Het politieonderzoek naar professor Maat, dat de minister keer op keer op keer weigerde om openbaar te maken |
|
Raymond de Roon (PVV), Michiel van Nispen (SP), Rik Grashoff (GL), Louis Bontes (GrBvK), Pieter Omtzigt (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het tot nu toe enige plenaire debat over de MH17 in april 2015 beloofde onderzoek te laten doen naar de gang van zaken rond de presentatie van professor Maat en de resultaten van dat onderzoek te delen met de Kamer?1
Ja, in het debat van 23 april 2015 heb ik aangegeven dat de politie een onderzoek zou starten.
Herinnert u zich dat u schreef dat de politie geen bezwaren ziet tegen openbaarmaking van grote delen van het onderzoek?2
Ja.
Deelt u de mening dat u de vraag om het feitenverslag, het feitenrelaas en de brieven, waarom de Kamer vroeg bij de regeling van werkzaamheden niet had moeten toetsten aan de WOB, maar gewoon aan artikel 68 van de Grondwet en u ze dus veel eerder voor een veel groter deel openbaar had moeten maken en aan de Kamer had moeten sturen?
De vraag welke informatie aan de Kamer moest worden verstrekt heb ik niet beoordeeld op grond van de Wob maar op grond van artikel 68 van de Grondwet. Ik heb er daarbij voor gekozen om uw Kamer vertrouwelijk te informeren. In algemene zin geldt dat op grond van artikel 68 Grondwet de Ministers en de Staatssecretarissen de Tweede Kamer mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van uw Kamer verlangde inlichtingen geven, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Bij de beoordeling of het belang van de staat aan de orde is, kan de aard van de gevraagde gegevens met zich brengen dat de verstrekking van de gegevens belangen raakt, die onder omstandigheden zo zwaarwegend kunnen zijn dat zij als belang van de staat moeten worden aangemerkt. Daarbij valt ook te denken aan bepaalde belangen die in de artikelen 10 en 11 van de Wob worden genoemd, zo lang deze belangen maar zijn terug te voeren op het belang van de staat.
Om enerzijds tegemoet te komen aan het informatieverzoek van uw Kamer en te voldoen aan mijn verplichting om uw Kamer volledig te informeren, en anderzijds recht te doen aan de zwaarwegende belangen die zich naar het oordeel van de politie tegen gehele openbaarmaking van het dossier aan een ieder verzetten, is het dossier, waaronder de getuigenverklaringen, vanaf 2 december 2015 ter vertrouwelijke inzage gelegd in uw Kamer. Voor de politie is hierbij in het bijzonder van belang geweest dat openbaarmaking van ondersteunende getuigenverklaringen en persoonlijke beleidsopvattingen de verklarings- en meldingsbereidheid van medewerkers voor toekomstige interne onderzoeken op het spel zet. Daarmee komt de waarheidsvinding onder druk te staan.
Gelet op de mogelijkheid om de Kamer vertrouwelijk te informeren, had ik reeds op 12 oktober niet alleen de vindplaats van het Wob-besluit (op de website van de politie) en het fysieke exemplaar van het Wob-dossier aan uw Kamer moeten toesturen. Ik had toen ook de ongelakte documenten moeten opvragen, deze zelfstandig moeten beoordelen en de ongelakte documenten vervolgens ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer moeten leggen.
Professor Maat heeft inmiddels het gelakte deel van het interne memo van de Algemeen Commandanten met als onderwerp «Relaas naar aanleiding van het feitenonderzoek professor Maat» overgeschreven en via de Mare gepubliceerd. Datzelfde geldt voor het «Rapport van relaas» van 4 juni 2015 afkomstig van de afdeling Veiligheid Integriteit en Klachten van de eenheid Den Haag van de politie. Ten behoeve van het nog te voeren debat met uw Kamer wordt dit interne memo van de Algemeen Commandanten, dat door de publicatie feitelijk openbaar is geworden, daarom bij wijze van uitzondering alsnog bij de brief aan uw Kamer als bijlage toegevoegd. Ook de delen uit het «Rapport van relaas» die professor Maat via Mare publiceerde, zijn om die reden als bijlage toegevoegd. Enkele elementen uit het «Rapport van relaas», zoals een verkorte weergave van de vertrouwelijke rapportages met de getuigenverklaringen, schreef professor Maat niet over en zijn gelakt.
Herinnert u zich dat de regering van mening is dat «vertrouwelijkheid in onze staatsrechtelijke verhoudingen uitzondering behoort te zijn en openbaarheid regel. Het parlement dient zijn controlerende taken zoveel mogelijk in alle openheid te kunnen uitoefenen. Waar mogelijk worden inlichtingen dan ook openbaar (en ruimhartig) verstrekt»?3
Ja.
Heeft u zich aan het kabinetsbeleid gehouden door deze informatie op 2 december 2015 vertrouwelijk aan de Kamer te geven en niet openbaar aan de Kamer te geven en dan met name op de punten van de weggelakte teksten in het feitenrelaas en het feitenverslag?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich dat u op 15 juni 2015 een brief met conclusies over het onderzoek aan de Kamer gestuurd heeft, waarin u vragen van de Kamer, waarop het antwoord ontlastend zou zijn voor professor Maat en vervelend voor u en anderen, wegliet, zoals het feit dat er al zeker 10 presentaties gehouden waren?4
In mijn brief van 15 juni (Kamerstuk 33 997 nr. 47) heb ik u geïnformeerd over de feiten en conclusies die de korpschef mij heeft aangeboden in zijn brief van 10 juni 2015. De conclusies van de korpschef zijn in mijn brief van 15 juni 2015 door mij onderschreven. In de brief van de korpschef (10 juni 2015) en mijn brief aan uw Kamer (15 juni 2015) wordt gemeld dat er meerdere presentaties zijn gehouden. In de beantwoording van de Kamervragen van 21 september (Kamervragen 2015–2016, nr. 94, 21 september 2015) specificeerde ik de presentaties.
Waarom koos u er op 2 december 2015 voor om de stukken ter vertrouwelijke inzage te leggen met als gevolg dat Kamerleden na inzage er niet meer over konden spreken in het openbaar?
Om enerzijds tegemoet te komen aan het informatieverzoek van uw Kamer en te voldoen aan mijn verplichting om uw Kamer volledig te informeren, en anderzijds recht te doen aan de zwaarwegende belangen die zich naar het oordeel van de politie tegen gehele openbaarmaking van het dossier aan een ieder verzetten, is het dossier, waaronder de getuigenverklaringen, vanaf 2 december 2015 ter vertrouwelijke inzage gelegd in uw Kamer.
Hoe beoordeelt u nu het feit dat u de Kamer deze documenten vertrouwelijk gaf?
Om enerzijds tegemoet te komen aan het informatieverzoek van uw Kamer en te voldoen aan mijn verplichting om uw Kamer volledig te informeren, en anderzijds recht te doen aan de zwaarwegende belangen die zich naar het oordeel van de politie tegen gehele openbaarmaking van het dossier aan een ieder verzetten, is het dossier, waaronder de getuigenverklaringen, vanaf 2 december 2015 ter vertrouwelijke inzage gelegd in uw Kamer. Voor de politie is hierbij in het bijzonder van belang geweest dat openbaarmaking van ondersteunende getuigenverklaringen en persoonlijke beleidsopvattingen de verklarings- en meldingsbereidheid van medewerkers voor toekomstige interne onderzoeken op het spel zet. Daarmee komt de waarheidsvinding onder druk te staan.
Gelet op de mogelijkheid om de Kamer vertrouwelijk te informeren, had ik reeds op 12 oktober niet alleen de vindplaats van het Wob-besluit (op de website van de politie) en het fysieke exemplaar van het Wob-dossier aan uw Kamer moeten toesturen. Ik had toen ook de ongelakte documenten moeten opvragen, deze zelfstandig moeten beoordelen en de ongelakte documenten vervolgens ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer moeten leggen.
Bent u ervan op de hoogte dat het staand kabinetsbeleid is (door u bevestigd in antwoorden op eerdere vragen) dat vragen van de Kamer moeten leiden tot een ruimer antwoord dan de WOB en dat u in ieder geval in september het hele dossier aan de Kamer had moeten sturen op basis van artikel 68 van de Grondwet, dat als enige uitzonderingsgrond het belang van de staat heeft?
Om enerzijds tegemoet te komen aan het informatieverzoek van uw Kamer en te voldoen aan mijn verplichting om uw Kamer volledig te informeren, en anderzijds recht te doen aan de zwaarwegende belangen die zich naar het oordeel van de politie tegen gehele openbaarmaking van het dossier aan een ieder verzetten, is het dossier, waaronder de getuigenverklaringen, vanaf 2 december 2015 ter vertrouwelijke inzage gelegd in uw Kamer. Voor de politie is hierbij in het bijzonder van belang geweest dat openbaarmaking van ondersteunende getuigenverklaringen en persoonlijke beleidsopvattingen de verklarings- en meldingsbereidheid van medewerkers voor toekomstige interne onderzoeken op het spel zet. Daarmee komt de waarheidsvinding onder druk te staan.
Gelet op de mogelijkheid om de Kamer vertrouwelijk te informeren, had ik reeds op 12 oktober niet alleen de vindplaats van het Wob-besluit (op de website van de politie) en het fysieke exemplaar van het Wob-dossier aan uw Kamer moeten toesturen. Ik had toen ook de ongelakte documenten moeten opvragen, deze zelfstandig moeten beoordelen en de ongelakte documenten vervolgens ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer moeten leggen.
Herinnert u zich dat u een paar dagen later bij het WOB-verzoek alle getuigenverklaringen – tegen eerdere beloften in – volledig en 100% zwart gemaakt waren en dat ook het feitenrelaas en het feitenverslag voor de helft zwart gemaakt waren?5
Ik heb bij brief van 7 oktober 2015 toegezegd dat ik uw Kamer de geanonimiseerde versie van het feitenonderzoek zou doen toekomen. Het betrof hier dus de versie zoals de korpschef deze openbaar zou maken in reactie op de Wob-verzoeken die bij de politie waren ingediend. Aan die toezegging heb ik gevolg gegeven door u in mijn brief van 12 oktober 2015 (Kamerstuk 33 997, nr. 51) op de hoogte te stellen van de openbaarmaking van delen van het interne feitenonderzoek door de korpschef en u op de vindplaats van deze documenten te wijzen.
Gelet op de mogelijkheid om de Kamer vertrouwelijk te informeren, had ik reeds op 12 oktober niet alleen de vindplaats van het Wob-besluit (op de website van de politie) en het fysieke exemplaar van het Wob-dossier aan uw Kamer moeten toesturen. Ik had toen ook de ongelakte documenten moeten opvragen, deze zelfstandig moeten beoordelen en de ongelakte documenten vervolgens ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer moeten leggen.
Deelt u de mening dat de WOB-uitzonderingsgronden veel te royaal gebruikt zijn om de stukken (en dan met name de getuigenverklaringen, het feitenrelaas en het feitenverslag) zwart te maken?
Tegen de besluiten die de politie op de desbetreffende Wob-verzoeken heeft genomen, is inmiddels door twee verzoekers bezwaar gemaakt. Bij de politie is voor de behandeling van alle bezwaarschriften op basis van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht een zogenoemde Adviescommissie ingesteld, die dus ook over deze bezwaarschriften zal adviseren. Deze onafhankelijke Adviescommissie bestaat uit drie niet aan de politie gelieerde deskundigen (een emeritus hoogleraar bestuursrecht, een advocaat en een voormalig hoofdredacteur van een landelijk dagblad) en zal een advies uitbrengen over de Wob-besluiten en dus ook over de vraag of de weigerings- c.q. uitzonderingsgronden van de Wob naar haar mening op de juiste manier zijn toegepast. Met de korpschef heb ik afgesproken dat deze mij het advies van de Adviescommissie én het naar aanleiding daarvan genomen besluit zal doen toekomen zodat ik uw Kamer hierover kan informeren.
