De verder aan het licht gekomen misstanden in sektes door undercover onderzoek |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ingrid Coenradie (PVV), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Undercover in Nederland waarin misstanden in de sekte «de lichtfamilie», die actief is in Nederland, zijn vastgesteld middels een undercover infiltrant?1 2
Ja, ik heb kennis genomen van het tweeluik van Undercover in Nederland over de sekte De Lichtfamilie.
Wat is uw reactie op deze documentaire waarin wordt gesproken over grensoverschrijdend gedrag binnen deze sekte, zoals shunning, het aftroggelen van geld van de leden en vernederen?
In zijn algemeenheid geldt dat iedereen het recht heeft om zijn eigen godsdienst of levensovertuiging te kiezen en zich daarop te baseren, mits dit binnen de wettelijke kaders blijft. Zo mogen mensen in principe afstand doen van hun persoonlijke bezittingen, maar dit mag niet gepaard gaan met strafbaar gedrag zoals manipulatie, dwang of vernedering. Dergelijke handelingen zijn onaanvaardbaar en kunnen juridische gevolgen hebben, vooral als ze leiden tot psychisch of fysiek letsel. Het Openbaar Ministerie (OM) kan strafrechtelijk ingrijpen als er voldoende bewijs is dat er sprake is van strafbare feiten.
Wat vindt u ervan dat in deze sekte er sprake is van een overtuiging dat mensen die ernstig ziek, zoals mensen met kanker, dit aan zichzelf te wijten hebben en door de «Draak» te verdrijven ook de genezing zelf in de hand hebben?
Dit vind ik bedrieglijk en gevaarlijk. Een overtuiging uitspreken – zoals de sekteleider in de uitzending doet – is overigens niet hetzelfde als alternatieve zorg verlenen. Voor de volledigheid kan ik hier benoemen dat zodra er sprake is van een alternatieve behandeling, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) grenzen stellen. Een alternatieve zorgaanbieder mag volgens de Wkkgz geen schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid veroorzaken. Van schade of een aanmerkelijke kans daarop kan bijvoorbeeld sprake zijn als patiënten worden afgehouden van reguliere zorg.
In dat geval kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ingrijpen. Het is voor de samenleving erg belangrijk dat mensen die negatieve gevolgen ondervinden van dergelijke keuzes, dit melden bij de IGJ. De IGJ kan de situatie dan onderzoeken en ingrijpen als dat nodig is. Daarnaast kan een behandelaar strafrechtelijk worden vervolgd als hij een aanmerkelijke kans op benadeling van de gezondheid van de cliënt veroorzaakt of als hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zijn behandeling en advisering daartoe leidt. Hierover kan aangifte worden gedaan. Dit is geregeld in de Wet BIG.
Ik roep iedereen op om alert te zijn en eventuele zorgen of problemen over alternatieve behandelingen te melden bij de IGJ. Het is van groot belang dat we de veiligheid en gezondheid van patiënten vooropstellen, terwijl we ook hun recht op geloof en keuzevrijheid respecteren.
Deelt u de mening dat het niet aanvaardbaar is dat mensen worden gemanipuleerd en gekleineerd in het afstaan van hun bezittingen, alle contacten met mensen buiten de sekte en het ondergaan van grensoverschrijdende handelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit zeker geen nieuw fenomeen is gezien een eerdere documentaire van Undercover in Nederland in 2011, toen over de «Miracle of Love» sekte? En alle andere onthullingen over misstanden bij verschillende sektes in de jaren daarna?
Ja, ik ben het eens dat het bestaan van «sektes» geen nieuw fenomeen is. Neutraal gedefinieerd zijn «sektes» georganiseerde groepen mensen binnen een religie die dezelfde geloofsovertuigingen delen. Door de geschiedenis heen zijn ze in diverse vormen en onder verschillende omstandigheden ontstaan, vaak als reactie op sociale, culturele of religieuze veranderingen, wat aantoont dat ze van alle tijden zijn. De recente aandacht in de media en de maatschappij voor groeperingen die als sektes worden bestempeld, vooral door onthullingen van misstanden, hebben geleid tot een verhoogd bewustzijn en discussie over de problematiek die binnen deze groeperingen speelt.
Hoe groot en ernstig is volgens u momenteel de problematiek van sektes en misstanden die zich daarbinnen afspelen in Nederland?
Het is belangrijk te benadrukken dat gesloten groeperingen niet per definitie schadelijk zijn. Echter, er zijn gesloten groeperingen waarin misstanden voorkomen, waaronder strafbare feiten die ernstige gevolgen hebben voor hun leden en de samenleving. In dergelijke groeperingen kan het delen van ervaringen en het zoeken naar hulp bemoeilijkt worden door sterke loyaliteit, geheimhouding, machtsstructuren en een hoge mate van (dwingende) controle. Leden voelen zich vaak niet veilig om te spreken uit angst voor sociale uitsluiting of repercussies, wat leidt tot isolement en beperkte toegang tot externe hulpbronnen. Dit is zeer schadelijk, want fysiek en psychisch misbruik zijn ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers, met langdurige gevolgen die hun dagelijks leven, relaties, werk en welzijn ingrijpend kunnen beïnvloeden.
Er zijn geen exacte cijfers over «sektes», omdat hier niet op wordt geregistreerd. Bovendien is er geen overeenstemming over de definitie van een «sekte», wat het moeilijk maakt om te bepalen of een bepaalde groep als sekte kan worden aangemerkt.
Kunt u in algemene zin aangeven hoe de beleidsmatige aanpak van sektes in Nederland zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
De beleidsmatige aanpak van gesloten groeperingen in Nederland heeft de afgelopen jaren een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Tussen 2012 en 2020 bestond het meldpunt Sektesignaal. Na het opheffen van het meldpunt hebben de leden Van Wijngaarden/Michon-Derkzen (VVD) en Van Nispen (SP) via diverse moties en Kamervragen verzocht om een nieuw meldpunt. Mede naar aanleiding hiervan is expertisecentrum Fier in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 1 juni 2024 gestart met een 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten zodat er één herkenbaar punt komt voor hulp en doorverwijzing aan slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen en hun omgeving. Het hulppunt zal op 1 juli 2025 van start gaan.
Waar hulpverleners en overheidsinstanties eerder geringe kennis hadden over gesloten groeperingen, zijn zij nu actiever geworden in het verzamelen van informatie. Er zijn initiatieven ontwikkeld om voorlichting te geven over risicofactoren van een gesloten groepering en het herkennen van problematiek. Het hulppunt van Fier zal investeren in het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Daarnaast wordt er gewerkt aan een betere samenwerking tussen verschillende instanties, zoals hulpverleningsorganisaties, politie en inspecties, om een effectieve aanpak te waarborgen. Deze stappen wijzen op een groeiende erkenning van de problematiek die kan spelen binnen gesloten groeperingen en de noodzaak voor adequate ondersteuning van slachtoffers.
Deelt u de mening dat een goed functionerend en laagdrempelig Meldpunt voor sektes van het grootste belang is? Kunt u de Kamer uitgebreid informeren hoe dit Meldpunt, nu bij Fier, vorm is gegeven en hoe er voor wordt gezorgd dat slachtoffers hulp krijgen en naasten advies, maar ook dat er een landelijke kennisfunctie gaat ontstaan?
Ik deel de mening dat slachtoffers en hun naasten hebben baat bij een herkenbare plek in de hulpverlening. Met het inrichten van het hulppunt van Fier komt er zo een herkenbare plek waar signalen van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen samenkomen, en waar kennis en expertise voorhanden is om informatie te verstrekken over problematiek binnen deze groeperingen. Op de website kunnen gebruikers informatie vinden, zoals risico-indicatoren en een hulpwijzer. Het hulppunt biedt ook passende (na)zorg voor personen die fysiek of emotioneel schade ondervinden doordat zij deel uitmaken of deel uit hebben gemaakt van een groepering waarin misstanden plaatsvinden. Slachtoffers en naasten kunnen via de website veilig, vertrouwelijk en kosteloos chatten met Fier, waar ze informatie, advies en professionele hulp door hbo-opgeleide hulpverleners kunnen ontvangen. De chat staat in verbinding met hulpverleningspartners en opsporingsinstanties, zodat slachtoffers ook offline ondersteuning kunnen krijgen indien zij dat wensen.
De chat met Fier is al geopend en kan ondersteuning bieden aan mensen die bijvoorbeeld seksueel geweld, psychisch geweld of uitbuiting hebben meegemaakt. Vanaf 1 juli 2025 kunnen mensen bij Fier terecht voor ondersteuning vanuit de specialisatie onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen.
Het hulppunt van Fier investeert in het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Hiervoor wordt samengewerkt met deskundigen op operationeel en wetenschappelijk vlak, zowel nationaal als internationaal. De verworven kennis vormt de basis voor het hulppunt en de gerichte, onderbouwde inzet van hulpprofessionals die betrokken zijn bij de online hulpverlening. Vanuit deze kennispositie wordt er gewerkt aan kennisdeling, onder andere door het organiseren van voorlichtingssessies voor professionals. Daarnaast wordt er actief aandacht besteed aan samenwerking en het uitwisselen van informatie over trends en ontwikkelingen met gemeenten, politie en het OM.
Er is nadrukkelijk niet gekozen voor de oprichting van een nieuw meldpunt. De politie is het centrale punt voor het doen van meldingen en aangiftes van strafbare feiten. Bovendien kan een punt dat uitsluitend voor meldingen is bedoeld, geen directe en laagdrempelige hulp of ondersteuning door hiertoe opgeleide professionals aan slachtoffers en bezorgde familieleden bieden. Dit zou betekenen dat mensen altijd doorverwezen moeten worden. Het voordeel van de samenwerking met Fier is dat deze organisatie al over kennis beschikt met betrekking tot geweld in afhankelijkheidsrelaties en de benodigde samenwerkingsstructuren heeft. Bovendien zou een nieuw meldpunt leiden tot verdere versnippering van de hulpverlening voor slachtoffers.
Over de nadere vormgeving van het hulppunt bij Fier wordt de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen die voor het zomerreces uitgaat.
Hoe zal er voor gezorgd worden dat slachtoffers en naasten aan de ene kant er zeker van zijn dat hulpvragen en zorgen laagdrempelig en veilig gemeld kunnen worden bij het meldpunt, maar aan de andere kant ernstige misstanden niet zonder gevolgen blijven en er lijntjes zijn met onder andere de politie en eventueel Inspecties om in te grijpen in de situaties die daar om vragen?
Het hulppunt van Fier zal 1 juli 2025 live gaan. Slachtoffers en hun naasten kunnen dan kosteloos op een veilige en vertrouwelijke manier chatten, en via die weg informatie, advies en hulp ontvangen. Chatgebruikers kunnen een account aanmaken, zodat ze op hun eigen gewenste momenten meerdere keren terug kunnen komen voor hulp. De laagdrempelige vorm van hulp maakt dat slachtoffers in beeld komen die anders niet gezien worden. Het is de bedoeling dat het hulppunt van Fier in contact staat met (opsporings)instanties en hulpverleningspartners, zodat Fier een warme overdacht kan faciliteren richting face-to-face hulpverlening of het doen van een melding of aangifte, als slachtoffers hiervoor openstaan. Het hulppunt zal daartoe met de politie samenwerken, onder meer met politiemedewerkers met de kenniscompetentie sektes en gesloten gemeenschappen.
De precieze uitwerking van de samenwerking wordt waar nodig bijgesteld op basis van ervaringen. Het hulppunt is daarnaast vanuit zijn expertpositie beschikbaar voor de politie voor kennis en informatie ten behoeve van opsporing en vervolging.
Welke financiering is er op dit moment gemoeid met dit «nieuwe» (ooit wegbezuinigde) Meldpunt voor sektes?
De (incidentele) kosten voor de 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten bij Fier worden gedekt uit het beleidsbudget voor Slachtofferbeleid en bedragen € 926.907,–. Als de pilot succesvol blijkt te zijn, is het streven om deze hulpverlening duurzaam in te richten.
Hoe staat het met de aangenomen motie-Van Nispen/Michon-Derkzen waarin het kabinet wordt gevraagd werk te maken van hoe mensen beter beschermd kunnen worden tegen sektes en of, en zo ja hoe, voorkomen kan worden dat kinderen formeel toetreden tot gesloten gemeenschappen en waarin wordt verzocht in het kader van de aanstaande nieuwe wet omtrent strafbaarstelling van psychisch geweld het beleid rondom sektes beter vorm te geven en hierover al in een vroeg stadium te overleggen met deskundigen, Fier en de politie?3
Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen die voor het zomerreces uitgaat.
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat slachtofferbeleid op 18 juni te beantwoorden?
Ik heb bewerkstelligd dat de beantwoording van de vragen is toegezonden voorafgaande aan het commissiedebat slachtofferbeleid, dat thans geagendeerd staat op 2 juli.
Huisbezoeken aan demonstranten |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen van het lid Lahlah over huisbezoeken aan demonstranten van 25 maart 2025?
Ja.
Begrijpt u dat demonstranten huisbezoeken van de politie niet ervaren als «verbindend politiewerk» en «contact zoeken», zoals u de huisbezoeken in uw antwoord op de schriftelijke vragen noemt? Hoe rijmt u uw antwoord met de brief van de Inspectie aan de Nationale Politie, waarin de Inspectie schrijft dat deze huisbezoeken als intimiderend worden ervaren en het tegenovergestelde effect kunnen hebben van wat de politie wil1? Deelt u deze opvatting of is er sprake van een verschil in inzicht tussen u en de Inspectie?
Zoals ik in de beantwoording van de eerdere vragen reeds heb benoemd, kan ik mij voorstellen dat een huisbezoek door politie indruk kan maken. Er is geen verschil van inzicht tussen de Inspectie en mij.
In het kader van de voorbereiding van demonstraties kunnen huisbezoeken worden afgelegd door politie. De politie kan informatie over de aard en omvang van een demonstratie proberen te verzamelen, juist om de demonstratie goed te kunnen begeleiden. Zoals opgenomen in het ondergenoemde aangevulde handelingskader, zijn huisbezoeken niet gericht op het ontmoedigen van deelname aan demonstraties en wordt hier op een evenredige manier mee omgegaan. Het enkel deelnemen aan een vreedzame demonstratie kan nooit aanleiding zijn om contact met burgers op te nemen.
Deelt u de mening dat een huisbezoek in verband met een buurtonderzoek na een inbraak, het opvolgen van een melding over burenoverlast of over een mogelijke onveilige situatie bij de buren, totaal andere situaties zijn dan huisbezoeken aan demonstranten, ook aangezien het vaak gaat om demonstraties waar zij nog niet aan hebben deelgenomen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat dit verschillende situaties zijn. Er zijn uiteenlopende redenen voor de politie om bij mensen thuis langs te gaan, aangekondigd en onaangekondigd.
Bij elk contact met de burger is er uitleg over wat de reden voor het bezoek is. Dit is nu ook expliciet opgenomen in het aangescherpte handelingskader van politie met het onderwerp «Contact met burgers ter voorbereiding op een demonstratie».
Volstaat het interne handelingskader demonstraties bij de politie wat u betreft? Hoe vaak wordt het handelingskader aangevuld en geactualiseerd? Is in het handelingskader voldoende aandacht voor de de-escalerende en faciliterende rol van de politie in demonstraties? Zo ja, op welke manier wordt hier aandacht aan gegeven? Zo nee, biedt dit wat u betreft aanknopingspunten om het handelingskader te actualiseren?
Het handelingskader rondom demonstraties is recent aangescherpt door politie en uitgebreid met het onderwerp «Contact met burgers ter voorbereiding op een demonstratie». Dit heeft ertoe geleid dat Extinction Rebellion (XR) het kort geding tegen de politie en de Staat heeft ingetrokken. Dit is een intern handelingskader van politie. Er is expliciet aandacht voor de de-escalerende en faciliterende taak van politie, zoals valt te bezien in de eerste vier bullets van de aanscherping. Ik zie geen aanknopingspunten voor nieuwe wijzigingen. De politie heeft deze uitgangspunten zowel binnen de organisatie als daarbuiten – op de website2 – gecommuniceerd.
Op welke manier wordt bepaald of de vorm van contact met een burger ten behoeve van de informatievergaring over een demonstratie evenredig is en past bij de situatie, zoals is opgenomen in het handelingskader demonstraties bij de politie? Deelt u de mening dat deze definitie mogelijk te veel ruimte overlaat voor interpretatie? Zo ja, bent u bereid met de politie hierover in gesprek te gaan?
In het aanvullende handelingskader is duidelijk aangegeven dat de vorm van contact met de burger ten behoeve van informatievergaring evenredig moet zijn en dat als kan worden volstaan met telefonisch contact daarvoor wordt gekozen. Ik ben het niet met u eens dat dit te veel ruimte laat voor interpretatie. Ik heb er vertrouwen in dat politiemedewerkers goed in staat zijn om dergelijke afwegingen te maken.
Bieden de aanstaande uitkomsten van het WODC-onderzoek wat u betreft aanleiding voor een herziening van het interne handelingskader demonstraties bij de politie? Waarom wel of niet?
De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van zomer verwacht, waarna ik uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en een reactie daarop.
Deelt u de mening dat aandacht aan het demonstratierecht en de omgang met demonstranten niet moet worden beperkt tot de Mobiele Eenheid (ME)-opleiding en SGBO (Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden)-opleiding en dat veel meer groepen agenten vroeger of later met demonstranten te maken kunnen krijgen? Zo ja, bent u bereid in gesprek te gaan met de politie over een mogelijke herziening van het curriculum? Zo nee, waarom niet?
Executieve politiemedewerkers, ook zonder rol bij de Mobiele Eenheid (ME), kunnen in aanraking komen met demonstranten. In de basispolitieopleiding wordt aandacht besteed aan kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de omgang met demonstranten en het beschermen van het demonstratierecht. Aspiranten worden bijvoorbeeld getraind om sociaal vaardig te zijn. Ook worden ze getraind te handelen bij een dreigende situatie. Vaardigheden die hierbij aan bod komen zijn de-escaleren, handelen bij strafbare feiten en, indien noodzakelijk, proportioneel en subsidiair geweld toepassen. Trainingsscenario’s zijn bijvoorbeeld het beschermen van demonstranten en het handelen bij groepen die zich fysiek tegen de politie keren.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat overheidsoptredens rondom demonstraties niet gericht zijn op het ontmoedigen van deelname aan demonstraties en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat daarvan in de praktijk sprake is, doelen die u zelf aanhaalt in uw beantwoording op de schriftelijke vragen?
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden.
Zoals ik heb aangegeven in relatie tot de aanvulling van het handelingskader van de politie wordt op een evenredige manier omgegaan met contacten met burgers ten behoeve van informatievergaring.
Hoe wordt voorafgaand aan een huisbezoek aan demonstranten van de politie bepaald of mogelijk wanordelijkheden of strafbare feiten gepleegd zullen gaan worden door de betreffende demonstrant? Worden de rechten van demonstranten hierbij voldoende geborgd? Kunt u dit toelichten?
Voorafgaand aan een demonstratie kan de politie informatie over de aard en omvang van een demonstratie proberen te verzamelen om de demonstratie goed te kunnen begeleiden. In de informatie die de politie verzamelt kunnen aanwijzingen worden gevonden dat mogelijk wanordelijkheden of strafbare feiten gepleegd kunnen worden.
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden vervolgens gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden. Wanneer op basis van de beschikbare informatie contact wordt gelegd met een burger houdt de politie zich aan het recent aangescherpte handelingskader rondom demonstraties.
Daarnaast gelden voor de verwerking van politiegegevens de waarborgen uit de Wet politiegegevens. Op basis van de Wet politiegegevens dient de politie terughoudend om te gaan met het opvragen van gegevens van burgers. Daarbij wordt een afweging gemaakt of de bevraging noodzakelijk en proportioneel is voor de uitvoering van de politietaak. Zeker waar het gaat om demonstraties is dit van belang om te voorkomen dat potentiële demonstranten worden afgeschrikt.
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie dat de zichtbare aanwezigheid van de ME bij demonstraties als een rode lap op een stier kan werken, terwijl de politie escalatie juist wil voorkomen, en dat daarom beter moet worden afgewogen wanneer ME zichtbaar aanwezig is en wordt ingezet?
Allereerst merk ik op dat bij het overgrote deel van de demonstraties geen ME aanwezig is. De beslissing om ME in te zetten is aan het lokaal gezag.
De ME is ingericht om zoveel mogelijk de-escalerend te zijn. De ME werkt daarom vanuit het idee van flexibele inzet. Dit betekent dat tussen de volgende drie fasen kan worden geschakeld.
Met deze inrichting van de ME wordt zoveel mogelijk uitgegaan van de-escalatie. Dit houdt ook in dat enkel bij de meest dreigende situaties voor de veiligheid de ME met helm en schild zichtbaar is.
Bent u bereid alsnog een overzicht te leveren van hoe vaak en in welke situaties onaangekondigde huisbezoeken bij demonstranten worden ingezet? Zo niet, denkt u dat het nuttig is dergelijke bezoeken beter te registreren, gezien de kritiek van de Inspectie hierop?
