Het bericht ‘Voortrekker Nederland blijkt fors achter te lopen met voorbereidingen Migratiepact’ en het daarin benoemde rapport van de Europese Commissie |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Voortrekker Nederland blijk fors achter te lopen met voorbereidingen Migratiepact» van Trouw en het daarin benoemde rapport van de Europese Commissie?1
Ja
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Europese Commissie dat Nederland achterloopt met de invoering van de migratie-afspraken uit het Europese Asiel- en Migratiepact (het Pact)?
Het algemene beeld dat wordt geschetst is dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt door alle lidstaten van de Europese Unie, ook door Nederland. Per bouwsteen wijst de Commissie op wat er goed gaat, en wat uitstaande acties en uitdagingen zijn richting de inwerkingtreding van het Pact in juni 2026.
Nederland ligt op schema om het Pact per juni 2026 te implementeren. De Commissie benoemt dat ook in meerdere onderdelen van het rapport. De Commissie noemt wel de Nederlandse opvangcapaciteit als aandachtspunt. Dat is niet nieuw. Om de opvangproblematiek aan te pakken zet het kabinet in op meerdere sporen, waaronder een vermindering van de instroom en het bevorderen van uitstroom en vertrek. Juist daarvoor biedt goede implementatie van het Pact, met name aan de buitengrenzen, handvatten.
Het succes van het Pact zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de mate van implementatie door alle lidstaten. Het kabinet is daarom blij met de voortgangsrapportage van de Europese Commissie waar in het nieuwsartikel aan wordt gerefereerd. Het is goed om te weten waar de lidstaten staan in hun traject, wat er goed gaat en waar de zorgen van de Commissie zitten. Nederland dringt er ook steeds op aan dit gesprek in Europa met elkaar te voeren.
Kunt u een toelichting geven op welke vlakken Nederland achterloopt op de invoering van het Pact en daarbij aangeven wat hiervan de oorzaak is geweest?
In de voortgangsrapportage geeft de Europese Commissie aan waar de Commissie en de lidstaten staan in het implementatietraject, wat goed gaat en waar lidstaten nog voor uitdagingen staan. Nederland wordt meerdere keren in het rapport genoemd, bijvoorbeeld als een van de drie lidstaten die reeds nationale wetgeving in voorbereiding van parlementaire behandeling heeft, als lidstaat die de adequate capaciteit voor de grensprocedure tijdig op orde heeft, en als lidstaat met best practicesvoor een efficiënt terugkeersysteem. Voor Nederland worden ook de uitdagingen in het Nederlands opvanglandschap specifiek genoemd. De Commissie ziet dat daar structurele oorzaken aan ten grondslag liggen, zoals de krapte op de woningmarkt. In de voortgangsrapportage spreekt de Europese Commissie over uitstaande acties en niet een tijdschema waar Nederland niet mee in de pas zou lopen.
Kunt u de tijdlijn «implementatie migratiepact Nederland 2025–2026» van een update voorzien aan de hand van vertragingen in het proces en deze de Kamer toesturen?
In antwoord op de motie van leden Rajkowski en Podt, die vraagt om periodiek geïnformeerd te worden over de stand van zaken rondom het Asiel- en Migratiepact, heeft u op 25 juni jl. een brief ontvangen over de voortgang van de implementatie.
Hoe gaat u als demissionair Minister zorgdragen voor de implementatie van het Pact?
De verordeningen van het Europees Asiel- en Migratiepact zijn per juni 2026 van toepassing. De implementatie gaat in deze demissionaire periode voortvarend door.
Kunt u toelichten op welke wijze Nederland momenteel invulling geeft aan de stelling van de Europese Commissie dat lidstaten hun daadwerkelijke opvangcapaciteit op orde moeten brengen, zodat zij beter kunnen inspelen op fluctuaties in migratiestromen? Kunt u daarbij ook ingaan op het structurele gebruik van nood- en crisisopvanglocaties?
Het COA zet zich dagelijks in om de opvangcapaciteit te vergroten. Daarin wordt nauw samengewerkt met het departement. Gelijktijdig zet het kabinet in op instroombeperkende en uitstroombevorderende maatregelen waarmee de noodzaak voor extra opvangcapaciteit op termijn vermindert. Het is al langer de doelstelling van het kabinet om het aandeel nood- en crisisopvanglocaties te reduceren. Daartoe wordt waar mogelijk ingezet op het langjarig duurzaam vastleggen van locaties bij nieuwe of verlenging van bestuursovereenkomsten. Bovendien zet het kabinet in op goede implementatie van het Asiel- en Migratiepact in de hele EU, ook aan de buitengrenzen. Met name de versnelde procedures voor kansarme asielverzoeken aan de buitengrenzen en een beter Dublin-systeem bieden handvatten voor het verminderen van migratie naar Nederland en op die manier ook tot vermindering van druk op de opvang.
In hoeverre acht u de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, die inzet op flexibele asielopvang en de mogelijkheid tot op- en afschalen van opvangcapaciteit, beter aansluitend bij de doelstellingen van het Europese Migratie- en Asielpact dan de voorgestelde Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel?
De visie beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen (hierna: de Uitvoeringsagenda) heeft rekening gehouden met het EU Asiel- en Migratiepact. De voorgestelde Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zijn eveneens in lijn met de Uitvoeringswet van het EU Asiel- en Migratiepact opgesteld. Alle drie de wetten zijn gericht op het ontlasten van de asielketen en het beperken van de instroom. De inzet op flexibel op- en afschalen, voortkomend uit de Uitvoeringsagenda flex, maakt het bovendien mogelijk efficiënt in te spelen op de benodigde opvangcapaciteit.
Vindt u het zorgelijk dat Nederland achterloopt met de implementatie van het Pact, terwijl het zich juist heeft gecommitteerd als testland om vroegtijdig ervaring op te doen met het invoeren en onderhouden van de veranderingen? Zeker nu deze test al voor het najaar van 2025 gepland staat?
In antwoord 2 heb ik uitgelegd dat Nederland op schema ligt. Met het oog op de gebrekkige naleving van de huidige EU-asielafspraken door meerdere lidstaten heeft Nederland zich in de onderhandelingen over het Pact sterk ingezet voor meer waarborgen voor de monitoring, handhaving en naleving van de nieuw tot stand gekomen wetgeving. Een van de resultaten daarvan is een nieuw mandaat van het Europees Asielagentschap om een monitoringsmechanisme op de toepassing van het EU-asiel acquis in te stellen, dat bijvoorbeeld ook de Commissie in staat stelt om – als uiterste middel – in te grijpen als een lidstaat zijn verplichtingen niet naleeft
Daarom heeft Nederland zich, samen met Estland, opgeworpen om met het Europees Asiel Agentschap (EUAA) het nieuwe monitoringsmechanisme van het agentschap uit te testen. EUAA doet dat op basis van het nu bestaande gemeenschappelijke Europese asielstelsel (GEAS). De bevindingen van deze pilot worden door de EUAA uitgewerkt en zullen met Nederland worden gedeeld in de vorm van bevindingen. De exercitie zal door het EUAA ook gebruikt worden voor de omvorming van het monitoringsmechanisme naar de Pact-wetgeving, waarna elke lidstaat eens in de vijf jaar gemonitord zal worden.
Hoe beoordeelt u de zorgen van verschillende partijen in reacties op de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel over de grote druk die de versnelde implementatie van deze wetten legt op uitvoeringsinstanties in het licht van het feit dat diezelfde instanties momenteel al achterlopen met de implementatie van de regels uit het Pact?
In de voortgangsrapportage van de Commissie staan enkele aandachtspunten voor de Nederlandse implementatie voor de komende periode, maar staat niet dat de Nederlandse uitvoeringsdiensten achter zouden lopen met de implementatie. Dat is ook mijn beeld. Zoals hieronder wordt toegelicht in het antwoord op vraag 10, zijn zowel de Uitvoerings- en implementatiewet EU Asiel- en Migratiepact als de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel prioritair voor het kabinet, elk vanuit hun eigen achtergrond.
Kunt u beamen dat de invoering van de regels met betrekking tot het Pact prioriteit zouden moeten hebben over het versnelde invoeringstraject dat voorgesteld wordt in de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel en uw antwoord van een toelichting voorzien?
Het Pact omvat een fundamentele wijziging van het Europese asielstelsel, onder andere door het versterken van de Europese buitengrenzen via het invoeren van een screening van vreemdelingen en een versnelde grensprocedure voor asielzoekers die afkomstig zijn uit landen met weinig perspectief op verblijf. De nieuwe regels moeten het Europese asielstelsel, inclusief het Dublinstelsel, beter laten functioneren en leiden tot onder andere meer grip op asielstromen naar de EU. De nieuwe regels gelden per 12 juni 2026. De tijdige invoering van de EU-wetgevingshandelingen van het Pact in het Nederlandse stelsel is dan ook een prioriteit van het kabinet. De nationale maatregelen uit de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel hebben eveneens prioriteit van het kabinet vanwege de noodzaak om de druk op het nationale asiel- en opvangstelsel zo snel mogelijk te verminderen. Beide wetgevende trajecten hebben dus vanuit hun eigen achtergrond prioriteit.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja
Het rapport ‘State of play on the implementation of the Pact on Migration and Asylum’ van de Europese Commissie |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «State of play on the implementation of the Pact on Migration and Asylum» van de Europese Commissie?1
Ja
Herkent u het door de Commissie geschetste beeld dat Nederland niet voldoet aan de verwachtingen betreffende opvangcapaciteit? Met hoeveel dient de opvangcapaciteit nog te groeien?
Het algemene beeld dat wordt geschetst is dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt door alle lidstaten van de Europese Unie, ook door Nederland. Per bouwsteen wijst de Commissie vervolgens op wat er goed gaat, en wat uitstaande acties en uitdagingen zijn richting de inwerkingtreding van het Pact in juni 2026.
Nederland ligt op schema om het Pact per juni 2026 te implementeren. De Commissie benoemt dat ook in verschillende onderdelen van het rapport. De Commissie noemt wel de Nederlandse opvangcapaciteit als aandachtspunt. Dat is niet nieuw. Om de opvangproblematiek aan te pakken zet het kabinet in op meerdere sporen, waaronder een lagere instroom. Juist daarvoor biedt goede implementatie van het Pact, met name aan de buitengrenzen, handvatten.
Het succes van het Pact zal in belangrijke mate afhankelijk zijn van de mate van implementatie door alle lidstaten. Het kabinet is daarom blij met de voortgangsrapportage van de Europese Commissie waar in het nieuwsartikel aan wordt gerefereerd. Het is goed om te weten waar de lidstaten staan in hun traject, wat er goed gaat en waar de zorgen van de Commissie zitten. Nederland dringt er ook steeds op aan dit gesprek in Europa met elkaar te voeren.
Hoe bent u van plan de opvangcapaciteit op te schalen en op welke termijn bent u van plan dit te bewerkstelligen, ook in het licht van de plannen om de Spreidingswet in te trekken en gemeenten die hierop reeds anticiperen?
Het kabinet zet primair in op het inperken van de nodige opvangcapaciteit door de instroom te beperken en de uitstroom te bevorderen. Daarnaast zet het kabinet in op zo veel mogelijk realisatie van de verdeelbesluiten in het kader van de Spreidingswet. Hierin wordt nauw samengewerkt met het COA. Tevens worden mogelijkheden gecreëerd om opvangcapaciteit breder in te zetten en deze om te klappen als huisvesting voor andere doelgroepen die woonruimte nodig hebben.
Herkent u het door de Commissie geschetste beeld dat Nederland niet voldoet aan de verwachtingen betreffende opvangcapaciteit voor asielzoekers met speciale behoeften? Met hoeveel dient deze capaciteit te groeien?
De Europese Commissie stelt dat de aanhoudende uitdagingen in Nederland ten aanzien van de opvang ertoe kunnen leiden dat er onvoldoende opvangcapaciteit is, met name voor kwetsbaren. Nederland werkt samen met alle ketenpartners aan voldoende reguliere opvanglocaties van goede kwaliteit, met bijbehorende voorzieningen, en het geleidelijk afbouwen van de noodopvang. De Opvangrichtlijn bevat minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de Europese Unie. Deze normen hebben betrekking op materiële opvangvoorzieningen, zoals huisvesting, voedsel, kleding, evenals immateriële voorzieningen zoals toegang tot gezondheidszorg, onderwijs voor minderjarige asielzoekers en toegang tot werk onder bepaalde voorwaarden. Nederland voldoet aan deze normen. Daarnaast dienen lidstaten rekening te houden met de situatie van kwetsbare personen. Er worden echter geen kwantitatieve doelstellingen voorgeschreven voor deze groep.
Wat is de reden dat u, in tegenstelling tot 22 andere lidstaten, nog geen noodplan bij de Commissie heeft aangeleverd?
Nederland heeft inmiddels een noodplan ingediend bij het Europees Asielagentschap en de Europese Commissie.
Kunt u aangeven of en welke andere complicaties en vertragingen er zijn opgelopen in de voorbereidingen op de implementatie van het Migratiepact?
De planning voor de implementatie van het Asiel- en Migratiepact is uiteengezet in het Nationaal Implementatie Plan (NIP) dat uw Kamer in december 2024 heeft ontvangen. Tevens heeft u recent, op 25 juni jl., een brief ontvangen waarin de voortgang van de implementatie is weergegeven. Tot nu toe is er geen aanleiding geweest om van het NIP af te wijken.
Deelt u de opvatting dat een zorgvuldige en volledige uitvoering van het Migratiepact naar verwachting meer effect zal hebben op de instroom dan nationale wetgeving?
Beide trajecten zijn van belang om meer grip te krijgen op migratie. Zo is het EU-Pact onder meer van belang voor het versterken van de Europese buitengrenzen door het invoeren van een screening van vreemdelingen en een versnelde grensprocedure voor asielzoekers die afkomstig zijn uit landen met weinig perspectief op verblijf. De nationale wetgeving is onder meer van belang vanwege de noodzaak om de druk op het nationale asiel- en opvangstelsel zo snel mogelijk te verminderen.
Kunt u aangeven hoe u gaat voorkomen dat vertraging en gebrekkige voortgang van de Nederlandse regering leidt tot vertraging of verslechtering in de Europese uitvoering van het Migratiepact?
De succesvolle implementatie van het Pact is afhankelijk van de gezamenlijke inzet van de lidstaten van de Europese Unie. Het is daarom van belang dat de voortgang van de implementatie inzichtelijk blijft en dat lidstaten onderling zowel successen als uitdagingen kunnen bespreken. Het kabinet waardeert daarom de voortgangsrapportages van de Europese Commissie en dat deze rapportages gehoor geven aan het verzoek van Nederland dat concrete voorbeelden van lidstaten worden benoemd. De voortgangsrapportages zullen gebruikt worden om vervolgacties en uitdagingen te blijven agenderen in de overleggen met Europese partners en tevens om uw kamer periodiek te informeren over de voortgang van de implementatie.
Hoe zijn de opmerkingen van de Commissie te rijmen met het positieve beeld dat door u tijdens de commissievergadering over de JBZ-Raad van 11 juni over de voortgang werd geschetst?
Het Europese Asiel- en Migratiepact vergt ingrijpende en grootschalige wijzigingen in de huidige werkprocessen van de Nederlandse migratieketen en de implementatietermijn is kort. Nederland ligt goed op schema om binnen de termijn gereed te zijn voor het inwerkingtreden van het Pact. De Europese Commissie wijst terecht op aandachtspunten, maar erkent ook de vooruitgang die is gemaakt, zeker ook door Nederland.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Eigenrichting zoals bij de grens bij Ter Apel mag niet op begrip kunnen rekenen van politici’ |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Eigenrichting zoals bij de grens bij Ter Apel mag niet op begrip kunnen rekenen van politici»?
Ja.
Kunt u beamen dat de acties van deze burgers in strijd zijn met de wet? Zo ja, kunt u toelichten waarom er niet op wordt getreden tegen deze overtredingen van de wet? Zo nee, kunt u toelichten waarom u het geen schending van de wet vindt?
Het is aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er sprake is van strafbare feiten. Dat is niet aan mij om te beoordelen.
De taak van grenscontrole is voorbehouden aan de autoriteiten die daartoe zijn bevoegd zoals de Koninklijke Marechaussee.
Deelt u de mening dat de acties van de burgers die eigenhandig «grenscontroles» uitvoeren in strijd is met grondbeginsels van de democratie, aangezien het monopolie voor dergelijke controles bij de overheid ligt en dat we op moeten treden tegen iedere vorm van eigenrichting?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het uitblijven van duidelijk optreden tegen wetsovertredingen, zoals eigenrichting door burgers, het risico met zich meebrengt dat het beeld ontstaat dat burgers boven de wet staan? En dat dit kan leiden tot een glijdende schaal met potentieel schadelijke gevolgen voor de rechtsstaat en de democratie? Zo ja, op welke wijze wordt hierop geanticipeerd?
We leven in een democratische rechtsstaat. Het staat eenieder vrij te demonsteren binnen de grenzen die de wetgever heeft gesteld.
Dat heeft de Minister-President in zijn interview in Tubantia van 10 juni jl. ook willen benadrukken. Het is echter geenszins de bedoeling dat het recht in eigen hand genomen wordt door «grenscontroles» uit te voeren. Het uitvoeren van grenscontroles is wettelijk voorbehouden aan autoriteiten, zoals de Koninklijke Marechaussee en is aan strenge nationale en Europese regels gebonden. Overigens merk ik op dat een demonstratie bestaat uit een actie van meerdere personen die gericht is op een gezamenlijke meningsuiting, een actie die vooral gaat om het uitoefenen van dwang valt niet onder de Wom.
Onderschrijft u de mening van de Minister-President, die stelde dat deze «grenscontroles» een vorm van demonstreren zijn? Zo nee, hoe verhoudt zich dit tot het uitgangspunt van eenheid van kabinetsbeleid? Zo ja, kunt u onderbouwen waarom deze acties gezien worden als demonstratie en hoe dit zich verhoudt tot het demonstratierecht en de oproepen van de burgemeesters?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete stappen zet u om deze eigenrichting tegen te gaan, in het bijzonder na de oproep van Duitsland om hiermee te stoppen?
De politie staat in nauw contact met de Koninklijke Marechaussee en de Duitse politie om de situatie aan de grens goed te blijven volgen en waar nodig op te treden. Ook de Koninklijke Marechaussee onderhoudt reguliere contacten met de Duitse grensautoriteiten waar het om binnengrenscontroles gaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ik heb dit zoveel mogelijk gedaan.
Hoe het demissionaire kabinet omgaat met de keuze voor mailcommunicatie in eigen beheer |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Demissionair de cloud in denderen: doe het niet»?1
Ja.
Wat geeft de rijksoverheid in totaal uit aan Microsoft-producten?2
In het notaoverleg «Wolken aan de horizon» d.d. 2 juni jl. is reeds toegezegd aan de Tweede Kamer een overzicht te bieden van de gecontracteerde hoeveelheid aanbestedingen die uiteindelijk door de ministeries via SLM Rijk goedgekeurd zijn. Dit onderzoek loopt.
Wanneer moeten alle departementen en overheidsorganisaties uiterlijk besluiten of zij wel of niet hun mailverkeer en gegevens in eigen beheer gaan nemen als de ondersteuning van Microsoft Exchange afloopt op 14 oktober 2025?
Departementen zijn zelf verantwoordelijk om te bepalen welke afwegingen zij maken rondom cloudgebruik. Dit dient plaats te vinden op basis van een gedegen risicoanalyse en het nemen van passende maatregelen. Zij nemen hierover besluiten binnen hun eigen mandateringsregelingen.
Hoewel de technische ondersteuning van bepaalde versies van Exchange stopt op 14 oktober 2025, heeft de leverancier al een nieuwere on-premise versie gelanceerd die wel ondersteund wordt.3
Feitelijk is de situatie dat alleen voor Microsoft Exchange 2016 en Microsoft Exchange 2019 vanaf 14 oktober 2025 geen support of beveiligingsupdates meer geleverd worden.
Ook zonder de door de leverancier aanbevolen upgrade door te voeren, zal de maildienst niet per 14 oktober ophouden met functioneren en gaat de maildienst ook niet automatisch uit eigen beheer. Voor blijvend betrouwbaar functioneren van de maildienst is een upgrade door Microsoft beschikbaar gesteld. Deze is bekend bij de dienstverleners van de Rijksoverheid.
Heeft de demissionaire status van het kabinet gevolgen voor besluitvorming van departementen over het wel of niet in beheer nemen van mailverkeer en gegevens?
Lopend beleid mag ten tijde van een demissionair kabinet worden uitgevoerd. Er zijn op dit moment bovendien geen zaken op digitaal terrein controversieel verklaard.
Welke departementen en organisaties zijn nu van plan om mailverkeer en gegevens in eigen beheer te nemen, welke hebben besloten dit niet te doen en welke moeten het besluit nog nemen?
Ten behoeve van de beantwoording van deze vraag is een uitvraag bij de grootste ICT-dienstverleners van de Rijksoverheid gedaan. Voor alle departementen geldt dat beheer van mailverkeer en gegevens nu en na 14 oktober volledig binnen een eigen on-premise omgeving plaatsvindt, behoudens de Ministeries van Economische Zaken (EZ), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Klimaat en Groene Groei (KGG), waar -ook na 14 oktober- sprake is van een hybride situatie.