Is er enig overleg geweest tussen de politie en u/uw staf/uw departement over de wijze waarop de stukken onder de WOB stukken zwart gemaakt moesten worden? Wat was de uitkomst van het overleg en kunt u uw antwoord toelichten?
De politie is als eigenstandig bestuursorgaan verantwoordelijk voor de afhandeling van het Wob-verzoek. Mijn ministerie heeft geen bemoeienis gehad met het toepassen van de Wob door de politie. Conform de toezegging in mijn brief van 7 oktober 2015 (naar aanleiding van regeling van werkzaamheden van 23 september jl.) heb ik u op 12 oktober 2015 geïnformeerd dat de politie diezelfde dag (12 oktober) informatie met betrekking tot het interne feitenonderzoek naar het handelen van professor Maat openbaar maakte. Ik heb uw Kamer vervolgens op de vindplaats van deze documenten op de website van de politie gewezen en tegelijkertijd is het fysieke Wob-dossier doorgeleid aan uw Kamer.
Bent u bereid om een onafhankelijke opinie te vragen over de excessieve mate waarin de zwarte viltstift is gehanteerd bij het WOB verzoek en deze met de Kamer te delen?
Tegen de besluiten die de politie op de desbetreffende Wob-verzoeken heeft genomen, is inmiddels door twee verzoekers bezwaar gemaakt. Bij de politie is voor de behandeling van alle bezwaarschriften op basis van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht een zogenoemde Adviescommissie ingesteld, die dus ook over deze bezwaarschriften zal adviseren. Deze onafhankelijke Adviescommissie bestaat uit drie niet aan de politie gelieerde deskundigen (een emeritus hoogleraar bestuursrecht, een advocaat en een voormalig hoofdredacteur van een landelijk dagblad) en zal een advies uitbrengen over de Wob-besluiten en dus ook over de vraag of de weigerings- c.q. uitzonderingsgronden van de Wob naar haar mening op de juiste manier zijn toegepast. Met de korpschef heb ik afgesproken dat deze mij het advies van de Adviescommissie én het naar aanleiding daarvan genomen besluit zal doen toekomen zodat ik uw Kamer hierover kan informeren.
Op het departement zal extra aandacht gegeven worden aan de behandeling van Wob-verzoeken. Bij de bespreking met uw Kamer van het rapport van de Commissie-Oosting kwam onder meer de vraag aan de orde of niet te vaak informatie wordt geweigerd op de grondslag dat sprake is van intern beraad en van persoonlijke beleidsopvattingen van degenen die bij dat intern beraad betrokken zijn. Ik heb hierin aanleiding gevonden om bij de behandeling van Wob-verzoeken op mijn departement de komende tijd een of meer externe deskundigen te betrekken, die de behandelaars van Wob-verzoeken met advies kunnen bijstaan. Hiermee verwacht ik ook de kwaliteit en transparantie van Wob-beslissingen die onder mijn verantwoordelijkheid worden genomen, te vergroten.
Dit punt wordt meegenomen in het Verbetertraject dat ik binnen mijn ministerie ben gestart en waarover in het jaarverslag 2016 aan uw Kamer zal worden gerapporteerd. Deze nieuwe werkwijze breng ik ook onder de aandacht bij de diensten en agentschappen die onder mijn verantwoordelijkheid ressorteren.
Kunt u aangeven welke belangen van de staat geschonden zijn nu deze documenten openbaar geworden zijn via de website van Mare?6
Het belang dat aan de orde is bij de openbaarmaking van de informatie is de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren. De documenten die het betreft zijn documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Deze documenten bevatten persoonlijke beleidsvattingen. Het is van belang dat ambtenaren vrijelijk van gedachten kunnen wisselen en in alle openhartigheid kunnen communiceren met hun Minister zonder er daarbij rekening mee te hoeven houden dat hun opvattingen en standpunten in de openbaarheid komen. Dit geldt ook voor de meningsvorming binnen de politie, bijvoorbeeld tussen de commandanten onderling en voor de adviezen van de commandanten aan de korpschef, maar ook voor de adviezen van de korpschef aan de Minister. Indien het risico bestaat dat de individuele opvattingen en standpunten van ambtenaren in de openbaarheid komen zullen ambtenaren zich minder vrij voelen in alle openheid onderling en met hun bewindspersoon van gedachten te wisselen.
Kunt u aangeven welke andere problemen zijn ontstaan, nu deze documenten openbaar geworden zijn en die voorkomen hadden kunnen worden als de zwartgelakte stukken van de tekst niet openbaar geworden zouden zijn?
Openbaarmaking van de persoonlijke beleidsopvattingen houdt het risico in dat ambtenaren zich minder vrij zullen voelen om in alle openheid met elkaar en hun bewindspersoon te communiceren. Voor de politie was van belang dat openbaarmaking van verklaringen de verklarings- en meldingsbereidheid van medewerkers voor toekomstige interne onderzoeken op het spel zet. Daarmee komt de waarheidsvinding onder druk te staan en daardoor zou de informatieverstrekking aan mij kunnen worden belemmerd waardoor de mogelijkheid om de kamer te informeren en uitvoering te geven aan mijn ministeriële verantwoordelijkheid zou worden bemoeilijkt.
Ziet u dat de eerste zin die uit het feitenrelaas zwartgelakt is: «Op donderdag 23 april werd op last van de Minister van Veiligheid en Justitie de samenwerking met professor Maat beëindigd» en dat dat op grond van de WOB, artikel 10, lid 2, sub d/e/g of artikel 11, lid 1, gebeurd is, namelijk de uitzonderingen voor toezicht bestuursorganen, bescherming persoonlijke levenssfeer, onevenredige bevoordeling/benadeling en intern beraad?
Ja.
Deelt u de mening dat deze zin onder geen van deze uitzonderingsgronden kan vallen en gewoon openbaar gemaakt had moeten worden? Indien hij onder de WOB zwart gemaakt had mogen worden, op welke grond mocht dat dan volgens u?
Tegen de besluiten die de politie op de desbetreffende Wob-verzoeken heeft genomen, is inmiddels door twee verzoekers bezwaar gemaakt. Bij de politie is voor de behandeling van alle bezwaarschriften op basis van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht een zogenoemde Adviescommissie ingesteld, die dus ook over deze bezwaarschriften zal adviseren. Deze onafhankelijke Adviescommissie bestaat uit drie niet aan de politie gelieerde deskundigen (een emeritus hoogleraar bestuursrecht, een advocaat en een voormalig hoofdredacteur van een landelijk dagblad) en zal een advies uitbrengen over de Wob-besluiten en dus ook over de vraag of de weigerings- c.q. uitzonderingsgronden van de Wob naar haar mening op de juiste manier zijn toegepast. Met de korpschef heb ik afgesproken dat deze mij het advies van de Adviescommissie én het naar aanleiding daarvan genomen besluit zal doen toekomen zodat ik uw Kamer hierover kan informeren.
Op welk tijdstip op 23 april 2015 (voor het debat, tijdens het plenaire debat over de MH17) heeft u persoonlijk het besluit om de samenwerking met professor Maat te beëindigen genomen? Op welke wijze heeft u dit besluit meegedeeld aan professor Maat?
Ik heb dat besluit niet genomen.
Kunt u aangeven hoe deze werkrelatie beëindigd is? Heeft u een ambtelijke instructie gegeven?
Van een instructie is geen sprake geweest.
Op basis van welke wet of regeling kunt u ingrijpen bij de personele bezetting van een lopend onafhankelijk onderzoek en persoonlijk besluiten dat werkzaamheden van professor Maat beëindigd zijn?
Op basis van artikel 31 van de Politiewet 2012 kan de Minister van Veiligheid en Justitie aan de korpschef algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van diens taken en bevoegdheden. Van een aanwijzing is geen sprake geweest.
Is het inhuren van externen bij de politie een taak van de Minister of is dit een gedelegeerde bevoegdheid? Indien de bevoegdheid gedelegeerd is, heeft u dan eerst de delegatie ingetrokken?
Nee, dit is geen taak van de Minister van Veiligheid en Justitie, maar een taak van de politie zelf. Op grond van artikel 26 van de Politiewet 2012 heeft de politie eigen rechtspersoonlijkheid.
Hoe beoordeelt u het feit dat u wel persoonlijk het besluit neemt om de de samenwerking met professor Maat te beëindigen, maar dat u het onderzoek daarover zelf niet leest en zich slechts baseert op een samenvatting van korpschef Bouwman?
Ik heb dat besluit niet genomen. Omdat er sprake was van een samenwerkingsrelatie tussen de politie en professor Maat heeft de politie na 22 april 2015 een onderzoek opgestart naar het optreden van professor Maat. De korpschef heeft op basis van de uitkomsten van het onderzoek vanuit zijn eindverantwoordelijkheid conclusies getrokken. Ik heb de conclusies van de korpschef onderschreven.
Hoeveel versies van de brief van korpschef Bouwman over het resultaat van het feitenonderzoek zijn naar het ministerie/uw staf/u gestuurd? Kunt u elk van de versies openbaar maken?
De brief van korpschef Bouman is voorafgegaan door twee eerdere versies, op 9 en op 10 juni 2015. Deze versies worden bijgevoegd bij deze brief. Aan de hand van de eerste conceptversie zijn binnen mijn ministerie twee verduidelijkende vragen gesteld, dat heeft niet geleid tot een wijziging. In de conceptversie van 10 juni stond op pagina 3 de zinsnede: «Het handelen van de heer Maat heeft een grote impact op de nabestaanden van de ramp met MH17. Daarom heb ik de samenwerking met de heer Maat ten behoeve van dit identificatieproces beëindigd.» Deze zinsnede is na contact tussen politie en mijn ambtenaren vervangen door: «Het handelen van de heer Maat heeft een grote impact op de nabestaanden. Daarom heb ik de samenwerking met de heer Maat ten behoeve van dit identificatieproces beëindigd». De korpschef kon zich hier mee verenigen. De definitieve versie werd daarna door de korpschef aan mijn ministerie verstuurd.7
Welke informatie had u tot uw beschikking toen op uw last de samenwerking met professor Maat beëindigd werd? Kunt u deze vraag heel precies en uitputtend beantwoorden, inclusief de mails en notities die u gegeven zijn?
Van een instructie of last is geen sprake geweest, ik heb dat besluit niet genomen. Omdat er sprake was van een samenwerkingsrelatie tussen de politie en professor Maat heeft de politie na 22 april 2015 een onderzoek opgestart naar het optreden van professor Maat. De korpschef heeft op basis van de uitkomsten van het onderzoek vanuit zijn eindverantwoordelijkheid conclusies getrokken. Ik heb de conclusies van de korpschef onderschreven.
Is er wederhoor gepleegd met professor Maat, nadat het voornemen om de samenwerking met hem te beëindigen aan hem bekend gemaakt was en voordat de relatie beëindigd werd? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Op 22 april 2015 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen het hoofd van het LTFO en professor Maat. In dit gesprek is gesproken over de beslissing van de politie dat in afwachting van het onderzoek niet langer gebruik kon worden gemaakt van de diensten van professor Maat.
In het kader van het interne onderzoek is professor Maat gehoord. Het verslag daarvan is vervolgens aan hem voorgelegd ter instemming op 17 juni en door hem ondertekend.
Na het afronden van het interne onderzoek heeft de korpschef mij in zijn brief van 10 juni 2015 laten weten dat hij de samenwerking met professor Maat ten behoeve van dit identificatieproces had beëindigd.Professor Maat werd op de hoogte gesteld van het oordeel van de Algemeen Commandanten en van het besluit van de korpschef van 10 juni.
Op 17 juni 2015 is ook in een gesprek bij professor Maat thuis met de leiding van LTFO hem formeel meegedeeld dat het besluit van de politie inhoudt dat hij zijn bijdrage aan het identificatieproces MH17 niet verder kan continueren.
