Bent u bekend met de uitzending van Het Misdaadbureau (NPO Radio 1) van 31 maart 2023, waarin wordt gesproken over een project omtrent de aanpak van ondermijning en criminele uitbuiting op scholen dat in gang is gezet op een aantal mbo-scholen in Noord-Brabant?
Ja.
Heeft u in beeld op hoeveel (mbo-)scholen in Nederland signalen worden opgevangen van ondermijning en criminaliteit, maar ook en op welke manier en in welke omvang scholieren en studenten worden geronseld door criminelen? Zo ja, kunt u dit beeld delen? Zo nee, op welke wijze gaat u meer inzicht krijgen?
Op dit moment bestaat er geen (totaal)beeld van het aantal signalen of op welke manier en in welke omvang scholieren en studenten worden geronseld door criminelen. Onderwijsinstellingen staan midden in de maatschappij, waardoor het aannemelijk is dat (mbo-) scholen ook in mindere of meerdere mate te maken hebben met criminaliteit en ondermijning. Onderwijsinstellingen hebben geen opsporingstaak, maar zijn wel verantwoordelijk voor de veiligheid op school. (Mbo-)scholen zorgen voor een veilige leer- en werkomgeving voor hun leerlingen, studenten en personeel. Dat vraagt onder meer dat scholen inzetten op het voorkomen, herkennen en aanpakken van grensoverschrijdend gedrag. Het mbo moet zich houden aan verschillende wettelijke bepalingen en eisen bij de vormgeving van veiligheidsbeleid. Zo verplicht de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), uitgewerkt in de cao mbo, de mbo-scholen hun personeel en studenten te beschermen tegen onder andere psychosociale arbeidsbelasting, geweld en pesten. Jaarlijks moeten de scholen inventariseren welke fysieke en sociale veiligheidsrisico’s er zijn en moeten maatregelen worden getroffen om deze risico’s aan te pakken. Ook zijn (mbo-)scholen verantwoordelijk voor het bieden van veiligheid bij incidenten en een veilige infrastructuur op school. Van scholen mag worden verwacht dat zij inzicht hebben in de veiligheidsbeleving van studenten, hier beleid op voeren en effectief handelen bij signalen van onveilige situaties. Om zorgwekkend gedrag, waaronder crimineel gedrag, te signaleren zijn er meerdere instrumenten beschikbaar, die scholen kunnen inzetten. Zo bekostigt het Ministerie van OCW al jaren de Stichting School en Veiligheid (SSV). Hier kunnen scholen terecht voor advies, ondersteuning, kennis en tips. Zo heeft SSV in 2019 het instrument «niet pluis tool» opgeleverd. De «niet pluis tool» biedt houvast bij het gesprek met of over een leerling of student die zorgwekkend gedrag vertoont. Afhankelijk van de uitkomst kunnen verdere acties worden ondernomen. Daarnaast zijn interventies beschikbaar in de Kennisbank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut.
Er kan ook sprake zijn van criminele uitbuiting van leerlingen. Bij criminele uitbuiting wordt iemand gedwongen tot het plegen van strafbare feiten. Slachtofferschap en daderschap lopen vaak door elkaar heen. Iemand die op het eerste gezicht een dader van een strafbaar feit lijkt te zijn, blijkt bij nader inzien een slachtoffer van uitbuiting te zijn.
In 2020 is een landelijk onderzoek gedaan naar de aard en omvang van criminele uitbuiting, als onderdeel van de integrale aanpak criminele uitbuiting. Uit dit onderzoek – uitgevoerd door het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (hierna: CKM) en gepubliceerd op 30 juni 2022 – wordt een schatting gemaakt van 2.500 vermoedelijke slachtoffers van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar in dertien onderzochte steden.1 Dit cijfer betreft een schatting; het officiële registratiecijfer ligt lager. Criminele uitbuiting is namelijk een zogeheten «haaldelict»: slachtoffers herkennen zichzelf niet altijd als zodanig en delen hun situatie derhalve ook niet (proactief) met de eerstelijns professionals. Vanwege het strafbaar handelen van een slachtoffer is het voor professionals lastig om dwangmiddelen te identificeren. Tussen 2016 en 2020 kreeg het landelijk Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (CoMensha) zicht op 672 slachtoffers van criminele uitbuiting. Op 22 augustus 2022 heb ik hierover Kamervragen beantwoord van de leden Bikker en Verkuijlen.2
Eerder zijn de motie-Kuik (Kamerstuk 29 240, nr. 116) en motie-Kuik c.s. (Kamerstuk 29 911, nr. 266) aangenomen door de Kamer, waarin wordt oproepen om scholen te ondersteunen in de aanpak van het ronselen en uitbuiten van jongeren voor de criminaliteit. Wat zijn tot nu toe de ervaringen van de scholen op dit punt en in hoeverre voelen de scholen zich op dit moment voldoende toegerust?
Scholen beschikken over handreikingen en instrumenten om leerlingen en studenten die zorgwekkend gedrag vertonen in beeld te krijgen en – indien nodig – in te grijpen. Samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en de onderwijsraden blijf ik in gesprek over de toereikendheid van de beschikbare protocollen en over een effectieve aanpak van criminele uitbuiting op onze scholen. Voor jeugdcriminaliteit ligt de moeilijkheid in het signaleren van de problematiek. Hiervoor zetten we in op de bewustwording op scholen, onder meer door de inzet van SSV.
Via het spel «Onder mijn Ogen», dat wordt gebruikt door een aantal mbo-scholen in Noord-Brabant, leren docenten signalen van criminele uitbuiting en ondermijning herkennen bij hun studenten. Zijn inmiddels de resultaten bekend van dit project? Zo ja, wat zijn hierbij de ervaringen van trainers en docenten?
Het Ministerie van JenV heeft in 2021 een subsidie verleend aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV) voor de ontwikkeling van het spel. «Onder mijn Ogen». Eind 2022 is een gebruikersevaluatie gedaan door het CCV onder deelnemende docenten na de eerste proeflessen. Het spel maakt docenten bewust van signalen van ondermijnend gedrag van studenten. Omdat het onderwerp op school met de eigen collega’s wordt besproken, is de drempel daarna lager om eventuele zorgen en signalen bij de zorgcollega’s neer te leggen. Over het algemeen blijkt uit de evaluatie dat het spelen van het spel als zinvol is ervaren om gezamenlijk met collega’s over het onderwerp ondermijning te spreken.
Worden op andere plekken dan op mbo-scholen in Noord-Brabant soortgelijke trainingen gegeven aan docenten om ondermijning en criminele uitbuiting te signaleren? Zo nee, bent u bereid om deze campagne breder in te zetten op scholen door heel Nederland, wanneer de resultaten van het project in Noord-Brabant positief zijn?
Er bestaan diverse instrumenten of workshops die scholen kunnen inzetten om hun docenten bewuster te maken van signalen van aanwezigheid georganiseerde en ondermijnende criminaliteit of criminele uitbuiting. Op dit moment wordt bekeken of het spel «Onder mijn ogen» nog een jaar kan worden gefinancierd, en kritisch kan worden geëvalueerd. Immers, het is belangrijk dat dergelijke trainingen effect hebben. Mocht dat uit de evaluatie zo blijken dan is het spel, na dat jaar, beschikbaar voor scholen.
Onderwijsinstellingen bepalen zelf hoe zij hun onderwijs inrichten en welke trainingen zij daarbij gebruiken. In beginsel verstrekt OCW (en de Rijkspartners) géén subsidie voor het ontwikkelen of aanbieden van lesmaterialen c.q. lespakketten. Het programma Preventie met Gezag streeft er naar dat succesvolle instrumenten en/of interventies breed onder de aandacht worden gebracht bij gemeenten en, in dit geval, onderwijsinstellingen. Informatie over instrumenten die positief gewaardeerd worden is ook beschikbaar via het CCV en de Stichting School en Veiligheid. Indien het spel «Onder mijn Ogen» bereid is beoordeeld te worden door een onafhankelijke erkenningscommissie kan deze ook worden opgenomen in de databank Effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut.
Deelt u de mening dat docenten goed op de hoogte moeten zijn van hoe zij signalen van ondermijning en drugscriminaliteit op scholen kunnen herkennen, maar ook waar en hoe ze dit (anoniem) kunnen melden? Zo ja, op welke wijze gaat u dat bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dit zie ik in een breder verband. Allerlei maatschappelijke relevante zorg- en veiligheidsthema’s komen namelijk de school binnen, zoals huiselijk geweld, misbruik, seksueel overschrijdend gedrag, mensenhandel, radicalisering, criminalisering, drugs- en wapenbezit, suïcide gedachten, depressie, obesitas, anorexia en mishandeling. Dit brede spectrum van zorg- en veiligheidsvraagstukken zorgt voor een zeer grote druk op het onderwijspersoneel. Dit terwijl de kerntaak van het onderwijs het lesgeven is. Uiteraard is het belangrijk dat -in het verlengde van de pedagogische rol van een docent- signalen van probleemgedrag herkend kunnen worden, en daar waar dit zorgwekkend is dat zij weten hoe dit gemeld kan worden bij een (interne) zorg coördinator of een (externe) wijkgebonden politieagent met een schooltaak. Docenten kunnen bij signalen gebruik maken van de eerder genoemde «niet pluis tool». Daar staat in waar docenten een melding kunnen doen. Dit zijn de reguliere kanalen. Zoals in de beantwoording van vraag 7 staat heeft de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs al een meldplicht bij ernstige incidenten toegezegd.
Bent u bereid om een landelijke meldcode voor docenten in te voeren, zodat het voor hen duidelijk is waar en hoe zij melding moeten maken van ondermijning op scholen?
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs heeft een meldplicht bij ernstige incidenten toegezegd. Op dit moment werkt hij aan een meldplicht voor het funderend onderwijs. Dit gebeurt naar het voorbeeld van het bestaande systeem rondom schorsing en verwijdering, die het schoolbestuur heeft richting de Inspectie van het Onderwijs (IvhO). Hierdoor geldt straks ook dat voor ernstige incidenten een melding moet worden gedaan bij de IvhO. Naast het melden van incidenten omtrent het bezit, handel in of gebruik van vuurwapens, zullen hier ook andere vormen van ondermijning onder vallen die ernstige sociale, fysieke of psychische gevolgen hebben voor een leerling, ouder of personeelslid. De IvhO bekijkt vervolgens de meldingen en neemt zo nodig contact op met de school voor nadere toelichting, overleg of onderzoek. Vóór de zomer zal de internetconsultatie gestart worden. Hierin zal ook een volledig overzicht staan van alle veiligheidsincidenten die de school moet melden.
Deze meldplicht van de school bij de IvhO heeft als doel toe te zien op de kwaliteit van het veiligheidsbeleid op school en de inzet daarvan door het bestuur te toetsen. Naar verwachting zal het hiervoor benodigde wetsvoorstel, eind 2023 aan uw Kamer worden aangeboden, zodat deze per 2025 in werking kan treden. Scholen kunnen, voordat zij straks verplicht zijn dit te doen, nu al een melding maken bij de IvhO van een situatie waar zorgen over zijn. Zij kunnen bij incidenten omtrent seksueel misbruik, seksuele intimidatie, ernstig fysiek of psychisch geweld en discriminatie of radicalisering ook terecht bij een vertrouwensinspecteur van de IvhO.
In hoeverre worden in het programma Preventie met Gezag ook onderwijsinstellingen betrokken?
In het kader van «Preventie met gezag» wordt in veel gemeenten ingezet op het herkennen van de signalen en het vervolgens inzetten van de passende interventies. Hierbij wordt altijd gekeken naar de lokale problematiek om maatwerk in te zetten. In een aantal gemeenten betekent dit dat er wordt ingezet op het verhogen van kennis bij professionals over uitbuiting of jonge aanwas. Ook zetten sommige gemeenten in op de ontwikkeling of versterking van de Veilig in en om school (VIOS) aanpak. De rol van de gemeente is hierbij van groot belang. De gemeente kan met de politie, jeugdzorg, jongerenwerk en de scholen afspraken maken (veiligheidsconvenanten) om gezamenlijk jeugdcriminaliteit aan te pakken. Preventie met gezag is een lerende aanpak waarin continue kennis wordt uitgewisseld via een lerend netwerk. Schoolveiligheid zal hier ook in worden besproken. Daarnaast zetten we ons in voor de verspreiding van geleerde lessen over de rest van Nederland.
Het aansteker incident tijdens de wedstrijd Feyenoord-Ajax |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het aansteker incident tijdens de wedstrijd Feyenoord-Ajax en met feit dat voetbalvandalisme en spreekkoren weer dreigen toe te nemen?1
Ja, ik ben bekend met het aansteker incident tijdens de wedstrijd Feyenoord-Ajax. Het bekogelen van spelers en andere vormen van vandalisme tijdens wedstrijden in en buiten stadions is niet normaal. Dat geldt ook voor alle vormen van discriminerende spreekkoren. Dergelijk publiek hoort niet thuis in stadions.
Op dit moment kan nog niet worden gesteld dat voetbalvandalisme en spreekkoren dreigen toe te nemen. Na afloop van het voetbalseizoen wordt de veiligheidsmonitor met cijfers over voetbalvandalisme gepubliceerd. Dit geeft een breder beeld over de ontwikkelingen.
Bent u bekend met de initiatiefnota «Voetbal weer een feest voor iedereen!»?2, 3
Ja, ik heb kennis genomen van de initiatiefnota van de leden De Mos (PVV), Van Dekken (PvdA) en Çörüz (CDA).
Kunt u duiden waarom tal van goede voorstellen uit deze initiatiefnota geen concrete uitvoering hebben gehad?
Met de initiatiefnota (2011–2012) hebben de leden De Mos, Van Dekken en Çörüz waardevolle suggesties gedaan in de strijd tegen voetbalvandalisme, waarbij enerzijds de goedwillende supporters worden gekoesterd en anderzijds de raddraaiers stevig worden aangepakt. Zoals mijn ambtsvoorganger in de reactie op de initiatiefnota heeft vermeld zijn de vervolgens aangescherpte maatregelen en gemaakte afspraken met de betrokkenen partijen mede geïnspireerd door de initiatiefnota.4 Niettemin werden in de afgelopen jaren maatregelen continu aangescherpt ter versteviging van de aanpak tegen voetbalvandalisme. Zoals recentelijk nog naar aanleiding van het aansteker incident waarnaar in de eerste vraag wordt verwezen. Het is een voortdurend proces waarbij continu geëvalueerd en bekeken wordt of en welke aanscherpingen nodig zijn. In de afgelopen jaren zijn dan ook tal van de goede voorstellen in uitvoering gebracht. Bij de beantwoording van de andere vragen hieronder zal nader uiteen worden gezet hoe hieraan invulling is gegeven. In 2021 is de voetbalwet geëvalueerd, waaruit bleek dat het huidige instrumentarium er is, maar beter toegepast moet worden.5
Wat is de uitvoering van de suggestie tot hogere straffen, forse uitbreiding van gebieds- en stadionverboden? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
In de initiatiefnota wordt het voorstel gedaan om de strafeis met 200 procent te verhogen. Ik onderstreep het belang dat voetbalvandalisme- en geweld hard moet worden aangepakt. Supporters die zich misdragen kunnen op dit moment rekening houden met een strafverhoging van 50 procent en als het een vuurwerkdelict betreft zelfs 200 procent. Zo heeft een Ajax supporter voor het gooien van een mortierbom drie jaar celstraf opgelegd gekregen.6 Zoals toegezegd in de Kamerbrief van 17 april jl. wordt verkend of een stevigere rol voor het strafrecht model nodig is. Ten behoeve daarvan ben ik in gesprek met deskundigen en met de Engelse autoriteiten om te spreken over het Engelse model en hoe we kunnen leren van de ervaringen uit Engeland en een aantal andere landen.
Gezien de menigte tijdens voetbalwedstrijden is het soms lastig om daders te identificeren. Per 1 maart jl. heeft de KNVB de licentie-eisen aangescherpt voor wat betreft de kwaliteitseisen ten aanzien van camera’s, waardoor alle clubs worden verplicht om over kwalitatief goede camera’s te beschikken. Dit zal, in lijn met de zorgen van de initiatiefnemers, ten goede komen aan het vergroten van de pakkans en het effectief opsporen en identificeren van de daders.
Verder hebben de initiatiefnemers een aantal suggesties gedaan voor de uitbreiding van stadion- en gebiedsverboden. Allereerst hebben de initiatiefnemers een voorstel gedaan voor het strafrechtelijk opleggen van een stadionverbod. In de huidige situatie kan op grond van artikel 14c en artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht al een strafrechtelijk stadionverbod opgelegd worden. Middels artikel 14c kan het stadionverboden worden gevorderd in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf en middels artikel 38v wordt een stadionverbod geëist in de vorm van een vrijheid beperkende maatregel. Over een strengere aanpak van voetbalvandalisme en voetbal geweld zijn ook afspraken met ketenpartners gemaakt. Waar mogelijk doet het OM zaken tegen voetbalvandalen via de ZSM-aanpak binnen een week af en past bij voetbal gerelateerd geweld snelrecht toe.
Verder hebben de initiatiefnemers een voorstel gedaan om een strafrechtelijk opgelegd stadionverbod automatisch een landelijk gebiedsverbod te laten zijn, met al dan niet een meldplicht. Het OM vordert ter terechtzitting betreffende voetbal gerelateerd geweld tegen personen of goederen of racistisch, discriminerend gedrag naast een taakstraf of gevangenisstraf een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Wetboek van Strafrecht) inhoudende een gebieds-/stadionverbod met eventueel een meldplicht. In sommige gevallen wordt zodoende al invulling gegeven aan de voorstel van de initiatiefnemers. In geval van een strafrechtelijk stadionverbod is het uitgangspunt dit zoveel mogelijk te combineren met een meldingsplicht. In geval van recidiverende voetbalvandalen neemt de noodzaak van een meldingsplicht toe. Onder recidiverende voetbalvandalen worden ook degenen verstaan die eenmaal of meermalen een civielrechtelijk stadionverbod (huisvredebreuk) hebben overtreden.
Ter ondersteuning van de vordering aan de rechter tot het opleggen van een stadionverbod kan de officier van justitie in het kader van de Wet bestrijding voetbalvandalisme en overlast zijn bevoegdheid tot het opleggen van een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast inzetten. Mogelijkheden die art. 509hh Wetboek van Strafvordering biedt zijn het opleggen van een gebiedsverbod in de vorm van een strafrechtelijk stadionverbod met daaraan gekoppeld een meldingsplicht, verplicht contact met de hulpverlening of een contactverbod met (een) bepaalde perso(o)n(en). Deze gedragsaanwijzing loopt vooruit op de strafrechtelijke afdoening door de rechter; de wetgever heeft daarmee de mogelijkheid gecreëerd om een lik-op-stukreactie te geven.
Het automatisch opleggen van een landelijk gebiedsverbod met al dan niet een meldplicht bij het opleggen van een strafrechtelijk stadionverbod alsmede het uitbreiden van een gebiedsverbod voor alle voetbalwedstrijden in Nederland en grote evenementen is niet in alle gevallen proportioneel en een te grote ingreep op de persoonlijke levenssfeer, wat maakt dat een individuele afweging hierin noodzakelijk is.
Ook wordt in de nota gepleit voor een strengere aanpak van first offenders. Begin 2015 is de Wet bestrijding voetbalvandalisme en overlast aangescherpt. Met de wijziging is het voor burgemeesters mogelijk gemaakt first offenders, die zich ernstig hebben misdragen waardoor de openbare orde verstoord is, een forse maatregel op te leggen. Elk incident betreft maatwerk, waarin een afweging wordt gemaakt welke straf of maatregel het meeste effect zal hebben.
Middels de ontwikkeling van een app, de digitale meldplicht, wordt bijgedragen aan het voorkomen dat relschoppers (al dan niet met een stadionverbod) opnieuw onrust veroorzaken in en rondom stadions. Een zwaarwegende en ingrijpende maatregel als een enkelband, zoals voorgesteld in de initiatiefnota, acht ik in dit geval voor niet nodig, aangezien met een digitale meldapp hetzelfde doel wordt bereikt.
Wat is de uitvoering van de suggestie dat relschoppers hun stad niet mogen uitreizen tijdens uitwedstrijden en dat ze een meldplicht of een enkelband zouden krijgen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Er zijn al mogelijkheden om te voorkomen dat relschoppers ook overlast veroorzaken bij uitwedstrijden in het buitenland.7 Een stadionverbod op basis van de standaardvoorwaarden van de KNVB is geldig in het buitenland vóór, tijdens en na afloop van een voetbalwedstrijd of voetbalevenement waaraan een BVO of een vertegenwoordigend elftal van de KNVB deelneemt. Een stadionverbod is zodoende geldig voor wedstrijden van de club dat deelneemt aan een Europese competitie.
Verder kan de officier van Justitie onder de voorwaarden van artikel 509hh van de Wetboek van Strafvordering een verdachte een gedragsaanwijzing in de vorm van een meldplicht geven, die dus ook van betekenis kan zijn bij het uitreizen naar een wedstrijd in het buitenland. Op dit moment wordt daarmee uitvoering gegeven aan de suggestie relschoppers niet uit te laten reizen. Ook loopt momenteel een onderzoek vanuit het WODC waarbij nog nadrukkelijker gekeken wordt naar overdraagbaarheid sancties tussen Nederland en België.
Hoe vaak hebben rechters hoge boetes opgelegd aan voetbalvandalen en wat bedraagt de hoogte van die boete? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Pas na afloop van het voetbalseizoen worden alle cijfers gepubliceerd die antwoord geven op deze vraag.
Wat is er terechtgekomen van het idee om de Voetbalwet breder dan alleen voetbal te trekken, zodat degene die in de fout gaat bij een wedstrijd ook niet meer naar een groot dancefeest of ander evenement mag? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Het automatisch breder trekken van de Voetbalwet, zodat degene die in de fout gaat bij een wedstrijd ook niet meer naar een groot dancefeest of ander evenement mag, leidt tot situaties die niet proportioneel en een te grote ingreep op de persoonlijke levenssfeer zijn, zoals toegelicht in vraag vier.
Deelt u de mening dat u naast meehuilen met de wolven in het bos vooral aan de slag moet met oplossingen die in de initiatiefnota tegen voetbalvandalisme zijn aangedragen? Zo ja, kunt in uw antwoord aangeven wat u concreet gaat doen?
