De situatie in en rondom Venezuela en de rol daarin van de overzeese gebieden van het Nederlandse koninkrijk |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het escalerende conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet deze situatie op dit moment beoordeelt en welke risico’s het ziet voor de rijksdelen in de regio?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in en rond Venezuela nauwgezet. Op dit moment is er geen sprake van een acute militaire dreiging voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Venezuela verkeert al geruime tijd in een situatie van aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit. Gezien de geografische nabijheid is er bijzondere aandacht voor mogelijke indirecte gevolgen voor de Benedenwindse eilanden. Deze kunnen samenhangen met oplopende regionale en geopolitieke spanningen, waaronder een (gedeeltelijke) sluiting van zee- en luchtruim, verstoringen in logistieke verbindingen en risico’s voor kritieke infrastructuur, zoals energie- en brandstofvoorziening. Daarnaast blijven migratie- en veiligheidsvraagstukken in de regio een belangrijk aandachtspunt.
Aruba, Curaçao en Bonaire bereiden zich daarom voor op verschillende scenario’s die uit dergelijke spanningen kunnen voortvloeien. Nederland treft eveneens voorbereidingen om, waar nodig, bijstand en ondersteuning te kunnen verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met mogelijke veranderingen in migratiestromen en met bredere implicaties voor de veiligheid en stabiliteit in de regio.
De genoemde risico’s worden continu gemonitord en betrokken bij de actualisering van scenario’s, evenals in de reguliere en intensieve samenwerking binnen het Koninkrijk op het terrein van crisisbeheersing.
Is er op dit moment contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten over de veiligheidssituatie in de regio? Hoe beoordeelt het kabinet de huidige risico’s voor deze rijksdelen (en de bijzondere gemeenten, indien van toepassing)?
Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. Ik sta in nauw contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en houdt hen op de hoogte van de ontwikkelingen.
Er is geen sprake van een acute militaire dreiging voor de eilanden. Desondanks werken Aruba, Bonaire en Curaçao aan verschillende scenario’s ter voorbereiding op mogelijke indirecte effecten, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, waaronder logistieke vraagstukken. De eilanden kunnen daarbij rekenen op ondersteuning van de Nederlandse departementen. Ook Nederland treft voorbereidingen om, waar nodig, hulp en bijstand te kunnen verlenen. Dit alles maakt onderdeel uit van de reguliere samenwerking binnen het Koninkrijk op het gebied van crisisbeheersing.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat de spanningen kunnen leiden tot migratiestromen richting de Caribische delen van het Koninkrijk? Zo ja, welke voorbereidingen worden getroffen?
Op dit moment is er geen verhoogde instroom vanuit Venezuela. De landen in het Koninkrijk houden de migratiestromen richting Aruba, Curaçao en Bonaire goed in de gaten. De vier landen van het Koninkrijk werken op grond van het protocol versterking grenstoezicht in de Caribische landen van het Koninkrijk en de onderlinge regeling vreemdelingenketen al nauw samen op het gebied van grenstoezicht. Het Ministerie van Asiel en Migratie verricht in samenwerking met de betrokken ketenpartners zoals de Koninklijke Marechaussee, Korps Politie Caribisch Nederland, IND en de openbare lichamen de nodige activiteiten om het huidige (nood)scenario in het geval van een bovenmatige instroom van migranten, te actualiseren.
Welke belangen spelen er voor (de overzeese gebieden van) Nederland in dit conflict?
Allereerst is het van belang dat lucht- en zeeverbindingen veilig en betrouwbaar blijven. Dit is essentieel voor zowel de lokale voedselvoorziening als de economische continuïteit, waarbij het toerisme een belangrijke pijler vormt van de economieën van de eilanden.
Voor een nadere duiding van mogelijke indirecte effecten verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Hoe waarborgt het kabinet dat Nederland niet ongewild partij wordt in een conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela, terwijl tegelijkertijd de veiligheid van het Koninkrijk moet worden gegarandeerd?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS. Op dit moment is er geen acute militaire dreiging voor het Koninkrijk: de acties vinden plaats buiten de territoriale grenzen van het Koninkrijk en er is geen indicatie dat Aruba, Curaçao of Bonaire betrokken raakt in een eventueel conflict. Wat betreft de veiligheid van het luchtruim van Curaçao en Aruba is op verschillende niveaus met de Verenigde Staten gesproken om herhaling te voorkomen.
Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november 2025 ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
Kunt u de Kamer een actuele risicoanalyse toezenden over de impact van dit conflict op het Koninkrijk, inclusief mogelijke gevolgen voor veiligheid, migratie, economie en diplomatieke relaties?
De actuele risicoanalyse gaat over (mogelijke) impact als gevolg van de spanningen in en rond Venezuela, zoals ook hierboven beschreven. Deze analyses bevatten vertrouwelijke informatie over dreigingsinschattingen. Om die reden zijn de onderliggende stukken niet geschikt voor openbare toezending aan de Kamer.
Kunt u deze vragen zo volledig en spoedig mogelijk beantwoorden, gezien de snelle ontwikkelingen?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Opvang op locaties op het water |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvang gaat te water, veiligheid blijft aan wal: een op de vijf asielschepen voldoet niet aan de eisen»?1
Ja.
Wat vindt u ervan de desbetreffende vastgoedondernemer in Terneuzen zich actief heeft gemengd met het verzet tegen het openen van een asielzoekerscentrum (azc), specifiek met winstbejag als doel, terwijl de gemeente al had gekozen voor een leegstaand bedrijfspand als opvanglocatie?
In algemene zin staat het iedere ondernemer vrij om locaties aan het COA of de gemeente aan te bieden. Tegelijkertijd zijn de signalen, zoals vermeld in de aangehaalde berichtgeving, zorgelijk en betreur ik deze ten zeerste.
Om ongewenste beïnvloeding te voorkomen, heeft het COA een aantal waarborgen ingebouwd om samen met een gemeente tot een locatiekeuze te komen. Het COA kijkt hierbij naar objectieve criteria, zoals de prijs van een eventuele ontwikkeling en de afstand tot voorzieningen zoals winkels en openbaar vervoer. Vaak vergelijkt het COA, samen met de gemeente, verschillende locaties om tot een optimale locatiekeuze te komen.
Deelt u de zorgen dat commerciële aanbieders door actieve beïnvloeding van bewoners en lokale politici besluiten over asielopvang kunnen sturen richting voor hen financieel aantrekkelijke, maar mogelijk minder veilige of realistische alternatieven? Acht u dit een risico voor de integriteit van het proces en voor de zorgvuldige democratische besluitvorming op lokaal niveau?
De signalen, zoals vermeld in het artikel, zijn zorgelijk. Voor zorgvuldige besluitvorming in de gemeente is het van essentieel belang dat lokale politici zonder last hun werk kunnen doen. Daarom is dit ook in de Grondwet en in de gemeentewet verankerd. Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt daarnaast geïnvesteerd in de weerbaarheid en integriteit van het lokaal bestuur. Het Netwerk Weerbaar Bestuur ondersteunt politieke ambtsdragers wanneer zij te maken krijgen met oneigenlijke druk of beïnvloeding.
Verder is het in algemene zin noodzakelijk om minder afhankelijk te worden van commerciële aanbieders van noodopvang. In dit verband werkt het COA hard om de afhankelijkheid van noodopvang te verminderen. Door mijn ambtsvoorganger is toegezegd dat het COA de ruimte krijgt om toe te groeien naar 70.000 reguliere plekken, onder voorwaarde van overdraagbaarheid en opzegbaarheid. Daarnaast zijn in het coalitieakkoord meerjarig financiële middelen beschikbaar gesteld voor een stabiele financiering van het COA. De mogelijkheden voor langjarige planning door het COA worden hiermee vergroot. Hiertoe wordt voorlopig ook de spreidingswet in stand gehouden. Op 27-2 werd de capaciteitsraming 2026 vastgesteld en gepubliceerd2. Wanneer er voldoende vast en flexibele COA-opvangplekken zijn wordt de inzet van de spreidingswet overbodig.
Bent u bereid om met gemeenten het gesprek aan te gaan over het risico van campagnes door commerciële scheepsexploitanten of vastgoedeigenaren die reguliere azc-plannen frustreren om hun eigen diensten te promoten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is de insteek van het COA om dure noodopvangvoorziening zo snel mogelijk af te bouwen en te vervangen door reguliere opvang. Dit is goed voor de bewoners, de omgeving en is veel goedkoper. In dit proces onderhoudt het COA nauwe contacten met de gemeente over de verschillende belangen die spelen rondom de realisatie. Ongewenste beïnvloeding en commerciële belangen worden hier, indien noodzakelijk, ook in mee genomen.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de concurrentiestrijd door de toenemende vraag naar asielboten ten koste gaat van de veiligheid op de opvanglocaties op water? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor?
Nee. Als het COA een opvanglocatie in gebruik neemt, dan wordt deze altijd gekeurd en veilig bevonden. Aanvullend worden schepen die gebruikt worden voor de opvang van asielzoekers periodiek gekeurd na ingebruikname.
Tegelijkertijd blijft het voor de asielzoekers, statushouders en de medewerkers van het COA wenselijk om minder afhankelijk te zijn van noodopvangplekken op het water. Door de hoge bezetting op COA-locaties, onder andere veroorzaakt door lange asielprocedures en onvoldoende uitstroom naar gemeenten van statushouders, zit de opvang overvol.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers en hoeveel statushouders op dit moment verblijven in een locatie op water?
Medio februari verbleven er ruim 6.200 asielzoekers en 2.700 statushouders in asielopvang op het water. Hiervan zijn 644 mensen jonger dan 18 jaar. Alle locaties voldoen aan de veiligheidseisen die gesteld zijn aan opvang op schepen. De schepen worden periodiek gekeurd. Een overzicht van de locaties is bijgevoegd aan dit schrijven. Alle schepen zijn gecertificeerd en voldoen aan alle geldende veiligheidseisen. De IL&T voert regelmatig inspecties uit. Eventuele aandachtspunten die tijdens deze controles worden geconstateerd, worden direct opgepakt en zo snel mogelijk verholpen.
Kunt u aangeven hoeveel kinderen op dit moment verblijven op opvanglocaties op water en kunt u daarbij aangeven welke locaties dit zijn en of deze allemaal voldoen aan de wettelijke veiligheids- en pedagogische eisen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ongeveer een vijfde van de gecontroleerde asielboten niet voldoet aan de veiligheidsregels, en dat in de afgelopen drie jaar in totaal 664 gebreken zijn geconstateerd? Zo ja, kunt u toelichten om welke typen veiligheidsrisico’s het hierbij gaat?
De schepen die het COA, maar ook gemeenten, gebruiken voor de opvang van Oekraïense ontheemden worden periodiek gekeurd. In deze keuringen komen aandachtspunten naar voren die, afhankelijk van de ernst, opgelost moeten worden voordat de keuring met goed gevolg doorlopen is. Het betrof voornamelijk operationele veiligheidsrisico’s van gedragsmatige aard, zoals tijdelijke obstakels in vluchtroutes of struikelgevaar door los geplaatste objecten. Brandveiligheid of constructieve veiligheid was daarbij niet in het geding. Alle signalen uit de keuringen zijn door het COA opgevolgd.
Hoe is de deskundigheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) sinds 2022 versterkt als het gaat om de kwaliteit van de asielopvang op locaties op water? Is er hierbij specifiek aandacht voor de veiligheid van kinderen? Zo ja, op welke manier?
Sinds 2022 is de deskundigheid van het COA op het gebied van de opvang op waterlocaties continu versterkt, met een speciale focus op de veiligheid van kinderen. De positie en begeleiding van kinderen in noodopvang, en met name de kinderen op de schepen die gebruikt worden voor opvang, worden voortdurend gemonitord en verbeterd. Dit sluit aan bij de bredere verbeteringen die doorgevoerd worden voor kinderen in de noodopvang, zoals beschreven in de brieven van 19 september 2025 en 6 november 20253.
Binnen de beperkingen van de beschikbare middelen heeft het COA onder andere geïnvesteerd in contactpersonen voor kinderen, de aanleg van rust- en recreatieruimtes, en de toeleiding naar onderwijs voor kinderen. Daarnaast is er specifieke aandacht voor zwemveiligheid, waarbij bewoners worden geïnformeerd over de gevaren van water en verdrinking, en zwemlessen worden georganiseerd voor kinderen vanaf 5 jaar. Deze initiatieven dragen bij aan de algehele verbetering van de opvangkwaliteit voor kinderen, met specifieke aandacht voor hun veiligheid in een omgeving die mogelijk extra risico’s met zich meebrengt, zoals water en schepen.
Klopt het dat exploitanten van cruiseboten jaarlijks gemiddeld 63.000 euro per opgevangen asielzoeker ontvangen en dit vele malen duurder is dan opvang in een azc? Zo ja, wat vindt u van de situatie waarbij het COA vanwege hun wettelijke taak noodgedwongen is om bij commerciële scheepsexpoitanten plekken af te nemen en de gestegen kosten voor rekening van de samenleving komen. Bent u het met ons eens dat dit ook afbreuk doet aan het draagvlak voor opvang?
Helaas is het COA nog steeds afhankelijk van dure noodopvang op schepen. Op veel plekken zien we dat er concrete ontwikkelingen lopen om deze noodopvang te vervangen door reguliere asielopvang danwel alternatieve noodopvang op land. Dit kost echter tijd omdat de reguliere of noodopvanglocatie vaak gebouwd of verbouwd moet worden. Het vervangen van noodopvang door reguliere opvang heeft de absolute prioriteit. Zoals toegezegd aan de kamer zal ik u hier periodiek over informeren.
Het COA werkt er hard aan om (kortdurende) noodopvang te vervangen door langjarige reguliere opvang en dat is inderdaad noodzakelijk voor het behoud en het creëren van draagvlak.
Wat is uw appreciatie van het feit dat doordat boten niet openbaar worden aanbesteed, onderhandelaars hogere prijzen kunnen vragen en bent u hierover in gesprek met het COA?
Het COA heeft de afgelopen jaren het proces rondom het contracteren van schepen aangepast. In 2022 werden de schepen inderdaad na een korte marktanalyse direct gecontracteerd. Dit was toen noodzakelijk door het grote tekort aan opvangplekken. Momenteel worden alle nieuw te contracteren schepen aanbesteed.