Op 4 september 2015 heeft de politiechef van de Landelijke Eenheid van de politie gesproken met professor Maat. In dit gesprek is ook aan de orde geweest dat de politie in voorkomende toekomstige gevallen alsnog graag gebruik zou willen maken van de kennis en expertise van professor Maat, waar professor Maat toe bereid was.
Waarom is van de zin uit het feitenrelaas «Het ontbreekt aan duidelijke kaders, afspraken en criteria met betrekking tot het geven van lezingen» geen spoor meer te vinden in de brief aan de Kamer over dat feitenrelaas van 15 juni?
Deze zin is wel opgenomen in mijn brief van 15 juni 2015 aan uw Kamer: «Anderzijds wijst het onderzoek uit dat het binnen het LTFO ontbreekt aan duidelijke kaders, afspraken en criteria met betrekking tot het geven van lezingen en het vrijgeven en gebruik van (beeld)materiaal afkomstig uit de werkprocessen van het LTFO. Het is in de jarenlange gegroeide werkprocessen en gewoonten van het LTFO gebruikelijk om aan vakgenoten lezingen te geven.»
Op basis van welk artikel in de WOB kon de volgende zin weggelakt worden: «Uit onderzoek is mij, rapporteur, gebleken dat er op intranet een «presentatie voor collega’s» staat. In deze presentatie staan geen foto’s die herleidbaar zijn naar slachtoffers. Op intranet is te zien dat het bericht op 9 april is gewijzigd.»?
Tegen de besluiten die de politie op de desbetreffende Wob-verzoeken heeft genomen, is inmiddels door twee verzoekers bezwaar gemaakt. Bij de politie is voor de behandeling van alle bezwaarschriften op basis van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht een zogenoemde Adviescommissie ingesteld, die dus ook over deze bezwaarschriften zal adviseren. Deze onafhankelijke Adviescommissie bestaat uit drie niet aan de politie gelieerde deskundigen (een emeritus hoogleraar bestuursrecht, een advocaat en een voormalig hoofdredacteur van een landelijk dagblad) en zal een advies uitbrengen over de Wob-besluiten en dus ook over de vraag of de weigerings- c.q. uitzonderingsgronden van de Wob naar haar mening op de juiste manier zijn toegepast. Met de korpschef heb ik afgesproken dat deze mij het advies van de Adviescommissie én het naar aanleiding daarvan genomen besluit zal doen toekomen zodat ik uw Kamer hierover kan informeren.
Klopt het dat er dus een presentatie op intranet beschikbaar was voor alle collega’s in het LFTO en dat Maat gestraft werd omdat hij een presentatie hield, terwijl hij en collega’s en leidinggevenden al zeker 10 presentaties gehouden hadden?
De presentatie die op het politie intranet is geplaatst, is gemaakt in opdracht van het Hoofd Communicatie uit de Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO) en is goedgekeurd door de SGBO. Deze presentatie geeft een algemene indruk van alle politieprocessen rond de ramp met MH17 en laat zien hoe een en ander door politiemedewerkers zelf is ervaren. De presentatie was voor het LTFO bedoeld en politiecollega’s die betrokken waren bij de ramp met MH17. In deze algemene presentatie komen geen tot slachtoffers herleidbare objecten voor. De presentatie is als bijlage toegevoegd aan de brief.8
Op welk moment heeft u het feitenrelaas en het feitenverslag, dat u in oktober gelakt en in december ongelakt en vertrouwelijk naar de Kamer stuurde, zelf gelezen?
Op 2 december heb ik het complete dossier doorgeleid naar uw Kamer. Vanaf dat moment kan het dossier tot mijn kennis gerekend worden.
Op welk moment besefte u elke van de volgende feiten: dat er zeker 10 presentaties geweest waren; dat er een presentatie op het intraweb stond die gebruikt kon worden; dat het ontbreekt aan duidelijke kaders, afspraken en criteria met betrekking tot het geven van lezingen; dat de commandanten van SGBO MH17 schreven dat: «De genomen maatregelen naar aanleiding van de RTL4-publicatie hebben plaats gevonden zonder goed inzicht in de feiten»?
Na overleg op mijn ministerie in de ochtend van 23 april met het LTFO, werd mij duidelijk dat meerdere presentaties waren gegeven. Ik heb uw Kamer meegedeeld dat ik het van groot belang vindt dat vakgenoten kennis kunnen delen, zij het binnen kaders.
In de brief van de korpschef (10 juni 2015) en mijn brief aan uw Kamer (15 juni) wordt gemeld dat er meerdere presentaties zijn gehouden. In de beantwoording van de Kamervragen van 21 september (Kamervragen 2015–2016, nr. 94, 21 september 2015) specificeerde ik de presentaties.
Op 10 juni wist ik ook van het ontbreken van duidelijke kaders.
Op 2 december 2015 heb ik het complete, ongelakte dossier doorgeleid naar uw Kamer. Vanaf dat moment wist ik ook van de presentatie op het intraweb van het LTFO.
Waarom heeft u, toen u de bovenstaande feiten kende, niet onmiddellijk uw brief van 15 juni 2015 aan de Kamer op eigen initiatief aangepast om bovenstaande feiten toe te voegen?
Gaandeweg het proces zijn de feiten uit het onderzoek nimmer gewijzigd. Kennis over het oordeel van de Algemeen Commandanten zou geen aanleiding hebben gegeven tot een andere beslissing, omdat het oordeel van de Algemeen Commandanten is meegewogen door de korpschef in zijn eindoordeel.
Kunt u, conform eerdere toezeggingen, de getuigenverklaringen openbaar maken (waarbij natuurlijk bepaalde persoonsgegevens zwartgelakt kunnen worden)? Zo nee, welk belang van de staat is dan gediend om dat niet te doen?
De belangen die aan de orde zijn bij de openbaarmaking van de informatie zijn de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren. De documenten die het betreft zijn documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Deze documenten bevatten persoonlijke beleidsvattingen. Het is van belang dat ambtenaren vrijelijk van gedachten kunnen wisselen en in alle openhartigheid kunnen communiceren met hun Minister zonder er daarbij rekening mee te hoeven houden dat hun opvattingen en standpunten in de openbaarheid komen. Dit geldt ook voor de meningsvorming binnen de politie, bijvoorbeeld tussen de commandanten onderling en voor de adviezen van de commandanten aan de korpschef, maar ook voor de adviezen van de korpschef aan de Minister. Indien het risico bestaat dat de individuele opvattingen en standpunten van ambtenaren in de openbaarheid komen zullen ambtenaren zich minder vrij voelen in alle openheid onderling en met hun bewindspersoon van gedachten te wisselen.
Indien u zich wederom wenst te verschuilen achter de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, kunt u dan verklaringen van de gehoorden overleggen waarin ze stellen dat gedeeltelijk of gehele openbaarmaking niet wenselijk achten en dat geheimhouding is afgesproken?
De politie geeft aan dat in een intern onderzoek van de politie verklaringen standaard vertrouwelijk zijn. Interne onderzoeken bestaan in hoofdzaak uit verklaringen van collega’s die vertrouwelijkheid verwachten en krijgen. Juist door het vertrouwelijk behandelen van verklaringen is de verklaringsbereidheid van de collega’s tot op heden groot. Als verklaringen openbaar gemaakt worden, zal de terughoudendheid van getuigen bij de politie om te verklaren vergroot worden en zal daarmee de waarde van verklaringen afnemen. Daarmee bestaat een gerede kans dat rapporten van mindere kwaliteit worden.
Herinnert u zich de antwoorden op vraag 6 en 7 van 7 december 2015?7
Ja.
Klopt het dat professor Maat in het kader van de beantwoording van de vragen gevraagd is wat hij ervan vindt dat het gesprek geheim gehouden zou worden en dat hij per mail geantwoord heeft: «Ik heb er geen bezwaar tegen als u een korte samenvatting van het gesprek maakt en die aan de Kamer stuurt, nadat ik hem gezien en goedgekeurd heb.»?8
Op voorhand is per email afgesproken tussen mij en professor Maat dat wij beiden geen informatie naar buiten zouden brengen over het gesprek dat toen nog moest plaatsvinden. Het betrof een gesprek waarvan geen verslag is gemaakt en waarbij door mij geen aantekeningen zijn bijgehouden.
Het klopt dat in een mailwisseling tussen professor Maat en een medewerker van mijn ministerie, nadat het gesprek tussen professor Maat en mijzelf had plaatsgevonden, professor Maat aangaf dat hij geen bezwaar had om alsnog een samenvatting van ons gesprek naar buiten te brengen. Na die betreffende mail van professor Maat heeft daaropvolgend op 6 oktober 2015 ook een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van mijn ministerie en professor Maat. In dat laatste telefoongesprek is de afspraak herbevestigd om van het gesprek niets naar buiten te brengen. Professor Maat heeft daar toen mee ingestemd.
Is een verslag over het gesprek geweigerd omdat u het niet wilde schrijven en verschaffen of omdat professor Maat dat niet wilde?
Op voorhand is per email afgesproken tussen mij en professor Maat dat wij beiden geen informatie naar buiten zouden brengen over het gesprek dat toen nog moest plaatsvinden. Dat hebben wij beiden ook na afloop van het gesprek herbevestigd.
Deelt u de mening dat u de antwoorden op bovenvermelde vragen 6 en 7 dus dient te herzien, aangezien professor Maat zelf duidelijk niet van mening is dat de inhoud van het gesprek vertrouwelijk moet blijven? Zijn er nog meer antwoorden op Kamervragen in het dossier-Maat die u wenst te herzien?
Nee.
Heeft de regering op bepaalde momenten invloed gehad door opdrachten te geven, hints en aanwijzingen te geven, verdragen of overeenkomsten te tekenen die de onderzoeken belemmeren of andere zaken te doen of laten, bij de onderzoeken naar de MH17? Zo ja, kunt u die dan een voor een toelichten en kunt u aangeven waarom dat noodzakelijk was en het onderzoek niet beschadigden?
Dat is mij niet bekend.
Heeft u op andere momenten druk uitgeoefend op andere justitiële onderzoeken? Zo ja, hoe en welke?
Nee, hiervan is geen sprake.
Heeft u de Kamer in uw ogen volledig, juist en tijdig geïnformeerd in de zaak, waarin professor Maat lijdend voorwerp van uw handelen geworden is?
Om enerzijds tegemoet te komen aan het informatieverzoek van uw Kamer en te voldoen aan mijn verplichting om uw Kamer volledig te informeren, en anderzijds recht te doen aan de zwaarwegende belangen die zich naar het oordeel van de politie tegen gehele openbaarmaking van het dossier aan een ieder verzetten, is het dossier, waaronder de getuigenverklaringen, vanaf 2 december 2015 ter vertrouwelijke inzage gelegd in uw Kamer. Voor de politie is hierbij in het bijzonder van belang geweest dat openbaarmaking van ondersteunende getuigenverklaringen de verklarings- en meldingsbereidheid van medewerkers voor toekomstige interne onderzoeken op het spel zet. Daarmee komt de waarheidsvinding onder druk te staan.
Gelet op de mogelijkheid om de Kamer vertrouwelijk te informeren, had ik reeds op 12 oktober niet alleen de vindplaats van het Wob-besluit (op de website van de politie) en het fysieke exemplaar van het Wob-dossier aan uw Kamer moeten toesturen. Ik had toen ook de ongelakte documenten moeten opvragen, deze zelfstandig moeten beoordelen en de ongelakte documenten vervolgens ter vertrouwelijke inzage in uw Kamer moeten leggen.
