Het bericht ‘Grieken krijgen circuit’ |
|
Barry Madlener (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Grieken krijgen circuit»?1 Is dit bericht waar?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Het Griekse ministerie van Ontwikkeling en Concurrentie heeft het project «Formule 1 circuit» via de zgn. fast-trackprocedure geselecteerd en opgenomen in een breder wetsvoorstel dat afgelopen week ter goedkeuring naar het parlement is gestuurd. De fast-track procedure is in 2010 ingesteld om de procedures voor grote investeringen succesvoller te laten verlopen, door de Griekse bureaucratische processen te versnellen. Voor zover bekend gaat het hierbij om een grotendeels door de private sector gefinancierd project, waar de publieke sector deels aan bijdraagt.
Zo ja, deelt u dan de mening dat het schandalig is dat ondanks de economische malaise waarin de Griekse overheid verkeert en de miljarden die ze krijgt van noordelijke lidstaten, ze blijkbaar wel 30 miljoen euro spendeert aan een racecircuit?
Neen.
Het is aan de Griekse overheid om haar prioriteiten op het gebied van investeringen vast te stellen binnen de randvoorwaarden die zijn opgesteld in het kader van het leningenprogramma van EFSF en IMF. De Trojka, van Europese Commissie, ECB en IMF, houdt toezicht op de implementatie van de voorwaarden die zijn opgesteld en rapporteert daarover aan de Eurogroep en de IMF Board.
Bent u bereid om de Grieken hierover te kapittelen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Griekenland geen (Nederlandse) cent meer aan leningen/garanties dient te ontvangen en met de snelheid van een Formule 1 wagen de eurozone dient te verlaten?
Het Nederlandse standpunt over het leningenprogramma aan Griekenland, zoals dat de Tweede Kamer bekend is, is ongewijzigd.
Concurrentievervalsing door buitenlandse luchtvaartmaatschappijen |
|
Farshad Bashir |
|
Joop Atsma (CDA) |
|
Is het waar dat Nederlandse luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, oneerlijke concurrentie ondervinden van luchtvaartmaatschappijen uit bijvoorbeeld de Golfstaten, die vaak gesubsidieerd worden en geen landingsrechten hoeven te betalen om te landen in hun thuisland?1 Kunt u een overzicht verstrekken van voordelen en subsidies die de Golfstaten geven aan hun luchtvaartmaatschappijen?
Feiten waaruit zou blijken dat er sprake is van oneerlijke concurrentie ten nadele van Nederlandse luchtvaartmaatschappijen zijn mij niet bekend. Evenmin zijn mij feiten bekend die staatssubsidiëring van deze zogenaamde «Gulf carriers» zouden aantonen.
De door Nederland met onder andere de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar (Golfstaten met een grote netwerkcarrier) afgesloten luchtvaartverdragen bevatten een bepaling dat luchthavens en navigatievoorzieningen op non-discriminatoire wijze en tegen gelijke vergoeding toegankelijk moeten zijn voor zowel de nationale als de buitenlandse luchtvaartmaatschappij(en). De havengelden van Dubai zijn weliswaar lager dan die van Schiphol en andere grote Europese luchthavens, maar deze lagere tarieven gelden voor alle luchtvaartmaatschappijen die gebruik maken van de luchthaven, ongeacht hun land van registratie. Overigens geldt dat de operationele en beleidsmatige randvoorwaarden voor luchtvaartmaatschappijen niet in elk land gelijk zijn.
Voorbeelden hiervan zijn de brandstofprijs, passagiersrechten, arbeidsvoorwaarden en dergelijke. Dit verschil in randvoorwaarden kan een ongelijk speelveld tot gevolg hebben, maar daarmee is niet automatisch sprake van oneerlijke concurrentie.
Heeft u inzicht in de hoeveelheid banen die er in Nederland op termijn verloren zou gaan wanneer de situatie van een oneerlijk speelveld in de luchtvaart blijft bestaan en kunt u dit toelichten?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, zijn mij geen feiten bekend op grond waarvan er van oneerlijke concurrentie gesproken kan worden. Voor zover er in de toekomst sprake zou zijn van een verlies van banen is in elk geval niet van te voren vast te stellen of dit het gevolg zou zijn van een eventueel oneerlijk speelveld of van de mondiale, structurele verschuiving van het zwaartepunt van de luchtvaart van Europa naar andere continenten zoals Afrika en Azië of van technologische ontwikkelingen waarbij steeds vaker rechtstreekse verbindingen worden aangeboden in plaats van via overstappunten («hubs») in Europa zoals bijv. Amsterdam.
Wat gaat u doen om de concurrentiepositie tussen de luchtvaartmaatschappijen weer gelijk te trekken? Bent u bereid om uw ambtgenoten in de Golfstaten aan te spreken op deze oneerlijke concurrentie? Zo ja, wanneer gaat u dit doen? Zo niet, waarom niet? Zijn eventuele tegenmaatregelen richting luchtvaartmaatschappijen uit de Golfstaten mogelijk, indien de oneerlijke concurrentie, zoals geschetst in het artikel, blijft bestaan?
Nederland, noch de Europese Commissie heeft een externe bevoegdheid op gebied van regelgeving in een niet-EU land, maar naast het handhaven van de reeds bestaande non-discriminatie bepalingen in onze luchtvaartovereenkomsten met andere landen, steunt Nederland initiatieven zoals die van de Europese Commissie om zoveel mogelijk te streven naar transparantie in de eigendoms- en financiële structuur van luchtvaartmaatschappijen, overname van Europese regelgeving door niet-EU landen en tot het ontwikkelen van een instrumentarium waarmee eventuele oneerlijk concurrentie voorkomen of gecorrigeerd kan worden. Wanneer daar aantoonbaar sprake van is, biedt het luchtvaartverdrag met het betreffende land voldoende handvatten om geschillen aangaande eventuele oneerlijke concurrentie te regelen. In extremis kan het luchtvaartverdrag worden opgezegd. Daarmee zouden overigens alle wederzijdse verkeersrechten van Nederland en het andere land komen te vervallen.
Welke mogelijkheden en opties heb u om de Nederlandse luchtvaart te beschermen tegen deze oneerlijke concurrentie?
Zie antwoord vraag 3.
De toekomst van het Landelijk Schakelpunt (LSP) |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Onder welke voorwaarden financiert Zorgverzekeraars Nederland (ZN) het Landelijk Schakelpunt (LSP) in 2012? Is aan deze voorwaarden voldaan?
Eind 2011 hebben de koepels van zorgaanbieders (Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP), Vereniging Huisartsenposten Nederland (VHN) en
Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ)) en de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) afspraken gemaakt over de doorstart van het LSP. In dat kader hebben zij de Vereniging van zorgaanbieders voor zorgcommunicatie (VZVZ) opgericht. Deze vereniging is per 1 januari 2012 verantwoordelijk voor het LSP. Zorgverzekeraars hebben toen aangegeven bereid te zijn om de kosten van de zorgaanbieders voor aansluiting op de infrastructuur structureel te vergoeden, mits dit zou leiden tot een toename van aansluiting op en gebruik van de infrastructuur. Het ontbreken van een meerjarenperspectief heeft geleid tot terughoudendheid bij zorgaanbieders met betrekking tot aansluiting op het LSP. Inmiddels zijn er afspraken voor de komende 3 jaar gemaakt inclusief afspraken over het gebruik en de aansluitingen.
Heeft ZN al betaald voor de instandhouding van het LSP in 2012? Zo ja, hoeveel en zo nee, waarom niet?
Zorgverzekeraars hebben 6,6 miljoen (2/3 van de exploitatiekosten van het LSP) vergoed aan de VHN. Deze 6.6 miljoen euro is inmiddels betaald en door Nictiz gebruikt ter dekking van de exploitatiekosten.
Is het waar dat ZN bereid is om ook de komende jaren te investeren in het LSP? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het oorspronkelijke plan om zorgaanbieders zelf de doorstart van het LSP te laten opbrengen? Waarom slagen zij hier niet in?1
Ik heb van ZN begrepen dat ZN zich bereid heeft verklaard om ook de komende 3 jaren te investeren in het LSP. Hierover hebben de betrokken partijen onlangs afspraken gemaakt. Net als ik vinden verzekeraars het van groot belang dat de veilige elektronische informatieoverdracht tussen zorgaanbieders onderling en tussen zorgaanbieders en patiënten daadwerkelijk tot stand komt. Dat is relevant om efficiencyredenen, maar veel meer nog vanwege de kwaliteit van zorg (beperking van overdrachtsfouten bijvoorbeeld) en het beter kunnen betrekken van de patiënt bij zijn eigen behandeling.
Verzekeraars willen de groei van bedoelde veilige gegevensoverdracht faciliteren. Een goede en veilige infrastructuur, die door alle zorgaanbieders wordt gebruikt, vormt de basis voor die informatieoverdracht en is randvoorwaardelijk.
Centrale financiering door de verzekeraars in combinatie met centrale sturing door de zorgaanbieders, via de VZVZ, biedt hiervoor een goede basis.
Daarmee dragen zorgaanbieders de verantwoordelijkheid voor de doorstart en vervullen de verzekeraars hun faciliterende rol.
Kunnen zorgverzekeraars in 2013 weigeren om zorgaanbieders die niet wensen mee te werken aan het LSP, te contracteren? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw antwoorden op eerdere vragen waarin u stelt dat voor zorgaanbieders geen verplichting bestaat om zich aan te sluiten op het LSP? Wat is hiervan de juridische houdbaarheid?2
Zorgverzekeraars verwijzen bij het vaststellen van contracten naar de kwaliteitseisen van de beroepsgroep. Als de beroepsgroep (de zorgaanbieders) heeft aangeven dat uitwisseling via het LSP als kwaliteitseis wordt gezien dan kunnen zorgverzekeraars dit opnemen. Het is dus uiteindelijk de beroepsgroep zelf die beslist of aansluiting op het LSP als kwaliteitseis voor de beroepsgroep geldt. Deze lijn heb ik ook met uw Kamer gewisseld.
Hoeveel zorgaanbieders moeten zich eind dit jaar hebben aangesloten om het LSP levensvatbaar te houden en hoeveel zorgaanbieders hebben zich inmiddels aangemeld, uitgesplitst naar huisartsen, apothekers en ziekenhuizen?
De Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ) heeft aangegeven dat per 1 oktober de volgende aantallen zorgverleners zijn aangesloten op het Landelijk Schakelpunt (LSP):
Apotheken
Huisarts-praktijken
Huisartsen-diensten-structuren
Zieken-huizen
Totaal
Aangesloten
845
43%
2 683
66%
41
84%
11
12%
3 580
58%
Partijen hebben voor de komende drie jaar afspraken gemaakt rondom de doorstart van het LSP. Deze afspraken worden vastgelegd in een convenant met daarbij aandacht voor financiering, aansluiting en gebruik van de infrastructuur. De hoeveelheid aangesloten zorgaanbieders biedt partijen voldoende houvast.
Hoeveel Nederlanders hebben op 1 oktober via de opt-in regeling toestemming gegeven voor uitwisseling van hun medische gegevens via het LSP?
De Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ) is verantwoordelijk voor de uitwisseling van gegevens via de zorginsfrastructuur (het LSP). De VZVZ is eind 2011 opgericht op initiatief van de koepels van huisartsen (LHV), huisartsenposten (VHN), apotheken (KNMP) en ziekenhuizen (NVZ).
