Het bericht dat 1000 ASML-collega’s de Koning en de premier om hulp vragen om Omar Elshal terug te halen |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «1000 ASML-collega’s vragen Koning en premier om hulp om Omar terug te halen»?1
Wat is uw reactie op het verzoek om premier Jetten en de Koning een persoonlijke rol te laten spelen om op te komen voor de belangen van Omar Elshal?
Is de regering bereid, in lijn met de aangenomen motie waarin de regering wordt verzocht om de zaak van Omar Elshal op het hoogste diplomatieke en politieke niveau aan te kaarten bij de Egyptische regering (Kamerstuk 32 735, nr. 437), een mogelijkheid te creëren zodat premier Jetten de zaak van Omar Elshal persoonlijk bij de Egyptische autoriteiten kan aankaarten? Zo ja, wanneer zal premier Jetten dit doen? Zo nee, waarom niet?
Wat kunt u mededelen over de mogelijkheid dat de Koning in diplomatiek verband een persoonlijke rol kan spelen om de zaak van Omar Elshal op te brengen bij de Egyptische autoriteiten?
Heeft u in uw gesprek op 12 oktober 2026 met uw Egyptische collega de zaak van Omar Elshal opgebracht? Zo ja, wat heeft u opgebracht? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er een nieuwe zitting gepland staat op 26 oktober? Zo ja, doet Nederland er alles aan om ervoor te zorgen dat er nu wel sprake is van ongehinderde toegang van Elshal tot zijn zitting en zal Nederlands ambassadepersoneel ter zitting aanwezig zijn om consulaire toegang te krijgen?
Heeft u reeds in Europees verband contact gehad over de zaak van Omar Elshal en kunt u aangeven of de vertegenwoordiging van de EU in Egypte de zaak van Elshal inmiddels ook opbrengt in de contacten die zij heeft met Egyptische autoriteiten?
Bent u bereid om, vanwege de zittingsdatum, deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
De afwezigheid van Omar Elshal tijdens zijn rechtszitting in Egypte. |
|
Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onverwachte wending bij zaak ASML’er Omar (33): hij was tot ieders verrassing niet in de rechtbank aanwezig»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Teunissen en Van Baarle over de detentie van de Nederlandse ASML-medewerker Omar Elshal?2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke diplomatieke inspanningen de Nederlandse regering sinds de beantwoording van deze Kamervragen heeft verricht om de rechtspositie, consulaire toegang en het welzijn van de heer Elshal te bevorderen?
Wereldwijd zet het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat willen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte. De Nederlandse overheid kan niet treden in de rechtsgang van een ander land, dat zou andersom ook onwenselijk zijn. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich inzetten om consulaire bijstand te verlenen aan de gedetineerde en brengt deze casus op in gesprekken op verschillende niveaus.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Was de Nederlandse ambassade voorafgaand aan de rechtszitting ervan op de hoogte dat de heer Elshal niet naar de rechtbank zou worden overgebracht? Zo ja, wanneer is de ambassade hiervan op de hoogte gesteld en door wie?
Nee.
Heeft de Nederlandse regering inmiddels bij de Egyptische autoriteiten opheldering gevraagd over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn eigen rechtszitting aanwezig was? Zo ja, wat is daarop geantwoord? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Klopt het dat de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was bij de betreffende rechtszitting met het voornemen om de heer Elshal na afloop consulaire bijstand te verlenen? Welke gevolgen heeft zijn afwezigheid gehad voor de mogelijkheid om consulaire toegang te verkrijgen?
De Nederlandse vertegenwoordiging was aanwezig, maar kreeg geen toegang tot de zitting.
Klopt het dat pas nadat bekend was geworden dat medewerkers van de Nederlandse ambassade bij de rechtszitting aanwezig zouden zijn, bleek dat de heer Elshal niet was voorgeleid? Deelt u de opvatting dat deze gang van zaken ernstige vragen oproept en dat hierover volledige opheldering dient te worden verkregen? Welke concrete stappen onderneemt u om deze opheldering van de Egyptische autoriteiten te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de consulaire bijstand. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Welke concrete stappen onderneemt de regering momenteel om alsnog spoedig consulaire toegang tot de heer Elshal te verkrijgen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft zich onverminderd inzetten, ook op politiek niveau, om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Is het kabinet bereid de diplomatieke druk op de Egyptische autoriteiten te intensiveren teneinde onverwijld consulaire toegang en een eerlijke rechtsgang voor de heer Elshal te bewerkstelligen? Zo ja, op welke wijze zal de regering deze diplomatieke druk intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Is de Minister bereid om de voortgang van nieuwe Nederlandse samenwerkingsprojecten met Egypte afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in de behandeling van de heer Elshal en de naleving van internationale consulaire verplichtingen? Zo ja, op welke wijze zal de Minister hier uitvoering aan geven? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderzoekt bij individuele consulaire zaken steeds welke diplomatieke en beleidsmatige manieren in een specifieke zaak het meest effect hebben, bijvoorbeeld om consulaire toegang te krijgen. Over de aard en inhoud van de concrete handelingen en interventies kan echter geen inzicht worden gegeven, om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de consulaire belangenbehartiging niet te schaden.
Is de Minister bereid deze zaak actief onder de aandacht te brengen van de Europese Unie en de EU-delegatie in Egypte, met het verzoek de kwestie van de detentie van de heer Elshal en de toegang tot consulaire bijstand nadrukkelijk aan de orde te stellen in de contacten met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld onder antwoord 10, beoordeelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij individuele consulaire zaken continu welke manieren om consulaire toegang te krijgen in een specifieke zaak het meest effectief zijn. Daarbij worden politieke en diplomatieke relaties in EU-verband ook in de afweging opgenomen.
Is de Minister bereid de Egyptische ambassadeur in Nederland te ontbieden om opheldering te verlangen over de afwezigheid van de heer Elshal tijdens zijn rechtszitting en om aan te dringen op onmiddellijke consulaire toegang? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in antwoord 13 en 14, heb ik in dit geval ervoor gekozen de zaak van de heer Elshal direct op te brengen en bespreken bij mijn Egyptische ambtgenoot.
Heeft de Minister deze zaak inmiddels persoonlijk besproken met zijn Egyptische ambtgenoot? Zo ja, wanneer en wat was de uitkomst van dat gesprek?
Bij een recente ontmoeting met mijn Egyptische ambtgenoot heb ik zaak van de heer Elshal nadrukkelijk onder de aandacht gebracht en besproken. Over de inhoud van het gesprek doe ik om de bij antwoord 3 genoemde redenen geen uitspraken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal zich onverminderd blijven inzetten om de lokale autoriteiten te bewegen, in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving, te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Indien de Minister dit nog niet persoonlijk met zijn Egyptische ambtgenoot heeft besproken, is hij bereid dit op de kortst mogelijke termijn alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het onverklaard uitblijven van de heer Elshal bij zijn eigen rechtszitting, terwijl de Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig was om de zitting bij te wonen en consulaire bijstand te verlenen, een zeer zorgwekkende ontwikkeling is die aanleiding geeft tot intensivering van de Nederlandse diplomatieke inzet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat de rechter tijdens de betreffende rechtszitting heeft verklaard dat de heer Omar Elshal de enige van in totaal 71 verdachten in deze strafzaak was die niet naar de rechtbank was overgebracht? Zo ja, op welke informatie baseert de regering zich om de juistheid van deze mededeling te beoordelen? Welke mogelijkheden heeft de regering om de juistheid hiervan zelfstandig of via diplomatieke kanalen te verifiëren? Deelt u de opvatting dat, indien deze mededeling juist is, dit de zorgen over de behandeling van de heer Elshal verder vergroot? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke concrete maatregelen zal de regering nemen om te waarborgen dat een dergelijke situatie zich bij toekomstige rechtszittingen niet opnieuw voordoet en dat medewerkers van de Nederlandse ambassade daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld de rechtszittingen van de heer Elshal bij te wonen en hem aansluitend consulaire bijstand te verlenen? Is de regering bereid hierover vooraf duidelijke afspraken te maken met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid mengt zich niet in de rechtsgang van de staat van detentie, dat zouden we andersom in de Nederlandse rechtsgang ook onwenselijk achten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken dringt er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen en consulaire toegang te verlenen.
