Drugsgebruik in gevangenissen |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedetineerden Ter Apel roken massaal «drugspapier», mogelijk met fatale afloop» en het bericht «Drugsgebruik in gevangenissen zorgelijk»?1, 2
Ja.
Wat is uw reactie op de vermoedens van een groot deel van het gevangenispersoneel in Ter Apel dat een groep gedetineerden dagelijks de synthetische drug Spice gebruikt?
Vooropgesteld: de invoer, het gebruik en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet daarnaast in op technische en innovatieve middelen om contrabande, waaronder drugs, tegen te gaan en op te sporen. Zo wordt ingezet op dronedetectie, gsm-detectieen onaangekondigde «spitacties».
Het detecteren van de synthetische drug «Spice» is echter uitdagend. Daarom experimenteert DJI momenteel met nieuwe technologie om synthetische drugs te kunnen opsporen. Ook benut DJI de kennis en ervaring op dit terrein van internationale partners. Daarnaast biedt DJI forensische verslavingszorg aan gedetineerden, waarbij de behandelingen gespecialiseerd zijn in zowel geestelijke als lichamelijke gezondheidszorg.
Bent u het eens met de stelling dat moet worden bevorderd dat gevangenissen zelf aan de bel kunnen trekken om onderzoek te laten verrichten naar drugsgebruik onder gedetineerden, met als voorbeeld het Trimbos-onderzoek in opdracht van de gevangenis in Ter Apel?
Ik vind het positief dat directeuren van penitentiaire inrichtingen (PI’s) hun ervaring en kennis over drugsgebruik onder gedetineerden met elkaar delen. Mede op basis daarvan kan worden besloten om bepaalde onderzoeken uit te voeren.
Welke gezondheidsrisico’s als gevolg van het gebruik van Spice zijn bekend en op welke manier is de drug aantoonbaar in het lichaam bij onderzoeken naar het gebruik ervan?
«Spice» is een voorbeeld van een naam van een preparaat waarin synthetische cannabinoïden, afgekort als SCRA’s, zijn verwerkt.3 SCRA’s worden meestal gerookt (met tabak). Negatieve effecten kunnen angst, onrust, paranoia en agitatie/agressie zijn. Mogelijke negatieve lichamelijke effecten en gezondheidsrisico’s zijn een hoge bloeddruk, hartkloppingen, misselijkheid, flauwvallen, epileptische aanvallen en cardiovasculaire toxiciteit (bijvoorbeeld hartritmestoornissen). De gezondheidsrisico’s verschillen afhankelijk van de soort SCRA’s, de hoogte van de dosering en de frequentie van gebruik.4 Ook is de werkingsduur soms zeer kort, wat (compulsief) herdoseren in de hand kan werken. Daarnaast kan er grote variatie zijn tussen en binnen de producten wat betreft de sterkte/hoeveelheid.5 Hierdoor bestaat het risico dat iemand snel te veel neemt. Een kleine hoeveelheid roken kan hierdoor al snel ernstige bijwerkingen opleveren. Dit kan bij ernstige intoxicatie zelfs levensbedreigend zijn.
DJI kan het gebruik van SCRA’s niet door reguliere urinetesten aantonen. Met geavanceerde urinetesten is het voor een daarin gespecialiseerd laboratorium mogelijk om SCRA’s aan te tonen indien duidelijk is naar welke (van de honderden) synthetische cannabinoïden gezocht dient te worden. Op dit moment wordt onderzocht of het laboratorium dat de tests verzorgt voor DJI deze geavanceerde mogelijkheid ook kan aanbieden en tegen welke kosten dat zal zijn. Bijkomend probleem is dat veel SCRA’s na gebruik maar kort aanwezig zijn in het lichaam, wat detectie van recent gebruik bemoeilijkt.
Welke aanwijzingen hebt u voor de bevestiging dan wel ontkenning van het vermoeden van het personeel van de gevangenis dat het gebruik van Spice tot dodelijke slachtoffers heeft geleid?
Elk overlijden in detentie wordt gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Bij elk overlijden wordt ook een calamiteitenonderzoek ingesteld. Bij DJI zijn tot op heden geen gevallen bekend waarbij vaststaat dat een gedetineerde is overleden als gevolg van het gebruik van SCRA’s. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is detectie moeilijk.
Volgt er een sanctie voor het binnensmokkelen van drugs zoals Spice? Zo ja, hoe vaak is dat het afgelopen jaar gebeurd?
Het invoeren, gebruiken en verhandelen van drugs is strafbaar. Dit heeft altijd consequenties. Zo wordt een gedetineerde die in het plusprogramma zit, direct voor minimaal zes weken gedegradeerd naar het basisprogramma. De vestigingsdirecteur beslist daarnaast of en zo ja welke disciplinaire straf wordt opgelegd. De vestigingsdirecteur kan ook aangifte doen van de invoer, het bezit en de handel in drugs. Deze strafrechtelijke ontwikkelingen worden geregistreerd bij de politie en het OM.
Drugs wordt gezien als contrabande binnen detentie. In 2022 zijn 3588 beschikkingen in het gevangeniswezen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs of het bezit van overige contrabande waarbij een straf, maatregel of mededeling is opgelegd. Er kan hierbij geen onderscheid gemaakt worden tussen bezit en gebruik van drugs, dus zijn beide categorieën meegeteld. Bezit of gebruik van contrabande leidt in principe altijd tot een disciplinaire straf.
Kanttekening hierbij is dat SCRA’s moeilijk op te sporen zijn. Hoe vaak een sanctie is gevolgd op het binnensmokkelen van drugs zoals «Spice» is niet bekend. Uit de registratie kan niet opgemaakt worden welk type contrabande heeft geleid tot welke sanctie.
In hoeverre krijgen gedetineerden, die aan deze en/of andere drugs verslaafd zijn, hulp van verslavingszorg?
DJI biedt ruimte voor verslavingszorg aan gedetineerden. De behandelingen zijn voornamelijk gericht op de verslaving van het gepleegd delict en kunnen onderdeel zijn van een strafmaatregel.6 Bovendien kan het Psycho Medisch Overleg (PMO) ook (verslavings)zorg tijdens detentie indiceren.
Verslaving is een belangrijke risicofactor voor re-integratie. De detentieperiode moet daarom – indien nodig – worden benut om verslaafde gedetineerden zorg op maat te geven en naar zorgtrajecten te geleiden. Hierbij is voldoende kennis bij personeel cruciaal als het gaat om de mogelijkheden van hulp en zorg aan gedetineerden in verslaving.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en bent u het met eens met de stelling dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden voor in ieder geval de persoon die helpt bij het smokkelen?
Contrabande, waaronder drugs, zijn mij een doorn in het oog. Een gedetineerde mag geen contrabande in de PI binnenbrengen, daarin handelen of deze in het bezit hebben. Dit wordt tegengegaan en bestraft (zie antwoord op vraag 2 en 6). Degene die het binnenbrengt is strafbaar.
Vindt u dat een passende straf zou moeten gelden wanneer een gedetineerde wordt betrapt op het gebruik en bezit van drugs, maar dat als een gedetineerde om hulp vraagt juist hulp moet worden geboden?
Ja, bezit en gebruik van drugs tijdens detentie is niet toegestaan. Een gedetineerde die drugs gebruikt en om hulp vraagt bij zijn/haar verslaving kan, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, de nodige hulp krijgen aangeboden.
Is het smokkelen van de drug Spice specifiek een probleem in de gevangenis in Ter Apel of is het een breder probleem?
Er zijn enkele gevallen bekend dat SCRA's zijn aangetroffen op briefpapier in andere PI’s dan de PI Ter Apel. DJI vermoedt op basis van het gedrag van gedetineerden dat «Spice» ook in andere PI’s wordt gebruikt. Het gebruik van SCRA’s kan door DJI niet door de reguliere urinetesten worden aangetoond.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat Spice, en ook andere drugs, niet massaal worden binnengesmokkeld en gebruikt in detentie?
«Spice» is lastig op te sporen, omdat het wordt geïmpregneerd in papier en snel in het lichaam afbreekt. DJI heeft een landelijke portefeuillehouder aangesteld die onderzoekt of de nieuwste geavanceerde drugsdetectieapparatuur, die als proef beschikbaar is in een aantal PI’s, breder ingezet kan worden. Daarnaast zet DJI ook in op preventie van gebruik en voorlichting. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 14.
Kunt u een reactie geven op de constatering van het Trimbos-instituut dat het gebruik van nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland een groeiend probleem lijkt te zijn?
Mede gezien de ervaringen in het buitenland, de bevindingen in het rapport van het Trimbos-instituut en de aangetroffen SRCA’s in andere PI’s, is het zeker aannemelijk dat synthetische stoffen ook in andere gevangenissen in Nederland worden gebruikt. Het is moeilijk om een goed beeld te krijgen van de aard en omvang van het gebruik van nieuwe psychoactieve stoffen om de hierboven genoemde redenen, maar het is van belang alert te blijven op signalen uit de PI’s en onderzoek te doen waar nodig.
Welke ontwikkelingen in buitenlandse gevangenissen kunnen volgens u een goed voorbeeld zijn voor het aanpakken van drugsgebruik in Nederlandse gevangenissen en welke acties onderneemt u om deze lessen te implementeren?
In buitenlandse gevangenissen is er ervaring met gespreksgroepen, peer support en het voorbereiden op goede hulp en zorg bij terugkeer naar de maatschappij. Dit betreft het tegengaan van gezondheidsrisico’s, preventie van gebruik en verslaving, maar ook bijvoorbeeld het tegengaan van stigma en het verbeteren van communicatie. DJI houdt de buitenlandse ontwikkelingen op deze onderwerpen in de gaten en volgt deze waar mogelijk op.
Wat is uw reactie op het advies van de onderzoekers van het Trimbos-instituut om up-to-date en neutraal informatiemateriaal over de effecten en gezondheidsrisico’s van drugs beschikbaar te stellen aan zowel medewerkers als gedetineerden?
DJI onderschrijft het advies dat medewerkers en gedetineerden goed moeten worden voorgelicht over de effecten en gezondheidsrisico’s van drugs. Hierover heeft DJI een informatieblad voor justitiabelen over gemaakt. Voor medewerkers is er een infokaart en voorlichtingsfilm. Ook de interne afdelingen (medische) Zorg worden actief betrokken bij de ontwikkeling en verschijnselen ten aanzien van SCRA’s en het ontwikkelen van kennis en kunde binnen de PI’s. Het Trimbos onderzoek geeft aan dat de SCRA’s zich in hoog tempo evolueren en veranderen. DJI onderzoekt hoe de voorlichting aan zowel medewerkers als justitiabelen blijft aansluiten bij die snelle ontwikkeling. In de informatievoorziening wordt vooral op de risico’s van het gebruik van SCRA’s ingegaan en op hoe gedetineerden en medewerkers de signalen kunnen herkennen dat er mogelijk SCRA’s zijn gebruikt.
Neemt u het advies van het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving (EMCDDA) over om onderzoek en monitoring te stimuleren naar drugsgebruik en gezondheidsincidenten in gevangenissen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze bent u van plan dit advies over te nemen?
DJI is reeds zeer alert op de invoer en het gebruik van drugs in de PI’s en op gezondheidsincidenten. Bij incidenten voert DJI altijd een calamiteitenonderzoek uit. De uitkomsten van dit onderzoek worden beschikbaar gesteld aan de IGJ. Bij vermoeden van drugsgebruik kunnen PI’s zelf ook onderzoek instellen. Tot slot levert DJI ieder jaar data aan over het gebruik van drugs aan de EU en de VN.
Bent u bereid om overlijdens onder gedetineerden vaker te laten onderzoeken op middelengebruik, om een duidelijk beeld te krijgen van het eventuele drugsgebruik in de gevangenis met een fatale afloop?
Zoals aangegeven in antwoord 5 volgt DJI een protocol bij het overlijden van een gedetineerde: elk overlijden tijdens detentie wordt gemeld bij de IGJ en DJI voert een calamiteitenonderzoek uit. De uitkomsten van dit onderzoek worden gemeld aan de IGJ. Er is op dit moment geen aanleiding om aanvullend onderzoek in te stellen naar middelengebruik.
Het bericht dat het aantal geweldsincidenten bij politie-inzet is gestegen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de verklaring dat het aantal geweldsregistraties door de politie is afgenomen maar het aantal incidenten waarbij de politie geweld heeft toegepast is gestegen?1
Zonder een nadere analyse kan er geen allesomvattende verklaring worden gegeven voor cijfermatige veranderingen. De politie geeft in haar rapportage een aantal mogelijke verklaringen voor deze veranderingen.
De politie is voornemens een onderzoek te laten doen om de cijfers rondom geweld door politieambtenaren (GDPA) beter te kunnen duiden en is inmiddels gestart met het opzetten van een onderzoeksvoorstel.
Kunt u aangeven of er volgens u een verband is tussen het verkorten van het politieonderwijs en het aantal toegenomen geweldsincidenten? Zo ja, welk verband? Zo nee uit welk onderzoek of analyse blijkt dit?
De politieacademie biedt sinds februari 2021 de basispolitieopleiding PO21 aan. De eerste aspiranten hebben in februari 2023 deze vernieuwde basispolitieopleiding afgerond en zijn van de opleiding ingestroomd in een eenheid en volgen daar nog een tweejarig programma van startbekwaam naar vakbekwaam. De rapportage van de politie over cijfers en duiding van geweldsaanwendingen door politieambtenaren betreft cijfers over 2022. Aangezien de eerste aspiranten in februari 2023 zijn ingestroomd in de eenheden, lijkt het verkorten van het basispolitieonderwijs los te staan van het toegenomen aantal geweldsincidenten.
Kunt u aangeven of er volgens u een verband is tussen het capaciteitstekort in de basisteams en het aantal toegenomen geweldsincidenten? Zo ja, welk verband? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat niet ziet?
Een verband tussen de druk op de capaciteit en het toegenomen aantal geweldsincidenten is mij niet bekend. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 1 is de politie voornemens onderzoek te laten doen om de cijfers rondom geweld door politieambtenaren beter te kunnen duiden. De politiemedewerkers kennen de beginselen waaraan geweldsaanwendingen moeten voldoen en zij zijn voorbereid om onder alle omstandigheden, ook toegenomen werkdruk, professioneel geweld te gebruiken.
Staat er een sanctie op het gebruik van het stroomstootwapen in schokmodus? Zo ja, welke? Zo nee, hoe wordt een overtreding van de geweldsinstructie in deze gevallen aangepakt?
De geweldsinstructie stelt dat het stroomstootwapen in schokmodus alleen in levensbedreigende nood- dan wel afweersituaties mag worden gebruikt of ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van agressieve dieren2.
In alle gevallen – zowel in de schiet- als schokmodus – moet de politieambtenaar het gebruik van het stroomstootwapen aan de hulpofficier van justitie melden, zoals dit bij alle geweldsaanwendingen gebeurt. Bovendien registreert de Taser X2/NL elke handeling én het gebruik van het stroomstootwapen. Dit gebeurt op een niet zelf te wissen chip in het wapen, die achteraf kan worden uitgelezen.
Wanneer de geweldsaanwending niet aan de eisen voldeed, dan kan dit bijvoorbeeld leiden tot een leertraject en aanvullende training. Als met de overtreding van de normen tevens sprake was van verwijtbaar plichtsverzuim, dan kan het ook rechtspositionele gevolgen hebben. Die kunnen variëren van een berisping tot strafontslag. De Rijksrecherche heeft een onpartijdige rol in het onderzoeken van (vermeend) strafbaar gedrag binnen de overheid en dus ook de politie. Vervolgens is het aan de Officier van Justitie om de politieambtenaar al dan niet strafrechtelijk te vervolgen.
Wat vindt u van de analyse van de politie dat de geweldsaanwendingen verband houden met de onvrede in de samenleving?2
De politie geeft in de rapportage Geweldsaanwendingen door politieambtenaren 2022 aan dat een mogelijke verklaring is dat de maatschappij verder polariseert en burger en overheid steeds meer tegen over elkaar zijn komen te staan, vooral als het gaat om de toename van de geweldmutaties. Ik sluit niet uit dat onvrede in de samenleving op een gegeven moment een uitlaatklep vindt in de vorm van geweld tegen de overheid (waaronder de politie). Als Minister van Justitie en Veiligheid keur ik dat vanzelfsprekend af.
Vindt u het terecht dat de politietop de reden voor het gebruiken van geweld buiten zichzelf legt, terwijl een docent van de Politieacademie er ook op wijst dat er meer aandacht en kennis moet zijn voor de-escalerend werken door agenten?3
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 kan zonder een nadere analyse geen alles omvattende verklaring worden gegeven voor cijfermatige veranderingen. De politietop heeft een mogelijke verklaring gegeven die kan hebben geleid tot veranderingen in de cijfers.
Geweldsaanwending is het uiterste middel en dient – waar mogelijk – altijd voorafgegaan te worden door communicatie, conflicthantering en de-escalatietechnieken. Hieraan wordt specifiek aandacht geschonken in alle integrale beroepsvaardigheden-trainingen. De-escaleren is dan ook een kernelement bij het optreden in en het trainen van (mogelijke) geweldssituaties. Sinds 2018 zijn de-escalatie-technieken structureel opgenomen in ieder lesplan van de IBT-trainingen.
Ook in de basispolitieopleiding wordt ruime aandacht besteed aan het de-escalerend optreden en deze vaardigheid om de-escalerend te werken.
Hoewel de-escalerend optreden vanzelfsprekend de voorkeur heeft, betekent dat niet dat het altijd tot het gewenste resultaat leidt. In die gevallen zal de politie voor het bereiken van haar doel moeten doorpakken en daarbij, indien noodzakelijk en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid, gebruik maken van haar geweldbevoegdheid.
Bent u het ook eens met politiesocioloog Timmer dat de cijfers nu onvoldoende inzicht geven in de momenten van en de noodzaak van geweldstoepassing? Kunt u uw antwoord toelichten?
De politie heeft de data (geweldmutaties en geweldregistraties) die in het systeem is ingevoerd, in de vorm van aantallen uitgedraaid. Om inzicht te krijgen in de achtergrond en beweegredenen van agenten om geweld toe te passen, zou een kwalitatief onderzoek noodzakelijk zijn. Een dergelijk onderzoek neemt aanzienlijk meer tijd in beslag dan enkel het genereren van een cijfermatig overzicht. Zoals in antwoord 1 al is aangegeven, is de politie voornemens een onderzoek te laten doen rondom het beter duiden van de cijfers rondom geweld door politieambtenaren en wordt er inmiddels een onderzoeksvoorstel opgezet.
Erkent u dat een goede en eerlijke analyse van de geweldstoepassing en verbeteringen waar die nodig zijn te onderschrijven het draagvlak voor politie-inzet vergroten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De politie monitort het geweldgebruik door de politie aan de hand van de jaarlijks gegenereerde cijferoverzichten. In die cijfers kan aanleiding worden gezien om een bepaalde vorm van politiegeweld nader onder de loep te nemen. Leren van geweld maakt deel uit van de stelselherziening geweldsaanwending. Dit draagt bij aan de verdere professionalisering van het gebruik van de geweldbevoegdheid en vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor de zorgvuldige omgang met de geweldbevoegdheid die aan de politie is toevertrouwd.
Vindt u dat de registratie op dit moment voldoende duidelijkheid schept in de aard en omvang van geweldsaanwendingen? Zo nee, wat gaat u hierop ondernemen?
Op basis van de rapportage Geweldscijfers 2021 is een aantal leerpunten benoemd. Een van die leerpunten heeft betrekking op het verder stimuleren van en investeren in de registratie en transparante verantwoording van geweldgebruik door de politie. Via workshops op vakdagen voor hulpofficieren van justitie is dit onderwerp in 2022 actief onder de aandacht gebracht. Daarnaast wordt hieraan blijvend aandacht gegeven via de reguliere IBT-trainingen. Tot slot zijn in enkele eenheden taakaccenthouders, ondersteuners of adviseurs geweldsaanwending actief binnen de districten die hierin faciliteren en/of het gesprek aangaan met hulpofficieren en sectorhoofden.
Bent u bereid om geweldsaanwendingen die plaatsvinden tijdens demonstraties/betogingen apart te registreren?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 aangaf, werkt de politie voortdurend aan het interne proces van leren van geweld. Onderdeel daarvan is de registratie van aangewend politiegeweld. Ik heb geen reden om aan te nemen dat de cijfers over de aard en omvang van geweldsaanwendingen door de politie een onvoldoende duidelijk beeld zouden opleveren. Daarom zie ik geen aanleiding om hierin nog andere actie te ondernemen.
Het bericht 'Boer Erik Jan doelwit criminele bendes: ’Ze hebben alles gesloopt'' |
|
Ingrid Michon (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boer Erik Jan doelwit criminele bendes: «Ze hebben alles gesloopt»»1?
Ja, ik ben bekend met het genoemde bericht.
Klopt het dat criminelen in toenemende mate azen op waardevolle hightech apparatuur van boeren? Blijkt uit de politiecijfers inderdaad dat er sprake is van een toename van het aantal diefstallen uit schuren?
Sinds enkele jaren worden GPS-systemen gestolen uit landbouwvoertuigen.
Er is op basis van politiecijfers in de eerste 5 maanden van 2023 ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar een lichte toename te zien van het aantal meldingen dat gemaakt wordt over diefstallen van GPS-apparatuur uit landbouwvoertuigen. In 2023 zijn er tot 30 mei ongeveer 50 meldingen of aangiftes ontvangen van diefstal van GPS uit schuren, stallen of van een erf. In heel 2022 was het aantal ongeveer 130 en in 2021 ongeveer 110. In veel gevallen was er sprake van diefstal van meer dan 1 GPS-systeem.
In welke regio’s zijn boeren het meest kwetsbaar? Zijn dat de grensregio’s of ziet u door heel Nederland een stijging?
De politie heeft mij geïnformeerd dat GPS-diefstal uit landbouwvoertuigen vooral plaatsvindt in de regio’s Noord-Nederland, Flevoland, Zuid-Holland en Zeeland. Het betreft daarmee zeker niet uitsluitend grensregio’s. De stijging is in al deze genoemde gebieden te zien, niet in de rest van Nederland.
Welke concrete acties onderneemt de politie op dit moment om deze diefstallen tegen te gaan?
