om de alleenstaande oudere en de student samen te laten wonen zonder dat dit financiële consequenties heeft voor de hoogte van het AOW-pensioen van de oudere. In dat kader is informatie gegeven over het recht op AOW-pensioen, de verschillende hoogten daarvan naar gelang de leefsituatie en het begrip gezamenlijke huishouding binnen de sociale zekerheid.
De Stichting SOlink meldde vervolgens dat zij enkele individuele overeenkomsten ter beoordeling aan de SVB hadden voorgelegd. De SVB zou volgens de Stichting SOlink de door hen overgelegde overeenkomsten als onvoldoende zakelijk hebben gekwalificeerd. Daarbij heeft de SVB tevens aangegeven aan welke eisen de contracten moeten voldoen: er is sprake van een commerciële relatie als de te leveren prestaties en de daarvoor bedongen prijs zijn vastgelegd, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten. Ook dient de bedongen prijs te worden betaald. Verder moet de prijs in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens de periodieke aanpassing van de bedongen prijs.
De SVB adviseerde daarop de Stichting SOlink de door hen opgestelde contracten aan de hand van de bovengenoemde eisen nader te bezien en aan te passen. Die conclusie onderschrijf ik.
Uw verzoek om de SVB op te dragen de overeenkomsten tussen SOlink, de studenten en de alleenstaande ouderen generiek te gaan beschouwen als een «commerciële» relatie, kan ik niet inwilligen. Dit zou betekenen dat voor de Stichting SOlink een uitzondering zou worden gemaakt op het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW, waarbij niet alleen de zakelijk vormgegeven contracten maar alle vormen van ongehuwd samenwonen tussen een oudere en een student tot gevolg hebben dat de AOW-gerechtigde recht heeft op een ongehuwdenpensioen. Deze algemene uitzondering voor samenwonende ouderen/studenten leidt tot strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en heeft ook een ongewenste doorwerking naar andere sociale zekerheidswetten waarin het hetzelfde begrip gezamenlijke huishouding wordt gehanteerd.
Overigens is de door u gewenste uitzondering voor deze specifieke groep ook niet nodig. Zoals ik hiervoor al heb aangestipt, kan de Stichting SOlink zijn doelstellingen gemakkelijk verwezenlijken door de door hen opgestelde contracten op een zakelijke manier vorm te geven. De hoogte van het AOW-pensioen blijft dan ongewijzigd.
Bent u ermee bekend dat dit initiatief aanloopt tegen de grenzen van de AOW-regelgeving met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding vanwege de constructie dat de stichting woonruimte huurt bij de eenzame oudere en die vervolgens weer in bruikleen stelt aan een woningzoekende student?
Zie antwoord vraag 1.
Is het u bekend dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) concludeert dat de overeenkomsten via een tussenpersoon in onvoldoende mate duiden op een zakelijke relatie tussen de eenzame oudere en de woningzoekende jongere, waardoor er een kans is dat de eenzame oudere wordt gekort op zijn of haar AOW?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u zich voorstellen dat veel senioren ervan afzien om deel te nemen aan het initiatief van SOlink, omdat zij zich zorgen maken over mogelijke financiële consequenties voor de hoogte van hun AOW?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat de SVB de overeenkomsten tussen SOlink, de studenten en de eenzame ouderen generiek gaat beschouwen als een «commerciële» relatie, waardoor deze relatie geen gevolgen meer kan hebben voor de AOW? Het betreft hier immers, zoals uw ambtsvoorganger ook al zei, een vergelijkbare situatie met het «klassieke» model bij een hospita als zijnde een «commerciële» relatie?1
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling van SZW?
Zie antwoord vraag 1.