Eerder heb ik aangegeven dat deze cijfers niet beschikbaar zijn en dat het niet mogelijk is om dit gevraagde overzicht te geven. De politie heeft in de aanvulling op het handelingskader opgenomen dat voortaan elk contact met een burger ten behoeve van informatievergaring over een demonstratie wordt geregistreerd in de politiesystemen.
Het bericht ’UvA verhaalt schade bezettingen mei 2024 niet op demonstranten’. |
|
Claire Martens-America (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «UvA verhaalt schade bezettingen mei 2024 niet op demonstranten»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Universiteit van Amsterdam (UvA) om de schade van bijna 1,5 miljoen euro, veroorzaakt tijdens de bezettingen op het Roeterseiland en Binnengasthuisterrein in mei 2024, niet op de demonstranten te verhalen vanwege juridische onhaalbaarheid?
De Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA) geeft aan dat het de juridische mogelijkheden grondig heeft onderzocht en op basis daarvan tot dit besluit is gekomen. Ik vertrouw erop dat dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer onwenselijk is dat de kosten van vernielingen en schade als gevolg van ordeverstorende rellen op universiteiten verhaald worden op onschuldige studenten en de belastingbetaler?
Ik vind het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden. Om schade te kunnen verhalen, moet duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Helaas is er bij rellen vaak sprake van chaotische, onoverzichtelijke situaties. Hierdoor is het niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 5. Uit het mediabericht, waar in de eerste vraag naar verwezen wordt, blijkt dat het grootste gedeelte van de schade is vergoed door de verzekeraar. Op deze manier komt de schade niet ten laste van het onderwijsbudget, en ook niet ten laste van de overheid en daarmee de belastingbetaler.
Deelt u de mening dat het onvermogen van de UvA om individuele demonstranten aansprakelijk te stellen voor de aangerichte schade een precedent schept dat toekomstige gewelddadige of vernielzuchtige protesten kan aanmoedigen, gezien het gebrek aan (financiële) consequenties voor de daders?
Er is helaas bij een aantal demonstraties een kleine groep die de demonstratie aangrijpt om willens en wetens herhaaldelijk en soms serieuze strafbare feiten te plegen, soms al direct nadat de demonstratie een aanvang heeft genomen.
In dit geval hebben dertien van de veertien vervolgde demonstranten van de bezettingen in mei voor de rechter gestaan. Acht van hen zijn veroordeeld, van wie vier tot een gevangenisstraf, voornamelijk voor geweld tegen de politie. In dit kader is ook van belang dat zoveel mogelijk schade wordt verhaald, maar dat is niet altijd mogelijk, zie de antwoorden op vragen 3 en 5.
Welke juridische belemmeringen maken het voor onderwijsinstellingen moeilijk om schade veroorzaakt door demonstranten op hen te verhalen?
In veel gevallen zijn belemmeringen om schade te verhalen niet zozeer juridisch maar praktisch van aard. Als de identiteit van dader niet bekend is en niet te achterhalen is, is het verhalen van schade praktisch onmogelijk, ook als de juridische mogelijkheden er zijn. Het civiele recht biedt verschillende mogelijkheden om schade te verhalen. Degene die door een onrechtmatige daad schade toebrengt aan een ander, bijvoorbeeld aan eigendommen van een onderwijsinstelling, is verplicht om deze schade te vergoeden (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek).
Bij rellen kan er sprake zijn van onrechtmatige gedragingen in groepsverband. In dat geval is het vaak moeilijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Om te voorkomen dat een groepsdeelnemer die niet zelf rechtstreeks de schade heeft toegebracht, zich kan verweren met het betoog dat de schade ook zou zijn ontstaan als hij niet aan de rellen had deelgenomen, is de zogenoemde groepsaansprakelijkheid ingevoerd (artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek).
Bij groepsaansprakelijkheid gaat het om een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade.2 Ook voor groepsaansprakelijkheid is dus vereist dat de identiteit van de leden van de groep bekend is. Daarnaast moet hiervoor aan de volgende vereisten zijn voldaan:
Als aan deze vereisten is voldaan, zijn de deelnemers van de groep hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat de benadeelde elke individuele deelnemer kan aanspreken voor het volledige schadebedrag.
Of een benadeelde zich met succes op de groepsaansprakelijkheid kan beroepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Benadeelden kunnen hierbij praktische belemmeringen ervaren. Zo kan het moeilijk zijn om te achterhalen welke (groepen van) personen de schade hebben aangericht. Ik heb begrepen dat dat ook in de situatie waar deze Kamervragen betrekking op hebben (de pro-Palestinabezettingen in mei 2024) niet goed mogelijk is. Zoals ook blijkt uit het mediabericht waarnaar in de eerste vraag verwezen wordt, is de UvA wel voornemens om de schade van een kleine pro-Palestinabezetting op 21 juni 2024 te verhalen op demonstranten bij dat protest. Uit dat mediabericht blijkt dat deze vernielingen zijn aangericht in een kleinere ruimte en verricht door een klein aantal demonstranten.
Bent u bereid om deze belemmeringen te betrekken bij de uitvoering van de motie van de leden Six Dijkstra en Michon-Derkzen over het wegenemen van praktische en juridische belemmeringen om schadekosten te verhalen op vandalen en kan worden aangegeven wanneer de Kamer hierover wordt geïnformeerd?2
Over de uitvoering van de genoemde motie van de leden Six Dijkstra en Michon-Derkzen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd op 12 juni jongstleden in het Eerste Halfjaarbericht Politie 20255. Hierin is aangegeven dat het door het onoverzichtelijke en chaotische karakter van dergelijke situaties niet altijd mogelijk is om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor welke concrete schade. Politie en Openbaar Ministerie (OM) zetten zich altijd in om dit zoveel mogelijk te achterhalen.
Welke aanvullende maatregelen kunnen onderwijsinstellingen zelf treffen om tijdens protesten beter bewijs te verzamelen zodat het aansprakelijk stellen van relschoppers, zowel individueel als in groepsverband, haalbaarder wordt in de praktijk en op welke wijze ondersteunt het kabinet de onderwijsinstellingen hierbij?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 5 en 6 kunnen er tijdens protesten onoverzichtelijke en chaotische situaties ontstaan waardoor het niet mogelijk is een specifieke schade aan een dader te koppelen. Instellingen spannen zich in om studenten, personeel en bezoekers een veilige leer- en werkomgeving te bieden en het demonstratierecht te faciliteren. Indien bekend is of als er een vermoeden is dat er een demonstratie of bezetting zal plaatsvinden, dan treffen de onderwijsinstellingen zelf preventief maatregelen om schade en hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Instellingen leren van elkaars ervaringen in de omgang met protesten, maar het is voor instellingen geen doel op zich om de capaciteit van hun crisis- en veiligheidsorganisatie specifiek in te zetten louter om beter bewijs tegen relschoppers te verzamelen. Het uitvoeren van opsporingstaken is een taak van de overheid die uitgevoerd wordt door de politie onder het gezag van het OM. Indien er een opsporingsonderzoek wordt uitgevoerd naar de identiteit van de veroorzakers is er altijd overleg met de onderwijsinstellingen en worden waar nodig gegevens gevorderd.
Verder is het de verantwoordelijkheid van de individuele instelling om te beoordelen of het gevoerde beleid afdoende is, of dat er extra maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld het aanscherpen van het cameratoezicht op locaties met een verhoogd risico. Ik ondersteun de instellingen door regelmatig met bestuurders van instellingen te spreken over de omgang met protesten en waar nodig betrek ik daarbij ook vertegenwoordigers van de veiligheidsdiensten of de lokale driehoek.
Wat is de status van de uitvoering van de motie van het lid Boswijk over het makkelijker maken van het verhalen van schade op individuele relschoppers?3
Over de uitvoering van deze motie is uw Kamer door de Minister van Justitie en Veiligheid geïnformeerd via het Eerste Halfjaarbericht Politie 2025.
Klopt het dat er groepsaansprakelijkheid toepasbaar was bij schadeverhaal bij de Maagdenhuisbezetting in 2015 en in hoeverre is dat bij deze en andere recente rellen het geval?
Op 22 januari 2016 heeft de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in beantwoording van schriftelijke vragen7 aangegeven de zienswijze niet te onderschrijven dat in het geval van de Maagdenhuisbezetting de schade verhaalbaar was, omdat bij die bezetting nauwelijks kon worden gesproken van één bepaalde groep. Voorts verzamel ik als Minister geen gegevens over het wel of niet toepasbaar zijn van groepsaansprakelijkheid bij rellen in het hoger onderwijs. De individuele instellingen dienen zelf te beoordelen of ze hierop beroep kunnen doen en het is vervolgens aan de rechter om daarover uitspraak te doen.
Bij de recente Maagdenhuisbezetting van 14 april 2025 is er wel een groep aangehouden die zich binnen het gebouw verschanst had waar mogelijk sprake kan zijn van groepsaansprakelijkheid. De UvA heeft aangifte gedaan en aangegeven de kosten te willen verhalen op de bezetters.
Hoe is de motie van het lid Duisenberg c.s., die de regering verzocht alles in het werk te stellen om binnen de juridische mogelijkheden schade maximaal te verhalen op relschoppers, uitgevoerd?4
Zoals aangegeven in bovengenoemde brief van 22 januari 2016, heeft de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierover destijds meerdere malen gesproken met de UvA. Ik heb – zoals ik uw Kamer heb toegezegd – dit gesprek met de instellingen opnieuw gevoerd. De instellingen hebben aangegeven altijd aangifte te doen van strafbare feiten.
In hoeverre acht u het wenselijk dat universiteiten, zoals de UvA, afhankelijk zijn van verzekeringsuitkeringen om schade door gewelddadige protesten te dekken en wat gebeurt er als een claim door de verzekeraar afgewezen wordt?
Verzekeraars hebben een belangrijke maatschappelijk functie om de schade te vergoeden die kan ontstaan uit allerlei onvoorziene ingrijpende gebeurtenissen. Afhankelijk van de voorwaarden van de verzekeraar, geldt dit ook voor de schade als gevolg van ongeregeldheden. Als de verzekeraar de schade uitkeert, kan deze vervolgens regres nemen op de dader. Indien een verzekeraar een claim afwijst betekent dit dat de verzekeringsnemer de schade niet vergoed krijgt via de verzekeraar. De universiteit kan dan nog steeds proberen de schade rechtstreeks op de daders te verhalen, indien zij bekend zijn. Als dat niet mogelijk is, zijn zij aangewezen op eigen middelen.
Deelt u de mening dat wannneer relschoppers strafrechtelijk worden vervolgd voor strafbare feiten die zijn gepleegd tijdens rellen bij onderwijsinstellingen, onderwijsinstellingen altijd zich zouden moeten voegen in het strafproces om een vordering benadeelde partij in te stellen en – los van civielrechtelijke procedures – ook strafrechtelijk maximaal in te zetten op verhaal van schade op relschoppers? Zo ja, hoe vaak is dat de afgelopen tien jaren gebeurd?
Als onderwijsinstellingen schade hebben geleden als gevolg van rellen zijn er verschillende mogelijkheden om de schade te verhalen. Welke weg gekozen wordt, bepalen de instellingen zelf. Daar hoort ook zeker de mogelijkheid bij om zich met hun schade als benadeelde partij te voegen bij het strafrechtelijk proces tegen de daders van strafbare feiten. Als de rechter de schadevordering toewijst en de schadevergoedingsmaatregel oplegt, int het CJIB de schade voor de universiteit bij de dader. Dat hoeft de universiteit niet zelf te doen. Verder kan de strafrechter bij een voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde opleggen het storten van een geldbedrag aan het Schadefonds geweldsmisdrijven of aan een instelling die slachtofferbelangen behartigt.
Andere mogelijkheden zijn ook het verhalen van de schade via de verzekeraar. Als de verzekeraar de schade uitkeert, kan de verzekeraar vervolgens regres nemen op de daders. Als de daders bekend zijn, kunnen universiteiten de schade ook op hen verhalen via het civiele recht. Ten aanzien van de vraag hoe vaak dit de afgelopen tien jaar is gebeurd, heeft de rechtspraak laten weten dat deze informatie niet beschikbaar is in de managementinformatiesystemen. Ook ik beschik niet over informatie over rechtszaken die onderwijsinstellingen aangaan.
De geëscaleerde demonstratie bij een bijeenkomst van Christenen voor Israël |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de beelden van de demonstratie in Barneveld op maandag 26 mei 2025 bij een bijeenkomst van Christenen voor Israël?1 Kunt u uitgebreid reageren op de ontstane situatie nadat een pro-Palestijnse demonstratie uit de hand liep?
Ja, daar heb ik kennis van genomen. De burgemeester van Barneveld stelt in zijn reactie: «Samenkomsten en (tegen)demonstraties mogen er zijn. Geweld van wie dan ook keur ik af en betreur ik zeer». Het kabinet onderschrijft deze reactie.
In hoeverre acht u het gewenst dat bezoekers van een bijeenkomst door demonstranten gedwongen worden om door een haag van schreeuwende en joelende demonstranten over een besmeurde vlag en langs bebloede poppen moeten lopen om de bijeenkomst te kunnen bezoeken? Ziet u dit ook als een vorm van intimidatie?
Ik vind het onacceptabel dat bezoekers van de bijeenkomst zich geïntimideerd hebben gevoeld. Zowel het recht op vereniging/vergadering als het demonstratierecht zijn essentieel in een democratische rechtsstaat en verdienen beide bescherming. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt om beide rechten te faciliteren is aan het lokaal gezag. Uit het statement van de burgemeester van Barneveld blijkt dat de bijeenkomst heeft kunnen plaatsvinden, waarmee zij het recht op vereniging/vergadering hebben kunnen uitoefenen. Ook geeft de burgemeester aan dat de politie heeft optreden waar dat nodig is geweest.
Kunt u aangeven in hoeverre u van mening bent dat de bezoekers van de bijeenkomst van Christenen voor Israël hun grondwettelijk recht op vereniging hebben kunnen uitoefenen? Kunt u aangeven of u van mening bent dat de intimiderende acties van de demonstranten beschermd worden door het demonstratierecht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze het bevoegd gezag en de politie hebben opgetreden om de vrijheid van vergadering én de fysieke veiligheid van de bezoekers bij deze bijeenkomst te waarborgen?
Zowel het recht op vereniging/vergadering en het demonstratierecht verdienen bescherming. Het is de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester, om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren en waar nodig in te grijpen. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij om hier een oordeel over te geven. In het raadsmemo van de burgemeester van Barneveld wordt het verloop van de avond beschreven, inclusief op welke wijze er is opgetreden.2
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het WODC de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in de zomer van 2025 verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
Bent u van mening dat het wenselijk was geweest deze demonstratie op grotere afstand van de ingang van de vergaderlocatie en/of in een daartoe aangewezen vak te laten plaats vinden? Hoe ondersteunt u burgemeesters in de afweging om demonstraties bij vergaderingen op zo'n manier plaats te laten vinden dat het recht op demonstratie niet ten koste gaat van het recht op vrije vergadering?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat, getuige de beelden, de demonstranten deels gemaskerd hun intimiderende acties hebben uitgevoerd? Kunt u aangeven waarom dit feit blijkbaar geen aanleiding vormde voor het bevoegd gezag om handhavend op te treden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de locatie van samenkomst van bijeenkomsten van Christenen voor Israël geheim moet worden gehouden tot het laatste moment? Bent u het eens met de stelling dat alleen dit feit al dit zeer intimiderend is voor zowel organisatie als bezoekers van deze bijeenkomsten? In hoeverre wordt hiermee het recht op vrijheid van vereniging (artikel 8 van de Grondwet) geschonden?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u het beeld waarbij demonstranten het recht op vrije vergadering inperken door agressieve demonstratiemethoden, waaronder intimidatie, van bezoekers van zulke vergaderingen, in het bijzonder van Christenen voor Israël? Herkent u het beeld dat na eerdere betogingen in Zaltbommel, Katwijk en nu Barneveld hier ook een escalerende beweging te zien is? Hoe luidt uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze wordt het recht op vrijheid van vereniging geborgd voor bijeenkomsten georganiseerd door Christenen voor Israël? Bent u bereid zich extra in te spannen om dit recht ook voor deze organisatie structureel te waarborgen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in gesprek te treden met Christenen voor Israël over bijeenkomsten in de nabije toekomst om ervoor te zorgen dat deze, conform het recht op vrije vergadering, op ongestoorde wijze kunnen plaats vinden?
Zie antwoord vraag 4.
Het politiegeweld tijdens de ontruiming van het universiteitsgebouw in Utrecht bij een pro-Palestina demonstratie |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat bij de beëindiging van de bezetting van het universiteitsgebouw in Utrecht politiegeweld is toegepast, terwijl dit volgens burgemeester Dijksma niet was afgesproken?1
Ja.
Klopt het dat de instructie voor het politieoptreden was om «zo gefaseerd, de-escalerend en geweldloos mogelijk» op te treden? Zo ja, hoe verklaart u dat agenten desondanks demonstranten met fysiek geweld hebben verwijderd?
Zoals u weet laat ik mij als Minister van Justitie en Veiligheid niet uit over het optreden van de politie in individuele gevallen. De politie oefent haar taken uit onder verantwoordelijkheid van het lokaal gezag. De burgemeester kan de politie toestemming geven om op te treden ter handhaving van de openbare orde en daartoe aanwijzingen geven. Desgevraagd legt de burgemeester verantwoording af in de gemeenteraad over het optreden van de politie.
Ik wil benadrukken dat de politie niet zomaar overgaat tot het gebruik van geweld. Bij elk optreden is het uitgangspunt dat de politie probeert een situatie zonder gebruik van geweld tot een goed einde te brengen (de-escalatie). Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de politie genoodzaakt is om tijdens haar taakuitvoering geweld toe te passen, als laatste redmiddel. Er gelden strenge regels voor het gebruik van geweld. Zo mag de politie bij het aanwenden van geweld niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken.
In geval van een demonstratie geldt bovendien dat het optreden van de politie niet zo ingrijpend mag zijn dat mensen hierdoor worden afgeschrikt of ontmoedigd om gebruik te maken van hun demonstratierecht.
Om te waarborgen dat de politie terughoudend en verantwoord gebruikmaakt van het aan haar toegekende geweldsmonopolie, schrijft de wet voor dat iedere geweldsaanwending door de politie moet worden gemeld bij, en getoetst door de hulpofficier van justitie. Die beoordeelt of de opsporingsambtenaar in een concreet geval heeft gehandeld in overeenstemming met de geweldsinstructie.2 Op grond van de geweldsinstructie is de politie gehouden om bij iedere aanwending van geweld de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht nemen. Naast de rechtmatigheid beoordeelt de hulpofficier van justitie ook of het geweldgebruik in het concrete geval in overeenstemming was met de beginselen van professioneel vakmanschap.
Daarnaast wordt een deel van de geweldsaanwendingen door de politiechef (namens de korpschef) beoordeeld. In bepaalde gevallen wordt ook het Openbaar Ministerie (OM) in kennis gesteld. Indien de officier van justitie van oordeel is dat een politieambtenaar zich niet heeft gehouden aan de geweldsinstructie, kan worden overgegaan tot vervolging van de betrokken politiemedewerker. In voorkomende gevallen is het aan een rechter om te beoordelen of de opsporingsambtenaar zich door het geweldgebruik schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, en welke eventuele gevolgen daaraan moeten worden verbonden.
De Nederlandse wet- en regelgeving bevat diverse regelingen waarin de geweldsinstructie voor de politie nader is uitgewerkt. Daarnaast bestaan er diverse procedures in het kader waarvan een concrete geweldsaanwending onafhankelijk en onpartijdig kan worden beoordeeld. Dat biedt niet alleen een belangrijke waarborg voor een terughoudend en verantwoord gebruik van het geweldsmonopolie, maar stelt de politie tevens in staat te leren van geweldsaanwendingen.
Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar het voorval in Utrecht en de wijze waarop de politie heeft opgetreden. Zoals u weet kan ik geen uitspraken doen over lopende onderzoeken.
Kunt u toelichten welk type geweld is toegepast door de politie bij de ontruiming en of daarbij onder meer het bovenhands slaan met de wapenstok heeft plaatsgevonden, zoals door de advocaat van de demonstranten wordt gesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het gebruik van dit geweld in het licht van het recht op demonstratie en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit die gelden voor politieoptreden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat het besluit tot ingrijpen genomen is in de lokale driehoek? Kunt u aangeven of en hoe de rechtmatigheid en noodzakelijkheid van het toegepaste geweld op dat moment is besproken?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het optreden van de politie bij deze ontruiming onderzocht als mogelijke overschrijding van bevoegdheden of disproportioneel geweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, door wie en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat demonstranten aangifte doen of hebben gedaan tegen het politieoptreden? Wordt deze aangifte serieus en onafhankelijk onderzocht?