De politie werkt samen met brancheorganisaties en Platforms Veilig Ondernemen om deze diefstallen te voorkomen. Zo is een gezamenlijke preventieactie en -campagne opgezet waarbij de sector is gewezen op de gevaren en een handelingskader gedeeld met agrarische ondernemers. De politie deelt trends, cijfers en ontwikkelingen met de branche om zo specifieke waarschuwingen te kunnen geven in bepaalde gebieden. In het kader van de opsporing worden bij meldingen van dergelijke diefstallen zoveel mogelijk sporen verzameld. Binnen de politieorganisatie is verduidelijkt welke omvang en impact dergelijke diefstallen hebben zodat de keuze om hier forensische capaciteit op in te zetten met de juiste onderbouwing plaats kan vinden. Omdat het vaak internationale actieve groepen betreft die dit delict plegen worden sporen zoveel mogelijk vergeleken in een internationale databank.
In hoeverre deelt u de analyse dat er sprake is van criminaliteit van georganiseerde criminele bendes uit Oost-Europa?
Politiedata en internationale informatie-uitwisseling toont aan dat GPS-diefstallen bij agrarische bedrijven inderdaad nagenoeg uitsluitend gepleegd worden door Oost-Europese dadergroepen.
Op welke wijze vindt er samenwerking plaats met de (politie)autoriteiten van de bronlanden van dit soort bendes?
In de afstemming met andere Europese landen staat informatie-uitwisseling centraal. Wanneer een verdachte wordt aangehouden wordt contact opgenomen met het bronland. Er wordt informatie uitgewisseld over eventuele gepleegde strafbare feiten in land van herkomst en het bronland wordt geïnformeerd over de aanhouding in Nederland. Deze informatie is in Nederland van belang voor een eventueel strafdossier, om aan te tonen dat er sprake is van mobiel banditisme – een vorm van internationaal georganiseerde criminaliteit door rondtrekkende bendes. En op basis daarvan een passende straf te eisen, overeenkomstig de richtlijn voor strafvordering mobiel banditisme.
Wat is uw inzet om deze diefstallen terug te dringen en de pakkans van daders te vergroten? Kwalificeren deze diefstallen als High Impact Crimes?
Met publieke en private partners zet ik structureel in op de aanpak van deze criminaliteit, onder andere op het gebied van informatie-uitwisseling.
De aanpak van rondreizende dadergroepen maakt onderdeel uit van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 dat op 14 december 2022 is vastgesteld door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Zo wordt momenteel door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en Platform Veilig Ondernemen aan een pilot gewerkt. Het doel is de samenwerking tussen politie en gemeenten te verbeteren en de pakkans te vergroten. Indien succesvol kan dit worden uitgebouwd. De politie vraagt Europol en enkele landen naar de kennis en ervaring over dit fenomeen waarbij onderzocht wordt op welke wijze samenwerking op dit vlak mogelijk is.
Ook met de branche wordt samengewerkt en trends en ontwikkelingen worden met de branche gedeeld. De politie is samen met brancheorganisaties in gesprek met importeurs en leveranciers van dergelijke GPS-systemen om te onderzoeken welke barrières kunnen worden opgeworpen. Brancheorganisatie Cumela Nederland is sinds 2019 aangesloten bij de aanpak van Stop Heling. Landbouwondernemers kunnen hun apparatuur registreren in de Stop Heling-database. Bij diefstal wordt deze informatie in de aangifte opgenomen. Bij aanschaf van dergelijke producten kan een koper via deze database controleren of de apparatuur als gestolen geregistreerd staat. Indien dit het geval is, kan hiervan melding worden gemaakt bij politie. Daarnaast genereert de koppeling tussen het Digitaal Opkopers Register en de database Stop Heling notificatiemeldingen, als GPS-apparatuur door een handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen opgekocht is.
High impact crimes is een verzamelnaam voor delicten met een hoge maatschappelijke of persoonlijke impact zoals onder andere woninginbraken, overvallen en straatroof. Hoewel deze diefstallen van GPS-apparatuur een groot effect kunnen hebben op de bedrijfsvoering, financiële schade en het veiligheidsgevoel, kwalificeren deze diefstallen zich niet als zodanig als high impact crimes.
Bestaat er op dit moment (structurele) afstemming met de agrarische sector, op nationaal, provinciaal, dan wel lokaal niveau over hoe criminaliteit en ondermijning in de regio’s wordt aangepakt? Zo ja, op welke wijze vindt dit plaats en welke partijen zijn hierbij betrokken en hoe vallen de resultaten van deze aanpak te controleren? Zo nee, bent u bereid om dit structureel in te richten?
Er vindt op meerdere manieren (structurele) afstemming plaats met publieke en private partners over (georganiseerde ondermijnende) criminaliteit in het buitengebied. Zo is er vanuit mijn ministerie periodiek contact met LTO, ZLTO en Cumela Nederland. In het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing wordt in het kader van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 structureel gesproken met publieke en private partners, waaronder over de veiligheid van het buitengebied. Diverse Regionale Informatie- en Expertise Centra en Platforms Veilig Ondernemen brengen in afstemming met de agrarische sector de problematiek in het buitengebied in beeld en passen interventies toe, zoals het instrument Veilig Buitengebied. Dit instrument wordt met een financiering vanuit mijn ministerie gefaciliteerd door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Met het instrument zetten gemeenten met lokale publieke en private partners een samenwerkingsnetwerk op om de veiligheid en weerbaarheid van boeren en tuinders te vergroten. Hier wordt ingezet op de oog- en oorfunctie van ondernemers en inwoners in de buitengebieden, wat bijdraagt aan het beeld over wat er speelt en leeft. Het instrument wordt dit jaar geëvalueerd om resultaten van de aanpak te monitoren.
Bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie loopt een pilot met een vertrouwenspersoon georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Deze vertrouwenspersoon deelt beelden met betrokken veiligheidspartners op fenomeenniveau. De pilot heeft verlenging van financiering gekregen tot maart 2026 wegens succesvolle opbrengsten. In het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is mede daarom opgenomen bij meerdere brancheorganisaties een vertrouwenspersoon aan te stellen. Hierover worden nu gesprekken gevoerd met brancheorganisaties uit de agrarische sector. Daarnaast is Cumela structureel betrokken bij de aanpak omtrent rondreizende dadergroepen.
Zoals in de halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit2 toegelicht werk ik de komende jaren in den brede aan een verrijking en verscherping van een rapportage over de resultaten van de aanpak, samen met alle partners. Daarbij zal ook inzicht worden gegeven in de ontwikkeling van de wetenschappelijke inzichten, zoals op 6 april 2023 in het commissiedebat aan uw Kamer is toegezegd. Met deze verrijking en aanscherping verschuift het karakter van de voortgangsrapportage steeds meer van een beschrijving van de aanpak naar een beeld van wat die aanpak oplevert en de effecten daarvan in de maatschappij.
Deelt u de opvatting en de zorgen dat – gelet op het grote aantal boeren zonder op opvolgers – agrarische bestemmingen in toenemende mate het risico lopen om in criminele handen terecht te komen? Hoe gaat u dit risico voorkomen en de sociaaleconomische positie van het platteland borgen?
Ik deel de zorgen dat agrarische bestemmingen risico’s lopen op criminele inmenging. Ik verwijs voor een antwoord hoe het kabinet hierop inzet naar het antwoord van de voorgaande vragen en de beantwoording op vraag 1 en 2 van de leden Van Campen en Michon-Derkzen (beiden VVD) aan de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Justitie en Veiligheid over bescherming van boeren tegen drugscriminaliteit en het tegengaan van ondermijning in het buitengebied, beantwoord op 26 april jongstleden.3 Hierin heb ik onder meer het volgende aangegeven. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied werkt het kabinet met verschillende partijen aan een transitie die integraal inzet op het gebiedsgericht behalen van doelstellingen op het gebied van natuur en stikstof, water, bodem en klimaat. We hebben daarin nadrukkelijk oog voor de sociaaleconomische effecten die met deze transitie gepaard gaan. Uit signalen, incidenten en opsporingsinformatie blijkt het risico op drugscriminaliteit en ondermijnende activiteiten op het platteland overal in het land reëel. Daarom ben ik ook aan de slag met publieke en private partners in het buitengebied om beter zicht te krijgen op de problematiek en deze te voorkomen. Aanleiding was onder andere het in oktober 2020 verschenen rapport «Weerbare boeren in een kwetsbaar gebied». Hieruit bleek dat ongeveer 1 op de 5 respondenten weleens iemand aan de deur heeft gehad die het agrarisch vastgoed wilde gebruiken en zijn of haar intenties mogelijk verband hielden met drugscriminaliteit. Diverse Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s) hebben de problematiek in het buitengebied verder in beeld gebracht. Verschillende RIEC’s en Platforms Veilig Ondernemen actief op dit thema door middel van het voeren van bewustwordingscampagnes gericht op ondernemers en/of bewoners en worden in verschillende regio’s integrale controles gehouden en kijken gemeenten naar herbestemming in geval van leegstand. Zoals aangegeven wordt met onder andere brancheorganisaties uit de agrarische sector gesprekken gevoerd een vertrouwenspersoon ondermijnende criminaliteit aan te stellen.
Directe en indirecte lozingen en/of afvalinjecties onder de Waddenzee |
|
Eva van Esch (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u in kaart brengen hoeveel, hoe en welke afvalstromen en/of productiewater afkomstig van olie- en gaswinning op land en zee er sinds 2000 direct en indirect van zowel bronnen op land als zee onder de Waddenzee zijn geïnjecteerd, graag uitgesplitst per bron en type afvalstroom/productiewater? Zo nee, waarom niet?
Er worden geen afvalstromen geïnjecteerd onder de Waddenzee. Er zijn hiervoor geen vergunningen afgegeven.
Wat is de wettelijke bewaarplicht voor dergelijke data en dan graag vanaf het jaar dat het wel kan worden aangegeven of in kaart kan worden gebracht?
Op basis van artikel 111 en 112 van het mijnbouwbesluit moeten de uitvoerders (mijnbouwbedrijven) gegevens verstrekken over de geïnjecteerde hoeveelheden water aan de Minister van Economische zaken en Klimaat. Deze gegevens worden door TNO op NLOG1 geregistreerd en bewaard. Deze gegevens worden niet verwijderd. TNO beheert NLOG namens het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Op NLOG kunnen gegevens vanaf 2003 worden opgezocht.
Zoals in vraag één beantwoord, vindt er geen injectie plaats onder de Waddenzee.
Op basis van welke vergunningen wordt productiewater dan wel andere afvalstromen direct of indirect onder de Waddenzee geïnjecteerd, graag uitgesplitst per afvalstroom en vorm van injectie (direct en indirect)?
Er worden geen afvalstromen geïnjecteerd onder de Waddenzee. Er zijn hiervoor geen vergunningen afgegeven.
Hoe lang zijn deze vergunningen geldig?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven uit welke bronnen de afvalstromen en het productiewater, die onder de Waddenzee worden geïnjecteerd, afkomstig zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de aardlagen en de ondergrond onder de Waddenzee volgens wettelijke uitgangspunten niet bestemd zijn voor het dumpen van gevaarlijk afval dat van de Noordzee of uit andere delen van Nederland daar naar toe wordt gebracht? Zo ja, klopt het dat wanneer direct of indirect afval onder de Waddenzee wordt geïnjecteerd of geloosd, dat een overtreding betreft? Zo nee, waarom niet en hoe worden onaanvaardbare risico’s voorkomen?
In algemene zin geldt dat productiewater alleen mag worden geïnjecteerd in hetzelfde of in een vergelijkbaar reservoir als waaruit het is gewonnen. De voorwaarden hiervoor worden opgenomen in de desbetreffende vergunning.
Er is sprake van een vergelijkbaar reservoir als dit een reservoir betreft waaruit olie en of gas is gewonnen. Door de aanwezigheid van olie en of gas in het reservoir staat vast dat het reservoir over een afsluitende laag beschikt die gas- en vloeistofdicht is. Daardoor blijft het geïnjecteerde water onder de afsluitende laag en kan het niet in de biosfeer terechtkomen. Juridisch gezien wordt waterinjectie gelijk gesteld met het storten van afval. In het Landelijk afvalbeheersplan (LAP) is voor waterinjectie een specifieke regeling opgenomen. Voor het storten van afval geldt een terugneembaarheidseis. In principe vindt de waterinjectie plaats met het idee om dit in de diepe ondergrond te laten zitten.
Volgens het LAP is de terugneembaarheidseis opgenomen om in het geval van een lekkage door onvoorziene omstandigheden milieuschade te kunnen voorkomen. In de praktijk zullen de geïnjecteerde stoffen in de ondergrond worden gemengd met de al aanwezige (vloei)stoffen. De terugneembaarheidseis richt zich dan ook op de aanwezige (samengestelde) afvalstoffen in het reservoir. Bij de injectie van productiewater wordt vaak ook productiewater van andere winningslocaties aangevoerd. In die gevallen moet de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag (en gedeputeerde staten die de verklaring van geen bedenkingen moeten afgeven) aantonen dat de in het productiewater aanwezige verontreinigingen, die van buiten de inrichting wordt aangevoerd, compatibel zijn met de reeds aanwezige componenten op de plaats waar injectie plaatsvindt. Bovengenoemde punten zijn ook terug te vinden in de uitspraak3 van de Raad van State aangaande de waterinjectie.
Hoe wordt het volgende wettelijke uitgangspunt geborgd «De bodem is in beginsel niet bestemd voor het bergen van afvalstoffen die niet rechtstreeks ter plaatse uit de bodem afkomstig zijn»?1
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn mogelijke alternatieve methoden binnen de EU om afvalstromen afkomstig van olie- en gaswinning op land of zee te verwerken op land en (dus niet onder de grond te injecteren/terug te brengen), of zelfs te hergebruiken? Is hier onderzoek naar gedaan?
Ja, hier is onderzoek naar gedaan. Er zijn alternatieve methodes zoals verdampen en diverse scheidingstechnieken. De alternatieve verwerkingsmethoden gaan uit van gedeeltelijke tot gehele zuivering. Hierbij ontstaan afvalstromen en het gaat gepaard met een hoog energieverbruik. In mijn brief4 van 13 april 2023 ben ik ingegaan op vier verschillende alternatieve verwerkingsmethodes die onderzocht zijn met betrekking tot de injectie van productiewater bij de oliewinning in Schoonebeek. Het daarbij bijgevoegde onderzoek van RoyalHaskoningDHV (RHDHV) geeft de voorkeur aan voor waterinjectie. De kennisinstituten TNO en KWR hebben dit rapport geëvalueerd en geven aan dat RHDHV de conclusies goed heeft onderbouwd.
De EU heeft in 2019 het rapport5 «Best available techniques guidance document on upstream hydrocarbon exploration and production» gepubliceerd. Hierin staat dat het verwerken van productiewater middels injectie de voorkeur heeft.
Het kan zijn dat er in de toekomst betere technieken worden ontwikkeld waardoor zuivering en hergebruik van productiewater de voorkeur krijgt. Dit is bijvoorbeeld de reden waarom destijds bij de vergunningverlening is opgenomen dat NAM iedere zes jaar de waterinjectie in Twente diende te evalueren.
Klopt het dat er alleen over de hoeveelheid productiewater (afvalstroom van olie- en gaswinning op land of zee) dat geïnjecteerd wordt, gerapporteerd moet worden? Zo ja, waarom? Waarom wordt niet gerapporteerd over de totale omvang van productiewater?
Nee, dit klopt niet. Voor mijnbouwinstallaties op zee is de mijnbouwonderneming op basis van de mijnbouwregeling artikel 9.16 verplicht om een register bij te houden over alle lozingen van oliehoudende mengsels op zee. Dit betreft dus niet alleen de hoeveelheid geïnjecteerde productiewater. Een afschrift van dit register wordt door het mijnbouwbedrijf jaarlijks aan SodM toegezonden.
Bent u bereid om bedrijven te verzoeken om te rapporteren over de totale omvang van productiewater en andere afval- en waterstromen afkomstig uit olie- en gaswinning op land of zee? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
Een uitbreiding van de rapportageverplichting is niet nodig. De totale omvang van productiewater en andere afval- en waterstromen is bekend. Voor mijnbouwbedrijven gelden verschillende rapportageverplichtingen die inzicht geven in productiewater en afvalstromen. Zo zijn er de jaarrapportage waterinjectie en de rapportage met betrekking tot het overboordwater, maar ook het elektronisch milieujaarverslag dat ondernemingen jaarlijks moeten opstellen en indienen. Verder maken verschillende toezichthouders gebruik van een database voor transport van afvalstoffen (Amice).
Klopt het dat productiewater dat met olie- en gaswinning op land of op zee naast geïnjecteerd ook direct en indirect op de Noordzee en/of de Waddenzee kan worden geloosd? Zo ja, hoeveel productiewater wordt er direct en indirect, graag uitgesplitst naar hoeveelheden geloosd op de Waddenzee en de Noordzee? Indien dit onbekend is, bent u bereid bedrijven te vragen deze stromen jaar in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?
Productiewater, dat op zee is geproduceerd, mag overeenkomstig het internationale OSPAR verdrag onder voorwaarden in de zee worden geloosd. In Nederland zijn deze voorwaarden wettelijk vastgelegd in hoofdstuk 9 van de mijnbouwregeling. Productiewater dat vrijkomt bij gas- of oliewinning op land mag niet worden geloosd op zee, maar wordt op land geïnjecteerd of afgevoerd naar een erkende verwerker.
Op de Waddenzee wordt op dit moment geen productiewater geproduceerd, geloosd of geïnjecteerd. De enige productie-installatie in de Waddenzee (Zuidwal) is uitgeproduceerd en zal worden verwijderd. Destijds werden het gas en het productiewater van de productie-installatie Zuidwal per pijpleiding aan land gebracht. Het productiewater werd vervolgens aan land verwerkt.
In de Noordzee is in 2022 naar schatting 3.387.340 m3productiewater direct geloosd op de Noordzee. Dit cijfer is gebaseerd op de gegevens van 2021. De gegevens over 2022 zijn nog in behandeling.
Klopt het dat productiewater dat met olie- en gaswinning op land of op zee naast geïnjecteerd of geloosd ook naar een verwerker kan worden vervoerd, graag uitgesplitst voor de Noordzee en de Waddenzee? Zo ja, hoeveel productiewater wordt er jaarlijks naar een verwerker vervoerd en wat gebeurd er daar dan mee, graag uitgesplitst per productiestroom afkomstig van de Noordzee of de Waddenzee en per verwerkingsproces? Indien dit onbekend is, bent u bereid bedrijven te vragen om deze stromen dit jaar in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?
Ja, indien een mijnbouwonderneming zich van afvalstoffen wil ontdoen, mag zij dit afvoeren naar een erkende verwerker. Dit geldt ook voor de afvalstof productiewater. Het afvoeren naar een erkend verwerker hoeft niet direct aan SodM gerapporteerd te worden. Wel staan deze stromen geregistreerd in het afvalstromensysteem Amice, het wettelijke registratiesysteem voor afvalstromen van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen6 van Rijkswaterstaat.
Klopt het dat bij mogelijke vervolging van NAM door OM het mogelijk is om geen nieuwe vergunning te geven, gezien artikel 9 van de Mijnbouwwet dat eist dat bedrijven een «intrinsieke verantwoordelijkheidszin» hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om bij mogelijke vervolging om geen enkele nieuwe vergunning voor aardgaswinning door NAM onder de Waddenzee af te geven?
Ik kan aan de hand van artikel 9 van de Mijnbouwwet een vergunning voor het opsporen en winnen van delfstoffen weigeren op grond van een gebrek aan (maatschappelijke) verantwoordelijkheidszin. Ik kijk hiernaar bij iedere aanvraag voor een winnings- of opsporingsvergunning. Op het moment van vergunningverlening neem ik alle relevante informatie mee in de besluitvorming.
Ik kan niet vooruitlopen op een mogelijke vervolging van NAM en de eventuele gevolgen daarvan voor toekomstige vergunningverlening.
Gerechtigheid voor de Yezidi-gemeenschap |
|
Hanneke van der Werf (D66), Alexander Hammelburg (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Gerechtigheid voor de Yezidi's, uw bijdrage daaraan»? (Kamerstuk 2023D14987)
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat Nederland een morele verantwoordelijkheid heeft de Yezidi-gemeenschap te helpen, gegeven de gruweldaden die hen door IS zijn aangedaan en het grote deel Nederlandse uitreizigers dat daar onderdeel van uitmaakte?
Het kabinet veroordeelt de gruwelijke wandaden die door IS tegen hen zijn gepleegd. Etnische en religieuze minderheden, waaronder Yezidi’s, hebben zwaar geleden in de door IS gecontroleerde gebieden. Het leed van de slachtoffers is immens en de slachtoffers verdienen onze volledige steun.1 Om deze reden zet het kabinet zich in om de Yezidi-gemeenschap te ondersteunen en te helpen met het streven naar gerechtigheid, het overkomen van hun trauma en rehabilitatie en re-integratie. In de verdere beantwoording van deze vragen kunt u lezen op welke manieren Nederland hieraan bijdraagt. Ook wordt verwezen naar recente Kamerbrieven die ingaan op de Nederlandse inzet op dit terrein.2
Kunt u aangeven op welke manieren Nederland hulp biedt aan Yezidi’s die op dit moment in vluchtelingenkampen verblijven? Levert Nederland een bijdrage aan hulp in de kampen Mam Rashan en Isyan, waar een deel van de vrouwen die deze petitie heeft aangeboden nu leeft?
Zowel direct als indirect ondersteunt Nederland projecten en programma’s om de situatie van de Yezidi-gemeenschap te verbeteren. Nederland heeft verschillende programma’s gefinancierd die daaraan op directe wijze bijdragen, waaronder programma’s die gericht zijn op Yezidi’s die op dit moment in vluchtelingenkampen verblijven. De meeste hiervan worden ook genoemd in de Kamerbrief van 2 juni jl. waarin wordt gereageerd een petitie van Yezidi-vrouwen3, maar in het kader van de beantwoording van deze vraag worden ze hierna uitgebreider beschreven.