De VZVZ is op dit moment bezig met de voorbereidingen voor het informeren van zorgconsumenten over de opt-in regeling en de wijze waarop zij toestemming
kunnen geven. Enkele regio’s zijn hiermee van start gegaan. Exacte aantallen van Nederlanders die op 1 oktober 2012 toestemming hebben gegeven voor gegevensuitwisseling via het LSP zijn bij de VZVZ niet bekend. Dit vanwege het feit dat nog niet alle zorgverleners de toestemming die zij schriftelijk hebben vastgelegd hebben ingevoerd in hun zorginformatiesysteem.
Naar verwachting zal de uitvoering van de opt-in procedure (i.c. het vragen om toestemming) met name vanaf november 2012 een grote vlucht nemen, als de geplande communicatiecampagne van start is gegaan.
Wat is uw oordeel over de aangekondigde Patiënten- en Privacyraad? Deelt u de mening van deze raad dat «natuurlijk voorkomen» moet worden dat opnieuw toestemming aan de patiënt wordt gevraagd wanneer grote veranderingen worden doorgevoerd in de functionaliteit van het LSP of wanneer nieuwe groepen zorgaanbieders worden aangesloten op het LSP?2
Of bij een dergelijke uitbreiding van het LSP opnieuw toestemming is vereist, is afhankelijk van de wijze waarop het systeem en het geven van toestemming is ingericht. Ik ga er vanuit dat de inrichting van het LSP past binnen de geldende wet- en regelgeving.
Wat is het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over het voornemen om patiënten geen toestemming te vragen indien het LSP wezenlijk verandert qua opzet en aangesloten zorgaanbieders?
Het College Bescherming Persoonsgegevens is een onafhankelijke toezichthouder en houdt toezicht op de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Ik ben niet op de hoogte van een eventueel oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens op dit onderdeel. Ik ga er vanuit dat eventuele uitbreidingen binnen de kaders van de huidige wet en regelgeving passen.
De rechtsmacht over militairen die koopvaardijschepen tegen piraten beschermen |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het Enrica Lexie-incident. Rechtsmacht over Militaire Vessel Protection Detachments (VPD's)»?1
Ja.
Acht u het mogelijk dat ook Nederlandse militairen die koopvaardijschepen tegen piraten beschermen en daarbij geweld toepassen, daarvoor door een andere staat strafrechtelijk vervolgd kunnen worden? Zo ja, onder welke voorwaarden en omstandigheden is dat mogelijk? Zo nee, waarin verschilt de positie van Nederlandse militairen dan van die van de in het artikel genoemde Italiaanse militairen?
Allereerst hecht ik er aan op te merken dat een zelfstandig militair beveiligingsteam ter bescherming van individuele zeetransporten, een zogenaamd Vessel Protection Detachment (VPD), piraten op volle zee dient af te schrikken. Het gebruik van geweld door een VPD is, conform de geweldsinstructie, beperkt tot zelfverdediging en is pas aan de orde als deze afschrikking onvoldoende effect heeft. Dit is tot dusver één keer gebeurd.
De uitoefening van rechtsmacht op zee berust op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna: het VN-Zeerechtverdrag) dat de zee in verschillende zones verdeelt. In het algemeen geldt dat hoe dichter een zone bij de kust ligt, des te meer rechtsmacht een kuststaat in die zone kan uitoefenen.
De mogelijkheden voor een vreemde staat om op volle zee strafrechtelijke rechtsmacht uit te oefenen over schepen met een andere vlag zijn zeer beperkt. Nederlandse vaartuigen die onder de vlag van het Koninkrijk varen zijn steeds onderworpen aan de strafrechtelijke rechtsmacht van Nederland. Wanneer op volle zee vanaf een onder Koninkrijksvlag varend schip geweld wordt gebruikt tegen een schip varend onder een andere vlag, kan dit (ook) een strafbaar feit opleveren volgens het nationale recht van de desbetreffende staat. Die staat kan vervolgens handhavend optreden wanneer het Nederlandse schip een haven van het land in kwestie binnenvaart. In een dergelijk geval, waarbij beide landen rechtsmacht kunnen uitoefenen, is sprake van concurrerende rechtsmacht.
In de Exclusieve Economische Zone (EEZ), de aansluitende zone en de territoriale zee kan de kuststaat geen strafrechtelijke rechtsmacht uitoefenen over VPD’s, behalve in bepaalde specifieke, in het VN-Zeerechtverdrag gedefinieerde gevallen. In de territoriale zee betreft dit strafbare feiten gepleegd tijdens de passage door de territoriale zee indien:
Een kuststaat heeft tot slot rechtsmacht over schepen in zijn haven(s). Indien een kuststaat op basis van bovenstaande in havens of territoriale zee rechtsmacht wil uitoefenen over de leden van een VPD dat geweld heeft gebruikt tegen een schip dat voer onder de vlag van de kuststaat, is er sprake van concurrerende rechtsmacht tussen Nederland en die staat. In het geval van concurrerende rechtsmacht zal de regering zich tot het uiterste inspannen om de Nederlandse rechtsmacht te laten voorgaan.
Wie heeft de rechtsmacht over Nederlandse militairen die aanwezig zijn op Nederlandse koopvaardijschepen? Kunt u daarbij ingaan op de rechtsmacht in territoriale wateren van een kuststaat, de exclusieve economische en de aangrenzende zones van een kuststaat en de rechtsmacht buiten die wateren op volle zee?
Zie antwoord vraag 2.
Kan er onduidelijkheid bestaan over bovengenoemde rechtsmacht? Zo ja, waaruit kan die onduidelijkheid bestaan en kan die onduidelijkheid worden weggenomen door een «Status of Forces Agreement» (SOFA) te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 is geschetst, biedt het VN-Zeerechtverdrag duidelijkheid over de Nederlandse rechtsmacht over Nederlandse vaartuigen varend onder Koninkrijksvlag. De in dit verdrag opgenomen regels zijn algemeen aanvaard en er is geen aanleiding deze aan te passen door middel van het sluiten van Status of Forces Agreements.
Is het waar dat er bij Vessel Protection Detachments de genoemde SOFA’s meestal ontbreken? Zo ja, waarom ontbreken die meestal? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het gestelde?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het naar aanleiding van het incident met de Italiaanse militairen verstandig dat Nederlandse militairen die buiten de territoriale wateren betrokken raken bij een incident dat mogelijk een strafbaar feit oplevert voor de kuststaat, de territoriale wateren van die kuststaat niet binnenvaren? Zo ja, waarom en hoe gaat u bewerkstelligen dat dit niet gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ja. In een dergelijk geval zal de kapitein van het schip worden verzocht niet de territoriale zee van de desbetreffende kuststaat in te varen.
Deelt u de mening dat Nederland zelf zijn eigen militairen zou moeten vervolgen en desnoods berechten indien die militairen buiten Nederland op zee een mogelijk strafbaar feit plegen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de opvatting van andere landen waar Nederlandse militairen in de buurt zijn om piraterij te bestrijden? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse strafwet is van toepassing op ieder die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Voor militairen geldt bovendien dat Nederland altijd rechtsmacht heeft indien een militair (al dan niet in het buitenland) strafbare feiten pleegt. Het Openbaar Ministerie in Arnhem toetst eventueel geweldsgebruik door Nederlandse militairen achteraf en kan naar aanleiding daarvan besluiten strafvervolging in te stellen. Van strafrechtelijke immuniteit is geen sprake.
Kunt een beeld schetsen over de strafrechtelijke immuniteit van Nederlandse militairen die op zee buiten Nederland actief zijn in de bestrijding van piraterij?
Zie antwoord vraag 7.
Kan er onduidelijkheid bestaan over deze strafrechtelijke immuniteit? Zo ja, waaruit kan die bestaan en hoe denkt u dit op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel: 'Drugrunners vechten met NS-personeel' |
|
Louis Bontes (PVV), Machiel de Graaf (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Drugrunners vechten met NS-personeel»?1
Ja.
Deelt u de mening van het personeel dat de daders van deze vechtpartij een permanent OV-verbod moeten krijgen en nooit meer in een trein of op een station mogen komen? Zo neen, waarom niet?
De Wet en het Besluit personenvervoer 2000 vormen het wettelijk kader voor de sociale veiligheid in het openbaar vervoer. De mogelijkheid bestaat om een reisverbod op te leggen voor het gehele openbaar vervoer. Overtreding van het reisverbod strafbaar geworden. Dit is geregeld in de Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010. Onder een reisverbod wordt verstaan een verbod om gedurende een bepaalde periode gebruik te maken van één of meerdere vormen van openbaar vervoer op een bepaald traject. In de wet is niet bepaald voor welke overtredingen een reisverbod kan worden opgelegd. De vervoerder bepaalt dit zelf, daarbij rekening houdend met het proportionaliteitsbeginsel.
Momenteel wordt gewerkt aan een voorstel tot wetswijziging van de Wet personenvervoer 2000 ten behoeve van een verblijfsverbod op bijvoorbeeld een station. Het wetsvoorstel zal de mogelijkheid gaan bevatten dat de vervoerder een verblijfsverbod kan opleggen en het overtreden hiervan strafbaar is.
Deelt u de mening dat een permanente politiepost bij zal dragen aan de veiligheid op en rond het station Rotterdam CS? Zo neen, waarom niet?
Er is al een politiepost van de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) bij station Rotterdam CS. Deze is gedurende de verbouwing van het station verplaatst naar de overzijde van het station. Het KLPD heeft mij meegedeeld dat het de bedoeling is dat de politiepost na de verbouwing van het station weer terugkomt in het station.
Deelt u de mening dat medewerkers van de NS zich nimmer bedreigd dienen te voelen en derhalve zich met gepaste middelen moeten kunnen beschermen, bijvoorbeeld met een taser? Zo neen, waarom niet?
Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak, waaronder treinpersoneel, is onacceptabel. Ook NS vindt het van belang de veiligheid voor zowel haar reizigers als haar personeel te garanderen. Als het gaat om agressie tegen treinpersoneel hanteert NS een zero-tolerance beleid. Met onder andere de inzet van de service- en veiligheidsteams op 19 grote stations doet NS er alles aan om agressie terug te dringen en zoveel mogelijk te voorkomen.
Wat voor personeel een passend beschermingsmiddel is, staat ter beoordeling van de werkgever op grond van de wettelijke mogelijkheden. De hoofdconducteurs en de medewerkers service en veiligheid (S&V) zijn buitengewoon opsporingsambtenaar in het Domein IV (OV). De medewerkers S&V zijn daarnaast bevoegd tot het dragen en gebruiken van handboeien en tot het verrichten van identiteitsfouillering en zij dragen naald-, slag- en steekwerende vesten. Voor het uitrusten van NS-personeel met een taser bestaat geen wettelijke basis.
Deelt u de mening dat deze situatie weer eens aantoont dat de strafrechtelijke grens van groepsaansprakelijkheid verruimd dient te worden, zodat de gehele groep aangepakt kan worden? Zo neen, waarom niet?
Het Wetboek van Strafrecht biedt voldoende mogelijkheden om in dit soort situaties tot het aanpakken van een of meerdere daders over te gaan.
De kosten voor (defecte) OV-chipkaarten |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u er mee bekend dat Trans Links Systems sinds kort voor vervanging van een defecte OV-chipkaart, ontstaan als gevolg van onzorgvuldig of onjuist gebruik, een vergoeding van 11 euro vraagt, terwijl een nieuwe kaart 7,50 euro kost?1
Ja. Een reiziger die door verlies, diefstal of een zichtbaar defect niet meer kan reizen met zijn of haar OV-chipkaart of zijn/haar persoonlijke gegevens wil wijzigen kan een vervangende kaart aanvragen. TLS heeft mij laten weten dat de prijs voor een vervangende kaart per 1 oktober 2012 € 11 bedraagt. Er worden volgens TLS geen kosten in rekening gebracht bij vervanging van een OV-chipkaart waarvan het defect niet zichtbaar is.