Deelt u de mening dat het voor zowel de veiligheid van asielzoekers, maar ook vanwege kostenaspect en draagvlak, zeer wenselijk is om asielopvang op het water af te schalen? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u daartoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de brief van 25 november jl.4 is nader toelichting gegeven op de wijze waarop de moties van de heer van Dijk en Van Nispen over het stoppen van commerciële noodopvang worden uitgevoerd en welke knelpunten hierbij worden ervaren. Zoals hierboven aangegeven kost het realiseren van reguliere opvangplekken tijd, waardoor het aantal noodopvangplekken nog niet direct kan worden afgebouwd. Tegelijkertijd stijgt het aantal reguliere opvangplekken gestaag, van circa 41.000 op 1 januari 2026 naar circa 51.000 plekken op 1 januari 2027. Zoals hierboven vermeld zal dit nog niet voldoende zijn. Het COA heeft ruimte om toe te groeien naar 70.000 reguliere plekken, onder voorwaarde van overdraagbaarheid en opzegbaarheid. In het coalitieakkoord zijn meerjarig financiële middelen beschikbaar gesteld voor een stabiele financiering van het COA. Hiermee worden de mogelijkheden voor langjarige planning door het COA vergroot. Daarnaast wordt tevens de spreidingswet voorlopig in standgehouden. Op 27-2 werd de capaciteitsraming 2026 vastgesteld en gepubliceerd5. Wanneer er voldoende vaste en flexibele COA-opvangplekken zijn wordt inzet van de spreidingswet overbodig.
Mogelijke misstanden binnen het Nederlandse uitzetbeleid voor vreemdelingen |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Ongehoord Nederland van 13 november jl.1 over het Nederlandse uitzetbeleid met betrekking tot vreemdelingen? Hoe beoordeelt u deze uitzending?1
Ja. Voor een oordeel verwijs ik u naar onderstaande beantwoording.
Hoeveel uitzettingsvluchten, zowel vrijwillig als gedwongen, zijn in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 geannuleerd? Kunt u een volledige uitsplitsing geven per maand, per categorie (vrijwillig of gedwongen) en per reden van annulering?
DTenV registreert niet of een geboekte vlucht ten behoeve van zelfstandig of gedwongen vertrek is aangevraagd.
In 2023 heeft de DTenV in totaal 5.920 vluchten geboekt. Hiervan zijn er 2.710 geannuleerd. De meest voorkomende redenen voor annulering in 2023 waren: onttrekken aan overheidstoezicht (920), het indienen van nieuwe procedures (560) of een omboeking naar een andere vlucht (350), (fysiek) verzet kort voorafgaand aan de vlucht (160).
In 2024 heeft de DTenV in totaal 6.400 vluchten geboekt. Hiervan zijn er 3.240 geannuleerd. De meest voorkomende redenen voor annulering in 2024 waren: onttrekken aan overheidstoezicht (1.520), het indienen van nieuwe procedures (610), een omboeking naar een andere vlucht (360) en (fysiek) verzet kort voorafgaand aan de vlucht (160).
In 2025 zijn tot en met november in totaal 5.590 vluchten geboekt door de DTenV. Hiervan zijn er 2.090 geannuleerd. De meest voorkomende redenen voor annulering waren: onttrekken aan overheidstoezicht (840), het indienen van nieuwe procedures (340), een omboeking naar een andere vlucht (400) en (fysiek) verzet kort voorafgaand aan de vlucht (60).
Klopt het dat in 2024 ongeveer de helft van alle geplande inbewaringstellingen geen doorgang vond, waarvan in 63 procent van de gevallen omdat de vreemdeling niet werd aangetroffen in het asielzoekerscentrum (azc)? Zo ja, hoe verklaart u dat deze vreemdelingen structureel afwezig waren op het geplande moment van uitzetten? Zo nee, welk percentage van de geplande inbewaringstellingen heeft geen doorgang gevonden en hoe verklaart en beoordeelt u dit?
De regievoerders van DTenV gaan na afwijzing van een asielaanvraag in gesprek met een vreemdeling. Indien de vertrektermijn (doorgaans is deze 28 dagen) is verstreken, en de vreemdeling niet meewerkt aan vertrek, kan bewaring aan de orde zijn. Dublinclaimanten krijgen geen vertrektermijn, maar hebben wel een verplichting om mee te werken aan overdracht. Indien in het dossier aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling niet zal meewerken aan overdracht, wordt door de regievoerder een voorstel tot inbewaringstelling ingediend bij de ambtenaar van de DTenV die de inbewaringstelling uitvoert, de uitvoerend ambtenaar (UA). De inbewaringstelling van vreemdelingen die op een COA-locatie verblijven worden door de DTenV uitgevoerd. DV&O verricht de staandehouding op de COA-locatie en regelt de overbrenging naar een locatie voor gehoor. Daar wordt de vreemdeling door de UA van de DTenV in bewaring gesteld. De tenuitvoerlegging van bewaring vindt plaats in een detentiecentrum.
In 2024 zijn er 1.670 inbewaringstellingen gepland door de DTenV. Bij het grootste deel van deze inbewaringstellingen gaat het om Dublinclaimanten die in het kader van hun gedwongen overdracht in bewaring worden gesteld. 50% van deze geplande inbewaringstellingen heeft geen doorgang gevonden. De voornaamste reden voor het niet doorgaan van inbewaringstellingen is dat de vreemdeling niet is aangetroffen bij de staandehouding/met onbekende bestemming is vertrokken. Dit was aan de orde in 63% van het totaal aantal geannuleerde inbewaringstellingen in 2024.
Over de reden dat deze vreemdelingen niet werden aangetroffen op het geplande moment van staandehouding kan in zijn algemeenheid het volgende worden gezegd. Uit de Europese wetgeving en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie volgen juridische vereisten voor inbewaringstelling. Bewaring is een laatste redmiddel (ultimum remedium) waarvoor strenge (motiverings)eisen gelden. Om vreemdelingen in bewaring te stellen moet er juridisch gezien altijd een (significant) risico op onderduiken aanwezig zijn. De doelgroep die dus voor inbewaringstelling in aanmerking komt heeft naar zijn aard dus altijd al een hoog risico om zich te onttrekken aan het toezicht. Om de kans op een succesvolle inbewaringstelling te vergroten wordt onder andere het tijdstip van een staandehouding nooit van te voren aangezegd en wordt getracht om de staandehouding vroeg op de dag in te plannen. Desondanks komt het helaas regelmatig voor dat vreemdelingen zich onttrekken aan het toezicht.
Kunt u uitsluiten dat medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) vreemdelingen vooraf informeren over geplande uitzettingen door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) of de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)? Zo ja, hoe controleert u dat dit niet gebeurt? Zo nee, hoe beoordeelt u deze gang van zaken en hoe gaat u deze in de toekomst voorkomen?
Ik deel de zorg over het grote aantal geannuleerde inbewaringstellingen door toedoen van de vreemdeling. Echter, de suggestie dat COA medewerkers vreemdelingen in azc’s vooraf informeren wanneer ze worden opgehaald in het kader van hun gedwongen vertrekprocedure zodat deze vreemdelingen zich aan bewaring te kunnen onttrekken, is niet onderbouwd en herken ik niet.
Er wordt binnen de migratieketen voortdurend getracht om te voorkomen dat inbewaringstellingen moeten worden geannuleerd. Zoals in het antwoord op vraag 3 reeds is aangekaart, wordt het tijdstip van een staandehouding nooit van te voren gecommuniceerd met de vreemdeling en wordt getracht om de staandehouding vroeg op de dag in te plannen om de kans op een succesvolle inbewaringstelling te vergroten. Tevens worden ambtelijk aanvullende maatregelen verkend om inbewaringstelling breder toe te passen op specifieke doelgroepen – bijvoorbeeld op Dublinclaimanten die eerder in het kader van Dublin zijn overgedragen aan een EU-lidstaat, en opnieuw Nederland inreizen. Ook is in 2025 de capaciteit voor vreemdelingenbewaring uitgebreid – zodat meer vertrekplichtige vreemdelingen in vreemdelingenbewaring kunnen worden gesteld.
Hoeveel gevallen zijn bekend van vreemdelingen die niet in het azc werden aangetroffen op het geplande moment van uitzetten, maar later weer opdoken op dezelfde locatie of zich elders opnieuw meldden voor opvang?
Hier zijn geen cijfers over beschikbaar. Dit wordt niet geregistreerd.
Vertrekplichtige vreemdelingen die een azc verlaten voor het moment dat zij gedwongen zouden worden uitgezet, kunnen zich in de regel niet zomaar weer melden voor opvang op een azc. In de regel hebben vertrekplichtige vreemdelingen immers geen wettelijk recht meer op opvang. Wanneer een vreemdeling zich in een dergelijke situatie weer meldt bij het COA heeft het COA dan ook geen wettelijke verplichting meer op opvang te bieden. Van belang hieraan toe te voegen is dat de vreemdeling zich niet (weer) kan melden bij ieder willekeurig azc (of bij zijn of haar «laatste» azc). De vreemdeling moet zich melden in Ter Apel. Daar wordt bekeken of er een nieuw recht op opvang is ontstaan.
Nieuw recht op opvang kan bijvoorbeeld ontstaan bij een herhaalde asielaanvraag. Een vreemdeling heeft het recht een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Er zijn afspraken en procedureregels die ervoor moeten zorgen dat de behandeling van herhaalde asielaanvragen snel plaatsvindt. Voorts meld ik wellicht ten overvloede dat met de asielnoodmaatregelenwet, die thans voorligt bij de Eerste Kamer, drie extra maatregelen worden ingevoerd die een efficiëntere behandeling van herhaalde aanvragen mogelijk maken.
Hoeveel vreemdelingen zijn in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 uit het zicht van de overheid verdwenen? Kunt u deze gegevens uitsplitsen naar nationaliteit en inreisroute?
In 2023 vertrokken ketenbreed 9.190 vreemdelingen zelfstandig zonder toezicht, in 2024 9.870 vreemdelingen en in 2025 tot en met november 6.990. De nationaliteiten van de vreemdelingen die zelfstandig zonder toezicht zijn vertrokken zijn als volgt.
1
Algerijnse
1.810
2
Marokkaanse
1.300
3
Syrische
540
4
Nigeriaanse
490
5
Moldavische
450
6
Tunesische
430
7
Somalische
280
8
Turkse
220
9
Iraakse
220
10
Eritrese
170
Overige nationaliteiten
3.270
1
Algerijnse
1.390
2
Syrische
920
3
Marokkaanse
910
4
Moldavische
590
5
Nigeriaanse
480
6
Oekraïense
450
7
Tunesische
440
8
Somalische
350
9
Turkse
330
10
Jemenitische
270
Overige nationaliteiten
3.720
1
Algerijnse
830
2
Syrische
740
3
Marokkaanse
580
4
Nigeriaanse
550
5
Turkse
400
6
Somalische
280
7
Moldavische
220
8
Iraakse
170
9
Tunesische
170
10
Eritrese
160
Overige nationaliteiten
2.900
Er vindt geen gestructureerde registratie plaats op basis waarvan gegevens kunnen worden gegeneerd over de inreisroute van vreemdelingen die zelfstandig zonder toezicht vertrekken
Hoe vaak komt het voor dat uit Nederland uitgezette vreemdelingen binnen enkele dagen of weken opnieuw in Nederland of bij Ter Apel verschijnen, al dan niet onder een nieuwe identiteit of met nieuwe reden voor een asielaanvraag?
Deze gegevens zijn niet beschikbaar. Uit de ervaringspraktijk van de migratieketen blijken geen signalen dat dit zich vaak voordoet bij vreemdelingen die zijn uitgezet naar hun land van herkomst, zijnde een derde land. Het kan echter niet worden uitgesloten dat dit op incidentele basis gebeurt.
Daarbij geldt dat het voor vreemdelingen doorgaans erg moeilijk is om opnieuw Nederland in te reizen nadat ze gedwongen zijn uitgezet naar hun land van herkomst. Deze vreemdelingen krijgen een inreisverbod opgelegd, waardoor zij voor de duur van het inreisverbod de Europese Unie niet meer legaal kunnen inreizen. Bovendien is inreis niet mogelijk als er niet voldaan wordt aan de overige toegangsvoorwaarden, zoals een visum.
Daarnaast is het zo dat ook na een initiële terugkeer naar een land van herkomst nieuwe feiten en omstandigheden zich kunnen voordoen waardoor iemand opnieuw bescherming nodig heeft. Het recht om asiel aan te vragen vervalt dan ook niet na uitzetting. Dat volgt ook zo uit internationale wet- en regelgeving. Echter, dit zal zich niet snel kunnen voordoen in het (theoretische) geval de vreemdeling zich binnen enkele dagen of weken ná terugkeer opnieuw in Nederland meldt.
Herhaalde uitzetting na een Dublinoverdracht binnen het Schengengebied en uitzetting van EU-onderdanen komt wel voor. Hiertoe wordt verwezen naar het antwoord op vraag 9.
Over de mogelijkheid om met een nieuwe identiteit weer in Nederland te verschijnen kan ik in zijn algemeenheid het volgende zeggen. Om te voorkomen dat vreemdelingen na een uitzetting opnieuw Nederland in kunnen reizen en een nieuwe asielaanvraag kunnen doen, gebruikmakend van een nieuwe identiteit, wordt onder andere Eurodac geraadpleegd bij registratie van vreemdelingen door de autoriteiten. In Eurodac worden vingerafdrukken en het geslacht van vreemdelingen die een asielaanvraag doen opgeslagen. Op basis van Eurodac kan dus worden vastgesteld of een vreemdeling al eerder in Nederland of een andere EU-lidstaat of Schengenland asiel heeft aangevraagd. Onder de nieuwe Eurodac-verordening, die per 12 juni 2029 van toepassing zal zijn, zullen nieuwe categorieën van persoonsgegevens in Eurodac worden opgeslagen, zoals naam, geboorteplaats en -datum, nationaliteit, nummers of kopieën van identiteitsbewijzen en reisdocumenten en ook gezichtsopnames.
Op welke gegevens baseert u uw antwoord op vraag 7?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven hoeveel vreemdelingen in de afgelopen vijf jaar meermaals zijn uitgezet? Bij hoeveel personen was dit meer dan twee keer? Wat zijn de vijf meest voorkomende nationaliteiten in deze situatie?
In de periode 2021 tot en met november 2025 hebben 11.110 gedwongen vertrekken plaatsgevonden vanuit de caseload van de DTenV. Dit betrof 9.660 unieke personen.