In de eerste plaats draagt Nederland bij aan het meerjarige Yezidi Resilience-programma van Norwegian People’s Aid, dat zich richt op verbeterde dienstverlening op het gebied van seksueel en gender gerelateerd geweld, psychosociale hulp, bevordering van rechtsbewustzijn en economische re-integratie en actieve deelname van vrouwen in de publieke sfeer. Een meerderheid van de deelnemers bevindt zich in vluchtelingenkampen. Het gaat hierbij om vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn geworden van IS, in het bijzonder Yezidi’s.
Daarnaast levert Nederland sinds 2021 een meerjarige bijdrage aan de Nonviolent Peaceforce voor community security activiteiten in Sinjar. Dit project richt zich onder andere op lokale verzoening en integratie van Yezidi-vrouwen. Sinds 2022 steunt Nederland de Internationale Organisatie voor Migratie met een programma dat zich richt op de implementatie van de Yezidi Survivors Law. Steun wordt onder meer geleverd aan het lokale kantoor van de Directeur-Generaal voor Yezidi Affairs van het Ministerie van Migratie en Ontheemding in Sinjar en aan Yezidi-organisaties die zich bezig houden met capaciteitsopbouw.
Als donor van de Funding Facility for Stabilization van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) is Nederland verder ook nauw betrokken bij de wederopbouw van basisvoorzieningen, zoals ziekenhuizen, scholen, wegen en huizen in de meest getroffen gebieden in de strijd tegen IS, waaronder Sinjar (de regio waar veel Yezidi’s zich bevinden).
Ook steunt het kabinet het United Nations Investigative Team to Promote Accountability for Crimes Committed by Da’esh/ISIL (UNITAD).4 Dit VN-bewijsvergaringsmechanisme werkt volgens internationale standaarden en verzamelt bewijsmateriaal van internationale misdrijven begaan door IS, wat vervolgens beschikbaar kan worden gesteld aan nationale en internationale gerechten. Met de steun aan UNITAD levert Nederland daarom een belangrijke bijdrage aan het bewerkstelligen van gerechtigheid voor IS-misdrijven begaan tegen een breed scala aan slachtoffergroepen, waaronder tegen de Yezidi-gemeenschap. Tijdens de reis van de Minister van Justitie en Veiligheid naar Irak in mei 2022 heeft zij een additionele bijdrage van 250.000 euro toegezegd ten behoeve van bewijsvergaring en psychologische ondersteuning aan de Yezidi-gemeenschap; deze is in november 2022 overgemaakt.
Tot slot is Nederland momenteel niet actief binnen de kampen Mam Rashan en Isyan, maar levert het zoals eerder beschreven via Norwegian People’s Aid en andere partners wel een bijdrage aan hulp in de kampen Chammishko, Bajd Kandala, Shariya, Khanke, Darkar en Qadia.
Wat is toe nu toe het resultaat geweest van de inzet van dit kabinet internationaal en binnen de Verenigde Naties (VN) voor de voortzetting en opschaling van psychosociale hulp aan Yezidi vrouwen en kinderen?1
Zoals hierboven beschreven bij het antwoord op vraag 3 zet het kabinet via verschillende wegen in op het bieden van ondersteuning, inclusief psychosociale hulp, aan Yezidi-vrouwen en kinderen. Zo steunt het kabinet het Yezidi Resilience-programma van Norwegian People’s Aid met financiële middelen. Door dit programma is reeds aan 619 vrouwen en tienermeisjes psychosociale hulp en activiteiten geleverd.
Daarnaast ligt de focus van de Nederlandse steun aan UNITAD op slachtofferondersteuning en getuigenbescherming.6 Hierdoor kon de Witness Protection and Support Unit worden opgericht, die binnen UNITAD psychologische hulp biedt aan slachtoffers en getuigen van IS-misdrijven. Ook steunt het kabinet de NonViolent PeaceForce, die zich inzet om de veiligheid van burgers te bevorderen in Ba’aj en Sinjar, en de Internationale Organisatie voor Migratie voor de implementatie van de Yezidi Survivors Law. Mede hierdoor zijn op grond van deze wet eerder dit jaar de eerste 24 herstelbetalingen uitbetaald door de Iraakse overheid aan overlevenden van IS. Met Nederlandse financiering heeft de Internationale Organisatie voor Migratie een netwerk kunnen opzetten ten behoeve van dienstverlening op het gebied van mentale gezondheid en psychosociale steun in Sinjar en de omliggende regio.
Zoals ook toegezegd door de Minister van Buitenlandse Zaken in het gesprek met de groep Yezidi-vrouwen op 1 april jl. in De Balie7, blijft Nederland in nationale en internationale fora – onder andere in de Raad Buitenlandse Zaken – pleiten voor gerechtigheid voor de Yezidi-gemeenschap, en voor het belang van socio-economische ontwikkeling voor deze specifieke groep.
Hoeveel Yezidi’s verblijven er op dit moment in kamp Al Hol?
Het is voor het kabinet niet mogelijk om vast te stellen hoeveel Yezidi’s verblijven in kamp Al Hol. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over aantallen.
Zijn er signalen bekend dat er Yezidi’s worden vastgehouden en misbruikt als sekslaven door IS’ers in Al Hol en andere opvangkampen waar IS-strijders worden vastgehouden? Zo ja, wat kan Nederland doen om deze wanpraktijken, veroorzaakt door voornamelijk Nederlandse en andere West-Europese uitreizigers, tegen te gaan?
De humanitaire en veiligheidssituatie in Al Hol baart grote zorgen. Het is bekend dat mensenrechtenschendingen, voornamelijk gepleegd door IS-aanhangers, met regelmaat voorkomen. Het is voor het kabinet niet mogelijk vast te stellen of er momenteel Yezidi’s worden vastgehouden en misbruikt in Al Hol of andere opvangkampen waar IS-strijders worden vastgehouden.
Meer in algemene zin kan worden aangegeven dat tegen iedere onderkende uitreiziger uit Nederland strafrechtelijk onderzoek is of wordt gedaan. Daarbij wordt steeds scherp gekeken of er – naast lidmaatschap van een terroristische organisatie en het plegen van terroristische misdrijven – ook signalen zijn voor individuele strafrechtelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven. Van IS heeft de rechter immers reeds eerder vastgesteld dat het (ook) een organisatie betreft met het oogmerk tot het plegen van deze ernstige internationale misdrijven.8
De slachtoffers van deze misdrijven, waaronder de Yezidi’s, verdienen onze volledige steun. Hier wordt vanuit Nederland op verschillende manieren op ingezet, zowel nationaal als internationaal. Ook steunt Nederland bewijsvergaringsmechanismen zoals UNITAD en IIIM (voluit het International, Impartial and Independent Mechanism, dat zich richt op internationale misdrijven gepleegd in de Syrische burgeroorlog).9
Kunt u bevestigen dat er nog ongeveer 2.700 Yezidi’s worden vermist en mogelijk gevangengehouden in IS-gezinnen?
Uit verschillende openbare bronnen, waaronder verklaringen van Yezidi-overlevenden van de gruweldaden van IS, is bekend dat er nog veel Yezidi’s vermist zijn. Er is geen zicht op exacte aantallen, maar naar schatting gaat het inderdaad om ongeveer 2.700 personen.
Wat doet u om ontvoerde Yezidi’s met hun familie te herenigen? Herinnert u zich de toezegging, gedaan tijdens het debat over het terug naar Nederland halen van IS-vrouwen, om steun aan het kantoor voor de redding van de ontvoerde Yezidi’s te verkennen? Hoe is daar uitvoering aan gegeven?
Wat betreft de inspanningen ten aanzien van Yezidi’s die nog gevangen worden gehouden in gebieden onder controle van IS, is bij het commissiedebat van 15 december 2022 in antwoord op een vraag van het lid Van der Lee aangegeven dat Nederland probeert bij te dragen aan versterking van de Iraakse veiligheidssector en daarmee indirect aan operaties tegen IS.10
Daarnaast voert Nederland een specifiek landgebonden asielbeleid voor Irak, waarbij Yezidi’s zijn aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep, zoals ook al wordt beschreven in de Kamerbrief van 2 juni jl.
Yezidi’s die in Nederland als vluchteling zijn erkend kunnen in het kader van gezinshereniging een beroep doen op het nareisbeleid. Nederland erkent het belang van gezinshereniging van gezinsleden die, al dan niet door de vlucht, van elkaar zijn gescheiden en stelt zich daarbij zo flexibel mogelijk op. Bij de behandeling van de nareisaanvraag wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de situatie waarin gezinsleden verkeren en daarmee ook wat redelijkerwijs van hen verwacht kan worden bij het aannemelijk maken van de identiteit en gezinsband.
Tegen welke belemmeringen loopt Nederland nog aan in de bewijsvergaring voor de misdaden die tegen de Yezidi-gemeenschap zijn begaan? Welke belemmeringen ondervindt het Team Internationale Misdrijven van de politie? Zijn alle functies die erbij zijn gekomen met de uitbreiding van 32 fte tot 43 fte naar aanleiding van de motie-Sjoerdsma c.s., nu ook daadwerkelijk vervuld? (Kamerstuk 29 754, nr. 514) (Kamerstuk 29 628, nr. 1071)
Een belangrijke uitdaging voor het vergaren van bewijs in deze onderzoeken is dat het Nederlandse Openbaar Ministerie en het Team Internationale Misdrijven van de politie in de regel niet zelf ter plaatse onderzoek kunnen doen; daarvoor zijn zij veelal afhankelijk van internationale bewijsvergaringsmechanismes als UNITAD (zie hieromtrent ook het antwoord op vraag 11).
Voor wat betreft de onderzoekscapaciteit wordt in de Kamerbrief van 2 juni jl. ook al aangegeven dat de uitbreiding van het Team Internationale Misdrijven van 32 tot 43 fte daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Medio 2023 lijkt deze capaciteit nog altijd toereikend. Uiteraard kan dat anders worden bij toekomstige ontwikkelingen. Dit wordt dan zo nodig via de geëigende wegen aangekaart.
Op welke manier zorgt u ervoor dat slachtoffers meer proactief worden benaderd, om zo meer bewijs te vergaren en daarmee meer succesvolle rechtszaken te realiseren?
In de brief van 26 januari 2022 van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid gezamenlijk wordt ook reeds aangegeven dat politie en Openbaar Ministerie in Nederland ernaar streven dat slachtoffers en getuigen van Nederlandse IS-strijders hun weg naar het gespecialiseerde Team Internationale Misdrijven van de politie goed weten te vinden. Zij zijn daarom al langere tijd bezig om bekendheid, begrip en vertrouwen op te bouwen binnen de Yezidi-gemeenschap, onder meer via het bestaande netwerk van ngo’s.11
Welke mogelijkheden biedt het Memorandum of Understanding (MoU) dat u heeft getekend met UNITAD (Investigative team to promote accountability for crimes committed by Da’Esh/ISIL in Iraq and Syria) voor de (vergemakkelijking) van het verstrekken van politiegegevens en justitiële gegevens? Kunt u toelichten wat het Verdrag dat u voornemens bent te sluiten om de samenwerkingsmogelijkheden met UNITAD nog meer te benutten inhoudt?2
In de Kamerbrief van 2 juni jl. evenals de rapportagebrief Internationale Misdrijven13 wordt aangegeven dat het Memorandum of Understanding deling van (politiële) informatie ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek vergemakkelijkt. Als het gemakkelijker is om informatie uit te wisselen in het kader van onderzoeken naar internationale misdrijven, wordt daarmee de kans op opsporing en vervolging van deze misdrijven vergroot. De volgende stap is het toewerken naar de sluiting van verdragen met bewijsvergaringsmechanismen zodat ook de justitiële samenwerking kan worden uitgebreid. Dit proces loopt en de werkzaamheden gericht op de totstandkoming hiervan zijn aangevangen. Te zijner tijd wordt u hieromtrent nader geïnformeerd.
Hoe staat het met het overleg tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Openbaar Ministerie en UNITAD om te bezien of Nederland expertise aan UNITAD kan leveren? Is Nederland in staat forensische experts te leveren voor het zoeken naar massagraven en de identificatie van gevonden lichamen? (Kamerstuk 29 754, nr. 649)
Dit proces is nog gaande en op dit moment wordt nog onderzocht of en hoe Nederland expertise aan UNITAD kan leveren. Te zijner tijd zal u hieromtrent nader geïnformeerd worden.
Kunt u toelichten hoe het staat met het Joint Investigation Team (JIT) dat zich richt op misdrijven gepleegd tegen de Yezidi’s door Europese uitreizigers? (Kamerstuk 27 925 nr. 886)
Er vindt al geruime tijd nauwe samenwerking plaats tussen het JIT enerzijds en het Nederlandse Openbaar Ministerie en het Team Internationale Misdrijven anderzijds. Momenteel wordt gewerkt aan een intensivering van deze samenwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat terrorisme/extremisme op 24 mei?
Het commissiedebat is zoals bekend verplaatst naar 7 juni a.s., vandaar dat is gestreefd naar tijdige beantwoording voor de nieuwe datum.
Politiegeweld jegens een vreedzame demonstratie in de crisisopvang |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden van politiegeweld bij de crisisopvang in Zuidbroek?1
Ik ben bekend met beeldmateriaal op sociale media waarop een deel van het incident te zien is.
Kunt u ingaan op de keuze van de politie om honden en wapenstokken mee te nemen naar een vreedzame demonstratie in een crisisnoodopvang? Wat is daarover uw oordeel?
Het is niet aan mij om op basis van gefragmenteerde beelden te beoordelen welke geweldmiddelen de politie wel of niet bij een bepaald optreden inzet en of het gebruikte geweld tijdens dat optreden proportioneel, subsidiair, redelijk en doelmatig is geweest.
Kunt u ingaan op de keuze om mensen te slaan met wapenstokken, terwijl er duidelijk te zien is dat er zich geen enkele dreigende situatie voordoet? Wat is daarover uw oordeel?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden het getoonde gedrag en het ondernomen geweld zich tot het demonstratierecht?
In dit geval is de politie op verzoek van beveiligingsmedewerkers van het COA ter plaatse gekomen in verband met een conflict. Er waren geen aanwijzingen dat sprake was van een demonstratie. In zijn algemeenheid merk ik op dat de politie in het kader van de handhaving van de openbare orde – onder voorwaarden – geweld mag gebruiken. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie wordt een risico-inschatting gemaakt.
Bij het politieoptreden staat de-escalatie altijd voorop. Indien noodzakelijk wordt een menigte eerst meermaals gevorderd om zich van een bepaalde locatie te verwijderen. Als daar geen gehoor aan wordt geven, dan is de politie bevoegd om in het uiterste geval geweld te gebruiken om een beoogd doel (bijvoorbeeld verwijdering van een bepaalde locatie) te bereiken.
Het gebruik van geweld is een ultimum remedium en moet – zoals bij elk geweldgebruik door de politie – een legitiem doel dienen en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid. Tot slot moet het geweldgebruik na afloop van het politieoptreden worden gemeld bij de hulpofficier van justitie ter toetsing.
Klopt het dat, zoals aangegeven door getuigen, de politie telefoons afpakte en/of heeft gepoogd deze af te pakken? Hoe verhoudt dit zich tot het eigendomsrecht en informatievergaring?
Ik heb begrepen dat er in de politiesystemen niets is terug te vinden wat op het afpakken van telefoons door de politie wijst. Mochten betrokkenen zich op het standpunt blijven stellen dat hun mobiele telefoon door de politie is afgepakt dan wel dat daartoe een poging is gedaan, dan kunnen zij hierover een klacht indienen bij de politie.
Welke nazorg wordt er naar aanleiding van deze situatie geboden aan de slachtoffers van politiegeweld?
De politie is altijd terughoudend met het aanwenden van geweld. Mocht zij zich toch genoodzaakt zien om geweld te gebruiken, dan wordt dit achteraf altijd getoetst. Als een burger niet tevreden is over het optreden of het gedrag van een politiemedewerker, dan kan hij of zij een klacht bij de politie indienen. In de eerste informele fase van de klachtbehandeling wordt een bemiddelingsgesprek aangeboden. Tijdens dit gesprek kunnen beide partijen hun kant van het verhaal vertellen.
Zijn er consequenties voor de betrokken agenten? Wordt er onderzoek verricht naar het buitensporig handelen? En zo ja, op welke termijn?
Naar aanleiding van het politieoptreden zijn waar nodig meldingen gemaakt van geweldsaanwendingen en deze worden zoals gebruikelijk beoordeeld. Op individuele zaken kan ik verder niet ingaan.
Kunt u te zijner tijd de evaluatie van de politie op basis van deze gebeurtenissen met ons delen?
Het incident wordt niet formeel geëvalueerd. Wel vindt er een gesprek plaats tussen politie en het COA waarin het voorval wordt besproken en eventueel afspraken worden gemaakt voor de toekomst. Indien ik hiertoe aanleiding zie zal ik de uitkomst hiervan delen met uw Kamer.
Long covid bij de politie |
|
Julian Bushoff (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Kuipers , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zoveel kost postcovid de maatschappij (en de patiënt zelf)» en het relaas van een politieagent in dat artikel?1
Ja.
Hoeveel politiemensen hebben zich bij het Meldpunt Long COVID van de Nederlandse Politiebond gemeld of bij andere meldpunten?2
Mij is niet bekend hoeveel politiemensen zich bij het meldpunt van de Nederlandse Politiebond hebben gemeld. Indien aannemelijk is dat de post- COVID-19 klachten van politiemensen verband houden met de uitoefening van hun functie of invloed hebben op hun inzetbaarheid, spoort de politie medewerkers aan om zich bij de werkgever zelf te melden, bijvoorbeeld bij de bedrijfsarts. Het staat politiemensen uiteraard vrij zich ook bij het meldpunt van de Nederlandse Politiebond (of een ander meldpunt) te melden.
Hoeveel politiemensen zijn geheel of gedeeltelijk niet in staat te werken vanwege long covid? Wat is de invloed daarvan op de inzet van de politie?
Bekend is dat 378 politiemedewerkers met post- COVID-19 klachten bij de bedrijfsarts van de politie geregistreerd staan.3 Uit het oogpunt van medische geheimhouding is niet bekend in welke mate deze collega’s verzuimen als gevolg van hun post- COVID-19 klachten.
Herinnert u zich het bericht «Politiemensen krijgen geen voorrang bij vaccineren»?3
Ja.
Deelt u de mening dat er een verband kan zitten tussen de uitoefening van het beroep van politieagent en het oplopen van (long) covid? Zo ja, wat is dat verband? Zo nee, kunt u dat verband dan uitsluiten?
Politiemensen hebben een essentieel beroep. Net als op andere essentiële beroepsgroepen, is ook op politiemensen een groot beroep gedaan tijdens de coronaperiode om hun werk te blijven uitoefenen. Zij speelden een cruciale rol, bijvoorbeeld tijdens de avondklokrellen. Daar ben ik hen dan ook dankbaar voor. Vanwege de aard van het werk was het daarbij niet altijd mogelijk om afstand te houden. Het is dus mogelijk dat politiemensen tijdens de uitoefening van hun werk met COVID-19 besmet zijn geraakt. Politiemedewerkers die klachten ondervinden na een COVID-19-besmetting kunnen zich melden bij de werkgever. Deze meldingen worden serieus genomen. Een COVID-19-besmetting kan leiden tot post- COVID-19, hier wordt nader onderzoek naar gedaan.
Ziet de politieorganisatie zelf long covid als een beroepsziekte? Zo ja, waar blijkt dat uit? Hoe wordt de problematiek van long covid binnen de politieorganisatie zelf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet?
De korpschef en ik hebben de aandacht voor politiemensen met post- COVID-19 klachten en zij verdienen onze steun. Juist omdat ook zij in de frontlinie hebben gestaan tijdens de coronaperiode.
Politiemensen kunnen zich met hun COVID-19-besmetting of post- COVID-19 klachten bij de bedrijfsarts melden. Op die wijze heeft politie in beeld welke collega’s kampen met klachten als gevolg van hun COVID-19-besmetting en kan hen zorg en ondersteuning verleend worden.
Samen met de korpschef draag ik de werkgeversverantwoordelijkheid voor het politiepersoneel. De wijze waarop politie omgaat met haar werkgeversverantwoordelijkheid in deze reikt verder dan de wettelijke aansprakelijkheid. Vanuit de rol van werkgever heeft politie, gesteund door mij, besloten een COVID-19-besmetting (en eventuele post- COVID-19 klachten als gevolg daarvan) aan te merken als dienstongeval, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Politie spoort haar medewerkers aan om zich bij de werkgever te melden voor een «aanvraag erkenning dienstongeval» als aannemelijk is dat de besmetting is opgelopen tijdens het werk. De voorwaarde daarbij is dat politiemensen tijdens de incubatietijd van 14 dagen tijdens het werk en door een concreet aanwijsbaar moment klachten hebben gekregen die horen bij een COVID-19-besmetting en positief getest zijn op COVID-19. Als hier sprake van is, kan een «aanvraag erkenning beroepsziekte» worden ingediend. Bij twijfel kan altijd een medisch advies worden gevraagd.
Politiemedewerkers waarbij aannemelijk is dat de post- COVID-19 klachten beroepsgerelateerd zijn, vallen binnen het bestaande stelsel voor beroepsziekten en dienstongevallen. Daarmee ontvangen zij zorg en begeleiding en hebben zij recht op vergoeding van schade. De politie handelt daarbij vooruitlopend op het ontwerp van het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Ondersteuning bij herstel en re-integratie van de betrokken politiemensen staat hierbij voorop. Het beleid rondom post- COVID-19 klachten wordt via het intranet van de politie aan medewerkers gecommuniceerd.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat politiemensen vanwege long covid hun baan verliezen? Zo ja, beschikt de politieorganisatie dan over een specifiek beroepsziektebeleid voor long covid dat richting en kaders aan leidinggevenden, arbeidskundigen en bedrijfsartsen geeft? En zo ja, waar bestaat dat beleid uit? Zo nee, waarom niet? Wat doet de politie dan wel aan nazorg en begeleiding van medewerkers met long covid?
Zie antwoord vraag 6.
Wat heeft u gedaan of gaat u doen om naast andere beroepsgroepen ook politiemensen met long covid te laten ondersteunen, waaronder financiële steun?