Wie heeft tot deze prijsverhoging besloten? Klopt het dat reizigersorganisaties hier geen inspraak op hebben gehad? Zijn de concessieverleners akkoord gegaan met deze prijsverhoging?
De openbaarvervoerbedrijven en TLS hebben besloten de prijs voor een vervangende OV-chipkaart per 1 oktober 2012 aan te passen. Consumentenorganisaties en de decentrale overheden hebben daarbij geen formele rol. Volgens TLS zijn de decentrale overheden en de consumentenorganisaties vooraf wel van de voorgenomen prijsverhoging op de hoogte gesteld. De reactie van partijen op deze prijsverhoging is mij niet bekend.
Is het waar dat over inspraak van reizigersorganisaties niets is geregeld in de algemene voorwaarden van Trans Link Systems, dat deze voorwaarden eenzijdig zijn opgesteld en dat hierover momenteel nog geen akkoord is tussen TLS en de reizigersorganisaties?
De Algemene Voorwaarden OV-chipkaart zijn van toepassing op de aanvraag, uitgifte, gebruik en inname van een door TLS uitgegeven persoonlijke en anonieme OV-chipkaart. De deelnemende vervoerders aan het OV-chipkaartsysteem en TLS stellen deze voorwaarden op. De consumentenorganisaties vervullen hierin geen formele rol. Omdat het privaatrechtelijke afspraken betreft, heb ik hier derhalve geen invloed op.
Consumentenorganisaties hebben op dit moment wel een wettelijke adviesplicht (artikel 31 en 32 Wet personenvervoer 2000) ten aanzien van de tarieven in het openbaar vervoer.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat er op korte termijn algemene voorwaarden komen die ook de instemming hebben van de reizigersorganisaties? Welke acties onderneemt u om dit te bereiken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is een vervangende kaart duurder dan een nieuwe kaart?
TLS heeft mij laten weten dat bij vervanging van de OV-chipkaart onder andere de geldige abonnementen en andere reisproducten van de oorspronkelijke OV-chipkaart overgezet op de nieuwe (vervangende) OV-chipkaart. Ook worden de benodigde aanpassingen doorgevoerd in de back-office systemen bij TLS en de vervoerders. Door deze extra servicehandelingen zijn aan de uitgifte van een vervangende OV-chipkaart meer kosten verbonden dan aan de uitgifte van een initiële (nieuwe) OV-chipkaart.
Deelt u de mening dat het voor de reiziger moeilijk is aan te tonen dat een kaart buiten zijn eigen schuld defect is geraakt?
Als de reiziger vermoedt dat de OV-chipkaart defect is kan hij bij een balie van een OV-bedrijf laten controleren wat er aan de hand is. Wanneer een OV-chipkaart defect is kan de reiziger, met een formulier inzake vervangende kaarten (verkrijgbaar aan de balie of te vinden op www.ovchipkaart.nl), de kaart opsturen naar TLS. Als blijkt dat de kaart defect is buiten de schuld van de reiziger om hoeft de reiziger de vervangende OV-chipkaart niet te betalen.
Wat is de kostprijs van een OV-chipkaart? Klopt het dat in andere landen de chipkaart vaak kosteloos is of dat er alleen een borgsom wordt gevraagd?
De vervoerders bepalen de prijs van de OV-chipkaart. Zij hebben de kostprijs van een (nieuwe) kaart vastgesteld op € 7,50. In sommige landen wordt de chipkaart kosteloos aangeboden, doorgaans in combinatie met het aanschaffen van een reisproduct (bijv. een maandabonnement), of wordt een borgsom gevraagd.
Deelt u de mening dat de prijs van een nieuwe of vervangende OV-chipkaart moet worden verlaagd, om zo de toegangsdrempel tot het openbaar vervoer te verlagen?
Neen, die mening deel ik niet. Vervoerders kunnen zelf bepalen welke prijs zij in rekening brengen aan de reiziger. Het kopen van een OV-chipkaart als product is een uitvloeisel van een koopovereenkomst tussen klant en vervoerder om vervolgens te kunnen reizen.
Het bericht dat diefstal uit kerken en kloosters een onderschat probleem lijkt te zijn |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat diefstal uit kerken en kloosters een onderschat probleem lijkt te zijn?1
Ja.
Deelt u de mening dat we zuinig moeten zijn op ons culturele en religieuze erfgoed, en dat politie en het Openbaar Ministerie (OM) hier meer aandacht aan zouden kunnen besteden?
De schade die de maatschappij lijdt door kunstcriminaliteit is deels financieel en deels van cultuurhistorische aard. Op beide fronten betekent het een verarming voor de Nederlandse samenleving. De aanpak van kunstcriminaliteit verdient derhalve de aandacht van handhavings- en opsporingsinstanties.
In de brief die ik samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer heb gezonden2, zijn maatregelen aangekondigd die de opsporing van kunstcriminaliteit verbeteren. Een van de maatregelen is het aanstellen van een taakaccenthouder kunstcriminaliteit binnen elke (toekomstige) regionale politie-eenheid.
Sinds mei 2012 zijn bij het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie een Officier van Justitie en een beleidssecretaris aangewezen die de aanpak van kunstgerelateerde criminaliteit als aandachtspunt hebben. Zij fungeren als aanspreekpunt voor OM-collega’s op de regioparketten, de groep Kunst en Antiek van de Dienst IPol van het KLPD en voor de inspecteurs van de Erfgoedinspectie.
Deelt u de mening dat er weer een landelijke officier van justitie (deeltijd) zou moeten komen voor kunst- en erfgoedgerelateerde criminaliteit? Bent u ervan op de hoogte dat ook betrokkenen in de kunstsector hier sterk voor geporteerd zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid u in te spannen voor versterkte samenwerking met kunsthandelaren, door bijvoorbeeld de nationale databank voor gestolen kunst, antiek en cultureel erfgoed (nu in beheer bij het Korps Landelijke Politiediensten) open te stellen voor derden, zoals antiquairs?
De nationale database dient ter ondersteuning van de coördinatie voor de (inter)nationale registratie en opsporing van de in Nederland gestolen kunstvoorwerpen en het verzamelen van de benodigde statistische gegevens.
De nationale database is niet toegankelijk voor publieke raadpleging. De Nederlandse gegevens worden aangeleverd aan de database van Interpol. Deze database is na registratie toegankelijk voor een ieder en wordt al veelvuldig gebruikt door antiquairs. Gezien de internationale aard van de kunstroof biedt raadpleging van deze database meer zekerheid om informatie te krijgen over de status van een kunstobject.
Bent u ervan op de hoogte dat er bij de politie weinig kennis is over dit onderwerp? Wat vindt u van een aparte meldcode voor dit soort criminaliteit, waarmee de registratie in ieder geval op orde zou worden gebracht? Deelt u de verwachting dat dit het terugvinden van gestolen objecten zou vergemakkelijken?
Ik ben er geen voorstander van om een aparte meldcode voor gestolen kunst, antiek en cultureel erfgoed in te voeren. Juist in het feit dat de gemiddelde politieambtenaar niet beschikt over specifieke kennis met betrekking tot dit onderwerp, schuilt het gevaar dat men zelf zal overgaan tot het interpreteren wat wel of niet valt onder de meldcode met als gevolg dat er zaken worden gemist. Onlangs is in de Basisvoorziening Handhaving – waarin de aangiftes worden opgenomen – een mogelijkheid gecreëerd om kunst- en antiekvoorwerpen gedetailleerd te beschrijven. Hiermee worden de betreffende goederen binnen de totale stroom van aangiftes beter traceerbaar voor rechercheactiviteiten en analyses.
Besmette zalm |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van alle voedingsmiddelen waar de met salmonella besmette zalm van de Harderwijkse leverancier Foppen in terecht gekomen is?1
De mogelijk besmette zalm is in Nederland in verschillende voedingsmiddelen en diverse supermarkten terecht gekomen. Een lijst hiervan is op de site van de NVWA gepubliceerd.
http://www.vwa.nl/actueel/waarschuwingen/waarschuwing/2026521/waarschuwing-voor-producten-met-salmonella-besmette-zalm
De mogelijk besmette zalm is ook in viswinkels, horecagroothandels en visverwerkende bedrijven terecht gekomen. Deze bedrijven zijn hierover geïnformeerd door hun leveranciers en hebben goed gehoor gegeven aan de recall.
Ook is er geleverd aan Europese lidstaten en Derde landen. Deze landen zijn via het RASFF (Rapid Alert System for Food and Feed) systeem en Infosan (International Food Safety Authorities Network) hiervan op de hoogte gesteld.
Hoe en hoe vaak wordt door de Nederlandse Voedsel- Warenautoriteit (NVWA) geïnspecteerd op salmonellabesmettingen bij zalm en andere visproducten die voor rauwe consumptie bedoeld zijn? Is de pakkans vergelijkbaar met andere voedselbesmettingen?
Het voorkomen van pathogene micro-organismen, waaronder Salmonella, in (rauw) te consumeren producten is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de producent. Deze dient in het kader van Verordening EG 852/2004 zelf een risicoanalyse uit te voeren en op basis daarvan een beheersprogramma en verificatieprocedure vast te stellen. Tijdens de reguliere inspecties die de NVWA uitvoert wordt gecontroleerd of het bedrijf hieraan voldoende invulling geeft.
Daarnaast voert de NVWA zelf onderzoek uit. Voor onderzoek van kant-en-klare voedingsmiddelen die bedoeld zijn om direct te worden geconsumeerd, waaronder gerookte zalm en andere visproducten, richt de NVWA zich primair op relevante pathogenen die zijn opgenomen in de geldende wetgeving (zoals Verordening (EG) 2073/2005). Van 2011 tot op heden werden in het kader van monitoringsprojecten in totaal ruim 2000 monsters visproducten onderzocht door de NVWA. Alle op Salmonella onderzochte monsters waren daarbij negatief.
De pakkans is vergelijkbaar met andere voedselbesmettingen.
Ziet u in deze situatie reden om actiever in te zetten op de bewustwording van consumenten ten aanzien van de veilige bereiding van zalm?
In het algemeen kan worden gesteld dat alle rauw te consumeren voedingsmiddelen een risico met zich meebrengen. Direct, door consumptie van deze rauwe producten en indirect als gevolg van kruisbesmetting. Ondanks alle maatregelen in de keten kunnen er soms toch nog onveilige voedingsmiddelen op de markt komen. Het is van belang dat de consument zich daar van bewust is. Het Voedingscentrum Nederland (VCN, gefinancierd door het Ministerie van VWS en EL&I) communiceert hierover richting de consument.
Hierbij wordt met name aandacht besteed aan de het veilig kopen, koken en bewaren door de consument van voedingsmiddelen. Daarbij is speciale aandacht voor de zogenaamde risicogroepen (Young, Older (ouder dan2, Pregnant and Immuno compromised YOPI’s)
Welke kansen biedt bijvoorbeeld een bacteriesticker om salmonella besmettingen en andere risico’s actief voor de consument via de verpakking zichtbaar te maken? Zou dat voor deze vorm van salmonella een uitkomst kunnen bieden?