Ik ben, zoals ik in mijn brief van 17 april jl. heb aangegeven, van mening dat het beschikbare instrumentarium, zowel civielrechtelijk, bestuursrechtelijk als strafrechtelijk, om voetbalvandalisme effectief aan te pakken nóg strakker, nóg consequenter en nóg steviger moet worden toegepast om te voorkomen dat wedstrijden worden verstierd door asociaal gedrag. Hierbij ligt de grootste verantwoordelijkheid bij de clubs. De afgelopen wedstrijden laten zien dat de maatregelen goed worden toegepast. Veel wedstrijden zijn stilgelegd en, indien nodig, gestaakt. Niet alleen tijdens en achteraf, maar met name ook ervóór moeten maatregelen worden getroffen. Enerzijds door nog duidelijker te maken wat de consequenties van zulk gedrag zijn. Ik ben met de KNVB, gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in gesprek hoe we beter en breder inzichtelijk kunnen maken wat de consequenties van dergelijk asociaal gedrag zijn. Anderzijds doordat supporters en spelers elkaar op zulk gedrag blijven aanspreken en om ervoor te zorgen dat de regels die we met elkaar hebben afgesproken, ook in de praktijk goed werken en worden ingezet. Hier geven we in intensieve samenwerking binnen de regiegroep Voetbal en Veiligheid en in nauw contact met supporters invulling aan. Ik zal daarbij ook kijken of, en zo ja hoe, er in ons model een stevigere rol voor het strafrecht kan komen. Ten behoeve daarvan ben ik in gesprek met deskundigen en met de Engelse autoriteiten om te spreken over het Engelse model en hoe we kunnen leren van de ervaringen uit Engeland en een aantal andere landen.
Stadionverboden en geweld tegen voetbalspelers |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is het nut van een stadionverbod als er niet met een meldplicht kan worden gegarandeerd dat supporters ook daadwerkelijk het stadion niet meer inkomen? Welke andere manieren zijn er om supporters met een stadionverbod buiten de deur te houden en hoe effectief zijn die?
Een civielrechtelijk stadionverbod kan worden opgelegd door een voetbalorganisatie voor het eigen stadion (lokaal stadionverbod) én door de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) voor de aangesloten voetbalclubs en hun stadions (landelijk stadionverbod). Navraag bij de KNVB leert dat weinig overtredingen van landelijk stadionverboden te zien zijn. Als een persoon met een stadionverbod wordt gesignaleerd dan zijn de clubs verplicht om een melding te doen bij de KNVB. Afgelopen voetbalseizoen zijn in totaal 27 sancties opgelegd voor het overtreden van een landelijk stadionverbod in het stadion en 8 keer voor het overtreden van een stadionverbod buiten het stadion.
De handhaving van deze stadionverboden vindt plaats door kaartverkoop op naam, een kwalitatieve en kwantitatieve veiligheidsorganisatie, een goede toegangscontrole verzorgd door stewards en beveiligers en goed cameratoezicht. Zie ook mijn antwoord op vragen drie en vijf.
Voetbalclubs en de KNVB kunnen geen meldplicht aan een stadionverbod verbinden. Zij zijn slechts bevoegd maatregelen te treffen met betrekking tot hun eigen stadions. De burgemeester, de officier van Justitie en de strafrechter kunnen aanvullend op een stadionverbod een gebiedsverbod (met meldplicht) opleggen. In het geval van een bestuurlijk opgelegde meldplicht dient er sprake te zijn van de vrees van openbare ordeverstoringen. Niet in elke situatie is hier sprake van. Het niet nakomen van een dergelijke meldplicht betreft een misdrijf, zie artikel 184a Wetboek van Strafrecht dat onder «titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag». In de beantwoording van vraag vijf wordt hierop nader ingegaan.
Hoeveel supporters hebben een stadionverbod vanwege het gooien van een beker bier naar het veld of het illegaal doorverkopen van kaarten, zoals blijkt uit uwantwoord op vraag zes?1
Sinds de start van dit seizoen (1 juli 2022) tot en met 18 april 2023 hebben er 176 personen een landelijk stadionverbod opgelegd gekregen voor het gooien van voorwerpen en/of vloeistoffen. In dezelfde periode hebben 13 personen een landelijk stadionverbod opgelegd gekregen voor het aanbieden/doorverkopen van kaarten.
Hoe worden stadionverboden precies gehandhaafd?
Zoals ik in mijn brief van 17 april jl. heb gemeld kunnen personen met een stadionverbod geen kaarten kopen voor voetbalwedstrijden in Nederland. Personen met een stadionverbod komen op een zogenaamde blacklist in de centrale database voor clubcards en seizoenkaarten van alle betaald voetbalclubs te staan. Ook kan een kaart maar éénmalig gescand worden. Hiermee wordt voorkomen dat kaarten doorgegeven kunnen worden buiten het stadion op het moment dat de kaarthouder in het stadion is. Wanneer een supporter zijn kaart uitleent aan een stadionverbodhouder, dan blijft de eigenlijke kaarthouder verantwoordelijk voor degene die op zijn kaart naar de wedstrijd gaat. In dit geval kan ook de eigenlijke kaarthouder civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, omdat hij niet voldoet aan de regelementen van de betaald voetbalorganisatie en de KNVB.
In het kader van de geïntensiveerde aanpak zijn er tevens aanvullende afspraken gemaakt voorafgaand aan het lopende voetbalseizoen. Zo zijn de licentie-eisen van de KNVB aangepast, waardoor er scherpere eisen worden gesteld aan de hoeveelheid en de kwaliteit van de camera’s in en rondom stadions. Hiermee wordt de pakkans van overtreders vergroot. Deze eis geldt met ingang van 1 maart jl. Ook zijn er aanvullende eisen gesteld aan de veiligheidsorganisatie van de clubs. In het kader van de geïntensiveerde aanpak is tevens de Richtlijn termijn stadionverbod van de KNVB aangescherpt. Stadionverboden gelden niet alleen voor voetbalstadions, maar ook voor alle overige evenementen waaraan een club deelneemt. Tevens is er nu de mogelijkheid om een levenslang stadionverbod op te leggen indien een persoon voor de derde keer een landelijk stadionverbod van 12 maanden of langer krijgt (three strikes out principe). Ook is het bezit en/of voorhanden hebben van gezichtsbedekkende materialen als gedragingen aangemerkt voor voetbal gerelateerd wandgedrag (dit kan ook mis-/gebruikt worden door stadionverbodhouders). Er wordt daarnaast door clubs goed gebruik gemaakt van de landelijke Taskforce, onder andere voor het opleggen van stadionverboden. De Taskforce ondersteunt bij het uitkijken van beelden, het opmaken van dossiers en biedt tevens juridische ondersteuning bij het verhalen van schade. Deze aanpak wordt door de KNVB als succesvol beschouwd.
Waarom zijn stadionverboden niet landelijk? Deelt u de mening dat supporters die een verbod hebben voor het ene stadion ook niet welkom zouden moeten zijn in andere stadions?
Een stadionverbod opgelegd door de KNVB is altijd landelijk en geldt voor alle stadions. Daarnaast kunnen clubs een lokaal stadionverbod opleggen. In het geval van een lokaal stadionverbod betreft dit enkel het stadion van de club. Dit verbod wordt opgelegd op basis van de huisregels van de club. Op dit moment zijn er slechts enkele opgelegde lokale (stadion)verboden en verder alleen maar landelijke stadionverboden opgelegd. Ik ben het met u eens dat personen die voor overlast of onrust zorgen hard moeten worden aangepakt. Daarbij moet wel elke situatie individueel worden bekeken en beoordeeld.
Wanneer krijgen supporters ook een meldplicht in combinatie met het stadionverbod?
Laat ik vooropstellen dat het niet haalbaar of wenselijk is dat alle stadionverboden worden gecombineerd met strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregelen zoals een meldplicht. Het opleggen van een meldplicht is niet in alle gevallen proportioneel. Het al dan niet opleggen van dergelijke maatregelen is een bevoegdheid van het lokaal gezag en vraagt altijd een lokale afweging en maatwerk.
De burgemeester heeft op grond van artikel 172a van de Gemeentewet onder bepaalde omstandigheden een bevelsbevoegdheid tot het opleggen van een gebiedsverbod, groepsverbod of meldplicht. De burgemeester mag een maatregel, zoals de meldplicht, opleggen als er sprake is van herhaaldelijke of ernstige groepsgewijze of individuele verstoring van de openbare orde. Op grond van het tweede lid kan de burgemeester tevens een bevel geven aan een persoon aan wie door een private organisatie (zoals de club of de KNVB) een sanctie is opgelegd, wegens gedrag dat bij de burgemeester ernstige vrees doet ontstaan dat die persoon de openbare orde zal verstoren. De burgemeester is daarmee onder meer bevoegd tot het opleggen van een meldplicht in aanvulling op een civielrechtelijk stadionverbod. De burgemeester moet de noodzaak voor een aanvullende maatregel motiveren.
De officier van justitie kan op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering bij ernstige bezwaren jegens de verdachte én verdenking van een strafbaar feit een gedragsaanwijzing in de vorm van een meldplicht opleggen. Dit zal meestal in combinatie met een omgevings- of gebiedsverbod plaatsvinden bij recidive. Deze gedragsaanwijzing loopt vooruit op de strafrechtelijke afdoening door de rechter. De wetgever heeft de mogelijkheid gecreëerd om een lik-op-stukreactie te geven.
Hoeveel mensen hebben er nu in Nederland een stadionverbod?
Volgens de cijfers van de KNVB hebben op dit moment 1747 personen een lopend landelijk stadionverbod.
Voor hoeveel supporters bestaat er nu een meldplicht in Nederland?
Helaas zijn hiervan geen cijfers beschikbaar.
Hoeveel capaciteit zou er nodig zijn bij de politie als alle stadionverboden worden gecombineerd met een meldplicht?
Hoeveelheid capaciteit er precies nodig zou zijn bij de politie als alle stadionverboden worden gecombineerd met een meldplicht is niet op voorhand te zeggen. Wat wel gesteld kan worden is dat het ieder weekend controleren van ruim 1.700 personen met een stadionverbod een significante belasting voor de beschikbare politiecapaciteit zou zijn. Ook het opstellen van de noodzakelijke processen-verbaal of bestuurlijke rapportages, die ten grondslag liggen aan een meldplicht, is een arbeidsintensief proces. Voordat burgemeesters, officieren van justitie of rechters over kunnen gaan tot het opleggen van een meldplicht moet namelijk aan wettelijke voorwaarden worden voldaan en moet het feitencomplex dit rechtvaardigen. Hiervoor dient de politie hen te voorzien van een bestuurlijke rapportage of een proces-verbaal met een beschrijving van de (strafbare) feiten van de betreffende persoon en pas dan kan – na een juridische toets – worden besloten een meldplicht op te leggen.
Welke redenen zijn er om de meldplicht bij de politie te beleggen? Zijn er ook andere instanties die deze verantwoordelijkheid kunnen dragen?
Burgemeesters, officieren van justitie en strafrechters kunnen een fysieke meldplicht opleggen en zij bepalen wat de locatie, frequentie en tijdstip van de melding is. De meldplichtige moet zich vervolgens bij een nader aangegeven instantie op een nader aangegeven tijdstip (al dan niet meerdere malen gedurende een langere periode) melden. Doorgaans wordt gekozen voor een politiebureau, gelet op bereikbaarheid, nabijheid en openingstijden. Bij de meldplicht is het belangrijk dat er een goede registratie wordt gemaakt of de meldplichtige zich daadwerkelijk heeft gemeld. Het niet naleven van de maatregel opgelegd door de burgemeester is een strafbaar feit. Van de (niet)melding moet een op ambtseed proces-verbaal gemaakt worden.
Is het mogelijk om de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) verantwoordelijk te maken voor het controleren van de meldplicht? Wat zijn daar de voor- en nadelen van?
De identiteitsvaststelling en het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal is een taak van de politie, zie het antwoord op vraag 9.
Dit kan door politie op locatie van de KNVB Campus plaatsvinden, zo lang ook daar de registratie in de politiesystemen kan plaatsvinden. Echter, dit is dus geen oplossing om politiecapaciteit te verminderen. Daarnaast kunnen de relevante autoriteiten het disproportioneel vinden voor de meldplichtige om, wegens de af te leggen afstand, zich te moeten melden op locatie van de KNVB. Bestaand bezwaar is namelijk dat de gezagsdragers de fysieke meldplicht zien als een te zware belasting ten opzichte van het feitencomplex op basis waarvan de maatregel is opgelegd. Waar bij een gebiedsverbod iemand buiten het verboden gebied kan gaan en staan waar hij/zij wil, is de bewegingsvrijheid bij een fysieke meldplicht veel beperkter. Daarnaast kan er een veiligheidsrisico ontstaan wanneer meldplichtigen van verschillende clubs zich op eenzelfde locatie moeten melden.
Deelt u de mening dat een meldplicht in combinatie met een stadionverbod wel proportioneel is als de supporter met zijn gedrag andere supporters of spelers in gevaar heeft gebracht? Zo nee, waarom niet?
In Nederland maken we gebruik van de combinatie van civiel-, bestuurs- en strafrechtelijke instrumenten en wordt per geval gekeken naar de beste interventie voor dat moment, preventief of repressief. Het treffen van deze maatregelen is een bevoegdheid van het lokaal gezag en dient ook lokaal én per geval beoordeeld worden.
Daar waar sprake is van een veroordeling tot een taakstraf, een vrijheidsbeperkende maatregel of gevangenisstraf naar aanleiding van het gedrag van de relschopper wordt er meestal ook een meldplicht opgelegd. De burgemeester kan pas bij herhaaldelijke of ernstige groepsgewijze of individuele verstoring van de openbare orde een meldplicht opleggen. De burgemeester moet de noodzaak voor deze maatregel goed motiveren. Dat is een lokale afweging en het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om mij daar in te mengen.
Daarnaast wordt in opdracht van mij gewerkt aan een digitale meldplicht app. De ontwikkeling blijft een complex en technisch ingewikkeld proces, maar we blijven stap voor stap werken aan de realisatie.
Wordt er ook opgetreden tegen alle andere supporters die bij de halve finale van de KNVB-beker (Feyenoord – Ajax) voorwerpen op het veld gooiden? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Feyenoord heeft met inzet van stewards al tijdens de wedstrijd meerdere personen van de tribune gehaald die de huisregels hebben overtreden met betrekking tot het gooien van voorwerpen. Feyenoord heeft de taskforce van de KNVB gevraagd te ondersteunen bij het uitkijken van de beelden ten aanzien van het gooien van voorwerpen en het afsteken van vuurwerk. De verwachting is dat hierdoor nog meer personen zullen worden geïdentificeerd zodat ook deze personen bestraft kunnen worden.
Wat is de straf voor supporters die voorwerpen op het veld gooiden? Krijgen zij een stadionverbod?
Deze supporters worden door Feyenoord gemeld aan de KNVB voor een landelijk stadionverbod.
Sanctionering t.a.v. het gooien van voorwerpen op het veld is mogelijk op basis van de huisregels van Feyenoord en de standaardvoorwaarden van de KNVB. Op het gooien van voorwerpen en/of vloeistoffen staat afhankelijk van het feit en/of de gevolgen in de richtlijnen een stadionverbod voor van 9 tot maximaal 36 maanden. Zie voor alle straffen de Richtlijn termijn stadionverbod 2022/'23.
Indien de in deze Richtlijn weergegeven gedragingen gericht zijn tegen personen die functioneel betrokken zijn bij het voetbal (bijvoorbeeld spelers, trainers, medewerkers, (assistent-) scheidsrechters, personen die belast zijn met de ordehandhaving, hulpdiensten en verkeersregelaars) kan de in de Richtlijn genoemde termijn worden verdubbeld, zulks ter beoordeling van de KNVB. Indien sprake is van recidive (een persoon die gedurende dan wel 2 jaar na afloop van de termijn van een opgelegd stadionverbod aan de KNVB wordt gemeld ter zake het in strijd handelen met de Standaardvoorwaarden van de KNVB en/of het zich schuldig maken aan voetbalgerelateerd wangedrag), waarbij een persoon voor de derde keer een landelijk stadionverbod opgelegd krijgt van 12 maanden of langer, zal het stadionverbod worden omgezet in een levenslang stadionverbod. Bij recidive van de meest ernstige gedragingen als bedoeld in deze Richtlijn, waarvoor in beginsel een termijn van 240 maanden is weergegeven, kan een levenslang stadionverbod worden opgelegd. Beide voorgaande situaties zijn ter beoordeling van de KNVB.
Het gooien van voorwerpen op het veld kan ook een strafrechtelijk vergrijp zijn: dat hangt af van de situatie zoals wat voor voorwerp er wordt gegooid en of iemand geraakt wordt. Het is uiteindelijk aan het OM om tot vervolging over te gaan en aan de rechter om het vergrijp te beoordelen.
Het bericht 'Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met verkeerd geloof aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger' |
|
Bente Becker (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen over het bericht «Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met «verkeerd geloof» aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger»?1
Ja
Hoe verhoudt de beantwoording van bovenstaande Kamervragen zich tot de passage in het coalitieakkoord; «We beschermen de samenleving tegen de dreiging van alle vormen van radicalisering en haatzaaien, van jihadisme tot links- en rechts-extremisme. Ook moet er meer aandacht zijn voor de ontwrichtende werking van anti-overheids- en antidemocratische sentimenten en desinformatie. Door in te zetten op preventie, signalering, opsporing, vervolging en stevig te straffen pakken we dit aan»?
Het kabinet zet zich volledig in om alle vormen van radicalisering, extremisme en terrorisme stevig aan te pakken zoals beschreven in het coalitieakkoord. Uw Kamer is hierover op verschillende momenten geïnformeerd, bijvoorbeeld door de Minister van Justitie en Veiligheid in de Rapportage integrale rapportage terrorisme2 en met de aanpak van rechts-extremisme en terrorisme en andere vormen van extremisme3 en onlangs door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de nieuwe Rijksbrede strategie voor de aanpak van desinformatie4. Daarnaast is het wetsvoorstel doxing op 7 februari jl. aangenomen door de Tweede Kamer. Ten overvloede verwijs ik u verder naar de beantwoording van vraag 9 van de Kamervragen naar aanleiding van het bericht over zelfbenoemde salafistenpolitie5.
Op welke termijn wordt de nota van wijziging bij het wetsvoorstel grondslaggegevensverwerking Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) naar de Kamer gestuurd?
De nota van wijziging wetsvoorstel grondslaggegevensverwerking NCTV ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. Na ontvangst van het advies biedt de Minister van Justitie en Veiligheid de nota van wijziging, inclusief de reactie op het advies van de Raad van State, zo snel mogelijk aan de Tweede Kamer aan.
Wat zijn de concrete gevolgen voor de nationale veiligheid van Nederland nu de NCTV blijkens de antwoorden niet langer nieuwe ontwikkelingen met relevantie voor de nationale veiligheid in een vroeg stadium kan signaleren en, op basis van die kennis, zijn coördinerende taken met betrekking tot terrorismebestrijding en nationale veiligheid niet langer kan uitvoeren, zoals u in de antwoorden schrijft?
Om bijvoorbeeld het lokale bestuur te kunnen adviseren over de lokale aanpak terrorismebestrijding, moet de NCTV een actueel beeld hebben van maatschappelijke ontwikkelingen waar een dreiging tegen de nationale veiligheid van uit kan gaan. Om hier een goed beeld van te kunnen vormen is het van belang dat er een actueel beeld beschikbaar is. Dit actuele beeld is vaak beschikbaar vanuit openbare internetbronnen, waaronder social media. De NCTV heeft op dit moment geen grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens, en kan derhalve geen sociale media-bronnen raadplegen en heeft dus ook beperkter zicht. Als gevolg hiervan is de NCTV minder goed in staat de gecoördineerde aanpak van dreigingen vorm te geven. Voor de nationale veiligheid is dit een onwenselijke situatie.
Welke concrete gevolgen zijn er voor de nationale veiligheid nu het wetsvoorstel gegevensverwerking casusoverleggen radicalisering en terroristische activiteiten nog niet in werking is getreden? Hoe reëel is de kans dat een (gewelddadig) extremistische of terroristische dreiging wordt gemist omdat relevante informatie niet kan worden gedeeld met organisaties die betrokken zijn bij de persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme?
Het wetsvoorstel Regels omtrent gegevensverwerking in de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten (hierna: het wetsvoorstel) strekt tot het verstevigen van de wettelijke basis van de gemeentelijke casusoverleggen ter voorkoming en bestrijding van radicalisering en terroristische activiteiten. De bedoeling van het wetsvoorstel is dat de bestaande praktijk van de persoonsgerichte aanpak radicalisering, die op dit moment nog is neergelegd in een convenant, wordt vastgelegd in een formele wet.
Op dit moment vinden de casusoverleggen plaats op basis van grondslagen voor bilaterale gegevensverstrekking, en op basis van de grondslag van de politie om politiegegevens aan een samenwerkingsverband te verstrekken. Dit is ook vastgelegd in het convenant. Dit betekent allereerst dat het per deelnemende instantie verschilt in welke mate die deelnemer in het casusoverleg gegevens mag delen. Daarnaast is het zo dat op dit moment het verstrekken van persoonsgegevens aan andere deelnemers in een casusoverleg alleen is toegestaan indien de verstrekking van de persoonsgegevens aan de andere deelnemers verenigbaar is met het doel waarvoor de verstrekkende deelnemer de persoonsgegevens oorspronkelijk heeft verzameld. Of er in casusoverleggen momenteel sprake is van verenigbare verdere verwerkingen als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), is grond voor discussie. Dit alles maakt het delen van informatie in bepaalde gevallen complex.
Om een einde te maken aan alle onduidelijkheden over de grondslagen van gegevensuitwisseling, creëert het wetsvoorstel heldere grondslagen voor gegevensverwerking en voorziet het de gegevensverwerkingen van een duidelijk juridisch kader. Het is daarom van belang dat het wetsvoorstel spoedig het wetgevingsproces doorloopt. Welke concrete gevolgen er voor de nationale veiligheid zijn nu het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, valt in algemene zin niet aan te geven. De casusoverleggen radicalisering functioneren op dit moment wel maar in bepaalde gevallen is er discussie over het mogen delen van informatie. In de praktijk kan dit een vertragend effect kan veroorzaken.