Binnen het stelsel beroepsziekten en dienstongevallen maken politiemensen van wie de post- COVID-19 klachten beroepsgerelateerd zijn ook aanspraak op vergoeding van materiële schade. Zoals gezegd handelt de politie hierbij reeds vooruitlopend op het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten, mits betrokkenen hiermee instemmen.
Daarnaast zijn er door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verschillende maatregelen getroffen ter algemene ondersteuning van eenieder met post- COVID-19 klachten. Hierbij gaat het onder andere om het doen van (inter)nationaal onderzoek naar de diagnose en behandeling van post- COVID-19, het organiseren van voorlichting en ondersteuning voor mensen die kampen met post- COVID-19 én tijdelijk vergoeden van paramedische herstelzorg vanuit het basispakket. Op 1 juni jl. is uw Kamer door de Minister van VWS geïnformeerd over de stand van zaken rond post-COVID-19, waaronder het startschot met betrekking tot de inrichting van de meerjarenonderzoeksagenda en het expertisenetwerk.5
Antisemitische incidenten en bedreigingen in Limburg |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over antisemitische incidenten in Limburg?1, 2
Ja.
Wat vindt u van de twee incidenten waarbij een Joodse jongen bedreigd en belaagd is en waarbij naar een Joodse jongen «Jahoed, jahoed» en «kankerjood», «Free Palestine» en «Ik maak je dood», geroepen is?
Ik vind het verschrikkelijk en absoluut onacceptabel om te lezen hoe het slachtoffer is benaderd en bejegend. Dit soort gedrag baart mij grote zorgen. Het gevoel van onveiligheid dat hiermee gemoeid gaat veroorzaakt veel leed.
Inwoners van Nederland moeten zich veilig kunnen voelen, al helemaal in hun eigen leefomgeving en op school. In Nederland mag je zijn wie je bent. Geweld gebruiken, fysiek of verbaal, omdat de herkomst, godsdienst, etniciteit, gender, seksuele oriëntatie iemand niet aanstaat, is ontoelaatbaar.
Waarom heeft de lokale politie niet direct aangifte opgenomen?
Ik heb van de politie vernomen dat medewerkers van het basisteam Brunssum-Landgraaf kennis hebben gekregen van het incident en direct actie hebben ondernomen. Zo is de wijkagent meteen vrijgemaakt om in gesprek te gaan met de schoolleiding op beide scholen en hebben gesprekken plaatsgevonden met het slachtoffer, de minderjarigen die het slachtoffer negatief hebben bejegend en met de ouders van deze leerlingen. De ouders van de minderjarigen die het slachtoffer negatief hebben bejegend hebben het gedrag van hun kinderen afgekeurd. Daarnaast is er vanuit de politie een medewerker met expertise op het gebied van culturele verschillen en antisemitisme betrokken bij de casus. De politie heeft meerdere malen de mogelijkheid tot het doen van aangifte besproken met de melder. Hierbij heeft de politie ook met de melder besproken welke acties (nog meer) mogelijk en wenselijk zijn om de incidenten op de school te laten stoppen. De melder heeft aangegeven de gesprekken af te willen wachten om te bezien of dit zou leiden tot een betekenisvolle afdoening. De melder heeft bij de politie aangegeven daarom vooralsnog geen aanleiding te zien om aangifte te doen, maar dat kan altijd alsnog op een later moment.
Waarom behandelt de lokale politie deze incidenten niet als antisemitische incidenten?
Bij de politie is na het contact met de melder meteen aandacht geweest voor de mogelijkheid dat het om meer dan een ruzie/pesterij tussen jongeren zou kunnen gaan, ook gelet op de achtergrond en/of gedachtengoed van betrokken partijen. Om die reden is gebruik gemaakt van kennis uit en advies van het Joods politienetwerk (onderdeel van het Netwerk Divers Vakmanschap) en het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie – Politie bij de behandeling van deze zaak. Zo heeft binnen een week na het incident een interventiegesprek plaatsgevonden tussen de betrokken partijen onder leiding van een politiemedewerker met expertise op het gebied van culturele verschillen en antisemitisme. Daarnaast is direct contact gelegd met de discriminatieofficier van het parket Limburg.
Onderschrijft u dat voor het veiligheidsgevoel van de Joodse gemeenschap het adequaat handelen van de politie in deze situatie essentieel is? Zo ja/nee, waarom?
Ik kan mij goed voorstellen dat deze maar ook andere antisemitische incidenten tot gevoelens van onveiligheid hebben geleid in de Joodse gemeenschap.
Ik erken dat het optreden van de politie en het Openbaar Ministerie in algemene zin het veiligheidsgevoel van de Joodse gemeenschap kan vergroten. Daarbij geldt wel dat de strafrechtelijke vervolging van verdachten het sluitstuk vormt van een lang proces waarbij het delict zich al heeft voorgedaan. Dat is vanuit het slachtoffer of – in dit geval – de Joodse gemeenschap bezien, te laat. Veiligheidsbeleving is gediend met een breed scala aan interventies, waaronder preventieve maatregelen zoals bewustwording en onderwijs en de vergroting van de weerbaarheid.
Dit neemt niet weg dat ook bij de politie en het Openbaar Ministerie veel aandacht is voor het op een correcte wijze afhandelen van aangiften en meldingen van discriminatie. Het uitgangspunt is dat de politie aangiften betreffende discriminatie in beginsel opneemt en in behandeling neemt en dat opsporingsonderzoek wordt verricht. Tevens is het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie, daar waar door middel van een aangifte om vervolging wordt verzocht, bij bewijsbare en strafbare discriminatie – een discriminatiefeit of een commuun delict met een discriminatie-aspect – opportuniteit heeft om tot vervolging over te gaan.3
Bij ingrijpende commune delicten met een discriminatie-aspect, waaronder antisemitisme, is daarnaast het uitgangspunt dat de officier van justitie de strafeis verhoogt met een 100% ten opzichte van het uitgangspunt in de straftoemetingsrichtlijn van het OM betreffende dat delict.4 Vervolgens houdt de officier van justitie ook rekening met andere relevante factoren en omstandigheden, die strafverhogend of strafverlagend kunnen werken.
Welke verantwoordelijkheid heeft de school om een veilige omgeving voor Joodse leerleningen te waarborgen?
Schoolbesturen zijn op basis van de wet Veiligheid op school verplicht om de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen te bevorderen, pesten tegen te gaan, en hier beleid op te voeren. Daarnaast moet de school de veiligheidsbeleving van leerlingen monitoren. Deze verplichting geldt voor alle scholen, en heeft betrekking op alle leerlingen, en dus ook op Joodse leerlingen. De Inspectie van het Onderwijs houdt hier ook toezicht op. Stichting School en Veiligheid ondersteunt scholen desgewenst bij de invulling van deze opdracht.
In aanvulling hierop werkt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs aan een meldplicht voor ernstige veiligheidsincidenten die scholen verplicht incidenten met ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan leerlingen, ouders of onderwijspersoneel, zoals mishandeling, onverwijld te melden aan het bevoegd gezag. Daarmee zullen dus ook ernstige veiligheidsincidenten waar Joodse leerlingen bij betrokken zijn bij de Inspectie gemeld worden die hier op een gepaste manier navolging aan geeft in het toezicht.5
Daarnaast is in 2021 de burgerschapsopdracht aan scholen aangescherpt. Scholen moeten zich inspannen om de basiswaarden van de democratische rechtstaat, zijnde vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, te bevorderen. Dat betekent ook het bevorderen van tolerantie en verdraagzaamheid, juist voor elkaars levensovertuigingen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Joodse gemeenschap uit Limburg over hun veiligheidsgevoel?
Ik spreek regelmatig met mensen uit de Joodse gemeenschap, zoals ook de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding dat doet, waarbij ook de zorgen voor de veiligheid aan de orde komen. Wij zullen deze gesprekken onverminderd blijven voeren.
De beveiliging van luchthaven Schiphol. |
|
Derk Boswijk (CDA), Harmen Krul (CDA), Anne Kuik (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de onthullingen door Vrije Vogels Media over lekken in de beveiliging van luchthaven Schiphol?1
In het kader van de gezamenlijke inspanningen in het tegengaan van ondermijning, is het onacceptabel dat personen van wie het arbeidscontract is beëindigd toegang blijven houden tot de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke gebieden van de luchthaven Schiphol.
Heeft u een beeld van de omvang van de beveiligingsproblemen zoals deze zijn geconstateerd?
Nee, er is geen beeld bekend van de omvang. Wel is bekend dat het signaal uitsluitend betrekking heeft op het niet-inleveren van toegangspassen en in mindere mate van bedrijfskleding en portofoons door personen van wie het dienstverband reeds beëindigd is.
Heeft u in beeld bij welke onderdelen van Schiphol bedrijfskleding, toegangspassen en portofoons van oud-medewerkers in handen (kunnen) zijn van onbevoegden?
Bij beëindiging dienstverband dient de werkgever Royal Schiphol Group te informeren en de Schipholpas te retourneren aan Royal Schiphol Group. Hetzelfde geldt voor kleding en portofoons. Vervolgens worden deze toegangspassen door Schiphol geblokkeerd. Schiphol spreekt bedrijven erop aan als de pas niet is ingeleverd. Met name uitzendbureaus zijn hierbij in beeld. Als bij Royal Schiphol Group bekend wordt dat passen niet zijn ingeleverd, worden de betreffende bedrijven hierop aangesproken en kunnen ook sancties worden opgelegd.
Deelt u de mening dat zowel aan de «voorkant» van Schiphol, aan de reizigerskant, als aan de «achterkant», de medewerkerskant, de beveiliging op orde moet zijn?
Ja.
Waar is de regie belegd om de veiligheid aan de achterkant van het reilen en zeilen op Schiphol goed te borgen?
Royal Schiphol Group is als luchthavenexploitant verantwoordelijk voor het toegangsbeleid op de luchthaven. Schiphol heeft in de Regeling Toelating Schiphol voorwaarden opgenomen voor het toegangsbeleid en gebruik van de luchthavenpas. Hierin is opgenomen dat werkgevers de Schipholpas na beëindiging van het dienstverband van de werknemer dienen te retourneren bij de luchthaven.
Deelt u de mening dat inconsequent beleid ten aanzien van het inleveren van bedrijfskleding, toegangspassen en portofoons bij beëindiging van het dienstverband zorgt voor onaanvaardbare veiligheidsrisico’s en voor risico's op ondermijning?
Voor wat betreft de veiligheidsrisico’s voor de burgerluchtvaart tegen terrorisme deel ik deze mening niet. Pas na de toegangscontrole komt personeel immers bij de beveiligingscontrole, waar wordt gecontroleerd of geen verboden voorwerpen zoals wapens en explosieven worden meegenomen. Deze controle wordt zorgvuldig uitgevoerd, hetgeen ook is te zien in het item van Vrije Vogels Media. Enkel het verkrijgen van toegang met een Schipholpas is daarmee onwenselijk, maar vormt geen veiligheidsrisico voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.
Voor risico’s op ondermijning, deel ik de mening wel. Op basis van het signaal van Vrije Vogels Media lijkt namelijk wel sprake te zijn van een onjuiste naleving van het inleverbeleid, hetgeen onaanvaardbare risico's op ondermijning tot gevolg kan hebben.
In opdracht van de gemeente Haarlem en de Stuurgroep Aanpak Ondermijning Noord-Holland is in 2020 het Ondermijningsbeeld Schiphol2 opgesteld. Hierin is de verschijningsvorm van ondermijning op Schiphol in kaart gebracht. Ondermijning wordt in de context van deze mainport gezien als criminaliteit waarbij Schipholpashouders betrokken zijn en misbruik maken van hun positie of bevoegdheden. Gebleken is dat ook de logistieke en bedrijfsmatige infrastructuur op de luchthaven in georganiseerd verband wordt misbruikt. Dit is eveneens aangemerkt als ondermijning. Op basis van de aanbevelingen uit het Ondermijningsbeeld is een Plan Van Aanpak Ondermijning Schiphol opgesteld vanuit het Programma Aanpak Ondermijning Schiphol. Dit programma onder de naam «Sterke Luchthaven» kent inmiddels een structureel karakter. Het plan kent drie hoofdprioriteiten: Locatiegerichte aanpak, Branchegerichte aanpak, en Integriteit pashouders.
Publieke en private partijen werken vanuit deze aanpak intensief samen om ondermijning op en rond Schiphol tegen te gaan. Vanuit het platform Sterke Luchthaven3 wordt integraal samengewerkt aan de aanpak van georganiseerde criminaliteit, door het weerbaarder maken van zowel medewerkers als (logistieke) processen, het opwerpen van barrières (fysiek, procesmatig, sociaal), het verhogen van awareness en (in afstemming met de verantwoordelijke partners) het uitvoeren van een gecombineerde inzet van toezicht, handhaving en opsporing.
Vanuit de gezamenlijke inspanning in het tegengaan van ondermijning wordt er vanuit een duidelijk en indringend urgentiebesef geïnvesteerd in de aanpak en sinds de oorsprong van de aanpak ook verantwoordelijkheid genomen om risico’s om misbruik te maken van de Schipholpas terug te dringen. De risico’s bij het niet inleveren van een Schipholpas worden gezien en worden betrokken in de aanpak.
Vanuit het plan van aanpak drugssmokkel via mainports investeer ik in de ondermijningsaanpak op Schiphol en mijn departement houdt dan ook nauw contact met de betrokken partners over monitoring van de aanpak, onder meer ten aanzien van de pasproblematiek op Schiphol.
Hoe kan het dat met de grote aandacht die er is voor de aanpak van ondermijning op essentiële knooppunten, basiszaken als het inleveren van toegangspassen en het deactiveren van oude toegangspassen niet op orde zijn?
Royal Schiphol Group is als luchthavenexploitant verantwoordelijk voor het toegangsbeleid op de luchthaven. De verantwoordelijkheid voor het inleveren van toegangspassen ligt bij de verschillende werkgevers op Schiphol. Schiphol constateert dat sommige werkgevers zich onvoldoende bewust zijn van de ernst van ondermijning op de luchthaven Schiphol en/of hun interne beleid ten aanzien van toegangspassen niet voldoende op orde hebben.
Daarnaast heeft Schiphol informatie nodig (van de werknemer of een organisatie) om te bepalen of een Schipholpas moet worden ingetrokken. Vanuit de aanpak ondermijning is recent het onderzoeksrapport van de landsadvocaat opgeleverd welke een uiteenzetting geeft van de juridische (on)mogelijkheden waarvan partners gebruik kunnen maken om in het kader van de Schipholpas informatie aan elkaar te verstrekken. Gebleken is dat de huidige wet- en regelgeving wel mogelijkheden biedt voor partners om gegevens te verwerken, maar dat de toepassing van de verstrekking in de praktijk echter zeer beperkt, zeer complex en zeer vertragend werkt. Over dit ervaren knelpunt is contact met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Om zowel bedrijven als pashouders (nog) meer bewust te maken van de ernst van ondermijning op luchthaven Schiphol wordt er vanuit de aanpak ondermijning Schiphol naast het bevorderen van integer gedrag, het stimuleren tot het melden van signalen, en het tegengaan van corruptie ook geïnvesteerd op het verhogen van de bewustwording rondom ondermijnende criminaliteit bij bedrijven en medewerkers op de luchthaven. Hier wordt via verschillende wegen uitvoering aan gegeven. Zo worden er awareness-trainingen aangeboden aan luchthavenmedewerkers, is er een e-learning beschikbaar, en wordt er middels diverse communicatie- en campagne-uitingen bij stilgestaan (o.a. Geef Criminelen Geen Kans-campagne en Meld Misdaad Anoniem). Daarnaast worden publiek-private Points of Contact Ondermijning (POCO’s) opgeleid. Deze POCO’s geven de strijd tegen ondermijning een vaste plek binnen hun organisatie en zorgen voor samenhang en samenwerking. Ze vormen samen een stevig netwerk. Voor de aanpak van ondermijning vanuit landelijk perspectief staat de mainport Schiphol goed in verbinding met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en met de andere grote logistieke knooppunten. Dergelijke onderwerpen kunnen dan ook snel integraal worden afgestemd en opgepakt.
Wat zijn de consequenties voor de onderdelen van een luchthaven, zoals afdelingen en bedrijven, die deze basiszaken niet op orde hebben?
Royal Schiphol Group is verantwoordelijk voor het toegangsbeleid op de luchthaven en kan bij het niet naleven van hieraan gestelde voorwaarden werkgevers sanctioneren. Bij vaststelling van niet-naleving van het toegangsbeleid bestaan zulke sancties uit het blokkeren van pasaanvragen, het blokkeren van reeds uitgegeven passen en in het ergste geval uitsluiting van werkzaamheden op Schiphol.
De Koninklijke Marechaussee (KMar) houdt toezicht op de correcte uitvoering van de beveiligingsmaatregelen. Als dat nodig is, kan de KMar daarbij handhavend optreden en maatregelen (doen) treffen.
Welke stappen zijn er sinds de berichtgeving van Vrije Vogels Media gezet om de beveiliging door te lichten en lekken te dichten?
Royal Schiphol Group spreekt werkgevers nogmaals aan op hun verantwoordelijkheid om Schiphol te informeren wanneer het contract van een werknemer is beëindigd, zodat Schiphol de passen kan blokkeren. Tevens wijst Royal Schiphol Group werkgevers op hun verantwoordelijkheid om werkkleding en portofoons in te leveren bij einde dienstverband en toe te zien dat alle afzonderlijke items geretourneerd worden. Zodra Schiphol signalen krijgt dat deze inname en controle niet goed verloopt, zal Schiphol sancties opleggen aan de betreffende werkgever. Royal Schiphol Group intensiveert verder het toezicht op de correcte uitvoering door steekproefsgewijs audits uit te voeren op werkgevers om te controleren of hun personeelsbestand correspondeert met de lijst uitgegeven Schipholpassen. De eerste audits staan deze zomer gepland.
Royal Schiphol Group heeft daarnaast opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een automatische alarmering om actie te nemen op Schipholpassen die langere tijd niet gebruikt worden en gaat hogere boetes opleggen aan bedrijven die hun vervallen Schipholpassen niet inleveren. De projectleiders van Sterke Luchthaven zullen bij bedrijfsbezoeken benadrukken dat het niet op orde hebben van het interne passenbeleid een risico is voor ondermijnende criminaliteit. Binnen de aanpak wordt nadrukkelijk stilgestaan bij de kwetsbaarheid die medewerkers kunnen hebben, doordat ze in het bezit zijn van een Schipholpas.
Statiegeld en lachgascilinders |
|
Joost Sneller (D66), Kiki Hagen (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de invoering en de opgelopen vertraging van statiegeld op blikjes? En welke lessen neemt u hieruit mee voor de eventuele bredere inzet van het instrument statiegeld?
Het is positief dat er nu een werkend statiegeldsysteem staat. De verwachting is dat dit zal leiden tot veel meer inzameling van blikjes en vooral minder blikjes in het zwerfafval. Of dit ook het geval is zal duidelijk worden als de cijfers over 2023 hierover bekend worden. De cijfers van de eerste helft van 2023 worden rond september verwacht.
De verplichting tot statiegeld op metalen drankverpakkingen (blikjes) is ingegaan
op 31 december 2022. Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State was het voor de ILT tot 1 april 2023 niet mogelijk deze verplichting te handhaven. Ik heb op 16 januari 2023 antwoord gegeven op Kamervragen hierover1. Tijdens de commissiedebatten Circulaire Economie van 2 november 2022 en 20 april 2023 heb ik aangegeven dat de opgelopen vertraging uiteraard te betreuren is. De Minister van Klimaat en Energie heeft mij vervangen bij het mondelinge vragenuur van 4 april 2023 en is ingegaan op de signalen dat enkele partijen ook na 1 april zich nog niet aan de verplichting houden.
Zoals bepaald in art. 16 van het Besluit beheer verpakkingen zal ik in 2024 de Tweede Kamer een verslag toesturen over de doeltreffendheid en de effecten van statiegeld op drankverpakkingen.
Deelt u de mening dat het gevolg van statiegeld op blikjes en flesjes niet mag zijn dat drankenproducenten overstappen op drankkartons? Klopt het dat drankkartons vaak slechter recyclebaar zijn dan alternatieve verpakkingsvormen?
Ja, ik deel deze mening. Er zijn dan ook maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Zoals beschreven in de brief van 17 november 20212 wordt gemonitord of producenten, in reactie op de statiegeldverplichting op flesjes en blik, uitwijken naar verpakkingen waar geen statiegeldverplichting voor geldt. Rijkswaterstaat heeft daartoe de zwerfafvalmonitor uitgebreid met drankenkartons in het zwerfafval. Ook is Rijkswaterstaat gevraagd om een tweede monitor te starten waarbij op basis van marktgegevens in beeld wordt gebracht welke drankverpakkingen zijn verkocht. Ook is in deze brief de invoering van een recyclingpercentage voor drankenkartons aangekondigd.
Per brief van 1 juli 20223 is uw kamer geïnformeerd dat er geen verschuivingseffecten naar drankenkartons zijn waargenomen in het zwerfafval of het PMD4-afval. Verder is in die brief de Regeling vaststellen recyclingpercentage voor drankenkartons aangekondigd, waarmee voor 2023 een recyclingpercentage van 34 gewichtsprocent wordt vastgelegd, jaarlijks met 3 procent oplopend tot 55 procent in 2030. De regeling zal naar verwachting op 1 juli 2023 in werking treden.
Zowel het papier als het plastic en aluminium waaruit drankenkartons bestaan, kunnen worden gerecycled. De recycling van de papierfractie levert in de praktijk weinig problemen op. De plastic en aluminiumfractie (PolyAl) wordt in de praktijk vaak niet gerecycled omdat de kosten niet opwegen tegen de opbrengst.
Hoe kijkt u naar de oproep van Recycling Netwerk Benelux (RNB)1 om statiegeld te gaan heffen op alles waar een dop of deksel op zit?
Deze oproep, die volgens het artikel waarnaar in de vragen gerefereerd wordt afkomstig is van «Zwerfinator» Dirk Groot, is begrijpelijk gelet op het succes van statiegeld bij het bestrijden van zwerfafval. Tegelijkertijd blijft het van belang per geval af te wegen wat de beste route naar duurzame verpakkingen is.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden ontwikkelingen in het zwerfafval in de gaten gehouden. De resultaten hiervan kunnen een rol spelen in de evaluatie in 2024, die in antwoord op vraag 1 genoemd is.