Professor Maat heeft inmiddels het gelakte deel van het interne memo van de Algemeen Commandanten met als onderwerp «Relaas naar aanleiding van het feitenonderzoek professor Maat» overgeschreven en via de Mare gepubliceerd. Datzelfde geldt voor het «Rapport van relaas» van 4 juni 2015 afkomstig van de afdeling Veiligheid Integriteit en Klachten van de eenheid Den Haag van de politie. Ten behoeve van het nog te voeren debat met uw Kamer wordt dit interne memo van de Algemeen Commandanten, dat door de publicatie feitelijk openbaar is geworden, daarom bij wijze van uitzondering alsnog bij de brief aan uw Kamer als bijlage toegevoegd. Ook de delen uit het «Rapport van relaas» die professor Maat via Mare publiceerde, zijn om die reden als bijlage toegevoegd. Enkele elementen uit het «Rapport van relaas», zoals een verkorte weergave van de vertrouwelijke rapportages met de getuigenverklaringen, schreef professor Maat niet over en zijn gelakt.
Vindt u het, met de kennis die u nu heeft, een wijs besluit van u zelf om de werkrelatie met professor Maat op 23 april 2015 te beëindigen? Zo nee, welke feiten hebben u van inzicht doen veranderen en bent u bereid excuses aan te bieden aan professor Maat?
Van een instructie of last is geen sprake geweest, ik heb dat besluit niet genomen. Omdat er sprake was van een samenwerkingsrelatie tussen de politie en professor Maat heeft de politie na 22 april 2015 een onderzoek opgestart naar het optreden van professor Maat. De korpschef heeft op basis van de uitkomsten van het onderzoek vanuit zijn eindverantwoordelijkheid conclusies getrokken. Ik heb de conclusies van de korpschef onderschreven.
Ik heb inmiddels met professor Maat gesproken en hem mijn excuses aangeboden voor het feit dat ik mij in die eerste reactie op 22 april teveel door de emotie heb laten leiden.
Kunt u elk van deze vragen afzonderlijk, compleet en zo spoedig mogelijk beantwoorden, zo mogelijk binnen een week? Indien u meer tijd nodig heeft, wilt u dan aan de Kamer meedelen wanneer een antwoord verwacht mag worden?
Ja.
Intolerantie in Somalië en Brunei |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het verbod van Kerstfeest in Somalië en Brunei?1
Ja. In zowel Somalië als Brunei geldt het verbod om Kerstfeest te vieren alleen voor moslims. Het is niet-moslims toegestaan in eigen kring het Kerstfeest te vieren.
Bent u het ermee eens dat deze schandelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting een reden is om de Nederlandse banden met deze islamitische landen te bevriezen? Zo nee, waarom wilt u banden onderhouden met deze verschrikkelijke landen en culturen?
Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en vrijheid van meningsuiting zijn prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het bevriezen van de banden met Somalië en Brunei zou het kabinet de mogelijkheid ontnemen hierover met deze landen een dialoog te voeren.
Nederland onderhoudt bilaterale banden met zowel Brunei als Somalië, zowel politiek als economisch. Binnen deze relatie kan op constructieve wijze over mensenrechten worden gesproken. Daarnaast stelt Nederland ook in EU- en VN-verband de mensenrechten in beide landen aan de orde.
Bent u het ermee eens dat iedere Nederlandse steun voor het islamitische bewind in Somalië verkwisting van geld van de Nederlandse belastingbetaler is en dat de Nederlandse militairen in dat moslimland onmiddellijk naar huis moeten komen om hier ons land te beschermen tegen islamitische invasies? Zo nee, waarom wilt u islamitische onderdrukkers steunen?
Nederland deelt het besef van de internationale gemeenschap dat de situatie in Somalië waarschijnlijk zal verslechteren wanneer er geen internationale hulp meer geboden wordt. Vanuit dit oogpunt acht Nederland het van belang om te blijven bijdragen aan de wederopbouw van Somalië en de stabiliteit in het land, onder meer door het bijdragen aan de EU-trainingsmissie in Somalië.
De deelname van Arabische landen aan de bombardementen tegen ISIS |
|
Joël Voordewind (CU), Raymond de Roon (PVV), Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toespraak van de Minister van Defensie van de Verenigde Staten «Statement on the Counter-ISIL Campaign before the Senate Armed Services Committee»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraak «Saudi Arabia and the Gulf states joined the air portion of the campaign in the early days – only the air part – but have since been pre-occupied by the conflict in Yemen, both in the air and on the ground.»? Kunt u bevestigen dat Saoedi-Arabië en de Golfstaten nauwelijks nog bombardementen uitvoeren tegen ISIS?
Over het precieze aandeel (aantallen luchtaanvallen) van Arabische bondgenoten in de luchtcampagne in de strijd tegen ISIS worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In meer algemene zin kan worden gesteld dat het toenemende aantal crises in de regio leidt tot capaciteitsuitdagingen. De Golfpartners blijven actief in de strijd tegen ISIS. De Arabische partners blijven ook actief in de anti-ISIS coalitie.
Kunt u ingaan op de volgende beweringen: «Pentagon statements reveal that half the Arab countries in the coalition have carried out no bombing in Iraq and Syria at all. Bahrain and Jordan haven't dropped any bombs in months, according to a U.S. official speaking on background about the actions of allies, and Saudi Arabia and the United Arab Emirates bomb about once a month.»?2 Kunt u deze uitspraken bevestigen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Blijft u, ondanks de uitspraken van de Minister van Defensie van de Verenigde Staten, bij uw opmerking dat u «in het openbaar geen cijfers kan geven over wie wanneer welke bombardementen heeft uitgevoerd»?3 Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ja. Het betreft operationele, geclassificeerde informatie. Bovendien opereert de anti-ISIS coalitie als één geheel; de inbreng van alle coalitiepartners is van wezenlijk belang voor de coalitie en de strijd tegen ISIS.
Wanneer heeft Saoedi-Arabië voor het laatst bombardementen uitgevoerd tegen ISIS?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wanneer heeft Bahrein voor het laatst bombardementen uitgevoerd tegen ISIS?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer hebben de Verenigde Arabische Emiraten voor het laatst bombardementen uitgevoerd tegen ISIS?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer heeft Jordanië voor het laatst bombardementen uitgevoerd tegen ISIS?
Zie antwoord vraag 5.
Welke landen voeren bombardementen uit tegen ISIS in Irak en Syrië?
De volgende landen hebben deelgenomen of nemen op dit moment deel aan de luchtaanvallen van de anti-ISIS coalitie: Australië, België, Canada, Denemarken, Frankrijk, Jordanië, Nederland, Saoedi-Arabië, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Hoeveel bombardementen zijn er in 2014 en 2015 tot nu toe, per maand, door de coalitie uitgevoerd boven Irak? Kunt u daarbij tevens toelichten wie de bombardementen heeft uitgevoerd?
In 2014 zijn in totaal 6.591 sorties uitgevoerd door coalitietoestellen. Bij 2.003 van deze sorties is minstens één wapen afgevuurd. In 2015 zijn tot en met 30 november 2015 19.269 sorties uitgevoerd. In 2015 was tot en met 30 november bij 8.929 sorties sprake van minstens één afgevuurd wapen. Informatie over wie wanneer welke bombardementen heeft uitgevoerd, wordt niet in het openbaar gedeeld.
Hoeveel bombardementen zijn er in 2014 en 2015 tot nu toe, per maand, door de coalitie uitgevoerd boven Syrië? Kunt u daarbij tevens toelichten wie de bombardementen heeft uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u de antwoorden op deze vragen binnen drie weken aan de Kamer sturen, dus uiterlijk vrijdag 8 januari a.s.?
Het is niet haalbaar gebleken de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Resoluties bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties |
|
Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat 20 van de 23 resoluties ingediend tijdens de 70e vergadering van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) gericht zijn tegen, dan wel direct betrekking hebben op, het handelen van de staat Israël? Hoe beoordeelt u deze handelwijze van de AVVN?
Tijdens de huidige, 70ste zitting van de AVVN, die loopt tot september 2016, zijn tot dusver 19 resoluties aangenomen die direct of indirect betrekking hebben op het handelen van Israël. In het onderhandelingsproces stelde Nederland zich kritisch op en streefde het naar het bereiken van zoveel mogelijk evenwicht in de resoluties. Bij het bepalen van de positie ten aanzien van de resoluties lette Nederland op feitelijke juistheid en op proportionaliteit in taalgebruik over (vermeende) schendingen. Daarbij trok Nederland zoveel mogelijk in EU-verband op. Op basis hiervan heeft Nederland net als voorgaande jaren 15 van de 19 tot nu toe ingediende resoluties gesteund.
Deelt u de mening dat dit disproportionele aantal het discutabele politieke signaal afgeeft dat Israël meer dan enige andere staat ter wereld in overtreding is tegen internationale rechtsregels? In hoeverre heeft Nederland getracht dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Kan de regering toelichten hoe zij zich heeft opgesteld tijdens genoemde stemmingen en om welke reden zij al dan niet heeft ingestemd met de betreffende resoluties?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre bent u het eens met de zinsnede uit resolutie 19, die betrekking heeft op de Israëlische aanwezigheid op de Golanhoogte; dat «the continued occupation of the Syrian Golan and its de facto annexation constitute a stumbling block in the way of achieving a just, comprehensive and lasting peace in the region»? Spelen andere partijen in de regio niet een veel grotere rol bij het in stand houden van de regionale conflicten?
De genoemde zinsnede is onderdeel van de jaarlijks terugkerende resolutie over de Israëlische aanwezigheid op de Golanhoogte (AVVN resolutie A/70/L.17). De EU heeft de resolutie dit jaar gesteund, net als in voorgaande jaren. Er heeft dit jaar geen onderhandeling over deze resolutie plaatsgevonden. Het kabinet is van mening dat er vele partijen en factoren een rol spelen bij het in stand houden van de regionale conflicten.
Op welke wijze wil Nederland zich ervoor inzetten dat de AVVN zich in het bijzonder gaat richten op die landen die zich ernstig schuldig maken aan schending van internationale rechtsregels, maar die nu zelden of nooit worden aangesproken?
Nederland zet zich er op verschillende manieren voor in dat landen die het internationaal recht schenden daarop worden aangesproken door de AVVN. De AVVN richt zich bovendien reeds op landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van het internationaal recht. Zo heeft de AVVN deze zitting resoluties aangenomen over de situatie in Noord-Korea, Iran, Myanmar en Syrië. De EU speelt een belangrijke rol in het agenderen en faciliteren van deze resoluties. Nederland stelt zich proactief op bij de onderhandelingen en bij het verwerven van steun voor desbetreffende resoluties. Daarnaast kunnen in de Derde Commissie van de AVVN zorgwekkende ontwikkelingen in landen aan de orde worden gesteld. Jaarlijks legt de EU daarin een statement af waarin het namens de lidstaten zorgen uitspreekt over mensenrechtenschendingen in specifieke landen. Een ander belangrijk instrument is de Universal Periodic Review (UPR) van de Mensenrechtenraad in Genève, een subsidiair orgaan van de AVVN. Via de UPR leveren alle VN-lidstaten commentaar op elkaars mensenrechtensituatie. Ook Nederland maakt hiervan gebruik om landen systematisch aan te spreken op de mate waarin zij de mensenrechten respecteren.
Het oplaaiende geweld van Palestijnen |
|
Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het oplaaiende geweld van Palestijnen in Jeruzalem, op de Westoever, in andere steden verspreid door heel Israel en de incidenten aan de grens met Gaza? Hoe beoordeelt u deze golf van geweld?
Ja. Het kabinet veroordeelt aanslagen op Israëlische burgers en betreurt alle onschuldige slachtoffers. Tegelijkertijd moet de reactie op dit geweld proportioneel zijn, om verdere escalatie te voorkomen. Het is belangrijk dat beide partijen niet vervallen in een spiraal van agressie.
Deze golf van geweld is helaas geen volkomen verrassing. Al lange tijd is een negatieve ontwikkeling gaande waarbij mensen het vertrouwen verliezen dat een twee-statenoplossing door onderhandelingen op afzienbare termijn werkelijkheid wordt. Tegelijkertijd is er een proces van verpaupering in Oost-Jeruzalem gaande, is de schade in Gaza nog lang niet hersteld en ondervinden mensen op de Westelijke Jordaanoever dagelijks de gevolgen van de bezetting, inclusief het nederzettingenbeleid.