Ook bij een groot aantal uitvoeringsorganisaties als DUO, Rijkswaterstaat en Dienst Justitiële Inrichtingen vindt beheer van mailverkeer en gegevens nu en na 14 oktober volledig binnen een eigen on-premise omgeving plaats. Dit geldt ook voor de Belastingdienst, Toeslagen en de Douane. Wel heeft de Belastingdienst in het Jaarplan 2025, dat uw Kamer op 11 december 2024 heeft ontvangen, aangegeven dat de Belastingdienst voornemens is om in 2025 de kantoorautomatisering naar Microsoft365 te migreren. De implementatie van de migratie is op dit moment nog niet gestart. De applicaties binnen de primaire processen voor de heffing en inning blijven draaien in hun huidige on-premise omgeving, op door de Belastingdienst zelf beheerde servers. De Belastingdienst volgt de recente (geo)politieke ontwikkelingen en doorloopt, in afstemming met CIO Rijk, een zorgvuldig besluitvormingstraject. Zodra er een definitief besluit is genomen, zal uw Kamer hierover worden geïnformeerd.
Kunt u, in het licht van de recente sancties richting het Internationaal Strafhof, aangeven of mailverkeer en gegevens binnen de justitiële keten in Nederland vanaf 14 oktober 2025 in eigen beheer blijven?3
Het kabinet is zich ervan bewust dat afhankelijkheid van een klein aantal techaanbieders voor digitale diensten zorgt voor risico's op het vlak van o.a. concurrentiepositie, digitale open strategische autonomie en continuïteit van dienstverlening. Om deze risico’s te mitigeren wordt in het kader van onder meer de vernieuwing van het cloudbeleid voor de (rijks)overheid gekeken naar mogelijkheden om cloudtechnologie op verantwoorde wijze in te zetten.
Ook binnen de Justitiële keten bestaat aandacht voor deze risico’s en maken organisaties in overleg met hun ICT-leverancier passende keuzes om deze te mitigeren. Zo wordt bij de Hoge Raad de email verzonden, ontvangen en opgeslagen op servers die in eigen beheer zijn en verbiedt het cloudbeleid van de rechtspraak het gebruik van de cloud voor primaire processystemen. Voor de bedrijfsvoering maakt de Rechtspraak gebruik van Microsoft Exchange Online.
De Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof zijn een specifieke maatregel voor een specifieke situatie en hebben geen inhoudelijke koppeling met onze nationale ICT-infrastructuur.
Wat zijn de politie, het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Rechtspraak en de Hoge Raad van plan te doen vanaf 14 oktober 2025? Worden deze organisaties eveneens kwetsbaar voor Amerikaanse sancties?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u bevestigen dat het Shared Service Center ICT (SSC-ICT) de migratie van 57.000 werkplekken van ambtenaren naar de Microsoft-cloud definitief niet doorzet en mailverkeer en gegevens zelf blijft beheren?
U bent per Kamerbrief reeds geïnformeerd over de geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland, waaronder de migratie van de werkplekken van SSC-ICT.5
Bent u bereid om, in lijn met de vele aangenomen Kamermoties die de digitale soevereiniteit van de overheid aanjagen, ervoor te zorgen dat alle departementen en overheidsorganisaties het goede voorbeeld van SSC-ICT volgen en gegevens in eigen beheer houden?
Departementen zijn zelf verantwoordelijk om te bepalen welke afwegingen zij maken rondom cloudgebruik. Dit dient plaats te vinden op basis van een gedegen risicoanalyse en het nemen van passende maatregelen. Zij nemen hierover besluiten binnen hun eigen mandateringsregelingen.
Kunt u toezeggen dat u en uw collega’s geen onomkeerbare stappen zullen zetten die de digitale afhankelijkheid van de Verenigde Staten (VS) doen toenemen, tenzij de Kamer anders besluit?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd moeten we als EU zelf meer verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Ik ben het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of een enkele marktpartij(en) ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Dit nemen wij momenteel mee in de aanscherping van het rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de beleidskaders voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet ik mij deze kabinetsperiode in voor het realiseren van een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten. Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldige afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de medio dit jaar verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit Overheid.
Bent u bereid om departementen en organisaties te helpen om mailverkeer en gegevens in eigen beheer te houden vanaf 14 oktober 2025, zodat de strategische afhankelijkheid van de VS niet groeit?
Zie de beantwoording van vraag 10. Voor het overgrote deel van de departementen en organisaties geldt dat zij dit al in eigen beheer hebben. De afweging om dit wel of niet zo te houden, is een departementale verantwoordelijkheid. De departementen nemen hierover besluiten binnen hun eigen mandateringsregelingen. CIO Rijk faciliteert het uitvoeren van goede risicoanalyses met beleid en handreikingen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en minstens één week voor het zomerreces beantwoorden?
De Kamervragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het kwalificeren van zelfuitgevoerde grenscontroles bij Ter Apel als demonstratie door de minister-president |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reactie van de Minister-President over de zelfuitgevoerde grenscontroles door burgers bij Ter Apel, waarin hij aangaf dat deze «een vorm van demonstreren» zijn?1
Ja
Bent u het eens bent met deze kwalificatie van de Minister-President en beschouwt u deze acties daadwerkelijk als een legitieme vorm van demonstreren? Waarom ja of nee?
Het staat eenieder vrij te demonsteren binnen de grenzen die de wetgever heeft gesteld. Dat heeft de Minister-President in zijn interview in Tubantia van 10 juni jl. ook willen benadrukken. Het is echter niet de bedoeling dat het recht in eigen hand genomen wordt door «grenscontroles» uit te voeren. Het uitvoeren van grenscontroles is wettelijk voorbehouden aan autoriteiten zoals de Koninklijke Marechaussee en is aan strenge nationale en Europese regels gebonden. Overigens bestaat een demonstratie uit een actie van meerdere personen die gericht is op een gezamenlijke meningsuiting. Een actie die vooral gaat om het uitoefenen van dwang valt niet onder de Wet openbare manifestaties.
Deelt u de zorg dat dergelijke uitspraken van het kabinet het risico op eigenrichting vergroten?
De zorgen en frustraties van sommige Nederlanders over het Nederlandse asielbeleid laten onverlet dat burgers niet het recht in eigen handen mogen nemen. Het uitvoeren van grenscontroles is voorbehouden aan autoriteiten die wettelijk bevoegd zijn, zoals de Koninklijke Marechaussee, en aan strenge regels gebonden. In dit land is er geen ruimte voor eigenrichting.
Hoe kijkt u naar de reactie van de politie en de gemeente Westerwolde, die aangaven dat het verboden is voor burgers om auto’s aan te houden op de manier waarop de politie dat doet en dat grenscontroles voorbehouden zijn aan de politie en de marechaussee?2 Deelt u deze opvatting? Zo ja, hoe rijmt u dit met de uitspraken van de Minister-President? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat het aan de lokale driehoek is om afwegingen te maken over lokale handhaving en over demonstraties? Zo ja, deelt u de mening dat het niet de plaats van de Minister-President is om te bepalen of er wel of niet sprake was van een demonstratie?
Het is de verantwoordelijkheid van de lokale driehoek, in het bijzonder de burgemeester, om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren en waar nodig in te grijpen. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel over te geven.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet deze acties, die direct de wet overtraden, bestempelt als demonstratie, terwijl dit kabinet andere vormen van protest die binnen de wet vallen soms streng wenst te reguleren of als openbare ordeverstoringen bestempelt? Wat betekent dit voor de consistentie van het beleid omtrent demonstraties en de geloofwaardigheid op dit onderwerp van het kabinet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u de discrepantie tussen het soms harde optreden tegen vreedzaam protest enerzijds en de goedkeurende reacties op zelfuitgevoerde grenscontroles die de wet overtreden anderzijds?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn volgens u de mogelijke gevolgen als het kabinet deze zelfuitgevoerde grenscontroles, die buiten de wet vallen, bestempelt als een vorm van demonstratie? Ziet u risico’s als deze interpretatie breder verspreid raakt?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Medische misstanden in Nederlandse gevangenissen. Ik kwam lopend binnen, en verliet de gevangenis in een rolstoel’ |
|
Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medische misstanden in Nederlandse gevangenissen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van soortgelijke casussen waarbij aan gedetineerden niet of niet tijdig medische zorg is verleend? Kunt u aangeven om hoeveel gevallen het gaat?
Ja.
Gedetineerden worden aan de zorg van de Staat (DJI) toevertrouwd en zij moeten er daarom vanuit kunnen gaan dat zij zich in een sociaal veilige omgeving bevinden en ook de (medische) zorg krijgen die zij nodig hebben. Ik neem alle signalen, zoals beschreven in het Misstandenboek, zeer serieus.
Zorgverlening blijft echter zowel binnen als buiten DJI mensenwerk, waarbij fouten gemaakt kunnen worden met soms zeer ingrijpende gevolgen. Uitgangspunten voor DJI zijn transparantie over eventuele fouten, het leren van fouten en het voor de toekomst zoveel als mogelijk voorkomen ervan. DJI maakt hierbij gebruik van instrumenten zoals die ook in de reguliere zorg worden gehanteerd. Voor een uitgebreide reactie op het misstandenboek verwijs ik naar de zevende voortgangsbrief ontwikkelingen gevangeniswezen2.
Ten aanzien van de vraag om hoeveel gevallen het gaat; dit aantal is mij niet bekend. Er vindt calamiteitenonderzoek plaats wanneer er sprake is van een calamiteit in de zorgverlening. In deze analyses wordt geen differentiatie gemaakt op het niet (tijdig) verlenen van medische zorg. DJI ontvangt analyses van de calamiteitenonderzoeken, die worden gebruikt om te leren en zo nodig verbeteringen door te voeren om toekomstige incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Tevens worden deze onderzoeken met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gedeeld.
Zoals ook aangekondigd in de hierboven genoemde brief heeft DJI het Misstandenboek aangeboden aan de IGJ. De IGJ is verantwoordelijk voor het toezicht op de medische zorg bij DJI.
Herkent u het beeld dat medische zorg in detentie wordt uitgesteld omdat de staat de verantwoordelijkheid overneemt van de zorgverzekeraar en daardoor «alles wat uitgesteld kan worden, uitgesteld wordt»? Zo ja, hoe wordt bepaald welke zorg «uitstelbaar» is?
Nee, dat beeld herken ik niet. Zorgprofessionals werken bij DJI volgens de beroepsnormen en kaders zoals die ook voor de medische zorg in de maatschappij gelden. Er is geen beleid dat DJI-artsen andere beroepsinhoudelijke medische afwegingen zouden moeten maken dan andere artsen.
In het Vademecum, dat elk jaar wordt opgesteld aan de hand van het basis zorgverzekeringspakket in de vrije maatschappij, beschrijft DJI welke (para) medische en mondzorg verstrekkingen geboden worden. Hierin staat dat de zorgprofessional een rol speelt in de kostenbeheersing van de gezondheidszorg binnen DJI. Dit kan de indruk geven dat zorgprofessionals het kostenaspect zwaarder mee laten wegen in hun oordeel om zorg te bieden dan dat zij buiten DJI zouden doen. Dat is echter niet het geval.
Net zoals in de vrije maatschappij is er een veelheid aan factoren die meespelen in de overweging van zorgprofessionals. De kosten- en doelmatigheidsaspecten van zorg zullen in het Vademecum worden verduidelijkt, volgens de lijn «deze overwegingen zijn hetzelfde als in de vrije maatschappij».
Hoe kan het dat gedetineerden soms meerdere dagen zonder noodzakelijke medicatie zitten of verkeerde medicijnen krijgen toegediend?
Vooropgesteld, ik betreur het ten zeerste indien dit zich voordoet. Gedetineerden moeten er vanuit kunnen gaan dat zij de medische zorg krijgen die zij nodig hebben.
Er is binnen elke penitentiaire inrichting een medische dienst, bestaande uit in ieder geval psychiaters, psychologen, artsen en justitieel verpleegkundigen. De apotheek zorgt ervoor dat de juiste medicatie en dosis in afgesloten medicijnzakjes per persoon worden geleverd. Verpleegkundigen zorgen ervoor dat de medicatie op de juiste afdelingen terecht komt. De PIW’ers reiken de voorverpakte medicatie uit. Zij hebben hiervoor een e-learning medicatietoediening gedaan. Hiermee zijn zij bekwaam om medicatie te verstrekken. Het verstrekken van medicatie is geen voorbehouden handeling die alleen door zorgprofessionals mag worden gedaan.
De medische diensten van de inrichtingen hebben daarnaast altijd toegang tot medicatie door middel van een noodvoorraad in de inrichting, de reguliere apotheek (kantoortijden) en dienstapotheek (buiten kantoortijden). Zo nodig kan met een spoedrit noodzakelijke medicatie snel vanuit de apotheek in de inrichting komen, ook in de avond en nacht.
Waarom worden gedetineerden die om medische hulp vragen niet direct in contact gebracht met een arts of verpleegkundige?
Gedetineerden hebben dagelijks toegang tot medische zorg. Gedetineerden kunnen hun zorgvragen indienen via zogenoemde sprekersbriefjes. Justitieel verpleegkundigen beoordelen de urgentie van een hulpvraag om te bepalen hoe snel en door wie iemand behandeld moet worden, zoals dit in een huisartsenpraktijk ook gebeurt. Zij plaatsen gedetineerden op het spreekuur van de zorgprofessional die het best passend is bij de zorgvraag. Dit kan de verpleegkundige zelf zijn, de huisarts of bijvoorbeeld de tandarts. Spoed- of acute zorg wordt direct verleend.
Tijdens kantooruren is de medische dienst altijd aanwezig in de PI. In de avond-, nacht-, en weekenduren is altijd een huisarts telefonisch bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. In deze avond-, nacht- en weekenduren dient de PIW’er/complexbeveiliger altijd de arts te bellen bij zorgvragen van gedetineerden. Indien er bijzonderheden zijn, geeft de medische dienst een nachtoverdracht mee aan de PIW’ers/complexbeveiliger.
Kunt u reflecteren op de poortwachtersfunctie van penitentiaire inrichtingswerkers (PIW), die zonder medische opleiding medicijnen verstrekken of beoordelen of een arts nodig is?
Een PIW’er of complexbeveiliger beoordeelt niet of een gedetineerde een arts nodig heeft. PIW’ers/complexbeveiligers dienen tijdens avond, nacht en weekenduren in het geval van een zorgvraag altijd de dienstdoende arts te raadplegen. Indien er bijzonderheden zijn, geeft de medische dienst een nachtoverdracht mee aan de PIW’ers/complexbeveiliger. Uit cijfers blijkt dat de arts tijdens de avond, nacht en weekenduren veelvuldig consulten op locatie houdt (enkele honderden keren per jaar per vrouweninrichting).
De PIW’ers reiken de voorverpakte medicatie uit en zien toe op inname. Zij hebben hiervoor de bovengenoemde verplichte e-learning «veilig omgaan met medicatie» gevolgd. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Hebben alle PIW'ers een cursus gehad om adequaat op te treden bij medische vragen? Hoeveel van de nieuwe medewerkers die het afgelopen jaar zijn aangenomen zijn hierop getraind?
PIW’ers en complexbeveiligers bellen bij medische vragen altijd de arts of schakelen met de medische dienst, zie ook het antwoord op vraag 6. Dit protocol is onderdeel van de basisopleiding. Executief personeel is opgeleid en bevoegd om levensreddende handelingen te verrichten in kader van Bedrijfshulpverlening (BHV).
Zijn er medewerkers die zonder het volgen van een cursus wél medicijnen verstrekken aan gedetineerden? Zo ja, hoe vaak komt dit voor?
Het volgen van een cursus voor medicijnverstrekking is verplicht. Tot het afronden van de e-learning is het voor een PIW’er niet toegestaan om medicatie uit te delen.
Acht u het wenselijk dat in de avonduren en weekenden geen medisch personeel aanwezig is en PIW's verantwoordelijk zijn voor medische zorg?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 is er in de avond-, nacht-, en weekenduren altijd een huisarts telefonisch bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. De PIW’er en complexbeveiliger belt altijd de arts bij zorgvragen van gedetineerden.
Herkent u het beeld dat klachten van vrouwelijke gedetineerden niet altijd serieus worden genomen? Wat wordt er gedaan om dit te verbeteren?
Dit beeld herken ik in zijn algemeenheid niet. Dat wil niet zeggen dat er geen verkeerde inschatting van klachten kan plaatsvinden door de zorgprofessional.
Een aantal zaken rondom de medische zorg kan zeker verbeterd worden, zoals opgenomen in de reactie op het Misstandenboek van Bureau Clara Wichmann in de zevende voortgangsbrief ontwikkelingen gevangeniswezen.3
Ik vind het zeer belangrijk dat klachten serieus worden genomen, van alle gedetineerden. De afgelopen periode is er meer aandacht geweest voor de positie van (jong)volwassen vrouwen in detentie. Zowel bij de herijking van de visie op het gevangeniswezen als bij de ontwikkeling van nieuwe behandel- en detentieconcepten door DJI zal de (vormgeving van) detentie van (jong)volwassen vrouwen een specifiek focuspunt zijn.
DJI zal zich met interne en externe partners herbezinnen over (jong)volwassen vrouwen in geslotenheid. Mede naar aanleiding van de verschillende rapporten die zijn verschenen op dit onderwerp, zoals het rapport van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) «ingesloten vrouwen in beeld» en het Misstandenboek van Bureau Clara Wichmann. Zoals hiervoor aangegeven, stuurt DJI het misstandenboek toe aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Gedetineerden kunnen zorgvragen indienen bij de medische dienst. Wanneer een gedetineerde een klacht heeft over het medisch handelen van een zorgverlener, dan volgt eerst een bemiddelingsgesprek met het hoofd zorg of een andere functionaris. Als dit gesprek niet tot een acceptabele uitkomst leidt, dan stuurt het hoofd zorg de klacht door naar de medisch adviseur (of tandheelkundig adviseur indien van toepassing). Als de gedetineerde het niet eens is met de uitspraak van de medisch of tandheelkundig adviseur, dan kan hij/zij in beroep gaan bij de RSJ. Een gedetineerde mag ook afzien van het bemiddelingsgesprek, dan wordt de klacht direct doorgeleid.
Als een gedetineerde een klacht heeft die gaat over de organisatie van zorg of toegang tot zorg, dan kan deze ingediend worden bij de Commissie van Toezicht. Ook hierbij geldt dat wanneer de gedetineerde het niet eens is met de uitspraak van de Commissie van Toezicht, hij/zij in beroep kan gaan bij de RSJ.
In hoeverre kunnen vrouwelijke gedetineerden op dit moment met medische klachten bij vrouwelijke PIW’ers terecht? Kunnen zij vragen naar een vrouwelijke medewerker als zij dat wensen?
Medische zorgvragen worden door PIW’ers direct bij medische dienst neergelegd.
Een diverse teamsamenstelling is een prioriteit voor DJI. Ook in vrouwengevangenissen streeft DJI naar een goede balans tussen mannelijk en vrouwelijk personeel. Hier wordt bij werving en selectie en samenstelling van de teams op gestuurd. Daarmee kan echter niet gegarandeerd worden dat er altijd een vrouwelijke PIW’er op de afdeling is.
Wanneer wordt beoordeeld of iemand detentieongeschikt is wegens medische klachten? Waarom gebeurt dit niet voorafgaand aan de detentie?
Indien specialistische zorg noodzakelijk wordt geacht verwijzen de huisarts, verpleegkundig specialist of tandarts van DJI naar de specialist. Als het vermoeden bestaat dat de benodigde zorg niet in of vanuit detentie kan worden gerealiseerd, kan de casemanager op verzoek van de medische dienst, de gedetineerde zijn/ haar advocaat of de medische dienst een detentiegeschiktheidsonderzoek of een strafonderbreking aanvragen.
Detentiegeschiktheidsonderzoeken kunnen ook voorafgaand aan detentie worden aangevraagd. Wanneer iemand nog niet gedetineerd is, kan deze persoon zelf een detentiegeschiktheidsonderzoek aanvragen.
Kunt u reflecteren op de druk op de bezetting in het gevangeniswezen en de verhoogde kans op fouten op onder andere medisch gebied? Is er een relatie tussen gevangenissen waar «code zwart» geldt en het aantal fouten dat wordt gemaakt?
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een verhoogde kans op fouten op medisch gebied als gevolg van de druk op de bezetting in het gevangeniswezen. Tijdens kantooruren is de medische dienst altijd aanwezig in de PI. In de avond-, nacht-, en weekenduren is altijd een huisarts telefonisch bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u in dit kader ook reageren op het eerdere standpunt van de directeur van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) dat «vrouwengevangenissen een tekortschietende kopie zijn van mannengevangenissen» en er meer rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van vrouwen in detentie?2
Verschillende rapporten, zoals van de universiteit Leiden5 en de RSJ6, laten zien dat detentie voor vrouwen te zeer een afgeleide is van detentie voor mannen en daarmee onvoldoende recht doet aan de specifieke kenmerken van vrouwelijke gedetineerden. Een meer fundamentele herbezinning is dus wenselijk. DJI is daarom een traject gestart om tot een herontwerp van detentie van (jong)volwassen vrouwen te komen. Zowel bij de herijking van de visie op het gevangeniswezen als bij de ontwikkeling van nieuwe behandel- en detentieconcepten door DJI zal de (vormgeving van) detentie van (jong)volwassen vrouwen een specifiek focuspunt zijn.
Het voornemen van de HZ Omer Moskee in Epe om vanaf 20 juni 2025 wekelijks een islamitische gebedsoproep te laten horen |
|
Geert Wilders (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de HZ Omer Moskee in Epe om vanaf 20 juni 2025 wekelijks een islamitische gebedsoproep ten gehore te brengen in de omgeving van de moskee?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat inwoners van Nederlandse dorpen zoals Epe – die daar niet om gevraagd hebben – worden geconfronteerd met een luidruchtige en onverdraagzame islamitische boodschap in hun eigen woonomgeving, terwijl het een feit is dat 60% van de Nederlanders vindt dat de islam niet bij Nederland hoort?2
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is een belangrijk grondrecht dat wordt beschermd in artikel 6 van de Grondwet. Tot deze vrijheid behoort ook het recht om op te roepen tot gebed. Het is niet aan ons om in individuele gevallen te oordelen over de manier waarop dit gebeurt. Tegelijkertijd erkennen wij dat een versterkte gebedsoproep bij sommige burgers tot gevoelens van ongemak kan leiden. Op grond van artikel 10 van de Wet openbare manifestaties is het aan het lokale gezag om regels te maken over duur en geluidsniveau van de gebedsoproep. Het kabinet onderzoekt of de bestaande regelgeving aanpassing behoeft. Zie voorts het antwoord op vragen 4 en 5.