Als vervuiling door zuivel en sap van drankkartonnen en plastic de reden is om daar geen statiegeld op te heffen, waarom is er tot dusver dan toch voor gekozen om drankkartons en plastic flesjes voor zuivel en sap te accepteren? Dit zorgt er dan toch voor dat producenten niet naar duurzame verpakkingen overgaan? Bent u bereid deze keuze te heroverwegen en statiegeld alsnog in te voeren zodat het probleem teruggelegd wordt bij de producent?
Alle verpakkingen die in de handel worden gebracht dienen te voldoen aan de eisen zoals vastgelegd in het Besluit beheer verpakkingen en andere relevante wetgeving. Dit betreft naast recycledoelstellingen onder andere eisen aan het ontwerp van verpakkingen (onder meer via een verwijzing naar bijlage II van de EU richtlijn voor verpakkingen en verpakkingsafval6). Er zijn echter geen specifieke regels ten aanzien van welke verpakkingen voor welke producten gebruikt mogen worden. Producenten kunnen dus zelf een keuze maken uit verpakkingen, mits deze voldoen aan alle eisen. Er is dus hierover geen overheidsbesluit genomen dat nu heroverwogen zou moeten worden.
Bent u bekend met de risico’s voor vuilniswagens en afvalverwerkers op het moment dat batterijen terechtkomen in het huisvuil? Bent u bekend met de risico’s voor brand en explosies en de torenhoge verzekeringspremies die dit tot gevolg heeft voor afvalverwerkers?2
De risico’s van oplaadbare batterijen bij onjuiste inzameling en verwerking zijn mij bekend. Mijn zorgen daarover heb ik al eerder gedeeld met de producentenorganisaties voor batterijen (Stichting Batterijen en Stichting EPAC) en de producentenorganisatie voor elektrische en elektronische apparaten (Stichting OPEN). De producentenorganisaties onderkennen het probleem en hebben samen met afvalverwerkers en gemeenten de Taskforce batterijbranden8 opgericht. De taskforce beoogt te komen tot meer gescheiden inzameling van oplaadbare batterijen waardoor het risico op brand in het circuit van het restafval verkleind wordt. Daarnaast spant de taskforce zich in om betere data te verzamelen over de aanwezigheid van oplaadbare batterijen in het restafval en de daaraan gekoppelde oorzaak van afvalbranden door dit type van batterijen. Inmiddels is een Plan van Aanpak van de taskforce gepubliceerd9 en zal in juni, tijdens de «Week van de veiligheid binnen de afvalbranche» een consumentencampagne10 worden gestart.
Bent u het ermee eens dat we alles op alles moeten zetten om te voorkomen dat batterijen terechtkomen in het huisvuil en dat we belangrijke materialen voor de energietransitie (bijvoorbeeld lithium) zo goed mogelijk recyclen?
Ja, daar ben ik het mee eens. Alle gescheiden ingezamelde batterijen worden binnen het systeem van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (upv) verwerkt volgens de geldende eisen uit de EU Richtlijn batterijen11. Deze richtlijn wordt overigens binnenkort vervangen door de Batterijenverordening12 die hogere eisen stelt aan inzameling en verwerking van alle batterijen, waaronder specifieke eisen voor de recycling van materialen die van belang zijn voor de energietransitie, zoals kobalt, koper, lithium en nikkel.
Hoe kijkt u naar het idee van het invoeren van statiegeld op batterijen? En bent u het ermee eens dat statiegeld op batterijen bij zou kunnen dragen aan veiligheid, circulariteit en leveringszekerheid van lithium?
Statiegeld op batterijen is een interessante optie. In een verkennende studie in opdracht van IenW is deze optie al eens globaal bekeken naast diverse andere opties zoals een retourpremie en andere, niet-financiële maatregelen. Deze studie is in 2020 uitgevoerd in de context van het tegengaan van afvalbranden door lithium-ion batterijen (zie ook het antwoord op de vragen 5 en 6). Over de resultaten van de studie is uw Kamer destijds geïnformeerd13. Ook de Taskforce batterijbranden kijkt momenteel naar de voor- en nadelen van een statiegeldsysteem op batterijen. Met belangstelling wacht ik hun bevindingen af. Overigens bevat de Batterijenverordening een bepaling die de Europese Commissie opdraagt de haalbaarheid en potentiële voordelen van een statiegeldsysteem voor batterijen te beoordelen, uiterlijk op 31 december 2027. Daartoe zal de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag moeten indienen en zich moeten beraden over het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen. Als wordt vastgesteld dat een statiegeldsysteem voor batterijen leidt tot meer gescheiden inzameling van lithium-ion batterijen dan zal dat een navenant positief effect hebben op veiligheid in de keten van het restafval en op de circulariteit in de keten van de lithium-ion batterij.
Bent u bekend met de risico’s die ontstaan als lachgascilinders in een afvalverwerker terechtkomen?
Ja, deze problematiek is door afvalinzamelaars en verwerkers onder de aandacht gebracht van mijzelf en de Minister van Justitie en Veiligheid. Onze ministeries zijn in goed overleg met hen gezamenlijk op zoek naar een werkbare oplossing.
Is er bij de invoering van het verbod op recreatief gebruik van lachgas nagedacht over de risico’s voor afvalverwerkers?
Lachgas is de eerste gasvormige substantie die onder het bereik van de Opiumwet is geplaatst. Tijdens het wetgevingstraject is gekeken naar de gevolgen voor de uitvoering, toezicht en handhaving en de regeldruk. Mogelijke knelpunten zoals testmogelijkheden, opslag, vervoersaspecten en vernietiging zijn hierbij ook onderzocht. De oorspronkelijke toepassingen van lachgas, zoals medisch lachgas, lachgas bestemd voor technische doeleinden en bestemd als voedingsadditief, blijven toegestaan en zijn dus uitgezonderd van het verbod. Specifiek voor deze toepassingen van lachgas is bepaald dat er geen beperkingen gelden voor het vervoer en verwerking van de gasflessen.
Er is vooraf onvoldoende voorzien dat na inwerkingtreding van het lachgasverbod er meer lachgasflessen in het restafval terecht zouden komen, of zelfs gedumpt zouden worden in de openbare ruimte, dan voor het verbod. Hierover lopen nu gesprekken tussen IenW, JenV en de brancheverenigingen van afvalverwerkers. De problematiek van afvalverwerkers betreft enerzijds hoe om te gaan met (de risico’s van) lachgasflessen in het afvalverwerkingsproces zelf. Anderzijds het aantreffen van gedumpte lachgasflessen in de openbare ruimte en hoe daar correct mee om te gaan. Daar waar er belemmeringen ontstaan in de afvalinzameling door het lachgasverbod en de eventuele samenhang met de opsporing en handhaving werkt JenV mee aan het vinden van een werkbare oplossing.
Hoe duidt u de berichtgeving vanuit afvalverwerkers dat lachgascilinders steeds vaker ontploffen in afvalverbrandingsinstallaties sinds de invoering van het verbod op recreatief gebruik van lachgas? Erkent u dat dit risico’s met zich meebrengt voor medewerkers van deze centrales?
Ik ben bekend met deze berichten en ik vind ze zorgelijk. De veiligheid van burgers en medewerkers in de afvalketen staat voorop. Zie ook de beantwoording van vraag 9 voor een duiding van de problematiek en de samenwerking met onze partners.
Bent u het ermee eens dat er een veilige manier zou moeten zijn voor consumenten om (net als voorafgaand aan het verbod op recreatief gebruik) lachgascilinders in te leveren tegen statiegeld? Erkent u dat dit de problemen bij de afvalverwerkers zou oplossen?
Nee. Voor 1 januari 2023 – dus voor de wijziging van de Opiumwet – hanteerden handelaars in deze producten een retoursysteem met borg, dat ervoor zorgde dat cilinders ordentelijk werden ingeleverd. Dit was overigens niet van overheidswege opgelegd. Na de wijziging van de Opiumwet is het kopen van een lachgascilinder voor recreatief gebruik illegaal. Het vragen van borg als onderdeel van een retoursysteem ligt dus niet langer voor de hand. De inzet richt zich daarom in eerste instantie op een oplossing voor de veilige inzameling en verwerking van de cilinders, ook als deze illegaal (en dus zonder statiegeld) in de handel zijn gebracht.
Op welke wijze bent u van plan om aan de hand motie-Sneller over de «lijst 0» (Kamerstuk 35 954, nr. 7) de problemen van de afvalverwerkers op te lossen en de afvalverwerking van lachgascilinders beter te reguleren?
De motie-Sneller verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier de mogelijkheid kan worden gecreëerd om de verkoop en het bezit van nieuwe risicovolle middelen sneller en doelmatig te reguleren. Lachgas is geen nieuw risicovol middel en voor het recreatief gebruik ervan geldt een landelijk verbod, doordat het op lijst II van de Opiumwet is geplaatst per 1 januari 2023. Het doel van het lachgasverbod is het beperken van de brede en makkelijke beschikbaarheid van lachgas en het tegengaan van recreatief gebruik. Regulering zal onvoldoende bijdragen aan het bereiken van het met het landelijke verbod beoogde doel en is op dit moment ook geen oplossing voor het probleem van de afvalverwerkers. Het is van belang om nu snel en pragmatisch de problemen voor de afvalverwerkers op te lossen.
Zoals toegezegd zal de Minister van VWS de Kamer in mei per brief informeren over de uitvoering van deze motie.
Het intrekken van tolkendiensten en het werven van tolken in België om in Nederland te gaan werken |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kort van tevoren is het met de huidige regelgeving mogelijk voor tolkenbureaus van het Openbaar Ministerie om aan tolken reeds verstrekte en door tolken aanvaarde nog plaats te vinden tolkdiensten eenzijdig in te trekken?
De aanbesteding tolkdienstverlening van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) loopt nog, waardoor het OM nu nog rechtstreeks tolken inkoopt en werkt het OM met eigen voorwaarden. Het intrekken van een opdracht is mogelijk tot op het laatste moment dat een zitting gaat beginnen en dat zal in de toekomst ook zo blijven. Eén reden dat een zitting op het laatste moment geannuleerd wordt, en dus ook de tolk, is dat één van de justitiabele ziek is. Wanneer een tolk onderweg is naar een zitting of reeds in het gerechtsgebouw aanwezig is, worden nu de reiskosten vergoed en veelal de minimale omvang van een tolkdienst, te weten een half uur.
Als de aanbesteding is afgerond en de contracten daaruit in werking zijn getreden zal de inkoop via een intermediair tot stand komen.1 In dat geval zal de voorwaarde zijn dat tolkopdrachten die binnen 4 uur voor aanvang van een tolkopdracht op locatie door de opdrachtgever geannuleerd worden volledig betaald worden, bij annulering binnen 24 uur 50%. Deze voorwaarden gelden dan voor alle tolken die in opdracht van het OM worden ingekocht.
Hoeveel tolkdiensten van de door het tolkenbureau van Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) verstrekte tolkdiensten zijn er in de maanden maart en april 2023 in totaal ingetrokken om die tolkdiensten vervolgens aan andere tolken te verstrekken, zoals ook meermaals is gebeurd bij de CVOM-tolkdiensten van de voorzitter van de Orde, Fedde Dijkstra?
Uit navraag bij het OM blijkt dat uit de systemen van het OM niet te herleiden is hoeveel van de door het tolkenbureau van Centrale Verwerking Openbaar Ministerie verstrekte tolkdiensten er in een bepaalde periode zijn ingetrokken.
Wel kan ik in algemene zin zeggen dat het geen annuleringen specifiek bij de voorzitter van de Orde van registertolken en -vertalers betreffen. Uit een regulier onderzoek bij en door het OM bleek dat een aantal relatief korte tolkdiensten geleverd was in redelijk gangbare talen waarbij een zeer hoge reiskostenvergoeding in rekening werd gebracht. Het betrof o.a. Pools, Engels, Duits, Roemeens, Bulgaars en diverse gangbare Arabische dialecten. Van het OM heb ik meegekregen dat het ging om reisafstanden van meer dan 200 km per enkele reis. In de reiskostenvergoeding van het OM is, naast de reiskostenvergoeding, ook een tijdverzuimcomponent opgenomen.
Uit efficiëntieoverwegingen is voor openstaande opdrachten door het OM gekeken of het mogelijk was dichterbij wonende tolken bereid te vinden deze opdrachten te aanvaarden. Wanneer het OM een tolk kon vinden met een aanmerkelijk kortere reisafstand, heeft het openstaande opdrachten van tolken met excessieve reisafstanden ingetrokken. Dit is minimaal één week voor de betreffende zittingsdatum gebeurd en betrof een aantal aan verschillende tolken verstrekte tolkdiensten.
Naast de afweging van het OM om de uitgaven aan gerechtskosten in strafzaken te beheersen, is het OM / de Rechtspraak uit de praktijk gebleken dat grote reisafstanden sneller leiden tot late aankomst van de tolk en daardoor tot knelpunten in de zittingsplanning.
Is het correct dat dit enkel de voorzitter van de Orde lijkt te treffen, en zo ja waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitsluiten dat zijn acties en activiteiten in het belang van alle registertolken en registervertalers in Nederland, de reden zijn van het intrekken van de CVOM-tolkdiensten? Zo ja, weet u dit zeker? Zo nee, wat gaat u hierin doen?
Het OM heeft mij bevestigd dat er op geen enkele wijze sprake is van een selectief beleid en dat in dit geval het ging om opdrachten van meerdere tolken zoals bij vraag 3 is aangegeven. Eén van doelstellingen van het Programma Tolken in de Toekomst was het beperken van de reisafstanden, zodat tolkcapaciteit efficiënt ingezet wordt en zorgvuldig omgegaan wordt met de CO2-uitstoot en de uitgave van overheidsmiddelen. Het OM probeert waar mogelijk, vooruitlopend op het aan te besteden contract, rekening te houden met de doelstellingen uit het Programma. Deze voorwaarden worden, net als in de toekomstige situatie, actief gemonitord door het Openbaar Ministerie/ de Rechtspraak.
Bent u bekend met berichten dat Global Talk, een Nederlandse particuliere organisatie, bezig is met het werven van tolken in België om zich in het Nederlandse Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) als tolk te laten inschrijven?
Global Talk is een zelfstandig ondernemende organisatie die aan diverse opdrachtgevers tolk- en vertaaldiensten levert. Naast de rijksoverheid levert Global Talk ook aan andere overheidsdiensten en aan het bedrijfsleven in binnen- en buitenland.
De vereisten om een persoon als registertolk in te schrijven zijn voor iedereen gelijk. De inschrijfvoorwaarden zijn immers door middel van het Besluit inschrijving Rbtv bepaald.2 De beheerder van het Nederlandse register, te weten Bureau Wbtv, beoordeelt en stelt vast of iemand aan de inschrijfvoorwaarden voldoet, waarna overgegaan wordt tot inschrijving of niet. De te toetsen competenties hebben onder andere betrekking op de taalvaardigheid van de verzoeker in de aangezochte bron- en doeltaal. De woonplaats van de verzoeker (binnen- of buitenland) is hierbij geen criterium.
Intermediairs zijn vrij in hun uitvoering van wervingsacties voor de verschillende opdrachtgevers die zij leveren, hierbij het kan voorkomen dat de intermediairs deze wervingsacties uitbreiden naar het buitenland om zo aan de vraag van al haar opdrachtgevers te kunnen blijven voldoen. Ik weet dat er uitdagingen zijn om met het huidige tolkenaanbod het toenemende werk op de Nederlandse markt vanuit het register te verrichten voor de rijksoverheid. In het kader van interventies is dit ook een onderwerp van gesprek met Bureau Wbtv en de intermediairs.
Voor de rijksoverheid is het van belang dat er zoveel mogelijk registertolken van het gevraagde niveau ingezet worden, omdat van deze tolken vaststaat dat zij aan de vereiste inschrijfvoorwaarden voldoen. Echter herken ik het gestelde niet dat Global Talk in haar wervingsacties actief op zoek is naar goedkope tolken vanuit het buitenland om zo de prijs te drukken. De rijksoverheid bewaakt de levering van de tolken op basis van de contractuele afspraken, in het bijzonder het gevraagde kwaliteitsniveau. Hoe en waar tolken of vertalers geworden worden is aan de intermediairs.
Wat vindt u van het feit dat Global Talk naarstig op zoek is naar goedkopere tolken buiten Nederland en middels dit werven probeert de prijs te drukken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het met de stelling eens dat dit soort praktijken zorgt voor een verstoorde arbeidspositie van Nederlandse tolken in het kader van een «race to the bottom»?
Bij het gebruik van beëdigde tolken en vertalers in Nederland wordt gebruik gemaakt van het register beëdigde tolken en vertalers, waarbij geen criteria rondom de nationaliteit worden gesteld. De kwaliteit en integriteit van een tolk dan wel vertaler staan hierin centraal.
Op basis van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) en de algemene wet gelijke behandeling (AWGB) is het mij niet toegestaan onderscheid te maken op onder andere het gebied van arbeid en het vrije beroep en is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Daarnaast vind ik het belangrijk dat het register beëdigde tolken en vertalerszich uitbreidt vanwege het toenemende werkaanbod om te kunnen voldoen aan de leveringszekerheid waar wij als rijksoverheid strak op sturen.
Ik ben het niet eens met de stelling dat het aantrekken van tolken (in binnen- en buitenland) zorgt voor een verstoorde arbeidspositie van tolken in het kader van een «race to the bottom». Met inachtneming van het ingestelde minimumuurtarief komen prijzen tot stand op basis van vraag en aanbod van de gevraagde taal en expertise. Zoals bij vraag 4 is aangegeven is daarnaast het beperken van de reisafstand één van de doelstellingen die meegenomen zijn in de contracten met de intermediairs, waardoor het interessanter moet worden om tolken die dichtbij de werklocatie wonen in te zetten.
Bent u het met de stelling eens dat de actie om tolken te gaan werven niet ligt aan het gebrek aan tolken die hun diensten aanbieden op de Nederlandse markt maar het feit dat Nederlandse tolken de uurvergoeding, terecht, te laag vinden?
Nee, deze stelling deel ik niet. Intermediairs ervaren op sommige talen uitdagingen in de leverzekerheid doordat in een taal slechts een enkele tolk in het Rbtv ingeschreven staat. Daarnaast ervaren intermediairs op specifieke momenten op de dag een uitdaging in de leveringen, omdat overheidsprocessen veelal op hetzelfde moment worden uitgevoerd en ook nog veel op locatie. Een dergelijke (piek)belasting doet een beroep op de beschikbaarheid van tolken.
Tolken zijn zelfstandig ondernemer die hun dienstverlening via intermediairs kunnen aanbieden aan de overheid of andere opdrachtgevers. Het te betalen tarief kan onder andere op basis van vraag en aanbod naar taal en expertise tot stand komen. In de gesprekken die gevoerd worden met het veld worden dan ook steeds meer positieve geluiden gehoord over de stelselherziening.
Deelt u de mening dat zonder verder onderwijs, gezien de aanzienlijke (juridisch terminologische) verschillen die er zijn tussen België en Nederland, het een slecht idee zou zijn dat Belgische tolken in Nederlandse juridische situaties moeten gaan tolken?
Het is bekend dat verschillende terminologieën gebruikt worden in verschillende processen. Ook is bekend dat daarbij een verschil is tussen Nederlandse processen en die in het buitenland. Tolken die net met dit vak beginnen of die uit een ander vakgebied of land komen, zullen die terminologieën zich eigen moeten maken. Dit geldt niet specifiek voor tolken uit België, maar is van toepassing voor iedere tolk. Van een tolk wordt verwacht dat hij/zij alleen dan een opdracht accepteert indien en voor zover hij/ zij over de juiste kennis, terminologieën en vaardigheden en attitude beschikt om de opdracht uit te kunnen voeren. Daarnaast wordt verwacht dat een tolk investeert in zijn kennis en vaardigheden en deze voortdurend op het vereiste niveau houdt, bijvoorbeeld door deskundigheidsbevordering door middel van permanente educatie.
Waarom is een inschrijving in een C1-register niet een harde voorwaarde om te mogen opereren als tolk in Nederland?
Allereerst is het niet mogelijk om alle, door de overheid benodigde, talen te toetsen op het C1-niveau en daardoor is het niet voor alle talen mogelijk om C1-geregistreerd te worden. Wel is bij wet beëdigde tolken en vertalers -plichtige organisaties de C1-inzet het uitgangspunt. De wet beëdigde tolken en vertalers voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de afnameplicht indien er tijdelijk geen geschikte tolk aanwezig is, omdat er geen tolk in deze talencombinatie in het register beëdigde tolken en vertalers ingeschreven staat dan wel omdat er geen tolk beschikbaar is om de opdracht uit te voeren. Deze beschikbaarheid komt mede voort uit de bij vraag 8 genoemde knelpunten die intermediairs ervaren. In dat geval moet de afwijking worden gemotiveerd en goedgekeurd worden door de opdrachtgever. Deze voorwaarden zijn ook onderdeel van het gehele systeem. Alleen voor die instanties en die processen waarvoor de afnameplicht geldt, is het verplicht om een C1 tolk te gebruiken, indien en voor zover deze aanwezig dan wel beschikbaar zijn. Wel is met de stelselherziening ingevoerd dat de intermediairs bij afnameplichtige organisaties toe moeten groeien naar een inzet van 95% C1-registertolken. Vanwege voorgaande is het niet mogelijk, maar ook niet wenselijk om de C1-inzet op 100% vast te stellen.
Het is niet in alle processen noodzakelijk om een C1-tolk inzetten. In het geval dat voor alle bedrijfsprocessen van de overheid een C1-eis ingesteld wordt, zal hiermee de onderlinge concurrentie toenemen wat een nadelig effect heeft voor de processen die een wettelijke afnameplicht hebben en een C1-inzet wel gewenst is.
Gezien het feit dat per 1 januari 2023 na 42 jaar het minimumuurtarief voor tolken in het Besluit tarieven in strafzaken (Btis) van 43,89 euro naar 55 euro is verhoogd; waarom is het minimumwoordtarief voor vertalers in het Btis van 0,079 euro per doeltaalwoord dat is afgeleid van het laagste voormalige regeltarief uit 1963 van 0,79 euro niet tegelijk met het tarief voor tolkdiensten verhoogd?