Is de Minister bereid de Kamer onverwijld te informeren zodra duidelijkheid bestaat over de reden waarom de heer Elshal niet bij zijn rechtszitting aanwezig was en over de uitkomsten van de diplomatieke contacten die hierover met de Egyptische autoriteiten zijn gevoerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
In het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli jl.1 is een verslag opgenomen over mijn bezoek aan China. Tijdens mijn bezoek aan China vond voorafgaand aan de Joint Economic Committee een bilateraal gesprek plaats met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao. In dit gesprek heb ik in de context van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), de EU Anti-dwangarbeidverordening en het belang van transparante waardeketens benadrukt. Ik heb aangegeven dat dit een cruciaal onderdeel is van EU-wetgeving en een belangrijk onderwerp in het publieke debat. In dat verband heb ik de zorgen die het kabinet heeft over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht conform motie Van Baarle.2
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
In het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de zorgen over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht en gesproken over toegang tot Xinjiang. Het kabinet blijft zich inzetten voor de verbetering van o.a. de culturele en religieuze rechten van deze groepen en brengt deze zorgen zowel in bilateraal als multilateraal verband over, samen met gelijkgezinde landen en partners uit het maatschappelijk middenveld. Daarbij kijkt het kabinet naar de meest effectieve manier.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Antwoord op vragen 3 t/m 5: zie de antwoorden op vragen 1 en 2.
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Tijdens het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de Oeigoerse dwangarbeid als mensenrechtenschending gekwalificeerd door de term «dwangarbeid» te gebruiken.
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Nee, in Nederland is op dit moment nog geen leidende bevoegde autoriteit aangewezen voor de uitvoering van de Europese Anti-dwangarbeidverordening.
Wanneer het vermoeden van dwangarbeid betrekking heeft op producten van buiten de EU, treedt de Europese Commissie op als leidende bevoegde autoriteit. De Commissie is dan verantwoordelijk voor het onderzoek en de besluitvorming over de vraag of het verbod uit de verordening is geschonden.
De gesprekken over de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit in Nederland en welke partij daarvoor het meest geschikt is, lopen nog. Deze gesprekken zijn geïntensiveerd. Net als uw Kamer, ziet het kabinet de urgentie om voortgang te maken, zodat Nederland klaar is voor het van toepassing worden van de Anti-dwangarbeidverordening per 14 december 2027. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden over de vorderingen.
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Ja. In het najaar van 2025 organiseerde Nederland een bijeenkomst voor EU-lidstaten en de Europese Commissie over de implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening. Nederland heeft daarbij het belang onderstreept van het effectief tegengaan van staatsgeleide dwangarbeid, waaronder jegens Oeigoeren in China.3 In gesprek met de Commissie en tijdens een bijeenkomst van het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten4 is deze thematiek dit jaar wederom onder de aandacht gebracht, daartoe mede aangespoord door uw motie.5
Daarnaast heeft Nederland eind mei bij de Europese Commissie, o.b.v. relevante informatiebronnen en conform motie Van Baarle,6 gepleit voor het opnemen van Xinjiang in de nieuwe Anti-dwangarbeidverordening database met risicoregio’s en risicoproducten. Zodra de database gepubliceerd wordt, is deze terug te vinden op het Centraal Portaal Dwangarbeid.7
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
Europese verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten. De bepalingen gelden na inwerkingtreding van de verordening automatisch in de Nederlandse rechtsorde; Nederland mag de inhoud niet aanpassen of aanscherpen. Wel is er in het kader van de Anti-dwangarbeidverordening nationale uitvoeringswetgeving nodig om bevoegde autoriteiten aan te wijzen, deze autoriteiten van toezicht- en handhavingsbevoegdheden te voorzien en gegevensdeling- en verwerking mogelijk te maken. In het antwoord op vraag 7 vindt u de stappen die reeds gezet zijn op het gebied van de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit. Daarnaast heeft Nederland reeds vier markttoezichthouders genotificeerd voor de handhaving van het verbod, nadat eenmaal is vastgesteld dat producten met dwangarbeid zijn vervaardigd.8 Op deze manier wordt gewerkt aan een effectieve uitvoering van de verordening. Uw motie is daarnaast betrokken bij ambtelijke gesprekken met de Europese Commissie over dit onderwerp.
Bent u bekend met het nieuws via Israël’s Channel 14 dat er een besluit is genomen om Palestijnen te verdrijven uit Gaza?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er onder leiding van de Israëlische veiligheidsraad een dergelijk besluit is genomen?
Nee. Het kabinet heeft geen toegang tot besluiten van de Israëlische veiligheidsraad tenzij deze informatie formeel naar buiten wordt gebracht.
Kunt u bevestigen dat het verdrijven van Palestijnen uit Gaza onderdeel zou zijn van de afspraken tussen de VS en Iran?
Nee.
Deelt het kabinet de mening dat een plan om Palestijnen uit Gaza te verdrijven, neer komt op etnische zuivering?
Het is onduidelijk of dergelijke plannen daadwerkelijk bestaan. Het uitgangspunt van het kabinet is dat Gaza toebehoort aan de Palestijnen. Het kabinet staat achter het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen en de inzet is erop gericht om de situatie in Gaza voor de Palestijnse burgers te verbeteren.
Welke consequentie verbindt het kabinet eraan als deze berichten kloppen?
Er is geen bevestiging dat deze plannen daadwerkelijk bestaan.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor woensdag 1 juli?
Er is getracht om de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De detentie van de Nederlandse staatsburger Omar Elshal in Egypte |
|
Stephan van Baarle (DENK), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eindhovense Omar kwijnt al acht maanden weg in Egyptische cel: een nachtmerrie»?1
Ja.
Welke consulaire en diplomatieke ondersteuning heeft Nederland sinds zijn arrestatie verleend aan de heer Elshal en zijn familie?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is terughoudend met het verstrekken van informatie over individuele gevallen, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vertrouwelijkheid van de consulaire belangenbehartiging en de effectiviteit van de diplomatieke inspanningen. Informatie wordt alleen verstrekt aan de door de gedetineerde aangewezen contactpersoon.
Wereldwijd zetten het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassades zich ten volle in voor consulaire bijstand aan en toegang tot Nederlandse gedetineerden die dat op prijs stellen. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de door u opgebrachte gedetineerde Nederlander in Egypte.
Heeft de Nederlandse ambassade de heer Elshal bezocht tijdens zijn detentie? Zo ja, wat waren de bevindingen van deze bezoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke contacten heeft Nederland sinds zijn arrestatie onderhouden met de Egyptische autoriteiten over zijn detentie, rechtspositie, detentieomstandigheden en mogelijke vrijlating?
Zie het antwoord op vraag 2. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade blijven – als nodig in het individuele geval – de lokale autoriteiten verzoeken in overeenstemming met internationale wet- en regelgeving te faciliteren in de consulaire contacten en bijstand, een eerlijke rechtsgang te garanderen en medische zorg te bieden.