Deelt u de mening dat een islamitische gebedsoproep – in het Arabisch en met religieuze inhoud – totaal niet te vergelijken is met het traditionele luiden van kerkklokken, dat cultureel is ingebed en geen verbale religieuze boodschap verspreidt? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan ons om de individuele beleving van burgers van een islamitische gebedsoproep te beoordelen. Zoals ook aangegeven in beantwoording op de vragen van de leden Flach en Eerdmans,1 is het feitelijk wel zo dat klokgelui en gesproken teksten verschillende soorten geluid zijn en ook verschillend ervaren kunnen worden. Juridisch gezien bestaat er ook enig verschil tussen klokgelui en de islamitische gebedsoproep, nu voor de islamitische gebedsoproep veelal gebruik wordt gemaakt van geluidsversterkende appratuur. Gebruikmaken van geluidsversterkende apparatuur voor een gebedsoproep valt, anders dan klokgelui, niet rechtstreeks onder de bescherming van artikel 6 van de Grondwet. Ook de versterkte gebedsoproep geniet echter constitutionele bescherming; gebruikmaking van geluidsversterkende apparatuur voor het oproepen tot gebed wordt gezien als een zogeheten connexrecht, dat in de jurisprudentie is ontwikkeld. Een eventuele beperking van zo’n connex recht – en dus ook van de versterkte gebedsoproep – is aan strikte voorwaarden gebonden. Zo mag een beperking geen betrekking hebben op de inhoud van de gebedsoproep of het recht op godsdienstvrijheid illusoir maken. De beperking moet voorts voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
Waarom heeft u tot op heden niets gedaan om islamitische gebedsoproepen in de publieke ruimte te verbieden of aan banden te leggen?
In het regeerprogramma is in de paragraaf over integratie en maatschappelijke samenhang opgenomen dat het kabinet betere regels wil voor versterkte oproepen tot gebed. De bevoegdheid om regels vast te stellen omtrent geluidsniveau binnen gemeenten ligt op basis van artikel 10 van de Wet openbare manifestaties bij het lokale gezag. Om te kunnen beoordelen hoe en zo ja, waar, de bestaande wet- en regelgeving wringt en waar verbetering noodzakelijk is, is recent een traject gestart.2 Binnenkort zal uw Kamer over de voortgang worden geïnformeerd.
Bent u alsnog bereid om in te grijpen en deze vorm van islamisering van Nederlandse wijken en dorpen landelijk te stoppen, bijvoorbeeld door een wettelijk verbod op islamitische gebedsoproepen in de openbare ruimte?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de burgemeester van Eindhoven alarm slaat over het antisemitisch geweld in Eindhoven |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de burgemeester van Eindhoven alarm slaat over het antisemitisch geweld in zijn stad? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ja. Het bewijst helaas dat een actief betrokken overheid bij de bestrijding van antisemitisme nodig blijft.
Kunt u aangeven hoe in het publieke en politieke debat vorm gegeven kan worden aan de door de Eindhovense burgemeester geuite hartenwens om onze gedeelde waarden zwaarder te laten wegen dan onze voorkeuren, achtergronden of overtuigingen? Welke rol ziet u hierin voor uzelf weggelegd?
Ik onderschrijf de uitspraak van burgemeester Dijsselbloem. Ik zie het als mijn taak en verantwoordelijkheid als Minister van Justitie en Veiligheid om me daar, in voorkomende gelegenheden, ook publiekelijk over uit te spreken. Lokale bestuurders kunnen wat dat betreft rekenen op mijn steun.
Wat is de stand van zaken in de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030? Bent u bereid om in overleg te gaan met (vertegenwoordigers van) burgemeesters of, en zo ja in hoeverre deze strategie burgemeesters de mogelijkheid geeft om invulling te geven aan hun verbindende verantwoordelijkheid?
Over de stand van zaken in de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 is uw Kamer onlangs per brief geïnformeerd.2 Concrete lokale maatregelen liggen bij het lokaal gezag, maar ik ben altijd bereid in gesprek te gaan met gemeenten over de aanpak van antisemitisme.
Kunt u aangeven hoe ingespeeld wordt op aangiften van deze en vergelijkbare delicten van antisemitische vernielingen, beledigingen en bedreigingen? Wat is bijvoorbeeld het ophelderingspercentage? Hoeveel aangiften leiden uiteindelijk tot een uitspraak van de strafrechter?
In algemene zin is het zo dat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie, waaronder strafbare feiten gericht tegen Joden vanwege hun godsdienst of discriminatie gericht tegen Joden als etnische groep, geprioriteerd is.
Dit betekent dat bij een aangifte het Openbaar Ministerie bij een haalbare en bewijsbare zaak in beginsel over zal gaan tot vervolging. In de artikelen 137c tot en met 137g en 429quater Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende discriminatiedelicten omschreven, zoals groepsbelediging en het aanzetten tot haat, geweld en discriminatie. Dit zijn de specifieke discriminatiefeiten.
Daarnaast is in de OM-Aanwijzing discriminatie het vervolgingsbeleid neergelegd gericht op de aanpak van discriminatie. Dit beleid ziet onder meer ook op commune delicten met een discriminatie-aspect. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een vernieling van een synagoge of het bedreigen of mishandelen van iemand omdat diegene Joods is. Bij deze delicten heeft het feit dat iemand Joods is als motief of aanleiding een rol gespeeld om het delict te plegen, of is het gebruikt om het delict indringender te plegen. Bij deze delicten is – net als bij andere commune delicten met een discriminatieaspect – het uitgangspunt van de strafvorderingsrichtlijn van het OM dat een strafverzwaring van 100% wordt toegepast in de eis van de officier van justitie. Vanaf 1 juli jl. is dit beleid ingebed in het nieuwe artikel 44bis Sr, waarmee een wettelijk verankerde strafverzwaringsgrond in het leven wordt geroepen.
Waar het de opvolging door onder andere politie en Openbaar Ministerie betreft, bieden de in april jl. gepubliceerde rapporten «Strafbare discriminatie in beeld 2024» van het Openbaar Ministerie en «Discriminatiecijfers in 2024» van de lokale antidiscriminatievoorzieningen, politie en enkele andere organisaties de meest recente gegevens. Daaruit kan opgemaakt worden dat er in 2024 bij de politie 880 incidenten onder noemer antisemitisme geregistreerd zijn. In 88 gevallen was sprake van bedreiging, er waren 78 bekladdingen, 7 incidenten waarbij mensen bespuugd zijn, zes gevallen van geweld, 36 keer geweld in combinatie met een discriminatoire uitlating, 8 pesterijen, 607 antisemitische uitlatingen, 37 vernielingen, 2 weigeringen en 11 overige, verder niet gekwalificeerde incidenten met antisemitisch aspect. Bij het OM is in datzelfde jaar 80 keer de discriminatiegrond antisemitisme geregistreerd voor specifieke discriminatiefeiten. Bij zogenaamde codis-feiten gaat het om 69 registraties. Codis-feiten zijn commune delicten, zoals vernieling, bedreiging of mishandeling, gepleegd met een discriminatoir aspect. Er zijn bij het OM in 2024 in totaal 37 feiten ingestroomd die in verband staan met het conflict tussen Israël en Hamas sinds 7 oktober 2023. Het ging hierbij om 11 specifieke feiten en 26 codis-feiten, waarvan in totaal 5 feiten werden gepleegd tijdens een demonstratie. In 31 gevallen ging het om gedragingen tegen of uitingen over (personen uit) Israël of met een Joodse afkomst. Hierbij is de discriminatiegrond antisemitisme geregistreerd. Omdat antisemitisme geen kwalificatie met een wettelijke grondslag is, is niet altijd te achterhalen in hoeveel gevallen een verdachte veroordeeld is vanwege het antisemitische karakter van zijn of haar gedraging.
Welke maatregelen neemt u zich voor om burgemeesters te faciliteren in het voeren van een effectief beleid voor het voorkomen en bestrijden van antisemitisme?
Vooralsnog is de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030,3 die samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) is opgesteld, leidend wat de inzet van het kabinet betreft. Deze bevat een aantal maatregelen met gemeenten als focuspunt. Te noemen zijn:
Ook in het belang van gemeenten is de voortzetting van de aanpak «Ons Voetbal Is Van Iedereen» (OVIVI) en «Onze Club Is Van iedereen» (OCIVI) van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met de KNVB en NOC*NSF en andere maatregelen gericht op het tegengaan van discriminatie en antisemitisme in de sport en dan met name rond professioneel voetbal.
Daarnaast heeft de gemeente Amsterdam, binnenkort gevolgd door gemeente Den Haag, het steunpunt Holocausteducatie opgericht waar docenten terecht kunnen met vragen over Holocausteducatie.
Afgezien van deze specifieke maatregelen staan burgemeesters en gemeenten verschillende, generieke door de overheid gecreëerde structuren bij, ingericht op het tegengaan van discriminatie en antisemitisme ter beschikking. Daarbij is te denken aan het reeds aangehaalde stelsel van antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s). Daarnaast zijn er binnen de politie ook structuren voor het tegengaan van discriminatie zoals het Expertise Centrum Anti-Discriminatie van de politie (ECAD-P) en – heel specifiek – het Netwerk Divers Vakmanschap waaronder ook het Joods Politie Netwerk.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, ben ik altijd bereid in overleg met gemeenten te treden over concrete maatregelen om de aanpak gericht op het tegengaan van antisemitisme, binnen en buiten het kader van de Strategie, verder te versterken.
Betrokkenheid van de rijksoverheid is niet voorwaardelijk aan het voeren van een effectief beleid gericht op het voorkomen en bestrijden van antisemitisme op lokaal niveau. Het staat gemeenten, binnen de bestaande juridische kaders, verantwoordelijkheden en bevoegdheden geheel vrij om naar eigen inzicht vorm te geven aan hierop gericht beleid.
De Nationale Crisisstructuur |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Is de Nationale Crisisstructuur momenteel actief?
Nee
In welke perioden is deze crisisstructuur actief geweest sinds september 2016? Kan de Kamer, per onderwerp («crisis») waarvoor de Nationale Crisisstructuur is geactiveerd de «reden van activering», de «periode van activering» en de namen van de personen of instanties die het besluit hebben genomen tot activering van de Nationale Crisisstructuur ontvangen?
Het Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) en het Nationaal Handboek Crisisbeheersing vormen het kader waarin afspraken over de inrichting en werkwijze van de nationale crisisstructuur zijn vastgelegd1. In een situatie waarbij de nationale veiligheid in het geding is of kan zijn, of die anderszins een grote uitwerking op de maatschappij heeft of kan hebben, kan het gewenst zijn dat de Rijksoverheid op politiek-bestuurlijk niveau zorgdraagt voor coördinatie van en besluitvorming met een spoedeisend karakter over het geheel van maatregelen, voorzieningen, voorschriften en handelingsperspectieven die in samenwerking met betrokken publieke en private partners met het oog op een samenhangende aanpak moeten worden getroffen. Veelal gaat het om situaties, waarbij de reguliere besluitvormingsstructuren en procedures niet toereikend zijn. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Reglement van orde voor de ministerraad bestaat daarvoor de MCCb die in de bedoelde situaties bijeengeroepen kan worden.
De Minister van Justitie en Veiligheid is coördinerend Minister voor crisisbeheersing en voorzitter van de MCCb tenzij de Minister-President beslist zelf voor te zitten. De MCCb wordt op hoog-ambtelijk niveau geadviseerd door de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb), voorgezeten door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). ICCb en MCCb vormen de kern van de nationale crisisstructuur. Iedere Minister of Staatssecretaris kan de Minister van Justitie en Veiligheid verzoeken de MCCb in vergadering bijeen te roepen. De Minister van Justitie en Veiligheid besluit over het verzoek in overeenstemming met de Minister-President, en na overleg met de Minister of Staatssecretaris die als eerste verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het verzoek betrekking heeft.
Het instellingsbesluit en het Handboek zijn beide eind 2022 herzien en geactualiseerd. Bij die herziening is in het Handboek de afspraak opgenomen dat de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd over het bijeenroepen van de MCCb.
De nationale crisisstructuur is sinds 2016 in zes situaties volledig, dat wil zeggen tot en met de MCCb, geactiveerd geweest.
Op 18 maart 2019 vond een tramaanslag plaats op het oktoberplein in Utrecht. Omdat het een aanslag betrof met een vermoedelijk terroristisch motief is na besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister-President de MCCb bijeengeroepen. Op 19 maart 2019 is in de MCCb besloten de nationale crisisstructuur te deactiveren.
Vanaf 9 maart 2020 was de nationale crisisstructuur actief voor de aanpak van het coronavirus. De MCCb is voor het eerst op 3 maart 2020 bijeen geweest. Het besluit tot inzet van de nationale crisisstructuur werd genomen door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister-President, na overleg met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De activering vond plaats vanwege de brede maatschappelijke consequenties van het coronavirus op het gebied van de volksgezondheid en de samenhangende sociale, financiële en economische effecten. Op 3 juli 2020 is de nationale crisisstructuur gedeactiveerd en de MCCb vervangen door een Ministeriële Commissie Covid-19 (MCC-19). De laatste MCCb vond plaats op 24 juni 2020.
In juli 2021 kampte de provincie Limburg met omvangrijke wateroverlast. De impact van de wateroverlast was enorm. Zowel op 15 juli als op 16 juli zijn de ICCb en de MCCb bijeengekomen. De verdere afwikkeling, waaronder de toepassing van de Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg op grond van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) vond plaats buiten de crisisstructuur.
Vanaf 9 maart 2022 is de nationale crisisstructuur actief geweest voor de opvang van ontheemden uit de Oekraïne. Het activeren van de structuur voor crisisbesluitvorming was noodzakelijk voor het op korte termijn kunnen samenbrengen van alle disciplines zoals huisvesting, zorg, onderwijs, werk en veiligheid. Per 10 mei 2022 is de nationale crisisstructuur gedeactiveerd en is overgegaan op een specifieke structuur voor Opvang ontheemden Oekraïne.
Vanaf 17 juni 2022 is de nationale crisisstructuur actief geweest om de doorstroom en uitstroom in de migratieketen te verbeteren. Activering van de crisisstructuur was noodzakelijk omdat de situatie in de gehele migratie-keten (in-, door- en uitstroom) zeer onder druk was komen te staan. Hierbij zijn bij herhaling mensen opgevangen in tenten en de buitenlucht. Deze situatie maakte het noodzakelijk om tijdelijk op hoog ambtelijk en politiek-bestuurlijk niveau coördinatie en besluitvorming ten aanzien van doorstroom in de migratieketen in te richten. Per 22 september 2022 is de nationale crisisstructuur gedeactiveerd en ging de coördinatie over naar een specifieke crisisstructuur.
Naar aanleiding van ontwikkelingen in het Midden-Oosten werd op 22 juni 2025 na besluit daartoe van de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister-President en na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken de MCCb bijeengeroepen. In de MCCb is besloten tot actieve ondersteuning van gestrande Nederlandse reizigers in de regio en om daarbij tot georganiseerd vertrek over te gaan.
Is de Kamer geïnformeerd over de activeringen sinds 2016? Zo ja, hoe en wanneer heeft dit plaatsgevonden?
Ja. Over de tramaanslag in Utrecht en de inzet van de nationale crisisstructuur is uw Kamer per brief geïnformeerd op 21 maart en 24 april 20192. Voorts heeft u een rapportage met een evaluatie van het functioneren van de nationale crisisstructuur naar aanleiding van de tramaanslag ontvangen3. Over de activering van de nationale crisisstructuur voor het coronavirus is uw Kamer per brief geïnformeerd op 13 maart 20204. Over de situatie rondom de wateroverlast in Limburg is uw Kamer per brief geïnformeerd op 16 juli 20215. Op 16 juli is ook een bericht op Rijksoverheid.nl geplaatst dat er crisisoverleg (MCCb) heeft plaatsgevonden6. Over de inzet van de nationale crisisstructuur voor de opvang van ontheemden uit de Oekraïne is uw Kamer per brief geïnformeerd op 8 maart 20227. Over de inzet van de nationale crisisstructuur voor de verbetering van de doorstroom in de migratieketen bent u per brief van 17 juni 2022 geïnformeerd8.
Over de besluitvorming in de MCCb naar aanleiding van ontwikkelingen in het Midden-Oosten over de ondersteuning van gestrande Nederlandse reizigers in de regio en om over te gaan tot georganiseerd vertrek bent u geïnformeerd per brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 juni 20259.
Worden er notulen gemaakt van de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) en de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb)? Zo ja, kunt u de notulen van deze vergaderingen die hebben plaatsgevonden aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zowel van de ICCb als van de MCCb wordt verslag gedaan inclusief een besluitenlijst, waarin de conclusies zijn opgenomen. De MCCb is een ministeriële commissie. Ten aanzien van hetgeen besproken wordt of geschiedt in de MCCb bestaat een geheimhoudingsplicht (zie artikel 26, eerste en derde lid, Reglement van orde van de ministerraad). Verslagen en besluitenlijsten van de MCCb worden niet openbaar gemaakt. De besluitenlijst van de MCCb wordt ter goedkeuring vastgesteld door de ministerraad. De besluitenlijst van de ministerraad wordt na afloop gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. De ICCb is, als voorportaal van de MCCb, een hoog-ambtelijke commissie. Verslagen en besluitenlijsten daarvan zijn vertrouwelijk en worden als regel niet openbaar gemaakt. In zijn algemeenheid is het zo dat uw Kamer langs reguliere lijnen wordt geïnformeerd over de besluitvorming die plaatsheeft in zowel ICCb’s als MCCb’s.
Naast Kamerbrieven zijn er vanwege de acute aard van de crisissituaties veelal ook persconferenties en nieuwsberichten op www.rijksoverheid.nl waarbij het algemene publiek wordt geïnformeerd.
Zijn het Nationaal Crisiscentrum (NCC), het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) momenteel operationeel? Zo ja, op welke thema’s richten het NCC en het NKC zich momenteel? Kunt u de vergaderverslagen van de periode januari 2022 tot heden met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC) zijn staande organisaties die niet alleen tijdens activeringen van de nationale crisisstructuur actief zijn10. Het NCC vervult permanent op 27/4 basis de functie van interdepartementaal coördinatiecentrum en knooppunt van en voor de informatievoorziening op nationaal niveau bij een (dreigende) crisis. Het ondersteunt de nationale crisisstructuur en betrokken partijen met informatiemanagement, kennis en voorzieningen. Het richt zich ook op preparatie (o.a. landelijke crisisplannen) en op beleidsvorming in het landelijke crisisdomein.
Het LOCC is onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en maakt deel uit van de nationale crisisstructuur. Het ondersteunt permanent hulpdiensten en crisisorganisaties bij bovenregionale incidenten, crises of rampen, of bij de dreiging daarvan. Het LOCC wordt bemensd door vertegenwoordigers van hulpdiensten en crisispartners zoals Politie, Brandweer, Defensie, GGD GHOR, veiligheidsregio’s en gemeenten.
De NCTV kent een staande afdeling Communicatie. Indien er sprake is van een (dreigende) crisis kan er een Nationaal Kernteam Communicatie worden ingesteld.
Het NCC en het NKC richten zich, afgezien van beleidsvorming en preparatie van crisisbeheersing in den brede op actuele thema’s als de weerbaarheid van de samenleving.
Zowel in als vanuit het NCC en het LOCC wordt veelvuldig overleg gevoerd. Dit behoort tot de dagelijkse gang van zaken van de organisaties. De uitkomsten hiervan worden betrokken bij dan wel leiden tot documenten die uw Kamer ontvangt in de vorm van Kamerbrieven, nota’s, rapportages etc.
Kunt u de vragen binnen drie weken en afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn binnen de zes weken termijn en afzonderlijk beantwoord.
Het artikel hoe de jacht op ‘verdachte’ inwoners in de armste wijken ontspoort |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Struycken , Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money waarin onderzoek is gedaan naar de aanpak van ondermijning in de armste wijken, zoals in Zaandam?1
Ja.
Kunt u in algemene zin reflecteren op de handelwijze van het interventieteam met de voorbeelden die in dit artikel worden genoemd?
In het hele land is de afgelopen jaren door nationale, regionale en lokale overheden gewerkt aan een sterke en brede aanpak van ondermijning door georganiseerde criminaliteit. Tegen ondermijnende criminaliteit wordt hard opgetreden, maar de waarborgen voor grondrechten van burgers mogen hierbij nooit in het geding komen. Het integrale interventieteam is onderdeel van de lokale gebiedsgerichte aanpak tegen ondermijning en valt onder de bevoegdheid van de burgemeester.
Desgevraagd heeft de gemeente Zaanstad aangegeven de signalen uit de publicatie van FTM ten aanzien van de communicatie en de interne werkwijze nader te onderzoeken op juistheid en achtergrond. De gemeente heeft daarnaast in juni 2023 een adviesbureau gevraagd om het interventieteam langdurig kritisch te volgen (effecten, systeem, werkwijze, lessen). Ook is in het voorjaar van 2025 aan een adviesbureau gevraagd om advies te geven over de effectiviteit van de Ondermijningsaanpak in Zaandam Oost, met in het bijzonder het samenbrengen van beleid en uitvoering. De uitkomsten van deze onderzoeken verschijnen deze zomer en worden betrokken bij het nadere onderzoek van de gemeente. Zaanstad geeft aan open te staan voor verbeteringen in haar cultuur, structuur en samenwerking als dat nodig blijkt te zijn.