De situatie bij vertalers is anders dan bij tolken. Zo zijn de omstandigheden waaronder vertalers hun werkzaamheden kunnen verrichten, mede door de digitalisering, sterk gewijzigd. Op verzoek van uw Kamer vindt er momenteel wel een onderzoek plaats naar de tarieven op de vertaalmarkt. In afwachting op de resultaten van het eerdergenoemde resultaten naar de vertaalmarkt, neem ik in de tussenliggende periode geen beslissingen over het vertalerstarief. De resultaten worden in het zomerreces verwacht.
Daarnaast is bij vertalers dezelfde methodiek van vrij ondernemerschap van toepassing als bij tolken. Vertalers zijn vrij om met intermediairs tarieven overeen te komen. Het minimumwoordtarief is slechts een middel om te voorkomen dat er lagere tarieven worden overeengekomen dan het minimum en biedt alle ruimte om hogere woordtarieven overeen te komen.
Bent u het met de stelling eens dat er op de huidige Btis-minimumtarieven voor registertolken en -vertalers op z’n minst een inflatiecorrectie zou moeten worden toegepast?
Met de verhoging van het minimumtarief voor tolken is tevens een jaarlijkse indexering van dit tarief ingesteld.3 Deze indexering wordt voor het eerst toegepast per 1 januari 2025. Zoals bij de beantwoording op vraag 11 is aangegeven zal ik de resultaten van het onderzoek naar de tarieven op de vertaalmarkt afwachten, maar mocht er een aanleiding zijn zal ik deze serieus bezien.
Het artikel 'Zorgen om online bedreigingen leerlingen: ’Doet een beetje denken aan de kogelbrief’' |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorgen om online bedreigingen leerlingen: «Doet een beetje denken aan de kogelbrief»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat elke bedreiging er één teveel is?
Ja. Elke dreiging heeft een grote impact op leerlingen, leraren en ouders. Recent hebben we een groot aantal bedreigingen gezien op meer dan twintig scholen, nog wel in examentijd. Dat is volstrekt onacceptabel. Ook voor daders heeft dit grote impact – het is niet zomaar een grap, maar een daad met grote gevolgen. Het kan zelfs een strafbaar feit zijn.
Hoe vaak komen dit soort bedreigingen voor? Neemt dit aantal toe?
Er is geen landelijk beeld hoe vaak dit soort bedreigingen voorkomt. Daarom is het niet mogelijk hierover een jaarlijks trendbeeld te delen. In het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs kom ik met een meldplicht voor veiligheidsincidenten. Ernstige incidenten, waaronder bedreigingen van deze aard, dienen onder de meldplicht direct aan de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) gemeld te worden. Hiermee zal de inspectie een vollediger beeld krijgen van de problematiek. Daarbij zal ik de vraag betrekken hoe de Kamer periodiek kan worden geïnformeerd. Ik streef ernaar het wetsvoorstel eind 2023 naar uw Kamer de sturen.
Kunt u de Kamer jaarlijks informeren over het aantal bedreigingen dat gericht is aan scholen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voor alle scholen een handelingsprotocol hoe zij het best kunnen handelen bij een online bedreiging aan het adres van de school?
Er zijn handelingsprotocollen en richtlijnen beschikbaar voor scholen. Zo heeft Stichting School en Veiligheid op hun website een stappenplan beschikbaar dat scholen kunnen volgen wanneer zij bedreigingen ontvangen. Daarnaast biedt Stichting School en Veiligheid ook handvatten en tips om preventief op te treden tegen dergelijke bedreigingen.
Welke organisaties hebben een rol om scholen hierbij te helpen?
Naast onderwijspersoneel op de scholen (in het bijzonder zorg-coördinatoren, vertrouwenspersonen en mentoren) zijn er verschillende organisaties met expertise die scholen kunnen helpen. Onderstaand zal ik een selectie van deze organisaties toelichten, waaronder de fases waarin zij scholen kunnen helpen.
Voor preventie kan een school terecht bij Stichting School en Veiligheid. Zij kunnen helpen bij het versterken van het veiligheidsbeleid en bij het opstellen van een protocol. Stichting Halt kan voorlichting geven op scholen en ook spreekuren voor leerlingen organiseren ter preventie van strafbare feiten.
In geval dat er sprake is van een schoolbedreiging is het raadzaam om altijd eerst contact te zoeken met de politie zodat de ernst van de situatie kan worden ingeschat. Vervolgens kan ook advies worden ingewonnen bij het calamiteitenteam van Stichting School en Veiligheid en de Vertrouwensinspecteur (onderdeel van de Inspectie van het Onderwijs). Wanneer het gaat om strafbare feiten, geeft het Openbaar Ministerie leiding aan het opsporingsonderzoek en kan overgaan tot vervolging van de daders. Voor nazorg kan de school bij mentale of psychische schade terecht bij Slachtofferhulp Nederland, en daarnaast is er mogelijk een rol voor Stichting Halt voor de dader.
Wat is de rol van het calamiteitenteam van School & Veiligheid hierin? Zijn zij voldoende in staat om scholen te ondersteunen, en zo niet, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij wél afdoende geëquipeerd zijn om hun rol te vervullen?
Stichting School en Veiligheid heeft zowel een adviespunt als een calamiteitenteam. Het adviespunt kan scholen (preventief) adviseren in hoe zij omgaan met dergelijke bedreigingen, mochten deze voorkomen. Het calamiteitenteam is er om bij ingrijpende incidenten, waar het gaat om acute ontregeling voor school en haar medewerkers en leerlingen, advies te geven en ondersteuning te bieden. Deze adviseurs zijn te allen tijde, dus ook in het weekend of laat op de avond, beschikbaar om scholen bij calamiteiten omtrent (sociale) onveiligheid, waaronder ernstige bedreigingen, van gericht en deskundig advies te voorzien. Ik heb geen enkele reden om te veronderstellen dat Stichting School en Veiligheid niet voldoende is geëquipeerd om deze rol te vervullen. Integendeel, ik ben onder de indruk van de professionele manier waarop zij scholen hulp verlenen.
Wordt voor elke bedreiging de politie ingeschakeld door scholen? Indien dit niet zo is, vindt u het wenselijk om dat in het handelingsprotocol op te nemen?
Wanneer er een dreigmail binnenkomt is het altijd verstandig om contact op te nemen met de politie. Zij kunnen de ernst van de dreiging inschatten en de school adviseren over vervolgstappen. Bij zeer ernstige en acute dreigingen kan de school contact opnemen met de meldkamer door 112 te bellen. Bij minder acute bedreigingen kan de school contact opnemen met de contactpersoon bij de politie of via 0900–8844 (wel politie, geen spoed). De meeste scholen doen dit ook al. Ik vind het wenselijk dat scholen dit doen en in hun eigen handelingsprotocol opnemen dat er in dit soort situatie contact wordt opgenomen met de politie. Er is echter niet één handelingsprotocol voor alle scholen. Scholen voeren zelf een veiligheidsbeleid dat is afgestemd op de context en situatie op hun school. Bij twijfel over hoe scholen hun protocollen en veiligheidsbeleid kunnen versterken kan advies worden ingewonnen bij het adviespunt van Stichting School en Veiligheid.
Hoe wordt de afweging gemaakt om tot schoolsluiting over te gaan?
De politie maakt in afstemming met het lokaal gezag en samen met de school een inschatting van de veiligheidsrisico’s en adviseert op basis daarvan om tot sluiting over te gaan of niet. Het komt ook voor dat de schoolleiding vanwege onrust en onveilige gevoelens van medewerkers, leerlingen en ouders al eerder dan het advies van de politie besluit om te sluiten. Scholen houden hierbij rekening met de onrust die ontstaat bij het idee van een dreiging en nemen hun rol om op een passende wijze de rust weer terug te brengen in de school.
In hoeveel van de gevallen worden de daders van dit soort dreigementen gepakt en wat zijn in het algemeen de vervolgstappen?
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal verdachten dat specifiek voor dit soort dreigementen wordt aangehouden. Zie ook de antwoorden op vraag 3 en 4. Om daders te kunnen achterhalen en mogelijke vervolgstappen te ondernemen, is het van belang dat er een melding of aangifte wordt gedaan bij de politie. De politie kan in dit soort gevallen helpen of een melding of een aangifte meer gepast is bij de situatie. Wanneer het gaat om een bedreiging richting een school, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8.
Wanneer het gaat om een vorm van geweld of agressie tegen werknemers met een publieke taak – waaronder onderwijzend personeel – zijn de Eenduidige Landelijke Afspraken van toepassing. Dit zijn afspraken over de opsporing en vervolging van verdachten van agressie- en geweldsdelicten tegen functionarissen met een publieke taak. Zo geven de politie en het Openbaar Ministerie onder andere prioriteit aan deze aangiften. Daarnaast is het uitgangspunt dat het openbaar ministerie conform deze afspraken en de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen2 een strafverzwaring van 200% eist.
Wordt de immateriële en materiële schade die een school ten gevolge van een bedreiging en sluiting loopt altijd verhaald op de dader en bij minderjarigen op hun ouders?
Dat is niet bekend, want er bestaat geen alomvattende registratie van verhaalde schade in dergelijke gevallen.
Schade voor de school kan op verschillende manieren worden verhaald. Als de dader bekend is, kan een vordering tot schadevergoeding tussen de school en dader onderling worden afgehandeld, of kan de school zich tot de burgerlijke rechter wenden. Als de school is verzekerd kan de verzekeraar de schade voldoen.
Welke mogelijkheden ziet u om de pakkans te vergroten?
Voor het verhogen van de pakkans is van belang dat leraren of scholen melding of aangifte doen en hierbij geen belemmeringen ervaren. Daarom ligt er ook een belangrijke taak voor de scholen om hun leraren in dit proces bij te staan of om als schoolleiding zelf melding of aangifte te doen. Het is begrijpelijk dat scholen soms twijfelen hoe zij hiermee om moeten gaan. Daarom is het ook goed dat zij advies kunnen inwinnen bij Stichting School en Veiligheid, Stichting Halt en de vertrouwensinspecteur. Zij kunnen de school adviseren over de juiste stappen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat vaak jongeren dit soort bedreigingen plegen?
Stichting Halt geeft voorlichting op scholen over de gevolgen van het plegen van strafbare feiten en de groepsdruk die hier vaak bij komt kijken. Zij zijn ook steeds vaker op scholen aanwezig met spreekuren om onderwijsprofessionals te adviseren hoe zij dit gesprek kunnen voeren en met een onveilige groepsprocessen kunnen omgaan. Daarnaast heeft Stichting School en Veiligheid het Niet-pluisinstrument ontwikkeld. Voor dit instrument verwijs ik u naar de website van Stichting School en Veiligheid. Het doel daarvan is om door uitwisseling van informatie een beter beeld te krijgen van individuele leerlingen en de problematiek en risico’s waar zij tegenaan lopen.
Hoe worden ouders en jongeren bewust gemaakt van de consequenties van een schoolbedreiging?
Stichting Halt geeft voorlichting aan leerlingen en onderwijspersoneel over de consequenties van het plegen van een strafbaar feit. Daarnaast bieden zij ook ondersteuning en handvatten aan onderwijspersoneel en de schoolleiding om het gesprek hierover in de klas en met ouders te voeren. Zo hebben mijn medewerkers in de gesprekken met de scholen die recent in Amsterdam en Utrecht het slachtoffer zijn geworden van bedreigingen begrepen dat zij goed met hun leerlingen in gesprek gaan over de impact en consequenties van dreigingen, niet alleen voor de school, de leerlingen en de docenten, maar ook voor de dader.
Is er voldoende nazorg voor docenten en leerlingen na een schoolbedreiging?
Een schoolbedreiging kan een zware impact hebben op het onderwijspersoneel, ouders en leerlingen. Ook daarom is het belangrijk dat de politie tijdig wordt ingeschakeld. Afhankelijk van de ernst van de bedreiging kan ook contact worden gezocht met Slachtofferhulp Nederland voor nazorg en met Stichting School en Veiligheid voor een juiste afhandeling.
Het bericht ‘Aboutaleb stopt met dwangsom mesbezit’ |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aboutaleb stopt met dwangsom mesbezit; Rechter fluit aanpak van jongeren met steekwapen terug»?1
Ja
Bent u van mening dat burgemeesters een last onder dwangsom in hun instrumentarium moeten kunnen hebben om messenbezit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Een last onder dwangsom kan een nuttig instrument zijn, ook om messenbezit tegen te gaan. Het is echter afhankelijk van de aard en omvang van de lokale problematiek of een bepaling in de Algemene plaatselijke verordening (APV) als aanvulling op de Wet wapens en munitie (WWM) nodig is. Dat verschilt per gemeente en het is niet aan mij als Minister om daar een standpunt op in te nemen. In geval van een aanvullende bepaling in een APV is een gemeentelijke last onder dwangsom mogelijk. Dat zo’n aanvullende bepaling kan bestaan, blijkt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 2020, waarin een APV-bepaling van de gemeente Amsterdam verbindend werd geacht.2
Bent u bereid om een wettelijke grondslag te creëren waardoor burgemeesters een last onder dwangsom op kunnen leggen voor messenbezit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke (extra) maatregelen bent u voornemens te treffen om het messenbezit onder jongeren het hoofd te bieden?
Hoewel uit de cijfers blijkt dat de jeugdcriminaliteit in algemene zin daalt, is sprake van een zorgwekkende toename van een kleine groep jongeren die persisteren in het plegen van ernstige feiten, zoals (vuur)wapen- en geweldsdelicten. Om deze problematiek onder jongeren terug te dringen, is in 2020 het Actieplan Wapens en Jongeren opgesteld.3
In de periode van 2020 tot en met 2022 zijn in het Actieplan Wapens en Jongeren zestien acties geformuleerd én uitgevoerd om dit doel te bereiken. De gemeenten bepaalden zelf welke van de acties het beste aansloten op hun lokale situatie en de doelgroep.
Alle deelnemende gemeenten hebben zich gecommitteerd aan het uitvoeren van in ieder geval een viertal acties, namelijk:
handreiking voor het verbeteren van de samenwerking rond risicojongeren);
Het doel van het Actieplan is om wapenbezit en wapengebruik, waaronder messenbezit, onder jongeren te verminderen. Met de Kamerbrief van 8 maart jongstleden is de Kamer geïnformeerd over het WODC-onderzoek «Plan- en procesevaluatie Actieplan Wapens en Jongeren». De uitkomsten van het WODC-rapport bevestigen dat we nog meer moeten doen om het wapenbezit onder jongeren terug te dringen.
In mijn brief van 1 juni aan de Kamer met een reactie op de plan- en procesevaluatie van het Actieplan Wapens en Jongeren, wordt nader ingegaan op de opvolging van de aanbevelingen uit het WODC-rapport. Bij het vervolg wordt in ieder geval ingezet op contact met de doelgroep door de inzet van jongerenwerkers en rolmodellen en verdiepend onderzoek naar de achterliggende oorzaken en werkzame interventies bij wapengeweld door jongeren.
De gebrekkige zorg op crisisnoodopvanglocaties |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reportage van NRC Handelsblad genaamd «Het verdienmodel van detacheerder Arts & Specialist: minimale zorg voor asielzoekers tegen maximale winst»1? Hoe reflecteert u op de bevindingen van deze reportage?
Ja ik ben bekend met de rapportage in de NRC. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik verder graag naar mijn brief van 24 april jl. waarin ik, op verzoek van uw Kamer, inga op genoemd krantenartikel in de NRC.
Bent u het eens met de stelling dat asielzoekers een kwetsbare groep zijn die recht hebben op adequate zorg? Bent u het eens met de stelling dat de regering heeft gefaald om adequate zorg te leveren? Vindt u dit typerend van het huidige Nederlandse asielbeleid?
Iedereen in Nederland heeft recht op medisch noodzakelijke zorg. Dat geldt ook voor asielzoekers. Voor asielzoekers is de toegang tot de medische zorg in de regel goed geborgd. Op de locaties die onder beheer vallen van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), zorgt GezondheidsZorg Asielzoekers (GZA) voor de toegang tot de huisartsenzorg op de locatie en in bepaalde gevallen in de directe nabijheid van die locatie. Ook voor de crisisnoodopvang zorgt GZA in eerste instantie voor de toegang tot de huisarts. Voor een aantal locaties moet hiervoor een beroep worden gedaan op bijvoorbeeld Arts & Specialist of Just4Care. In enkele locaties wordt de huisartsenzorg geleverd door lokale huisartsen. Net als dat voor andere inwoners van Nederland geldt, kan via de huisarts doorverwijzing plaatsvinden naar tweedelijnszorg. Voor de zorg wordt gebruik gemaakt van reguliere zorg(instellingen). De capaciteitsvraagstukken in de zorg spelen voor alle inwoners van Nederland, inclusief asielzoekers. Niettemin ben ik van mening dat asielzoekers in de regel een goede toegang hebben tot medische zorg.
Klopt het dat Arts & Specialist niet verantwoordelijk is voor de inrichting van de locatie of de werkplek van basisartsen? Indien dit het geval is, hoe komt het dat deze artsen geen toegang hebben tot belangrijke apparatuur zoals laptops en onderzoekstafels? Is deze tekortkoming toe te schrijven aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)? Indien dit het geval is, gaat deze noodzakelijke apparatuur spoedig geleverd worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het klopt dat Arts & Specialist niet verantwoordelijk is voor de inrichting van de werkplek van de (basis)artsen. Arts & Specialist is geen zorgorganisatie maar via hen kan medische personeel worden ingezet. Arts & Specialist wordt op dit moment ingeschakeld voor het bieden van de medische zorg op crisisnoodopvanglocatie waar GZA deze zorg niet kan bieden.
De crisisnoodopvang valt niet onder de verantwoordelijkheid van het COA maar onder de gemeenten. De gemeenten richten de locaties in met noodzakelijke materialen en declareren de kosten bij het COA. Op de locaties die onder beheer staan van het COA biedt het COA medische ruimte inclusief kantoormeubilair en is GZA verantwoordelijk voor de inrichting van de praktijk met noodzakelijke medische apparatuur.
Kloppen de bevindingen van het NRC dat Arts & Specialist rond de 180 euro per uur rekent voor het leveren van een basisarts met achterwacht? Indien juist, gegeven dat de loonkosten van basisartsen en huisartsen cumulatief ongeveer 70 euro per uur zijn, en Arts & Specialist beweert niet verantwoordelijk te zijn voor de inrichting van de werkplek van artsen, waar gaan de overige 110 euro aan kosten naartoe?
Het COA heeft het contract afgesloten met Arts & Specialist. Informatie over prijzen valt binnen de vertrouwelijkheid van het contract. Ik heb ook geen inzicht in de opbouw van de kostprijs van Arts & Specialist. Ik kan dus geen antwoord geven op de vraag waar de kosten naar toe gaan. De door Arts & Specialist gehanteerde prijs is gebruikelijk in de markt en niet exorbitant hoog. Het uurtarief is afhankelijk van het type arts dat nodig is en wordt ingezet.
Deelt u de zorgen dat er sprake is van een doorgeslagen verdienmodel dat ten koste gaat van kwetsbare asielzoekers en de Nederlandse belastingbetaler?
Bij voorkeur zou ik de toegang tot de medische zorg op dezelfde wijze willen organiseren als dat in de asielzoekerscentra is georganiseerd waarbij GZA een centrale rol heeft. Door de druk op de opvang moet worden uitgeweken naar andere soorten opvang en teruggevallen op andere zorgpartners om de toegang tot de huisartsenzorg ook in de crisisnoodopvang te borgen. Door de inspanning van al deze partijen lukt dit in de regel ook. Het betekent inderdaad wel dat gebruik wordt gemaakt van partijen met een hoger tarief. Ik deel echter niet dat er sprake is van een doorgeslagen verdienmodel.
Welke maatregelen bent u van plan te ondernemen om adequate zorg voor alle asielzoekers wél te garanderen? Kunt u deze toelichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ben ik van mening dat de toegang tot de medische zorg voor asielzoekers in de regel goed is geborgd. Neemt niet weg dat het opvangen van asielzoekers in crisisnoodopvanglocaties ook uitdagingen met zich meebrengt voor het bieden van de medische zorg. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft op 9 maart jl. hierover ook een bericht uitgebracht. Samen met COA kijk ik hoe invulling kan worden gegeven aan de aanbevelingen. De punten die de IGJ hierin aangeeft hangen voor een belangrijk deel samen met het feit dat het opvangen van asielzoekers in crisisnoodopvang niet ideaal is, maar is altijd nog te verkiezen boven geen opvang.
Bent u van mening dat het voor een basisarts mogelijk is om adequate zorg te leveren zonder toegang tot een elektronisch patiëntendossier? Zou u uw antwoord kunnen toelichten?
Arts & Specialist heeft een offerte ter goedkeuring naar het COA gestuurd voor de inzet van praktijkverpleegkundigen in het kader van de geestelijke gezondheidszorg. Wel heeft Arts & Specialist een passage opgenomen over het elektronisch patiëntendossier. Van een offerte voor een elektronisch patiëntendossier is in die zin dus geen sprake geweest. Het COA is in gesprek met de zorgpartners hoe de toegang tot een elektronisch patiëntendossier kan worden gerealiseerd.
Het vastleggen, verwerken en delen van medische gegevens binnen de zorg draagt evident bij aan het bieden van adequate zorg. Een elektronisch patiëntendossier kan hierin behulpzaam zijn. Echter, aan het vastleggen, verwerken en delen van medische gegevens zitten zeer strikte wettelijke beperkingen. Bij motie van de leden Kröger en Piri is verzocht om de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de manier waarop en termijn waarbinnen tijdige en naadloze overdracht van medische dossiers kan worden gerealiseerd en welke middelen, voor zover niet reeds begroot, hiervoor nodig zijn. Samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onderzoek ik of en hoe invulling kan worden gegeven aan deze motie.
Klopt het dat Arts & Specialist een offerte ter goedkeuring naar het COA heeft gestuurd om een elektronisch patiëntendossier aan te schaffen? Indien zo, is deze al geaccepteerd? Indien de offerte niet geaccepteerd is, waarom? Wordt er met spoed werk gemaakt aan het faciliteren van een elektronisch patiëntendossier dat gebruikt kan worden door basisartsen bij crisisnoodopvanglocaties?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen worden er door het COA ondernomen wanneer de opvangtermijn van asielzoekers maanden langer duurt dan de korte periode waar noodopvanglocaties voor ontworpen zijn? Zijn er procedures die de leefbaarheid van noodopvanglocaties verbeteren voor asielzoekers die er voor een verlengde periode verblijven?