Een bacteriesticker om te waarschuwen voor deze vorm van Salmonella biedt geen uitkomst. De Salmonella besmetting op zalm betreft een incident. Salmonella wordt vrijwel nooit op zalm aangetroffen. Waarschuwing met een bacteriesticker is dan ook niet proportioneel. De focus zal zich vooral richten op de communicatie via het VCN (zie vraag3.
Was deze zalm al besmet toen deze uit Griekenland naar Nederland getransporteerd werd en is de lading in Griekenland geïnspecteerd?
Het is bevestigd dat de besmette zalm afkomstig uit Griekenland al besmet was voor aflevering in Nederland. Op levensmiddelen die in Griekenland worden geproduceerd wordt door de Griekse Voedsel- en Warenautoriteit toezicht gehouden. Hierbij wordt uiteraard niet elke geproduceerde partij door hen gecontroleerd.
Is er sprake van structurele samenwerking tussen de NVWA en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) met de European Food Safety Authority (EFSA) en de voedselautoriteiten van andere EU-lidstaten op het vlak van wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidsrisico’s van voedsel, zoals de mogelijke risico’s op kanker als gevolg van Round-up resistente genmaïs, of het onderzoeken van besmettingen van vis en andere verse producten zoals deze salmonella besmetting?
Ja. Het RIVM is een van de zo genoemde «artikel 36 instituten»4 in Nederland. In dit kader is er sprake van een regelmatige uitwisseling van wetenschappelijke kennis met de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Daarnaast nemen wetenschappers uit het RIVM zitting in verschillende panels en werkgroepen van de EFSA.
De NVWA levert op structurele basis informatie over monitoring en surveillance van voedselveiligheidsthema’s (zoals bijvoorbeeld zoönosen) aan de EFSA. Tenslotte heeft het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering (BuRO) van de NVWA een bijzondere band met EFSA als zijnde haar nationale gelijke.
Wordt in iedere lidstaat op dezelfde manier omgesprongen met de vraag of voedsel veilig is of verschillen de gezondheidsnormen en de onderzoeksmethoden, gelet op de grote hoeveelheid grensoverschrijdende handel?
De regelgeving op het terrein van voedselveiligheid is Europees. In de lidstaten worden dezelfde normen en geharmoniseerde onderzoeksmethoden gehanteerd. Dit is vanwege de open Europese grenzen voor voedingsmiddelen ook noodzakelijk. De NVWA ziet toe op de naleving van deze regels in Nederland. Het Voedsel- en veterinair bureau (FVO) van de Europese Commissie ziet toe op de naleving in alle lidstaten.
Verontrustende cijfers over gehoorschade |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verontrustende cijfers over gehoorschade bij jongeren?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat steeds meer jonge mensen in Nederland door onwetendheid gehoorschade dreigen op te lopen?
Gehoorschade opgelopen door te harde muziek bij jongeren is een gezondheids- en maatschappelijk probleem dat in principe voorkomen had kunnen worden. Jongeren moeten er bewust van zijn dat ze bij het luisteren naar harde muziek het risico op gehoorschade lopen. De Nationale Hoorstichting heeft zich, mede met financiering van het ministerie van VWS, de afgelopen jaren ingezet op het informeren, bewustmaken en het veranderen van risicogedrag van jongeren. Uit het recente onderzoek van de Nationale Hoorstichting blijkt dat het van belang blijft om informatie over het risico op gehoorschade door lawaai te verstrekken.
Welke pogingen heeft u tot dusver ondernomen om onnodige gehoorschade te voorkomen of te beperken?
Zie mijn antwoord op vraag 3 en 6 van de leden Voordewind (ChristenUnie) en Bruins Slot (CDA) over gehoorschade bij de jeugd (vraagnummer 2012Z16721).
Weet u wat de meest effectieve interventiemethode is om mensen bewust te maken van de risico’s die zij lopen in discotheken en muziekevenementen?
Tot nu toe heeft de Nationale Hoorstichting, mede met financiering van het ministerie van VWS, vooral ingezet op informatieverstrekking en bewustmaking van de gevaren van mogelijke gehoorschade door te harde muziek aan kinderen en jongeren. Hiervoor is onder andere lesmateriaal voor scholen ontwikkeld, zijn folders gemaakt en laagdrempelige hoortesten ontwikkeld. Ook wordt voorlichting gegeven op muziekfestivals. Daarnaast werkt de muzieksector via het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector samen met de Nationale Hoorstichting aan het voorkomen van gehoorschade bij de bezoekers van discotheken, clubs en festivals. Eind december wordt de effectiviteit van het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector geëvalueerd.
Heeft u deze ingezet om ouders en kinderen voor te lichten over de gehoorschade door discotheken en muziekevenementen? Zo ja, wat zijn de resultaten en zo nee, waarom niet?
Ja. Van het werkmagazine «OORzaken» zijn bijvoorbeeld al ruim 60 000 exemplaren afgenomen door ruim 1 000 basisscholen. Op deze manier worden kinderen bereikt voordat de risicogedragingen (persoonlijke geluidsdragers, discotheekbezoek) ontstaan. Daarnaast zijn er verschillende websites voor kinderen en jongeren over voorkombare gehoorschade. Uit een onlangs gehouden enquête blijkt er wel een kloof te zitten tussen «geïnformeerd zijn» en «iets doen».
Deelt u de mening dat het een groot probleem is dat mensen zich nog steeds niet bewust zijn van het gegeven dat veel discotheken en evenementen het aantal decibels schadelijk hoog laten oplopen, zoals uit dit onderzoek blijkt?
Uit het onderzoek van de Nationale Hoorstichting blijkt dat een groot gedeelte van het uitgaanspubliek zich niet bewust is van de risico’s van te harde muziek en geen gehoorbeschermers draagt. Het is van belang dat het uitgaanspubliek zich bewust is van de risico’s en maatregelen neemt om gezondheids- en maatschappelijke problemen te voorkomen.
Wat vindt u ervan dat de meeste mensen de overheid een toeziende en corrigerende taak toedichten in deze kwestie?
Ik zie het voorkomen van gehoorschade door te harde muziek bij de bezoekers van muzieklocaties vooral als een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de muzieksector zelf. De muzieksector is samen met de Nationale Hoorstichting al bezig met de preventie van gehoorschade door te harde muziek bij bezoekers van muzieklocaties. Dit gebeurt onder andere via het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieklocaties. Het keurmerk en het convenant worden in december 2012 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wil ik samen met de sector kijken of nadere actie nodig en gewenst is.
Over landroof in Mozambique |
|
Jasper van Dijk , Marit Maij (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «The human rights impacts of tree plantations in Niassa province, Mozambique»?1
Herinnert u zich de eerdere vragen over dit onderwerp d.d. 09 december 2011? 2
Wat is uw beoordeling van het nieuwe management van het Global Solidarity Forest Fund (GSFF)?
Kunt u zeggen wat de uitkomst is van de Werkgeversraad, dan wel het Verantwoordingsorgaan van het ABP, waarbij u de concrete investering van GSFF in Mozambique heeft geagendeerd?3
Het onderwerp «investeringen van Global Solidarity Forest Fund (GSFF)» is in het Verantwoordingsorgaan aan de orde geweest. In het kader van het Oordeel 2011 van het Verantwoordingsorgaan is gesproken over het door het bestuur gevoerde beleid en het handelen van hetzelfde bestuur.
Het Verantwoordingsorgaan is van mening dat het bestuur blijk geeft van zijn groeiend besef inzake de maatschappelijke verantwoordelijkheid als pensioenfonds. Om het belang van verantwoord beleggen te benadrukken brengt ABP jaarlijks een apart verslag verantwoord beleggen uit. Het Verantwoordingsorgaan vindt dit een goede ontwikkeling.
Het Verantwoordingsorgaan verwacht van het bestuur dat het maatschappelijk verantwoord beleggen bevordert en toeziet dat het beleid correct en adequaat wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisaties, overeenkomstig de door OESO afgekondigde richtlijnen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO).
Kunt u hierbij tevens aangeven wat de uitkomst is van de discussie over het al dan niet naleven van de herziene OESO-richtlijn multinationale ondernemingen in de Werkgeversraad dan wel het Verantwoordingsorgaan van het ABP?4
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is inzake het initiatief van de Mozambikaanse overheid- gesteund door de Nederlandse ambassade en de Food and Agriculture Organization (FAO)- om samen met de investeerders en de lokale gemeenschappen te komen tot concrete en bindende afspraken over de investeringen?
Bent u bereid – gezien uw zetel in de Werkgeversraad en het Verantwoordingsorgaan van ABP – om de aanbevelingen in het rapport, onder meer over openbaarmaking, geschillenbeslechting en controlemechanismen, in te brengen in deze fora? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Bent u bereid om het controlemechanisme te baseren op de EU-richtlijnen voor mensenrechtenverdedigers?
Welke andere mogelijkheden heeft u om de transparantie over dergelijke investeringen c.q. beleggingsbeleid te bevorderen?
Het artikel “wie weet hoe hard je waar mag rijden” |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «wie weet hoe hard je waar mag rijden»?1
Ja.
Deelt u de mening van de VerkeersInformatieDienst dat op verschillende plaatsen in Nederland de snelheidsborden op de snelwegen niet de juiste, of op onduidelijke wijze snelheden aangeven? Zo nee, waarom niet?
In verband met de invoering van 130 km/h zijn er door Rijkswaterstaat voor
1 september circa 2 500 borden geplaatst. Vanaf 1 september kunnen weggebruikers met vragen en opmerkingen terecht bij het gratis nummer van Rijkswaterstaat (0800–8002). Rijkswaterstaat heeft de afgelopen weken mede op basis van de reactie van weggebruikers een inspectie uitgevoerd naar de plaatsing van de borden. Deze inspectie heeft geleid tot verbeteringen op circa 100 locaties. Het betreft situaties waarin de borden niet geheel conform het bebordingsplan zijn geplaatst danwel onduidelijk bleken voor de weggebruiker. Bijvoorbeeld een bord dat niet zichtbaar was door begroeiing of het ontbreken van een bord aan één zijde van de weg. Nieuwe meldingen worden door Rijkswaterstaat bekeken waarna de bebording eventueel wordt aangepast.
De bebording van de spitsstroken wordt ook verbeterd. Medio 2013 verwacht ik dat alle rotatiepanelen naast de spitsstroken zijn aangepast zodat de huidige bebording verwijderd kan worden.
Op hoeveel plaatsen en op welke locaties klopt de bewegwijzering op dit moment niet of is de bewegwijzering verwarrend voor de automobilist?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid gas te geven in de verduidelijking van de maximumsnelheden op de snelwegen en zo ja, kunt u toezeggen dat deze klus binnen twee maanden is geklaard? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om de ten onrechte opgelegde verkeersboetes door verkeerde bewegwijzering teniet te doen?
Vanuit het KLPD is de instructie dat iedere controleur voorafgaand aan elke handhavingsactie bekijkt of de bebording op het betreffende wegvak in orde is. Op het moment dat de bebording onjuist of onduidelijk is, wordt dit direct aan Rijkswaterstaat gemeld, die vervolgens de bebording aanpast. In zijn algemeenheid geldt dat als iemand meent ten onrechte bekeurd te zijn, hij bezwaar kan aantekenen bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie zal de zaak beoordelen en beslissen over de rechtmatigheid van de opgelegde sanctie.
Het handelsakkoord van de Europese Unie met Colombia en Peru |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u op 23 mei jl. met de Kamer sprak over onder andere het handelsakkoord tussen de Europese Unie (EU) met Colombia en Peru, waarbij met name werd gesproken over de relatie tussen de mensenrechtensituatie in Colombia en het vrijhandelsverdrag?