Welke criteria en omstandigheden worden betrokken bij de beoordeling of signalen over en/of gedragingen van radicale salafistische aanjagers kunnen worden aangemerkt als terroristisch voordat informatiedeling met Europol tot stand kan komen? Zijn er de afgelopen jaren signalen over en/of gedragingen van radicale salafistische aanjagers geweest die uiteindelijk niet zijn aangemerkt als terroristisch, waardoor deling van informatie niet mogelijk was terwijl dit wel was gevraagd?
Het Schengeninformatiesysteem (SIS) is het informatie-uitwisselingssysteem dat externe grenscontrole -en samenwerking in de rechtshandhaving ondersteunt in de Schengenlanden. Bevoegde nationale autoriteiten6 kunnen signaleringen van personen en voorwerpen in één gemeenschappelijke databank invoeren en raadplegen. Het land dat een signalering invoert is verantwoordelijk voor die signalering en voor eventuele verwijdering. Opname in het SIS geschiedt pas nadat is voldaan aan daarvoor gestelde eisen. Hiervoor verwijs ik naar de EU-verordeningen SIS (2018/1860, 2018/1861, 2018/1862) van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018. Europol heeft toegang en inzage tot het SIS maar heeft geen bevoegdheid om te signaleren.
Er zijn geen cijfers beschikbaar van verzoeken die zijn gedaan en die uiteindelijk niet tot informatiedeling hebben geleid.
Kunt u, nu de Minister voor Rechtsbescherming heeft besloten voorlopig niet over te gaan tot een integrale herziening van de Wet politiegegevens2, toch onderzoeken onder welke omstandigheden zachte signalen over personen die zich mogelijk bezig houden met het beramen of plegen van terroristische misdrijven te verstrekken aan andere landen, al dan niet via Europol? Is het in de ons omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk) wel mogelijk om (al dan niet via Europol) deze gegevens nu al uit te wisselen met Nederland? Hoeveel (staats)imams uit derde landen komen naar schatting elk jaar naar Nederland? Met het recente begin van de ramadan in ogenschouw genomen, hoeveel (staats)imams uit derde landen zijn of zullen dit voorjaar naar Nederland worden gestuurd ter ondersteuning van de islamitische gemeenschap? Is bekend met welke boodschap zij op pad zijn of worden gestuurd vanuit het land van herkomst? Uit welke landen zijn deze imams afkomstig?
Zoals aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen is het inderdaad niet mogelijk om binnen de wettelijke kaders zachte signalen uit te wisselen.8 De politie is gebonden aan de kaders die de Wet politiegegevens (Wpg) stelt aan informatie-uitwisseling. De Wpg (art. 10 lid 1 onder b Wpg en art. 15a Wpg) geeft een mogelijkheid tot het ter beschikking stellen van politiegegevens aan andere EU/EER landen, maar staat niet toe dat zachte signalen over personen worden verstrekt aan het buitenland (art. 5:3, lid 8 jo art. 5:1, lid 4 Bpg). Dat is overigens niet voor niets. Deze personen zijn immers (nog) geen verdachte. Ook een signalering in SIS kent deze beperking. Zoals hierboven beschreven geschiedt een opname in het SIS pas nadat is voldaan aan daarvoor gestelde eisen, bijvoorbeeld een besluit van een Officier van Justitie. Hiervoor verwijs ik naar de EU-verordeningen SIS (2018/1860, 2018/1861, 2018/1862) van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018. Om informatie-uitwisseling van zachte signalen mogelijk te maken zal een wijziging van Europese wetgeving benodigd zijn.
De vraag hoeveel (staats)imams uit derde landen jaarlijks naar Nederland komen kan niet worden beantwoord. Op basis van de huidige registraties die worden bijgehouden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (visa kort verblijf), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verblijfsvergunningen lang verblijf), en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – hierna UWV (verlenen tewerkstellingsvergunningen voor buitenlandse werknemers die kort dan wel langverblijf beogen) zijn deze aantallen niet beschikbaar. Er wordt in de betreffende registraties geen onderscheid gemaakt naar religie. Imams worden net als priesters, nonnen, voorgangers en rabbijnen geregistreerd onder de noemer «geestelijke bedienaren».
Hoeveel tewerkstellingsvergunningen (hierna: TWV) voor geestelijk bedienaren en in het bijzonder voor imams uit derde landen zijn de afgelopen jaren aangevraagd in Nederland? In hoeveel gevallen is ook een TWV verstrekt en in hoeveel gevallen een verblijfsvergunning voor langere tijd? Kunt u een overzicht geven van deze aantallen van de afgelopen vier jaar? Kunt u deze aantallen afzetten tegen het aantal verstrekte TWV in andere Schengenlanden?
Onderstaande tabel bevat het aantal verleende en geweigerde tewerkstellingsvergunningen9 en positieve en negatieve adviezen voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid10 voor geestelijk bedienaren.
2019
2020
2021
2022
Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen
85
65
8
52
Aantal positieve adviezen voor een gecombineerde vergunning
104
96
93
94
Aantal geweigerde tewerkstellingsvergunningen
3
0
7
0
Aantal negatieve adviezen voor gecombineerde vergunning
1
1
1
3
Op basis van de registraties van UWV is het niet mogelijk om cijfers te leveren voor imams in het bijzonder. Er wordt in de betreffende registraties geen onderscheid gemaakt naar religie. Imams worden net als priesters, nonnen, voorgangers en rabbijnen geregistreerd onder de noemer «geestelijke bedienaren». Er is, voor zover bekend, geen informatie beschikbaar over afgegeven vergunningen in andere Schengenlanden.
Welke mogelijkheden zijn er om bij de beoordeling van een verzoek tot een TWV voor een geestelijk bedienaar signalen van Inlichtingendiensten, de Nationale Politie, gemeenten en Europol te betrekken, als bij een van deze organisaties zachte informatie beschikbaar zou zijn dat een geestelijk bedienaar haat heeft verspreid maar nog geen verdachte in Nederland is?
De beoordeling van een verzoek tot een TWV wordt gedaan door het UWV. Zij toetsen aan de Wet arbeid vreemdelingen. Het doel van de Wet arbeid vreemdelingen is het voorkomen van verdringing van de arbeidsmarkt en bescherming van de werknemers. Een toets aan wenselijkheid van de individuele werknemer (de imam) en openbare orde valt buiten de doelen van de wet. Ook valt het buiten de expertise van UWV om hieraan te toetsen. De beoordeling van een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning kent op dit vlak dus geen mogelijkheden.
Wel kan de IND aanvragen om een verblijfsvergunning om in Nederland te gaan werken als geestelijk bedienaar of voorganger afwijzen, indien blijkt dat de persoon een bedreiging voor de nationale veiligheid of openbare orde vormt. Ook een visumaanvraag voor kort verblijf van een geestelijk bedienaar of voorganger kan worden afgewezen als blijkt dat de persoon een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Dergelijke beslissingen zijn gebaseerd op informatie van partners in de veiligheidsketen. UWV speelt hierbij geen rol.
Hoe ziet het beleid ten aanzien van de toelating van geestelijk bedienaren eruit in omringende Schengenlanden zoals in Frankrijk? Welke (aanvullende) regels en eisen gelden bijvoorbeeld in Frankrijk ten aanzien van de toelating van (staats)imams uit derde landen? Hoe beoordeelt u de Franse situatie en ziet u hier mogelijkheden/kansen voor Nederland? Bent u bereid om in overleg te treden met uw Franse counterpart om best practices uit te wisselen en om op basis daarvan concrete voorstellen te doen voor de Nederlandse situatie? Ziet u ook mogelijkheden om de uitwisseling van relevante informatie over de toelating van (staats)imams tussen Schengenlanden te bevorderen? Zo ja, op welke termijn bent u bereid dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Er gelden op dit moment in Frankrijk geen bijzondere eisen en regels ten aanzien van de toelating van (staats) imams. Wel heeft President Macron in oktober 2020 aangekondigd een einde te willen maken aan de situatie waarin imams die door buitenlandse overheden gezonden en betaald worden, voorgaan in Franse moskeeën. Deze imams zouden vervangen moeten worden door in Frankrijk opgeleide en gevormde bedienaren. Ook sprak de president zich toen uit voor een accreditatiesysteem van imams door een op te richten Raad van Franse Imams (CMI). Mede vanwege onenigheid binnen en tussen de verschillende organisaties die hier een rol in zouden moeten spelen is de uitvoering van deze plannen ernstig vertraagd. Wel is op 19 maart 2023 een campagne gestart voor het werven van leden voor een Raad van imams (CMI) door een nieuwe, door de overheid gesteunde, moslimorganisatie (Forum voor de Franse Islam, FORIF). Vooralsnog blijven de door met name Marokko, Algerije en Turkije gezonden imams op hun post. Ook de gebruikelijke extra inzet van imams uit deze landen gedurende de ramadan heeft in 2023 weer doorgang gevonden. Wel is de overheid alert op gedragingen van imams, die tegen de openbare orde ingaan. Uiteraard volgt het kabinet de ontwikkelingen in Frankrijk aandachtig en zal het op een gelegen moment met de Franse counterparts in gesprek treden over, onder andere, de voortgang bij de realisering van de Franse beleidsvoornemens ten aanzien van de toelating van (staats)imams uit het buitenland.
Het Schengeninformatiesysteem is een effectief instrument voor informatie-uitwisseling tussen lidstaten. Personen, inclusief predikers, die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, kunnen gesignaleerd worden in het Schengeninformatiesysteem. Als een persoon gesignaleerd is, bijvoorbeeld om de toegang tot het Schengengebied te weigeren, is dit zichtbaar voor alle lidstaten en kunnen zij hierop acteren.
Hoe staat het met de voortgang van het toegezegd internationaal rechtsvergelijkend onderzoek naar beleid inzake de toelating van (staats)imams uit derde landen? Wat zijn de (eerste) resultaten en hoe beoordeelt u die? Ziet u aanknopingspunten voor concreet beleid in Nederland? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek waar aan u refereert is in november 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. Voor beantwoording van uw vragen verwijs ik graag naar het rapport van het International Centre for Counter-Terrorism en de beleidsreactie van de Minister van Justitie en Veiligheid.11
Hoe werkt het Schengen Informatiesysteem (hierna: SIS) in de praktijk bij het toelaten en weigeren van geestelijk bedienaren uit derde landen? Recent is de SIS ook uitgebreid met nieuwe signaleringen en ruimere functionaliteiten, welke zijn dit precies en hoe vertaalt zich dit in de praktijk bij het toelatingssysteem van geestelijk bedienaren uit derde landen? Hoe ziet het signaleringssysteem er bijvoorbeeld uit bij geestelijk bedienaren wiens toegang of verblijf binnen de Schengenzone is geweigerd? Wordt hier ook op gehandhaafd door Schengenlanden?
Het SIS is een EU-informatiesysteem dat grenscontroles en samenwerking in de rechtshandhaving ondersteunt in en tussen de Schengenlidstaten. Met het vernieuwde SIS zijn nieuwe signaleringscategorieën toegevoegd, zoals signaleringen van onbekende verdachten of gezochte personen, waardoor er in SIS vinger- of handpalmafdrukken kunnen worden ingevoerd die op de plaats van ernstige misdrijven of terroristische incidenten zijn aangetroffen en vermoedelijk van de dader zijn. Maar ook preventieve signaleringen van kinderen die het risico lopen te worden ontvoerd door een van hun ouders, en van kwetsbare personen die voor hun eigen bescherming moeten worden belet te reizen. Terugkeerbesluiten ten aanzien van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen worden sinds kort in SIS ingevoerd. Daarnaast zijn Schengenlidstaten verplicht om signaleringen in te voeren in SIS wanneer sprake is van een inreisverbod voor onderdanen van derde landen.
SIS is een hit/no-hit systeem en aan een signalering is altijd een vervolgactie gekoppeld, dat wil zeggen verzoeken tot concrete acties voor functionarissen van bevoegde autoriteiten in andere lidstaten. Bij een (grens)controle komt bijvoorbeeld in het systeem naar boven dat een persoon gesignaleerd staat. Er is niet bij elke signalering een handhavingsverplichting, bijvoorbeeld indien sprake is van vermiste personen waarbij het enkel kan gaan om informeren.
Een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf is mogelijk op grond van de SIS-verordening. Hierin zijn de voorwaarden en procedures vastgesteld voor het invoeren en verwerken van signaleringen in SIS met het oog op weigering van toegang tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Een signalering met oog op toegangsweigering is mogelijk als bijvoorbeeld de aanwezigheid van een derdelander een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid van een lidstaat. Vereist is dat de lidstaat een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf heeft genomen op basis van een individuele evaluatie waarbij persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn betrokken in het besluit. Deze procedure ten aanzien van signalering in het SIS wordt ook gevolgd als er sprake is van signalering van een extremistische spreker.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keer dat een haatprediker de toegang tot Nederland is geweigerd wegens risico’s voor de openbare orde? Is het mogelijk hierbij een uitsplitsing te maken tussen extremistische imams en bedienaren van overige godsdiensten?
Het is niet mogelijk om hier een volledig beeld van te geven, aangezien cijfers over toegangsweigering van extremistische sprekers niet automatisch uit de systemen van de IND en de Koninklijke Marechaussee gegenereerd kunnen worden. Wel is het zo dat sinds 2015 in circa 20 gevallen extremistische sprekers geen visum hebben gekregen of het visum is ingetrokken na een negatief advies van de IND. Het aantal visumweigering wordt handmatig door de IND bijgehouden. Deze personen zijn gesignaleerd in het SIS als niet tot het Schengengebied toe te laten vreemdelingen. Op deze manier is voorkomen dat betrokkenen naar Nederland zijn gereisd of betrokkenen hebben Nederland moeten verlaten. In bijna alle gevallen ging het om sprekers die een islamitisch extremistische boodschap uitdroegen. In één geval ging het om een spreker met een andere achtergrond.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar onderzoek gedaan naar buitenlandse geestelijke bedienaren waarbij het ontzeggen van de toegang tot Nederland is overwogen maar is uiteindelijk niet overgegaan tot het opnemen van in SIS? Wat zijn redenen om uiteindelijk iemand niet op te nemen in SIS?
Ik ga ervan uit dat u met «onderzoek» in de vraag doelt op de procedure waarbij extremistische sprekers kunnen worden geweigerd. Voor de gestelde eisen aan opname in de systemen van SIS II en de beschikbare cijfers, verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 6 en 13.
Welke maatregelen zijn er getroffen om te voorkomen dat een extremistische geestelijke bedienaar in de ene Europese lidstaat wordt geweigerd, maar via een andere Europese lidstaat toegang tot Europees grondgebied krijgt en doorreist naar Nederland?
Vreemdelingen kunnen conform Europese regelgeving gesignaleerd worden in het Schengeninformatiesysteem. Middels deze signalering zijn andere lidstaten van het Schengengebied ook op de hoogte en kan de toegang geweigerd worden als de vreemdeling via een andere lidstaat wil inreizen.
Welke mogelijkheden zijn er om na verstrekking van TWV’s, deze in te trekken of op andere wijze personen te bewegen Nederland te verlaten wanneer blijkt dat een buitenlandse (staats)imam in Nederland haat predikt?
Zoals in antwoord op vraag 9 is beschreven, kan de IND het verblijfsrecht van een geestelijk voorganger of bedienaar intrekken indien er informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat deze persoon een risico voor de nationale veiligheid of openbare orde vormt.
Vindt u het gepast dat een (buitenlandse) staatsimam of andere geestelijk bedienaar in de Nederlandse samenleving aanbeveelt tot vrouwenbesnijdenis? Zo nee, welke mogelijke civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke consequenties heeft het aanbevelen van vrouwenbesnijdenis voor geestelijk bedienaren?
Vrouwelijke genitale verminking is een mensonterende praktijk en in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling (Artikel 300–303 van het Wetboek van Strafrecht). Het aanzetten tot hiertoe is onacceptabel. Indien sprake is van het aanzetten tot geweld (artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht) of opruiing (artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht), kan het OM strafrechtelijke vervolging instellen. Het is vervolgens aan de strafrechter om te beoordelen of in een individueel geval een strafbaar feit is gepleegd. Uitlatingen over vrouwelijke genitale verminking die geen strafbaar feit opleveren, kunnen door inzet van bestuursrechtelijke of civielrechtelijke maatregelen alsnog worden bestreden.
Hoe staat het met het opzetten van een Nederlandse imamopleiding onder overheidstoezicht conform de aangenomen motie Becker?3 Hoeveel particuliere imamopleidingen worden op dit moment in Nederland aangeboden? Hoeveel imamopleidingen hiervan worden op dit moment gefinancierd uit derde landen en uit welke landen?
Op dit moment zijn de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in gesprek met meerdere onderwijsinstellingen om de routekaart uit te werken voor het realiseren van een hbo-bacheloropleiding tot imam in Nederland. Daarbij is het altijd de inzet geweest om een door de overheid erkende en bekostigde, robuuste hbo-bacheloropleiding tot imam te laten starten, die naadloos ingepast kan worden binnen het Nederlandse onderwijsstelsel. Zodra hierover meer bekend wordt zal ik uw Kamer hierover informeren. Zoals u weet staat het iedereen vrij om een eigen (particuliere) theologische opleiding in Nederland op te starten. Uit openbare informatie is op te maken dat er enkele opleidingen in Nederland worden aangeboden die naar de mogelijkheid van imamopleiding verwijzen. Op welke wijze deze opleidingen gefinancierd worden, is mij niet bekend.
Bent u het ermee eens dat het van belang is om over voldoende (gecontroleerd) opleidingsaanbod binnen Nederland te beschikken om niet langer afhankelijk te zijn van imamopleidingen die door derde landen worden gefinancierd en door (staats)imams die uit derde landen worden ingevlogen? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om te voorzien in dit aanbod? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 18 te lezen valt, is het altijd de inzet van het kabinet geweest om een door de Nederlandse overheid erkende en bekostigde imamopleiding op hbo-bachelorniveau aan (een) Nederlandse onderwijsinstelling(en) mogelijk te maken. Eerder heb ik met uw Kamer gedeeld dat «Het niet langer afhankelijk zijn van imams uit de landen van herkomst ook belangrijk is voor de gemeenschappen zelf, omdat ook zij zelf vorm willen kunnen geven aan de invulling van hun geloof binnen de Nederlandse context». Zie ook voetnoot 6.
Zodra er meer duidelijkheid is over de totstandkoming van deze imamopleiding in Nederland, zal ik uiteraard uw Kamer hierover informeren.
Hoe staat het met het formuleren van een heldere juridische definitie van problematisch gedrag conform de aangenomen motie Becker?4 Bent u het ermee eens dat een afgebakende juridische definitie van problematisch gedrag van belang is, aangezien ongewenste buitenlandse beïnvloeding, al dan niet via het invliegen van (staats)imams, een wezenlijk probleem vormt voor de vrije Nederlandse samenleving? Zo ja, welke (aanvullende) stappen bent u bereid te zetten om te komen tot een brede juridische definitie van problematisch gedrag en binnen welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen «Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met «verkeerd geloof» aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger»14 heeft de Landsadvocaat in zijn advies aangegeven dat er geen afgebakende juridische definitie te geven valt van het begrip «problematisch gedrag». Het betreft een spectrum aan gedragingen waarbij de ernst gradaties kent. Deze analyse komt overeen met de analyse van de juristen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarom is er vanuit het kabinet geen inzet op het formuleren van een conventionele juridische definitie op basis waarvan kan worden ingegrepen.
Wel maakt het kabinet, conform het advies van de Landsadvocaat en gelet op de ernst van de problematiek, werk van het vastleggen van normen op deelaspecten van problematisch gedrag die toepassing van een (nieuw) instrument rechtvaardigen. Zo werkt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs op dit moment aan een nieuwe wettelijke norm voor informele lesinstituten. In die norm zal binnen de grenzen van het grondwettelijk kader worden beschreven welk aspect van problematisch gedrag op informele scholen kan leiden tot het treffen van een maatregel.15 Wel is de Wet Transparantie Maatschappelijke Organisaties MO in voorbereiding. Dit wetsvoorstel wil tegengaan dat ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties zorgen voor onwenselijke buitenlandse beïnvloeding. De burgemeester, het openbaar ministerie (OM) en andere aangewezen overheidsinstanties krijgen de bevoegdheid om bij een maatschappelijke organisatie gericht navraag te kunnen doen naar buitenlandse giften en als het hoge giften zijn te vragen naar de persoon van de donateur. Het tweede deel van het wetsvoorstel betreft stichtingen en is bedoeld om misbruik van financieel-economische aard, zoals witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Stichtingen zijn nu al verplicht om een balans en staat van baten en lasten op te stellen. Het wetsvoorstel verplicht stichtingen om deze financiële stukken voortaan te deponeren bij het handelsregister. De informatiepositie van diensten met controle-, toezichts- en opsporingstaken wordt zo vergroot.
Bent u bereid om de Kamer jaarlijks een update te sturen over de gevraagde cijfers bij vraag 7, 12 en 13? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 13: aangezien een totaaloverzicht niet uit de systemen gegeneerd kan worden, kan ik niet aan uw verzoek tegemoetkomen.
De intimidatie door criminelen van poortwachters bij het melden van ongebruikelijke transacties |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column «Met knikkende knieën ongebruikelijke transacties melden? Dat kan toch niet»? Wat is uw reactie hierop?1
Ja, ik ben bekend met de column «Met knikkende knieën ongebruikelijke transacties melden». Georganiseerde criminaliteit is helaas ver doorgedrongen in onze maatschappij en voor de effectieve aanpak ervan is de inzet van velen nodig. Daarom vind ik het van groot belang dat mensen zich veilig voelen om vermoedens van criminaliteit te melden. Het gevoel van onveiligheid erken ik en ik zet mij er voor in om de veiligheid van alle melders te waarborgen. De functie van de poortwachters bij het identificeren van een ongebruikelijke transactie is cruciaal voor het kunnen tegengaan van witwaspraktijken, het voorkomen van financiering van terrorisme en andere criminele activiteiten. Daarom is het belangrijk dat deze cruciale melders zich veilig genoeg voelen om deze essentiële rol te blijven vervullen in het tegengaan van ondermijnende criminaliteit.