530 personen zijn twee maal in de betreffende periode gedwongen vertrokken. 280 personen zijn drie keer of meer gedwongen vertrokken.
Top 5 nationaliteiten drie keer of meer gedwongen vertrek in de betreffende periode:
Deze aantallen zijn inclusief de gedwongen overdrachten van Dublinclaimanten naar andere lidstaten en gedwongen terugkeer naar EU-landen of Schengenlanden. Voor deze categorieen vreemdelingen geldt dat vanwege het vrij verkeer van personen binnen Schengen niet uitgesloten kan worden dat zij terugkeren naar Nederland.
Kijkend naar uitzettingen exclusief de gedwongen overdrachten van Dublinclaimanten, en gedwongen terugkeer naar EU-landen en Schengenlanden ontstaat er een ander beeld.
In de periode 2021 tot en met november 2025 hebben 2.570 gedwongen vertrekken plaatsgevonden vanuit de caseload van de DTenV naar derde landen. Er vonden dus in deze periode 2.570 gedwongen vertrekken plaats, niet zijnde overdrachten van Dublinclaimanten, gedwongen vertrekken naar EU-landen of gedwongen vertrekken naar Schengenlanden. Dit betrof 2.550 unieke personen.
20 personen zijn twee maal in de betreffende periode gedwongen vertrokken. <5 personen zijn drie keer of meer gedwongen vertrokken.
Top 3 nationaliteiten twee keer of meer gedwongen vertrek in de betreffende periode:
Welke maatregelen neemt u om misbruik van de Dublinverordening te voorkomen, gelet op signalen dat vreemdelingen die naar bijvoorbeeld Kroatië, Bulgarije of Italië worden teruggestuurd, vrijwel direct weer naar Nederland terugkeren? Kunt u bevestigen dan wel ontkennen dat deze signalen kloppen?
We herkennen deze signalen en delen de zorgen die hierover bestaan. Als blijkt dat vreemdelingen eerder in het kader van Dublin zijn overgedragen aan een EU-lidstaat, en opnieuw Nederland inreizen, kan opnieuw worden gewerkt aan hun overdracht naar de EU-lidstaat. De IND moet dan een nieuw claimverzoek naar de betreffende EU-lidstaat sturen. Bij akkoord van de EU-lidstaat kan de vreemdeling opnieuw worden overgedragen. Tot die tijd heeft de vreemdeling recht op opvang. Dit recht vloeit voort uit de opvangrichtlijn. Tevens wordt op dit moment ingezet op de mogelijkheid om Dublinclaimanten, die al eerder gedwongen zijn overgedragen aan een andere lidstaat en opnieuw Nederland inreizen, eerder in bewaring te stellen.
Klopt het bericht dat Duitsland de afgelopen drie maanden meer dan 150 personen bij de Nederlandse grens heeft gezet zonder formele overdracht aan de Koninklijke Marechaussee?2 Zo ja, wat doet Nederland met deze personen? Hoeveel van deze personen verblijven op dit moment in Nederland?
Alle overdrachten van vreemdelingen door Duitsland aan Nederland vinden plaats middels formele overdracht. Een formele overdracht kan plaatsvinden middels een overdracht waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten, of een overdracht waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt. De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert enkel of er een overdracht plaatsvindt, en niet of de door Duitsland geweigerde personen met of zonder fysieke overdracht worden overgedragen. In de periode van 9 december 2024 tot en met 8 september 2025 zijn in totaal 690 vreemdelingen door Duitsland aan Nederland overgedragen.
Personen die worden overgedragen door Duitsland aan Nederland – ook de personen die niet fysiek worden overgedragen – kunnen zich na overdracht veelal vrij in Nederland bewegen. Er wordt niet bijhouden hoeveel personen, die niet fysiek zijn overgedragen aan Nederland, op dit moment nog in Nederland verblijven.
Kunt u een overzicht verstrekken van de totale kosten voor mislukte uitzettingen in de jaren 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025? Kunt u hierbij alle kosten meenemen, waaronder de inzet van AVIM, DV&O, DT&V, tolken en medische begeleiding, maar ook geboekte vluchten, hotelovernachtingen, retourtickets van begeleiders en juridische kosten? Kunt u deze kosten volledig uitsplitsen?
De kosten van annuleringen hangen nauw samen met individuele eigenschappen van een zaak en raken diverse uitvoeringsorganisaties zoals DTenV, KMar en de Dienst Vervoer en Ondersteuning. Er is daarom geen overkoepelend beeld van deze kosten en uitsplitsing is niet mogelijk.
Gezien de weerbarstigheid van terugkeerprocedures werkt DTenV in de regel met tickets die gewijzigd of geannuleerd kunnen worden, zodat kosten bespaard worden in het geval een uitzetting niet doorgaat. De keuze voor het soort ticket wordt door experts in de uitvoering gemaakt op basis van de individuele omstandigheden van de zaak.
Hoeveel vreemdelingen hebben zich in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 daadwerkelijk gemeld op het moment dat zij een vrijwillige terugkeer hadden afgesproken? Hoeveel vreemdelingen kwamen niet opdagen?
DTenV registreert niet of een geboekte vlucht ten behoeve van zelfstandig of gedwongen vertrek is aangevraagd.
In 2023 is 54% van de geboekte vluchten voor zowel zelfstandig als gedwongen terugkeer doorgegaan en 16% van alle geboekte vluchten is geannuleerd vanwege onttrekken aan overheidstoezicht.
In 2024 is 49% van de geboekte vluchten doorgegaan en 24% van alle geboekte vluchten is geannuleerd vanwege onttrekken aan overheidstoezicht.
In 2025 t/m november is 63% van de geboekte vluchten doorgegaan en 15% van alle geboekte vluchten is geannuleerd vanwege onttrekken aan overheidstoezicht.
Hoe vaak zijn uitzettingen in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 afgebroken vanwege een vermeende medische noodsituatie, een lastminute-interventie van een advocaat, weigering van de gezagvoerder om te vliegen of verstoringen door medepassagiers of activisten? Kunt u deze cijfers volledig uitsplitsen?
De reden van annulering van een vlucht wordt niet zodanig specifiek geregistreerd. In bredere zin kan het volgende aangegeven worden omtrent de reden van annulering:
Kunt u aangeven waarom Rotterdam The Hague Airport, dat naast het uitzetcentrum in Rotterdam ligt, niet wordt gebruikt voor uitzetvluchten? Welke logistieke en financiële voordelen zou het gebruik hiervan opleveren?
Vanuit de Luchthaven Schiphol wordt er frequent op meerdere bestemmingen gevlogen in landen waarnaar wordt uitgezet of overgedragen. Momenteel zijn er daarom geen financiële of logistieke voordelen om deze vluchten vanuit Rotterdam The Hague Airport te faciliteren. Om die reden is Rotterdam The Hague airport, in tegenstelling tot Schiphol, qua faciliteiten niet ingericht om uitzetvluchten te faciliteren. In incidentele gevallen, kan een uitzetting of overdracht mogelijk ook plaatsvinden op een ander in Nederland gelegen luchthaven.
Deelt u de mening dat Nederland fungeert als magneet voor asielzoekers als uitzettingen in de praktijk nauwelijks worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u concreet doen om het uitzetbeleid te verbeteren?
Ik deel de mening dat succesvol (vrijwillig dan wel gedwongen) vertrek van uitgeprocedeerde vreemdelingen een groot belang heeft. In Nederland maar ook in de rest van de EU zijn de aantallen van gerealiseerd vertrek lager dan gewenst. Ik zie dat er in de uitvoeringspraktijk hard wordt gewerkt om meer gerealiseerd vertrek te realiseren en dat de keten hier ook succes op boekt.
In de voorgaande jaren is ketenbreed ook een stijging te zien in het aantal vreemdelingen dat gedwongen is uitgezet. In 2023 werden 5.130 vreemdelingen gedwongen uitgezet. In 2024 waren dit er 5.870. In 2025 tot en met november waren dit er 5.210.
Zoals bij uw Kamer bekend, zet dit kabinet in op het beperken van migratie naar Nederland. De buitengrensprocedures uit het Asiel- en Migratiepact bieden hiertoe handvatten en het versterken van de Europese buitengrenzen is voor Nederland een belangrijke prioriteit. Tevens vormt de nieuwe terugkeerverordening – die zich op dit moment in de onderhandelingsfase in de EU bevindt – het sluitstuk van het Europese migratiebeleid. In de nieuwe terugkeerverordening krijgen lidstaten meer mogelijkheden om terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen te realiseren.
Dit kabinet zet zich sterk in voor het intensiveren van terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Dit doet het kabinet langs verschillende sporen. Zo wordt ingezet op het verbeteren van de terugkeersamenwerking met belangrijke landen van herkomst. Ook wordt gewerkt aan het strafbaar maken van niet meewerken aan vertrek. Daarnaast is in 2025 de capaciteit voor vreemdelingenbewaring uitgebreid – zodat meer vertrekplichtige vreemdelingen in vreemdelingenbewaring kunnen worden gesteld.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, zo volledig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja. Enkel waar dat dienstig was voor de beantwoording zijn vragen samengevoegd.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Het bericht ‘Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen?’ |
|
Bente Becker (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen»1?
Ja.
Bent u bereid concreet toe te lichten wat u kunt doen om straffeloosheid in zaken zoals deze te voorkomen? Zo ja/nee, waarom?
Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. In algemene zin merk ik op dat straffeloosheid zoveel als mogelijk moet worden voorkomen, in het bijzonder waar het gaat om zeer ernstige misdrijven. Ook in zaken met een internationale context zetten alle betrokken Nederlandse autoriteiten, waaronder mijn departement, zich daartoe in. Samen met het Openbaar Ministerie wordt in zaken zoals deze gekeken naar verschillende mogelijkheden om tot gerechtigheid te komen. Een goede samenwerking met de justitiële autoriteiten in het buitenland is hierbij een aspect dat een rol speelt. Over het aangaan en versterken van deze samenwerkingsrelaties voert mijn departement waar nodig overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheid tot het indienen van een rechtshulpverzoek, en zo ja, acht u dit kansrijk en welke criteria hanteert u bij het indienen van rechtshulpverzoeken als er geen adequaat verdrag is met een land als Syrië? Zo nee, wat gaat u dan doen?
Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In zijn algemeenheid kan ik toelichten dat rechtshulpverzoeken worden ingediend op verzoek van de officier van justitie of de rechter. Inzending naar het buitenland vindt plaats door tussenkomst van mijn departement als centrale autoriteit, dat in dit kader adviseert over de (on)mogelijkheden en de afweging om een verzoek al dan niet te verzenden. Daarbij wordt waar nodig het Ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken.
Met Syrië bestaat momenteel geen justitiële rechtshulprelatie. Voor het aangaan van een dergelijke wederzijdse rechtshulprelatie is het essentieel dat er een bestendige, algemene diplomatieke relatie met een land is. Ook van belang is of een land partij is bij relevante internationale verdragen, die bijvoorbeeld zien op de naleving van fundamentele mensenrechten of op justitiële samenwerking in strafzaken. Om een verzoek tot rechtshulp in te dienen is een bepaalde mate van vertrouwen in elkaars rechtssysteem nodig. Daarnaast komen er verschillende praktische aspecten bij kijken en dient een verzoek uitvoerbaar te zijn voor het bevraagde land. Al deze aspecten gelden des te meer voor het sluiten van bilaterale rechtshulp- en uitleveringsverdragen, waar een sterke mate van wederkerigheid bij komt kijken.
Het rechtssysteem in Syrië is sinds de val van het regime van president Assad, in december 2024, nog in opbouw. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen in het licht van een mogelijke toekomstige samenwerkingsrelatie.
Onder welke omstandigheden acht u het denkbaar dat u in overleg treedt over een rechtshulp- en/of uitleveringsverdrag met Syrië?
Zie antwoord vraag 3.
Welke andere Europese landen hebben inmiddels rechtshulpverzoeken aan Syrië gedaan en kunt u in overleg treden met deze landen om te bespreken hoe zij deze rechtshulpverzoeken hebben voorbereid en welke voorwaarden daarbij zijn gesteld?
Ik ben niet bekend met rechtshulpverzoeken die andere (Europese) landen aan Syrië hebben gedaan. Wellicht ten overvloede merk ik op dat ik geen uitspraken kan doen over de justitiële rechtshulprelaties die andere landen aangaan met Syrië.
In Europa bestaan diverse overleggremia en samenwerkingsverbanden, zowel binnen de Raad van Europa als de Europese Unie. Hierin delen landen best practices met elkaar en kunnen ervaringen over justitiële samenwerking met specifieke landen worden uitgewisseld. Nederland is vertegenwoordigd in deze overlegstructuren en neemt actief deel aan deze vormen van informatie-uitwisseling.
Bent u bereid de zaak van de vermoorde Ryan bij elk diplomatiek (ambtelijk en politiek) overleg met vertegenwoordigers van de Syrische regering blijvend onder de aandacht te brengen om straffeloosheid te voorkomen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover periodiek informeren? Zo nee, waarom niet?
Dit is een uiterst tragische zaak. Zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als mijn departement bezien of – met inachtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet – en op welke gepast moment, niveau en wijze de zaak onder de aandacht gebracht kan worden bij vertegenwoordigers van de Syrische overgangsregering. Ik kan de Kamer hierover niet periodiek informeren, aangezien ik niet in kan gaan op individuele strafzaken en de al dan niet diplomatieke stappen die daarin worden gezet. Dit zou ook niet in het belang zijn van de zaak, aangezien juist vertrouwelijkheid van diplomatiek verkeer een relatie ten goede komt.
De herbeoordeling van F-35-export Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël is gedaan aan de hand van de acht criteria die in het EU Gemeenschappelijk Standpunt zijn opgenomen? Zo nee, waarom niet?1
Conform het arrest van de Hoge Raad (d.d. 3 oktober 2025) is de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar Israël opnieuw beoordeeld aan de hand van de geldende kaders voor wapenexportcontrole. Daarbij is de reguliere toets aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport toegepast.