Ja.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om in het handelsakkoord met Colombia verplichtingen op te nemen aangaande de naleving van mensen- en vakbondsrechten, juist omdat in Colombia deze rechten regelmatig worden geschonden, bijvoorbeeld doordat mensen die een vakbond willen oprichten worden tegengewerkt en vakbondsleden regelmatig slachtoffer worden van geweld? Zo nee, waarom niet?1
Het is inderdaad belangrijk dat in het handelsakkoord met Colombia en Peru verplichtingen staan aangaande de naleving van mensen- en vakbondsrechten. Deze afspraken zijn vastgelegd in het akkoord in de vorm van een mensenrechtenbepaling en een volledig duurzaamheidshoofdstuk.
Welke juridisch bindende verplichtingen zijn in het handelsakkoord opgenomen om mensen- en vakbondsrechten te garanderen? Bent u van mening dat opname van deze verplichtingen de rechten van Colombianen en Peruanen voldoende kan garanderen? Zo nee, waarom niet?
Het handelsakkoord en dus ook iedere individuele bepaling is juridisch bindend voor de partijen die het verdrag ratificeren. In het verdrag zijn afspraken opgenomen over de naleving van fundamentele mensenrechten en over de promotie en effectieve implementatie van internationaal erkende arbeidsstandaarden, zoals vastgelegd in de fundamentele conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Hiermee wordt een positieve bijdrage geleverd aan de verdere bevordering van de arbeidsrechten en mensenrechten in Colombia en Peru. Voor meer gedetailleerde uitleg over deze afspraken verwijs ik u naar de kamerbrief (Kamerstukken II 2010/2011, 21 501-02, nr. 1066) van 30 mei 2011 die hier specifiek op in gaat.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is niet alleen verplichtingen aangaande mensen- en vakbondsrechten in het handelsakkoord op te nemen, maar ook concrete monitoring- en sanctiemechanismen op te nemen, die het mogelijk maken om naleving van de verplichtingen af te dwingen en gebrekkige naleving te sanctioneren? Zo nee, waarom niet?
In elk handelsakkoord worden afspraken gemaakt over monitoring van het akkoord en de beslechting van geschillen in geval van niet-naleving. In het akkoord met Colombia en Peru is voor wat betreft mensen- en vakbondsrechten voorzien in een stevig monitoringsmechanisme en in een geschillenbeslechtingmechanisme voor alle kwesties die zich voordoen onder het duurzaamheidshoofdstuk (zoals niet naleving van de ILO-conventies). Voor de details van deze mechanismen verwijs ik wederom naar de hierboven genoemde kamerbrief van 30 mei 2011. Daarnaast geldt dat de mensenrechtenclausule is aangemerkt als een «essentieel element» van het akkoord. Dit houdt in dat, wanneer deze clausule door verdragspartijen wordt geschonden, één van de partijen in het uiterste geval het akkoord geheel of gedeeltelijk eenzijdig kan opschorten.
Bent u bereid om over de mogelijkheden van opname van concrete monitoring- en sanctiemechanismen in het handelsakkoord tussen de EU en Colombia en Peru in gesprek te gaan met de Eurocommissaris voor Handel, Karel de Gucht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van dit overleg?
Het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Colombia en Peru is in maart 2011 geparafeerd, in juni dit jaar getekend door de EU, zijn lidstaten, Colombia en Peru en zal binnenkort naar de kamer worden verzonden voor de parlementaire goedkeuring in het ratificatieproces. Alle partijen, waaronder Nederland, hebben met de ondertekening hun steun voor het akkoord uitgesproken.
Het doden van kikkers voor consumptie |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van 2 oktober 2012 van het televisieprogramma De Wereld Draait Door (VARA)?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het programma de consumptie van kikkerbillen promoot?
De conclusie dat het programma de consumptie van kikkerbillen promoot, laat ik aan u.
Deelt u de mening dat het promoten van gruwelijkheden als deze, met receptwerking, niet tot het takenpakket van de publieke omroep behoort? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de omroep daarop aan te spreken?
De publieke omroep is zelf verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van haar programma’s. Dat is zo vastgelegd in de Mediawet.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet derhalve niet de noodzaak om de publieke omroep aan te spreken op de inhoud van het getoonde fragment.
Bent u bereid een wettelijk verbod in te stellen op de import en verkoop van kikkerbillen in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is niet voornemens een wettelijk verbod in te stellen op de import en verkoop van kikkerbillen in Nederland.
Enerzijds is er regelgeving die ziet op het welzijn van dieren bij het slachten of doden en regelgeving ter bescherming van diersoorten. Richtlijn nr. 93/119/EG van de Raad van de Europese Unie inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden2 schrijft voor dat er bij het slachten en doden voor moet worden gezorgd dat de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn of elk vermijdbaar lijden wordt bespaard. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat aan deze bepaling wordt voldaan. Hiernaast is in de Europese Unie Verordening (EG) nr. 853/2004 van kracht, houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong3.
Via de CITES-regelgeving en Flora- en faunawet is de handel van kikkervlees reeds voldoende gereguleerd. Een import- en handelsverbod op kikkerbillen instellen is derhalve niet nodig.
Anderzijds is een nationaal verbod op de import en verkoop van kikkerbillen in beginsel in strijd met het EG-verdrag en de WTO-regels.
Kunt u toelichten op welke schaal en op welke manier kikkers binnen Europa en Nederland worden gedood voor de humane consumptie? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
In Nederland zijn geen bedrijven waar kikkerbillen worden verkregen of bewerkt. Het houden van kikkers voor de productie van vlees is in Nederland niet toegestaan. De schaal en manier waarop kikkers elders in Europa worden gedood voor humane consumptie is niet bekend. Markten zijn vaak lokaal georganiseerd en er zijn weinig centrale informatiesystemen die gegevens hierover bijhouden.
Qua regelgeving in de EU verwijs ik u naar het antwoord onder vraag 4.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de schaal en de manieren waarop kikkers in Europa en Nederland worden gevangen en gedood ten behoeve van de humane consumptie en daarbij aandacht te besteden aan de effecten op het welzijn en op de beschermingsstatus van de kikkers? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris van EL&I is niet voornemens onderzoek te doen naar de schaal en de wijzen waarop kikkers in Europa worden gevangen en gedood ten behoeve van de humane consumptie. De bestaande regelgeving als aangeduid in het antwoord onder vraag 4 en de situatie in Nederland geven daar geen aanleiding toe.
Medische verzekeraars |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het programma TROSRadar van 1 oktober 2012 over medische verzekeraars?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere vragen over het artikel «Medische missers slecht vergoed»?2
Ja.
Wat is er sinds deze vragen feitelijk gebeurd opdat medische verzekeraars gedupeerden meer tegemoetkomen? Wat heeft dit concreet opgeleverd voor de gedupeerden? Waaruit blijkt dat? Hoe moeten deze verbeteringen gezien worden in het licht van de uitzending van TROSRadar?
Het artikel «Medische Missers slecht vergoed» verscheen enkele maanden voor de introductie van de Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (GOMA). De GOMA is in juni 2010 door de Letselschade Raad gelanceerd. De GOMA bevat aanbevelingen gericht op een betere afwikkeling van medische schade en openheid van de bij schadeafwikkeling betrokken partijen. Dit zijn schadeverzekeraars, artsen en belangenbehartigers.
Een optimale werking van de GOMA vereist inspanning van al deze partijen. Beide schadeverzekeraars (Centramed en Medirisk) hebben zich aan deze code gecommitteerd. Ook de Nederlandse vereniging van ziekenhuizen en de Nederlandse Federatie van universitair medische centra hebben zich in maart van dit jaar aan de code verbonden. De Letselschade Raad ziet toe op de naleving van de GOMA en geeft trainingen met betrekking tot de GOMA.
Mede naar aanleiding van de uitzending van TROSRadar hebben beide schadeverzekeraars aan mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangegeven kritisch naar de eigen organisatie te zullen gaan kijken. Zij hebben aangegeven alles op alles te zullen zetten om schades sneller en transparanter af te wikkelen.
Belemmert een mogelijke juridische aansprakelijkheid een eerlijk gesprek tussen patiënt en arts over eventueel gemaakte fouten? Welke rol speelt de verzekeraar hierin? Hoe zou het beter kunnen?
Een mogelijk juridische aansprakelijkheid mag een eerlijk gesprek tussen patiënt en arts over eventueel gemaakte fouten niet belemmeren. Een goed gesprek tussen patiënt en arts in een vroegtijdig stadium (voordat sprake is van een aansprakelijkstelling) kan juist bijdragen aan het vinden van een oplossing. De schadeverzekeraar komt pas in beeld op het moment dat er tot aansprakelijkstelling is overgegaan. De schadeverzekeraar is in die procedure de belangenbehartiger van de arts c.q. het ziekenhuis. Beide schadeverzekeraars (Centramed en Medirisk) geven aan waarde te hechten aan een goede verstandhouding tussen arts en patiënt en een open dialoog te ondersteunen.
Ik wijs hier op artikel 7:953 BW. Dit artikel bepaalt dat een door een verzekeraar in zijn polis opgenomen verbod tot erkenning van feiten nimmer gevolg heeft. Dit beoogt te garanderen dat de arts in alle openheid en in lijn met de WGBO over de feiten mag spreken.
Bent u op de hoogte van een werkwijze van medische verzekeraars, zoals die aan de orde is gekomen in de uitzending (dossiers kwijt maken, dreigen met langdurige procedures)? Zo nee, wat is uw mening over deze werkwijze nu u daar door middel van de uitzending wel op van op de hoogte bent gesteld? Zo ja, vindt u dit acceptabel?
Zoekgemaakte dossiers en dreigen met langdurige procedures acht ik niet acceptabel.
Desgevraagd geven beide schadeverzekeraars aan zich niet te herkennen in het beeld dat in de uitzending is geschetst. In algemene zin geven zij aan dat het niet uit te sluiten valt dat incidenteel een dossier kwijtraakt en dat zij er alles aan zullen doen om dit in de toekomst te voorkomen. Ook geven beide schadeverzekeraars aan geen belang te hebben bij langdurige procedures. Ik beschouw het dan ook als positief dat de Letselschade Raad met de GOMA inzet op betere afwikkeling van schade en openheid en dat de verzekeraars zich hieraan hebben gecommitteerd.
Wat is uw mening over de in de uitzending naar voren gebrachte houding van MediRisk dat het bij voorkeur niet wil uitkeren?
MediRisk heeft mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verzekerd dat MediRisk haar rol als schadeverzekeraar op een correcte wijze en met inachtneming van de GOMA uitvoert. Zoals ook blijkt uit de beantwoording op de vragen van het lid Bouwmeester van de PvdA (2012Z16624) heeft MediRisk aangegeven zich de kritiek zeer aan te trekken en alles op alles te zetten om meer vertrouwen van de patiënt te winnen.
Met deze uitspraken van MediRisk en de GOMA met daarbij de rol van de Letselschade Raad heb ik voor nu voldoende vertrouwen. Wij zullen de schadeverzekeraars en de Letselschaderaad nauwlettend volgen.
Bent u op de hoogte van de omstandigheid dat medische adviseurs van de verzekeraars in een aanzienlijk aantal gevallen niet bekend zijn bij de gedupeerde en/of zijn vertegenwoordiger? Vindt u dit wenselijk? Is het waar dat medische rapporten door medische verzekeraars worden vertaald door een jurist en dat het oorspronkelijke document van de medische adviseur niet wordt gedeeld met de gedupeerde? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de door u bepleite transparantie? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, wat is hier transparant aan en waarom moeten medische adviseurs van de verzekeraar geheim blijven?
Mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik vinden dat patiënten kennis moeten kunnen nemen van de inhoud van het medisch rapport, voor zover dit betrekking heeft op de gezondheid en de behandeling van de patiënt en verwijzen in dit kader naar de verzwaarde stelplicht. Op grond van de verzwaarde stelplicht dienen artsen in een juridische procedure over een medische fout de patiënt te voren van die informatie te voorzien, die de artsen ter beschikking staat om de stelling van de patiënt te weerleggen.
Het aansprakelijkheidsvraagstuk zelf vergt een juridische interpretatie van de inhoud van het medisch rapport. Desgevraagd geven beide schadeverzekeraars aan dat deze interpretatie wordt verricht door de jurist/schadebehandelaar van de medische verzekeraar. Hij kan daarbij worden ondersteund door een medisch adviseur. Het niet delen van de juridische interpretatie van het oorspronkelijke document van de medisch adviseur door de schadeverzekeraars behoeft als zodanig niet strijdig te zijn met de door ons gewenste transparantie, die ziet op de gegevens met betrekking tot de gezondheid en de behandeling van de patiënt. Desgevraagd hebben de beide schadeverzekeraars aan mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laten weten dat zij het geen probleem vinden om de naam van de medisch adviseur te noemen en ook beraden zij zich op dit moment over verdergaande transparantie ten aanzien van het medisch advies traject.
Bent u op de hoogte van de gedragscode waardoor letselschade binnen twee jaar behandeld moet zijn? Bent u van mening dat deze gedragscode voldoende bescherming biedt bij letselschade? In hoeveel gevallen (in %) wordt letselschade binnen de termijn van twee jaar afgehandeld? Vindt u dit percentage acceptabel?
Er zijn op dit ogenblik twee gedragscodes: de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) en de Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (GOMA). De GBL is van toepassing op schade die is ontstaan na bijvoorbeeld een verkeersongeval. In deze code wordt een termijn van twee jaren genoemd. De GOMA is van toepassing op «medische missers». Hierin wordt deze termijn niet genoemd. Het is nog te vroeg om conclusies te verbinden aan de werking van de GOMA. Ik zal de ontwikkelingen omtrent de GOMA nauwlettend volgen.
Centramed geeft aan dat de gemiddelde doorlooptijd van schadeafwikkeling op dit moment ongeveer twee jaar is. MediRisk geeft aan dat op dit moment 75% van de claims binnen twee jaren wordt afgehandeld.
Wat is uw mening over de constatering dat binnen drie maanden onderbouwde reactie op een klacht moet komen, maar dit nooit gebeurd?
Beide schadeverzekeraars hebben aangegeven dat sinds de invoering van de GOMA gewerkt wordt volgens de aanbevelingen. Indien niet binnen de termijn van drie maanden een standpunt kan worden ingenomen over de verwijtbaarheid dan geven zij dit gemotiveerd aan.
Wat is uw mening over de toezeggingen van de medische verzekeraars dat zij oudere dossiers versneld willen afronden en langlopende zaken willen vlot trekken? Hoe gaat u bereiken dat dit ook werkelijk gaat gebeuren?
Mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik vinden het goed dat beide schadeverzekeraars hebben aangegeven dat zij hun verantwoordelijkheid nemen met betrekking tot de langlopende zaken. Het is aan de schadeverzekeraars om dit ook daadwerkelijk te doen. Daarnaast ziet de Letselschade Raad toe op de naleving van de GOMA. Wij zullen dit nauwlettend volgen.
Wat vindt u van het voorstel dat tijdens de uitzending werd geopperd, namelijk dat de schade door een onafhankelijke partij moet worden vastgesteld? Kunt u iets doen met dit voorstel en wat gaat u daar mee doen?
Met de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) wordt een voorstel gedaan met betrekking tot schadevergoeding in het geval van medische schade. Op dit moment bezint mijn ambtgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zich over de Wcz, mede in het licht van de uitkomst van de rapporten Sorgdrager en Van der Steenhoven over de IGZ.
Discriminatie van vrouwen |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geen gelijke kansen: 18 jaar strijd tegen vrouwen discriminatie»?1
Deelt u de mening dat de ongelijke beloning van vrouwen en discriminatie van zwangere vrouwen momenteel belangrijke kwesties zijn op het gebied van vrouwendiscriminatie?
Kunt u bevestigen dat in de publieke sector vrouwen 6 procent minder verdienen dan vrouwen voor hetzelfde werk en dat dit percentage in het bedrijfsleven nog veel hoger ligt? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is?
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf om dit percentage omlaag te krijgen? Kan de overheid hier niet een actievere rol spelen dan op dit moment gebeurt? Zo ja, op welke wijze?
Hoe kijkt u aan tegen het voorstel dat de Sociaal-Economische Raad (SER) afspraken gaat maken over de gelijke beloning van vrouwen en mannen in gelijke functies?
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van de aanbevelingen die in maart 2012 zijn gedaan door de Commissie Gelijke Behandeling over het bestrijden van discriminatie van zwangere vrouwen?
Uit het onderzoek van de Commissie Gelijke Behandeling, die per 1 oktober 2012 is opgegaan in het College voor de Rechten van de Mens (CRM), is gebleken dat werkgevers en werknemers onvoldoende op de hoogte zijn van de rechten en plichten rondom zwangerschap en ouderschap op het werk. De aanbevelingen voor de overheid hadden daarom betrekking op voorlichting. De voorlichting zou zich enerzijds moeten richten op de rechten en plichten rondom zwangerschap en ouderschap en anderzijds op de mogelijkheden om discriminatie wegens zwangerschap te melden.
Naar aanleiding van de aanbevelingen van het CRM heb ik de website www.rijksoverheid.nl laten aanpassen om de reeds bestaande informatie over zwangerschap beter vindbaar te maken.
Tevens is de overheidssite voor werkgevers «Antwoordvoorbedrijven.nl» aangepast om daar bestaande informatie over ontslag en zwangere vrouwen aan te vullen.
Bij brief van 20 juni 2012, die ook aan de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verzonden, heeft het CRM kenbaar gemaakt dat de informatie over zwangerschap en ouderschap naar zijn mening onvolledig is en niet op een logische plek op de website staat. Ik ben daarop in overleg met het CRM getreden om de details over de voorlichting van de overheid nader te bespreken. Naar aanleiding daarvan onderzoek ik de mogelijkheden om op de rijksoverheidswebsite meer links te plaatsen tussen relevante websites over dit onderwerp. Daarbij zal ook het aspect van de meldingsmogelijkheden meegenomen worden.
Vindt u dat u met het plaatsen van informatie op rijksoverheid.nl voldoende tegemoet komt aan de aanbevelingen aan de overheid om vrouwen en werkgevers beter te informeren over de rechten en plichten rondom zwangerschap en moederschap op het werk en de mogelijkheden om discriminatie te melden? Wat is de mening van het Commissie Gelijke Behandeling (CGB) over de wijze waarop u uitvoering geeft aan deze aanbevelingen? Bent u bereid om werkgevers en vrouwen actiever te informeren over de rechten en plichten rondom zwangerschap en moederschap en de mogelijkheden om discriminatie te melden? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiertoe? Zo niet, waarom niet?
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aanbevelingen die de Commissie Gelijke Behandeling heeft gedaan aan werkgevers om discriminatie van zwangere vrouwen tegen te gaan? In hoeverre hebben werkgevers tot nu toe aangegeven deze aanbevelingen over te zullen nemen? Op welke wijze houdt u er toezicht op dat de aanbevelingen ook daadwerkelijk in de praktijk gebracht worden? Hoe staat het momenteel met de implementatie van de aanbevelingen?
Is er al overleg op gang gekomen tussen de sociale partners over dit onderwerp? Zo ja, wat is stand van zaken? Zo nee, waarom niet? Wat gaat u doen om dit te bevorderen?
Kunt u nader toelichten waarom de Nederlandse regelgeving volgens u voldoende bescherming biedt aan zwangere vrouwen op de werkvloer? Demonstreren de uitkomsten van het onderzoek van de CGB niet dat aanscherping van de regelgeving noodzakelijk is? Bent u bereid om de regelgeving op dit terrein door te lichten om na te gaan wat in dit kader de mogelijkheden zijn? Zo niet, waarom niet?
Bent u bereid om concrete beleidsdoelstellingen te formuleren op het gebied van gelijke beloning van vrouwen en discriminatie van zwangere vrouwen op de arbeidsmarkt? Zo niet, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kunnen deze doelstellingen gemonitord worden?
Het niet afpakken van misdaadgeld door justitie |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Justitie Breda laat tonnen aan claims tegen henneptelers vallen»?1
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vragen 4,5 en 7 van de leden Recourt en Kuiken (vraagnummer 2012Z16727, ingezonden 4 oktober 2012).
Is het waar dat ontnemingsvorderingen van het Openbaar Ministerie (OM) te Breda fors worden verminderd omdat achterstanden weggewerkt moeten worden en discussie over de ontnemingsvordering vaak tot vertraging leidt? Zo ja, waarom gebeurt dat op deze manier? Zo nee, waarom bestaat bij de advocaten wel deze indruk?
Zie antwoord vraag 1.
Gebeurt dit in meer arrondissementen? Zo ja, waar? Zijn de redenen van het niet afpakken van misdaadgeld hetzelfde?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt zich deze praktijk tot uw antwoord op eerdere vragen over het plukken van criminele winsten, waarin u stelde dat er forse ambities zijn om meer misdaadgeld van criminelen af te pakken?2
Misdaad mag nooit lonen. Het doel is en blijft om bij alle aangehouden hennepkwekers het genoten financiële voordeel af te pakken. De ambities om meer misdaadgeld van criminelen af te pakken blijven ook onverminderd van toepassing. Het verlagen van een ontnemingsvordering mag nooit plaatsvinden om discussies uit de weg te gaan of zaken versneld af te doen.
Bent u van mening dat er in Breda, maar ook op andere plaatsen, voldoende capaciteit en deskundigheid is bij de politie, OM en rechterlijke macht om misdaadgeld altijd af te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten? Welke capaciteitsuitbreidingen in de diverse organisatie-onderdelen zijn nog voorzien?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 6 van de leden Recourt en Kuiken (vraagnummer 2012Z16727, ingezonden 4 oktober 2012).
Ongeacht het antwoord op de bovenstaande vragen en los van de exacte omstandigheden in Breda, zou u het ten principale aanvaardbaar vinden wanneer de Plukze-vorderingen verminderd zouden worden, bijvoorbeeld om hierover discussie uit de weg te gaan, om zaken versneld af te kunnen doen of vanwege andere efficiency-overwegingen? Of deelt u de mening dat misdaad nooit mag lonen en dat het principieel onjuist zou zijn wanneer niet alles op alles zou worden gezet om het door criminele activiteiten verdiende geld volledig af te pakken? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit uitgangspunt ook in de praktijk te brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Gehoorschade bij de jeugd |
|
Joël Voordewind (CU), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Schade aan gehoor bij 93 procent van de discojeugd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat gehoorschade door te hoge volumesterktes in uitgaansgelegenheden een groot risico voor de volksgezondheid vormt, en dat dit op den duur aanzienlijke kosten voor de maatschappij met zich mee brengt?