In het meldproces zijn op meerdere stappen al waarborgen ingebouwd om veilig te kunnen melden. Om te beginnen is enkel de Financial Intelligence Unit Nederland bevoegd om meldingen van ongebruikelijke transacties te ontvangen en analyseren. Deze meldingen worden behandeld als staatsgeheim en zijn hierdoor onderworpen aan strenge veiligheidsvoorschriften. Indien een ongebruikelijke transactie door de Financial Intelligence Unit wordt verklaard tot een verdachte transactie, wordt alleen de bedrijfs- of kantoornaam van de melder opgenomen in de rapportage aan de opsporingsdiensten. De naam van de meldende persoon wordt dus nooit aan de opsporingsdiensten verstrekt. Daarnaast bestaat de extra maatregel waarbij de opsporingsdiensten contact opnemen met kleine ondernemingen indien deze een melding van een ongebruikelijke transactie hebben gemaakt die heeft geleid tot een verdachte transactie en zal worden toegevoegd als bewijs aan een strafdossier. Er wordt in dit geval nagegaan of er sprake is van een concrete dreiging. Indien er sprake van een concrete dreiging is, worden er stappen ondernomen. Het Openbaar Ministerie is bevoegd om op individuele basis gegevens in het strafdossier te anonimiseren, wat is neergelegd in het Wetboek van Strafvordering.
Ondanks deze waarborgen kan een gevoel van onveiligheid blijven bestaan. Bijvoorbeeld omdat een melder niet bekend is met deze waarborgen of omdat de waarborgen in praktijk onvoldoende zekerheid geven. Daarom ga ik de komende tijd in samenwerking met uitvoeringspartners en (vertegenwoordigers van) poortwachters hard aan de slag om verschillende oplossingen in de praktijk te verkennen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid onder poortwachters (verder) te versterken. Over de vorderingen zal ik uw Kamer nader berichten in de halfjaarsbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.
Hoe is uitvoering gegeven aan de motie die oproept met beroepsgroepen te bezien hoe de veiligheid van een melder van een ongebruikelijke transactie beter gewaarborgd kan worden?2
De motie van de heer van Nispen3 van 30 juni 2020 is ten uitvoering gebracht door samen met de partners te bezien op welke manier de veiligheid en het gevoel van veiligheid van melders kan worden versterkt. Er is daarom een extra maatregel getroffen4: indien er informatie over een verdacht verklaarde transactie van een kleine onderneming als bewijs wordt toegevoegd aan het strafdossier, nemen de opsporingsdiensten altijd contact op met de meldende instantie. Er wordt dan een afweging gemaakt of er concrete dreigingsrisico’s zijn. Tijdens deze afweging wordt ook informatie die bekend is bij de opsporingsdiensten meegenomen. Vervolgens wordt deze informatie aangeleverd bij het Openbaar Ministerie. Deze instantie kan zo gedegen beoordelen of er aanleiding is om informatie over de verdacht verklaarde transactie te anonimiseren in het strafdossier en of er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de veiligheid van melders te waarborgen. Aanvullend op deze uitvoering gaan we in samenwerking met onze partners verkennen welke verdere maatregelen kunnen worden getroffen.
Deelt u nog steeds de mening dat de veiligheid van melders van groot belang is, zoals notarissen, makelaars en accountants? Deelt u ook de mening dat de verhardende criminaliteit dit probleem urgenter maken? Waarom is er nog zo weinig merkbaars gedaan met de oproep uit de motie om de melder in het strafdossier te anonimiseren, zodat niet meer te achterhalen is wie een melding heeft gedaan?
Deze meningen deel ik nog steeds. In de antwoorden op vraag 1 zijn de bestaande waarborgen toegelicht, waaronder de aanvullende waarborg naar aanleiding van de motie van de heer van Nispen in 2020.
Het standaard anonimiseren van de naam van de meldende instantie is niet mogelijk, gezien dit de transparantie en de herleidbaarheid van het bewijs in het geding kan brengen5. De controle van informatie door de opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie is één van de fundamentele uitgangspunten van ons rechtsstelsel, onder meer voor de gerechtelijke instanties en de verdediging van de verdachte.
Met wie is er de afgelopen periode gesproken vanuit het ministerie over deze problematiek en wat heeft dit concreet voor vervolg gekregen?
In de afgelopen periode is er vanuit het ministerie gesproken met onder meer het Openbaar Ministerie, de Financial Intelligence Unit Nederland, het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum, VNO-NCW, de Vereniging van makelaars, taxateurs en huurbemiddelaars, de Nederlandse Vereniging van Makelaars, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en ook binnen de Landelijke Fenomeentafel Ondermijning in de vastgoedketen (waaraan deze partners en anderen ook deelnemen). Deze gesprekken zullen worden voortgezet in de aankomende periode en er zullen bovendien ook gesprekken worden opgezet met andere relevante partijen, waaronder brancheorganisaties. Tijdens deze gesprekken worden mogelijkheden voor verdere concrete maatregelen verkend om de veiligheid en het gevoel van veiligheid onder poortwachters te versterken. Ik zal uw Kamer nader berichten over de uitkomsten van deze gesprekken.
Bent u het eens dat de ondermijnende criminaliteit dusdanig is verhard dat het belang groter is geworden dat de traceerbaarheid van de melder moet kunnen worden voorkomen, omdat daarmee het achterhalen van gegevens en intimidatie van poortwachters een halt kan worden toegeroepen?
Ik ben het eens dat het van cruciaal belang is om ervoor te zorgen dat de melders niet door criminelen worden geïntimideerd. We gaan in samenwerking met onze partners verkennen welke aanvullende maatregelen er kunnen worden getroffen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid onder melders verder te versterken terwijl tegelijkertijd de fundamentele uitgangspunten van ons rechtsstelsel worden gewaarborgd.
Denkt u dat door het veiliger maken van deze poortwachtersfunctie juist ook het aantal meldingen zal gaan stijgen omdat een belangrijke barrière voor het melden hiermee wordt weggehaald?
Ik denk dat het verder versterken van de veiligheid en het gevoel van veiligheid onder poortwachters zowel het aantal meldingen als de kwaliteit van de gemaakte meldingen zal doen stijgen. Mensen moeten zich veilig genoeg voelen om vermoedens van criminaliteit te melden en daarmee aan de meldingsplicht te voldoen. Hiertoe is het ook van belang om, naast de verkenning van aanvullende maatregelen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid onder poortwachters te versterken, nog beter te communiceren over onder meer het nut en belang van de meldingsplicht en de al bestaande waarborgen.
Welke maatregelen kunnen we op welk moment verwachten omtrent de uitvoering van de genoemde motie, de gesprekken die hierover zijn gevoerd en de maatregelen die zullen worden genomen om de meldingsbereidheid van poortwachters te laten stijgen om criminaliteit te voorkomen en aan te pakken?
Zoals eerder aangegeven ga ik in samenwerking met onze partners verschillende oplossingen in de praktijk verkennen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid onder poortwachters te versterken. Hierbij is het uitgangspunt dat we de poortwachters beschermen terwijl we tegelijkertijd de fundamenten van ons rechtsstelsel waarborgen. Ik zal uw Kamer nader berichten over de voortgang in de halfjaarsbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit.
Betalingen aan de Rutgers Stichting |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid tussen 2016 en 2022 betaald aan de Rutgers Stichting?
Het is niet mogelijk gebleken om over deze periode een exact overzicht van alle individuele betalingen uit de systemen te halen. Tussen 2016 en 2022 is er in ieder geval € 305.110,- aan de Rutgers Stichting overgemaakt.
Waarom (voor welke diensten of producten) heeft het ministerie dit bedrag aan de Rutgers Stichting betaald?
De Rutgers Stichting heeft bijdrages ontvangen voor onder meer het doen van onderzoek onder auspiciën van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) naar data omtrent de Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Geweld 2020 1. Daarnaast zijn aan de Rutgers Stichting betalingen gedaan voor het ontwikkelen van gedragsinterventies en richtlijnen gericht op het voorkomen van (online) seksueel grensoverschrijdend gedrag en het verminderen van recidive. Een concreet voorbeeld van een dergelijke gedragsinterventie is So-cool, dat gericht is op jongeren van 12 tot 23 jaar met een IQ tussen 50 en 85 die delicten hebben gepleegd en tekorten hebben in sociale probleemoplossingsvaardigheden. So-Cool richt zich ook op een intermediaire doelgroep, namelijk de ouders of opvoeders en een vertrouwenspersoon uit het netwerk van de jongere2.
Drugs per post |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen van het lid Michon-Derkzen over het bericht «Drugs per post neemt vlucht: Overal ter wereld meer dancefeesten»?1
Ja.
Wat is de voortgang van de, in de antwoorden op deze vragen genoemde, verkenning op welke wijze een gezamenlijk postteam tussen politie en douane ingevuld kan worden?
Ik ben verheugd te kunnen melden dat naar voorbeeld van de Hit and Run Cargo teams op de logistieke knooppunten de aanpak versterkt wordt door het inrichten van een gecombineerd opsporingsteam bestaande uit medewerkers van de politie, douane en Openbaar Ministerie. Doel van het team is het intensiveren van de onderlinge samenwerking, het versterken van de gezamenlijke informatiepositie en uiteindelijk duurzaam verstoren van de verspreiding van verdovende middelen. Hiermee volgt het team de uitgangspunten van de Hit and Run Cargo (HARC).
Het team krijgt de naam Hit And Run Post (HARP) en zal zich richten op de strafrechtelijke onderzoeken met een korte doorlooptijd van zo’n 6 tot 8 weken.
Naast de strafrechtelijke onderzoeken is de ambitie dat het HARP leidt tot een beter zicht op de deze vorm van criminaliteit, hetgeen benut zal worden om tot een effectieve publiek-private en internationale samenwerking te komen.
Door de Douane wordt de ingezette geïntensiveerde controle op de post- en pakketstroom voortgezet. In overleg met Politie en OM wordt daarbij bezien of geconstateerde vaststellingen kunnen leiden tot een opsporingsonderzoek in bestaande opsporingsteams.
In de antwoorden noemde u dat er samenwerkingsverbanden bestaan tussen de politie en post- en pakketdiensten. Geldt dat voor elk bedrijf uit de top vijf post- en koeriersdiensten?2 Zo ja, waaruit bestaat die samenwerking per bedrijf?
De politie werkt samen met post- en pakketdiensten, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van de e-learning (zie het antwoord op vraag 6) of bij de ontwikkeling van het barrièremiddel (zie antwoord op vraag 7). Het HARP streeft naar een effectieve publiek-private samenwerking. Een exact overzicht van bestaande (lokale) initiatieven ontbreekt. Zie ook het antwoord op vraag 5.
De Douane heeft met PostNL het initiatief genomen om te onderzoeken of er op innovatieve wijze in de poststroom selecties kunnen worden uitgevoerd door middel van een vorm van autodetectie. Hierbij worden scanbeelden geautomatiseerd beoordeeld op de aanwezigheid van tabletten/pillen. Indien deze methodiek succesvol blijkt zal dit breder ingezet worden bij andere post- en pakketdiensten.
Er is tevens sprake van een goede publiek-private samenwerking in de vorm van regulier overleg tussen PostNL en de Douane op Schiphol en Amsterdam. Met de koeriersdiensten is er overleg met de douanekantoren waar deze diensten gevestigd zijn. Hierbij komt de publiek-private samenwerking ook ter sprake.
Is u bekend wat er per jaar door deze (top vijf) bedrijven aan harddrugs wordt onderschept en ingenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dat per bedrijf beantwoorden?
Nee, dat is niet bekend omdat er geen registratie plaatsvindt per koeriersbedrijf.
Zijn er naar uw weten inmiddels meer projecten gestart rondom weerbare Post- en Koeriersdiensten? Zo ja, welke? Om wat voor projecten gaat het dan?
Naast de strafrechtelijke onderzoeken is de ambitie dat het HARP leidt tot een beter zicht op deze vorm van criminaliteit, hetgeen benut zal worden om tot een effectievere publiek-private te komen. In de uitwerking van de motie Michon-Derkzen c.s.3 wordt hier nader op in gegaan.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangekondigde e-learning over weerbaarheid van post- en koeriersdiensten tegen ondermijnende criminaliteit?
De e-learning is momenteel in ontwikkeling. Er is een bijeenkomst geweest met transportondernemers en securitymanagers van grotere Post- en Pakketdiensten (3 van de top 5), er is een bijeenkomst geweest waarbij een aantal ervaringsdeskundigen (ex-criminelen) kwetsbaarheden van bedrijven in de transport en logistieke sector hebben blootgelegd en er heeft een ophaalsessie plaatsgevonden waarbij experts vanuit verschillende overheidsdiensten waren aangesloten. Het ging om experts van de regionale politie, Landelijke Eenheid, Douane, IL&T, Platforms Veilig Ondernemen, Taskforce- RIEC Brabant-Zeeland en de Avans Hogelschool. Met deze input wordt momenteel de e-learning zelf ontwikkeld en zal bestaan uit twee modules; een gericht op «Transport over de Weg» en een op «Pakketdiensten». Het Platform Veilig Ondernemen Zeeland-Brabant is aanjager en initiator, maar het is de bedoeling dat de e-learning landelijk zal worden uitgerold.
Is het barrièremodel met betrekking tot de distributie van drugs door post- en koeriersdiensten inmiddels gereed? Kunt u hier nader op ingaan? Hoe ziet dit barrièremodel er in de praktijk precies uit? Is er bij de ontwikkeling van het barrièremodel ook aandacht geweest voor het uitbreiden van (nationale) strafbaarstellingen.
Het barrièremodel Synthetische drugs vervoeren via post- en koeriersdiensten is gereed en komt voor de zomer voor deelnemers beschikbaar via een website en via een te downloaden publicatie. Met dit barrièremodel brengt het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) samen met verschillende partners het fenomeen in kaart. Hierbij wordt gekeken welke stappen criminelen moeten zetten. Per stap wordt nagegaan welke dienstverleners en gelegenheden het fenomeen mogelijk maken en welke signalen kunnen duiden op criminele activiteit. Hierdoor maken we gelegenheidsstructuren inzichtelijk. Daarna kunnen barrières opgeworpen worden om deze gelegenheden en daarmee het werk van criminelen te verstoren. Met het barrièremodel is ruimte voor preventieve interventies en voor repressieve maatregelen.
Ziet u meer mogelijkheden om post- en koeriersbedrijven op hun verantwoordelijkheden te wijzen? Is er ruimte om deze bedrijven strafbaar te stellen indien zij deze verantwoordelijkheid weigeren te nemen?
De verschillende post- en koeriersbedrijven zijn zich zeer bewust van hun verantwoordelijkheden en er wordt door hen dan ook veel gedaan om drugspakketten en pakketten met andere illegale inhoud te onderscheppen. Zij zoeken de samenwerking zelf ook op met politie, douane ILT en het OM. Ook voeren zij in samenspraak met het bevoegd gezag zelf controles uit en investeren ze in onderzoek. Ik heb op dit moment daarom geen behoefte aan een wettelijke grondslag voor het strafbaar stellen van bedrijven.
Is bekend welke landen het meest betrokken zijn bij de verzending van drugs per post via Nederland, zowel inkomend als uitgaand? Is er een overzicht van strafbaarstellingen in de meest betrokken landen?
De douane houdt bij welke landen betrokken zijn bij de meeste inbeslagnames.
Dat gaat om aantallen inbeslagnames, ongeacht welke soort en welke hoeveelheid drugs. Dat zijn bij de inkomende stroom: Suriname, Peru, De Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Canada.
De landen betrokken bij de meeste inbeslagnames bij de verzending van drugs per post via Nederland zijn bij de uitgaande stroom: Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk en Australië.
Het betreft allerlei soorten drugs, dat verschilt per land. Deze cijfers zijn afkomstig van de Douane en zien daarom alleen op EU-buitengrens overschrijdend.
Een overzicht van strafbaarstellingen in de betrokken landen is mij niet bekend.
Het bericht ‘Russische hackers trainen voor aanvallen op kritieke infrastructuur’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Russische hackers trainen voor aanvallen op kritieke infrastructuur?1
Ja.
Bent u op de hoogte van softwareprogramma’s en projecten, zoals Scan-V en Crystal-2V, die als doel hebben om cyberaanvallen (op kritieke infrastructuur) te stimuleren? Herkent het u dit verontrustende beeld van Russische cyberoperaties, gericht op onze vitale infrastructuur, zoals spoorwegen, vliegvelden, en elektriciteitsnetwerken? Zo ja, hoe beoordeelt u dit beeld?
Nederland wordt doorlopend geconfronteerd met digitale aanvallen. Dergelijke aanvallen neemt het kabinet uiterst serieus. Staten dienen zich te houden aan het normatief kader voor verantwoordelijk statelijk gedrag in de digitale ruimte. Rusland heeft een offensief cyberprogramma tegen Nederland. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2 van november 2022 rapporteren AIVD, MIVD en NCTV over Russische dreiging tegen vitale infrastructuur2. Russische cyberactoren ondernemen activiteiten die duiden op spionage en op voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage.
Nederlandse organisaties in vitale sectoren kunnen ook indirect door ketenafhankelijkheden geraakt worden als gevolg van aanvallen in relatie tot de Russische dreiging.
De AIVD ziet daarnaast dat cyberactoren gebruik maken van commerciële software die ook wordt gebruikt door beveiligingsonderzoekers en cybercriminelen, en niet specifiek te herleiden is, om te voorkomen dat hun aanvallen worden ontdekt.
Daarmee past de berichtgeving over het vermeende gebruik van software van een commercieel bedrijf voor het offensieve cyberprogramma van Rusland in het dreigingsbeeld. Het Nationaal Cyber Security Centrum blijft waakzaam voor veranderingen in het dreigingsbeeld.
Hoe staat het met de versterkte aanpak vitaal? Acht u de toegezegde stappen en acties afdoende in het kader van de Russische voornemens om cyberaanvallen op onze kritieke infrastructuur uit te voeren? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, welke aanvullende acties acht u noodzakelijk?
Momenteel werkt het kabinet aan een versterkte aanpak voor de bescherming van de vitale infrastructuur (Aanpak vitaal). Hier wordt uw Kamer voor de zomer nader over geïnformeerd. Binnen de aanpak wordt ingezet op meer rechten en plichten voor alle vitale aanbieders en een verankering hiervan in de wet- en regelgeving. De herziene Network and Information Security (NIS2) richtlijn is hier een belangrijk onderdeel van.
De NIS2-richtlijn versterkt de bescherming van bedrijven en andere organisaties binnen de EU door hen te verplichten een hoog niveau van cyberbeveiliging te hebben. De richtlijn is van toepassing op organisaties in sectoren die van maatschappelijk belang zijn, zoals drinkwater en energie. Uit de richtlijn volgt een zorgplicht die deze organisaties verplicht zelf een risicobeoordeling uit te voeren, op basis waarvan zij passende maatregelen nemen om hun diensten zoveel mogelijk te waarborgen en de gebruikte informatie te beschermen. Ook schrijft de richtlijn voor dat die entiteiten incidenten binnen 24 uur melden bij de toezichthouder. In het geval van een dergelijk incident moet het ook gemeld worden bij het relevante Computer Security Incident Response Team (CSIRT), zoals het Nationaal Cyber Security Centrum, dat vervolgens hulp en bijstand kan leveren. Organisaties die onder de richtlijn vallen komen ook onder toezicht te staan, waarbij wordt gekeken naar de naleving van de verplichtingen uit de richtlijn, zoals de zorg- en meldplicht. De komende tijd wordt door het kabinet gewerkt aan de implementatie van de NIS2-richtlijn in Nederlandse wet- en regelgeving.
Het belang van het versterken van de digitale weerbaarheid en het beter beschermen van de vitale infrastructuur komt ook terug in de actielijnen van de vorige maand gepubliceerde Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden3.
Welke maatregelen neemt u om onze vitale infrastructuur beter te beschermen tegen digitale aanvallen via de toeleveringsketen ook wel «supply chain» cyberaanvallen genoemd?
Het kabinet deelt de zorgen over cyberaanvallen op leveranciersketens, zoals onder andere is uiteengezet in het Cybersecuritybeeld Nederland 2022 (CSBN 2022)4.
Mede daarom zet het kabinet dan ook stevig in op het verhogen van de digitale weerbaarheid van Nederland. In oktober 2022 is de Nederlandse Cybersecuritystrategie gepubliceerd. Een van de doelstellingen hiervan is te zorgen dat organisaties in de vitale infrastructuur goed beschermd zijn tegen digitale risico’s, en hierin hun belang voor de sector en andere organisaties binnen de keten meenemen. In de hiervoor genoemde Aanpak vitaal is hier nadrukkelijk aandacht voor. Dit komt tot uiting in verschillende concrete acties, zoals de implementatie van de NIS2 en uitgebreide voorlichtingscampagnes.
Organisaties in de vitale infrastructuur hebben hierbij ook nadrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid om hun digitale weerbaarheid op orde te hebben. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de zorgplicht van de Wet Beveiliging Netwerk- en Informatiesystemen (Wbni) ter implementatie van de Network and Information Security (NIS1)5-richtlijn, op basis waarvan aanbieders van essentiële diensten technische en organisatorische maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beveiligen (artikel 7). De NIS2-richtlijn kent ook een dergelijke zorgplicht, waarbij expliciet uit die richtlijn volgt dat de zorgplicht in enkel geval maatregelen omvat ter beveiliging van de toeleveringsketen, met inbegrip van beveiligingsgerelateerde aspecten met betrekking tot de relaties tussen elke entiteit en haar rechtstreekse leveranciers of dienstverleners (artikel 21, eerste lid, onderdeel d, van de NIS2-richtlijn).
De rijksoverheid is daarbij verantwoordelijk voor het creëren van een systeem waarbinnen organisaties de juiste maatregelen kunnen nemen om hun digitale weerbaarheid te vergroten en daarmee hun continuïteit en betrouwbaarheid te borgen.
Om de risico’s van organisaties te beperken is er de afgelopen periode door het Nationaal Cyber Security Centrum en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid steeds nadruk gelegd op het belang van cyberweerbaarheid en waakzaamheid. Ook worden actuele dreigingsbeelden regelmatig gedeeld met organisaties in vitale sectoren.
Om voorbereid te zijn op een crisis in het digitale domein is het Landelijk Crisisplan Digitaal opgesteld (LCP-Digitaal). Het LCP-Digitaal is het overkoepelende kader dat overheden en bedrijven gebruiken voor de inrichting van de eigen cybercrisisplannen. In het LCP-Digitaal wordt ook aandacht besteed aan ketenafhankelijkheid in relatie tot digitale crises. Het LCP-Digitaal is op 23 december 2022 met uw Kamer gedeeld.6 Ook wordt er geoefend met ketenafhankelijkheden, bijvoorbeeld in de nationale cybercrisisoefening ISIDOOR.