Heeft het kabinet bij de Egyptische autoriteiten zorgen geuit over zijn gezondheid, toegang tot medische zorg, juridische bijstand en contact met zijn familie? Zo ja, welke reactie heeft Egypte daarop gegeven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat de heer Elshal al maanden vastzit op basis van een volgens hen vage aanklacht en dat zijn voorlopige hechtenis herhaaldelijk wordt verlengd?
Zie het antwoord op vraag 2. De Nederlandse overheid mengt zich niet in het juridische proces van de staat van detentie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade dringen er wel bij de lokale autoriteiten op aan om, in lijn met internationale wet- en regelgeving, een eerlijke rechtsgang te waarborgen.
Hoe beoordeelt u de signalen van familieleden en vrienden dat zij de Nederlandse inzet tot nu toe als onvoldoende ervaren en aandringen op actievere betrokkenheid van de Nederlandse ambassade?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een Nederlandse staatsburger die al acht maanden vastzit in een buitenlandse gevangenis recht heeft op maximale diplomatieke inzet van de Nederlandse regering? Zo ja, hoe geeft u daar in deze zaak invulling aan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze zaak op politiek niveau bij de Egyptische autoriteiten aan de orde te stellen en alle beschikbare diplomatieke middelen in te zetten om de vrijlating van de heer Elshal en zijn terugkeer naar Nederland te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord»?1
Ja.
Kunt u de Israëlische aanvallen op de flotilla in de meest krachtige termen veroordelen als een schending van het internationaal recht? Zo neen, waarom niet?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Bent u bereid om de onmiddellijke vrijlating van de gegijzelde opvarenden te eisen?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de betrokken Nederlanders zo snel mogelijk vrij te laten.
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Bent u het ermee eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Momenteel is er geen veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke humanitaire toegang voor professionele hulporganisaties, zoals de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, om hulp te verlenen in Gaza. In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-)organisaties toe te staan, wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. Dit onderstreept het kabinet volledig, en dit gebeurt onvoldoende. Humanitaire en commerciële goederen komen zeer beperkt binnen. Hulporganisaties ondervinden een scala aan belemmeringen, waaronder de beperkte toegang, de Israëlische restricties voor dual use goederen en de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, die hen verhindert om adequaat hulp te bieden aan de populatie in Gaza, terwijl de humanitaire noden enorm zijn. Tegelijkertijd is de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte af te leveren voornamelijk symbolisch van aard en niet voldoende om de hoge noden in Gaza werkelijk te verlichten.
Heeft u contact gelegd met de flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Zoals uw Kamer bekend, acht het kabinet het gedrag van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid rondom de detentie van Flotilla-demonstranten ontoelaatbaar. Nederland heeft de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich vanwege hun extremistische uitspraken en oproepen tot geweld reeds in juli 2025 persona non grata verklaard en hen als ongewenste vreemdeling in het Schengen Informatiesysteem (SIS) gesignaleerd. Op dat moment bleef Europees draagvlak uit om tegen deze Ministers EU-sancties aan te nemen.
Het sanctioneren van Minister Ben-Gvir ligt in Brussel opnieuw voor, hetgeen dit kabinet steunt. Het kabinet onderstreept daarbij ook dat Nederland ook voorstander is van sancties tegen Minister Smotrich.
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Op welke wijze staat u de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers bij?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Bent u bereid om sancties te treffen tegen Israël vanwege de illegale entering van de flotilla?
Zie het antwoord op vraag 3 en 6.
Nederland heeft tijdens de informele Raad Buitenlandse Zaken opgeroepen tot het sanctioneren van Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Nederland ging eerder nationaal over tot deze stap vanwege het ontbrekende EU-draagvlak.
Verder steunt het kabinet, conform de motie-Van Baarle (21501-02-3420), de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader ook in contact blijven met landen die ook duidelijkheid willen over de behandeling van Flotilla-opvarenden, ook in Europees verband.
Bent u bereid om deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De hongercrisis in Afghanistan |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldvoedselprogramma: hongercrisis in Afghanistan, mede door bezuinigingen voedselhulp»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht.
Wat is uw reactie op het feit dat volgens het Wereldvoedselprogramma in maart waarschijnlijk 17,4 miljoen mensen in Afghanistan in voedselonzekerheid zullen leven en 4,9 miljoen kinderen en moeders ondervoed zullen zijn?2
Het kabinet is bezorgd over de humanitaire situatie in Afghanistan, in het bijzonder over berichten dat Afghanistan afstevent op grootschalige voedseltekorten.
Klopt het dat het budget van het Wereldvoedselprogramma in Afghanistan in 2024 600 miljoen dollar bedroeg, dat dit in 2025 werd gehalveerd en dat dit jaar het budget ongeveer 200 miljoen zal zijn? Zo ja, deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er zoveel minder budget gaat naar het helpen van mensen in een van de meest acute voedselcrises ter wereld?
Het klopt dat WFP te maken heeft met financieringstekorten door wereldwijde bezuinigingen op humanitaire hulp. Hierdoor worden het WFP en andere VN-organisaties gedwongen om moeilijke keuzes te maken. Ook budgetten die WFP beschikbaar heeft voor hulpverlening in specifieke crises worden noodgedwongen verlaagd, zoals in Afghanistan. De combinatie van verlaagd budget en stijgende noden maakt dat WFP in Afghanistan zich nu richt op de meest urgente noden, op de acuut ondervoede mensen, met speciale focus op kinderen.
Nederland heeft de bijdrage aan WFP stabiel gehouden en blijft ook de komende jaren een stabiele en ongeoormerkte donor voor humanitaire hulp en maakt zich zorgen over de wereldwijde daling van humanitaire financiering. Het kabinet roept andere landen op om meerjarige, ongeoormerkte financiering te geven aan VN-organisaties, zodat zij effectief en efficiënt hulp kunnen verlenen daar waar de noden het hoogst zijn.
Welke gerichte bijdrage doet Nederland om de mensen met honger in Afghanistan te helpen?
De humanitaire noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog, en dat zal naar verwachting door de huidige conflicten in de regio niet snel veranderen. Daarom maakt Nederland humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibel inzetbare financiering via meerdere kanalen: VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. De Nederlandse inzet op voorspelbare en flexibel inzetbare financiering stelt organisaties in staat om wendbaar te zijn en snel in te spelen op veranderende noden wereldwijd, en dus ook in Afghanistan. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren van het het centrale VN-noodhulpfonds (CERF), evenals van het humanitaire landenfonds van de VN voor Afghanistan. Deze fondsen maken, mede dankzij onze financiering, regelmatig geld vrij voor hulpverlening in Afghanistan, waarmee o.a. voedselhulp aan hulpbehoevende Afghanen kan worden geleverd, alsook hulp na natuurrampen.
Bent u bereid om een aanvullende bijdrage te doen voor voedselhulp in Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4. De Nederlandse humanitaire inzet blijft, conform de Kamerbrief over de financiële invulling van humanitaire hulp in 2026 van dd. 12 januari 2026 (Kamerstuk 36 180, nr. 189), gestoeld op meerjarige, flexibel inzetbare financiering aan onze humanitaire partners. Deze professionele partners, waaronder WFP, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance bepalen op basis van noden en de bijdragen van andere organisaties waar en in welke mate zij hulp verstrekken Deze partners zijn betrokken bij de hulpverlening in Afghanistan en kunnen er voor kiezen hun activiteiten met Nederlandse financiering op te schalen. Regelmatig spreken we met onze partners over de ontwikkelingen in Afghanistan.