Zoals u weet kan ik niet ingaan op dit individuele incident. Wel wil ik benadrukken dat iedere burger die aangifte doet, ervan uit kan gaan dat deze serieus en onafhankelijk wordt onderzocht, ongeacht wie er bij het incident of de aangifte betrokken is. Bovendien, ook als er geen aangifte wordt gedaan, wordt elk politieoptreden waarbij geweld is gebruikt getoetst en beoordeeld. Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 2 tot en met 6 voor een nadere uitleg van dit beoordelingsproces.
Welke mogelijkheden hebben demonstranten op dit moment om excessief politiegeweld te melden en te laten toetsen, en hoe wordt gewaarborgd dat zij dit in veiligheid en zonder repercussies kunnen doen?
Net als iedere burger heeft een demonstrant die meent slachtoffer te zijn geworden van excessief politiegeweld de mogelijkheid om dit veilig en zonder repercussies te melden en te laten beoordelen. Zo kan hij een klacht indienen over het door de politie gebruikte geweld. Ook kan een burger aangifte doen over een (gewelds)handeling van een politiemedewerker, wanneer sprake is van een vermoedelijk strafbaar feit.
De klachtprocedure en het doen van aangifte tegen de politie zijn de afgelopen maanden meermaals onder de parlementaire aandacht gebracht.3 In de beantwoording van verschillende Kamervragen is aandacht besteed aan de kenmerken van beide procedures en de kwaliteitswaarborgen die daarvoor gelden op grond van geldende wet- en regelgeving. Voor nadere uiteenzettingen over de klachtprocedure en het doen van aangifte tegen de politie verwijs ik u naar de betreffende antwoorden,4 alsmede naar de beantwoording van vragen 2 tot en met 5.
Hoe waarborgt u dat demonstraties, ook wanneer zij politiek gevoelig liggen, niet onnodig worden beëindigd met geweld, maar in lijn met de geldende grondrechten worden benaderd?
In de Nederlandse democratische rechtsstaat is het demonstratierecht een groot goed, waar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik pal achter staan. Het demonstratierecht wordt beschermd door de Grondwet en diverse verdragen, en wordt nader gereguleerd in de Wet openbare manifestaties. Het demonstratierecht is echter niet absoluut; onder omstandigheden kan hierop een beperking worden gemaakt. Het lokale gezag, dat verantwoordelijk is voor het faciliteren van demonstraties en de handhaving van de openbare orde, gaat zorgvuldig om met het beperken of in het uiterste geval verbieden van een demonstratie. Een besluit van het lokale gezag om een demonstratie te beperken of te verbieden, kan in rechte worden aangevochten. Uiteindelijk is het aan de onafhankelijke rechter om te oordelen of een eventuele beperking of een verbod in een concreet geval terecht was. Zodoende wordt gewaarborgd dat burgers veilig gebruik kunnen maken van het recht om te demonstreren.
Welke boodschap heeft u aan studenten en andere burgers die hun stem vreedzaam laten horen via demonstraties, maar geconfronteerd worden met repressief optreden door de politie?
Het staat iedere inwoner van Nederland volledig vrij om voor zijn of haar mening uit te komen en deel te nemen aan demonstraties, uiteraard binnen de grenzen van de wet. Deze boodschap wil ik ook meegeven aan studenten en andere burgers die vreedzaam hun stem laten horen via demonstraties.
In geval van een verstoring van de openbare orde of van een verboden demonstratie, kan worden besloten daartegen op te treden. De politie neemt daarbij altijd als uitgangspunt om de situatie tot een goed einde te brengen zonder daarbij geweld te gebruiken. Desondanks kan het onder omstandigheden noodzakelijk zijn om gepast geweld te gebruiken indien demonstranten zich niet houden aan de door het bevoegd gezag gegeven bevelen en geen gehoor geven aan de waarschuwingen die zoveel mogelijk aan het geweldgebruik voorafgaan.
De groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Struycken , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Marjolein Faber (PVV), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Overheidsorganisaties blijven in de Amerikaanse cloud, ondanks zorgen in de Tweede Kamer» (BNR, 20 mei 2025)? Bent u tevens bekend met het feit dat de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof onlangs de toegang tot Microsoft-diensten is ontzegd op laste van de Amerikaanse regering?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), die BNR met veertien andere overheidsorganisaties onder de loep heeft genomen,1 de overstap naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners niet heroverwegen? Zo ja, kunt u dit besluit onderbouwen?
Het Kabinet is het met de indieners eens dat zorgvuldige afwegingen bij cloudmigraties van groot belang zijn. Daarom moeten volgens het huidige beleid al een reeks van aspecten afgewogen worden. Onderdelen van de Rijksdienst zijn verplicht het Rijksbreed cloudbeleid 2022 te volgen. Hierin wordt reeds aandacht besteed aan de risico’s rondom marktconcentratie. Zbo’s zijn niet verplicht het Rijksbreed cloudbeleid te volgen, maar het wordt hen wel aangeraden. Daarnaast zijn zbo’s verplicht – op basis van de Kaderwet zbo’s – om op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende voorschriften maatregelen te nemen.
De continuïteit van de dienstverlening, nationale veiligheid en publieke waarden zijn daar verdere voorbeelden van. Ook dienen beveiligingsmaatregelen genomen te worden en risicoanalyses geactualiseerd te worden wanneer daar aanleiding toe is. In de herziening van het rijksbreed cloudbeleid wordt tevens aandacht besteed aan het verder beperken van afhankelijkheid van enkele leveranciers, de zogeheten marktconcentratie- en continuïteitsrisico’s.
Welke processen, registers, (mail)communicatiediensten en / of organisatieonderdelen die onder uw verantwoordelijkheid vallen, zijn op dit moment reeds ondergebracht in de cloud van Amerikaanse dienstverleners?
Voor de beantwoording limiteren wij ons tot het gebruik van materieel public cloudgebruik. Materieel public cloudgebruik is gebruik van public clouddiensten ten behoeve van het uitvoeren van de primaire taak van een organisatie. Met andere woorden, voor de organisatie is die (cloud)dienst van wezenlijk belang.
Op dit moment wordt er zeer beperkt gebruik gemaakt van clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid maakt voor de digitale werkplek gebruik van Microsoft 365-diensten. Deze worden niet in de online (cloud) variant afgenomen, maar als lokaal geïnstalleerde applicaties op de desktop (bij managed laptops) of als centrale applicaties via het OverheidsDataCenter (ODC) bij Citrix-werkplekken. Bestanden die in deze applicaties worden gemaakt, worden opgeslagen op de lokale schijf en/of op het ODC. Deze diensten worden conform de rijksbrede kaders ingezet, met een inrichting die specifiek is afgestemd op de beveiligings- en privacy vereisten van het Ministerie van JenV. Microsoft Teams wordt enkel gebruikt voor videoconferencing en chat.
Alle gebruikte digitale voorzieningen worden voortdurend gemonitord en waar nodig aangepast op basis van actuele dreigingen en technologische ontwikkelingen.
Kunt u een overzicht geven van de geplande en voorgenomen migraties naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners, daar waar het uw departement, de DJI, de IND, het CJIB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag betreft?
Ten behoeve van de Kamerbrief van 22 november 20242 is een uitvraag gedaan bij alle departementen ten behoeve van een overzicht van alle geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland.3 Het Ministerie van Defensie is daarin buiten beschouwing gelaten omdat zij buiten de scope van het Rijksbreed cloudbeleid vallen. Dit neemt niet weg dat Defensie wel gebruik maakt van clouddiensten. De departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de implementatie van het cloudbeleid en daarom is het hun eigen afweging en invulling over wat zij onder (materiële) cloudmigraties verstaan.
Voor dit overzicht verwijst het Kabinet naar de Kamerbrief over geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland van 22 november jl.
Momenteel loopt de vernieuwing van de oude werkplekvoorzieningen van o.a. DJI, IND en CJIB naar een toekomstige moderne werkplek voorziening. Hierin wordt het gebruik van MS365 inclusief de online producten als Teams-online onderzocht en worden de opties tussen on-premise en cloudvoorzieningen vergeleken.
Het Ministerie van JenV participeert tevens in het interdepartementale programma Beter Samenwerken (BSW) waarin het beoogde gebruik van MS Teams in de werkomgeving wordt heroverwogen.
De herziening van het rijksbreed cloudbeleid geeft aanleiding tot het te zijner tijd, conform Rijksbeleid, aanscherpen en aanpassen van het departementale cloudbeleid. In de tussentijd heeft het Ministerie van JenV een aanvullende tijdelijke Bestuurlijke Beleidslijn Cloud voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid en Ministerie van Asiel en Migratie vastgesteld, waarin voorgenomen migraties moeten worden heroverwogen. Deze tijdelijke beleidslijn is van kracht zolang het nieuwe Rijks cloudbeleid nog niet is vastgesteld.
Kunt u illustreren wat de directe gevolgen zouden zijn voor de continuïteit van de processen, dienstverlening en dataopslag binnen uw departement, de DJI, de IND, het CJIB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag, wanneer deze de toegang tot Amerikaanse digitale dienstverlening zouden worden ontzegd, zowel op dit moment als na de geplande en voorgenomen migraties? Welke merkbare gevolgen zou dit hebben voor Nederlandse burgers en voor de samenleving? Hoe gaat u ervoor zorgen dat die risico’s gemitigeerd worden?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd zelf verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind met de EU optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Het kabinet is het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of enkele marktpartijen ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Dit nemen wij momenteel mee in de herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de beleidskaders voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet het kabinet zich in voor een verkenning naar een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten.
Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldig afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de medio dit jaar verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit overheid.
De genoemde risico’s kunnen gemitigeerd worden door verschillende acties te ondernemen. Zo kan via Strategisch Leveranciersmanagement Rijk (SLM Rijk) de contractuele afspraken met de Amerikaanse leveranciers worden aangescherpt. Daarnaast is SLM Rijk voornemens een contractueel framework voor Europese alternatieven te realiseren; momenteel loopt er een Data Protection Impact Assessment (DPIA) op de clouddiensten van Stackit, een Duitse cloudprovider.
Een te grote afhankelijkheid van één of een enkele marktpartij is ongewenst. In de afweging welke data we in eigen beheer verwerken en wat in de public cloud moeten risicovolle strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Kunt u onderbouwen wat Amerikaanse wetgeving, zoals de CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act, in het ergste geval betekent voor de vertrouwelijkheid van de data die uw departement, de DJI, de IND, het CJIB en en andere overheidsorganisaties onder uw gezag hebben opgeslagen in de cloud van Amerikaanse dienstverleners? Wat zou het gevolg zijn voor Nederlandse burgers en de samenleving wanneer al deze data tezamen in handen van een statelijke actor zou belanden?
Diverse landen kennen wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking aan veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act in de VS. Dergelijke wet- en regelgeving kan, in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens wanneer dit conflicteert met regelgeving als de AVG. Op basis van het advies van GreenbergTraurig kan echter geconcludeerd worden dat in het geval van de CLOUD Act het risico klein is.4
Ongeacht de wijze van verkrijging, is het in ieder geval onwenselijk dat alle data tezamen in handen van een statelijke actor kunnen belanden. Om dit te voorkomen kent het huidige Cloudbeleid al diverse regels omtrent de typen data die in de public cloud verwerkt mogen worden. In de herziening van het Cloudbeleid wordt ook hier aandacht aan besteed.
SLM Rijk voert met regelmatig DPIA’s uit op de diensten van Microsoft, Google Cloud en AWS en heeft daarbij ook specifiek gekeken naar internationale doorgifte van persoonsgegevens (er is een zogeheten Data Transfer Impact Assessment (DTIA) uitgevoerd). Hierbij is rekening gehouden met de mogelijkheid dat gegevens toegankelijk zijn voor de Amerikaanse overheid op basis van met de AVG conflicterende Amerikaanse wetgeving.
Heeft u migraties naar digitale diensten van Amerikaanse techgiganten stopgezet of heroverwogen naar aanleiding van de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1315) die hiertoe oproept?
Bij iedere migratie naar de Public Cloud moet zorgvuldig overwogen worden of de migratie leidt tot risico’s. Er zijn migraties heroverwogen naar aanleiding van onder meer de motie Kathmann. Met bijvoorbeeld als gevolg dat verwerking van data alleen binnen de EER plaatsvindt.
Zie verder vraag 2 en 4.
Hoe geven uw departement, de DJI, de IND, het CJIB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag voorts invulling aan de aangenomen motie-Six Dijkstra c.s. (Kamerstuk 6643, nr. 1320) die oproept om als doelstelling te hanteren dat de continuïteit van digitale overheidsdienstverlening niet rechtstreeks afhankelijk is van partijen uit de Verenigde Staten?
Het Ministerie van JenV zet, onder coördinatie van het Ministerie van BZK in op het herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, de beleidskaders voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid en de IT-sourcingstrategie Rijk. Momenteel worden mogelijkheden verkent die als alternatief kunnen worden ingezet om de continuïteit niet enkel afhankelijk te laten zijn van partijen uit de VS.
Kunt u toezeggen dat de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten binnen uw departement, de DJI, de IND, het CJIB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag niet verder zal toenemen, en dat het bevorderen van de strategische autonomie van Nederland en / of Europa het uitgangspunt is bij elk besluit omtrent digitale diensten dat onder uw gezag genomen wordt?
Het Ministerie van JenV en AenM zijn op dit moment bezig met een heroverweging, zie antwoorden op vraag 2, 4 en 8.
Het bevorderen van de strategische autonomie van Nederland en / of Europa staat vol op het netvlies. Het is in deze fase echter niet haalbaar en mogelijk om op korte termijn te realiseren. Ook zal het gepaard gaan met aanzienlijke kosten en realisatie inspanningen.
Om die reden zal afhankelijkheid van Amerikaanse Techgiganten vooralsnog blijven bestaan.
Kunt u de Autoriteit Persoonsgegevens, als onafhankelijke autoriteit, vragen of zij bereid is om zelfstandig te reageren op vragen 2, 4, 5, 6, 8 en 9?
Ik heb uw verzoek doorgeleid naar de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het notaoverleg over de initiatiefnota «Wolken aan de horizon» (Kamerstuk 36 574) van 2 juni a.s.?
De verzending heeft zo spoedig mogelijk plaatsgevonden.
Het bericht ‘SOMO: Nederlandse zakenmannen verkopen voor tientallen miljoenen aan Israëlische wapenindustrie’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Reinette Klever (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «SOMO: Nederlandse zakenmannen verkopen voor tientallen miljoenen aan Israëlische wapenindustrie»1 en «Kortsluiting in het internationaal recht»2?
Ja.
Vindt u het moreel verwerpelijk dat deze zakenmannen via hun in India gevestigde bedrijf «SASMOS» elektronische componenten aan onder andere de Israëlische wapenfabrikanten Elbit; Rafael; en Israel Aerospace Industries leveren?
Het kabinet doet in beginsel geen publieke uitspraken over individuele bedrijven of personen.
Klopt het dat de strafrechtelijke vervolging van deze zakenmannen binnen de rechtsmacht van Nederland valt zoals is gebleken uit eerdere, vergelijkbare gevallen? Kunt u uiteenzetten op basis van wat voor jurisdictie, welke wetten en regels dat nu weer zou kunnen gebeuren?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk strafbaar handelen opleveren en waarover Nederland rechtsmacht heeft. Indien het Openbaar Ministerie het na een dergelijke beoordeling opportuun acht om tot vervolging over te gaan, is het aan de rechter om een uiteindelijk oordeel te vellen over de vraag of Nederland rechtsmacht heeft. Bij een dergelijke beoordeling kan worden gekeken naar de rechtsmachtbepalingen in het Wetboek van Strafrecht, maar – afhankelijk van de precieze verdenking – ook naar rechtsmachtbepalingen in andere wetten zoals bijvoorbeeld de Wet internationale misdrijven.
Weet u of het Openbaar Ministerie al een onderzoek heeft lopen naar deze zakenmannen?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen.
Wat is uw oordeel over de Israëlische wapenbedrijven waarmee deze mannen op grote schaal handel drijven? Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Elbit en Rafael beelden van aanvallen op illegaal bezette Palestijnse gebieden gebruiken in hun promotievideo’s? Wat vindt u ervan dat journalisten hebben aangetoond dat bij sommige van die aanvallen kinderen zijn omgekomen? Wat vindt u ervan dat deze bedrijven vervolgens met schaars geklede vrouwen proberen de moord op Palestijnse kinderen met hun wapensystemen «sexy» te maken? Wat is uw standpunt over het seksueel en commercieel uitbuiten van oorlogsmisdrijven door deze bedrijven?
Het kabinet doet in beginsel geen publieke uitspraken over individuele bedrijven of individuen. Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en roept staten op hun verantwoordelijkheid te nemen. Zie tevens het antwoord op vraag 15.
Van ondernemingen uit staten die de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen hebben onderschreven, zoals Israël, wordt verwacht dat zij zakendoen in lijn met deze internationale kaders. Dit betekent dat bedrijven de risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen in kaart moeten brengen en deze risico’s moeten voorkomen en aanpakken. Volgens deze internationale kaders dienen ondernemingen in situaties van gewapend conflict normen van humanitair oorlogsrecht te respecteren en aangescherpte gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Israel Aerospace Industries ook «battle tested» drones (getest op Palestijnen in de illegaal bezette gebieden) hebben verkocht aan Vladimir Poetin, zelfs na de illegale annexatie van de Krim en de MH17-ramp waarbij 196 Nederlanders werden vermoord? Hoe staat u tegenover het feit dat deze drones een sleutelrol speelden in Poetin’s operaties in Syrië, waarmee het brute regime van Assad overeind werd gehouden? Wat vindt u ervan dat Israël Russische piloten opleidde om deze drones in te zetten, wat tot onnoembaar veel oorlogsmisdrijven heeft geleid?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u ook dat handel met wapenbedrijven zoals Elbit, Rafael en Israel Aerospace Industries tegen alle ethische standaarden indruist? Zo ja, wat doet u ertegen dat Nederlanders niet meer voor honderden miljoenen handelen met deze bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse uitvoer van militaire goederen naar Israël wordt zorgvuldig getoetst aan de Europese kaders voor wapenexportcontrole. Daar waar een duidelijk risico bestaat dat militaire goederen gebruikt worden bij het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Daarmee voldoet de Staat aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen ten aanzien van wapenexportcontrole. Dat is onlangs bevestigd in het vonnis van de voorzieningenrechter in de zaak Al-Haq c.s. tegen de Staat (d.d. 13 december 2024).
Materieelsamenwerking van defensie met Israëlische bedrijven vindt plaats binnen de kaders van het kabinetsbeleid en de Europese aanbestedingswetgeving. De Israëlische defensie-industrie ontwikkelt systemen die belangrijk zijn voor de doorontwikkeling en modernisering van de Nederlandse krijgsmacht. Defensie heeft in Israël geproduceerde militaire middelen en systemen aangeschaft vanwege de kwaliteit en relatief snelle beschikbaarheid daarvan.
Wat vindt u ervan dat de wapens van deze fabrikanten sinds oktober 2023 op grote schaal worden ingezet door het Israëlische leger in Gaza, met name in het licht van de consensus onder genocideonderzoekers dat Israël genocide pleegt in Gaza?
Het kabinet staat voor de veiligheid en het bestaansrecht van de Staat Israël. Dat betekent ook dat Israël over een defensie-industrie moet kunnen beschikken. Het kabinet veroordeelt de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 ten stelligste; tegelijkertijd roept het huidige Israëlisch handelen urgente vragen op over de proportionaliteit daarvan. Vanaf het begin van het conflict roept het kabinet Israël op om in overeenstemming met het internationaal recht te handelen bij het optreden in de Gazastrook. Het is van belang dat op verschillende manieren en vanuit diverse landen druk wordt uitgeoefend op de regering Netanyahu om de situatie op de grond onmiddellijk te verbeteren. Dit is ook de reden dat Nederland onder andere in mei 2025 de brief aan de Hoge Vertegenwoordiger heeft gestuurd om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.
Gezien de aanhoudende catastrofale situatie in de Gazastrook en het niet nakomen van de afspraken met de EU, heeft het kabinet besloten om zowel nationale- als Europese maatregelen te nemen. Uw Kamer is hierover middels een brief op 28 juli jl.3 geïnformeerd. Graag verwijzen wij u ook naar de Kamerbrief van 21 januari 20254. Hierin is opgenomen de verplichting van derde staten om genocide te voorkomen. In de brieven van 18 juni 20255, 28 juli 2025 en de beantwoording van de Kamervragen van het lid Dassen van 24 juni 20256 is hierop verder invulling gegeven. Tot slot is het kabinet op 7 april overgegaan tot intrekking van de algemene vergunning NL002 en aanpassing van de algemene vergunningen NL007 en NL010 door Israël uit te sluiten als land van eindbestemming [Kamerstuk 22 054, nr. 454].