Concreet adviseert het Nationaal Cyber Security Centrum om de basismaatregelen in acht te nemen die te vinden zijn op www.ncsc.nl. Voorbeelden hiervan zijn het installeren van updates, het regelmatig maken van back-ups, en het versleutelen van gevoelige bedrijfsinformatie. Ook informeert het Nationaal Cyber Security Centrum organisaties binnen de vitale infrastructuur over digitale dreigingen via de toeleveringsketen.
Kunt u een update geven over de voortgang en de uitkomsten van het overheidsbreed cyberprogramma? In hoeverre is Nederland voorbereid op eventuele cyberaanvallen?
Zie antwoord bij vraag 7.
Hoe frequent wordt er binnen de vitale sectoren geoefend met het anticiperen op digitale aanvallen op onze vitale infrastructuur? Wordt hierbij ook geoefend op scenario’s van uitval van kritieke diensten? Zo nee, waarom niet?
Op nationaal niveau wordt er circa eens in de twee jaar de grootschalige publiek-private cyberoefening ISIDOOR georganiseerd, waaraan organisaties uit de vitale infrastructuur deelnemen. Tijdens deze cyberoefening worden afspraken, structuren en processen uit het Landelijk Crisisplan Digitaal beoefend. Hierbij wordt ook op scenario’s geoefend van uitval kritieke diensten, met de nadruk op digitale veiligheid. Ook worden er (cross-)sectorale oefeningen gehouden en is onder andere het Nationaal Cyber Security Centrum tijdens verschillende oefeningen actief betrokken. Voor zowel ISIDOOR als (cross-)sectorale cyberoefeningen wordt samengewerkt met andere ministeries.
Wanneer was de laatste digitale oefening op cyberaanvallen en welke lessen zijn hieruit getrokken? Wat zijn de vervolgstappen om beter voorbereid te zijn op eventuele cyberaanvallen?
Sinds 2019 organiseert het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks in oktober, tijdens de maand van de cybersecurity, een cyberoefening van en voor de overheid. Deze overheidsbrede cyberoefening is aanvullend op wat verschillende bestuurslagen zelf al organiseren. Een voorbeeld hiervan zijn de oefenpakketten van de Informatiebeveiligingsdienst (IBD) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)7. Ook tijdens de coronapandemie zijn deze oefeningen georganiseerd en sindsdien zijn zij online te volgen. Vanaf 2022 is er naast een centraal te volgen crisisoefening ook de mogelijkheid om simultaan met de eigen organisatie mee te oefenen. Aan de meest recente oefening van oktober 2022 namen meer dan 70 overheidsinstanties deel aan het simultaan oefenen. Daarnaast volgden nog ruim 450 mensen de livestream van de centrale crisisoefening. Nadere informatie is te vinden op www.weerbaredigitaleoverheid.nl.
Inmiddels zijn ook drie edities van cybercrisisoefening ISIDOOR georganiseerd, dit is een door het Ministerie van Justitie en Veiligheid georganiseerde grootschalige oefening voor zowel publieke als private partijen. De laatste editie, ISIDOOR III, vond plaats in juni 2021. De lessen uit ISIDOOR III zijn gedeeld met uw Kamer8, en zijn meegenomen in het Landelijk Crisisplan Digitaal (LCP-Digitaal). Deze lessen en aanbevelingen zagen onder andere toe op het vergroten van inzicht in rollen en routes in de crisisbeheersing, in zorgvuldigheid en snelheid van informatiedeling en crisisrespons, in het optimaal benutten van capaciteit en expertise en het samen met partners blijven werken aan de voorbereiding op cybercrises. Een nieuwe versie van het plan is eind december 2022 aangeboden aan de Kamer.9
Het LCP-Digitaal vormt de basis voor de volgende editie van ISIDOOR: ISIDOOR IV. Jaarlijks zal worden bezien of het LCP-Digitaal actualisatie behoeft, onder andere aan de hand van de nieuwe geleerde lessen uit incidenten en oefeningen (waaronder ISIDOOR IV) en andere relevante ontwikkelingen.
In februari 2023 vond ook een cross-sectorale digitale oefening plaats, waarin publieke en private organisaties getest hebben hoe goed hun systemen bestand zijn tegen zowel zware als ook slimmere DDoS-aanvallen. Traditionele DDoS-aanvallen zijn aanvallen waarbij een systeem wordt overladen met verzoeken, waardoor deze onbereikbaar wordt. Bij een slimme aanval krijgen de servers andere, zwaardere taken te vervullen, waardoor de capaciteit voor normaal gebruik wordt opgeslokt. De oefening werd georganiseerd tussen leden van de Anti-DDoS-Coalitie. Dit is een publiek-privaat samenwerkingsverband waar onder andere het Nationaal Cyber Security Centrum bij betrokken is
Bent u het met de stelling eens dat het belangrijk is om regelmatig te oefenen met het bestrijden van cyberaanvallen zodat Nederland voorbereid is op actuele dreigingen? Zo ja, wanneer is de eerstvolgende cross-sectorale cyberoefening? Welke oefeningen staan gepland op de langere termijn? Hoe staat het met structureel organiseren van cross-sectorale cyberoefeningen? Zo nee, waarom niet?
Effectieve crisisbeheersing vergt behalve gezamenlijke voorbereiding ook oefening. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft daarom een oefenprogramma ontwikkeld en in gebruik laten nemen. Dit is op 12 juni 2019 met uw Kamer gedeeld10.
In dat programma wordt op drie sporen ingezet: het organiseren van grootschalige oefeningen, deelname van de overheid aan bestaande cyberoefeningen en het ontwikkelen van initiatieven op oefenen in publiek-privaat verband. Deze inzet blijft belangrijk onder de in oktober 2022 gepubliceerde Nederlandse Cybersecuritystrategie, waarin het belang wordt benadrukt van snel en adequaat reageren op cyberincidenten en -crises.
De oefening ISIDOOR vindt eens per twee jaar plaats. De organisatie van ISIDOOR IV is op dit moment al begonnen en in volle gang. De oefening zal naar verwachting eind 2023 plaatsvinden. Voor de meeste (cross-)sectorale oefeningen is geen vaste frequentie. De onder vraag 7 genoemde Anti-DDoS-coalitie beoogt om twee keer per jaar een oefening te organiseren over het omgaan met DDoS-aanvallen. Jaarlijks blijft ook de overheidsbrede cyberoefening plaatsvinden voor medeoverheden, waar ook bedrijven mogen aanhaken.
Toenemende stroperij |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Stropers hebben vrij spel: vooral reeën en hazen illegaal afgeschoten»?1
Ja.
Deelt u de conclusies van het onderzoek dat wildstroperij steeds meer toeneemt? Zo nee, waarom niet en op welke bronnen baseert u zich? Zo ja, wat is de trend?
In eerdere Kamervragen rond dit onderwerp is reeds aangegeven dat het niet goed mogelijk is om een zuiver beeld te krijgen van «wildstroperij», omdat dit onder diverse artikelen van de Wet natuurbescherming valt en dus geen afzonderlijk strafbaar feit is. Het is op basis van de beschikbare informatie daarom niet mogelijk om te concluderen wat de omvang en trend is van wildstroperij.
Deelt u de mening dat illegale stroperij is toegenomen, omdat de pakkans zo laag is als gevolg van de bezuinigingen op handhaving in het buitengebied? Zo nee, waarom niet en op welke bronnen baseert u zich? Zo ja, wat gaat u doen om de pakkans te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het niet goed mogelijk om een zuiver beeld te krijgen van de omvang van stroperij, ik kan daarom ook niet speculeren over een eventuele oorzaak.
Ten algemene heeft de huidige personele krapte binnen de basisteams van de politie zijn weerslag op de inzetbare capaciteit van die teams. Dat geldt ook voor handhaving in het buitengebied. De milieuagenten van de politie hebben, in nauwe samenwerking met en ondersteunend aan groene boa’s, een rol in de aanpak van stroperij. De politie werkt er aan om de capaciteit van de milieuagenten op hun politiemilieutaak in 2026 weer zodanig op orde te krijgen dat stroperij effectiever kan worden aangepakt.
Overigens worden nog altijd stropers opgepakt door de politie. Zo zijn in de provincie Limburg de afgelopen jaren verschillende strafrechtelijke onderzoeken uitgevoerd naar criminele stroperij. Het gaat dan vaak om intensieve stroperij op hazen met lange honden.
Deelt u de mening dat het feit dat het aantal meldingen over stroperij afneemt mogelijk kan bijdragen aan de toename van illegale stroperij? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat mensen geen melding durven te doen en/of geen getuigenisverklaring durven af te leggen?2
Zoals ook aangegeven bij mijn antwoord op vraag twee is op voorhand niet vast te stellen of en zo ja, in hoeverre stroperij toe- of afneemt. Ook is er geen informatie over het aantal meldingen en of dat aantal toe- of afneemt.
In algemene zin kan worden gesteld dat observaties van betrokken burgers een belangrijke bron zijn voor strafrechtelijke opsporingsonderzoeken naar stroperij en kunnen bijdragen aan daderindicaties. Eén van de doelen van het strafrecht is de afschrikkende werking die er van uit gaat; indien een verlaagde meldingsbereidheid leidt tot minder succesvolle strafrechtelijke vervolgingen, kan dit dus in principe ook leiden tot verminderde afschrikking.
Ten algemene vragen melders, aangevers en getuigen van misdrijven zich regelmatig af wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een getuigenis. De positie van de getuige is wettelijk geregeld en beschermd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via Meld Misdaad Anoniem melding te doen van feiten.
Kunt u uitsluiten dat hazen en reeën mogelijk via de lokale poelier of horecagelegenheid op het bord van de Nederlandse burger terecht kunnen komen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, wat vindt u hiervan en wat gaat u hier tegen ondernemen?3
De NVWA controleert regelmatig bij poeliers en restaurants waar wild op de kaart staat. Tot nu toe komen de inspecteurs alleen wild van legale herkomst tegen (via de groothandel) of jagers die het wild afleveren met een «verklaring eerste onderzoek» (Gekwalificeerd Persoon verklaring). In de periode van oktober 2022 – januari 2023 zijn bij 13 poeliers en 28 restaurants inspecties uitgevoerd naar wild. Daarbij zijn geen overtredingen geconstateerd voor het onderwerp wild.
Is het juist dat zowel de haas als de ree inheemse beschermde diersoorten zijn onder de bijlage, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming?
Dit is juist, haas en ree zijn soorten van bijlage, onder A, bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (overige soorten, nationaal beschermde soorten).
Klopt het dat u een resultaatsverplichting hebt voor de goede staat van instandhouding van deze soorten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om illegale stroperij te stoppen en te voorkomen?4
Nee, dat klopt niet. Er is geen wettelijke resultaatsverplichting om een goede staat van instandhouding van deze soorten te behouden of te bereiken. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht (Wet natuurbescherming Art 1.11 eerste lid).
Komen er meer middelen beschikbaar om politie en Openbaar Ministerie (OM) te ondersteunen in hun strijd tegen deze vorm van illegale jacht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
De motie Hermans is aanleiding geweest voor een intensivering op het gebied van veiligheid van € 200 mln5. Onderdeel hiervan is een uitbreiding van de politiecapaciteit met 700 fte agenten voor de basisteams. De verdeling van deze extra capaciteit binnen de eenheden is uiteindelijk aan de gezagen, dus aan de hoofdofficier van justitie en aan de burgemeesters. Het eerste deel van de extra agenten zal in 2026 als volledig opgeleide agent van de politieacademie komen. Het OM en Rechtspraak krijgen op grond van het Coalitieakkoord middelen om onder meer de capaciteit te vergroten. Het betreft middelen ter hoogte van in totaal € 200 mln. voor de «versterking justitiële keten». Het gaat om een oplopende reeks van € 50 mln. in 2022 oplopend naar € 200 mln. vanaf 2025. Hiervan is € 14,4 mln. bestemd voor de algemene versterking van het OM.
De capaciteit van de zowel de politie als ook het OM wordt dus versterkt. Deze capaciteit is niet direct verbonden aan de strijd tegen stroperij. Het is aan het OM – indien hiertoe aanleiding is – om te bepalen of er extra capaciteit kan en zal worden ingezet voor de aanpak van stroperij. Daarnaast is een deel van deze zogenaamde Hermans-gelden, te weten € 5,5 mln., vrijgemaakt voor meer groene boa’s voor toezicht en handhaving in het buitengebied.
Hoe gaat u de toenemende stroperij meewegen in het beleid rond de jacht en schadebestrijding, gezien dit de balans van populaties verstoort waardoor natuurbeleid niet effectief is?
Zoals aangegeven in de antwoorden op eerdere vragen is er geen goed beeld van de omvang van stroperij. De impact is daarom ook onbekend. Ondanks dat ik stroperij ten zeerste afkeur kan ik stroperij om deze reden niet meewegen in het beleid. Bij het beleid rond de jacht en schadebestrijding wordt uitgegaan van de wettelijke kaders zoals vastgelegd in de Wet natuurbescherming en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Tegelijkertijd weten we dat handhaven werkt en met de extra middelen (zie antwoord 8) zal daar ook op ingezet worden.
Deelt u de mening dat de jacht zonder nut of noodzaak op hazen voor het jachtseizoen 2023/2024 moet worden gesloten? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer van 4 april 2023 (Kamerstuk 36 200-XIV, nr. 120) heb ik aangekondigd een traject op te zullen starten om het huidige systeem van faunabeheer tegen het licht te houden, om te komen tot een toekomstbestendig stelsel. Omdat ik verwacht dat dit zorgvuldig proces meerdere jaren gaat duren, heb ik de afweging gemaakt om voor de wildlijst de huidige regeling, waarbij jacht op konijn landelijk niet geopend is en jacht op haas in drie provincies niet geopend is, in stand te houden voor tenminste het komende jachtseizoen.
Mishandeling van een boswachter |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de mishandelde boswachter in Limburg1 en de eerdere berichten over toename van agressie tegen boswachters?2, 3
Ja. Hierbij wil ik benadrukken dat het gebruik van geweld ontoelaatbaar is en dat ik hoop dat deze boswachter snel van de opgelopen verwondingen herstelt.
Wat zijn de cijfers van agressie tegen boswachters over de laatste vijf jaar?
De politie registreert niet specifiek op incidenten van agressie tegen boswachters. Wel is bekeken hoeveel incidenten er in hun systemen zijn geregistreerd in het kader van Veilige Publieke Taak (VPT) aangaande verschillende vormen van agressie tegen boa’s domein II en/of incidenten waarbij «boswachter», «Natuurmonumenten» of «Staatsbosbeheer» is vermeld. Hierbij zijn tussen 2018 en 2022 jaarlijks respectievelijk 8, 6, 7, 4 en 4 incidenten geregistreerd. Voor 2023 zijn dit tot op heden 4 incidenten.
Klopt het dat justitie tot nu toe alleen het gebruik van handboeien en wapenstok heeft goedgekeurd als vaste uitrusting van boswachters? Zo ja, zijn alle boswachters hiermee uitgerust?
Boa-werkgevers kunnen volgens de BOA-beleidsregels voor hun boa’s in domein II een aanvraag indienen voor handboeien, pepperspray, wapenstok, surveillancehond en vuurwapen. Deze aanvraag wordt door Justis beoordeeld op basis van een beoordelingskader.
In domein II werken verschillende soorten boa’s waaronder boswachters. Een duidelijke definitie van «boswachter» wordt nergens gegeven, maar op basis van de laatste gegevens kan worden geconcludeerd dat er bij gemeenten, natuurbeheerorganisaties en landgoedeigenaren boa’s in dienst zijn aan wie meer dan handboeien en een wapenstok zijn toegekend. Daarnaast zijn er ook boswachters en andere boa’s in domein II die niet zijn uitgerust met geweldsmiddelen.
Deelt u de mening dat de bodycam afschrikwekkend en de-escalerend werkt? Zo ja, wilt u boswachters hiermee uitrusten, zodat agressief gedrag op beeld komt, waardoor daders sneller kunnen worden gepakt?
Ja. De bodycam werkt vanuit het perspectief van de politie de-escalerend, zo blijkt uit het Eindrapport «Inzet van bodycams binnen het operationele politiewerk», van het Programma Sensing, Landelijke project bodycams van 6 juli 20184. Of een boswachter, als boa, hiermee wordt uitgerust is een keuze en verantwoordelijkheid van de werkgever van de boswachters zelf. Indien de beelden strafbare feiten bevatten of er wordt aangifte gedaan na geweld tegen een boa, dan kunnen de beelden na vordering door de politie worden gebruikt ter opsporing van de strafbare feiten of van de dader van het geweld tegen de boa.
Is voldaan aan de wens van Staatsbosbeheer om boswachters uit te rusten met pepperspray? Zo nee, zou u alsnog aan deze wens willen voldoen?
Ja. Aan de wens van Staatsbosbeheer is in juli 2019 voldaan. Alle boa’s van Staatsbosbeheer mogen uitgerust zijn met pepperspray.
Demonstraties door Extinction Rebellion |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over het bericht: OM worstelt met namen Schiphol-betogers: «Ze hadden geen ID bij zich»?1
Ja.
Kunt u aangeven of de circa 400 aangehouden personen inmiddels door de politie geïdentificeerd zijn?
Het identificatieproces heeft tot dusver 182 geïdentificeerde personen opgeleverd. Het strafrechtelijk onderzoek is primair gericht op de personen die vastgeketend zijn geweest aan vliegtuigen en die betrokken waren bij het knippen van de hekken en het eroverheen klimmen. Dat onderzoek heeft zeven personen opgeleverd die als verdachte zijn aangemerkt. Mogelijk worden gaandeweg nog meer personen geïdentificeerd. Het onderzoek naar de zeven personen is door de Koninklijke Marechaussee afgerond en het dossier is ingeleverd bij het Openbaar Ministerie. Het dossier zal worden beoordeeld, waarna beslissingen zullen volgen over de afdoening. Over het overig deel van de groep (ca. 175 personen) zal later eveneens een afdoeningsbeslissing worden genomen. De personen worden verdacht van een of meerdere strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet en/of de Algemene Plaatselijke Verordening. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan artikel 352 van het Wetboek van Strafrecht (vernieling/onbruikbaar maken luchtvaartuig), artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht (overtreden noodverordening), artikel 62 a van de Luchtvaartwet (wederrechtelijk betreden luchthaventerrein) of artikel 2:1C APV Haarlemmermeer in verband met verstoring van de openbare orde. Gelet op de aard van de zaken, het grote aantal te identificeren personen en uit te voeren onderzoekshandelingen is de toepassing van snelrecht niet aan de orde geweest.
Wat is de voortgang van de strafzaken met betrekking tot deze aanhoudingen? Op basis van welk artikel of artikelen zijn deze aanhoudingen verricht en waarom is hiervoor gekozen?2
Zie antwoord vraag 2.
Is overwogen snelrecht toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er bij de demonstratie op de A12 van zaterdag 28 januari 2023 circa 650 mensen aangehouden zijn? Hoeveel van deze aangehouden personen zijn door de politie geïdentificeerd?
Er zijn 768 personen aangehouden. Het overgrote deel van deze personen kon direct worden geïdentificeerd. Van de overige personen die geen ID-bewijs bij zich hadden en waarvan een deel de vingers had afgeplakt is een foto genomen.
De meeste personen zijn aangehouden op grond van artikel 11 van de Wet openbare manifestaties (het houden van of deelnemen aan een samenkomst waarvoor de vereiste kennisgeving niet is gedaan of waarvoor een verbod is gegeven). Deze personen dienden op last van de burgemeester verwijderd te worden van de A12, nu de burgemeester geen toestemming had gegeven om daar te demonstreren. Het belangrijkste doel was het vrijmaken van de A12. Deze personen worden niet vervolgd. Daarnaast is een aantal personen als verdachte aangemerkt wegens verdenking van voorbereidingshandelingen voor een wegblokkade (art. 162 Wetboek van Strafrecht) en er is een persoon aangehouden voor het overtreden van een opgelegd gebiedsverbod. Deze zaken zijn nog in behandeling bij het Openbaar Ministerie.
Snelrecht houdt in dat een verdachte die na inverzekeringstelling in bewaring wordt gesteld, binnen zeventien dagen voor de politierechter moet verschijnen. Het gaat daarbij meestal om zaken als openlijk geweld, vernielingen, brandstichting en geweld tegen personen met een publieke functie. Het Openbaar Ministerie, de rechter en de verdediging moeten kunnen beschikken over een compleet dossier. Complexere zaken waarin aanvullend onderzoek nodig is (zoals bij grote ordeverstoringen) komen in het algemeen niet in aanmerking voor snelrecht. In de meeste gevallen wordt iemand dan heengezonden, maar blijft hij of zij wel verdachte. Dat is hier ook het geval. Alle verdachten zijn op dezelfde dag of kort daarna heengezonden. Er is dus geen snelrecht toegepast.
Wat is de voortgang van de strafzaken met betrekking tot deze aanhoudingen? Welk artikel ligt ten grondslag aan deze zaken en waarom is hiervoor gekozen?3
Zie antwoord vraag 5.
Is overwogen snelrecht toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er bij de demonstratie op de A12 van zaterdag 11 maart 2023 circa 700 personen aangehouden zijn? Zijn deze personen inmiddels allemaal geïdentificeerd?
Op 11 maart 2023 zijn 700 aanhoudingen verricht, waarvan het overgrote deel op grond van artikel 11 van de Wet openbare manifestaties. Enkele aanhoudingen vonden plaats op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening, voor belediging en verzet bij aanhouding. Van de 700 zijn 184 personen niet geïdentificeerd. Hier speelden vergelijkbare omstandigheden, waarbij op last van de burgemeester personen moesten worden verwijderd, als genoemd bij het antwoord op de vragen 5 tot en met 7. Er is in deze zaken nog geen vervolgingsbeslissing genomen. Er is dus ook geen snelrecht toegepast.
Wat is de voortgang van de strafzaken met betrekking tot deze aanhoudingen? Welk artikel of artikelen liggen ten grondslag aan deze zaken en waarom is hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 8.
Is overwogen snelrecht toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel aanhoudingen zijn er bij het betreden van verboden terrein van Eindhoven Airport door demonstranten van Extinction Rebellion op 25 maart 2023 verricht?4 Hoeveel van de demonstranten die aangehouden zijn, zitten er op dit moment nog vast?