In een dergelijke context waarin politiek perspectief ontbreekt verliezen mensen hoop en krijgen extremisten aan beide kanten vrij spel en draagt opruiende retoriek en haatzaaien bij aan verdere escalatie.
Hoe beoordeelt u de rol die president Mahmoud Abbas van de Palestijnse Autoriteit speelt ten aanzien van deze gewelddadigheden?
Veel aanslagen hebben plaatsgevonden in Oost-Jeruzalem en in Israël zelf; gebieden waar President Abbas fysieke middelen noch zeggenschap heeft om aanslagen te voorkomen. Een expliciete oproep van President Abbas en andere Palestijnse leiders om af te zien van geweld zou een positieve invloed kunnen hebben op de situatie, maar niet uitgesloten is dat nieuwe aanslagplegers zich daardoor niet laten weerhouden. De aanslagen worden voornamelijk gepleegd door jongeren die zich via sociale media organiseren en lijken niet van bovenaf te worden aangestuurd.
President Abbas staat onder grote binnenlandse druk. Ondanks de toenemende druk, ook vanuit zijn eigen partij, handhaaft Abbas de veiligheidssamenwerking met Israël. Het is zaak dat de Palestijnse en Israëlische leiders er alles aan doen om verslechtering te voorkomen, de kalmte te bewaren en zich te onthouden van provocaties en vijandige retoriek. De-escalatie in woord en daad is noodzakelijk.
Hoe verklaart u dat Abbas – ook na oproepen van de secretaris-generaal van de VN Ban Ki-Moon – het Palestijnse geweld niet heeft veroordeeld?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Palestijnse media en sociale media dagelijks het geweld ophitsen? Wilt u hierbij tevens reageren op het overzicht van de informatiecampagne die via de Palestijnse media wordt gevoerd?1
In media en op sociale media circuleren allerlei verwerpelijke berichten, van beide zijden. Dit draagt niet bij aan de-escalatie of het scheppen van een klimaat waarin wantrouwen en angst tegenover elkaar overwonnen kunnen worden.
Binnenkort bezoekt de president van de Palestijnse Autoriteit Mahmoud Abbas Nederland; wilt u er krachtig op aandringen dat Abbas zich duidelijk uitspreekt tegen deze Palestijnse terreuracties, voordat het nog verder escaleert?
Bij het bezoek zal uitgebreid worden stilgestaan bij het huidige geweld, en de noodzaak tot de-escalatie, waarbij vanzelfsprekend ook zal worden aangedrongen op een oproep tot afzien van geweld.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het bezoek dat Abbas aan Nederland brengt?
Ja.
De aanstelling van een Saoediër als hoofd van de VN-mensenrechtenraad |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat een notoire ontkenner van mensenrechten voor Lesbische, Homoseksuele, Biseksuele personen en Transgenders (LHBT), die iedere uitspraak over mensenrechten in Saoedi-Arabië betitelt als een ongeoorloofde inmenging in binnenlandse aangelegenheden, benoemd is tot voorzitter van een VN mensenrechtenpanel dat tot doel heeft om personen te selecteren die toezicht moeten houden op mensenrechten in landen?1
Heeft Nederland, als lid van de Mensenrechtenraad, op enige wijze een rol gespeeld bij deze benoeming? Wat was en is het standpunt van de regering over deze benoeming?
Deelt u de mening dat de – toch al beroerde – reputatie van de VN Mensenrechtenraad door deze benoeming is aangetast? Zo neen, waarom niet?
Deelt u de mening dat de VN Mensenrechtenraad net zo ongeloofwaardig is geworden als de VN mensenrechtencommissie die om die reden tien jaar geleden werd afgeschaft?
Deelt u de mening dat Nederland niets te zoeken heeft in een Mensenrechtenraad die een travestie van het begrip «mensenrechten» is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen?
Gaat u zich inzetten om Saoedi-Arabië alsnog uit de Mensenrechtenraad te verwijderen en bij gebreke daarvan geen cent van de Nederlandse belastingbetaler meer aan die Raad te spenderen?
Beproeving van Nederlander door Cypriotische autoriteiten |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de situatie van de Nederlander die Cyprus niet mag verlaten?1
Ja.
Deelt u de mening dat diens «vergrijp» geen wekenlange tot hoge kosten leidende uitreisbelemmering rechtvaardigt?
Daar waar mogelijk worden betrokkene en zijn familie consulair bijgestaan door de Nederlandse ambassade in Nicosia. De ambassade heeft regelmatig contact met betrokkene en zijn familie die ter plekke is, alsmede met de advocaat over de stand van zaken met betrekking het proces inclusief een verzoek eerder naar Nederland terug te keren. Daarbij geldt dat de Nederlandse overheid op grond van internationale afspraken niet in de rechtsgang van een ander land treedt als het gaat om de totstandkoming van een rechterlijk oordeel over de schuldvraag en de bepaling van de strafmaat.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om deze kwelling te laten beëindigen en te bevorderen dat betrokkene spoedig naar Nederland kan terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat hoge militairen en beleidsambtenaren businessclass vliegen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie in 2014 1.330 businessclass-tickets heeft aangeschaft? Hoe heeft dat aantal zich sinds 2010 ontwikkeld?1
Ja, in de periode 2010–2014 fluctueert dit aantal tussen ongeveer 1.000 en 1.300 businessclass-tickets.
Hoe verklaart u het relatief hoge aantal businessclass-tickets dat werd aangeschaft door de Marechaussee?
Deze tickets zijn voor het grootste deel gekocht voor personeel van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) van de Marechaussee. Eén van de taken van de BSB is persoonsbeveiliging van topmilitairen, hoge ambtenaren en bewindslieden van meerdere departementen. Wanneer deze functionarissen gaan reizen zijn persoonsbeveiligers van de BSB altijd in hun directe omgeving aanwezig en zitten dus ook fysiek naast deze functionarissen wanneer zij businessclass reizen. Daarnaast voert de BSB ook beveiligingsopdrachten uit voor andere ministeries. In die gevallen is gereisd volgens de richtlijnen van de opdrachtgever. De vraag naar inzet van BSB-personeel voor bewakings- en beveiligingstaken in het buitenland is de laatste jaren toegenomen.
Welk percentage businessclass-tickets werd in 2014 gebruikt voor vluchten binnen Europa?
In 2014 zijn er 19.092 tickets aangeschaft voor vluchten binnen Europa. Van dit aantal waren 549 tickets voor businessclass vluchten. Dit is minder dan 3 procent van het totaal aantal tickets voor vluchten binnen Europa.
Waarom is het voor hoge militairen en beleidsambtenaren wel toegestaan om binnen Europa businessclass te vliegen?
Rechtspositioneel is vastgelegd dat militairen in de rang van generaal-majoor en hoger en burgerfunctionarissen met schaal 17 en hoger gerechtigd zijn om businessclass te vliegen binnen Europa. Sinds 2010 is het businessclass vliegen binnen Europa om budgettaire redenen ingeperkt. Dit is echter nog niet in de rechtspositie vastgelegd. Dat vereist overeenstemming met de centrales van overheidspersoneel.
Daarnaast wordt businessclass gevlogen als de situatie dat vereist, bijvoorbeeld door persoonsbeveiligers die een topfunctionaris begeleiden of bij vliegreizen in geval van spoedeisende reparaties aan wapensystemen in een inzetgebied, waarvoor alleen nog businessclass stoelen beschikbaar zijn. In dergelijke gevallen wordt een afweging op grond van operationele noodzaak en doelmatigheid gemaakt.
Acht u het noodzakelijk dat hoge militairen en beleidsambtenaren voor korte Europese vluchten businessclass vliegen? Zo ja, welke argumenten heeft u hiervoor?
Zie antwoord vraag 4.
Is het beleid ten aanzien van businessclass-tickets voor defensiepersoneel gelijk aan het beleid voor ambtenaren bij andere ministeries? Zo nee, waar wijkt het beleid bij defensie af?
Nee, dit verschilt per ministerie. Afwegingen tussen businessclass en economyclass worden soms gemaakt op grond van functie en schaal, soms op grond van reisduur en soms op grond van continentaal of intercontinentaal. Defensie voert een beleidslijn waarbij rechtspositioneel vastgelegde regels, operationele noodzaak en doelmatigheid bepalend zijn voor het vliegen in de economyclass of businessclass.
Ziet u mogelijkheden om de uitgaven voor vliegtickets, in 2014 23 miljoen euro, naar beneden bij te stellen door bijvoorbeeld meer economyclass-tickets te kopen en/of vaker militaire toestellen in te zetten?
Bij vliegreizen van en naar missiegebieden wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van militair luchttransport. De beschikbare capaciteit is echter beperkt en de inzet, met name bij kleine missies, niet altijd doelmatig.
Sinds 2010 is het vliegen in de businessclass om budgettaire redenen ingeperkt. Dit zal nog in de rechtspositie, na overeenstemming met de centrales voor overheidspersoneel, moeten worden vastgelegd.
Ernstige tekortkomingen van de JSF ten opzichte van potentiële tegenstanders |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Thunder without Lightning», waarin geconcludeerd wordt dat de JSF het op vier cruciale terreinen aflegt tegen potentiële tegenstanders?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat de JSF veel minder wendbaar is dan zijn potentiële tegenstanders en daardoor uiterst kwetsbaar is in een dogfight? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds vermeld in de reactie van 13 augustus jl. op het bericht Test Pilot Admits the F-35 Can’t Dogfight(Kamerstuk 26 488, nr. 392), is de wendbaarheid van het toestel met het oog op de veiligheid in de huidige vliegtuigsoftware – gebruikt in het testprogramma – van de F-35 beperkt ten gunste van verhoogde stabiliteit. Het uitgangspunt is dat het toestel op geen enkel moment «onbestuurbaar» mag zijn. Daarnaast is het belang van de wendbaarheid van jachtvliegtuigen in de loop der jaren door technische ontwikkelingen afgenomen terwijl het belang van geavanceerde sensoren, langeafstandswapens en stealth technologie tegen radardetectie is toegenomen. Bij de beoordeling van de capaciteiten van de F-35 spelen dan ook meer aspecten een rol dan de wendbaarheid van het toestel. Ook de manier van optreden met een
F-35 wijkt af van de manier waarop met een vierde generatie toestel wordt gevlogen. De F-35 is ontworpen om vijandelijke toestellen op grote afstand te bevechten en uit te schakelen. De F-35 beschikt daartoe over een uitgebreid pakket aan sensoren en wapens die het toestel superieur maken aan andere gevechtsvliegtuigen.
Deelt u de conclusie dat de beperkte wapenlast die de JSF bij zich kan dragen de effectiviteit van het toestel ernstig beperkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. De F-35 kan bewapening intern meenemen om de voordelen van de stealth eigenschappen te kunnen benutten. De overige toestellen kunnen dat niet. Daarnaast kan de F-35 ook extern bewapening meenemen. De totale wapenlast die de F-35 – inclusief de externe wapenlast – kan meenemen is groter dan wat de Nederlandse F-16 kan meenemen. De F-35 kan met die verschillende mogelijkheden doeltreffend missies uitvoeren.
Deelt u de conclusie dat het korte vliegbereik van de JSF de operationele inzetbaarheid kan beperken? Klopt het dat de JSF qua vliegbereik in het nadeel is in vergelijking met zijn Russische en Chinese opponenten? Zo nee, waarom niet?
Het rapport beschrijft dat de F-35 een groter vliegbereik heeft dan diverse van de westerse toestellen die de F-35 zal vervangen. Dit geldt ook voor de Nederlandse F-16. Het vliegbereik van de F-35 is voldoende voor de beoogde operationele inzet. Het vliegbereik van jachtvliegtuigen is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het gewicht en interne of externe bewapening. Het is daarom niet goed mogelijk verschillende toestellen op dat punt te vergelijken.