Zouden de elektrische bedradingsoplossingen van SASMOS voor drones, straaljagers en tanks, die SASMOS zelf met de «bloedsomloop en het centrale zenuwstelsel van het menselijk lichaam» vergelijkt door de recent aangescherpte exportcontroles van Nederland voor export naar Israël komen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat vindt u ervan dat deze elektrische onderdelen op grote schaal naar Israël worden uitgevoerd door SASMOS?
Op basis van het SOMO-rapport is niet met zekerheid te zeggen welke goederen SASMOS precies exporteert. Daarom is niet vast te stellen of hiervoor een vergunningplicht geldt en of hiervoor in een hypothetisch geval bij export vanuit Nederland een exportvergunning is vereist. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Wat vindt u ervan dat de export van SASMOS naar Israël flink is gestegen sinds oktober 2023? Vindt u het ook zorgelijk dat het er alles van weg heeft dat SASMOS enorm profiteert bij iedere oplaaiing van het geweld in Gaza? Wat vindt u er bijvoorbeeld van dat alleen al in maart 2025, de maand waarin Israël het staakt-het-vuren beëindigde, SASMOS op 20 verschillende dagen producten naar Israël heeft verscheept?
Het kabinet doet in beginsel in het openbaar geen uitspraken over individuele bedrijven of personen. Alle Nederlandse bedrijven hebben zich te houden aan de wet. Als er aanwijzingen zijn dat bedrijven de wet hebben overtreden, dan zal dit worden onderzocht door de relevante toezichthouder. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk strafbaar handelen opleveren.
Bent u voorts bereid om de relaties van SASMOS met andere Nederlandse bedrijven onder de loep te nemen, zoals GKN Aerospace en de in Brabant gevestigde Lumipol Group? Bent u het namelijk eens dat het Nederlandse businessnetwerk met de Israëlische wapenindustrie doorgelicht moet worden om in kaart te brengen of er sprake is van medeplichtigheid aan Israëlische oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide? Kunnen de belastingdienst, douane en FIOD hier een rol bij spelen?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft u überhaupt ooit een waarschuwing aan dit soort bedrijven gegeven dat er een groot risico is dat hun producten bijdragen aan grove schendingen van het internationaal recht vanwege gebruik door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Volgens deze kaders dienen bedrijven mensenrechtenrisico’s, in hun waardeketens te identificeren, ook bij export, en waar nodig aan te pakken. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van Nederlandse private partijen zelf om beslissingen te maken binnen de kaders van de wet.
Bent u het eens dat het evident is dat de zakenmannen uit het artikel zich bewust waren van de mogelijkheid dat hun materiële hulp gebruikt zou worden voor het plegen van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid of genocide en dat ze dat risico aanvaardden?
Het kabinet doet daar geen uitspraken over. Het is in individuele zaken aan de rechter om te oordelen of bepaald handelen internationale misdrijven oplevert, indien en voor zover het Openbaar Ministerie het opportuun acht om tot vervolging over te gaan.
Bent u het ook eens dat uit jurisprudentie (denk aan de zaak Frans van Anraat in 2009, en Guus van Kouwenhoven in 2018) bleek dat het voldoende was dat de veroordeelde personen wisten wat de daders van plan waren en niet noodzakelijkerwijs hun intentie hoefden te delen om strafrechtelijk veroordeeld te worden? Bent u het met andere woorden eens dat de Nederlandse rechtbanken dedolus eventualis hebben gehanteerd omdat deze steunt op «de aanname van risico» in plaats van «kennis» van het feit dat wapens werkelijk worden ingezet voor het begaan van internationale misdrijven? Hoe beschouwt u dat in relatie tot de onderhavige casus?
Door de Nederlandse rechter zijn in het verleden inderdaad personen uit de private sector met de Nederlandse nationaliteit veroordeeld voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdrijven. In die zaken stelde de rechter vast dat sprake was van opzet en dat deze personen wisten dat door derden oorlogsmisdrijven zouden worden gepleegd dan wel dat zij zich willens en wetens hadden blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat derden oorlogsmisdrijven zouden plegen door gebruikmaking van de geleverde goederen.
De beoordeling of sprake is van opzet is – zoals ook uit deze jurisprudentie volgt – afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het is aan de rechter om een dergelijke beoordeling te maken indien en voor zover het openbaar ministerie het opportuun acht om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Ik kan mij daar niet over uitlaten.
Bent u het tot slot eens dat er een nationale aanpak moet komen tegen private handelingen die bijdragen aan schendingen van het internationaal recht door Israël in Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, welke instanties zouden hierbij betrokken moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Iedere staat dient zich te houden aan internationaal recht. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 20247 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen.
Het bericht ‘Medewerkers ambassade Israël gedood in VS, verdachte schreeuwde over Palestina’ |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Medewerkers ambassade Israël gedood in VS, verdachte schreeuwde over Palestina»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u momenteel de veiligheid van medewerkers van Israëlische diplomatieke posten?
Vanwege veiligheidsredenen spreek ik in het openbaar nooit over de veiligheid van individuele gevallen. Wel kan ik u verzekeren dat de veiligheid van diplomatieke missies in Nederland inclusief personeel, waaronder die van Israël, onze voortdurende aandacht heeft. De recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten onderstrepen de noodzaak voor alertheid. Indien er sprake is van een verhoogde dreiging of risico ten opzichte van hun veiligheid, worden passende maatregelen getroffen.
Hoe beoordeelt u momenteel de veiligheid van Joodse instellingen in Nederland, alsmede het personeel daarvan?
De veiligheid van Joodse en Israëlische instellingen en hun personeel in Nederland heeft de aandacht van het kabinet en de lokaal bevoegde gezagen. Nederland staat voor een open en inclusieve samenleving, waarin Joodse burgers hun identiteit en religie in alle vrijheid kunnen beleven, zonder angst of belemmering. De ontwikkelingen in de wereld worden nauwgezet gevolgd, mede vanwege de mogelijke impact op de veiligheidssituatie in Nederland. Zowel lokaal als landelijk is er daarnaast intensief contact met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap.
Wat doet Nederland om hun veiligheid te garanderen?
Op 24 november 2024 heeft het kabinet uw Kamer de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 gestuurd. Hierin is een veiligheidsfonds opgenomen voor de financiële ondersteuning van Joodse scholen, instellingen en evenementen. Waar nodig worden door het lokaal bevoegd gezag, bovenop de maatregelen die Joodse en Israëlische instellingen zelf nemen, veiligheidsmaatregelen getroffen. Dit gebeurt zowel zichtbaar als onzichtbaar met als doel om de veiligheid van Joodse en Israëlische instellingen en hun medewerkers en bezoekers te waarborgen. Deze maatregelen worden genomen op basis van actuele dreigingsinschattingen, waarbij volledige uitsluiting van risico’s niet gegarandeerd kan worden. Het is schrijnend dat deze maatregelen in Nederland nodig zijn, maar we zullen deze inspanningen onverminderd blijven voortzetten zolang de situatie daarom vraagt.
Zijn of worden er naar aanleiding van deze aanval in de Verenigde Staten extra veiligheidsmaatregelen getroffen bij Israëlische instellingen in Nederland, zoals ambassades, of bij Joodse instellingen als synagogen of Joodse scholen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven spreek ik in het openbaar nooit over de veiligheid van individuele gevallen. Ten aanzien van Joodse en Israëlische instellingen en objecten vindt al langere tijd een afweging plaats of en zo ja welke, additionele veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. De benodigde maatregelen worden getroffen waar dat nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie.
Hoe beoordeelt u de dreiging van antisemitisme en specifiek antisemitisch geweld in Nederland in het licht van deze aanval in de Verenigde Staten? Verwacht u dat door dergelijke gebeurtenissen deze dreiging in Nederland zal toenemen?
De aanslag in Washington D.C. past binnen het beeld van reeds bestaande verhoogde dreiging tegen Joodse en Israëlische doelwitten in Nederland. Antisemitisme speelt een rol in de ideologie van verschillende extremistische stromingen, met name het jihadisme en rechts-extremisme. Terroristen kunnen Joodse en Israëlische doelwitten kiezen omdat deze door de Gaza-oorlog grote symbolische waarde hebben, media-aandacht creëren en grote maatschappelijke impact hebben. Zoals in het Jaarverslag 2024 van de AIVD vermeld, is daarnaast het maatschappelijke debat in Nederland over Israël en de Palestijnse gebieden sinds 7 oktober 2023, en zeker in 2024, ernstig gepolariseerd. Voor sommige gekende extremistische bewegingen is de Gaza-oorlog een potentiële katalysator. Maar boosheid over het conflict heeft bij hen vooralsnog niet tot (meer) extremistische activiteiten geleid.
In welke mate ziet u in Nederland het fenomeen dat Israëli en/of Joodse mensen in Nederland verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van de staat Israël? Is hier sprake van een toename?
Op basis van de gegevens waarover ik beschik, is het voor zover mij bekend niet mogelijk in algemene zin vast te stellen of, en zo ja in welke mate Israëli en/of Joden in Nederland verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van de staat Israël. Wel zijn er bij de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding signalen bekend dat Joden in Nederland door sommigen in verband worden gebracht met het handelen van de staat Israël. Zo worden Joden op straat uitgescholden voor kindermoordenaars, worden herdenkingsplekken beklad met leuzen die verwijzen naar het conflict in het Midden-Oosten en worden Joden op de werkvloer of elders gedwongen zich uit te spreken over de situatie in het Midden-Oosten.
Ziet u aanleiding om de huidige aanpak van antisemitisme naar aanleiding van deze gebeurtenis aan te scherpen?
Op 24 november 2024 heeft het kabinet uw Kamer de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 gestuurd. Met dit meerjarige plan wordt de aanpak van antisemitisme geïntensiveerd, waarbij het kabinet ieder jaar opnieuw zal kijken of en waar aanvullende maatregelen nodig zijn. In de strategie staan de maatregelen van de huidige aanpak opgesomd. Deels gaat het om bestaande maatregelen en deels over nieuwe initiatieven zoals een veiligheidsfonds voor Joodse instellingen scholen en evenementen en de instelling van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Daarnaast voorziet de strategie in regelmatig overleg met betrokken organisaties zodat signalen over antisemitisme of de behoefte aan intensivering van de huidige aanpak ons snel bereiken. Binnenkort ontvangt u over de strategie een voortgangsbrief.
Wilt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ik heb deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het bericht ‘Daders lopen mogelijk vrij rond door fout met naam in 867 zaken’ |
|
Willem Koops (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Daders lopen mogelijk vrij rond door fout met naam in 867 zaken»?1
Ja.
Klopt het dat de administratie van de overheid zo’n bende is dat daardoor de administratie in 867 strafzaken niet klopt? Klopt dit aantal van 867?
Justid heeft sinds 2014 van 867 zaken bijgehouden waarin een aanwijzing bestaat dat de tenaamstelling mogelijk niet juist is. Het betreft zaken waarin sprake is van een onherroepelijk vonnis. Inmiddels loopt een analyse van deze zaken om nader inzicht te krijgen en de prioriteit te bepalen voor een verdere aanpak.
Klopt het dat van deze 867 zaken maar liefs 141 zaken ernstige zedendelicten en geweldsmisdrijven zijn?
Het klopt dat de Algemene Rekenkamer 141 zaken aangeduid heeft als ernstige zaken.
Ieder strafbaar feit kent een code op basis waarvan het in systemen wordt geregistreerd. Via deze codes zijn deze zaken geselecteerd.
Hierbij moet worden opgemerkt dat bij deze zaken de ernst van feiten en de strafoplegging in zaken varieert. Naast gevangenisstraffen komen ook geldboetes voor. Bij de analyse van de 867 zaken wordt ook nagegaan of de codes corresponderen met de delicten waarvoor verdachten zijn veroordeeld.
Hoeveel van de 867 zaken zijn terreurzaken en moordzaken?
Tot de 141 zaken behoren, naar eerste analyseresultaten aangeven, 5 zaken die betrekking hebben op (poging) tot moord, 2 zaken op (poging) tot doodslag en 2 zaken op terrorisme en 6 zedenzaken. Op 1 geval na is in deze zaken de straf geheel of gedeeltelijk uitgevoerd.
Hoeveel van de 867 zaken waarvan de administratie niet klopt hebben ertoe geleid dat verdachten vrijuit zijn gegaan?
Hier wordt onderzoek naar gedaan. Ik kan op dit moment niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek.
Hoeveel van de 867 zaken waarvan de administratie niet klopt hebben ertoe geleid dat een onschuldige burger onterecht is gestraft? En in hoeveel gevallen is er verzocht om herziening of gratie?
Dit wordt onderzocht. Uit de eerste analyse van de 141 zwaardere zaken is gebleken dat er 1 onschuldige burger gesignaleerd stond door persoonsverwisseling. Daarop is onmiddellijk actie ondernomen om die signalering te stoppen. Het is nog niet bekend of in deze zaak door de schuldige een straf is ontlopen. Ik rapporteer hierover in september.
Is er schadeloosstelling uitgekeerd aan burgers die onterecht een veroordeling achter hun naam hebben?
Bij de Justitiële Informatiedienst zijn sinds 2014 geen situaties bekend waarbij schadevergoeding is uitgekeerd aan mensen die ten onrechte gedetineerd zaten als gevolg van een onjuiste tenaamstelling van een vonnis. Er zijn indicaties dat er vóór 2014 in een beperkt aantal gevallen schadevergoedingen zijn betaald.
Hoe kan het dat ambtenaren sinds 2005 op de hoogte waren van dit probleem, dat de ambtelijke top van het ministerie in 2012 hierover is ingelicht en dat de Minister pas in januari 2025 hiervan op de hoogte was?
Dit vormt onderwerp van de evaluatie naar de gang van zaken die ik zal laten uitvoeren. De Tweede Kamer wordt nader geïnformeerd hoe deze evaluatie vorm zal krijgen en wie deze zal uitvoeren.
Wanneer is het verbeterplan dat wordt opgesteld door het ministerie gereed en geïmplementeerd?
Zoals in de beleidsreactie van 2 mei jongstleden op het rapport van de Algemene Rekenkamer is aangegeven, maak ik sinds januari werk van het aanpakken van de problematiek. Momenteel wordt al uitvoering gegeven aan mijn plan van aanpak. Zo verwacht ik dat begin juli er een eerste versie van het toetsings- en handelingskader ligt. Dan kan begonnen worden met de herbeoordeling van individuele zaken. Daarbij wordt op basis van de analyse van zaken die nu loopt geprioriteerd. Ik verwacht dat voor het einde van dit jaar alle zaken zijn beoordeeld en, waar dat aan de orde is, in de strafrechtketen individueel in behandeling kunnen worden genomen.
Het plan van aanpak ziet op drie prioriteiten: het ontwikkelen van het toetsings- en handelingskader, de concrete aanpak van de geconstateerde zaken en het zoveel mogelijk voorkomen van fouten in de identiteitsvaststelling in de strafrechtketen dat ziet op de totstandkoming van het toetsings- en handelingskader. Dit plan wordt al deels uitgevoerd en wordt de komende weken afgemaakt. Omdat de uitvoering van het plan en de daarop volgende afwikkeling van individuele zaken in de strafrechtketen de betrokkenheid van de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak vraagt, zal ik hun bij de vaststelling betrekken.
Kan de Minister aangeven op welke aspecten wordt ingegaan in dit verbeterplan?
Zie het antwoord op vraag 9. Daarnaast heb ik een programmadirecteur aangesteld om dit traject in goede banen te leiden. Voor meer details over deze inspanningen verwijs ik naar de brief die ik aan de Kamer heb gestuurd.
Om wat voor fouten gaat het hier: onjuiste tenaamstellingen in vonnissen of onjuiste verwerkingen daarvan in de administratie?
Het komt soms voor dat pas na het onherroepelijk worden van het vonnis nieuwe identiteitsinformatie beschikbaar komt over de gevonniste personen. Dit kan diverse oorzaken hebben, zoals:
Kunt u deze vragen één voor één, zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Haatpredikers op de TU Eindhoven |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de TU Eindhoven sprekers uitnodigt die Hamas verheerlijken, verdacht worden van steun aan Islamitische Staat (IS) en hebben opgeroepen om de demonstratie in Katwijk te laten ontsporen in rellen?1 2
Wij delen de bezorgdheid over de verspreiding van eventuele extremistische boodschappen. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan. Deze inzet is onder meer beschreven in de Nationale Extremismestrategie 2024–2029. Daar waar het gaat om extremistische sprekers is het in eerste instantie aan organisatoren van een evenement om te zorgen dat zij geen podium worden geboden. De TU Eindhoven heeft laten weten dat de lezing is verboden.
Deelt u de zorg dat hier sprake kan gaan zijn van extremistische uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt dit zich tot de brief van oktober 20233 die zag op het versterken van de aanpak van extremistische sprekers en de positie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierin?
De brief van oktober 2023 ziet op het voornemen om de maatregel te versterken om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren in het belang van openbare orde of nationale veiligheid. Het weren uit Nederland vindt plaats door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengen Informatiesysteem (SIS) te signaleren voor grensweigering en waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een inreisverbod of een ongewenstverklaring op te leggen. De IND baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de AIVD of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek. Wanneer de sprekers geen vreemdelingen zijn kan dit juridisch kader niet worden toegepast omdat zij niet onder de vreemdelingenwet vallen.
Ziet u mogelijkheden om de sprekers een gebiedsverbod op te leggen om te voorkomen dat de betreffende predikers woensdag komen spreken en treedt u hiertoe ook in overleg met de burgemeester van Eindhoven? Hoe wordt daarnaast voorkomen dat deze predikers ook op andere plekken in Nederland opereren?
Voor extremistisch gedachtegoed is in Nederland absoluut geen plek. Daarbij is het aan de organisatoren van een evenement om te zorgen dat deze plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en wordt voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. In het voorliggende geval heeft de TU Eindhoven de door een stichting georganiseerde lezing verboden. Daarnaast zijn burgemeesters verantwoordelijk voor handhaving van de openbare orde en zal altijd binnen de lokale driehoek een beoordeling van dergelijke evenementen plaatsvinden. Het vooraf verbieden door een gemeente is alleen mogelijk als sprake is van een concrete en ernstige bedreiging van de openbare orde. Het lokaal bestuur maakt daarin een eigen afweging.
De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) maakt het mogelijk om aan een persoon, die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in het belang van de nationale veiligheid. Een mogelijke maatregel is een gebiedsverbod voor een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, mits kan worden onderbouwd dat de aanwezigheid van de persoon in dit specifieke gebied een dreiging tegen de nationale veiligheid vormt en de gedragingen van de persoon voldoen aan bovenstaande norm.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op de TU Eindhoven om dit evenement niet door te laten gaan?
De TU Eindhoven heeft laten weten de lezing te verbieden en dat de organiserende partij hierover is ingelicht.
Welke regelgeving is van toepassing voor de stichting die dit organiseert?
De TU Eindhoven heeft laten weten dat voor alle bijeenkomsten op de campus geldt dat de organiserende stichting en andere aanwezigen zich moeten houden aan de wettelijke kaders en het beleid, zoals dit is opgesteld door TU Eindhoven. Het beleid van TU Eindhoven vereist onder andere dat evenementen uitsluitend doorgang kunnen vinden wanneer de titel een objectieve weergave is van de inhoud van de bijeenkomst en geen opruiende toon bevat. Daarnaast moet een evenement voldoen aan de kernwaarden van de instelling. In dit geval heeft de TU Eindhoven besloten dat hier geen sprake van is en heeft het evenement verboden.
Welk contact is er geweest met de gemeente Eindhoven? Bent u bezorgd dat dit leidt tot radicalisering van jongeren? Zo ja, wat gaat u daartegen doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven toegelicht is het aan organisatoren van een evenement om te voorkomen dat extremistische sprekers een podium krijgen. De TU Eindhoven heeft in dit geval aan de organiserende partij laten weten dat zij de lezing hebben verboden. Daarnaast geldt in algemene zin dat het lokaal bestuur verantwoordelijk is voor de openbare orde en veiligheid en in dit kader altijd een eigen afweging maakt.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 21 mei beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Universiteit Maastricht verbiedt lezing van Joodse student; pro-Palestijnse activiteiten gaan wel door' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Universiteit Maastricht verbiedt lezing van Joodse student; pro-Palestijnse activiteiten gaan wel door»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie waarbij een lezing wordt verboden vanwege «het politieke karakter»? Bent u van mening dat het verbieden van de lezing de academische vrijheid op de Universiteit Maastricht schaadt? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De Universiteit Maastricht (hierna: UM) laat weten het ongelofelijk triest te vinden dat zij een lezing op 12 maart vroegtijdig moest annuleren. De UM wenst ruim baan te geven aan open debat, dat voldoet aan academische waarden. Dat hoort bij een universiteit. Daarbij is het uitgangspunt dat aanwezigen zich houden aan de huisregels en gedragscode van de UM. Bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten zal steeds in overleg met betrokken partijen de afweging moeten worden gemaakt tussen het faciliteren van het open debat en de veiligheid van aanwezigen.
