Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Ja, daar ben ik mij van bewust. In dat verband geldt dat Nederland de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking heeft genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.2 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking.
Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Met ingang van 1 januari 2020 zijn in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) de hybridemismatchmaatregen die volgen uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)4 in werking getreden.5 Er bestaat geen compleet overzicht op welke wijze belastingplichtigen hun structuur hebben aangepast naar aanleiding van ATAD2. Door de implementatie van ATAD2 en door de intrekking van het zogenoemde cv/bv-besluit per 1 januari 2020 is het fiscale voordeel van de cv/bv-structuur weggenomen. Deze maatregelen hebben hun effect gehad. Voor nieuwe cv/bv-structuren geldt dat deze sindsdien niet of nauwelijks zijn opgezet en de bestaande structuren zijn destijds vrijwel allemaal verlaten. Het beeld uit de praktijk is dat multinationals daarbij verschillende manieren hebben gekozen. Een aantal heeft de structuur in stand gelaten, maar vanuit Amerikaans perspectief gekozen voor een transparante behandeling van de CV. Omdat de CV vanuit Nederlands perspectief ook als transparant wordt behandeld, is het fiscaal voordeel weggenomen. Andere multinationals hebben de activa van de CV, waaronder vaak intellectuele activa, overgedragen aan een entiteit. In een aantal gevallen was dat de Verenigde Staten, in een aantal gevallen Nederland of andere landen. In die gevallen is de hybride mismatch opgeheven.
Er is geen systematisch overzicht van de wijze waarop multinationals hun structuur hebben aangepast om de toepassing van de maatregelen tegen de hybridemismatch te voorkomen. De Belastingdienst heeft daar ook niet in alle gevallen en in detail zicht op omdat andere landen betrokken zijn en die informatie niet in alle gevallen relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Alleen al om die reden zal een onderzoek geen compleet inzicht geven. Bovendien is in voorkomende gevallen gekozen voor een tijdelijke oplossing voorafgaand aan de implementatie van de definitieve structuur. Daarnaast volgt uit het onderzoek uit 2016 dat het niet mogelijk was om op basis van bestaande gegevens cv/bv-structuren te identificeren. Het exacte aantal kon toen niet worden bepaald.
In 2024 is een analyse uitgevoerd naar het effect van de hybridemismatchmaatregelen. In de brief van 11 december 2024 is mijn ambtsvoorganger daarop ingegaan.6 Uit deze analyse is naar voren gekomen dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken:
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
De fiscale kwalificatie van een lichaam volgt uit de nationale wet- en regelgeving van elke betrokken jurisdictie. De kwalificatie van een CV voor Singaporese belastingdoeleinden, is dus ook afhankelijk van de Singaporese fiscale kwalificatieregels.
Voor Nederlandse fiscale doeleinden is het kwalificatiebeleid voor (buitenlandse) rechtsvormen met ingang van 2025 is aangepast.7 De aanpassingen zijn er onder andere op gericht te voorkómen dat kwalificatieverschillen ontstaan. Daarmee wordt de oorzaak van hybride mismatches aangepakt. Ingevolge deze aanpassingen is ook de zelfstandige belastingplicht van de open CV komen te vervallen. Een CV is derhalve voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant, tenzij het als fonds voor gemene rekening of als omgekeerd hybride lichaam is aan te merken. De kwalificatie van een lichaam of samenwerkingsverband kan voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen deel uitmaken van de beoordeling door de inspecteur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval en de relevante Nederlandse en Singaporese belastingwetgeving
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Het is mij niet bekend of Singapore een territoriaal belastingstelsel, of een vorm daarvan, heeft. In een territoriaal belastingstelsel is belastingheffing doorgaans gericht op binnenlands gegenereerde inkomsten en wordt buitenlands broninkomen vrijgesteld of anderszins niet in de heffing betrokken. In hoeverre een opbrengst in een territoriaal belastingstelsel wordt belast, is dus afhankelijk van de inkomenstoerekeningsregels en specifieke vrijstellingsgronden van dat stelsel. In voorkomende gevallen kan een territoriaal belastingstelsel tot gevolg hebben dat winst die wordt genoten uit deelname als vennoot in een CV niet in de belastingheffing wordt betrokken in de jurisdictie waar het territoriale belastingstelsel van toepassing is. Om vast te stellen of dit in de bevraagde structuur het geval is, is een feitelijke toetsing van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval voor de toepassing van de relevante Singaporese belastingwetgeving vereist. Ik kan hier verder in algemene zin geen uitlatingen over doen.
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
De maatregelen die volgen uit ATAD2 bestrijden belastingontwijking waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde hybridemismatches. Hybridemismatches zijn situaties waarin een belastingvoordeel wordt behaald door gebruik te maken van de verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels; meer in het bijzonder door gebruik te maken van verschillen in de fiscale behandeling (kwalificatie) van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen. Met de hybridemismatchmaatregel wordt beoogd de voordelen van hybridemismatches te neutraliseren die worden veroorzaakt door de wisselwerking van (kwalificatie)verschillen tussen belastingstelsels. De maatregelen hebben tot doel om mismatches te bestrijden die hun oorsprong hebben in een hybride element. Voor de toepassing van de hybride mismatchmaatregelen beoordeelt de inspecteur aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval of de betaling van royalty’s leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of een dubbele aftrek en of die uitkomst het gevolg is van een kwalificatieverschil of een verschil in toerekening tussen de betrokken jurisdicties. Als er geen sprake is van een hybride mismatch, dan beperkt ATAD2 de aftrek van royalty’s niet.
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Per 1 januari 2022 is in de Wet Vpb 1969 de belastingplichtmaatregel voor omgekeerde hybride lichamen uit ATAD2 in werking getreden.. 8 Op grond daarvan kan een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat in beginsel voor Nederlandse belastingwetgeving transparant is, onder omstandigheden worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb 1969.