Bent u bereid om met urgentie in internationaal verband de noodzaak te bespreken voor acuut meer inzet en budget voor voedselhulp in Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Nederland pleit in internationaal verband frequent voor het belang van voldoende humanitaire financiering en aandacht voor onderbelichte crises. Deze inzet zal het kabinet voortzetten.
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Ja.
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
De Nederlandse overheid houdt niet bij of Nederlanders dienst hebben genomen bij de krijgsmacht van landen waarmee Nederland niet in gewapend conflict is. Nederland is niet in gewapend conflict met Israël en houdt deswege niet bij hoeveel Nederlanders in het Israëlische dienen of hebben gediend.
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk individueel strafbaar handelen opleveren en of het opportuun is om tot vervolging over te gaan.
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Ja, er is navraag gedaan bij de Israëlische krijgsmacht of er informatie beschikbaar was over Nederlanders in het Israëlische leger. De Israëlische krijgsmacht heeft destijds aangegeven geen informatie te delen over IDF militairen met een Nederlandse en/of dubbele nationaliteit.
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Wanneer signalen, aangiften of andere informatie beschikbaar komen die duiden op mogelijke individuele betrokkenheid bij internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, worden deze altijd zorgvuldig door het Openbaar Ministerie gewogen en wordt beoordeeld of het opportuun is om vervolging in te stellen. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot strafrechtelijke vervolging, omdat er geen aanwijzingen zijn van individuele strafrechtelijke betrokkenheid.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Betrokkenheid van individuele Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in onrechtmatig bezet gebied vindt niet plaats uit hoofde van de Nederlandse staat. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Het is aan het Openbaar Ministerie om te oordelen over mogelijk individueel strafrechtelijk handelen waarover Nederland rechtsmacht heeft. Zie het antwoord op vraag 8 en 9.
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Zie het antwoord op vraag 3 en 8.
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Ja, zie het antwoord op vraag 6.
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Ja.
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Nee.
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Ja.
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers dat dit vernederend is.
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken. Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze zich onprettig of onveilig voelen.
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak. Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan op de locatie Budel aan te verbeteren.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef. Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie. Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 6.
De Gazaraad van Trump |
|
Derk Boswijk (CDA), Eric van der Burg (VVD), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
De overstromingen in Marokko |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dodental door zware overstromingen in Marokko opgelopen naar 37»?1
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het nieuwsartikel waar u op doelt.
Wat is de laatste stand van zaken van de humanitaire situatie in Marokko als gevolg van de overstromingen?
Volgens lokale media zijn 37 doden gevallen en tientallen gewonden na uitzonderlijk hevige regenval die met name medio december leidde tot verwoestende overstromingen in Marokko. De weersomstandigheden zijn sindsdien wat gematigder. Desalniettemin wordt de bevolking door de lokale autoriteiten geadviseerd waakzaam te blijven en wordt ondersteuning geboden door bijvoorbeeld noodopvang.
Staat de Nederlandse regering in contact met de Marokkaanse regering over de humanitaire situatie en de hulpverlening? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet heeft zijn medeleven getoond voor de impact van de extreme weersomstandigheden. Een aanbod voor hulp wordt overwogen als hiervoor een formeel verzoek wordt gedaan door de Marokkaanse autoriteiten. Dit verzoek om hulpverlening werd niet ontvangen.
Heeft de Nederlandse regering reeds hulp aangeboden aan de Marokkaanse regering, in het bijzonder hulp om de vermisten te zoeken? Zo ja, wat is hiervan het resultaat? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Is de Nederlandse regering bereid om, indien daar vanuit Marokko behoefte aan is, vanuit het noodhulpbudget een bijdrage te doen om de mensen in Marokko die slachtoffer zijn van de overstromingen te helpen? Zo neen, waarom niet?
Het Nederlandse noodhulpbudget is gestoeld op het verlenen van meerjarige, flexibele financiering aan gespecialiseerde humanitaire organisaties en noodhulpfondsen. Op deze manier kunnen deze organisaties, zodra zich een ramp voordoet, snel en efficiënt hulp verlenen. Zo is Nederland onder andere een grote donor van het Disaster Response Emergency Fund van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC). Dit noodhulpfonds heeft, mede dankzij deze Nederlandse flexibele financiering, een allocatie gedaan ten behoeve van noodhulpverlening aan slachtoffers van de zware overstromingen in Marokko.2, 3
Het bericht dat de NAVO een Israëlisch defensiebedrijf in de ban doet vanwege een smeergeldzaak |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NAVO doet Israëlisch defensiebedrijf in de ban vanwege smeergeldzaak»?1
Ja.
Klopt het dat het Israëlische defensiebedrijf Elbit Systems sinds 31 juli niet meer mee mag doen met aanbestedingsprocedures van de NAVO vanwege mogelijke corruptie?
Het NATO Support and Procurement Agency (NSPA) is een NAVO-instantie die voor bondgenoten contracten sluit met leveranciers voor de aanschaf en/of onderhoud van uiteenlopende soorten materieel en munitie. Daarbij richt het NSPA zich vooral op logistieke ondersteuning. Het NSPA heeft bondgenoten in juli 2025 formeel geïnformeerd dat enkele bedrijven, afkomstig uit landen zowel binnen als buiten de NAVO, voorlopig zijn uitgesloten van aanbestedingsprocedures van het NSPA vanwege de verdenking van onregelmatigheden bij het verlenen van contracten. Defensie is ervan op de hoogte welke bedrijven dit zijn, maar doet in beginsel geen openbare uitspraken over individuele leveranciers.
Voor Nederland heeft deze maatregel vooralsnog geen rechtstreekse gevolgen omdat ons land niet betrokken is bij deze specifieke aanbestedingen van het NSPA. Zowel het NSPA als de autoriteiten van België, waar het NAVO-hoofdkwartier is gevestigd, hebben deze zaak in onderzoek.
Zowel de NAVO als Defensie hecht groot belang aan integriteit. SG NAVO Rutte heeft benadrukt dat de NAVO een zero tolerance beleid voert als het gaat om fraude en corruptie. Defensie voldoet aan de wet- en regelgeving en het beleid van Defensie op het gebied van zakelijke integriteit richt zich onder meer op transparantie, het voorkomen van belangenverstrengeling, fraude en corruptie, het samenwerken met betrouwbare (zakelijke) partners en het zorgvuldig omgaan met belastinggeld. Daarnaast heeft Defensie eigen inkoop- en aanbestedingsbeleid waarin is uitgewerkt op welke wijze belangenverstrengeling, fraude en corruptie worden voorkomen en hoe grote en/of risicovolle projecten worden beoordeeld.
Klopt het ook dat de lopende samenwerkingen tussen de NAVO en het Israëlische bedrijf zijn stilgelegd?
Nederland beschikt alleen over informatie dat het NSPA enkele bedrijven voorlopig heeft uitgesloten van aanbestedingsprocedures.
Klopt het dat het gaat om ernstige beschuldigingen waaruit blijkt dat Elbit zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan strafbare praktijken, waaronder onregelmatigheden bij de toekenning van contracten?
Zie antwoord vraag 2.
Op welk precies moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van beschuldigingen dan wel vraagtekens aan het adres van Elbit inzake mogelijke corruptie?
Medio juni 2025 heeft Defensie informatie ontvangen dat een onderzoek van het NSPA gaande was. Het NSPA heeft bondgenoten in juli 2025 formeel geïnformeerd over de voorlopige uitsluiting van enkele bedrijven van aanbestedingsprocedures van het NSPA.
Wat heeft de Nederlandse overheid gedaan met deze informatie?
Defensie kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van nog lopend onderzoek naar fraude en corruptie. Het is onwenselijk om te speculeren over de vraag welke maatregelen daaruit zouden kunnen voortvloeien.