Kunt u per criterium de Kamer informeren hoe u tot het oordeel bent gekomen de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de algemene vergunning AV009 te handhaven? Kunt u, kortom, de exporttoets zelf met de Kamer delen, niet enkel de uitkomst ervan, zodat de Kamer haar controlerende taak kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is transparant over de resultaten van het wapenexportbeleid. Over zowel toegewezen als afgewezen vergunningaanvragen wordt openbaar gerapporteerd via rijksoverheid.nl. In aanvulling daarop wordt de Tweede Kamer conform de motie El Fassed c.s. (Kamerstuk 2010–2011, 22 054, nr. 165 en Kamerstuk 2011–2012, 22 054, nr. 181) versneld (binnen twee weken na afgifte van vergunning) per brief geïnformeerd over afgegeven nieuwe vergunningen (niet zijnde een verlenging of vervanging) voor de definitieve uitvoer van volledige wapensystemen met een waarde van meer dan EUR 2 miljoen indien het land van eindbestemming geen EU/NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Japan, Zwitserland, Nieuw-Zeeland en Australië) betreft. De herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël voldoet niet aan die voorwaarden. Daarnaast omvat de herbeoordeling gevoelige informatie die schadelijk kan zijn voor bilaterale relaties van Nederland. Gelet op bovenstaande is het kabinet niet voornemens af te wijken van de staande praktijk inzake informatievoorziening over de resultaten van het wapenexportbeleid.
Waarom heeft u besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden?
Gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren en de verdere uitwerking van het vredesplan, is er sprake van een situatie die voortdurend in ontwikkeling is. Het kabinet heeft daarom besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Dat het kabinet over de mogelijkheid beschikt om naar eigen inzicht over te gaan tot een herbeoordeling wordt ook bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025.
Waarom schrijft u dat het staakt-het-vuren standhoudt? Bent u ermee bekend dat Israël vrijwel dagelijks het staakt-het-vuren schendt en talloze aanvallen op Gaza zijn uitgevoerd, waarbij honderden Palestijnen zijn gedood sinds 10 oktober, waaronder veel burgers?
Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Erkent het kabinet dat ook in de nieuwe situatie op de grond die het kabinet beschrijft in de Kamerbrief het lijden van Palestijnse burgers in Gaza onverminderd doorgaat als gevolg van de totale verwoesting, ontheemding, en tekorten aan levensreddende goederen?
Het leed van Palestijnen in de Gazastrook gaat niet aan het kabinet voorbij. Daarom is het van belang dat implementatie van het vredesplan voor de Gazastrook, waar een groot deel van de wereld zich achter geschaard heeft, en VN Veiligheidsraadsresolutie 2803 (2025) slagen. Daar is de inzet van het kabinet op gericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Israël momenteel ongeveer de helft van Gaza bezet houdt?
Het standpunt van Nederland is onverminderd dat Israël de bezettende macht is in de Palestijnse gebieden, inclusief de Gazastrook, en daarom verplichtingen heeft op basis van het bezettingsrecht. Nederland veroordeelt unilaterale stappen die zouden neerkomen op annexatie van de Gazastrook door Israël en staat achter het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk.
Het is voor het kabinet essentieel dat de Palestijnse Autoriteit in de toekomst verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van de Palestijnse Gebieden, mede omdat de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas de wapens dient neer te leggen en geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Het vredesplan van president Trump biedt hier aanknopingspunten voor. Het is van belang dat dit plan wordt geïmplementeerd in overeenstemming met het internationaal recht en de onderhandelingen over de tweede fase spoedig worden voortgezet.
Deelt u de opvatting dat export van onderdelen van de F-35 naar Israël uitgesloten dient te blijven zolang de dreiging blijft bestaan dat dit wapensysteem ingezet wordt voor mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdaden in Gaza (of elders in de regio) en Israël de kuststrook deels bezet? Zo nee, waarom niet?
De internationaalrechtelijke verplichtingen in het kader van wapenexportcontrole van Nederland (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag) zijn leidend bij besluitvorming over wapenexport. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 3 oktober 2025. Op grond van die verplichtingen geldt dat het kabinet geen vergunningen verleent voor de uitvoer van militaire goederen, indien een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen kunnen worden gebruikt bij het begaan of faciliteren van ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Bent u, nu u tot het oordeel komt dat de levering van F-35-onderdelen aan Israël voorlopig niet plaats mag vinden, eveneens van mening dat landen die dergelijke onderdelen van of via Nederland geleverd krijgen, deze onderdelen ook niet zouden moeten doorleveren aan Israël? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het bevel van de Hoge Raad en in het verlengde daarvan de uitgevoerde herbeoordeling ziet niet op de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar andere landen.
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar andere F-35 partnerlanden, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk welke onderdelen uiteindelijk bij welke F-35 gebruiker terechtkomen. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland aan het andere F-35 partnerland, en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel door het andere F-35 partnerland daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd. Voor dergelijke projecten met EU-, NAVO-, en daaraan gelijkgestelde landen (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en Zwitserland) geldt binnen de Nederlandse exportcontrole bij de uitvoer van componenten naar producenten al langere tijd het ontvangende land als land waaraan getoetst wordt, als op het moment van uitvoer geen eindgebruiker bekend is.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat op 11 december over de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «COA «indien nodig» naar rechter voor omgevingsvergunning azc Terneuzen» van 25 november 2025?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat een door de Rijksoverheid gefinancierd overheidsorgaan als het COA een democratisch gekozen gemeenteraad met juridische dwang en intimidatie probeert te dwingen een azc op te leggen tegen de uitdrukkelijke wil van die raad en haar inwoners?
Het COA heeft een omgevingsvergunning aangevraagd bij de gemeente Terneuzen. Zoals iedere initiatiefnemer heeft het COA het recht om binnen een redelijke termijn een beslissing te krijgen op een vergunningsaanvraag. Als dit niet tijdig gebeurt, kan het COA, met tussenkomst van de rechter, vragen om een besluit. Uiteindelijk heeft het COA geen procedure bij de rechter gestart maar enkel een zienswijze in het kader van het voorgenomen besluit op de vergunningsaanvraag ingediend.
De aanvraag voor een vergunning voor een opvanglocatie is tot stand gekomen na een intensief traject met het college, waarbij de gemeenteraad op meerdere momenten is geïnformeerd over de voortgang.
Deelt u de mening dat lokale overheden nooit of te nimmer, op geen enkele wijze, door het COA, door de Rijksoverheid of door wie dan ook mogen worden gedwongen tot het accepteren van asielopvang? Zo nee, waarom niet?
Vanuit de wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvang (spreidingswet) krijgen gemeenten middels de verdeelbesluiten een wettelijke taak om asielopvang te realiseren. Iedere commissaris van de Koning levert, op basis van de inbreng van de gemeente zelf, een provinciaal plan aan bij de Minister van Asiel en Migratie met daarin onder meer de beoogde verdeling van opvangplekken binnen de provincie. De gemeente heeft dus zelf invloed op de hoogte van de eigen opgave en ook Terneuzen heeft in dit kader als inbreng in het provinciaal verslag aangegeven te werken aan een duurzame opvanglocatie.
Op basis van het provinciaal verslag neemt de Minister conform de wet een bindend verdeelbesluit en krijgt iedere gemeente een wettelijke taak om opvangplekken te realiseren. De gemeente kan zelf met het COA-afspraken maken over waar in de gemeente de opvang gerealiseerd wordt. Pas als dit niet tijdig lukt treedt het stelsel van het interbestuurlijk toezicht in werking.
Kunt u aangeven hoeveel rechtszaken het COA de afgelopen vijf jaar heeft aangespannen tegen Nederlandse gemeenten om asielopvang af te dwingen? Kunt u een overzicht per jaar, per gemeente en met de uitkomst van de procedure verstrekken?
In het recente verleden is één maal eerder door het COA een rechterlijke procedure gestart in het kader van de verstrekking van een vergunning tegen een gemeente. Dit betrof het instellen van een beroep tegen het uitblijven van een besluit op een omgevingsvergunning voor het voorzetten van asielopvang door het college van de gemeente Cranendonck. Uiteindelijk besloot de Raad van State dat het door de rechtbank opgelegde termijn werd verworpen, maar dat voor 1 juli 2024 alsnog een beslissing door de gemeente genomen diende te worden.
Hoe beoordeelt u de bemoeienis van de commissaris van de Koning, die onmiddellijk na het democratische raadsbesluit aankondigde «in gesprek te willen» met de raad? Ziet u dit als ongeoorloofde druk van de Rijksoverheid op een gemeente?
Ik vind het goed dat de commissaris van de Koning direct verbinding zoekt en het gesprek aangaat na een besluit van de burgemeester om per direct op te stappen. Hiermee zet de commissaris geenszins druk op het democratische besluit.
Deelt u de mening dat het opstappen van een burgemeester omdat een raad een besluit neemt dat hem niet bevalt, getuigt van een schokkend gebrek aan respect voor de lokale democratie? Zo nee, waarom niet?
Dit besluit is een eigen afweging geweest van de burgemeester. Hij heeft zijn beweegredenen nader gemotiveerd. Het betreft een beslissing binnen het gezag van de burgemeester waardoor het niet aan mij is om hier een oordeel over te vellen.
Bent u bereid het COA per direct de opdracht te geven af te zien van elke rechtsgang tegen de gemeente Terneuzen en de wil van de gekozen gemeenteraad te respecteren? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven is het COA een zelfstandig bestuursorgaan dat, na de aanvraag van een omgevingsvergunning, recht heeft op een besluit op de aanvraag binnen een redelijke termijn.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er géén azc komt in Terneuzen, conform de duidelijke wens van de gemeenteraad en een groot deel van de bevolking? Zo nee, waarom blijft u dan een azc doordrukken tegen de lokale bevolking in?
Zoals in de beantwoording op vragen 1 en 2 aangegeven heeft de provincie Zeeland in samenwerking met de gemeente Terneuzen aangegeven hoeveel opvangplekken de gemeente zou realiseren. De Minister stelt op basis van de provinciale verslagen per provincie vast hoe de opvangopgave wordt ingevuld middels een verdeelbesluit per gemeente. Gemeenten blijven wettelijk gehouden aan de plekken die aan hen zijn toegewezen in het verdeelbesluit. De gemeente staat er samen met het COA voor aan de lat om afspraken over deze opvang te maken.
Wanneer komt u eindelijk met wetgeving om de Spreidingswet in te trekken?
Op verzoek van gemeenten en uitvoeringsinstanties blijft de spreidingswet in stand zolang de wet nodig is, om zo een rechtvaardige verdeling van asielzoekers over gemeenten te borgen. Het kabinet onderschrijft het belang van goed georganiseerde opvang.
Het bericht dat de Franse rechter van het Internationaal Strafhof, Nicolas Guillou, op de Amerikaanse sanctielijst staat |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nicolas Guillou, French ICC judge sanctioned by the US: «You are effectively blacklisted by much of the world’s banking system»»?1
Ja.
Was u al bekend dat, naast de hoofdaanklager, ook rechters van het internationaal strafhof op de Amerikaanse sanctielijst staan?
Ja. Als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Nederland heeft in die hoedanigheid ook alle rechters die in het afgelopen jaar zijn gesanctioneerd uitgenodigd voor een gesprek.
Bent u bekend met de totale schaal en aard van Amerikaanse sancties jegens het internationaal strafhof? Zo ja, wilt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds februari 2025 zijn er door de Verenigde Staten sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH. In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, acht rechters, een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het strafhof, een speciale verantwoordelijkheid heeft om de goede werking van het strafhof te garanderen? Zo ja, hoe draagt u hier momenteel aan bij? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven2, heeft Nederland als gastland van het ISH een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.3 Daarnaast is het Koninkrijk der Nederlanden één van de momenteel 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is het kabinet in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025 inzake de inzet tijdens de jaarlijkse Vergadering van verdragspartijen.4
Staat u nog steeds achter het antwoord dat Minister Brekelmans namens u gaf op mondelinge vragen op 20 mei 2025, namelijk: «Er wordt een beeld geschetst alsof het Strafhof volledig stil zou liggen en niet meer zou functioneren. Dat is niet het beeld dat wij krijgen in ons contact met het Strafhof. Er worden wel degelijk activiteiten voortgezet.»? Zo ja, welke activiteiten vinden nu nog volledig doorgang? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de sancties de gesanctioneerde ambtsdragers van het ISH in hun persoonlijke leven treffen, is het Hof vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is in maart jl. de voormalige Filipijnse president Duterte door het ISH in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.5 In juli jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen twee verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek afgerond.6 In september jl. heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony.7 In oktober jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen een verdachte uit Soedan afgerond.8 Begin december heeft het ISH de Libische verdachte El Hishri in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.9 Voor een meer volledig overzicht verwijst het kabinet graag naar het jaarverslag van het ISH en het jaarverslag van het Parket van de Aanklager.10
Bent u bereid slachtoffers van Amerikaanse sancties, werkzaam bij het Internationaal strafhof, die momenteel grote moeite hebben met financiële diensten, te ondersteunen om alternatieve financiële faciliteiten te vinden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties nauwlettend in de gaten. Met de doorlopende steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd. Zo staat Nederland bijvoorbeeld in contact met het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken.
Bent u bereid om het strafhof, door sancties gehinderd in haar ICT-mogelijkheden, alternatieve ICT-faciliteiten aan te bieden, eventueel binnen de systemen van de Nederlandse rijksoverheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, ligt er momenteel geen verzoek van het Hof aan Nederland om alternatieve ICT-diensten aan te bieden.11 Voor een nadere toelichting verwijst het kabinet graag naar deze Kamerbrief.
Welke diplomatieke contacten zijn er, Europees en bilateraal, met de Amerikanen geweest sinds de instelling van de sancties en wat hebben deze opgeleverd?
Sinds de instelling van de sancties hebben Nederland en andere verdragspartijen doorlopend contact gehad met de Verenigde Staten. Zo zijn de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij Amerikaanse gesprekspartners, waaronder de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Ook op hoogambtelijk niveau is Nederland terzake in gesprek met de Verenigde Staten en ook andere EU-lidstaten brengen het belang van het ISH op in de bilaterale contacten met de Verenigde Staten. Aangezien het van groot belang is dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren, verwelkomt het kabinet het feit dat de Vergadering van verdragspartijen begin december jl. alle verdragspartijen heeft aangemoedigd om de dialoog met de VS voort te zetten.
Zijn er op dit moment nog diplomatieke inspanningen om sanctieverlichting te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 8. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken kan het kabinet hier verder niet op ingaan.