Er zijn 105 aanhoudingen verricht op grond van artikel 62a van de Luchtvaartwet (wederrechtelijk betreden luchtvaartterrein). Reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat het een niet voor het publiek toegankelijk en daarmee verboden terrein betrof. Alle aangehouden personen zijn op dezelfde dag of kort daarna weer in vrijheid gesteld. Van de 105 aangehouden personen zijn 62 personen geïdentificeerd en 44 personen niet geïdentificeerd. Een besluit over de vervolging van de aangehouden verdachten is nog niet genomen. Er is geen snelrecht toegepast om dezelfde redenen als genoemd bij het antwoord op de vragen 5 tot en met 7.
Zijn de aangehouden personen inmiddels allemaal geïdentificeerd?
Zie antwoord vraag 11.
Wat is de voortgang van de strafzaken met betrekking tot deze aanhoudingen? Welk artikel of artikelen liggen ten grondslag aan deze zaken en waarom is hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 11.
Is overwogen snelrecht toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
In uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Michon-Derkzen over de Schiphol-betogers geeft u aan dat het een verplichting is om een ID-bewijs te tonen als de politie hierom vraagt. Het niet kunnen tonen van een geldig legitimatiebewijs kan leiden tot een boete. U noemt dat, op grond van wet, regelgeving en jurisprudentie, er geen mogelijkheden zijn om iemand te dwingen om zijn of haar identiteit prijs te geven. De politie stelt dat de afname van vingerafdrukken kan worden afgedwongen in het geval de verdachte in verzekering wordt gesteld voor een strafbaar feit waarop voorlopige hechtenis is toegestaan. Waarom is dat hier niet het geval? Als dat niet het geval is, kan, volgens de politie, de onderzoekstijd worden verlengd. Waarom gebeurt dit niet?
Het klopt dat het afnemen van vingerafdrukken kan worden afgedwongen in het geval de verdachte in verzekering wordt gesteld voor een strafbaar feit waarop voorlopige hechtenis is toegestaan. Het afnemen van vingerafdrukken leidt echter niet in alle gevallen tot het vaststellen van een identiteit. Daarnaast bewerken sommige betogers soms hun vingers, waardoor het nemen van vingerafdrukken niet mogelijk is.
Wat is er mogelijk om identificatie alsnog mogelijk te maken wanneer de vingertoppen van een aangehouden verdachte opzettelijk zijn bewerkt, zodat het afnemen van vingerafdrukken niet lukt?
In dat geval kan de politie of de Koninklijke Marechaussee op andere manieren, bijvoorbeeld aan de hand van de genomen gelaatsfoto, proberen de identiteit vast te stellen. De foto kan worden vergeleken met de gelaatfoto’s die zijn opgenomen in de databanken van de strafrechtketen waartoe de politie of KMar toegang heeft.
Vervolgt het Openbaar Ministerie (OM) tot dusver de natuurlijke personen en de organisaties die oproepen tot dit soort orde verstorende acties, waarbij snelwegen worden geblokkeerd en terreinen van vliegvelden worden bezet? Worden zij schuldig bevonden aan opruiing?
Het mogelijk juridisch relevante kader in dit verband omvat opruiing, oftewel het oproepen tot het plegen van strafbare feiten of tot gewelddadig optreden. Dit is strafbaar gesteld in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen in welke gevallen strafrechtelijke vervolging opportuun is en dit is uiteraard sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Of een verdachte schuldig wordt bevonden aan een strafbaar feit, zoals bijvoorbeeld opruiing, is aan de rechter om te beoordelen. Ten aanzien van de betoging op Schiphol verwijs ik naar mijn antwoord op de vragen 2 tot en met 4. Er is in dit geval geen sprake van vervolging door het Openbaar Ministerie wegens opruiing. Ten aanzien van de betoging op de A12 worden er acht verdachten vervolgd voor opruiing ter zake van het oproepen tot het blokkeren van de A12. Deze verdachten zijn niet tijdens de demonstratie aangehouden. De organisatie is geen verdachte. Of deze acht verdachten schuldig worden bevonden aan opruiing is aan de rechter, die vraag ligt daar nu voor. Ten aanzien van de betoging bij Eindhoven Airport was naar het oordeel van het Openbaar Ministerie van opruiing geen sprake.
De burgemeester van Den Haag stelde naar aanleiding van de demonstraties van 11 maart 20235: «Het blokkeren van een weg voor onbepaalde tijd met mensen of materieel is geen acceptabele manier van demonstreren, maar een blokkade. Dat vind ik een ontwrichting van de openbare orde.» Erkent u het onderscheid tussen een demonstratie en een ontwrichting van de openbare orde?
Een demonstratie mag schuren, maar het recht op betoging is geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. De bescherming van het demonstratierecht geldt in principe alleen voor vreedzame betogingen die gericht zijn op gezamenlijke meningsuiting. Wanneer er sprake is van een demonstratie, heeft de burgemeester op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden. Dit mag alleen als dit noodzakelijk is in het kader van drie doelcriteria:
Het begrip «wanordelijkheden» is bewust gekozen omdat het een hogere grens stelt dan «openbare orde», dus een kleine verstoring van de openbare orde is nog geen grond voor het beperken van een demonstratie.
De beoordeling of een bepaalde protestactie valt binnen de grenzen van het demonstratierecht is primair een lokale bevoegdheid. Het is dus niet aan mij om een oordeel te vellen over een specifieke demonstratie zoals die van 11 maart, maar aan de burgemeester. In algemene zin vind ik dat een burgemeester moet kunnen optreden tegen een demonstratie die niet meer gaat om het gezamenlijk uitdragen van een mening, maar om (fysieke) dwang.
Ziet u de afgelopen paar jaar een toename van belemmeringen en of blokkeren van het verkeer en andere ontwrichtingen van de openbare orde?
Ik beschik niet over landelijke cijfers, maar duidelijk is wel dat in de afgelopen jaren het aantal demonstraties is toegenomen6. De wijze waarop wordt gedemonstreerd varieert. Er hebben de afgelopen jaren vele vreedzame demonstraties plaatsgevonden, maar er waren ook uiteenlopende demonstratievormen waarbij de grenzen van het recht werden opgezocht en strafbare feiten werden gepleegd.
Deelt u de mening dat er een duidelijker onderscheid moet komen tussen demonstraties enerzijds en anderzijds, acties die gericht zijn op ontwrichting van de openbare orde door dwangmiddelen in te zetten?
Of sprake is van een demonstratie, of juist niet meer, hangt elke keer opnieuw af van de specifieke omstandigheden van het geval. Het is daarom niet goed mogelijk om op voorhand van bepaalde protestvormen te stellen dat die niet worden beschermd door het demonstratierecht. Dat is – per actie – primair ter beoordeling aan de burgemeester. Duidelijk is wel dat demonstraties die niet zijn gericht op een gezamenlijke meningsuiting, maar op dwang, in beginsel niet onder de bescherming van het demonstratierecht vallen. Bovendien is een demonstratie geen vrijbrief voor strafbare feiten. Zoals blijkt uit het antwoord op voorgaande vragen zijn de betogers die strafbare feiten pleegden dan ook aangehouden en zijn wanneer noodzakelijk demonstraties voortijdig beëindigd.
Hoe gaan andere landen binnen de Europese Unie om met dergelijke ontwrichtingen van de openbare orde, die zich presenteren als een demonstratie?
Ik ben niet bekend met alle verschillende manieren waarop binnen de Europese Unie met dergelijke demonstraties wordt omgegaan. Dat zou nader onderzoek vergen. Wel wordt opgemerkt dat het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting niet alleen nationaal, maar ook internationaal stevig zijn verankerd, zoals in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Andere (ons omringende) landen, waaronder de landen van de Raad van Europa, zijn daarmee ook internationaalrechtelijk gebonden aan de vergaande bescherming die het demonstratierecht en het recht op vrije meningsuiting genieten. Voor het overige geldt dat andere landen binnen de bandbreedte van het internationale recht de vrijheid hebben eigen keuzes maken die aansluiten bij hun eigen rechtscultuur. In alle landen van de Europese Unie wordt het recht op betoging dus erkend, waarbij ieder land in nationale wetgeving in een nadere uitwerking daarvan voorziet. Dat kan per land verschillen en keuzes zijn soms (sterk) historisch bepaald.
Volstaat het huidig juridisch instrumentarium, bestuurlijk en strafrechtelijk, bij dergelijke ontwrichtingen van de openbare orde?
Het recht op betoging, zoals nationaal en internationaal beschermd, acht ik een groot goed. Het recht op betoging mag echter geen vrijbrief zijn om strafbare feiten te plegen. Zoals blijkt uit de antwoorden op de hiervoor gestelde vragen zijn de betogers die strafbare feiten pleegden aangehouden en zijn demonstraties die in strijd met de regelgeving plaatsvonden voortijdig beëindigd. Afhankelijk van de ernst van het gepleegde strafbare feit worden de aangehouden personen vervolgd.
Uiteraard volg ik de ontwikkelingen in het buitenland en ben ik bekend met de Public Order Bill. Zoals ook blijkt uit de antwoorden hiervoor verschillen de juridische methoden per land en zijn keuzes soms (sterk) historisch bepaald.
Zoals ik in een brief van 12 januari 2023 heb aangegeven, stuur ik samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer een brief over het demonstratierecht8. In deze brief wordt onder andere uitvoering gegeven aan de motie Michon-Derkzen, waarin – kort gezegd – wordt gevraagd te onderzoeken of het huidige instrumentarium van de Wet openbare manifestaties wel voldoet9.
Bent u bekend met de Public Order Bill in het Verenigd Koninkrijk?6
Zie antwoord vraag 22.
Welke onderdelen hiervan zijn ook opportuun voor de Nederlandse situatie?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de mening dat het zelfstandig strafbaar zou moeten worden om jezelf vast te ketenen of te lijmen (lock-on) en het op andere wijze ernstig belemmeren van transport, infrastructuur en bedrijfsvoering?
Zie antwoord vraag 22.
Het bestrijden van beroepsvandalen van Extinction Rebellion |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de beroepsvandalen Extinction Rebellion wederom de wet hebben overtreden en activiteiten hebben ontplooid die de maatschappij ontwrichten en de economie schade berokkenen?
Ik ben bekend met de demonstratie van Extinction Rebellion die heeft plaatsgevonden op 11 maart jl. waarbij door de actievoerders de A12 is geblokkeerd.
Wat vindt u van het feit dat de al onderbezette politie haar handen vol heeft aan deze beroepsvandalen, gezien het feit dat vandaag tientallen demonstranten van Extinction Rebellion zijn aangehouden en bij eerdere ernstige wanordelijkheden in Den Haag al honderden?1, 2
De politie heeft een belangrijke rol bij het waarborgen van de veiligheid van demonstranten en omstanders en het in goede banen leiden van demonstraties onder het gezag van de burgemeester. Het demonstratierecht is een groot goed, echter het recht op betoging is geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. De politie-inzet rondom demonstraties kost veel capaciteit, zeker wanneer deze mogelijk gepaard gaan met verstoringen van de openbare orde en strafbare feiten. Politiecapaciteit kan maar één keer worden ingezet en noopt daarom onvermijdelijk tot het maken van keuzes. De keuze waar de inzet op dat moment het hardst nodig is, is aan het lokaal gezag.
Deelt u de mening dat deze opruiende club anarchisten zo snel als mogelijk aan banden gelegd dient te worden? Zo ja hoe gaat u dat concreet doen? Kunt u hier een gedetailleerd antwoord op geven?
Zoals ook aangegeven in recente beantwoording van Kamervragen3 is het uitgangspunt van het demonstratierecht dat demonstraties zoveel mogelijk gefaciliteerd dienen te worden en dat maatregelen worden getroffen om de veiligheid te garanderen. Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester wel de bevoegdheid om een demonstratie aan voorschriften te binden of te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden. Dit mag alleen als dit noodzakelijk is in het kader van drie doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van de demonstratie mag daarbij geen reden zijn om beperkingen op te leggen. De burgemeester moet elke demonstratie beoordelen, mede op basis van de plaatselijke omstandigheden. De burgemeester legt over zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Een demonstratie is geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten.
Heeft u de bereidheid om om de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast vanaf heden op Extinction Rebellion van toepassing te laten zijn?3 Zo ja, kunt u gedetailleerd antwoorden of u aan leden van Extinction Rebellion en aan vandalen die aan hun wetsovertredende acties meedoen gebiedsverboden gaat opleggen? Kunt u in uw antwoord ook aangeven of u andere mogelijkheden uit deze weg gaat toepassen, zoals een groepsverbod of een meldplicht?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (Wet MBVEO of ook wel de Overlastwet genoemd) bevat instrumenten voor de burgemeester, officier van justitie en strafrechter. Overigens is de toepassing van de bevoegdheden uit de Wet MBVEO niet gebonden aan voetbal gerelateerde situaties, maar worden deze reeds breder ingezet bij ernstige overlast- en openbare-orde-incidenten. De betreffende bevoegdheden zijn echter niet toepasbaar wanneer sprake is van demonstraties. De Wet openbare manifestaties vormt het kader voor het in goede banen leiden van demonstraties.
Hoe gaat u zich ervoor inzetten dat iedere eurocent aan schade door wetsovertredende acties op Extinction Rebellion en de daders wordt verhaald? Kunt u hier een gedetailleerd antwoord op geven?
Zowel bij beschadiging aan privéeigendommen als bij schade die overheden lijden, bijvoorbeeld beschadiging aan straatmeubilair of politiebusjes, kan de schade op verschillende manieren worden verhaald op de daders. In de eerste plaats kan de dader civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de aangebrachte schade. Ook kan, als de dader strafrechtelijk wordt vervolgd, de dader worden veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan wie zich als benadeelde partij met zijn schade heeft gevoegd in het strafproces. Tenslotte kunnen verzekeraars de schade die zij vergoed hebben verhalen op de dader via subrogatie. In hoeverre verzekeraars van deze mogelijkheid gebruik maken is een keuze die aan de verzekeraars is.
Ontvangt Extinction Rebellion subsidie? Zo ja hoeveel en heeft u de bereidheid om deze subsidie stop te zetten?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft geen subsidie verstrekt aan Extinction Rebellion. Daarnaast blijkt uit het openbare overzicht van het Ministerie van Financiën, dat inzichtelijk maakt welke partijen middelen hebben ontvangen uit de Rijksbegroting5, dat Extinction Rebellion op de meest recente peildatum (ultimo 2022) geen middelen had ontvangen van de rijksoverheid. Uit het openbare jaarverslag van Stichting Vrienden van Extinction Rebellion blijkt niet dat zij in 2022 subsidie hebben ontvangen van een overheidsinstantie.
Heeft u de bereidheid om Extinction Rebellion, zolang ze wet overtreden, niet meer als gesprekspartner te zien?
Het faciliteren en in goede banen leiden van een demonstratie is een taak van de burgemeester als het lokale gezag. Onderdeel van het goed kunnen uitvoeren van die taak is overleg met de organisator van een demonstratie. Om deze reden voer ik als Minister geen gesprekken met organisatoren van demonstraties ter voorbereiding van een demonstratie. Indien er gesprekken plaatsvinden, is dat op lokaal niveau.
De beantwoording van eerdere vragen inzake de betrokkenheid van het Ministerie van J&V en de DJI bij de zaak Engel |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Waarom is door het Openbaar Ministerie (OM) een dagvaarding gedeeld met Justis? Op wiens verzoek/aangeven is dit gebeurd?1, 2
Zoals de Minister voor Rechtsbescherming in de eerdere beantwoording ook aangaf, worden geen uitspraken gedaan over specifieke VOG-aanvragen.3 Een VOG-beoordeling verloopt via een vaste procedure. Justis heeft in de standaard beoordelingsprocedure voor het zorgvuldig nemen van een beslissing de bevoegdheid nadere informatie bij het Openbaar Ministerie (OM) op te vragen over (lopende) strafzaken. Dit is in navolging van artikel 36, lid 3 van de Wjsg. Deze verzoeken verlopen altijd vanuit Justis aan het OM.
Waarom moest specifiek op 23 maart 2022 een beslissing worden genomen met betrekking tot het afwijzen van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)? Was dit besluit onderdeel van de instructie van het OM aan Justis, of werd deze opdracht door iemand anders gegeven en zo ja, door wie? Is er over dit besluit en deze datum afstemming geweest binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de uitvoerende rechterlijke macht en/of de politie? Zo ja, op welke manier en wie waren hierbij allemaal betrokken, in welke hoedanigheid op basis van welke bevoegdheden?
Een VOG wordt beoordeeld binnen de geldende beoordelingstermijnen. De datum die u noemt was geen uitgangspunt. Binnen het proces van de VOG-beoordeling is geen ruimte voor eventuele beïnvloeding of instructies door derden. Dit geldt voor alle VOG aanvragen, dus ook voor het onderhavige geval. Er is dan ook geen afstemming geweest binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de uitvoerende rechterlijke macht en/of de politie.
Waarom is de dagvaarding verstrekt aan Justis? Kunt u, als verantwoordelijk Minister voor het OM, openheid geven over de vraag waarom dit is gebeurd?
Een VOG-beoordeling verloopt via een vaste procedure. In het kader van de VOG-beoordeling geldt dat in artikel 36, lid 1 van de Wjsg staat dat de Minister alle justitiële gegevens bij de beoordeling kan betrekken. Justis heeft voor het zorgvuldig nemen van een beslissing de bevoegdheid nadere informatie bij het OM op te vragen over (lopende) strafzaken. Dit is in navolging van artikel 36, lid 3 van de Wjsg. Voor een goede en volledige oordeelsvorming kunnen dagvaardingen ook onder de informatie vallen die Justis mag betrekken bij de VOG beoordeling. Justis doet deze informatieverzoeken bij het OM. Het OM beoordeelt of de informatie uit het strafdossier verstrekt kan worden.
Kunt u verklaren waarom het OM documentatie heeft aangeleverd aan Justis, terwijl dit niet tot de normale gang van zaken behoort? Kunt u concreet onderbouwen wat de meerwaarde en legitimiteit was van het verstrekken van deze stukken?
Zie antwoord vraag 3.
Wie nam het besluit dat het Kamerlid Van Haga geen toegang kreeg tot de Penitentiaire Inrichting (PI), ondanks dat hij over zijn bezoek op voorhand contact had gehad met de PI? Had de directeur van de PI niet meer medewerking moeten verlenen? Zo nee, waarom niet? Kunt u aangeven op welke manier het lid Van Haga niet aan de voorwaarden had voldaan voor een bezoek aan de PI, dat rechtvaardigt dat hem de toegang werd ontzegd?
Op 28 maart 2022 heeft de directeur van de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet, het lid Van Haga per mail laten weten dat hij van harte welkom is in de inrichting om een aldaar verblijvende gedetineerde te bezoeken. Daarbij is randvoorwaardelijk dat de gedetineerde hiertoe het initiatief neemt. De directeur heeft hem geïnformeerd dat hij, als lid van de Tweede Kamer, volgens de Penitentiaire beginselenwet behoort tot de groep van geprivilegieerd bezoek en toegang heeft tot de gedetineerde op de in de huisregels vastgestelde tijd en plaats (art. 38.7 PBW).
Kunt u bevestigen dat er een speciale registratie is gedaan van persoonsgegevens van de persoon W. Engel, in het Reglement politieregister GRIP? Klopt het dat dergelijke registraties worden gedaan bij/voor terreurverdachten? Heeft deze registratie ertoe geleid dat de Kamerleden Van Haga en Van Meijeren de toegang tot de PI werd ontzegd?
Op individuele casuïstiek kunnen wij niet ingaan. Registraties bij het GRIP hebben tot doel het verkrijgen van landelijk inzicht gericht op de handhaving van orde en veiligheid in de onder de DJI ressorterende inrichtingen, zoals het voorkomen van gevaar voor vlucht en het bevorderen van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten door of met betrekking tot gedetineerden. De betreffende Kamerleden hebben per mail een uitnodiging gekregen van de directeur om als geprivilegieerd bezoek langs te komen. Er is geen sprake van het ontzeggen van toegang.
Hoe lang wordt de u al op de hoogte gehouden van de zaak Engel? Als u niet betrokken bent bij inhoudelijke afwegingen met betrekking tot deze zaak, op welke manier bent u dan wel betrokken? Vanaf wanneer werd u geïnformeerd over deze zaak? Waarom werd u al voor de aanhouding informatie verschaft en werd u per WhatsApp op de hoogte gehouden? Heeft u deze zaak op dat moment besproken met andere Ministers en/of ambtenaren van andere ministeries? Zo ja, met wie en met welk doel?
Zoals geantwoord op uw eerdere vraag, wordt de Minister van Justitie en Veiligheid door het Openbaar Ministerie op hoofdlijnen geïnformeerd over het verloop van bepaalde strafrechtelijke onderzoeken, voor zover de Minister deze nodig heeft zoals wettelijk is geregeld in artikel 129 Wet op de rechterlijke organisatie.4 Door de Minister van Justitie en Veiligheid te informeren over de hoofdlijnen van een strafzaak wordt zij in staat gesteld haar politieke verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de gedragingen van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat de Minister van Justitie en Veiligheid ook geïnformeerd kan worden voordat het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld een verdachte aanhoudt, maar ook over eventuele persberichten en communicatie van het OM, omdat zij hier ook vragen over kan krijgen. Naast dat zij geïnformeerd is in deze zaak heeft zij verder geen betrokkenheid bij deze zaak. Aangezien het hier een lopende strafzaak betreft, doet de Minister van Justitie en Veiligheid hierover verder geen uitspraken.
Waarom beroept u zich in uw antwoord over de openbaarmaking van communicatie aangaande de zaak Engel op het «belang van de Staat»? Kunt u concreet uitleggen op welke manier het belang van de Staat met de openbaarmaking van deze communicatie in gevaar komt? Kunt u dit juridisch onderbouwen, ook met het oog op de stelling dat u niet inhoudelijk betrokken is bij de strafzaak? Is het weigeren tot openbaarmaking van de communicatie geen schending van het recht van de heer Engel op een eerlijk proces? Hoe kan nu worden bepaald of er geen politieke inmenging en/of sturing is geweest?