Indien de CV als omgekeerd hybride lichaam binnenlands belastingplichtig is voor de Wet Vpb 1969, kan bij het bepalen van de winst onder omstandigheden een aftrek worden verleend voor het gedeelte van de winst van een lichaam dat in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken bij de houders van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in dat lichaam die woonachtig of gevestigd zijn in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt. Van betrekking in de heffing is bijvoorbeeld geen sprake indien een betaling – op basis van de kwalificatie van die betaling – in aanmerking komt voor een belastingvrijstelling. Hiermee wordt voorkomen dat aftrek wordt verleend voor winst die niet in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Er kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit geldt ook over de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969 in een specifieke situatie. Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt. De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie. De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt. Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing, ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslaggevende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordt gevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid vooraf gegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter9 zijn per december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk maken om onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aan alle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan. Bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen een zo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of de Belastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassen waardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkende elementen volledig worden weggenomen. De Belastingdienst beoordeelt dan ook in het kader van de behandeling van een verzoek tot internationaal vooroverleg het doel van de (rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvattingen10 blijkt dat een overweging is opgenomen of het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de rechts)handeling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geen zekerheid vooraf verstrekt. Van alle toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken om vooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.11 Een onafhankelijke onderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar de door de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaal karakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door de onafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbrief Belastingdienst met uw Kamer gedeeld. De onderzoekscommissie is van mening dat, net als bij de eerdere onderzoeken, de Belastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders van wetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieus werkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligt. Er kan niet in algemene zin worden aangegeven of sprake is van een «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken»in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Vpb 1969. Ook kan in algemene zin niet worden bevestigd dat de winst die toerekenbaar is aan een Singaporese vennootschap aftrekbaar is. De inspecteur beoordeelt dit aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Het is aan een belanghebbende op welke wijze een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt slechts de fiscale gevolgen van een structuur op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving, en houdt daarbij rekening met alle feiten en omstandigheden van de specifieke situatie. Voor het antwoord op de vraag of een niet naar Nederlands recht opgerichte en in het buitenland gevestigde vennootschap buitenlands belastingplichtig is in de zin van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus het geven van zekerheid vooraf mogelijk is. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter.12
Uit de gepubliceerde samenvattingen blijkt dat er zekerheid gegeven wordt over artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. In bijlage 2 van het jaarverslag van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.13 Het aantal afgegeven afspraken ten aanzien van de specifieke bepaling van artikel 17a, onderdeel g van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt niet systematisch bijgehouden. Samenvattingen hierover zijn te herkennen, omdat bijvoorbeeld een volgende overweging is opgenomen:
«Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.» 14
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
In de effectmeting ATAD2 is op basis van meerdere, onafhankelijke indicatoren geconcludeerd dat de hybridemismatchmaatregelen – in samenhang met andere maatregelen – substantieel hebben bijgedragen aan het tegengaan van belastingontwijking door middel van CV/BV-structuren. De omstandigheid dat structuren met ongewenste belastingontwijking nog mogelijk kunnen zijn, doet daarbij geen afbreuk aan deze conclusie. Uit de effectenmeting is gebleken dat er vier indicaties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de wetgeving effectief is gebleken.16
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Het is aan een belanghebbende hoe een structuur wordt opgezet, bij de opzet is geen rol weggelegd voor de Belastingdienst. Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen op het moment dat een Singaporese vennootschap, bijvoorbeeld als moeder- of dochtermaatschappij, wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap, wordt betrokken in het toezicht door de Belastingdienst.
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
De wereldwijde minimumbelasting bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%, dan wordt dat verschil bijgeheven. Of de desbetreffende laagbelaste jurisdictie een minimumbelasting heeft ingevoerd is daarbij niet van belang. Andere jurisdicties die wel een minimumbelasting hebben ingevoerd kunnen ter zake van de laagbelaste jurisdictie de bijheffing heffen, indien de multinationale groep binnen de reikwijdte van hun nationale wetgeving over de wereldwijde minimumbelasting valt. Met dit samenhangend stelsel van regels worden de doelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting gewaarborgd, namelijk een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten naar laagbelastende staten te verplaatsen. De wereldwijde minimumbelasting zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen. Zowel Singapore als Zwitserland hebben de regels voor de wereldwijde minimumbelasting in nationale wetgeving omgezet. Beide landen hebben op basis van het peer review proces dat op OESO-niveau is vormgegeven een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende binnenlandse bijheffingsmaatregel.17 Ook kennen beide landen een kwalificerende binnenlandse bijheffing veiligehavenregel. De status van een kwalificerende maatregel is van belang om de rangorde tussen de verschillende maatregelen te bepalen, en draagt bij aan de consistente toepassing van de regels voor de wereldwijde minimumbelasting.18
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Aangezien het hier gaat om buitenlands belastingstelsels, is het niet mogelijk concreet te antwoorden op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat in Zwitserland kwalificerende belastingtegoeden in voorkomende gevallen van toepassing kunnen zijn in kader van de minimumbelasting. De regels voor de behandeling van zogenoemde kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden maken deel uit van de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting en de administratieve richtsnoeren die het IF na publicatie van de OESO-modelregels is overeengekomen.19 Onder welke voorwaarden restitueerbare belastingtegoeden kwalificeren en hoe dergelijke kwalificerende belastingtegoeden onder de regels voor de minimumbelasting dienen te worden behandeld, is derhalve internationaal afgesproken. Momenteel hebben meer dan 65 staten, waaronder Zwitserland de wereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappen genomen.20 Het kabinet acht het van belang dat staten het samenhangend stelsel van regels rondom de wereldwijde minimumbelasting consistent implementeren. Dit om discrepanties in de toepassing van de regels te verkleinen en de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel te waarborgen. Daarnaast dienen de OESO-modelregels ook eenduidig te zijn geïmplementeerd voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces.
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
Voor de berekening van het effectieve belastingtarief wordt een onderscheid gemaakt tussen kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende belastingtegoeden en overige belastingtegoeden. Een belastingtegoed is slechts kwalificerend indien dit restitueerbaar of verhandelbaar is als bedoeld in de wereldwijde minimumbelasting. Hiervoor gelden verschillende cumulatieve voorwaarden. Achtergrond van de regels voor belastingtegoeden in de wereldwijde minimumbelasting is dat de regels rondom de financiële verslaggeving – het uitgangspunt voor de wereldwijde minimumbelasting – geen eenduidige en verplichte behandeling kennen. Het IF heeft daarom een kader voor de behandeling voor belastingtegoeden onder de wereldwijde minimumbelasting opgesteld. Dit om te voorkomen dat de verschillende financiële verslaggevingstandaarden bepaalde voor- of nadelen voor groepen tot gevolg zouden kunnen hebben. Het verlenen van een kwalificerend belastingtegoed past derhalve binnen het internationale raamwerk van de wereldwijde minimumbelasting. Binnen dit kader hebben verschillende staten hun fiscale stimuleringsregelingen aangepast dan wel nieuwe fiscale stimuleringsmaatregelen geïntroduceerd. Dergelijke stimuleringsregelingen zijn slechts kwalificerende belastingtegoeden als aan de strikte voorwaarden van de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting wordt voldaan.
Voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting worden kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden aangemerkt als kwalificerend inkomen (verhoging van de noemer van de breuk). Deze kwalificerende belastingtegoeden hebben echter geen invloed op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk), in tegenstelling tot niet-kwalificerende belastingtegoeden die het bedrag aan betrokken belastingen verlagen. Dit betekent dat kwalificerende belastingtegoeden een geringer neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief en derhalve minder snel of in geringere mate leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerende belastingtegoeden.21 Kwalificerende belastingtegoeden worden hiermee onder de wereldwijde minimumbelasting in grote lijnen gelijkwaardig gezien als overheidssubsidies. In voorkomende gevallen kan daarmee het effectieve tarief onder de 15% komen. Het verschil tussen een kwalificerend en niet-kwalificerend belastingtegoed kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:
Een multinationale groep valt onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting. De uiteindelijkemoederentiteit (UME) heeft het volledige belang in groepsentiteit X Co. X Co is de enige groepsentiteit van de multinationale groep die is gevestigd in staat X. Het belastingtarief in staat X is 20%. Het kwalificerende inkomen van X Co is € 200 miljoen en de betrokken belastingen bedragen € 40 miljoen.