Deelt u de mening dat de VS zich momenteel positioneert als vijand van de internationale rechtsorde? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het bondgenootschap met de VS? Zo nee, hoe duidt u dit dan?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen ambtsdragers van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
De Eurobarometer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel: «De Eurobarometer tekent systematisch een te positief beeld van de EU»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering, gedaan in dit artikel, dat, vanwege een sterke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de (Nederlandse) steekproef van de Eurobarometer en een sterke non-reponse bias de Eurobarometer structureel en systematisch een (veel) te positief beeld van de Europese Unie geeft? Deelt u deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt kwalitatief hoogwaardig opinieonderzoek belangrijk. Het is daarbij van belang dat bij opiniepeilingen verantwoording wordt afgelegd over de methodologie en steekproefselectie. Het Eurobarometer-onderzoek waar het nieuwsbericht naar verwijst (EP Winter 2025 survey), bevat uitleg over de methodologie en technische specificaties over hoe de streekproefselectie tot stand is gekomen.2 Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van dit opinieonderzoek.
Bent u ermee bekend dat zowel de opdrachtgever van de Eurobarometer als het onderzoeksbureau dat het onderzoek in Nederland uitvoert (Verian) door de auteurs van het bovengenoemde stuk zijn benaderd en daarmee dus weliswaar van dit probleem op de hoogte zijn gesteld, maar desalniettemin te kennen gaven dat «continuïteit» voor hen belangrijker was (dan accuraatheid) en daarom weigeren het onderzoek aan te passen? Wat vindt u van deze opstelling? Is, wat opinieonderzoek betreft, voor u continuïteit ook belangrijker dan accuraatheid?
De Eurobarometer is een opinie-instrument dat regelmatig wordt gebruikt in alle EU-lidstaten in opdracht van de Europese Commissie, het Europees Parlement en andere EU-instellingen en agentschappen om inzicht te krijgen in de publieke opinie in de EU-lidstaten. Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van opinieonderzoek.
Bent u bekend met dit artikel van het Max Planck Instituut getiteld «How the Eurobarometer blurs the line between research and propaganda»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de conclusie van dit artikel, namelijk dat in de Eurobarometer door middel van selectie en framing van vragen, ongebalanceerde antwoordopties, insinuerende vragen, alsmede het strategisch verwijderen van vragen, systematisch een te rooskleurig beeld wordt gegeven van de publieke opinie met betrekking tot de Europese Unie in het algemeen en het doel van een «ever closer union» in het bijzonder? Deelt u de conclusie van dit (wetenschappelijk) artikel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet? Indien dit wel het geval is, wat gaat u met deze zorgen doen? Bent u bijvoorbeeld bereid de Europese Unie te bevragen over de betrouwbaarheid van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt de Eurobarometer door de rijksoverheid, bijvoorbeeld in beleidsstukken, Kamerbrieven of door instellingen zoals het CBS en SCP, als bron gebruikt? Zou het niet beter zijn hiermee te stoppen, niet alleen omdat de Eurobarometer inmiddels zo omstreden is, maar ook omdat het er sterk op lijkt dat de Eurobarometer niet een neutraal opinieonderzoek maar een propaganda-instrument van de Europese Unie is (geworden)?
In algemene zin gebruikt de Rijksoverheid voor beleidsstukken, Kamerbrieven en andere stukken informatie vanuit verschillende perspectieven en die herleidbaar is naar de bron. Informatie dient zoveel mogelijk onafhankelijk geverifieerd te kunnen worden. Op basis van deze informatie worden ambtelijke adviezen opgesteld waarbij het vervolgens aan de Minister is om een politieke afweging te maken.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De Duitse grenscontroles |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse politie «dumpt» na grenscontroles meer dan 150 mensen in Nederland» en het bericht «Onrust in grensplaats door mysterieuze figuren: «Je kan die mensen toch niet in een woonwijk neerzetten?»»?1, 2
Ja.
Kunt u aangeven wanneer Duitsland precies is begonnen met het in de nacht dumpen van mensen over de grens?
Overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa in het kader van grenstoezicht vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart.
Kunt u aangeven in welke gemeenten mensen worden gedumpt door de Duitse politie? Zo ja, hoe bent u hiervan op de hoogte gebracht en hoe heeft u de desbetreffende gemeenten hiervan op hoogte gebracht?
Deze overdrachten vinden plaats langs de gehele landsgrens tussen Nederland en Duitsland. Gemeenten waarin deze overdrachten plaatsvinden worden hier niet per geval van op de hoogte gesteld.
Kunt u aangeven hoeveel mensen op deze manier de grens over zijn gebracht en kunt u aangeven wat de samenstelling is van deze groep? Zo ja, hoeveel asielzoekers zijn er in deze groep?
In de periode van 9 december 2024 tot en met 8 september 2025 zijn in totaal 690 vreemdelingen door Duitsland aan Nederland overgedragen. De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme overdracht» of een «koude overdracht». De KMar registreert niet of door Duitsland geweigerde personen aan de Duitse grensautoriteiten om internationale bescherming hebben verzocht.
Kunt u gedetailleerd toelichten waar de afspraken met de Duitse politie over de zogenaamde koude en warme overdrachten uit bestaan? Is het in de nacht dumpen van mensen over de grens, zonder daar een melding van te maken, toegestaan volgens deze afspraken?
Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de autoriteit van het ene land aan de autoriteit van het andere land, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt.
Wanneer een vreemdeling «warm» wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, vindt contact plaats tussen de Duitse en Nederlandse grensautoriteiten over de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie. Ook bij «koude» overdrachten is er altijd contact.
Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme» overdracht over te nemen. Bij de keuze of overdrachten «warm» of «koud» gebeuren, wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. In deze gevallen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Klopt het dat de Duitse politie altijd een bericht stuurt aan de Nederlandse marechaussee als ze iemand naar de grens hebben vervoerd? Zo nee, hoe vaak wordt dat niet gedaan?
Zoals hierboven aangegeven hebben KMar en Bundespolizei over elke overdracht contact.
Klopt het dat het juridisch niet is toegestaan asielzoekers, zonder behandeling van de asielaanvraag, zomaar de grens over te dragen. Zo ja, bent u voornemens om uw Duitse collega hierop aan te spreken?
Lidstaten gaan primair zelf over het beheer van hun buiten- en binnengrenzen. Nederland deelt het standpunt van Duitsland dat een streng asiel- en grensbeleid noodzakelijk is om irreguliere migratie naar en binnen de EU tegen te gaan. Maatregelen moeten in lijn zijn met het Unierecht en bilaterale afspraken. Op dit moment lopen in Duitsland juridische procedures. Ik wacht de uitkomst daarvan af. Het inroepen van artikel 72 VWEU is tot nu toe in de jurisprudentie niet mogelijk gebleken, waardoor ook in dit geval de verwachting is dat dit juridisch niet houdbaar zal blijken. Nederland staat structureel in contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles, zowel op politiek als ambtelijk niveau.
Bent u het eens met de stelling dat het in de nacht dumpen van mensen kan leiden tot onveilige situaties, zowel voor de mensen die zomaar en lukraak ergens heen worden gebracht als voor de inwoners van de grensstreek die te maken hebben onveilige situaties?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zijn er duidelijke bilaterale afspraken tussen Duitsland en Nederland over hoe overdrachten plaatsvinden. Indien er sprake is van een grensweigering door de Duitse autoriteiten, vinden overdrachten cf. afspraak plaats en wordt in alle gevallen rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen. Bij kwetsbare personen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.
Naar aanleiding van de berichtgeving over de overdrachten van de door Duitsland geweigerde vreemdelingen is er ook hierover contact geweest met de bestuurders uit de grensregio’s. Op basis van daarvan is de werkwijze bij overdrachten, waaronder het faciliteren van de door- of terugreis met Duitsland besproken.
Hoe worden de asielzoekers die lukraak de grens over worden gebracht, zonder over te worden gedragen aan de Nederlandse marechaussee verder geholpen?
Personen die verzoeken om internationale bescherming worden doorverwezen naar asielprocedure. Op het moment dat volgens de KMar de betrokkene kwetsbaar is en zelf niet in staat is om richting Ter Apel te reizen, verzorgt de KMar passend en veilig vervoer. Vreemdelingen die elders asiel hebben aangevraagd en waarop de Dublinverordening van toepassing is, worden conform de Dublinprocedure overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat.
Welke maatregelen neemt u om bewoners die schade ondervinden als gevolg van deze werkwijze, te ondersteunen? Heeft u daarover al contact met de gemeentebesturen?
Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Asiel en Migratie, de KMar en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen.
Het over de Nederlandse grens zetten van onderschepte personen bij grenscontroles door de Duitse autoriteiten. |
|
Simon Ceulemans (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over het over de Nederlandse grens zetten van personen door de Duitse autoriteiten?1, 2, 3
Ja.
Hoe zien de bilaterale afspraken tussen Nederland en Duitsland, waar in het artikel van De Gelderlander naar wordt verwezen, eruit en in hoeverre hebben deze betrekking op de zogeheten «koude» overdrachten?
Een overdracht kan plaatsvinden middels een «warme overdracht», waarbij een persoon fysiek wordt overgedragen door de autoriteit van het ene land aan de autoriteit van het andere land, of een «koude overdracht», waarbij deze fysieke overdracht niet plaatsvindt.
Overdrachten van Nederland aan Duitsland en vice versa in het kader van grenstoezicht vinden al jaren op basis van bilaterale afspraken plaats. Deze afspraken zijn van toepassing op zowel «warme» als «koude» overdrachten. Dit is dus niet iets dat met de herinvoering van binnengrenscontroles is gestart.
Wanneer een vreemdeling «warm» wordt overgedragen van Duitsland aan Nederland of vice versa, vindt contact plaats tussen de Duitse en Nederlandse grensautoriteiten over de operationele vormgeving van deze overdracht, waaronder tijd en locatie. Ook bij «koude» overdrachten is er altijd contact.
Het is niet altijd mogelijk om een door Duitsland geweigerde vreemdeling via een «warme» overdracht over te nemen. Bij de keuze of overdrachten «warm» of «koud» gebeuren, wordt rekening gehouden met specifieke doelgroepen, zoals kwetsbare personen. In deze gevallen wordt expliciet aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In andere gevallen zit deze zorg met name in het faciliteren van de door- of terugreis. In alle gevallen wordt rekening gehouden met de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het individu, waarbij de veiligheid van betrokkenen in acht wordt genomen.
Deze overdrachten vinden plaats langs de gehele landsgrens tussen Nederland en Duitsland. Gemeenten waarin deze overdrachten plaatsvinden worden hier niet per geval van op de hoogte gesteld.
Houden deze bilaterale afspraken in dat de handelwijze van beide landen in de praktijk precies hetzelfde is? Zo nee, hoe wijken deze af?
De bilaterale afspraken schrijven een identieke handelwijze voor zowel Nederland als Duitsland voor.
Hoe verhoudt zowel het aantal «warme» als «koude» overdrachten van Duitsland naar Nederland sinds de invoering van de Duitse grenscontroles zich tot het aantal overdrachten vóór invoering van de grenscontroles? Kunt u de overdrachten sinds invoering van de grenscontroles specificeren naar de periode voor en na de aangescherpte Duitse controles in mei?
De Koninklijke Marechaussee (KMar) registreert niet of door Duitsland geweigerde personen worden overgedragen middels een «warme» overdracht of een «koude» overdracht. Sinds de herinvoering van de binnengrenscontroles door Duitsland is het aantal grensweigeringen en overdrachten van Duitsland naar Nederland gestegen, omdat Duitsland relatief veel capaciteit inzet voor binnengrenscontroles.
Hoe is überhaupt zeker of de personen die door de Duitse politie over de Nederlandse grens worden gezet ook daadwerkelijk onderschept zijn toen zij vanuit Nederland de Duitse grens wilden oversteken? Hoe kan dit door Nederland worden geverifieerd, zeker in het geval van «koude» overdrachten?
De KMar staat dagelijks in contact met de Bundespolizei over overdrachten van in het kader van grenstoezicht geweigerde vreemdelingen. Ook bij «koude» overdrachten van Duitsland aan Nederland wordt er door de Bundespolizei altijd contact opgenomen met de KMar.
Wat is er te zeggen over de achtergronden van de betrokken personen? Om welke nationaliteiten gaat het hierbij doorgaans en wat is er bekend over de route die zij hebben afgelegd voordat ze – indien dit inderdaad het geval is – vanuit Nederland de Duitse grens poogden over te steken?
Duitsland weigert personen aan de binnengrenzen die niet voldoen aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode. Wanneer een persoon vanuit Nederland Duitsland probeert in te reizen en niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, dan wordt deze persoon in regel door Duitsland aan de grens wordt geweigerd en overgedragen aan Nederland. Uit Duitse jurisprudentie lijkt naar voren te komen dat Duitsland daarnaast mensen aan de grens weigert die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoen en zich beroepen op internationale bescherming. De KMar registreert geen gegevens over de nationaliteit van door Duitsland geweigerde personen.
Kunt u aangeven welke personen met welke status, achtergrond, papieren en fase van het asielproces precies door de Duitse overheid worden teruggestuurd naar Nederland en welke niet? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Welke informatie heeft de Duitse grenscontroles opgeleverd over mensensmokkel en in hoeverre wordt deze gedeeld met de Nederlandse politie en het Openbaar Ministerie en betrokken bij de bestrijding en vervolging ervan?
Bij binnengrenscontroles hebben aanhoudingen plaatsgevonden in het kader van migratiecriminaliteit, zoals documentfraude en mensensmokkel. Nederland en Duitsland werken nauw samen om mensensmokkel en andere vormen van grensoverschrijdende criminaliteit tegen te gaan. Hiertoe voeren Nederland (KMar en Nationale Politie) en Duitsland (Bundespolizei en Landespolizei) middels Grensoverschrijdende Politieteams gezamenlijk patrouilles uit. De informatie die hierbij ontsloten wordt, wordt waar mogelijk met de betrokken organisaties gedeeld.
Hoeveel en welke incidenten met personen die door de Duitse politie in Nederlandse (grens)gemeenten zijn afgezet zijn u over de afgelopen twee jaar bekend? Wat was de aard van deze incidenten en hoe is hierop geacteerd?
Het ministerie is bekend met situaties waarbij personen die door Duitsland worden overgedragen aan Nederland onvoldoende worden gefaciliteerd bij hun door- of terugreis en hierdoor niet spoedig kunnen verder reizen. Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Asiel en Migratie, de KMar en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Signalen vanuit de grensregio’s worden zeer serieus genomen. Na recente berichtgeving over overdrachten van door Duitsland geweigerde vreemdelingen is hierover contact geweest tussen het ministerie en bestuurders uit de grensregio’s. Naar aanleiding hiervan heeft de KMar contact opgenomen met de Bundespolizei over de werkwijze bij overdrachten, waaronder over het faciliteren van de door- of terugreis.