Welke informatie onder het belang van de Staat kan vallen, wordt zorgvuldig beoordeeld. Verschillende aspecten kunnen een reden vormen om informatie «in het belang van de Staat» niet te verstrekken. In dit geval ziet uw verzoek op stukken die figureren in een strafrechtelijk onderzoek of dat hebben gedaan en die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer raken. Openbaarmaking van gegevens die een rol spelen in de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan die opsporing en vervolging frustreren. In het algemeen zal daarom geen informatie worden verstrekt over een strafrechtelijke procedure die nog loopt. Evenmin zal informatie worden verstrekt over concrete gevallen waarin van vervolging is afgezien, mede in verband met de belangen van de ex-verdachte. Daarnaast is ook de persoonlijke levenssfeer van (onder andere) een verdachte per definitie in geding als het stukken van een (lopend) strafrechtelijk onderzoek betreft. In bijvoorbeeld het Kamerstuk 2001/02, 28 362, nr. 2 wordt nader ingegaan op de reikwijdte van artikel 68 Grondwet.
Voor zover een verdachte dan wel zijn raadsman meent dat er stukken aan het dossier toegevoegd moeten worden, kan dat verzoek schriftelijk en met redenen omkleed op grond van artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering aan de officier van justitie worden gedaan. Indien de officier van justitie van mening is toegedaan dat deze stukken niet aan het dossier moeten worden gevoegd, kan de verdachte dan wel zijn raadsman hiertegen ageren bij de rechter-commissaris.
Blijft u bij uw stelling dat er geen contact is geweest tussen de u, uw departement en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)? Zo ja, hoe verklaart u dan dat er in meerdere mailwisselingen van uw departement met betrekking tot de zaak Engel mailadressen voorkomen van medewerkers van de NCTV?
Zoals is geantwoord op uw eerdere vraag, is er geen contact geweest tussen de NCTV en het Openbaar Ministerie over deze strafzaak.5 De NCTV maakt onderdeel uit van het bestuursdepartement van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Uw vraag of er contact is geweest tussen het departement en de NCTV gaat van de onjuiste veronderstelling uit dat dit niet het geval is. Voor zover u doelt op contacten binnen het departement ter voorbereiding van een mondelinge vraag van een lid van de Tweede Kamer, waarover bij een eerder Woo-besluit stukken zijn geopenbaard, wijst de Minister van Justitie en Veiligheid erop dat deze na binnenkomst standaard aan alle onderdelen van het bestuursdepartement worden gezonden, ten behoeve van een snelle en adequate voorbereiding.
Aangezien u in uw antwoord op vraag 8 aangeeft dat de NCTV «gestopt» is met het «signaleren en duiden van dergelijke ontwikkelingen die onlosmakelijk verbonden zijn met (uitingen en gedragingen van) personen op sociale media», dan moet toch worden geconcludeerd dat er wel degelijk sprake was van een gerichte opdracht aan de NCTV om bepaalde personen in de gaten te houden? Indien u volhoudt dat dat niet het geval was, hoe verklaart u dan de Woo-documentatie waarin de heer Engel en Viruswaarheid zeer regelmatig worden vermeld? Erkent u dat hiermee aan dossieropbouw is gedaan met betrekking tot de heer Engel en Viruswaarheid bij of door de NCTV, de politie, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en/of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD)?
De conclusie die u trekt kan niet worden afgeleid uit het antwoord van de Minister van Justitie en Veiligheid op uw eerdere vraag en is bovendien onjuist.6 Uit uw vervolgvraag kan niet op worden opgemaakt op welke Woo-documentatie u doelt, zodat het antwoord op uw laatste deelvraag onbeantwoord moet blijven.
Klopt het dat, gezien de documentatie van en vermelding van de heer Engel en Viruswaarheid in politiedossiers, NCTV- en Woo-stukken, de heer Engel verdacht werd van opruiing met een terroristisch kenmerk en hij daarmee dus inderdaad in het vizier was van de NCTV?
Nee, dit klopt niet.
Bent u op de hoogte gesteld van de op 12 januari 2022 gedane aangifte door de heer Dikkeboom van opruiing en bedreiging met een terroristisch kenmerk, waarna op 20 of 21 januari een verkennend onderzoek werd gestart?
Zie het antwoord op vraag 7.
Is het juist dat dit onderzoek vooral is ingegeven door vragen van de heer Engel op Twitter, over de financiën van de destijds aanstaande Minister van Financiën, mevrouw Kaag? Is er met mevrouw Kaag gesproken over de heer Engel? Is er naar aanleiding van deze vragen door de NCTV gesproken over de heer Engel?
Er worden geen uitspraken gedaan over een lopende strafzaak aangezien deze nog onder de rechter is. De Minister van Justitie en Veiligheid noch de Minister voor Rechtsbescherming heeft met mevrouw Kaag gesproken over het strafrechtelijk onderzoek. Er is door de NCTV naar aanleiding van deze vragen niet met mevrouw Kaag of met anderen gesproken over de heer Engel.
De uitgaven van het ministerie aan ‘anonieme bedrijven’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct dat de uitgaven aan (in de boekhouding) «anonieme bedrijven» van uw ministerie explosief zijn gestegen van iets meer dan 210 duizend euro in 2018 naar ruim 238 miljoen euro in 2021?1
Na de invoering van de AVG, medio 2018, zijn alle inkoopuitgaven aan herkenbare personen als «anoniem» gepubliceerd. Dit verklaart de stijging. Een persoon is herkenbaar wanneer deze met voor- en achternaam is benoemd of met initialen en achternaam. Enkele voorbeelden hiervan zijn tolken en deskundigen in strafzaken. De genoemde getallen zijn juist.
Wat is de reden voor deze stijging?
De toepassing van AVG op de opendata zorgt voor de toename van geanonimiseerde betalingen in de publicatie.
De aanpak van milieucriminaliteit |
|
Kiki Hagen (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de conclusie van de Algemene Rekenkamer1 dat de huidige strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit onvoldoende afschrikwekkend is en ook geen vergelding teweeg brengt, nu 55 procent van de milieuzaken middels een transactie worden afgedaan waarbij geen schuld bekend hoeft te worden?
Zowel de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat als ik vinden de constatering van de Algemene Rekenkamer dat de strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit onvoldoende afschrikwekkend is uiteraard ernstig. Daarom laat het Ministerie van JenV onderzoek doen naar de straftoemeting bij (ernstige) milieudelicten. Het gaat dan om de sanctietoepassing bij ernstige milieudelicten in de praktijk en eventuele belemmeringen bij het opleggen van een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie.
De laatste jaren worden meer zaken afgedaan met een OM strafbeschikking. Een strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. Wanneer een verdachte geen verzet tegen die strafbeschikking doet legt hij zich bij die schuldvaststelling neer.
Deelt u de mening dat transacties effectiever zouden kunnen zijn als het Openbaar Ministerie (OM) een in de wet verankerde bevoegdheid krijgt om bij een transactie met een rechtspersoon een compliance-maatregel op te leggen, en om alsnog tot vervolging over te gaan wanneer het bedrijf de compliance-maatregel als onderdeel van de transactievoorwaarden niet naleeft?
Die mening deel ik. De transactiemodaliteit vergroot de buitengerechtelijke mogelijkheden om milieucriminaliteit in de sfeer van de rechtspersoon snel en efficiënt af te doen. De officier van justitie kan een transactieaanbod doen waarin een of meer voorwaarden worden gesteld ter voorkoming van vervolging. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering is specifiek voor de transactie een titel gereserveerd (in Boek 3, Hoofdstuk 4). Deze titel zal via een aanvullingswet invulling krijgen. Die aanvullingswet zal een regeling van de transactie bevatten, waarin de naleving van aanwijzingen in het kader van gedragstoezicht gericht op compliancebeleid als nieuwe transactievoorwaarde zal zijn opgenomen. Dergelijke aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het tot stand brengen, implementeren en naleven van een complianceprogramma. Bij niet-naleving van de transactievoorwaarden kan het openbaar ministerie tot vervolging overgaan. Het streven is om de genoemde aanvullingswet in het eerste kwartaal van 2024 in formele consultatie te geven (zie de achtste voortgangsrapportage van het nieuwe Wetboek van Strafvordering2).
Onderschrijft u de conclusie van het OM dat er een verplichte reclassering moet komen voor bedrijven die een transactie zijn aangegaan met het OM, die onafhankelijk toezicht houdt op de naleving van de transactie-afspraken?2
In de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de voortgang van het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP VTH) zal een eerste reflectie op dit onderwerp worden gegeven. Deze brief zal naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer worden aangeboden.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat bedrijven bij wie de kans op overtreding hoog is in absolute zin weinig worden geïnspecteerd? Welke stappen zijn er op dit gebied inmiddels gezet?
Zowel de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat als ik vinden de constateringen van de Algemene Rekenkamer uiteraard zorgelijk en zijn van mening dat overtreders van milieuwetgeving moeten worden aangepakt. Hoe dat het beste kan worden vormgegeven, bekijkt de Staatssecretaris van IenW samen met de betrokken partners binnen het IBP VTH, onder andere door invulling te geven aan aanbeveling 74 van de commissie Van Aartsen om te komen tot één uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid en één uitvoeringsprogramma per regio. Een meer uniform beleid en programma zou moeten leiden tot efficiëntere inzet van onder andere toezichthouders.
Deelt u de mening dat veelplegers op het gebied van milieucriminaliteit harder bestraft zouden moeten worden op het moment dat zij opnieuw de fout ingaan om herhaling te voorkomen? Zo ja, bent u bereid om een veelplegersaanpak te ontwikkelen met het oog op het aanpakken van de kleine groep bedrijven die verantwoordelijk is voor het overgrote deel van de in Nederland gepleegde milieucriminaliteit?
Het plegen van milieudelicten is onacceptabel, extra kwalijk is het als het meer dan één keer gebeurt. Op dit moment geeft de nieuwe Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht5 omgevingsdiensten al mogelijkheden (op basis van de wet- en regelgeving) om bij recidive zwaarder te straffen, ook in het kader van het strafrecht. Voor bedrijven die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo-bedrijven) bestaat reeds een veelplegersaanpak. De implementatie hiervan vindt plaats in de regio. Voor het kunnen optreden bij recidive bij alle typen bedrijven is het van belang dat de bevoegde gezagen, de omgevingsdiensten en het OM de benodigde informatie hebben en delen. Inspectieview is hierin helpend. Ook zal de veelplegersaanpak worden versterkt met de investeringen in extra opsporings- en vervolgingscapaciteit die het Kabinet heeft gedaan, zoals aangegeven in de brief van 21 oktober 20226. Op dit moment acht ik aanvullende maatregelen voor de aanpak van veelplegers niet nodig en is het aan de uitvoerende diensten om met het beschikbare instrumentarium hier invulling aan te geven.
Hoe en wanneer bent u van plan opvolging te geven aan motie-Hagen/Sneller (die op 6 december 2022 is aangenomen) over het expliciet in de Wet op de economische delicten opnemen dat de sancties op milieudelicten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn, zodat de rechter beter in staat wordt gesteld om straffen op te leggen die in verhouding staan tot de overtreding (Kamerstuk 22 343, nr. 344)?
De opvolging van de motie wordt opgepakt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en zal niet naar de letter maar naar de geest zijn. Zoals aangegeven in de brief van 21 oktober 20227 is het opnemen van «doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend» in de Wet economische delicten niet passend. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zal opdracht geven voor een wetenschappelijk onderzoek naar de huidige wijze van straffen en de effectiviteit daarvan bij milieufeiten. In het onderzoek wordt meegenomen hoe opvolging aan de motie kan worden gegeven.
Daarnaast wordt op dit moment in Europees verband de Richtlijn 2008/99/EG8 (milieustrafrecht) herzien. Hierbij worden ook de daarin opgenomen sanctiemogelijkheden voor milieudelicten tegen het licht gehouden. Bij de implementatie van deze herziening wordt ook naar de hoogte van de sancties voor milieudelicten in meer algemene zin gekeken.
Hoe en wanneer verwacht u opvolging te geven aan motie-Hagen/Sneller (die op 6 december 2022 is aangenomen) over het opzetten van een met privacy waarborgen omkleed gedeeld informatiesysteem waarvan alle bestuurlijke en strafrechtelijke diensten die betrokken zijn bij opsporing en handhaving van milieucriminaliteit gebruik kunnen maken (Kamerstuk 22 343, nr. 329)?
De opvolging van motie-Hagen/Sneller is ondergebracht in pijler 3 (informatie-uitwisseling en datakwaliteit) van het IBP VTH. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen in september 20229 en de brief van 16 maart 2023 met de beantwoording van de vragen die zijn gesteld in het schriftelijk overleg10, zijn de betrokken partijen binnen pijler 3 bezig met het in kaart brengen van het informatielandschap van het VTH-stelsel. Dit zal mede de grondslag zijn voor het formuleren van verbetervoorstellen voor de informatievoorziening van het VTH-stelsel en de wijze waarop invulling aan genoemde motie wordt gegeven. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat verwacht medio 2023 meer concreet te kunnen aangeven hoe de motie wordt ingevuld.
Heeft u zicht op de omvang en de aard van milieucriminaliteit in Nederland? Klopt het dat de kosten van milieucriminaliteit mogelijk veel hoger liggen dan de schattingen van 4,4 miljard euro, gezien het beperkte zicht op de omvang?
Het is afhankelijk van de gehanteerde definitie hoe groot de omvang van de kosten van milieucriminaliteit wordt geschat. In 2022 schatte de ILT de milieuschade op 5,5 miljard euro per jaar.11 De acties die plaatsvinden in pijler 3 (informatie-uitwisseling en datakwaliteit) van het IBP VTH, hebben tot doel de informatiepositie van partijen te verbeteren. Deze acties kunnen in de toekomst verder bijdragen in het vormen van een beeld van de omvang van milieucriminaliteit. Milieucriminaliteit is over het algemeen haalcriminaliteit: het milieu doet zelf geen aangifte, waardoor je er actief naar op zoek moet. Hierdoor is het helaas niet in alle gevallen bekend dat er sprake is van milieucriminaliteit. Daardoor is het niet mogelijk om een volledig beeld te geven van de exacte aard en omvang.
Op welke manier is er sinds het rapport van de Algemene Rekenkamer gewerkt aan de informatiepositie van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en daarmee uw eigen informatiepositie op het gebied van het functioneren van het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel)? Hoe verhoudt zich dit tot de recente berichtgeving over gebrekkig toezicht vanuit de ILT?3
Inmiddels is met de coalitieakkoordgelden voor versterking van VTH bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT – een bedrag oplopend van 2 miljoen euro in 2022 tot 6 miljoen euro in 2024) de capaciteit van de Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD) van de ILT uitgebreid. Er zijn twee nieuwe teams geformeerd- een team Intelligence en een team Informatie, Data & Analyse- die de focus hebben op het aanleggen, onderhouden en versterken van de informatiepositie van de ILT-IOD. Dit vergroot de mogelijkheden om een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren en versterkt mijn informatiepositie binnen het milieudomein.
Daarnaast is de ILT binnen het IBP VTH gestart met de thematische en signalerende onderzoeken naar het functioneren van het VTH-stelsel. Het doel van deze onderzoeken is om aan mij te rapporteren over het functioneren van het VTH-stelsel in de uitvoeringspraktijk en het boven water krijgen van tekortkomingen binnen het VTH-stelsel milieu. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft u op 19 april jl. het eerste thematische onderzoek van de ILT inclusief mijn beleidsreactie toegestuurd.
Het door uw Kamer aangehaalde signaal van de ILT gaat over het stelsel van de certificerende instellingen. Dit betreft een ander stelsel dan het VTH-stelsel, al gaat het ook hier om het uitwisselen van informatie. Bij het stelsel van de certificerende instellingen heeft de ILT aanwijzingen dat in bepaalde sectoren onterecht certificaten worden afgegeven. In dit kader werkt de ILT ook aan de verbetering van haar eigen toezicht. Zoals het toezicht op de individuele private partijen, als dat bij de taak van de inspectie hoort. Verder doet de ILT een oproep aan alle betrokken partijen, zoals de certificerende instellingen, om de manier waarop de stelsels werken en hun rol daarin te verbeteren.
Het bericht dat de politie meekeek in chatgroepen van Extinction Rebellion |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie meekeek in chatgroepen van Extinction Rebellion?1
Ja.
Kunt u toelichten of de beschreven methodiek, het infiltreren in chatgroepen, vaker wordt gebruikt bij demonstraties? Zo nee, kunt u toelichten in hoeverre een demonstratie van andere belangengroepen waar strafbare feiten worden gepleegd, verschilt van de demonstratie van Extinction Rebellion?
Het meekijken in chatgroepen wordt toegepast in diverse online groepen, afhankelijk van de te verwachten ernstige verstoring van de openbare orde en/ of het plegen van misdrijven. Het behoort tot de taak van de politie om dit te kunnen signaleren en vervolgens te kunnen optreden. Uiteraard dient dit te geschieden binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit.
Kunt u reageren op het commentaar van Amnesty International?
Amnesty International heeft aangegeven dat de politie de vreedzaamheid van de demonstratie niet als uitgangspunt neemt en demonstranten ziet als een potentieel risico. Voorop staat dat het demonstratierecht in ons land een groot goed is en bescherming geniet. De politie heeft een belangrijke rol bij het handhaven van de openbare orde bij demonstraties met het oog op een ieders veiligheid. De politie treedt daarbij op onder het gezag van de burgermeester. Deze neemt de mogelijke inzet van de politie bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid mee in de afweging bij het faciliteren van demonstraties. Om een juiste inschatting te maken welke maatregelen moeten worden genomen en hoeveel politie aanwezig moet zijn teneinde de veiligheid van demonstranten en anderen te kunnen waarborgen is informatie nodig. Bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde treedt de politie op onder het gezag van de officier van justitie. In beide kaders dienen wettelijke bevoegdheden op proportionele wijze en met in achtneming van de uitgangspunten van het grondwettelijk demonstratierecht te worden toegepast. De beoordeling daarvan in een concreet geval is aan de politie en het gezag.
In hoeverre acht u deze maatregel doelmatig en proportioneel?
Deze afweging wordt niet door mij gemaakt, maar door de politie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Bij wie dit gezag berust en hoe dit wordt ingevuld verschilt per politietaak. Het gezag voor de handhaving van de openbare orde berust bij de burgemeester. Voor de rechtshandhaving is dit de officier van justitie. Binnen het wettelijk kader behorend bij de taak dienen wettelijke bevoegdheden (indien aanwezig) op proportionele wijze en met in achtneming van de uitgangspunten van het grondwettelijk demonstratierecht te worden toegepast. De beoordeling in het concrete geval is aan de politie en het gezag. De politie maakt hierbij gebruik van interne werkinstructies. Dit betreffen geen openbare documenten.
Kunt u toelichten hoe de beslisboom om deze maatregel in te zetten verloopt? Wordt de Minister daar vooraf van op de hoogte gebracht?
Zie antwoord vraag 4.
De uitspraak dat (ook) de politie bij sociale mediabedrijven de status heeft van ‘trusted flagger’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met haar antwoord op het verzoek van de Kamer de meldingen die de politie in haar hoedanigheid van «trusted flagger» heeft verstuurd sinds 2020 naar sociale mediabedrijven naar de Kamer te sturen) waarin ze schrijft: «de politie [registreert] de gevraagde informatie niet op zodanige wijze dat de informatie uit de politiesystemen gehaald kan worden»?1
Ja, ik ben bekend met de antwoorden die ik zelf heb gegeven op de eerder door Kamerlid Van Houwelingen gestelde vragen.
Hoe verhoudt uw antwoord zich tot de Archiefwet en de Wet Open Overheid? Is de politie in het kader van deze wetten niet verplicht de gevraagde informatie zodanig te registreren dat de informatie door de Kamer kan worden opgevraagd?
Er zijn op dit moment geen wettelijke bepalingen, ook niet in de Archiefwet en de Wet Open Overheid, die een verplichting bevatten voor de politie om deze meldingen dusdanig te registreren dat de politie in staat is om hiervan een juist en volledig overzicht te genereren op grond van de informatie in de politiesystemen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze informatie door de Kamer bij de politie opgevraagd kan worden?
Op dit moment zie ik geen reden om politie te verplichten ervoor te zorgen dat de gevraagde gegevens eenvoudig uit haar systemen kunnen worden gehaald. Zie verder mijn antwoord onder vraag 4.
Bent u, aangezien de politie hier blijkbaar zélf niet toe in staat is, bereid sociale mediabedrijven te benaderen en hen te vragen deze door de Kamer gevraagde informatie te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben altijd bereid om in gesprek te gaan met social mediabedrijven over het beleid dat ze voeren rondom inhoudsmoderatie. Op dit moment zijn ze echter niet wettelijk verplicht om de door hen ontvangen meldingen te registreren en daarover te rapporteren. Vanaf februari 2024 verplicht de digitaledienstenverordening aanbieders van tussenhandeldiensten wel om minimaal een keer paar jaar te rapporteren over eventuele inhoudsmoderatie die zij hebben uitgevoerd en dienen zij die openbaar te maken. Vanaf dat moment kan de Kamer deze rapporten op de sites van die diensten inzien.
Kunt u deze vragen binnen drie weken en afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Natuurherstel na drugsdumpingen |
|
Leonie Vestering (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), van der Ch. Wal-Zeggelink , Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Boswachter, experts en bestuurders: aanpak drugsafval kan beter»1 en «Vergoeding opruimkosten drugsafval verhoogd»2?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u aangeven welke kosten voor het opruimen van drugsafval ten lasten komen aan welke partij op basis van welke juridische verplichting en het daarbij horende wetsartikel?
Wat betreft de kosten is het uitgangspunt dat de vervuiler betaalt. Indien mogelijk worden de opruim- en saneringskosten van de bodemverontreiniging door drugsafval op de daders verhaald. Dit wordt ook wel kostenverhaal genoemd. Kostenverhaal van door de overheid gemaakte kosten van opruiming en/of sanering kan plaatsvinden door middel van het bestuursrechtelijk verhalen van de kosten van bestuursdwang of privaatrechtelijk op grond van artikel 75 Wet bodembescherming (Wbb). Dit kostenverhaal richt zich primair tot de veroorzaker.
Omdat bij drugsdumpingen de kosten niet altijd verhaald kunnen worden op de dader is er een Subsidieregeling opruiming drugsafval beschikbaar om gedupeerden te compenseren. In principe wordt zo een onschuldige eigenaar die slachtoffer is van een misdrijf niet geconfronteerd met een hoge rekening van de overheid voor kosten waarvan de eigenaar geen veroorzaker is.
In het geval van drugsafvaldumpingen zijn, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, verschillende wetten van toepassing. Het is daarmee ook afhankelijk van de specifieke situatie wie er verantwoordelijk is voor het opruimen van het afval of voor het saneren van bodem, water of grondwater. Het is aan het bevoegd gezag en uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen, op basis van de specifieke feiten en omstandigheden, of en in hoeverre de eigenaar verantwoordelijk is.