Omdat X Co diverse onderzoekskosten maakt voor een bedrag van € 100 miljoen, heeft X Co in staat X recht op een superaftrek van 150%. Dit belastingtegoed van € 30 miljoen (20% x € 100 miljoen x 150%) moet worden uitbetaald binnen acht jaar en is niet verhandelbaar. Hierdoor wordt dit belastingtegoed niet beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed. Onder de wereldwijde minimumbelasting-regels betekent dit dat het belastingtegoed als een negatief bestanddeel van de betrokken belastingen moet worden gezien (teller van de breuk). Het effectieve tarief bedraagt dan 5% ((€ 40 miljoen – € 30 miljoen) / € 200 miljoen). Daarmee is een bijheffing van € 20 miljoen (10% x € 200 miljoen) verschuldigd.
Wanneer het belastingtegoed wel wordt beschouwd als een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed of een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed, betekent dit dat het belastingtegoed als een positief bestanddeel van het kwalificerende inkomen moet worden aangemerkt. Het effectieve tarief bedraagt dan 17,4% (€ 40 miljoen / (€ 200 miljoen + € 30 miljoen)), waardoor er geen bijheffing is verschuldigd onder de wereldwijde minimumbelasting.
Afgelopen januari is een akkoord bereikt over het zogenoemde Side-by-Side pakket. Dit pakket introduceert verschillende veiligehavenregels waaronder de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veiligehavenregel houdt in dat het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk) wordt verhoogd met het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan nader gedefinieerde kwalificerende fiscale regelingen. Het kwalificerende inkomen (noemer van de breuk) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot de behandeling van kwalificerende belastingtegoeden (zoals hiervoor beschreven). 22Deze veiligehavenregel bevat waarborgen om te garanderen dat deze alleen kan worden toegepast indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteit. De kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel is opgenomen in het Wetvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 dat ter internetconsultatie is gepubliceerd.23
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Aangezien het hier gaat om buitenlands recht, is het niet mogelijk concrete antwoorden te formuleren op deze vragen. In algemene zin kan ik het volgende opmerken. Uit openbare bronnen blijkt dat het in Zwitserland onder voorwaarden mogelijk is de inbreng te waarderen op de waarde in het economische verkeer. De aftrekbaarheid van rente is in veel landen afhankelijk van een verscheidenheid aan factoren, waardoor daar niet in algemene zin een antwoord op is te geven. Afschrijvingen en renteaftrek zijn factoren die kunnen leiden tot een fiscale winst die verschilt van de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving. Daarmee kunnen zij een rol spelen bij het bepalen van het effectieve tarief voor de minimumbelasting. Voor zover de afschrijvingen en renteaftrek niet in de winst ten behoeve van de financiële verslaggeving worden meegenomen maar wel in de fiscale winst, zullen zij het effectieve tarief verlagen.
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Hoe een structuur wordt opgezet, is niet aan de Nederlandse Belastingdienst. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat in voorkomende gevallen Nederlandse belastingplichtigen immateriële activa kunnen worden verplaatst naar een Zwitserse vennootschap.
Eventuele Nederlandse fiscale gevolgen met betrekking tot het onderbrengen van immateriële activa in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap, worden betrokken in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen overzicht van alle structuren, noch zijn (schattingen) aantallen van bekend bij de Belastingdienst.
Over de Nederlandse fiscale gevolgen samenhangend met een overdracht van immateriële activa kan in principe zekerheid vooraf worden gevraagd. Het hangt echter af van de concrete feiten en omstandigheden of in een specifieke casus zekerheid vooraf mogelijk is. In het BFB zijn de algemene kaders gegeven waarbinnen de Belastingdienst vooroverleg kan weigeren. Ook moet bij verzoeken over dit onderwerp worden voldaan aan de kaders van het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter. In bijlage 2 van het jaarverslag24 van de rulings met een internationaal karakter wordt een uitsplitsing gegeven van de cijfers van toegekende rulings naar verschijningsvorm.
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.25 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgen we daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. Bovendien blijkt uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.26 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
De Belastingdienst houdt toezicht op de aftrek van rente en royalty’s door Nederlandse vennootschappen. Hierbij wordt onder andere getoetst aan artikel 8b van de Wet Vpb 1969 (zakelijkheidsbeginsel) en renteaftrekbeperkende maatregelen zoals artikel 10a van de Wet Vpb 1969. Daarnaast is in 2021 de Wet op de Bronbelasting ingevoerd waardoor, kort gezegd, betalingen aan laagbelastende staten en niet-coöperatieve jurisdicties zijn onderworpen aan de bronbelasting. Uit de monitoring van de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties blijkt dat de betalingen van rente en royalty’s aan laagbelastende jurisdicties sinds de invoering van de bronbelasting fors zijn afgenomen. Voor een overzicht verwijs ik u naar de laatste brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking van 15 december 2025.27
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
In de reguliere aangifte vennootschapsbelasting bestaat geen algemene verplichting om een specificatie van alle aan groepsmaatschappijen betaalde rente en royalty’s per land op te nemen. De Vpb-aangifte bevat wel vragen over onder meer renteaftrekbeperkingen, transacties met gelieerde partijen en verrekenprijzen, maar niet een standaard landenoverzicht van betaalde rente en royalty’s. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van beschikbare data een dergelijk overzicht te verstrekken. Een apart onderzoek in samenwerking met de Belastingdienst zou betekenen dat extra gegevens moeten worden opgevraagd bij een groot aantal belastingplichtigen. Een belastinginspecteur mag in beginsel altijd vragen stellen om de belastingheffing te controleren, zolang deze vragen gaan over feiten die relevant zijn voor de belastingaangifte. Het is dan ook niet mogelijk om via een dergelijk onderzoek deze cijfers te verkrijgen.
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Ook het kabinet heeft gesignaleerd dat er na implementatie van de maatregelen die volgen uit het BEPS-nog steeds risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving naar laagbelastende landen zijn. Het kabinet heeft daarom – naast een reeks van eerder genomen maatregelen – zelf ook unilaterale maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Hiervoor verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording op vraag 19. Deze unilaterale maatregelen dwingen echter andere landen er niet toe soortgelijke maatregelen te nemen, met als gevolg dat belastingontwijking door internationaal opererende bedrijven nog steeds mogelijk blijft en slechts verschuift naar andere jurisdicties. Wereldwijde belastingontwijking moet daarom vooral internationaal gecoördineerd worden aangepakt om tot een effectieve oplossing te komen. Immers, de uitdagingen die samenhangen met belastingontwijking en de belastingheffing van multinationals, zijn veelal internationaal van aard en kunnen het beste worden aangepakt door middel van internationale afspraken, zowel bij de OESO als in de EU. Met de ingevoerde wereldwijde minimumbelasting wordt bewerkstelligd dat multinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meer altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordt berekend per staat, is de verwachting dat een minimumbelastingtarief van 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie en belastingontwijking in te dammen. Het doel van de wereldwijde minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de wereldwijde minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de wereldwijde minimumbelasting een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. De systematiek van de wereldwijde minimumbelasting leidt ertoe dat in het geval een staat onvoldoende belasting heft, naar de maatstaven van de wereldwijde minimumbelasting, over bepaalde winsten er over die winst kan worden bijgeheven door een andere staat die de wereldwijde minimumbelasting heeft geïmplementeerd. Als gevolg hiervan zullen staten naar verwachting de wereldwijde minimumbelasting invoeren of hun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve belastingtarief in de praktijk uitkomt op ten minste 15%. Het voorgaande laat onverlet dat het kabinet zal onderzoeken of territoriale belastingstelsels in samenhang met de bestaande maatregelen kunnen leiden tot uitkomsten die onvoldoende door het huidige instrumentarium worden bestreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
Ja.