De F-35 vervoert alle brandstof intern. Mede afhankelijk van toekomstige ervaringen – in eerste instantie uit de operationele testfase – kan het vliegbereik van de F-35 desgewenst nog worden vergroot met externe tanks.
Deelt u de conclusie dat het belangrijkste beschermingsmechanisme van de JSF, de stealth-technologie, aan effectiviteit heeft ingeboet door de ontwikkeling van onder meer VHF-radarsystemen en infrarood (IRST) waarnemingssystemen? Is de JSF nog wel volledig onzichtbaar? Zo nee, waarom niet?
Wel is sprake van een voortdurende wedloop tussen detectiesystemen en technologieën waarmee detectie kan worden geminimaliseerd. Deze wedloop zal ook in de komende jaren voortgaan. De keuze voor de F-35 is mede gemaakt op grond van de toekomstbestendigheid van het toestel. Het toestel wordt voortdurend doorontwikkeld om te kunnen inspelen op toekomstige ontwikkelingen.
Klopt het dat de doorontwikkeling van de JSF vooral gericht is op genetwerkt optreden en de in het rapport aangekaarte tekortkomingen in de toekomst dus niet opgelost kunnen of gaan worden?
Nederland heeft mede gekozen voor de F-35 vanwege de toekomstbestendigheid van het toestel en de mogelijkheden van doorontwikkeling. De F-35 wordt continu doorontwikkeld met de blockupgrades. Met dergelijke upgrades wordt de hard- en software van het toestel vervangen of aangepast. Daarmee verbeteren de capaciteiten van het toestel. Op dit moment bezien de partnerlanden welke capaciteiten de F-35 in de block 4 configuratie – het vervolg op block 3F – moet krijgen. Hierbij valt te denken aan aanvullende of verbeterde capaciteiten op het gebied van elektronische oorlogsvoering, radar en doelaanwijssystemen. Defensie is daarbij betrokken.
Bent u van mening dat Nederland een kat in de zak heeft gekocht nu blijkt dat de JSF een draaicirkel van een vrachtwagen heeft, door moderne radarsystemen eenvoudig wordt opgepikt, en onvoldoende munitie bij zich draagt om potentiële tegenstanders uit de lucht te schieten?
Nee. Nederland heeft voor de F-35 gekozen omdat dit toestel in militair-operationeel perspectief over de beste capaciteiten beschikt en toekomstbestendig is.
Kunt u deze vragen vóór het nog in te plannen algemeen overleg Verwerving F-35 beantwoorden?
Ja.
De satellietcommunicatie bij de krijgsmacht en de beveiliging daarvan |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hacker Cracks Satellite Communications Network»?1
Ja.
Maakt Defensie gebruik van het betrekkelijk eenvoudig te hacken Globalstar-satellietsysteem? Zo ja, gaat u maatregelen nemen om onze krijgsmacht te beschermen tegen het hoge risico op het hacken van dit systeem?
Nee, Defensie maakt geen gebruik van het Globalstar-satellietsysteem.
In welke mate bent u op dit moment nog afhankelijk van commerciële satellietcommunicatie, en hoe ontwikkelt die afhankelijkheid zich de komende jaren?
Defensie maakt zowel bij missies als bij het opleiden en trainen van de eenheden gebruik van satellietcommunicatie. In verband met risicospreiding heeft Defensie gekozen om missies te ondersteunen met militaire en commerciële satellietcapaciteit. Voor de militaire satellietcapaciteit maakt Defensie gebruik van Wideband Global Satcom (WGS). Zeven van de negen satellieten die binnen dit internationale initiatief zijn gepland, zijn inmiddels gelanceerd. De Nederlandse militaire satellietcapaciteit stijgt als nieuwe WGS satellieten beschikbaar komen. De laatste satelliet wordt naar verwachting in 2018 gelanceerd. Voor de commerciële satellietcapaciteit heeft Defensie een flexibel contract met de provider SES, waarmee de benodigde capaciteit per half jaar kan worden bijgesteld.
De afweging van voortzettingsvermogen, communicatiebeveiliging, informatiebeveiliging, wereldwijde beschikbaarheid en kosten zal vanaf 2016 leiden tot een optimale verhouding van 60% militaire- en 40% commerciële satellietcommunicatie. Het gebruik van commerciële satellietcommunicatie zal daarmee afnemen. In 2016 zal in het satelliet ankerstation te Zoutkamp een uitbreiding van de militaire capaciteit worden gerealiseerd door ingebruikname van een nieuwe satelliet grondterminal.
Defensie heeft geen tekort aan satellietcapaciteit om de missies en oefeningen te kunnen ondersteunen. De militaire satellietcapaciteit is voldoende om de huidige missies door de krijgsmacht te laten uitvoeren.
Heeft u recent nog te kampen gehad met een tekort aan satellietcommunicatiecapaciteit? Zo ja, heeft dit tekort invloed gehad op de missies die onze krijgsmacht op dit moment uitvoert?
Zie antwoord vraag 3.
Welke invloed hebben beveiligingsaspecten gehad op uw voornemen om de krijgsmacht minder afhankelijk te maken van commerciële satellietcommunicatie.2
De afweging bij de keuze voor militaire of commerciële satellietcommunicatie wordt gemaakt op basis van meer dan alleen beveiligingsaspecten. Communicatie- en informatiebeveiliging, voortzettingsvermogen, de wereldwijde beschikbaarheid en kosten worden hierbij ook beschouwd. Wel is het voor Defensie van essentieel belang dat het kan beschikken over voldoende eigen militaire capaciteit, zodat operaties in missiegebieden altijd en onder alle omstandigheden ondersteund kunnen worden. WGS draagt hier aan bij.
De Chinese kruizen-furie |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de grootschalige sloop door de Chinese overheid van kruizen van christelijke kerken?1
Verschillende berichten melden dat in de provincie Zhejiang, China, katholieke en protestantse kerken zijn gesloopt en anderen ontdaan van kruisbeelden of andere Christelijke elementen. Zie ook antwoord op Kamervragen over dit onderwerp beantwoord in juni 2014, (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2241).
Deelt u de mening dat de sloop van die kruizen onaanvaardbaar is als dat plaatsvindt terwijl die kruizen geen fysiek gevaar vormen?
In de provincie Zhejiang, China, zijn katholieke en protestantse kerken gesloopt en anderen ontdaan van kruisbeelden of andere Christelijke elementen.
Zoals ook beschreven in de beantwoording van Kamervragen met het kenmerk (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2241) ligt volgens berichtgeving een driejarige beleidscampagne van «three renovates, one demolish» ten grondslag aan het optreden van de provinciale overheid in Zhejiang. Het doel van deze campagne is het renoveren van oude woonwijken, oude fabrieksterreinen en stadsdorpen en het slopen van illegale bouwwerken. Met illegale bouwwerken wordt gedoeld op gebouwen die zonder de benodigde vergunningen en ontheffingen zijn gebouwd, waaronder sommige kerken en bijbehorende religieuze elementen.
De Chinese Grondwet voorziet in vrijheid van religie en bescherming tegen discriminatie van burgers op religieuze gronden. In China in het algemeen, en bij deze overheidscampagne in het bijzonder, is het van belang dat een goede balans wordt gevonden tussen wetshandhaving enerzijds en waarborgen van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging anderzijds. De Nederlandse regering vraagt de Chinese autoriteiten, mede in EU verband, om mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, te respecteren.
Wilt u bij de Chinese autoriteiten navragen op welke gronden de sloop van de kruizen wordt uitgevoerd en welke rechtsmiddelen de benadeelden daartegen kunnen inzetten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er onder deze omstandigheden geen enkele sprake kan zijn van een vertegenwoordiging van de Nederlandse overheid bij de militaire parade op 3 september a.s. in China? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u bevestigen dat Nederland op geen enkele manier bij die parade vertegenwoordigd zal zijn?
Gaarne verwijs ik hier naar de beantwoording van uw eerdere Kamervragen met het kenmerk (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 3136) welke de Kamer op 25 augustus jl. heeft bereikt.
Wilt u deze vragen beantwoorden, gelijktijdig met uw beantwoording van mijn eerdere vragen over deelname van Nederlandse bewindslieden aan de herdenking van de Tweede Wereldoorlog in China, ingezonden 17 juli 2015 (vraagnummer 2015Z14209)?
Zie antwoord op vraag 4.
Het bewijs dat Turkije een nauwe band onderhield met Islamitische Staat |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de militaire operatie van Amerikaanse speciale eenheden waarbij een kopstuk van Islamitische Staat om het leven kwam en enorme hoeveelheden gegevensdragers in beslag werden genomen?1
Ja.
Kunt u de berichten bevestigen dat de in beslag genomen gegevensdragers onomstotelijk bewijzen dat de Turkse autoriteiten en Islamitische Staat een nauwe band met elkaar onderhielden, zoals wordt beweerd door een westerse overheidsfunctionaris?2 Zo nee, wilt u hierover nadere inlichtingen inwinnen?
Uiteraard volgt het kabinet de ontwikkeling en de berichtgeving over de strijd tegen ISIS nauwgezet. Nederland kan niet bevestigen dat Turkije steun levert aan jihadistische organisaties zoals ISIS. De Turkse autoriteiten hebben in het openbaar en in bilaterale contacten met Nederland gesteld dat ze zich grote zorgen maken over de Turkse binnenlandse veiligheid ten gevolge van de activiteiten van jihadistische groeperingen. Tegelijkertijd is de intensiteit van de aanpak van ISIS vergroot sinds de zelfmoordaanslag in Suruç. Zoals bekend is Turkije al langere tijd actief in de anti-ISIS coalitie. Turkije heeft ISIS ook al lange tijd geleden op de nationale terrorismelijst geplaatst, en het is samen met Nederland voorzitter van de Foreign Terrorist Fighters werkgroep in de anti-ISIS-coalitie.
Erkent u, gezien het feit dat steeds meer signalen wijzen op verschillende vormen van samenwerking tussen NAVO-«bondgenoot» Turkije en Islamitische Staat, dat het van cruciaal belang is dat hierover de onderste steen boven komt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u de Kamer informeren over het eindresultaat van het onderzoek naar de in beslag genomen gegevensdragers? Zo nee, waarom niet?
Het is niet waarschijnlijk dat informatie hierover openbaar gemaakt wordt of kan worden.
Deelt u de bewering dat Turkije op militair niveau samenwerkt met terreurorganisaties als Jabhat-al-Nusra en Ahrar al-Sham, die net als Islamitische Staat diverse gruwelijkheden op hun conto hebben staan? Zo nee, waarom niet?
Onder verwijzing naar de eerdere beantwoording van Kamervragen over de smokkel van wapens en munitie naar onder andere Jabhat al-Nusra via Turkije, en de brief die ik uw Kamer op 28 april jl. over hetzelfde onderwerp stuurde (Kamerstuk 27 925 nr. 535), kan nogmaals worden bevestigd dat het kabinet bekend is met de diverse berichten over vermeende steun via Turkije aan jihadistische organisaties. Echter, het kabinet kan niet bevestigen dat Turkije steun biedt aan jihadistische organisaties.
Wordt binnen de NAVO geaccepteerd dat lidstaten zaken doen met terreurorganisaties of activiteiten van terreurorganisaties of aanwezigheid van terroristen op hun grondgebied gedogen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom wordt Turkije dan niet per direct uit de NAVO gezet?
Zie antwoord vraag 2.
Turkse bombardementen op Koerdische stellingen in Noord-Irak |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat Turkije herhaaldelijk bombardementen heeft uitgevoerd op Koerdische stellingen in Noord-Irak?1
Ja.
Klopt het dat de Turkse bombardementen op Koerdische stellingen veel zwaarder zijn dan de Turkse bombardementen op stellingen van de Islamitische Staat? Zo neen, welke bewijzen heeft u die dit weerspreken?