In artikel 13 van de Wbb is de zorgplicht voor bodem en grondwater neergelegd. Deze verplichting houdt in dat de bodemhandelingen die in artikel 6 t/m 11 van de Wbb worden beschreven niet tot verontreiniging leiden. Als er toch verontreiniging optreedt, zoals bij dumpingen van drugsafval vaak het geval is, moet de veroorzaker maatregelen nemen om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken. Artikel 13 Wbb richt zich niet alleen op de directe veroorzaker van de vervuiling, maar ook op degene die bevoegd en feitelijk in staat is om een overtreding van de zorgplicht te voorkomen of te beperken.
Bij drugsafvallozingen in watersystemen is artikel 6.8. van de Waterwet van toepassing. Ook hier geldt de verplichting voor ieder die handelingen verricht of nalaat die tot verontreiniging van oppervlaktewater, bodem of oever kunnen leiden om deze verontreiniging en de directe gevolgen daarvan te beperken of ongedaan te maken.
Daarnaast roepen gemeenten in de praktijk soms de zorgplicht uit de Woningwet (artikel 1a) in om de rekening van opruimkosten aan de eigenaar te sturen. Die zorgplicht richt zich tot de eigenaar van een bouwwerk, erf of terrein om zorg te dragen dat diens eigendom geen gevaar voor gezondheid of veiligheid oplevert.
Welke kosten worden er vergoed vanuit de subsidieregeling voor het opruimen van drugsafval?
Op grond van de Subsidieregeling opruiming drugsafval kan subsidie worden verleend voor de kosten die gemaakt zijn voor het opruimen van drugsafval. Hieronder valt de afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval; de afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of de sanering van de door gedumpt drugsafval verontreinigde bodem. Onder het saneren vallen ook de werkzaamheden zoals het inrichten van het saneringsterrein en na afloop oplevering van het terrein in de oorspronkelijke staat.
Waarom geldt er een maximumbedrag dat vanuit de subsidieregeling wordt vergoed en worden de kosten van drugsdumpingen in de natuur niet compleet gedragen door de overheid indien de kosten niet op de schuldige kan worden behaald, gezien de eindverantwoordelijkheid van de overheid voor de staat van de natuur?
Het maximumbedrag dat kan worden verleend voor de opruimkosten van drugsafval is 200.000 euro. Deze grens is bepaald op basis van de aanvragen die in de eerste twee jaar van de regeling zijn gedaan. Hierbij is ook gekeken naar de periode hiervoor toen provincies hun eigen subsidiestelsel hadden voor drugsdumpingen.
Als er grootschalige bodemsaneringen nodig zijn zorgt de Staatssecretaris van IenW, samen met decentrale overheden, voor maatwerk rond de financiering daarvan.
Klopt het dat grondeigenaren en terreinbeherende organisaties op grond van de Wet natuurbescherming3 verplicht zijn tot het herplanten van bomen, ook als er bomen moeten worden gekapt om de met drugsafval vervuilde grond te kunnen saneren zoals bijvoorbeeld bij de drugsput in natuurgebied de Brabantse Wal het geval is? Zo nee, hoe zit dit dan?
Er geldt in het kader van de Wet natuurbescherming buiten de bebouwde kom een herplantplicht. De eigenaar van grond waarop bomen zijn geveld, is verplicht binnen drie jaar te herplanten. Er is geen uitzondering van de herplantplicht opgenomen in de Wet natuurbescherming voor bomen die gekapt moeten worden om met drugsafval vervuilde bodem te saneren.
BNN/VARA, 25 januari 2023, Vergoeding opruimkosten drugsafval verhoogd (https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/vergoeding-opruimkosten-drugsafval-verhoogd).
Wat zijn de gemiddelde kosten van natuurherstel na drugsdumpingen? Hoeveel procent van de totale kosten van het opruimen van drugsafval gaat er naar natuurherstel?
In het antwoord op vraag 3 worden de subsidiabele activiteiten die gelden onder de Subsidieregeling voor de opruimkosten van drugsafval beschreven. Sinds de regeling in 2021 van start is gegaan is tot 1 mei 2023 in 43 procent van de gevallen subsidie verleend voor een bodemsanering. Kosten die zijn gemaakt voor het herstel van de bodem, zoals uiteengezet in antwoord 2, zijn hierbij vergoed of deels vergoed. De gemiddelde en procentuele kosten van het natuurstel als onderdeel van kosten van bodemsaneringen worden niet separaat bijgehouden.
Kunt u bevestigen dat de kosten voor natuurherstel na het opruimen van drugsafval niet worden vergoed vanuit de subsidieregeling? Zo ja, waarom worden de kosten voor natuurherstel niet vergoed? Zo nee, hoe zit dit dan?
Als het natuurherstel onderdeel is van de oplevering van het terrein in de oorspronkelijke staat, dan valt het onder de subsidiabele kosten zoals aangegeven in vraag 3. Als het natuurherstel geen direct verband houdt met het herstel van de bodemkwaliteit dan valt dit niet onder de Subsidieregeling.
Bent u het ermee eens dat het wrang is dat grondeigenaren de kosten van (verplicht) natuurherstel na drugsdumpingen volledig uit eigen zak moeten betalen, aangezien deze grondeigenaren over het algemeen niets te maken hebben met de drugsdump maar hier wel voor opdraaien? Zo nee, waarom niet?
Er is maar één verantwoordelijke voor een drugsdump en dat is de dader. Hoewel het Rijk geen formele verantwoordelijkheid heeft wil het kabinet niet dat onschuldigen de dupe worden van deze praktijken. Het kabinet vindt het, net als uw Kamer, onwenselijk als er door een discussie over kosten een impasse ontstaat en onschuldige burgers hieronder lijden (Kamerstuk 24 077, nr. 503). Ook kan verdere schade aan de bodem en vervuiling van het grondwater worden beperkt als gedupeerden eerder zicht hebben op compensatie en er tijdig met bodemsanering kan worden begonnen. Helaas kunnen niet alle effecten van deze criminele handelingen worden weggenomen.
Zijn er voorbeelden bekend van drugsdumpingen waarna de natuur niet is hersteld, bijvoorbeeld omdat hier geen budget meer voor was? Zo ja, wat betekent dit juridisch gezien mede vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn en het verslechteringsverbod?
Er zijn mij geen voorbeelden bekend waar geen herstel heeft plaatsgevonden vanwege budgetproblemen of dat sprake is van het verzaken van natuurherstel.
Zijn er grondeigenaren die andere juridisch verplichte activiteiten hebben verzaakt, met name inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn, vanwege de hoge kosten voor het opruimen van drugsdumpingen en het herstel daarna? Zo nee, is het wel onderzocht? Zo ja, wat heeft u gedaan om deze grondeigenaren te ondersteunen?
Er zijn mij geen signalen bekend dat andere juridisch verplichte activiteiten zijn verzaakt. De effecten van drugsdumpingen op de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) worden niet apart bijgehouden.
Grondeigenaren worden door middel van een subsidieregeling ondersteund in de kosten van het opruimen van drugsafval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van drugsdumpingen zijn op de staat van de natuur en dan met name de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en habitats?
De negatieve gevolgen van afvaldumping voor natuur(beheer), bodem en grondwater worden op lokaal niveau in kaart gebracht. Bij lekkende vaten chemicaliën (drugsafval) en drugslozingen is er veelal sprake van verontreiniging van bodem en oppervlaktewater. Er worden zo nodig maatregelen getroffen om de negatieve gevolgen te beperken, zoals sanering van de bodem. Er is op nationaal niveau geen overzicht van de negatieve gevolgen voor de natuur in het algemeen en Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en habitats in het bijzonder.
Deelt u de mening dat het wenselijk is, onder andere vanwege de slechte staat van de natuur in Nederland, dat na sanering van de met drugs vervuilde grond de natuur zo snel mogelijk wordt hersteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat natuurherstel zo snel als mogelijk gebeurd en hoe draagt u zorg voor monitoring en evaluatie van deze herstelde natuur?
Ik deel uw mening dat het wenselijk is dat de natuur na sanering zo snel mogelijk wordt hersteld. Met de decentralisatie zijn provincies verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de uitvoering ervan en zij dragen zorg voor het natuurherstel en de eventuele monitoring en evaluatie hiervan.
Bent u bereid om de kosten voor natuurherstel na drugsdumpingen wel te gaan vergoeden, bijvoorbeeld door dit mee te nemen bij het vervangen van de huidige subsidieregeling door een nieuwe Rijksregeling in 2025? Zo nee, waarom niet en hoe ziet u dit?
Momenteel vinden gesprekken plaats over de inrichting van de nieuwe regeling.
Ik kan nog niet vooruitlopen op de uitkomst van deze gesprekken. Er zijn echter geen plannen om in de nieuwe Rijksregeling natuurherstel uit te sluiten.
De verblijfplaats van ‘Bolle Jos’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Wie is voortvluchtige Bolle Jos. Cokekoning van Antwerpse Haven.»1 en «Politie komt met recordbeloning voor gouden tip die naar Bolle Jos leidt.»2
Ja.
Waarom wordt een recordbeloning uitgeloofd in de zoektocht naar Jos L., terwijl duidelijk is dat hij in Turkije verblijft?
Op grond van art. 1 sub a, 3, ix van de Circulaire Bijzondere Opsporingsgelden is het mogelijk om tipgeld toe te kennen voor inlichtingen die hebben geleid tot de aanhouding van gezochte en/of gesignaleerde personen. Hiervoor geldt een door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie (OM) bepaald richtlijnbedrag (tipgeld) waarvan kan worden afgeweken indien de noodzakelijkheid van de aanhouding in combinatie met de ernst van het gepleegde misdrijf of te plegen feiten daartoe aanleiding geven. De verdenkingen die tegen Jos L. zijn gerezen, zowel waar het gaat om reeds gepleegde feiten, als waar het gaat om de actuele dreiging, zijn dermate ernstig dat dit een substantiële verhoging van het tipgeld rechtvaardigde. Indien de verblijfplaats van een gezochte en/of gesignaleerde persoon bekend is, wordt er uiteraard geen tipgeld uitgeloofd.
Klopt het dat Jos L. ten minste één keer is aangehouden in Turkije, maar de Turkse autoriteiten hem vrij hebben gelaten?
Uw vraag ziet op een individuele zaak. Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. Daarnaast kan ik niet inhoudelijk ingaan op vragen die zien op mogelijke (strafrechtelijke) acties die wel of niet zijn uitgevoerd in een ander land.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat voortvluchtige Nederlandse verdachten daadwerkelijk door Turkije, waar Nederland een uitleveringsverdrag mee heeft, worden aangehouden, vastgehouden en uitgeleverd?
Het voorkomen van straffeloosheid acht ik van groot belang en hiervoor blijf ik mij ook inzetten. Uitlevering is in dit kader een belangrijk instrument. Zeker wanneer het gaat om de aanpak van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, is internationale samenwerking van groot belang. Het is bovendien een gedeeld belang van landen wereldwijd om middels de inzet van internationale samenwerking straffeloosheid te voorkomen.
Uitlevering kan enkel plaatsvinden op grond van een verdrag tussen twee of meer staten. Tussen Nederland en Turkije is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) van kracht. Op grond van dit verdrag zijn verdragsstaten in beginsel verplicht, overeenkomstig de regels en voorwaarden in het verdrag, tot uitlevering over te gaan ten behoeve van vervolging van een strafbaar feit of ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel. Uiteraard kan aan deze verplichting alleen worden voldaan als vast is komen te staan dat de voortvluchtige persoon zich daadwerkelijk in het aangezochte land bevindt en indien de uitlevering conform alle gestelde regels en voorwaarden kan plaatsvinden.
In het algemeen kan ik opmerken dat mijn ministerie als centrale autoriteit in nauw contact staat met centrale autoriteiten in andere landen, om zaken onder de aandacht te brengen en om er voor te zorgen dat de juiste informatie bij de juiste autoriteit beschikbaar is. Bij uitleveringsprocedures is tijdige informatiedeling en het delen van de juiste documenten met de buitenlandse autoriteiten essentieel. In de praktijk werken de Nederlandse politie, het OM, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en mijn ministerie nauw samen om dit te bewerkstelligen. Het is aan de autoriteiten van het aangezochte land om de nationale (gerechtelijke) procedures te volgen, waarbij het uitleveringsverzoek wordt getoetst en wordt uitgevoerd als aan alle regels en voorwaarden is voldaan.
Daarnaast kan ik het volgende aangeven over de aanloop naar een eventuele uitlevering. Indien er sprake is van een voorvluchtige Nederlandse verdachte, heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om deze persoon op de Nationale Opsporingslijst te zetten. Daarnaast is het mogelijk om een internationaal opsporingsbevel uit te vaardigen. Indien er aanwijzingen zijn dat een voorvluchtige Nederlandse verdachte zich in het buitenland bevindt en Nederland met dit land een uitleveringsverdrag heeft, dan kan Nederland overgaan tot het uitvaardigen van een uitleveringsverzoek aan het desbetreffende land. In het uitleveringsverzoek zal Nederland het betreffende land verzoeken om over te gaan tot aanhouding van de persoon om vervolgens een uitleveringsprocedure te starten ten behoeve van uitlevering van deze persoon aan Nederland. Mijn ministerie als centrale autoriteit zal in dit proces nauw contact onderhouden met de centrale autoriteit van het aangezochte land. Hierbij zal regelmatig worden gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot eventueel gestarte (strafrechtelijke) procedures, tot het moment waarop de feitelijke uitlevering heeft plaatsgevonden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nederlandse voortvluchtige verdachten, zeker die op de Nationale Opsporingslijst staan, ongeacht het land waarin zij verblijven ook daadwerkelijk worden uitgeleverd?
Zie antwoord vraag 4.
Online identiteitsfraude |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Identiteitsfraude: Energiedirect scherpt beleid aan op aandringen van Radar»?1
Ja.
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoe vaak het in Nederland voorkomt dat met behulp van het gebruik maken van identiteitsgegevens van een ander online contracten worden afgesloten of goederen worden gekocht? Zo ja, wat zijn die gegevens? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
De gevraagde gegevens over fraude met identiteitsgegevens worden niet centraal verzameld, daarom ontbreken algemene cijfers. Fraudecasussen zijn ook vaak complex en kunnen tegelijk uit meerdere fenomenen bestaan (zoals kopie identiteitskaart misbruikt en/of nepprofiel aangemaakt en vervolgens bestelling op naam gedaan). Bij het vermoeden van identiteitsfraude kunnen burgers contact leggen met de organisatie waar hun gegevens misbruikt zijn of aangifte doen bij de politie of zich melden bij het Centrale Meldpunt voor Identiteitsfraude (CMI). Daarnaast zijn er gegevens uit de tweejaarlijkse Fraudemonitor van het Openbaar Ministerie.
Bij het CMI zijn de volgende gegevens bekend: het CMI heeft in 2022 in totaal 6.151 (6.397 in 2021) meldingen geregistreerd. 1.096 (1.759 in 2021) van deze meldingen betroffen specifiek het fenomeen «bestelling op naam», waarbij gegevens van een burger misbruikt worden voor bestellingen bij diverse organisaties. Specifiek over het afsluiten van energiecontracten op naam zijn 23 meldingen gedaan in 2022 (49 in 2021).
In de tweejaarlijkse Fraudemonitor wordt door het Openbaar Ministerie verslag gedaan van het aantal opsporingszaken (verdachten) voor identiteitsfraude in het algemeen. De Fraudemonitor over de jaren 2021 en 2022 wordt naar verwachting rond de zomer door het Openbaar Ministerie gepubliceerd en zal vervolgens door de Minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het ging in 2019 om 655 verdachten van ID-fraude en om 118 verdachten van ID-fraude via internet. In 2020 ging het om 480 verdachten van ID-fraude en 145 verdachten van ID-fraude via internet2. De Fraudemonitor bevat geen nadere uitsplitsing naar ID fraude in verband met het afsluiten van energiecontracten.
Is er verband tussen het grootschalig hacken of stelen van onlinegegevens van Nederlanders en online identiteitsfraude? Zo ja, waar bestaat dat verband uit en hoe vaak komt het voor dat er met deze gegevens gefraudeerd wordt? Zo nee, kunt u dit verband uitsluiten?
Ja. Bij het inbreken in bepaalde systemen (computervredebreuk) kunnen grote hoeveelheden persoonsgegevens wederrechtelijk worden overgenomen. De aard en hoeveelheid van de gegevens kunnen sterk verschillen. Bepaalde gegevens kunnen worden gebruikt voor het plegen van diverse vormen van fraude, waaronder online identiteitsfraude. Er zijn gevallen bekend waarbij zeer grote hoeveelheden persoonsgegevens zijn overgenomen en vervolgens online zijn aangeboden. Daardoor worden deze gegevens voor veel kwaadwillenden bereikbaar en neemt het risico op misbruik voor fraude fors toe. Er zijn echter geen kwantitatieve gegevens bekend hoe vaak fraude wordt gepleegd met gegevens die na inbraak in systemen zijn verkregen.
Deelt u de mening dat consumenten, die slachtoffer van online identiteitsfraude zijn en dus niet zelf een overeenkomst hebben gesloten, dit niet zelf zouden moeten aantonen, maar dat het aan de ondernemer is bij wie een overeenkomst is gesloten om aan te tonen dat die overeenkomst met de desbetreffende consument is gesloten? Zo ja, hoe is de geldende wet- en regelgeving dienaangaande en behoeft die aanpassing? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Artikel 150 van de Wet van Burgerlijke Rechtsvordering stelt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast daarvan draagt. Dat betekent in dit geval dat een ondernemer die betaling eist voor een overeenkomst, moet kunnen bewijzen dat hij die daadwerkelijk met de desbetreffende consument heeft gesloten.
In het bericht van Radar wordt verwezen naar identiteitsfraude bij een energieleverancier. Wanneer consumenten een geschil hebben met een energieleverancier kunnen zij terecht bij de Geschillencommissie. Alle energieleveranciers die leveren aan consumenten zijn wettelijk verplicht om hierbij aangesloten te zijn.
Deelt u de mening dat ondernemers die onlinegoederen of diensten aanbieden zelf moeten zorgen dat er op een laagdrempelige wijze de identiteit van een klant wordt geverifieerd, bijvoorbeeld door het online betalen van 1 eurocent? Zo ja, waarom en welke (andere) mogelijkheden ziet u voor zich? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag vier is toegelicht dat de ondernemer die de betaling eist voor een overeenkomst de bewijslast draagt. Het is daarom denkbaar dat ondernemers binnen de grenzen die de wet op dit moment biedt, in specifieke situaties ervoor kiezen om een verificatiemethode toe te passen. Hierbij kan gedacht worden aan overeenkomsten waar bijvoorbeeld voor consumenten grotere bedragen zijn gemoeid.
De 1-cent methode waar naar wordt verwezen in deze vraag kan een optie zijn. Het is echter niet wenselijk dat deze methode bij elke aankoop wordt ingezet. Er zijn namelijk gevallen bekend waarbij fraudeurs op online handelsplaatsen ook met die methode fraude plegen. De Fraudehelpdesk wijst op dit risico en hoe hiermee om te gaan.3
Een andere mogelijkheid binnen de wet is het vragen van een handtekening. Dit kan tot gevolg hebben dat sommige overeenkomsten niet per direct gesloten kunnen worden. Hier staat tegenover dat een handtekening via het identiteitsbewijs geverifieerd kan worden in het geval de consument aangeeft de overeenkomst niet zelf gesloten te hebben.
Ten aanzien van de energiesector, waar naar wordt verwezen in het bericht van Radar, ontvangt de Tweede Kamer naar verwachting voor de zomer een brief van de Minister voor Klimaat en Energie over de Energiewet. Daarin wordt o.a. de nieuwe gegevensuitwisselingsentiteit in de energiesector toegelicht.
Het is in het algemeen onwenselijk dat ondernemers meer gegevens dan noodzakelijk ontvangen van burgers. Zoals bij het antwoord op vraag drie is toegelicht, kan deze informatie juist gebruikt worden voor het plegen van fraude, als wordt ingebroken in de systemen van ondernemers.
Deelt u de mening dat als ondernemers zelf meer de identiteit van hun onlineklanten gaan verifiëren dat daarmee misdaad en onnodige belasting van de politie en andere actoren in de strafrechtketen kan worden voorkomen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor elke vorm van fraude en oplichting geldt dat de meeste winst te behalen is met het vergroten van het bewustzijn van risico’s en met preventieve maatregelen om slachtofferschap zo veel mogelijk te voorkomen. In het geval van identiteitsfraude bij consumentenaankopen is het ook belangrijk dat ondernemers zich bewust zijn van identiteitsverificatie, mede omdat de bewijslast bij hen ligt (zie antwoord op vraag vier). Ondernemers die zijn opgelicht kunnen dit melden en aangifte doen bij de politie. Informatie is belangrijk voor de opsporing om snel zicht te krijgen op de aard, omvang en handelwijze van oplichting. Het informeren van ondernemers over identiteitsverificatie kan op verschillende manieren; algemene informatieverstrekking en sectorspecifiek wanneer aanvullende eisen worden gesteld aan identiteitsverificatie.
Ten aanzien van algemene informatie ondersteunt het CMI voornamelijk slachtoffers van identiteitsfraude met informatie en concreet advies, maar levert ook een bijdrage aan bewustwording en preventie van identiteitsfraude met presentaties, workshops en andere voorlichtingsactiviteiten. Ondernemers kunnen in het fysieke en in het digitale domein controle en verificatie toepassen om te voorkomen dat ook zij slachtoffer worden van oplichters die zich schuldig maken aan identiteitsfraude. Het CMI kan met organisaties meedenken over of en hoe er kans is op identiteitsfraude met de buitgemaakte gegevens. Daarnaast kan het CMI meedenken over hoe getroffen organisaties de slachtoffers van een hack of datalek kunnen informeren. Zo is het CMI te gast geweest bij meerdere online bijeenkomsten van de contactcentra van grote woningcorporaties. Tijdens deze bijeenkomsten heeft het CMI de medewerkers geïnformeerd en geadviseerd hoe zij konden antwoorden op mogelijke vragen van verontruste burgers/klanten.
Bent u bereid om met ondernemersverenigingen en brancheorganisaties in overleg te treden om laagdrempelige wijzen van identiteitsverificatie te bevorderen? Zo ja, wilt u de Kamer van de uitkomst van dat overleg op de hoogte stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.