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met 2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september over te informeren.
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht. Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035), er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld door het vorige kabinet.
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen. De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode 2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk € 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt € 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035. Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde 2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten».
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd, hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd, is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier verder over te informeren in september.
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar de antwoorden op vraag 3 en 10.
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Vanwege privacy wil ik geen uitspraken doen over individuele personeelszaken. Het SKJ-tuchtrecht is persoonsgericht en uitspraken zijn gepseudonimiseerd. Werkgevers hebben zelf de verantwoordelijkheid om – met een passende juridische grondslag – relevante informatie te betrekken bij screening, begeleiding en inzet van medewerkers. Ik verwacht dat gecertificeerde instellingen (GI’s) hun procedures op dit punt op orde hebben. SKJ informeert werkgevers niet (inhoudelijk). Werkgevers moeten zelf hun vergewisplicht/verantwoordelijkheid invullen met proportionele checks. Bij signalen van tekortkomingen op het gebied van de kwaliteit van de uitvoering van de werkwijze en/ of wettelijke normen bij een GI zijn de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) de aangewezen toezichthouders.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg, maar ik kan geen oordeel geven over een individuele casus. Het SKJ-tuchtrecht is persoonsgericht en uitspraken zijn gepseudonimiseerd. In algemene zin verwacht ik dat werkgevers, binnen privacy- en arbeidsrecht, de inhoud en relevantie van een berisping beoordelen en passende maatregelen treffen. De Minister geeft geen inhoudelijk oordeel over een individuele tucht- of personeelszaak, dus ook niet over «een berispte jeugdbeschermer». Jeugdbeschermers vallen (veelal via SKJ-registratie) onder een onafhankelijk tuchtrecht. Tuchtcolleges oordelen zelf; bewindspersonen treden daar niet in.
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
GI’s moeten borgen dat jeugdbeschermers bevoegd en bekwaam zijn. Tuchtrechtelijke beslissingen zijn persoonsgebonden en worden gepseudonimiseerd op de website van SKJ geplaatst. Indien de Colleges een openbare maatregel opleggen zijn deze te raadplegen op de website van SKJ in het register en in het overzicht van maatregelen waarvan de openbaarmaking is gelast. Hierbij wordt o.a. de naam en het registratienummer van de jeugdprofessional genoemd. Het publiek (waaronder werkgevers) kunnen op deze manier kennisnemen van de opgelegde openbare maatregelen. Er is geen plicht voor SKJ om werkgevers (inhoudelijk) te informeren, dus verdere verwerking kan alleen met AVG-grondslag of toestemming. GI’s borgen dit zelf via periodieke controles van het SKJ-register en een interne meldplicht voor medewerkers om tuchtmaatregelen te melden.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport brengt het wetsvoorstel waarin de vergewisplicht voor jeugdhulpaanbieders op korte termijn in internetconsultatie. Deze verplicht werkgevers zich te vergewissen van het arbeidsverleden van hun (aan te nemen) professionals. De vergewisplicht verplicht jeugdhulpaanbieders tot zorgvuldige navraag naar geschiktheid en integriteit, waarbij het controleren van de status van de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd onderdeel kan zijn. Deze geeft geen recht op of plicht tot het ontvangen van inhoudelijke tuchtrechtgegevens van SKJ.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
De IGJ en Inspectie JenV zijn onafhankelijk in hun toezicht. Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie JenV om zelf te beoordelen of onderzoek nodig is. Ik geef geen aanwijzingen en doe geen verzoeken om specifiek onderzoek in individuele zaken. Onderzoek naar individuele dossiers vindt alleen plaats binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van privacy en lopende procedures.
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Ik kan en wil niet ingrijpen in individuele, door de kinderrechter genomen maatregelen of die laten herbeoordelen. Proportionaliteit en onderbouwing zijn aan de rechter. Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie JenV om onafhankelijk te beoordelen of signalen aanleiding geven tot onderzoek. Schade moet altijd voorkomen of beperkt worden, juist bij ingrijpende middelen in kwetsbare gezinnen. Als ouders of kinderen schade ondervinden, bestaat er het klacht- en tuchtrecht via deze instantie. Ook is een civiele rechtsgang mogelijk.
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Ja, kinderbeschermingsmaatregelen moeten goed onderbouwd worden, want het zijn ingrijpende maatregelen in kwetsbare gezinnen. Daarom werk ik ook aan betere transparantie, dossiervorming en sterkere rechtsbescherming en duidelijke en snellere klacht- en geschilprocedures.
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag waarbij door de rechtbank is bevestigd dat u niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de Europese Unie?1
Ja. Ik kan mij echter niet vinden in die uitspraak en heb hiertegen hoger beroep ingediend bij de Raad van State.
Hoe rijmt u de conclusie dat bepaalde provincies in Jemen (zoals Al Mahra en Hadramaut) «veilig» zijn met de informatie van hulporganisaties, United Nations en VluchtelingenWerk dat het geweld en de instabiliteit zich over het hele land verspreiden en dat de situatie onvoorspelbaar blijft?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft onderzoek gedaan naar de verschillende provincies in Jemen. Hierbij is naar voren gekomen dat de provincies Al Mahra en Hadramaut grotendeels gevrijwaard zijn gebleven van de gevechten die gaande zijn in andere provincies in Jemen. In het landenbeleid ten aanzien van Jemen is vervolgens opgenomen dat voor de provincies Al Mahra en Hadramaut géén sprake is van een risico op willekeurig geweld in de zin van artikel 15c. De rechtbank in Arnhem heeft inmiddels geoordeeld dat ik er op juiste gronden vanuit ga dat in Hadramaut geen sprake is van een gewapend conflict. Dit neemt niet weg dat de IND altijd op basis van een individuele beoordeling een besluit neemt over de asielaanvraag. Bij deze beoordeling betrekt de IND de meest recent beschikbare informatie over de veiligheidssituatie in een land.
Kunt u specifiek aangeven welke bronnen, naast het ambtsbericht, zijn gebruikt om de afwezigheid van willekeurig geweld in deze gebieden aan te tonen?
Via het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), dit is het IND-expertisecentrum op het gebied van taal- en landinhoudelijke informatie, heeft het departement extra informatie opgevraagd over de veiligheidssituatie in Jemen sinds het publiceren van het ambtsbericht tot en met februari 2026. TOELT heeft onder andere informatie opgehaald uit openbare bronnen van ACLED en de Yemen Monitor maar ook geput uit andere betrouwbare nieuwsbronnen.
Waarom blijft u vasthouden aan het beleid waarbij humanitaire factoren slechts globaal worden meegenomen, terwijl de rechter en de Raad van State oordelen dat onvoldoende in kaart is gebracht hoe humanitaire omstandigheden (zoals hongersnood en gebrek aan water) het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen en het Europese Hof (arrest CF en DN) een «allesomvattende beoordeling» eist?