Wat doet u op dit moment om de negatieve gevolgen van deze werkwijze voor de inwoners van Nederlandse grensgemeenten tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat uit de ervaringen in onder andere ’s-Heerenberg blijkt dat deze inzet niet toereikend is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke aanvullende maatregelen gaat u treffen?
Zie antwoord vraag 9.
De uitvoering van motie Ceder 19637, nr. 3488 |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie Ceder (Kamerstuk 19 637, nr. 3488) die een verkenning verzoekt van een aanpassing van het Vreemdelingenbesluit zodat een ambtshalve toets op artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij minderjarigen verplicht wordt en daarin de belangen van het kind waaronder geworteldheid in de Nederlandse samenleving expliciet worden gewogen; tevens een verkenning verzoekt hoe een uitwerking van deze ambtshalve toetsing in de vreemdelingencirculaire en de werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet worden uitgewerkt, waarin wordt uitgewerkt wat artikel 8 EVRM voor minderjarige kinderen betekent op een wijze dat een aanzuigende werking voorkomen wordt, en een juridische uitwerking vraagt van een wijze waarop het perspectief van een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving ook een overweging van toekenning kan zijn?
Op welke manier voert u deze motie uit? Welke stappen gaat u zetten om deze verkenningen te realiseren? Worden gemeenten, onderwijs- en werkgeversorganisaties hierbij betrokken? Op welke termijn kan de Kamer over uw bevindingen worden geïnformeerd?
Erkent u dat er ongedocumenteerde kinderen met en zonder asielverleden zijn die Nederlands spreken, goed opgeleid zijn en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven? Klopt het dat dit momenteel nog geen zwaarwegend belang wordt toegekend? Klopt het tevens dat een potentieel positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving nog niet wordt meegewogen?
Erkent u dat het veel minder moeite en inspanning van toekomstige werkgevers en de samenleving vraagt als deze kinderen in Nederland uiteindelijk gaan werken dan als er migranten met een werkvisum tijdelijk de Nederlandse arbeidsmarkt op komen, zonder verplichtingen tot integratie en participatie?
Wat vindt u in het licht van toenemende arbeidstekorten in cruciale sectoren ervan dat er ongedocumenteerde jongeren/jong-volwassenen niet eenvoudig een verblijfsvergunning kunnen krijgen terwijl zij klaar staan om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving?
Op welke manier wordt de toets aan het belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures momenteel vormgegeven? Wat vindt ervan om deze toets verplicht te maken, bijvoorbeeld voor alle minderjarigen en/of als er een bepaald substantieel deel van het leven in Nederland is doorgebracht?
Neemt u in de verzochte verdere uitwerking mee welke rechten een kind heeft op basis van artikel 8 EVRM, waarbij de individuele belangen van het kind worden betrokken en aan welke inkadering denkt u?
Kunt u bevestigen dat er nu geen expertise bij de IND aanwezig is om de toets aan het belang van het kind uit te voeren? Krijgen vreemdelingen op die manier voldoende rechtsbescherming? Zijn er plannen om expertise aan de IND toe te voegen?
De Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving waaruit blijkt dat Nederland in de rapportage over internationale klimaatfinanciering projecten meerekent die niet primair gericht zijn op klimaatmitigatie of -adaptatie, zoals programma’s op het gebied van gezondheid, cultuur of voedselzekerheid?1
Ja.
Kunt u toelichten welke criteria het kabinet hanteert bij het bepalen of een project of programma meetelt als klimaatfinanciering, en hoe wordt vastgesteld welk deel van een projectbudget wordt toegerekend aan klimaatdoelen?
De klimaatrelevantie van internationale projecten wordt op drie manieren bepaald:
Erkent u dat het toerekenen van delen van bredere ontwikkelingsprojecten aan klimaatfinanciering het risico met zich meebrengt dat de werkelijke omvang van de Nederlandse bijdrage aan klimaatmaatregelen in kwetsbare landen wordt overschat?
Nederland zet zich er voor in een realistische inschatting te maken van klimaatrelevantie van bredere ontwikkelingsprojecten. De Rio-marker systematiek is een internationaal erkende en op dit moment de meest efficiënte methode om deze inschatting te maken. Het kabinet erkent dat het meten van klimaatfinanciering op basis van de Rio-markers op activiteitniveau soms kan leiden tot een wat hogere of lagere schatting van de gerealiseerde klimaatimpact. De gedachte is dat de over- en onderschatting binnen het gehele portfolio elkaar in balans houden en de markers zo op portfolioniveau de best mogelijke weergave geven van de klimaatrelevantie.
Hoeveel publieke middelen heeft Nederland in het meest recente verslagjaar aangemerkt als internationale klimaatfinanciering, uitgesplitst naar mitigatie, adaptatie en gemengde projecten?
Van de publieke klimaatfinanciering in 2024 kwam EUR 659 miljoen (62%) ten goede aan klimaatadaptatie en EUR 352 miljoen (33%) ten goede aan klimaatmitigatie. Van EUR 59 miljoen (5%) is niet gespecificeerd of dit ten goede kwam aan mitigatie of adaptatie (cross-cutting).3
In hoeverre bestaan de Nederlandse bijdragen aan klimaatfinanciering uit schenkingen (giften) dan wel uit leningen of andere financiële instrumenten die moeten worden terugbetaald?
De Nederlandse publieke klimaatfinanciering bestaat bijna volledig uit schenkingen (giften). Een deel van de bijdragen aan de multilaterale ontwikkelingsbanken of bijvoorbeeld de staatsfondsen bij de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO heeft de vorm van een kapitaalaanvulling of een revolverende schenking.
Bij de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering is sprake van meer diversiteit in de financieringsvorm. Van de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering in 2024 (exclusief de financiering vanuit de multilaterale ontwikkelingsbanken) betreft 40% een lening, 25% een garantie, 17% een schenking en 18% is een restcategorie. De gedetailleerde uitsplitsing kunt u vinden op pagina 61 van de Nederlandse private mobilisatie rapportage in 2024.4
Hoe verklaart het kabinet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering aan armere landen, terwijl juist de rijkste landen hiervoor verantwoordelijk zijn?2
Het klopt niet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering. Binnen de EU is Nederland, na Duitsland, Frankrijk en Spanje, in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering.6 Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.7
Welke stappen onderneemt Nederland om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering daadwerkelijk ten goede komt aan de landen en gemeenschappen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering?
Nederland zet zich actief in om de kwetsbaarheid van landen en gemeenschappen voor de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. In 2024 kwam dan ook 62% van de publieke Nederlandse klimaatfinanciering ten goede aan adaptatie. Naar verwachting zal zowel het aandeel als het bedrag voor klimaatadaptatie binnen de Nederlandse publieke klimaatfinanciering verder groeien door groeiende klimaatrelevantie van de inzet op vooral water en voedselzekerheid. Nederland sluit hiermee goed aan op de uitkomst van de 30e Conferentie van Partijen (COP30) bij het Klimaatverdrag, in Belém, Brazilië, waarin wordt opgeroepen tot versterkte inzet op adaptatiefinanciering. Dit past ook bij de bredere aanmoediging van deze COP om gezamenlijk toe te werken naar een verdriedubbeling van de totale financiering voor adaptatie in 2035 binnen de kaders van het afgesproken klimaatfinancieringsdoel.
Uit een onderzoek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) in de deelstudie «Financiële toezeggingen in transitie» (Nederlandse klimaatfinanciering voor ontwikkeling 2016–2019, Kamerstuk 32 813, nr. 811) blijkt dat 60% van de publieke klimaatfinanciering ten goede komt aan lage inkomenslanden en, met een gedeeltelijke overlap, 25% aan fragiele landen. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat deze percentages sindsdien sterk zijn gewijzigd.
In hoeverre is de door Nederland gerapporteerde klimaatfinanciering additioneel ten opzichte van de reguliere middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en hoe wordt deze additionaliteit gecontroleerd en verantwoord?
De discussie over de betekenis van nieuw en additioneel heeft nooit geleid tot een internationaal geaccepteerde definitie. Ontwikkeling die geen rekening houdt met het klimaat is geen bestendige ontwikkeling; en zonder klimaatbeleid wordt ontwikkeling tenietgedaan. De rapportage van de Nederlandse klimaatfinanciering is transparant en volgt zoveel mogelijk de internationaal (in OESO-verband) afgesproken methodes. Doordat de Nederlandse publieke klimaatfinanciering bijna volledig uit giften bestaat en zich voor een groot deel op adaptatie richt, wordt deze over het algemeen positief beoordeeld. De review van het eerste Biennial Transparency Report (BTR) van Nederland onder het Akkoord van Parijs is tijdens COP30 in Bélem succesvol afgesloten. De transparantie van de rapportage laat de ruimte aan ontvangende landen om de Nederlandse bijdrage kritisch te beoordelen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig publieke klimaatfinanciering bijdraagt aan ontwikkelingslanden, gemeten naar nationale welvaart en historische uitstoot?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, is deze constatering onjuist. In vergelijking met andere Europese landen levert Nederland relatief veel publieke klimaatfinanciering.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van alle door Nederland als klimaatfinanciering opgevoerde projecten over de afgelopen drie jaar, inclusief de onderliggende motivering voor hun klimaatdoelstelling en de gehanteerde verdeelsleutel per project?
Ik verwijs u graag naar het online klimaatdashboard.8 Deze openbare database geeft inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering en alle onderliggende programma’s in 2024 en de voorgaande jaren (vanaf 2020). Daarbij is zichtbaar gemaakt welke klimaatrelevantie is meegegeven aan de programma’s (inclusief verdeling adaptatie en mitigatie) en kan worden doorgeklikt naar onderliggende documentatie, zoals de beoordeling die aan de goedkeuring van de activiteit ten grondslag heeft gelegen.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de walvisjacht van Fuglafjørður, zoals gedocumenteerd door Sea Shepherd, waarbij 285 grienden van 300–400 dieren werden gedood, wat leidt tot een totaal van 992 gedode walvisachtigen op de Faeröer-eilanden in 2025?1 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Ik betreur de jacht die in september heeft plaatsgevonden ten zeerste en ben van mening dat deze jaarlijkse jacht niet acceptabel is.
Kunt u bevestigen dat walvis- en dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas (ASCOBANS), waarin de Faeröer eilanden geen partij zijn, maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Het ASCOBANS beschermings- en beheerplan dat als annex is toegevoegd aan de tekst van de Overeenkomst zegt: «de Partijen zullen streven naar het instellen van (a) het verbod onder nationale wetgeving om het opzettelijk nemen en doden van kleine walvisachtigen waar dit niet al in werking is, en (b) de verplichting tot directe vrijlating van elk dier dat levend en in goede gezondheid gevangen is. Maatregelen om deze regels te handhaven zullen op nationaal niveau worden uitgewerkt.»
De Faeröer-eilanden zijn Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. Lidstaten hebben een eigen verantwoordelijkheid om bij traditionele evenementen op een juiste wijze om te gaan met dieren. Als autonoom onderdeel van het Koninkrijk Denemarken zijn de Faeröer-eilanden zelf verantwoordelijk voor het beheer van hun natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de jacht op walvisachtigen.
De Faeröer-eilanden liggen weliswaar buiten het ASCOBANS gebied, het betreft echter wel dezelfde populaties als uit het ASCOBANS-gebied. Daarom zijn er, op verzoek van de ASCOBANS Adviescommissie, waar Nederland vicevoorzitter van is, meerdere brieven gestuurd aan de Faeröerse overheid om met de oproep om te stoppen met deze jacht. In reactie op de meest recente brief van 16 november 2023, stuurde de Faeröerse overheid 26 augustus 2024 een brief met een informatief memo waarin zij aangeven dat de jacht op grienden en witflankdolfijnen onderhevig is aan een wetenschappelijke beoordeling over de toestand van de populaties en dat quota worden bepaald aan de hand van die beoordelingen. Deze beoordelingen worden uitgevoerd en periodiek herzien in het kader van de Noordoost-Atlantische Zeezoogdieren Commissie (NAMMCO). In 2025 zou een nieuwe beoordeling worden gedaan, die tellingen uit 2015 en 2024 meeneemt. Dit proces wordt nauwkeurig gevolgd door zowel de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) als ASCOBANS.
Bent u bereid Denemarken er op aan te spreken dat deze jachten strijdig zijn met internationale afspraken over de bescherming van walvisachtigen, en te verzoeken dat Denemarken maatregelen neemt om een einde te maken aan de Grindadráp? Zo nee, waarom niet?
In 2021 heeft de Nederlandse ambassadeur in Denemarken hier meerdere gesprekken over gevoerd met de Faeröerse vertegenwoordigers. Tijdens deze gesprekken is de boodschap overgebracht dat Nederland deze jacht niet acceptabel vindt. Als reactie hierop is door de Faeröerse vertegenwoordigers duidelijk gemaakt dat zij zich zeer bewust zijn van de internationale kritiek, maar hebben zij ook aangegeven dat zij handelen binnen de kaders van internationale afspraken en dat de meerderheid van de Faeröerse bevolking op dit moment geen voorstander is van een verbod. Dit zou op termijn kunnen veranderen, omdat de jongere generatie minder waarde hecht aan de traditionele jacht. Nederland zal waar opportuun blijven pleiten voor een totaalverbod op de jacht.
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnen- en walvisslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 ook aangegeven, zijn de Faeröer-eilanden Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. De Faeröer eilanden vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Nederland heeft in 2021 wel, samen met een aantal andere lidstaten en de Europese Commissie, het initiatief genomen om vanuit de Europese Raadswerkgroep voor de walvisjacht een statement te sturen naar de Faeröerse overheid. Dit statement was een reactie op de uitzonderlijk grote slachting van witflankdolfijnen in september 2021. In navolging hierop is dit statement aan alle IWC Verdragspartijen gestuurd en op de IWC website gepubliceerd2. Dit statement veroordeelt de jacht, roept op om deze te stoppen en vraagt om een grondig onderzoek naar deze casus en vraagt daarbij ook om een bredere evaluatie van alle jacht op walvisachtigen. In reactie op onder andere dit statement, heeft de wetenschappelijke commissie van de IWC hun aanbeveling herhaald dat er geen levende vangsten of oogst van kleine walvisachtigen mogen worden goedgekeurd totdat een volledige beoordeling van de status van de soort is gemaakt. Ook sprak de wetenschappelijk commissie van de IWC haar zorg uit over de hoge aantallen gedode witflankdolfijnen. Juist voor deze soort werken de IWC en ASCOBANS samen om de bedreigingen voor de populatie beter in beeld te brengen.