Er zijn grote verschillen tussen locaties. Het is echter niet zo dat een (crisis)noodopvanglocatie per definitie op alle vlakken slechter is dan een reguliere opvanglocatie van het COA. Het COA streeft ernaar om de begeleiding op noodopvanglocaties zoveel mogelijk op hetzelfde niveau te brengen als reguliere locaties, al is het daarbij wel afhankelijk van onder andere de mogelijkheden van de locatie zelf en het beschikbare personeel. Het is dan ook van belang om weer te komen tot voldoende reguliere opvangplekken, liefst stabiel en langdurig, zodat opvang in (crisis)noodopvanglocaties niet meer nodig is. Dit is niet alleen een opgave van het COA maar van een groot aantal partijen. Ondanks de medewerking van veel gemeenten lukt dat momenteel nog onvoldoende.
Hoe komt het dat de Nederlandse overheid niet voorbereid was op de huidige asielcrisis? Worden er stappen ondernomen om de zorgcapaciteit van asielzoekers in de toekomst wel te garanderen?
Zowel in verschillende debatten als in diverse brieven ben ik ingegaan op de achtergronden ten aanzien van de opvangproblematiek. Dit is een dagelijkse opgave en brengt ook uitdagingen met zich mee op andere terreinen. Desalniettemin ben ik van mening dat de medische zorg voor asielzoekers in de regel voor asielzoekers is geborgd. Met een hogere instroom, de daarmee samenhangende behoefte aan opvangcapaciteit en de krapte op de arbeidsmarkt zal de druk op de medische zorg voor asielzoekers naar verwachting niet minder worden.
Het feit dat Brabant een broeinest is voor criminelen. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het Brabantse buitengebied steeds vaker een paradijs voor criminelen is en dat drugsrunners, drugslabs en martelcontainers welig tieren?1
Ik ben bekend met het Algemeen Dagblad artikel «Waarom Brabant broeinest is voor criminelen: «Gaat niet om geografische ligging»» van 16 april 2023.
Bent u bekend met het feit dat de aanpak van ondermijnende criminaliteit vooral gericht is op de steden, dat de overheid in het buitengebied minder actief en zichtbaar is en dat in kleinere gemeenten er gewoonweg veel minder personele capaciteit beschikbaar is voor opsporing, handhaving en preventie?
De negatieve effecten van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit zijn overal voelbaar in ons land, zowel in de steden als in het buitengebied. De aanpak van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit richt zich op het bestrijden en oprollen van drugscriminelen waar zij actief zijn, waarbij de beschikbare middelen evenwichtig verdeeld worden. Er wordt hierbij rekening gehouden met de urgentie en waar de grootste winst te behalen is. Voorbeelden hiervan zijn de middelen voor de regionale versterking.
In het buitengebied is vaak sprake van kleinere overheidsorganen met minder capaciteit/specialistische kennis per vierkante kilometer en/of inwoner.
Om deze problematiek het hoofd te bieden is een nauwe samenwerking, kennis en informatiedeling tussen overheidspartners noodzakelijk. Ook de bewoners en ondernemers(organisaties) in de gebieden spelen een belangrijke rol in het voorkomen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Onder andere door de meldingsbereidheid van inwoners te vergroten, kan de aanpak worden ondersteund. Zo financier ik in de vorm van een pilot de aanstelling van een vertrouwenspersoon veilig buitengebied bij het Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO). Boeren kunnen in vertrouwen vragen stellen en advies of hulp vragen. In de lokale media is hier veel aandacht voor, waardoor onderwerpen die de vertrouwenspersoon aandraagt vaak opvolging krijgen. De pilot heeft verlenging van financiering gekregen tot maart 2026 wegens succesvolle opbrengsten. In het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is mede daarom toegezegd bij twee andere brancheorganisaties een vertrouwens- persoon aan te stellen. Hierover worden nu ook gesprekken gevoerd met brancheorganisaties uit de agrarische sector. Daarnaast wordt ook in 2023 het instrument Veilig buitengebied voor gemeenten vergoed.
Ook binnen het samenwerkingsverband van de Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s) en onder het RIEC-convenant worden vanuit de regionale versterkingsgelden diverse initiatieven ontplooid. Het RIEC Midden-Nederland en het RIEC Oost-Nederland kennen bijvoorbeeld al districtelijk programma- coördinatoren Ondermijning. Samen met de gemeenten in een district wordt daarbij onder ander gewerkt aan een «basis op orde via een lokale norm voor de aanpak ondermijning». Daarnaast is het buitengebied als bestuurlijk focusthema aangewezen door het RIEC Noord-Nederland en investeren ook RIEC Limburg, RIEC Den Haag, RIEC Oost-Nederland en de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland in het vergroten van «awareness» en het organiseren van toezicht en handhaving in het buitengebied vanuit het doel om te komen tot een «weerbare samenleving».
Binnen de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland is een «expert kwetsbare wijk» aangesteld die zich inzet voor het versterken van bewustwording bij bewoners in kwetsbare wijken en het buitengebied. Het verhogen van de meldingsbereidheid en het smeden van weerbaarheidscoalities maakt daar onderdeel van uit. Ook binnen het focusthema «logistieke knooppunten en transport» zijn er bij de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland lopende initiatieven die zich richten op het «achterland», zoals bedrijventerreinen, het buitengebied en loodsen. In bredere zin investeert de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland een flink deel van het budget in het versterken van de capaciteit van de partners binnen het samenwerkingsverband, waaronder dat van de politie.
Als het gaat om opsporing en handhaving dan hebben we inderdaad te maken met schaarste. Als Minister ben ik conform de Politiewet 2012 verantwoordelijk voor de verdeling van sterkte over de regionale eenheden. Dit gebeurt na overleg in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. De wijze waarop (eventuele) nieuwe sterkte wordt verdeeld (de sterkteverdelingssystematiek) wordt op dit moment vernieuwd, waarbij aandacht is voor de werklast van de regionale eenheden, en ook voor de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de politie. Verdeling binnen de regionale eenheid is de verantwoordelijkheid van de burgemeesters, de hoofdofficier van justitie en de politie. Uit de gesprekken die ik voer – zowel in het landelijk overleg als in de regio en recent nog in West Brabant – blijkt hierbij ook nadrukkelijk aandacht voor de verdeling tussen stad en platteland binnen een eenheid.
Heeft u de bereidheid om een speciaal team Brabantcops tegen drugsrunners, drugslabs en martelcontainers in het leven te roepen, dat zichtbaar wordt in het buitengebied, leegstaande loodsen en schuren controleert en contact legt met bewoners om de nu lage meldingsbereidheid te vergroten? Zo ja, hoe gaat u één en ander, ook financieel, handen en voeten geven? Graag een gedetailleerd antwoord.
Het huidige kabinet, zoals bij uw Kamer bekend2, heeft miljoenen uitgetrokken voor de bestrijding van georganiseerde, ondermijnende drugscriminaliteit. Een substantieel deel van de ondermijningsmiddelen gaat naar politiecapaciteit voor Brabant. Het is vervolgens aan het lokaal gezag, de burgemeesters en officieren van justitie, om te bepalen hoe de (additionele) capaciteit wordt ingezet. De Brabantse gezagen kunnen ervoor kiezen de politiecapaciteit in te zetten voor de bestrijding van drugsrunners, drugslabs en martelcontainers, voor de controle van leegstaande loodsen en schuren en om contact te leggen met bewoners om de nu lage meldingsbereidheid te vergroten.
Verder wil ik u graag verwijzen naar de beantwoording van vraag 2, waar ik inga op de belangrijke rol die de RIECs spelen bij de bestrijding van ondermijnende drugscriminaliteit.
De onduidelijkheid voor VvE’s om digitaal officiële vergaderingen te beleggen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de actuele status van de consultatie over deWet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen?
Ja.
Klopt het dat tot de inwerkingtreding van de nieuwe wet beslissingen die gemaakt worden in digitale vergaderingen van VvE’s ongeldig zijn?
Het CAK heeft aan de AR datasets met de door hen gevraagde gegevens ter beschikking gesteld. Deze bevatten een onzekerheidsmarge als gevolg van de wijze van registratie van ingevoerde en beëindigde betalingsregelingen. De huidige beschikbare bestanden voldoen volgens de AR niet aan de vereiste kwaliteit.
Hoe zijn VvE’s ervan op de hoogte gesteld dat digitaal vergaderen niet meer kan na het verlopen van de tijdelijke vergaderwet als gevolg van COVID-19 op 1 februari 2023?
De CBS-data rondom problematische schulden zijn deels van derden afkomstig. Het CBS heeft de AR laten weten deze data niet beschikbaar te kunnen stellen, omdat deze partijen daar eerst toestemming voor moeten geven. Ik heb, zoals vermeld in het rapport, de AR aangeboden om het CBS te vragen deze data alsnog beschikbaar te stellen. Van dit aanbod heeft de AR geen gebruik gemaakt om het onderzoek niet te vertragen. Op dit moment is het onderzoek van de AR afgerond en lijkt een nader verzoek aan het CBS niet zinvol.
Heeft u een idee hoeveel VvE’s, ondanks de ongeldigheid ervan, toch digitale vergaderingen hebben belegd sinds 1 februari?
Ik beantwoord deze vraag per uitvoeringsorganisatie.
Bij het CJIB is het sinds 2015 mogelijk om betalingsregelingen af te sluiten. Sinds 1 december 2022 is het ook mogelijk om voor schulden bij DUO, CJIB en CAK gezamenlijk een betalingsregeling af te sluiten, zodat beter rekening kan worden gehouden met de afloscapaciteit van mensen. Deze Betalingsregeling Rijk wordt stapsgewijs uitgebreid met andere overheidspartijen. Binnen de Betalingsregeling Rijk is het overigens ook mogelijk om een betaalpauze in te lassen om mensen schuldenrust te geven.
De genoemde rijkspartijen willen door een maatschappelijk verantwoord inningsproces voorkomen dat mensen financiële problemen krijgen door vorderingen van overheidsorganisaties. Er wordt nu al actief samengewerkt. Door binnen de Betalingsregeling Rijk en het Vorderingenoverzicht Rijk als één overheid te opereren, kan er gezamenlijke dienstverlening worden aangeboden.
Het CAK kent verschillende instrumenten om te voorkomen dat iemand in de financiële problemen komt. Naast de mogelijkheid van standaard- en maatwerkbetalingsregelingen kan iemand onder omstandigheden uitstel van betaling aanvragen van een openstaande factuur. Verder heeft het CAK de mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties waarin mensen in de knel komen, maatwerk toe te passen door onder meer op verzoek over te gaan tot (gedeeltelijke) kwijtschelding. Dit is mogelijk als de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de invordering. Ook worden mensen door het CAK doorverwezen naar organisaties als Geldfit.nl, als uit de gesprekken blijkt dat er financiële problemen zijn.
De Belastingdienst hanteert betalingsregelingen om mensen te helpen die tijdelijk in betalingsproblemen verkeren. Voor belastingschulden duurt een betalingsregeling in beginsel maximaal 12 maanden. Als er sprake is van «bijzondere omstandigheden», zoals een dreigende uithuisplaatsing bij een huurachterstand, dan bestaat de mogelijkheid om op verzoek een betalingsregeling met een duur langer dan 12 maanden te krijgen.
De Belastingdienst werkt op dit moment aan een herijking van de invorderingsstrategie. Daarbij wordt onder meer onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om het bestaansminimum van mensen bij betalingsregelingen zo goed mogelijk te borgen. Daarbij komt ook de meervoudige schuldenproblematiek aan de orde. Het is niet mogelijk om vooruit te lopen op de uitkomsten van dat onderzoek. Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over deze herijking.
Als iemand bij de Belastingdienst (of een andere overheidsschuldeiser) aangeeft dat hij verschillende andere schuldeisers heeft, bijvoorbeeld omdat dit is opgenomen in het verzoek om een betalingsregeling, dan geldt de doorverwijzingsplicht uit het NVVK-convenant (artikel 4 Preventieve maatregelen). Diegene wordt dan gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij de gemeente en is vervolgens zelf verantwoordelijk voor het doen van een aanvraag om schuldhulpverlening of het opstarten van andere (vervolg)stappen.
Naast deze doorverwijzingsplicht is het overigens zo dat een verzoek om een betalingsregeling bij de Belastingdienst, bij geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld binnen 12 maanden af te lossen, ook ambtshalve wordt beoordeeld op de mogelijkheid van kwijtschelding van de belastingschuld. Bij belastingschuldigen die niet in aanmerking komen voor kwijtschelding, wordt beoordeeld of voortzetting van de invordering gewenst is. Als dat niet zo is treft de Belastingdienst geen (verdere) invorderingsmaatregelen.
De Belastingdienst (en de Dienst/Toeslagen) zijn ook aangesloten bij het Vorderingen Overzicht Rijk, waarmee mensen overzicht krijgen over hun openstaande schulden bij de overheid. Daarnaast wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om aan te sluiten bij de Betalingsregeling Rijk in het kader van de Clustering Rijks Incasso (CRI), waarvoor het CJIB van het kabinet de opdracht heeft gekregen. CJIB, de Belastingdienst en Dienst Toeslagen maken deel uit van een gezamenlijke werkgroep waarin de mogelijkheden worden onderzocht om tot een gemeenschappelijke betalingsregeling te komen.
Hoe wordt er omgegaan met besluiten van VvE’s, bestuurders, beheerders en eigenaren die ondanks het aflopen van de tijdelijke wet toch digitaal zijn blijven vergaderen?
Voor uitvoeringsorganisaties kan het ingewikkeld zijn om bij het afsluiten van een maatwerkregeling in voldoende mate rekening te houden met het bestaansminimum van betrokkene. Uitvoeringsorganisaties hebben immers geen inzicht in de totale schuldenlast van die persoon. Iemand kan ook nog schulden hebben bij andere uitvoeringsorganisaties of bij private schuldeisers. Vanwege privacyaspecten is het nu niet mogelijk om daar onderling gegevens over uit te wisselen. Uitvoeringsorganisaties zullen bij het afsluiten van een maatwerkregeling gericht aan de persoon die het betreft vragen of er nog meer betalingsregelingen lopen of dat er andere omstandigheden zijn die het nakomen van de betalingsregeling moeilijk maken. Op grond van die informatie kan een persoonsgerichte aanpak worden ingezet. Ook kan aan iemand worden gevraagd – eventueel met hulp – om uwbeslagvrijevoet.nl te raadplegen, zodat het bestaansminimum wordt geborgd.
Wat gaat u doen om bewoners van VvE’s meer duidelijkheid te verschaffen van wat wel en niet mag tot de Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen wordt ingevoerd?
De aanpak Geldzorgen, armoede en schulden richt zich op vaker en sneller afsluiten van betalingsregelingen om problematische schulden te voorkomen. Uit de communicatie van uitvoeringsorganisaties moet dan ook duidelijk blijken dat het mogelijk is om in geval van betalingsproblemen een maatwerkregeling1 te vragen. Alle uitvoeringsorganisaties dienen aan hun communicatie op een goede manier invulling te geven. Op de website van de uitvoeringsorganisaties moet duidelijke informatie over het aanvragen van een maatwerkregeling beschikbaar zijn. Daarnaast vind ik het van belang dat de voorwaarden waaronder een maatwerkregeling kan worden toegekend voldoende transparant zijn en in werkinstructies staan opgenomen. Zo wordt een helder toekenningskader gecreëerd dat rechtsgelijkheid bevordert. Of een betalingsregeling wordt aangeboden mag niet afhankelijk zijn van welke medewerker iemand spreekt of van het al dan niet aangaan van een bezwaarprocedure.
Ik heb de rijksuitvoeringsorganisaties (CJIB, CAK, DUO, Belastingdienst, de Dienst Toeslagen, UWV, SVB en RVO) gevraagd om de communicatie en werkinstructies die zien op betalingsregelingen op korte termijn aan te passen. Zo moet uit de communicatie duidelijk blijken dat het mogelijk is om een betalingsregeling aan te vragen en hoe een dergelijke aanvraag kan worden gedaan.
De definitieve fatwa en de oproep aan Nederlandse moslims mij te vermoorden |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente filmpje en berichten waarin de Pakistaanse Mufti Jalali zijn fatwa – doodvonnis – tegen mij bevestigt en als onherroepelijk en definitief benoemd? Wat is uw oordeel daarover?
Het kabinet heeft kennis genomen van de fatwa van Mufti Jalali en vindt de teksten verwerpelijk en gevaarlijk. Bedreigingen, en in het bijzonder bedreigingen van volksvertegenwoordigers, horen absoluut niet thuis in onze samenleving, ongeacht of deze uit binnen- of buitenland komen. Dit ondermijnt onze democratie. De heer Wilders heeft het recht om, net als iedere volksvertegenwoordiger, in vrijheid zijn standpunten en mening te verkondigen. Dat is een groot goed en dat recht moet door ons allen worden beschermd.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 16 april jl. en de Minister van Buitenlandse Zaken heeft op 17 april jl. de fatwa waarin Nederlandse moslims worden opgeroepen om de heer Wilders te vermoorden publiekelijk veroordeeld. Ik heb op 20 februari jl. nog mijn ernstige zorgen gedeeld met de premier van Pakistan. Dit is ook gebeurd tijdens het gesprek van de Minister van Buitenlandse Zaken met zijn Pakistaanse collega op 18 januari jl., tijdens de hoogambtelijke politieke consultaties met Pakistan op 8 februari jl.Zoals op 17 april jl. bekend gemaakt werd, heeft het Openbaar Ministerie besloten tot vervolging over te gaan van een Pakistaanse onderdaan die in 2018 een beloning had uitgeloofd aan degene die de heer Wilders zou doden. Het kabinet is van mening dat hiermee een duidelijk signaal wordt afgegeven dat pogingen tot uitlokking van moord, opruiing en bedreiging zeer serieus worden genomen.
Heeft u er ook kennis van genomen dat in die fatwa Nederlandse moslims worden opgeroepen en aangemoedigd mij te vermoorden? Wat is uw oordeel daarover? Deelt u de mening dat dit walgelijk is en publiekelijk moet worden veroordeeld? Bent u daartoe bereid?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich nog dat afgelopen jaren – na eerdere soortgelijke bedreigingen van de Pakistaanse Taliban, ISIS en Al Qaida – ook andere Pakistaanse geestelijken fatwa’s over mij hebben uitgesproken maar daarnaast ook anderen zoals leiders van politieke partijen, bekende Pakistaanse cricketspelers en acteurs hebben opgeroepen mij te vermoorden en dat honderden zo niet duizenden Pakistanen mij inmiddels ook met de dood hebben bedreigd? Wat is uw oordeel daarover? Vindt u dat acceptabel?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich ook dat er eerder meerdere Pakistanen feitelijk naar Nederland zijn gekomen met het doel mij te vermoorden? Kunt u uitsluiten dat dit na alle (nieuwe) fatwa’s en bedreigingen opnieuw zal gebeuren?
Er kan hier niet in worden gegaan op concrete dreiging-casuïstiek en beveiligingsmaatregelen van personen, maar het kabinet keurt de fatwa’s en bedreigingen ten zeerste af. Bedreigingen aan het adres van een democratisch gekozen volksvertegenwoordiger zijn onacceptabel.
Wanneer komt voor u het moment dat u aan het herhaaldelijk oproepen tot het vermoorden van een Nederlands volksvertegenwoordiger en Tweede Kamerlid, zonder dat Pakistan ook maar één keer tot strafrechtelijke vervolging van de daders is overgegaan, stevige consequenties verbindt zoals het uitwijzen van de Pakistaanse ambassadeur in Nederland? Bent u bereid dat nu alsnog te doen? Zo nee, waarom niet en wat gaat u nu dan wel doen?
De afkeuring en diepe zorgen van het kabinet over de ernstige bedreigingen aan het adres van de heer Wilders worden door de Nederlandse overheid op alle niveaus en bij elke gelegenheid bij de Pakistaanse autoriteiten geuit en dit zullen we blijven doen. De Minister van Buitenlandse Zaken is voornemens zijn Pakistaanse ambtgenoot zo snel mogelijk te spreken over de recente bedreigingen en fatwa’s om ook persoonlijk zijn aandacht hiervoor te vragen.
De Nederlandse regering roept continu de Pakistaanse regering op zich tot het uiterste in te spannen om dergelijke bedreigingen een halt toe te roepen.
Heeft u de indruk dat de informatiepositie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) ter zake kwalitatief voldoende is en dat zij deze fatwa’s en bedreigingen naar behoren kunnen duiden en voldoende serieus nemen? Is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierover voldoende adequaat door de AIVD geïnformeerd? Welke acties hebben AIVD en NCTV inmiddels ondernomen en is de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) afdoende geinformeerd?
Zoals bij uw Kamer bekend kan ik over de werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsmede informatie over concrete dreigings-casuïstiek en beveiligingsmaatregelen van personen, in het openbaar geen uitspraken doen. In het algemeen kan ik wel opmerken dat door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie doorlopend, zowel desgevraagd als ongevraagd, dreigingsproducten worden opgesteld. Op basis van de dreigingsproducten worden, indien daar aanleiding toe is, passende maatregelen getroffen.
Wilt u deze vragen gelet op de urgentie vóór donderdag 20 april, 12.00 uur beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'OM gaat ‘schokkend’ Hamas-filmpje bij De Kuip onderzoeken, CIDI doet aangifte' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja, wij zijn bekend met bovenstaand bericht.
Bent u bekend met het feit dat voorafgaand aan de bekerwedstrijd Feyenoord-Ajax «Hamas, Hamas, alle joden aan het gas» werd gezonden en gescandeerd? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Wij vinden dit afschuwelijk. Dit soort verwerpelijke en kwetsende teksten horen überhaupt niet gezongen of gescandeerd te worden, ook niet in of rondom een voetbalstadion.
Gaat het Openbaar Ministerie naast de zanger in beeld ook onderzoek doen naar de tientallen mensen die luidkeels meezongen met de antisemitische leuzen?