Zowel de Raad van State als het Hof van Justitie van de EU spreken in de door u aangehaalde uitspraken van het globaal betrekken van alle relevante omstandigheden. Ik ben daarom van oordeel dat de door de Raad van State geconstateerde motiveringsgebreken in het oude landenbeleid met betrekking tot het betrekken van de humanitaire omstandigheden bij de 15c-beoordeling, middels het nieuwe landenbeleid Jemen zijn hersteld. Ik heb uw Kamer per brief en de bijbehorende bijlagen op 8 oktober 2025 geïnformeerd over deze wijzigingen.
Bent u bereid om, naar aanleiding van de recente rechterlijke uitspraak dat het beleid niet voldoet aan de eisen van de Raad van State en het Europese Hof, de uitvoering van het nieuwe beleid (en daarmee de afwijzingen van asielaanvragen) per direct op te schorten totdat er een deugdelijke, allesomvattende analyse van de humanitaire situatie ligt?
Deze zaak ligt nog voor bij de Raad van State. Ik ben van mening dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het landenbeleid niet in overeenstemming is met de uitspraak van de Raad van State. Ik zie daarom ook geen aanleiding om het beleid ingevolge de uitspraak van de rechtbank te wijzigen.
Komt er een nieuwe wijziging in het landenbeleid voor Jemen naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken? Zo ja, hoe wordt daarin recht gedaan aan de uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb geconcludeerd, zijn de eisen van de Raad van State en het Europese Hof van Justitie reeds meegenomen in de meest recente beleidswijziging voor het landenbeleid Jemen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op dit moment bezig met een nieuw ambtsbericht over Jemen; dit ambtsbericht wordt verwacht in het vierde kwartaal van 2026 en zodra dit is gepubliceerd zal ik bezien of het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd dient te worden.
Op welke feitelijke informatie baseert u de aanname dat vluchtelingen uit onveilige gebieden zich duurzaam en veilig kunnen vestigen in de zogenaamd veilige provincies, gezien de enorme druk op de lokale infrastructuur door de miljoenen interne ontheemden in Jemen?
Uit het ambtsbericht bleek, en dit beeld is na het opvragen van meer actuele informatie recent nog bevestigd, dat de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra vrijwel gevrijwaard zijn gebleven van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Voor deze provincies kan dan ook de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van willekeurig geweld in de zin van een gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15c. Bovendien blijkt ook niet uit de informatie dat de, weliswaar, precaire humanitaire situatie, het gevolg is van de gehanteerde oorlogsmethoden. Er is daarom geen reden aan te nemen dat in deze provincies sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c en dat men in algemene zin zich hier niet veilig kan vestigen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de IND altijd een individuele beoordeling doet als iemand zegt asielbescherming nodig te hebben. Er kunnen dus op individuele gronden redenen zijn om aan te nemen dat iemand zich niet in deze provincies kan vestigen.
Hoe wordt gegarandeerd dat deze mensen daar niet alsnog in een levensbedreigende humanitaire situatie terechtkomen?
Het is aan de vreemdeling om de vrees voor ernstige schade bij terugkeer aannemelijk te maken. Voor het vaststellen van een reëel risico op ernstige schade is een volledig individuele beoordeling vereist. Daarbij wordt gekeken naar alle relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst. De humanitaire omstandigheden zijn daarbij reeds meegewogen bij de vaststelling of sprake is van een 15c situatie in de verschillende provincies in Jemen. Aan de hand daarvan beoordeelt de IND of de aangedragen vrees aannemelijk is en of dit voldoende is om asielbescherming te verlenen.
Erkent u dat het huidige beleid, waarbij zaken worden aangehouden of afgewezen op basis van een juridisch wankel fundament, ertoe leidt dat een grote groep Jemenieten in Nederland in onzekerheid leeft en hun integratie en persoonlijke ontwikkeling ernstig worden belemmerd?
De IND kan sinds het publiceren van het nieuwe landenbeleid in oktober 2025 weer beslissen op Jemenitische asielaanvragen. Ik ben ervan overtuigd dat het huidige landenbeleid ten aanzien van Jemen recht doet aan de informatie die over Jemen bekend is.
Hoe kunt u de Jemenieten in Nederland ondersteunen en faciliteren in hun ontwikkeling en integratie gedurende deze onzekere tijden?
Personen met de Jemenitische nationaliteit die een verblijfsstatus in Nederland hebben, hebben toegang tot dezelfde integratie en inburgeringsmogelijkheden als statushouders met een andere nationaliteit. Ik zie daarom geen aanleiding om naast de bestaande mogelijkheden extra ondersteuning te bieden ten behoeve van de ontwikkeling en integratie van Jemenitische statushouders. Voor Jemenitische vreemdelingen die nog in de asielprocedure zitten, geldt dat zij dezelfde positie genieten als vreemdelingen met een andere nationaliteit. Ook voor hen zie ik geen reden om bijzonder beleid in te richten.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Authentieke en inauthentieke social media accounts |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe wordt het onderscheid tussen «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op sociale media gemaakt?
Voor «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op socialemediadiensten zijn geen eenduidig afgebakende begrippen. In artikel 34 en overweging 55 en 84 van de Europese digitaledienstenverordening (DSA) wordt wel verwezen naar de term «niet-authentiek gebruik». Die omschrijving biedt aanknopingspunten om dergelijk gebruik te onderscheiden van authentiek gebruik. Daaruit valt af te leiden dat bij niet-authentiek gebruik bijvoorbeeld gedacht kan worden aan het aanmaken van nepaccounts, het gebruik van bots, of andere bedrieglijke vormen van gebruik van de dienst. Artikel 34 van de DSA verwijst ook naar geautomatiseerde exploitatie van de dienst en de versterking en mogelijk snelle en wijde verspreiding van illegale inhoud en van informatie die niet verenigbaar is met de algemene voorwaarden van de dienst.
Worden er accounts als «inauthentiek» geïdentificeerd?
De overheid identificeert niet welke accounts niet-authentiek zijn. Die verantwoordelijkheid ligt op grond van de DSA bij aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines. Zij zijn op grond van artikel 34 DSA verplicht een risicobeoordeling uit te voeren van het ontwerp en de werking van hun dienst, waarbij zij zogenaamde systeemrisico's identificeren en vervolgens beperken. Bij deze risicobeoordeling dienen zij rekening te houden met de manier waarop risico's worden beïnvloed door opzettelijke manipulatie van hun dienst, waaronder niet-authentiek gebruik. Daarnaast zijn zij op grond van artikel 37 DSA verplicht jaarlijks een onafhankelijke audit te laten uitvoeren om te controleren of de verplichtingen rond systeemrisicobeheer voldoende worden nageleefd. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen.
Als dat zo is, welke maatregelen worden vervolgens concreet tegen deze «authentieke accounts» genomen?
Er worden geen maatregelen tegen authentieke accounts genomen door de overheid. Wel kunnen online diensten maatregelen nemen tegen accounts die hun gebruikersvoorwaarden schenden.
Indien niet-authentiek gebruik van online diensten leidt tot systeemrisico’s voor de maatschappij, dienen aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines met meer dan 45 miljoen actieve gebruikers mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer het aanpassen van het ontwerp, de kenmerken of de werking van hun diensten omvatten, met inbegrip van hun online-interfaces, het testen en aanpassen van hun algoritmische systemen en/of het aanpassen van inhoudsmoderatieprocedures. Artikel 35 DSA noemt verder het markeren van gegenereerd of gemanipuleerd beeld-, audio- of videomateriaal als voorbeeld van een mitigerende maatregel. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van de verplichtingen voor zeer grote online platforms en zoekmachines. In geval van niet-naleving kunnen bijvoorbeeld boetes worden opgelegd ter hoogte van 6% van de jaarlijkse omzet.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Ja.