Turkije beschouwt, net als de EU, zowel ISIS als de PKK als terroristische organisaties die een directe bedreiging vormen voor de regionale en nationale veiligheid en stabiliteit. Het kabinet heeft niet de beschikking over de precieze cijfers met betrekking tot de aantallen dan wel de intensiteit van de aanvallen. Zie ook mijn antwoord op de vragen 3, 4 en 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Iraakse premier Haider al-Abadi de Turkse bombardementen in Noord-Irak beschouwt als een schending van de Iraakse soevereiniteit? Deelt u zijn mening? Zo neen, waarom niet?2
Turkije heeft in de NAVO gemeld dat het acties uitvoert tegen de PKK in reactie op de aanslagen door die groeperingen. Zoals Nederland ook in de Noord Atlantische Raad (NAR) van 28 juli jl. verklaarde, moeten maatregelen van Turkije tegen terroristische dreigingen, ook als die uitgaan van de PKK, proportioneel zijn. Verdere escalatie in de regio moet worden voorkomen. In de NAR heeft Nederland ook zijn bezorgdheid uitgesproken over een mogelijke escalatie van de situatie in de regio en heeft het Turkije en de betrokken Koerdische groeperingen opgeroepen het vredesproces te continueren en het staakt-het-vuren in acht te blijven nemen. Diverse bondgenoten hebben gelijkluidende oproepen aan Turkije gedaan.
Hebben de NAVO-landen tijdens het spoedberaad d.d. 28 juli 2015 expliciet hun steun verleend aan Turkije om luchtaanvallen uit te voeren boven Noord-Irak?
Zie antwoord vraag 3.
Vallen de Turkse luchtaanvallen in Noord-Irak onder het zelfverdedigingsrecht van Turkije? Zo ja, welke bepalingen uit het internationale recht ondersteunen het Turkse handelen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de NAVO-landen met hun politieke steun aan Turkije in de strijd tegen «terrorisme», Turkije een blanco cheque hebben gegeven om de Koerden een flink pak slaag te geven?
Turkije is een NAVO-bondgenoot. Wij verwijzen verder naar de brief aan uw Kamer met het verslag van de bijeenkomst van de Noord Atlantische Raad op 28 juli jl.
Laat u het NAVO-bondgenootschap nog langer gijzelen door de islamitische agenda en binnenlandse machtsspelletjes van kalief Erdogan? Zo neen, wilt u er dan alles aan doen om Turkije uit de NAVO te zetten?
Zie antwoord vraag 6.
Turkije als de grote gedoger en vriendelijke buur van Islamitische Staat |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw eerdere stellingname dat het tegengaan van terrorisme voor Turkije een prioriteit is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de opvatting dat Turkije lang voor aanslagen gespaard is gebleven, omdat de grens een zeef was waardoor jihadisten en materieel de Islamitische Staat konden bereiken?2
Turkije zet zich in om strijders die reizen via Turkije naar Syrië of Irak tegen te houden. Dit geldt ook voor de smokkel van wapens en munitie. Recent heeft Turkije meer capaciteit vrijgemaakt om de grenzen beter te bewaken. Naar aanleiding van de aanslag in Suruç gaat Turkije het grenstoezicht nog verder verscherpen.
Turkije is al langere tijd actief in de anti-ISIS coalitie. Turkije heeft ISIS ook al lange tijd geleden op de nationale terrorismelijst geplaatst, en het is samen met Nederland voorzitter van de Foreign Terrorist Fighters werkgroep in de anti-ISIS coalitie.
Bent u nog steeds van mening dat het tegengaan van terrorisme voor Turkije een prioriteit was, en bent u nog steeds van mening dat Turkije zijn grenzen zo goed mogelijk dicht heeft gehouden voor stromen jihadisten en wapens richting Syrië en Irak?3
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Turkije door het gedogen van terroristen, Islamitische Staat de mogelijkheid in handen heeft gegeven om Turkije te chanteren en daarmee in een wurggreep te houden?
Zie mijn antwoord op de vragen 2 en 3. Daarnaast heeft Turkije onlangs in het hele land acties uitgevoerd waarbij honderden personen zijn gearresteerd die verdacht werden van banden met terroristische organisaties waaronder ISIS, Jabhat al Nusra, PKK en DHKP/C.
Deelt u de mening dat de Nederlandse Patriotraketten in Turkije niet alleen rugdekking hebben gegeven aan Turkije, maar dat daardoor ook is gefaciliteerd dat Turkije kon gedogen dat enorme aantallen jihadisten kinderlijk eenvoudig door de grensstreek zijn gereisd?
Zie de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4.
Wilt u deze vragen separaat en vóór het algemeen overleg Raad Buitenlandse Zaken voorzien op 2 september 2015 beantwoorden?
Nee. De Nederlandse Patriotraketten stonden tot begin dit jaar in NAVO-verband in Turkije om de burgerbevolking en het grondgebied van een NAVO-bondgenoot te beschermen. Andere NAVO-bondgenoten zetten deze bescherming op dit moment voort.
Toelating van een Hamas-mantelorganisatie tot de Economische en Sociale Raad (ECOSOC) van de Verenigde Naties |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om te verhinderen dat een Hamas-mantelorganisatie, Palestinian Return Centre (PRC), wordt toegelaten tot de ECOSOC?1
Israël heeft bezwaar aangetekend tegen de aanbeveling van het NGO comité aan de ECOSOC om PRC de consultatieve status toe te kennen binnen de ECOSOC.
Nederland is geen lid van de ECOSOC en geniet zodoende geen stemrecht. Nederland kan dus ook niet meebeslissen over toekenning van de consultatieve status aan PRC. Wel pleitte Nederland binnen EU-verband voor een eensgezinde EU-stem. Van de elf EU lidstaten die momenteel lid zijn van de ECOSOC steunden uiteindelijk negen landen het bezwaar, twee landen onthielden zich van stemming.
Is het u bekend dat toelating van PRC tot de ECOSOC wordt gesteund door de voor genocide gezochte president van Sudan?2
Ja, het is mij bekend dat Sudan, evenals vijftien andere landen binnen de ECOSOC, tegenstander was van het door Israël aangetekende bezwaar tegen verlening van de consultatieve status. Dertien landen waren voor en achttien landen onthielden zich van stemming.
Indien deze organisatie toch wordt toegelaten tot ECOSOC, distantieert Nederland zich dan, op zijn minst zo lang dat duurt, van de ECOSOC? Zo nee, waarom wilt u samenwerken met een Hamas-mantelorganisatie?
Non gouvernementele organisaties kunnen niet als lid worden toegelaten tot de ECOSOC en kunnen dan ook niet gelijkgesteld worden aan lidstaten. Het toekennen van de consultatieve status houdt geen automatisch samenwerkingsverband in.
Deelname van Nederlandse bewindslieden aan de herdenking van de Tweede Wereldoorlog in China |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere vragen en uw beantwoording daarvan, over de mogelijke aanwezigheid van Nederlandse bewindslieden bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog in China?1
Ja.
Klopt het bericht dat een groot aantal EU-landen geen hoge afvaardiging stuurt naar de militaire parade en herdenking in China op 3 september 2015?2 Zo ja, welke argumenten voeren deze landen hiervoor aan?
Het bericht onder referte spreekt slechts over topfunctionarissen van de EU instituties die de militaire parade op 3 september 2015 waarschijnlijk niet zullen bijwonen. Verschillende EU-landen hebben hun afvaardiging nog in overweging.
Deelt u inmiddels de mening dat het geen fraai plaatje oplevert als Nederlandse bewindslieden op het Plein van de Hemelse Vrede naar Chinese tanks staan te kijken die daar eerder studenten vermorzeld hebben? Zo neen, waarom niet?
Inhoud en programma van de Chinese herdenking van het 70-jarig einde van WOII zijn nog in ontwikkeling. Wat het kabinet van belang acht is dat deze herdenking zich richt op verzoening, op de toekomst en op vreedzame samenwerking tussen landen en volkeren die op welke manier dan ook betrokken waren bij de Tweede Wereldoorlog.
Kunt aangeven of, en zo ja, op welk niveau, Nederland zich laat vertegenwoordigen? Speelt de agressieve houding van China in delen van de Zuid-Chinese zee een rol in uw beslissing?
Bij de afweging of en zo ja, op welk niveau Nederland tijdens de ceremoniële activiteiteten in Peking vertegenwoordigd zal zijn gelden voor de regering drie overwegingen: ten eerste het feit dat Nederland en China gedurende de oorlogsjaren geallieerden waren en er vele Nederlanders en Chinezen samen hebben geleden onder de bezetting. Ten tweede geldt dat naar de mening van de regering dergelijke herdenkingen ook een element van vooruitkijken moeten bevatten en dienen bij te dragen aan een proces van verzoening. Ten derde geldt dat rekening gehouden dient te worden met de wijze van vertegenwoordiging van andere, vergelijkbare, landen. Op basis van die afweging is het kabinet voornemens Nederland te laten vertegenwoordigen door Minister van Staat Tjeenk Willink.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 31 augustus 2015, beantwoorden, zodat het tijdig duidelijk wordt of Nederland met een officiële vertegenwoordiging aanwezig zal zijn bij dit Chinese machtsvertoon?
Ja.
Noodhulp die christelijke vluchtelingen voor Islamitische Staat niet of nauwelijks bereikt |
|
Martin Bosma (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Christian refugees fleeing ISIS «will be the last» to receive help»?1
Ja.
Hoe hebben de leefomstandigheden voor de christelijke vluchtelingen in Noord-Irak en Syrië zich het afgelopen jaar ontwikkeld? Klopt het dat er een groot tekort is aan voedsel voor deze groep vluchtelingen?
Als gevolg van de aanhoudende crises in Syrië en Irak zijn de leefomstandigheden van alle inwoners van Syrië en vluchtelingen in Noord-Irak de afgelopen jaren aanzienlijk verslechterd. Daarnaast heeft de VN te kampen met tekorten voor de financiering van humanitaire hulp. Hierdoor zijn VN instanties, zoals WFP, genoodzaakt te snijden in de voedselvoorziening.
Hoe beoordeelt u de constatering van de CEO van Open Doors dat christelijke vluchtelingen worden achtergesteld, en pas als laatste in de rij aanspraak kunnen maken op hulpgoederen?
Humanitaire hulp wordt geleverd op basis van het humanitair imperatief en op basis van de humanitaire principes. Dat betekent dat hulp naar hen gaat die dat het meest nodig hebben zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt op basis van nationaliteit, ras, religie of politieke voorkeur. Dit geldt ook voor de humanitaire hulp die Nederland levert via de VN, het Rode Kruis en Nederlandse hulporganisaties. Ik heb geen basis om aan te nemen dat de bewering van de CEO van Open Doors juist is dat Christelijke vluchtelingen achtergesteld zouden worden wanneer het gaat om het ontvangen van humanitaire hulp. De uitvoering van humanitaire hulpprogramma’s wordt door donoren gevolgd. Als daarbij zou blijken dat er sprake is van enig onderscheid zal ik er bij hulporganisaties op aandringen maatregelen te treffen.
Deelt u de mening dat de groep christelijke vluchtelingen derhalve absoluut niet mag worden achtergesteld en gelijk aan andere groepen en minderheden aanspraak zou moeten maken op hulpgoederen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen gaat u nemen opdat internationale noodhulp gelijkelijk verdeeld wordt en dus ook bij christelijke slachtoffers terecht komt?
Zie antwoord vraag 3.
Komt de Nederlandse noodhulp wèl in handen van christelijke vluchtelingen terecht? Zo ja, waar blijkt dat uit en op welke wijze ziet u daarop toe?
Zie antwoord vraag 3.
De selectieve aandacht van VN-organisatie Unicef voor vrouwenbesnijdenis |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Unicef onderschat ernst besnijdenis in Iran»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van antropoloog Kameel Ahmady waaruit blijkt dat vrouwenbesnijdenis ook in bepaalde Iraanse provincies gemeengoed is?