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen in beginsel behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, onherroepelijk zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk veroordeeld zijn voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Zoals eerder opgemerkt kan Defensie niet ingaan op individuele bedrijven die volgens mediaberichten onderwerp zijn van onderzoek. Aangezien deze schriftelijke vragen specifiek Elbit betreffen, merk ik op dat bij Elbit op dit moment geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling.
Heeft u deze informatie onderzocht en meegewogen in het inkoopbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de strekking en de uitkomsten van het onderzoek delen en aangeven hoe u dit meeweegt?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u deze informatie in relatie tot uw beleid en uw inkoopkader?
Zie antwoord vraag 6.
Op welk moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van de opschorting van onderdelen van de relatie met Elbit door de NAVO?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Nederlandse overheid deze opschorting laten meewegen in het beleid en in het bijzonder in het inkoopbeleid? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn er aankopen gedaan door Nederland bij Elbit nadat de Nederlandse overheid informatie had over mogelijke verdenkingen omtrent corruptie? Zo ja, welke en hoe kunt u dit verantwoorden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u het inkopen bij een defensiebedrijf dat verwikkeld is in een corruptieschandaal verantwoord?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat door het inkopen bij Elbit Nederlands belastinggeld terecht kan komen in de zakken van corruptieplegers?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat de beschuldigingen over corruptie bovenop het feit komen dat Elbit, samen met andere Israëlische defensiebedrijven, hun wapentuig in de praktijk test op Palestijnen en hiermee schuldig zijn aan oorlogsmisdaden?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast de kwaliteit, de prijs en de levertijd ook de herkomst van het materieel meewegen. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Dat kunnen ook Israëlische leveranciers zijn zoals Elbit. Het parlement is daarover eerder geïnformeerd.2
Sommige Israëlische bedrijven leveren uiteenlopende militaire systemen, of componenten voor militaire systemen, die voor Defensie essentieel zijn. Het nu beëindigen van de relatie met deze bedrijven heeft grote gevolgen voor de operationele slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. In de huidige geopolitieke omstandigheden laat ik zwaar meewegen dat onze mensen op tijd beschikken over het beste materieel. Zij moeten voorbereid zijn om af te schrikken en eventueel te vechten en te winnen voor onze vrijheid.
Bent u bereid om alle samenwerking met en inkopen bij Elbit te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Het illegale “Israëlische” enteren van de Global Sumud Flotilla |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Global Sumud Flotilla aangeeft dat het «Israëlische» bezettingsleger de schepen van de Global Sumud Flotilla illegaal heeft onderschept en geënterd?
Ja, ik ben bekend met de onderschepping van de schepen van de Global Sumud Flotilla door de Israëlische autoriteiten tussen 1 en 2 oktober jl.
Wat is uw reactie op het feit dat «Israël» hiermee de Flotilla illegaal heeft geënterd en het de moedige opvarenden onmogelijk heeft gemaakt om de illegale blokkade van Gaza te doorbreken en hulp te brengen naar de mensen in Gaza? Bent u bereid om deze daden van het «Israëlische» bezettingsleger tegen de Flotilla te veroordelen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen.
Ten aanzien van humanitaire hulp is het standpunt van het kabinet dat deze onmiddellijk en aanzienlijk moet worden opgeschaald en alle burgers in nood in de gehele Gazastrook moet kunnen bereiken. Professionele en gemandateerde hulporganisaties moeten voldoende humanitaire toegang krijgen over land, aangezien dit de enige manier is om humanitaire hulp te kunnen bieden op de schaal die nodig is. Nederland blijft dit benadrukken richting de Israëlische autoriteiten.
Deelt u de mening dat de daden van het bezettingsleger tegen de Flotilla in strijd zijn met het internationaal recht?
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van de onderschepping van de schepen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat doet Nederland om ervoor te zorgen dat de opvarenden zo snel mogelijk in veiligheid worden gebracht en niet in gevangenschap van «Israël» blijven?
Sinds de onderschepping van de schepen van de Flotilla heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers.
Bent u bereid om sancties in te stellen tegen «Israël» vanwege de onwettige daden die het «Israëlische» bezettingsleger heeft gepleegd tegen de Global Sumud Flotilla?
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid om deze vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk morgen om 12:00 te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Opvarenden Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvarenden activistenvloot Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat»?1
Ja.
Heeft u inmiddels eigenstandige informatie over de aanvallen op de Global Sumud Flotilla? Zo neen, waarom nog niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de precieze aard en toedracht van de gerapporteerde aanvallen.
Kunt u de Israëlische aanvallen op de Global Sumud Flotilla bevestigen en in de meest krachtige termen veroordelen? Zo neen, waarom niet?
Nee.
Bent u het met ons eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Humanitaire hulp moet onmiddellijk en aanzienlijk worden opgeschaald en moet alle mensen in nood kunnen bereiken in de gehele Gazastrook. Professionele en gemandateerde hulporganisaties moeten voldoende humanitaire toegang krijgen over land. Nederland blijft dit benadrukken richting de Israëlische autoriteiten.
Tegelijkertijd was de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte af te leveren symbolisch van aard. Voor verlichting moeten professionele, gemandateerde hulporganisaties structurele en ongehinderde toegang krijgen voor de invoer en distributie van hulpgoederen. Inmiddels is volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) van de VN de toegang voor humanitaire hulp sinds het staakt-het-vuren van 10 oktober jl. iets verbeterd. Nederland blijft aandringen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren.
Heeft u contact gelegd met de Global Sumud Flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Ja, het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meermaals contact met de Nederlandse opvarenden en hun familie gehad, alsook met de organisatie die de Nederlandse deelname aan de Flotilla coördineerde.
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de Global Sumud Flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten destijds geïnformeerd over de aanwezigheid van Nederlandse staatsburgers op de schepen van de Flotilla en het
Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten meermaals verzocht de veiligheid van de schepen en hun opvarenden te waarborgen.
Daarnaast heeft het kabinet destijds aan Spanje en Italië verzocht om, via hun fregatten die zich op afstand van de Flotilla bevonden voor het leveren van bijstand aan hun burgers en andere deelnemers van de Flotilla, ook eventuele bijstand te bieden aan Nederlandse opvarenden in geval van nood.
Sinds de onderschepping van de schepen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten op 1 en 2 oktober jl. heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers.
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen, waarom het heeft verzocht. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla.
Heeft u een plan klaarliggen om de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers te helpen indien zij worden aangevallen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de koning aanwezig was bij loftuitingen over het Israëlische leger. |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In een Amsterdamse synagoge werd gebeden voor Israël en zijn leger, maar de Koning vertrok geen spier»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat tijdens een koninklijk bezoek een loftuiting werd gedaan voor het Israëlische bezettingsleger, terwijl dit leger verantwoordelijk is voor meerdere oorlogsmisdaden, waaronder het doden van tienduizenden onschuldige burgers in Gaza en genocide?
Wat vindt u ervan dat in aanwezigheid van de Koning werd gesproken over «van Libanon tot Egypte en van de Grote Zee tot de Jordaanvallei», oftewel: het gehele huidige Israël inclusief de Palestijnse gebieden? Deelt u de mening dat dit feitelijk neerkomt op een legitimering van de annexatie van Palestijns gebied?
Acht u het gepast dat de Koning aanwezig is bij een bijeenkomst waar steun wordt uitgesproken aan een staat die volgens verschillende onafhankelijke mensenrechtenorganisaties schuldig is bevonden aan het plegen meerdere oorlogsmisdaden en het plegen van een genocide tegen het Palestijnse volk?