Zaanstad heeft de inhoud van het artikel breed besproken. De bespreking met de raad vond plaats op 19 juni jl. De bespreking is terug te zien op de website van de gemeenteraad.2
Kunt u in algemene zin reflecteren op het woordgebruik van het interventieteam in de passages van de groepsapps van het artikel?
Ambtenaren dienen zich te onthouden van discriminatoir of anderszins denigrerend taalgebruik richting individuele burgers of groepen in de samenleving. Daarom is het goed dat de burgemeester van Zaanstad nader onderzoek doet naar het handelen van het interventieteam, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Kunt u reflecteren op de zorgelijke berichten dat ambtenaren zich gedwongen voelen om mee te doen aan de harde aanpak ten aanzien van ondermijning en criminaliteit in Zaanstad?
De inzet op de aanpak van ondermijning vanuit het lokale bestuur is van groot belang. Hierbij geeft het lokale bestuur haar eigen aanpak vorm binnen de lokale context en beziet wat lokaal nodig is.
Het is belangrijk dat iedere ambtenaar ruimte heeft om tegenspraak te bieden. In die gevallen dat er ongemak ontstaat over de inzet van organisatie of persoon en ambtenaren zich onvoldoende gehoord voelen, kunnen ambtenaren terecht bij de vertrouwenspersoon of integriteitscoördinator, dit is ook mogelijk in de gemeente Zaanstad. Daarnaast heeft de gemeente in reactie op de signalen uit het artikel twee medewerkersbijeenkomsten georganiseerd en medewerkers de expliciete uitnodiging gedaan om zich uit te spreken.
Op welke plekken wordt de onconventionele aanpak van interventieteams ondermijning op eenzelfde of soortgelijke wijze georganiseerd als in Zaandam?
Binnen de lokale aanpak van ondermijning door georganiseerde criminaliteit hebben meerdere gemeenten en regio’s integrale teams opgezet, die gezamenlijk cases oppakken en gezamenlijk huisbezoeken uitvoeren. Deze interventieteams werken in sommige gevallen samen onder het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (hierna: RIEC) in de bestrijding van georganiseerde en ondermijnde criminaliteit, zoals het interventieteam van Zaandam-Oost. De RIEC-deelnemers wisselen informatie- en gegevens uit op basis van de Wet gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden. Het RIEC levert op basis van die informatie en gegevens een interventieadvies aan het interventieteam. De instanties en organisaties in het interventieteam voeren zelfstandig of samen interventies uit binnen hun eigen wettelijke kaders.
Ook zijn er handhavingsinterventieteams van gemeenten die partners kunnen vragen om mee te gaan met huisbezoeken. Reden hiervoor is dat er sprake kan zijn van multi-problematiek op het gebied van zorg-, werk-, het sociaal- en veiligheidsdomein.
Kunt u aangeven waarom de behandeling van mensen per wijk verschilt en sommige wijken vaker worden gecontroleerd harder worden aangepakt? Is dat op zichzelf toegestaan en op welke grond? Vindt u dit wenselijk?
Alhoewel het reguliere sectorale beleid voor het overgrote deel van de Nederlanders in gemeenten en wijken toereikend is, zijn er ook verschillende wijken en gebieden die te maken hebben met een langdurige concentratie en stapeling van problemen op het gebied van onderwijs, werkloosheid, armoede (inkomen en schulden), gezondheid, de kwaliteit van de woon- en leefomgeving, veiligheid en criminaliteit en ondermijning, waardoor dit reguliere beleid onvoldoende is.3
In aanvulling op sectorale interventies is in deze wijken en gebieden een meer integrale aanpak – op meerdere terreinen tegelijk – nodig, zodat problemen van een gezin, wijk of buurt daadwerkelijk kunnen worden opgelost. Doordat omstandigheden in wijken verschillen, verschilt de aanpak ook.4 Daarom startte het vorige kabinet in 2022 het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Doel is een verbetering van de leefbaarheid en veiligheid van 20 kwetsbare gebieden.5
Deelt u de mening dat een verschillende aanpak per wijk ook bij voorbaat al resulteert in een ongelijke aanpak per persoon en dat dit ongewenst is?
Nee. In zijn algemeenheid is hier het volgende over te zeggen. Een ongelijke aanpak is soms te rechtvaardigen omdat de problematiek daar aanleiding toe geeft. In sommige wijken of gebieden kunnen meer delicten op het gebied van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit voorkomen dan in andere delen van een gemeente. Dan is het ook te rechtvaardigen dat hier extra aandacht voor is.
Erkent u dat een verschillende aanpak per wijk het grote risico met zich meebrengt van onjuiste data, in die zin dat als je bijvoorbeeld alleen controleert op fraude in armere wijken ook uit je dataset na verloop van tijd zal gaan blijken dát fraude zich meer of alleen voordoet in armere wijken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties moet dit volgens u hebben?
Nee. Monitoring en evaluatie is gebaseerd op zowel kwalitatieve als kwantitatieve data.
Zoals bijvoorbeeld de Leefbaarometer en het Dashboard zicht op wijken, waarin data landelijk met elkaar vergeleken wordt.
Onderzoekers en beleidsmakers dienen zich bij de analyse en duiding van dit soort data altijd bewust te zijn van de context waarin deze data zijn verzameld.
Omgekeerd werkt het ook zo, dat data zicht kunnen geven op waar problematiek zich concentreert en waar extra inzet helpend kan zijn. Zo geven cijfers van de concentratie van onderwijsachterstanden op scholen bijvoorbeeld aanleiding om extra in te zetten op kwaliteit en aanvullend aanbod, zodat ook de kinderen op deze scholen gelijke kansen krijgen.
Wat vindt u van de uitspraken van ambtenaren dat als deze aanpak in een villawijk had plaatsgevonden de gemeente advocaten op hun dak had gekregen maar dat het in de armere wijken wel kan omdat wordt vernomen dat mensen geen idee hebben welke rechten ze hebben?
De aanpak van ondermijning moet in alle gevallen en ongeacht in welke wijk(en) binnen de wettelijke kaders worden uitgevoerd. Op het moment dat het vermoeden bestaat dat dit niet het geval is, is het van belang dat door de gemeente (juridisch) getoetst wordt of (grond)rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Daarnaast is het van belang dat de toegang tot het recht voor eenieder laagdrempelig en dichtbij wordt ingericht, ook in de kwetsbare wijken. Juist om deze reden is het kabinet met het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) in contact met de 20 focusgebieden, waaronder Zaandam-Oost, om de toegang tot eerstelijns rechtshulp verder te verbeteren, zodat het bereik onder inwoners zo groot mogelijk is.
Wat vindt u van de geluiden dat er bij voorbaat vanuit wordt gegaan dat mensen crimineel zijn en dat er ook mogelijk sprake is van discriminatie in de aanpak in Zaandam?
Eenieder is onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Het uitgangspunt is dat inwoners van Nederland, en dus ook ambtenaren, zich dienen te onthouden van iedere vorm van discriminatie. De gemeente Zaanstad heeft aangegeven onderzoek te doen naar de werkwijze. Zie hiervoor ook het antwoord onder vraag 2.
Hoe worden de grondrechten van inwoners gewaarborgd? Wie ziet daarop toe?
Grondrechten, zoals het discriminatieverbod en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gelden voor iedereen die te maken heeft met de overheid in al haar hoedanigheden. Dat betekent dat ambtenaren grondrechten bij de uitvoering van hun werkzaamheden dienen te respecteren.
Wat vindt u ervan dat ambtenaren zich niet veilig voelden om een integriteitsmelding te doen ten aanzien van de harde aanpak op ondermijning?
Het is belangrijk dat ambtenaren zich vrij voelen om een integriteitsmelding te doen. Zie hiervoor ook het antwoord onder vraag 4.
Kunt u aangeven wat deze aanpak aan mensen en middelen kost, in Zaandam en in andere gemeenten, ook gezien het feit dat deze werkwijze wordt gefinancierd vanuit het Rijk?
Het bedoelde interventieteam wordt bekostigd met middelen van de gemeente Zaanstad en vanuit het Volkshuisvestingsfonds (bijdrage handhaving op woonoverlast en woonfraude) en – voor periode 2025–2027 – vanuit de Regio Deal ZaanIJ II, die loopt in Zaandam-Oost (en Amsterdam Noord en de gemeente Oostzaan). De Rijksmiddelen tellen op tot een jaarlijkse bijdrage van € 724.000 voor capaciteit (o.a. analisten, juristen, toezichthouders, handhavers), onderzoek en locatiehuur.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de werkwijze van het interventie team in Zaandam en alle interventieteams die dezelfde of soortgelijke werkwijze erop nahouden, of deze werkwijze juridisch houdbaar en überhaupt wel wenselijk is?
Het interventieteam valt onder de verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur. De gemeente Zaanstad heeft laten weten komende tijd zowel intern als extern onderzoek te doen naar de feiten en achtergrond van de signalen uit het artikel.
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Remco S. loopt nog altijd vrij rond in India na de moord op José’ |
|
Eric van der Burg (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Remco S. loopt nog altijd vrij rond in India na de moord op José»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Remco S. kan worden uitgeleverd aan Nederland zodat hij hier kan worden berecht? Zo ja, acht u dat wenselijk of stelt u het op prijs dat betrokkene in India wordt berecht en na veroordeling daar zijn straf uitzit?
Uw vraag ziet op een individuele zaak. Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In algemene zin merk ik op dat het land waar een feit gepleegd is primair rechtsmacht heeft. Voor een dergelijk feit gepleegd in het buitenland zou Nederland mogelijk rechtsmacht kunnen hebben mits er nog geen vervolging heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld wanneer een dader of slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit. Of uitlevering daadwerkelijk mogelijk is, hangt altijd af van de exacte feiten, omstandigheden, de juridische basis en nationale regelgeving, procedures en de inzet van een verzoekend land en een aangezocht land.
Is er diplomatiek contact geweest tussen India en Nederland over de zaak, en zo ja, wat heeft dat contact opgeleverd?
Over individuele consulaire zaken doet het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen mededelingen omwille van de privacy van betrokkenen. In algemene zin kan niettemin worden gesteld dat het ministerie nabestaanden en slachtoffers van misdrijven in het buitenland desgevraagd consulair ondersteunt. Het verlies van een dierbare door een geweldsmisdrijf in het buitenland is uiterst verdrietig en ingrijpend. Daar is consulair maatwerk op zijn plaats. Hoewel Nederland zich conform internationale afspraken niet kan mengen in een buitenlandse rechtsgang, kan het ministerie de betrokkenen wel steunen om een (lokale) advocaat te vinden die hen de benodigde juridische bijstand kan verlenen. Zowel de advocaat als de lokale autoriteiten, zoals de politie en het Openbaar Ministerie, beschikken over informatie om nabestaanden op de hoogte te houden van het verloop van een eventueel opsporingsonderzoek of een strafzaak. In voorkomende gevallen kan een Nederlandse post in contact treden met de advocaat van betrokkenen indien zij zulks verzoeken.
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van de Minister van Buitenlandse Zaken van eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Van Nispen (SP) over de nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India. Deze vragen werden ingezonden op 27 mei 2025 met kenmerk 2025Z08898 en zijn beantwoord op 2 juni 2025.
Hoe vaak is sinds de inwerkingtreding van het uitleveringsverdrag met India een verzoek aan India gericht en hoe vaak heeft India een verzoek tot uitlevering aan Nederland gericht?
Het uitleveringsverdrag tussen Nederland en India stamt uit 1898, destijds gesloten met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland. Dit verdrag is van toepassing verklaard bij de Briefwisseling tussen de Nederlandse en de Indiase regering inzake de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland tot uitlevering van misdadigers van 27 augustus 1971. Het aantal ingediende uitleveringsverzoeken is zeer gering. Met betrekking tot de doorlooptijd en het aantal afwijzingen kan ik geen verdere uitspraken doen.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een uitleveringsverzoek aan India en hoe vaak wordt een uitleveringsverzoek afgewezen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke stappen zijn de afgelopen jaren gezet om de informatiepositie van slachtoffers en nabestaanden te verbeteren, zodat zij periodiek worden geïnformeerd over de voortgang van zaken waarin is verzocht om uitlevering van een verdachte?
De officier van justitie informeert het slachtoffer bij diverse belangrijke momenten in een strafzaak, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, artikel 51ac. Als er sprake is van een verzoek tot uitlevering, kunnen slachtoffers daarover door de officier van justitie worden geïnformeerd, maar dit gebeurt niet standaard periodiek.
Uitleveringsprocedures kennen, net als in Nederland, in de regel diverse rechterlijke en niet-rechterlijke toetsmomenten en mogelijkheden tot beroep. Doorlooptijden van langer dan een jaar zijn dan ook niet uitzonderlijk. Nederland kan als verzoekende staat slechts zeer beperkt invloed hebben op procedures in het buitenland. Ook stelt de aangezochte staat de verzoekende staat niet altijd tot in detail op de hoogte van het verloop van de procedures. Indien er wel contact is met de aangezochte staat kan er sprake zijn van vertrouwelijke diplomatieke correspondentie. Daardoor kan niet altijd alle informatie met slachtoffers of nabestaanden worden gedeeld. In sommige gevallen wordt maatwerk toegepast als het gaat om het informeren van slachtoffers en nabestaanden. Dit alles is afhankelijk van de situatie en of de omstandigheden zich daarvoor lenen. Uiteindelijk staat het belang van het slagen van de uitleveringsprocedure voorop, om straffeloosheid te voorkomen.
Hoe wordt voorkomen dat een verdachte kan reizen met het paspoort van eeneiige tweelingbroer? Onder welke omstandigheden kan ook de eeneiige tweelingbroer worden gesignaleerd?
In algemene zin kan ik opmerken dat een signalering alleen mogelijk is met betrekking tot een individu dat wordt gezocht voor strafbare feiten.
Bent u bereid met de nabestaanden in deze zaak in gesprek te gaan mochten zij dat wensen?
Ik wil mijn medeleven betuigen aan de familie met het tragische verlies van hun geliefde. Contact met nabestaanden over informatie in individuele zaken loopt in principe via het Openbaar Ministerie.
Kunt u aangeven op welke termijn slachtoffers en nabestaanden van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven die zijn gepleegd buiten de Europese Unie in landen zoals India een tegemoetkoming kunnen krijgen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven en kunt u de Kamer hierover voor het commissiedebat over slachtofferbeleid op 18 juni 2025 informeren?
Alleen als het gewelds- of zedenmisdrijf in Nederland of aan boord van een Nederlands (lucht)vaartuig heeft plaatsgevonden, komen slachtoffers en nabestaanden in aanmerking voor een tegemoetkoming van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.2 Onder Nederland wordt ook verstaan de territoriale wateren van Nederland. Indien het misdrijf in het buitenland, zoals in de onderhavige casus in India, heeft plaatsgevonden, komen de slachtoffers en nabestaanden niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. In de derde Voortgangsbrief Slachtofferbeleid van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 15 april 2024 is melding gemaakt van de pilot Fonds Buitenland.3 Van 1 mei 2021 tot 1 april 2023 konden nabestaanden van Nederlandse geweldsslachtoffers, die als gevolg van het misdrijf in een financiële noodsituatie waren beland en niet in aanmerking kwamen voor andere financiële hulp, in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming van het Fonds Slachtofferhulp. De resultaten van de pilot zijn betrokken bij de verkenning om een proeftuin te starten bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor Nederlanders die in België en Duitsland slachtoffer zijn geworden van een geweldsmisdrijf. Inmiddels is duidelijk geworden dat een deugdelijke juridische basis hiervoor ontbreekt en dat daarvoor de wet Schadefonds Geweldsmisdrijven moet worden aangepast. De Staatssecretaris Rechtsbescherming is voornemens de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven te gaan herzien. In dat kader zal hij nogmaals kijken naar dit punt.
COA-locaties |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer een complete lijst doen toekomen met alle (reguliere en tijdelijke) COA-locaties waar asielzoekers worden opgevangen, zowel nu als in de toekomst (dus de beoogde opvanglocaties waarvoor met de gemeente een bestuursovereenkomst is gesloten maar die nog niet in bedrijf zijn ook graag apart vermelden op deze lijst)? Kunt u per locatie aangeven hoeveel asielzoekers er nu verblijven of in de toekomst gaan verblijven? Kunt u per locatie aangeven in welk jaar, voor bestaande locaties die al in bedrijf zijn, de locatie is geopend of, voor beoogde opvanglocaties, de bestuursovereenkomst tot stand is gekomen?
Op de website van het COA, staat een kaart van NL (COA - Locatiezoeker | www.coa.nl) met daarop alle opvanglocaties. In de bijlage bij deze vragen staat een meer gedetailleerde lijst1 met locaties, gemeenten en aantallen opvangplekken. Over toekomstige aantallen bewoners kan geen uitspraak gedaan worden. Tenslotte wil ik benadrukken dat het COA een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) is, en dat het Rijk bestuursovereenkomsten die gesloten worden door ZBO's en gemeenten niet openbaar maakt. De keuze om deze overeenkomsten openbaar te maken, ligt bij het ZBO en de betrokken gemeente zelf.
Hoeveel gerechtelijke procedures zijn er de afgelopen vijf jaar (uitgesplitst per jaar) aangespannen tegen (de komst van) asielzoekerscentra (van het COA)?
Na 2023 is er een scherpe toename in het aantal geregistreerde procedures tegen de komst van asielzoekerscentra. Dit is onder andere te verklaren met het feit dat COA sinds 2023 dergelijke procedures structureler op landelijke basis is gaan bijhouden. Ook de coronapandemie speelt een rol. Er kunnen dus geen conclusies op basis van deze aantallen worden getrokken.
Hoeveel juridische kosten heeft het COA de afgelopen vijf jaar (uitgesplitst per jaar) moeten maken voor de bovengenoemde procedures?
Het COA registreert juridische kosten niet op zaaksoort. Op de vraag welke kosten de afgelopen vijf jaar zijn gemaakt voor dit type procedure is daarom geen antwoord te geven.
Het tegengaan van buitenlandse beïnvloeding bij de verkiezingen |
|
Derk Boswijk (CDA), Inge van Dijk (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent op de hoogte van het bericht van RTL Nieuws «Desinformatie als wapen: Rusland mengt zich in verkiezingen in Polen en Roemenië»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Hoe reëel acht u de kans dat ook Nederland bij de aankomende verkiezingscampagne als doelwit zal worden gezien door andere staten voor hun grootschalige online desinformatiecampagnes?
Voorbeelden uit landen om ons heen laten zien dat verkiezingen doelwit kunnen zijn van (statelijke) actoren die democratische processen in Europa willen beïnvloeden of verstoren. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waarschuwen al langer dat ook Nederland doelwit kan zijn van statelijke inmenging.2 Daarom volg ik nationaal en internationaal de ontwikkelingen rond de weerbaarheid van verkiezingen op de voet en zet ik mij in om dreigingen te signaleren, tegen te gaan en waar nodig te mitigeren.
Is Nederland naar uw mening goed genoeg bestand tegen eventuele grootschalige buitenlandse online desinformatiecampagnes zoals bij de Roemeense presidentsverkiezingen?
Het kabinet werkt samen met de veiligheids- en ketenpartners samen om de effecten van desinformatiecampagnes tijdens verkiezingen tegen te gaan. Tegelijkertijd zijn ons kiesstelsel en het verkiezingsproces robuust. Mede door het pluralistische parlementaire stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat in principe minder kwetsbaar is dan een meerderheidsstelsel zoals het «winner takes all» stelsel waarbij er slechts één kandidaat of partij wint (bijvoorbeeld bij een presidentsverkiezing). Ook is het verkiezingsproces minder kwetsbaar voor digitale dreigingen doordat de kiezer met een papieren stembiljet stemt, dat vervolgens handmatig wordt geteld. Desondanks blijf ik scherp op mogelijke kwetsbaarheden in ons proces, in onze eigen context.
Recent heb ik uw Kamer een brief gestuurd over het tegengaan van risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces.3 Maatregelen betreffen onder andere het organiseren van verkiezingstafels met relevante (veiligheids)partners, het organiseren van een online veiligheidsbriefing voor gemeenteambtenaren, het bevorderen van het (online) publieke debat en het versterken van de weerbaarheid van politieke partijen. Ook gaat het kabinet desinformatie rond het verkiezingsproces tegen met de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.4
Met het oog op de geopolitieke ontwikkelingen en de reële dreiging tegen de nationale veiligheid wil ik eerder en beter zicht krijgen op de verspreiding van (buitenlandse) desinformatie gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond de verkiezingen. Hiervoor worden waar nodig nieuwe bevoegdheden of wettelijke grondslagen gecreëerd. Dit vraagt een zorgvuldige afweging. De benodigde nieuwe bevoegdheden of grondslagen zullen niet voor de Tweede Kamer verkiezingen van 2025 worden geïntroduceerd. Voor de aankomende verkiezingen wordt daarom binnen het huidige instrumentarium verkend welke extra inspanningen nodig zijn. Eventuele ervaringen van de NAVO-top worden hierin meegenomen. Om voorbereid te zijn voor volgende verkiezingen start ik de voorbereidingen voor het introduceren van nieuwe bevoegdheden en het creëren van grondslagen. Uw Kamer zal daarover in het najaar nader worden geïnformeerd.