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om het Nederlandse uitgangspunt ten aanzien van Speciaal Rapporteurs fundamenteel te wijzigen. Nederland zal zich blijven inzetten voor een effectief en onafhankelijk systeem van Speciaal Rapporteurs en zal daarbij het belang van objectiviteit, integriteit en naleving van de gedragscode blijven benadrukken. Indien het kabinet het nodig acht zal het in gesprek gaan met Speciaal Rapporteurs om eventuele zorgen over te brengen.
Het bericht 'Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: 'Voor sommigen is wachten tot 18 geen optie'' |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL4 «Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: «voor sommigen is wachten tot 18 geen optie»»?1
Ja.
Waar vindt u dat primair de verantwoordelijkheid ligt voor een gezonde levensstijl, bij ouders of de overheid?
De overheid heeft een wettelijke taak om te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.2 Hoewel ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de opvoeding van hun kinderen, heeft de overheid een belangrijke rol in het creëren van een omgeving waarin kinderen gezond kunnen opgroeien. Er is dus sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Het kabinet zet zich dan ook in voor een preventieaanpak gericht op zowel collectieve als individuele preventie. Hierbij wordt met verschillende maatregelen en aanpakken geprobeerd om het ontstaan van overgewicht tegen te gaan. Omdat het ontstaan van overgewicht meerdere oorzaken kan hebben en complex is, is zo’n brede, integrale aanpak nodig.
Wel is het goed om te benadrukken dat kinderen met overgewicht en hun ouders vaak te maken hebben met vooroordelen. Obesitas is geen kwestie van eigen schuld. Er spelen vele maatschappelijke en individuele oorzaken mee.
Wat wordt er nu gedaan om ouders te ondersteunen bij het aanbieden van een gezonde levensstijl voor kinderen?
Het kabinet biedt kinderen en ouders hulp en ondersteuning bij het ontwikkelen van een gezonde leefstijl. Dit doet het kabinet vanuit een breed preventiebeleid waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doet het kabinet – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie. We werken met een omgevingsgerichte aanpak langs de levensloop van kinderen tot volwassenen om een gezonde leefomgeving te stimuleren. Binnen deze omgevingsgerichte aanpak die gericht is op het gezond en kansrijk opgroeien van kinderen versterken we de gezondheidsvaardigheden van kinderen, jongeren en volwassenen en zetten we in op de onderliggende determinanten van gezondheid.
Daarnaast bieden we passende zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft en werken we aan een sterkere verbinding tussen het zorg- en sociaal domein in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en het Integraal Zorgakkoord (IZA).
Vanuit het AZWA wordt de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren geïntensiveerd. Deze ketenaanpak is een samenwerking tussen zorg en sociaal domein, gericht op gezinnen waarbij er bij het kind sprake is van obesitas of overgewicht én waarbij psychosociale en/of sociaal maatschappelijke problematiek speelt binnen het gezin. De zorg en ondersteuning die een kind, ouders en het gezin vanuit de ketenaanpak krijgen, verschilt per situatie. Overgewicht of obesitas zijn aanleiding om in gesprek te gaan en vanuit daar wordt gekeken naar achterliggende oorzaken, de huidige situatie en de nodige ondersteuning voor het kind en gezin. De ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de bredere preventieve aanpak die hierboven is benoemd. Er is een toegankelijke sociale basis beschikbaar in wijken en buurten die helpt om gezinnen vroegtijdig te bereiken en passende ondersteuning te bieden. In de eerste levensjaren sluit de ketenaanpak aan bij Kansrijke Start, waar geboortezorg, jeugdgezondheidszorg (JGZ) en wijkteams samenwerken om gezinnen tijdig te ondersteunen en onderliggende factoren van overgewicht vroeg te signaleren. Wanneer kinderen ouder worden, spelen scholen een belangrijke rol. Programma’s als Gezonde School en of de JOGG-aanpak dragen bij aan een samenhangende aanpak waarin gezond gedrag wordt gestimuleerd, zowel in de klas als in de buurt. Deze gezonde leefomgeving versterkt de zorg en ondersteuning die kinderen krijgen binnen de ketenaanpak.
Hoe groot is de groep van kinderen die obesitas heeft? Welk percentage van deze groep zou in aanmerking komen voor een maagverkleining?
In 2025 had 12,4% van de kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar in Nederland overgewicht, waarvan 2,9% ernstig overgewicht (obesitas).3 Op basis van de richtlijn Behandeling van kinderen met Obesitas4 van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde komen alleen jongeren tussen 13 en 18 jaar die bijna uitgegroeid zijn in aanmerking voor een maagoperatie, ofwel bariatrische chirurgie. Zij hebben dan al een leefstijlbehandeling gehad om een gezonder eetpatroon aan te leren en meer te bewegen. De verwachting van het Zorginstituut Nederland is dat 100 tot 150 jongeren per jaar in aanmerking komen voor een uitgebreid selectietraject. Daarvan komen 10 tot 20 jongeren per jaar in aanmerking voor deze behandeling. Het gaat hierbij om jongeren met een BMI (body mass index) van meer dan 40, of om jongeren met een BMI van 35 tot 40 die daarnaast een ziekte hebben die samenhangt met ernstig overgewicht, zoals diabetes type 2, leververvetting en cardiovasculaire problemen.
En hoe heeft deze groep zich de laatste vijf jaar ontwikkeld? Wat is de verwachting voor 2030 en 2035?
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.5 Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht wel significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd. De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 20246 komt naar voren dat het aantal mensen met overgewicht de komende 25 jaar naar verwachting zal toenemen. In 2050 zal 64% van de Nederlanders overgewicht hebben. Hierbij wil het kabinet benadrukken dat dit om een verwachte stijging gaat, waarbij geen rekening gehouden wordt met nieuw beleid of toekomstige ontwikkelingen. Desalniettemin geven deze percentages aan dat we onverminderd moeten blijven inzetten op de doelstellingen en ambities zoals geformuleerd in de preventiestrategie.
Is helder welke oorzaken ten grondslag liggen aan het ontwikkelen van obesitas als minderjarige?
Overgewicht wordt veroorzaakt door een complex samenspel van persoonlijke, leefstijl en omgeving gerelateerde oorzaken, waaronder ongezonde voeding. Mensen, ook kinderen en jongeren en hun ouders en verzorgers, worden in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welbevinden zijn twee van de belangrijkste leefstijlfactoren in het streven naar een gezond gewicht, naast aandacht voor onderliggende determinanten van gezondheid als bijvoorbeeld kansengelijkheid en armoedebestrijding. Mensen worden dagelijks bewust en in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Er is op veel plekken vaak een overwegend groter aanbod ongezonde opties dan gezonde opties en niet iedereen heeft de juiste gezondheidsvaardigheden om gezonde voedingsopties te kiezen. Daarnaast kunnen onderliggende problemen in het gezin een gezonde leefstijl in de weg staan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medische, psychische en psychosociale factoren of sociaal-maatschappelijke problemen zoals schulden of werkloosheid. Voor een duurzame verandering is daarom meer nodig dan alleen ondersteuning van het kind gericht op voeding, beweging en slaap.