Hoe ziet u de rol van Nederland in het internationaal bevorderen van de bescherming van walvisachtigen, bijvoorbeeld via de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) en binnen de Verenigde Naties, in het licht van deze recente gebeurtenissen?
Zie ook mijn antwoord op vragen 2 en 4. Nederland is actief lid binnen de International Whaling Commission (IWC) en de Overeenkomst ter bescherming van kleine walvisachtigen in de Noordzee, Oostzee en Noordoost-Atlantische Oceaan (ASCOBANS). Nederland is groot voorstander van de bescherming van alle walvisachtigen en zal zich daar voor blijven inzetten.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het volgende overleg met Denemarken en/of binnen de EU over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal dit punt blijven agenderen in de bilaterale gesprekken met Faeröerse overheid en in internationale fora. Aangezien dit in lijn zal zijn met voorgenoemde standpunten, zie ik geen noodzaak om de Kamer nogmaals te informeren.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk optreden tegen de walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden, bijvoorbeeld door de kwestie te agenderen bij de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft mijn voorganger dit actief bepleit in de Raadswerkgroep voor de walvisjacht. Dit zal ik blijven doen in die Raadswerkgroep, die daar het meest geëigende forum voor is.
Het bericht ‘Kerkleiders pleiten voor vrijlating Chinese voorgangers. ‘Zion Kerk groeit in de vervolging’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het nieuws van de ondervraging van meer dan 150 kerkleden en van de arrestatie en detentie van dertig voorgangers van de ondergrondse Zion Church in China, onder wie hoofdpredikant Jin «Ezra» Mingri, op verdenking van het online verspreiden van religieuze informatie?1
Ik vind deze berichten zorgwekkend.
Hoe beoordeelt u de arrestaties in het licht van de bredere trend waarin het voor christenen in China steeds moeilijker wordt om hun geloof te belijden?2
Het is niet goed mogelijk eigenstandig een volledig beeld van de situatie te vormen. Uit documentatie van onze partners uit het maatschappelijk middenveld en ook uit signalen die onze posten in China opvangen kan worden afgeleid dat er sprake is van toenemende druk. De arrestaties volgen op het aanscherpen van religieuze regelgeving eerder dit jaar. Vanwege de strenge controle van informatiestromen in China en de vergaande (cyber)surveillance van gesprekspartners uit de religieuze gemeenschappen is het voor hen lastig en soms risicovol om hierover rechtstreeks contact te onderhouden met de internationale gemeenschap.
Kunt u aangeven of Nederlandse ambassades en posten in de regio signalen ontvangen dat vervolging en beperkingen op religieuze gemeenschappen in China toenemen? Zo ja, kunt u deze duiden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe Nederland binnen zijn diplomatieke contacten met Chinese regering aandacht vraagt voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Is de zaak van de Zion Church daarbij specifiek aan de orde geweest? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet brengt deze zorgen over, zowel in bilateraal als multilateraal verband. Daarbij wordt specifieke aandacht gegeven aan de culturele en religieuze rechten van christenen en andere religieuze groepen. De zaak van de Beijing Zion Church is nog niet specifiek aan de orde geweest. Nederland zal de zaak, samen met onze partners, nauwgezet blijven volgen en deze in contacten met de Chinese autoriteiten aan de orde stellen.
Is Nederland bereid om, eventueel in EU-verband of met gelijkgezinde landen, op te roepen tot vrijlating van Jin Mingri en de andere gedetineerde voorgangers? Zo nee, waarom niet?
Een belangrijk deel van de Nederlandse inzet voor mensenrechtenverdedigers speelt zich af achter de schermen. Zoals hierboven al vermeld, zal Nederland de zaken van de gedetineerde leden van de Beijing Zion Church, samen met onze gelijkgezinde partners, zorgvuldig blijven volgen. De keuzes over de vorm van inzet zullen worden genomen in samenspraak met deze gelijkgezinde partners en op basis van effectiviteit.
Welke concrete stappen gaat u de komende periode zetten om de Chinese regering aan te spreken op de situatie van de Zion Church en andere religieuze minderheden?
Zoals aangegeven, blijft het kabinet zich inzetten voor de verbetering van de mensenrechtensituatie in China, inclusief de rechten van religieuze gemeenschappen. Nederland blijft de zaak van de Beijing Zion Church nauw volgen en stemt mogelijke vervolgstappen af met gelijkgezinde landen en partners uit het maatschappelijk middenveld.
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Wat kunt u delen over gevoerde gesprekken en de uitkomsten van deze gesprekken?
De uitvoering van de motie-Bikker/Stoffer, die oproept om christenvervolging tot vast onderdeel te maken van diplomatieke gesprekken met de landen op de Open Doors-ranglijst, sluit aan bij de bestaande inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging. De positie van christenen wordt binnen deze inzet regelmatig geagendeerd in zowel bilaterale contacten als in multilateraal verband. Conform deze motie zijn de ambassades nogmaals geïnstrueerd om zorgen over de positie van christenen structureel mee te nemen in hun dialoog met de autoriteiten.
Dit jaar werd dit concreet toegepast tijdens diverse uitgaande bezoeken, onder meer aan Nigeria, Pakistan en Syrië, waar vrijheid van religie en levensovertuiging onderdeel was van het gesprek, waaronder de positie van kwetsbare minderheden, o.a. die van christenen. Ook in multilateraal verband, zoals in de VN-Mensenrechtenraad en EU-dialogen, blijft Nederland aandacht vragen voor christenvervolging, in lijn met deze bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging. Over de voortgang van de motie wordt gerapporteerd in de Mensenrechtenrapportage 2025.
Het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Ja.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar ontbossingsrisico?
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen van dit rapport?
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen, waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies. Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s te vermijden toereikend?
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen, waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden, risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken, zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s, waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao? Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds, dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds te versterken.
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in het nationale klimaat- en natuurbeleid?
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam consumptiegedrag te bevorderen?
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.
Palestina |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Voorziet u meer medische evacuaties van kinderen uit Gaza na de vijf kinderen die reeds medisch zijn geëvacueerd naar Nederlandse ziekenhuizen (Kamerstuk 23 432, nr. 616)? Zo niet, is dit omdat de medische capaciteit in Nederland niet beschikbaar is, of zijn er andere redenen? Zo wel, op welke manier is het kabinet daarmee bezig? Kunt u een zo concreet mogelijke uitleg geven?
De medische evacuatie van de vijf kinderen maakt deel uit van het kabinetsbeleid om de bevolking uit Gaza toegang te bieden tot medische hulp. Het kabinet wil blijven bezien hoe een bijdrage kan worden geleverd aan de tekorten voor de complexe en hoog-specialistische zorg in de regio. De voorkeur van het kabinet gaat uit naar het versterken van de medische capaciteit in de regio, aangezien daar het grootste verschil gemaakt kan worden.
Tijdens het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 11 december jl. heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd om, samen met de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, een nieuwe inventarisatie te maken van de stand van zaken van de medische capaciteit in Gaza en de regio.
Deelt u de mening dat er nog steeds een tekort is aan beschikbare hoogspecialistische zorg in de regio en dat de behoefte aan medische evacuaties voor kinderen uit Gaza hoog blijft?
Het kabinet spant zich in om, samen met internationale en regionale partners, bij te dragen aan een versterking van de medische capaciteit in Gaza en omliggende landen. Zo ondersteunen humanitaire partners met behulp van Nederlandse financiering zowel (specialistische) medische behandelingen en revalidatiediensten, als structurele ondersteuning in de vorm van het versterken van ziekenhuizen en het herstel van water- en sanitaire voorzieningen.
U heeft aangekondigd dat Nederland medeorganisator is van een conferentie over de wederopbouw van Gaza: wat zijn de doelen van deze conferentie, wat zal daar worden besproken en met wie?1
Nu resolutie 2803 (2025) in de VNVR is aangenomen, is de verwachting dat op korte termijn een datum voor de conferentie zal worden vastgesteld. De agenda en deelnemers van de conferentie zijn nog niet bekend.
Wordt het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht als uitgangspunt genomen bij deze conferentie en op welke manier? Kunt u hier een toelichting op geven? Zo niet, hoe waardeert u het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk?
Het Palestijnse volk heeft recht op zelfbeschikking, daarom zet het kabinet in op een duurzame en vreedzame oplossing waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Naar mening van het kabinet dient de Palestijnse Autoriteit betrokken te worden bij de wederopbouwconferentie. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Hoe verhoudt wat op deze conferentie zal worden besproken zich tot het Trump Investment Plan zoals onderdeel is van het staakt-het-vuren akkoord, en in hoeverre liggen bepaalde onderdelen of kaders van een wederopbouwplan al vast? Welke onderdelen en kaders zijn dit?
Regionale partners, waaronder Egypte, zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het 20-puntenplan van president Trump. Niet alle punten van het plan zijn even ver uitgewerkt, zoals onder andere het element van wederopbouw. De genoemde conferentie kan worden gezien als een forum dat bijdraagt aan de inzet voor de wederopbouw van Gaza.
Wat is uw reactie op het nieuws dat een gebrek aan financiering de hulpverlening en dienstverlening van UNRWA in de Palestijnse gebieden in gevaar brengt?2
De financiële tekorten waar UNRWA mee kampt hebben gevolgen voor de hulp- en dienstverlening van de organisatie in alle werkvelden waar UNRWA actief is (Palestijnse Gebieden, Syrië, Libanon en Jordanië).
Nederland ondersteunt UNRWA met financiële middelen volgens het aangenomen amendement (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). Daarnaast hecht het kabinet aan diversificatie van humanitaire hulp voor de Gazastrook. Nederland zet daar op in door ook middelen beschikbaar te stellen voor organisaties als de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en het World Food Programme.
Deelt u de mening dat UNRWA nog steeds een cruciale rol speelt in hulpverlening en dienstverlening aan Palestijnen, en hun werk op dit moment niet door andere organisaties op de schaal die nodig is kan worden overgenomen? Kunt u hierop een toelichting geven?
Het Internationaal Gerechtshof heeft in zijn advies van 22 oktober 2025 geoordeeld dat er momenteel geen realistisch alternatief voor UNRWA bestaat om adequaat diensten en ondersteuning te verlenen aan Palestijnse vluchtelingen. De kabinetsreactie op dit advies is uw Kamer toegekomen op 21 november jl.3
Zoals reeds aangegeven zet het kabinet in op verdere diversificatie van de humanitaire hulpverlening voor de Gazastrook. Daarnaast blijft bij het kabinet een aantal zorgen bestaan, bijvoorbeeld over de neutraliteit van het gebruikte onderwijsmateriaal. Daarom blijft het kabinet toezien op de implementatie van de aanbevelingen komende uit het Colonna rapport.
Herkent en erkent u de desinformatie campagne over UNRWA die Philippe Lazzarini beschrijft? Wat heeft u gedaan en gaat u doen om schadelijke desinformatie tegen te gaan?
Het kabinet is bekend met de uitingen vanuit UNRWA over mis- en desinformatie over de organisatie. Om neutraliteit en integriteit te waarborgen moet UNRWA blijven werken aan de aanbevelingen uit het Colonna rapport, zoals ook aangegeven in de beantwoording op vraag 7. Het kabinet pakt desinformatie in den brede aan middels de Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie via twee sporen: 1) het versterken van het vrije en open publieke debat en 2) het verminderen van de invloed van desinformatie.
Gezien de enorme behoefte aan humanitaire hulp en basisvoorzieningen, zoals onderwijs en mentale zorg voor kinderen, bent u bereid om in 2025 extra middelen beschikbaar te stellen voor UNRWA en steun voor UNRWA voor 2026 onverminderd door te zetten? Zo niet, hoe verwacht u dan dat voldoende capaciteit, op hetzelfde niveau als UNRWA dat kan, voor humanitaire hulp en basisvoorzieningen zoals onderwijs en mentale zorg voor kinderen gerealiseerd kan worden?
Uw Kamer nam een amendement aan om financiering aan UNRWA voor de komende jaren af te bouwen (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). Hier houdt het kabinet zich aan. De vrijgevallen middelen zullen ten goede komen aan humanitaire hulp via andere organisaties, zoals de VN en de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging.
Wat is uw reactie op het bericht dat het Israëlische leger het staakt-het-vuren al zeker 282 keer heeft geschonden in de afgelopen 30 dagen?3
Beide kanten beschuldigen elkaar van het schenden van het staakt-het-vuren. Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Klopt het dat verschillende grensovergangen, waaronder die tussen Rafah en Egypte, nog steeds gesloten zijn voor humanitaire hulp of dat humanitaire hulp nog steeds maar beperkt wordt toegelaten?
Tot op heden is de grensovergang Rafah gesloten. De grensovergangen Kerem Shalom, Zikim, en Kissufim zijn (gedeeltelijk) operationeel. Israël heeft aangekondigd de Allenby overgang tussen de Westelijke Jordaanoever en Jordanië op 17 december te zullen heropenen voor (humanitair) goederenverkeer.
Wat is uw reactie op het bericht dat cruciale noodhulp Gaza niet bereikt omdat Israël specifieke hulporganisaties weert vanwege hun vermeend anti-Israëlische standpunten en daardoor organisaties als Oxfam, Save the Children en de Norwegian Refugee Council al maanden geen toestemming krijgen van Israël om noodhulp aan Palestijnen te verstrekken?4
Het kabinet heeft, conform motie Ceder6 en motie Dobbe7, formeel protest aangetekend bij de Israëlische regering ten aanzien van de NGO-registratiewetgeving en zal zich blijven inspannen voor de ongehinderde, volledige en veilige toegang voor professionele, gemandateerde hulporganisaties tot de Palestijnse gebieden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat humanitaire organisaties wel noodhulp aan Palestijnen kunnen geven? Kunt u hierop een toelichting geven?
Nederland blijft zich inspannen voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele, gemandateerde hulporganisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s. Zie ook het antwoord op vraag 12. Het is van belang dat deze organisaties alle mensen in nood in de gehele Gazastrook kunnen bereiken, evenals voor activiteiten op het gebied van herstel en wederopbouw, zodra de situatie in de Gazastrook zich hiervoor leent. Dit heeft de Minister van Buitenlandse Zaken recent benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden in de gesprekken met de Israëlische president en Minister van Buitenlandse Zaken.