De UM geeft aan in die afweging zowel het belang van academische vrijheid alsook het belang van de veiligheid van de aanwezigen mee te nemen (zie ook mijn antwoord op vraag 5 en2. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt. Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om af te wegen of zij een bijeenkomst wel of niet door laten gaan. Het beoordelen van de risico's van lezingen, het nemen van veiligheidsmaatregelen en het daarbij waar nodig inschakelen van daartoe bevoegde partijen, is de verantwoordelijkheid van de instelling in samenspraak met de lokale driehoek.
Heeft u contact gehad met de Universiteit Maastricht over deze lezing? Zo ja, wat is daar besproken?
Conform de motie Martens-America3 informeer ik uw Kamer indien er verstoringen van het onderwijs plaatsvinden. Ik heb daarom contact opgenomen met de UM. Het blijkt dat daarvan in dit geval geen sprake is geweest.
Wat is de huidige stand van zaken van het rapport van de Universiteit Maastricht, dat wordt opgesteld naar aanleiding van de ongeregeldheden van de lezing van vredesactiviste Rawan Osman?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op Kamervragen van de PVV met kenmerk 2025Z04507 heeft de UM aangegeven naar aanleiding van de verstoring van de lezing op 12 maart jl. een extern onderzoek te starten.4 Dit onderzoek betreft een reconstructie van de protesten en moet leiden tot inzicht in o.a. welke partijen een bijdrage hebben geleverd aan de verstoringen. Daarnaast wil de UM de uitkomsten uit het onderzoek gebruiken om belangrijke lessen te trekken ter voorkoming van een dergelijk scenario en om inzicht te geven op welke wijze de UM bijeenkomsten over het Israëlisch-Palestijnse conflict kan organiseren zodat er voldoende zekerheid is dat een open en veilig academisch debat kan plaatsvinden. Het is aan de instelling, verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de UM hierin maakt.
Klopt het dat deze lezing verboden is, terwijl er wel bijeenkomsten plaatsvinden van pro-Palestijnse aard? Kunt u inzichtelijk maken welke bijeenkomsten op de Universiteit Maastricht wel en niet mogen doorgaan en op basis waarvan dit besloten is?
Op 15 mei heeft de UM een bericht gepubliceerd waarin zij stelt de komende tijd zeer terughoudend te zijn in het toelaten en/of faciliteren van bijeenkomsten met een sterk politiek karakter en met externe sprekers over de situatie in Gaza/Israël.5 Zij wacht eerst de uitkomsten af van het onderzoek naar de gang van zaken rond de vroegtijdig beëindigde bijeenkomst op 12 maart. De UM betracht terughoudendheid zolang er wordt gewacht op de uitkomsten van het onderzoek en deze zijn geïmplementeerd. De UM kan het zich immers niet veroorloven dat zij de veiligheid van (zowel interne als externe) aanwezigen niet kan borgen.
De UM geeft aan dat bij een aanvraag om een UM-ruimte beschikbaar te stellen voor een lezing door de heer Kestenbaum op 19 mei die terughoudendheid niet is gehonoreerd. Bijeenkomsten van de Joodse Studentenvereniging IJAR kunnen, zonder externe sprekers op het thema Gaza/Israël, doorgang vinden. Dat geldt voor alle studentenverenigingen. De bijeenkomst waarnaar het lid Eerdmans in zijn vraag refereert, stond gepland op 19 mei en kon bij de UM inderdaad niet doorgaan vanwege te grote veiligheidsrisico’s. De UM heeft haar beoordeling mede gebaseerd op de ervaringen die zij heeft gehad met een eerder door IJAR georganiseerde lezing van Rawan Osman op 12 maart jl. De bijeenkomsten die sindsdien wel zijn doorgegaan, zo zegt de UM, waren bijeenkomsten zonder externe sprekers of zonder sterk politiek profiel en bijeenkomsten die onderdeel zijn van het academisch programma van één of meer faculteiten. Zo vond er een bijeenkomst plaats met een spreker die, met financiering van de UM, deelneemt aan het NIAS Safe Haven Fellowship Program.
Kunt u uitleggen waarom de bijeenkomst georganiseerd door de Joodse Studentenvereniging IJAR-Maastricht geen doorgang mag vinden, terwijl er wel pro-Palestijnse bijeenkomsten georganiseerd mogen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het verbieden van lezingen als deze bijdraagt aan een onveilig studieklimaat voor Joodse studenten? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het betreurenswaardig dat er situaties zijn waarbij de veiligheid van studenten en genodigden dusdanig onvoldoende gegarandeerd kan worden, dat een bijeenkomst geannuleerd moet worden. Ik kan mij voorstellen dat het annuleren van een bijeenkomst voor Joodse studenten een gevoel van oneerlijke behandeling en een gevoel van onveiligheid geeft. Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen dat de randvoorwaarden voor bijeenkomsten en de veiligheid van de aanwezigen voldoende geborgd zijn. Indien de risico’s voor de veiligheid te groot zijn, kan het zo zijn dat bijeenkomsten geen doorgang kunnen vinden.
Erkent u dat na alle ongeregeldheden op universiteiten de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten nog steeds niet gewaarborgd kan worden? Zo niet, waarom niet?
Instellingen spannen zich in voor een veilige leer- en werkomgeving. Helaas zijn ongeregeldheden tijdens demonstraties niet altijd op voorhand te voorkomen, en lukt het door ongeregeldheden niet altijd om het primaire proces van onderwijs en wetenschap door te laten gaan. Mijn beeld is wel dat er meer grip is dan in de beginperiode van de acties, doordat er heldere afspraken binnen de sector zijn gemaakt over hoe te handelen en doordat het contact met de lokale driehoek over het algemeen goed verloopt.
Momenteel spreek ik met de bestuurders van universiteiten en hogescholen over de inrichting van hun veiligheidsbeleid in het kader van een aantal moties en toezeggingen die voortkomen uit het plenair debat van 23 januari jl. over de veiligheid op instellingen. Dit betreft onder meer de meldpuntvoorzieningen, het verhogen van de aangiftebereidheid, het ontwikkelen van een veiligheidsprotocol en de regie inzake sturing op veiligheid. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamer over de uitkomsten van deze besprekingen voor het zomerreces informeren.
Daarnaast werk ik met de integrale aanpak sociale veiligheid, die samen met het veld is opgesteld, aan het bevorderen van een veilige leer- en werkomgeving op alle instellingen, onder meer aan door het realiseren van een wettelijke zorgplicht voor de sociale veiligheid en een onderzoek naar klacht- en meldprocedures. Over de uitkomsten van dit onderzoek zal ik uw Kamer voor het zomerreces informeren. Verder worden vanuit het kabinet en verschillende ministeries, waaronder het mijne, diverse maatregelen ter bestrijding van antisemitisme genomen. Zo heeft het kabinet afgelopen najaar de strategie bestrijding antisemitisme aan uw Kamer gezonden en per 1 februari jl. de Taskforce antisemitismebestrijding ingesteld. De Taskforce gaat aan de slag met het doen van gerichte voorstellen voor de maatregelen ten behoeve van de veiligheid van Joden, in het bijzonder de veiligheid van Joodse studenten op hogescholen en universiteiten en het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten. Ik werk daarnaast aan een handreiking voor vertrouwenspersonen, die voor de zomer klaar is. Deze handreiking gaat over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Hiervoor heeft onlangs een gesprek plaatsgevonden waar mijn ministerie, samen met het bureau van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), heeft gesproken met vertrouwenspersonen en andere functionarissen sociale veiligheid, en met Joodse studenten en medewerkers.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel andere Joodse bijeenkomsten geen doorgang mochten of konden vinden de afgelopen maanden op andere universiteiten in Nederland?
Nee, ik vind het ongepast om bijeenkomsten als «Joodse bijeenkomsten» te administreren. Dit wordt door de universiteiten ook niet als zodanig bijgehouden.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Academische vrijheid op 3 juni beantwoorden?2
Het commissiedebat is uitgesteld.
Het bericht ‘Brandweer ziet lastig te blussen branden door ontploffende zonnepanelen toenemen’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brandweer ziet lastig te blussen branden door ontploffende zonnepanelen toenemen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de toename van het aantal incidenten waarbij de brandweer wordt geconfronteerd met grote problemen als gevolg van slecht aangelegde installaties?
Ik ben bekend met deze signalen. Vanuit de rijksoverheid is ook aandacht voor brandincidenten met zonnepanelen.
De Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) heeft begin januari uw kamer geïnformeerd2 over de resultaten van het onderzoek naar de oorzaken van brand met zonnepanelen op gebouwen door TNO, NIPV en NEN.3 Dit is mede gedaan ter invulling van de toezegging van mijn ambtsvoorganger op 8 juni 2023.4
In dit onderzoek is er onder andere een landelijke database opgezet door NIPV waarin gebouwbranden met zonnepanelen werden gemonitord. Uit deze gegevens blijkt dat van de 10.000 gebouwbranden tussen 2022 en 2023 er 152 plaatsvonden in gebouwen met zonnepanelen, wat ongeveer 1% van het totaal aantal gebouwbranden uitmaakt. Volgens het CBS waren in 2023 in totaal 2.807.590 installaties met zonnepanelen op gebouwen gerealiseerd in Nederland. Dit betekent dat in de onderzoeksperiode ongeveer 0,005% van deze installaties betrokken is bij een gebouwbrand. Een heel klein aandeel dus.
Het onderzoek geeft ook aan dat de oorzaak van de brand even vaak wel, als niet, in de installatie ontstaat. Op basis van de verzamelde data kunnen beperkt conclusies worden getrokken, mede omdat branden met zonnepanelen niet vaak voorkomen. Om die reden wil het kabinet verder inzetten op monitoring.
Wie is verantwoordelijk voor het toezicht op monteurs die zonnepanelen installeren en welke mogelijkheden ziet u om toezicht op installatiekwaliteit te verbeteren?
Zonnepanelen moeten aangesloten worden volgens de veiligheidseisen in NEN 1010. Dit volgt uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
De gemeente is het bevoegd gezag voor het Bbl. Het is aan iedere gemeente afzonderlijk hoe zij invulling geeft aan het toezicht hierop.
Voor de nieuwbouw van grondgebonden woningen geldt verder dat sinds 1 januari 2024 een onafhankelijke kwaliteitsborger toeziet op de bouw (Wet kwaliteitsborging bouw). Na afronding van de bouw van een woning, verstrekt deze kwaliteitsborger een verklaring aan het bevoegd gezag dat de woning (inclusief daarbij behorende installaties) voldoet aan de bouwvoorschriften.
Het is primair de verantwoordelijkheid van de installateur dat zonnepanelen veilig worden geïnstalleerd. De sector geeft daarom ook zelf invulling aan kwaliteitsborging. Zo wordt bij grotere installaties met zonnepanelen vrijwillig of op verzoek van verzekeraars aanvullend een periodieke keuring uitgevoerd volgens de «SCIOS» certificatieregeling.5 Ook is er een erkenningsregeling voor het installeren van zonnepanelen.6 Leden van de branchevereniging Holland Solar werken volgens de gedragscode zonnepanelen.7
Het beperkt aantal incidenten met zonnepanelen in verhouding tot het totale aantal installaties in Nederland en de initiatieven door de sector geeft voor mij geen aanleiding om het toezicht op de kwaliteit van zonnestroominstallaties te verbeteren.
Erkent u dat de toegenomen aanwezigheid van zonnepanelen nieuwe risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid van hulpdiensten en omwonenden bij brand, zoals ontploffende panelen, glasscherven en elektrocutiegevaar en wat is uw reactie op het in het artikel genoemde onderzoek van het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid hierover?
De toegenomen aanwezigheid van zonnepanelen leidt inderdaad tot nieuwe risico’s voor de hulpdiensten en omwonenden. Er zijn echter al acties ondernomen om deze risico’s te ondervangen. Zo wordt in opleiding en training van de brandweer aandacht besteed aan de risico’s van de energietransitie, waaronder ook zonnepanelen. Zie hierover verder mijn antwoord op vraag 6 en 7.
Voor wat betreft het vrijkomen van schadelijke stoffen is in 2022 onderzoek uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.8 Wanneer een zonnepaneel verbrandt, komen ongeveer dezelfde gevaarlijke stoffen vrij als bij een gemiddelde brand met elektronica en kunststoffen. Bij een gebouwbrand zijn de zonnepanelen op een dak maar een klein onderdeel van de totale brand. Daarom zal de rook van een brandend gebouw met zonnepanelen in de praktijk niet gevaarlijker zijn dan die bij een gewone brand. Wanneer de zonnecelscherven in een weiland terechtkomen, kunnen grazende dieren ze inslikken. Dat kan schadelijk zijn voor hun maag- en darmstelsel. Afhankelijk van de locatie (weiland of speeltuin) en de hoeveelheid scherven, kan het nodig zijn ze uit voorzorg op te ruimen.
Om provincies, gemeenten en veiligheidsregio’s te ondersteunen bij branden waar depositie van zonnecelscherven plaatsvindt heb ik samen met de Minister van KGG en de VNG opdracht verstrekt aan het NIPV om een handreiking te ontwikkelen over hoe te handelen bij grote branden met zonnepanelen waarbij depositie van deeltjes in de omgeving plaatsvindt. Het NIPV publiceert deze handreiking deze zomer. Daarmee geeft ik ook invulling aan de motie van de leden Beckerman, De Groot en Boulakjar.9
Is het juist dat er momenteel geen uniform protocol bestaat voor de installatie van zonnepanelen met het oog op brandveiligheid? Zo ja, acht u het wenselijk dat hier alsnog landelijke normen voor komen?
Zoals gesteld in mijn antwoord op vraag 3 moet de installatie van zonnepanelen voldoen aan het Bbl en bijhorende norm NEN 1010. Vanuit de sector zijn al diverse initiatieven opgezet om de kwaliteit van de installatie te borgen.
Daarnaast loopt in mijn opdracht ook nog een onderzoek bij NEN gericht op het vergroten van kennis over de brandveiligheid van zonnepanelen in en op de gebouwschil. De uitkomsten van dit onderzoek worden op termijn verwerkt in een landelijke norm die door de bouw- en installatiesector vrijwillig kan worden gebruikt voor het ontwerp en de aanleg van installaties met zonnepanelen.
Is de Minister van Justititie en Veiligheid bereid om samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening met Brandweer Nederland en de relevante organisaties in overleg te gaan om te komen tot duidelijke richtlijnen en protocollen voor de brandbestrijding bij woningen met zonnepanelen?
Op dit moment bestaat er al een handreiking incidentbestrijding zonnepanelen.10 Brandweer Nederland heeft mij laten weten dat deze handreiking wordt vernieuwd en dat er binnenkort een nieuwe versie wordt gepubliceerd. Daarnaast is er een handreiking voor advisering en veilig installeren van zonnepanelen.11 Daarom zie ik nu geen aanleiding om in overleg te gaan om te komen tot duidelijke richtlijnen en protocollen voor de brandbestrijding van woningen met zonnepanelen.
Op welke manier wordt er op dit moment aandacht besteed aan deze risico’s in de opleiding en training van brandweerlieden? Is aanvullende training of oefencapaciteit nodig?
Er wordt in opleiding en training aandacht besteed aan de risico’s van de energietransitie in brede zin. Zowel bij landelijke opleidingen van het NIPV als bij de regionale opleidingsinstituten (vakbekwaam worden) en bij de veiligheidsregio’s zelf tijdens trainingen/oefenavonden (vakbekwaam blijven). Hierbij poogt de brandweer altijd zoveel mogelijk aan te sluiten bij de actualiteit en de stand der techniek. Elke Veiligheidsregio heeft beleidsvrijheid om bij de opleiding en training van brandweerpersoneel specifieke risico’s te behandelen op basis van landelijke ontwikkelingen. Het regionaal risicoprofiel vormt hier belangrijke input voor, net als geleerde lessen uit eerdere incidenten.
Daarnaast zorgt de brandweer dat geleerde lessen zo snel mogelijk met alle veiligheidsregio’s in Nederland worden gedeeld, zoals bijvoorbeeld is gebeurd na de brand in Arnhem.12
Hoe wordt er toezicht gehouden op de kwaliteit van de zonnepanelen zelf?
De productveiligheid van de betreffende zonnepanelen is in Europa geregeld via de Algemene productveiligheidsverordening «General Product Safety Regulation» (GPSR). De GPSR stelt algemene regels en procedures vast die consumenten moeten beschermen tegen onveilige producten.
De NVWA is in Nederland de toezichthouder voor productveiligheid van zonnepanelen die vallen onder de GPSR.
Is het risico van brand groter naarmate de panelen de economische levensduur naderen? Zo ja, hoe wordt hier controle op gehouden en wordt hierover naar consumenten gecommuniceerd?
Zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 2 is de kans op brand door zonnepanelen erg klein. Mogelijk kan het risico op brand toenemen door slijtage en degradatie van componenten als gevolg van weersinvloeden of installatiefouten die in de loop van de levensduur problemen gaan geven, maar dit blijkt vooralsnog niet eenduidig uit het recente TNO-NIPV onderzoek.
Wel benoemen de onderzoekers dat veroudering mogelijk in de toekomst het aantal incidenten kan beïnvloeden. Ik vind het daarom belangrijk om het aantal incidenten met betrokkenheid van zonnepanelen te blijven monitoren. Hier wil het kabinet verder op inzetten. Het proactief informeren van consumenten is wat mij betreft daarom nu nog niet nodig.
Klopt het dat de zonnepanelen die in daken worden geplaatst brandgevoeliger zijn? Welke maatregelen worden genomen om de controle op deze panelen te vergroten?
Uit een eerdere inventarisatie door TNO13 uit 2019 kwam naar voren dat één derde van de branden waarbij zonnepanelen betrokken waren was opgetreden bij zogeheten «in-dak PV-systemen». In-dak systemen zijn systemen waarbij de zonnepanelen geïntegreerd zijn in het dak zelf, waarbij feitelijk de dakpannen zijn vervangen door zonnepanelen. De meest voorkomende installaties met zonnepanelen op woningen betreft het «op-dak-systeem», waarbij de zonnepanelen op de dakpannen worden geplaatst. Dit systeem is veel minder brandgevoelig, omdat bij een eventuele brand achter de zonnepanelen de dakpannen een brandwerende werking hebben.
Uit het recentere TNO-NIPV-rapport blijkt dat bij maar 3 van de 70 geanalyseerde gebouwbranden een «in-dak PV-systeem» was toegepast. Daarom zie ik nu geen reden om de controle op «in-dak PV-systemen» te vergroten.
Het lekken van persoonsgegevens door ambtenaren aan criminelen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in De Telegraaf van 13 mei jl.1, waarin opnieuw een ambtenaar van de gemeente Amsterdam wordt verdacht van het lekken van persoonsgegevens aan criminelen?
Ja.
Deelt u de zorgen over het feit dat gevoelige informatie zoals adresgegevens, rijbewijsdata en kentekens waar ambtenaren (vrij) toegang toe hebben terecht kan komen bij de georganiseerde misdaad, met ernstige gevolgen voor de veiligheid van burgers?
Ja. Persoonsgegevens van burgers mogen niet in handen van criminelen terechtkomen.
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten in de afgelopen vijf jaar ambtenaren zijn aangehouden of gestraft wegens het ongeoorloofd opvragen of delen van persoonsgegevens aan criminelen? En welke acties gemeenten nemen om dit te voorkomen?
De systemen van politie, Rijksrecherche en de Rechtspraak registreren niet vanuit welke functie door een verdachte de geheimhoudingsplicht is geschonden, en of informatie aan criminelen of andere personen is gelekt. Uit de systemen blijkt dus niet of een verdachte werkzaam was als gemeenteambtenaar en zo ja, bij welke gemeente de verdachte heeft gewerkt. Voor dit inzicht zou uitgebreid, handmatig dossieronderzoek nodig zijn. Het is dus niet mogelijk om de gevraagde cijfers te verstrekken.
Gemeenten onderschrijven het belang van het weerbaar maken van hun werknemers tegen druk vanuit de georganiseerde criminaliteit. Om deze reden treffen gemeenten diverse maatregelen, onder andere vanuit het integriteitsbeleid. In de Ambtenarenwet 2017 is immers vastgelegd dat een overheidswerkgever een integriteitsbeleid voert dat tevens ziet op het voorkomen van misbruik van bevoegdheden (art. 4.1 Ambtenarenwet 2017). Welke concrete maatregelen dit zijn, verschilt per gemeente.
Hierin worden gemeenten ondersteund door onder andere provincies en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG).