Het is zorgwekkend dat vrouwenbesnijdenis ook in het Midden-Oosten regelmatig voorkomt. Exacte gegevens ontbreken vooralsnog. Het onderzoek van Kameel Ahmady levert daarom een waardevolle bijdrage aan dataverzameling over de prevalentie van vrouwenbesnijdenis, over de verschillende vormen die worden toegepast en over de landen en regio’s waarin het wordt toegepast.
Hoe beoordeelt u de bij VN-organisatie Unicef heersende opvatting dat vrouwenbesnijdenis een «Afrikaans probleem» is?
UNICEF beschouwt vrouwenbesnijdenis als een wereldwijd probleem. De gegevens van de 29 landen die zijn opgenomen in de UNICEF rapportage over vrouwenbesnijdenis uit 2014 betreffen vooral Afrikaanse, maar ook enkele landen in het Midden-Oosten. Het gaat om landen waar gegevens zijn verzameld in speciale household surveys van lokale organisaties en overheidsinstellingen. UNICEF verzamelt ook in andere landen gegevens over vrouwenbesnijdenis. In Iraaks Koerdistan werkt UNICEF bijvoorbeeld samen met de lokale overheid om de juiste gegevens over vrouwenbesnijdenis in deze regio te achterhalen. Ik dring er bij UNICEF en andere VN-organisaties op aan gegevens te verzamelen in alle landen waar vrouwenbesnijdenis (mogelijk) voorkomt en hierover te rapporteren. Daarbij dring ik er ook op aan informatie te gebruiken van andere organisaties en onderzoekers.
Deelt u de mening dat vrouwenbesnijdenis vooral «populair» is in islamitische landen en daarmee een islamitisch probleem is? Zo neen, waarom niet?
Vrouwenbesnijdenis is een schadelijke traditie die is ontstaan uit eeuwenoude sociale en culturele gebruiken. In de landen waar deze traditie voorkomt, is deze vaak verweven geraakt met religieuze stromingen, waaronder de islamitische, christelijk-orthodoxe en inheemse godsdiensten. Religieuze leiders hebben grote invloed op de manier waarop vrouwenbesnijdenis wordt gepercipieerd. Dit kan zowel bijdragen aan het voorkómen als aan het verspreiden van vrouwenbesnijdenis. Om die reden hecht Nederland er waarde aan dat lokale en religieuze leiders zich publiekelijk uitspreken tegen vrouwenbesnijdenis. Partnerorganisaties werken zeker ook met islamitische leiders om islamitische groepen te bereiken.
Kunt u bevestigen dat Unicef haar data over het besnijden van meisjes en vrouwen gaat actualiseren? Zo ja, wilt u er bij Unicef op aandringen dat er bij het actualiseren van de cijfers nu wel onderzoek wordt verricht naar landen in het Midden-Oosten zoals Iran en Saoedi-Arabië?2
Ja. UNICEF actualiseert haar gegevens continu. Ze werkt bij haar dataverzameling nauw samen met lokale organisaties in landen waar vrouwenbesnijdenis veel voorkomt. Deze organisaties werken in een gevoelige context en op een thema dat diep doordringt in het privéleven van vrouwen en meisjes. Het verzamelen van informatie is daarom een delicaat proces. In veel gevallen werken lokale organisaties samen met de nationale regering en met religieuze leiders. Vrouwenbesnijdenis is ook in een aantal landen waar deze praktijk veel voorkomt bij wet verboden, zoals Mali en Iraaks Koerdistan. De uitdaging bestaat erin de bestaande wetgeving daadwerkelijk te implementeren.
Ik blijf inzetten op het bespreekbaar maken van deze gevoelige thema’s in alle landen, zowel in mijn contacten met partnerorganisaties zoals UNICEF en maatschappelijke organisaties als met nationale en religieuze leiders en opiniemakers.
Hoe beoordeelt u het feit dat ook islamitische landen als Indonesië en Maleisië niet in de rapportages van Unicef zijn opgenomen, terwijl vrouwenorganisaties en academici schatten dat lokaal 80 procent van de meisjes en vrouwen in die landen bruut wordt verminkt?
Dataverzameling over vrouwenbesnijdenis moet zo volledig mogelijk zijn. In de UNICEF-rapportage over vrouwenbesnijdenis uit 2014 zijn Indonesië en Maleisië niet opgenomen, omdat lokale gegevens daarover nog niet beschikbaar waren. Inmiddels zijn wel gegevens over de prevalentie van vrouwenbesnijdenis in Indonesië te vinden op het online landenprofiel.3 Dit profiel is gebaseerd op gegevens die in februari 2015 beschikbaar zijn gekomen. Voor Maleisië moeten deze gegevens nog verzameld worden. Ik hecht er belang aan dat dit op korte termijn gebeurt.
Hoe staat het met uw voornemen om ter bestrijding van vrouwenbesnijdenis het gesprek aan te gaan met islamitische religieuze leiders? Welke resultaten heeft u op dit punt geboekt als het gaat om de Golfstaten?3
Dit voornemen staat nog steeds overeind, ook waar het de Golfstaten en andere islamitische landen betreft. Zo bracht ik in mei 2014 een bezoek aan Pakistan, waar ik het thema seksuele en reproductieve gezondheid geadresseerd heb in een bijeenkomst tussen NGO’s en parlementariërs. De Directeur-Generaal Internationale Samenwerking heeft in een recent bezoek aan Afghanistan het thema vrouwenrechten aan de orde gesteld. In door mij gefinancierde programma’s op het terrein van jongeren en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten worden religieuze leiders met een grote invloed op het dagelijks leven van meisjes betrokken om zich uit te spreken tegen vrouwenbesnijdenis. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met een breed scala van andere relevante actoren, zoals wetgevers, politie, justitie, media, artsen, (traditionele) verloskundigen, docenten, lokale leiders jongens en mannen. Op deze manier wordt bijgedragen aan een context waarin mensen zich bewust worden van de schadelijke gevolgen van vrouwenbesnijdenis, waarin zij zich uit durven spreken tegen vrouwenbesnijdenis en waarin de uitvoering strafrechtelijk kan worden vervolgd.
Deelt u de mening dat het besnijden van weerloze meisje en vrouwen een barbaars ritueel is, en dat het daarom verwerpelijk is dat bepaalde islamitische landen niet onder de loep van de VN worden genomen?
Vrouwenbesnijdenis is een schending van mensenrechten en een uiting van geweld tegen vrouwen en meisjes die zo snel mogelijk moet worden uitgebannen. Het is een ernstige praktijk die zowel lichamelijk als psychisch grote gevolgen heeft voor de meisjes en vrouwen die dit ondergaan.
Ik ontkracht het standpunt dat bepaalde landen met een hoge prevalentie buiten beschouwing worden gelaten. Ook in internationale onderhandelingen en in VN-organen zoals de Mensenrechtenraad, de «Committee on Population Development», de «Committee on the Status of Women» en de Algemene Vergadering van de VN spreekt Nederland alle landen aan op hun verantwoordelijkheid om vrouwenbesnijdenis tegen te gaan.
Het artikel “Saoediërs hielden Wilders nauwgezet in de gaten” |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Saoediërs hielden Wilders nauwgezet in de gaten»?1
Ja.
Waren de Nederlandse autoriteiten op de hoogte van het feit dat de Saoediërs in 2010 (of op enig ander moment) een rechtszaak wilden inspannen tegen PVV-leider Geert Wilders?
Het kabinet reageert niet inhoudelijk op vragen over berichtgeving die is gebaseerd op vermeende vertrouwelijke documenten welke zijn gepubliceerd via Wikileaks.
Is het waar dat de Organization of the Islamic Conference (OIC) op de hoogte was van dit feit of mogelijk zelfs bij deze plannen was betrokken?
Gaarne verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Is het waar dat de toenmalige Saoedische kroonprins toestemming gaf om deze aanklacht in te dienen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat Ron Strikker, de toenmalige Nederlandse ambassadeur in Riad, in april 2012 aan de Saoediërs vertelde dat de uitspraken van de heer Wilders niet de visie van de Nederlandse overheid vertegenwoordigen? Om welke uitspraken ging het specifiek?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het een schande is dat een dictatuur zoals Saoedi-Arabië, een land dat de Saoedische blogger Raif Badawi heeft veroordeeld tot 1.000 zweepslagen, probeert Nederlandse burgers en volksvertegenwoordigers te intimideren die gebruik maken van hun recht op vrije meningsuiting?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de diplomatieke banden verbroken moeten worden met de Saoedische dictatuur?
Het kabinet deelt deze mening niet.
Het gebrek aan persvrijheid in Papua |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Papua maakt zich geen illusies over persvrijheid»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat het Indonesische leger verslaggevers nauwlettend in de gaten houdt? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de persvrijheid in Indonesië?
Zoals het kabinet in de beantwoording van uw vragen van 8 mei jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 2416) heeft aangegeven, is de persvrijheid in Indonesië over het algemeen groot. Daarbij is echter tevens aangegeven dat de omgang met lokale journalisten in Papua en West-Papua een punt van zorg blijft.
De aankondiging van president Widodo dat voor buitenlandse journalisten die Papua en West-Papua willen bezoeken voortaan dezelfde regels gelden als voor de rest van Indonesië is bemoedigend. Aan de verdere uitwerking van deze aankondiging wordt nu gewerkt. Vooruitlopend hierop heeft volgens onze informatie in ieder geval één buitenlandse journalist inmiddels zonder problemen toestemming gekregen om Papua te bezoeken.
De praktijk dat journalisten geen visa kunnen krijgen voor Papua en dat hun activiteiten nauwlettend worden gemonitord, zou dan ook tot het verleden moeten gaan behoren. Het kabinet verwacht dat ook de Indonesische Minister van Defensie uitvoering zal geven aan de nieuwe regels.
Klopt het dat er nog steeds bijna geen visa worden verstrekt voor journalisten in Papua? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de persvrijheid in Indonesië?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Indonesische Minister van Defensie Ryacudu heeft gezegd dat hij goede berichten verwacht van buitenlandse journalisten in Papua, en als dit niet het geval is zij eenvoudig het land kunnen worden uitgegooid? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor de persvrijheid in Indonesië?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid uw mening, dat de persvrijheid in Indonesië over het algemeen groot is, bij te stellen? Zo neen, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke manieren en momenten Nederland de openstelling van Papua voor journalisten krachtig heeft bepleit, sinds de aanvaarding van de motie De Roon en Wilders?3
Zoals aangegeven in de beantwoording van uw vragen van 8 mei jl. alsmede in de Mensenrechtenrapportage 2014, heeft Nederland dit herhaaldelijk bepleit bij de Indonesische autoriteiten, bijvoorbeeld in haar contacten met het Indonesische Ministerie van Politiek, Recht en Veiligheid. Meest recentelijk bepleitte Nederland dit tijdens de hoogambtelijke consultaties met Indonesië op 17 maart jl. in Den Haag.
Kunt u aangeven welke stappen u in de nabije toekomst gaat nemen om het gebrek aan persvrijheid in Papua aan de kaak te stellen?
De persvrijheid in Indonesië, en in Papua in het bijzonder, heeft de voortdurende aandacht van de Nederlandse overheid. In die context zal Nederland de implementatie van de recente aankondiging van president Widodo nauwgezet volgen, o.a. via de Nederlandse ambassade in Jakarta, en hiernaar zo nodig in een volgend overleg met Indonesië vragen.
Deelt u de mening dat het welwillende bezoek van president Joko Widodo onlangs aan Papua een toneelstukje was? Zo neen, waarom niet?
Die mening deelt het kabinet niet. De president heeft tijdens zijn bezoek van 9–10 mei jl. een aantal bemoedigende stappen aangekondigd en hij verleende gratie aan vijf politieke gevangenen. President Widodo bezocht de regio al voor de tweede keer sinds zijn aantreden in oktober 2014, wat als signaal kan worden gezien voor zijn bereidheid om zich in te spannen voor een betere verstandhouding met de provincies.