Indien de Koning of zijn delegatie hiervan vooraf op de hoogte waren, waarom is er dan niet gekozen om de bijeenkomst niet bij te wonen of anderszins te voorkomen dat de indruk van het steunen van de Israëlische misdaden zou ontstaan?
Het bericht dat Nederland moet meewerken aan het overbrengen van ambassadebewakers |
|
Derk Boswijk (CDA), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Kati Piri (PvdA), Don Ceder (CU) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de kantonrechter in een kort geding dat de Nederlandse Staat transportmiddelen beschikbaar moet stellen voor het overbrengen van 42 Afghaanse bewakers?
Ja. Ik ben bekend met de uitspraak van de kantonrechter in kort geding van 2 september jl.
Wat vindt u van het feit dat de rechter stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en haar zorgplicht niet heeft nageleefd door de Afghaanse bewakers niet te evacueren?
Het kabinet neemt zijn werkgeversverantwoordelijkheid serieus, ook in het buitenland. In dit geval waren de 42 eisers geen werknemers van de Staat. In deze procedure zijn verschillende redenen om aan te nemen dat artikel 7:658 lid 4 BW, het Nederlandse artikel waaruit de kantonrechter een zorgplicht van de Staat tegenover de 42 eisers heeft afgeleid, niet van toepassing is. Voor de beantwoording van vraag 2 verwijs ik u verder naar de brief1 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe verklaart u dat Hongaarse beveiligers die via hetzelfde bedrijf (Asman Abi) waren ingeleend wel geëvacueerd zijn, terwijl Afghaanse bewakers die hetzelfde werk verrichtten niet werden geëvacueerd? Hoe is deze afweging tot stand gekomen?
De Hongaarse bewakers zijn door speciale eenheden van een partnerland naar het vliegveld gebracht en uiteindelijk zonder tussenkomst van Nederland gerepatrieerd naar Hongarije. Zij hadden als EU-onderdanen recht op consulaire bijstand en hierover zijn voorafgaand aan de acute evacuatiefase specifieke afspraken gemaakt. Dit is niet vanwege hun werk als extern ingehuurde bewakers bij de Nederlandse ambassade gebeurd, zoals ook gecommuniceerd is in de brief2 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe ziet u het feit dat de rechter stelt dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft tegenover deze bewakers, omdat zij ook na de evacuatie en de machtsovername door de Taliban de ambassade nog enige tijd hebben beveiligd onder gevaarlijke omstandigheden? Bent u het hiermee eens? Hoe gaat u deze bijzondere zorgplicht vervullen?
Bewakers in dienst van de externe dienstverlener hebben na de val van Kaboel doorgewerkt op de Nederlandse ambassade-compounds tot aan de afstoting daarvan, waarvan de eerste eind 2021 en de tweede eind 2022 plaatsvond. Er is met enige regelmaat contact geweest met de externe dienstverlener over de veiligheid van de voormalige extern ingehuurde ambassadebewakers. Tot op heden heeft het kabinet geen berichten ontvangen waaruit blijkt dat bewakers die voor de externe dienstverlener werkten gevaar lopen vanwege hun voormalige werkzaamheden voor de Nederlandse ambassade.
De kantonrechter overweegt in het vonnis dat de omstandigheid dat de ambassadebewakers na de evacuatie de toen ontruimde ambassade nog enige tijd hebben beveiligd zou kunnen inhouden dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft. Wat de kantonrechter daarmee bedoelt, wordt niet verder uitgewerkt en is het kabinet niet duidelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze bewakers met hun gezinnen nu zo snel mogelijk alsnog worden overgebracht?
Het overbrengen van Afghanen is een complex proces. Dat proces bestaat uit verschillende stappen, waaronder verificatie van alle gegevens en documenten. Naar aanleiding van de uitspraak van 2 september jl. heeft de Staat eerste stappen gezet voor het mogelijk maken van deze overbrengingen.
Het gerechtshof heeft op 12 september jl. de verplichting voor de Staat geschorst om per direct uitvoering te geven aan het vonnis totdat het hof in het hoger beroep over deze zaak heeft geoordeeld. Om deze reden onderneemt het kabinet momenteel geen verdere stappen om het vonnis uit te voeren.
Onderschrijft u dat de uitspraak van de kantonrechter bij voorbaat uitvoerbaar is en zo snel mogelijk uitgevoerd moet worden?
De Staat heeft een turbospoedappel ingesteld gezien het kabinet zich niet kan vinden in de uitspraak van de kantonrechter, zoals eerder aangegeven in kabinetsbrief3 van 5 september jl. en de beantwoording van het Schriftelijk Overleg van 19 september jl.4 Hierbij heeft de Staat verzocht om een snelle uitspraak in het schorsingsincident. Op 12 september jl. heeft het gerechtshof in het schorsingsincident de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegekend.
Sommige bewakers van deze groep bevinden zich momenteel in Pakistan en Iran en zouden snel naar Nederland kunnen komen. Gaat u direct dit proces in gang zetten?
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van vraag 5.
Gelden voor de overbrenging van gezinsleden dezelfde voorwaarden als voor het recht op gezinshereniging voor asielstatushouders?
In punt 4.45 van het vonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van familieleden het volgende gezegd:
«Ter voorkoming van misverstanden daaromtrent zal de kantonrechter bepalen dat als familieleden van Eisers zullen worden aangemerkt hun wettige echtgenoten of partners, die daarmee rechtens kunnen worden gelijkgesteld, en de van hen afhankelijke minderjarige kinderen, die op het moment van vertrek nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.»
Ook bij gezinshereniging na asiel wordt in beginsel uitgegaan van het kerngezin, zijnde de partner en minderjarige kinderen (paragraaf C2.4.1 Vreemdelingencirculaire). Het door de kantonrechter bepaalde is daarmee in lijn met de gezinshereniging voor asielstatushouders.
Kunt u de Kamer wekelijks (kort) op de hoogte houden van de status van deze overbrengingen?
Op dit moment wacht het kabinet de uitspraak in hoger beroep af.
Kunt u de beantwoording van deze vragen meenemen in de kabinetsbrief die tijdens de procedurevergadering van 4 september jl. is aangevraagd door de commissie Buitenlandse Zaken?
De kabinetsbrief5 is op 5 september jl. verstuurd. Hierin worden veel van de hierboven gestelde vragen beantwoord, zie ook de verwijzingen naar de brief in de beantwoording. Daarnaast is op 19 september jl. de beantwoording van het Schriftelijk Overleg6 naar de Kamer verstuurd.
Het bericht ‘Frankrijk zal Palestina erkennen als staat’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Frankrijk zal Palestina erkennen als staat»?1
Ja.
Bent u bereid Frankrijk in deze stap te volgen en de Palestijnse staat te erkennen? Zo neen, waarom niet?
De uiteindelijke erkenning van de Palestijnse staat moet voor Nederland onderdeel zijn van een politieke proces dat leidt tot een duurzame oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict, die door beide partijen wordt gedragen, waarbij de tweestatenoplossing het uitgangspunt is. Dit proces moet wat Nederland betreft zo spoedig mogelijk worden aangevangen. Erkenning vraagt om een zorgvuldige afweging. Hierbij moet niet alleen worden gekeken naar wat dit kan betekenen voor een eventuele duurzame oplossing voor de catastrofale situatie in Gaza, maar ook naar de verantwoordelijkheden en noodzakelijke hervormingen van de Palestijnse Autoriteit.
Wat vindt u ervan dat Frankrijk naar het onmenselijke leed in Gaza verwijst en zegt dat er geen alternatief meer bestaat voor het erkennen van de Palestijnse staat?
Het besluit om tot erkenning van de Palestijnse staat over te gaan is een nationale competentie. Zie overigens het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u ervan dat Israël het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen niet erkent? Deelt u de mening dat dit een schending is van het internationaal recht?