Wat kunnen ouders doen om te voorkomen dat een zware medische ingreep noodzakelijk gaat worden?
Jongeren zijn vatbaarder voor het aanleren van zowel gezonde als ongezonde gewoonten. En een gezonde thuisomgeving vormt een belangrijke basis voor een gezonde start.7
De gezondheid van kinderen wordt beïnvloed door factoren in de thuissituatie, zoals opvoeding, voedingspatronen, beweging, schermgebruik en sociale omstandigheden. Ouders en andere opvoeders spelen hierbij een belangrijke rol. Jong geleerd is immers ouder gedaan.8 Tegelijkertijd kunnen ouders dit niet alleen. Hier zet het kabinet dan ook op in vanuit de preventiestrategie.
Voor kinderen en jongeren die al overgewicht hebben is het belangrijk om tijdig na te gaan of er passende hulp en ondersteuning nodig is. Ouders kunnen hun zorgen bespreken met bijvoorbeeld de JGZ, met het sociaal wijkteam, en met zorgprofessionals zoals de huisarts of de kinderarts. Vanuit het AZWA continueert het kabinet de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Op deze manier investeert het kabinet in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Maar zoals ook in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, ontstaan overgewicht en obesitas door een complex samenspel van verschillende factoren. Een zware medische ingreep is simpelweg niet altijd te voorkomen.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Ja, daar heeft het kabinet kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Het onderzoek levert een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ, maar vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
De inzet van de POH-GGZ draagt bij aan het laagdrempelig toegankelijk houden van de zorg. De beleidsdoelen van de POH-GGZ zijn breder dan het voorkomen van specialistisch ggz-gebruik en aantoonbare symptoomverbetering alleen. De POH-GGZ draagt er namelijk aan bij om de huisartsenzorg te versterken, laagdrempelige ondersteuning te bieden en psychische klachten vroegtijdig te signaleren. Het uitblijven van aantoonbaar betere mentale gezondheidsuitkomsten op populatieniveau kan niet alleen worden herleid naar de inzet van de POH-GGZ en heeft te maken met heel veel andere factoren, zoals de grotere vraag en toegenomen complexiteit van de zorgvraag in de GGZ. Tevens is het voorkomen van verergering van klachten moeilijk meetbaar.
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Het klopt dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ tussen 2011 en 2021 is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 patiënten per jaar. Het klopt ook dat het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven. Het kabinet is van mening dat uit deze ontwikkeling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de POH-GGZ een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd. Wel deelt het kabinet de conclusie dat de introductie van de POH-GGZ heeft bijgedragen aan het creëren van meer behandelaanbod. Dit was ook een van de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ. Een mogelijke vervolgvraag is of een deel van de patiënten die bij de POH-ggz geholpen wordt op een andere plek beter kan worden geholpen. Bijvoorbeeld daar waar het overbruggingszorg betreft van patiënten met complexe zorgvragen die op een wachtlijst staan voor vervolg behandeling, of waar het voornamelijk sociale problemen betreft. Er is hier reeds beleid op ingezet. In het AZWA is daarom onder andere afgesproken om in te zetten op laagdrempelige steunpunten, mentale gezondheidsnetwerken, een verbeterde samenwerking tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg, en om de positie van de POH-GGZ te versterken door extra uren mogelijk te maken (verhoging van 12 naar 16 uren POH-GGZ per huisartsenpraktijk. Hiermee streven we naar een passende inzet van zorgprofessionals en het voorkomen van specialistische zorg.
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
In 2023 betroffen de uitgaven aan de POH-ggz 255 miljoen euro.2 Patiënten en huisartsen ervaren meerwaarde van de POH-GGZ. De POH-GGZ is een laagdrempelig aanspreekpunt dicht bij huis, helpt bij het verhelderen van hulpvragen en ondersteunt bij het vinden van passende vervolgstappen. Daarnaast ervaren huisartsen dat de POH-GGZ een belangrijke bijdrage levert aan de toegankelijkheid van zorg voor mensen met mentale klachten. Het onderzoek vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
In het IZA is een hogere maximuminzet van de POH-GGZ afgesproken (van 12 uur naar 16 uur inzet POH-GGZ per huisartsenpraktijk). Deze en aanpalende afspraken in het IZA zijn mede ingegeven door de hoge druk op de zorg, specifiek huisartsenzorg. De POH-GGZ speelt een belangrijke rol in de praktijken, voor patiënten met (licht) psychosociale klachten die zich bij de huisarts presenteren en ook niet snel in de basis of specialistische GGZ terecht kunnen. In het IBO mentale gezondheid en ggz3 wordt verwezen naar een onderzoek wat zich vooral richt op de verschillen tussen praktijken. Dit wijst erop dat wanneer de inzet van POH-GGZ in huisartsenpraktijken hoog is, er minder mensen met een depressie of klachten van depressieve aard in de generalistische basis-ggz of specialistische ggz terechtkomen.4 Daarnaast heeft het Trimbos een aantal onderzoeken naar de POH-GGZ uitgevoerd. Dit zijn onderzoeken naar de effectiviteit, doelmatigheid, patiëntervaringen en de organisatie van POH-GGZ.5
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
De toegankelijkheid van de gespecialiseerde ggz is een complex probleem. Het kabinet is via verschillende routes bezig met het oplossen van deze problematiek. In het AZWA (afspraak C6) zorgen de partijen in de ggz gezamenlijk dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. En het kabinet zet zich met de routekaart passende zorg ggz in om meer sturing op passende zorg voor de patiënt met een complexe zorgvraag te creëren. Dit is ook onderdeel van de kabinetsreactie op het IBO Mentale gezondheid en ggz, wat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VWS zal versturen. Daarnaast draagt de POH-GGZ bij aan laagdrempelige toegang tot psychische ondersteuning, vroegsignalering, passende triage en ondersteuning van de huisarts. Hiermee reiken de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ verder dan enkel een instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek levert, net als de andere onderzoeken zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ. Momenteel is een onafhankelijke evaluatie van de POH-GGZ niet aan de orde. Volgende maand gaat het Ministerie van VWS met onderzoeker Roger Prudon en mensen uit de praktijk in gesprek over het recente onderzoek. In dit gesprek zullen het onderzoek, de interpretatie en de mogelijke beleidsimplicaties aan bod komen.
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet neemt de aanbevelingen uit het onderzoek serieus. Hoewel het onderzoek concludeert dat de toegenomen inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan het verminderen van de druk op de basis en gespecialiseerde ggz, wil het kabinet benadrukken dat de POH-GGZ een breder doelt dient. Zo is de POH-GGZ ook bedoeld voor o.a. het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz, ondersteuning van huisartsen, inzetten op vroegsignalering, en effectievere triage en zorg dicht bij huis. Daarnaast zijn er, in bijvoorbeeld het AZWA, maatregelen genomen om de effectieve inzet van de POH-GGZ te bevorderen. Mentale gezondheidsnetwerken zorgen ervoor dat de druk op de gespecialiseerde ggz afneemt, doordat de huisarts, het sociaal domein, de ggz en ervaringsdeskundigen samenwerken in het Verkennend Gesprek. Ook het versterken van de samenwerking van eerstelijnszorg en het sociaal domein zorgt voor de inbedding van de POH-GGZ in het (preventieve) zorgstelsel. Het Ministerie van VWS gaat, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7, verder in gesprek over dit onderzoek.