Gehoorschade bij jongeren veroorzaakt door lawaai is een gezondheidsprobleem. Actuele cijfers over het aantal jongeren met vermijdbare gehoorschade door te harde muziek en de daarbij horende zorg- en maatschappelijke kosten zijn er niet. Om hier inzicht in te krijgen heb ik, samen met het ministerie van SZW, het RIVM gevraagd dit uit te zoeken. Medio 2013 verwacht ik de resultaten van dit onderzoek.
Kunt u een overzicht geven van de activiteiten die op dit moment door u worden ondernomen om gehoorschade als gevolg van harde muziek onder jongeren te beperken?
Via het preventieprogramma van ZonMw financiert het ministerie van VWS vanaf 2009 het project «preventie gehoorschade bij kinderen en jongeren». Dit project wordt uitgevoerd door de Nationale Hoorstichting en richt zich vooral op bewustmaking, beïnvloeding van gedrag en stimulering van zelfinzicht inzake vermijdbare gehoorschade bij kinderen en jongeren.
Deelt u de mening, gezien het feit dat het aantal jongeren met blijvende gehoorschade ieder jaar stijgt, dat het van groot belang is met een beleidsagenda gehoorschade te komen?
Ik deel uw zorg over jongeren die gehoorschade oplopen door te harde muziek, terwijl die gehoorschade in principe te voorkomen was geweest. Ik ben dan ook blij dat de muzieksector haar eigen verantwoordelijkheid neemt bij de preventie van gehoorschade door te harde muziek via onder andere het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector. Dit convenant is vorig jaar door de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals, de Vereniging Van Evenementen Makers en de Nationale Hoorstichting gesloten. Eind 2012 maakt de Nationale Hoorstichting een evaluatie van het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector. Ik zal op basis van deze evaluatie bekijken of de huidige aanpak werkt of dat er nadere actie nodig en gewenst is. Ik zal de muzieksector hierbij betrekken.
Deelt u de mening dat in een beleidsagenda een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling moet worden opgenomen, nu ons ook berichten bereiken dat het niet alleen om feesten, discotheken en clubs gaat waar jongeren in hun vrije tijd naartoe gaan, maar het ook om georganiseerde schoolfeesten gaat voor kinderen in de leeftijd 12 tot 18 jaar?
Zoals in vraag 4 verwoord, wacht ik eerst de evaluatie van het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieklocaties af. Op basis van deze evaluatie bepaal ik of nadere actie nodig en gewenst is. Hierbij zal ik de verbinding maken met het bredere leefstijlbeleid gericht op jongeren.
Deelt u de mening dat jongeren nog onvoldoende op de hoogte zijn van de gevolgen van gehoorschade, niet alleen op oudere leeftijd, maar ook op de kortere termijn; bijvoorbeeld als het om een carrière bij defensie of de politie gaat? In hoeverre worden jongeren hierop voldoende voorbereid?
De Nationale Hoorstichting heeft, mede met financiering van het ministerie van VWS, de afgelopen jaren vooral ingezet op het informeren, bewustmaken en het veranderen van risicogedrag van jongeren. Er zijn laagdrempelige hoortesten en lesmateriaal ontwikkeld, er is voorlichting gegeven op scholen en festivals en de Nationale Hoorstichting heeft artikelen in jongerentijdschriften geschreven. Daarnaast heeft de Nationale Hoorstichting met geld van het ministerie van VWS de veiligheid van mp3-spelers onderzocht en hier een website voor ontwikkeld. Kortom, er wordt al veel gedaan om jongeren bewust te maken van het risico op gehoorschade door te harde muziek.
Ondersteunt u het convenant dat de Nationale Hoorstichting vorig jaar sloot met koepelorganisaties voor poppodia en evenementen, en de proef met een keurmerk voor geluidsvriendelijke discotheken? Zo ja, wat kunt u eraan bijdragen om deze maatschappelijke initiatieven een succes te laten zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Vindt u ook dat, naast het wettelijk beschermen van personeel, uitgaanspubliek bescherming verdient tegen gehoorschade? Zo ja, bent u bereid de branche te stimuleren om de huidige goede voorbeelden te volgen en beleid te ontwikkelen om gehoorschade als gevolg van harde muziek te voorkomen?
De muzieksector neemt haar eigen verantwoordelijkheid bij het beschermen van het publiek tegen gehoorschade door te harde muziek via het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector. Het geluidsniveau is hierbij begrensd op 103 decibel en het publiek kan gehoorbeschermers kopen. Op deze manier kan de bezoeker zich zelf beschermen tegen te harde muziek.
Welke omstandigheden hebben er in Vlaanderen toe geleid dat daar vanaf 1 januari een maximale geluidslimiet van 100 decibel wettelijk is vastgelegd? Op welke wijze is dit besluit in Vlaanderen in de wet vastgelegd? Zou invoering van een dergelijke wet ook in Nederland een positief effect kunnen hebben, wanneer het convenant onvoldoende werkt?
In Vlaanderen is in 2009 het publieke debat over hoge geluidsniveaus in discotheken en festivals en de daardoor opgelopen gehoorschade bij jongeren begonnen. Aanleiding hiertoe was de zelfmoord van een 29-jarige Belg die niet kon leven met de gehoorschade (o.a. tinnitus) opgelopen door te harde muziek. De Vlaamse muzieksector zelf heeft aangestuurd op een juridisch kader en wetgeving. De geluidsnormen voor muziekactiviteiten zijn in de Vlaamse milieureglementering opgenomen. Ik wil nu nog niet vooruitlopen op de uitkomst van de evaluatie naar de effectiviteit van het keurmerk Oorveilig en het Convenant geluidsbeleid muzieksector. Op basis van deze evaluatie wil ik samen met de sector kijken of nadere actie nodig en gewenst is.
Het bericht dat Vlaanderen binnenkort de arbitrageprocedure over de ontpoldering van de Hedwigepolder wil starten |
|
Jaco Geurts (CDA), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een schets geven van het verwachte tijdpad van de geschillen- en arbitrageprocedure welke door Vlaanderen gestart gaat worden?1
Op grond van artikel 10 van het Verdrag over de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium moeten Nederland en Vlaanderen hun geschillen over de toepassing, de uitlegging of de uitvoering van dit Verdrag in de eerste plaats regelen door middel van onderhandelingen. Als zij daarin niet slagen binnen een termijn van zes maanden kan een van de partijen het geschil voorleggen aan een scheidsgerecht, dat wil zeggen een arbitragezaak beginnen.
Vlaanderen heeft de artikel 10-procedure op 22 mei 2012 in gang gezet en kan op 22 november 2012 besluiten tot arbitrage. Volgens de bijlage bij genoemd Verdrag dienen beide partijen vervolgens uiterlijk binnen een maand elk twee arbiters te benoemen, waarna de aldus benoemde vier arbiters uiterlijk binnen een maand een vijfde arbiter kiezen. Het verdere procedurele verloop van de arbitragezaak wordt in overleg met het aldus opgerichte arbitragetribunaal bepaald.
Neemt u in het overleg met Vlaanderen en de geschillenprocedure uw oorspronkelijke alternatief voor natuurherstel in de Westerschelde (Kamerstuk 30 862 nr. 48) als uitgangspunt?
Nee, de Europese Commissie heeft het oorspronkelijke alternatiefvoorstel van het kabinet (plan 17 juni 2011) niet aanvaard, daarom was destijds een nieuw voorstel nodig. Het huidige demissionaire kabinet heeft besluitvorming inzake de Hedwigepolder overgelaten aan het volgende kabinet. Daarnaast betreft de geschillenbeslechtingsprocedure enkel de toepassing, de uitlegging of de uitvoering van het Verdrag. De procedure omvat niet de politieke en ecologische beoordeling van alternatieven voor de verdragsrechtelijk bepaalde algehele ontpoldering van de Hedwigepolder
Is het waar dat de recente uitspraak van de rechtbank in Den Haag over de Hedwigepolder (LJN BX8921) onderstreept dat de regering een relatief grote beleidsvrijheid heeft als het gaat over natuurherstel in de Westerschelde?
Ja, er is een relatief grote beleidsvrijheid binnen de kaders van de EU-Vogel- en Habitatrichtlijnen.
Hoe gaat u deze beleidsvrijheid de komende tijd benutten?
Het huidige demissionaire kabinet neemt geen actie in dezen en heeft besluitvorming aan het volgende kabinet overgelaten.
Is het waar dat Rijkswaterstaat positieve resultaten boekt bij verschillende projecten met buitendijkse maatregelen en deze binnenkort zal presenteren?
Ik ben bekend met het onderzoek van RWS over flexibel storten van baggerspecie. Dit gebeurt echter niet in het kader van buitendijkse maatregelen (pakket natuurherstel Westerschelde), maar in het kader van mitigerende maatregelen met betrekking tot de derde verruiming van de vaargeul van de Westerschelde. Presentatie van de voorlopige resultaten van dat onderzoek heeft plaatsgevonden. Het is nog te prematuur om definitieve conclusies te trekken.
Bent u bereid deze positieve resultaten uit te dragen en daarop voort te borduren ten einde ontpoldering van de Hedwigepolder te voorkomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid uw antwoorden op deze vragen voor 11 oktober a.s. naar de Kamer te sturen?
Mijn bereidwilligheid hiertoe is ingehaald door de tijd.
Een banenmarkt is georganiseerd door de stichting Studie en Werken op Maat in samenwerking met het ministerie van BZK voor WO en HBO afgestudeerden met een beperking |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat er op vrijdag 28 september jl een banenmarkt is georganiseerd door de stichting Studie en Werken op Maat in samenwerking met het ministerie van BZK voor WO en HBO afgestudeerden met een beperking?1
Ja. De stichting heeft hiervoor een aantal grote werkgevers uitgenodigd, waaronder het ministerie van BZK. De uitnodiging was specifiek gericht op kandidaten met een Wajong, WIA of WSW-indicatie. Enkele dagen voor de banenmarkt trokken alle private werkgevers zich terug.
Om teleurstelling bij de kandidaten over het slechts aanwezig zijn van een werkgever (Rijk) te voorkomen, heeft het Rijk haar aanwezigheid op de banenmarkt «opgeschaald»: meerdere ministeries en diensten waren aanwezig. Eveneens is besloten geen kandidaten teleur te stellen (lees: bij de deur weg te sturen). Iedereen bleef welkom, óók mensen met handicap, zonder bedoelde indicatie.
Tot welke concrete resultaten heeft deze banenmarkt geleid, hoeveel afgestudeerden met een beperking hebben een (tijdelijke) baan en/of stageplaats aangeboden gekregen, uitgesplitst naar ministeries?
Er waren 46 kandidaten aanwezig. Met 27 kandidaten vinden vervolggesprekken plaats door de ministeries van BZK, EL&I, I&M en Financiën en de Algemene Rekenkamer. Ten aanzien van de 19 kandidaten die niet direct voor een vervolggesprek zijn uitgenodigd, wordt binnen het Rijk bekeken welke mogelijkheden er zijn. Hoeveel afgestudeerden uiteindelijk een (tijdelijke) baan of stageplaats krijgen aangeboden en daarop ook ingaan is nog niet bekend. Overigens worden ook gesprekken gevoerd met kandidaten (4) die wel een handicap maar geen formele Wajong-indicatie hebben.
Hoe groot is het percentage aangenomen afgestudeerden met een beperking, zonder wajong-uitkering in vergelijking tot aangenomen afgestudeerden met een wajong-uitkering?
Er wordt niet geregistreerd of men een beperking heeft. Registratie van beperkingen is op grond van de Wet bescherming Persoonsgegevens niet toegestaan. Een vergelijking is daarom niet mogelijk.