Ten slotte laat ik verschillende onderzoeken uitvoeren. In september start een studie die, samen met de Europese Commissie, is uitgezet bij de OESO. Deze studie onderzoekt de wijze waarop andere Europese lidstaten detectie van buitenlandse desinformatie hebben ingericht en de eventuele mogelijkheden die dit biedt voor Nederland. De studie volgt op een eerdere ambtelijke verkenning van de Minister van BZ5 en sluit aan bij de voorbereidingen die het kabinet treft voor het introduceren van nieuwe bevoegdheden en het creëren van grondslagen om beter zicht te krijgen op de verspreiding van desinformatiecampagnes gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond de verkiezingen.6 Daarnaast laat het kabinet de impact van des- en misinformatie op de Nederlandse democratische rechtsstaat onderzoeken.7 Ik houd nauw contact met de onderzoekers om tussentijdse uitkomsten mee te nemen in de inzet voor het verbeteren van het zicht op desinformatiecampagnes.
Ook in Europees verband is er aandacht voor democratische en maatschappelijke weerbaarheid. Het voorstel tot het realiseren van een European Democracy Shield is hier onderdeel van en wordt nu uitgewerkt. Op basis van eerste gesprekken hierover is op te maken dat de onderwerpen verkiezingsintegriteit en het tegengaan van buitenlandse desinformatie onderdeel van het Shield worden.8 Ik onderschrijf de noodzaak van dit initiatief en steunt de Europese Commissie actief in het bevorderen en het faciliteren van Europese samenwerking ter bescherming van onze democratische processen.
Kunt u aangeven welke mogelijke gevaren van buitenlandse online desinformatiecampagnes voor de aankomende verkiezingen in Nederland op dit moment worden voorzien?
Online desinformatiecampagnes kunnen de integriteit van verkiezingskandidaten of politieke partijen schaden. Ook kan het verkiezingsproces worden ondermijnd door bijvoorbeeld de opkomst te beïnvloeden, of de integriteit van het verkiezingsproces in twijfel te trekken. Het kabinet onderkent deze gevaren en neemt daarom maatregelen om de effecten van desinformatiecampagnes tegen te gaan, zoals omschreven in vraag 3.
Heeft u inzicht in welke mogelijke onderwerpen door buitenlandse mogendheden als Rusland aangegrepen kunnen worden in online desinformatiecampagnes gericht op Nederland om te leiden tot onder andere polarisatie? Zo niet, bent u bereid om u hierop te oriënteren?
Rusland probeert westerse landen geregeld in een kwaad daglicht te stellen, westerse bondgenootschappelijke en maatschappelijke eenheid te ondermijnen en politieke besluitvorming en de publieke opinie te beïnvloeden. Dit gebeurt zowel heimelijk als openlijk en zowel in het digitale- als in het fysieke domein. Rusland weet hierbij opportunistische bestaande westerse maatschappelijke thema’s en grieven aan te grijpen voor beïnvloedingsoperaties9. Daarom is het van belang dat het publieke debat in Nederland goed functioneert en burgers toegang hebben tot transparante informatievoorziening. Een goed geïnformeerde samenleving is niet alleen veerkrachtiger, maar ook beter in staat om kritisch en verantwoord te handelen. Het kabinet neemt verschillende maatregelen om het publieke debat te bevorderen, bijvoorbeeld via de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.10 Daarnaast wil ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 3, met oog op de geopolitieke en technologische ontwikkelingen eerder en beter zicht krijgen op de verspreiding van desinformatiecampagnes gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond verkiezingen. Daarvoor worden waar nodig nieuwe bevoegdheden of wettelijke grondslagen gecreëerd. Uw kamer zal daarover nader worden geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke maatregelen er momenteel al zijn om buitenlandse (online) desinformatiecampagnes zoals bij de Roemeense presidentsverkiezingen tegen te gaan? Welke rol spelen de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en de inlichtingendiensten hierin?
Het kabinet beschikt over een combinatie van verschillende instrumenten om de weerbaarheid van verkiezingen tegen buitenlandse inmenging en ongewenste beïnvloeding te waarborgen, zoals omschreven in vraag 3. Zo gaat het kabinet, onder mijn coördinatie, de ondermijnende impact van desinformatie tegen via de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.11 Bij deze aanpak is, naast andere departementen, ook de NCTV betrokken vanuit haar coördinerende rol op nationale veiligheid, in het bijzonder de aanpak statelijke dreigingen. Wanneer desinformatiecampagnes door statelijke actoren de nationale veiligheidsbelangen schaden, zorgt de NCTV voor een gecoördineerde afgestemde opvolging en inzet van instrumentarium. Ook nemen de verschillende veiligheidspartners deel aan de verkiezingstafels.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. In dat onderzoek kan ook worden gestuit op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van verkiezingen, of het verspreiden van desinformatie. Als dit het geval is zullen de diensten partners voor wie dit relevant is informeren, zodat deze hiernaar kunnen handelen. Een voorbeeld hiervan is dat de Nederlandse inlichtingendiensten in juni 2024 hebben geholpen om een Russische digitale beïnvloedingscampagne te verstoren, die was gericht op het beïnvloeden van het Amerikaanse publieke debat.12
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie Krul/Ceder waarin verzocht werd om mogelijke aanscherpingen van de digitaledienstenverordening (DSA) te onderzoeken en daarmee ook een DSA 2.0 voor te bereiden? Kunnen deze aanscherpingen ertoe leiden dat online platforms makkelijker kunnen worden aangesproken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om meer te doen tegen desinformatie?2
De DSA is sinds 17 februari 2024 volledig van kracht. Mogelijke aanscherpingen dienen te worden gebaseerd op nieuwe inzichten en evaluatie van de wet. De eerste evaluatie van de verordening dient de Europese Commissie uiterlijk 17 november 2027 te hebben afgerond. Dat is het eerste moment waarop er mogelijk een voorstel tot herziening komt. Dat is ook het moment om te bezien of de DSA effectief is gebleken in het aanpakken van de verspreiding van desinformatie via online platformen en eventueel moet worden aangescherpt.
Ter voorbereiding op de evaluatie onderhoudt het Ministerie van Economische Zaken doorlopend contacten met andere lidstaten (incl. gelijkgestemde lidstaten), maatschappelijke organisaties, toezichthouders, bedrijven en andere ministeries, om te begrijpen hoe de uitvoering van de DSA en het toezicht daarop verloopt en wat er beter kan of moet. De informatie en signalen die dit oplevert zullen vanzelfsprekend worden gebruikt in het kader van het evaluatieproces. Daarbij zal het Ministerie van Economische Zaken uiteraard de samenwerking zoeken met gelijkgestemde lidstaten.
Bent u ervan op de hoogte dat Zweden een «psychological defence agency» heeft opgericht met het oog op onder andere het tegengaan van desinformatie? Bent u bereid om met een voorstel te komen hoe we dit in de (nabije) toekomst ook in Nederland vorm kunnen geven?
Ik ben op de hoogte van de Zweedse «Psychological Defence Agency» en sta met hen in contact over (mogelijke) dreigingen en het uitwisselen van ervaringen. Naast Zweden zijn er ook andere gelijkgezinde partners die beschikken over soortgelijke instrumenten voor de detectie van statelijke informatieoperaties. Zo heeft Frankrijk bijvoorbeeld VIGINUM. Daarom start, zoals omschreven in antwoord 3, in september een onderzoek naar de wijze waarop andere Europese lidstaten detectie van buitenlandse desinformatie hebben ingericht en de eventuele mogelijkheden die dit biedt voor Nederland.
Bent u bereid om een bewustwordingscampagne op te zetten in aanloop naar de verkiezingen om te wijzen op de gevaren en het bestaan van buitenlandse desinformatiecampagnes op sociale media? Zo niet, waarom niet?
Ik ben bereid om meer publiekscommunicatie op te zetten rond desinformatie tijdens verkiezingen, aanvullend op reeds bestaande campagnes, zoals www.elkestemtelt.nl. Daarnaast kijk ik naar reeds bestaande initiatieven en hoe ik deze kan ondersteunen zodat zij een beter bereik hebben tijdens de verkiezingen.
Bent u bereid om verdere aanvullende maatregelen te nemen voor de aankomende verkiezingen? Zo ja, welke?
Ja, dat ben ik. Maatregelen om dreigingen voor het verkiezingsproces tegen te gaan worden doorlopend tegen het licht gehouden. Zoals aangegeven in antwoord 3 en in de Kamerbrief tegengaan van risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces14 werk ik uit welke extra inspanningen nodig zijn om eventuele dreigingen tijdig te signaleren en te mitigeren. Eventuele ervaringen van de NAVO-top worden hierin meegenomen. Ook ben ik in gesprek met politieke partijen om gezamenlijk te kijken wat partijen kunnen doen om hun digitale weerbaarheid te vergroten.
De politiebegroting |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Digitalisering zet politiebegroting onder druk: «We moeten keuzes maken»»?1
Ja
Wat is de uitkomst van de doorlichting van de huishouding van de politie die de korpschef op meerdere terreinen heeft laten houden?
De politie heeft een Taskforce Ombuigingen ingesteld die de knelpunten in de politiebegroting en oplossingsrichtingen in kaart heeft gebracht. Uit de doorlichting van deze Taskforce blijkt dat de financiën van de politie onder druk staan.
Staat de politie naast de financiering van de IT-infrastructuur nog voor andere financiële uitdagingen? Zo ja, welke zijn dat en over welke bedragen gaat het dan?
In het 1e halfjaarbericht 2025 politie heb ik dit toegelicht. De politie heeft een Taskforce Ombuigingen ingesteld, die de knelpunten in de politiebegroting en oplossingsrichtingen in kaart heeft gebracht. Dit is breder dan alleen Informatievoorziening en betreft ook financiële knelpunten op de terreinen personeel en huisvesting.
De initiële doorlichting van de politie liet een aanzienlijke opgave zien (oplopend tot circa € 800 mln. structureel). De politie heeft deze opgave zelf teruggebracht door keuzes en financieel-technische maatregelen die de taakuitvoering van de politie niet raken. De financiële restproblematiek bedraagt daarmee in 2026 tientallen miljoenen en loopt op tot structureel ongeveer € 300 mln. vanaf 2030.
Deze € 300 mln. bestaat ten eerste uit hogere, onvermijdbare kosten voor het politiepersoneel die worden gemaakt vanuit goed werkgeverschap. Het betreft onder meer de vangnetregeling voor veilig en gezond werken en uitgaven in verband met arbeidsongeschiktheid. Daarnaast ontbreekt structurele dekking voor afspraken die rond doorstroombeleid voor operationeel personeel zijn gemaakt in de politie-cao en de dekking voor enkele andere posten, waaronder screening door de AIVD en functieherwaardering voor de heimelijke opsporing.
Ten tweede lopen de kosten voor informatievoorziening (IV) en digitalisering sterk op. De kostenstijgingen zijn voornamelijk het gevolg van een toename in dataverbruik, noodzakelijke investeringen in cybersecurity, kostenstijgingen van IV-contracten en de groei van beheerlasten. Niet alleen bij de politie is sprake van een dergelijke toename aan kosten, ook bij ministeries, taakorganisaties en agentschappen nemen de IV-uitgaven fors toe. Ondanks kostenbesparende maatregelen, is het bestaande budget niet toereikend om de politie op het vlak van IV en digitalisering toekomstbestendig te houden door middel van noodzakelijke vernieuwingen.
Ten derde is er sprake van hogere huisvestingskosten, in het bijzonder als het gevolg van wettelijke verplichtingen op het vlak van verduurzaming.
Tot slot is er bij de politie sprake geweest van meerdere taakstellingen, als gevolg van overheidsbrede taakstellingen.
Hoeveel bedraagt het tussen 2026 en 2029 oplopend exploitatietekort bij de politie? Waardoor wordt dit tekort veroorzaakt?2
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt dat exploitatietekort opgeheven?
De korpschef en ik zijn in gesprek met de gezagen over het financiële tekort bij de politie. Als Minister van Justitie en Veiligheid moet ik op grond van artikel 34 van de Politiewet 2012 een begroting voor het komende begrotingsjaar vaststellen.
Omdat er vanaf 2026 een resterend financieel tekort van tientallen miljoenen ontstaat, moet de korpschef reeds in 2026 beheersmaatregelen treffen om de politiebegroting sluitend te krijgen. De korpschef zal de operationele slagkracht ontzien bij het oplossen van het financiële tekort voor 2026. Zo zullen de basisteams (gebiedsgebonden politie en opsporing) in 2026 buiten beschouwing worden gehouden. Ook wordt in 2026 niet getornd aan de instroom in de basispolitie opleiding.
Het past mij als demissionair Minister van Justitie en Veiligheid niet om verstrekkende, meerjarige besluiten te nemen. Tegelijkertijd zal de korpschef de komende periode vanuit haar beheersverantwoordelijkheid voorstellen moeten voorbereiden om de politiebegroting meerjarig te sluiten, in lijn met de Strategisch Agenda politie 2025–2030 «Stevig staan in deze tijd». De gezagen zullen worden betrokken bij het voorbereiden van deze voorstellen, teneinde deze in de politiebegroting 2027 te kunnen implementeren. Daarbij blijven de korpschef en ik inzetten op behoud van de operationele slagkracht van de politie.
De korpschef en ik hebben het voorgaande met de gezagen besproken in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) op 12 en 30 juni jl.
Hoeveel extra middelen zijn er sinds de start van het kabinet-Schoof aan de Nationale Politie beschikbaar gesteld? En welk deel van deze extra middelen voor de politie zijn flexibel inzetbaar, dan wel geoormerkt voor nieuwe prioriteiten?
Vanuit het Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 en de Miljoenennota 2025 is in totaal structureel € 216 miljoen voor de Nationale Politie extra beschikbaar. Hiervan is structureel € 45 miljoen beschikbaar gesteld om financiële problematiek bij politie te mitigeren (landelijke eenheden en nieuw stelsel beroepsgerelateerd letsel). De overige middelen zijn geoormerkt voor het anders organiseren van werk en prioriteiten zoals voor een digitaal vaardige politie (conform Position paper politie, OM en gezagen), de aanpak van lokale criminaliteit en de uitbreiding van de aanpak logistieke knelpunten (zie Kamerstukken II 36 600 VI, nr. 32).
Deelt u de mening «dat meerjarige financiële stabiliteit in balans met de taken en opgaven van de politie essentieel [is] om te kunnen blijven doen wat de maatschappij van de politie vraagt»?3 Zo ja, is er op dit moment en in de komende jaren sprake van die stabiliteit en balans? En zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat betekent dat voor de uitvoering van de taken en opgaven van de politie? En zo nee, hoe gaat er wel voor die financiële stabiliteit en balans met de taken en opgaven van de politie gezorgd?
Ik ben van mening dat de financiën en taken in balans moeten zijn. Meerjarig is er nu geen sprake van balans. Voor een toelichting op wat dit betekent en hoe dit opgepakt wordt verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Kunt u bovenstaande vragen tenminste voor het komende commissiedebat over de politie op 2 juli 2025 beantwoorden?
Ja
De misstanden in de penitentiaire inrichtingen en de de beloofde verbeteringen ten aanzien van de veiligheid van gedetineerde vrouwen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de documentaire «Zitten en zwijgen», Videoland 20231 en het rapport van de inspectie Justitie en Veiligheid waarin de geconstateerde misstanden, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag en zedenmisdrijven van gevangenisbewaarders richting gedetineerde vrouwen, werden bevestigd?2
Ja.
Deelt u de mening dat het absoluut onacceptabel is dat deze misstanden plaats konden vinden, en dat dit een grove schending is van het vertrouwen dat gedetineerden, het personeel en de hele samenleving moeten kunnen hebben in het gevangeniswezen waar de situatie zeer onveilig was voor mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd?
Ja, ik deel de mening dat het onacceptabel is als er misstanden plaatsvinden in de gevangenis. Gedetineerden worden aan de zorg van de Staat (DJI) toevertrouwd en zij moeten er daarom vanuit kunnen gaan dat zij zich in een sociaal veilige omgeving bevinden en ook de (medische) zorg krijgen die zij nodig hebben.
Veiligheid van gedetineerden is een belangrijk aspect van het Nederlandse gevangeniswezen.
Vindt u dat kort na deze publicaties voldoende erkenning is uitgesproken over de misstanden die zijn vastgesteld? Is daar naar uw mening ook voldoende opvolging aan gegeven? Hoe kan het dat de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) nergens te bekennen was toen ze zo onder vuur lagen, maar enkel Minister Weerwind het woord lieten voeren? Was het niet passend geweest als ook DJI zich had laten horen?
In de beleidsreactie op het inspectierapport Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwersluis3 is door de toenmalige bewindspersoon, de Minister voor Rechtsbescherming, aangegeven dat detentie humaan en veilig moet plaatsvinden en is erkend dat dit niet altijd het geval is geweest.
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid, toentertijd de Minister voor Rechtsbescherming, en de bewindspersoon spreekt daarmee ook namens DJI.
Daar waar het mis gaat, moet niet worden weggekeken, maar moeten maatregelen getroffen worden om herhaling te voorkomen. Daarom heeft DJI naar aanleiding van de onderzoeken en adviezen van de Inspectie Justitie en Veiligheid, de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (RCGOG)4, de Universiteit Leiden5 en de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming6 diverse maatregelen genomen.
Zo zijn maatregelen getroffen om de drempels voor het melden van ongewenst gedrag te verlagen, om de informatievoorziening aan de gedetineerde vrouwen te verbeteren, om kennis te bevorderen ook bij de commissies van toezicht, zijn verplichte opleidingsmodules ontwikkeld voor medewerkers die werken met gedetineerde vrouwen, wordt er waar nodig gewerkt aan een betere man/vrouw samenstelling van de teams, wordt er stevig geïnvesteerd in de sociale/psychologische veiligheid binnen teams zodat collega’s elkaar (durven) aanspreken op (mogelijk) ongewenst gedrag, is de visitatieprocedure aangepast en zullen bodyscans ingevoerd worden. In elke vrouweninrichting is een portefeuillehouder sociale veiligheid7 8 in de Commissie van Toezicht (CvT)9 aangesteld, daarnaast is er in de PI Nieuwersluis ook een onafhankelijk vertrouwenspersoon voor gedetineerden benoemd.
De rapporten van de universiteit Leiden en de RSJ laten ook zien dat detentie voor vrouwen te zeer een afgeleide is van detentie voor mannen en daarmee onvoldoende recht doet aan de specifieke kenmerken van vrouwelijke gedetineerden. Een meer fundamentele herbezinning is dus wenselijk. DJI is daarom een traject gestart om tot een herontwerp van detentie van (jong)volwassen vrouwen te komen waarbij. Daarbij wordt ook gekeken naar goede voorbeelden uit het buitenland.
Alle maatregelen tezamen dragen bij aan een cultuur waar sociale veiligheid onderwerp van gesprek is en zowel personeel als gedetineerden zich vrij voelen om (vermoedens van) misstanden te melden. Een volledig overzicht van de maatregelen is opgenomen in bijlage 1.
Op 6 juni 2024 heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid een brief gestuurd over de opvolging van de aanbevelingen uit het hierboven genoemde Inspectierapport.10 De hoofdconclusie van de Inspectie was dat DJI op bijna alle aanbevelingen maatregelen had getroffen. De Inspectie maakte zich nog wel zorgen over de borging van de maatregelen. In haar brief van 12 februari 2025 aan de Inspectie heeft DJI een stand van zaken gegeven van de maatregelen. Op 19 maart 2025 heeft de Inspectie DJI laten weten dat zij ruimte wil geven om de maatregelen vorm te geven en om die reden vooralsnog in 2025 geen vervolgonderzoek te starten.
Kunt u bevestigen dat verdachte medewerkers die uiteindelijk ook zijn veroordeeld destijds niet werden ontslagen maar met vaststellingsovereenkomst uit dienst vertrokken? Vindt u dat verstandig? Klopt het dat dit vertrek daardoor ook niet op de zogeheten «voorvallenlijst» hoefde te worden opgenomen?
Ik doe geen uitspraken over individuele personeelsdossiers. In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een Pl. Als daarvan sprake is en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan de orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen moeten zorgvuldig worden genomen door de directie, op basis van de beschikbare informatie op dat moment, en moeten juridisch standhouden.
Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Er wordt altijd een piketmelding opgemaakt als sprake is van ernstige incidenten, zoals bij een gijzeling, poging tot ontvluchting of (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Piketmeldingen komen terug op de voorvallenlijst, die maandelijks gepubliceerd wordt.
Heeft u kennis genomen van de documentaire serie «Dubbel gestraft»?3
Ja.
Wat is uw reactie op de medewerkers uit het gevangeniswezen die bevestigen dat er sprake is van een angstcultuur om zaken naar buiten te brengen maar dat er veel aan wordt gedaan om het imago van DJI te beschermen en de vuile was binnen te houden? Herkent u dit?
De mate waarin de ruimte wordt ervaren om zaken bespreekbaar te maken kent zowel een persoonlijke als een contextgebonden invulling. Die kan per inrichting, per situatie en zelfs per persoon verschillen.
Alle medewerkers van PI’s moeten kunnen werken in een veilige werkomgeving waar het melden van misstanden mogelijk is en aangemoedigd wordt. Zo kunnen medewerkers een melding doen via de interne en externe meldprocedure of terecht bij een vertrouwenspersoon.
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 3 moet daar waar het misgaat niet worden weggekeken, maar maatregelen getroffen worden. Hier zet DJI vol op. Dit vraagt om een cultuur waarin het vakmanschap voorop staat en waar men elkaar aanspreekt. De diverse onderzoeken en adviezen bieden handvatten om aan een dergelijke cultuur bij te dragen. DJI heeft daar reeds diverse maatregelen en interventies opgenomen (zie het antwoord op vraag 3). Dit is een continu proces waar DJI veel aandacht voor heeft.
Hoe kan het dat de medewerker die deze misstanden aan de orde stelde, die beschouwd kan worden als een klokkenluider, zijn baan kwijt is geraakt en nergens bij DJI meer terecht kan? Verdient zo iemand niet eerder een schouderklopje en waardering dan het verwijt een verrader en disloyaal aan de organisatie te zijn?