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, gemeenten moeten uitvoering geven aan de wet. De actuele situatie in de asielopvang laat eens te meer zien dat het belangrijk is dat gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren en zich solidair tonen met de gemeenten die dit al doen.
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. Gemeenten moeten uitvoering geven aan de Spreidingswet. De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om eerst met elkaar in gesprek te gaan aan de provinciale regietafel (PRT) over de precieze invulling van de provinciale opgave. Het is aan gemeenten onderling hoe zij hier invulling aan geven. De wet schrijft voor dat de provinciale opgave sluitend moet zijn. Aan deze tafels deelnemen zonder bereidheid een bijdrage te leveren is wat mij betreft niet aan de orde.
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Inmiddels hebben meerdere soortgelijke signalen ook mij bereikt. Ik ga echter niet in op de specifieke casuïstiek. Als gemeenten niet voldoen aan hun wettelijke taak, is het rijksbrede kader van interbestuurlijk toezicht van toepassing en zullen gemeenten hierop worden aangesproken. Het ministerie is al in gesprek met een aantal van de gemeenten die niet voldoen aan hun wettelijke taak.
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. De wet geeft expliciet de mogelijkheid dat gemeenten met elkaar in gesprek gaan over hun opgaven. Deze afspraken landen in een provinciaal verslag, dat de CvdK als voorzitter van de PRT bij mij indient. Als het provinciale totaal sluitend is, zal ik het provinciale verslag overnemen in het verdeelbesluit. Lokaal bestuur heeft meer inzicht in de lokale context en weet welke opvangmogelijkheden daarbinnen mogelijk zijn. Ik raad de PRT’s dan ook aan om te komen tot een sluitend provinciaal verslag, zodat zij zelf de regie behouden.
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
Ik breng momenteel een bezoek aan alle PRT’s, waarbij ik ook in gesprek ga met bestuurders over de invulling van de opgave. Daarnaast zijn er vanuit de Spreidingswet verschillende bonusregelingen, waarop gemeenten aanspraak kunnen maken. Ook is het goed te benoemen dat de VNG een ondersteuningsteam heeft opgericht, om gemeenten die een nieuwe opvanglocatie openen te ondersteunen.
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, ik ken het bericht. Ik heb signalen ontvangen dat een deel van de Iraanse studenten in Nederland moeite heeft om zich op hun studie te kunnen concentreren door de heftige thuissituatie. In bepaalde gevallen komen daar ook nog eens financiële problemen bij, zoals geen toegang hebben tot je bankrekening.
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. In het algemeen geldt dat Iraanse studenten in Nederland verblijven op basis van een studievisum voor studenten en dat ze zijn ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Net als andere internationale studenten van buiten de Europese Economische Ruimte komen studenten uit Iran niet in aanmerking voor het wettelijke collegegeld of studiefinanciering. Op basis van hun studievisum mogen Iraanse studenten het hele jaar door tot maximaal 16 uur per week werken in loondienst of in plaats daarvan voltijdswerken in de maanden juni, juli en augustus. Hun werkgever moet dan een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Internationale studenten kunnen ook werken als zzp’er.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) biedt ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. Ik zie dat instellingen hier ook gebruik van maken. Zo ondersteunen instellingen deze studenten bijvoorbeeld via het treffen van betalingsregelingen, het opstellen van een noodfonds, het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van bijeenkomsten voor studenten en medewerkers om samen te komen en elkaar te ondersteunen.
Ik heb geen centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. De wijze van ondersteuning kan per student verschillen. Instellingen kunnen samen met de student nagaan welke beschikbare oplossing het best past bij de specifieke situatie van de student.
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Volgens de WHW is betaling van het collegegeld een voorwaarde voor een geldige inschrijving als student. Bij de inschrijving van een student aan een hogeschool of universiteit wordt gevraagd om aan te tonen dat het collegegeld betaald is of zal worden (artikel 7.37 WHW). De afspraken over betaaldata, termijnen en eventuele mogelijkheden voor uitstel van betaling zijn niet wettelijk vastgelegd. Hier kan een instelling zelf afspraken over maken. Instellingen spannen zich waar mogelijk in, zodat studenten ingeschreven blijven staan. Er is geen sprake van een automatische uitschrijving als een student het collegegeld niet heeft voldaan. Wel regelt de WHW dat een instellingsbestuur de inschrijving mag beëindigen indien een student het collegegeld na aanmaning niet heeft voldaan (artikel 7.42 tweede lid WHW).
Wanneer een onderwijsinstelling een student van buiten de EER uitschrijft, voldoet de student niet meer aan het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor studie is afgegeven en wordt deze verblijfsvergunning ingetrokken. De EU-richtlijn 2016/801 inzake voorwaarden voor de toelating en het verblijf van onder meer studenten van buiten de EU schrijft dit ook voor (artikel 21, eerste lid, onder a). Wel dient een lidstaat in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien.
Naast een geldige inschrijving bij een onderwijsinstelling dienen studenten gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Bij de IND zijn signalen bekend dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan dit middelenvereiste te blijven voldoen. Om hoeveel studenten het gaat is niet bekend.
Intrekking van de verblijfsvergunning voor studie betekent het verval van het verblijfsrecht, tenzij de desbetreffende voormalige student op grond van een andere toelatingsgrond dan studie in aanmerking komt voor verblijf in Nederland.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog worden er geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen overwogen. Wel ben ik met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ik ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Binnen de WHW is ruimte opgenomen voor onderwijsinstellingen om maatwerk te bieden en studenten financieel te ondersteunen, zodat rekening gehouden kan worden met de specifieke omstandigheden van een getroffen student.
Er zijn bijvoorbeeld instellingen die een noodfonds hebben ingesteld, betalingsregelingen hebben getroffen met studenten wanneer zij het collegegeld niet kunnen betalen en herinschrijfblokkades tijdelijk hebben opgeheven. Ook kunnen instellingen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving en zij hun verblijfsvergunning verliezen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Ik ben met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Indien een vreemdeling niet meer voldoet aan het verblijfsdoel waarvoor zijn verblijfsvergunning is afgegeven, wordt deze vergunning in beginsel ingetrokken. Op grond van de in antwoord 3 genoemde EU-richtlijn is een categorale regeling voor Iraanse studenten, zoals voorgesteld in de vraag, niet mogelijk.
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 en 4 biedt de WHW ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om studenten zo goed mogelijk te ondersteunen. Veel instellingen maken daar ook gebruik van.
Zo zijn er instellingen die bijeenkomsten organiseren om Iraanse studenten een hart onder de riem te steken, zoals ook aangehaald wordt in het bericht uit
vraag 1, of die extra inzetten op begeleiding. Daarnaast zijn hogescholen en universiteiten verplicht om bij het hanteren van een bindend studieadvies rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. En kunnen studenten zich wenden tot een examencommissie, studieadviseur of de Commissie Persoonlijke Omstandigheden (CPO), die bekijkt of en in welke mate er sprake is van studievertraging en hoe hiermee om te gaan.
Ik ben met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Ja.