Ja. In overeenstemming met het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is en dat Israël met zijn bezetting het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk schendt.
Wat vindt u ervan dat meerdere Israëlische regeringsleden hebben toegegeven zowel de Gazastrook als de Westelijke Jordaanoever in te willen lijven bij Israël? Bent u bereid dit te veroordelen en als een schending van het internationaal recht te benoemen?
In overeenstemming met het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, erkent het kabinet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit komt overeen met de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat de nederzettingen en de uitbreiding daarvan, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden, in strijd zijn met het internationaal recht. Het kabinet veroordeelt oproepen tot annexatie van de Palestijnse Gebieden en schaart zich eveneens achter de oproep van het IGH om de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. De oproepen van de Israëlische extremistische Ministers Ben-Gvir en Smotrich tot annexatie van de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever zijn onacceptabel en vormen mede aanleiding voor het kabinet om hen tot persona non grata te verklaren en voor de inzet om hen te registreren als ongewenste vreemdelingen in het Schengenregistratiesysteem (SIS). Daarnaast heeft Nederland in EU-verband het Zweedse initiatief gesteund m.b.t. het sanctioneren van extremistische Israëlische Ministers, in lijn met de gewijzigde motie Klaver.2
Wat vindt u ervan dat ook de Knesset op 23 juli 2025 (met 71 stemmen voor en slechts 13 tegen) een motie aannam die oproept om «Israëlische soevereiniteit op Judea, Samaria en de Jordaanvallei» toe te passen? Bent u bereid dit te veroordelen?
Het kabinet veroordeelt deze oproep. Zie voor de toelichting het antwoord op vraag 5.
Wat vindt u ervan dat volgens de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) het erkennen van een Palestijnse staat niet afgedaan kan worden als symboolpolitiek, ook als dit op de korte termijn geen effectief verschil op het strijdtoneel creëert?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof uit 2024 over de illegale bezetting van Palestina genoeg juridische grond verschaft voor de erkenning van Palestina?
Zie voor de Nederlandse afweging om al dan niet over te gaan tot erkenning het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het decennialange Nederlandse beleid om Palestina niet te erkennen, het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen middels een eigen staat belemmert?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Israëlische minister Katz wil van Gazaanse stad Rafah een gesloten kamp maken’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israëlische Minister Katz wil van Gazaanse stad Rafah een gesloten kamp maken»?1
Ja.
Klopt het dat de Israëlische Minister Katz een plan heeft gepresenteerd waarin staat dat Palestijnen naar een plek in Gaza moeten worden verplaatst, en dat zij verplicht een «veiligheidscheck» moeten ondergaan voordat zij het kamp mogen betreden? Klopt het ook dat in het plan staat dat wie dit kamp betreedt, het niet meer mag verlaten, en dat Israëlische militairen het gehele terrein zullen bewaken?
Het kabinet heeft vernomen dat een dergelijk plan is gepresenteerd door de Israëlische Minister van Defensie, Katz. Het plan is echter niet gedeeld met Nederland. Het kabinet heeft daarom geen kennis van de inhoud van het plan. Voor het kabinet is duidelijk: Gaza is van de Palestijnen.
Klopt het dat volgens het plan uiteindelijk de volledige Palestijnse bevolking van Gaza naar dit kamp moet worden overgebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het internationaal recht en het humanitair oorlogsrecht op een grove wijze wordt geschonden met dit plan en dat de inhoud van dit plan een oorlogsmisdaad is? Zo nee, waarom niet?
Een oproep voor een door militairen afgesloten gebied voor Palestijnse burgers is onacceptabel. Als deze plannen daadwerkelijk zouden worden uitgevoerd zal dit gepaard gaan met gedwongen ontheemding en deportatie. Dit zou een schending van het internationaal (humanitair) recht en voor het kabinet onbestaanbaar.
Deelt u de opvatting van mensenrechtenadvocaat Michael Sfard dat dit plan neerkomt op een operationele blauwdruk voor misdaden tegen de menselijkheid, aangezien het gaat om grootschalige gedwongen verplaatsing en internering van een bevolkingsgroep met het oog op deportatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de analyse van historicus Amos Goldberg dat het geplande «kamp» in werkelijkheid gezien kan worden als een moderne variant op een concentratiekamp, gelet op het ontbreken van bewegingsvrijheid, levensvoorwaarden, infrastructuur en zelfbeschikking? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u reeds actie ondernomen richting de regering van Israël dan wel in Europees verband om duidelijk te maken dat dit plan volstrekt ontoelaatbaar is onder het internationaal recht? Zo nee, bent u bereid dat met spoed alsnog te doen?
Het kabinet heeft in bilateraal verband benadrukt dat een dergelijk plan onacceptabel is en onderstreept consequent en op alle niveaus dat Israël zich aan het internationaal recht moet houden.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit plan nationale sanctiemaatregelen in te voeren tegen de regering van Israël en in Europees verband voor de meest strenge sancties te pleiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer over de situatie in de Gazastrook van 28 juli jl., zet het kabinet zich in om door een combinatie van druk op en dialoog met Israël de situatie in zowel de Gazastrook als de Westelijke Jordaanoever te verbeteren.
Zoals aangekondigd in de brief is de Israëlische ambassadeur op ministerieel niveau ontboden op 29 juli jl. Tijdens de ontbieding is met klem aangedrongen bij de regering-Netanyahu op het inslaan van een andere koers, het nakomen van de humanitaire afspraken met de EU en het naleven van het internationaal humanitair recht. Daarnaast heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd over de verschillende genomen maatregelen om zodoende de druk bij de regering-Netanyahu voor deze beleidsverandering te verhogen. Denk hierbij onder andere aan het in Europees verband pleiten voor de opschorting van het handelsdeel van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël en het nationaal tot persona non Grata verklaren van de extremistische Ministers Smotrich en Ben Gvir, inclusief de inzet om hen te registreren als ongewenste vreemdelingen in het Schengenregistratiesysteem (SIS). Voor het volledige pakket aan maatregelen voor zowel het EU- alsmede het nationale spoor verwijs ik u naar de eerder genoemde Kamerbrief van 28 juli jl.
Het rapport ‘Tussen Minaret en Ministerie |
|
Doğukan Ergin (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport »Tussen Minaret & Ministerie» van onderzoeksbureaus Movisie en MoslimPeil?1 2
Ja.
In hoeverre deelt u de zorgen dat maar liefst 72 procent van de moskeebesturen weinig tot geen vertrouwen heeft in de overheid?
Het is zorgelijk dat het vertrouwen van een groot deel van de moskeebesturen in de overheid zo laag is. Herstel van vertrouwen is nodig en vraagt om een langdurige, open en eerlijke dialoog, op gelijkwaardige basis, alsook het voorkomen en aanpakken van discriminatie.
Ziet u in dat onder meer het heimelijk onderzoek doen in moskeeën, het schandaal van de Fraude Signalering Voorziening (zoals het doneren aan een moskee werd gezien als een indicator voor fraude) en het Toeslagenschandaal, het vertrouwen in de overheid ernstig heeft geschaad en dat de rijksoverheid er alles aan moet doen om dit vertrouwen te herstellen?
Het kabinet erkent het bestaan van een relatie tussen onrechtvaardige- en ervaren onrechtvaardige behandeling door de overheid en het vertrouwen in de overheid. De verantwoordelijkheid voor het herstel daarvan ligt deels bij de overheid. Daarom wordt er op dit moment door het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzocht hoe deze relatie precies werkt en hoe de overheid hier in het vervolg responsiever op kan reageren (project «Leren van signalen uit de samenleving»)3.