Het Rijk registreert op basis van ontvangen uitkeringen. Die gegevens worden versleuteld vastgelegd. Er is dus niet te zien wat de aard van de beperking is en evenmin op wie de beperking betrekking heeft, slechts dat een x aantal een Wajong-, WIA- of WSW-uitkering of vergoeding heeft.
Is bij de aanname van mensen met een beperking een onderscheid gemaakt tussen mensen met en zonder wajong-uitkering? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Er wordt bij het Rijk als werkgever geen onderscheid tussen gemaakt tussen het aannemen van mensen met een beperking, met of zonder Wajong-uitkering. Wel is het zo, dat uw Kamer een motie (Heijnen, TK 2007–2008, 31 444 VII, nr. 15) heeft aangenomen, die het Rijk verplicht om 1% van het personeelsbestand te laten bestaan uit mensen juist specifiek met een indicatie Wajong, WSW of WIA. Om deze taakstelling te concretiseren worden op deze doelgroep gerichte activiteiten ondernomen. Ondersteuning aan bedoelde banenmarkt maakte daar onderdeel van uit.
Welke criteria hanteren de verschillende ministeries bij de aanname van mensen met een beperking?
Er worden geen specifieke criteria gehanteerd.
Als het gaat om de invulling van bedoelde motie, wordt alleen geselecteerd op aanwezigheid van een Wajong, WSW- of WIA-indicatie. Niet dus op de beperking die ten grondslag ligt aan die indicatie.
Deelt u de mening dat hierbij bekeken moet worden of er daadwerkelijk een achterstand tot de arbeidsmarkt is door een beperking en dat het hierbij niet moet uitmaken of iemand een wajong-uitkering heeft of niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dit onderscheid wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Ja, de minister van SZW is hiertoe bereid.
Mogelijke besparingen door doelmatig gebruik van geneesmiddelen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het IMS rapport1 dat stelt dat wereldwijd 500 miljard dollar per jaar wordt verspild door verkeerd geneesmiddelengebruik? Wat is uw mening hierover?
Ja, ik heb het IMS rapport met veel interesse gelezen. Dit IMS rapport diende als technisch document bij de Ministers Summit dat 3 oktober jl. in Amsterdam plaats had. Het bedrag is opgebouwd uit de gegevens van een groot aantal landen over het gebruik van geneesmiddelen in de verschillende landen. Het rapport maakt duidelijk dat er nog veel te winnen valt. Het bedrag, een beargumenteerde schatting, moet men als volgt interpreteren. Verantwoorde toepassing van geneesmiddelen betekent dat er eerst een correcte diagnose gesteld moet zijn bij een patiënt, dat de behandelende arts het juiste geneesmiddel voorschrijft en dat de patiënt dit ook geleverd krijgt in de apotheek, in de juiste dosis en gedurende de vereiste tijd van behandeling, d.w.z. niet langer, maar ook niet korter gebruikt. Een goede registratie van het geneesmiddelengebruik is eveneens van belang. Samenwerking en betrokkenheid van arts, apotheker en patiënt zijn noodzakelijk om het bovenstaande te realiseren. Indien dit mogelijk wordt zullen er minder problemen ontstaan met de toepassing van geneesmiddelen. Er zullen minder bijwerkingen optreden, minder intoxicaties (door overdosering), minder onnodige ziekenhuisopnames tengevolge van onjuiste toepassing van geneesmiddelen. Indien patiënten de geneesmiddelen ook daadwerkelijk innemen gedurende de tijd dat dit zou moeten, kunnen we spreken van therapietrouw. Al deze factoren bij elkaar opgeteld zullen leiden tot een verbeterde gezondheid en uiteindelijk, naast de gezondheidswinst, een vermindering van zorguitgaven. Een verantwoorde toepassing van geneesmiddelen zal leiden tot een vermindering van de nadelige effecten van geneesmiddelen en een versterking van de gunstige effecten ervan. De uitgaven aan de geneesmiddelen zelf kunnen verminderen, gelijk blijven of zelfs toenemen, maar het uiteindelijke effect is gunstig zowel wat betreft de gezondheid van de individuele patiënt als ook het effect op de zorguitgaven in de totale gezondheidszorg.
Hoeveel kan naar uw mening in Nederland bespaard worden door de aanbevelingen van het IMS te implementeren?
Precieze cijfers zijn niet te geven. Puur technisch is een getal te berekenen dat het aandeel van Nederland weergeeft in het mondiale bedrag van 500 miljard. Ik vind dat niet zinvol. Een theoretische berekening dat er 6 miljard te besparen zou zijn in Nederland zegt mij weinig, daarvoor bestaan er toch nog teveel onzekerheden. We moeten oppassen voor te snelle conclusies en voor bedragen die met zichzelf op de loop gaan. Toch denk ik wel dat er – ook in Nederland besparingen zijn te verwezenlijken door de toepassing van geneesmiddelen – inclusief de therapietrouw – te verbeteren zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u van ieder van de zes aanbevelingen van het IMS aangeven in hoeverre deze in Nederland al onderdeel van beleid is? Op welke wijze gaat u de zes aanbevelingen van het IMS in Nederland verder in praktijk brengen?
Het IMS rapport doet vijf hoofdaanbevelingen, namelijk, 1) het versterken van de rol van de apotheker in het beheren van het gebruik van geneesmiddelen, 2) het gebruik maken van externe beoordelaars bij het evalueren van de kwaliteit van de beroepsbeoefenaren, 3) het verplicht melden van het gebruik van antibiotica door de verstrekkers van de antibiotica, 4) het bevorderen van gedragsverandering onder de beroepsbeoefenaren ten aanzien van het melden van fouten en problemen en 5) het ondersteunen van specifieke behandelingsprogramma’s voor hoogrisico patiënten die als doel hebben het tijdig starten van behandeling.
Ten aanzien van de eerste aanbeveling merk ik het volgende op. De apotheker heeft in Nederland een belangrijke functie. De apotheker is zorgverlener en heeft daarnaast een overzicht over welke geneesmiddelen zijn geleverd en in welke hoeveelheden aan de patiënten in het bestand. De apotheker oefent controle uit op de juiste dosering en op mogelijke interacties (in het geval van gebruik van meer dan één geneesmiddel) en op voorkomen van bijwerkingen. Sinds 1 januari van dit jaar zijn de tarieven voor apotheekhoudenden vrij gegeven en zijn er 10 prestaties benoemd die een apotheekhoudende kan leveren. Dit is gedaan om ruimte te creëren om de inkoop van zorgverzekeraars te gaan richten op het leveren van kwaliteit door apotheekhoudenden en niet puur op het draaien van productie. Ik ga er vanuit dat dit bijdraagt aan een sterkere rol van de apotheker in het beheren van het gebruik van geneesmiddelen.
Met betrekking tot de tweede aanbeveling is het volgende van belang. In het verlengde van deze aanbeveling, is sinds enige jaren door het ministerie van VWS de ontwikkeling zorgbreed van prestatie-indicatoren bevorderd die inzicht geven in de kwaliteit van de geleverde zorg. Op basis van deze informatie kunnen verzekeraars op basis van relevante kwaliteitsinformatie hun contracten afsluiten, zorgverleners zich onderling vergelijken en inzicht krijgen in mogelijk verbeterpotentieel en patiënten/verzekerden hun keuze baseren op de voor hen relevante uitkomsten op het terrein van kwaliteitsinformatie.
Zowel op het vlak van het functioneren van individuele zorgverleners, als op het vlak van het functioneren van instellingen, is het gebruikelijk gebruik te maken van externe beoordelaars bij het beoordelen van kwaliteit. Voor medisch specialisten is de visitatie door de wetenschappelijke beroepsvereniging daarvoor het instrument, voor instellingen betreft dat bijvoorbeeld de beoordelingen door de stichting HKZ (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector) en het Nederlands Instituut voor Accreditatie in de Zorg (NIAZ). Voor de openbare apotheker heeft VWS voor behoud kwaliteit van apothekers alleen een rol bij de BIG registratie. Alleen apothekers die de voorgeschreven opleiding hebben afgerond worden BIG geregistreerd. Vanaf 2012 geldt het stelsel van BIG herregistratie ook voor apothekers: om in register te blijven dienen zij in een periode van 5 jaar op hun deskundigheidsgebied 1 dag per week gewerkt te hebben. Daarnaast heeft de KNMP een privaatrechtelijk kwaliteitsregister voor openbaar apothekers waaraan een opleiding in combinatie met werk gekoppeld is.
Ten aanzien van de derde aanbeveling is het volgende van belang. In Nederland worden antibiotica uitsluitend op recept voorgeschreven, zowel intra- als extramuraal. Het beheer van de deze recepten valt onder de verantwoordelijkheid van de apothekers. Jaarlijks wordt het gebruik van antibiotica gepubliceerd in Nethmap (Rapport gepubliceerd op www.swab.nl). Voor het gebruik van antibiotica in de Nederlandse gezondheidszorg zijn richtlijnen opgesteld door de professionals. Het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) stelt deze richtlijnen op voor het voorschrijven van antibiotica door huisartsen en de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB) formuleert landelijke richtlijnen voor het gebruik van antibiotica in de ziekenhuizen. Het veld denkt na over de vraag hoe de behandelbaarheid van infecties bij patiënten ook in de toekomst gewaarborgd kan worden. Ook in de veehouderij wordt gewerkt aan verantwoord antibioticagebruik. Hierover is de Kamer schriftelijk geïnformeerd (Zie: Tweede Kamer, 29 638, nr. 104; Tweede Kamer, 29 638, nr. 105; Tweede Kamer, 29 638, nr. 106; Tweede Kamer, 29 638, nr. 124; Tweede Kamer, 29 638, nr. 125). Het gebruik van antibiotica in de veehouderij wordt door veehouders geregistreerd bij de Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit (SDA).
Ten aanzien van de vierdeaanbeveling is het bekend dat het melden van fouten en bijna fouten van groot belang is en bijdraagt aan de bewustwording van de professionals van het belang van patiëntveiligheid. Met betrekking tot bijwerkingen die hun oorzaak vinden in het product zelf, is als eerste adressant het Lareb in beeld. Patiënten en zorgverleners melden de bijwerking aan deze instantie. VWS heeft in 2008 de campagne ondersteund «Melden moet» waarbij het belang van het melden concreet onder de aandacht is gebracht in de ziekenhuizen. In 2011 heeft Lareb zelf een publiekscampagne gevoerd om patiënten aan te zetten tot het zelf melden van bijwerkingen van geneesmiddelen aan Lareb. Daarnaast zijn er ook bijwerkingen die optreden door onoordeelkundig handelen. Deze bijwerking ontstaat niet door de specifieke kenmerken van het product zelf, maar is gelegen in de onjuiste of ondeskundige toepassing van het middel. Ook procesmatige fouten in het zorgproces vallen hieronder. VWS heeft zorgbreed het belang van het melden van incidenten en bijna incidenten bevorderd, waaronder uiteraard ook het melden van medicatiefouten. Met betrekking tot dit specifieke onderdeel is sinds 2006 de Stichting CMR actief: deze stichting is van en voor zorgverleners en heeft primair tot doel risicovolle processen in de zorg op te sporen en door aanbevelingen aan het veld risico’s te reduceren. Over de vijfde aanbeveling merk ik op dat het ministerie van VWS geen concrete specifieke behandelingsprogramma’s voor hoogrisico patiënten ondersteunt. Deze rol ligt meer op het pad van de zorgverleners (bijvoorbeeld via de Academische Component ten behoeve van de UMC’s) en van de zorgverzekeraars.