Zo zijn veel gemeenten, samen met de provincies, een gezamenlijke Norm Weerbare Overheid overeengekomen. Een belangrijk onderdeel van deze aanpak is het signaleren en voorkomen van ondermijnende invloeden binnen de decentrale overheden. De VNG heeft een handreiking «Kwetsbare werkgebieden- en processen» geschreven die lokale overheden helpt om kwetsbaarheden te herkennen, in kaart te brengen en te verminderen. De VNG vraagt gemeenten om scherp te zijn op het voeren van een volledig en zo optimaal mogelijk integriteitsbeleid. Onderdeel hiervan is het vragen van de VOG-verklaringen voor gemeentelijke medewerkers en inhuurkrachten. Ook heeft de VNG zich met en voor gemeenten ingezet voor de mogelijkheid om voor bepaalde functies, zoals gemeentemedewerkers die betrokken zijn bij de aanpak van ondermijning, screeningsonderzoeken te kunnen laten uitvoeren. De VNG blijft richting gemeenten communiceren over het belang van integriteitsbeleid voor medewerkers, en bijvoorbeeld de aandacht die hiervoor dient te zijn bij de werving en selectie van nieuwe medewerkers. In deze communicatie werken VNG, Rijksrecherche, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mijn ministerie nauw samen.
In hoeverre worden gemeenten ondersteund met kennis of richtlijnen vanuit het Rijk om datalekken en corruptie van binnenuit te voorkomen?
Momenteel worden gemeenten door diverse organisaties ondersteund in de strijd tegen corruptie. In de afgelopen jaren heeft de Rijksrecherche door het toesturen van bestuurlijke rapportages verschillende overheden waaronder gemeenten gewezen op concrete kwetsbaarheden. Voorbeelden van waargenomen en vaker terugkerende kwetsbaarheden zijn het ontbreken van een sluitende registratie van toegang tot ICT-systemen, gebrek aan zicht op personeel dat in financiële problemen verkeert en daardoor aantrekkelijk wordt voor criminelen, en de veelvuldige inhuur van personeel via uitzendbureaus, waardoor zicht op screening of de voorgeschiedenis van iemand ontbreekt.
Op basis van haar expertise heeft de Rijksrecherche in 2022 verder een openbare signalenkaart opgesteld die ambtenaren ondersteunt in het herkennen van corruptie.2 In 2024 is hier een signalenkaart voor politieke ambtsdragers bijgekomen.3 De Rijksrecherche brengt deze kaarten proactief onder de aandacht bij gemeenten. Daarnaast heeft de Rijksrecherche de afgelopen jaren bij gemeenten en provincies presentaties gegeven over de vraag hoe de organisatie en ambtenaren tegen mogelijke beïnvloeding door kwaadwillende derden kunnen worden beschermd.
Tevens worden gemeenten ondersteund vanuit de Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s). Zij bieden hands-on ondersteuning aan gemeenten om de gemeentelijke organisatie en het bestuur weerbaar te maken tegen ondermijnende criminaliteit en corruptie. Voorbeelden hiervan zijn trainingen gericht op bewustwording van criminele beïnvloeding, toolboxen met concrete handelingsperspectieven, leerkringen (zoals de leerkring VOG-P) en gerichte advisering per gemeente. Aan de hand van verschillende tools wordt gemonitord hoe gemeenten ervoor staan en continu gewerkt aan verbetering.
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kennisdeling gefaciliteerd over processen die binnen gemeentelijke organisaties kwetsbaar zijn voor ondermijning. Ook worden gemeentesecretarissen ondersteund in hun rol bij het tegengaan van ondermijnende invloeden. Zo is vorig jaar een weerbaarheidspakket voor hen ontwikkeld, in samenwerking met de Vereniging voor Gemeentesecretarissen. Binnen het programma ter voorkoming van identiteitsfraude met reisdocumenten heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tevens maatregelen getroffen die gemeenten weerbaarder zullen maken,4 zoals de voorlichtingscampagne «Samen scherp op aanvraag en uitgifte» voor gemeenteambtenaren.5
Naast de bestaande maatregelen heeft het thema «weerbare overheden» een belangrijke plaats gekregen binnen de in het regeerprogramma aangekondigde rijksbrede aanpak van corruptie. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik hebben deze nieuwe anti-corruptieaanpak op 20 juni jl. met uw Kamer gedeeld.6 In dit kader is onder andere met het Strategisch Beraad Ondermijning afgesproken om de krachten te bundelen om corruptie de komende jaren aan te pakken.
Welke rol speelt de Autoriteit Persoonsgegevens in die gevallen waarbij overheidsinformatie voor criminele doeleinden wordt gedeeld? Wordt er handhavend opgetreden? Zo ja, hoe vaak en op welke wijze?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de bescherming van persoonsgegevens. Als overheidsinformatie persoonsgegevens bevat, dan is de AP dus bevoegd toezichthouder. Het «lekken» van persoonsgegevens aan criminelen levert een datalek op. Dergelijke datalekken moeten worden gemeld bij de AP en aan slachtoffers. Daarnaast houdt de AP toezicht of de verantwoordelijke overheidsorganisaties voldoende technische en organisatorische maatregelen nemen om dit soort datalekken te voorkomen, op te kunnen sporen, of om achteraf vast te kunnen stellen of handelingen van medewerkers geoorloofd waren. Waar nodig kan de AP ingrijpen, bijvoorbeeld als de meldplicht aan slachtoffers of de regels over beveiliging niet worden nageleefd. Meestal is een waarschuwend gesprek voldoende, maar in het uiterste geval kan de AP bijvoorbeeld een sanctie opleggen.
In september 2025 publiceert de AP een rapport naar aanleiding van een verkennend onderzoek dat gaat over onrechtmatige raadplegingen van persoonsgegevens door ambtenaren bij gemeenten. In het rapport geeft de AP gemeenten adviezen voor het voorkomen, opsporen en aanpakken van datalekken en weerlegt de AP misvattingen over dit soort datalekken. Losstaand van dit rapport publiceert de AP nog voor het zomerreces haar datalekkenrapportage, waarin de AP verder in gaat op haar toezicht op datalekken.
Bent u bereid om samen met de VNG in kaart te brengen hoe groot de kwetsbaarheid is van gemeentelijke systemen voor misbruik door eigen ambtenaren, mede in het licht van toenemende ondermijning en infiltratie door de georganiseerde criminaliteit?
Gemeenten zijn als decentrale overheden zelf verantwoordelijk voor hun integriteitsbeleid en daarmee voor het in kaart brengen van kwetsbaarheden. Gezien het grote belang om gemeenten weerbaar te maken en gemeenteambtenaren te beschermen tegen de druk van criminelen, ondersteunen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik de gemeenten hierin. Samen met de VNG ontplooien we activiteiten om de kwetsbaarheden in kaart te brengen en de weerbaarheid tegen corruptie bij gemeenten te vergroten. Zo heeft het Verwey-Jonker Instituut in 2023 in opdracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek gedaan naar kwetsbare processen in met name kleinere gemeenten.7 Uit deze verkenning kwam naar voren dat alle gemeentelijke en interne dienstverleningsprocessen kwetsbaar kunnen zijn voor ondermijning en oneigenlijke druk. In opvolging hierop wordt, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, door de Minister van BZK kennisdeling gefaciliteerd over kwetsbare processen en worden gemeentesecretarissen ondersteund in hun rol bij het tegengaan van ondermijnende invloeden. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 aangegeven, ondersteunt de VNG gemeenten verder al bij het in kaart brengen van kwetsbaarheden. Ik blijf, onder meer via het Strategisch Beraad Ondermijning, met de gemeenten in gesprek over de behoeftes die zij hebben en de rol die ik hierbij kan vervullen. Bijvoorbeeld op het gebied van kennisdeling en uitwisseling van best practices tussen partners, wat JenV faciliteert door in 2026 opnieuw het tweejaarlijkse Anti-Corruptiecongres te organiseren.
Hoe verhouden deze incidenten zich tot de bredere dreiging van ondermijning binnen overheidsinstellingen, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Deze incidenten bevestigen het signaal van het Openbaar Ministerie dat de georganiseerde criminaliteit in elke fase van het criminele bedrijfsproces corruptie nodig heeft om haar illegale activiteiten uit te kunnen voeren.8 De Rijksrecherche ziet de laatste jaren een duidelijke fenomeenontwikkeling waarbij het corrumperen van ambtenaren een verdienmodel is geworden en criminelen actief op zoek gaan naar ambtenaren die hen van bepaalde informatie of documenten kunnen voorzien. Ook rapporteerde de AIVD in het Jaarverslag 2024 dat criminele netwerken die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid gespecialiseerde «inlichtingenteams» hebben om informatie te verzamelen over mensen die zij als een bedreiging zien en daarvoor soms overheidsonderdelen infiltreren om aan informatie te komen.9 De gevolgen van het opzoeken en doorgeven van een kenteken of adres door de ambtenaren kunnen verstrekkende gevolgen hebben. In verschillende strafrechtelijke onderzoeken is een directe relatie tussen gelekte informatie en liquidaties of ander excessief geweld in het criminele milieu waargenomen.
Daarom vinden de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik het noodzakelijk om de Nederlandse aanpak van corruptie te intensiveren, zoals aangekondigd in het regeerprogramma. De brief over de nieuwe anti-corruptieaanpak heeft uw Kamer op 20 juni jl. ontvangen.10 De bescherming van ambtenaren – zowel op centraal als decentraal niveau – tegen de druk die criminelen op hen kunnen uitoefenen en het vergroten van de weerbaarheid van overheidsprocessen en -systemen worden hierin tot prioriteiten benoemd. Zo zie ik te vaak dat niet-integere of zelfs corrupte ontslagen ambtenaren alsnog bij een buurgemeente of een andere overheidsorganisatie aan de slag gaan. Nog in 2025 kom ik daarom in samenwerking met het Strategisch Beraad Ondermijning met concrete acties om dergelijk «jobhoppen» tegen te gaan. Dit vraagt om aandacht voor de weerbaarheid en betrouwbaarheid van medewerkers en het onderkennen van kwetsbaarheden, door bijvoorbeeld beter aannamebeleid, waarbij zowel het checken van referenties in sollicitatieprocedures, een uniform VOG-beleid, en een aangescherpt screeningsbeleid belangrijke ingrediënten zijn.
Welke acties gaat u – gelet op de prioritering van deze Minister – op korte termijn nemen om de risico’s van corruptie binnen overheden integraal aan te pakken?
Zie antwoord vraag 7.
De verantwoordelijkheid voor het politieonderwijs en de structurele tekorten in de opsporing |
|
Michiel van Nispen (SP), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inzetbrief van de politiebonden waarin wordt gesteld dat de opleidingscapaciteit bij de Politieacademie de komende jaren onvoldoende is om de uitstroom te compenseren, met name in de opsporing?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er sprake is van structurele tekorten in de opleidingscapaciteit voor de opsporing bij de Politieacademie, en dat deze tekorten een directe belemmering vormen voor het vergroten van de noodzakelijke instroom?
Sinds enkele jaren is er sprake van druk op de politiecapaciteit. De vraag naar politiecapaciteit is toegenomen. Deze toename viel samen met een pensioengolf en later ook met de arbeidsmarktkrapte. Deze krapte werd in 2020 als eerste voelbaar in de gebiedsgebonden politie (GGP) en had tot gevolg dat de vijver voor doorstroom van de GGP naar de opsporing kleiner werd, waardoor de tekorten in de opsporing inmiddels groter zijn dan in de GGP. Daarom hebben de korpschef en ik in samenspraak met de politievakbonden een nieuwe directe instroomroute in de opsporing afgesproken. Deze nieuwe instroomroute in de opsporing verloopt via de Politieopleiding Specifieke Inzet (PSI). Het vakgebied tactische opsporing wordt hiermee hybride: dit houdt in dat het toegankelijk is en blijft voor breed opgeleide politiemensen (doorstroom vanuit de GGP) en daarnaast ook toegankelijk wordt voor directe instroom van buiten de politie. De besluitvorming hierover heeft op 5 juni jl. plaatsgevonden. Deze nieuwe instroomroute komt beschikbaar naast de reeds bestaande instroomroutes (via de GGP, via de bachelor rechercheur en als specialist via de PSI). Sinds 2023 is er sprake van een tijdelijke alternatieve instroom waarbij ath-medewerkers op basis van een boa-akte opsporingsbevoegdheid krijgen. Deze instroom zal stoppen zodra de nieuwe instroomroute is uitgewerkt en geïmplementeerd.
De animo voor de opsporing is groot en de opleidingen draaien op volle toeren. Op basis van de instroomcijfers van 2024 is de verwachting dat de opsporingscapaciteit de komende jaren zal toenemen. Extra opleidingscapaciteit zou hier geen versnelling in kunnen aanbrengen, aangezien er ook begeleidingscapaciteit van ervaren rechercheurs in de eenheden nodig is om rechercheurs die net van de opleiding komen te begeleiden in hun werk.
De opleidingscapaciteit van de Politieacademie voor alle instroomroutes in totaal ziet er als volgt uit:
Basispolitieopleiding (PO21)
2.194
2.093
2.102
Politiemedewerker Specifieke Inzet (PSI)
402
375
653
ATH-BOA (basis BOA)1
0
510
1.022
Bacheloropleidingen
168
0
215
De Politieacademie is sinds 1 januari 2023 verantwoordelijk voor de BOA basisopleiding en sinds december 2023 verantwoordelijk voor een aantal BOA-leertrajecten. Dit verklaart de oplopende getallen. De genoemde opleidingen worden verzorgd in samenwerking met externe aanbieders.
De specifieke rechercheopleidingen, zoals de Kerntaak Opsporing en de opleiding Integraal Opsporen in Meeromvattende Zaken (voorheen: Integrale Vervolgopleiding Opsporing, IVOO), vallen onder het Vakspecialistisch Politieonderwijs (VPO). De opleidingscapaciteit van de Politieacademie voor deze opleidingen ziet er als volgt uit:
Studenten
2022
2023
2024
Kerntaak Opsporing
153
101
73
Integraal Opsporen in Meeromvattende Zaken (voorheen: IVOO)
29
34
54
Zo ja: hoe groot is het huidige tekort aan opleidingscapaciteit bij de Politieacademie, uitgesplitst naar instroomroutes zoals PSI, ATH-boa en specifieke rechercheopleidingen, zoals de KO en IVOO?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in meerdere politie-eenheden inmiddels zogenaamde «veldacademies» zijn opgericht om de tekorten bij de Politieacademie op te vangen? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling, mede in het licht van uw verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en landelijke uniformiteit van het politieonderwijs?
Om de kwaliteit van het politieonderwijs te borgen vindt de examinering en certificering van de politieopleidingen te allen tijde plaats bij de Politieacademie. Dit betreffen zowel de politieopleidingen die gegeven worden door de Politieacademie zelf als de opleidingen die, onder regie van de Politieacademie, zijn uitbesteed aan andere onderwijsinstellingen. De examinering en certificering van een politieopleiding vindt plaats op basis van onderwijskwalificaties die zijn opgesteld door de Politieacademie in samenwerking met de politie en vastgesteld door de Minister van Justitie en Veiligheid op advies van het onafhankelijke adviesorgaan de Politieonderwijsraad. Deze centrale aansturing, door de Politieacademie op het politieonderwijs, borgt de uniforme kwaliteit van het politieonderwijs. In het Landelijke Functiegebouw Nederlandse Politie zijn de opleidingseisen per functies vastgelegd. Voor uitoefening van een functie moet de politiemedewerker over de vastgelegde diploma’s en certificering beschikken.
Veldacademies zijn in eenheden opgericht met als doel om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van kennis en vaardigheden van politiemedewerkers. Veldacademies bieden geen erkende initiële of vakspecialistische politieopleidingen aan. In hun aanbod staat uitwisseling van kennis en ervaring en ervaring opdoen in de praktijk centraal. Door de inbedding van de veldacademies in de eenheden kan voor het aanbod worden ingespeeld op de lokale problematiek en kennis- en ontwikkelingsbehoeften. Het aanbod van de veldacademies is hiermee aanvullend, op de basispolitieopleidingen en vakspecialistische opleidingen van de Politieacademie, en leidt niet tot een certificering.
Deelt u de zorgen dat het ontstaan van veldacademies kan leiden tot inhoudelijke versnippering, ongelijke kwaliteitsniveaus, niet-gevalideerde leerroutes en extra werkdruk voor politiemedewerkers die naast hun reguliere opsporingstaken ook als opleider fungeren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verklaart u dat, ondanks de aangenomen motie-Mutluer (Kamerstuk 29 628, nr. 1137) die oproept tot inzet van private opleiders en hogescholen naast de Politieacademie, deze capaciteit nog nauwelijks wordt benut voor instroomopleidingen en specifieke opleidingen binnen de opsporing?
Naar aanleiding van de aangenomen motie van lid Mutluer, op 7 december 2022, om te zorgen voor alternatieve mogelijkheden en versnelde trajecten om meer hoogopgeleide mensen bij de politie te krijgen, in het bijzonder rechercheurs en daarbij nadrukkelijk ook de samenwerking met de universiteiten op te zoeken heb ik in het tweede halfjaarbericht politie van 15 december 20222 het volgende met uw Kamer gedeeld: «Sinds 2018 biedt de Politieacademie opleidingen aan gericht op reeds in het regulier onderwijs opgeleide zij-instromende specialisten. Zij worden aangesteld als executief politieambtenaar met specifieke inzetbaarheid (ESI).»
Deze specifieke zij-instromers kunnen zonder de basispolitieopleiding direct op hun functie aan de slag nadat zij de korte opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet (PSI) hebben gevolgd. De opleiding PSI duurt 3 tot 6 maanden en is gericht op het verwerven van algemene kennis over de politietaak en de politieorganisatie waarbinnen ze hun vak en specialisme gaan uitoefenen. Voorbeelden van werkterreinen waar zij-instromers als executief politieambtenaar met specifieke inzetbaarheid aan de slag gaan zijn: Financieel-economisch, Digitale Expertise, Recherchepsychologie, Intelligence en Forensische Opsporing. In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2022–2024 zijn hier de werkterreinen (online) Seksuele Misdrijven (zeden), Milieu, Jeugd, Maatschappij en Recht en Bijzondere opsporingsmethoden en -technieken aan toegevoegd.
Voor het opleiden van deze ESI-medewerkers maakt de Politieacademie gebruik van een externe onderwijsaanbieder. Deze aanbieder biedt de PSI-opleiding aan op basis van de vastgestelde kwalificaties door de Minister van Justitie en Veiligheid op advies van de Politieonderwijsraad. De Politieacademie is verantwoordelijk voor de examinering. In 2026 zijn er 720 PSI-opleidingsplekken beschikbaar om ESI-politiemedewerkers op te leiden. Zoals al eerder aangegeven leidt extra opleidingscapaciteit, in de vorm van samenwerking met private opleiders en hoge scholen, niet automatisch tot een grote instroom in de opsporing, aangezien er ook begeleidingscapaciteit van ervaren rechercheurs in de eenheden nodig is om rechercheurs die net van de opleiding komen te begeleiden in hun werk.
Naast de ESI-instroom zijn er nog drie instroomroutes in de opsporing, namelijk de doorstroom vanuit de gebiedsgebonden politie (GGP), de instroom via de bachelor rechercheur, en de nieuwe structurele instroomroute waar de korpschef en ik samen met de vakbonden aan werken. Voor de instroomroute via de GGP of bachelor rechercheur volgen politiemedewerkers een basispolitieopleiding bij de Politieacademie. Deze politiemedewerkers worden opgeleid tot breed executieve politiemedewerkers met bewapening. Vanwege de onafhankelijke borging van de onderwijskwaliteit en van de uitgegeven diploma’s, in combinatie met unieke Politiebevoegdheden, is het essentieel dat deze twee basispolitieopleidingen door de Politieacademie worden verzorgd om de kwaliteit te borgen.
Bent u bereid om onder duidelijke kwaliteitsvoorwaarden externe opleiders toe te laten die (tijdelijk of aanvullend) gecertificeerd politieonderwijs kunnen aanbieden?
Zie antwoord vraag 6.
Welke structurele financiering is beschikbaar of in voorbereiding om de capaciteit van de Politieacademie (tijdelijk) te versterken en ruimte te bieden aan maatwerktrajecten, waaronder zij-instroom en specialistische vakopleidingen?
In overleg met het korps en Politieacademie stel ik als Minister van Justitie en Veiligheid, middels een bijzondere bijdrage in de politiebegroting, jaarlijks de financiële middelen aan de Politieacademie ter beschikking. Deze middelen zijn beschikbaar voor het basispolitieonderwijs, het hoger politieonderwijs, vakspecialistisch onderwijs en Kennis en Onderzoek.
Middels een behoeftestelling stelt de Politie samen met de Politieacademie vast welke opleidingen en hoeveel opleidingsplaatsen, binnen de kaders van de beschikbare middelen, in het volgend jaar worden aangeboden door de Politieacademie. Gezien de beschikbare middelen vraagt dit om geprioriteerde keuzes.
De bijzondere bijdrage is gebaseerd op de vaste formatie van docenten en de normtarieven voor deze formatie en geldt daarmee als structurele financiering. Voor de PSI-opleiding zijn in 2026 720 opleidingsplekken, als onderdeel van de behoeftestelling, beschikbaar. Daarnaast worden er incidentele gelden beschikbaar gesteld voor opleidingsvragen die incidenteel van aard zijn, zoals bijvoorbeeld opleidingen ten behoeve van de invoering van het Wetboek van Strafvordering. De onderwijscapaciteit is passend binnen de hierboven beschreven middelen.