Het Openbaar Ministerie richt zich momenteel op het onderzoek naar de beelden waarop te zien is dat er, voorafgaand aan de wedstrijd Feyenoord – Ajax op 5 april 2023, antisemitische leuzen worden gezongen. Er kunnen geen uitspraken worden gedaan over lopende of nieuw op te starten onderzoeken.
Feijenoord is in nauw contact met de politie om de alle deelnemers te identificeren. Ook het Auditteam Voetbal en Veiligheid zal onderzoek doen naar de incidenten rond en tijdens de wedstrijd Feyenoord – Ajax. Onderdeel van het onderzoek is of er antisemitische teksten zijn gezongen of geroepen.
Waarom is niet direct ingegrepen door de aanwezige politie of de voetbalclub zelf? Bent u het ermee eens dat dit wel had moeten gebeuren? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat in de toekomst in soortgelijke situaties wel direct wordt ingegrepen?
De politie heeft, nadat het incident hen bekend werd, dit gemeld bij de beveiligingsorganisatie en aan Feyenoord verzocht om de beelden (en geluid) veilig te stellen. Ook is aan het Voetbal Recherche Team gevraagd deze zaak op te pakken. Hun informatieorganisatie heeft op internet gezocht naar beeldmateriaal van het incident en de Voetbaleenheid heeft contact gehad met het CIDI voor het doen van aangifte.
In dit geval was het niet de ingehuurde zanger die (binnen de hekken van het stadion) deze afschuwelijke teksten uitkraamde, maar een door hem op het podium gevraagde willekeurige supporter die eerst een gewoon vrolijk Feyenoord-lied inzette maar plotseling overging op genoemde teksten.
De lokale driehoek heeft met Feyenoord het incident besproken en geëvalueerd. Met hen zijn wij het eens dat ingegrepen had moeten worden. Dit is ook binnen de club met beveiliging en stewarding besproken. Geschokt door de gebeurtenis zal de club hier in de toekomst nog strikter op toezien. Zoals hierboven vermeld wordt ook door het auditteam onderzoek gedaan naar het incident.
Los van het incident wordt er veel gedaan om dergelijke incidenten te voorkomen. De KNVB heeft de afgelopen jaren samen met betrokken partijen, waaronder de overheid, veel gerealiseerd om racisme en discriminatie tegen te gaan via het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI).2 Een onderdeel van dit programma is de samenwerking met de Anne Frank Stichting, die op aangeven van de betaald voetbalorganisatie, trajecten aanbiedt aan supporters die zich misdragen in het stadion. Bijvoorbeeld aan supporters die zich schuldig maken aan het roepen van antisemitische of discriminerende leuzen. Een dergelijk traject biedt een optie voor strafvermindering en zet in op bewustwording en het tegengaan van antisemitische en discriminerende uitingen. Feyenoord heeft als eerste club samen met de Anne Frank Stichting een lokale tour opgezet als onderdeel van dit Spreekkorenproject. De supporters worden langs diverse lokale plekken genomen die relevant zijn voor het oorlogsverleden en ontmoeten medesupporters die gekwetst worden door bepaalde spreekkoren. De anti-Joodse spreekkoren zijn het uitgangspunt van de tour. Er is ook aandacht voor andere discriminerende spreekkoren. Het merendeel van de deelnemers geeft aan dat zij na de tour anders tegen de spreekkoren aankijken.
Welke acties zijn door de voetbalclub zelf genomen? Welke acties verwacht u van de voetbalclub in dit verband? Ziet u hier ook verantwoordelijkheid voor de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB)? Zo ja, welke?
De club is zoals aangegeven geschrokken en is in nauw contact met de politie om de deelnemers te identificeren. Ook zal de club maatregelen als stadionverboden opleggen als daders kunnen worden geïdentificeerd. Feyenoord heeft een omvangrijk programma aan activiteiten – waaronder lesprogramma’s en reizen naar voormalige concentratiekampen met supporters – om antisemitisme tegen te gaan en bewustwording te creëren. Het werkt daarbij nauw samen met onder andere diverse Joodse en maatschappelijke instanties.
De wijze waarop betaald voetbal organisaties (BVO’s) dienen op te treden bij kwetsende spreekkoren binnen in de stadions staat omschreven in de richtlijn bestrijding verbaal geweld, wat onderdeel is van het handboek competitiezaken betaald voetbal van de KNVB. Uitgangspunt is dat BVO’s en supportersverenigingen primair verantwoordelijk zijn voor het gedrag van hun supportersaanhang c.q. leden en voor duidelijke tolerantiegrenzen ten aanzien van ongewenste spreekkoren en verbaal geweld. Deze grenzen worden onder meer bekendgemaakt in het huisreglement van de club. In het stadion is de organisator verantwoordelijk voor een veilig verloop van het evenement en gelden de protocollen uit het Handboek Competitiezaken van de KNVB. Daarbuiten zorgt de overheid voor veiligheid en handhaving van de openbare orde.
Als discriminerende spreekkoren zich voordoen dan zijn clubs verplicht hierover te rapporteren aan de KNVB en hierbij aan te geven wat ze hieraan hebben gedaan. Meldingen kunnen ook door bezoekers worden gedaan via app DiscriminatieMelder, waarbij meldingen tijdens de wedstrijd bij de veiligheidsorganisatie van een betaald voetbalclub binnen kunnen komen. Daarnaast kan het ook middels waarneming door de veiligheidsorganisatie zelf binnenkomen in de commandoruimte (meldkamer stadion).
Discriminerende spreekkoren kunnen ook worden gesignaleerd en geregistreerd door auditoren van de KNVB die wedstrijdaudits uitvoeren. Voor spreekkoren geldt het protocol dat het publiek door de stadionspeaker wordt toegesproken en gewaarschuwd dat bij herhaling/voortzetting de wedstrijd zal worden stilgelegd. Indien de spreekkoren worden voortgezet, wordt de wedstrijd stilgelegd. Er wordt dan met de lokale overheid overlegd of er definitief wordt gestaakt of dat de wedstrijd nog één keer wordt hervat. In geval van hervatting van de wedstrijd en opnieuw herhaling van de spreekkoren wordt de wedstrijd definitief gestaakt. Want dergelijke spreekkoren zijn abject en absoluut ontoelaatbaar.
Bent u in contact geweest met de voetbalclub om deze uitingen van Jodenhaat aan de kaak te stellen? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dit contact? Zo nee, waarom niet?
De KNVB en lokale driehoek hebben contact gehad met Feyenoord. Zoals eerder vermeld heeft Feyenoord aangegeven geschrokken te zijn van de beelden en werkt op dit moment mee aan het onderzoek van het Openbaar Ministerie om de deelnemers te identificeren. Op 17 mei gaan wij in gesprek met de KNVB. In het gesprek zal de aanpak van antisemitische spreekkoren ook worden besproken.
Bent u het ermee eens dat het uiten van dit soort antisemitische leuzen niet alleen schadelijk is voor de Joodse gemeenschap maar ook bedreigend? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om met een strengere aanpak van antisemitische spreekkoren in en rondom voetbalstadions te komen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat zijn wij volkomen met u eens.
BVO’s in Nederland moeten voldoen aan de licentie-eisen van de KNVB. Een van de licentie-eisen is het hebben van een schriftelijk antidiscriminatie en antiracisme beleid en het toepassen van dit beleid in de organisatie. Hieronder valt ook beleid ten aanzien van antisemitisme. De BVO’s rapporteren aan een onafhankelijke certificeringsinstantie en de licentiecommissie betaald voetbal monitort en toets of clubs aan de gestelde criteria voldoen.
Dat alleen is niet voldoende. Mede daarom zijn wij met alle partners uit Ons Voetbal Is Van Iedereen, waaronder de KNVB, in gesprek over een vervolg. Daarin willen we met elkaar een proces in gang zetten gericht op het normeren van gedrag in en rondom stadions met betrekking tot het terugdringen van onwenselijke en discriminerende spreekkoren waaronder antisemitische.
Het artikel 'Terreurverdachten na foute grappen' |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «terreurverdachten na foute grappen»1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de mediaberichten over deze zaak.
Wat vindt u ervan dat wordt gerefereerd aan een opmerking van betrokken moslims dat ze mij wilden ontvoeren en dat daar vervolgens hilariteit over ontstaat?
Ik kan me goed voorstellen dat het ontzettend heftig is om dit soort uitspraken (dagelijks) te ontvangen en dat het grote impact heeft. Dit zijn verwerpelijke opmerkingen waar ik de humor absoluut niet van in zie. Dergelijke uitspraken horen niet thuis in onze samenleving, ik zal me hier dan ook altijd tegen uitspreken.
Wat vindt u ervan dat er ook wordt gelachen nadat een van de betrokken moslims zegt: «dan ga ik hem live op Facebook onthoofden», waarbij met «hem» ik word bedoeld?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is het Openbaar Ministerie (OM) niet in hoger beroep gegaan? Welke inhoudelijke redenen heeft het OM hiervoor?
Het Openbaar Ministerie heeft mij gemeld dat na uitgebreide bestudering van het vonnis er geen hoger beroep wordt ingesteld, omdat het vonnis van de rechtbank volgens het Openbaar Ministerie goed gemotiveerd is en in lijn is met vaststaande jurisprudentie.
Deelt u de mening dat dit tuig dat te kennen gaf mij te willen ontvoeren en onthoofden langdurig achter de tralies hoort en een hoger beroep daarom zeer op zijn plaats was geweest en het OM opnieuw op een schandalige manier heeft gefaald door niet in beroep te gaan?
De conclusie dat het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze heeft gefaald deel ik niet. Het gaat om verwerpelijke opmerkingen die niet thuishoren in onze samenleving. Daar mag geen misverstand over bestaan. Het Openbaar Ministerie gaat over de vervolging van strafbare feiten in individuele strafzaken en het al dan niet instellen van hoger beroep in deze strafzaken. Politieke inmenging daarbij dient te worden voorkomen. Ik constateer bovendien dat de rechter heeft geoordeeld dat de handelingen van deze personen niet strafbaar zijn. Als Minister onthoud ik mij van commentaar daarop.
Bent u bereid de hoogste baas van het OM – de voorzitter van het College van Procureurs -Generaal om opheldering te vragen en desnoods te demoveren dan wel te ontslaan?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 reeds genoemd heeft het Openbaar Ministerie mij gemeld dat het vonnis van de rechtbank is bestudeerd en dat naar aanleiding daarvan is besloten geen hoger beroep in te stellen.
Welke veiligheidsconsequenties zijn aan de vrijlating van betrokkenen verbonden?
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de coördinatie op nationale veiligheid en het stelsel bewaken en beveiligen kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat de NCTV, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de ketenpartners – vanuit de gezamenlijke aanpak – continu alert zijn op het mitigeren van een potentiële dreiging en indien nodig maatregelen treffen. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele zaken. Ook niet op concrete dreigingen en beveiligingsmaatregelen van personen.
Het niet tenuitvoerleggen van gevangenisstraffen op Sint Maarten |
|
Hanneke van der Werf (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «at least 136 people waiting to serve their time in prison» van 13 februari 2023?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat er per oktober 2022 minstens 136 tot een gevangenisstraf veroordeelde personen niet vast zaten, door een gebrek aan detentiecapaciteit op Sint Maarten?
Sinds 10 oktober 2010 is Sint Maarten een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden en heeft Sint Maarten zelf de verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving gekregen, inclusief het gevangeniswezen. Desalniettemin worden de zorgen herkend over het gevangeniswezen in Sint Maarten, zoals ook aan uw Kamer is gecommuniceerd op 26 april jl. met het verzenden van de 45ste en 46ste rapportage van de Voortgangscommissie Sint Maarten2. Nederland werkt daarom intensief samen met Sint Maarten om het gevangeniswezen van Sint Maarten te verbeteren op lange termijn en het verlichten van de acute druk op de detentiecapaciteit (zie ook het antwoord op vraag 12).
Acht u het niet tenuitvoerleggen van gevangenisstraffen op Sint Maarten problematisch in het licht van de doelstelling van het bevorderen van goed bestuur door een bijdrage te leveren aan het versterken van de rechtsstaat van de landen, zoals omschreven in beleidsartikel 1 van de Begroting Koninkrijksrelaties?
Het gevangeniswezen is een landsaangelegenheid. Dit betekent dat de autonome Landen in het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) aan zet zijn om de detentiesituatie in hun inrichtingen te verbeteren. De Staatssecretaris van BZK is verantwoordelijk voor stimuleren, ondersteunen en versterken van de rechtsstaat van de landen. Hierbij wordt samengewerkt met de betrokken bewindspersonen van JenV en Defensie die de operationele capaciteit voor ondersteuning en versterking na opdrachtverstrekking kunnen leveren. Hierbij moet worden opgemerkt dat naast de middelen onder artikel 1 van de begroting Koninkrijksrelaties ook vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Defensie middelen worden ingezet voor het versterken van de rechtsstaat van de landen.
In 2020 heeft het kabinet eenmalig € 30 mln. beschikbaar gesteld voor het verbeteren van het gevangeniswezen in Sint Maarten, hetgeen recht doet aan de doelstelling van artikel 1. Hiervan is € 20 mln. gereserveerd voor de bouw van een nieuwe gevangenis. Met de United Nations Office for Project Services is in december een overeenkomst gesloten voor Fase I van het project: UNOPS zal in deze fase tot een ontwerp van tijdelijke en lange termijn detentiefaciliteiten komen en de benodigde aanbestedingsprocedures uitzetten voor de bouw.
Van de totale € 30 mln. wordt € 10 mln., verdeeld over vijf jaar (€ 2 mln. per jaar van 2022 t/m 2026) geïnvesteerd in de verdere verbetering van het gevangeniswezen. In 2022 is hiervan onder andere een programmateam uitgezonden voor het uitvoeren van het Plan van Aanpak, en zijn opleidingen bekostigd voor het gevangenispersoneel.
Wat is het effect van het niet tenuitvoerleggen van gevangenisstraffen op Sint Maarten voor het vertrouwen in- en het functioneren van de rechtshandhavingsketen aldaar?
Nederland acht het van belang dat Sint Maarten een sterke en goed samenwerkende keten kent om de rechtshandhaving te bevorderen. Daarom ondersteunt Nederland Sint Maarten hierin, onder meer door investeringen in het gevangeniswezen op Sint Maarten. Het beoordelen van het effect van het niet tenuitvoerleggen van gevangenisstraffen voor het vertrouwen in- en het functioneren van de rechtshandhavingsketen is echter aan Sint Maarten zelf.
Onderschrijft u de conclusie uit de beleidsdoorlichting van artikel 1 van de Begroting Koninkrijksrelaties dat door de Nederlandse investeringen in de rechtshandhavingsketen een scheefgroei is ontstaan omdat deze niet op evenwichtige wijze plaatsvinden?2
De in de vraagstelling aangehaalde scheefgroei kent zijn oorzaak in de achterblijvende investeringen van de landen in de lokale diensten. De onderzoekers van beleidsdoorlichting artikel 1 geven aan dat Nederland niet in alle schakels binnen de keten investeert, waardoor de scheefgroei onbedoeld wel versterkt wordt.4 In de kabinetsreactie hierop heeft de Staatssecretaris van BZK daarom aangekondigd samen met de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Defensie tot een heroverweging te komen van de wijze waarop Nederland om wil gaan met het versterken van de rechtsstaat en het verbeteren van goed bestuur in de landen, waarin ook aandacht zal worden besteed aan deze scheefgroei. Uw Kamer wordt hierover eind 2023 geïnformeerd.
Bent u van mening dat de huidige opstopping aan het einde van de Sint Maartense justitieketen, namelijk bij de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen, te wijten is aan onevenredig grote investeringen in de delen van de strafrechtketen die zich bezig houden met opsporing, vervolging en berechting?
Op grond van de beleidsdoorlichting van artikel 1 concludeer ik dat Nederland niet in alle schakels binnen de keten investeert. Dit kan een risico vormen voor scheefgroei in de rechtshandhavingsketen. Nederland heeft daarom de samenwerking met Sint Maarten op het gevangeniswezen in de afgelopen jaren geïntensiveerd, nu daar grote knelpunten zitten. Het is echter niet aan Nederland om de justitieketen te beoordelen. Dat neemt niet weg dat Nederland in gesprek is met de landen over de mogelijke oorzaken van de disbalans en gezamenlijke prioriteiten van de landen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 11.
Heeft u aanwijzingen om aan te nemen dat van een dergelijke scheefgroei ook sprake is in de justitieketen van Curaçao of Aruba?
Ja. Ook Curaçao en Aruba geven te kennen te maken te hebben met scheefgroei. Tijdens het Justitieel Vierpartijen Overleg op 18 januari 2023 hebben de vier Ministers van Justitie hier uitgebreid bij stilgestaan. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft uw Kamer hiervan op 4 april jl een terugkoppeling gestuurd.5
Bent u voornemens om opvolging te geven aan de aanbeveling uit de beleidsdoorlichting om toekomstige investeringen in de strafrechtketens van de landen steeds te doen op basis van het totale beeld van de keten, om opstoppingen elders in te keten te voorkomen?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 is in de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting van artikel 1 aangekondigd dat er gewerkt wordt aan een herijking van de Nederlandse inzet in de rechtsstaat van de landen. De aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting zijn hierbij het uitgangspunt. Er is daarbij dus nadrukkelijk aandacht voor het evenwicht in de rechtshandhavingsketen.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de bouw van een nieuwe gevangenis op Sint Maarten door United Nations Office for Project Services (UNOPS)? Wat is de beoogde opleverdatum?
Op 7 december 2022 zijn Sint Maarten en Nederland met UNOPS een overeenkomst aangegaan voor fase I van de bouw van een nieuwe gevangenis op Sint Maarten, waarover de Staatssecretaris van BZK uw Kamer destijds heeft geïnformeerd.6 Fase 1 is volledig door Nederland gefinancierd voor een bedrag van € 4 mln., vanuit de € 30 mln. die eenmalig beschikbaar is gesteld vanuit het kabinet (zie ook het antwoord op vraag 3).
In februari 2023 is UNOPS met de activiteiten voor fase I op Sint Maarten gestart. Dit jaar zullen Sint Maarten, Nederland en UNOPS starten met de voorbereidende gesprekken om te komen tot ondertekening van fase II van het nieuwbouwproject: de daadwerkelijke bouw van de nieuwe gevangenis. Nederland heeft hiervoor een bedrag van € 16 mln. beschikbaar, de overige kosten zal Sint Maarten moeten bijdragen. Dit laat onverlet dat Sint Maarten structurele financiële middelen voor het nieuwbouwtraject en de exploitatie van de nieuwe gevangenis in de begroting zal moeten vrijmaken. Mochten Sint Maarten, Nederland en UNOPS ook de overeenkomst van fase II aangaan, is de beoogde opleverdatum van de nieuwe detentiefaciliteit 2028.
Hoe groot is het acute tekort aan detentiecapaciteit op Sint Maarten?
Omdat de rechtshandhaving een landsaangelegenheid van Sint Maarten betreft, is het al dan niet verstrekken van deze informatie ook aan Sint Maarten zelf.
Kunt u toezeggen om bij het eerst volgende Vierlandenoverleg met de regering van Sint Maarten in gesprek te gaan over het oplossen van het acute probleem van gevangenisstraffen die niet ten uitvoer worden gelegd? Welke rol ziet u hierin voor uzelf weggelegd?
Er zijn recent gesprekken gevoerd met Sint Maarten om te bezien welke bijstand Nederland kan leveren om het acute probleem van celcapaciteit op te lossen, onder andere door het tijdelijk overplaatsen van gedetineerden naar Nederland. Om te komen tot oplossingen voor de disbalans in de justitieketen is tijdens het afgelopen JVO uitgebreid stilgestaan bij mogelijke oorzaken van de gesignaleerde disbalans, de gezamenlijke prioriteiten van de landen, de gevolgen die de scheefgroei heeft voor de samenwerking, en het belang dat toekomstige investeringen de scheefgroei niet verder vergroten. Daarnaast is afgesproken dat het gesprek tussen de landen de komende periode op ambtelijk niveau wordt voortgezet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) zal hierbij nauw optrekken met het Ministerie van BZK.
Welke mogelijkheden ziet u om in Sint Maarten opgelegde gevangenisstraffen elders in het Koninkrijk ten uitvoer te leggen?
Om als landen binnen het Koninkrijk elkaar te kunnen bijstaan bij het ten uitvoerleggen van straffen en maatregelen, bestaan sinds 2014 vier Onderlinge Regelingen Detentiecapaciteit (ORD). De ORD regelt de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid. De Openbare Ministeries van de landen dienen hun verzoek om tijdelijke beschikbaarstelling van detentiecapaciteit door tussenkomst van de Procureur Generaal tot de Minister van Justitie van het aangezochte land te richten.
Momenteel verblijven in Europees Nederland negentien gedetineerden vanuit Sint Maarten. Negen gedetineerden zijn overgebracht op grond van dringende redenen van veiligheid en tien gedetineerden resteren van de groep van 31 die in 2017 overgeplaatst in het kader van de orkanen Irma en Maria. Er is een verzoek gedaan voor tijdelijke overplaatsing van 12 additionele gedetineerden vanuit Sint Maarten. Inmiddels zijn de eerste 7 aanvragen gehonoreerd. Deze gedetineerden zijn reeds overgekomen naar Nederland. De overige 5 verzoeken zijn op dit moment in behandeling. Met het huidige verzoek komt dit aantal op een totaal van 31 gedetineerden waarbij de data voor voorwaardelijke invrijheidstelling liggen tussen 2024 en 2035.
Ik wil graag benadrukken dat het overbrengen van gedetineerden elders in het Koninkrijk geen structurele oplossing voor het cellentekort in de Pointe Blanche gevangenis in Sint Maarten is. Daarom vinden er gesprekken plaats met Sint Maarten om te bezien op welke wijze de celcapaciteit vergroot kan worden totdat de nieuwbouw er is. Verder is het aan Sint Maarten zelf om te kijken hoe de beschikbare celcapaciteit optimaal benut kan worden. Hierbij kan gedacht worden aan anders straffen, bijvoorbeeld door inzet van elektronische detentie, Of aan het gereedmaken en in gebruik nemen van de andere detentiefaciliteiten op het eiland.