DJI kan niet ingaan op een individuele casus. In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat DJI de wet- en regelgeving over het melden van (vermoedens van) misstanden naleeft.
In het Personeelsreglement J&V is bepaald dat de werknemer die redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over een mogelijke misstand of integriteitschending juist is, bescherming geniet tegen benadeling als gevolg van die melding.
Klopt het dat een van de beloftes was om een aandachtsfunctionaris, een soort vertrouwenspersoon, aan te stellen? Klopt het dat deze persoon, die veel tijd besteedde aan het luisteren naar gedetineerden en kritisch was op de directie, al na 10 maanden is weggestuurd door DI door de samenwerking te beëindigen? Hoe kan dit? Is er al een nieuwe aandachtsfunctionaris en zo niet. Hoe lang heeft dit geduurd?
Bij de beleidsreactie op het Inspectierapport PI Nieuwersluis12 d.d. 31 mei 2023 heeft de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming toegezegd de Commissies van Toezicht te verzoeken in iedere DJI-inrichting een portefeuillehouders sociale veiligheid13 aan te stellen in de CvT, te beginnen in de drie vrouwengevangenissen. De PI Nieuwersluis heeft in overleg met haar CvT ervoor gekozen om deze taken te beleggen bij een onafhankelijk vertrouwenspersoon voor gedetineerden. In augustus 2024 is de toenmalige onafhankelijke vertrouwenspersoon gedetineerden vertrokken. DJI kan verder niet ingaan op individuele personeelsdossiers. De landelijke vertrouwenspersoon van DJI heeft gedurende tweeëneenhalve maand de taken waargenomen. Sindsdien is een nieuwe vertrouwenspersoon in de PI Nieuwersluis werkzaam. Inmiddels is ook een portefeuillehouder sociale veiligheid bij de CvT van de PI Nieuwersluis aangesteld.
Hoe wordt bij DJI voorkomen dat degene waar een klacht over gaat, bijvoorbeeld een inrichtingswerker, ook direct of indirect degene is die deze in ontvangst moet nemen?
Er zijn diverse mogelijkheden waarop gedetineerden hun klachten kunnen indienen. Bijvoorbeeld bij de mentor14, bij een afdelingshoofd, bij de maandcommissaris15 of rechtstreeks bij de commissie van toezicht. Sommige inrichtingen hebben aparte brievenbussen voor de commissies van toezicht opgehangen die niet door personeel van de afdeling kunnen worden geleegd. Hiermee wordt voorkomen dat de gedetineerde de klacht moet indienen bij degene waar de klacht over zou kunnen gaan.
Wat is uw reactie op de bevindingen over de staat van de medische zorg in detentie?
In dit antwoord ga ik er vanuit dat gedoeld wordt op het «misstandenboek» van Bureau Clara Wichmann d.d. 27 maart 2025.
Zoals al genoemd bij antwoord 2 zijn gedetineerden aan de zorg van de Staat (DJI) toevertrouwd en zij moeten er daarom vanuit kunnen gaan dat zij zich in een sociaal veilige omgeving bevinden en ook de (medische) zorg krijgen die zij nodig hebben. Ik neem daarom signalen vanuit het misstandenboek zeer serieus.
DJI staat voor de kwaliteit van zorg die door de zorgprofessionals in de inrichtingen dagelijks geboden wordt langs dezelfde professionele standaarden die ook buiten detentie gelden. Ook het onafhankelijk toezicht is op deze wijze ingericht. Zorgverlening blijft echter zowel binnen als buiten DJI mensenwerk, waarbij fouten gemaakt kunnen worden met soms zeer ingrijpende gevolgen. DJI zet dan ook in op transparantie over eventuele fouten, het leren van fouten en het voor de toekomst zoveel als mogelijk voorkomen ervan. DJI maakt hierbij gebruik van instrumenten zoals die ook in de reguliere zorg worden gehanteerd.
DJI heeft voor ieder afzonderlijk onderwerp, zoals genoemd in het misstandenboek, uitgezocht hoe vaak vrouwelijke gedetineerden een klacht hebben ingediend over medische zorg en hoe vaak zij in het gelijk zijn gesteld bij de RSJ. Deze aantallen zijn beperkt. De RSJ heeft naar aanleiding van de klachten over de medische zorg geen aanleiding gezien om hier nader onderzoek naar te doen of advies uit te brengen.
Ook is er de afgelopen jaren bij de vrouwengevangenissen geen sprake van waarschuwingen of verscherpt toezicht door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Dat laat onverlet dat het misstandenboek op onderdelen wel degelijk aanleiding geeft tot het doorvoeren van aanpassingen op het terrein van de zorg binnen DJI. Tevens heeft DJI het misstandenboek op 25 juni aangeboden aan de IGJ.
Voor een uitgebreide reactie op het misstandenboek van Bureau Clara Wichmann verwijs ik naar de zevende voortgangsbrief over de ontwikkelingen in het gevangeniswezen d.d. 4 juli 2025.
Is er goed zicht op de hoeveelheid medicijnen die precies de gevangenissen ingaan en aan gedetineerden worden verstrekt? Zo niet, hoe kan dat? Zo ja, waarom is daar geen openheid over?
Ja, de apotheek levert de medicatie die door de gevangenis is besteld. Daarbij registreren zorgverleners binnen DJI medicatie in het persoonlijke medisch dossier van de betreffende gedetineerde conform standaarden die ook in de reguliere zorg worden gehanteerd. Ook de apotheker houdt bij welke medicatie een gedetineerde krijgt. Er is dus zicht op de medicatie die de gevangenis in gaat. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar de zevende voortgangsbrief over de ontwikkelingen in het gevangeniswezen d.d. 4 juli 2025, verzonden door de toenmalig Staatssecretaris van Rechtsbescherming.
Op dit moment loopt er een WOO-verzoek waarin DJI is gevraagd een extra zoekslag uit te voeren o.a. naar het overzicht van medicatie dat aanwezig is bij apothekers die medicatie aan DJI leverens. Op 1 juli is per brief het besluit vermeld om de gevraagde informatie voor een deel openbaar te maken en voor een deel ter inzage te leggen.
Klopt het dat het is voorgekomen dat gedetineerden zelf een voorraad medicatie op cel hadden? Hoe vaak is dit voorgekomen? Is dit wel toegestaan?
Medicatie wordt zoveel mogelijk per innamemoment verstrekt aan gedetineerden. DJI heeft een landelijk kader «Voorwaarden voor het afwijken medicatieverstrekking per innamemoment». De afweging om af te wijken van medicatieverstrekking per innamemoment wordt per individuele gedetineerde gedaan door de justitieel geneeskundige (meestal een huisarts) of psychiater. Gedetineerden die in staat worden geacht om zelfstandig op de juiste wijze hun medicatie in te nemen, mogen voor één dag medicatie op cel hebben. De justitieel geneeskundige of psychiater evalueert regelmatig of het hebben van medicatie op cel nog verantwoord is. De apotheek blijft ten allen tijden leveren per innamemoment.
Gezien de dagelijks fluctuerende populatie en de individuele beslissingen door de justitieel geneeskundige of psychiater is het niet mogelijk om aan te geven hoe vaak het voorkomt dat gedetineerden medicatie op cel mogen hebben. Dit wordt niet centraal geregistreerd.
Wat is uw reactie op de kritiek van nabestaanden in zaken van niet-natuurlijk overlijden in detentie dat zij zo slecht geïnformeerd worden? Hoe komt dat, volgens u? Wat gaat u er aan doen dit te verbeteren?
Wanneer een gedetineerde komt te overlijden is dit zeer ingrijpend voor de familie en andere nabestaanden. DJI doet altijd zijn best om de nabestaanden zo goed mogelijk te informeren. Ik betreur het als zij zich niet altijd goed geïnformeerd achten.
Er is een uniforme richtlijn «overlijden in een justitiële inrichting.»16 Hierin staat beschreven dat het dienstdoend directielid verantwoordelijk is voor het informeren van de nabestaanden. Verder worden nabestaanden in de gelegenheid gesteld om in de inrichting mondeling geïnformeerd te worden, nadat een calamiteitenonderzoek heeft plaatsgevonden. Indien gewenst kan hen de cel getoond worden en kunnen zij persoonlijke bezittingen van de overleden gedetineerde meenemen.
Van belang is dat DJI geen informatie kan delen waarover DJI zelf niet beschikt. Zo kan het voorkomen dat de door de nabestaanden gewenste informatie bijvoorbeeld bij het OM of de politie beschikbaar is, maar niet met DJI wordt gedeeld. De onmogelijkheid van DJI om deze informatie te verstrekken kan, begrijpelijk, leiden tot onbegrip bij de nabestaanden.
Is er nog steeds mogelijk sprake is van relaties tussen gevangenispersoneel en de gedetineerden nu het al langer duidelijk is dat dit volstrekt ongewenst is en dit moet worden voorkomen? Hoe wordt dat op alle mogelijke manieren voorkomen?
Een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde is onverenigbaar met werken binnen een PI. Het is essentieel dat er helderheid is over welke omgangsvormen gelden, zodat gedetineerden kunnen rekenen op een veilige detentie en medewerkers in een veilige werkomgeving kunnen werken.
Elke dag werkt het personeel met gedetineerden en zijn de gedetineerden voor bijna alles afhankelijk van het personeel. De machtsverhouding in combinatie met de geslotenheid van de werkomgeving en het intensieve contact maakt dat het risico op grensoverschrijdend gedrag aanwezig is. Om dat te voorkomen is een sociale en psychologische cultuur noodzakelijk waarin medewerkers en gedetineerden zich vrij voelen om (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag ter sprake te brengen. Ook hoort hier een goed functionerende, veilige en laagdrempelige meldstructuur bij die DJI beoogt te versterken door de maatregelen, zoals genoemd in het antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat deze vormen van machtsmisbruik door het personeel in een situatie van volledige afhankelijk voor de gedetineerden, zeer traumatiserend is voor deze vrouwen?
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat deze situatie voor gedetineerden zeer beangstigend is omdat de gedetineerde letterlijk geen kant op kan en ook nergens terecht kan?
Ja, dat moet een vreselijke ervaring zijn. Gedetineerden zijn aan onze zorg toevertrouwd. Zij moeten erop kunnen rekenen dat hun gevangenisstraf op een humane en veilige manier ten uitvoer wordt gelegd. Ook moeten zij zich veilig voelen om melding te maken van niet-integer, (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Mede naar aanleiding van het rapport van de Inspectie van JenV en het advies van de RCGOG zijn daarom drempelverlagende maatregelen getroffen zoals o.a. de aanstelling van de portefeuillehouder sociale veiligheid.
Bent u het met advocate Hannah Handriks eens dat de gedetineerden die hun verhaal hebben gedaan en melding hebben gedaan, slechts het topje van de ijsberg is en dat veel vrouwen waarschijnlijk geen melding durven te doen uit angst voor repercussies?
Vooropgesteld, elk incident is er een teveel. Het is mogelijk dat er incidenten zijn voorgevallen die niet bij DJI bekend zijn. Over meldingen die niet bekend zijn, kan ik geen uitspraken doen. Tegelijkertijd realiseert DJI zich dat het ontbreken van meldingen niet betekent dat er geen grensoverschrijdend gedrag is. DJI heeft verschillende maatregelen genomen om melden zo makkelijk en veilig mogelijk te maken (zie het antwoord op vraag 3).
Hoe is het mogelijk dat de Gedetineerden Commissie in de Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwersluis de opdracht heeft gekregen om positieve verhalen te verzamelen vanuit de gedetineerden om een «tegengeluid» te forceren in het nieuws? Vindt u dat, met mij, ook schandalig dat er op deze manier wordt omgegaan met schokkende feiten over grensoverschrijdend gedrag? Wat doe dit volgens u met het vertrouwensgevoel van de gedetineerden?
De indruk die gewekt is in de documentaire Zitten en Zwijgen van 26 juni 2023 dat de directie opdracht heeft gegeven aan de gedetineerdencommissie (bestaande uit een afvaardiging van gedetineerden) om positieve verhalen te verzamelen, is niet juist. Het is een eigen initiatief geweest van de gedetineerdencommissie, omdat zij zich niet kon vinden in het beeld dat in de documentaire werd geschetst.
Bent u ervan op de hoogte hoe DJI omgaat met journalisten? Waarom worden vragen niet of nauwelijks beantwoord, wordt niet de gehele waarheid verteld, worden verzoeken om medewerking opzettelijk getraineerd? Bent u tevreden over de openheid die door DJI wordt geboden?
DJI streeft er naar vragen die zij ontvangt van journalisten zo spoedig en zo volledig mogelijk te beantwoorden en herkent zich niet in het beeld dat verzoeken om medewerking opzettelijk worden vertraagd. Echter moet DJI ook rekening houden met privacy gevoeligheid van bepaalde informatie. DJI kan daarom niet ingaan op zaken die zien op concrete casuïstiek of te herleiden zijn naar één persoon.
Ook betrekt DJI de media actief door bijvoorbeeld medewerking te verlenen aan radioshows en podcasts en media uit te nodigen bij werkbezoeken.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven op welke momenten DJI van de documentairemakers vragen heeft gekregen en op welke momenten dit tot antwoorden heeft geleid? Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze antwoorden?
Onderstaand vindt u het overzicht van contactmomenten naar aanleiding van de documentaireserie Dubbel Gestraft.
20-11-2024: Mail van documentairemaker naar woordvoerder DJI met verzoek om Vestigingsdirecteur PI Nieuwersluis te interviewen voor haar nieuwe serie. Vervolgens mailcontact tussen woordvoerder en documentairemaker.
04-12-2024: Documentairemaker geeft schriftelijk aan dat het interview «de komende acht weken moet plaatsvinden». Mailcontact tussen documentairemaker en woordvoerder om kennis te maken.
09-01-2025: Eerste gesprek tussen woordvoerder DJI en documentairemaker (en redacteur) op de redactie van Posh Productions. Daarna is er veelvuldig telefonisch contact.
06-02-2025: Woordvoerder DJI laat documentairemaker weten dat DJI niet meewerkt aan een interview met de vestigingsdirecteur op camera, maar dat DJI zeker bereid is schriftelijk vragen te beantwoorden. Vervolgens een aantal maanden geen vragen m.b.t. de documentaire. Wel is er beperkt contact over documenten m.b.t. een eerder WOO-verzoek.
15-04-2025: Coördinator mediateam van DJI heeft een gesprek met de documentairemaker over een andere documentaire waaraan wordt gewerkt, maar tijdens dit gesprek komt ook Dubbel Gestraft ter sprake.
06-05-2025: DJI en het departement ontvangen via verschillende woordvoerders ongeveer tachtig persvragen, met een antwoorddeadline van zeven dagen. DJI heeft aangegeven bij de journalist dat de beantwoording (gezien de hoeveelheid) meer tijd in beslag zal nemen en heeft de antwoorden op 26 mei 2025 toegezonden (aangevuld met een nazending van twee documenten op 12 juni). De eerste aflevering van de documentaire is op 5 juni 2025 verschenen op de NPO. DJI heeft op 6 juni 2025 in het kader van transparantie alle vragen en antwoorden (d.m.v. een nieuwsbericht) op de website van DJI gepubliceerd.17
Wat betreft de vraag over de kwaliteit van de antwoorden van DJI, moet gezegd worden dat DJI zo volledig mogelijk de vragen beantwoord, maar dat dit niet altijd kan, gezien privacygevoeligheid van de informatie. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Waarom is het document met informatie en cijfers over de kosten van medische zorg de afgelopen jaren (zoals medicijnen, ziekenhuiszorg etc.), dat tot allerlei serieuze vragen leidde, omdat het ongeloofwaardige grootheden waren, verwijderd in plaats van dat er verklaringen zijn gegeven voor de onjuistheden die hier in stonden?
In een eerder Woo-verzoek zijn de uitgaven aan medische kosten van de afgelopen jaren in het gevangeniswezen opgevraagd. Deze informatie is naar aanleiding van dit besluit openbaar gemaakt en raadpleegbaar18. Het document is nooit verwijderd, maar de documenten waren tijdelijk niet beschikbaar wegens het datalek op overheidswebsites waarbij tijdelijk documenten van websites zijn verwijderd en later weer teruggeplaatst. De zorgkosten over recentere jaren (2023 en 2024) zijn inmiddels ook gedeeld. Er stonden geen onjuistheden in deze overzichten, maar de cijfers waren lastig te interpreteren doordat bepaalde kostensoorten anders waren ingedeeld over de jaren heen. Hierover is door DJI uitleg gegeven in de antwoorden op de vragen van de documentairemaker19. Voor 2023 en 2024 geldt dat de nieuwe kostenindeling wordt aangehouden zodat deze jaren beter zijn te vergelijken.
Klopt het dat DJI de lijst met belangrijke incidenten, nadat de makers van de serie hier kritische vragen over hadden gesteld, heeft aangepast? Wie controleert die lijsten voordat ze aan de bewindspersoon worden gemeld? Waarom zijn deze voorvallenlijsten zeer recent uitgebreid en aangepast?
Op het moment dat er een incident heeft plaatsgevonden, wordt de bewindspersoon geïnformeerd via een zogenoemde piketmelding. De voorvallenlijst is een maandelijkse opsomming van de piketmeldingen van die afgelopen maand. De piketmeldingen zijn dus reeds gedeeld met de bewindspersoon.
De voorvallenlijst wordt gepubliceerd op de website van DJI.20 Door de informatie via deze weg toegankelijk te maken, draagt DJI bij aan een open en zorgvuldige omgang met incidenten die raken aan veiligheid, orde en integriteit.
De voorvallenlijst waar de vraag op ziet is inderdaad aangepast. Bij het beantwoorden van de vragen die door de documentairemakers zijn gesteld aan DJI, werd geconstateerd dat in maart 2023 de voorvallenlijst was vervangen door een verkeerde versie. Dit is gebeurd doordat er een wijziging van een ander voorval op diezelfde lijst moest worden doorgevoerd en bij het online zetten van deze geactualiseerde lijst per abuis de verkeerde versie is opgeslagen en online is gezet. Na constatering hiervan is de volledige lijst weer online gezet.
Dat voorvallenlijsten worden geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe informatie is niet ongebruikelijk. Onderaan de voorvallenlijst wordt in dat geval aangegeven dat de lijst is gewijzigd onder vermelding van de datum van wijziging.
Bent u het ermee eens dat in het licht van de hierboven gestelde feiten, de directie een behoorlijk rooskleurig beeld heeft geschetst van de huidige stand van zaken voor het welzijn van vrouwelijke gedetineerden?4 5
In de beleidsreactie op het inspectierapport Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwersluis23 is door de toenmalige bewindspersoon, de Minister voor Rechtsbescherming aangegeven dat een cultuur waar niet-integer grensoverschrijdend gedrag mogelijk is, onacceptabel is en dat signalen van misstanden zeer serieus worden genomen. Om opvolging te geven aan de aanbevelingen van de Inspectie is een pakket van maatregelen opgesteld (zie het antwoord op vraag 3). Dit laat zien dat DJI actief zaken heeft opgepakt om de detentieomstandigheden van vrouwen te verbeteren en te werken aan een open en veilige cultuur op de werkvloer. Dit is een continue proces en vergt blijvende aandacht.
Ook wil ik opmerken dat de werkelijkheid genuanceerder is dan de documentaire doet voorkomen. Het is voor medewerkers van belang om te zoeken naar de juiste balans tussen afstand en nabijheid, iets wat ook nog per gedetineerde kan verschillen. Het goede gesprek over wat nodig en passend is in uiteenlopende situaties is dan ook iets wat doorlopend de aandacht heeft.
Wat zegt deze documentaire volgens u over de inspanningen van DJI om verbeteringen aan te brengen in deze cultuur van grensoverschrijdend gedrag richting gedetineerden?
De documentairereeks gaat in op de opvolging en gevolgen van incidenten die ook in de documentaire «Zitten en Zwijgen» van 26 juni 2023 zijn behandeld. DJI heeft sinds 2023, mede naar aanleiding van deze incidenten, een groot aantal maatregelen genomen om herhaling te voorkomen en een veilige cultuur te stimuleren (zie het antwoord op vraag 3). Deze genomen maatregelen komen niet allemaal aan bod in de documentaire.
De Inspectie heeft in haar brief van 19 maart 2025 aangegeven de ontwikkelingen ten aanzien van de vrouweninrichtingen te blijven volgen en ze verwacht dat DJI haar proactief informeert over belangrijke ontwikkelingen en actualiteiten op dit terrein.
Was u op de hoogte van de vragen die door de documentairemaker aan u persoonlijk zijn gesteld? Hebben deze u bereikt of zijn deze bij u weggehouden?
De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, is op de hoogte gebracht van de vragen die zijn gesteld. Tevens zijn de antwoorden met haar gedeeld, voordat deze zijn verzonden naar de documentairemaker.
Wat heeft u sinds uw aantreden gedaan aan het voorkomen van misstanden in vrouwen gevangenissen en het bevorderen van de veiligheid van met name gedetineerde vrouwen?