Heeft u samen met de politietop inmiddels verkend hoe een afzonderlijke, meer gerichte modulaire rechercheopleiding kan worden gerealiseerd, zoals opgeroepen middels de aangenomen motie Mutluer (Kamerstuk 29 628, nr. 1244)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft die verkenning opgeleverd?
In het eerste halfjaarbericht politie van 12 juni 20253 is, naar aanleiding van de motie van lid Mutuer, toegelicht dat de korpschef en ik, in onze rol als gezamenlijk werkgever, samen met de politievakorganisaties, een nieuwe directe instroomroute in de opsporing afgesproken om de bezetting in de opsporing op orde te krijgen. Via deze nieuwe directe instroomroute in de opsporing zullen nieuwe medewerkers bekwaam worden gemaakt voor het vak rechercheur door het volgen van de PSI-opleiding, de kerntaak tactische opsporing, en weerbaarheidstraining. We houden hierbij oog voor voldoende loopbaanperspectief, om rechercheurs ook langere tijd voor de opsporing te kunnen behouden.
Met de ontwikkeling van een nieuwe structurele instroomroute in de opsporing, waarin de opleiding – verzorgd onder verantwoordelijkheid van de Politieacademie – zich richt op een combinatie van het verkrijgen van bevoegdheden en inhoudelijke opsporingskennis en vaardigheden wordt invulling gegeven aan deze motie.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer vóór het zomerreces informeert over de maatregelen die u neemt om de regie te hernemen op het politieonderwijs, inclusief mogelijke inzet van externe aanbieders en de bijbehorende financiën?
Zoals in bovenstaande beantwoording toegelicht is de kwaliteit van het politieonderwijs geborgd, biedt de Politieacademie politieonderwijs aan binnen de kaders van de beschikbare middelen, besteedt de Politieacademie politieonderwijs uit aan andere onderwijsinstellingen waar passend, en werken de korpschef en ik, in onze rol als gezamenlijk werkgever, samen met de politievakorganisaties, aan een structurele route voor (zij-)instroom in de Tactische Opsporing om de bezetting in de opsporing op orde te krijgen.
Het toezicht en vergunningverlening onder de Wet Wapens en Munitie. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat verhuurvergunningen voor luchtdrukwapens en airsoftapparaten bij een bedrijfsverhuizing naar een andere politieregio niet automatisch worden overgenomen, terwijl de aanvraag oorspronkelijk is getoetst aan landelijk geldende regels? Acht u het wenselijk dat eerder verleende vergunningen, mits ongewijzigd qua inhoud, door een andere regio worden gerespecteerd?
Bij verhuizing naar een andere politieregio wordt een adreswijziging doorgevoerd op de bestaande erkenning. Dit kan tot gevolg hebben dat een geheel nieuwe erkenning – onder dezelfde condities – zal worden verstrekt. Het mandaatbesluit politie reguleert de geografische afhandeling van aanvragen waarbij rekening wordt gehouden met de woon- of verblijfplaats (bij particulieren) dan wel de vestigingsplaats van rechtspersonen.
Biedt de Wet wapens en munitie volgens u ruimte voor regionale verschillen in de toekenning voor de verhuur van airsoft- en luchtdrukapparaten? Zo ja, hoe verklaart u deze verschillen? Kunt u daarbij ingaan op de verantwoordelijkheid van de korpschef?
De Wet wapens en munitie biedt geen ruimte voor regionale verschillen in het verlenen van erkenningen op grond van artikel 9 van de Wet wapens en munitie (Wwm) voor het vervaardigen of transformeren, of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen van wapens en munitie. De verlening van erkenningen in de zin van artikel 9 Wwm is een complex vraagstuk waarbij de uitgangspunten van de Wet wapens en munitie, de Regeling wapens en munitie en de Circulaire wapens en munitie 2019 in acht genomen dienen te worden. Het is niet ondenkbaar dat er verschillen kunnen ontstaan, aangezien de verlening van erkenningen lokaal geschiedt en eventuele interpretatieverschillen van de wet- en regelgeving tot verschillen zouden kunnen leiden. Echter, zodra deze verschillen opgemerkt worden, zal ingezet worden op het nivelleren hiervan. Dit kan in sommige gevallen, gelet op artikel 7 tweede lid van de wet, leiden tot een wijziging dan wel intrekking van een eerder verleende erkenning op grond van artikel 9 Wwm, mocht daar aanleiding toe zijn. De Wet wapens en munitie biedt daar ook de ruimte toe. De verantwoordelijkheid van de korpschef tot het verlenen, wijzigen en intrekken van erkenningen op grond van artikel 9 Wwm vloeit voort uit de Wet wapens en munitie. Deze verantwoordelijkheid is middels een mandaatbesluit belegd bij de politiechefs van de eenheden. Binnen de eenheden zijn zogenaamde ondermandaten opgesteld voor de uitvoerende afdelingen korpscheftaken.
Bent u bereid te onderzoeken of voor aanbieders van airsoftsport een lichter of modulair opleidingstraject kan worden ingericht dat beter aansluit bij het karakter van airsoft als gereguleerde sport en bij het modulair ingerichte curriculum van de Politieacademie, waardoor zij zich niet meer hoeven te registeren als wapenhandelaar?
De Wet wapens en munitie stelt eisen aan de vakbekwaamheid en betrouwbaarheid van aanvragers en houders van een erkenning van artikel 9 Wwm. In sommige gevallen kan een lichtere eis op het vlak van de vakbekwaamheid worden gesteld Deze gevallen staan in de Regeling wapens en munitie. Het is mij bekend dat er vanuit de airsoftbranche de wens is voor een meer modulair gericht opleidingsaanbod voor de vakbekwaamheid, afhankelijk van de soorten wapens en diensten die de erkenninghouder wil bieden aan klanten. Ook in het rapport van Commissie Wet wapens en munitie «Ringen rond de roos»1 is vanuit de wapenbranche deze wens geuit. Deze wens wordt meegenomen in het moderniseringstraject van de Wet wapens en munitie. Met de politieacademie die als opleidingsinstituut voorziet in deze opleiding, zal nader verkend worden op welke wijze deze modulaire ontwikkeling tot stand kan worden gebracht. Afstemming met de vakhandel zal daarbij plaats vinden.
Deelt u de vrees dat er versnippering van het toezicht op de airsoftbranche ontstaat indien er meerdere erkende verenigingen met officiële status ontstaan die op verschillende wijzen toezicht houden op de naleving van regels door leden omtrent airsoftapparaten?
Bij airsoft kunnen meerdere verenigingen de beoefening van airsoftsport aanbieden, waarbij de verenigingen binnen de kaders van wet- en regelgeving dienen te opereren. De aanwezigheid van meerdere erkende airsoftverenigingen is van belang om keuzevrijheid voor deelnemers van de airsoftsport te creëren. Dit bevordert de vrijheid van vereniging, zoals neergelegd in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het doen ontstaan van keuzevrijheid voor deelnemers van de airsoftsport strookt eveneens met de strekking van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2023.2 Ten slotte is het aannemelijk dat er met de erkenning van andere verenigingen een gezonde concurrentie ontstaat waarin de verenigingen zullen streven naar een optimale dienstverlening met aandacht voor het op een veilige wijze doen beoefenen van de airsoftsport. Ik deel de genoemde vrees niet, temeer omdat de airsoftbranche haar bestaansrecht ontleent aan de erkenning als vereniging.
Hoe vindt het toezicht vanuit het ministerie en de Politie plaats op erkende verenigingen met officiële status? Welke eisen worden er gesteld aan bestuurders van verenigingen die werkzaam zijn in de wapenbranche? Hoe worden lopende aangiften van fraude meegewogen in de toekenning van de officiële status?
Artikel 2.9.1 van de Circulaire wapens en munitie 2019 stelt gedetailleerde eisen waar een airsoftvereniging aan moet voldoen alvorens in aanmerking te komen voor erkenning in de zin van artikel 17a, eerste lid Regeling wapens en munitie. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de betrouwbaarheid van het bestuur. Uit de statuten of huisregels van de vereniging moet blijken dat de betrouwbaarheid van bestuursleden wordt getoetst. Uit de statuten moet in ieder geval blijken dat bestuursleden een verklaring omtrent het gedrag, verlof, erkenning op grond van artikel 9 Wwm of een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit dienen te overleggen. Ook moeten de statuten een bepaling bevatten dat er ten aanzien van een bestuurslid geen vrees voor misbruik mag bestaan.
Bij de beoordeling van een aanvraag tot erkenning van een vereniging worden de voorwaarden uit artikel 2.9.1 van de Circulaire wapens en munitie 2019 getoetst en worden alle belangen meegewogen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij worden eventuele aangiften, meldingen, eerder opgelegde sancties of overige signalen over de vereniging of bestuursleden bij de beoordeling meegewogen.
De korpschef voert controles uit en de politie houdt toezicht vanuit haar algemene toezichthoudende rol op grond van de Wet wapens en munitie. Bij een aantal toezichtstaken is een frequentie van de controles en het toezicht voorgeschreven aan de korpschef in de Circulaire wapens en munitie 2019. Bij de overige taken worden afwegingen gemaakt op basis van risicobeoordeling. Daarnaast kunnen signalen, meldingen of handhavingsverzoeken aanleiding zijn om controles te houden. Tevens dienen erkende verenigingen mij tijdig op de hoogte stellen van relevante voorgenomen wijzigingen van de statuten en dienen daar overleg over aan te gaan. Ook feiten omtrent bestuursleden die effect op de erkenning kunnen hebben, dienen erkende verenigingen mij tijdig te communiceren.
Klopt het dat aspirant-leden van erkende airsoftverenigingen in beginsel niet vallen onder de vrijstellingsregeling zoals bedoeld in artikel 17a van de Regeling wapens en munitie? Acht u het wenselijk dat deze personen, zolang zij geen volwaardig lid zijn, toch airsoftwapens kunnen kunnen aanschaffen?
Personen die ten minste de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en door middel van een bewijs van voorlopig lidmaatschap kunnen aantonen aspirant-lid te zijn van een erkende airsoftvereniging, zijn op grond van artikel 17b, eerste lid, onder a Regeling wapens en munitie vrijgesteld van het verbod tot het voorhanden hebben van airsoftwapens voor de beoefening van de airsoftsport in verenigingsverband. Daarnaast bevat artikel 17c, eerste lid, Regeling wapens en munitie een vrijstelling voor het dragen van airsoftwapens door aspirant-leden.
Daarbij geldt wel de voorwaarde dat dit slechts geldt indien en voor zolang zij tezamen met een volwaardig lid de airsoftsport beoefenen. Ik benadruk dus dat de vrijstellingsregeling voor aspirant-leden aanzienlijk beperkter is dan de vrijstellingsregeling voor volwaardige leden. Ik wijs er ook op dat artikel 2.9.1 Circulaire wapens en munitie 2019 bepaalt dat verenigingen in de statuten moeten opnemen dat aspirant-leden, net zoals dat geldt voor bestuursleden, een verklaring omtrent gedrag, verlof, jachtakte of erkenning dienen te overleggen. Daarmee wordt dus geborgd dat de betrouwbaarheid van aspirant-leden wordt beoordeeld. Verenigingen zijn overigens niet verplicht om aspirant-leden in de zin van artikel 17b, eerste lid, onder a Regeling wapens en munitie in hun statuten aan te wijzen, en kunnen ervoor kiezen om in hun statuten alleen (volwaardige) leden aan te wijzen in de zin van artikel 17a Regeling wapens en munitie. Verenigingen kunnen daarnaast ook introducées aanwijzen ingevolge artikel 17b Regeling wapens en munitie.
Bent u bereid in de aangekondigde wijziging van de Wet wapens en munitie de verlenging van de geldigheidsduur van de jachtakte op te nemen conform motie-Van der Staaij (Kamerstuk 34 432, nr. 11) en daarbij aan te sluiten bij de geldigheidsduur van het jachtexamen?
De Wet wapens en munitie wordt gemoderniseerd. Het vraagstuk over de geldigheidsduur van omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit, verloven en andere typen vergunningen – alsook andere vraagstukken – zijn onderdeel van dit moderniseringstraject.
Gewelddadige intimidatie en binnendringen van een woning in Arnhem vanwege een opgehangen Palestijnse vlag |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Omroep Gelderland waarin wordt gemeld dat een groep mannen met geweld een woning is binnengedrongen in Arnhem, vanwege een opgehangen Palestijnse vlag?1
Ja. Overigens heeft het incident zich niet in Arnhem voorgedaan, maar in Wageningen.
Klopt het dat betrokkenen bij het incident schreeuwend, dreigend en met fysieke agressie de woning zijn binnengedrongen? Zo ja, hoe kwalificeert u deze handeling juridisch?
Bedreiging en intimidatie zijn kwalificaties uit het Wetboek van Strafrecht. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen hoe de feitelijke handelingen juridisch beoordeeld worden.
Hoe beoordeelt u dit incident in het licht van huisvrede, de vrijheid van meningsuiting en dan voornamelijk gelet op het fundamentele recht om solidariteit te tonen met Palestina?
Als Minister van Justitie en Veiligheid past mij terughoudendheid in het kwalificeren van concrete situaties als deze potentieel ook onderdeel van een strafrechtelijke procedure kunnen worden, wat hier het geval zou kunnen zijn. Meer in algemene termen veroordeel ik strafbare feiten zoals huisvredebreuk en bedreiging en sta ik pal voor de vrijheid van meningsuiting.
Wordt dit incident onderzocht als een mogelijke vorm van politiek of ideologisch gemotiveerde intimidatie, of zelfs als een haatmisdrijf? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op basis van welke signalen?
Er is nog geen onderzoek ingesteld omdat de bewoners geen aangifte wilden doen. Uit navraag bij de politie blijkt dat dit inmiddels is veranderd en er een afspraak is gepland voor het doen van aangifte. Zoals gebruikelijk laat ik mij verder niet uit over zaken die onderwerp van strafrechtelijke onderzoek zijn.
Kunt u toelichten welke stappen door politie en justitie zijn ondernomen om de betrokken daders op te sporen, aan te houden en te vervolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Beschikt u over cijfers waaruit blijkt of er sprake is van een toename in meldingen van intimidatie of geweld tegen mensen die zich uitspreken ten gunste van Palestina? Bent u bereid een overzicht te geven van dit soort meldingen, uitgesplitst naar type incident, regio en eventuele ideologische achtergrond?
De meest actuele discriminatiecijfers waarover we beschikken staan in de in april jl. gepubliceerde rapporten «Strafbare discriminatie in beeld 2024» van het Openbaar Ministerie en «Discriminatiecijfers in 2024» van de lokale antidiscriminatievoorzieningen, politie en enkele andere organisaties. Uit laatstgenoemd rapport blijkt dat het conflict in het Midden-Oosten heeft geleid tot spanningen en verhitte debatten in Nederland. Er wordt in het rapport geen melding gemaakt van eventuele toenemend geweld gericht op en bedreiging van mensen die steun betuigen aan de Palestijnse zaak.
Herkent u signalen dat er in Nederland sprake is van toenemende intolerantie, geweld en dreiging jegens burgers die hun solidariteit met Palestina betuigen? Zo ja, wat is volgens u de oorzaak van deze ontwikkeling?
Zie antwoord vraag 6.
Welke maatregelen worden momenteel getroffen om burgers te beschermen tegen ideologisch gemotiveerde huisvredebreuk, bedreiging en intimidatie in de privésfeer?
Er zijn geen specifieke handelingskaders of maatregelen gericht op ideologisch gemotiveerde handelingen zoals omschreven in de vraag. In repressieve zin is het de taak en verantwoordelijkheid van de politie, het OM en uiteindelijk de rechterlijke macht om, al dan niet na aangifte, tegen huisvredebreuk, bedreiging en andere strafbare feiten op te treden en daar sanctionerende dan wel op herstel of het voorkomen van recidive-gerichte gevolgen aan te verbinden.
Bent u bereid met gemeenten en politie in overleg te treden om alertheid en handelingskaders bij dit soort incidenten te versterken, en te zorgen voor een eenduidige, krachtige en niet-selectieve aanpak?
Ik zie daar geen aanleiding toe. Bij gemeenten en de politie bestaat voldoende alertheid om krachtig op te treden als dat nodig is. Ik heb er alle vertrouwen in dat dat in deze zaak ook gebeurt.
Welke boodschap heeft u voor inwoners van Nederland die zich uit solidariteit uitspreken over Palestina, maar die zich door dit soort incidenten niet langer veilig of vrij voelen om dat openlijk te doen?
Ik sta voor de vrijheid van meningsuiting en het vreedzaam gebruik van het demonstratierecht. Ik roep iedereen die te maken heeft met bedreiging en geweld hiervan melding te maken en aangifte te doen.
Het aankomend verbod op gezichtsbedekking tijdens demonstraties |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Wet openbare manifestaties (Wom) wordt aangepast zodat er een verbod komt op het dragen van gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties, zoals u aangaf in WNL Op Zondag op 11 mei 2025?1
Ja, het klopt dat er gewerkt wordt aan een dergelijke aanpassing van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op 23 september 2024 heeft de Kamer de motie Eerdmans en Stoffer aanvaard.2 Deze motie verzoekt de regering te komen met een wetswijziging om demonstreren met gezichtsbedekkende kleding te verbieden. Zoals in de kamerbrief van 15 april 2025 is aangegeven, is mijn ambtsvoorganger samen met de toenmalige Minister van JenV gestart met het voorbereiden van wetgeving die dit verbod bevat.3 De Minister van JenV en ik zetten ons ervoor in om nog dit jaar een wetsvoorstel aan te bieden voor internetconsultatie. Ik zal uw Kamer hierover actief informeren.
Wordt een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding meegenomen in het WODC-onderzoek over het demonstratierecht? Kunt u toelichten waarom u kiest voor deze timing, terwijl het WODC-onderzoek nog loopt?
Nee, een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding is niet expliciet opgenomen in het WODC-onderzoek. Het WODC-onderzoek was namelijk al aangevraagd toen de motie Eerdmans-Stoffer werd aangenomen en is inmiddels in de afrondende fase.
Acht u het juridisch haalbaar dat een algemeen verbod op gezichtsbedekking bij demonstraties standhoudt voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, gelet op artikel 10 en 11 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)? Waarom wel of niet?
Zoals ambtsvoorgangers van de Minister van JenV en mijzelf hebben geschreven in de brief van 15 april jl., is er nog geen jurisprudentie van het Hof over een wettelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties. Mede ingegeven door het feit dat de burgemeester op grond van het huidige wettelijk kader al de bevoegdheid heeft om een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij een demonstratie op te leggen voorafgaand of tijdens een demonstratie, concluderen wij dat een wettelijk verbod in beginsel mogelijk is.
Hoe verhoudt het verbod zich volgens u tot de uitspraak van de rechtbank in Den Haag, die onlangs oordeelde dat de burgemeester te veel eisen had opgelegd aan een demonstratie van Kick Out Zwarte Piet en dat een verbod op gezichtsbedekkende kleding alleen mag als dit noodzakelijk is om wanordelijkheden te voorkomen?2
In deze zaak ging het over een verbod op gezichtsbedekkende kleding dat door de burgemeester van Den Haag was opgelegd als beperking bij een demonstratie op grond van bestaande wetgeving. Dat is een andere situatie dan wanneer er een algemeen wettelijk verbod zou worden ingevoerd. De rechter krijgt dan te maken met een ander toetsingskader.
Deelt u de lezing van de Wom dat burgemeesters met de huidige wet al voldoende mogelijkheden hebben om wanordelijkheden tijdens demonstraties aan te pakken? Zo nee, waarom niet en waar schiet de Wom wat u betreft momenteel tekort?
Het klopt dat het huidige wettelijk kader, zoals neergelegd in de Wom, burgemeesters verschillende mogelijkheden biedt om ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden in te grijpen ten aanzien van een demonstratie. Waar het gezichtsbedekkende kleding betreft, vindt het kabinet het echter wenselijk om een algemene verbodsnorm te stellen. Op deze manier kan naar de mening van het kabinet beter worden opgetreden tegen demonstranten die gezichtsbedekkende kleding dragen om doelbewust herkenning bij opsporing of handhaving van de openbare orde te voorkomen. Een dergelijk verbod moet wel effectief en uitvoerbaar zijn, en ruimte laten voor situaties waarin het dragen van gezichtsbedekkende kleding een legitiem doel dient. Over de invulling van deze voorwaarden vinden op ambtelijk niveau momenteel gesprekken plaats. Hierbij worden ook leden van lokale driehoeken betrokken.
Deelt u de mening dat ingrijpen bij demonstraties alleen mag wanneer dat strikt noodzakelijk is, bijvoorbeeld wanneer strafbare feiten plaatsvinden? Zo ja, hoe past een algemeen verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding daar volgens u in?