Wat heeft de Nederlandse regering sinds het staakt-het-vuren gedaan om de Israëlische regering ertoe te bewegen humanitaire hulp onbelemmerd toe te laten tot Gaza? Indien niets, waarom niet? Indien wel, welke sancties of maatregelen heeft u genomen en welke sancties of maatregelen overweegt u te nemen?
Het kabinet spreekt Israël continue aan op diens verplichtingen om humanitaire hulp ongehinderd toe te laten, ook sinds het ingaan van het staakt-het-vuren op 10 oktober jl., zie ook het antwoord op vraag 13.
Betekent het besluit van het kabinet met betrekking to de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen, zoals geschreven in de Kamerbrief van 14 november (Documentnummer 2025D46598), dat Nederland de komende 6 maanden geen F-35-onderdelen richting Israël zal exporteren of doorvoeren? Kunt u hierop een toelichting geven?
Op grond van de gedane herbeoordeling is besloten om de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de relevante algemene vergunning AV009 te handhaven.
Tegelijkertijd is er, gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas en de verdere uitwerking van het vredesplan, sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 3 oktober jl. sprake van een nieuwe situatie op de grond. Gezien de veranderlijke situatie heeft het kabinet besloten tot een nieuwe herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Tot een herbeoordeling blijft het eerdere besluit tot handhaving van de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de relevante algemene vergunning, van kracht.
Hoe wordt getoetst of F-35-onderdelen via derde landen, zoals de VS, alsnog in Israël terechtkomen na door Nederland te zijn uit- of doorgevoerd? Kan gegarandeerd worden dat dit niet gebeurt? Kunt u hierop een toelichting geven?
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar de VS, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk aan wie de toestellen waarin de onderdelen worden geïntegreerd door de VS zullen worden geleverd. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel vanuit de VS daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd.
Wat is het huidige beleid met betrekking tot de export en doorvoer van wapens, onderdelen van wapens of dual-use goederen met eindbestemming Israël?
Het kabinet toetst aanvragen voor de export van militaire- of dual-use goederen zorgvuldig en per transactie. Voor dual-use goederen geldt dat de export niet wordt toegestaan als een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik. Dit is in lijn is met de Europese exportcontroleregels.
Ook op het vlak van controle op de uitvoer van militaire goederen gaat het kabinet gedegen en zorgvuldig te werk. Vergunningaanvragen worden per geval getoetst aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Daar waar een duidelijk risico bestaat dat militaire goederen gebruikt worden bij het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Sinds 7 oktober 2023 zijn er elf aanvragen voor uitvoer militaire goederen met eindgebruik in Israël afgewezen. Daarnaast zijn er drie eerder afgegeven vergunningen met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker, ingetrokken vanwege een verhoogd risico op ongewenst eindgebruik.8
Sinds januari 2025 zijn er twee uitvoervergunningen toegewezen met de Israëlische krijgsmacht als eindgebruiker van de uit te voeren goederen. Deze betreffen de uitvoer van onderdelen ten behoeve van het Iron Dome-luchtafweersysteem in Israël die het kabinet blijft toestaan.
Daarnaast zijn er sinds januari 2025 meerdere vergunningen afgegeven voor uitvoer van goederen naar Israël aan derden die niet door de Israëlische krijgsmacht worden gebruikt. Het betrof hier (tijdelijke) uitvoer ten behoeve van verdere productontwikkeling of reparatie- en/of onderhoudsdoeleinden in Israël. Het ging bijvoorbeeld om (onderdelen voor) militaire communicatiesystemen, onderdelen voor robotvoertuigen, camerasystemen, onderdelen voor robotvoertuigen, en onderdelen voor de vleugels van gevechtsvliegtuigen. Deze goederen worden na verdere productie, reparatie en/of onderhoud in Israël weer uitgevoerd naar een ander land, waaronder Nederland met als eindgebruiker de Nederlandse krijgsmacht.
De Staat handelt met het bovenstaande beleid zorgvuldig en voldoet aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen ten aanzien van wapenexportcontrole. Dat is onlangs nog bevestigd door het Gerechtshof Den Haag (d.d. 6 november).9
Heeft Nederland sinds januari 2025 wapens of onderdelen van wapens uit- of doorgevoerd met eindbestemming Israël? Kunt u zo specifiek mogelijk toelichten wat het huidige Nederlandse beleid hier op is, met daarin in ieder geval uitgesplitst om welke voorwaarden, welke aantallen, welke onderdelen of systemen het gaat? Graag antwoord op deze vraag die gezien de actualiteit niet kan wachten tot de jaarlijkse rapportage inzake wapenexport.
Zie antwoord vraag 17.
Wat is de voortgang van het verbieden van de import uit illegale nederzettingen in bezet Palestina?
Het kabinet gaat onverminderd door met de voorbereiding van een nationale maatregel om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren, en doet dit zoals toegezegd zo snel mogelijk.
Wat is de stand van zaken van de sancties die door de VS zijn opgelegd aan het Internationaal Strafhof?
Sinds februari 2025 zijn er door de VS sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ISH). In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, zes rechters een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Wat is de impact van de sancties die zijn opgelegd aan het Internationaal Strafhof en op welke manier wordt het werk van het Strafhof belemmerd?
Het Hof is vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo zijn de strafzaken in eerste aanleg tegen verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek en Soedan afgerond en in september heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony. Wel is het zo dat de sancties de gesanctioneerden (in hun persoonlijk leven) treffen, bijvoorbeeld doordat Amerikaanse bedrijven hun dienstverlening aan hen hebben beëindigd. Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties zorgvuldig in de gaten. Met steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd.
Op welke manier steunt de Nederlandse regering momenteel het Internationaal Strafhof om haar werk onbelemmerd te kunnen doen?
Nederland is zowel gastland van het ISH, als één van de 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is Nederland in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, waarin ook de Nederlandse inzet voor de jaarlijkse bijeenkomst van Verdragspartijen staat beschreven.10
Zijn er additionele verzoeken gedaan voor steun door het Strafhof waar de Nederlandse regering (nog) niet aan heeft voldaan en zo ja, welke?
Het kabinet verwijst hier eveneens graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025. Er zijn geen additionele verzoeken gedaan voor steun door het Strafhof waar de Nederlandse regering (nog) niet aan heeft voldaan.
Bent u bereid deze vragen een voor een en gezien de urgentie binnen uiterlijk twee weken te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De situatie in Soedan |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u de rol van goud in het conflict dat via handel de internationale markt op komt? Welke inzet pleegt u om via Dubai eerlijke handel te bevorderen als onderdeel van bredere inspanningen voor vrede en stabiliteit in Soedan en is het kabinet bereid het wapenexportbeleid richting de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) aan te scherpen en diplomatieke druk uit te oefenen gezien hun betrokkenheid bij handel in goud en wapens?
Zoals in veel conflictsituaties speelt de export van waardevolle grondstoffen zoals goud, maar bijvoorbeeld ook Arabische gom, in Soedan een rol bij het in stand houden van het conflict.
Sinds 2021 gelden er verplichtingen voor bedrijven in Nederland die onder de Europese conflictmineralenverordening vallen. Deze voorziet in wettelijke gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen voor Europese importeurs die boven een bepaalde drempelwaarden tin, tantaal, wolfraam en goud (3TG) importeren. Deze Verordening ziet toe op de controle op handel in 3TG met als doel om bij te dragen aan het tegengaan van de financiering van gewapende groepen en van mensenrechtenschendingen. Hoewel de Verordening niet landenspecifiek is bestaat er onder de Verordening wel een lijst van conflict- en hoog risicogebieden, opgesteld door onafhankelijke externe experts. Er zijn 18 Soedanese regio’s opgenomen in de lijst.1 Lidstaten en de Europese Commissie hebben geen directe invloed op de lijst. Desalniettemin heeft het kabinet zorgen over doorvoerlanden besproken met de Commissie. De Commissie gaf aan de intentie te hebben om het element van doorvoerlanden onderdeel te maken van de aanbestedingsprocedure voor actualisatie van de lijst.
In algemene zin verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Daarbij wordt het bedrijfsleven ondersteund middels een mix van maatregelen.
Wat betreft wapenexport toetst het kabinet alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval en zorgvuldig conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), met onder andere specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Daarbij wordt ook zorgvuldig gekeken naar het eventuele risico op omleiding naar Soedan.
Conform de aangenomen motie van Piri c.s.2 heeft het kabinet tijdens de Raad Buitenlandse Zaken gepleit voor aanvullende EU-sancties tegen actoren die het conflict in stand houden, binnen en buiten Soedan. Nederland spreekt bovendien externe actoren aan op hun verantwoordelijkheid om geen handelingen te verrichten die het conflict voeden en om in te zetten op de-escalatie, naleving van het internationaal humanitair recht en ongehinderde humanitaire toegang.
Wat is uw inzet met betrekking tot Soedan in de aankomende Raad Buitenlandse Zaken (RBZ)? In hoeverre vormt de betrokkenheid van de VAE bij het conflict een obstakel in de voortgang van onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 20 november jl. heeft Nederland opnieuw opgeroepen tot een onmiddellijke wapenstilstand, naleving van het humanitair oorlogsrecht, bescherming van burgers en onbelemmerde humanitaire toegang voor hulporganisaties. Ook heeft Nederland conform de moties van Baarle3 en Piri4 gepleit voor het verder verhogen van de humanitaire hulp vanuit de EU voor Soedan en voor aanvullende sancties, inclusief op het hoogste niveau. Daarnaast pleitte Nederland ook voor engagement vanuit de EU met externe actoren, inclusief in de context van EU-GCC relaties, conform de motie Ceder c.s.5 De Minister van Buitenlandse Zaken heeft sinds de val van El Fasher met alle relevante regionale actoren op ministerieel niveau contact gehad en het belang van een staakt het vuren benadrukt. De EU en lidstaten blijven eensgezind over de ernst van de situatie in Soedan en blijven samenwerken met het samenwerkingsverband van de VS, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte (de Quad), de Afrikaanse Unie, en andere internationale partners om het conflict en het humanitaire leed in het land te beëindigen.
Op 28 mei 2025 zijn de onderhandelingen over een mogelijk handelsverdrag (FTA) tussen de EU en de VAE gestart. De onderhandelingen richten zich op het opheffen van beperkingen op de handel in goederen, diensten en investeringen, evenals samenwerking in strategische sectoren zoals hernieuwbare energie, groene waterstof en kritieke grondstoffen. Conform het betreffende BNC-fiche6 heeft het kabinet een positieve grondhouding ten aanzien van EU-handelsakkoorden, waarbij het uitgangspunt blijft dat ieder akkoord op de eigen merites wordt beoordeeld. Juist nu het wereldwijde handelssysteem onder druk staat, is het belangrijk dat we, conform de motie Hirsch-Ceder7, afspraken blijven maken met internationale partners over moderne en duurzame handelsbetrekkingen, en ons inzetten voor een open en op regels gebaseerd handelssysteem.
In het mandaat voor de onderhandelingen met de VAE wordt verwezen naar de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de EU, waaronder de naleving van het internationaal recht door derde landen. De Raad heeft met dit onderhandelingsmandaat ingestemd. Het is nu aan de Commissie om op basis hiervan tot een onderhandelingsresultaat te komen met de VAE. Het kabinet zal daarover een positie innemen op het moment dat een eventueel onderhandelingsresultaat ter besluitvorming wordt voorgelegd aan de Raad.
Bent u bereid om extra financiering voor voedselzekerheid te overwegen, bijvoorbeeld via de Dutch Relief Alliance, die met hun lokaal personeel nog toegang heeft tot de meest afgesloten regio's in Soedan?
Het kabinet heeft besloten een extra humanitaire bijdrage van EUR 10 miljoen te doen aan het Sudan Humanitarian Fund van de Verenigde Naties. (SHF). Deze bijdrage is reeds aangekondigd in de Tweede suppletoire begroting BHO 2025 (Kamerstuk 36 850 XVII) en verder toegelicht in de Kamerbrief over de extra bijdrage aan Soedan (Kamerstuk 29 237, nr. 237). Het SHF zet in op de hoogste noden, waaronder voedselzekerheid, in de meest getroffen gebieden.
Met flexibele financiering kan vanuit het SHF voortdurend worden ingespeeld op de veranderende noden. Daarbij wordt gekeken naar complementariteit en naar welke organisaties het best in staat zijn om hulp te verlenen. Dit zijn vaak lokale organisaties. Via het SHF worden dan ook de Emergency Response Rooms gefinancierd. Dit zijn kleine vrijwilligersinitiatieven die een cruciale rol spelen in het verlenen van levensreddende hulp, waaronder voedselvoorziening via gaarkeukens, ook op moeilijk bereikbare plaatsen.
Bent u bereid de oproep om toegang tot humanitaire hulp toe te laten, kracht bij te zetten door de Sudan Armed Forces (SAF) en Rapid Support Forces (RSF) aan te sporen tot toelating van humanitaire hulp in alle delen van Soedan en door organisaties te steunen in onderhandelingen over toegang, bijvoorbeeld via alternatieve routes, andere transportmiddelen en veiligheidsmaatregelen?
Via diplomatieke inzet in bilaterale en multilaterale kanalen blijft Nederland zich inzetten voor een staakt-het-vuren en het verbeteren van humanitaire toegang. In diverse statements heeft Nederland samen met de Europese Unie en andere landen de strijdende partijen opgeroepen om de strijd te staken, het humanitair oorlogsrecht te respecteren, burgers te beschermen en hulp ongehinderd toe te laten.
Nederland spreekt bovendien externe actoren aan op hun verantwoordelijkheid om geen handelingen te verrichten die het conflict voeden en om in te zetten op de-escalatie, het humanitair oorlogsrecht na te leven en ongehinderde humanitaire toegang te verlenen. In de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 20 november jl. onderstreepte Nederland het belang van ongehinderde humanitaire hulp en pleitte voor het verder verhogen van de humanitaire hulp vanuit de EU voor Soedan.
Verder is Nederland voortdurend in contact met humanitaire actoren, waaronder de Verenigde Naties, over hoe de coördinatie verloopt en hoe deze verder verbeterd kan worden, bijvoorbeeld op locaties waar de hulp snel opgeschaald moet worden door grote toestroom van vluchtelingen, zoals in Tawila in Darfoer.