Ik verwijs u hiervoor naar de zevende voortgangsbrief over de ontwikkelingen in het gevangeniswezen die op 4 juli jl. aan de Kamer is gezonden door de toenmalig Staatssecretaris van Rechtsbescherming, waar wordt ingegaan op de sociale veiligheid en medische zorg in (vrouwen) gevangenissen. In deze brief wordt ook aangegeven dat de rapporten van de universiteit Leiden en de RSJ laten zien dat detentie voor vrouwen te zeer een afgeleide is van detentie voor mannen en daarmee onvoldoende recht doet aan de specifieke kenmerken van vrouwelijke gedetineerden. Een meer fundamentele herbezinning is dus wenselijk. DJI is daarom een traject gestart om tot een herontwerp van detentie van (jong)volwassen vrouwen te komen waarbij. Daarbij wordt ook gekeken naar goede voorbeelden uit het buitenland. Een eerste stap die DJI hierin heeft gezet is een landelijk symposium op 20 juni jl. met een grote groep medewerkers uit het gevangeniswezen, de vreemdelingenbewaring, de forensische zorg en jeugdinrichtingen. Onderzoekers van de Universiteit Leiden en van de RSJ hebben daarbij inleidingen verzorgd. Het doel van deze dag was om tot een gezamenlijk beeld te komen van wat er, op basis van relevante onderzoeken en adviezen, nodig is om detentie voor (jongvolwassen) vrouwen veilig, mensgericht en effectief vorm te geven – passend bij de behoeften en kenmerken van (jongvolwassen) vrouwelijke gedetineerden. In het vervolg van dit traject zullen ook ketenpartners en andere externe partijen en deskundigen betrokken worden. De Kamer wordt door middel van de voortgangsbrieven op de hoogte gehouden van het verloop van dit traject.
Bent u het met mij eens dat deze indringende documentaire laat zien dat er zo snel als mogelijk drastische stappen moeten worden genomen om de situatie te verbeteren waarin de privacy van vrouwelijke gedetineerden daadwerkelijk wordt gehandhaafd?
Ieder misstand is er één te veel, maar misstanden kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Wel moet er alles aan gedaan worden om de kans dat zich misstanden kunnen voordoen zo klein mogelijk te maken.
Daarom is er in reactie op incidenten en onderzoeken een breed pakket aan maatregelen genomen (zie het antwoord op vraag 3). Er vinden hierover voortdurend gesprekken plaats met DJI. Daarbij vind ik het belangrijk dat DJI de tijd en ruimte krijgt om deze maatregelen goed te implementeren en zo een open en veilige cultuur verder te versterken.
Voor de medische zorg geldt dat er aanvullende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen zijn benoemd in de zevende voortgangsbrief over ontwikkelingen in het gevangeniswezen.
Bent u van plan om richting gedetineerden meer informatie te geven over de rechten die zij hebben als zij in de PI zitten en dat zij zich altijd moeten kunnen uitspreken tegen grensoverschrijdend gedrag?
In iedere PI zijn er huisregels waarin de rechten en plichten van een gedetineerde zijn vastgelegd. Zie ook de maatregelen genoemd in het antwoord op vraag 3.
Wat heeft u sinds uw aantreden gedaan aan het bevorderen van een open cultuur bij DJI waarin minder defensief gereageerd wordt op bijvoorbeeld media verzoeken en de angst- en zwijgcultuur die in sommige inrichtingen onder medewerkers heerst te veranderen?
Veel van het werk van DJI speelt zich af achter gesloten deuren en blijft daardoor onzichtbaar voor het publiek. Media spelen een essentiële rol in het informeren van de samenleving over wat er achter de muren van penitentiaire inrichtingen gebeurt, hoe DJI zijn taken uitvoert en welke maatschappelijke bijdrage DJI levert. Door media actief te betrekken, zoals bijvoorbeeld door medewerking aan tv opnames/ documentaires, radioshows, podcasts en media die aanwezig is tijdens werkbezoeken. Hiermee wordt het werk begrijpelijk en zichtbaar gemaakt voor een breed publiek. Media fungeren daarmee als een brug tussen DJI en de samenleving, door complexe onderwerpen toegankelijk te maken en te laten zien wat DJI betekent voor de veiligheid en rechtvaardigheid in Nederland. Het streven van DJI is daarom, zoals ook al opgenomen is bij vraag 19, altijd zo transparant als mogelijk te zijn en mee te werken aan mediaverzoeken. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de privacy van betrokkenen en kan dus niet worden ingegaan op casuïstiek die op personen herleidbaar is. Vragen van de media worden zover het aangelegenheden zijn waar het ministerie of DJI zich over kan uitspreken, zo goed mogelijk beantwoord.
Voor de vraag over maatregelen om te melden verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 en vraag 6.
Kunt u zich voorstellen dat ik, gelet op deze nieuwe documentaire, bepaald niet gerust ben op echte veranderingen in het gevangeniswezen, ten aanzien van de veiligheid van met name vrouwen, maar ook ten aanzien van de gewenste open cultuur waarin klokkenluiders worden beschermd en misstanden veilig kunnen worden onthuld zonder represailles, en hier voortaan eerlijk over wordt gecommuniceerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Op basis van de documentaire kan ik mij dit voorstellen. De documentairereeks «Dubbel gestraft» gaat in op de opvolging en de gevolgen van incidenten die ook in de eerste documentairereeks «Zitten en Zwijgen» zijn behandeld. Er is echter sinds de totstandkoming van de eerste documentaire reeks veel gedaan door DJI om herhaling te voorkomen en een open en veilige cultuur te bevorderen. Net zoals in de afgelopen jaren zal ik de Kamer blijven informeren over sociale veiligheid in gevangenissen in de voortgangsbrieven over het gevangeniswezen.
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar deze angstcultuur en deze cultuur van grensoverschrijdend gedrag aan te pakken bij DJI en de Kamer hierover open en transparant te informeren?
DJI heeft naar aanleiding van de verschillende onderzoeken en adviezen diverse maatregelen genomen. Voor een volledig overzicht wordt u verwezen naar vraag 3. Ook heeft, zoals ook eerder in deze brief aangegeven, de Inspectie Justitie en Veiligheid per brief d.d. 19 maart jl. laten weten voorlopig geen vervolgonderzoek te doen naar dit thema. Samen met DJI ga ik voortvarend aan de slag met het uitvoeren van de diverse maatregelen en blijf ik met DJI in gesprek over de voortgang. Een nieuw onderzoek acht ik – op dit moment – daarom niet nodig.
De NAVO ‘resilience requirements’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Onder welk van de zeven NAVO «resilience requirements» valt «pandemische paraatheid»?
Het kabinet houdt rekening met een breed scala aan dreigingen, zoals hybride aanvallen of een militair conflict, maar ook met andere crises of rampen, zoals grootschalige overstromingen, een pandemie of langdurige uitval van vitale processen. Deze dreigingen vragen om versterking van de weerbaarheid van de gezondheidszorg. Verschillende typen rampspoed kunnen zich ook tegelijkertijd voordoen en de impact daarvan stapelt zich op. Om hierop voorbereid te zijn is ook van groot belang voor de NAVO.
Pandemische paraatheid is op zichzelf geen doelstelling van de NAVO. Wel dragen veel van de maatregelen, die in het kader van pandemische paraatheid in gang zijn gezet, bij aan de maatschappelijke weerbaarheid in het geval van een militair conflict of hybride aanvallen. Zo is het bijvoorbeeld van belang dat een flexibele en opschaalbare gezondheidszorg in staat is om een verhoogde zorgvraag tijdens (gezondheids-)crises op te vangen.
De NAVO-weerbaarheidsdoelstellingen betreffen een specificering van de eerder door de NAVO benoemde 7 baseline requirements die een basisniveau weergeven op zeven civiele paraatheidsgebieden: continuïteit van overheid, energievoorziening, grootschalige opvang van personen, levensbehoeften, opvang van gewonden, (tele)communicatie en transport, met als doel bij te dragen aan de continuïteit van overheid, de samenleving en de ondersteuning van bondgenootschappelijke verdediging.
De uitwerking van de NAVO-weerbaarheidsdoelstellingen is meegenomen in de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen die op 6 december 2024 door de Minister van Defensie en de Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer is verstuurd1 en de Kamerbrief Maatschappelijke weerbaarheid en militaire paraatheid tegen militaire en hybride dreigingen die op 11 juli 2025 door de Minister van Defensie, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Defensie aan uw Kamer is verstuurd.2
De NAVO ‘Resilience Objectives’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn de zeven Ministers (verantwoordelijk voor de ministeries genoemd door het kabinet in antwoord op vraag 23 van eerder gestelde vragen door het lid Dekker in Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 1318) op de hoogte van de geheime NAVO «Resilience Objectives» op hun beleidsterrein?
De NAVO-weerbaarheidsdoelstellingen – de zogenaamde Resilience Objectives – zijn bekend bij de betrokken bewindspersonen en hun ministeries. Nederland heeft zich tijdens de NAVO-top in juli 2023 in Vilnius gecommitteerd aan deze doelstellingen. Deze zijn terug te vinden in het Vilnius Summit Communiqué.1 Deze doelstellingen zijn een specificering van de eerder door de NAVO vastgestelde baseline requirementsdie een basisniveau omschrijven op zeven civiele paraatheidsgebieden: continuïteit van overheid, energievoorziening, grootschalige opvang van personen, levensbehoeften, opvang van gewonden, (tele)communicatie en transport.2
Indien dit het geval is, wanneer, door wie en op welke wijze zijn deze zeven Ministers (antwoord graag afzonderlijk voor elk van de hierboven genoemde ministeries) hiervan op de hoogte gesteld?
Departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de uitwerking van de NAVO-weerbaarheidsdoelstellingen op hun eigen beleidsterrein. Het is gebruikelijk dat bewindspersonen bij aanvang van hun werkzaamheden via hun eigen ministerie worden geïnformeerd over de verantwoordelijkheden en actualiteiten op hun beleidsterrein. Hoe dit voor ieder afzonderlijk ministerie precies gebeurt, verschilt per departement en bewindspersoon.
Waren de onderhandelaars die over het hoofdlijnenakkoord hebben onderhandeld van het (zojuist gevallen) kabinet Schoof op de hoogte van de NAVO «Resilience Objectives»?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de (kennispositie van de) onderhandelaars van het hoofdlijnenakkoord. Tijdens de NAVO Top in juli 2023 heeft Nederland zich gecommitteerd aan de NAVO-brede Resilience Objectives’s (RO)»s, terug te vinden in de Vilnius Summit Communiqué.3 De weerbaarheidsdoelen zijn benoemd in het Regeerprogramma:
«In het najaar deelt het kabinet haar ambitie om onze weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen versneld te verhogen, en wat er voor nodig is om dit te realiseren. De doorontwikkeling van de huidige aanpak statelijke dreigingen en versterking van crisisbeheersing zijn belangrijke componenten. We zetten in op de continuïteit van de samenleving en economie, en versterking van de krijgsmacht en de civiele ondersteuning daaraan. Onderdelen die we hierin meenemen zijn versterkte civiel-militaire samenwerking, de NAVO-weerbaarheidsdoelen en EU-initiatieven.»4
De verder aan het licht gekomen misstanden in sektes door undercover onderzoek |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ingrid Coenradie (PVV), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Undercover in Nederland waarin misstanden in de sekte «de lichtfamilie», die actief is in Nederland, zijn vastgesteld middels een undercover infiltrant?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van het tweeluik van Undercover in Nederland over de sekte De Lichtfamilie.
Wat is uw reactie op deze documentaire waarin wordt gesproken over grensoverschrijdend gedrag binnen deze sekte, zoals shunning, het aftroggelen van geld van de leden en vernederen?
In zijn algemeenheid geldt dat iedereen het recht heeft om zijn eigen godsdienst of levensovertuiging te kiezen en zich daarop te baseren, mits dit binnen de wettelijke kaders blijft. Zo mogen mensen in principe afstand doen van hun persoonlijke bezittingen, maar dit mag niet gepaard gaan met strafbaar gedrag zoals manipulatie, dwang of vernedering. Dergelijke handelingen zijn onaanvaardbaar en kunnen juridische gevolgen hebben, vooral als ze leiden tot psychisch of fysiek letsel. Het Openbaar Ministerie (OM) kan strafrechtelijk ingrijpen als er voldoende bewijs is dat er sprake is van strafbare feiten.
Wat vindt u ervan dat in deze sekte er sprake is van een overtuiging dat mensen die ernstig ziek, zoals mensen met kanker, dit aan zichzelf te wijten hebben en door de «Draak» te verdrijven ook de genezing zelf in de hand hebben?
Dit vind ik bedrieglijk en gevaarlijk. Een overtuiging uitspreken – zoals de sekteleider in de uitzending doet – is overigens niet hetzelfde als alternatieve zorg verlenen. Voor de volledigheid kan ik hier benoemen dat zodra er sprake is van een alternatieve behandeling, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) grenzen stellen. Een alternatieve zorgaanbieder mag volgens de Wkkgz geen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid veroorzaken. Van schade of een aanmerkelijke kans daarop kan bijvoorbeeld sprake zijn als patiënten worden afgehouden van reguliere zorg.
In dat geval kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ingrijpen. Het is voor de samenleving erg belangrijk dat mensen die negatieve gevolgen ondervinden van dergelijke keuzes, dit melden bij de IGJ. De IGJ kan de situatie dan onderzoeken en ingrijpen als dat nodig is. Daarnaast kan een behandelaar strafrechtelijk worden vervolgd als hij een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van de cliënt veroorzaakt of als hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zijn behandeling en advisering daartoe leidt. Hierover kan aangifte worden gedaan. Dit is geregeld in de Wet BIG.
Ik roep iedereen op om alert te zijn en eventuele zorgen of problemen over alternatieve behandelingen te melden bij de IGJ. Het is van groot belang dat we de veiligheid en gezondheid van patiënten vooropstellen, terwijl we ook hun recht op geloof en keuzevrijheid respecteren.
Deelt u de mening dat het niet aanvaardbaar is dat mensen worden gemanipuleerd en gekleineerd in het afstaan van hun bezittingen, alle contacten met mensen buiten de sekte en het ondergaan van grensoverschrijdende handelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit zeker geen nieuw fenomeen is gezien een eerdere documentaire van Undercover in Nederland in 2011, toen over de «Miracle of Love» sekte? En alle andere onthullingen over misstanden bij verschillende sektes in de jaren daarna?
Ja, ik ben het eens dat het bestaan van «sektes» geen nieuw fenomeen is. Neutraal gedefinieerd zijn «sektes» georganiseerde groepen mensen binnen een religie die dezelfde geloofsovertuigingen delen. Door de geschiedenis heen zijn ze in diverse vormen en onder verschillende omstandigheden ontstaan, vaak als reactie op sociale, culturele of religieuze veranderingen, wat aantoont dat ze van alle tijden zijn. De recente aandacht in de media en de maatschappij voor groeperingen die als sektes worden bestempeld, vooral door onthullingen van misstanden, hebben geleid tot een verhoogd bewustzijn en discussie over de problematiek die binnen deze groeperingen speelt.
Hoe groot en ernstig is volgens u momenteel de problematiek van sektes en misstanden die zich daarbinnen afspelen in Nederland?
Het is belangrijk te benadrukken dat gesloten groeperingen niet per definitie schadelijk zijn. Echter, er zijn gesloten groeperingen waarin misstanden voorkomen, waaronder strafbare feiten die ernstige gevolgen hebben voor hun leden en de samenleving. In dergelijke groeperingen kan het delen van ervaringen en het zoeken naar hulp bemoeilijkt worden door sterke loyaliteit, geheimhouding, machtsstructuren en een hoge mate van (dwingende) controle. Leden voelen zich vaak niet veilig om te spreken uit angst voor sociale uitsluiting of repercussies, wat leidt tot isolement en beperkte toegang tot externe hulpbronnen. Dit is zeer schadelijk, want fysiek en psychisch misbruik zijn ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers, met langdurige gevolgen die hun dagelijks leven, relaties, werk en welzijn ingrijpend kunnen beïnvloeden.
Er zijn geen exacte cijfers over «sektes», omdat hier niet op wordt geregistreerd. Bovendien is er geen overeenstemming over de definitie van een «sekte», wat het moeilijk maakt om te bepalen of een bepaalde groep als sekte kan worden aangemerkt.
Kunt u in algemene zin aangeven hoe de beleidsmatige aanpak van sektes in Nederland zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
De beleidsmatige aanpak van gesloten groeperingen in Nederland heeft de afgelopen jaren een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Tussen 2012 en 2020 bestond het meldpunt Sektesignaal. Na het opheffen van het meldpunt hebben de leden Van Wijngaarden/Michon-Derkzen (VVD) en Van Nispen (SP) via diverse moties en Kamervragen verzocht om een nieuw meldpunt. Mede naar aanleiding hiervan is expertisecentrum Fier in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 1 juni 2024 gestart met een 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten zodat er één herkenbaar punt komt voor hulp en doorverwijzing aan slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen en hun omgeving. Het hulppunt zal op 1 juli 2025 van start gaan.
Waar hulpverleners en overheidsinstanties eerder geringe kennis hadden over gesloten groeperingen, zijn zij nu actiever geworden in het verzamelen van informatie. Er zijn initiatieven ontwikkeld om voorlichting te geven over risicofactoren van een gesloten groepering en het herkennen van problematiek. Het hulppunt van Fier zal investeren in het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Daarnaast wordt er gewerkt aan een betere samenwerking tussen verschillende instanties, zoals hulpverleningsorganisaties, politie en inspecties, om een effectieve aanpak te waarborgen. Deze stappen wijzen op een groeiende erkenning van de problematiek die kan spelen binnen gesloten groeperingen en de noodzaak voor adequate ondersteuning van slachtoffers.
Deelt u de mening dat een goed functionerend en laagdrempelig Meldpunt voor sektes van het grootste belang is? Kunt u de Kamer uitgebreid informeren hoe dit Meldpunt, nu bij Fier, vorm is gegeven en hoe er voor wordt gezorgd dat slachtoffers hulp krijgen en naasten advies, maar ook dat er een landelijke kennisfunctie gaat ontstaan?
Ik deel de mening dat slachtoffers en hun naasten hebben baat bij een herkenbare plek in de hulpverlening. Met het inrichten van het hulppunt van Fier komt er zo een herkenbare plek waar signalen van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen samenkomen, en waar kennis en expertise voorhanden is om informatie te verstrekken over problematiek binnen deze groeperingen. Op de website kunnen gebruikers informatie vinden, zoals risico-indicatoren en een hulpwijzer. Het hulppunt biedt ook passende (na)zorg voor personen die fysiek of emotioneel schade ondervinden doordat zij deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt van een groepering waarin misstanden plaatsvinden. Slachtoffers en naasten kunnen via de website veilig, vertrouwelijk en kosteloos chatten met Fier, waar ze informatie, advies en professionele hulp door hbo-opgeleide hulpverleners kunnen ontvangen. De chat staat in verbinding met hulpverleningspartners en opsporingsinstanties, zodat slachtoffers ook offline ondersteuning kunnen krijgen indien zij dat wensen.
De chat met Fier is al geopend en kan ondersteuning bieden aan mensen die bijvoorbeeld seksueel geweld, psychisch geweld of uitbuiting hebben meegemaakt. Vanaf 1 juli 2025 kunnen mensen bij Fier terecht voor ondersteuning vanuit de specialisatie onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen.
Het hulppunt van Fier investeert in het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Hiervoor wordt samengewerkt met deskundigen op operationeel en wetenschappelijk vlak, zowel nationaal als internationaal. De verworven kennis vormt de basis voor het hulppunt en de gerichte, onderbouwde inzet van hulpprofessionals die betrokken zijn bij de online hulpverlening. Vanuit deze kennispositie wordt er gewerkt aan kennisdeling, onder andere door het organiseren van voorlichtingssessies voor professionals. Daarnaast wordt er actief aandacht besteed aan samenwerking en het uitwisselen van informatie over trends en ontwikkelingen met gemeenten, politie en het OM.
Er is nadrukkelijk niet gekozen voor de oprichting van een nieuw meldpunt. De politie is het centrale punt voor het doen van meldingen en aangiftes van strafbare feiten. Bovendien kan een punt dat uitsluitend voor meldingen is bedoeld, geen directe en laagdrempelige hulp of ondersteuning door hiertoe opgeleide professionals aan slachtoffers en bezorgde familieleden bieden. Dit zou betekenen dat mensen altijd doorverwezen moeten worden. Het voordeel van de samenwerking met Fier is dat deze organisatie al over kennis beschikt met betrekking tot geweld in afhankelijkheidsrelaties en de benodigde samenwerkingsstructuren heeft. Bovendien zou een nieuw meldpunt leiden tot verdere versnippering van de hulpverlening voor slachtoffers.
Over de nadere vormgeving van het hulppunt bij Fier wordt de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen die voor het zomerreces uitgaat.
Hoe zal er voor gezorgd worden dat slachtoffers en naasten aan de ene kant er zeker van zijn dat hulpvragen en zorgen laagdrempelig en veilig gemeld kunnen worden bij het meldpunt, maar aan de andere kant ernstige misstanden niet zonder gevolgen blijven en er lijntjes zijn met onder andere de politie en eventueel Inspecties om in te grijpen in de situaties die daar om vragen?
Het hulppunt van Fier zal 1 juli 2025 live gaan. Slachtoffers en hun naasten kunnen dan kosteloos op een veilige en vertrouwelijke manier chatten, en via die weg informatie, advies en hulp ontvangen. Chatgebruikers kunnen een account aanmaken, zodat ze op hun eigen gewenste momenten meerdere keren terug kunnen komen voor hulp. De laagdrempelige vorm van hulp maakt dat slachtoffers in beeld komen die anders niet gezien worden. Het is de bedoeling dat het hulppunt van Fier in contact staat met (opsporings)instanties en hulpverleningspartners, zodat Fier een warme overdacht kan faciliteren richting face-to-face hulpverlening of het doen van een melding of aangifte, als slachtoffers hiervoor openstaan. Het hulppunt zal daartoe met de politie samenwerken, onder meer met politiemedewerkers met de kenniscompetentie sektes en gesloten gemeenschappen.
De precieze uitwerking van de samenwerking wordt waar nodig bijgesteld op basis van ervaringen. Het hulppunt is daarnaast vanuit zijn expertpositie beschikbaar voor de politie voor kennis en informatie ten behoeve van opsporing en vervolging.