Het demonstratierecht vormt een essentieel onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Het biedt burgers de mogelijkheid om zich collectief uit te spreken en dat is een groot goed waar het kabinet pal voor staat. Van de overheid mag daarom worden verwacht dat zij het demonstratierecht van burgers faciliteert en dat overheidsoptreden burgers niet ontmoedigt om gebruik te maken van hun grondrecht. Tegelijkertijd heeft de overheid ook als taak om, binnen de grenzen van de Grondwet en het internationale recht, ervoor te zorgen dat demonstraties op een veilige en verantwoorde manier plaatsvinden. Volgens het kabinet kan een wettelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding met al deze uitgangspunten in overeenstemming worden gebracht. Het deelt daarbij de zorgen van het lid Lahlah over de veiligheid van demonstranten die een veiligheidsrisico lopen wanneer zij herkenbaar demonstreren.
Hoe schat u een mogelijk «chilling effect» van een verbod op gezichtsbedekkende kleding in op de bereidheid om te demonstreren?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorgen over de veiligheid van demonstranten die risico lopen wanneer zij herkenbaar demonstreren, bijvoorbeeld bij demonstraties tegen autoritaire regimes? Erkent u dat zij belang hebben bij anonimiteit of gezichtsbedekking? Hoe weegt u dit belang ten opzichte van het voorgestelde verbod?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de inschatting dat een verbod op gezichtsbedekking vooral demonstranten treft die bescherming zoeken tegen buitenlandse repressie, en dat dit hun bereidheid om te demonstreren ernstig kan inperken? Acht u een discretionaire bevoegdheid voor burgemeesters tot ontheffing toereikend om dit effect te ondervangen? Kunt u toelichten waarom wel of niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u garanderen dat een verbod op gezichtsbedekkende kleding niet leidt tot meer politie-inzet, doordat zij hier in de toekomst op moeten handhaven, ook bij demonstranten die vreedzaam demonstreren? Deelt u de mening dat dit niet bij de de-escalerende rol van de politie tijdens demonstraties past?
Zoals aangegeven in de brief van 15 april jl., worden de bezwaren en zorgen van de politie meegenomen in de uitwerking van een wetsvoorstel en zal er kritisch worden gekeken naar de uitvoerbaarheid van een wettelijk verbod. In het algemeen geldt dat de politie bij demonstraties primair een de-escalerende rol vervult, gericht op het mogelijk maken van demonstraties binnen de geldende wettelijke kaders.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Gelet op de onderlinge samenhang in de beantwoording van de vragen heb ik ervoor gekozen om sommige vragen gezamenlijk te beantwoorden.
De nasleep van de moord op een Nederlandse vrouw in India |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over het onderzoek naar de moord op José van de Vliet in India in 2012?1 2 3 4 5
Ja.
Wat vindt u ervan dat de familie van José nooit op de hoogte is gebracht en gehouden van het verloop van het opsporingsonderzoek en de strafzaak?
Over individuele consulaire zaken doet het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen mededelingen omwille van de privacy van betrokkenen. In algemene zin kan niettemin worden gesteld dat het ministerie nabestaanden en slachtoffers van misdrijven in het buitenland desgevraagd consulair ondersteunt. Het verlies van een dierbare door een geweldsmisdrijf in het buitenland is uiterst verdrietig en ingrijpend. Daar is consulair maatwerk op zijn plaats.
Hoewel Nederland zich conform internationale afspraken niet kan mengen in een buitenlandse rechtsgang, kan het ministerie de betrokkenen wel steunen om een (lokale) advocaat te vinden die hen de benodigde juridische bijstand kan verlenen. Zowel de advocaat als de lokale autoriteiten, zoals de politie en het Openbaar Ministerie, beschikken over informatie om nabestaanden op de hoogte te houden van het verloop van een eventueel opsporingsonderzoek of een strafzaak. In voorkomende gevallen kan een Nederlandse post in contact treden met de advocaat van betrokkenen indien zij zulks verzoeken.
Wat kunt u in deze zaak betekenen voor deze Nederlanders, die hun dierbare in India zijn verloren door een brute moord en waarvan de hoofdverdachte nog steeds vrij rondloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de stand van zaken van het opsporingsonderzoek naar Remco S. in India? Bent u bereid hier navraag naar te doen en ervoor te zorgen dat de nabestaanden in ieder geval behoorlijk worden geïnformeerd vanaf nu?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan consulaire bijstand uitsluitend verlenen indien een Nederlandse burger daartoe een hulpvraag heeft gesteld. Zonder een dergelijk hulpverzoek is het ministerie niet bevoegd om bijstand te verlenen of handelend op te treden richting een advocaat of andere lokale (hulp)instanties.
Bent u bereid opheldering te vragen bij uw ambtgenoten in India over het verloop en de gang van zaken van deze zaak?
Zie antwoord vraag 4.
Wat kunt u ondernemen om voortgang in deze strafzaak te bevorderen, nu blijkt dat de hoofdverdachte zich nog steeds in India bevindt?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat een topambtenaar kinderpornografisch materiaal verspreidde onder werktijd |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsbericht in het AD van 24 april 2025 met als kop «Topambtenaar verspreidde gruwelijke kinderporno onder werktijd, ministerie wist nergens van»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het gaat om een (voormalig) topambtenaar die werkzaam was op een ministerie? Zo ja, op welk ministerie en in welke functie? Zo niet, kunt u toelichten hoe dergelijke misstanden in het algemeen worden geregistreerd en gecommuniceerd binnen de rijksoverheid?
Het gaat om een voormalig ambtenaar die werkzaam was op het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in de functie van adviseur bedrijfsvoering.
Op welke wijze zijn ambtenaren in vergelijkbare functies bij aanstelling gescreend? Hoe wordt geborgd dat personen met toegang tot vertrouwelijke informatie en systemen voldoen aan de hoogste integriteitsnormen?
De betreffende ambtenaar had geen vertrouwensfunctie en is dan ook niet gescreend. Hij heeft bij indiensttreding een verklaring omtrent het gedrag (VOG) moeten overleggen. Elke ambtenaar legt bij indiensttreding de eed of belofte af en neemt kennis van de specifieke eisen van de ambtenarenwet. Ook geldt voor Rijksambtenaren de Gedragscode Integriteit Rijk.
Hoe is het mogelijk dat deze topambtenaar jarenlang ongestoord dit soort ernstig strafbaar gedrag kon vertonen onder werktijd, zonder dat dit opviel bij leidinggevenden of collega’s?
De voormalig ambtenaar voldeed aan hetgeen gevraagd werd voor zijn functie. Zowel inhoudelijk als in de samenwerking met de collega’s. De verstandhouding tussen werkgever en werknemer was goed en er waren geen signalen van strafbaar gedrag. Het kwam daarom als een enorme schok voor iedereen. De ernst en omvang van deze zaak zijn immers nauwelijks te bevatten. Vanzelfsprekend is er geen plek in onze organisatie voor iemand die betrokken is bij dergelijke zware en aangrijpende strafbare feiten. Ook als dit volledig losstaat van zijn of haar werkzaamheden.
Kunt u bevestigen dat het ministerie «nergens van wist», zoals in het artikel wordt gesteld? Wat zegt dit over het interne toezicht en integriteitsborging binnen ministeries?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, waren er geen signalen van strafbaar gedrag. Het gedrag dat later door politieonderzoek bekend werd kwam als een enorme schok voor alle naaste collega’s en leidinggevenden. Een dergelijke gebeurtenis heeft grote impact. Het ministerie heeft medewerkers begeleiding geboden om de impact van deze zaak te verkleinen, onder meer door de inzet van vertrouwenspersonen en de bedrijfsmaatschappelijk werker. Waar nodig zullen we dat blijven doen. De betreffende medewerker is geschorst en daarna ontslagen. Dit ontslag is door de rechter bekrachtigd.
Er wordt binnen het ministerie veel aandacht besteed aan integriteit en het gesprek daarover. Er zijn vertrouwenspersonen, een externe vertrouwenspersoon en personeelsraadgevers beschikbaar voor de medewerkers en er zijn loketten voor klachten over omgangsvormen, integriteitsmeldingen en misstanden. Tweejaarlijks worden een medewerkersbelevingsonderzoek en een integriteitsenquête uitgevoerd om de vinger aan de pols te houden.
In hoeverre zijn ICT-systemen van het ministerie in staat om dergelijk misbruik op te sporen of te signaleren? Zijn er in uw opzicht verbetermaatregelen nodig op dit gebied?
Er zijn zeker mogelijkheden om onder strikte voorwaarden op te treden als er signalen zijn dat misbruik wordt gemaakt van de systemen. Deze signalen waren er tot de arrestatie van betrokkene niet. Zodra deze signalen er wel kwamen is meteen opgetreden. We evalueren voortdurend onze ICT-systemen en het gebruik daarvan. Maatregelen om systemen aan te passen zijn op dit moment niet aan de orde.
Heeft deze zaak geleid tot herziening van interne integriteitsprotocollen, meldstructuren of digitale toezichtsystemen binnen de betrokken overheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 6.
Zijn er gevolgen voor leidinggevenden, HR of vertrouwenspersonen die mogelijk signalen gemist hebben? Zo ja, op welke wijze wordt daaruit lering getrokken? Zo nee, waarom niet?
Er waren geen signalen van strafbaar gedrag. Na de arrestatie werd steeds meer bekend over het strafbaar gedrag en is meteen opgetreden, uiteindelijk leidend tot ontslag van de betrokken ambtenaar.
Deelt u de opvatting dat ambtenaren een voorbeeldfunctie vervullen en dat het vertrouwen in de overheid ernstig wordt geschaad als dit soort zaken jarenlang verborgen blijft? Wat gaat u doen om het vertrouwen te herstellen?
Ja. Ambtenaren hebben een voorbeeldfunctie en dienen zich integer te gedragen, binnen en buiten diensttijd. Dit aspect komt ook terug in de Gedragscode Integriteit Rijk. Zodra het politieonderzoek was afgerond en het tot een veroordeling is gekomen is de betrokken medewerker ontslagen.
Bent u bereid tot een breed en onafhankelijk onderzoek naar de lessen uit deze zaak, met name gericht op het functioneren van toezicht, meldstructuren en cultuur binnen de rijksoverheid?
De politie heeft al onderzoek gedaan, op het ministerie zijn op basis daarvan disciplinaire maatregelen genomen en de rechter heeft recht gesproken. Voor medewerkers geldt dat er verschillende meldpunten zijn om misstanden aan te kaarten, zie ook het antwoord op vraag 5.
Via verschillende kanalen en op verschillende momenten worden deze meldpunten actief onder de aandacht gebracht.
De overdracht van persoonsgegevens van Europese burgers aan Israël |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Follow the Money van 1 mei 2025 getiteld «Europese persoonsgegevens belanden in Israël: zorgen om surveillance en mensenrechtenschendingen»?1
Ja.
Klopt het dat de Europese Commissie Israël heeft aangewezen als «veilige bestemming» voor persoonsgegevens van Europese burgers, waardoor bedrijven gegevens mogen doorgeven aan Israël zonder aanvullende waarborgen?
De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bepaalt dat doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen, waaronder Israël, alleen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan.2 Doorgifte van persoonsgegevens zonder aanvullende waarborgen naar een derde land mag plaatsvinden als de Europese Commissie (EC), in een zogenoemd adequaatheidsbesluit, heeft besloten dat dit derde land voor doorgifte van persoonsgegevens een passend en met EU wetgeving vergelijkbaar beschermingsniveau biedt.3 De Europese Commissie heeft op 31 januari 2011, op grond van artikel 25, zesde lid, van de destijds geldende gegevensbeschermingsrichtlijn 95/46/EG, een adequaatheidsbesluit genomen voor Israël.4 In dit besluit werd geoordeeld dat Israël een passend beschermingsniveau biedt voor doorgifte van persoonsgegevens die vanuit de Europese Unie worden doorgegeven naar Israël.5 Met het in werking treden van de AVG op 25 mei 2018 bleven de adequaatheidsbesluiten die op grond van de richtlijn waren vastgesteld, waaronder het adequaatheidsbesluit voor Israël, van kracht. De AVG verduidelijkt dat adequaatheidsbesluiten levende instrumenten zijn, en dat de Commissie doorlopend toezicht dient te houden op ontwikkelingen in derde landen die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van bestaande adequaatheidsbesluiten.6
Artikel 97 AVG vereist daarnaast dat de Commissie deze besluiten om de vier jaar evalueert om te bepalen of de landen en gebieden waarvoor een passend beschermingsniveau is vastgesteld nog steeds een passend beschermingsniveau voor persoonsgegevens bieden.7 De Europese Commissie heeft op 15 januari 2024 haar eerste evaluatie afgerond van 11 adequaatheidsbesluiten die onder de gegevensbeschermingsrichtlijn (95/46/EG) waren genomen, waaronder ook het adequaatheidsbesluit voor Israël.
In het verslag van de Commissie aan het Europees parlement en de Raad is vastgesteld dat Israël een passend niveau van gegevensbescherming blijft waarborgen, en dat er voor de doorgifte van gegevens naar Israël geen aanvullende waarborgen nodig zijn. Op grond van artikel 45, vierde lid, AVG, dient de Commissie doorlopend toezicht te houden op ontwikkelingen in derde landen die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van een adequaatheidsbesluit.8 In het antwoord op vraag 6 ga ik nader in op de bevoegdheden die de Commissie terzake heeft.9
Kunt u aangeven om welke soorten persoonsgegevens het hier gaat en welke Nederlandse bedrijven of organisaties momenteel gegevens delen met Israëlische partijen?
De Europese Commissie beperkt in het adequaatheidsbesluit niet expliciet de soorten persoonsgegevens die mogen worden doorgegeven. Onder het adequaatheidsbesluit kunnen dus in beginsel alle persoonsgegevens worden gedeeld met Israëlische partijen. Artikel 30 AVG schrijft voor dat de Europese verwerkingsverantwoordelijke en in voorkomend geval de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke, een register bijhoudt van de verwerkingsactiviteit die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvindt. Het register dient onder meer een beschrijving te bevatten van de categorieën van betrokkenen en de categorieën persoonsgegevens, en de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, onder meer ontvangers in derde landen of internationale organisaties.10 Het valt onder de verantwoordingsplicht in de AVG, dat individuele verwerkingsverantwoordelijken zelf kunnen aantonen dat zij voldoen aan de AVG.11 Het is aan de Autoriteit Persoonsgegevens als onafhankelijke toezichthouder om te beoordelen of organisaties handelen in overeenstemming met de AVG, en om op te treden indien dit niet het geval is.
Het bijhouden of, en zo ja welke, soorten persoonsgegevens Nederlandse bedrijven of organisaties doorgeven aan Israëlische partijen, is – zo dat al doenlijk is – geen taak van het kabinet.
Hoe beoordeelt u het feit dat persoonsgegevens van Nederlanders terecht kunnen komen bij partijen in een land waar ernstige zorgen bestaan over massasurveillance, mensenrechten en het ontbreken van onafhankelijk toezicht op privacybescherming?
Zoals ik schreef in het antwoord op vraag 2, waarborgt Israël naar het oordeel van de Europese Commissie een niveau van persoonsgegevensbescherming dat vergelijkbaar is met het niveau dat in de EU wordt verzekerd.12 In dit kader is vorig jaar bij de evaluatie van het adequaatheidsbesluit gekeken naar de privacybescherming in Israël, het onafhankelijk toezicht daarop en de toegang tot het recht.13
Is er toezicht op wat er met de gedeelde gegevens gebeurt zodra deze Israël bereiken? Zo ja, hoe is dit toezicht geregeld en wie voert het uit?
De toepassing van de rechtsnormen voor gegevensbescherming in Israël wordt, blijkens het adequaatheidsbesluit voor Israël, gewaarborgd door bestuurlijke rechtsmiddelen en toezicht door een toezichthoudende autoriteit.14 De Israëlische privacytoezichthouder, de Privacy Protection Authority (PPA) heeft (zoals ook in de evaluatie van het adequaatheidsbesluit wordt vastgesteld15) de bevoegdheid om onderzoek te verrichten en in te grijpen, en treedt onafhankelijk op.16
In hoeverre acht u het wenselijk dat de Europese Commissie deze beslissing heeft genomen, terwijl landen als Frankrijk en Duitsland en mensenrechtenorganisaties daar kritiek op hebben?2
Op grond van artikel 45 AVG komt de bevoegdheid tot het nemen van de genoemde beslissing de Europese Commissie toe. Op grond van artikel 45, vierde lid, AVG, houdt de Commissie doorlopend toezicht op ontwikkelingen in derde landen die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van een adequaatheidsbesluit.18 Op grond van het vijfde lid gaat de Commissie, indien na toetsing blijkt dat een derde land niet langer over een passend beschermingsniveau beschikt, bij uitvoeringshandeling over tot het intrekken, wijzigen of schorsen van een adequaatheidsbesluit.19 Zij betrekt daarbij de zienswijzen van de lidstaten maar ook die van (internationale) organisaties. De Europese Commissie heeft in de evaluatie, en ook nadien naar aanleiding van vragen van het Europees parlement,20 benadrukt de revelante ontwikkelingen in Israël nauwlettend te volgen. In het geval ontwikkelingen in een land of gebied met een passend beschermingsniveau een negatieve invloed zouden hebben op het vastgestelde beschermingsniveau, kan de Europese Commissie gebruik maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 45, lid 5, AVG om een adequaatheidsbesluit op te schorten, te wijzigen of in te trekken.
Wat betekent deze beslissing concreet voor de bescherming van de persoonsgegevens van Nederlanders, met name van mensen die gebruikmaken van apps als Waze, MyHeritage en FaceTune?
Onder het adequaatheidsbesluit kunnen persoonsgegevens vanuit de Europese Unie aan Israëlische organisaties worden doorgegeven, omdat een met EU recht vergelijkbaar niveau van rechtsbescherming geldt.
Bent u bereid in Europees verband bezwaar te maken tegen deze aanwijzing van Israël als «veilige bestemming» voor persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Daartoe zie ik geen aanleiding. Het nemen van een adequaatheidsbesluit op grond van artikel 45 AVG is een bevoegdheid van de Europese Commissie. Dat wil niet zeggen dat de verschillende lidstaten hierover niets in te brengen hebben; zij hebben bij de voorbereiding van zo’n besluit een adviserende rol via de op artikel 93 AVG gebaseerde comitéprocedure.21
Zoals hiervoor beschreven, is het bestaande EU-adequaatheidsbesluit voor Israël op 15 januari 2024 positief geëvalueerd door de Europese Commissie èn heeft de Europese Commissie de bevoegdheid het besluit op te schorten of in te trekken. Nederland volgt de ontwikkelingen nauwlettend.
Bent u bereid te onderzoeken of Nederlandse burgers geïnformeerd kunnen worden wanneer hun persoonsgegevens met Israël worden gedeeld? Kunt u toezeggen dat mensen tenminste de mogelijkheid krijgen hier bezwaar tegen te maken?
De AVG verplicht verwerkingsverantwoordelijken reeds om betrokkenen te informeren bij het voornemen persoonsgegevens door te geven aan een derde land of een internationale organisatie.22 Ook hebben betrokkenen al het recht om onder bepaalde voorwaarden bezwaar te maken tegen die verwerking, zoals vastgelegd in artikel 21 AVG. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van de AVG, en dient naleving van de AVG aan te kunnen tonen. Het is aan de Autoriteit Persoonsgegevens, als onafhankelijke toezichthouder, om toe te zien op de naleving van de AVG en waar nodig handhavend op te treden.
Deze vereisten uit de AVG gelden, op grond van artikel 3, tweede lid, AVG, ook onder bepaalde voorwaarden voor organisaties buiten de EU die persoonsgegevens van in de EU verblijvende betrokkenen verwerken. De AVG heeft daarmee een extra territoriale werkingssfeer. Artikel 27, eerste lid, AVG, bepaalt tevens dat de verwerkingsverantwoordelijke zoals hiervoor genoemd, schriftelijk een vertegenwoordiger in de Europese Unie dient aan te wijzen. Om te waarborgen dat de verordening wordt nageleefd, wordt de vertegenwoordiger gemachtigd door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, om naast hem of in zijn plaats te worden benaderd in verband met de verwerking van persoonsgegevens, in het bijzonder door toezichthouders, Een betrokkene in Nederland kan, op grond van artikel 77 AVG, een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Deelt u de opvatting dat privacy een grondwettelijk recht is dat niet ondergeschikt mag zijn aan economische en/of diplomatieke belangen? Hoe gaat u de privacygegevens van Nederlandse burgers beschermen bij het delen daarvan met Israël?
De vraag suggereert dat sprake is van een spanningsveld waarin (door de Europese Commissie) een keuze is gemaakt voor het een ten koste van het ander. Dat is evenwel niet het geval. Zoals ik schreef in het antwoord op de vragen 2 en 4, waarborgt Israël naar het oordeel van de Europese Commissie een niveau van persoonsgegevensbescherming dat vergelijkbaar is met het niveau dat in de EU wordt verzekerd. Er is dus geen sprake van dat het grondrecht wordt geschonden wanneer persoonsgegevens aan Israël worden doorgegeven.