Een voorbeeld waarin de overheid verantwoordelijkheid heeft genomen voor zaken die in het verleden niet goed zijn gegaan is het hersteltraject van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in het verleden bij de aanpak van maatschappelijke spanningen en de preventie van radicalisering persoonsgegevens verwerkt van voornamelijk mensen met een islamitische achtergrond zonder dat daarvoor een rechtmatige grondslag bestond.4 Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informeert actief personen van wie in het verleden onrechtmatig persoonsgegevens zijn verworven en biedt hun inzage in de verwerkingen. De toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in 2023 hiervoor excuses gemaakt. Ook heeft zij erkend dat de overheid onbedoeld heeft bijgedragen aan stigmatisering van islamitische gemeenschappen. De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft in juni 2025 de voortgang van dit traject gedeeld en gereflecteerd op het afgeronde onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens over deze kwestie.5
Welke nieuwe maatregelen is het kabinet van plan om te nemen naar aanleiding van het bovengenoemde rapport?
Het kabinet neemt het rapport «Tussen Minaret en Ministerie» serieus en werkt aan gerichte maatregelen om dit vertrouwen te herstellen. Voor dit herstel is allereerst de dialoog tussen overheid en de moslimgemeenschappen van groot belang. Het kunnen vaststellen van de zorgen die binnen de gemeenschappen leven, is effectiever wanneer het kabinet dit uit eerste hand kan vernemen door middel van het aangaan van de dialoog. Welke departementen er op dit moment in gesprek zijn met de moslimgemeenschappen, of dat voornemens zijn te doen, wordt in vraag 8 verder uiteengezet
Ook is aan Uw Kamer per brief6 dit jaar toegezegd de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en het verder voorkomen en bestrijden van moslimdiscriminatie7
Erkent u uw eigen rol in de verdere polarisatie en ondermijning van het vertrouwen van moskeebestuurders en de islamitische gemeenschappen in de overheid, door uw uitspraak dat «islamitische jongeren voor een groot deel onze Nederlandse normen en waarden niet onderschrijven»? En bent u inmiddels bereid uw welgemeende excuses hiervoor aan te bieden? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft met uw Kamer in het WGO over integratie op 25 november 2024 gesproken.8
Bent u bereid onomwonden uit te spreken dat moskeeën een positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving en in dat licht ook te stoppen met al het stigmatiserende en discriminerende beleid dat moslims primair beschouwt als veiligheidsrisico?
In Nederland mag je geloven wat je wilt en uiting geven aan je geloof. Voor Nederlandse moslims horen moskeeën daarbij. Moskeeën zijn een plek in onze samenleving om uiting te kunnen geven aan de islam. Moskeeën zijn niet alleen gebedshuizen, maar vaak ook ontmoetingsplekken en steunpunten in de wijk, en bruggenbouwers in de verschillende gemeenschappen. Moskeeën die dit doen vervullen daarmee ook een maatschappelijke rol. We werken aan beleid dat vertrekt vanuit vertrouwen, gelijkwaardigheid en respect. Het Beleidskompas vervult daarin een belangrijke rol. Om in de toekomst onbewust discriminerend en stigmatiserend beleid tegen te gaan en te voorkomen, wordt er op dit moment gewerkt aan het verstevigen en prominenter maken van de discriminatietoets in het Beleidskompas. Tevens werkt de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme aan een beleidsvariant van de Discriminatietoets Publieke Dienstverleners (DPD) en is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in gesprek op welke wijze er aan de DPD een vervolg kan worden gegeven. Hiermee wordt beoogd mogelijk discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen.
In hoeverre wilt u zich inspannen om, zoals terecht gebeurt bij de bestrijding van antisemitisme, ook een aparte Nationaal Coördinator Bestrijding Moslimhaat in het leven te roepen? Zo nee, waarom niet?
Er is bewust gekozen voor het instellen van een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) die zich inzet voor alle discriminatiegronden. Naast de NCDR is er ook een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB).
De NCAB is op nadrukkelijk verzoek van uw Kamer ingesteld9 en sluit tevens aan bij de oproep van de Europese Commissie in 2021. Deze oproep, het aanstellen van een nationaal coördinator antisemitismebestrijding en een separate aanpak van antisemitisme, is gedaan naar aanleiding van de EU-strategie10 op de aanpak van antisemitisme en het groeiend aantal incidenten in Europese lidstaten.
Desalniettemin acht het kabinet het wenselijk dat de overige discriminatiegronden bij één instituut belegd worden, zodat versnippering van de aandacht en aanpak van deze gronden voorkomen wordt. Hierdoor wordt er rekening gehouden met de verbinding tussen de verschillende actoren en de intersectionaliteit van talloze discriminatiegronden, alsook mogelijke synergie in de aanpakken.
Welke concrete stappen gaat u zetten om nog vóór de aankomende verkiezingen te komen tot een jaarlijks en structureel overlegmoment tussen de politieke top van uw ministerie (waaronder uzelf) en vertegenwoordigers van de Nederlandse moslimgemeenschap en dit te implementeren in beleid?
Het betrekken van moslims bij de aanpak van moslimdiscriminatie is van essentieel belang. Op dit moment worden er binnen meerdere departementen structurele en periodieke gesprekken gevoerd.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voert een periodieke dialoog met een brede vertegenwoordiging van moslimorganisaties, waaronder moskeekoepels. Deze dialoog is geen eenmalige inspanning, maar een continu proces waarin er actief wordt samengewerkt aan het delen van zorgen, het vergroten van wederzijds begrip en het versterken van de maatschappelijke verbinding.
Tevens heeft Staatssecretaris Participatie en Integratie gesprekken gevoerd met Collectief Jonge Moslims (CJM) en de K9, een samenwerkingsverband van regionale moskeekoepels in Nederland.
De Minister van OCW heeft twee keer met de moslimstudentenorganisatie Moslimstudenten Associatie Nederland (MSA NL) gesproken. Deze gesprekken zijn als prettig ervaren. Ook wordt er op ambtelijk niveau met organisaties gesproken.
Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bestaat tevens de wens om in gesprek te blijven met de moslimgemeenschap. Op 10 juli jl. heeft er een gesprek tussen de voormalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en MSA NL en CJM plaatsgevonden. Onderwerp van gesprek was de huidige problematiek en (politieke) situatie omtrent moslimdiscriminatie en discriminatie van moslimstudenten in Nederland. Daarnaast hebben zij hun persoonlijke ervaringen gedeeld en is er gesproken over welke oorzaken hier volgens hen aan ten grondslag liggen. De wens vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is om deze overleggen structureel te blijven voeren. Er is daarom door de voormalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de toezegging gedaan om halfjaarlijks een gesprek te voeren. Het volgende gesprek staat gepland voor het einde van Q4.
Diezelfde dag hebben de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een bijeenkomst georganiseerd waarbij de uitkomsten van het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie gedeeld en besproken zijn met onder andere vertegenwoordigers van moslimgemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Door middel van deelsessies is er op de verbeterkansen die uit het onderzoek naar voren komen gereflecteerd binnen de domeinen zorg, overheid en arbeidsmarkt/onderwijs. Bezien zal worden of en hoe er aan deze uitkomsten beleidsmatig structurele invulling kan worden gegeven.
Tevens zijn de Minister-President, voormalig Minister Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Staatssecretaris Participatie en Integratie, en de Staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie op 26 augustus jl. tijdens een Catshuissessie in gesprek gegaan met een groep moslimjongeren. Zij gaven aan zich niet voldoende gehoord te voelen en ervaren een gebrek aan vertrouwen in de politiek en de overheid.