Welke financiering is er op dit moment gemoeid met dit «nieuwe» (ooit wegbezuinigde) Meldpunt voor sektes?
De (incidentele) kosten voor de 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten bij Fier worden gedekt uit het beleidsbudget voor Slachtofferbeleid en bedragen € 926.907,–. Als de pilot succesvol blijkt te zijn, is het streven om deze hulpverlening duurzaam in te richten.
Hoe staat het met de aangenomen motie-Van Nispen/Michon-Derkzen waarin het kabinet wordt gevraagd werk te maken van hoe mensen beter beschermd kunnen worden tegen sektes en of, en zo ja hoe, voorkomen kan worden dat kinderen formeel toetreden tot gesloten gemeenschappen en waarin wordt verzocht in het kader van de aanstaande nieuwe wet omtrent strafbaarstelling van psychisch geweld het beleid rondom sektes beter vorm te geven en hierover al in een vroeg stadium te overleggen met deskundigen, Fier en de politie?3
Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen die voor het zomerreces uitgaat.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat slachtofferbeleid op 18 juni te beantwoorden?
Ik heb bewerkstelligd dat de beantwoording van de vragen is toegezonden voorafgaande aan het commissiedebat slachtofferbeleid, dat thans geagendeerd staat op 2 juli.
Huisbezoeken aan demonstranten |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen van het lid Lahlah over huisbezoeken aan demonstranten van 25 maart 2025?
Ja.
Begrijpt u dat demonstranten huisbezoeken van de politie niet ervaren als «verbindend politiewerk» en «contact zoeken», zoals u de huisbezoeken in uw antwoord op de schriftelijke vragen noemt? Hoe rijmt u uw antwoord met de brief van de Inspectie aan de Nationale Politie, waarin de Inspectie schrijft dat deze huisbezoeken als intimiderend worden ervaren en het tegenovergestelde effect kunnen hebben van wat de politie wil1? Deelt u deze opvatting of is er sprake van een verschil in inzicht tussen u en de Inspectie?
Zoals ik in de beantwoording van de eerdere vragen reeds heb benoemd, kan ik mij voorstellen dat een huisbezoek door politie indruk kan maken. Er is geen verschil van inzicht tussen de Inspectie en mij.
In het kader van de voorbereiding van demonstraties kunnen huisbezoeken worden afgelegd door politie. De politie kan informatie over de aard en omvang van een demonstratie proberen te verzamelen, juist om de demonstratie goed te kunnen begeleiden. Zoals opgenomen in het ondergenoemde aangevulde handelingskader, zijn huisbezoeken niet gericht op het ontmoedigen van deelname aan demonstraties en wordt hier op een evenredige manier mee omgegaan. Het enkel deelnemen aan een vreedzame demonstratie kan nooit aanleiding zijn om contact met burgers op te nemen.
Deelt u de mening dat een huisbezoek in verband met een buurtonderzoek na een inbraak, het opvolgen van een melding over burenoverlast of over een mogelijke onveilige situatie bij de buren, totaal andere situaties zijn dan huisbezoeken aan demonstranten, ook aangezien het vaak gaat om demonstraties waar zij nog niet aan hebben deelgenomen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat dit verschillende situaties zijn. Er zijn uiteenlopende redenen voor de politie om bij mensen thuis langs te gaan, aangekondigd en onaangekondigd.
Bij elk contact met de burger is er uitleg over wat de reden voor het bezoek is. Dit is nu ook expliciet opgenomen in het aangescherpte handelingskader van politie met het onderwerp «Contact met burgers ter voorbereiding op een demonstratie».
Volstaat het interne handelingskader demonstraties bij de politie wat u betreft? Hoe vaak wordt het handelingskader aangevuld en geactualiseerd? Is in het handelingskader voldoende aandacht voor de de-escalerende en faciliterende rol van de politie in demonstraties? Zo ja, op welke manier wordt hier aandacht aan gegeven? Zo nee, biedt dit wat u betreft aanknopingspunten om het handelingskader te actualiseren?
Het handelingskader rondom demonstraties is recent aangescherpt door politie en uitgebreid met het onderwerp «Contact met burgers ter voorbereiding op een demonstratie». Dit heeft ertoe geleid dat Extinction Rebellion (XR) het kort geding tegen de politie en de Staat heeft ingetrokken. Dit is een intern handelingskader van politie. Er is expliciet aandacht voor de de-escalerende en faciliterende taak van politie, zoals valt te bezien in de eerste vier bullets van de aanscherping. Ik zie geen aanknopingspunten voor nieuwe wijzigingen. De politie heeft deze uitgangspunten zowel binnen de organisatie als daarbuiten – op de website2 – gecommuniceerd.
Op welke manier wordt bepaald of de vorm van contact met een burger ten behoeve van de informatievergaring over een demonstratie evenredig is en past bij de situatie, zoals is opgenomen in het handelingskader demonstraties bij de politie? Deelt u de mening dat deze definitie mogelijk te veel ruimte overlaat voor interpretatie? Zo ja, bent u bereid met de politie hierover in gesprek te gaan?
In het aanvullende handelingskader is duidelijk aangegeven dat de vorm van contact met de burger ten behoeve van informatievergaring evenredig moet zijn en dat als kan worden volstaan met telefonisch contact daarvoor wordt gekozen. Ik ben het niet met u eens dat dit te veel ruimte laat voor interpretatie. Ik heb er vertrouwen in dat politiemedewerkers goed in staat zijn om dergelijke afwegingen te maken.
Bieden de aanstaande uitkomsten van het WODC-onderzoek wat u betreft aanleiding voor een herziening van het interne handelingskader demonstraties bij de politie? Waarom wel of niet?
De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van zomer verwacht, waarna ik uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en een reactie daarop.
Deelt u de mening dat aandacht aan het demonstratierecht en de omgang met demonstranten niet moet worden beperkt tot de Mobiele Eenheid (ME)-opleiding en SGBO (Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden)-opleiding en dat veel meer groepen agenten vroeger of later met demonstranten te maken kunnen krijgen? Zo ja, bent u bereid in gesprek te gaan met de politie over een mogelijke herziening van het curriculum? Zo nee, waarom niet?
Executieve politiemedewerkers, ook zonder rol bij de Mobiele Eenheid (ME), kunnen in aanraking komen met demonstranten. In de basispolitieopleiding wordt aandacht besteed aan kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de omgang met demonstranten en het beschermen van het demonstratierecht. Aspiranten worden bijvoorbeeld getraind om sociaal vaardig te zijn. Ook worden ze getraind te handelen bij een dreigende situatie. Vaardigheden die hierbij aan bod komen zijn de-escaleren, handelen bij strafbare feiten en, indien noodzakelijk, proportioneel en subsidiair geweld toepassen. Trainingsscenario’s zijn bijvoorbeeld het beschermen van demonstranten en het handelen bij groepen die zich fysiek tegen de politie keren.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat overheidsoptredens rondom demonstraties niet gericht zijn op het ontmoedigen van deelname aan demonstraties en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat daarvan in de praktijk sprake is, doelen die u zelf aanhaalt in uw beantwoording op de schriftelijke vragen?
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden.
Zoals ik heb aangegeven in relatie tot de aanvulling van het handelingskader van de politie wordt op een evenredige manier omgegaan met contacten met burgers ten behoeve van informatievergaring.
Hoe wordt voorafgaand aan een huisbezoek aan demonstranten van de politie bepaald of mogelijk wanordelijkheden of strafbare feiten gepleegd zullen gaan worden door de betreffende demonstrant? Worden de rechten van demonstranten hierbij voldoende geborgd? Kunt u dit toelichten?
Voorafgaand aan een demonstratie kan de politie informatie over de aard en omvang van een demonstratie proberen te verzamelen om de demonstratie goed te kunnen begeleiden. In de informatie die de politie verzamelt kunnen aanwijzingen worden gevonden dat mogelijk wanordelijkheden of strafbare feiten gepleegd kunnen worden.
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden vervolgens gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden. Wanneer op basis van de beschikbare informatie contact wordt gelegd met een burger houdt de politie zich aan het recent aangescherpte handelingskader rondom demonstraties.
Daarnaast gelden voor de verwerking van politiegegevens de waarborgen uit de Wet politiegegevens. Op basis van de Wet politiegegevens dient de politie terughoudend om te gaan met het opvragen van gegevens van burgers. Daarbij wordt een afweging gemaakt of de bevraging noodzakelijk en proportioneel is voor de uitvoering van de politietaak. Zeker waar het gaat om demonstraties is dit van belang om te voorkomen dat potentiële demonstranten worden afgeschrikt.
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie dat de zichtbare aanwezigheid van de ME bij demonstraties als een rode lap op een stier kan werken, terwijl de politie escalatie juist wil voorkomen, en dat daarom beter moet worden afgewogen wanneer ME zichtbaar aanwezig is en wordt ingezet?
Allereerst merk ik op dat bij het overgrote deel van de demonstraties geen ME aanwezig is. De beslissing om ME in te zetten is aan het lokaal gezag.
De ME is ingericht om zoveel mogelijk de-escalerend te zijn. De ME werkt daarom vanuit het idee van flexibele inzet. Dit betekent dat tussen de volgende drie fasen kan worden geschakeld.
Met deze inrichting van de ME wordt zoveel mogelijk uitgegaan van de-escalatie. Dit houdt ook in dat enkel bij de meest dreigende situaties voor de veiligheid de ME met helm en schild zichtbaar is.
Bent u bereid alsnog een overzicht te leveren van hoe vaak en in welke situaties onaangekondigde huisbezoeken bij demonstranten worden ingezet? Zo niet, denkt u dat het nuttig is dergelijke bezoeken beter te registreren, gezien de kritiek van de Inspectie hierop?
Eerder heb ik aangegeven dat deze cijfers niet beschikbaar zijn en dat het niet mogelijk is om dit gevraagde overzicht te geven. De politie heeft in de aanvulling op het handelingskader opgenomen dat voortaan elk contact met een burger ten behoeve van informatievergaring over een demonstratie wordt geregistreerd in de politiesystemen.
Het bericht ’UvA verhaalt schade bezettingen mei 2024 niet op demonstranten’. |
|
Claire Martens-America (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «UvA verhaalt schade bezettingen mei 2024 niet op demonstranten»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Universiteit van Amsterdam (UvA) om de schade van bijna 1,5 miljoen euro, veroorzaakt tijdens de bezettingen op het Roeterseiland en Binnengasthuisterrein in mei 2024, niet op de demonstranten te verhalen vanwege juridische onhaalbaarheid?
De Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA) geeft aan dat het de juridische mogelijkheden grondig heeft onderzocht en op basis daarvan tot dit besluit is gekomen. Ik vertrouw erop dat dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer onwenselijk is dat de kosten van vernielingen en schade als gevolg van ordeverstorende rellen op universiteiten verhaald worden op onschuldige studenten en de belastingbetaler?
Ik vind het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden. Om schade te kunnen verhalen, moet duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Helaas is er bij rellen vaak sprake van chaotische, onoverzichtelijke situaties. Hierdoor is het niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 5. Uit het mediabericht, waar in de eerste vraag naar verwezen wordt, blijkt dat het grootste gedeelte van de schade is vergoed door de verzekeraar. Op deze manier komt de schade niet ten laste van het onderwijsbudget, en ook niet ten laste van de overheid en daarmee de belastingbetaler.
Deelt u de mening dat het onvermogen van de UvA om individuele demonstranten aansprakelijk te stellen voor de aangerichte schade een precedent schept dat toekomstige gewelddadige of vernielzuchtige protesten kan aanmoedigen, gezien het gebrek aan (financiële) consequenties voor de daders?
Er is helaas bij een aantal demonstraties een kleine groep die de demonstratie aangrijpt om willens en wetens herhaaldelijk en soms serieuze strafbare feiten te plegen, soms al direct nadat de demonstratie een aanvang heeft genomen.
In dit geval hebben dertien van de veertien vervolgde demonstranten van de bezettingen in mei voor de rechter gestaan. Acht van hen zijn veroordeeld, van wie vier tot een gevangenisstraf, voornamelijk voor geweld tegen de politie. In dit kader is ook van belang dat zoveel mogelijk schade wordt verhaald, maar dat is niet altijd mogelijk, zie de antwoorden op vragen 3 en 5.
Welke juridische belemmeringen maken het voor onderwijsinstellingen moeilijk om schade veroorzaakt door demonstranten op hen te verhalen?
In veel gevallen zijn belemmeringen om schade te verhalen niet zozeer juridisch maar praktisch van aard. Als de identiteit van dader niet bekend is en niet te achterhalen is, is het verhalen van schade praktisch onmogelijk, ook als de juridische mogelijkheden er zijn. Het civiele recht biedt verschillende mogelijkheden om schade te verhalen. Degene die door een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een ander, bijvoorbeeld aan eigendommen van een onderwijsinstelling, is verplicht om deze schade te vergoeden (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek).
Bij rellen kan er sprake zijn van onrechtmatige gedragingen in groepsverband. In dat geval is het vaak moeilijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Om te voorkomen dat een groepsdeelnemer die niet zelf rechtstreeks de schade heeft toegebracht, zich kan verweren met het betoog dat de schade ook zou zijn ontstaan als hij niet aan de rellen had deelgenomen, is de zogenoemde groepsaansprakelijkheid ingevoerd (artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek).
Bij groepsaansprakelijkheid gaat het om een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade.2 Ook voor groepsaansprakelijkheid is dus vereist dat de identiteit van de leden van de groep bekend is. Daarnaast moet hiervoor aan de volgende vereisten zijn voldaan:
Als aan deze vereisten is voldaan, zijn de deelnemers van de groep hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat de benadeelde elke individuele deelnemer kan aanspreken voor het volledige schadebedrag.
Of een benadeelde zich met succes op de groepsaansprakelijkheid kan beroepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Benadeelden kunnen hierbij praktische belemmeringen ervaren. Zo kan het moeilijk zijn om te achterhalen welke (groepen van) personen de schade hebben aangericht. Ik heb begrepen dat dat ook in de situatie waar deze Kamervragen betrekking op hebben (de pro-Palestinabezettingen in mei 2024) niet goed mogelijk is. Zoals ook blijkt uit het mediabericht waarnaar in de eerste vraag verwezen wordt, is de UvA wel voornemens om de schade van een kleine pro-Palestinabezetting op 21 juni 2024 te verhalen op demonstranten bij dat protest. Uit dat mediabericht blijkt dat deze vernielingen zijn aangericht in een kleinere ruimte en verricht door een klein aantal demonstranten.
Bent u bereid om deze belemmeringen te betrekken bij de uitvoering van de motie van de leden Six Dijkstra en Michon-Derkzen over het wegenemen van praktische en juridische belemmeringen om schadekosten te verhalen op vandalen en kan worden aangegeven wanneer de Kamer hierover wordt geïnformeerd?2
Over de uitvoering van de genoemde motie van de leden Six Dijkstra en Michon-Derkzen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd op 12 juni jongstleden in het Eerste Halfjaarbericht Politie 20255. Hierin is aangegeven dat het door het onoverzichtelijke en chaotische karakter van dergelijke situaties niet altijd mogelijk is om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor welke concrete schade. Politie en Openbaar Ministerie (OM) zetten zich altijd in om dit zoveel mogelijk te achterhalen.
Welke aanvullende maatregelen kunnen onderwijsinstellingen zelf treffen om tijdens protesten beter bewijs te verzamelen zodat het aansprakelijk stellen van relschoppers, zowel individueel als in groepsverband, haalbaarder wordt in de praktijk en op welke wijze ondersteunt het kabinet de onderwijsinstellingen hierbij?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 5 en 6 kunnen er tijdens protesten onoverzichtelijke en chaotische situaties ontstaan waardoor het niet mogelijk is een specifieke schade aan een dader te koppelen. Instellingen spannen zich in om studenten, personeel en bezoekers een veilige leer- en werkomgeving te bieden en het demonstratierecht te faciliteren. Indien bekend is of als er een vermoeden is dat er een demonstratie of bezetting zal plaatsvinden, dan treffen de onderwijsinstellingen zelf preventief maatregelen om schade en hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Instellingen leren van elkaars ervaringen in de omgang met protesten, maar het is voor instellingen geen doel op zich om de capaciteit van hun crisis- en veiligheidsorganisatie specifiek in te zetten louter om beter bewijs tegen relschoppers te verzamelen. Het uitvoeren van opsporingstaken is een taak van de overheid die uitgevoerd wordt door de politie onder het gezag van het OM. Indien er een opsporingsonderzoek wordt uitgevoerd naar de identiteit van de veroorzakers is er altijd overleg met de onderwijsinstellingen en worden waar nodig gegevens gevorderd.
Verder is het de verantwoordelijkheid van de individuele instelling om te beoordelen of het gevoerde beleid afdoende is, of dat er extra maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld het aanscherpen van het cameratoezicht op locaties met een verhoogd risico. Ik ondersteun de instellingen door regelmatig met bestuurders van instellingen te spreken over de omgang met protesten en waar nodig betrek ik daarbij ook vertegenwoordigers van de veiligheidsdiensten of de lokale driehoek.
Wat is de status van de uitvoering van de motie van het lid Boswijk over het makkelijker maken van het verhalen van schade op individuele relschoppers?3
Over de uitvoering van deze motie is uw Kamer door de Minister van Justitie en Veiligheid geïnformeerd via het Eerste Halfjaarbericht Politie 2025.
Klopt het dat er groepsaansprakelijkheid toepasbaar was bij schadeverhaal bij de Maagdenhuisbezetting in 2015 en in hoeverre is dat bij deze en andere recente rellen het geval?
Op 22 januari 2016 heeft de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in beantwoording van schriftelijke vragen7 aangegeven de zienswijze niet te onderschrijven dat in het geval van de Maagdenhuisbezetting de schade verhaalbaar was, omdat bij die bezetting nauwelijks kon worden gesproken van één bepaalde groep. Voorts verzamel ik als Minister geen gegevens over het wel of niet toepasbaar zijn van groepsaansprakelijkheid bij rellen in het hoger onderwijs. De individuele instellingen dienen zelf te beoordelen of ze hierop beroep kunnen doen en het is vervolgens aan de rechter om daarover uitspraak te doen.
Bij de recente Maagdenhuisbezetting van 14 april 2025 is er wel een groep aangehouden die zich binnen het gebouw verschanst had waar mogelijk sprake kan zijn van groepsaansprakelijkheid. De UvA heeft aangifte gedaan en aangegeven de kosten te willen verhalen op de bezetters.
Hoe is de motie van het lid Duisenberg c.s., die de regering verzocht alles in het werk te stellen om binnen de juridische mogelijkheden schade maximaal te verhalen op relschoppers, uitgevoerd?4
Zoals aangegeven in bovengenoemde brief van 22 januari 2016, heeft de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierover destijds meerdere malen gesproken met de UvA. Ik heb – zoals ik uw Kamer heb toegezegd – dit gesprek met de instellingen opnieuw gevoerd. De instellingen hebben aangegeven altijd aangifte te doen van strafbare feiten.
In hoeverre acht u het wenselijk dat universiteiten, zoals de UvA, afhankelijk zijn van verzekeringsuitkeringen om schade door gewelddadige protesten te dekken en wat gebeurt er als een claim door de verzekeraar afgewezen wordt?
Verzekeraars hebben een belangrijke maatschappelijk functie om de schade te vergoeden die kan ontstaan uit allerlei onvoorziene ingrijpende gebeurtenissen. Afhankelijk van de voorwaarden van de verzekeraar, geldt dit ook voor de schade als gevolg van ongeregeldheden. Als de verzekeraar de schade uitkeert, kan deze vervolgens regres nemen op de dader. Indien een verzekeraar een claim afwijst betekent dit dat de verzekeringsnemer de schade niet vergoed krijgt via de verzekeraar. De universiteit kan dan nog steeds proberen de schade rechtstreeks op de daders te verhalen, indien zij bekend zijn. Als dat niet mogelijk is, zijn zij aangewezen op eigen middelen.
Deelt u de mening dat wannneer relschoppers strafrechtelijk worden vervolgd voor strafbare feiten die zijn gepleegd tijdens rellen bij onderwijsinstellingen, onderwijsinstellingen altijd zich zouden moeten voegen in het strafproces om een vordering benadeelde partij in te stellen en – los van civielrechtelijke procedures – ook strafrechtelijk maximaal in te zetten op verhaal van schade op relschoppers? Zo ja, hoe vaak is dat de afgelopen tien jaren gebeurd?
Als onderwijsinstellingen schade hebben geleden als gevolg van rellen zijn er verschillende mogelijkheden om de schade te verhalen. Welke weg gekozen wordt, bepalen de instellingen zelf. Daar hoort ook zeker de mogelijkheid bij om zich met hun schade als benadeelde partij te voegen bij het strafrechtelijk proces tegen de daders van strafbare feiten. Als de rechter de schadevordering toewijst en de schadevergoedingsmaatregel oplegt, int het CJIB de schade voor de universiteit bij de dader. Dat hoeft de universiteit niet zelf te doen. Verder kan de strafrechter bij een voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde opleggen het storten van een geldbedrag aan het Schadefonds geweldsmisdrijven of aan een instelling die slachtofferbelangen behartigt.
Andere mogelijkheden zijn ook het verhalen van de schade via de verzekeraar. Als de verzekeraar de schade uitkeert, kan de verzekeraar vervolgens regres nemen op de daders. Als de daders bekend zijn, kunnen universiteiten de schade ook op hen verhalen via het civiele recht. Ten aanzien van de vraag hoe vaak dit de afgelopen tien jaar is gebeurd, heeft de rechtspraak laten weten dat deze informatie niet beschikbaar is in de managementinformatiesystemen. Ook ik beschik niet over informatie over rechtszaken die onderwijsinstellingen aangaan.